De objecto charitatis, in duodecim articulos divisa
Over het voorwerp van de liefde
223Deinde considerandum est de objecto charitas. Circa quod duo consideranda occurrunt : primo quidem de his, quae sunt ex charitate diligenda; secundo de ordine diligendorum. Circa primum quaeruntur duodecim : 1. Utrum solus Deus sit ex charitate diligendus, vel etiam proximus. — 2. Utrum charitas sit ex charitate diligenda. — 3. Utrum creaturae irrationales sint ex charitate diligendae. — 4. Utrum aliquis possit ex charitate seipsum diligere. — 5. Utrum corpus proprium. — 6. Utrum peccatores sint ex charitate diligendi. — 7. Utrum peccatores seipsos diligant. — 8. Utrum inimici sint ex charitate 224diligendi. — 9. Utrum sint eis signa amicitiae exhibenda. — 10. Utrum Angeli sint ex charitate diligendi. — 11. Utrum daemones. — 12. De enumeratione diligendorum ex charitate.
223Vervolgens handelen we over het voorwerp van de liefde. We beschouwen ten eerste, de voorwerpen die uit liefde moeten bemind worden; ten tweede, de rangorde van die voorwerpen. Omtrent het eerste stellen we twaalf vragen : 1. Moet men alleen God uit liefde beminnen, of ook den evenmensch? 2. Moet de liefde uit liefde bemind worden? 3. Moeten de onredelijke schepselen uit liefde bemind worden? 4. Kan men zichzelf uit liefde beminnen? 5. En zijn eigen lichaam? 6. Moet men de zondaars uit liefde beminnen? 7. Beminnen de zondaars zichzelf? 8. Moet men de vijanden uit liefde beminnen? 2249. Moet men den vijanden vriendschap bewijzen? 10. Moet men de engelen uit liefde beminnen? 11. En de duivelen? 12. Over de opsomming van de voorwerpen die men uit liefde moet beminnen.223Vervolgens handelen we over het voorwerp van de liefde. We beschouwen ten eerste, de voorwerpen die uit liefde moeten bemind worden; ten tweede, de rangorde van die voorwerpen. Omtrent het eerste stellen we twaalf vragen: 1. Moet men alleen God uit liefde beminnen, of ook de evenmens? 2. Moet de liefde uit liefde bemind worden? 3. Moeten de onredelijke schepselen uit liefde bemind worden? 4. Kan men zichzelf uit liefde beminnen? 5. En zijn eigen lichaam? 6. Moet men de zondaars uit liefde beminnen? 7. Beminnen de zondaars zichzelf? 8. Moet men de vijanden uit liefde beminnen? 2249. Moet men de vijanden vriendschap bewijzen? 10. Moet men de engelen uit liefde beminnen? 11. En de duivelen? 12. Over de opsomming van de voorwerpen die men uit liefde moet beminnen.
Utrum dilectio charitatis sistat in Deo, an se extendat etiam ad proximum
Beperkt zich de genegenheid der liefde tot God, of strekt ze zich ook uit tot den evenmensch?Beperkt zich de genegenheid van de liefde tot God, of strekt ze zich ook uit tot de evenmens?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod dilectio charitatis sistat in Deo, et non se extendat ad proximum. Sicut enim Deo debemus amorem, ita et timorem, secundum illud Deuter. 10. [v. 12] : « Et nunc Israël, quid Dominus Deus tuus petit a te, nisi ut timeas, et diligas eum? » Sed alius est timor quo timetur homo, qui dicitur timor humanus, et alius timor, quo timetur Deus, qui est vel servilis, vel filialis, ut ex supradictis patet 225[q. 19. art. 2.]. Ergo etiam alius est amor quo diligitur Deus, et alius est amor quo diligitur proximus.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de genegenheid der liefde zich beperkt tot God en zich niet uitstrekt tot den evenmensch. — 1. We moeten God beminnen op dezelfde wijze als we Hem moeten vreezen, naar het woord uit het Boek Deuteronomium (10. 12) : « Nu dan Israël, wat vraagt uw Heer God anders van u dan dat gij Hem vreest... en Hem bemint ». Welnu we vreezen de menschen door de menschelijke vrees, en God door een andere vrees, nl. de slaafsche en de kinderlijke vrees, 225zooals boven gezegd is (19e Kw. 2e Art.). Bijgevolg is de liefde waardoor we God beminnen, verschillend van de liefde waardoor we den evenmensch beminnen.Bedenkingen. — Men beweert, dat de genegenheid van de liefde zich beperkt tot God en zich niet uitstrekt tot de evenmens. — 1. We moeten God beminnen op dezelfde wijze als we Hem moeten vrezen, naar het woord uit het Boek Deuteronomium (10, 12): “Nu dan Israël, wat vraagt uw Heer God anders van u dan dat gij Hem vreest... en Hem bemint”. Welnu we vrezen de mensen door de menselijke vrees, en God door een andere vrees, nl. de slaafse en de kinderlijke vrees, 225zoals boven gezegd is (19e Kw. 2e Art.). Bijgevolg is de liefde waardoor we God beminnen, verschillend van de liefde waardoor we de evenmens beminnen.
2. Praeterea, Philosophus dicit in 7. Ethic. [cap. 8.], quod « amari est honorari ». Sed alius est honor qui debetur Deo, qui est honor latriae, et alius est honor, qui debetur creaturae, qui est honor duliae. Ergo etiam alius est amor quo diligitur Deus, et alius, quo diligitur proximus.
2. De Wijsgeer zegt : « Bemind worden, is geëerd worden ». Welnu de vereering die we God verschuldigd zijn, nl. de godsvereering (latria), is verschillend van de vereering, die we het schepsel verschuldigd zijn, nl. de godsdienstige vereering (dulia). Bijgevolg is ook de liefde waarmee we God beminnen verschillend van de liefde waarmee we den evenmensch beminnen.2. De Wijsgeer zegt: “Bemind worden, is geëerd worden”. Welnu de verering die we God verschuldigd zijn, nl. de godsverering (latria), is verschillend van de verering, die we het schepsel verschuldigd zijn, nl. de godsdienstige verering (dulia). Bijgevolg is ook de liefde waarmee we God beminnen verschillend van de liefde waarmee we de evenmens beminnen.
3. Praeterea, « spes generat charitatem », ut habetur in Glossa in Matth. 1. Sed spes ita habetur de Deo, quod reprehenduntur sperantes in homine, secundum illud Jerem. 17. [v. 5] : « Maledictus homo, qui confidit in homine ». Ergo charitas ita debetur Deo, quod ad proximum se non extendat.
3. « Hoop baart liefde », zooals de Glossa zegt. Welnu, ons wordt gevraagd onze hoop alleen op God te stellen, zoodat zij die op een mensch hopen gegispt worden, naar het woord van Jeremias (17. 5) : « Vervloekt de man, die op menschen vertrouwt ». Bijgevolg moet de liefde tot God zich niet uitstrekken tot den evenmensch.3. “Hoop baart liefde”, zoals de Glossa zegt. Welnu, ons wordt gevraagd onze hoop alleen op God te stellen, zodat zij die op een mens hopen gegispt worden, naar het woord van Jeremia (17, 5): “Vervloekt de man, die op mensen vertrouwt”. Bijgevolg moet de liefde tot God zich niet uitstrekken tot de evenmens.
Sed contra est, quod dicit 1. Joan. 4. [v. 21] : « Hoc mandatum habemus a Deo, ut qui diligit Deum, diligat et fratrem suum ».
Daartegenover staat echter het woord van Joannes in den Eersten Brief (4. 21) : « Dit gebod hebben we van God ontvangen, dat hij die God bemint ook zijn broeder zou beminnen ».Daartegenover staat echter het woord van Johannes in de Eerste Brief (4, 21): “Dit gebod hebben we van God ontvangen, dat hij die God bemint ook zijn broeder zou beminnen”.
Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [1-2. q. 54. art. 2.], 226habitus non diversificatur, nisi ex hoc quod variat speciem actus. Omnis enim actus unius speciei ad eundem habitum pertinet. Cum autem species actus ex objecto sumatur secundum formalem rationem ipsius, necesse est quod idem specie sit actus qui fertur in rationem objecti, et qui fertur in objectum sub tali ratione; sicut eadem est specie visio qua videtur lumen, et qua videtur color secundum luminis rationem. Ratio autem diligendi proximum Deus est : hoc enim debemus in proximo diligere, ut in Deo sit. Unde manifestum est quod idem specie actus est quo diligitur Deus, et quo diligitur proximus. Et propter hoc habitus charitatis non solum se extendit ad dilectionem Dei sed etiam ad dilectionem proximi.
Leerstelling. — Boven is gezegd (I-II. 54e Kw. 2e Art.), 226dat de vaardigheden soortelijk verschillen doordat ze soortelijk verschillende daden voortbrengen, want elke soortelijk gelijke daad behoort tot dezelfde vaardigheid. De daden echter zijn soortelijk onderscheiden naar hun formeel voorwerp. Bijgevolg is de daad die een formeel voorwerp nastreeft, soortelijk gelijk aan de daad die een voorwerp nastreeft onder dit formeel opzicht beschouwd. Het zien van het licht, b. v. is soortelijk gelijk aan het zien van de kleuren, formeel zichtbaar door het licht. Welnu, de formeele reden waarom wij den evenmensch beminnen is God; want wat wij in den evenmensch moeten beminnen is zijn deelachtigheid aan God. Daaruit blijkt duidelijk dat de daad waardoor we God beminnen soortelijk gelijk is aan de daad waardoor we den evenmensch beminnen. Daarom omvat de deugd van liefde, niet slechts de liefde tot God, maar ook de liefde tot den evenmensch.Leerstelling. — Boven is gezegd (1-2 54e Kw. 2e Art.), 226dat de vaardigheden soortelijk verschillen doordat ze soortelijk verschillende daden voortbrengen, want elke soortelijk gelijke daad behoort tot dezelfde vaardigheid. De daden echter zijn soortelijk onderscheiden naar hun formeel voorwerp. Bijgevolg is de daad die een formeel voorwerp nastreeft, soortelijk gelijk aan de daad die een voorwerp nastreeft onder dit formeel opzicht beschouwd. Het zien van het licht, bv. is soortelijk gelijk aan het zien van de kleuren, formeel zichtbaar door het licht. Welnu, de formele reden waarom wij de evenmens beminnen is God; want wat wij in de evenmens moeten beminnen is zijn deelachtigheid aan God. Daaruit blijkt duidelijk dat de daad waardoor we God beminnen soortelijk gelijk is aan de daad waardoor we de evenmens beminnen. Daarom omvat de deugd van liefde, niet slechts de liefde tot God, maar ook de liefde tot de evenmens.
Ad primum ergo dicendum quod proximus timeri potest dupliciter, sicut et amari. Uno modo propter id quod est proprium sibi : puta cum aliquis timet tyrannum propter ejus crudelitatem vel cum amat ipsum propter cupiditatem acquirendi aliquid ab eo; et talis timor humanus distinguitur a timore 227Dei et similiter amor. Alio modo timetur homo et amatur propter id quod est Dei in ipso; sicut cum saecularis potestas timetur propter ministerium divinum quod habet ad vindictam malefactorum, et amatur propter justitiam; et talis timor hominis non distinguitur a timore Dei sicut nec amor.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Men kan den evenmensch op twee wijzen vreezen en beminnen : Vooreerst, om reden van wat hem eigen is. Aldus vreest men een dwingeland, omdat hij wreed is; men bemint hem, omdat men uit hebzucht iets van hem verwacht. Dergelijke menschelijke vrees is onderscheiden van de vreeze Gods, en eveneens dergelijke liefde. Doch 227men kan iemand vreezen en beminnen om de gelijkenis met God waaraan hij deelachtig is. Aldus vreest men het burgerlijk gezag omdat het een goddelijke bediening waarneemt, waardoor het gerechtigd is de boosdoeners te straffen; en men bemint het om zijn rechtvaardigheid. Dergelijke vrees en dergelijke liefde voor een mensch is niet verschillend van de vreeze Gods en de liefde tot God.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Men kan de evenmens op twee wijzen vrezen en beminnen: Vooreerst, om reden van wat hem eigen is. Aldus vreest men een dwingeland, omdat hij wreed is; men bemint hem, omdat men uit hebzucht iets van hem verwacht. Dergelijke menselijke vrees is onderscheiden van de vreze Gods, en eveneens dergelijke liefde. Doch 227men kan iemand vrezen en beminnen om de gelijkenis met God waaraan hij deelachtig is. Aldus vreest men het burgerlijk gezag omdat het een goddelijke bediening waarneemt, waardoor het gerechtigd is de boosdoeners te straffen; en men bemint het om zijn rechtvaardigheid. Dergelijke vrees en dergelijke liefde voor een mens is niet verschillend van de vreze Gods en de liefde tot God.
Ad secundum dicendum quod amor respicit bonum in communi. Sed honor respicit proprium bonum honorati. Defertur enim alicui in testimonium propriae virtutis. Et ideo amor non diversificatur specie propter diversam quantitatem bonitatis diversorum, dummodo referantur ad aliquod unum bonum commune. Sed honor diversificatur secundum propria bona singulorum. Unde eodem amore charitatis diligimus omnes proximos, inquantum referuntur ad unum bonum commune quod est Deus. Sed diversos honores diversis deferimus, secundum propriam virtutem singulorum. Et similiter Deo singularem honorem latriae exhibemus propter ejus singularem virtutem.
2. De liefde is gericht op het goed in het algemeen; de eer, op het persoonlijk goed van hem die geëerd wordt, want men eert hem als erkenning van zijn persoonlijke deugd. Daarom wordt de liefde niet soortelijk onderscheiden omdat de verschillende voorwerpen die bemind worden, minder of meer goed zijn, ten minste wanneer ze alle tot éénzelfde algemeen goed herleid worden. Maar de eer verschilt volgens de persoonlijke waarde. Daarom beminnen we met éénzelfde liefde alle evenmenschen, in zoover zij tot hetzelfde algemeen goed, dat God is, herleid worden. Maar we eeren elk volgens zijn persoonlijke deugd, zooals we God op bijzondere wijze eeren om reden van zijn persoonlijke waardigheid.2. De liefde is gericht op het goed in het algemeen; de eer, op het persoonlijk goed van hem die geëerd wordt, want men eert hem als erkenning van zijn persoonlijke deugd. Daarom wordt de liefde niet soortelijk onderscheiden omdat de verschillende voorwerpen die bemind worden, minder of meer goed zijn, ten minste wanneer ze alle tot éénzelfde algemeen goed herleid worden. Maar de eer verschilt volgens de persoonlijke waarde. Daarom beminnen we met éénzelfde liefde alle evenmensen, in zover zij tot hetzelfde algemeen goed, dat God is, herleid worden. Maar we eren elk volgens zijn persoonlijke deugd, zoals we God op bijzondere wijze eren om reden van zijn persoonlijke waardigheid.
Ad tertium dicendum quod vituperantur qui sperant in homine sicut in principali auctore salutis, non autem qui sperant in homine sicut 228adjuvante ministerialiter sub Deo. Et similiter reprehensibile esset si quis proximum diligeret tamquam principalem finem, non autem si quis proximum diligat propter Deum. Quod pertinet ad charitatem.
3. Gegispt worden zij die op iemand vertrouwen, als was hij de voornaamste oorzaak van hun zaligheid; men gispt echter diegenen niet, die hun vertrouwen stellen in een mensch, die als Gods 228dienaar helpt. Zoo zou ook hij afgekeurd worden die zijn evenmensch als voornaamste doel zou beminnen, maar niet hij die zijn evenmensch bemint om God. En dat doet de liefde.3. Gegispt worden zij die op iemand vertrouwen, als was hij de voornaamste oorzaak van hun zaligheid; men gispt echter diegenen niet, die hun vertrouwen stellen in een mens, die als Gods 228dienaar helpt. Zo zou ook hij afgekeurd worden die zijn evenmens als voornaamste doel zou beminnen, maar niet hij die zijn evenmens bemint om God. En dat doet de liefde.
Utrum charitas sit ex charitate diligenda
Moet men de liefde zelf uit liefde beminnen?
Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod charitas non sit ex charitate diligenda. Ea enim quae sunt ex charitate diligenda, duobus praeceptis charitatis concluduntur, ut patet Matth. 22. [v. 37]. Sed sub neutro eorum charitas continetur; quia nec charitas est Deus, nec est proximus. Ergo charitas non est ex charitate diligenda.
Bedenkingen. — Men beweert, dat men de liefde zelf niet uit liefde moet beminnen. — 1. Alles wat uit liefde moet bemind worden is vervat in het dubbele gebod omtrent de liefde, zooals blijkt bij Mattheus (22. 37). Doch daarin wordt de liefde niet vermeld; want de liefde is noch God, noch de evenmensch. Dus is de liefde niet uit liefde te beminnen.Bedenkingen. — Men beweert, dat men de liefde zelf niet uit liefde moet beminnen. — 1. Alles wat uit liefde moet bemind worden is vervat in het dubbele gebod omtrent de liefde, zoals blijkt bij Matteüs (22, 37). Doch daarin wordt de liefde niet vermeld; want de liefde is noch God, noch de evenmens. Dus is de liefde niet uit liefde te beminnen.
2. Praeterea, charitas fundatur super communicationem beatitudinis, ut supra dictum est [q. 23. art. 1.]. Sed charitas non potest esse particeps beatitudinis. Ergo charitas non est ex charitate diligenda.
2. De liefde is gegrondvest op de mededeeling der zaligheid, zooals boven gezegd is (23e Kw. 1e Art.). Welnu de liefde zelf kan niet deelachtig zijn aan de zaligheid. Dus kan de liefde niet uit liefde bemind worden.2. De liefde is gegrondvest op de mededeling van de zaligheid, zoals boven gezegd is (23e Kw. 1e Art.). Welnu de liefde zelf kan niet deelachtig zijn aan de zaligheid. Dus kan de liefde niet uit liefde bemind worden.
2293. Praeterea, charitas est amicitia quaedam, ut supra dictum est [ibid.]. Sed nullus potest habere amicitiam ad charitatem vel ad aliquod accidens, quia hujusmodi reamare non possunt, quod est de ratione amicitiae, ut dicitur in 8. Ethic. [cap. 2.]. Ergo charitas non est ex charitate diligenda.
2293. De liefde is een vriendschap, zooals (t. a. p.) gezegd is. Welnu niemand kan de liefde als vriend hebben, noch iets dat uiteraard bijkomstig is. Want dergelijke dingen kunnen geen wederliefde schenken, wat in de vriendschap vereischt is, zooals in de Ethica gezegd wordt. Bijgevolg kan de liefde niet liefde bemind worden.2293. De liefde is een vriendschap, zoals (t. a. p.) gezegd is. Welnu niemand kan de liefde als vriend hebben, noch iets dat uiteraard bijkomstig is. Want dergelijke dingen kunnen geen wederliefde schenken, wat in de vriendschap vereist is, zoals in de Ethica gezegd wordt. Bijgevolg kan de liefde niet liefde bemind worden.
Sed contra est, quod Augustinus dicit. 8. de Trinit. [cap. 7] : « Qui diligit proximum, consequens est, ut etiam ipsam dilectionem diligat ». Sed proximum diligitur ex charitate. Ergo consequens est ut etiam charitas ex charitate diligatur.
Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt : « Wie zijn evenmensch bemint, moet noodzakelijk ook de liefde zelf beminnen ». Welnu, daar de evenmensch uit liefde bemind wordt, moet ook de liefde uit liefde bemind worden.Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt: “Wie zijn evenmens bemint, moet noodzakelijk ook de liefde zelf beminnen”. Welnu, daar de evenmens uit liefde bemind wordt, moet ook de liefde uit liefde bemind worden.
Respondeo dicendum quod charitas amor quidam est. Amor autem ex natura potentiae, cujus est actus, habet quod possit supra seipsum reflecti: quia enim voluntatis objectum est bonum universale, quidquid sub ratione boni continetur potest cadere sub actu voluntatis. Et quia ipsum velle est quoddam bonum, potest velle se velle. Sicut et intellectus, cujus objectum est verum, intelligit se intelligere; quia hoc etiam est quoddam verum. 230Sed amor etiam ex ratione propriae speciei habet quod supra se reflectatur; quia est spontaneus motus amantis in amatum. Unde ex hoc ipso quod amat aliquis, amat se amare. Sed charitas non est simpliciter amor, sed habet rationem amicitiae, ut supra dictum est [q. 23. art. 1.]. Per amicitiam autem amatur aliquid dupliciter : uno modo, sicut ipse amicus, ad quem amicitiam habemus, et cui bona volumus. Alio modo, sicut bonum, quod amico volumus. Et hoc modo charitas per charitatem amatur, et non primo : quia charitas est illud bonum, quod optamus omnibus, quos ex charitate diligimus. Et eadem ratio est de beatitudine et alius virtutibus.
Leerstelling. — De goddelijke liefde is een zekere genegenheid. Krachtens de natuur van het vermogen waarvan de genegenheid uitgaat, kan deze op zichzelf terugslaan. Immers, het voorwerp van den wil is alle goed, zoodat alles wat op eenige wijze goed is, onder den wil valt. Aldus verstaat ook het verstand, dat het ware als voorwerp heeft, dat het verstaat; dat ook immers is een zekere waarheid. 230Bij de genegenheid komt dit terugslaan op zichzelf bovendien voort uit haar eigen aard, omdat zij een spontaan heenneigen is van den minnaar naar het beminde : derhalve doordat iemand bemint, is zijn minnen hem lief. Maar de deugd van liefde is niet slechts genegenheid, zij is ook vriendschap, zooals boven gezegd is (23e Kw. 1e Art.). De liefde nu in de vriendschap is tweevoudig : Men bemint zijn vriend waarmee men bevriend is en aan wien men goed wil. Men bemint daarbij het goed dat men zijn vriend toewenscht. Op die tweede wijze wordt de deugd van liefde door de liefde bereikt, en niet op de eerste wijze. De liefde is immers het goed dat we allen toewenschen die we uit liefde beminnen. Hetzelfde moet gezegd van de zaligheid en van alle andere deugden.Leerstelling. — De goddelijke liefde is een zekere genegenheid. Krachtens de natuur van het vermogen waarvan de genegenheid uitgaat, kan deze op zichzelf terugslaan. Immers, het voorwerp van de wil is alle goed, zodat alles wat op enige wijze goed is, onder de wil valt. Aldus verstaat ook het verstand, dat het ware als voorwerp heeft, dat het verstaat; dat ook immers is een zekere waarheid. 230Bij de genegenheid komt dit terugslaan op zichzelf bovendien voort uit haar eigen aard, omdat zij een spontaan heenneigen is van de minnaar naar het beminde: derhalve doordat iemand bemint, is zijn minnen hem lief. Maar de deugd van liefde is niet slechts genegenheid, zij is ook vriendschap, zoals boven gezegd is (23e Kw. 1e Art.). De liefde nu in de vriendschap is tweevoudig: Men bemint zijn vriend waarmee men bevriend is en aan wie men goed wil. Men bemint daarbij het goed dat men zijn vriend toewenst. Op die tweede wijze wordt de deugd van liefde door de liefde bereikt, en niet op de eerste wijze. De liefde is immers het goed dat we allen toewensen die we uit liefde beminnen. Hetzelfde moet gezegd van de zaligheid en van alle andere deugden.
Ad primum ergo dicendum quod Deus et proximus sunt illi ad quos amicitiam habemus. Sed in illorum dilectione includitur dilectio charitatis. Diligimus enim proximum et Deum inquantum hoc amamus, ut nos et proximus Deum diligamus; quod est charitatem diligere.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. God en de evenmensch zijn onze vrienden. Maar in de liefde die we hun toedragen is de liefde tot de liefde vervat. Want we beminnen den evenmensch en God, in zoover we beminnen dat wij en de evenmensch God liefhebben. En dit is de liefde beminnen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. God en de evenmens zijn onze vrienden. Maar in de liefde die we hun toedragen is de liefde tot de liefde vervat. Want we beminnen de evenmens en God, in zover we beminnen dat wij en de evenmens God liefhebben. En dit is de liefde beminnen.
Ad secundum dicendum quod charitas est ipsa communicatio spiritualis 231vitae per quam ad beatitudinem pervenitur. Et ideo amatur sicut bonum desideratum omnibus quos ex charitate diligimus.
2. De deugd van liefde is de mededeeling van het geestelijk leven, waardoor we tot de zaligheid komen. Vandaar dat wij de 231liefde beminnen als het goed dat wij verlangen voor allen die we uit liefde beminnen.2. De deugd van liefde is de mededeling van het geestelijk leven, waardoor we tot de zaligheid komen. Vandaar dat wij de 231liefde beminnen als het goed dat wij verlangen voor allen die we uit liefde beminnen.
Ad tertium dicendum quod ratio illa procedit secundum quod per amicitiam amantur illi ad quos amicitiam habemus.
3. De bedenking spreekt over de vriendschap waardoor we den vriend zelf beminnen.3. De bedenking spreekt over de vriendschap waardoor we de vriend zelf beminnen.
Utrum etiam creaturae irrationales sint ex charitate diligendae
Moet men ook de redelooze schepselen uit liefde beminnen?Moet men ook de redeloze schepselen uit liefde beminnen?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod etiam creaturae irrationales sint ex charitate diligendae. Per charitatem enim maxime conformamur Deo. Sed Deus diligit creaturas irrationales ex charitate. « Diligit enim omnia, quae sunt », ut habetur Sap. 11. [v. 25]. Et omne quod diligit, seipso diligit, qui est charitas. Ergo et nos debemus creaturas irrationales ex charitate diligere.
Bedenkingen. — Men beweert, dat men ook de redelooze schepselen uit liefde moet beminnen. — 1. Door de liefde gelijken we het meest op God. Welnu God bemint uit liefde de redelooze schepselen, zooals gezegd wordt in het Boek der Wijsheid (11. 25) : « Gij omsluit in uw liefde, alles wat bestaat ». En al wat Hij bemint, bemint Hij door Zichzelf, die liefde is. Bijgevolg moeten ook wij de redelooze wezens uit liefde beminnen.Bedenkingen. — Men beweert, dat men ook de redeloze schepselen uit liefde moet beminnen. — 1. Door de liefde gelijken we het meest op God. Welnu God bemint uit liefde de redeloze schepselen, zoals gezegd wordt in het Boek van de Wijsheid (11, 25): “Gij omsluit in uw liefde, alles wat bestaat”. En al wat Hij bemint, bemint Hij door Zichzelf, die liefde is. Bijgevolg moeten ook wij de redeloze wezens uit liefde beminnen.
2. Praeterea, charitas principaliter fertur in Deum; ad alia autem se extendit secundum quod ad Deum pertinet. Sed sicut creatura rationalis 232pertinet ad Deum inquantum habet similitudinem imaginis : ita etiam creatura irrationalis, inquantum habet similitudinem vestigii. Ergo charitas etiam se extendit ad creaturas irrationales.
2. Het voornaamste voorwerp der liefde is God; al het overige omvat zij in zoover het verband houdt met God. Welnu evenals 232het redelijk schepsel verband houdt met God, omdat het een beeltenis is van God, staat ook het redeloos schepsel in verband met God omdat het een spoor van God is. Bijgevolg strekt de liefde zich ook uit tot de redelooze schepselen.2. Het voornaamste voorwerp van de liefde is God; al het overige omvat zij in zover het verband houdt met God. Welnu evenals 232het redelijk schepsel verband houdt met God, omdat het een beeltenis is van God, staat ook het redeloos schepsel in verband met God omdat het een spoor van God is. Bijgevolg strekt de liefde zich ook uit tot de redeloze schepselen.
3. Praeterea, sicut charitatis objectum est Deus, ita et fidei. Sed fides se extendit ad creaturas irrationales; inquantum credimus coelum et terram esse creata a Deo, et pisces et aves esse productos ex aquis, et gressibilia animalia et plantas ex terra. Ergo charitas etiam se extendit ad creaturas irrationales.
3. Evenals God het voorwerp is der liefde, is Hij het voorwerp van het geloof. Welnu het geloof strekt zich uit tot de redelooze wezens, in zoover we gelooven dat hemel en aarde door God werden geschapen, dat de visschen en de vogels uit het water zijn ontstaan, en de dieren die op den grond loopen en de planten, uit de aarde. Bijgevolg moet ook de liefde de redelooze schepselen omvatten.3. Evenals God het voorwerp is van de liefde, is Hij het voorwerp van het geloof. Welnu het geloof strekt zich uit tot de redeloze wezens, in zover we geloven dat hemel en aarde door God werden geschapen, dat de vissen en de vogels uit het water zijn ontstaan, en de dieren die op de grond lopen en de planten, uit de aarde. Bijgevolg moet ook de liefde de redeloze schepselen omvatten.
Sed contra est quod dilectio charitatis solum se extendit ad Deum et ad proximum. Sed nomine proximi non potest intelligi creatura irrationalis; quia non communicat cum homine in vita rationali. Ergo charitas non se extendit ad creaturas irrationales.
Daartegenover staat echter, dat de genegenheid der liefde slechts God en den naaste omvat. Welnu de redelooze schepselen zijn onze naaste niet, daar ze met den mensch het redelijk leven niet gemeen hebben. Bijgevolg strekt de liefde zich niet uit tot de redelooze schepselen.Daartegenover staat echter, dat de genegenheid van de liefde slechts God en de naaste omvat. Welnu de redeloze schepselen zijn onze naaste niet, daar ze met de mens het redelijk leven niet gemeen hebben. Bijgevolg strekt de liefde zich niet uit tot de redeloze schepselen.
Respondeo dicendum, quod charitas secundum praedicta [q. 23. art. 1.] est amicitia quaedam. Per amicitiam autem amatur aliquid dupliciter. Uno 233quidem modo amicus ad quem amicitia habetur. Et alio modo bona quae amico optantur. Primo ergo modo nulla creatura irrationalis potest ex charitate amari. Et hoc triplici ratione. Quarum duae pertinent communiter ad amicitiam quae ad creaturas irrationales haberi non potest. Primo quidem quia amicitia ad eum habetur cui volumus bonum; sed non proprie possumus bonum velle creaturae irrationali, quia non est ejus proprie habere bonum, sed solum creaturae rationalis, quae est domina utendi bono quod habet per liberum arbitrium. Et ideo Philosophus dicit in 2. Phys. [tex. 58. et 59.], quod hujusmodi rebus non dicimus aliquid bene vel male contingere, nisi secundum similitudinem. Secundo, quia omnis amicitia fundatur super aliqua communicatione vitae. Nihil enim ita proprium est amicitiae, sicut bona vita1, ut patet per Philosophum 8. Ethic. [cap. 3. et 4.]. Creaturae autem irrationales non possunt communicationem habere in vita humana quae est secundum rationem. Unde nulla amicitia potest haberi ad creaturas irrationales nisi forte secundum metaphoram. Tertia ratio est propria charitati: quia charitas fundatur super communicatione beatitudinis aeternae cujus 234creatura irrationalis capax non est. Unde amicitia charitatis non potest haberi ad creaturam irrationalem. Possunt tamen ex charitate diligi creaturae irrationales sicut bona quae aliis volumus, inquantum scilicet ex charitate volumus eas conservari ad honorem Dei et utilitatem hominum. Et sic etiam ex charitate Deus eas diligit.
Leerstelling. — Zooals gezegd werd (23e Kw. 1e Art.), is de liefde een vriendschap. De vriendschap bemint twee dingen : vooreerst de vriend zelf, vervolgens de goederen, die men zijn 233vriend toewenscht. Geen enkel redeloos schepsel kan als vriend, uit liefde bemind worden. En dit om drie redenen waarvan de eerste twee gelden voor de vriendschap in 't algemeen, die geen redeloos schepsel kan omvatten. Ten eerste, de vriendschap omvat slechts diegenen waaraan we goed willen. Welnu, we kunnen geen goed willen aan een redeloos wezen, wien het niet toekomt iets te bezitten, maar alleen aan een redelijk schepsel, dat, om reden van zijn vrijheid, over eigen goed kan beschikken. Daarom zegt de Wijsgeer dat we slechts overdrachtelijk spreken van goed en kwaad, met betrekking tot de redelooze wezens. Ten tweede, elke vriendschap onderstelt een levensgemeenschap. Want, zooals de Wijsgeer zegt, is niets vrienden meer eigen dan samen te leven. Welnu de redelooze wezens kunnen met den mensch zijn leven niets gemeen hebben, dat een redelijk leven is. Bijgevolg is het niet mogelijk te spreken van vriendschap met redelooze wezens tenzij in figuurlijken zin. Ten derde, — en die reden is de deugd van liefde eigen, — de liefde is gegrondvest op de mededeeling van de eeuwige zaligheid, waartoe de redelooze wezens ongeschikt zijn. Bijgevolg is de vriendschap van de liefde niet 234mogelijk ten overstaan van redelooze wezens. Wanneer we echter de goederen beschouwen die de vriendschap den vrienden toewenscht, dan kunnen we de redelooze wezens uit liefde beminnen, in zoover zij goederen zijn die we voor anderen willen. Zoo kunnen we uit liefde wenschen dat ze behouden blijven tot glorie van God of tot nut van den mensch. Op die wijze worden ze ook door God bemind.Leerstelling. — Zoals gezegd werd (23e Kw. 1e Art.), is de liefde een vriendschap. De vriendschap bemint twee dingen: vooreerst de vriend zelf, vervolgens de goederen, die men zijn 233vriend toewenst. Geen enkel redeloos schepsel kan als vriend, uit liefde bemind worden. En dit om drie redenen waarvan de eerste twee gelden voor de vriendschap in 't algemeen, die geen redeloos schepsel kan omvatten. Ten eerste, de vriendschap omvat slechts diegenen waaraan we goed willen. Welnu, we kunnen geen goed willen aan een redeloos wezen, wie het niet toekomt iets te bezitten, maar alleen aan een redelijk schepsel, dat, om reden van zijn vrijheid, over eigen goed kan beschikken. Daarom zegt de Wijsgeer dat we slechts overdrachtelijk spreken van goed en kwaad, met betrekking tot de redeloze wezens. Ten tweede, elke vriendschap onderstelt een levensgemeenschap. Want, zoals de Wijsgeer zegt, is niets vrienden meer eigen dan samen te leven. Welnu de redeloze wezens kunnen met de mens zijn leven niets gemeen hebben, dat een redelijk leven is. Bijgevolg is het niet mogelijk te spreken van vriendschap met redeloze wezens tenzij in figuurlijke zin. Ten derde, — en die reden is de deugd van liefde eigen, — de liefde is gegrondvest op de mededeling van de eeuwige zaligheid, waartoe de redeloze wezens ongeschikt zijn. Bijgevolg is de vriendschap van de liefde niet 234mogelijk ten overstaan van redeloze wezens. Wanneer we echter de goederen beschouwen die de vriendschap de vrienden toewenst, dan kunnen we de redeloze wezens uit liefde beminnen, in zover zij goederen zijn die we voor anderen willen. Zo kunnen we uit liefde wensen dat ze behouden blijven tot glorie van God of tot nut van de mens. Op die wijze worden ze ook door God bemind.
Unde patet responsio ad primum.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het antwoord is duidelijk uit de Leerst.
Ad secundum dicendum quod similitudo vestigii non dat capacitatem vitae aeternae, sed similitudo imaginis. Unde non est similis ratio.
2. Een spoor zijn van God maakt niet ontvankelijk voor het eeuwig leven; een afbeelding zijn van God, wel. Dus is er geen gelijkheid tusschen de twee.2. Een spoor zijn van God maakt niet ontvankelijk voor het eeuwig leven; een afbeelding zijn van God, wel. Dus is er geen gelijkheid tussen de twee.
Ad tertium dicendum quod fides se potest extendere ad omnia quae sunt quocumque modo vera. Sed amicitia charitatis se extendit ad illa sola quae nata sunt habere bonum vitae aeternae. Unde non est simile.
3. Het geloof kan alles omvatten wat hoe dan ook waar is. Maar de liefde omvat slechts de wezens die geschikt zijn om het eeuwig leven te bezitten. De vergelijking gaat bijgevolg niet op.
Utrum homo debeat seipsum ex charitate diligere
Moet de mensch zichzelf uit liefde beminnen?Moet de mens zichzelf uit liefde beminnen?
235Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod homo non diligat seipsum ex charitate. Dicit enim Gregorius in quadam homil. [17.], quod « charitas minus quam inter duos haberi non potest ». Ergo ad seipsum nullus habet charitatem.
235Bedenkingen. — Men beweert, dat men zichzelf niet uit liefde moet beminnen. — 1. Gregorius zegt : « Om te beminnen moet men ten minste met twee zijn ». Bijgevolg kan niemand zichzelf beminnen.235Bedenkingen. — Men beweert, dat men zichzelf niet uit liefde moet beminnen. — 1. Gregorius zegt: “Om te beminnen moet men ten minste met twee zijn”. Bijgevolg kan niemand zichzelf beminnen.
2. Praeterea, amicitia de sui ratione importat redamationem et aequalitatem, ut patet in 8. Ethic. [cap. 2. et 8.], quae quidem non possunt esse homini ad seipsum. Sed charitas amicitia quaedam est, ut supra dictum est [q. 23. art. 1.]. Ergo ad seipsum aliquis charitatem habere non potest.
2. De vriendschap onderstelt wederliefde en gelijkheid, zooals in de Ethica gezegd wordt. Welnu, iets dergelijks bestaat niet in den mensch ten overstaan van zichzelf. Daar nu de liefde vriendschap is, kan niemand zichzelf liefde toedragen.2. De vriendschap onderstelt wederliefde en gelijkheid, zoals in de Ethica gezegd wordt. Welnu, iets dergelijks bestaat niet in de mens ten overstaan van zichzelf. Daar nu de liefde vriendschap is, kan niemand zichzelf liefde toedragen.
3. Praeterea, illud quod ad charitatem pertinet, non potest esse vituperabile; quia « charitas non agit perperam », ut dicitur 1. ad Cor. 13. [v. 4]. Sed amare seipsum vituperabile est : dicitur enim 2. ad Timoth. 3. [v. 1, 2] : « In novissimis diebus instabunt tempora periculosa, et erunt 236homines amantes seipsos ». Ergo homo non potest seipsum diligere ex charitate.
3. In de liefde is niets afkeurenswaardig, naar het woord uit den Eersten Brief aan de Corinthiërs (13. 4) : « De liefde handelt niet onedel ». Welnu zichzelf beminnen is afkeurenswaardig, zooals gezegd wordt in den Tweeden Brief aan Timotheus (3. 1) : « In de laatste dagen zullen booze tijden komen, want de 236menschen zullen zichzelf beminnen ». Bijgevolg mag de mensch zichzelf niet uit liefde beminnen.3. In de liefde is niets afkeurenswaardig, naar het woord uit de Eerste Brief aan de Korintiërs (13. 4): “De liefde handelt niet onedel”. Welnu zichzelf beminnen is afkeurenswaardig, zoals gezegd wordt in de Tweede Brief aan Timoteüs (3, 1): “In de laatste dagen zullen boze tijden komen, want de 236mensen zullen zichzelf beminnen”. Bijgevolg mag de mens zichzelf niet uit liefde beminnen.
Sed contra est quod dicitur Levit. 19. [v. 18] : « Diliges amicum tuum, sicut teipsum ». Sed amicum ex charitate diligimus. Ergo et nos ipsos debemus ex charitate diligere.
Daartegenover staat echter in het Boek Leviticus (19. 18) : « Gij zult uw vriend beminnen gelijk u zelf ». Welnu men bemint zijn vriend uit liefde. Dus moeten we ons zelf uit liefde beminnen.Daartegenover staat echter in het Boek Leviticus (19, 18): “Gij zult uw vriend beminnen gelijk uzelf”. Welnu men bemint zijn vriend uit liefde. Dus moeten we onszelf uit liefde beminnen.
Respondeo dicendum quod cum charitas sit quaedam amicitia, sicut dictum est [q. 23. art. 1.], dupliciter possumus de charitate loqui. Uno modo sub communi ratione amicitiae; et secundum hoc dicendum est quod amicitia proprie non habetur ad seipsum sed aliquid majus amicitia; quia amicitia unionem quamdam importat. Dicit enim Dionysius de Div. Nom. [cap. 4. lect. 9.], quod « amor est virtus unitiva ». Unicuique autem ad seipsum est unitas, quae est potior unione ad alium. Unde sicut unitas est principium unionis, ita amor, quo quis diligit seipsum, est forma et radix amicitiae. In hoc enim amicitiam habemus ad alios quod ad eos nos habemus sicut ad nos ipsos. Dicitur enim in 9. Ethic. [cap. 4. et 8.], quod « 237amicabilia quae sunt ad alterum, veniunt ex his quae sunt ad seipsum ». Sicut etiam de principiis non habetur scientia sed aliquid majus, scilicet intellectus. Alio modo possumus loqui de charitate secundum propriam rationem ipsius; prout scilicet est amicitia hominis ad Deum principaliter et ex consequenti ad ea quae sunt Dei. Inter quae etiam est ipse homo qui charitatem habet. Et sic inter caetera quae ex charitate diligit quasi ad Deum pertinentia etiam seipsum ex charitate diligit.
Leerstelling. — De deugd van liefde is een vriendschap, zooals boven gezegd is (23e Kw. 1e Art.). Wij kunnen derhalve de liefde op twee wijzen beschouwen. Vooreerst, naar haar algemeenen aard van vriendschap. Aldus beschouwd, bestaat de vriendschap tót zichzelf niet, maar wel iets wat beter is dan vriendschap, daar de vriendschap eeniging zegt. « De liefde, zegt Dionysius, is een kracht die één maakt ». Welnu eenieder is één met zichzelf, en dit is meer dan met een ander vereenigd te zijn. Bijgevolg zooals de eenheid het beginsel is van de vereeniging, zoo is de liefde die men zichzelf toedraagt, de vorm en de wortel der vriendschap. Anderen zijn immers onze vrienden precies omdat wij tegenover hen staan als tegenover ons zelf. In de Ethica toch 237lezen we : « De vriendschap die we anderen toedragen, heeft haar oorsprong in de liefde die we ons zelf toedragen ». Op dezelfde wijze zijn de beginselen geen voorwerp van wetenschap maar van iets verhevener, nl. van verstandelijk inzicht. Wij kunnen, ten tweede, de liefde beschouwen naar haar eigen aard. Aldus is de liefde een vriendschap, waarvan God het voornaamste voorwerp is, en in aansluiting daarmee, alles wat God toebehoort. Onder dit laatste moet ook hij die de liefde bezit, gerekend worden. Diensvolgens moet men onder datgene wat men uit liefde bemint, omdat het God toebehoort, ook zichzelf beminnen.Leerstelling. — De deugd van liefde is een vriendschap, zoals boven gezegd is (23e Kw. 1e Art.). Wij kunnen derhalve de liefde op twee wijzen beschouwen. Vooreerst, naar haar algemenen aard van vriendschap. Aldus beschouwd, bestaat de vriendschap tót zichzelf niet, maar wel iets wat beter is dan vriendschap, daar de vriendschap eniging zegt. “De liefde, zegt Dionysius, is een kracht die één maakt”. Welnu eenieder is één met zichzelf, en dit is meer dan met een ander verenigd te zijn. Bijgevolg zoals de eenheid het beginsel is van de vereniging, zo is de liefde die men zichzelf toedraagt, de vorm en de wortel van de vriendschap. Anderen zijn immers onze vrienden precies omdat wij tegenover hen staan als tegenover onszelf. In de Ethica toch 237lezen we: “De vriendschap die we anderen toedragen, heeft haar oorsprong in de liefde die we onszelf toedragen”. Op dezelfde wijze zijn de beginselen geen voorwerp van wetenschap maar van iets verhevener, nl. van verstandelijk inzicht. Wij kunnen, ten tweede, de liefde beschouwen naar haar eigen aard. Aldus is de liefde een vriendschap, waarvan God het voornaamste voorwerp is, en in aansluiting daarmee, alles wat God toebehoort. Onder dit laatste moet ook hij die de liefde bezit, gerekend worden. Diensvolgens moet men onder datgene wat men uit liefde bemint, omdat het God toebehoort, ook zichzelf beminnen.
Ad primum ergo dicendum, quod Gregorius loquitur de charitate secundum communem amicitiae rationem.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Gregorius spreekt van de liefde beschouwd naar haar algemeenen aard van vriendschap.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Gregorius spreekt van de liefde beschouwd naar haar algemenen aard van vriendschap.
Ad tertium dicendum, quod amantes seipsos vituperantur inquantum amant se secundum naturam sensibilem, cui obtemperant. Quod non est vere amare seipsum secundum naturam rationalem, ut sibi velint ea bona, quae pertinent ad perfectionem rationis. Et hoc modo praecipue ad charitatem pertinet diligere seipsum.
3. Zij die zichzelf beminnen worden afgekeurd in zoover ze zichzelf beminnen naar hun zinnelijke natuur, waaraan ze gehoorzamen. Maar dat is geenszins de echte liefde die een redelijk wezen past; want een redelijk wezen moet streven naar wat het als redelijk wezen volmaakt. En het is vooral op die wijze dat men uit liefde zichzelf moet beminnen.3. Zij die zichzelf beminnen worden afgekeurd in zover ze zichzelf beminnen naar hun zinnelijke natuur, waaraan ze gehoorzamen. Maar dat is geenszins de echte liefde die een redelijk wezen past; want een redelijk wezen moet streven naar wat het als redelijk wezen volmaakt. En het is vooral op die wijze dat men uit liefde zichzelf moet beminnen.
Utrum homo debeat corpus suum ex charitate diligere
Moet men zijn lichaam uit liefde beminnen?
238Ad quintum sic proceditur. Videtur quod homo non debeat corpus suum ex charitate diligere. Non enim diligimus illum cui convivere non volumus. Sed homines charitatem habentes refugiunt corporis convictum, secundum illud Rom. 7. [v. 24] : « Quis me liberabit de corpore mortis hujus? » et Philip. 1. [v. 23] : « Desiderium habens dissolvi, et esse cum Christo ». Ergo corpus nostrum non est ex charitate diligendum.
238Bedenkingen. — Men beweert, dat men zijn lichaam niet uit liefde moet beminnen. — 1. We beminnen diengene niet, waarmee we niet willen samenleven. Welnu zij die de liefde bezitten vluchten hun lichaam, naar het woord uit den Brief aan de Romeinen (7. 24) : « Wie zal mij verlossen van dit lichaam des doods? » en dit andere woord uit den Brief aan de Philippensen (1. 23) : « Ik smacht er naar ontbonden te worden en met Christus te zijn ». Dus moeten we ons lichaam niet uit liefde beminnen.238Bedenkingen. — Men beweert, dat men zijn lichaam niet uit liefde moet beminnen. — 1. We beminnen diengene niet, waarmee we niet willen samenleven. Welnu zij die de liefde bezitten vluchten hun lichaam, naar het woord uit de Brief aan de Romeinen (7, 24): “Wie zal mij verlossen van dit lichaam van de dood?” en dit andere woord uit de Brief aan de Filippenzen (1, 23): “Ik smacht er naar ontbonden te worden en met Christus te zijn”. Dus moeten we ons lichaam niet uit liefde beminnen.
2. Praeterea, amicitia charitatis fundatur super communicatione divinae fruitionis. Sed hujusmodi fruitionis corpus particeps esse non potest. Ergo corpus non est ex charitate diligendum.
2. De vriendschap der liefde is gegrondvest op de mededeeling van de goddelijke zaligheid. Welnu het lichaam kan niet deelachtig worden, aan die goddelijke zaligheid. Dus moeten we ons lichaam niet uit liefde beminnen.2. De vriendschap van de liefde is gegrondvest op de mededeling van de goddelijke zaligheid. Welnu het lichaam kan niet deelachtig worden, aan die goddelijke zaligheid. Dus moeten we ons lichaam niet uit liefde beminnen.
3. Praeterea, charitas cum sit amicitia quaedam, ad eos habetur qui redamare possunt. Sed corpus nostrum non potest nos ex charitate diligere. 239Ergo non est ex charitate diligendum.
3. Daar de liefde een vriendschap is, moet men alleen hen beminnen die wederliefde kunnen toonen. Welnu ons lichaam kan 239ons niet uit liefde beminnen. Bijgevolg moeten ook wij ons lichaam niet uit liefde beminnen.3. Daar de liefde een vriendschap is, moet men alleen hen beminnen die wederliefde kunnen tonen. Welnu ons lichaam kan 239ons niet uit liefde beminnen. Bijgevolg moeten ook wij ons lichaam niet uit liefde beminnen.
Sed contra est quod Augustinus in 1. de Doctr. Christ. [cap. 23. et 26.] ponit quatuor ex charitate diligenda, inter quae unum est corpus proprium.
Daartegenover staat echter, dat Augustinus vier dingen opsomt die we uit liefde moeten beminnen, en één er van is ons eigen lichaam.
Respondeo dicendum quod corpus nostrum secundum duo potest considerari. Uno modo secundum ejus naturam. Alio modo secundum corruptionem culpae et poenae. Natura autem corporis nostri non est a malo principio creata, ut Manichaei fabulantur sed a Deo. Unde possumus eo uti ad servitium Dei, secundum illud Rom. 6. [v. 13] : « Exhibete membra vestra arma justitiae Deo ». Et ideo ex dilectione charitatis qua diligimus Deum, debemus etiam corpus nostrum diligere. Sed infectionem culpae et corruptionem poenae in corpore nostro diligere non debemus, sed potius ad ejus remotionem anhelare desiderio charitatis.
Leerstelling. — We kunnen ons lichaam onder een dubbel opzicht beschouwen : vooreerst, als natuur; vervolgens, voor zoover het verdorven is door schuld en straf. De natuur van ons lichaam is niet geschapen door een kwaad beginsel, zooals de Manicheërs voorhielden, maar door God. We kunnen bijgevolg ons lichaam gebruiken om God te dienen, naar het woord uit den Brief aan de Romeinen (6. 13) : « Stelt... uw ledematen in den dienst van God als werktuigen der gerechtigheid ». Daarom moeten we met de liefde waarmee we God beminnen, ook ons lichaam beminnen. Maar de besmetting der zondeschuld en de verwording door de straf in ons lichaam, moeten we niet liefhebben; integendeel, we moeten met het verlangen der liefde smachten om ervan verlost te worden.Leerstelling. — We kunnen ons lichaam onder een dubbel opzicht beschouwen: vooreerst, als natuur; vervolgens, voor zover het verdorven is door schuld en straf. De natuur van ons lichaam is niet geschapen door een kwaad beginsel, zoals de Manicheërs voorhielden, maar door God. We kunnen bijgevolg ons lichaam gebruiken om God te dienen, naar het woord uit de Brief aan de Romeinen (6, 13): “Stelt... uw ledematen in de dienst van God als werktuigen van de gerechtigheid”. Daarom moeten we met de liefde waarmee we God beminnen, ook ons lichaam beminnen. Maar de besmetting van de zondeschuld en de verwording door de straf in ons lichaam, moeten we niet liefhebben; integendeel, we moeten met het verlangen van de liefde smachten om ervan verlost te worden.
240Ad primum ergo dicendum quod Apostolus non refugiebat corporis communionem quantum ad corporis naturam. Imo secundum hoc nolebat ab eo spoliari, secundum illud 2. ad Cor. 5. [v. 4] : « Nolumus expoliari, sed supervestiri ». Sed volebat carere infectione concupiscentiae, quae remanet in corpore et corruptione ipsius, quae aggravat animam, ne possit Deum videre. Unde signanter dixit : « De corpore mortis hujus ».
240Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Apostel vluchtte het samenleven met het lichaam niet, in zoover hij de natuur van het lichaam beschouwde. Integendeel, hij wilde van het lichaam, aldus gezien, niet ontdaan worden, zooals hij zegt in den Tweeden Brief aan de Corinthiërs (5. 4) : « We willen het lichaam niet uitdoen, maar het nieuwe er over aantrekken ». Hij wilde slechts verlost zijn van de smet der begeerlijkheid die het lichaam aankleeft, en van het verderf dat de ziel bezwaart en haar belet God te zien. Daarom zegt hij uitdrukkelijk : « Van dit lichaam des doods ».240Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Apostel vluchtte het samenleven met het lichaam niet, in zover hij de natuur van het lichaam beschouwde. Integendeel, hij wilde van het lichaam, aldus gezien, niet ontdaan worden, zoals hij zegt in de Tweede Brief aan de Korintiërs (5, 4): “We willen het lichaam niet uitdoen, maar het nieuwe er over aantrekken”. Hij wilde slechts verlost zijn van de smet van de begeerlijkheid die het lichaam aankleeft, en van het verderf dat de ziel bezwaart en haar belet God te zien. Daarom zegt hij uitdrukkelijk: “Van dit lichaam van de dood”.
Ad secundum dicendum quod quamvis corpus nostrum Deo frui non possit cognoscendo et amando ipsum, tamen per opera quae per corpus agimus ad perfectam Dei fruitionem possumus venire. Unde ex fruitione animae redundat quaedam beatitudo ad corpus, scilicet : sanitatis, et incorruptionis vigor, ut Augustinus dicit in Epist. ad Diosc. Et ideo quia corpus aliquo modo est particeps beatitudinis potest dilectione charitatis amari.
2. Hoewel ons lichaam van God niet genieten kan, door kennis en liefde, kunnen we toch door de werken die we met behulp van ons lichaam verrichten, tot de volmaakte genieting van God komen. En daarom stroomt uit de genieting van de ziel een zekere zaligheid over op het lichaam, nl. gezondheid en onvergankelijkheid, zooals Augustinus zegt. Omdat dus het lichaam in zekere mate deelgenoot is van de zaligheid, kan het ook uit liefde bemind worden.2. Hoewel ons lichaam van God niet genieten kan, door kennis en liefde, kunnen we toch door de werken die we met behulp van ons lichaam verrichten, tot de volmaakte genieting van God komen. En daarom stroomt uit de genieting van de ziel een zekere zaligheid over op het lichaam, nl. gezondheid en onvergankelijkheid, zoals Augustinus zegt. Omdat dus het lichaam in zekere mate deelgenoot is van de zaligheid, kan het ook uit liefde bemind worden.
Ad tertium dicendum quod redamatio habet locum in amicitia quae est ad alterum, non autem in amicitia quae est ad seipsum, vel secundum animam vel secundum corpus.
3. De wederliefde is eigen aan de vriendschap die men anderen toedraagt, niet aan de vriendschap die men zichzelf naar ziel of naar lichaam toedraagt.
Utrum peccatores sint ex charitate diligendi
Moet men de zondaars uit liefde beminnen?
241Ad sextum sic proceditur. Videtur, quod peccatores non sint ex charitate diligendi. Dicitur enim in Ps. 118. [v. 113] : « Iniquos odio habui ». Sed David charitatem perfectam habebat. Ergo ex charitate magis sunt odiendi peccatores, quam diligendi.
241Bedenkingen. — Men beweert, dat men de zondaars niet uit liefde moet beminnen. — 1. We lezen in het Boek der Psalmen (118. 113) : « Ik haat de zondaars ». David echter bezat de volmaakte liefde. Bijgevolg moeten de zondaars eerder gehaat dan bemind worden.241Bedenkingen. — Men beweert, dat men de zondaars niet uit liefde moet beminnen. — 1. We lezen in het Boek van de Psalmen (118, 113)a: “Ik haat de zondaars”. David echter bezat de volmaakte liefde. Bijgevolg moeten de zondaars eerder gehaat dan bemind worden.
2. Praeterea, « Probatio dilectionis exhibitio est operis », ut Gregorius dicit in Hom. Pent. [30.]. Sed peccatoribus justi non exhibent opera dilectionis, sed magis opera quae videntur esse odii, secundum illud Ps. 100. [v. 8] : « In matutino interficiebam omnes peccatores terrae ». Et Dominus praecepit Exod. 22. [v. 17] : « Maleficos non patieris vivere ». Ergo peccatores non sunt ex charitate diligendi.
2. Gregorius zegt : « De liefde wordt bewezen door de werken ». Welnu de rechtvaardigen bewijzen de zondaars door hun werken geen liefde maar integendeel haat, naar dit woord uit het Boek der Psalmen (100. 8) : « Iederen morgen delg ik alle boosdoeners uit in den lande ». God zelf beval in het Boek van den Uittocht (22. 17) : « Geen boosdoeners zult gij in het leven laten ». Bijgevolg moet men de zondaars niet uit liefde beminnen.2. Gregorius zegt: “De liefde wordt bewezen door de werken”. Welnu de rechtvaardigen bewijzen de zondaars door hun werken geen liefde maar integendeel haat, naar dit woord uit het Boek van de Psalmen (100, 8)b: “Iederen morgen delg ik alle boosdoeners uit in de lande”. God zelf beval in het Boek van de Uittocht (22, 17): “Geen boosdoeners zult gij in het leven laten”. Bijgevolg moet men de zondaars niet uit liefde beminnen.
3. Praeterea, ad amicitiam pertinet ut amicis optemus et velimus bona. Sed sancti ex charitate optant peccatoribus mala, secundum illud Psalm. 9. 242[v. 18] : « Convertantur peccatores in infernum ». Ergo peccatores non sunt ex charitate diligendi.
3. De vriendschap vraagt dat we onze vrienden goed willen en toewenschen. Doch, uit liefde wenschen de heiligen, dat het de 242zondaars zou tegengaan, naar het woord uit het Boek der Psalmen (9. 18) : « Zoo mogen de zondaars naar het doodenrijk varen ». Bijgevolg moet men de zondaars niet uit liefde beminnen.3. De vriendschap vraagt dat we onze vrienden goed willen en toewensen. Doch, uit liefde wensen de heiligen, dat het de 242zondaars zou tegengaan, naar het woord uit het Boek van de Psalmen (9, 18)c: “Zo mogen de zondaars naar het dodenrijk varen”. Bijgevolg moet men de zondaars niet uit liefde beminnen.
4. Praeterea, proprium est amicorum de eisdem gaudere et idem velle. Sed charitas non facit velle quod peccatores volunt, neque facit gaudere de hoc de quo peccatores gaudent. Sed magis facit contrarium. Ergo peccatores non sunt ex charitate diligendi.
4. Vrienden verheugen zich over hetzelfde en willen hetzelfde. Welnu, de liefde verhindert dat we hetzelfde willen als de zondaars, en dat we ons verheugen over datgene waarover de zondaars zich verheugen. Dus moet men de zondaars niet uit liefde beminnen.
5. Praeterea, proprium est amicorum simul convivere, ut dicitur in 8. Ethic. [cap. 5.]. Sed cum peccatoribus non est convivendum, secundum illud 2. ad Corinth. 6. [v. 17] : « Exite de medio eorum ». Ergo peccatores non sunt ex charitate diligendi.
5. Het is aan vrienden eigen met elkander om te gaan en samen te leven, zooals in de Ethica gezegd wordt. Welnu we moeten met de zondaars niet omgaan, volgens den Tweeden Brief aan de Corinthiërs (6. 17) : « Verwijdert u van hen ». Bijgevolg moeten de zondaars niet uit liefde bemind worden.5. Het is aan vrienden eigen met elkander om te gaan en samen te leven, zoals in de Ethica gezegd wordt. Welnu we moeten met de zondaars niet omgaan, volgens de Tweede Brief aan de Korintiërs (6, 17): “Verwijdert u van hen”. Bijgevolg moeten de zondaars niet uit liefde bemind worden.
Sed contra est, quod Augustinus dicit in 1. de Doctr. Christ. [cap. 30.], quod cum dicitur : « Diliges proximum tuum, manifestum est omnem hominem proximum esse deputandum ». Sed peccatores non desinunt esse homines; quia peccatum non tollit naturam. Ergo peccatores sunt ex charitate diligendi.
Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt : « Onder deze woorden : Gij zult uw evenmensch beminnen, moeten vanzelfsprekend, alle menschen verstaan worden ». Welnu de zondaars houden niet op mensch te zijn, daar de zonde de menschelijke natuur niet wegneemt. Bijgevolg moeten de zondaars uit liefde bemind worden.Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt: “Onder deze woorden: Gij zult uw evenmens beminnen, moeten vanzelfsprekend, alle mensen verstaan worden”. Welnu de zondaars houden niet op mens te zijn, daar de zonde de menselijke natuur niet wegneemt. Bijgevolg moeten de zondaars uit liefde bemind worden.
243Respondeo dicendum quod in peccatoribus duo possunt considerari; scilicet : natura et culpa. Secundum naturam quidem quam a Deo habent, capaces sunt beatitudinis, super cujus communicatione charitas fundatur, ut supra dictum est [q. 23. art. 1.]. Et ideo secundum naturam suam sunt ex charitate diligendi. Sed culpa eorum Deo contrariatur et est beatitudinis impedimentum. Unde secundum culpam, qua Deo adversantur, sunt odio habendi quicumque peccatores etiam pater et mater et propinqui, ut habetur Luc. 14. [v. 26]. Debemus enim in peccatoribus odire quod peccatores sunt, et diligere quod homines sunt beatitudinis capaces. Et hoc est eos vere ex charitate diligere propter Deum.
243Leerstelling. — In de zondaars kan men twee dingen beschouwen : hun natuur en hun zondeschuld. Beschouwd volgens hun natuur, die ze van God ontvingen, zijn ze bekwaam de zaligheid te verwerven, en het is op de mededeeling van die zaligheid dat de liefde gegrondvest is, zooals boven gezegd werd (23e Kw. 1e Art.). Daaruit blijkt dat de zondaars, naar hun natuur uit liefde moeten bemind worden. Door hun zondeschuld echter zijn ze opstandig tegen God, en onbekwaam de zaligheid te verwerven. Voor zoover ze afkeerig zijn van God moeten dus alle zondaars gehaat worden, wie ze ook zijn : vader, moeder, of naastbestaanden, zooals Lucas zegt (14. 26). Aldus moeten we de zondaars haten als zondaars en ze beminnen als menschen, die voor de zaligheid bestemd zijn. En dit is ze waarlijk uit liefde beminnen om God.243Leerstelling. — In de zondaars kan men twee dingen beschouwen: hun natuur en hun zondeschuld. Beschouwd volgens hun natuur, die ze van God ontvingen, zijn ze bekwaam de zaligheid te verwerven, en het is op de mededeling van die zaligheid dat de liefde gegrondvest is, zoals boven gezegd werd (23e Kw. 1e Art.). Daaruit blijkt dat de zondaars, naar hun natuur uit liefde moeten bemind worden. Door hun zondeschuld echter zijn ze opstandig tegen God, en onbekwaam de zaligheid te verwerven. Voor zover ze afkerig zijn van God moeten dus alle zondaars gehaat worden, wie ze ook zijn: vader, moeder, of naastbestaanden, zoals Lukas zegt (14, 26). Aldus moeten we de zondaars haten als zondaars en ze beminnen als mensen, die voor de zaligheid bestemd zijn. En dit is ze waarlijk uit liefde beminnen om God.
Ad primum ergo dicendum quod iniquos Propheta odio habuit inquantum iniqui sunt, habens odio iniquitatem ipsorum; quod est ipsorum malum. Et hoc est perfectum odium, de quo ipse dicit [Ps. 138. v. 22] : « Perfecto odio oderam illos ». Ejusdem autem rationis est odire malum alicujus et 244diligere bonum ejus. Unde etiam illud odium perfectum ad charitatem pertinet.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De profeet verafschuwde de goddeloozen als goddeloozen en haatte hun goddeloosheid, die hun zonde is. En die haat is volmaakt, zooals in het Boek der Psalmen (138. 22) gezegd wordt : « Ik haat ze zoo volkomen, als ik haten kan ». Welnu de reden waarom men iemands zonde haat is dezelfde als die waarom men zijn deugd 244bemint. Bijgevolg is de volmaakte haat, liefde.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De profeet verafschuwde de goddelozen als goddelozen en haatte hun goddeloosheid, die hun zonde is. En die haat is volmaakt, zoals in het Boek van de Psalmen (138, 22)d gezegd wordt: “Ik haat ze zo volkomen, als ik haten kan”. Welnu de reden waarom men iemands zonde haat is dezelfde als die waarom men zijn deugd 244bemint. Bijgevolg is de volmaakte haat, liefde.
Ad secundum dicendum, quod amicis peccantibus, sicut Philosophus dicit in 9. Ethic. [cap. 3.], non sunt subtrahenda amicitiae beneficia, quousque habetur spes sanationis eorum. Sed magis est eis auxilium dandum ad recuperationem virtutis, quam ad recuperationem pecuniae, si eam amisissent, quanto virtus est magis amicitiae affinis, quam pecunia. Sed quando in maximam malitiam incidunt et insanabiles fiunt, tunc non est eis amicitiae familiaritas exhibenda. Et ideo hujusmodi peccantes de quibus magis praesumitur nocumentum aliorum quam eorum emendatio, secundum legem divinam et humanam praecipiuntur occidi. Et tamen hoc facit judex non ex odio eorum sed ex amore charitatis, quo bonum publicum praefertur vitae singularis personae. Et tamen mors per judicem inflicta peccatori prodest, si convertatur, ad culpae expiationem. Si vero non convertatur, ad culpae terminationem; quia per hoc tollitur ei potestas amplius peccandi.
2. De Wijsgeer zegt dat men zijn vrienden die zondigen, de weldaden der vriendschap niet moet ontzeggen, zoolang men hopen mag dat ze zich zullen beteren. Men moet zelfs meer bezorgd zijn om ze te helpen terug zedelijk goed te worden, dan om ze verloren geld terug te bezorgen; en dit in de mate waarin de deugd meer verwant is met de vriendschap, dan het geld. Worden ze echter totaal slecht en onverbeterlijk, dan moet men niet langer gemeenzaam met hen omgaan. Daarom moeten zondaars, van wie men terecht verwacht dat ze schadelijk worden voor anderen, terwijl er geen kans bestaat op verbetering, volgens de goddelijke en de menschelijke wet gedood worden. De rechter veroordeelt hen echter niet uit haat, doch uit liefde. Deze beveelt hem immers het algemeen welzijn te verkiezen boven het leven van een enkeling. De doodstraf kan zelfs den veroordeelde nuttig zijn, indien hij zich bekeert en zijn straf als uitboeting ondergaat. Bekeert hij zich niet dan stelt de dood een einde aan zijn wandaden, daar hem de mogelijkheid ontnomen wordt nog verder kwaad te bedrijven.2. De Wijsgeer zegt dat men zijn vrienden die zondigen, de weldaden van de vriendschap niet moet ontzeggen, zolang men hopen mag dat ze zich zullen beteren. Men moet zelfs meer bezorgd zijn om ze te helpen terug zedelijk goed te worden, dan om ze verloren geld terug te bezorgen; en dit in de mate waarin de deugd meer verwant is met de vriendschap, dan het geld. Worden ze echter totaal slecht en onverbeterlijk, dan moet men niet langer gemeenzaam met hen omgaan. Daarom moeten zondaars, van wie men terecht verwacht dat ze schadelijk worden voor anderen, terwijl er geen kans bestaat op verbetering, volgens de goddelijke en de menselijke wet gedood worden. De rechter veroordeelt hen echter niet uit haat, doch uit liefde. Deze beveelt hem immers het algemeen welzijn te verkiezen boven het leven van een enkeling. De doodstraf kan zelfs de veroordeelde nuttig zijn, indien hij zich bekeert en zijn straf als uitboeting ondergaat. Bekeert hij zich niet dan stelt de dood een einde aan zijn wandaden, daar hem de mogelijkheid ontnomen wordt nog verder kwaad te bedrijven.
Ad tertium dicendum, quod hujusmodi imprecationes, quae in Sacra 245Scriptura inveniuntur, tripliciter possunt intelligi. Uno modo per modum praenuntiationis, non per modum optationis, ut sit sensus : « Convertantur peccatores in infernum » idest convertentur. Alio modo per modum optationis, ut tamen desiderium optantis non referatur ad poenam hominum, sed ad justitiam punientis, secundum illud Psalmi 57. [v. 11] : « Laetabitur justus, cum viderit vindictam ». Quia nec ipse Deus puniens « laetatur in perditione impiorum », ut dicitur Sap. 1. [v. 13], sed in sua justitia; quia « justus Dominus et justitias dilexit » [Psalm. 10 v. 8]. Tertio, ut desiderium referatur ad remotionem culpae non ad ipsam poenam; ut scilicet peccata destruantur et homines remaneant.
3. Dergelijke verwenschingen die in de H. Schrift voorkomen, kunnen op drie wijzen begrepen worden. Vooreerst, in dezen zin, 245dat ze iets uitdrukken wat zal gebeuren, niet iets wat men wenscht te zien gebeuren. Wanneer men leest : « Dat de zondaars in de hel geworpen worden », dan wil men zeggen : ze zullen in de hel geworpen worden. Ten tweede, in dien zin, dat ze een wensch uitdrukken; maar die wensch verlangt de straf niet, doch dat diegene die straft, recht doet geschieden, naar het woord uit het Boek der Psalmen (57. 11) : « De rechtvaardige zal zich verheugen, als hij de wraak mag aanschouwen ». Want God zelf die straft, « vindt geen vreugde in den ondergang van de goddeloozen », zooals het Boek der Wijsheid (1. 13) zegt. Hij vindt uitsluitend vreugde in zijn gerechtigheid, « want de Heer is rechtvaardig en heeft de gerechtigheid lief », zooals in het Boek der Psalmen (10. 7) gezegd wordt. De wensch kan ook, ten derde, verlangen dat de zonde ophoudt, en niet dat iemand gestraft wordt. Men wenscht nl. dat de zonden vernietigd worden, doch dat de mensch blijft voortleven.3. Dergelijke verwensingen die in de H. Schrift voorkomen, kunnen op drie wijzen begrepen worden. Vooreerst, in deze zin, 245dat ze iets uitdrukken wat zal gebeuren, niet iets wat men wenst te zien gebeuren. Wanneer men leest: “Dat de zondaars in de hel geworpen worden”, dan wil men zeggen: ze zullen in de hel geworpen worden. Ten tweede, in die zin, dat ze een wens uitdrukken; maar die wens verlangt de straf niet, doch dat diegene die straft, recht doet geschieden, naar het woord uit het Boek van de Psalmen (57, 11)e: “De rechtvaardige zal zich verheugen, als hij de wraak mag aanschouwen”. Want God zelf die straft, “vindt geen vreugde in de ondergang van de goddelozen”, zoals het Boek van de Wijsheid (1, 13) zegt. Hij vindt uitsluitend vreugde in zijn gerechtigheid, “want de Heer is rechtvaardig en heeft de gerechtigheid lief”, zoals in het Boek van de Psalmen (10, 7)f gezegd wordt. De wens kan ook, ten derde, verlangen dat de zonde ophoudt, en niet dat iemand gestraft wordt. Men wenst nl. dat de zonden vernietigd worden, doch dat de mens blijft voortleven.
Ad quartum dicendum quod ex charitate diligimus peccatores, non quidem ut velimus quae ipsi volunt, vel gaudeamus de his de quibus ipsi gaudent; sed ut faciamus eos velle quod volumus et gaudere de his de quibus gaudemus. Unde dicitur Jerem. 15. [v. 19] : « Ipsi convertentur ad te, et tu non converteris ad eos ».
4. We beminnen de zondaars uit liefde, niet omdat we willen wat zij willen of ons verheugen over datgene waarover zij zich verheugen, maar opdat zij er zouden toe gebracht worden te willen wat wij willen, en vreugde zouden vinden in datgene waarin wij vreugde vinden. « Zij moeten zich richten naar u, lezen we bij Jeremias (15. 19), gij moet u niet richten naar hen ».4. We beminnen de zondaars uit liefde, niet omdat we willen wat zij willen of ons verheugen over datgene waarover zij zich verheugen, maar opdat zij er zouden toe gebracht worden te willen wat wij willen, en vreugde zouden vinden in datgene waarin wij vreugde vinden. “Zij moeten zich richten naar u, lezen we bij Jeremia (15, 19), gij moet u niet richten naar hen”.
246Ad quintum dicendum quod convivere peccatoribus infirmis quidem est vitandum, propter periculum quod eis imminet ne ab eis subvertantur. Perfectis autem de quorum corruptione non timetur, laudabile est quod cum peccatoribus conversentur ut eos convertant. Sic enim Dominus cum peccatoribus manducabat et bibebat, ut dicitur Matth. 9. [v. 10]. Convictus tamen peccatorum quantum ad consortium peccati vitandus est omnibus. Et sic dicitur 2. ad Cor. 6. [v. 17] : « Exite de medio eorum, et immundum ne tetigeritis », scilicet secundum peccati consensum.
2465. Zij die zelf onvast zijn, moeten den omgang met zondaars vermijden, omdat ze gevaar loopen door dit verkeer verloren te gaan. Maar het is lofwaardig, dat meer volmaakten voor wie een verderfelijke invloed niet te vreezen is, met de zondaars verkeeren, opdat deze opnieuw deugdzaam worden. Aldus at en dronk Christus met de zondaars, zooals Mattheus verhaalt (9. 10) Eenieder echter moet vermijden om te gaan met de zondaars in hun zondig leven. En in dien zin zegt de Apostel in den Tweeden Brief aan de Corinthiërs (6. 17) : « Verwijdert u van hen, raakt niets aan wat onrein is »; d. w. z. stemt niet toe in hun zonde.2465. Zij die zelf onvast zijn, moeten de omgang met zondaars vermijden, omdat ze gevaar lopen door dit verkeer verloren te gaan. Maar het is lofwaardig, dat meer volmaakten voor wie een verderfelijke invloed niet te vrezen is, met de zondaars verkeren, opdat deze opnieuw deugdzaam worden. Aldus at en dronk Christus met de zondaars, zoals Matteüs verhaalt (9, 10) Eenieder echter moet vermijden om te gaan met de zondaars in hun zondig leven. En in die zin zegt de Apostel in de Tweede Brief aan de Korintiërs (6, 17): “Verwijdert u van hen, raakt niets aan wat onrein is”; d. w. z. stemt niet toe in hun zonde.
Utrum peccatores diligant seipsos
Beminnen de zondaars zichzelf?
Ad septimum sic proceditur. Videtur quod peccatores seipsos diligant. Illud enim quod est principium peccati, maxime in peccatoribus invenitur. Sed amor sui est principium peccati. Dicit enim Augustinus 14. de Civit. 247Dei [cap. ult.], quod « facit civitatem Babylonis ». Ergo peccatores maxime amant seipsos.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de zondaars zichzelf beminnen. — 1. Het beginsel van de zonde wordt in de hoogste mate bij de zondaars aangetroffen. Welnu de eigenliefde is het 247beginsel der zonde; want Augustinus zegt : « dat de eigenliefde Babylon gebouwd heeft ». Bijgevolg beminnen de zondaars zichzelf in de hoogste mate.Bedenkingen. — Men beweert, dat de zondaars zichzelf beminnen. — 1. Het beginsel van de zonde wordt in de hoogste mate bij de zondaars aangetroffen. Welnu de eigenliefde is het 247beginsel van de zonde; want Augustinus zegt: “dat de eigenliefde Babylon gebouwd heeft”. Bijgevolg beminnen de zondaars zichzelf in de hoogste mate.
2. Praeterea, peccatum non tollit naturam. Sed hoc unicuique convenit ex sua natura, quod diligat seipsum. Unde etiam creaturae irrationales naturaliter appetunt proprium bonum, puta conservationem sui esse et alia hujusmodi. Ergo peccatores diligunt seipsos.
2. De zonde vernietigt de natuur niet. Welnu van nature bemint elk zichzelf; zelfs de redelooze schepselen streven naar hun eigen goed, nl. hun behoud en dergelijke. Bijgevolg beminnen de zondaars zichzelf.2. De zonde vernietigt de natuur niet. Welnu van nature bemint elk zichzelf; zelfs de redeloze schepselen streven naar hun eigen goed, nl. hun behoud en dergelijke. Bijgevolg beminnen de zondaars zichzelf.
3. Praeterea, omnibus est diligibile bonum, ut Dionysius, dicit in 4. cap. de Div. Nom. Sed multi peccatores reputant se bonos. Ergo multi peccatores seipsos diligunt.
3. Zooals Dionysius zegt, is wat goed is, aantrekkelijk voor eenieder. Welnu veel zondaars denken dat ze goed zijn. Bijgevolg beminnen veel zondaars zichzelf.3. Zoals Dionysius zegt, is wat goed is, aantrekkelijk voor eenieder. Welnu veel zondaars denken dat ze goed zijn. Bijgevolg beminnen veel zondaars zichzelf.
Sed contra est, quod dicitur in Psal. 10. [v. 6] : « Qui diligit iniquitatem. odit animam suam ».
Daartegenover staat echter wat het Boek der Psalmen (10. 6) zegt : « Wie onrecht bemint, haat zijn ziel ».Daartegenover staat echter wat het Boek van de Psalmen (10, 6)a zegt: “Wie onrecht bemint, haat zijn ziel”.
Respondeo dicendum quod amare seipsum uno modo commune est omnibus, alio modo proprium est bonorum, tertio modo proprium est malorum. Quod enim aliquis amet id quod seipsum esse aestimat, hoc commune est omnibus. Homo autem dicitur esse aliquid dupliciter. Uno modo secundum 248suam substantiam et naturam : et secundum hoc omnes aestimant se esse id quod sunt, scilicet ex anima et corpore compositos; et sic etiam omnes homines boni et mali diligunt seipsos, inquantum diligunt sui ipsorum conservationem. Alio modo dicitur homo esse aliquid secundum principalitatem : sicut princeps civitatis dicitur esse civitas. Unde quod principes faciunt, dicitur civitas facere. Sic autem non omnes aestimant se esse id quod sunt. Principale enim in homine est mens rationalis; secundarium autem est natura sensitiva et corporalis : quorum primum Apostolus nominat « interiorem hominem », secundum « exteriorem », ut patet 2. ad Cor. 4. [v. 16]. Boni autem aestimant principale in seipsis rationalem naturam sive interiorem hominem; unde secundum hoc aestimant, se esse quod sunt. Mali autem aestimant principale in seipsis naturam sensitivam et corporalem, scilicet exteriorem hominem; unde non recte cognoscentes seipsos, non vere diligunt seipsos; sed diligunt id quod seipsos esse reputant. Boni autem vere cognoscentes seipsos, vere seipsos diligunt. Et hoc probat Philos. in 9. Ethic. [cap. 4.] per quinque, quae sunt amicitiae propria. Unusquisque enim amicus primo 249quidem vult suum amicum esse, et vivere; secundo vult ei bona; tertio operatur bona ad ipsum; quarto convivit ei delectabiliter; quinto concordat cum ipso, quasi eisdem delectatus, et contristatus. Et secundum hoc boni diligunt seipsos quantum ad interiorem hominem, quia volunt ipsum servari in sua integritate et optant ei bona quae sunt bona spiritualia, et etiam ad ea assequenda operam impendunt, et delectabiliter ad cor proprium redeunt; quia ibi inveniunt bonas cogitationes in praesenti, et memoriam praeteritorum bonorum, et spem futurorum bonorum, ex quibus delectatio causatur. Similiter etiam non patiuntur in seipsis voluntatis dissensionem; quia tota anima eorum tendit in unum. E contrario autem mali non volunt conservari in integritate interioris hominis; neque appetunt ei spiritualia bona; neque ad hoc operantur; neque delectabile est eis secum convivere, redeundo ad cor; quia inveniunt ibi mala et praesentia et praeterita et futura, quae abhorrent; neque etiam sibi ipsis concordant propter conscientiam remordentem, secundum illud Psalm. 49. [v. 21] : « Arguam te et statuam contra faciem tuam ». Et per eadem probari potest, quod mali amant seipsos secundum 250corruptionem exterioris hominis; sic autem boni non amant seipsos.
Leerstelling. — Eigenliefde is onder een bepaald opzicht, aan allen gemeen; onder een ander opzicht, eigen aan de goeden; onder een derde opzicht, eigen aan de zondaars. Het is aan allen gemeen lief te hebben, wat zij oordeelen te zijn. Welnu, men is iets op een dubbele wijze : vooreerst, wat men is van nature en 248naar zijn zelfstandigheid. Op die wijze oordeelt elk dat hij is, wat hij werkelijk is, nl. samengesteld uit lichaam en ziel. Goeden en slechten hebben zichzelf lief in dezen zin, voor zoover ze hun eigen behoud beminnen. Ten tweede, men zegt dat de mensch iets is met het oog op een zekeren voorrang, zooals men zegt dat de vorst de staat is, zoodat wat de vorst uitvoert den staat wordt toegeschreven. In dien zin hebben niet allen een juist oordeel over zichzelf. Want de redelijke ziel heeft den voorrang in den mensch; wat tot de zinnen of het lichaam behoort, heeft slechts een tweederangswaarde. Datgene wat den voorrang heeft, noemt de Apostel in den Tweeden Brief aan de Corinthiërs (4. 16) : « den inwendigen mensch »; het andere : « den uitwendigen mensch ». De deugdzamen oordeelen dat de redelijke natuur d. i. de inwendige mensch, het voornaamste is; aldus beoordeelen ze zich naar hun juiste waarde. De zondaars daarentegen oordeelen dat de zinnelijke en lichamelijke natuur, nl. de uitwendige mensch, het voornaamste is. Ze beoordeelen zich bijgevolg verkeerd, en daarom is hun liefde valsch. Ze beminnen niettemin datgene wat ze meenen te zijn. Daar echter het oordeel van de deugdzamen juist is, is ook hun liefde juist. En de Wijsgeer bewijst dit door vijf eigenschappen der vriendschap. Ten eerste, elk wenscht dat zijn vriend zou bestaan en leven; ten tweede, hij wenscht hem bepaalde goederen 249toe; ten derde, hij legt zich erop toe om hem deze voordeelen te verzekeren; ten vierde, hij vindt er zijn genoegen in, met zijn vriend samen te leven; ten vijfde, hij is één hart met zijn vriend, deelt vreugde en smart. De deugdzamen hebben zichzelf lief op die wijze : ze beminnen den inwendigen mensch en willen dat hij ongeschonden behouden blijft; ze verlangen zijn goed, nl. de geestelijke goederen; ze spannen zich in om deze te bekomen; ze vinden hun welbehagen in hun eigen hart, want daar treffen ze alle goede gedachten aan, het geheugen van al het goede dat ze in het verleden verricht hebben en de hoop op de toekomst, en dit alles is oorzaak van vreugde; ze laten geen tweespalt in hun wilsstreving toe, want met geheel hun ziel zijn ze op één doel gericht. De zondaars daarentegen willen het behoud niet van de ongeschondenheid van den inwendigen mensch; ze verlangen het geestelijk goed niet; ze maken zich er niet druk om; ze keeren niet gaarne in zichzelf, nl. in hun hart, want het is al kwaad wat ze er vinden, zonden van nu, van vroeger, voor later, en ze walgen ervan; ze kunnen zelfs geen vrede vinden in zichzelf, want hun geweten is een voortdurend verwijt. Zoo lezen we in het Boek der Psalmen (49. 21) : « Daarom waarschuw ik u, en breng het onder het oog ». Men zou ook dezelfde redenen kunnen aanvoeren om te bewijzen dat de zondaars zichzelf beminnen, in de verderfelijkheid 250van den uitwendigen mensch. Op die wijze echter beminnen de goeden zichzelf niet.Leerstelling. — Eigenliefde is onder een bepaald opzicht, aan allen gemeen; onder een ander opzicht, eigen aan de goeden; onder een derde opzicht, eigen aan de zondaars. Het is aan allen gemeen lief te hebben, wat zij oordelen te zijn. Welnu, men is iets op een dubbele wijze: vooreerst, wat men is van nature en 248naar zijn zelfstandigheid. Op die wijze oordeelt elk dat hij is, wat hij werkelijk is, nl. samengesteld uit lichaam en ziel. Goeden en slechten hebben zichzelf lief in deze zin, voor zover ze hun eigen behoud beminnen. Ten tweede, men zegt dat de mens iets is met het oog op een zekeren voorrang, zoals men zegt dat de vorst de staat is, zodat wat de vorst uitvoert de staat wordt toegeschreven. In die zin hebben niet allen een juist oordeel over zichzelf. Want de redelijke ziel heeft de voorrang in de mens; wat tot de zinnen of het lichaam behoort, heeft slechts een tweederangswaarde. Datgene wat de voorrang heeft, noemt de Apostel in de Tweede Brief aan de Korintiërs (4, 16): “de inwendige mens”; het andere: “de uitwendige mens”. De deugdzamen oordelen dat de redelijke natuur d.i. de inwendige mens, het voornaamste is; aldus beoordelen ze zich naar hun juiste waarde. De zondaars daarentegen oordelen dat de zinnelijke en lichamelijke natuur, nl. de uitwendige mens, het voornaamste is. Ze beoordelen zich bijgevolg verkeerd, en daarom is hun liefde vals. Ze beminnen niettemin datgene wat ze menen te zijn. Daar echter het oordeel van de deugdzamen juist is, is ook hun liefde juist. En de Wijsgeer bewijst dit door vijf eigenschappen van de vriendschap. Ten eerste, elk wenst dat zijn vriend zou bestaan en leven; ten tweede, hij wenst hem bepaalde goederen 249toe; ten derde, hij legt zich erop toe om hem deze voordelen te verzekeren; ten vierde, hij vindt er zijn genoegen in, met zijn vriend samen te leven; ten vijfde, hij is één hart met zijn vriend, deelt vreugde en smart. De deugdzamen hebben zichzelf lief op die wijze: ze beminnen de inwendige mens en willen dat hij ongeschonden behouden blijft; ze verlangen zijn goed, nl. de geestelijke goederen; ze spannen zich in om deze te bekomen; ze vinden hun welbehagen in hun eigen hart, want daar treffen ze alle goede gedachten aan, het geheugen van al het goede dat ze in het verleden verricht hebben en de hoop op de toekomst, en dit alles is oorzaak van vreugde; ze laten geen tweespalt in hun wilsstreving toe, want met geheel hun ziel zijn ze op één doel gericht. De zondaars daarentegen willen het behoud niet van de ongeschondenheid van de inwendige mens; ze verlangen het geestelijk goed niet; ze maken zich er niet druk om; ze keren niet gaarne in zichzelf, nl. in hun hart, want het is al kwaad wat ze er vinden, zonden van nu, van vroeger, voor later, en ze walgen ervan; ze kunnen zelfs geen vrede vinden in zichzelf, want hun geweten is een voortdurend verwijt. Zo lezen we in het Boek van de Psalmen (49, 21)b: “Daarom waarschuw ik u, en breng het onder het oog”. Men zou ook dezelfde redenen kunnen aanvoeren om te bewijzen dat de zondaars zichzelf beminnen, in de verderfelijkheid 250van de uitwendige mens. Op die wijze echter beminnen de goeden zichzelf niet.
Ad primum ergo dicendum quod ille amor sui qui est principium peccati, est ille qui est proprius malorum, perveniens usque ad contemptum Dei, ut ibidem dicitur : quia mali etiam sic cupiunt exteriora bona quod spiritualia contemnunt.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De eigenliefde die beginsel van zonde is, is de eigenliefde die de zondaars eigen is en die gaat tot het misprijzen van God, zooals Augustinus zegt. Want de goddeloozen hebben de uitwendige goederen zoodanig lief, dat ze de geestelijke misprijzen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De eigenliefde die beginsel van zonde is, is de eigenliefde die de zondaars eigen is en die gaat tot het misprijzen van God, zoals Augustinus zegt. Want de goddelozen hebben de uitwendige goederen zodanig lief, dat ze de geestelijke misprijzen.
Ad secundum dicendum quod naturalis amor, etsi non totaliter tollatur a malis, tamen in eis pervertitur per modum jam dictum [in corp.].
2. De natuurlijke liefde is niet volledig verdwenen bij de zondaars; zij is nochtans ontaard, zooals we hebben aangetoond (in de Leerst.).2. De natuurlijke liefde is niet volledig verdwenen bij de zondaars; zij is nochtans ontaard, zoals we hebben aangetoond (in de Leerst.).
Ad tertium dicendum quod mali inquantum aestimant se bonos, sic aliquid participant de amore sui. Nec tamen ista est vera sui dilectio, sed apparens; quae etiam non est possibilis in his, qui valde sunt mali.
3. In zoover de zondaars meenen dat ze goed zijn bezitten ze liefde tot zichzelf. Doch dit is geen ware eigenliefde, maar een valsche; en zelfs deze liefde is niet meer mogelijk bij hen die totaal slecht zijn.3. In zover de zondaars menen dat ze goed zijn bezitten ze liefde tot zichzelf. Doch dit is geen ware eigenliefde, maar een valse; en zelfs deze liefde is niet meer mogelijk bij hen die totaal slecht zijn.
Utrum sit de necessitate charitatis, ut inimici diligantur
Vergt de liefde dat men de vijanden bemint?
251Ad octavum sic proceditur. Videtur quod non sit de necessitate charitatis ut inimici diligantur. Dicit enim Augustinus in Enchir. [cap. 73.] quod « hoc tam magnum bonum, scilicet diligere inimicos, non est tantae multitudinis, quantum credimus exaudiri, cum in oratione dicitur : Dimitte nobis debita nostra ». Sed nulli dimittitur peccatum sine charitate; quia, ut dicitur, Proverb. 10. [v. 12] : « Universa delicta operit charitas ». Ergo non est de necessitate charitatis diligere inimicos.
251Bedenkingen. — Men beweert, dat de liefde niet vergt dat men de vijanden bemint. — 1. Augustinus zegt dat « niet een zoo groot aantal menschen dit groote goed, nl. de liefde tot de vijanden, bezitten, als er zijn die we denken verhoord te worden, wanneer ze bidden : Vergeef ons onze schulden ». Welnu niemand wordt vergiffenis geschonken zonder liefde; want het Boek der Spreuken (10. 12) zegt : « De liefde bedekt alle overtredingen ». Bijgevolg vergt de liefde niet dat men de vijanden bemint.251Bedenkingen. — Men beweert, dat de liefde niet vergt dat men de vijanden bemint. — 1. Augustinus zegt dat “niet een zo groot aantal mensen dit grote goed, nl. de liefde tot de vijanden, bezitten, als er zijn die we denken verhoord te worden, wanneer ze bidden: Vergeef ons onze schulden”. Welnu niemand wordt vergiffenis geschonken zonder liefde; want het Boek van de Spreuken (10, 12) zegt: “De liefde bedekt alle overtredingen”. Bijgevolg vergt de liefde niet dat men de vijanden bemint.
2. Praeterea, charitas non tollit naturam. Sed unaquaeque res etiam irrationalis naturaliter odit suum contrarium; sicut ovis lupum, et aqua ignem. Ergo charitas non facit quod inimici diligantur.
2. De liefde heft de natuur niet op. Welnu elk wezen, ook het redelooze, haat van nature datgene wat hem vijandig is, zooals het schaap den wolf en het water het vuur. De liefde kan ons bijgevolg de vijanden niet doen beminnen.2. De liefde heft de natuur niet op. Welnu elk wezen, ook het redeloze, haat van nature datgene wat hem vijandig is, zoals het schaap de wolf en het water het vuur. De liefde kan ons bijgevolg de vijanden niet doen beminnen.
3. Praeterea, « Charitas non agit perperam » [1. Cor. 33. v. 15]. Sed hoc videtur esse perversum, quod aliquis diligat inimicos, sicut et quod 252aliquis odio habeat amicos, unde 2. Reg. 19. [v. 6], exprobrando dicit Joab ad David : « Diligis odientes te, et odio habes diligentes te ». Ergo charitas non facit ut inimici diligantur.
3. « De liefde handelt niet onedel », zegt de Eerste Brief aan de Corinthiërs (13. 5). Welnu het is even onedel zijn vijanden te 252beminnen, als zijn vrienden te haten. Daarom verwijt Joab aan David in het Tweede Boek der Koningen (19. 6) : « Die u haten trekt gij voor; die van u houden stelt gij achteruit ». Bijgevolg vergt de liefde niet dat we de vijanden beminnen.3. “De liefde handelt niet onedel”, zegt de Eerste Brief aan de Korintiërs (13, 5). Welnu het is even onedel zijn vijanden te 252beminnen, als zijn vrienden te haten. Daarom verwijt Joab aan David in het Tweede Boek van de Koningen (19, 6)a: “Die u haten trekt gij voor; die van u houden stelt gij achteruit”. Bijgevolg vergt de liefde niet dat we de vijanden beminnen.
Sed contra est, quod Dominus dicit Matth. 5. [v. 44] : « Diligite inimicos vestros ».
Daartegenover staat echter het woord van Christus bij Mattheus (5. 44) : « Bemint uw vijanden ».Daartegenover staat echter het woord van Christus bij Matteüs (5, 44): “Bemint uw vijanden”.
Respondeo dicendum quod dilectio inimicorum tripliciter potest considerari. Uno quidem modo, ut inimici diligantur inquantum sunt inimici, et hoc est perversum, et charitati repugnans; quia hoc est diligere malum alterius. Alio modo potest accipi dilectio inimicorum quantum ad naturam sed in universali : et sic dilectio inimicorum est de necessitate charitatis; ut scilicet aliquis diligens Deum et proximum, ab illa generalitate dilectionis proximi inimicos suos non excludat. Tertio modo potest considerari dilectio inimicorum in speciali; ut scilicet aliquis in speciali moveatur motu dilectionis ad inimicum : et istud non est de necessitate charitatis absolute : quia nec 253etiam moveri motu dilectionis in speciali ad quoslibet homines singulariter est de necessitate charitatis; quia hoc esset impossibile. Est tamen de necessitate charitatis secundum praeparationem animi; ut scilicet homo habeat animum paratum ad hoc quod in singulari inimicum diligeret si necessitas occurreret. Sed quod absque articulo necessitatis homo etiam hoc actu impleat ut diligat inimicum propter Deum, hoc pertinet ad perfectionem charitatis. Cum enim ex charitate diligatur proximus propter Deum, quanto aliquis magis diligit Deum, tanto etiam magis ad proximum dilectionem ostendit, nulla inimicitia impediente. Sicut si aliquis multum diligeret aliquem hominem, amore ipsius filios ejus amaret, etiam inimicos sibi. Et secundum hunc modum loquitur Augustinus [loc. cit. in arg. 1.].
Leerstelling. — Men kan op drievoudige wijze over de liefde tot de vijanden spreken : Men kan, vooreerst, de liefde tot de vijanden opvatten als een liefde tot de vijanden als vijanden. Dit ware ondeugend en in strijd met de liefde, daar men zoo het slechte in een ander mensch zou beminnen. Ten tweede, men kan de liefde tot de vijanden beschouwen als een liefde tot de menschelijke natuur als zoodanig en zooals zij in elken mensch voorkomt. Dergelijke genegenheid wordt door de deugd van liefde geëischt; en wie God en den evenmensch bemint, mag de vijanden uit die algemeene liefde niet uitsluiten. Men kan ten derde, de liefde tot de vijanden opvatten als een speciale genegenheid, in dien zin dat iemand door een speciale genegenheid, uit liefde tot 253zijn vijand gedreven wordt. Absoluut gesproken vergt de liefde dit niet, zooals ten andere de liefde niet vraagt, dat we voor elken mensch een speciale genegenheid zouden koesteren, want dit is onmogelijk. De liefde vergt nochtans dat we tot dien specialen blijk van genegenheid bereid zijn, d. i. dat we bereid zijn elken vijand in het bijzonder te beminnen, indien dit noodig is. Dat echter iemand, zonder dat de noodzakelijkheid hem ertoe dwingt, zich uit liefde tot God, tegenover een vijand genegen toont, behoort tot de volmaaktheid van de liefde. We beminnen immers den evenmensch om God. Hoe intenser onze liefde tot God is, hoe sterker onze liefde tot den evenmensch wordt, zoodat geen enkele vijandschap deze kan hinderen. Zoo zal iemand die een ander liefheeft, uit liefde tot hem ook zijn zonen beminnen, zelfs wanneer deze hem persoonlijk vijandig zijn. En dit is de beteekenis van Augustinus' woorden (in de 1e Bed.).Leerstelling. — Men kan op drievoudige wijze over de liefde tot de vijanden spreken: Men kan, vooreerst, de liefde tot de vijanden opvatten als een liefde tot de vijanden als vijanden. Dit ware ondeugend en in strijd met de liefde, daar men zo het slechte in een ander mens zou beminnen. Ten tweede, men kan de liefde tot de vijanden beschouwen als een liefde tot de menselijke natuur als zodanig en zoals zij in elke mens voorkomt. Dergelijke genegenheid wordt door de deugd van liefde geëist; en wie God en de evenmens bemint, mag de vijanden uit die algemene liefde niet uitsluiten. Men kan ten derde, de liefde tot de vijanden opvatten als een speciale genegenheid, in die zin dat iemand door een speciale genegenheid, uit liefde tot 253zijn vijand gedreven wordt. Absoluut gesproken vergt de liefde dit niet, zoals ten andere de liefde niet vraagt, dat we voor elke mens een speciale genegenheid zouden koesteren, want dit is onmogelijk. De liefde vergt nochtans dat we tot die speciale blijk van genegenheid bereid zijn, d.i. dat we bereid zijn elken vijand in het bijzonder te beminnen, indien dit nodig is. Dat echter iemand, zonder dat de noodzakelijkheid hem ertoe dwingt, zich uit liefde tot God, tegenover een vijand genegen toont, behoort tot de volmaaktheid van de liefde. We beminnen immers de evenmens om God. Hoe intenser onze liefde tot God is, hoe sterker onze liefde tot de evenmens wordt, zodat geen enkele vijandschap deze kan hinderen. Zo zal iemand die een ander liefheeft, uit liefde tot hem ook zijn zonen beminnen, zelfs wanneer deze hem persoonlijk vijandig zijn. En dit is de betekenis van Augustinus' woorden (in de 1e Bed.).
Unde patet responsio ad primum.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het eerste antwoord is duidelijk uit wat boven gezegd is.
Ad secundum dicendum quod unaquaeque res naturaliter odio habet id quod est sibi contrarium, inquantum est sibi contrarium. Inimici autem sunt nobis contrarii, inquantum sunt inimici. Unde hoc debemus in eis odio 254habere. Debet enim nobis displicere quod nobis inimici sunt. Non autem nobis sunt contrarii inquantum homines sunt et beatitudinis capaces. Et secundum hoc debemus eos diligere.
2. Elk wezen haat van nature alles wat hem vijandig is, in zoover het vijandig is. Welnu het is duidelijk dat onze vijanden, als zoodanig ons vijandig zijn. En dit moeten we haten in hen; want 254het moet ons tegenstaan dat ze ons vijandig zijn. Ze zijn ons echter niet vijandig als mensch of voor zoover ze geroepen zijn tot de zaligheid. Als zoodanig moeten wij hen liefhebben.2. Elk wezen haat van nature alles wat hem vijandig is, in zover het vijandig is. Welnu het is duidelijk dat onze vijanden, als zodanig ons vijandig zijn. En dit moeten we haten in hen; want 254het moet ons tegenstaan dat ze ons vijandig zijn. Ze zijn ons echter niet vijandig als mens of voor zover ze geroepen zijn tot de zaligheid. Als zodanig moeten wij hen liefhebben.
Ad tertium dicendum quod diligere inimicos, inquantum sunt inimici, hoc est vituperabile. Et hoc non facit charitas, ut dictum est [in corp. art.].
3. Het is afkeurendswaardig zijn vijanden als vijanden te beminnen. Maar dit vergt de liefde niet, zooals gezegd is (in de Leerst.).3. Het is afkeurendswaardig zijn vijanden als vijanden te beminnen. Maar dit vergt de liefde niet, zoals gezegd is (in de Leerst.).
Utrum sit de necessitate salutis, quod aliquis inimico signa et effectus dilectionis exhibeat
Vergt de liefde dat men zijn vijand bijzondere teekens en bewijzen van genegenheid zou geven?Vergt de liefde dat men zijn vijand bijzondere tekens en bewijzen van genegenheid zou geven?
Ad nonum sic proceditur. Videtur, quod de necessitate charitatis sit quod aliquis homo signa vel effectus dilectionis inimico exhibeat. Dicitur enim 1. Joan. 3. [v. 18] : « Non diligamus verbo, neque lingua, sed opere, et veritate ». Sed opere diligit aliquis exhibendo ad eum quem diligit signa 255et effectus dilectionis. Ergo de necessitate charitatis est ut aliquis hujusmodi signa et effectus inimicis exhibeat.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de liefde eischt dat men zijn vijand teekens en bewijzen van genegenheid geeft. — 1. We lezen in den Eersten Brief van Joannes (3. 18) : « Laat ons niet liefhebben met het woord of met de tong, maar metterdaad en in waarheid ». Welnu beminnen metterdaad, is iemand die men bemint, zijn genegenheid door teekens en bewijzen te kennen geven. 255De liefde vraagt bijgevolg dat men dergelijke teekens en bewijzen van genegenheid aan zijn vijand zou betoonen.Bedenkingen. — Men beweert, dat de liefde eist dat men zijn vijand tekens en bewijzen van genegenheid geeft. — 1. We lezen in de Eerste Brief van Johannes (3, 18): “Laat ons niet liefhebben met het woord of met de tong, maar metterdaad en in waarheid”. Welnu beminnen metterdaad, is iemand die men bemint, zijn genegenheid door tekens en bewijzen te kennen geven. 255De liefde vraagt bijgevolg dat men dergelijke tekens en bewijzen van genegenheid aan zijn vijand zou betonen.
2. Praeterea, Matth. 5. [v. 44] Dominus simul dicit : « Diligite inimicos vestros », et : « Benefacite his, qui oderunt vos ». Sed diligere inimicos est de necessitate charitatis. Ergo etiam benefacere inimicis.
2. Christus zegt te gelijk : « Bemint uw vijanden » en « Weest weldadig jegens hen die u haten ». (Matth. 5. 44). Welnu de liefde eischt dat we onze vijanden beminnen. Ze vraagt bijgevolg ook dat we weldadig zijn tegenover hen.2. Christus zegt te gelijk: “Bemint uw vijanden” en “Weest weldadig jegens hen die u haten”. (Matt. 5. 44). Welnu de liefde eist dat we onze vijanden beminnen. Ze vraagt bijgevolg ook dat we weldadig zijn tegenover hen.
3. Praeterea, charitate amatur non solum Deus sed etiam proximus. Sed Gregorius dicit in Homil. [30.] Pentec., quod « amor Dei non potest esse otiosus : magna enim operatur, si est; si desinit operari, non est amor ». Ergo charitas quae habetur ad proximum non potest esse sine operationis effectu. Sed de necessitate charitatis est ut omnis proximus diligatur etiam inimicus. Ergo de necessitate charitatis est ut etiam ad inimicos signa et effectus dilectionis ostendamus.
3. Door de liefde beminnen we niet alleen God, maar ook den evenmensch. Welnu Gregorius zegt : « De liefde blijft niet werkeloos; want wanneer de liefde aanwezig is, dan is zij grootdadig; maar wanneer ze ophoudt werkdadig te zijn, dan is zij geen liefde meer ». Bijgevolg kan de liefde tot den evenmensch niet werkeloos blijven. Welnu de liefde vraagt dat we elken evenmensch, ook een vijand, beminnen. Het is bijgevolg vereischt dat de liefde tot de vijanden zich openbaart door teekens en bewijzen van genegenheid.3. Door de liefde beminnen we niet alleen God, maar ook de evenmens. Welnu Gregorius zegt: “De liefde blijft niet werkeloos; want wanneer de liefde aanwezig is, dan is zij grootdadig; maar wanneer ze ophoudt werkdadig te zijn, dan is zij geen liefde meer”. Bijgevolg kan de liefde tot de evenmens niet werkeloos blijven. Welnu de liefde vraagt dat we elken evenmens, ook een vijand, beminnen. Het is bijgevolg vereist dat de liefde tot de vijanden zich openbaart door tekens en bewijzen van genegenheid.
Sed contra est, quod Matth. 5. [v. 44] super illud : « Benefacite his, qui oderunt vos », dicit Glossa, « quod benefacere inimicis est cumulus perfectionis ». Sed id quod pertinet ad perfectionem charitatis non est de 256necessitate ipsius. Ergo non est de necessitate charitatis quod aliquis signa et effectus dilectionis inimicis exhibeat.
Daartegenover staat echter dat de Glossa bij de woorden uit Mattheus (5. 44) : « Weest weldadig jegens hen die u haten », opmerkt : « Weldadig zijn jegens zijn vijanden is het toppunt der volmaaktheid ». Welnu de volmaaktheid is geen eisch van de 256liefde. Derhalve eischt de liefde niet dat men door teekens en bewijzen, zijn genegenheid voor zijn vijanden toont.Daartegenover staat echter dat de Glossa bij de woorden uit Matteüs (5, 44): “Weest weldadig jegens hen die u haten”, opmerkt: “Weldadig zijn jegens zijn vijanden is het toppunt van de volmaaktheid”. Welnu de volmaaktheid is geen eis van de 256liefde. Derhalve eist de liefde niet dat men door tekens en bewijzen, zijn genegenheid voor zijn vijanden toont.
Respondeo dicendum quod effectus et signa charitatis ex interiori dilectione procedunt et ei proportionantur. Dilectio autem interior ad inimicum in communi quidem est de necessitate praecepti absolute; in speciali autem est non absolute sed secundum praeparationem animi, ut supra dictum est [art. praec.]. Sic ergo dicendum est de effectu et signo dilectionis exterius exhibendo. Sunt enim quaedam signa vel beneficia dilectionis quae exhibentur proximis in communi : puta cum aliquis orat pro omnibus fidelibus vel pro toto populo; aut cum aliquod beneficium impendit aliquis toti communitati : et talia beneficia vel dilectionis signa inimicis exhibere est de necessitate praecepti. Si enim non exhibentur inimicis hoc pertineret ad livorem vindictae, contra id quod dicitur Lev. 19. [v. 18] : « Non quaeres ultionem, et non eris memor injuriae civium tuorum ». Alia vero sunt beneficia vel dilectionis signa quae quis exhibet particulariter aliquibus personis. 257Et talia beneficia vel dilectionis signa inimicis exhibere non est de necessitate salutis nisi secundum praeparationem animi; ut scilicet subveniatur eis in articulo necessitatis, secundum illud Proverb. 25. [v. 21] : « Si esurierit inimicus tuus, ciba illum; si sitit, da illi potum ». Sed quod praeter articulum necessitatis hujusmodi beneficia aliquis inimicis exhibeat, pertinet ad perfectionem charitatis; per quam aliquis non solum cavet vinci a malo, quod necessitatis est, sed etiam vult in bono vincere malum, quod est etiam perfectionis; dum scilicet non solum cavet propter injuriam sibi illatam pertrahi ad odium sed etiam propter sua beneficia intendit inimicum pertrahere ad suum amorem.
Leerstelling. — Bewijzen en teekens van liefde moeten voortspruiten uit een inwendige genegenheid en daaraan geëvenredigd zijn. Welnu, zooals gezegd werd (vorig Art.), valt de algemeene inwendige liefde jegens den vijand, op absolute wijze onder het gebod der liefde; de bijzondere genegenheid daarentegen, is niet volstrekt vereischt, maar slechts in zoover we tot die genegenheid moeten bereid zijn. Hetzelfde moet dus gezegd worden van de uitwendige bewijzen en teekens van genegenheid. Sommige weldaden en teekens van genegenheid worden aan den evenmensch in het algemeen gedaan, zooals wanneer men bidt voor alle geloovigen of voor geheel het volk, of wanneer iemand een weldaad bewijst aan heel de gemeenschap. Het gebod der liefde vraagt, dat we dergelijke weldaden of teekens van genegenheid aan onze vijanden niet zouden ontzeggen. Dergelijke bewijzen weigeren is naar bittere wraak dorsten, wat in het Boek Leviticus (19. 18) verboden is : « Neem geen wraak en blijf geen herinnering bewaren aan de beleedigingen van uw medeburgers ». De andere weldaden of teekens van genegenheid, die we aan enkelen bewijzen, zijn we, krachtens het gebod 257der liefde, niet verplicht, ook aan onze vijanden te bewijzen; we moeten slechts bereid zijn, hen in geval van nood te helpen, zooals gezegd wordt in het Boek der Spreuken (25. 21) : « Heeft uw vijand honger, geef hem brood te eten, heeft hij dorst, laat hem water drinken ». Wanneer iemand, buiten het noodgeval, aan zijn vijand dergelijke weldaden bewijst, dan moet dit als de volmaaktheid der liefde beschouwd worden, doordat men zich niet door het kwaad laat overwinnen, — wat van elk vereischt wordt, — doch het kwade door het goede óverwint, — wat de volmaaktheid is. Men legt er zich bijgevolg niet slechts op toe, om zich niet door haat te laten meeslepen, omdat men belasterd werd; maar men streeft er naar zijn vijand ertoe te brengen ons te beminnen om reden van bewezen weldaden.Leerstelling. — Bewijzen en tekens van liefde moeten voortspruiten uit een inwendige genegenheid en daaraan geëvenredigd zijn. Welnu, zoals gezegd werd (vorig Art.), valt de algemene inwendige liefde jegens de vijand, op absolute wijze onder het gebod van de liefde; de bijzondere genegenheid daarentegen, is niet volstrekt vereist, maar slechts in zover we tot die genegenheid moeten bereid zijn. Hetzelfde moet dus gezegd worden van de uitwendige bewijzen en tekens van genegenheid. Sommige weldaden en tekens van genegenheid worden aan de evenmens in het algemeen gedaan, zoals wanneer men bidt voor alle gelovigen of voor geheel het volk, of wanneer iemand een weldaad bewijst aan heel de gemeenschap. Het gebod van de liefde vraagt, dat we dergelijke weldaden of tekens van genegenheid aan onze vijanden niet zouden ontzeggen. Dergelijke bewijzen weigeren is naar bittere wraak dorsten, wat in het Boek Leviticus (19, 18) verboden is: “Neem geen wraak en blijf geen herinnering bewaren aan de beledigingen van uw medeburgers”. De andere weldaden of tekens van genegenheid, die we aan enkelen bewijzen, zijn we, krachtens het gebod 257van de liefde, niet verplicht, ook aan onze vijanden te bewijzen; we moeten slechts bereid zijn, hen in geval van nood te helpen, zoals gezegd wordt in het Boek van de Spreuken (25, 21): “Heeft uw vijand honger, geef hem brood te eten, heeft hij dorst, laat hem water drinken”. Wanneer iemand, buiten het noodgeval, aan zijn vijand dergelijke weldaden bewijst, dan moet dit als de volmaaktheid van de liefde beschouwd worden, doordat men zich niet door het kwaad laat overwinnen, — wat van elk vereist wordt, — doch het kwade door het goede óverwint, — wat de volmaaktheid is. Men legt er zich bijgevolg niet slechts op toe, om zich niet door haat te laten meeslepen, omdat men belasterd werd; maar men streeft er naar zijn vijand ertoe te brengen ons te beminnen om reden van bewezen weldaden.
Utrum debeamus angelos ex charitate diligere
Moet men de engelen uit liefde beminnen?
258Ad decimum sic proceditur. Videtur, quod angelos ex charitate non debeamus diligere. Ut enim Augustinus dicit in lib. 1. de Doctr. Christ. [cap. 26.] « gemina est dilectio charitatis, scilicet : Dei, et proximi ». Sed dilectio angelorum non continetur sub dilectione Dei, cum sint substantiae creatae : nec etiam videtur contineri sub dilectione proximi, cum non communicent nobiscum in specie. Ergo angeli non sunt ex charitate diligendi.
258Bedenkingen. — Men beweert, dat men de engelen niet uit liefde moet beminnen. — 1. Augustinus zegt dat « de liefde een dubbel voorwerp heeft, nl. God en den naaste ». Welnu de liefde tot de engelen, die geschapen zelfstandigheden zijn, valt niet onder de liefde tot God; ook niet onder de liefde tot den naaste, daar we soortelijk verschillend zijn van hen. Bijgevolg moet men de engelen niet uit liefde beminnen.258Bedenkingen. — Men beweert, dat men de engelen niet uit liefde moet beminnen. — 1. Augustinus zegt dat “de liefde een dubbel voorwerp heeft, nl. God en de naaste”. Welnu de liefde tot de engelen, die geschapen zelfstandigheden zijn, valt niet onder de liefde tot God; ook niet onder de liefde tot de naaste, daar we soortelijk verschillend zijn van hen. Bijgevolg moet men de engelen niet uit liefde beminnen.
2. Praeterea, magis conveniunt nobiscum bruta animalia quam angeli : nam nos et bruta animalia sumus in eodem genere propinquo. Sed ad bruta animalia non habemus charitatem, ut supra dictum est [art. 3.]. Ergo etiam neque ad angelos.
2. Het verschil tusschen ons en de redelooze dieren is kleiner dan het verschil tusschen ons en de engelen, want wij en de dieren komen overeen in het naaste geslacht. Welnu er werd gezegd (3e Art.) dat de liefde tot de dieren niet bestaat. Bijgevolg evenmin tot de engelen.2. Het verschil tussen ons en de redeloze dieren is kleiner dan het verschil tussen ons en de engelen, want wij en de dieren komen overeen in het naaste geslacht. Welnu er werd gezegd (3e Art.) dat de liefde tot de dieren niet bestaat. Bijgevolg evenmin tot de engelen.
3. Praeterea, « nihil est ita proprium amicorum, sicut convivere », ut dicitur in 8. Ethic. [cap. 5.]. Sed angeli non convivunt nobiscum, nec 259etiam eos videre possumus. Ergo ad eos charitatis amicitiam habere non valemus.
3. « Niets is de vriendschap meer eigen, dan het samenleven », zooals in de Ethica gezegd wordt. Welnu de engelen leven niet 259samen met ons; we kunnen ze zelfs niet zien. Bijgevolg is de vriendschap der liefde tusschen hen en ons niet mogelijk.3. “Niets is de vriendschap meer eigen, dan het samenleven”, zoals in de Ethica gezegd wordt. Welnu de engelen leven niet 259samen met ons; we kunnen ze zelfs niet zien. Bijgevolg is de vriendschap van de liefde tussen hen en ons niet mogelijk.
Sed contra est, quod Augustinus dicit in 1. de Doctr. Christ. [cap. 30] : « Jam vero si vel cui praebendum a nobis est, vel a quo nobis praebendum est officium misericordiae, recte proximus dicitur; manifestum est praecepto quo jubemur diligere proximum, etiam sanctos angelos contineri, a quibus multa nobis misericordiae impenduntur officia ».
Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt : « Indien al diegenen waaraan we werken van barmhartigheid moeten doen, of die ons dergelijke werken moeten bewijzen, onze naaste genoemd worden, dan is het duidelijk dat de engelen onder het gebod der liefde vallen, daar zij ons zoo talrijke bewijzen van barmhartigheid geven ».Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt: “Indien al diegenen waaraan we werken van barmhartigheid moeten doen, of die ons dergelijke werken moeten bewijzen, onze naaste genoemd worden, dan is het duidelijk dat de engelen onder het gebod van de liefde vallen, daar zij ons zo talrijke bewijzen van barmhartigheid geven”.
Respondeo dicendum, quod amicitia charitatis, sicut supra dictum est [q. 23. art. 1.], fundatur super communicatione beatitudinis aeternae, in cujus participatione communicant cum angelis homines. Dicitur enim Matth. 22. [v. 30] quod : « in resurrectione erunt homines, sicut angeli in coelo ». Et ideo manifestum est quod amicitia charitatis etiam ad angelos se extendit.
Leerstelling. — Boven (23e Kw. 1e Art.) werd gezegd dat de vriendschap der liefde gevestigd is op de mededeeling der eeuwige zaligheid, waaraan de engelen evengoed als de menschen deelachtig zijn. Want bij Mattheus (22. 30) lezen we : « Bij de verrijzenis zullen de menschen als engelen in den hemel zijn ». Waaruit blijkt dat de vriendschap der liefde zich ook uitstrekt tot de engelen.Leerstelling. — Boven (23e Kw. 1e Art.) werd gezegd dat de vriendschap van de liefde gevestigd is op de mededeling van de eeuwige zaligheid, waaraan de engelen evengoed als de mensen deelachtig zijn. Want bij Matteüs (22, 30) lezen we: “Bij de verrijzenis zullen de mensen als engelen in de hemel zijn”. Waaruit blijkt dat de vriendschap van de liefde zich ook uitstrekt tot de engelen.
Ad primum ergo dicendum quod proximus non solum dicitur 260communicatione speciei sed etiam communicatione beneficiorum pertinentium ad vitam aeternam; super qua communicatione amicitia charitatis fundatur.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Onze naaste is niet slechts diegene die met ons in dezelfde soort overeenkomt, maar 260ook hij die deelt in de weldaden die betrekking hebben op het eeuwig leven. En op dit deelgenootschap is de vriendschap der liefde gegrondvest.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Onze naaste is niet slechts diegene die met ons in dezelfde soort overeenkomt, maar 260ook hij die deelt in de weldaden die betrekking hebben op het eeuwig leven. En op dit deelgenootschap is de vriendschap van de liefde gegrondvest.
Ad secundum dicendum quod bruta animalia conveniunt nobiscum in genere propinquo ratione naturae sensitivae : secundum quam non sumus participes aeternae beatitudinis, sed secundum mentem rationalem, in qua communicamus cum angelis.
2. De dieren zijn met ons verwant door overeenkomst in het naaste geslacht, naar de zinnelijke natuur. Maar deze maakt ons niet geschikt voor het eeuwig leven; wel echter onze geestelijke ziel, waardoor we verwant zijn met de engelen.
Ad tertium dicendum quod angeli non convivunt nobis exteriori conversatione, quae nobis est secundum sensitivam naturam. Convivimus tamen angelis secundum mentem, imperfecte quidem in hac vita, perfecte autem in patria, sicut et supra dictum est [q. 23. art. 1. ad 1.].
3. De engelen leven niet samen met ons op uitwendige wijze, en naar onze zinnelijke natuur. Maar we leven samen met hen op geestelijke wijze, onvolkomen op aarde, volmaakt in den hemel, zooals boven gezegd is (23e Kw. 1e Art. 1e Antw.).3. De engelen leven niet samen met ons op uitwendige wijze, en naar onze zinnelijke natuur. Maar we leven samen met hen op geestelijke wijze, onvolkomen op aarde, volmaakt in de hemel, zoals boven gezegd is (23e Kw. 1e Art. 1e Antw.).
Utrum debeamus daemones ex charitate diligere
Moeten we de duivelen uit liefde beminnen?
Ad undecimum sic proceditur. Videtur, quod daemones ex charitate 261debeamus diligere. Angeli enim sunt nobis proximi inquantum communicamus cum eis in rationali mente. Sed etiam daemones sic nobiscum communicant; quia data naturalia in eis manent integra, scilicet : esse, vivere, et intelligere, ut dicitur Dionys. in 4. cap. de Div. Nom. [part. 4. lect. 19.]. Ergo debemus daemones ex charitate diligere.
Bedenkingen. — Men beweert, dat men de duivelen uit liefde 261moet beminnen. — 1. De engelen zijn onze naaste omdat ze zooals wij deel hebben aan de redelijke natuur. Welnu ook de duivelen hebben deze natuur met ons; want zooals Dionysius zegt, blijven alle natuurlijke gaven bij hen ongeschonden, nl. het zijn, het leven, het verstand. Bijgevolg moeten we de duivelen uit liefde beminnen.Bedenkingen. — Men beweert, dat men de duivelen uit liefde 261moet beminnen. — 1. De engelen zijn onze naaste omdat ze zoals wij deel hebben aan de redelijke natuur. Welnu ook de duivelen hebben deze natuur met ons; want zoals Dionysius zegt, blijven alle natuurlijke gaven bij hen ongeschonden, nl. het zijn, het leven, het verstand. Bijgevolg moeten we de duivelen uit liefde beminnen.
2. Praeterea, daemones differunt a beatis angelis differentia peccati, sicut et peccatores homines a justis. Sed justi homines ex charitate diligunt peccatores. Ergo etiam ex charitate debent diligere daemones.
2. De duivelen verschillen van de engelen door de zonde, zooals de zondaars verschillen van de rechtvaardigen. Welnu de rechtvaardigen beminnen de zondaars uit liefde. Bijgevolg moeten ze ook de duivelen uit liefde beminnen.2. De duivelen verschillen van de engelen door de zonde, zoals de zondaars verschillen van de rechtvaardigen. Welnu de rechtvaardigen beminnen de zondaars uit liefde. Bijgevolg moeten ze ook de duivelen uit liefde beminnen.
3. Praeterea, illi, a quibus beneficia nobis impenduntur, debent a nobis ex charitate diligi, tamquam proximi; sicut patet ex auctoritate Augustini supra inducta [art. praec. in arg. sed cont.]. Sed daemones nobis in multis sunt utiles, dum « nos tentando nobis coronas fabricant », sicut Augustinus dicit 11. de Civit. Dei. Ergo daemones sunt ex charitate diligendi.
3. Zij die ons weldoen, moeten door ons uit liefde bemind worden als onze naaste, zooals Augustinus zegt (vorig Art. Tegenbed.). Welnu de duivelen zijn ons in veel zaken dienstig, daar zij « door ons te bekoren, voor ons kronen vlechten », zooals Augustinus zegt. Bijgevolg moeten we de duivelen uit liefde beminnen.3. Zij die ons weldoen, moeten door ons uit liefde bemind worden als onze naaste, zoals Augustinus zegt (vorig Art. Tegenbed.). Welnu de duivelen zijn ons in veel zaken dienstig, daar zij “door ons te bekoren, voor ons kronen vlechten”, zoals Augustinus zegt. Bijgevolg moeten we de duivelen uit liefde beminnen.
Sed contra est, quod dicitur Isa. 28. [v. 18] : « Delebitur foedus vestrum cum morte, et pactum vestrum cum inferno non stabit ». Sed perfectio pacis et foederis est per charitatem. Ergo ad daemones, qui sunt 262inferni incolae et mortis procuratores, charitatem habere non debemus.
Daartegenover staat echter wat Isaias (28. 18) zegt : « Uw verbond met de dood zal worden verbroken, uw verdrag met het doodenrijk geen stand kunnen houden ». Welnu, vrede en verdrag 262onderstellen de liefde. Bijgevolg moeten we de duivelen niet liefhebben, die hellebewoners zijn en ambtenaren van het doodenrijk.Daartegenover staat echter wat Jesaja (28, 18) zegt: “Uw verbond met de dood zal worden verbroken, uw verdrag met het dodenrijk geen stand kunnen houden”. Welnu, vrede en verdrag 262onderstellen de liefde. Bijgevolg moeten we de duivelen niet liefhebben, die hellebewoners zijn en ambtenaren van het dodenrijk.
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est [art. 6.], in peccatoribus ex charitate debemus diligere naturam, peccatum autem odire. In nomine autem daemonis significatur natura peccato deformata; et ideo daemones ex charitate non sunt diligendi. Et si non fiat vis in nomine, et quaestio referatur ad illos spiritus, qui daemones dicuntur, utrum sint ex charitate diligendi, respondendum est secundum praemissa [art. 2. et 3. huj. q.], quod aliquid ex charitate diligitur dupliciter. Uno modo, sicut ad quem amicitia habetur; et sic ad illos spiritus charitatis amicitiam habere non possumus. Pertinet enim ad rationem amicitiae ut amicis nostris bonum velimus. Illud autem bonum vitae aeternae, quod respicit charitas, spiritibus illis a Deo aeternaliter damnatis ex charitate velle non possumus. Hoc enim repugnaret charitati Dei, per quam ejus justitiam approbamus. Alio modo diligitur aliquid, sicut quod volumus permanere ut bonum alterius : per quem 263modum ex charitate diligimus irrationales creaturas, inquantum volumus eas permanere ad gloriam Dei, et utilitatem hominum, ut supra dictum est [art. 3. huj. q.]. Et per hunc modum naturam daemonum etiam ex charitate diligere possumus; inquantum scilicet volumus illos spiritus in suis naturalibus conservari ad gloriam Dei.
Leerstelling. — Er werd gezegd (6e Art.) dat we de natuur van de zondaars moeten beminnen, doch hun zonde haten. Duivel echter beteekent een natuur door de zonde geschonden. Bijgevolg moeten de duivelen niet uit liefde bemind worden. Houdt men geen rekening met den naam, en stelt men, met betrekking tot die geesten die we duivelen noemen, de vraag of ze moeten bemind worden, dan moet men de gegevens van het 2e en 3e Art. inachtnemen. Daar is gezegd dat we iets, uit liefde, op een dubbele wijze kunnen beminnen. We kunnen vooreerst iemand beminnen, als zijnde diegene met wie we vriendschap aanknoopen. In dezen zin kan er geen spraak zijn van een liefde van vriendschap met deze geesten. De vriendschap vraagt dat we onze vrienden goed willen. Doch dit goed, nl. het eeuwig leven, dat het voornaamste goed is wat de liefde beoogt, kunnen we deze geesten die voor eeuwig verdoemd zijn, uit liefde niet toewenschen. Dit zou in strijd zijn met de liefde tot God, waardoor wij zijn gerechtigheid bijtreden. We kunnen, ten tweede, iets beminnen, als iets wiens behoud we wenschen, opdat het een ander zou 263voordeelig zijn. Aldus beminnen we de redelooze wezens, voor zoover we hun behoud wenschen tot glorie van God en tot nut van den mensch, zooals boven gezegd is (3e Art.). In dezen zin kunnen we ook de natuur van de duivelen uit liefde beminnen, in zoover we het behoud wenschen van de natuurlijke gaven van deze geesten, tot glorie van God.Leerstelling. — Er werd gezegd (6e Art.) dat we de natuur van de zondaars moeten beminnen, doch hun zonde haten. Duivel echter betekent een natuur door de zonde geschonden. Bijgevolg moeten de duivelen niet uit liefde bemind worden. Houdt men geen rekening met de naam, en stelt men, met betrekking tot die geesten die we duivelen noemen, de vraag of ze moeten bemind worden, dan moet men de gegevens van het 2e en 3e Art. inachtnemen. Daar is gezegd dat we iets, uit liefde, op een dubbele wijze kunnen beminnen. We kunnen vooreerst iemand beminnen, als zijnde diegene met wie we vriendschap aanknopen. In deze zin kan er geen spraak zijn van een liefde van vriendschap met deze geesten. De vriendschap vraagt dat we onze vrienden goed willen. Doch dit goed, nl. het eeuwig leven, dat het voornaamste goed is wat de liefde beoogt, kunnen we deze geesten die voor eeuwig verdoemd zijn, uit liefde niet toewensen. Dit zou in strijd zijn met de liefde tot God, waardoor wij zijn gerechtigheid bijtreden. We kunnen, ten tweede, iets beminnen, als iets wiens behoud we wensen, opdat het een ander zou 263voordelig zijn. Aldus beminnen we de redeloze wezens, voor zover we hun behoud wensen tot glorie van God en tot nut van de mens, zoals boven gezegd is (3e Art.). In deze zin kunnen we ook de natuur van de duivelen uit liefde beminnen, in zover we het behoud wensen van de natuurlijke gaven van deze geesten, tot glorie van God.
Ad primum ergo dicendum quod mens Angelorum non habet impossibilitatem ad aeternam beatitudinem habendam, sicut habet mens daemonum; et ideo amicitia charitatis, quae fundatur super communicatione vitae aeternae magis quam super communicatione naturae, habetur ad Angelos, non autem ad daemones.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De geest van de engelen is niet in de onmogelijkheid de eeuwige zaligheid te bekomen, zooals de geest der duivelen. Bijgevolg bestaat de vriendschap der liefde, die veeleer gegrondvest is op de mededeeling van het eeuwig leven dan op de natuurgemeenschap, tusschen ons en de engelen, maar niet tusschen ons en de duivelen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De geest van de engelen is niet in de onmogelijkheid de eeuwige zaligheid te bekomen, zoals de geest van de duivelen. Bijgevolg bestaat de vriendschap van de liefde, die veeleer gegrondvest is op de mededeling van het eeuwig leven dan op de natuurgemeenschap, tussen ons en de engelen, maar niet tussen ons en de duivelen.
Ad secundum dicendum quod homines peccatores in hac vita habent possibilitatem perveniendi ad beatitudinem aeternam; quod non habent illi qui sunt in inferno damnati, de quibus quantum ad hoc est eadem ratio, sicut et de daemonibus.
2. Voor de zondaars blijft, tijdens dit leven, de mogelijkheid open om tot de eeuwige zaligheid te komen. Maar die mogelijkheid is uitgesloten voor hen die in de hel verdoemd zijn. En wat geldt voor de verdoemden geldt ook voor de duivelen.
Ad tertium dicendum quod utilitas quae nobis ex daemonibus provenit, non est ex eorum intentione, sed ex ordinatione divinae providentiae. Et ideo ex hoc non inducimur ad habendam amicitiam eorum, sed ad hoc 264quod simus Deo amici, qui eorum perversam intentionem convertit in nostram utilitatem.
3. Wanneer de duivelen ons nuttig zijn dan is dit niet omdat zij het bedoelen, maar omdat Gods Voorzienigheid het aldus 264schikt. We kunnen bijgevolg daarin geen reden vinden om hen onze vrienden te noemen, maar om Gods vrienden te zijn, door wiens toedoen hun slecht opzet ons voordeelig wordt.3. Wanneer de duivelen ons nuttig zijn dan is dit niet omdat zij het bedoelen, maar omdat Gods Voorzienigheid het aldus 264schikt. We kunnen bijgevolg daarin geen reden vinden om hen onze vrienden te noemen, maar om Gods vrienden te zijn, door wiens toedoen hun slecht opzet ons voordelig wordt.
Utrum convenienter enumerentur quatuor ex charitate diligenda, scilicet Deus, proximus, corpus nostrum, et nosipsi
Is het juist te spreken van een viervoudig voorwerp der liefde, nl. God, de evenmensch, ons eigen lichaam, en onszelf?Is het juist te spreken van een viervoudig voorwerp van de liefde, nl. God, de evenmens, ons eigen lichaam, en onszelf?
Ad duodecimum sic proceditur. Videtur quod inconvenienter enumerentur quatuor ex charitate diligenda scilicet Deus, proximus, corpus nostrum et nosipsi. Ut enim Augustinus dicit super Joan. [tract. 83] : « Qui non diligit Deum, nec seipsum diligit ». In Dei ergo dilectione includitur dilectio sui ipsius. Non ergo est alia dilectio sui ipsius, et alia dilectio Dei.
Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet juist is te spreken van een viervoudig voorwerp van de liefde, nl. God, de evenmensch, ons lichaam en onszelf. — 1. Augustinus zegt dat « hij die God niet bemint, zichzelf niet bemint ». Bijgevolg is de liefde tot zichzelf ingesloten in de liefde tot God. De liefde tot onszelf is derhalve niet onderscheiden van de liefde tot God.Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet juist is te spreken van een viervoudig voorwerp van de liefde, nl. God, de evenmens, ons lichaam en onszelf. — 1. Augustinus zegt dat “hij die God niet bemint, zichzelf niet bemint”. Bijgevolg is de liefde tot zichzelf ingesloten in de liefde tot God. De liefde tot onszelf is derhalve niet onderscheiden van de liefde tot God.
2. Praeterea, pars non debet dividi contra totum. Sed corpus nostrum est quaedam pars nostri. Non ergo debet dividi, quasi aliud diligibile, corpus nostrum a nobis ipsis.
2. In een indeeling moeten geheel en deel niet als tegengestelde deelen opgenoemd worden. Welnu ons lichaam is een deel van onszelf. Bijgevolg moet ons lichaam, dat een deel van onszelf is, niet als afzonderlijk voorwerp van liefde genoemd worden.2. In een indeling moeten geheel en deel niet als tegengestelde delen opgenoemd worden. Welnu ons lichaam is een deel van onszelf. Bijgevolg moet ons lichaam, dat een deel van onszelf is, niet als afzonderlijk voorwerp van liefde genoemd worden.
2653. Praeterea, sicut nos habemus corpus, ita etiam proximus. Sicut ergo dilectio, qua quis diligit proximum, distinguitur a dilectione, qua quis diligit seipsum; ita dilectio, qua quis diligit corpus proximi, debet distingui a dilectione, qua quis diligit corpus suum. Non ergo convenienter distinguuntur quatuor ex charitate diligenda.
2653. Onze evenmensch heeft een lichaam zooals wij. Bijgevolg evenals de liefde tot den naaste onderscheiden is van de liefde tot onszelf, moet de liefde tot het lichaam van den naaste onderscheiden worden van de liefde tot ons eigen lichaam. Het is derhalve niet gepast een viervoudig voorwerp van de liefde te onderscheiden.2653. Onze evenmens heeft een lichaam zoals wij. Bijgevolg evenals de liefde tot de naaste onderscheiden is van de liefde tot onszelf, moet de liefde tot het lichaam van de naaste onderscheiden worden van de liefde tot ons eigen lichaam. Het is derhalve niet gepast een viervoudig voorwerp van de liefde te onderscheiden.
Sed contra est, quod Augustinus dicit 1. de Doctr. Christ. [cap. 23] : « Quatuor sunt diligenda : unum, quod supra nos est, scilicet Deus : alterum, quod nos sumus : tertium, quod juxta nos est, scilicet proximus : quartum, quod infra nos est, scilicet proprium corpus ».
Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt : « Het voorwerp der liefde is viervoudig : een voorwerp dat ons overtreft, nl. God; een voorwerp, dat wij zelf zijn; een derde, dat ons nabij is, nl. onze evenmensch; een vierde, dat ons ondergeschikt is, nl. ons eigen lichaam ».Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt: “Het voorwerp van de liefde is viervoudig: een voorwerp dat ons overtreft, nl. God; een voorwerp, dat wij zelf zijn; een derde, dat ons nabij is, nl. onze evenmens; een vierde, dat ons ondergeschikt is, nl. ons eigen lichaam”.
Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est [q. 23. art. 1.], amicitia charitatis super communicatione beatitudinis fundatur, in qua quidem communicatione, unum est quod consideratur ut principium influens beatitudinem. scilicet Deus. Aliud est beatitudinem directe participans, scilicet homo et angelus. Tertium autem est id, ad quod per quamdam redundantiam beatitudo derivatur, scilicet corpus humanum. Id quidem quod est beatitudinem 266influens, est ea ratione diligibile, quia est beatitudinis causa. Id autem quod est beatitudinem participans potest esse duplici ratione diligibile, vel quia est unum nobiscum, vel quia est nobis consociatum in beatitudinis participatione, et secundum hoc sumuntur duo ex charitate diligibilia, prout scilicet homo diligit et seipsum, et proximum.
Leerstelling. — Zooals boven gezegd is (23e Kw. 1e Art.), is de vriendschap van de liefde op de mededeeling der zaligheid gegrondvest. Deze mededeeling heeft als werkdadig beginsel God; zij die aan deze zaligheid onmiddellijk deelachtig worden zijn de mensch en de engel; in de derde plaats, datgene waarop de zaligheid overvloeit, nl. ons lichaam. Diegene die de zaligheid mededeelt is beminnenswaardig omdat Hij de oorzaak der zaligheid is. 266Wat aan de zaligheid deelachtig wordt kan beminnenswaardig zijn om een dubbele reden : of omdat het eenzelvig is met ons; of omdat het met ons vereenigd is in dit deelgenootschap van de zaligheid. Aldus heeft men twee voorwerpen die uit liefde moeten bemind worden, nl. wijzelf en de evenmensch.Leerstelling. — Zoals boven gezegd is (23e Kw. 1e Art.), is de vriendschap van de liefde op de mededeling van de zaligheid gegrondvest. Deze mededeling heeft als werkdadig beginsel God; zij die aan deze zaligheid onmiddellijk deelachtig worden zijn de mens en de engel; in de derde plaats, datgene waarop de zaligheid overvloeit, nl. ons lichaam. Diegene die de zaligheid mededeelt is beminnenswaardig omdat Hij de oorzaak van de zaligheid is. 266Wat aan de zaligheid deelachtig wordt kan beminnenswaardig zijn om een dubbele reden: of omdat het eenzelvig is met ons; of omdat het met ons verenigd is in dit deelgenootschap van de zaligheid. Aldus heeft men twee voorwerpen die uit liefde moeten bemind worden, nl. wijzelf en de evenmens.
Ad primum ergo dicendum quod diversa habitudo diligentis ad diversa diligibilia facit diversam rationem diligibilitatis : et secundum hoc, quia est alia habitudo hominis diligentis ad Deum et ad seipsum; propter hoc ponuntur duo diligibilia, cum dilectio unius sit causa dilectionis alterius. Unde, ea remota, alia removetur.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De verschillende verhouding van hem die bemint tot de verschillende beminde voorwerpen, maakt dat elk van die voorwerpen om een andere reden bemind wordt. Daar nu de verhouding van den minnenden mensch tot God er een andere is als die tot zichzelf, zijn God en hijzelf ook op een andere wijze beminnenswaardig. De liefde tot God is immers de oorzaak van de liefde tot zichzelf. Valt dus de eene weg, dan verdwijnt meteen de andere.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De verschillende verhouding van hem die bemint tot de verschillende beminde voorwerpen, maakt dat elk van die voorwerpen om een andere reden bemind wordt. Daar nu de verhouding van de minnende mens tot God er een andere is als die tot zichzelf, zijn God en hijzelf ook op een andere wijze beminnenswaardig. De liefde tot God is immers de oorzaak van de liefde tot zichzelf. Valt dus de ene weg, dan verdwijnt meteen de andere.
Ad secundum dicendum quod subjectum charitatis est mens rationalis, quae potest esse beatitudinis capax, ad quam corpus directe non attingit, sed solum per quamdam redundantiam. Et ideo homo secundum rationalem mentem, quae est principalis in homine, alio modo se diligit secundum charitatem, et alio modo corpus proprium.
2. Het subjekt van de liefde is de redelijke ziel, die bekwaam is om de zaligheid te ontvangen. Het lichaam is daartoe niet rechtstreeks bekwaam, doch slechts tot een zeker deelhebben aan de zaligheid. En daarom bemint de mensch zichzelf op een andere wijze naar zijn redelijke ziel, — die het voornaamste is in hem, — en op een andere wijze naar zijn lichaam.2. Het subject van de liefde is de redelijke ziel, die bekwaam is om de zaligheid te ontvangen. Het lichaam is daartoe niet rechtstreeks bekwaam, doch slechts tot een zeker deelhebben aan de zaligheid. En daarom bemint de mens zichzelf op een andere wijze naar zijn redelijke ziel, — die het voornaamste is in hem, — en op een andere wijze naar zijn lichaam.
267Ad tertium dicendum quod homo diligit proximum et secundum animam et secundum corpus, ratione cujusdam consociationis in beatitudine. Et ideo ex parte proximi est una tantum ratio dilectionis. Unde corpus proximi non ponitur speciale diligibile.
2673. De mensch bemint zijn evenmensch naar lichaam en ziel, op grond van een zeker deelgenootschap in de zaligheid. Er is dus van den kant van den naaste maar één reden waarom hij bemind wordt. En daarom wordt het lichaam van den naaste niet als een afzonderlijk voorwerp van liefde beschouwd.2673. De mens bemint zijn evenmens naar lichaam en ziel, op grond van een zeker deelgenootschap in de zaligheid. Er is dus van de kant van de naaste maar één reden waarom hij bemind wordt. En daarom wordt het lichaam van de naaste niet als een afzonderlijk voorwerp van liefde beschouwd.