De ipsa fidei virtute
Over de deugd van geloof
111Deinde considerandum de ipsa fidei virtute. Et primo quidem de ipsa fide; secundo de habentibus fidem; tertio de causa fidei; quarto de effectibus ejus.
111We moeten nu verder handelen over de deugd van het geloof. Ten eerste handelen we over het geloof zelf; ten tweede over degenen, die het geloof bezitten; ten derde over de oorzaak van het geloof; ten vierde over de uitwerkselen van het geloof.
Circa primum quaeruntur octo. 1. Quid sit fides. — 2. In qua vi animae sit sicut in subjecto. — 3. Utrum forma ejus sit charitas. — 4. Utrum eadem numero sit fides formata, et informis. — 5. Utrum fides sit virtus. — 6. Utrum sit una virtus. — 7. De ordine ejus ad alias virtutes. — 8. De comparatione certitudinis ejus ad certitudinem virtutum intellectualium.
Over het geloof zelf stellen wij acht vragen: 1. Wat is het geloof? 2. Welk vermogen der ziel is de zetel van het geloof? 3. Is de vorm van het geloof de liefde? 4. Is het levend geloof hetzelfde als het dood geloof? 5. Is het geloof een deugd? 6. Is het geloof een enkele deugd? 7. Over de betrekking van het geloof tot de andere deugden. 8. Over de verhouding tusschen de zekerheid van het geloof en de zekerheid der andere verstandelijke deugden.Over het geloof zelf stellen wij acht vragen: 1. Wat is het geloof? 2. Welk vermogen van de ziel is de zetel van het geloof? 3. Is de vorm van het geloof de liefde? 4. Is het levend geloof hetzelfde als het dood geloof? 5. Is het geloof een deugd? 6. Is het geloof een enkele deugd? 7. Over de betrekking van het geloof tot de andere deugden. 8. Over de verhouding tussen de zekerheid van het geloof en de zekerheid van de andere verstandelijke deugden.
Utrum haec sit competens fidei diffinitio : fides est substantia sperandarum rerum, argumentum non apparentium
Is dit een geschikte begripsbepaling van het geloof : « Het geloof is de zelfstandigheid van de dingen, die wij hopen, het bewijs van zaken, die wij niet zien. »?Is dit een geschikte begripsbepaling van het geloof: “Het geloof is de zelfstandigheid van de dingen, die wij hopen, het bewijs van zaken, die wij niet zien.”?
112Ad primum sic proceditur. Videtur, quod sit incompetens fidei diffinitio, quam Apostolus ponit ad Hebr. 11. [v. 1] dicens : « Fides est substantia sperandarum rerum, argumentum non apparentium. » Nulla enim qualitas est substantia. Sed fides est qualitas, cum sit virtus theologica, ut supra dictum est [1-2. q. 62. art 3.]. Ergo non est substantia.
112Bedenkingen. — Men beweert, dat de begripsbepaling, die door den Apostel gegeven wordt in den Brief aan de Hebreërs (11, 1), nl. : « Het geloof is de zelfstandigheid van de dingen, die wij hopen, het bewijs van zaken, die wij niet zien », geen geschikte bepaling is. — 1. Een hoedanigheid immers is nooit een zelfstandigheid. Welnu het geloof is een hoedanigheid, daar het een goddelijke deugd is, zooals vroeger gezegd is (1a 2ae, Kw. 62, 3e Art.). Dus is het geen zelfstandigheid.112Bedenkingen. — Men beweert, dat de begripsbepaling, die door de Apostel gegeven wordt in de Brief aan de Hebreërs (11, 1), nl.: “Het geloof is de zelfstandigheid van de dingen, die wij hopen, het bewijs van zaken, die wij niet zien”, geen geschikte bepaling is. — 1. Een hoedanigheid immers is nooit een zelfstandigheid. Welnu het geloof is een hoedanigheid, daar het een goddelijke deugd is, zoals vroeger gezegd is (1a 2ae, Kw. 62, 3e Art.). Dus is het geen zelfstandigheid.
2. Praeterea, diversarum virtutum diversa sunt objecta. Sed res speranda est objectum spei. Non ergo debet poni in diffinitione fidei, tamquam ejus objectum.
2. Verschillende deugden hebben verschillende voorwerpen. Welnu de dingen, die men hoopt, zijn het voorwerp van de hoop. Ze moeten dus niet opgenomen worden in de begripsbepaling van het geloof, als waren zij het voorwerp er van.
1133. Praeterea, fides magis perficitur per charitatem, quam per spem, quia charitas est forma fidei, ut infra patebit [art. 3.]. Magis ergo poni debuit in diffinitione fidei res diligenda, quam res speranda.
1133. Het geloof wordt eerder vervolmaakt door de liefde dan door de hoop, want de liefde is de vorm van het geloof, zooals later bewezen wordt (3e Art.). In de begripsbepaling van het geloof zou dus veeleer moeten spraak zijn over hetgeen men bemint dan over hetgeen men hoopt.1133. Het geloof wordt eerder vervolmaakt door de liefde dan door de hoop, want de liefde is de vorm van het geloof, zoals later bewezen wordt (3e Art.). In de begripsbepaling van het geloof zou dus veeleer moeten spraak zijn over hetgeen men bemint dan over hetgeen men hoopt.
4. Praeterea, idem non debet poni in diversis generibus. Sed substantia et argumentum sunt diversa genera, non subalternatim posita. Ergo inconvenienter fides dicitur esse substantia, et argumentum. Inconvenienter ergo describitur fides.
4. Een zelfde ding moet niet tot verschillende geslachten gerekend worden. Welnu zelfstandigheid en bewijs zijn twee verschillende geslachten, en zijn niet ondergeschikt aan elkaar. Het is dus niet geschikt, te zeggen, dat het geloof een zelfstandigheid is en een bewijs, en bijgevolg wordt het geloof niet op geschikte wijze omschreven.
5. Praeterea, per argumentum veritas manifestatur ejus, ad quod inducitur argumentum. Sed illud dicitur esse apparens, cujus veritas est manifesta. Ergo videtur oppositum implicari in hoc quod dicitur : Argumentum non apparentium, quia argumentum facit rem prius non apparentem postea apparere. Ergo male dicitur : Rerum non apparentium. Inconvenienter ergo describitur fides.
5. Het bewijs doet ons de waarheid inzien van datgene, waarvoor het aangevoerd wordt. Welnu we zeggen, dat we iets inzien, wanneer de waarheid er van duidelijk is. Het is dus een tegenspraak, wanneer men spreekt over een bewijs van dingen, die men niet ziet, want het gevolg van een bewijs is, dat men iets duidelijk inziet, wat men eerst niet inzag. Het geloof wordt dus niet goed bepaald, door de woorden: « Van dingen, die men niet ziet ». Dus wordt het geloof niet op geschikte wijze omschreven.5. Het bewijs doet ons de waarheid inzien van datgene, waarvoor het aangevoerd wordt. Welnu we zeggen, dat we iets inzien, wanneer de waarheid er van duidelijk is. Het is dus een tegenspraak, wanneer men spreekt over een bewijs van dingen, die men niet ziet, want het gevolg van een bewijs is, dat men iets duidelijk inziet, wat men eerst niet inzag. Het geloof wordt dus niet goed bepaald, door de woorden: “Van dingen, die men niet ziet”. Dus wordt het geloof niet op geschikte wijze omschreven.
In contrarium sufficit auctoritas Apostoli.
Daartegenover staat echter het gezag van den Apostel.Daartegenover staat echter het gezag van de Apostel.
114Respondeo dicendum, quod licet quidam dicant, praedicta Apostoli verba non esse fidei diffinitionem, quia diffinitio indicat rei quidditatem, et essentiam, ut habetur 6. Metaph. [tex. 19.], tamen si quis recte consideret omnia, ex quibus fides potest diffiniri, in praedicta descriptione tanguntur, licet verba non ordinentur sub forma diffinitionis, sicut etiam apud philosophos, praetermissa syllogistica forma, syllogismorum principia tanguntur.
114Leerstelling. — Hoewel sommigen meenen, dat die woorden van den Apostel geen goede begripsbepaling zijn van het geloof, omdat de begripsbepaling de watheid en het wezen aangeeft, zooals we lezen in het 6e Boek der Metaphysica, toch ligt bij nader toezien in die omschrijving alles vervat, wat tot de begripsbepaling van het geloof behoort, ofschoon de woorden niet in den vorm van een begripsbepaling geordend zijn. Zoo doen ook de wijsgeeren, wanneer zij, zonder den vorm der sluitrede te gebruiken, niettemin aan de beginselen van de sluitrede vasthouden.114Leerstelling. — Hoewel sommigen menen, dat die woorden van de Apostel geen goede begripsbepaling zijn van het geloof, omdat de begripsbepaling de watheid en het wezen aangeeft, zoals we lezen in het 6e Boek van de Metafysica, toch ligt bij nader toezien in die omschrijving alles vervat, wat tot de begripsbepaling van het geloof behoort, ofschoon de woorden niet in de vorm van een begripsbepaling geordend zijn. Zo doen ook de wijsgeren, wanneer zij, zonder de vorm van de sluitrede te gebruiken, niettemin aan de beginselen van de sluitrede vasthouden.
Ad cujus evidentiam considerandum est, quod cum habitus cognoscantur per actus, et actus per objecta, fides, cum sit habitus quidam, debet diffiniri per proprium actum in comparatione ad proprium objectum. Actus autem fidei est credere, sicut supra dictum est [q. 2. art. 2. et 3.], qui actus est intellectus determinati ad unum ex imperio voluntatis. Sic ergo actus fidei habet ordinem et ad objectum voluntatis, quod est bonum et finis, et ad objectum intellectus, quod est verum. Et quia fides, cum sit virtus theologica, sicut supra dictum est [1-2. q. 82. art. 3.], habet idem pro objecto et fine, necesse est quod objectum fidei et finis proportionaliter 115sibi correspondeant. Dictum est autem supra [q. 1. art. 1.], quod veritas prima est objectum fidei, secundum quod ipsa est non visa, et ea quibus propter ipsam inhaeretur. Et secundum hoc oportet, quod ipsa veritas prima se habeat ad actum fidei per modum finis, secundum rationem rei non visae; quod pertinet ad rationem rei speratae, secundum illud Apostoli ad Rom. 8. [v. 25] : « Quod non videmus, speramus. » Veritatem enim videre est ipsam habere; non autem sperat aliquis id, quod jam habet, sed spes est de hoc quod non habetur, ut supra dictum est [1-2, q. 67. art. 4.].
Dat blijkt hieruit: men kent de hebbelijkheden door de daden, en de daden door hun voorwerp. Bijgevolg moet het geloof, dat een hebbelijkheid is, bepaald worden door de eigen daad, met betrekking tot het eigen voorwerp. Welnu de daad van het geloof is gelooven, zooals hierboven gezegd werd (2e Kw., 2e en 3e Art.), en dit is een daad van het verstand, dat tot het ééne bepaald is door het bevel van den wil. Zoo heeft de daad van het geloof betrekking én op het voorwerp van den wil, dat het goede is en het doel, én op het voorwerp van het verstand, dat het ware is. Daar nu het voorwerp van het geloof hetzelfde is als het doel er van, omdat het geloof een goddelijke deugd is (zie 1a 2ae, Kw. 82, 3e Art.), daarom moeten het voorwerp en het doel van het geloof met elkander 115overeenkomen. Welnu we hebben hierboven gezegd (1e Kw., 1e Art.), dat het voorwerp van het geloof de Eerste Waarheid is, in zoover ze niet gekend is als iets wat men ziet, en alles wat we om harentwil aanvaarden. Daarom ook moet de Eerste Waarheid zich verhouden tot de geloofsdaad als het doel, op de wijze waarop iets, wat men niet ziet, een doel kan zijn. Dit is echter het geval met iets wat we hopen, volgens het woord van den Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (8, 25) : « Wat we niet zien, dat hopen we ». Wie immers de waarheid ziet, bezit ze. Welnu niemand hoopt nog wat hij reeds bezit, maar de hoop slaat op wat men nog niet bezit, zooals hierboven gezegd is (1a 2ae, Kw. 67, Art. 4).Dat blijkt hieruit: men kent de hebbelijkheden door de daden, en de daden door hun voorwerp. Bijgevolg moet het geloof, dat een hebbelijkheid is, bepaald worden door de eigen daad, met betrekking tot het eigen voorwerp. Welnu de daad van het geloof is geloven, zoals hierboven gezegd werd (2e Kw., 2e en 3e Art.), en dit is een daad van het verstand, dat tot het éne bepaald is door het bevel van de wil. Zo heeft de daad van het geloof betrekking én op het voorwerp van de wil, dat het goede is en het doel, én op het voorwerp van het verstand, dat het ware is. Daar nu het voorwerp van het geloof hetzelfde is als het doel er van, omdat het geloof een goddelijke deugd is (zie 1a 2ae, Kw. 82, 3e Art.), daarom moeten het voorwerp en het doel van het geloof met elkander 115overeenkomen. Welnu we hebben hierboven gezegd (1e Kw., 1e Art.), dat het voorwerp van het geloof de Eerste Waarheid is, in zover ze niet gekend is als iets wat men ziet, en alles wat we om harentwil aanvaarden. Daarom ook moet de Eerste Waarheid zich verhouden tot de geloofsdaad als het doel, op de wijze waarop iets, wat men niet ziet, een doel kan zijn. Dit is echter het geval met iets wat we hopen, volgens het woord van de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (8, 25): “Wat we niet zien, dat hopen we”. Wie immers de waarheid ziet, bezit ze. Welnu niemand hoopt nog wat hij reeds bezit, maar de hoop slaat op wat men nog niet bezit, zoals hierboven gezegd is (1a 2ae, Kw. 67, Art. 4).
Sic ergo habitudo actus fidei ad finem, qui est objectum voluntatis, significatur in hoc quod dicitur : Fides est substantia rerum sperandarum. Substantia enim solet dici prima inchoatio cujuscumque rei, et maxime quando tota res sequens continetur virtute in primo principio, puta si dicamus, quod prima principia indemonstrabilia sunt substantia scientiae, quia scilicet 116primum, quod in nobis est de scientia, sunt hujusmodi principia, et in eis virtute continetur tota scientia. Per hunc ergo modum dicitur fides esse substantia rerum sperandarum, quia scilicet prima inchoatio rerum sperandarum in nobis est per assensum fidei, quae virtute continet omnes res sperandas : in hoc enim speramus beatificari, quod videbimus aperta visione veritatem, cui per fidem adhaeremus, ut patet per ea, quae supra de felicitate dicta sunt [1-2, q. 3. art. 8.]
Daaruit volgt, dat de verhouding van de geloofsdaad tot het doel, dat het voorwerp is van den wil, aangeduid wordt door de woorden: « Het geloof is de zelfstandigheid van de dingen, die we hopen ». Men noemt immers zelfstandigheid de eerste verwezenlijking van iets, vooral wanneer geheel het ding in de kracht van dat eerste beginsel besloten ligt. Zoo zeggen we b. v. dat de eerste onbewijsbare beginselen de zelfstandigheid zijn van de wetenschap, omdat het eerste, wat we van de wetenschap in ons dragen, juist die beginselen zijn, en omdat geheel de wetenschap er in vervat ligt. In dien zin wordt het geloof genoemd « de zelfstandigheid van de dingen, die we hopen », omdat nl. de eerste 116verwezenlijking van wat we hopen in ons geschiedt door de aanvaarding van het geloof, dat in zich bevat alles wat we hopen. We hopen immers zalig te worden door het openlijk aanschouwen van de Waarheid, waarmee we nu vereenigd zijn door het geloof, zooals blijkt uit wat we hierboven gezegd hebben over de gelukzaligheid (1a 2ae, Kw., 3, Art. 8).Daaruit volgt, dat de verhouding van de geloofsdaad tot het doel, dat het voorwerp is van de wil, aangeduid wordt door de woorden: “Het geloof is de zelfstandigheid van de dingen, die we hopen”. Men noemt immers zelfstandigheid de eerste verwezenlijking van iets, vooral wanneer geheel het ding in de kracht van dat eerste beginsel besloten ligt. Zo zeggen we bv. dat de eerste onbewijsbare beginselen de zelfstandigheid zijn van de wetenschap, omdat het eerste, wat we van de wetenschap in ons dragen, juist die beginselen zijn, en omdat geheel de wetenschap er in vervat ligt. In die zin wordt het geloof genoemd “de zelfstandigheid van de dingen, die we hopen”, omdat nl. de eerste 116verwezenlijking van wat we hopen in ons geschiedt door de aanvaarding van het geloof, dat in zich bevat alles wat we hopen. We hopen immers zalig te worden door het openlijk aanschouwen van de Waarheid, waarmee we nu verenigd zijn door het geloof, zoals blijkt uit wat we hierboven gezegd hebben over de gelukzaligheid (1a 2ae, Kw., 3, Art. 8).
Habitudo autem actus fidei ad objectum intellectus, secundum quod est objectum fidei, designatur in hoc quod dicitur : Argumentum non apparentium. Et sumitur argumentum pro argumenti effectu : per argumentum enim intellectus inducitur ad inhaerendum alicui vero; unde ipsa firma adhaesio intellectus ad veritatem fidei non apparentem vocatur hic argumentum; unde alia littera habet : convictio, quia scilicet per auctoritatem divinam intellectus credentis convincitur ad assentiendum his, quae non videt.
Wat nu de verhouding betreft van de geloofsdaad tot het voorwerp van het verstand, in zoover het ook het voorwerp is van het geloof, die verhouding wordt aangeduid door de woorden: «Het bewijs van wat we zien ». Bewijs duidt hier het uitwerksel van het bewijs aan. Door een bewijsvoering immers wordt het verstand er toe gebracht, een of andere waarheid te aanvaarden, en daarom wordt de vaste aanvaarding van het verstand in de niet-geziene waarheid van het geloof hier een bewijs genoemd. Daarom zegt een andere lezing « overtuiging », want het verstand van den geloovige wordt er van overtuigd door Gods gezag, dat het moet aanvaarden wat men niet ziet.Wat nu de verhouding betreft van de geloofsdaad tot het voorwerp van het verstand, in zover het ook het voorwerp is van het geloof, die verhouding wordt aangeduid door de woorden: “Het bewijs van wat we zien”. Bewijs duidt hier het uitwerksel van het bewijs aan. Door een bewijsvoering immers wordt het verstand er toe gebracht, een of andere waarheid te aanvaarden, en daarom wordt de vaste aanvaarding van het verstand in de niet-geziene waarheid van het geloof hier een bewijs genoemd. Daarom zegt een andere lezing “overtuiging”, want het verstand van de gelovige wordt er van overtuigd door Gods gezag, dat het moet aanvaarden wat men niet ziet.
Si quis ergo in formam diffinitionis hujusmodi verba reducere velit, potest dicere, quod fides est habitus mentis, quo inchoatur vita aeterna in nobis, 117faciens intellectum assentire non apparentibus. Per hoc fides ab omnibus aliis distinguitur, quae ad intellectum pertinent. Per hoc enim quod dicitur : argumentum, distinguitur fides ab opinione, suspicione et dubitatione, per quae non est prima adhaesio intellectus firma ad aliquid. Per hoc autem quod dicitur : Non apparentium, distinguitur fides a scientia et intellectu, per quae aliquid fit apparens. Per hoc autem quod dicitur : Substantia sperandarum rerum, distinguitur virtus fidei a fide communiter sumpta, quae non ordinatur ad beatitudinem speratam.
Wil men dus de woorden van den Apostel herleiden tot den vorm van een begripsbepaling, dan kan men zeggen, dat het geloof een hebbelijkheid is van het verstand, waardoor het eeuwig leven 117in ons begonnen wordt, en waardoor het verstand dingen aanvaardt, die men niet ziet. Door die begripsbepaling kan men het geloof onderscheiden van al de andere hebbelijkheden van het verstand. Immers door te zeggen, dat het geloof een bewijs is, wordt het onderscheiden van de meening, van het vermoeden, en van den twijfel, waaraan de eerste vaste aanvaarding van het verstand ontbreekt. Door te zeggen, dat het een bewijs is van dingen die men niet ziet, wordt het onderscheiden van de wetenschap en het dadelijk inzicht, die beide bereiken, dat de dingen zich duidelijk voordoen. Door te zeggen, dat het de zelfstandigheid is van dingen, die men hoopt, wordt de deugd van geloof onderscheiden van het gewoon geloof, waardoor men niet gericht wordt op de zaligheid.Wil men dus de woorden van de Apostel herleiden tot de vorm van een begripsbepaling, dan kan men zeggen, dat het geloof een hebbelijkheid is van het verstand, waardoor het eeuwig leven 117in ons begonnen wordt, en waardoor het verstand dingen aanvaardt, die men niet ziet. Door die begripsbepaling kan men het geloof onderscheiden van al de andere hebbelijkheden van het verstand. Immers door te zeggen, dat het geloof een bewijs is, wordt het onderscheiden van de mening, van het vermoeden, en van de twijfel, waaraan de eerste vaste aanvaarding van het verstand ontbreekt. Door te zeggen, dat het een bewijs is van dingen die men niet ziet, wordt het onderscheiden van de wetenschap en het dadelijk inzicht, die beide bereiken, dat de dingen zich duidelijk voordoen. Door te zeggen, dat het de zelfstandigheid is van dingen, die men hoopt, wordt de deugd van geloof onderscheiden van het gewoon geloof, waardoor men niet gericht wordt op de zaligheid.
Omnes autem aliae diffinitiones, quaecumque de fide dantur, explicationes sunt hujus, quam Apostolus ponit. Quod enim dicit Augustinus [tract. 40. in Joan.] : « Fides est virtus, qua creduntur quae non videntur », et quod dicit Damascenus [lib. 4. Orth. Fid. cap. 12.], quod fides est « non inquisitus consensus. » Et alii [Hugo a S. Victore, de Sacram., lib. 1.; P. 10, c. 2.] dicunt, quod fides est « certitudo animi quaedam de absentibus 118supra opinionem, et infra scientiam. » Idem est ei, quod Apostolus dicit : « Argumentum non apparentium. » Quod vero Dionysius dicit 7. cap. de Div. Nom. quod fides est « manens credentium fundamentum, collocans eos in veritate, et in ipsis veritatem ostendens », idem est ei quod dicitur : substantia rerum sperandarum.
Alle andere begripsbepalingen van het geloof, welke ook, zijn slechts verklaringen van de begripsbepaling van den Apostel. Zoo b. v. die van Augustinus (in zijn 40e Verhandeling op Joannes) : « Het geloof is een deugd, waardoor men gelooft wat men niet ziet ». Of die van Damascenus (in zijn boek Over het ware Geloof, 4e B., 12e H.) : « Het geloof is een aanvaarding zonder onderzoek ». Wanneer anderen zeggen (Hugo van St. Victor, Over de Sacramenten, 1e B., 10e D., 2e H.) : « Het geloof is een 118zekerheid van de ziel aangaande afwezige dingen, grooter dan de meening, kleiner dan de wetenschap », dan is dit hetzelfde als wat de Apostel zegt, nl. « Het bewijs van dingen, die we niet zien ». Wat echter Dionysius zegt in het 7e Hoofdstuk van zijn boek Over de Goddelijke Namen, dat nl. het geloof de stevige grondslag der geloovigen is, waardoor zij in de waarheid bevestigd worden, en dat de waarheid in hen aantoont, komt overeen met wat uitgedrukt wordt door: de zelfstandigheid van wat men hoopt.Alle andere begripsbepalingen van het geloof, welke ook, zijn slechts verklaringen van de begripsbepaling van de Apostel. Zo bv. die van Augustinus (in zijn 40e Verhandeling op Johannes): “Het geloof is een deugd, waardoor men gelooft wat men niet ziet”. Of die van Damascenus (in zijn boek Over het ware Geloof, 4e B., 12e H.): “Het geloof is een aanvaarding zonder onderzoek”. Wanneer anderen zeggen (Hugo van St. Victor, Over de Sacramenten, 1e B., 10e D., 2e H.): “Het geloof is een 118zekerheid van de ziel aangaande afwezige dingen, groter dan de mening, kleiner dan de wetenschap”, dan is dit hetzelfde als wat de Apostel zegt, nl. “Het bewijs van dingen, die we niet zien”. Wat echter Dionysius zegt in het 7e Hoofdstuk van zijn boek Over de Goddelijke Namen, dat nl. het geloof de stevige grondslag van de gelovigen is, waardoor zij in de waarheid bevestigd worden, en dat de waarheid in hen aantoont, komt overeen met wat uitgedrukt wordt door: de zelfstandigheid van wat men hoopt.
Ad primum ergo dicendum, quod substantia non sumitur hic secundum quod est genus generalissimum contra alia genera divisum, sed secundum quod in quolibet genere invenitur quaedam similitudo substantiae, prout scilicet primum in quolibet genere, continens in se alia virtute, dicitur esse substantia illorum.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Zelfstandigheid duidt hier niet het meest algemeene geslacht aan, dat tegengesteld is aan al de andere geslachten, maar wel die gelijkenis met de zelfstandigheid, die men in elk geslacht terugvindt, in zoover nl. het eerste in elk geslacht, dat al het andere in zich insluit, een zelfstandigheid genoemd wordt.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Zelfstandigheid duidt hier niet het meest algemene geslacht aan, dat tegengesteld is aan al de andere geslachten, maar wel die gelijkenis met de zelfstandigheid, die men in elk geslacht terugvindt, in zover nl. het eerste in elk geslacht, dat al het andere in zich insluit, een zelfstandigheid genoemd wordt.
Ad secundum dicendum, quod cum fides pertineat ad intellectum, secundum quod imperatur a voluntate, oportet quod ordinetur sicut ad finem, ad objecta illarum virtutum, quibus perficitur voluntas, inter quas est spes, ut infra patebit [q. 18. art. 1.]; et ideo in diffinitione fidei ponitur objectum spei.
2. Daar het geloof behoort tot het verstand, in zoover het bevolen wordt door den wil, moet het gericht worden op het voorwerp van die deugden, welke den wil vervolmaken, als op zijn doel. Welnu, zooals later blijken zal (Kw. 18, Art. 1), behoort de hoop tot die deugden. Bijgevolg moet het voorwerp van de hoop vermeld worden in de begripsbepaling van het geloof.2. Daar het geloof behoort tot het verstand, in zover het bevolen wordt door de wil, moet het gericht worden op het voorwerp van die deugden, welke de wil vervolmaken, als op zijn doel. Welnu, zoals later blijken zal (Kw. 18, Art. 1), behoort de hoop tot die deugden. Bijgevolg moet het voorwerp van de hoop vermeld worden in de begripsbepaling van het geloof.
119Ad tertium dicendum, quod dilectio potest esse et visorum et non visorum, et praesentium, et absentium; et ideo res diligenda non ita proprie adaptatur fidei, sicut res speranda, cum spes semper sit absentium, et non visorum.
1193. De liefde kan als voorwerp hebben zoowel dingen, die men ziet, als dingen, die men niet ziet, zoowel aanwezige dingen als afwezige. Daarom is er minder overeenkomst tusschen het voorwerp van de liefde en het geloof dan tusschen het voorwerp van de hoop en het geloof, daar de hoop altijd als voorwerp heeft afwezige dingen, die men niet ziet.1193. De liefde kan als voorwerp hebben zowel dingen, die men ziet, als dingen, die men niet ziet, zowel aanwezige dingen als afwezige. Daarom is er minder overeenkomst tussen het voorwerp van de liefde en het geloof dan tussen het voorwerp van de hoop en het geloof, daar de hoop altijd als voorwerp heeft afwezige dingen, die men niet ziet.
Ad quartum dicendum, quod substantia et argumentum, secundum quod in diffinitione fidei ponuntur, non important diversa genera fidei, neque diversos actus, sed diversas habitudines unius actus ad diversa objecta, ut ex dictis patet [in corp. art.].
4. Zelfstandigheid en bewijs duiden in de bepaling van het geloof noch verschillende soorten geloof aan, noch verschillende daden, maar slechts een verschillende verhouding van een zelfde daad tot verschillende objecten, zooals uit de Leerstelling blijkt.4. Zelfstandigheid en bewijs duiden in de bepaling van het geloof noch verschillende soorten geloof aan, noch verschillende daden, maar slechts een verschillende verhouding van een zelfde daad tot verschillende objecten, zoals uit de Leerstelling blijkt.
Ad quintum dicendum, quod argumentum, quod sumitur ex propriis principiis rei, facit rem esse apparentem, sed argumentum, quod sumitur ex auctoritate divina, non facit rem in se esse apparentem, et tale argumentum ponitur in diffinitione fidei.
5. Door een bewijs, dat ontleend wordt aan de eigen beginselen van een ding, wordt dat ding zelf duidelijk, maar door een bewijs, dat ontleend wordt aan het gezag van God, wordt het ding niet in zichzelf duidelijk, en in de begripsbepaling van het geloof is er spraak van zulk een bewijs.
Utrum fides sit in intellectu sicut in subjecto
Is het verstand de zetel van het geloof?
120Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod fides non sit in intellectu, sicut in subjecto. Dicit enim Augustinus in lib. de Praedest. Sanct. [cap. 5.], quod « fides in credentium voluntate consistit. » Sed voluntas est alia potentia ab intellectu. Ergo fides non est in intellectu sicut in subjecto.
120Bedenkingen. — Men beweert, dat het verstand niet de zetel is van het geloof. — 1. Augustinus immers zegt in zijn boek Over de voorbestemming der Heiligen (5e H.), dat het geloof in den wil is van hen, die gelooven. Welnu de wil is een ander vermogen dan het verstand. Dus is het verstand niet de zetel van het geloof.120Bedenkingen. — Men beweert, dat het verstand niet de zetel is van het geloof. — 1. Augustinus immers zegt in zijn boek Over de voorbestemming van de Heiligen (5e H.), dat het geloof in de wil is van hen, die geloven. Welnu de wil is een ander vermogen dan het verstand. Dus is het verstand niet de zetel van het geloof.
2. Praeterea, assensus fidei ad aliquid credendum provenit ex voluntate Deo obediente. Tota ergo laus fidei ex obedientia esse videtur. Sed obedientia est in voluntate. Ergo et fides. Non ergo est in intellectu.
2. De aanvaarding van het geloof wordt veroorzaakt door den wil, die aan God gehoorzaamt. Het geloof is dus alleen lofwaardig door de gehoorzaamheid. Welnu de gehoorzaamheid is in den wil. Dus ook het geloof, en bijgevolg is het geloof niet in het verstand.2. De aanvaarding van het geloof wordt veroorzaakt door de wil, die aan God gehoorzaamt. Het geloof is dus alleen lofwaardig door de gehoorzaamheid. Welnu de gehoorzaamheid is in de wil. Dus ook het geloof, en bijgevolg is het geloof niet in het verstand.
3. Praeterea, intellectus est vel speculativus, vel practicus. Sed fides non est in intellectu speculativo, cum nihil dicat de evitabili et fugiendo, ut dicitur in 3. de An. [c. 9. n. 7.]; non est ergo principium operationis; fides autem est, quae per dilectionem operatur, ut dicitur ad Galat. 5. 121[v. 6]. Similiter etiam nec in intellectu practico, cujus objectum est verum contingens factibile vel agibile. Objectum enim fidei est verum aeternum, ut ex supra dictis patet [q. 1. art. 1.]. Non ergo fides est in intellectu sicut in subjecto.
3. Het verstand is ofwel bespiegelend, ofwel praktisch. Welnu het geloof is niet in het bespiegelend verstand, want, zooals gezegd wordt in het 3e boek Over de ziel (9e H., Nr. 7). kan iets wat niets zegt over wat moet vermeden of geschuwd worden geen beginsel van handeling zijn. Welnu het geloof is een beginsel, dat 121werkt door de liefde, zooals gezegd wordt in den Brief aan de Galaten (5, 6). Het geloof kan ook in het praktisch verstand niet zijn, waarvan het voorwerp het wisselvallig ware is in wat men voortbrengt of doet, want het voorwerp van het geloof is de Eeuwige Waarheid, zooals blijkt uit wat hierboven gezegd werd (1e Kw., 1e Art.). Dus is het verstand niet de zetel van het geloof.3. Het verstand is ofwel bespiegelend, ofwel praktisch. Welnu het geloof is niet in het bespiegelend verstand, want, zoals gezegd wordt in het 3e boek Over de ziel (9e H., Nr. 7). kan iets wat niets zegt over wat moet vermeden of geschuwd worden geen beginsel van handeling zijn. Welnu het geloof is een beginsel, dat 121werkt door de liefde, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Galaten (5, 6). Het geloof kan ook in het praktisch verstand niet zijn, waarvan het voorwerp het wisselvallig ware is in wat men voortbrengt of doet, want het voorwerp van het geloof is de Eeuwige Waarheid, zoals blijkt uit wat hierboven gezegd werd (1e Kw., 1e Art.). Dus is het verstand niet de zetel van het geloof.
Sed contra est, quod fidei succedit visio patriae, secundum illud 1. ad Cor. 13. [v. 12] : « Videmus nunc per speculum in aenigmate, tunc autem facie ad faciem. » Sed visio est in intellectu. Ergo et fides.
Daartegenover staat echter, dat op het geloof, het aanschouwen volgt in den hemel, naar het woord uit den In Brief aan de Corinthiërs (13, 12) : « Thans zien we vage beelden als in een spiegel, dàn van aangezicht tot aangezicht ». Welnu het aanschouwen behoort tot het verstand. Dus ook het geloof.Daartegenover staat echter, dat op het geloof, het aanschouwen volgt in de hemel, naar het woord uit de 1e Brief aan de Korintiërs (13, 12): “Thans zien we vage beelden als in een spiegel, dàn van aangezicht tot aangezicht”. Welnu het aanschouwen behoort tot het verstand. Dus ook het geloof.
Respondeo dicendum quod cum fides sit quaedam virtus, oportet quod actus ejus sit perfectus, ad perfectionem autem actus, qui ex duobus activis principiis procedit, requiritur quod utrumque activorum principiorum sit perfectum : non enim bene potest secari, nisi et secans habeat artem, et serra sit bene disposita ad secandum. Dispositio autem ad bene agendum in illis potentiis animae, quae se habent ad opposita, est habitus, ut supra 122dictum est [1-2. q. 49. art. 4.]. Et ideo oportet quod actus procedens ex duabus talibus potentiis sit perfectus habitu aliquo praeexistente in utraque potentiarum. Dictum autem est supra [art. praec.], quod credere est actus intellectus, secundum quod movetur a voluntate ad assentiendum: procedit autem hujusmodi actus a voluntate et ab intellectu, quorum utrumque natum est per habitum perfici secundum praedicta. [1-2. q. 50. a. 4-5.]. Et ideo oportet quod tam in voluntate sit aliquis habitus quam in intellectu, si debeat actus fidei esse perfectus, sicut etiam ad hoc quod actus concupiscibilis sit perfectus, oportet quod sit habitus prudentiae in ratione et habitus temperantiae in concupiscibili. Credere autem immediate est actus intellectus, quia objectum hujus actus est verum, quod proprie pertinet ad intellectum. Et ideo necesse est, quod fides, quae est proprium principium hujus actus, sit in intellectu sicut in subjecto.
Leerstelling. — Daar het geloof een deugd is, moet zijn daad volmaakt zijn. Welnu, wanneer een daad voortgebracht wordt door een dubbel handelend beginsel, dan wordt tot zijn volmaaktheid vereischt, dat die twee beginselen volmaakt zijn. Men kan immers alleen goed zagen, wanneer hij, die zaagt, zijn ambacht goed kent, en de zaag goed geschikt is om te zagen. Welnu, in die vermogens van de ziel, die kunnen gericht worden op tegenovergestelde dingen, is de geschiktheid om goed te handelen, de 122hebbelijkheid, zooals vroeger gezegd werd (1a 2ae, Kw., 49, Art. 4). Bijgevolg kan een daad, die voortgebracht wordt door twee vermogens van dien aard niet volmaakt zijn, wanneer er vooraf niet een hebbelijkheid is in elk van die vermogens. Welnu hierboven (vorig Artikel) werd gezegd, dat gelooven een daad is van het verstand, dat tot de aanvaarding bewogen wordt door den wil. Die daad wordt dus voortgebracht én door den wil, én door het verstand, en die twee vermogens kunnen beide vervolmaakt worden door een hebbelijkheid, zooals vroeger gezegd werd (1a 2ae, Kw. 50, Art. 4 en 5). Tot de volmaaktheid van de geloofsdaad wordt dus een hebbelijkheid vereischt zoowel in den wil als in het verstand, zooals ook de daad van het begeervermogen alleen volmaakt is door de hebbelijkheid van verstandigheid, die in de rede is, en de hebbelijkheid van matigheid, die in het begeervermogen is. Gelooven echter is een daad, die onmiddellijk toekomt aan het verstand, want het ware, dat het eigen voorwerp is van het verstand, is ook het voorwerp van de geloofsdaad. Daarom moet het geloof, dat het eigen beginsel is van die daad, zijn zetel hebben in het verstand.Leerstelling. — Daar het geloof een deugd is, moet zijn daad volmaakt zijn. Welnu, wanneer een daad voortgebracht wordt door een dubbel handelend beginsel, dan wordt tot zijn volmaaktheid vereist, dat die twee beginselen volmaakt zijn. Men kan immers alleen goed zagen, wanneer hij, die zaagt, zijn ambacht goed kent, en de zaag goed geschikt is om te zagen. Welnu, in die vermogens van de ziel, die kunnen gericht worden op tegenovergestelde dingen, is de geschiktheid om goed te handelen, de 122hebbelijkheid, zoals vroeger gezegd werd (1a 2ae, Kw., 49, Art. 4). Bijgevolg kan een daad, die voortgebracht wordt door twee vermogens van die aard niet volmaakt zijn, wanneer er vooraf niet een hebbelijkheid is in elk van die vermogens. Welnu hierboven (vorig Artikel) werd gezegd, dat geloven een daad is van het verstand, dat tot de aanvaarding bewogen wordt door de wil. Die daad wordt dus voortgebracht én door de wil, én door het verstand, en die twee vermogens kunnen beide vervolmaakt worden door een hebbelijkheid, zoals vroeger gezegd werd (1a 2ae, Kw. 50, Art. 4 en 5). Tot de volmaaktheid van de geloofsdaad wordt dus een hebbelijkheid vereist zowel in de wil als in het verstand, zoals ook de daad van het begeervermogen alleen volmaakt is door de hebbelijkheid van verstandigheid, die in de rede is, en de hebbelijkheid van matigheid, die in het begeervermogen is. Geloven echter is een daad, die onmiddellijk toekomt aan het verstand, want het ware, dat het eigen voorwerp is van het verstand, is ook het voorwerp van de geloofsdaad. Daarom moet het geloof, dat het eigen beginsel is van die daad, zijn zetel hebben in het verstand.
Ad primum ergo dicendum quod Augustinus fidem accipit pro actu 123fidei, qui dicitur consistere in credentium voluntate, inquantum ex imperio voluntatis intellectus credibilibus assentit.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Door geloof bedoelt 123Augustinus de geloofsdaad, waarvan men kan zeggen, dat zij haar zetel heeft in den wil der geloovigen, in zoover het verstand de geloofswaarheden aanvaardt onder bevel van den wil.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Door geloof bedoelt 123Augustinus de geloofsdaad, waarvan men kan zeggen, dat zij haar zetel heeft in de wil van de gelovigen, in zover het verstand de geloofswaarheden aanvaardt onder bevel van de wil.
Ad secundum dicendum quod non solum oportet voluntatem esse promptam ad obediendum, sed etiam intellectum esse bene dispositum ad sequendum imperium voluntatis, sicut oportet concupiscibilem esse bene dispositam ad sequendum imperium rationis. Et ideo non solum oportet esse habitum virtutis in voluntate imperante, sed etiam in intellectu assentiente.
2. Niet alleen moet de wil bereid zijn om te gehoorzamen, maar ook moet het verstand goed geschikt zijn om het bevel van den wil te volbrengen, zooals ook het begeervermogen goed geschikt moet zijn om het gebod der rede na te komen. Er is dus niet alleen een hebbelijkheid of deugd vereischt in den wil, die gebiedt, maar ook in het verstand, dat de waarheid aanvaardt.2. Niet alleen moet de wil bereid zijn om te gehoorzamen, maar ook moet het verstand goed geschikt zijn om het bevel van de wil te volbrengen, zoals ook het begeervermogen goed geschikt moet zijn om het gebod van de rede na te komen. Er is dus niet alleen een hebbelijkheid of deugd vereist in de wil, die gebiedt, maar ook in het verstand, dat de waarheid aanvaardt.
Ad tertium dicendum quod fides est in intellectu speculativo sicut in subjecto, ut manifeste patet ex fidei objecto. Sed quia veritas prima, quae est fidei objectum, est finis omnium desideriorum et actionum nostrarum, ut patet per Augustinum in 1. de Trin. [cap. 8.], inde est, quod per dilectionem operatur. Sicut etiam intellectus speculativus extensione fit practicus, ut dicitur in 3. de Anima [c. 10, n. 2.].
3. Zooals duidelijk blijkt uit het voorwerp van het geloof, is het bespiegelend verstand de zetel van het geloof. Omdat echter de Eerste Waarheid, die het voorwerp is van het geloof, ook het doel is van al onze verlangens en handelingen, wat blijkt uit hetgeen Augustinus zegt in het 1e Boek Over de Drieéénheid (8e H.), daarom handelt het geloof door de liefde, zooals ook het bespiegelend verstand als door uitbreiding praktisch wordt, gelijk gezegd wordt in het 3e boek Over de Ziel (10e H., Nr 2).3. Zoals duidelijk blijkt uit het voorwerp van het geloof, is het bespiegelend verstand de zetel van het geloof. Omdat echter de Eerste Waarheid, die het voorwerp is van het geloof, ook het doel is van al onze verlangens en handelingen, wat blijkt uit hetgeen Augustinus zegt in het 1e Boek Over de Drie-eenheid (8e H.), daarom handelt het geloof door de liefde, zoals ook het bespiegelend verstand als door uitbreiding praktisch wordt, gelijk gezegd wordt in het 3e boek Over de Ziel (10e H., Nr 2).
Utrum charitas sit forma fidei
Is de liefde de vorm van het geloof?
124Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod charitas non sit forma fidei. Unumquodque enim sortitur speciem per suam formam. Eorum ergo, quae ex opposito dividuntur, sicut diversae species unius generis, unum non potest esse forma alterius. Sed fides et charitas dividuntur ex opposito, 1. ad Cor. 13. [v. 13], sicut diversae species virtutis. Ergo charitas non potest esse forma fidei.
124Bedenkingen. — Men beweert, dat de liefde niet de vorm is van het geloof. — 1. Elk ding immers ontvangt zijn soortbepaling door zijn vorm. Wanneer bijgevolg twee dingen een tegenstelling vormen, zooals twee soorten van een zelfde geslacht, dan kan het een niet de vorm zijn van het ander. Welnu het geloof en de liefde worden in den In Brief aan de Corinthiërs (13, 13) tegenover elkander gesteld als twee verschillende soorten van de deugd. Bijgevolg kan de liefde niet de vorm zijn van het geloof.124Bedenkingen. — Men beweert, dat de liefde niet de vorm is van het geloof. — 1. Elk ding immers ontvangt zijn soortbepaling door zijn vorm. Wanneer bijgevolg twee dingen een tegenstelling vormen, zoals twee soorten van een zelfde geslacht, dan kan het een niet de vorm zijn van het ander. Welnu het geloof en de liefde worden in de 1e Brief aan de Korintiërs (13, 13) tegenover elkander gesteld als twee verschillende soorten van de deugd. Bijgevolg kan de liefde niet de vorm zijn van het geloof.
2. Praeterea, forma et id cujus est forma sunt in eodem, quia ex his fit unum simpliciter. Sed fides est in intellectu, charitas autem in voluntate. Ergo charitas non est forma fidei.
2. De vorm en dat waarvan iets de vorm is, bestaan samen in hetzelfde ding, want ze maken samen één wezen uit. Welnu het geloof is in het verstand, de liefde daarentegen is in den wil. Bijgevolg kan de liefde niet de vorm zijn van het geloof.2. De vorm en dat waarvan iets de vorm is, bestaan samen in hetzelfde ding, want ze maken samen één wezen uit. Welnu het geloof is in het verstand, de liefde daarentegen is in de wil. Bijgevolg kan de liefde niet de vorm zijn van het geloof.
3. Praeterea, forma est principium rei. Sed principium credendi ex parte voluntatis magis videtur esse obedientia quam charitas, secundum 125illud ad Rom. 1. [v. 5] : « Ad obediendum fidei in omnibus gentibus. » Ergo obedientia magis est forma fidei quam charitas.
3. De vorm is het beginsel van het ding. Welnu van den kant van den wil blijkt het beginsel van het geloof eer de 125gehoorzaamheid te zijn dan de liefde, overeenkomstig het woord uit den Brief aan de Romeinen (1,5) : « Om onder al de volkeren aan het geloof te gehoorzamen ». Bijgevolg is de gehoorzaamheid eer de vorm van het geloof dan van de liefde.3. De vorm is het beginsel van het ding. Welnu van de kant van de wil blijkt het beginsel van het geloof eer de 125gehoorzaamheid te zijn dan de liefde, overeenkomstig het woord uit de Brief aan de Romeinen (1,5): “Om onder al de volkeren aan het geloof te gehoorzamen”. Bijgevolg is de gehoorzaamheid eer de vorm van het geloof dan van de liefde.
Sed contra est, quod unumquodque operatur per suam formam. Fides autem per dilectionem operatur. Ergo dilectio charitatis est fidei forma.
Daartegenover staat echter, dat elk ding handelt door zijn vorm. Welnu het geloof handelt door de liefde. Dus is de liefde de vorm van het geloof.
Respondeo dicendum quod, sicut ex superioribus patet [1-2. q. 1. art. 3. et q. 18. art. 6.], actus voluntarii speciem recipiunt a fine, qui est voluntatis objectum. Id autem, a quo aliquid speciem sortitur, se habet ad modum formae in rebus naturalibus. Et ideo cujuslibet actus voluntarii forma quodammodo est finis, ad quem ordinatur, tum quia ex ipso recipit formam, tum etiam quia modus actionis oportet quod respondeat proportionabiliter fini. Manifestum est autem ex praedictis [art. 1. huj. q.], quod actus fidei ordinatur ad objectum voluntatis, quod est bonum, sicut ad finem. 126Hoc autem bonum, quod est finis fidei, scilicet bonum divinum, est proprium objectum charitatis. Et ideo charitas dicitur forma fidei, inquantum per charitatem actus fidei perficitur et formatur.
Leerstelling. — Uit wat vroeger gezegd werd (1a 2ae, 1e Kw., 3e Art. en 18e Kw., 6e Art.) blijkt, dat de wilsdaden hun soortbepaling ontvangen door het doel, dat het voorwerp is van den wil. Welnu in de natuurdingen is datgene, waardoor iets zijn soortbepaling ontvangt, de vorm er van. Daaruit volgt, dat het doel, waar een wilsakt op gericht is, er in een zekeren zin de vorm van is, én omdat die daad soortelijk bepaald wordt door het doel, én omdat de wijze van handelen in verhouding moet zijn met het doel. Welnu uit het voorgaande (1e Art. van deze Kwestie) blijkt duidelijk, dat de geloofsdaad gericht is op het voorwerp van den wil, dat het goede is, als op haar doel. Welnu het goed, dat het doel is van het geloof, nl. het goddelijk goed, is het eigen 126voorwerp van de liefde. Bijgevolg is de liefde de vorm van het geloof, in zoover de geloofsdaad door de liefde vervolmaakt wordt en er door haar vorm ontvangt.Leerstelling. — Uit wat vroeger gezegd werd (1a 2ae, 1e Kw., 3e Art. en 18e Kw., 6e Art.) blijkt, dat de wilsdaden hun soortbepaling ontvangen door het doel, dat het voorwerp is van de wil. Welnu in de natuurdingen is datgene, waardoor iets zijn soortbepaling ontvangt, de vorm er van. Daaruit volgt, dat het doel, waar een wilsact op gericht is, er in een zekeren zin de vorm van is, én omdat die daad soortelijk bepaald wordt door het doel, én omdat de wijze van handelen in verhouding moet zijn met het doel. Welnu uit het voorgaande (1e Art. van deze Kwestie) blijkt duidelijk, dat de geloofsdaad gericht is op het voorwerp van de wil, dat het goede is, als op haar doel. Welnu het goed, dat het doel is van het geloof, nl. het goddelijk goed, is het eigen 126voorwerp van de liefde. Bijgevolg is de liefde de vorm van het geloof, in zover de geloofsdaad door de liefde vervolmaakt wordt en er door haar vorm ontvangt.
Ad primum ergo dicendum, quod charitas dicitur esse forma fidei, inquantum informat actum ipsius. Nihil autem prohibet unum actum a diversis habitibus informari, et secundum hoc ad diversas species reduci ordine quodam, ut supra dictum est [1-2. q. 18. art. 6. et 7.], cum de actibus humanis in communi ageretur.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. De liefde is de vorm van het geloof, in zoover de geloofsdaad er door haar vorm ontvangt. Er is echter niets op tegen, dat een zelfde daad haar vorm ontvangt door verschillende hebbelijkheden, en zoò volgens een bepaalde orde tot verschillende soorten herleid wordt, zooals vroeger gezegd werd (1a 2ae, Kw. 18, Art. 6 en 7), toen gehandeld werd over de menschelijke daden in het algemeen.Antwoord op de bedenkingen. — 1. De liefde is de vorm van het geloof, in zover de geloofsdaad er door haar vorm ontvangt. Er is echter niets op tegen, dat een zelfde daad haar vorm ontvangt door verschillende hebbelijkheden, en zoò volgens een bepaalde orde tot verschillende soorten herleid wordt, zoals vroeger gezegd werd (1a 2ae, Kw. 18, Art. 6 en 7), toen gehandeld werd over de menselijke daden in het algemeen.
Ad secundum dicendum, quod objectio illa procedit de forma intrinseca: sic autem charitas non est forma fidei, sed prout informat actum ejus, ut supra dictum est [in corp. art.].
2. In deze bedenking bedoelt men den innerlijken vorm. Op die wijze echter is de liefde de vorm niet van het geloof, maar slechts in zoover de daad van het geloof door de liefde haar vorm ontvangt, zooals (in de Leerstelling) gezegd werd.2. In deze bedenking bedoelt men de innerlijke vorm. Op die wijze echter is de liefde de vorm niet van het geloof, maar slechts in zover de daad van het geloof door de liefde haar vorm ontvangt, zoals (in de Leerstelling) gezegd werd.
Ad tertium dicendum, quod etiam ipsa obedientia, et similiter spes, et quaecumque alia virtus posset praecedere actum fidei, rationabiliter formatur a charitate, sicut infra patebit [q. 23. art. 8.], et ideo ipsa charitas ponitur forma fidei.
3. Ook de gehoorzaamheid kan evenals de hoop en iedere andere deugd, die de geloofsdaad kan voorafgaan, haar vorm ontvangen door de liefde, zooals later blijken zal (Kw. 23, Art. 8). Daarom wordt de liefde de vorm van geloof genoemd.3. Ook de gehoorzaamheid kan evenals de hoop en iedere andere deugd, die de geloofsdaad kan voorafgaan, haar vorm ontvangen door de liefde, zoals later blijken zal (Kw. 23, Art. 8). Daarom wordt de liefde de vorm van geloof genoemd.
Utrum fides informis possit fieri formata, vel e converso
Kan het dood geloof levend worden, en andersom?
127Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod fides informis non fiat formata, nec e converso, quia, ut dicitur 1. ad Cor. 13. [v. 10] : « Cum venerit quod perfectum est, evacuabitur quod ex parte est. » Sed fides informis imperfecta est respectu formatae. Ergo, adveniente fide formata, fides informis excluditur, ut non sit unus habitus numero.
127Bedenkingen. — Men beweert, dat het dood geloof niet levend kan worden noch andersom. — 1. Er wordt immers gezegd in den In Corinthiërbrief (13, 10) : « Wanneer het volmaakte zal komen, dan wordt het gedeeltelijke afgeschaft ». Welnu het dood geloof is onvolmaakt, vergeleken bij het levend geloof. Bijgevolg wordt het dood geloof uitgesloten, wanneer het levend geloof komt, zoodat beide niet een zelfde hebbelijkheid zijn.127Bedenkingen. — Men beweert, dat het dood geloof niet levend kan worden noch andersom. — 1. Er wordt immers gezegd in de In Korintiërbrief (13, 10): “Wanneer het volmaakte zal komen, dan wordt het gedeeltelijke afgeschaft”. Welnu het dood geloof is onvolmaakt, vergeleken bij het levend geloof. Bijgevolg wordt het dood geloof uitgesloten, wanneer het levend geloof komt, zodat beide niet een zelfde hebbelijkheid zijn.
2. Praeterea, illud quod est mortuum, non fit vivum. Sed fides informis est mortua, secundum illud Jac. 2. [v. 17] : « Fides sine operibus mortua est. » Ergo fides informis non potest fieri formata.
2. Wat dood is wordt niet levend. Welnu het geloof zonder de liefde is dood, zooals we lezen in den Brief van Jacobus, (2, 17) : « Het geloof zonder de werken is dood ». Bijgevolg kan het dood geloof niet levend worden.2. Wat dood is wordt niet levend. Welnu het geloof zonder de liefde is dood, zoals we lezen in de Brief van Jacobus, (2, 17): “Het geloof zonder de werken is dood”. Bijgevolg kan het dood geloof niet levend worden.
3. Praeterea, gratia Dei adveniens non habet minorem effectum in homine fideli, quam infideli. Sed adveniens homini infideli causat in eo 128habitum fidei. Ergo etiam adveniens fideli, qui habebat prius habitum fidei informis, causat in eo alium habitum fidei.
3. De genade Gods is, wanneer zij in iemand komt, niet minder krachtig in een geloovige dan in een ongeloovige. Welnu in een ongeloovige veroorzaakt ze de hebbelijkheid van het geloof. 128Bijgevolg moet zij ook in een geloovige, die eerst een dood geloof had, een andere hebbelijkheid van geloof veroorzaken.3. De genade Gods is, wanneer zij in iemand komt, niet minder krachtig in een gelovige dan in een ongelovige. Welnu in een ongelovige veroorzaakt ze de hebbelijkheid van het geloof. 128Bijgevolg moet zij ook in een gelovige, die eerst een dood geloof had, een andere hebbelijkheid van geloof veroorzaken.
4. Praeterea, sicut Boetius dicit [In categ. arist. l. 1. de subst.], accidentia alterari non possunt. Sed fides est quoddam accidens. Ergo non potest eadem fides quandoque esse formata, et quandoque informis.
4. Zooals Boetius zegt (in zijn werk Over de Categorieën van Aristoteles, 1e B., Over de Zelfstandigheid), kunnen de bijkomstigheden niet veranderen. Welnu het geloof is een bijkomstigheid. Dus kan hetzelfde geloof niet eerst levend zijn, en daarna dood.4. Zoals Boetius zegt (in zijn werk Over de Categorieën van Aristoteles, 1e B., Over de Zelfstandigheid), kunnen de bijkomstigheden niet veranderen. Welnu het geloof is een bijkomstigheid. Dus kan hetzelfde geloof niet eerst levend zijn, en daarna dood.
Sed contra est, quod Jac. 2. [v. 17] super illud : « Fides sine operibus mortua est », dicit Glos. [interl.] : « Quibus reviviscit. » Ergo fides, quae erat prius mortua et informis, fit formata et vivens.
Daartegenover staat echter wat de Glossa zegt op de woorden van Jacobus (2, 17) : « Het geloof zonder de werken is dood », dat nl. het geloof weder levend wordt door die werken. Dus wordt het geloof, dat eerst dood was, later levend, wanneer het nl. zijn vorm ontvangt.Daartegenover staat echter wat de Glossa zegt op de woorden van Jacobus (2, 17): “Het geloof zonder de werken is dood”, dat nl. het geloof weder levend wordt door die werken. Dus wordt het geloof, dat eerst dood was, later levend, wanneer het nl. zijn vorm ontvangt.
Respondeo dicendum, quod circa hoc fuerunt diversae opiniones. Quidam [Guill. Antis. Summa aurea. l. III, tr. XV, q. II, III.] enim dixerunt, quod alius est habitus fidei formatae et informis; sed adveniente fide formata, tollitur fides informis. Et similiter, homine post fidem formatam peccante mortaliter, succedit alius habitus fidei informis a Deo infusus. Sed hoc non videtur esse conveniens, quod gratia adveniens homini aliquod 129Dei donum excludat, neque etiam quod aliquod Dei donum homini infundatur propter peccatum mortale.
Leerstelling. — Hieromtrent bestonden verschillende meeningen. Sommigen immers (Willem van Auxerre, Gulden Summa, 3e B., 15e Verh., 2e en 3e Kw.), zeiden, dat het levend geloof een andere hebbelijkheid is dan het dood geloof, zoodat, wanneer het levend geloof wordt ingestort, het dood geloof verdwijnt. Evenzoo, als iemand, die het levend geloof heeft, zondigt, ontstaat in hem een andere hebbelijkheid, nl. een dood geloof, dat door God 129wordt ingestort. Het is echter onaannemelijk, dat een gave Gods wordt uitgesloten, wanneer iemand een genade ontvangt, en evenmin is het aan te nemen, dat een gave Gods in iemand wordt ingestort om een doodzonde.Leerstelling. — Hieromtrent bestonden verschillende meningen. Sommigen immers (Willem van Auxerre, Gulden Summa, 3e B., 15e Verh., 2e en 3e Kw.), zeiden, dat het levend geloof een andere hebbelijkheid is dan het dood geloof, zodat, wanneer het levend geloof wordt ingestort, het dood geloof verdwijnt. Evenzo, als iemand, die het levend geloof heeft, zondigt, ontstaat in hem een andere hebbelijkheid, nl. een dood geloof, dat door God 129wordt ingestort. Het is echter onaannemelijk, dat een gave Gods wordt uitgesloten, wanneer iemand een genade ontvangt, en evenmin is het aan te nemen, dat een gave Gods in iemand wordt ingestort om een doodzonde.
Et ideo alii dixerunt [Alex. Halens., Summa Theol., P. 3, Q. 64, Art. 6] quod sunt quidem diversi habitus fidei formatae et informis, sed tamen adveniente fide formata, non tollitur habitus fidei informis, sed simul manet in eodem cum habitu fidei formatae. Sed hoc etiam videtur esse inconveniens, quod habitus fidei informis in habente fidem formatam remaneat otiosus.
Daarom zeiden anderen (Alexander van Hales, Theologische Summa, 3e D., Kw. 64, Art. 6), dat het dood geloof en het levend geloof verschillende hebbelijkheden zijn, maar dat, wanneer het levend geloof in iemand wordt ingestort, het dood geloof niet verdwijnt, maar in dien mensch blijft voortbestaan, samen met de hebbelijkheid van het levend geloof. Doch het kan bezwaarlijk aangenomen worden, dat de hebbelijkheid van het dood geloof werkeloos blijft in hem, die het levend geloof heeft.Daarom zeiden anderen (Alexander van Hales, Theologische Summa, 3e D., Kw. 64, Art. 6), dat het dood geloof en het levend geloof verschillende hebbelijkheden zijn, maar dat, wanneer het levend geloof in iemand wordt ingestort, het dood geloof niet verdwijnt, maar in die mens blijft voortbestaan, samen met de hebbelijkheid van het levend geloof. Doch het kan bezwaarlijk aangenomen worden, dat de hebbelijkheid van het dood geloof werkeloos blijft in hem, die het levend geloof heeft.
Et ideo aliter dicendum, quod idem est habitus fidei formatae et informis. Cujus ratio est, quia habitus diversificatur secundum illud, quod per se ad habitum pertinet. Cum autem fides sit perfectio intellectus, illud per se ad fidem pertinet, quod pertinet ad intellectum; quod autem pertinet ad voluntatem, non per se pertinet ad fidem, ita quod per hoc fidei habitus possit 130diversificari. Distinctio autem fidei formatae et informis est secundum id, quod pertinet ad voluntatem, idest secundum charitatem, non autem secundum illud, quod pertinet ad intellectum. Unde fides formata et informis non sunt diversi habitus.
Men moet bijgevolg een andere oplossing aannemen, nl. dat het levend geloof en het dood geloof een zelfde hebbelijkheid zijn. De reden daarvan is de volgende: de hebbelijkheden worden onderscheiden volgens dat, wat uiteraard tot de hebbelijkheid behoort. Welnu, daar het geloof een volmaaktheid is van het verstand, behoort datgene uiteraard tot het geloof, wat behoort tot het verstand; wat echter tot den wil behoort, behoort niet uiteraard tot het geloof, en kan bijgevolg geen beginsel van onderscheid zijn voor de hebbelijkheid van het geloof. Welnu het levend geloof en het dood geloof worden juist door datgene onderscheiden, wat tot 130den wil behoort, nl. door de liefde, en niet door datgene, wat behoort tot het verstand. Bijgevolg zijn het levend geloof en het dood geloof geen twee verschillende hebbelijkheden.Men moet bijgevolg een andere oplossing aannemen, nl. dat het levend geloof en het dood geloof een zelfde hebbelijkheid zijn. De reden daarvan is de volgende: de hebbelijkheden worden onderscheiden volgens dat, wat uiteraard tot de hebbelijkheid behoort. Welnu, daar het geloof een volmaaktheid is van het verstand, behoort datgene uiteraard tot het geloof, wat behoort tot het verstand; wat echter tot de wil behoort, behoort niet uiteraard tot het geloof, en kan bijgevolg geen beginsel van onderscheid zijn voor de hebbelijkheid van het geloof. Welnu het levend geloof en het dood geloof worden juist door datgene onderscheiden, wat tot 130de wil behoort, nl. door de liefde, en niet door datgene, wat behoort tot het verstand. Bijgevolg zijn het levend geloof en het dood geloof geen twee verschillende hebbelijkheden.
Ad primum ergo dicendum, quod verbum Apostoli est intelligendum, quando imperfectio est de ratione imperfecti : tunc enim oportet, quod adveniente perfecto, imperfectum excludatur, sicut adveniente aperta visione, excluditur fides, de cujus ratione est, ut sit non apparentium. Sed quando imperfectio non est de ratione rei imperfectae, tunc illud numero idem, quod erat imperfectum, fit perfectum, sicut pueritia non est de ratione hominis, et ideo idem numero, qui erat puer, fit vir. Informitas autem fidei non est de ratione perfectae fidei, sed per accidens se habet ad ipsam, ut dictum est [in corp.]; unde ipsamet fides informis fit formata.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Die woorden van den Apostel moeten begrepen worden als doelend op die onvolmaaktheden, die het wezen van het onvolmaakte ding uitmaken. In dat geval toch moet het onvolmaakte verdwijnen, wanneer het volmaakte komt, zooals het klaarblijkelijk aanschouwen het geloof uitsluit, dat uiteraard tot voorwerp heeft dingen, die men niet ziet. Wanneer daarentegen de onvolmaaktheid niet behoort tot het wezen van het onvolmaakte ding, wordt hetzelfde ding, dat onvolmaakt was, volmaakt; kind zijn b. v. behoort niet tot het wezen van den mensch, en daarom wordt dezelfde mensch, die eenmaal een kind was, man. Welnu dat het geloof dood is, behoort niet tot het wezen er van, maar is iets bijkomstigs, zooals (in de Leerstelling) gezegd werd. Bijgevolg wordt hetzelfde geloof, dat eerst dood was, levend.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Die woorden van de Apostel moeten begrepen worden als doelend op die onvolmaaktheden, die het wezen van het onvolmaakte ding uitmaken. In dat geval toch moet het onvolmaakte verdwijnen, wanneer het volmaakte komt, zoals het klaarblijkelijk aanschouwen het geloof uitsluit, dat uiteraard tot voorwerp heeft dingen, die men niet ziet. Wanneer daarentegen de onvolmaaktheid niet behoort tot het wezen van het onvolmaakte ding, wordt hetzelfde ding, dat onvolmaakt was, volmaakt; kind zijn bv. behoort niet tot het wezen van de mens, en daarom wordt dezelfde mens, die eenmaal een kind was, man. Welnu dat het geloof dood is, behoort niet tot het wezen er van, maar is iets bijkomstigs, zoals (in de Leerstelling) gezegd werd. Bijgevolg wordt hetzelfde geloof, dat eerst dood was, levend.
Ad secundum dicendum, quod illud quod facit vitam animalis, est de ratione ipsius, quia est forma essentialis ejus, scilicet anima; et ideo 131mortuum fieri vivum non potest, sed aliud specie est, quod est mortuum, et quod est vivum. Sed id, quod facit fidem esse formatam, vel vivam, non est de essentia fidei; et ideo non est simile.
2. Wat het leven veroorzaakt in het dier, behoort tot het wezen van het dier, want het is zijn zelfstandigheidsvorm, nl. de ziel. 131Daarom kan iets, wat dood is, niet levend worden, en is er een soortelijk verschil tusschen datgene, wat dood is, en datgene, wat levend is. Datgene echter, wat de vorm is van het geloof en het geloof levend maakt, behoort niet tot het wezen van het geloof. De vergelijking gaat dan ook niet op.2. Wat het leven veroorzaakt in het dier, behoort tot het wezen van het dier, want het is zijn zelfstandigheidsvorm, nl. de ziel. 131Daarom kan iets, wat dood is, niet levend worden, en is er een soortelijk verschil tussen datgene, wat dood is, en datgene, wat levend is. Datgene echter, wat de vorm is van het geloof en het geloof levend maakt, behoort niet tot het wezen van het geloof. De vergelijking gaat dan ook niet op.
Ad tertium dicendum, quod gratia facit fidem, non solum quando fides de novo incipit esse in homine, sed etiam quamdiu fides durat. Dictum est enim supra [part. 1. q. 104. art. 1. et 1-2. q. 109. art. 9.], quod Deus semper operatur justificationem hominis, sicut sol semper operatur illuminationem aëris. Unde gratia non minus facit adveniens fideli, quam adveniens infideli, quia in utroque operatur fidem, in uno quidem confirmando et perficiendo, in alio de novo creando.
3. De genade veroorzaakt het geloof, niet alleen wanneer dat geloof voor het eerst in den mensch ontstaat, maar zoolang het blijft voortbestaan. Vroeger hebben we immers gezegd (Ie D., Kw. 104, Art. 1 en 1a 2ae, Kw. 109, Art. 9), dat God op voortdurende wijze de rechtvaardigmaking van den mensch bewerkt, zooals ook de zon zonder ophouden de lucht verlicht. Dus is het uitwerksel van de genade niet geringer, wanneer zij ontstaat bij een geloovige, dan wanneer ze ontstaat bij een ongeloovige, want bij beiden veroorzaakt zij het geloof, in den een, door het te versterken en te vervolmaken, in den ander, door het opnieuw te scheppen.3. De genade veroorzaakt het geloof, niet alleen wanneer dat geloof voor het eerst in de mens ontstaat, maar zolang het blijft voortbestaan. Vroeger hebben we immers gezegd (1e D., Kw. 104, Art. 1 en 1a 2ae, Kw. 109, Art. 9), dat God op voortdurende wijze de rechtvaardigmaking van de mens bewerkt, zoals ook de zon zonder ophouden de lucht verlicht. Dus is het uitwerksel van de genade niet geringer, wanneer zij ontstaat bij een gelovige, dan wanneer ze ontstaat bij een ongelovige, want bij beiden veroorzaakt zij het geloof, in de een, door het te versterken en te vervolmaken, in de ander, door het opnieuw te scheppen.
Vel potest dici quod hoc est per accidens, scilicet propter dispositionem subjecti, quod gratia non causat fidem in eo qui habet, sicut e contrario secundum peccatum mortale non tollit gratiam ab eo, qui eam amisit per peccatum mortale praecedens.
Men kan ook antwoorden, dat alleen om een bijkomstige reden, nl. om de geschiktheid van den persoon, de genade het geloof niet veroorzaakt in hem, die het reeds bezit, evenals andersom iemand, die een doodzonde bedreven heeft, door een tweede doodzonde de genade niet meer verliest, die hij reeds verloren had door zijn eerste doodzonde.Men kan ook antwoorden, dat alleen om een bijkomstige reden, nl. om de geschiktheid van de persoon, de genade het geloof niet veroorzaakt in hem, die het reeds bezit, evenals andersom iemand, die een doodzonde bedreven heeft, door een tweede doodzonde de genade niet meer verliest, die hij reeds verloren had door zijn eerste doodzonde.
132Ad quartum dicendum, quod per hoc quod fides formata fit informis, non mutatur ipsa fides, sed mutatur subjectum fidei, quod est anima, quod quandoque quidem habet fidem sine charitate, quandoque autem cum charitate.
1324. Wanneer het levend geloof dood geloof wordt, ondergaat het geloof zelf geen verandering, maar wel het subject er van, nl. de ziel. Dat subject bezit het eene oogenblik het geloof zonder de liefde, dan weer het geloof met de liefde.1324. Wanneer het levend geloof dood geloof wordt, ondergaat het geloof zelf geen verandering, maar wel het subject er van, nl. de ziel. Dat subject bezit het ene ogenblik het geloof zonder de liefde, dan weer het geloof met de liefde.
Utrum fides sit virtus
Is het geloof een deugd?
Ad quintum sic proceditur. Videtur quod fides non sit virtus. Virtus enim ordinatur ad bonum, nam virtus est, quae bonum facit habentem, ut dicit Philosophus in 2. Ethic. [cap. 6.]. Sed fides ordinatur ad verum. Ergo fides non est virtus.
Bedenkingen. — Men beweert, dat het geloof geen deugd is. — 1. De deugd immers heeft betrekking op het goed, want een deugd maakt goed dengene, die haar bezit, zooals de Wijsgeer zegt in het 2e Boek der Ethica (6e H.). Welnu het geloof heeft betrekking op het ware. Bijgevolg is het geloof geen deugd.Bedenkingen. — Men beweert, dat het geloof geen deugd is. — 1. De deugd immers heeft betrekking op het goed, want een deugd maakt goed dengene, die haar bezit, zoals de Wijsgeer zegt in het 2e Boek van de Ethica (6e H.). Welnu het geloof heeft betrekking op het ware. Bijgevolg is het geloof geen deugd.
1332. Praeterea, perfectior est virtus infusa quam acquisita. Sed fides propter sui imperfectionem non ponitur inter virtutes intellectuales acquisitas, ut patet per Philosophum in 6. Ethic. [cap. 3.]. Ergo multo minus potest poni virtus infusa.
2. Een ingestorte deugd is volmaakter dan een aangeworven deugd. Welnu het geloof wordt juist om zijn onvolmaaktheid niet gerekend tot de aangeworven verstandelijke deugden, zooals blijkt uit wat de Wijsgeer zegt in het 6e Boek der Ethica (3e H.). Bijgevolg kan het nog veel minder gerekend worden tot de ingestorte deugden.2. Een ingestorte deugd is volmaakter dan een aangeworven deugd. Welnu het geloof wordt juist om zijn onvolmaaktheid niet gerekend tot de aangeworven verstandelijke deugden, zoals blijkt uit wat de Wijsgeer zegt in het 6e Boek van de Ethica (3e H.). Bijgevolg kan het nog veel minder gerekend worden tot de ingestorte deugden.
3. Praeterea, fides formata et informis sunt ejusdem speciei, ut dictum est [art. praec.]. Sed fides informis non est virtus, quia non habet connexionem cum aliis virtutibus. Ergo nec fides formata est virtus.
1333. Zooals in het vorig artikel gezegd werd, behooren het levende en het doode geloof tot dezelfde soort. Welnu het dood geloof is geen deugd, daar het niet verbonden is met de andere deugden. Bijgevolg is ook het levend geloof geen deugd.1333. Zoals in het vorig artikel gezegd werd, behoren het levende en het dode geloof tot dezelfde soort. Welnu het dood geloof is geen deugd, daar het niet verbonden is met de andere deugden. Bijgevolg is ook het levend geloof geen deugd.
4. Praeterea, gratiae gratis datae et fructus distinguuntur a virtutibus. Sed fides enumeratur inter gratias gratis datas, 1. Cor. 12. [v. 9], et similiter inter fructus, ad Galat. 5. [v. 23]. Ergo fides non est virtus.
4. De om niet gegeven genadegaven en de vruchten van den H. Geest zijn onderscheiden van de deugden. Welnu het geloof wordt tot de om niet gegeven genadegaven gerekend (1e Corinthiërbrief, 12, 9) en ook tot de vruchten (Brief aan de Galaten, 5, 23). Dus is het geloof geen deugd.4. De om niet gegeven genadegaven en de vruchten van de H. Geest zijn onderscheiden van de deugden. Welnu het geloof wordt tot de om niet gegeven genadegaven gerekend (1e Korintiërbrief, 12, 9) en ook tot de vruchten (Brief aan de Galaten, 5, 23). Dus is het geloof geen deugd.
Sed contra est, quod homo per virtutes justificatur, nam justitia est tota virtus, ut dicitur in 5. Ethic. [cap. 1.]. Sed per fidem homo justificatur, secundum illud ad Rom. 5. [v. 1] : « Justificati ergo ex fide pacem habemus » etc. Ergo fides est virtus.
Daartegenover staat echter, dat de mensch rechtvaardig gemaakt wordt door de deugden, want de rechtvaardigheid is heel de deugd, zooals gezegd wordt in het 5e boek der Ethica (1e H.). Welnu de mensch wordt rechtvaardig gemaakt door het geloof, naar het woord uit den Brief aan de Romeinen (5, 1) : « Wij dan, die door het geloof rechtvaardig gemaakt zijn, laten we in vrede blijven met God », enz. Dus is het geloof een deugd.Daartegenover staat echter, dat de mens rechtvaardig gemaakt wordt door de deugden, want de rechtvaardigheid is heel de deugd, zoals gezegd wordt in het 5e boek van de Ethica (1e H.). Welnu de mens wordt rechtvaardig gemaakt door het geloof, naar het woord uit de Brief aan de Romeinen (5, 1): “Wij dan, die door het geloof rechtvaardig gemaakt zijn, laten we in vrede blijven met God”, enz. Dus is het geloof een deugd.
Respondeo dicendum quod, sicut ex praedictis patet [1-2. q. 55. art. 1343. et 4.], virtus humana est per quam actus humanus redditur bonus. Unde quicumque habitus est semper principium boni actus, potest dici virtus humana. Talis autem habitus est fides formata. Cum enim credere sit actus intellectus assentientis vero ex imperio voluntatis, ad hoc quod iste actus sit perfectus duo requiruntur. Quorum unum est, ut infallibiliter intellectus tendat in suum bonum, quod est verum; aliud autem est, ut infallibiliter ordinetur ad ultimum finem, propter quem assentit vero. Et utrumque invenitur in actu fidei formatae. Nam ex ratione ipsius fidei est, quod intellectus semper feratur in verum, quia fidei non potest subesse falsum, ut supra habitum est [q. 1. art. 3.]; ex charitate autem, quae format fidem, habet anima, quod infallibiliter voluntas ordinetur in finem bonum. Et ideo fides formata est virtus.
Leerstelling. — Zooals blijkt uit wat vroeger gezegd werd 134(1a 2ae, Kw. 55, Art. 3 en 4), is de menschelijke deugd datgene, waardoor de menschelijke daad goed is. Bijgevolg kan iedere hebbelijkheid, die altijd een beginsel is van een goede daad, een menschelijke deugd genoemd worden. Welnu zulke hebbelijkheid is het levend geloof, en daar gelooven een daad is van het verstand, dat een waarheid aanvaardt op bevel van den wil, worden tot zijn volmaaktheid twee dingen vereischt. Ten eerste moet het verstand op onfeilbare wijze streven naar zijn goed, dat het ware is; ten tweede moet men op onfeilbare wijze gericht zijn naar het einddoel om hetwelk men het ware aanvaardt. Welnu die twee dingen vindt men terug in de daad van het levend geloof, want het behoort tot het wezen zelf van het geloof, dat het verstand altijd naar het ware streeft, omdat niets wat valsch is onder het geloof kan vallen, zooals hierboven bewezen is (Kw. 1, Art. 3). Daarenboven bereikt de ziel door de liefde, die de vorm is van het geloof, dat de wil op onfeilbare wijze gericht is op een goed doel. Bijgevolg is het levend geloof wel een deugd.Leerstelling. — Zoals blijkt uit wat vroeger gezegd werd 134(1a 2ae, Kw. 55, Art. 3 en 4), is de menselijke deugd datgene, waardoor de menselijke daad goed is. Bijgevolg kan iedere hebbelijkheid, die altijd een beginsel is van een goede daad, een menselijke deugd genoemd worden. Welnu zulke hebbelijkheid is het levend geloof, en daar geloven een daad is van het verstand, dat een waarheid aanvaardt op bevel van de wil, worden tot zijn volmaaktheid twee dingen vereist. Ten eerste moet het verstand op onfeilbare wijze streven naar zijn goed, dat het ware is; ten tweede moet men op onfeilbare wijze gericht zijn naar het einddoel om hetwelk men het ware aanvaardt. Welnu die twee dingen vindt men terug in de daad van het levend geloof, want het behoort tot het wezen zelf van het geloof, dat het verstand altijd naar het ware streeft, omdat niets wat vals is onder het geloof kan vallen, zoals hierboven bewezen is (Kw. 1, Art. 3). Daarenboven bereikt de ziel door de liefde, die de vorm is van het geloof, dat de wil op onfeilbare wijze gericht is op een goed doel. Bijgevolg is het levend geloof wel een deugd.
Fides autem informis non est virtus, quia etsi actus fidei informis habeat perfectionem debitam ex parte intellectus, non tamen habet perfectionem 135debitam ex parte voluntatis. Sicut etiam si temperantia esset in concupiscibili, et prudentia non esset in rationali, temperantia non esset virtus, ut supra dictum est [1-2. q. 58. art. 4. et q. 65. art 1.]. Sed ad actum temperantiae requiritur et actus rationis et actus concupiscentiae, sicut ad actum fidei requiritur actus voluntatis et actus intellectus.
Het dood geloof daarentegen is geen deugd, want hoewel de daad van het dood geloof de vereischte volmaaktheid heeft van den kant van het verstand, toch heeft zij de vereischte volmaaktheid niet van den kant van den wil. Om dezelfde reden zou ook 135de matigheid geen deugd zijn, wanneer zij wel in het begeervermogen, maar de verstandigheid niet in de rede was; dit werd vroeger reeds gezegd (1a 2ae, Kw. 58, Art. 4, en Kw. 65, Art. 1). Tot de daad van matigheid wordt zoowel een daad van het verstand vereischt als een daad van het begeervermogen, gelijk ook tot de daad van geloof zoowel een daad van den wil als een daad van het verstand vereischt wordt.Het dood geloof daarentegen is geen deugd, want hoewel de daad van het dood geloof de vereiste volmaaktheid heeft van de kant van het verstand, toch heeft zij de vereiste volmaaktheid niet van de kant van de wil. Om dezelfde reden zou ook 135de matigheid geen deugd zijn, wanneer zij wel in het begeervermogen, maar de verstandigheid niet in de rede was; dit werd vroeger reeds gezegd (1a 2ae, Kw. 58, Art. 4, en Kw. 65, Art. 1). Tot de daad van matigheid wordt zowel een daad van het verstand vereist als een daad van het begeervermogen, gelijk ook tot de daad van geloof zowel een daad van de wil als een daad van het verstand vereist wordt.
Ad primum ergo dicendum, quod ipsum verum est bonum intellectus, cum sit ejus perfectio. Et ideo, inquantum per fidem intellectus determinatur ad verum, fides habet ordinem in bonum quoddam. Sed ulterius, inquantum fides formatur per charitatem, habet etiam ordinem ad bonum, secundum quod est voluntatis objectum.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Het ware zelf is het goed van het verstand, daar het zijn volmaaktheid is. Bijgevolg is het geloof gericht op een zeker goed, in zoover het verstand door het geloof bepaald wordt tot het ware. Het geloof is daarenboven nog gericht op het goed, dat het voorwerp is van den wil, in zoover het zijn vorm ontvangt van de liefde.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Het ware zelf is het goed van het verstand, daar het zijn volmaaktheid is. Bijgevolg is het geloof gericht op een zeker goed, in zover het verstand door het geloof bepaald wordt tot het ware. Het geloof is daarenboven nog gericht op het goed, dat het voorwerp is van de wil, in zover het zijn vorm ontvangt van de liefde.
Ad secundum dicendum, quod fides de qua Philosophus loquitur, innititur rationi humanae non ex necessitate concludenti, cui potest subesse falsum. Et ideo talis fides non est virtus. Sed fides, de qua loquimur, innititur veritati divinae, quae est infallibilis; et ita non potest ei subesse falsum. Et ideo talis fides potest esse virtus.
2. Het geloof, waarover de Wijsgeer spreekt, steunt op de menschelijke rede, die kan dwalen, omdat haar gevolgtrekkingen niet noodzakelijk zijn. Zulk geloof is dan ook geen deugd. Het geloof, waarover wij nu spreken, steunt op de goddelijke waarheid, die onfeilbaar is; en daarom kan niets wat valsch is, tot dit geloof behooren. Bijgevolg is er niets op tegen, dat zulk geloof een deugd is.2. Het geloof, waarover de Wijsgeer spreekt, steunt op de menselijke rede, die kan dwalen, omdat haar gevolgtrekkingen niet noodzakelijk zijn. Zulk geloof is dan ook geen deugd. Het geloof, waarover wij nu spreken, steunt op de goddelijke waarheid, die onfeilbaar is; en daarom kan niets wat vals is, tot dit geloof behoren. Bijgevolg is er niets op tegen, dat zulk geloof een deugd is.
136Ad tertium dicendum, quod fides formata et informis non differunt specie, sicut in diversis speciebus existentes; differunt autem sicut perfectum et imperfectum in eadem specie. Unde fides informis, cum sit imperfecta, non pertingit ad perfectam rationem virtutis, nam virtus est perfectio quaedam, ut dicitur in 7. Physic.
1363. Het levend geloof en het dood geloof zijn niet soortelijk onderscheiden, zooals dingen, die tot verschillende soorten behooren. Ze verschillen echter zooals het volmaakte en het onvolmaakte in een zelfde soort. Het dood geloof is onvolmaakt, en daarom bereikt het niet de volmaakte natuur van de deugd, want de deugd is een zekere volmaaktheid, zooals gezegd wordt in het 7e Boek der Physica.1363. Het levend geloof en het dood geloof zijn niet soortelijk onderscheiden, zoals dingen, die tot verschillende soorten behoren. Ze verschillen echter zoals het volmaakte en het onvolmaakte in een zelfde soort. Het dood geloof is onvolmaakt, en daarom bereikt het niet de volmaakte natuur van de deugd, want de deugd is een zekere volmaaktheid, zoals gezegd wordt in het 7e Boek van de Fysica.
Ad quartum dicendum, quod quidam ponunt, quod fides, quae connumeratur inter gratias gratis datas, est fides informis. Sed hoc non convenienter dicitur, quia gratiae gratis datae, quae ibi enumerantur, non sunt communes omnibus membris Ecclesiae; unde Apostolus ibi dicit : « Divisiones gratiarum sunt », et iterum : « Alii datur hoc, alii datur illud. » Fides autem informis est communis omnibus membris Ecclesiae, quia informitas non est de substantia ejus, secundum quod est donum gratuitum. Unde dicendum est, quod sumitur ibi pro aliqua fidei excellentia, sicut pro constantia fidei, ut dicit Glossa, vel pro sermone fidei.
4. Sommigen meenen, dat het geloof, dat onder de om niet gegeven genadegaven gerekend wordt, het dood geloof is. Dit echter is niet aannemelijk, want de om niet gegeven genadegaven, waarvan t. a. pl. spraak is, zijn geenszins gemeen aan alle leden der Kerk. Daarom zegt de Apostel t. a. pl.: « Er zijn verschillende gaven », en verder: « De eene ontvangt die gave, een ander ontvangt een andere gave ». Welnu het dood geloof kan aan al de leden der Kerk gegeven worden, want dat het geloof dood is behoort niet tot het wezen er van, als om niet gegeven genadegave. Men moet bijgevolg aannemen, dat er hier sprake is van een zekere voortreffelijkheid van het geloof, b. v. van de standvastigheid in het geloof, zooals de Glossa zegt, of van het prediken van het geloof.4. Sommigen menen, dat het geloof, dat onder de om niet gegeven genadegaven gerekend wordt, het dood geloof is. Dit echter is niet aannemelijk, want de om niet gegeven genadegaven, waarvan t.a.p. spraak is, zijn geenszins gemeen aan alle leden van de Kerk. Daarom zegt de Apostel t.a.p.: “Er zijn verschillende gaven”, en verder: “De ene ontvangt die gave, een ander ontvangt een andere gave”. Welnu het dood geloof kan aan al de leden van de Kerk gegeven worden, want dat het geloof dood is behoort niet tot het wezen er van, als om niet gegeven genadegave. Men moet bijgevolg aannemen, dat er hier sprake is van een zekere voortreffelijkheid van het geloof, bv. van de standvastigheid in het geloof, zoals de Glossa zegt, of van het prediken van het geloof.
137Fides autem ponitur fructus, secundum quod habet aliquam delectationem in suo actu, ratione certitudinis. Unde ad Gal. 5. ubi enumerantur fructus, exponitur fides, de invisibilibus certitudo.
137Het geloof wordt beschouwd als een vrucht, omdat er een zeker genot verbonden is met zijn daad, om de zekerheid. Daarom ook wordt bij de verklaring van het 5e H. van den Brief aan de Galaten, bij de opsomming der vruchten, het geloof bepaald als « de zekerheid omtrent het onzichtbare ».137Het geloof wordt beschouwd als een vrucht, omdat er een zeker genot verbonden is met zijn daad, om de zekerheid. Daarom ook wordt bij de verklaring van het 5e H. van de Brief aan de Galaten, bij de opsomming van de vruchten, het geloof bepaald als “de zekerheid omtrent het onzichtbare”.
Utrum fides sit una virtus
Is de deugd van geloof één?
Ad sextum sic proceditur. Videtur, quod non sit una fides. Sicut enim fides est donum Dei, ut dicitur ad Ephes. 2. [v. 8], ita etiam sapientia et scientia inter dona Dei computantur, ut patet Isa. 11. [v. 2]. Sed sapientia et scientia differunt per hoc quod sapientia est de aeternis, scientia vero de temporalibus, ut patet per Augustinum 13. de Trin. [cap. 19.]. Cum ergo 138fides sit de aeternis, et de quibusdam temporalibus, videtur quod non sit una fides, sed distinguatur in partes.
Bedenkingen. — Men beweert, dat het geloof niet één is. — 1. Evenals immers het geloof een gave Gods is, gelijk gezegd wordt in den Brief aan de Ephesiërs (2, 8), zoo ook worden de wijsheid en de wetenschap tot Gods gaven gerekend, zoo als blijkt uit Isaias (11, 2). Welnu de wijsheid en de wetenschap zijn verschillende deugden, daar de wijsheid betrekking heeft op het eeuwige en de wetenschap op het tijdelijke, zooals blijkt uit Augustinus in het 13e Boek van zijn werk Over de Drieéénheid (19e H.). 138Daar nu het geloof betrekking heeft op het eeuwige, en ook op sommige tijdelijke dingen, is het niet één, maar onderscheiden in verschillende deelen.Bedenkingen. — Men beweert, dat het geloof niet één is. — 1. Evenals immers het geloof een gave Gods is, gelijk gezegd wordt in de Brief aan de Efesiërs (2, 8), zo ook worden de wijsheid en de wetenschap tot Gods gaven gerekend, zo als blijkt uit Jesaja (11, 2). Welnu de wijsheid en de wetenschap zijn verschillende deugden, daar de wijsheid betrekking heeft op het eeuwige en de wetenschap op het tijdelijke, zoals blijkt uit Augustinus in het 13e Boek van zijn werk Over de Drie-eenheid (19e H.). 138Daar nu het geloof betrekking heeft op het eeuwige, en ook op sommige tijdelijke dingen, is het niet één, maar onderscheiden in verschillende delen.
2. Praeterea, confessio est actus fidei, ut supra dictum est [q. 3. art. 1.]. Sed non est una et eadem confessio fidei apud omnes, nam quod nos confitemur factum, antiqui Patres confitebantur futurum, ut patet Isa. 7. [v. 14] : « Ecce Virgo concipiet. » Ergo non est una fides.
2. De belijdenis is een daad van het geloof, zooals vroeger gezegd werd (3e Kw., 1e Art.). Welnu de geloofsbelijdenis is niet hetzelfde bij allen, want wat wij belijden als gebeurd zijnde, beleden de Oudvaders als iets toekomstigs, zooals blijkt uit Isaias (7, 14) : « Een maagd zal baren ». Bijgevolg is het geloof niet één.2. De belijdenis is een daad van het geloof, zoals vroeger gezegd werd (3e Kw., 1e Art.). Welnu de geloofsbelijdenis is niet hetzelfde bij allen, want wat wij belijden als gebeurd zijnde, beleden de Oudvaders als iets toekomstigs, zoals blijkt uit Jesaja (7, 14): “Een maagd zal baren”. Bijgevolg is het geloof niet één.
3. Praeterea, fides est communis omnibus fidelibus Christi. Sed unum accidens non potest esse in diversis subjectis. Ergo non potest esse una fides omnium.
3. Het geloof is gemeen aan allen, die in Christus gelooven. Welnu een zelfde bijkomstigheid kan niet tegelijk in verschillende subjecten zijn. Bijgevolg kan het geloof van allen niet één zijn.3. Het geloof is gemeen aan allen, die in Christus geloven. Welnu een zelfde bijkomstigheid kan niet tegelijk in verschillende subjecten zijn. Bijgevolg kan het geloof van allen niet één zijn.
Sed contra est, quod Apostolus dicit ad Ephes. 4. [v. 5] : « Unus Dominus, una fides. »
Daartegenover staat echter wat de Apostel zegt in zijn Brief aan de Ephesiërs (4, 5) : « Eén Heer, één geloof ».Daartegenover staat echter wat de Apostel zegt in zijn Brief aan de Efesiërs (4, 5): “Eén Heer, één geloof”.
Respondeo dicendum, quod fides, si sumatur pro habitu, dupliciter potest considerari. Uno modo ex parte objecti, et sic est una fides : objectum enim formale fidei est veritas prima, cui etiam inhaerendo credimus 139quaecumque sub fide continentur. Alio modo ex parte subjecti, et sic fides diversificatur secundum quod est diversorum. Manifestum est autem quod fides, sicut et quilibet alius habitus, ex formali ratione objecti habet speciem, sed ex subjecto individuatur. Et ideo, si fides sumatur pro habitu quo credimus, sic fides est una specie, et differens numero in diversis. Si vero sumatur pro eo, quod creditur, sic etiam est una fides, quia idem est quod ab omnibus creditur; et si sint diversa credibilia, quae communiter omnes credunt, tamen omnia reducuntur ad unum.
Leerstelling. — Wanneer men het geloof beschouwt als een hebbelijkheid, kan men het op twee wijzen beschouwen. Ten eerste van den kant van het voorwerp, en zoo beschouwd is er maar één geloof. Het formeel voorwerp van het geloof is immers 139de Eerste Waarheid, op welke wij steunen, wanneer wij gelooven al wat onder het geloof vervat is. Ten tweede van den kant van het subject, en zòo beschouwd wordt het geloof onderscheiden naar gelang het bij verschillenden bestaat. Het is immers duidelijk, dat het geloof, zooals iedere hebbelijkheid, soortelijk bepaald wordt door het formeel opzicht van het voorwerp, doch vereenlingd wordt door het subject. Wanneer men bijgevolg spreekt over de hebbelijkheid, waardoor we gelooven, is het geloof soortelijk één, maar onderscheiden naar de verschillende subjecten er van. Spreekt men over het voorwerp van het geloof, dan ook is er maar één geloof, want allen gelooven hetzelfde, en ofschoon er verschillende geloofswaarheden zijn, die allen aanvaarden, toch kunnen al die waarheden herleid worden tot één enkele.Leerstelling. — Wanneer men het geloof beschouwt als een hebbelijkheid, kan men het op twee wijzen beschouwen. Ten eerste van de kant van het voorwerp, en zo beschouwd is er maar één geloof. Het formeel voorwerp van het geloof is immers 139de Eerste Waarheid, op welke wij steunen, wanneer wij geloven al wat onder het geloof vervat is. Ten tweede van de kant van het subject, en zòo beschouwd wordt het geloof onderscheiden naar gelang het bij verschillenden bestaat. Het is immers duidelijk, dat het geloof, zoals iedere hebbelijkheid, soortelijk bepaald wordt door het formeel opzicht van het voorwerp, doch vereenlingd wordt door het subject. Wanneer men bijgevolg spreekt over de hebbelijkheid, waardoor we geloven, is het geloof soortelijk één, maar onderscheiden naar de verschillende subjecten er van. Spreekt men over het voorwerp van het geloof, dan ook is er maar één geloof, want allen geloven hetzelfde, en ofschoon er verschillende geloofswaarheden zijn, die allen aanvaarden, toch kunnen al die waarheden herleid worden tot één enkele.
Ad primum ergo dicendum, quod temporalia, quae in fide proponuntur, non pertinent ad objectum fidei, nisi in ordine ad aliquod aeternum, quod est veritas prima, sicut supra dictum est [q. 1. art. 1.]. Et ideo fides una est de temporalibus et aeternis; secus autem est de sapientia et scientia, quae considerant temporalia et aeterna secundum proprias rationes utrorumque.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. De tijdelijke zaken, die door het geloof voorgehouden worden, behooren niet tot het voorwerp van het geloof, dan in zoover ze in betrekking staan tot iets eeuwigs, nl. tot de Eerste Waarheid, zooals hierboven gezegd werd (1e Kw., 1e Art.). Daarom is er maar één geloof voor het eeuwige en voor het tijdelijke, ofschoon de wijsheid en de wetenschap verschillen, omdat zij het tijdelijke en het eeuwige beschouwen volgens het eigen begrip er van.Antwoord op de bedenkingen. — 1. De tijdelijke zaken, die door het geloof voorgehouden worden, behoren niet tot het voorwerp van het geloof, dan in zover ze in betrekking staan tot iets eeuwigs, nl. tot de Eerste Waarheid, zoals hierboven gezegd werd (1e Kw., 1e Art.). Daarom is er maar één geloof voor het eeuwige en voor het tijdelijke, ofschoon de wijsheid en de wetenschap verschillen, omdat zij het tijdelijke en het eeuwige beschouwen volgens het eigen begrip er van.
140Ad secundum dicendum, quod illa differentia praeteriti et futuri non contingit ex aliqua diversitate rei creditae, sed ex diversa habitudine credentium ad unam rem creditam, ut etiam supra habitum est [1-2. q. 103. art. 4.].
1402. Het verschil tusschen verleden en toekomstig ontstaat niet door een verschil in de dingen, die men gelooft, maar wel door een verschillende verhouding van den geloovige tot een zelfde voorwerp van het geloof, zooals vroeger gezegd werd (1a 2ae, Kw. 103, Art. 4).1402. Het verschil tussen verleden en toekomstig ontstaat niet door een verschil in de dingen, die men gelooft, maar wel door een verschillende verhouding van de gelovige tot een zelfde voorwerp van het geloof, zoals vroeger gezegd werd (1a 2ae, Kw. 103, Art. 4).
Ad tertium dicendum, quod illa ratio procedit de diversitate fidei secundum numerum.
3. Die bedenking steunt op het verschil van het geloof naar de verschillende subjecten er van.
Utrum fides sit prima inter virtutes
Is het geloof de eerste onder de deugden?
Ad septimum sic proceditur. Videtur quod fides non sit prima inter virtutes. Dicitur enim Luc. 12. [v. 4] in Glos. [ordin. Ambr.] super illud: Dico vobis amicis meis, quod « fortitudo est fidei fundamentum. » Sed fundamentum est prius eo cujus est fundamentum. Ergo fides non est prima virtus.
Bedenkingen. — Men beweert, dat het geloof niet de eerste is onder de deugden. — 1. We lezen immers in de Glossa (gewone Glossa van Ambrosius) op de woorden van Lucas (12-4) : « Ik zeg aan u, mijn vrienden »: « De sterkte is de grondslag van het geloof ». Welnu de grondslag komt vòor datgene, waarvan hij de grondslag is. Dus is het geloof niet de eerste deugd.Bedenkingen. — Men beweert, dat het geloof niet de eerste is onder de deugden. — 1. We lezen immers in de Glossa (gewone Glossa van Ambrosius) op de woorden van Lukas (12-4): “Ik zeg aan u, mijn vrienden”: “De sterkte is de grondslag van het geloof”. Welnu de grondslag komt vòor datgene, waarvan hij de grondslag is. Dus is het geloof niet de eerste deugd.
1412. Praeterea, quaedam Glos. [interl. Cassiod.] dicit super illum Psalmum 36. [v. 36.]. Noli aemulari, quod « spes introducit ad fidem. » Spes autem est virtus quaedam, ut infra dicetur [q. 17. art. 1.]. Ergo fides non est prima virtutum.
1412. Een andere Glossa (nl. die van Cassiodorus) zegt op de woorden uit Psalm 36, 3: « Wil niet afgunstig zijn », dat de hoop inleidt tot het geloof. Welnu de hoop is een deugd, zooals later gezegd wordt (Kw. 17, Art. 1). Bijgevolg is het geloof niet de eerste deugd.1412. Een andere Glossa (nl. die van Cassiodorus) zegt op de woorden uit Psalm 36, 3a: “Wil niet afgunstig zijn”, dat de hoop inleidt tot het geloof. Welnu de hoop is een deugd, zoals later gezegd wordt (Kw. 17, Art. 1). Bijgevolg is het geloof niet de eerste deugd.
3. Praeterea, supra dictum est [art. 2. huj. q.], quod intellectus credentis inclinatur ad assentiendum his, quae sunt fidei, ex obedientia ad Deum. Sed obedientia est etiam quaedam virtus. Non ergo fides est prima virtus.
3. Hierboven (2e Art.) werd gezegd, dat het verstand van den geloovige geneigd is om de geloofswaarheden te aanvaarden, omdat het wil gehoorzamen aan God. Welnu ook de gehoorzaamheid is een deugd. Bijgevolg is het geloof niet de eerste deugd.3. Hierboven (2e Art.) werd gezegd, dat het verstand van de gelovige geneigd is om de geloofswaarheden te aanvaarden, omdat het wil gehoorzamen aan God. Welnu ook de gehoorzaamheid is een deugd. Bijgevolg is het geloof niet de eerste deugd.
4. Praeterea, fides informis non est fundamentum, sed fides formata, sicut in Glos. dicitur 1. ad Cor. 3. [v. 2]. Formatur autem fides per charitatem, ut supra dictum est [art. 3. huj. q.]. Ergo fides a charitate habet, quod sit fundamentum. Charitas ergo est magis fundamentum quam fides, nam fundamentum est prima pars aedificii. Et ita videtur quod sit prior fide.
4. Niet het doode, maar het levende geloof is de grondslag, zooals de Glossa (van Augustinus) zegt op den 1n Brief aan de Corinthiërs (3, 2). Welnu (in het 3e Art.) werd gezegd, dat het geloof levend is door de liefde. Bijgevolg is het door de liefde dat het geloof een grondslag is, en daarom is de liefde eerder de grondslag dan het geloof, want de grondslag is het eerste deel van het gebouw, en zoò blijkt het, dat de liefde vôòr het geloof komt.4. Niet het dode, maar het levende geloof is de grondslag, zoals de Glossa (van Augustinus) zegt op de 1n Brief aan de Korintiërs (3, 2). Welnu (in het 3e Art.) werd gezegd, dat het geloof levend is door de liefde. Bijgevolg is het door de liefde dat het geloof een grondslag is, en daarom is de liefde eerder de grondslag dan het geloof, want de grondslag is het eerste deel van het gebouw, en zoò blijkt het, dat de liefde vôòr het geloof komt.
5. Praeterea, secundum ordinem actuum intelligitur ordo habituum. Sed in actu fidei actus voluntatis, quem perficit charitas, praecedit actum 142intellectus, quem perficit fides, sicut causa, quae praecedit effectum. Ergo charitas praecedit fidem. Non ergo fides est prima virtutum.
5. De orde der hebbelijkheden is dezelfde als de orde der daden. Welnu in de geloofsdaad komt de wilsdaad die vervolmaakt wordt door de liefde, voòr de verstandsdaad, die vervolmaakt wordt door het geloof, zooals de oorzaak het uitwerksel 142voorafgaat. Dus komt de liefde vòor het geloof en is het geloof niet de eerste deugd.5. De orde van de hebbelijkheden is dezelfde als de orde van de daden. Welnu in de geloofsdaad komt de wilsdaad die vervolmaakt wordt door de liefde, voòr de verstandsdaad, die vervolmaakt wordt door het geloof, zoals de oorzaak het uitwerksel 142voorafgaat. Dus komt de liefde vòor het geloof en is het geloof niet de eerste deugd.
Sed contra est, quod Apostolus dicit ad Hebr. 11. [v. 1.] quod « fides est substantia sperandarum rerum. » Sed substantia habet rationem primi. Ergo fides est prima inter virtutes.
Daartegenover echter staat wat de Apostel zegt in den Brief aan de Hebreërs (11, 1) : « Het geloof is de zelfstandigheid van de dingen, die we hopen ». Welnu de zelfstandigheid is naar haar wezen dat, wat al het overige voorafgaat. Bijgevolg is het geloof de eerste onder de deugden.Daartegenover echter staat wat de Apostel zegt in de Brief aan de Hebreërs (11, 1): “Het geloof is de zelfstandigheid van de dingen, die we hopen”. Welnu de zelfstandigheid is naar haar wezen dat, wat al het overige voorafgaat. Bijgevolg is het geloof de eerste onder de deugden.
Respondeo dicendum, quod aliquid potest esse prius altero dupliciter; uno modo per se, alio modo per accidens. Per se quidem inter omnes virtutes prima est fides. Cum enim in agibilibus finis sit principium, ut supra dictum est [1-2. q. 13. art. 3. et q. 34. art. 4.], necesse est virtutes theologicas, quarum objectum est ultimus finis, esse priores caeteris virtutibus. Ipse autem ultimus finis oportet quod prius sit in intellectu quam in voluntate, quia voluntas non fertur in aliquid, nisi prout est in intellectu apprehensum. Unde cum ultimus finis sit quidem in voluntate per spem et charitatem, in intellectu autem per fidem, necesse est quod fides sit prima inter omnes 143virtutes, quia naturalis cognitio non potest attingere ad Deum secundum quod est objectum beatitudinis, prout tendit in ipsum spes et charitas.
Leerstelling. — Iets kan iets anders voorafgaan op twee manieren. Ten eerste, op zichzelf; ten tweede op bijkomstige wijze. Op zichzelf is het geloof de eerste onder al de deugden. Daar immers het doel het beginsel is van alle handelingen, zooals boven gezegd is (1a 2ae, Kw. 13, Art. 3, en Kw. 34, Art. 4), daarom moeten de goddelijke deugden, die het laatste doel tot voorwerp hebben, voòr de overige deugden komen. Welnu het laatste doel zelf moet eerder in het verstand zijn dan in den wil, want de wil streeft niets na, dan in zoover het verstand het kent. Daaruit volgt dat, aangezien het laatste doel in den wil is door de hoop en de liefde, en in het verstand door het geloof, het geloof de eerste 143onder de deugden moet zijn. De natuurlijke kennis immers kan God niet bereiken, in zoover Hij het voorwerp is der gelukzaligheid, en in zoover de hoop en de liefde naar Hem strevenLeerstelling. — Iets kan iets anders voorafgaan op twee manieren. Ten eerste, op zichzelf; ten tweede op bijkomstige wijze. Op zichzelf is het geloof de eerste onder al de deugden. Daar immers het doel het beginsel is van alle handelingen, zoals boven gezegd is (1a 2ae, Kw. 13, Art. 3, en Kw. 34, Art. 4), daarom moeten de goddelijke deugden, die het laatste doel tot voorwerp hebben, voòr de overige deugden komen. Welnu het laatste doel zelf moet eerder in het verstand zijn dan in de wil, want de wil streeft niets na, dan in zover het verstand het kent. Daaruit volgt dat, aangezien het laatste doel in de wil is door de hoop en de liefde, en in het verstand door het geloof, het geloof de eerste 143onder de deugden moet zijn. De natuurlijke kennis immers kan God niet bereiken, in zover Hij het voorwerp is van de gelukzaligheid, en in zover de hoop en de liefde naar Hem streven
Sed per accidens potest aliqua virtus esse prior fide; causa enim per accidens est per accidens prior. Removere autem prohibens pertinet ad causam per accidens, ut patet per Philosophum in 8. Phys. [c. 4, n. 6]. Et secundum hoc aliquae virtutes possunt dici per accidens priores fide, inquantum removent impedimenta credendi, sicut fortitudo removet inordinatum timorem impedientem fidem, humilitas autem superbiam, per quam intellectus recusat se submittere veritati fidei; et idem potest dici de aliquibus aliis virtutibus, quamvis non sint verae virtutes, nisi praesupposita fide, ut patet per Augustinum in lib. 4. contra Jul. [cap. 3.].
Op bijkomstige wijze echter kan een of andere deugd voòr het geloof komen. Wat immers op bijkomstige wijze oorzaak is, kan op bijkomstige wijze voorafgaan. Welnu het wegnemen van een beletsel is een bijkomstige oorzaak, zooals blijkt uit de leer van den Wijsgeer in het 8e Boek der Physica (4e H.). Zoò kunnen sommige deugden op bijkomstige wijze het geloof voorafgaan, in zoover ze de beletselen wegnemen om te gelooven: de sterkte b. v. neemt een ongeregelde vrees weg, die ons aftrekt van het geloof, de nederigheid neemt den hoogmoed weg, waardoor het verstand zich aan de geloofswaarheid niet wil onderwerpen, en hetzelfde kan gezegd worden van sommige andere deugden, hoewel ze zonder het geloof geen echte deugden zijn, zooals blijkt uit Augustinus, in het 4e Boek Tegen Julianus (3e H.).Op bijkomstige wijze echter kan een of andere deugd voòr het geloof komen. Wat immers op bijkomstige wijze oorzaak is, kan op bijkomstige wijze voorafgaan. Welnu het wegnemen van een beletsel is een bijkomstige oorzaak, zoals blijkt uit de leer van de Wijsgeer in het 8e Boek van de Fysica (4e H.). Zoò kunnen sommige deugden op bijkomstige wijze het geloof voorafgaan, in zover ze de beletselen wegnemen om te geloven: de sterkte bv. neemt een ongeregelde vrees weg, die ons aftrekt van het geloof, de nederigheid neemt de hoogmoed weg, waardoor het verstand zich aan de geloofswaarheid niet wil onderwerpen, en hetzelfde kan gezegd worden van sommige andere deugden, hoewel ze zonder het geloof geen echte deugden zijn, zoals blijkt uit Augustinus, in het 4e Boek Tegen Julianus (3e H.).
Unde patet responsio ad primum.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Daaruit blijkt het antwoord op de eerste Bedenking.
Ad secundum dicendum, quod spes non potest universaliter introducere ad fidem. Non enim potest spes haberi de aeterna beatitudine, nisi credatur possibile, quia impossibile non cadit sub spe, ut ex supra dictis patet [1-2. 144q. 40. art. 1.]. Sed ex spe aliquis introduci potest ad hoc, quod perseveret in fide, vel quod fidei firmiter adhaereat. Et secundum hoc dicitur spes introducere ad fidem.
2. De hoop kan niet algemeen inleiden tot het geloof. Men kan 144immers de eeuwige zaligheid niet hopen, dan wanneer men gelooft, dat ze mogelijk is; het onmogelijke toch valt niet onder de hoop, zooals blijkt uit wat vroeger gezegd werd (1a 2ae, Kw. 40, Art. 1). Doch de hoop kan iemand er toe brengen te volharden in het geloof, of het geloof krachtdadiger aan te hangen, en in dien zin zegt men, dat de hoop inleidt tot het geloof.2. De hoop kan niet algemeen inleiden tot het geloof. Men kan 144immers de eeuwige zaligheid niet hopen, dan wanneer men gelooft, dat ze mogelijk is; het onmogelijke toch valt niet onder de hoop, zoals blijkt uit wat vroeger gezegd werd (1a 2ae, Kw. 40, Art. 1). Doch de hoop kan iemand er toe brengen te volharden in het geloof, of het geloof krachtdadiger aan te hangen, en in die zin zegt men, dat de hoop inleidt tot het geloof.
Ad tertium dicendum, quod obedientia dupliciter dicitur. Quandoque enim importat inclinationem voluntatis ad implendum divina mandata. Et sic non est specialis virtus, sed generaliter includitur in omni virtute, quia omnes actus virtutum cadunt sub praeceptis legis divinae, ut supra dictum est [1-2. q. 100. art. 2.]; et hoc modo ad fidem requiritur obedientia. Alio modo potest accipi obedientia, secundum quod importat inclinationem, quantum ad implendum mandata, secundum quod habent rationem debiti. Et sic obedientia est specialis virtus, et pars justitiae; reddit enim superiori debitum, obediendo sibi. Et hoc modo obedientia sequitur fidem, per quam manifestatur homini, quod Deus sit superior, cui debeat obedire.
3. Er is een dubbele gehoorzaamheid. De eerste is een neiging van den wil, om Gods geboden te onderhouden, en dan is de gehoorzaamheid geen afzonderlijke deugd, maar is ze in alle deugden ingesloten, want al de deugddaden vallen onder de geboden van Gods wet, zooals vroeger gezegd werd (1a 2ae, 100e Kw., Art. 2). Zoò wordt tot het geloof gehoorzaamheid vereischt. Ten tweede kan de gehoorzaamheid een neiging zijn om de geboden te onderhouden, in zoover ze iets zijn, wat men verschuldigd is, en zoò is de gehoorzaamheid een afzonderlijke deugd en een onderdeel van de rechtvaardigheid. Door te gehoorzamen immers geven we aan den overste wat men hem verschuldigd is. Zoò beschouwd, volgt de gehoorzaamheid op het geloof, waardoor het den mensch duidelijk wordt, dat God zijn overste is, aan wien hij gehoorzaamheid verschuldigd is.3. Er is een dubbele gehoorzaamheid. De eerste is een neiging van de wil, om Gods geboden te onderhouden, en dan is de gehoorzaamheid geen afzonderlijke deugd, maar is ze in alle deugden ingesloten, want al de deugddaden vallen onder de geboden van Gods wet, zoals vroeger gezegd werd (1a 2ae, 100e Kw., Art. 2). Zoò wordt tot het geloof gehoorzaamheid vereist. Ten tweede kan de gehoorzaamheid een neiging zijn om de geboden te onderhouden, in zover ze iets zijn, wat men verschuldigd is, en zoò is de gehoorzaamheid een afzonderlijke deugd en een onderdeel van de rechtvaardigheid. Door te gehoorzamen immers geven we aan de overste wat men hem verschuldigd is. Zoò beschouwd, volgt de gehoorzaamheid op het geloof, waardoor het de mens duidelijk wordt, dat God zijn overste is, aan wie hij gehoorzaamheid verschuldigd is.
Ad quartum dicendum, quod ad rationem fundamenti non solum 145requiritur, quod sit primum, sed etiam quod sit aliis partibus aedificii connexum; non enim esset fundamentum, nisi ei aliae partes aedificii cohaererent. Connexio autem spiritualis aedificii est per charitatem, secundum illud Colos. 3. [v. 14] : « Super omnia charitatem habete, quae est vinculum perfectionis. » Et ideo fides sine charitate fundamentum esse non potest; nec tamen oportet, quod charitas sit prior fide.
4. Om een grondslag te zijn is het niet alleen noodig, dat iets 145het eerste is, maar ook dat het verbonden is met de andere deelen van het gebouw. Het zou immers geen grondslag zijn, indien de andere deelen van het gebouw er niet mee in verband stonden. Welnu de liefde is het, die het geestelijk gebouw samenbindt, naar de woorden uit den Brief aan de Colossensers (3, 14) : « Doet boven alles de liefde aan, die de band is der volmaaktheid ». Het geloof kan dus geen grondslag zijn zonder de liefde, echter moet daarom de liefde het geloof niet voorafgaan.4. Om een grondslag te zijn is het niet alleen nodig, dat iets 145het eerste is, maar ook dat het verbonden is met de andere delen van het gebouw. Het zou immers geen grondslag zijn, indien de andere delen van het gebouw er niet mee in verband stonden. Welnu de liefde is het, die het geestelijk gebouw samenbindt, naar de woorden uit de Brief aan de Kolossenzen (3, 14): “Doet boven alles de liefde aan, die de band is van de volmaaktheid”. Het geloof kan dus geen grondslag zijn zonder de liefde, echter moet daarom de liefde het geloof niet voorafgaan.
Ad quintum dicendum, quod actus voluntatis praexigitur ad fidem, non tamen actus voluntatis charitate informatus. Sed talis actus praesupponit fidem, quia non potest voluntas perfecto amore in Deum tendere, nisi intellectus rectam fidem habeat circa ipsum.
5. Er is wel een wilsdaad, die het geloof moet voorafgaan, maar niet de wilsdaad, die bezield is door de liefde. Die daad veronderstelt het geloof, omdat de wil door de volmaakte liefde naar God niet streven kan, dan wanneer het verstand Hem door het geloof naar waarheid kent.
Utrum fides sit certior scientia et aliis virtutibus intellectualibus
Heeft men grooter zekerheid door het geloof dan door de wetenschap en de andere verstandelijke deugden?Heeft men groter zekerheid door het geloof dan door de wetenschap en de andere verstandelijke deugden?
146Ad octavum sic proceditur. Videtur quod fides non sit certior scientia et aliis virtutibus intellectualibus. Dubitatio enim opponitur certitudini, unde videtur illud esse certius, quod minus potest habere de dubitatione, sicut est albius, quod est nigro impermixtius. Sed intellectus et scientia et etiam sapientia non habent dubitationem circa ea quorum sunt, credens autem interdum potest pati motum dubitationis, et dubitare de his quae sunt fidei. Ergo fides non est certior virtutibus intellectualibus.
146Bedenkingen. — Men beweert, dat men door het geloof geen grooter zekerheid heeft dan door de wetenschap en de andere verstandelijke deugden. — 1. De twijfel immers is het tegenovergestelde van de zekerheid. Bijgevolg is datgene zekerder, waar er minder twijfel aan kan verbonden zijn, zooals iets witter is, naar gelang het minder vermengd is met iets zwart. Welnu in het verstandelijk inzicht en de wetenschap, en zelfs in de wijsheid is er geen twijfel aangaande hun voorwerp, terwijl integendeel hij, die iets gelooft, soms twijfel kan ondergaan en niet zeker zijn van de geloofswaarheden. Bijgevolg is het geloof niet zekerder dan de wetenschappelijke deugden.146Bedenkingen. — Men beweert, dat men door het geloof geen groter zekerheid heeft dan door de wetenschap en de andere verstandelijke deugden. — 1. De twijfel immers is het tegenovergestelde van de zekerheid. Bijgevolg is datgene zekerder, waar er minder twijfel aan kan verbonden zijn, zoals iets witter is, naar gelang het minder vermengd is met iets zwart. Welnu in het verstandelijk inzicht en de wetenschap, en zelfs in de wijsheid is er geen twijfel aangaande hun voorwerp, terwijl integendeel hij, die iets gelooft, soms twijfel kan ondergaan en niet zeker zijn van de geloofswaarheden. Bijgevolg is het geloof niet zekerder dan de wetenschappelijke deugden.
2. Praeterea, visio est certior auditu. Sed fides est ex auditu, ut dicitur ad Rom. 10. [v. 17]. In intellectu autem et scientia et sapientia includitur quaedam intellectualis visio. Ergo certior est scientia vel intellectus quam fides.
2. Het gezicht is zekerder dan het gehoor. Welnu het geloof komt tot ons door het gehoor, zooals gezegd wordt in den Brief aan de Romeinen (10, 17), terwijl het dadelijk inzicht, de wetenschap en de wijsheid een zeker verstandelijk gezicht insluiten. Bijgevolg zijn de wetenschap en het dadelijk inzicht zekerder dan het geloof.2. Het gezicht is zekerder dan het gehoor. Welnu het geloof komt tot ons door het gehoor, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (10, 17), terwijl het dadelijk inzicht, de wetenschap en de wijsheid een zeker verstandelijk gezicht insluiten. Bijgevolg zijn de wetenschap en het dadelijk inzicht zekerder dan het geloof.
3. Praeterea, quanto aliquid est perfectius in his, quae ad intellectum pertinent, tanto est certius. Sed intellectus est perfectior fide, quia per fidem ad intellectum pervenitur, secundum illud Isa. 7. [v. 9] : « Nisi 147credideritis, non intelligetis », secundum aliam litteram [LXX Interp.]. Et Augustinus dicit etiam de scientia 14. de Trin. [cap. 1.], quod per scientiam roboratur fides. Ergo videtur quod certior sit scientia vel intellectus quam fides.
3. In de dingen, die betrekking hebben op het verstand, is iets des te zekerder, naarmate het volmaakter is. Welnu het verstandelijk inzicht is volmaakter dan het geloof, want men komt tot het verstandelijk inzicht door het geloof, volgens het woord van 147Isaias (7, 9) : « Indien gij niet gelooft, zult ge niet verstaan ». zooals de tekst luidt in de vertaling der Zeventig. Augustinus zegt ook in het 14e Boek Over de Drieéénheid (1e H.), dat het geloof versterkt wordt door de wetenschap. Bijgevolg is de wetenschap of het verstandelijk inzicht zekerder dan het geloof.3. In de dingen, die betrekking hebben op het verstand, is iets des te zekerder, naarmate het volmaakter is. Welnu het verstandelijk inzicht is volmaakter dan het geloof, want men komt tot het verstandelijk inzicht door het geloof, volgens het woord van 147Jesaja (7, 9): “Indien gij niet gelooft, zult ge niet verstaan”. zoals de tekst luidt in de vertaling van de Zeventig. Augustinus zegt ook in het 14e Boek Over de Drie-eenheid (1e H.), dat het geloof versterkt wordt door de wetenschap. Bijgevolg is de wetenschap of het verstandelijk inzicht zekerder dan het geloof.
Sed contra est, quod Apostolus dicit. 1. ad Thes. 2. [v. 13] : « Cum accepissetis a nobis verbum auditus (scilicet per fidem), accepistis id, non ut verbum hominum, sed sicut vere est, verbum Dei. » Sed nihil certius verbo Dei. Ergo scientia non est certior fide, nec aliquid aliud.
Daartegenover echter staat wat de Apostel zegt in zijn 1n Brief aan de Thessalonicensen (2, 13) : « Wanneer gij het woord ontvangen hebt, dat gij gehoord hebt (nl. door het geloof), hebt gij dit opgenomen, niet als het woord van menschen, maar gelijk het waarlijk is, als het woord van God ». Welnu niets is meer zeker dan Gods woord. Bijgevolg is noch de wetenschap, noch iets anders, zekerder dan het geloof.Daartegenover echter staat wat de Apostel zegt in zijn 1n Brief aan de Tessalonicenzen (2, 13): “Wanneer gij het woord ontvangen hebt, dat gij gehoord hebt (nl. door het geloof), hebt gij dit opgenomen, niet als het woord van mensen, maar gelijk het waarlijk is, als het woord van God”. Welnu niets is meer zeker dan Gods woord. Bijgevolg is noch de wetenschap, noch iets anders, zekerder dan het geloof.
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est [1-2. q. 57. art. 4. ad 2.], virtutum intellectualium duae sunt circa contingentia, scilicet prudentia et ars; quibus praefertur fides in certitudine, ratione suae materiae, quia est de aeternis, quae non contingit aliter se habere. Tres autem reliquae 148intellectuales virtutes, scilicet sapientia, scientia, et intellectus, sunt de necessariis, ut supra dictum est [1-2. q. 57. art. 2. ad. 3.].
Leerstelling. — Vroeger werd gezegd (1a 2ae, Kw. 57, Art. 4, Antw. op de 2e Bed.), dat twee verstandelijke deugden betrekking hebben op de wisselvallige dingen, nl. de verstandigheid en de kunstvaardigheid. Het geloof overtreft die deugden in zekerheid om zijn voorwerp, dat het eeuwige is, wat onmogelijk anders kan zijn. De drie overige verstandelijke deugden, nl. de wijsheid, de wetenschap en het verstandelijk inzicht, hebben echter 148betrekking op het noodzakelijke, zooals vroeger gezegd werd (1a 2ae, Kw. 57, Art. 2, Antw. op de 3e Bed.).Leerstelling. — Vroeger werd gezegd (1a 2ae, Kw. 57, Art. 4, Antw. op de 2e Bed.), dat twee verstandelijke deugden betrekking hebben op de wisselvallige dingen, nl. de verstandigheid en de kunstvaardigheid. Het geloof overtreft die deugden in zekerheid om zijn voorwerp, dat het eeuwige is, wat onmogelijk anders kan zijn. De drie overige verstandelijke deugden, nl. de wijsheid, de wetenschap en het verstandelijk inzicht, hebben echter 148betrekking op het noodzakelijke, zoals vroeger gezegd werd (1a 2ae, Kw. 57, Art. 2, Antw. op de 3e Bed.).
Sed sciendum est quod sapientia et scientia et intellectus dupliciter dicuntur: uno modo secundum quod ponuntur virtutes intellectuales a Philosopho in 6. Ethic. [cap. 2. n. 6]; alio modo, secundum quod ponuntur dona Spiritus Sancti. Primo modo dicendum est quod certitudo potest considerari dupliciter: uno modo ex causa certitudinis, et sic dicitur esse certius illud, quod habet certiorem causam. Et hoc modo fides est certior tribus praedictis, quia fides innititur veritati divinae, tria autem praedicta innituntur rationi humanae. Alio modo potest considerari certitudo ex parte subjecti; et sic dicitur esse certius, quod plenius consequitur intellectus hominis. Et per hunc modum, quia ea quae sunt fidei, sunt supra intellectum hominis, non autem ea, quae subsunt tribus praedictis, ideo ex hac parte fides est minus certa. Sed quia unumquodque judicatur simpliciter quidem secundum causam suam, secundum autem dispositionem, quae ex parte subjecti est, judicatur 149secundum quid, inde est, quod fides est simpliciter certior, sed alia sunt certiora secundum quid, scilicet quoad nos.
Men moet echter dit in aanmerking nemen, dat de wijsheid en de wetenschap en het verstandelijk inzicht tweevoudig zijn. Ten eerste zijn ze verstandelijke deugden, en zoò worden ze beschouwd door den Wijsgeer in het 6e Boek der Ethica (2e H.). Ten tweede zijn ze gaven van den H. Geest. Spreekt men over verstandelijke deugden, dan kan men de zekerheid op twee wijzen beschouwen: ten eerste van den kant van de oorzaak der zekerheid, een dan is datgene zekerder, wat een zekerder oorzaak heeft, en zoò beschouwd is het geloof zekerder dan die drie deugden, omdat het steunt op de goddelijke waarheid, de drie voormelde deugden echter op de menschelijke rede. Ten tweede kan men de zekerheid beschouwen van den kant van het subject, en zoo beschouwd is datgene zekerder, wat het menschelijk verstand op volmaakter wijze bereikt. En daar de geloofswaarheden het verstand te boven gaan, niet echter die dingen, welke onder de drie voormelde deugden vallen, daarom is in dit laatste opzicht het geloof minder zeker. Daar echter het oordeel over een ding, op zich zelf beschouwd, steunt op zijn oorzaak, en een oordeel dat op de geschiktheid van het subject steunt, de dingen maar op 149bijkomstige wijze beschouwt, daarom is het geloof op zichzelf zekerder, maar zijn de andere deugden zekerder op bijkomstige wijze, nl. met betrekking tot ons.Men moet echter dit in aanmerking nemen, dat de wijsheid en de wetenschap en het verstandelijk inzicht tweevoudig zijn. Ten eerste zijn ze verstandelijke deugden, en zoò worden ze beschouwd door de Wijsgeer in het 6e Boek van de Ethica (2e H.). Ten tweede zijn ze gaven van de H. Geest. Spreekt men over verstandelijke deugden, dan kan men de zekerheid op twee wijzen beschouwen: ten eerste van de kant van de oorzaak van de zekerheid, een dan is datgene zekerder, wat een zekerder oorzaak heeft, en zoò beschouwd is het geloof zekerder dan die drie deugden, omdat het steunt op de goddelijke waarheid, de drie voormelde deugden echter op de menselijke rede. Ten tweede kan men de zekerheid beschouwen van de kant van het subject, en zo beschouwd is datgene zekerder, wat het menselijk verstand op volmaakter wijze bereikt. En daar de geloofswaarheden het verstand te boven gaan, niet echter die dingen, welke onder de drie voormelde deugden vallen, daarom is in dit laatste opzicht het geloof minder zeker. Daar echter het oordeel over een ding, op zichzelf beschouwd, steunt op zijn oorzaak, en een oordeel dat op de geschiktheid van het subject steunt, de dingen maar op 149bijkomstige wijze beschouwt, daarom is het geloof op zichzelf zekerder, maar zijn de andere deugden zekerder op bijkomstige wijze, nl. met betrekking tot ons.
Similiter autem si accipiantur tria praedicta, secundum quod sunt dona praesentis vitae, cooperantur1 ad fidem, sicut ad principium, quod praesupponunt. Unde etiam secundum hoc fides est eis certior.
Eveneens wanneer men de voormelde dingen beschouwt als gaven van het tegenwoordig leven, dan is het geloof een beginsel, dat ze veronderstellen, zoodat ook in dit opzicht het geloof grooter zekerheid heeft.Eveneens wanneer men de voormelde dingen beschouwt als gaven van het tegenwoordig leven, dan is het geloof een beginsel, dat ze veronderstellen, zodat ook in dit opzicht het geloof groter zekerheid heeft.
Ad primum ergo dicendum, quod illa dubitatio non est ex parte causae fidei, sed quoad nos, inquantum non plene assequimur per intellectum ea quae sunt fidei.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Die twijfel komt niet van de oorzaak van het geloof, maar wel van ons, in zoover wij nl. de geloofswaarheden niet volkomen bereiken door het verstand.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Die twijfel komt niet van de oorzaak van het geloof, maar wel van ons, in zover wij nl. de geloofswaarheden niet volkomen bereiken door het verstand.
Ad secundum dicendum, quod, caeteris paribus, visio est certior auditu; sed si ille, a quo auditur, multum excedit visum videntis, sic certior est auditus quam visus, sicut aliquis parvae scientiae magis certificatur de eo, quod audit ab aliquo scientifico, quam de eo, quod sibi secundum suam rationem videtur. Et multo magis homo certior est de eo quod audit a Deo, 150qui falli non potest, quam de eo, quod videt propria ratione, quae falli potest.
2. Onder gelijke omstandigheden is het gezicht zekerder dan het gehoor. Maar wanneer hij, van wien men iets hoort, een veel volmaakter gezicht heeft dan hij, die iets ziet, dan is het gehoor zekerder dan het gezicht. Zoo ook zal iemand, die maar een geringe kennis heeft, zekerder zijn van wat hij door een zeer geleerd man hoort zeggen dan van wat hij inziet door eigen verstand. Daarom is de mensch veel zekerder van wat hij hoort van God, 150die niet kan dwalen, dan van wat hij ziet door zijn eigen verstand, dat feilbaar is.2. Onder gelijke omstandigheden is het gezicht zekerder dan het gehoor. Maar wanneer hij, van wie men iets hoort, een veel volmaakter gezicht heeft dan hij, die iets ziet, dan is het gehoor zekerder dan het gezicht. Zo ook zal iemand, die maar een geringe kennis heeft, zekerder zijn van wat hij door een zeer geleerd man hoort zeggen dan van wat hij inziet door eigen verstand. Daarom is de mens veel zekerder van wat hij hoort van God, 150die niet kan dwalen, dan van wat hij ziet door zijn eigen verstand, dat feilbaar is.
Ad tertium dicendum, quod perfectio intellectus et scientiae excedit cognitionem fidei, quantum ad majorem manifestationem, non tamen quantum ad certiorem inhaesionem, quia tota certitudo intellectus vel scientiae, secundum quod sunt dona, procedit a certitudine fidei, sicut certitudo cognitionis conclusionum procedit ex certitudine principiorum. Secundum autem quod scientia et sapientia et intellectus sunt virtutes intellectuales, innituntur naturali lumini rationis, quod deficit a certitudine, et a verbo2 Dei, cui innititur fides.
3. De volmaaktheid van het verstandelijk inzicht en van de wetenschap overtreft de kennis van het geloof, met betrekking tot de duidelijkheid van het inzicht, maar niet met betrekking tot de zekerheid van de aanvaarding. Geheel de zekerheid immers van het verstandelijk inzicht en van de wetenschap, beschouwd als gaven, hangt af van de zekerheid van het geloof, zooals de zekerheid der gevolgtrekkingen afhangt van de zekerheid van de beginselen. Beschouwd als verstandelijke deugden echter steunen de wetenschap en de wijsheid op het natuurlijk licht van het verstand, dat de zekerheid niet bereikt van het woord Gods, waarop het geloof steunt.3. De volmaaktheid van het verstandelijk inzicht en van de wetenschap overtreft de kennis van het geloof, met betrekking tot de duidelijkheid van het inzicht, maar niet met betrekking tot de zekerheid van de aanvaarding. Geheel de zekerheid immers van het verstandelijk inzicht en van de wetenschap, beschouwd als gaven, hangt af van de zekerheid van het geloof, zoals de zekerheid van de gevolgtrekkingen afhangt van de zekerheid van de beginselen. Beschouwd als verstandelijke deugden echter steunen de wetenschap en de wijsheid op het natuurlijk licht van het verstand, dat de zekerheid niet bereikt van het woord Gods, waarop het geloof steunt.