Theologische Summa · Secunda Secundae · Het geloofSumma · II-II · Het geloofSumma · II-II · Kw. 5Kw. 5
Quaestio V

De habentibus fidem

Kwestie 5

Over degenen, die het geloof bezitten

(Vier Artikelen)

151Deinde considerandum est de habentibus fidem.

151Daarna beschouwen we degenen, die het geloof bezitten.

Et circa hoc quaeruntur quatuor : 1. Utrum angelus, aut homo in prima sui conditione, habuerit fidem. — 2. Utrum daemones habeant fidem. — 3. Utrum haeretici, errantes in uno articulo fidei, habeant fidem de aliis articulis. — 4. Utrum fidem habentium unus alio habeat majorem fidem.

En daarover stellen we vier vragen : 1. Hadden de engelen of de menschen in hun eersten staat het geloof? 2. Hebben de duivelen het geloof? 3. Hebben de ketters, die omtrent één artikel des geloofs dwalen, het geloof omtrent de andere artikelen? 4. Heeft de eene geloovige een grooter geloof dan een andere?En daarover stellen we vier vragen: 1. Hadden de engelen of de mensen in hun eersten staat het geloof? 2. Hebben de duivelen het geloof? 3. Hebben de ketters, die omtrent één artikel van het geloof dwalen, het geloof omtrent de andere artikelen? 4. Heeft de ene gelovige een groter geloof dan een andere?

Articulus I

Utrum angelus, aut homo in prima sua conditione habuerit fidem

[Supr. q. 2. art. 7. corp. et part. 3. q. 1. art. 3. ad 5.]
Ie Artikel

Hadden de engelen of de menschen in hun eersten staat het geloof?Hadden de engelen of de mensen in hun eersten staat het geloof?

antwoord 1 ↓

152Ad primum sic proceditur. Videtur quod angelus aut homo in sua prima conditione, fidem non habuerit. Dicit enim Hugo de S. Victore in suis Sent. [lib. 1. de Sacram. part. 10. cap. 2.], « quia homo oculum contemplationis non habet apertum, Deum et quae in Deo sunt, videre non valet. » Sed angelus in statu suae primae conditionis ante confirmationem vel lapsum, habuit oculum contemplationis apertum : « Videbat enim res in Verbo », ut Augustinus dicit in 2. super Gen. ad lit. [cap. 8.]. Et similiter primus homo in statu innocentiae videtur habuisse oculum contemplationis apertum. Dicit enim Hugo de S. Victore in suis Sent. [loc. cit. part. 6. cap. 14.], quod « novit homo, in primo statu, Creatorem suum, non ea cognitione, qua foris auditu solo percipitur, sed ea, quae intus per inspirationem ministratur; non ea, qua Deus modo a credentibus absens fide quaeritur, sed ea, qua per praesentiam contemplationis manifestius cernebatur. » Ergo homo vel angelus in statu primae conditionis fidem non habuit.

152Bedenkingen. — Men beweert, dat de engelen of de menschen in hun eersten staat het geloof niet hadden. — 1. Hugo van S. Victor immers zegt in zijn Boek Over de Sacramenten (1e B., 10e D., 2e H.) : « Omdat de mensch het oog van de beschouwing niet heeft, daarom is hij niet bij machte God te zien noch het goddelijke ». Welnu de engelen in hun eersten staat, vóór de bevestiging of den val, hadden dit oog der beschouwing, want zij zagen de dingen in het Woord, zooals Augustinus zegt in zijn Letterlijke Verklaring van het Boek der Schepping. (2e B., 8e H.) Ook de eerste menschen schijnen in den staat der onschuld het oog der beschouwing te hebben gehad. Hugo van S. Victor zegt immers. (t. a. p., 6e D., 14e H.), dat de mensch in den eersten staat den Schepper kende, niet met die kennis, waarmee men alleen door het uitwendig gehoor waarneemt, maar met die kennis welke inwendig door ingeving geschonken wordt; niet met de kennis, waardoor de geloovigen God als afwezig door het geloof zoeken, maar met die, waarmee God door de aanwezigheid der beschouwing op meer klaarblijkelijke wijze gezien wordt. Dus hadden noch de menschen noch de engelen in den eersten staat het geloof.152Bedenkingen. — Men beweert, dat de engelen of de mensen in hun eersten staat het geloof niet hadden. — 1. Hugo van S. Victor immers zegt in zijn Boek Over de Sacramenten (1e B., 10e D., 2e H.): “Omdat de mens het oog van de beschouwing niet heeft, daarom is hij niet bij machte God te zien noch het goddelijke”. Welnu de engelen in hun eersten staat, vóór de bevestiging of de val, hadden dit oog van de beschouwing, want zij zagen de dingen in het Woord, zoals Augustinus zegt in zijn Letterlijke Verklaring van het Boek van de Schepping. (2e B., 8e H.) Ook de eerste mensen schijnen in de staat van de onschuld het oog van de beschouwing te hebben gehad. Hugo van S. Victor zegt immers. (t. a. p., 6e D., 14e H.), dat de mens in de eerste staat de Schepper kende, niet met die kennis, waarmee men alleen door het uitwendig gehoor waarneemt, maar met die kennis welke inwendig door ingeving geschonken wordt; niet met de kennis, waardoor de gelovigen God als afwezig door het geloof zoeken, maar met die, waarmee God door de aanwezigheid van de beschouwing op meer klaarblijkelijke wijze gezien wordt. Dus hadden noch de mensen noch de engelen in de eerste staat het geloof.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, cognitio fidei est aenigmatica et obscura, secundum illud 1531. ad Cor. 13 [v. 12] : « Nunc videmus per speculum in aenigmate. » Sed in statu primae conditionis non fuit aliqua obscuritas, neque in homine, neque in angelo, quia tenebrositas est poena peccati. Ergo fides in statu primae conditionis esse non potuit neque in homine, neque in angelo.

2. De kennis van het geloof is vaag en duister, zooals gezegd 153wordt in den Ie Brief aan de Corinthiërs (13, 12) : « Thans zien we vage beelden in een spiegel ». Welnu in den eersten staat was er niets duister, noch in den mensch, noch in de engelen, want de duisternis is een straf van de zonde. Bijgevolg was het geloof in den eersten staat noch bij de menschen noch bij de engelen mogelijk.2. De kennis van het geloof is vaag en duister, zoals gezegd 153wordt in de 1e Brief aan de Korintiërs (13, 12): “Thans zien we vage beelden in een spiegel”. Welnu in de eerste staat was er niets duister, noch in de mens, noch in de engelen, want de duisternis is een straf van de zonde. Bijgevolg was het geloof in de eerste staat noch bij de mensen noch bij de engelen mogelijk.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Apostolus dicit ad Rom. 10. [v. 17] quod « fides est ex auditu, auditus autem per verbum Dei. » Sed hoc locum non habuit in primo statu angelicae conditionis, aut humanae : non enim erat ibi auditus ab alio. Ergo fides in statu illo non erat neque in homine, neque in angelo.

3. In den Brief aan de Romeinen (10, 17) zegt de Apostel : « Het geloof komt door het gehoor, het gehoor echter door het woord van God ». Welnu dat geschiedde niet in den eersten staat van engelen of menschen, want daar hoorde men niemand anders spreken. Bijgevolg was er in dien staat geen geloof, noch bij de menschen, noch bij de engelen.3. In de Brief aan de Romeinen (10, 17) zegt de Apostel: “Het geloof komt door het gehoor, het gehoor echter door het woord van God”. Welnu dat geschiedde niet in de eerste staat van engelen of mensen, want daar hoorde men niemand anders spreken. Bijgevolg was er in die staat geen geloof, noch bij de mensen, noch bij de engelen.

Sed contra est, quod Apostolus dicit ad Hebr. 11. [v. 6] : « Accedentem ad Deum oportet credere. » Sed angelus, et homo in sui prima conditione erant in statu accedendi ad Deum. Ergo fide indigebant.

Daartegenover staat echter wat de Apostel zegt in den Brief aan de Hebreën (11, 6) : « Hij die tot God komt moet gelooven ». Welnu in hun eersten staat waren de engelen en de menschen in een staat, waarin men tot God komt. Bijgevolg moesten ze het geloof hebben.Daartegenover staat echter wat de Apostel zegt in de Brief aan de Hebreën (11, 6): “Hij die tot God komt moet geloven”. Welnu in hun eersten staat waren de engelen en de mensen in een staat, waarin men tot God komt. Bijgevolg moesten ze het geloof hebben.

Respondeo dicendum, quod quidam dicunt, quod in angelis ante confirmationem et lapsum, et in homine ante peccatum, non fuit fides, propter 154manifestam contemplationem, quae tunc erat de rebus divinis. Sed cum fides sit « argumentum non apparentium », secundum Apostolum [Heb. 11, v. 6], et « per fidem credantur ea, quae non videntur », ut Augustinus dicit [tract. 40. in Joan. et lib. 2. QQ. Evang. q. 39.], illa sola manifestatio excludit fidei rationem, per quam creditur1 apparens vel visum id, de quo principaliter est fides. Principale autem objectum fidei est veritas prima, cujus visio beatos facit, et fidei succedit. Cum ergo angelus ante confirmationem, et homo ante peccatum, non habuerit illam beatitudinem, qua Deus per essentiam videtur, manifestum est, quod non habuit sic manifestam cognitionem, quod excluderetur ratio fidei. Unde quod non habuerit fidem, hoc esse non potuit, nisi quod penitus ei erat ignotum id, de quo est fides. Et si homo et angelus fuerunt creati in puris naturalibus, ut quidam dicunt, forte posset teneri, quod fides non fuerit in 155angelo ante confirmationem, nec in homine ante peccatum : cognitio enim fidei est supra naturalem cognitionem de Deo non solum hominis, sed etiam angeli. Sed quia in primo jam diximus [q. 62. art. 3.], quod homo et angelus creati sunt cum dono gratiae, ideo necesse est dicere, quod per gratiam acceptam et nondum consummatam fuerit in eis inchoatio quaedam speratae beatitudinis; quae quidem inchoatur in voluntate per spem et charitatem, sed in intellectu per fidem, ut supra dictum est [q. 4. art. 7.]. Et ideo necesse est dicere quod angelus ante confirmationem habuit fidem, et similiter homo ante peccatum.

Leerstelling. — Sommigen meenen, dat de engelen vóór hun bevestiging en hun val, en de menschen vôôr de zonde het 154geloof niet hadden, om hun heldere beschouwing van de goddelijke dingen. Daar echter volgens den Apostel in zijn Brief aan de Hebreërs (11, 6) het geloof het bewijs is van de dingen, die we niet zien, en we, zooals Augustinus zegt in zijn 40e Verhandeling op Joannes, en in het 2e Boek Over de Evangelische Vraagstukken (Kw. 39) door het geloof gelooven wat we niet zien, daarom sluit alleen die verheldering het geloof uit, die iets klaarblijkelijk maakt en het voornaamste voorwerp van het geloof doet zien. Welnu het voornaamste voorwerp van het geloof is de Eerste Waarheid, waarvan de op het geloof volgende aanschouwing onze gelukzaligheid uitmaakt. Daar nu de engelen vóór hun bevestiging en de menschen vóór de zonde die gelukzaligheid niet genoten, waardoor men Gods wezen aanschouwt, is het duidelijk, dat ze die klaarblijkelijke kennis niet hadden, die het geloof uitsluit. Indien ze dus het geloof niet hadden, dan zou de eenige reden daarvan kunnen zijn, dat de geloofswaarheden hun volkomen onbekend waren. Wanneer nu, naar de meening van sommigen, de menschen en de engelen in een louter natuurlijken staat geschapen zijn, zou men ook kunnen houden, dat de engelen 155vóór hun bevestiging en de menschen vóór de zonde het geloof niet hadden. De geloofskennis immers overtreft de natuurlijke Godskennis, niet alleen bij den mensch, maar ook bij de engelen. Aangezien we echter in het Ie Deel (Kw. 62, Art. 3) gezegd hebben, dat de mensch en de engelen geschapen zijn met de gave der genade, moet men houden, dat er door de genade, die ze wel ontvangen hadden, maar die nog niet voltooid was, in hen als een begin was van de gelukzaligheid, die ze hoopten te genieten. Welnu het begin van die gelukzaligheid is in den wil door de hoop en de liefde, en in het verstand door het geloof, zooals hierboven gezegd werd, (4e Kw., 7e Art.), en daarom moet men besluiten, dat de engelen vóór hun bevestiging het geloof hadden, en eveneens de menschen vóór de zonde.Leerstelling. — Sommigen menen, dat de engelen vóór hun bevestiging en hun val, en de mensen vôôr de zonde het 154geloof niet hadden, om hun heldere beschouwing van de goddelijke dingen. Daar echter volgens de Apostel in zijn Brief aan de Hebreërs (11, 6) het geloof het bewijs is van de dingen, die we niet zien, en we, zoals Augustinus zegt in zijn 40e Verhandeling op Johannes, en in het 2e Boek Over de Evangelische Vraagstukken (Kw. 39) door het geloof geloven wat we niet zien, daarom sluit alleen die verheldering het geloof uit, die iets klaarblijkelijk maakt en het voornaamste voorwerp van het geloof doet zien. Welnu het voornaamste voorwerp van het geloof is de Eerste Waarheid, waarvan de op het geloof volgende aanschouwing onze gelukzaligheid uitmaakt. Daar nu de engelen vóór hun bevestiging en de mensen vóór de zonde die gelukzaligheid niet genoten, waardoor men Gods wezen aanschouwt, is het duidelijk, dat ze die klaarblijkelijke kennis niet hadden, die het geloof uitsluit. Indien ze dus het geloof niet hadden, dan zou de enige reden daarvan kunnen zijn, dat de geloofswaarheden hun volkomen onbekend waren. Wanneer nu, naar de mening van sommigen, de mensen en de engelen in een louter natuurlijken staat geschapen zijn, zou men ook kunnen houden, dat de engelen 155vóór hun bevestiging en de mensen vóór de zonde het geloof niet hadden. De geloofskennis immers overtreft de natuurlijke Godskennis, niet alleen bij de mens, maar ook bij de engelen. Aangezien we echter in het 1e Deel (Kw. 62, Art. 3) gezegd hebben, dat de mens en de engelen geschapen zijn met de gave van de genade, moet men houden, dat er door de genade, die ze wel ontvangen hadden, maar die nog niet voltooid was, in hen als een begin was van de gelukzaligheid, die ze hoopten te genieten. Welnu het begin van die gelukzaligheid is in de wil door de hoop en de liefde, en in het verstand door het geloof, zoals hierboven gezegd werd, (4e Kw., 7e Art.), en daarom moet men besluiten, dat de engelen vóór hun bevestiging het geloof hadden, en eveneens de mensen vóór de zonde.

Sed tamen considerandum est, quod in objecto fidei est aliquid quasi formale, scilicet veritas prima, super omnem naturalem cognitionem creaturae existens, et aliquid materiale, sicut id cui assentimus inhaerendo primae veritati. Quantum ergo ad primum horum, communiter fides est in omnibus habentibus cognitionem de Deo, futura beatitudine nondum adepta, 156inhaerendo primae veritati. Sed quantum ad ea, quae materialiter credenda proponuntur, quaedam sunt credita ab uno, quae sunt manifeste scita ab alio, etiam in statu praesenti, ut supra dictum est [q. 1. art. 5.] ; et secundum hoc etiam potest dici, quod angelus ante confirmationem et homo ante peccatum quaedam de divinis mysteriis manifesta cognitione cognoverunt, quae nunc non possumus cognoscere nisi credendo.

Men moet echter ook in aanmerking nemen, dat we in het voorwerp van het geloof zoowel iets formeels kunnen beschouwen, nl. de Eerste Waarheid, die elke natuurlijke kennis van het schepsel overtreft, als iets materieels, nl. datgene, wat we aannemen wanneer we de Eerste Waarheid aanhangen. Met betrekking tot het eerste hebben al diegenen het geloof, die God kennen en de Eerste Waarheid aanhangen, ook vóór ze de toekomstige zaligheid genieten. Maar met betrekking tot het materieel voorwerp 156van het geloof gelooven sommigen iets wat anderen met klaarblijkelijkheid kennen, zelfs in den tegenwoordigen toestand, zooals hierboven gezegd is (1e Kw., 5e Art), en daarom mag men ook zeggen, dat de engelen vóór hun bevestiging en de mensch vóór de zonde sommige goddelijke geheimen op klaarblijkelijke wijze kenden, die wij alleen door het geloof kunnen kennen.Men moet echter ook in aanmerking nemen, dat we in het voorwerp van het geloof zowel iets formeels kunnen beschouwen, nl. de Eerste Waarheid, die elke natuurlijke kennis van het schepsel overtreft, als iets materieels, nl. datgene, wat we aannemen wanneer we de Eerste Waarheid aanhangen. Met betrekking tot het eerste hebben al diegenen het geloof, die God kennen en de Eerste Waarheid aanhangen, ook vóór ze de toekomstige zaligheid genieten. Maar met betrekking tot het materieel voorwerp 156van het geloof geloven sommigen iets wat anderen met klaarblijkelijkheid kennen, zelfs in de tegenwoordige toestand, zoals hierboven gezegd is (1e Kw., 5e Art), en daarom mag men ook zeggen, dat de engelen vóór hun bevestiging en de mens vóór de zonde sommige goddelijke geheimen op klaarblijkelijke wijze kenden, die wij alleen door het geloof kunnen kennen.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod quamvis dicta Hugonis de S. Victore magistralia sint et robur auctoritatis habeant, tamen potest dici, quod contemplatio, quae tollit necessitatem fidei, est contemplatio patriae, qua supernaturalis veritas per essentiam videtur. Hanc autem contemplationem non habuit angelus ante confirmationem, nec homo ante peccatum. Sed eorum contemplatio erat altior quam nostra, per quam magis de propinquo accedentes ad Deum, plura manifeste cognoscere poterant de divinis effectibus et mysteriis, quam nos possumus. Unde non inerat eis fides, qua ita quaereretur Deus absens, sicut a nobis quaeritur; erat enim eis magis praesens 157per lumen sapientiae, quam sit nobis, licet nec eis esset ita praesens, sicut est beatis per lumen gloriae.

Antwoord op de bedenkingen. — 1. Hoewel de woorden van Hugo van S. Victor de woorden zijn van een Meester, die een groot gezag heeft, toch mag men zeggen, dat de beschouwing, die de noodzakelijkheid van het geloof opheft, de beschouwing van den hemel is, waardoor de bovennatuurlijke waarheid in haar wezen gezien wordt. Welnu, noch de engelen vóór hun bevestiging, noch de mensch vóór de zonde kenden die beschouwing. Toch was hun beschouwing verhevener dan de onze, want omdat ze God naderbij kwamen, konden ze van de goddelijke uitwerkselen en geheimen meer met helderheid kennen dan wij. Ze hadden bijgevolg niet dat geloof, waardoor ze een afwezigen God zouden hebben gezocht, op de wijze waarop wij Hem zoeken, want Hij was hun naderbij door het licht der wijsheid dan 157ons, hoewel Hij niet op die wijze bij hen aanwezig was, waarop Hij door het licht der glorie aanwezig is bij de gelukzaligen.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Hoewel de woorden van Hugo van S. Victor de woorden zijn van een Meester, die een groot gezag heeft, toch mag men zeggen, dat de beschouwing, die de noodzakelijkheid van het geloof opheft, de beschouwing van de hemel is, waardoor de bovennatuurlijke waarheid in haar wezen gezien wordt. Welnu, noch de engelen vóór hun bevestiging, noch de mens vóór de zonde kenden die beschouwing. Toch was hun beschouwing verhevener dan de onze, want omdat ze God naderbij kwamen, konden ze van de goddelijke uitwerkselen en geheimen meer met helderheid kennen dan wij. Ze hadden bijgevolg niet dat geloof, waardoor ze een afwezigen God zouden hebben gezocht, op de wijze waarop wij Hem zoeken, want Hij was hun naderbij door het licht van de wijsheid dan 157ons, hoewel Hij niet op die wijze bij hen aanwezig was, waarop Hij door het licht van de glorie aanwezig is bij de gelukzaligen.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod in statu primae conditionis hominis vel angeli, non erat obscuritas culpae vel poenae. Inerat tamen intellectui hominis et angeli quaedam obscuritas naturalis, secundum quod omnis creatura tenebra est, comparata immensitati divini luminis. Et talis obscuritas sufficit ad fidei rationem.

2. In den eersten staat van den mensch of van de engelen was er niet die duisternis, die het gevolg is van schuld of straf. Er was echter in het verstand van den mensch en van de engelen een natuurlijke duisternis, in zoover elk schepsel duisternis is, vergeleken bij de onmetelijkheid van het goddelijk licht, en die duisternis volstaat om het geloof mogelijk te maken.2. In de eerste staat van de mens of van de engelen was er niet die duisternis, die het gevolg is van schuld of straf. Er was echter in het verstand van de mens en van de engelen een natuurlijke duisternis, in zover elk schepsel duisternis is, vergeleken bij de onmetelijkheid van het goddelijk licht, en die duisternis volstaat om het geloof mogelijk te maken.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod in statu primae conditionis non erat auditus ab homine exterius loquente, sed a Deo interius inspirante, sicut et Prophetae audiebant, secundum illud Psal. 84 [v. 9] : « Audiam, quid loquatur in me Dominus Deus. »

3. In den eersten staat hoorde men niets van een mensch, die sprak van buiten uit, maar van God, die sprak door inwendige ingeving. Zoo ook hoorden de Profeten volgens dit psalmvers (Ps. 84, 9) : « Ik zal luisteren naar wat de Heer in mij spreken zal ».3. In de eerste staat hoorde men niets van een mens, die sprak van buiten uit, maar van God, die sprak door inwendige ingeving. Zo ook hoorden de Profeten volgens dit psalmvers (Ps. 84, 9)a: “Ik zal luisteren naar wat de Heer in mij spreken zal”.

Articulus II

Utrum in daemonibus sit fides

[3. Dist. 76. art. 7. corp. et Veri. q. 14. art. 9. ad 4.]
IIe Artikel

Hebben de duivelen het geloof?

antwoord 1 ↓

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod in daemonibus non sit 158fides. Dicit enim Augustinus in lib. de Praedest. Sanct. [cap. 5.], quod « fides consistit in credentium voluntate. » Haec autem voluntas bona est, qua quis vult credere Deo. Cum ergo in daemonibus non sit aliqua voluntas deliberata bona, ut in 1. dictum est [q. 64. art. 2. ad 5.], videtur, quod in daemonibus non sit fides.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de duivelen het geloof 158niet hebben. — 1. Augustinus immers zegt in zijn Boek Over de Voorbestemming der Heiligen (5e H.), dat het geloof in den wil is van hen, die gelooven. Welnu de wil, waardoor iemand aan God wil gelooven, is goed. Daar er nu in de duivelen geen goede beraden wil is, zooals in het Ie Deel gezegd werd (Kw. 64, Art. 2, Antw. op de 5e Bed.), is er geen geloof in de duivelen.Bedenkingen. — Men beweert, dat de duivelen het geloof 158niet hebben. — 1. Augustinus immers zegt in zijn Boek Over de Voorbestemming van de Heiligen (5e H.), dat het geloof in de wil is van hen, die geloven. Welnu de wil, waardoor iemand aan God wil geloven, is goed. Daar er nu in de duivelen geen goede beraden wil is, zoals in het 1e Deel gezegd werd (Kw. 64, Art. 2, Antw. op de 5e Bed.), is er geen geloof in de duivelen.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, fides est quoddam donum divinae gratiae, secundum illud Ephes. 2. [v. 8] : « Gratia estis salvati per fidem : donum enim Dei est. » Sed daemones dona gratuita amiserunt per peccatum, ut dicitur in Glos. super illud Oseae 3. [v. 1] : Ipsi respiciunt ad deos alienos, et diligunt vinacia uvarum. Ergo fides in daemonibus post peccatum non remansit.

2. Het geloof is een gave van Gods genade, naar het woord uit den Brief aan de Ephesiërs (2, 8) : « Genade heeft u gered door het geloof, want het is een gave Gods ». Welnu de duivelen hebben de gaven der genade door de zonde verloren, zooals de Glossa zegt op het woord van Osee (3, 1) : « Ze keerden zich naar vreemde goden, ze beminnen druivengebak ». Dus bleef het geloof niet in de duivelen na hun val.2. Het geloof is een gave van Gods genade, naar het woord uit de Brief aan de Efesiërs (2, 8): “Genade heeft u gered door het geloof, want het is een gave Gods”. Welnu de duivelen hebben de gaven van de genade door de zonde verloren, zoals de Glossa zegt op het woord van Hosea (3, 1): “Ze keerden zich naar vreemde goden, ze beminnen druivengebak”. Dus bleef het geloof niet in de duivelen na hun val.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, infidelitas videtur esse gravius peccatum inter peccata, ut patet per Augustinum [tract. 89. in Joan.], super illud Joan. 15. [v. 22] : Si non venissem, et locutus eis non fuissem, peccatum non haberent; nunc autem excusationem non habent de peccato suo. Sed in quibusdam 159hominibus est peccatum infidelitatis. Si ergo fides esset in daemonibus, aliquorum hominum peccatum esset gravius peccato daemonum, quod videtur esse inconveniens. Non ergo fides est in daemonibus.

3. Ongeloof schijnt de zwaarste zonde te zijn, zooals blijkt uit de woorden van Augustinus (89e Verhandeling op Joannes), bij de woorden van Joannes (15, 22) : « Was ik niet gekomen en hàd ik niet tot hen gesproken, dan hadden ze geen zonde; nu echter hebben ze geen verontschuldiging voor hun zonde. » Welnu sommige menschen zondigen door ongeloof. Indien dus de 159duivelen het geloof hadden, dan was de zonde van sommige menschen zwaarder dan de zonde der duivelen, wat bezwaarlijk kan aangenomen worden. Bijgevolg is er geen geloof in de duivelen.3. Ongeloof schijnt de zwaarste zonde te zijn, zoals blijkt uit de woorden van Augustinus (89e Verhandeling op Johannes), bij de woorden van Johannes (15, 22): “Was ik niet gekomen en hàd ik niet tot hen gesproken, dan hadden ze geen zonde; nu echter hebben ze geen verontschuldiging voor hun zonde.” Welnu sommige mensen zondigen door ongeloof. Indien dus de 159duivelen het geloof hadden, dan was de zonde van sommige mensen zwaarder dan de zonde van de duivelen, wat bezwaarlijk kan aangenomen worden. Bijgevolg is er geen geloof in de duivelen.

Sed contra est, quod dicitur Jac. 2. [v. 19] : « Daemones credunt, et contremiscunt. »

Daartegenover staat echter wat Jacobus zegt (2, 19) : « De duivelen gelooven en sidderen ».Daartegenover staat echter wat Jacobus zegt (2, 19): “De duivelen geloven en sidderen”.

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est [q. 1. art. 4. et q. 2. art. 1.], intellectus credentis assentit rei creditae, non quia ipsam videat vel secundum se, vel per resolutionem ad prima principia per se visa, sed propter imperium voluntatis. Quod autem voluntas moveat intellectum ad assentiendum, potest contingere ex duobus : uno modo ex ordine voluntatis ad bonum, et sic credere est actus laudabilis. Alio modo, quia intellectus convincitur ad hoc, quod judicet esse credendum his quae dicuntur, licet non convincatur per evidentiam rei, sicut si aliquis Propheta praenuntiaret in sermone Domini aliquid futurum, et adhiberet signum, mortuum 160suscitando, ex hoc signo convinceretur intellectus videntis, ut cognosceret manifeste hoc dici a Deo, qui non mentitur, licet illud futurum, quod praedicitur, in se evidens non esset; unde per hoc ratio fidei non tolleretur. Dicendum est ergo, quod in fidelibus Christi laudatur fides secundum primum modum. Et secundum hoc non est in daemonibus, sed solum secundo modo. Vident enim multa manifesta indicia, ex quibus percipiunt doctrinam Ecclesiae a Deo esse, quamvis ipsi res ipsas, quas Ecclesia docet, non videant, puta Deum esse trinum et unum, vel aliquid hujusmodi.

Leerstelling. — Boven werd gezegd (1e Kw., 4e Art., 2e Kw., 1e Art.), dat het verstand van den geloovige het geloofde ding aanvaardt, niet omdat hij het ziet, noch op zich zelf, noch door het te herleiden tot de eerste beginselen, die op zichzelf klaarblijkelijk zijn, maar om het bevel van den wil. Welnu de wil kan het verstand tot aanvaarding bewegen om een dubbele reden. Ten eerste, omdat de wil streeft naar het goede, en dan is gelooven een lofwaardige daad. Ten tweede, omdat het verstand uit overtuiging oordeelt, dat men moet gelooven aan wat voorgehouden wordt, hoewel het niet overtuigd is door de klaarblijkelijkheid van het ding. Wanneer bv. een profeet in Gods naam iets zou voorspellen en dit door een wonderteeken 160zou bekrachtigen, nl. door een doode op te wekken, dan zou het verstand van hem, die daar getuige van is, door dit teeken overtuigd zijn en zou het duidelijk inzien, dat God gesproken heeft, Hij die niet kan liegen, ofschoon het toekomstige ding, dat voorspeld wordt, op zichzelf niet klaarblijkelijk is, en daarom zou het geloof niet uitgesloten zijn. In hen nu, die in Christus gelooven, is het geloof op de eerste manier. De duivelen echter gelooven niet op die wijze, maar slechts op de tweede. Ze zien immers veel klaarblijkelijke teekenen, waardoor ze inzien, dat de leer van de Kerk van God komt, hoewel ze de dingen zelf, die de Kerk leert, niet zien, bv. dat God drievoudig is en één, en zoo meer.Leerstelling. — Boven werd gezegd (1e Kw., 4e Art., 2e Kw., 1e Art.), dat het verstand van de gelovige het geloofde ding aanvaardt, niet omdat hij het ziet, noch op zichzelf, noch door het te herleiden tot de eerste beginselen, die op zichzelf klaarblijkelijk zijn, maar om het bevel van de wil. Welnu de wil kan het verstand tot aanvaarding bewegen om een dubbele reden. Ten eerste, omdat de wil streeft naar het goede, en dan is geloven een lofwaardige daad. Ten tweede, omdat het verstand uit overtuiging oordeelt, dat men moet geloven aan wat voorgehouden wordt, hoewel het niet overtuigd is door de klaarblijkelijkheid van het ding. Wanneer bv. een profeet in Gods naam iets zou voorspellen en dit door een wonderteken 160zou bekrachtigen, nl. door een dode op te wekken, dan zou het verstand van hem, die daar getuige van is, door dit teken overtuigd zijn en zou het duidelijk inzien, dat God gesproken heeft, Hij die niet kan liegen, ofschoon het toekomstige ding, dat voorspeld wordt, op zichzelf niet klaarblijkelijk is, en daarom zou het geloof niet uitgesloten zijn. In hen nu, die in Christus geloven, is het geloof op de eerste manier. De duivelen echter geloven niet op die wijze, maar slechts op de tweede. Ze zien immers veel klaarblijkelijke tekenen, waardoor ze inzien, dat de leer van de Kerk van God komt, hoewel ze de dingen zelf, die de Kerk leert, niet zien, bv. dat God drievoudig is en één, en zo meer.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod daemonum fides est quodammodo coacta ex signorum evidentia. Et ideo non pertinet ad laudem voluntatis ipsorum, quod credunt.

Antwoord op de bedenkingen. — 1. Het geloof der duivelen is als afgedwongen door de klaarblijkelijkheid der wonderteekenen. Daarom is de wilsdaad, waardoor ze gelooven, niet verdienstelijk.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Het geloof van de duivelen is als afgedwongen door de klaarblijkelijkheid van de wondertekenen. Daarom is de wilsdaad, waardoor ze geloven, niet verdienstelijk.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod fides, quae est donum gratiae, inclinat hominem ad credendum secundum aliquem affectum boni, etiamsi sit 161informis; unde fides, quae est in daemonibus, non est donum gratiae, sed magis coguntur ad credendum ex perspicacitate naturalis intellectus.

2. Het geloof, dat een gave der genade is, wekt den mensch op tot het geloof, door een zekere liefde tot het goed, zelf het doode geloof. Daarom is het geloof bij de duivelen geen gave 161der genade, maar worden ze veeleer gedwongen te gelooven door de scherpzinnigheid van hun natuurlijk verstand.2. Het geloof, dat een gave van de genade is, wekt de mens op tot het geloof, door een zekere liefde tot het goed, zelf het dode geloof. Daarom is het geloof bij de duivelen geen gave 161van de genade, maar worden ze veeleer gedwongen te geloven door de scherpzinnigheid van hun natuurlijk verstand.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod hoc ipsum daemonibus displicet, quod signa fidei sunt tam evidentia, ut per ea credere compellantur. Et ideo in nullo malitia eorum minuitur per hoc quod credunt.

3. Het mishaagt de duivelen, dat de wonderteekenen van het geloof zoo klaarblijkelijk zijn, dat ze er door gedwongen worden te gelooven. Bijgevolg wordt hun kwaadwilligheid in niets verminderd door hun geloof.3. Het mishaagt de duivelen, dat de wondertekenen van het geloof zo klaarblijkelijk zijn, dat ze er door gedwongen worden te geloven. Bijgevolg wordt hun kwaadwilligheid in niets verminderd door hun geloof.

Articulus III

Utrum qui discredit unum articulum fidei possit habere fidem informem de aliis articulis

[3. Dist. 23. q. 3. art. 3. et Veri. q. 14. art. 10. et Quodl. 6. q. 4. art. 1.]
IIIe Artikel

Kan een ketter, die weigert een enkel artikel des geloofs te aanvaarden, een dood geloof hebben omtrent de andere artikelen?Kan een ketter, die weigert een enkel artikel van het geloof te aanvaarden, een dood geloof hebben omtrent de andere artikelen?

antwoord 1 ↓

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod haereticus, qui discredit unum articulum fidei, possit habere fidem informem de aliis articulis. Non enim intellectus naturalis haeretici est potentior quam intellectus catholici. Sed 162intellectus catholici indiget adjuvari ad credendum quemcumque articulum fidei dono fidei. Ergo videtur, quod nec haeretici aliquos articulos fidei credere possint sine dono fidei informis.

Bedenkingen. — Men beweert, dat een ketter, die weigert een enkel artikel des geloofs te aanvaarden, een dood geloof kan hebben omtrent de andere artikelen. — 1. Het natuurlijk verstand van den ketter immers is niet bekwamer dan dat van een katholiek. Welnu het verstand van een katholiek moet 162geholpen worden door de gave van het geloof, om welk artikel des geloofs ook te gelooven. Bijgevolg kunnen ook de ketters geen artikelen gelooven zonder de gave van het doode geloof.Bedenkingen. — Men beweert, dat een ketter, die weigert een enkel artikel van het geloof te aanvaarden, een dood geloof kan hebben omtrent de andere artikelen. — 1. Het natuurlijk verstand van de ketter immers is niet bekwamer dan dat van een katholiek. Welnu het verstand van een katholiek moet 162geholpen worden door de gave van het geloof, om welk artikel van het geloof ook te geloven. Bijgevolg kunnen ook de ketters geen artikelen geloven zonder de gave van het dode geloof.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, sicut sub fide continentur multi articuli fidei, ita sub una scientia, puta geometria, continentur multae conclusiones. Sed homo aliquis potest habere scientiam geometriae circa quasdam geometricas conclusiones, aliis ignoratis. Ergo homo aliquis potest habere fidem de aliquibus articulis fidei, alios non credendo.

2. Evenals veel artikelen des geloofs onder het geloof vallen, zoo ook vallen veel gevolgtrekkingen onder een zelfde wetenschap, bv. de meetkunde. Welnu iemand kan in de meetkunde sommige gevolgtrekkingen kennen en andere niet. Bijgevolg kan ook iemand sommige artikelen des geloofs door het geloof aanvaarden, en andere niet.2. Evenals veel artikelen van het geloof onder het geloof vallen, zo ook vallen veel gevolgtrekkingen onder een zelfde wetenschap, bv. de meetkunde. Welnu iemand kan in de meetkunde sommige gevolgtrekkingen kennen en andere niet. Bijgevolg kan ook iemand sommige artikelen van het geloof door het geloof aanvaarden, en andere niet.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, sicut homo obedit Deo ad credendum articulos fidei, ita etiam ad servanda mandata legis. Sed homo potest esse obediens circa quaedam mandata, et non circa alia. Ergo potest habere fidem circa quosdam articulos, et non circa alios.

3. Evenals de mensch zich aan God onderwerpt om de artikelen des geloofs te aanvaarden, zoo ook onderwerpt hij zich om de geboden van de wet te onderhouden. Welnu de mensch kan zich aan sommige geboden onderwerpen, aan andere niet. Bijgevolg kan hij sommige artikelen gelooven, en andere niet.3. Evenals de mens zich aan God onderwerpt om de artikelen van het geloof te aanvaarden, zo ook onderwerpt hij zich om de geboden van de wet te onderhouden. Welnu de mens kan zich aan sommige geboden onderwerpen, aan andere niet. Bijgevolg kan hij sommige artikelen geloven, en andere niet.

Sed contra, sicut peccatum mortale contrariatur charitati, ita discredere unum articulum contrariatur fidei. Sed charitas non remanet in homine 163post unum peccatum mortale. Ergo neque fides, postquam discredit unum articulum fidei.

Daartegenover staat echter, dat evenals een doodzonde in strijd is met de liefde, zoo ook de weigering om te gelooven in strijd is met het geloof. Welnu de liefde blijft niet meer in den mensch na een enkele doodzonde. Bijgevolg blijft ook het 163geloof niet meer, nadat men geweigerd heeft een enkel artikel des geloofs te gelooven.Daartegenover staat echter, dat evenals een doodzonde in strijd is met de liefde, zo ook de weigering om te geloven in strijd is met het geloof. Welnu de liefde blijft niet meer in de mens na een enkele doodzonde. Bijgevolg blijft ook het 163geloof niet meer, nadat men geweigerd heeft een enkel artikel van het geloof te geloven.

Respondeo dicendum, quod in haeretico discredente unum articulum fidei non manet fides, neque formata, neque informis. Cujus ratio est, quia species cujuslibet habitus dependet ex formali ratione objecti; qua sublata, species habitus remanere non potest. Formale autem objectum fidei est veritas prima, secundum quod manifestatur in Scripturis Sacris et doctrina Ecclesiae, quae procedit ex veritate prima. Unde quicumque non inhaeret sicut infallibili et divinae regulae, doctrinae Ecclesiae, quae procedit ex veritate prima in Scripturis Sacris manifestata, ille non habet habitum fidei; sed ea, quae sunt fidei, alio modo tenet, quam per fidem. Sicut si aliquis tenet mente aliquam conclusionem, non cognoscens medium illius demonstrationis, manifestum est, quod non habet ejus scientiam, sed opinionem solum.

Leerstelling. — Een ketter, die weigert een enkel artikel des geloofs te aanvaarden, bezit de hebbelijkheid van het geloof niet, noch het levende, noch het doode geloof. De reden daarvan is, dat de natuur van iedere hebbelijkheid afhangt van het formeel object van het voorwerp. Valt dit object weg, dan kan die bepaalde hebbelijkheid niet voortbestaan. Welnu het formeel object van het geloof is de Eerste Waarheid, zooals ze geopenbaard wordt in de H. Schrift en in de leer der Kerk, die uit de Eerste Waarheid voortvloeit. Bijgevolg bezit hij, die de leer der Kerk niet aanhangt als een onfeilbaren en goddelijken norm, die voortvloeit uit de Eerste Waarheid, in de H. Schrift geopenbaard, de hebbelijkheid van het geloof niet meer. Hij neemt de geloofswaarheden op een andere wijze aan, dan door het geloof. Zoo ook is er geen wetenschap maar slechts een meening in diegenen, die een gevolgtrekking aanvaarden, maar zonder het bewijs er van te kennen.Leerstelling. — Een ketter, die weigert een enkel artikel van het geloof te aanvaarden, bezit de hebbelijkheid van het geloof niet, noch het levende, noch het dode geloof. De reden daarvan is, dat de natuur van iedere hebbelijkheid afhangt van het formeel object van het voorwerp. Valt dit object weg, dan kan die bepaalde hebbelijkheid niet voortbestaan. Welnu het formeel object van het geloof is de Eerste Waarheid, zoals ze geopenbaard wordt in de H. Schrift en in de leer van de Kerk, die uit de Eerste Waarheid voortvloeit. Bijgevolg bezit hij, die de leer van de Kerk niet aanhangt als een onfeilbaren en goddelijken norm, die voortvloeit uit de Eerste Waarheid, in de H. Schrift geopenbaard, de hebbelijkheid van het geloof niet meer. Hij neemt de geloofswaarheden op een andere wijze aan, dan door het geloof. Zo ook is er geen wetenschap maar slechts een mening in diegenen, die een gevolgtrekking aanvaarden, maar zonder het bewijs er van te kennen.

Manifestum est autem, quod ille, qui inhaeret doctrinae Ecclesiae, 164tamquam infallibili regulae, omnibus assentit, quae Ecclesia docet; alioquin si de his, quae Ecclesia docet, quae vult tenet, et quae non vult non tenet, non jam inhaeret Ecclesiae doctrinae, sicut infallibili regulae, sed propriae voluntati. Et sic manifestum est, quod haereticus, qui pertinaciter discredit unum articulum fidei, non est paratus sequi in omnibus doctrinam Ecclesiae; si enim non pertinaciter, jam non est haereticus, sed solum errans. Unde manifestum est, quod talis haereticus circa unum articulum fidem non habet de aliis articulis, sed opinionem quamdam, secundum propriam voluntatem.

Nu is het duidelijk, dat hij, die de leer der Kerk aanvaardt 164als een onfeilbaren norm, alles aanvaardt wat de Kerk leert, want indien hij van de dingen, die Kerk leert, aanvaardt wat hij wil aanvaarden en niet aanvaardt wat hij niet wil aanvaarden, dan hangt hij niet de leer der Kerk aan als een onfeilbaren norm, maar wel zijn eigen wil. Het is bijgevolg duidelijk, dat een ketter, die hardnekkig weigert één artikel des geloofs te aanvaarden, niet bereid is om de leer der Kerk in alles te volgen; als hij niet hardnekkig weigert, dan is hij geen ketter meer maar verkeert hij alleen in dwaling. Het is dus duidelijk, dat hij, die op dergelijke wijze ketter is met betrekking tot een enkel artikel, met betrekking tot de andere artikelen niet het geloof heeft, maar slechts een meening, die steunt op zijn eigen wil.Nu is het duidelijk, dat hij, die de leer van de Kerk aanvaardt 164als een onfeilbaren norm, alles aanvaardt wat de Kerk leert, want indien hij van de dingen, die Kerk leert, aanvaardt wat hij wil aanvaarden en niet aanvaardt wat hij niet wil aanvaarden, dan hangt hij niet de leer van de Kerk aan als een onfeilbaren norm, maar wel zijn eigen wil. Het is bijgevolg duidelijk, dat een ketter, die hardnekkig weigert één artikel van het geloof te aanvaarden, niet bereid is om de leer van de Kerk in alles te volgen; als hij niet hardnekkig weigert, dan is hij geen ketter meer maar verkeert hij alleen in dwaling. Het is dus duidelijk, dat hij, die op dergelijke wijze ketter is met betrekking tot een enkel artikel, met betrekking tot de andere artikelen niet het geloof heeft, maar slechts een mening, die steunt op zijn eigen wil.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod alios articulos fidei, de quibus haereticus non errat, non tenet eodem modo, sicut tenet eos fidelis, scilicet simpliciter inhaerendo primae veritati, ad quod indiget homo adjuvari per habitum fidei; sed tenet ea, quae sunt fidei, propria voluntate et judicio.

Antwoord op de bedenkingen. — 1. De andere artikelen, omtrent welke een ketter niet dwaalt, neemt hij niet op dezelfde wijze aan als de geloovige, nl. door zonder meer de Eerste Waarheid aan te hangen, waartoe de mensch moet geholpen worden door de hebbelijkheid van het geloof. Hij neemt die geloofswaarheden aan krachtens zijn eigen wil en oordeel.Antwoord op de bedenkingen. — 1. De andere artikelen, omtrent welke een ketter niet dwaalt, neemt hij niet op dezelfde wijze aan als de gelovige, nl. door zonder meer de Eerste Waarheid aan te hangen, waartoe de mens moet geholpen worden door de hebbelijkheid van het geloof. Hij neemt die geloofswaarheden aan krachtens zijn eigen wil en oordeel.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod in diversis conclusionibus unius scientiae 165sunt diversa media per quae probantur, quorum unum potest cognosci sine alio. Et ideo homo potest scire quasdam conclusiones unius scientiae, ignoratis aliis. Sed omnibus articulis fidei inhaeret fides propter unum medium, scilicet propter veritatem primam propositam nobis in Scripturis secundum doctrinam Ecclesiae intelligentis1 sane; et ideo qui ab hoc medio decidit, totaliter fide caret.

2. Voor de verschillende gevolgtrekkingen van een zelfde wetenschap zijn er verschillende beginselen, waardoor ze 165bewezen worden, waarvan men het eene kan kennen zonder de andere. Daaruit volgt, dat iemand sommige gevolgtrekkingen van een wetenschap kan kennen en andere niet. Het geloof echter aanvaardt al de artikelen des geloofs krachtens een zelfde beginsel, nl. om de Eerste Waarheid, die voorgehouden wordt in de H. Schrift, waarvan de juiste beteekenis verklaard wordt door de leer der Kerk. Hij die van dit beginsel afwijkt, wijkt bijgevolg volkomen af van het geloof.2. Voor de verschillende gevolgtrekkingen van een zelfde wetenschap zijn er verschillende beginselen, waardoor ze 165bewezen worden, waarvan men het ene kan kennen zonder de andere. Daaruit volgt, dat iemand sommige gevolgtrekkingen van een wetenschap kan kennen en andere niet. Het geloof echter aanvaardt al de artikelen van het geloof krachtens een zelfde beginsel, nl. om de Eerste Waarheid, die voorgehouden wordt in de H. Schrift, waarvan de juiste betekenis verklaard wordt door de leer van de Kerk. Hij die van dit beginsel afwijkt, wijkt bijgevolg volkomen af van het geloof.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod diversa praecepta legis possunt referri vel ad diversa motiva proxima, et sic unum sine alio servari potest; vel ad unum motivum primum, quod est perfecte obedire Deo, a quo decidit quicumque unum praeceptum transgreditur, secundum illud Jac. 2 [v. 10.] : « Qui offendit in uno, factus est omnium reus. »

3. Men kan de verschillende voorschriften van de wet, ofwel tot verschillende onmiddellijke beweegredenen herleiden, en dan kan men het eene gebod onderhouden en het andere niet; ofwel tot een eerste beweegreden, nl. tot het volledig onderworpen zijn aan God. Van die beweegreden wijken zij af, die een enkel voorschrift overtreden, volgens het woord van Jacobus (2, 10) : « Hij, die één gebod overtreedt, is schuldig ten opzichte van alle. »3. Men kan de verschillende voorschriften van de wet, ofwel tot verschillende onmiddellijke beweegredenen herleiden, en dan kan men het ene gebod onderhouden en het andere niet; ofwel tot een eerste beweegreden, nl. tot het volledig onderworpen zijn aan God. Van die beweegreden wijken zij af, die een enkel voorschrift overtreden, volgens het woord van Jacobus (2, 10): “Hij, die één gebod overtreedt, is schuldig ten opzichte van alle.”

Articulus IV

Utrum fides possit esse major in uno quam in alio

[3. Dist. 25. q. 2. art. 2.]
IVe Artikel

Kan het geloof grooter zijn bij den een dan bij den ander?Kan het geloof groter zijn bij de een dan bij de ander?

antwoord 1 ↓

166Ad quartum sic proceditur. Videtur quod fides non possit esse major in uno, quam in alio. Quantitas enim habitus attenditur secundum objecta. Sed quicumque habet fidem credit omnia quae sunt fidei; quia qui deficit ab uno, totaliter amittit fidem, ut supra dictum est [art. praec.]. Ergo videtur, quod fides non possit esse major in uno, quam in alio.

166Bedenkingen. — Men beweert, dat het geloof niet grooter kan zijn bij den een dan bij den ander. — 1. Een hebbelijkheid immers wordt grooter genoemd volgens haar object. Welnu, alwie gelooft, gelooft al de geloofswaarheden, want hij, die afwijkt van een enkele waarheid, verliest het geloof geheel en al zooals (in het vorig Artikel) gezegd werd. Bijgevolg kan het geloof niet grooter zijn bij den een dan bij den ander.166Bedenkingen. — Men beweert, dat het geloof niet groter kan zijn bij de een dan bij de ander. — 1. Een hebbelijkheid immers wordt groter genoemd volgens haar object. Welnu, alwie gelooft, gelooft al de geloofswaarheden, want hij, die afwijkt van een enkele waarheid, verliest het geloof geheel en al zoals (in het vorig Artikel) gezegd werd. Bijgevolg kan het geloof niet groter zijn bij de een dan bij de ander.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, ea quae sunt in summo, non recipiunt magis neque minus. Sed ratio fidei est in summo : requiritur enim ad fidem, quod homo inhaereat primae veritati super omnia. Ergo fides non recipit magis et minus.

2. Dingen, die betrekking hebben op het hoogste, zijn niet vatbaar voor een hoogeren of lageren graad. Welnu het geloof heeft betrekking op het hoogste, want het vergt, dat men de Eerste Waarheid boven alles aanhangt. Dus is het geloof niet vatbaar voor een hoogeren of lageren graad.2. Dingen, die betrekking hebben op het hoogste, zijn niet vatbaar voor een hogeren of lageren graad. Welnu het geloof heeft betrekking op het hoogste, want het vergt, dat men de Eerste Waarheid boven alles aanhangt. Dus is het geloof niet vatbaar voor een hogeren of lageren graad.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, ita se habet fides in cognitione gratuita, sicut intellectus principiorum in cognitione naturali, eo quod articuli fidei sunt prima 167principia gratuitae cognitionis, ut ex dictis patet [q. 1. art. 7.]. Sed intellectus principiorum aequaliter invenitur in omnibus hominibus. Ergo et fides aequaliter invenitur in omnibus fidelibus.

3. Het geloof is ten opzichte van de om niet geschonken kennis wat het verstandelijk inzicht der beginselen is ten opzichte van de natuurlijke kennis : de artikelen des geloofs immers zijn de eerste 167beginselen van de om niet geschonken kennis, zooals hierboven gezegd werd (1e Kw., 1e Art.). Welnu, het verstandelijk inzicht van de beginselen is het zelfde bij alle menschen. Bijgevolg is ook het geloof hetzelfde bij alle geloovigen.3. Het geloof is ten opzichte van de om niet geschonken kennis wat het verstandelijk inzicht van de beginselen is ten opzichte van de natuurlijke kennis: de artikelen van het geloof immers zijn de eerste 167beginselen van de om niet geschonken kennis, zoals hierboven gezegd werd (1e Kw., 7e Art.). Welnu, het verstandelijk inzicht van de beginselen is het zelfde bij alle mensen. Bijgevolg is ook het geloof hetzelfde bij alle gelovigen.

Sed contra, ubicumque invenitur parvum et magnum, ibi invenitur majus et minus. Sed in fide invenitur magnum et parvum : dicit enim Dominus Petro Matth. 14. [v. 31] : « Modicae fidei, quare dubitasti? » Et mulieri dixit Matth. 15. [v. 28] : « Mulier, magna est fides tua. » Ergo fides potest esse major in uno quam in alio.

Daartegenover staat echter, dat overal waar iets klein en iets groot is, ook een hoogere of lagere graad is. Welnu in het geloof vindt men het groote en het kleine. Christus zeide immers tot Petrus (Mattheus, 14, 31) : « Man van klein geloof, waarom hebt gij getwijfeld? » En tot de vrouw zei Hij (Mattheus, 15, 28) : « Vrouw, groot is uw geloof. » Bijgevolg kan het geloof grooter zijn bij den een dan bij den ander.Daartegenover staat echter, dat overal waar iets klein en iets groot is, ook een hogere of lagere graad is. Welnu in het geloof vindt men het grote en het kleine. Christus zeide immers tot Petrus (Matteüs, 14, 31): “Man van klein geloof, waarom hebt gij getwijfeld?” En tot de vrouw zei Hij (Matteüs, 15, 28): “Vrouw, groot is uw geloof.” Bijgevolg kan het geloof groter zijn bij de een dan bij de ander.

Respondeo dicendum, quod sicut supra dictum est [1-2. q. 52. art. 1. et 2. et q. 112. art. 4.], quantitas habitus ex duobus attendi potest : uno modo ex objecto, alio modo secundum participationem subjecti. Objectum autem fidei potest dupliciter considerari : uno modo secundum formalem rationem, alio modo secundum ea, quae materialiter credenda 168proponuntur. Formale autem objectum fidei est unum et simplex, scilicet veritas prima, ut supra dictum est [q. 1. art. 1.]. Unde ex hac parte fides non diversificatur in credentibus, sed est una specie in omnibus, ut supra dictum est [q. 4. art. 6.]. Sed ea, quae materialiter credenda proponuntur, sunt plura, et possunt accipi vel magis, vel minus explicite. Et secundum hoc potest unus homo plura explicite credere, quam alius. Et sic in uno potest esse major fides, secundum majorem fidei explicationem.

Leerstelling. — Vroeger (1a 2ae, Kw., 52, Art. 1 en 2, en Kw. 112, Art. 4) werd gezegd, dat de grootheid van een hebbelijkheid tweevoudig beschouwd kan worden : ten eerste van den kant van het voorwerp, ten tweede van den kant van het subject, dat deel heeft aan die hebbelijkheid. Ook het voorwerp van het geloof kan op twee manieren beschouwd worden : ten eerste met het oog op het formeel opzicht, ten tweede met het oog op wat materieel voorgehouden wordt te gelooven. Het 168formeel object van het geloof is één en enkelvoudig, nl. de Eerste Waarheid, zooals vroeger gezegd werd (1e Kw., 1e Art.), en in dit opzicht verschilt het geloof niet bij de geloovigen, maar heeft het dezelfde natuur bij allen, zooals hierboven gezegd werd (4e Kw., 6e Art.). Doch hetgeen materieel voorgehouden wordt te gelooven is veelvuldig, en kan meer of minder uitdrukkelijk zijn, en in dit opzicht kan ook de eene mensch meer dingen uitdrukkelijk gelooven dan een ander, en zôô kan het geloof grooter zijn bij den een dan bij den ander, naar mate het uitdrukkelijker wordt voorgesteld.Leerstelling. — Vroeger (1a 2ae, Kw., 52, Art. 1 en 2, en Kw. 112, Art. 4) werd gezegd, dat de grootheid van een hebbelijkheid tweevoudig beschouwd kan worden: ten eerste van de kant van het voorwerp, ten tweede van de kant van het subject, dat deel heeft aan die hebbelijkheid. Ook het voorwerp van het geloof kan op twee manieren beschouwd worden: ten eerste met het oog op het formeel opzicht, ten tweede met het oog op wat materieel voorgehouden wordt te geloven. Het 168formeel object van het geloof is één en enkelvoudig, nl. de Eerste Waarheid, zoals vroeger gezegd werd (1e Kw., 1e Art.), en in dit opzicht verschilt het geloof niet bij de gelovigen, maar heeft het dezelfde natuur bij allen, zoals hierboven gezegd werd (4e Kw., 6e Art.). Doch hetgeen materieel voorgehouden wordt te geloven is veelvuldig, en kan meer of minder uitdrukkelijk zijn, en in dit opzicht kan ook de ene mens meer dingen uitdrukkelijk geloven dan een ander, en zôô kan het geloof groter zijn bij de een dan bij de ander, naar mate het uitdrukkelijker wordt voorgesteld.

Si vero consideretur fides secundum participationem subjecti, hoc contingit dupliciter. Nam actus fidei procedit et ex intellectu et ex voluntate, ut supra dictum est [q. 2. art. 1.]. Potest ergo fides in aliquo dici major, uno modo ex parte intellectus, propter majorem certitudinem et firmitatem, alio modo ex parte voluntatis, propter majorem promptitudinem, seu devotionem, vel confidentiam.

Beschouwt men echter het geloof naar het deelhebben van het subject, dan kan het geloof op twee wijzen grooter zijn bij den een dan bij den ander. Het geloof wordt immers voortgebracht zoowel door het verstand als door den wil, zooals boven gezegd werd. (2e Kw., 1e Art.). Het geloof kan dus bij iemand grooter zijn ofwel van den kant van het verstand, om de grootere zekerheid en vastheid, ofwel van den kant van den wil, om de grootere bereidwilligheid of vroomheid of om een grooter betrouwen.Beschouwt men echter het geloof naar het deelhebben van het subject, dan kan het geloof op twee wijzen groter zijn bij de een dan bij de ander. Het geloof wordt immers voortgebracht zowel door het verstand als door de wil, zoals boven gezegd werd. (2e Kw., 1e Art.). Het geloof kan dus bij iemand groter zijn ofwel van de kant van het verstand, om de grotere zekerheid en vastheid, ofwel van de kant van de wil, om de grotere bereidwilligheid of vroomheid of om een groter vertrouwen.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod ille qui pertinaciter discredit aliquid eorum, quae sub fide continentur, non habet habitum fidei; quem tamen 169habet ille, qui non explicite omnia credit, sed paratus est omnia credere. Et secundum hoc ex parte objecti unus habet majorem fidem quam alius, inquantum plura explicite credit, ut dictum est [in corp.].

Antwoord op de bedenkingen. — 1. Hij, die hardnekkig weigert iets te gelooven wat onder het geloof valt, heeft de 169hebbelijkheid van het geloof niet, maar wel hij, die niet uitdrukkelijk alles gelooft maar er toe bereid is alles te gelooven. Daardoor heeft de een van den kant van het voorwerp een grooter geloof dan de ander, in zoover hij meerdere dingen uitdrukkelijk gelooft, zooals (in de Leerstelling) gezegd is.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Hij, die hardnekkig weigert iets te geloven wat onder het geloof valt, heeft de 169hebbelijkheid van het geloof niet, maar wel hij, die niet uitdrukkelijk alles gelooft maar er toe bereid is alles te geloven. Daardoor heeft de een van de kant van het voorwerp een groter geloof dan de ander, in zover hij meerdere dingen uitdrukkelijk gelooft, zoals (in de Leerstelling) gezegd is.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod de ratione fidei est, ut veritas prima omnibus praeferatur. Sed tamen eorum, qui eam omnibus praeferunt, quidam certius et devotius se ei subjiciunt quam alii. Et secundum hoc fides est major in uno, quam in alio.

2. De natuur van het geloof vergt, dat de Eerste Waarheid boven alles verkozen wordt. Toch zijn er onder hen, die haar boven alles verkiezen, sommigen, die zich met grootere zekerheid en vroomheid aan haar onderwerpen dan anderen, en daarom is het geloof grooter bij den een dan bij den ander.2. De natuur van het geloof vergt, dat de Eerste Waarheid boven alles verkozen wordt. Toch zijn er onder hen, die haar boven alles verkiezen, sommigen, die zich met grotere zekerheid en vroomheid aan haar onderwerpen dan anderen, en daarom is het geloof groter bij de een dan bij de ander.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod intellectus principiorum consequitur ipsam naturam humanam, quae aequaliter in omnibus invenitur. Sed fides consequitur donum gratiae, quod non est aequaliter in omnibus, ut supra dictum est [1-2. q. 112. art. 4.] ; unde non est eadem ratio. Et tamen secundum majorem capacitatem intellectus unus magis vel minus cognoscit veritatem principiorum quam alius.

3. Het verstandelijk inzicht der beginselen komt van de menschelijke natuur, die dezelfde is bij allen, maar het geloof komt van de gave der genade, die niet bij allen gelijk is, zooals vroeger gezegd is (1a 2ae, Kw., 112, Art. 4), en daarom gaat die redeneering hier niet op. En nog kent de een de waarheid der beginselen beter dan de ander, volgens de grootere bekwaamheid van zijn verstand.3. Het verstandelijk inzicht van de beginselen komt van de menselijke natuur, die dezelfde is bij allen, maar het geloof komt van de gave van de genade, die niet bij allen gelijk is, zoals vroeger gezegd is (1a 2ae, Kw., 112, Art. 4), en daarom gaat die redenering hier niet op. En nog kent de een de waarheid van de beginselen beter dan de ander, volgens de grotere bekwaamheid van zijn verstand.