Theologische Summa · Secunda Secundae · De hoopSumma · II-II · De hoopSumma · II-II · Kw. 19Kw. 19
Quaestio XIX

De dono timoris

Kwestie 19

Over de gave van vrees

(Twaalf Artikelen)

44Deinde considerandum est de dono Timoris.

44Daarna beschouwen wij de gave van vrees.

Et circa hoc quaeruntur duodecim : 1. Utrum Deus debeat timeri. — 2. De divisione timoris in timorem filialem, initialem, servilem, et mundanum. — 3. Utrum timor mundanus semper sit malus. — 4. Utrum timor servilis sit bonus. — 5. Utrum sit idem in substantia cum filiali. — 6. Utrum, adveniente charitate, excludatur timor servilis. — 7. Utrum timor sit initium sapientiae. — 8. Utrum timor initialis sit idem in substantia cum timore filiali. — 9. Utrum timor sit donum Spiritus Sancti. — 10. Utrum crescat 45crescente charitate. — 11. Utrum maneat in patria. — 12. Quid respondeat ei in beatitudinibus et fructibus.

Hieromtrent stellen wij twaalf vragen : 1. Moet men God vreezen? 2. Over de indeeling van de vrees, in kinderlijke vrees, aanvangsvrees, slaafsche en wereldsche vrees. 3. Is de wereldsche vrees altijd slecht? 4. Is de slaafsche vrees goed? 5. Zijn de slaafsche en de kinderlijke vrees wezenlijk één? 6. Wordt de slaafsche vrees door de liefde uitgesloten? 7. Is de vrees het begin van de wijsheid? 8. Is de aanvangsvrees hetzelfde als de kinderlijke vrees? 9. Is de vrees een gave van den H. Geest? 10. Groeit de vrees wanneer de liefde groeit? 11. Blijft de vrees voortbestaan in den hemel? 4512. Wat beantwoordt er in de zaligheden en de vruchten van den H. Geest, aan de vrees?Hieromtrent stellen wij twaalf vragen: 1. Moet men God vrezen? 2. Over de indeling van de vrees, in kinderlijke vrees, aanvangsvrees, slaafse en wereldse vrees. 3. Is de wereldse vrees altijd slecht? 4. Is de slaafse vrees goed? 5. Zijn de slaafse en de kinderlijke vrees wezenlijk één? 6. Wordt de slaafse vrees door de liefde uitgesloten? 7. Is de vrees het begin van de wijsheid? 8. Is de aanvangsvrees hetzelfde als de kinderlijke vrees? 9. Is de vrees een gave van de H. Geest? 10. Groeit de vrees wanneer de liefde groeit? 11. Blijft de vrees voortbestaan in de hemel? 4512. Wat beantwoordt er in de zaligheden en de vruchten van de H. Geest, aan de vrees?

Articulus I

Utrum Deus possit timeri

[1. 2. q. 42. art. 1 ; 3. Dist. 34. q. 2. art. 2. qla. 1. ad 2.]
Ie Artikel

Moet men God vreezen?Moet men God vrezen?

antwoord 1 ↓

Ad primum sic proceditur. Videtur, quod Deus timeri non possit : objectum enim timoris est malum futurum, ut supra habitum est [1-2. q. 41. art. 2 ; q. 42. art. 1.]. Sed Deus est expers omnis mali, cum sit ipsa bonitas. Ergo Deus timeri non potest.

Bedenkingen. — Men beweert, dat men God niet moet vreezen. — 1. Het voorwerp van de vrees, zooals vroeger werd aangetoond (I-II 41e Kw. 2e Art.; 42e Kw. 1e Art.), is een kwaad dat in de toekomst dreigt. Welnu in God is geen kwaad, daar Hij de goedheid zelf is. Bijgevolg moet men God niet vreezen.Bedenkingen. — Men beweert, dat men God niet moet vrezen. — 1. Het voorwerp van de vrees, zoals vroeger werd aangetoond (1-2 41e Kw. 2e Art.; 42e Kw. 1e Art.), is een kwaad dat in de toekomst dreigt. Welnu in God is geen kwaad, daar Hij de goedheid zelf is. Bijgevolg moet men God niet vrezen.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, timor spei opponitur. Sed spem habemus de Deo. Ergo non possumus simul eum timere.

2. De vrees is tegengesteld aan de hoop. Welnu we hopen op God. Bijgevolg moeten we Hem niet vreezen.2. De vrees is tegengesteld aan de hoop. Welnu we hopen op God. Bijgevolg moeten we Hem niet vrezen.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, sicut Philosophus dicit in 2. Rhetor. [cap. 5.], « illa timemus, ex quibus nobis mala proveniunt ». Sed mala non proveniunt nobis 46a Deo, sed ex nobis ipsis, secundum illud Oseae 13 [v. 9] : « Perditio tua, Israël; ex me auxilium tuum ». Ergo Deus timeri non debet.

3. De Wijsgeer leert : « We vreezen datgene wat ons nadeel berokkent ». Doch alles wat ons nadeelig is, moeten we aan onszelf, niet aan God, wijten, naar het woord van Oseas (13. 9) : « Gij zelf Israël, zijt de schuld van uw verderf; aan Mij echter 46hebt gij allen bijstand te danken ». Bijgevolg moet men God niet vreezen.3. De Wijsgeer leert: “We vrezen datgene wat ons nadeel berokkent”. Doch alles wat ons nadelig is, moeten we aan onszelf, niet aan God, wijten, naar het woord van Oseas (13, 9): “Gij zelf Israël, zijt de schuld van uw verderf; aan Mij echter 46hebt gij allen bijstand te danken”. Bijgevolg moet men God niet vrezen.

Sed contra est, quod dicitur Jerem. 10 [v. 7] : « Quis non timebit te, o rex gentium? » Et Malach. 1 [v. 6] : « Si ego Dominus, ubi est timor meus? »

Daartegenover staat echter wat Jeremias (10. 7) zegt : « Wie zou U niet vreezen, o Koning der volken? » En Malachias (1. 6) : « Indien Ik de Heer ben, waar is dan de vrees voor Mij? »Daartegenover staat echter wat Jeremia (10, 7) zegt: “Wie zou U niet vrezen, o Koning van de volken?” En Maleachi (1, 6): “Indien Ik de Heer ben, waar is dan de vrees voor Mij?”

Respondeo dicendum, quod sicut spes habet duplex objectum, quorum unum est ipsum bonum futurum, cujus adeptionem quis expectat, aliud autem est auxilium alicujus, per quem expectat se adipisci quod sperat, ita etiam et timor duplex objectum habere potest; quorum unum est ipsum malum, quod homo refugit; aliud autem est illud, a quo malum provenire potest. Primo ergo modo Deus, qui est ipsa bonitas, objectum timoris esse non potest; sed secundo modo potest esse objectum timoris, inquantum scilicet ab ipso, vel per comparationem ad ipsum, nobis potest aliquod malum imminere. Ab ipso quidem potest nobis imminere malum poenae, quod non est simpliciter malum, sed secundum quid, bonum autem simpliciter : cum enim bonum dicatur in ordine ad finem, malum autem importet hujus ordinis privationem, 47illud est malum simpliciter, quod excludit ordinem a fine ultimo, quod est malum culpae; malum autem poenae est quidem malum, inquantum privat aliquod particulare bonum; est tamen bonum simpliciter, inquantum dependet ab ordine finis ultimi : per comparationem autem ad Deum potest nobis malum poenae 1 provenire, si ab eo separemur, et per hunc modum Deus potest et debet timeri.

Leerstelling. — Het voorwerp der hoop is dubbel : ten eerste, het toekomende goed dat men verwacht; vervolgens, de hulp waarop men rekent om te bereiken wat men hoopt. Ook het voorwerp van de vrees is dubbel : ten eerste, het kwaad dat men ontvlucht; ten tweede, datgene dat ons kwaad berokkenen kan. Als kwaad dat men ontvlucht, kan God het voorwerp van de vrees niet zijn. Hij is immers de goedheid zelf. Hij kan het voorwerp van de vrees zijn, in zoover ons door Hem een kwaad kan overkomen, of ons in verhouding tot Hem iets kwaads geschiedt. We kunnen immers door Hem gestraft worden. De straf is weliswaar geen kwaad op zichzelf, doch een goed. Maar ze is een kwaad in zeker opzicht. Alles wat tot het doel leidt is goed; alles wat ons 47het doel ontrooft is een kwaad. Daarom is de zonde, die ons het doel ontrooft, een kwaad op zichzelf. De straf daarentegen, berooft ons slechts van een particulier goed. Op zichzelf beschouwd is de straf een goed, omdat ze het doel helpt bereiken. God kan verder voorwerp van vrees zijn, in zoover ons in verhouding tot Hem iets kwaads kan overkomen, nl. in zoover we ons door de zonde van Hem afscheiden. Op die wijze kunnen en moeten we God vreezen.Leerstelling. — Het voorwerp van de hoop is dubbel: ten eerste, het toekomende goed dat men verwacht; vervolgens, de hulp waarop men rekent om te bereiken wat men hoopt. Ook het voorwerp van de vrees is dubbel: ten eerste, het kwaad dat men ontvlucht; ten tweede, datgene dat ons kwaad berokkenen kan. Als kwaad dat men ontvlucht, kan God het voorwerp van de vrees niet zijn. Hij is immers de goedheid zelf. Hij kan het voorwerp van de vrees zijn, in zover ons door Hem een kwaad kan overkomen, of ons in verhouding tot Hem iets kwaads geschiedt. We kunnen immers door Hem gestraft worden. De straf is weliswaar geen kwaad op zichzelf, doch een goed. Maar ze is een kwaad in zeker opzicht. Alles wat tot het doel leidt is goed; alles wat ons 47het doel ontrooft is een kwaad. Daarom is de zonde, die ons het doel ontrooft, een kwaad op zichzelf. De straf daarentegen, berooft ons slechts van een particulier goed. Op zichzelf beschouwd is de straf een goed, omdat ze het doel helpt bereiken. God kan verder voorwerp van vrees zijn, in zover ons in verhouding tot Hem iets kwaads kan overkomen, nl. in zover we ons door de zonde van Hem afscheiden. Op die wijze kunnen en moeten we God vrezen.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod ratio illa procedit, secundum quod malum, quod homo refugit, est timoris objectum.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. In de bedenking is spraak van het kwaad dat men ontvlucht, en dat voorwerp van vrees is.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod in Deo est considerare et justitiam, secundum quam peccantes punit, et misericordiam, secundum quam nos liberat. Secundum ergo considerationem ipsius justitiae, insurgit in nobis timor; secundum autem considerationem ipsius misericordiae, insurgit in nobis spes; et ita secundum diversas rationes Deus est objectum spei, et timoris.

2. Gods Rechtvaardigheid straft, en Gods Barmhartigheid verlost ons. De beschouwing van Gods Rechtvaardigheid boezemt ons vrees in; de beschouwing van zijn Barmhartigheid geeft ons hoop. Derhalve is God onder verschillende opzichten, voorwerp van hoop en van vrees.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod malum culpae non est a Deo, sicut ab 48auctore, sed est a nobis ipsis, inquantum a Deo recedimus; malum autem poenae est quidem a Deo auctore, inquantum habet rationem boni, prout scilicet est justum, sed quod juste nobis poena infligatur, hoc primordialiter ex merito nostri peccati contingat; secundum quem modum dicitur Sap. 1 [13, 16] quod « Deus mortem non fecit, sed impii manibus et verbis accersierunt illam ».

3. Wij die God verlaten, hebben schuld aan de zonde, niet God. De straf ons door God opgelegd is een goed, want ze is 48rechtvaardig. Op de eerste plaats echter zijn wij het die, door onze zonde, de straf verdienden, naar wat in het Boek der Wijsheid (1. 13, 16) gezegd is : « Het is God niet die de dood heeft gemaakt,... Maar de goddeloozen roepen de dood met daden en woorden ».3. Wij die God verlaten, hebben schuld aan de zonde, niet God. De straf ons door God opgelegd is een goed, want ze is 48rechtvaardig. Op de eerste plaats echter zijn wij het die, door onze zonde, de straf verdienden, naar wat in het Boek van de Wijsheid (1, 13, 16) gezegd is: “Het is God niet die de dood heeft gemaakt,... Maar de goddelozen roepen de dood met daden en woorden”.

Articulus II

Utrum timor convenienter dividatur in filialem, initialem, servilem, et mundanum

[3. Dist. 34. q. 2. a. 1. qla. 2. et Rom. c. 8. lect. 3.]
IIe Artikel

Is de indeeling van de vrees in : kinderlijke vrees, aanvangsvrees, slaafsche en wereldsche vrees, juist?Is de indeling van de vrees in: kinderlijke vrees, aanvangsvrees, slaafse en wereldse vrees, juist?

antwoord 1 ↓

Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod inconvenienter dividatur timor in filialem, initialem, servilem, et mundanum : Damascenus enim in 2. libro [Orth. Fid. cap. 15.] ponit sex species timoris, scilicet : segnitiem, erubescentiam, et alia, de quibus supra dictum est [1-2. q. 41. art. 4.], quae in hac divisione non tanguntur. Ergo videtur, quod haec divisio timoris sit inconveniens.

Bedenking. — Men beweert, dat de indeeling in kinderlijke vrees, aanvangsvrees, slaafsche en wereldsche vrees niet juist is. — 1. Damascenus spreekt van zes soorten vrees : nl. de traagheid, de schaamte en de vier boven vermelde (I-II 41e Kw. 4e Art.), welke niet voorkomen in de indeeling die ons bezig houdt. Bijgevolg is die indeeling niet nauwkeurig.Bedenking. — Men beweert, dat de indeling in kinderlijke vrees, aanvangsvrees, slaafse en wereldse vrees niet juist is. — 1. Damascenus spreekt van zes soorten vrees: nl. de traagheid, de schaamte en de vier boven vermelde (1-2 41e Kw. 4e Art.), welke niet voorkomen in de indeling die ons bezig houdt. Bijgevolg is die indeling niet nauwkeurig.

antwoord 2 ↓

492. Praeterea, quilibet horum timorum vel est bonus, vel malus. Sed aliquis est timor, scilicet naturalis, qui neque bonus est moraliter, cum sit in daemonibus, secundum illud Jacobi 2 [v. 19] : « Daemones credunt, et contremiscunt », neque etiam malus, cum sit in Christo, secundum illud Marc. 14 [v. 33] : « Coepit Jesus pavere, et taedere ». Ergo timor insufficienter dividitur secundum praedicta.

492. Elk van die vier soorten van vrees, is of goed of slecht. Benevens deze soorten bestaat echter ook de natuurlijke vrees, welke niet zedelijk goed is, daar ze bij de duivelen aangetroffen wordt : « De duivelen gelooven en sidderen », zegt de H. Jacobus (2. 19). Deze vrees is evenmin slecht, daar ze bij Christus gevonden wordt, naar het woord van Marcus (14. 33) : « Hij begon ontroerd en angstig te worden ». Bijgevolg is boven vermelde indeeling onvolledig.492. Elk van die vier soorten van vrees, is of goed of slecht. Benevens deze soorten bestaat echter ook de natuurlijke vrees, welke niet zedelijk goed is, daar ze bij de duivelen aangetroffen wordt: “De duivelen geloven en sidderen”, zegt de H. Jacobus (2, 19). Deze vrees is evenmin slecht, daar ze bij Christus gevonden wordt, naar het woord van Marcus (14, 33): “Hij begon ontroerd en angstig te worden”. Bijgevolg is boven vermelde indeling onvolledig.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, alia est habitudo filii ad patrem, et uxoris ad virum, et servi ad dominum. Sed timor filialis, qui est filii in comparatione ad patrem, distinguitur a timore servili, qui est servi per comparationem ad dominum. Ergo etiam timor castus, qui videtur esse uxoris per comparationem ad virum, debet distingui ad omnibus istis timoribus.

3. De verhouding van den zoon tot den vader is niet gelijk aan de verhouding van de echtgenoote tot den echtgenoot, of van den knecht tot den meester. De kinderlijke vrees, welke bij den zoon bestaat ten opzichte van den vader, is niet dezelfde als de slaafsche vrees, welke bestaat bij den knecht ten opzichte van zijn meester. Bijgevolg moet er ook spraak zijn van een reine vrees, welke bestaat bij de vrouw ten opzichte van den man, en deze moet onderscheiden worden van alle andere soorten.3. De verhouding van de zoon tot de vader is niet gelijk aan de verhouding van de echtgenote tot de echtgenoot, of van de knecht tot de meester. De kinderlijke vrees, welke bij de zoon bestaat ten opzichte van de vader, is niet dezelfde als de slaafse vrees, welke bestaat bij de knecht ten opzichte van zijn meester. Bijgevolg moet er ook spraak zijn van een reine vrees, welke bestaat bij de vrouw ten opzichte van de man, en deze moet onderscheiden worden van alle andere soorten.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, sicut timor servilis timet poenam, ita timor initialis et mundanus. Non ergo debuerunt ab invicem distingui isti timores.

4. Het voorwerp van de slaafsche vrees is de straf. Doch de straf is te gelijk het voorwerp van de aanvangsvrees en van de wereldsche vrees. Bijgevolg moesten die drie soorten vrees niet van elkander onderscheiden worden.4. Het voorwerp van de slaafse vrees is de straf. Doch de straf is te gelijk het voorwerp van de aanvangsvrees en van de wereldse vrees. Bijgevolg moesten die drie soorten vrees niet van elkander onderscheiden worden.

antwoord 5 ↓

5. Praeterea, sicut concupiscentia est boni, ita etiam timor est mali. Sed alia est concupiscentia oculorum, qua quis concupiscit bona mundi, 50alia est concupiscentia carnis, qua quis concupiscit delectationem propriam. Ergo etiam alius est timor mundanus, quo quis timet amittere bona exteriora, et alius est timor humanus, quo quis timet propriae personae detrimentum.

5. Zooals de begeerte uitgaat naar het goede, aldus schrikt de vrees voor het kwaad. Doch er bestaat een begeerte der oogen, die 50verlangend uitziet naar de goederen van de wereld en een begeerte van het vleesch, waardoor iemand eigen genot wenscht. Bijgevolg moet er ook naast de wereldsche vrees, die er voor terugschrikt de goederen van de wereld te verliezen, een andere menschelijke vrees bestaan, waardoor men bang is nadeel in eigen persoon te ondergaan.5. Zoals de begeerte uitgaat naar het goede, aldus schrikt de vrees voor het kwaad. Doch er bestaat een begeerte van de ogen, die 50verlangend uitziet naar de goederen van de wereld en een begeerte van het vlees, waardoor iemand eigen genot wenst. Bijgevolg moet er ook naast de wereldse vrees, die er voor terugschrikt de goederen van de wereld te verliezen, een andere menselijke vrees bestaan, waardoor men bang is nadeel in eigen persoon te ondergaan.

Sed contra est auctoritas Magistri 34. Dist. 3. lib. Sentent.

Daartegenover staat echter het gezag van den Magister Sententiarum.Daartegenover staat echter het gezag van de Magister Sententiarum.

Respondeo dicendum, quod de timore nunc agimus, secundum quod per ipsum aliquo modo ad Deum convertimur, vel ab eo avertimur. Cum enim objectum timoris sit malum, quandoque homo propter mala, quae timet, a Deo recedit; et iste dicitur timor humanus, vel mundanus. Quandoque autem homo propter mala, quae timet, ad Deum convertitur, et ei inhaeret; quod quidem malum est duplex, scilicet malum poenae et malum culpae. Si ergo aliquis convertatur ad Deum, et ei inhaereat propter timorem poenae, 51erit timor servilis; si autem propter timorem culpae, erit timor filialis, nam filiorum est timere offensam patris; si autem propter utrumque, est timor initialis, qui est medius inter utrumque timorem. Utrum autem malum culpae possit timeri, supra dictum est [1-2. q. 42. art. 3.], cum de passione timoris ageretur.

Leerstelling. — We spreken hier over de vrees, in zoover deze ertoe bijdraagt om ons naar God te richten, of ons van God af te wenden. Het voorwerp van de vrees is het kwaad. Wanneer nu de mensch om reden van de nadeelen die hij vreest zich van God verwijdert, dan is er spraak van menschelijke of wereldsche vrees. Het komt echter voor dat de mensch, om reden van de nadeelen die hij vreest, zich naar God toekeert en zich aan Hem hecht. Dit nadeel of dit kwaad is tweevoudig : de straf en de schuld. Keert men zich naar God om reden van de straf, waarvoor men terugschrikt, dan is er spraak van slaafsche vrees. Keert men zich echter naar God, omdat men van Hem door de schuld niet wil gescheiden worden, dan spreekt men van kinderlijke vrees. 51Kinderen immers vreezen hun vader te beleedigen. Keert men zich naar God uit vrees zoowel voor de straf als voor de beleediging, dan spreekt men van aanvangsvrees, die het midden houdt tusschen kinderlijke en slaafsche vrees. Om te weten of men de schuld kan vreezen, moet men zich herinneren, wat we vroeger daaromtrent hebben uiteengezet, waar we handelden over de vrees-hartstocht (I-II 42e Kw. 3e Art.).Leerstelling. — We spreken hier over de vrees, in zover deze ertoe bijdraagt om ons naar God te richten, of ons van God af te wenden. Het voorwerp van de vrees is het kwaad. Wanneer nu de mens om reden van de nadelen die hij vreest zich van God verwijdert, dan is er spraak van menselijke of wereldse vrees. Het komt echter voor dat de mens, om reden van de nadelen die hij vreest, zich naar God toekeert en zich aan Hem hecht. Dit nadeel of dit kwaad is tweevoudig: de straf en de schuld. Keert men zich naar God om reden van de straf, waarvoor men terugschrikt, dan is er spraak van slaafse vrees. Keert men zich echter naar God, omdat men van Hem door de schuld niet wil gescheiden worden, dan spreekt men van kinderlijke vrees. 51Kinderen immers vrezen hun vader te beledigen. Keert men zich naar God uit vrees zowel voor de straf als voor de belediging, dan spreekt men van aanvangsvrees, die het midden houdt tussen kinderlijke en slaafse vrees. Om te weten of men de schuld kan vrezen, moet men zich herinneren, wat we vroeger daaromtrent hebben uiteengezet, waar we handelden over de vrees-hartstocht (1-2 42e Kw. 3e Art.).

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod Damascenus dividit timorem, secundum quod est passio animae; haec autem divisio timoris attenditur in ordine ad Deum, ut dictum est [in corp.].

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Damascenus spreekt van de vrees-hartstocht, wij echter van de vrees in verband met God, zooals gezegd is (in de Leerst.).Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Damascenus spreekt van de vrees-hartstocht, wij echter van de vrees in verband met God, zoals gezegd is (in de Leerst.).

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod bonum morale praecipue consistit in conversione ad Deum, malum autem morale in aversione a Deo, et ideo omnes praedicti timores vel important malum morale, vel bonum; sed timor naturalis praesupponitur bono et malo morali, et ideo non connumeratur inter istos timores.

2. Zedelijk goed bestaat vooral in de toeneiging naar God, zedelijk kwaad in de verwijdering van God. Daarom zijn de soorten van vrees waarvan in vermelde indeeling spraak is, zedelijk slecht of goed. Doch de natuurlijke vrees gaat het zedelijk goed of kwaad vooraf. Daarom is er geen spraak van in de indeeling.2. Zedelijk goed bestaat vooral in de toeneiging naar God, zedelijk kwaad in de verwijdering van God. Daarom zijn de soorten van vrees waarvan in vermelde indeling spraak is, zedelijk slecht of goed. Doch de natuurlijke vrees gaat het zedelijk goed of kwaad vooraf. Daarom is er geen spraak van in de indeling.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod habitudo servi ad dominum est per potestatem domini servum sibi subjicientis, sed habitudo filii ad patrem, vel 52uxoris ad virum est e converso per affectum filii se subdentis patri, vel uxoris se conjungentis viro unione amoris. Unde timor filialis et castus ad idem pertinent, quia per charitatis amorem Deus pater noster efficitur, secundum illud Rom. 8 [v. 15] : « Accepistis spiritum adoptionis filiorum, in quo clamamus : Abba, pater », et secundum eamdem charitatem dicitur etiam sponsus noster, secundum illud 2. ad Cor. 11 [v. 2] : « Despondi vos uni viro virginem castam exhibere Christo »; timor autem servilis ad aliud pertinet, quia charitatem in sui ratione non includit.

3. De verhouding tusschen den knecht en den meester ontstaat uit het feit dat de meester den knecht aan zich ondergeschikt heeft. Daarentegen ontstaat de verhouding van den zoon tot den vader 52of van de vrouw tot den man, uit het feit dat de zoon zich uit genegenheid aan zijn vader onderwerpt, of doordat de vrouw zich uit genegenheid door een liefdeband met den man vereenigt. Daarom zijn de kinderlijke en de reine vrees éénzelfde vrees. Want door de genegenheid der liefde wordt God onze Vader, naar het woord van den Apostel in den Brief aan de Romeinen (8. 15) : « Gij hebt den geest van kindschap ontvangen, waardoor we roepen : Abba, Vader ». Om reden van dezelfde liefde wordt God onze bruidegom genoemd, naar het woord uit den Tweeden Brief aan de Corinthiërs (11. 2) : « Want aan één man heb ik u verloofd, om u als een reine maagd aan Christus' zijde te stellen ». De slaafsche vrees echter slaat op iets heel anders, daar ze de liefde niet insluit.3. De verhouding tussen de knecht en de meester ontstaat uit het feit dat de meester de knecht aan zich ondergeschikt heeft. Daarentegen ontstaat de verhouding van de zoon tot de vader 52of van de vrouw tot de man, uit het feit dat de zoon zich uit genegenheid aan zijn vader onderwerpt, of doordat de vrouw zich uit genegenheid door een liefdeband met de man verenigt. Daarom zijn de kinderlijke en de reine vrees éénzelfde vrees. Want door de genegenheid van de liefde wordt God onze Vader, naar het woord van de Apostel in de Brief aan de Romeinen (8, 15): “Gij hebt de geest van kindschap ontvangen, waardoor we roepen: Abba, Vader”. Om reden van dezelfde liefde wordt God onze bruidegom genoemd, naar het woord uit de Tweede Brief aan de Korintiërs (11, 2): “Want aan één man heb ik u verloofd, om u als een reine maagd aan Christus' zijde te stellen”. De slaafse vrees echter slaat op iets heel anders, daar ze de liefde niet insluit.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod praedicti tres timores respiciunt poenam, sed diversimode, nam timor mundanus sive humanus respicit poenam a Deo avertentem, quam quandoque inimici Dei infligunt, vel comminantur. Sed timor servilis et initialis respiciunt poenam, per quam homines attrahuntur ad Deum, divinitus inflictam, vel comminatam; quam quidem poenam principaliter timor servilis respicit, timor autem initialis secundario.

4. De drie soorten van vrees waarover in de bedenking gesproken wordt hebben betrekking op de straf. Doch niet alle op dezelfde wijze. De menschelijke of wereldsche vrees beschouwt de straf die van God verwijdert, nl. de straf waarmee de vijanden van God dreigen of die ze toepassen. De slaafsche en de aanvangsvrees beschouwen de straf die de menschen naar God trekt, nl. de straf door God toegepast of waarmee Hij dreigt. De slaafsche vrees beschouwt deze straf als voornaamste voorwerp; voor de aanvangsvrees is zij bijkomstig.4. De drie soorten van vrees waarover in de bedenking gesproken wordt hebben betrekking op de straf. Doch niet alle op dezelfde wijze. De menselijke of wereldse vrees beschouwt de straf die van God verwijdert, nl. de straf waarmee de vijanden van God dreigen of die ze toepassen. De slaafse en de aanvangsvrees beschouwen de straf die de mensen naar God trekt, nl. de straf door God toegepast of waarmee Hij dreigt. De slaafse vrees beschouwt deze straf als voornaamste voorwerp; voor de aanvangsvrees is zij bijkomstig.

↑ bedenking 5

53Ad quintum dicendum, quod eadem ratione homo a Deo avertitur propter timorem amittendi bona mundana, et propter timorem amittendi incolumitatem proprii corporis, quia bona exteriora ad corpus pertinet. Et ideo uterque timor hic pro eodem computatur, quamvis mala, quae timentur, sint diversa, sicut et bona, quae concupiscuntur. Ex qua quidem diversitate provenit diversitas peccatorum secundum speciem, quibus tamen omnibus commune est a Deo abducere.

535. De reden, waarom de mensch zich van God afkeert, is dezelfde, hetzij hij vreest de wereldsche goederen te verliezen of de gezondheid van het lichaam. Want ook de uitwendige goederen behooren tot het lichaam. Daarom vallen die soorten van vrees samen, hoewel de nadeelen die men vreest verschillen, evenals de goederen die men begeert onderscheiden zijn. Naar dit verschil zijn ook de zonden soortelijk onderscheiden, hoewel ze alle hierin overeenkomen, dat ze ons van God verwijderen.535. De reden, waarom de mens zich van God afkeert, is dezelfde, hetzij hij vreest de wereldse goederen te verliezen of de gezondheid van het lichaam. Want ook de uitwendige goederen behoren tot het lichaam. Daarom vallen die soorten van vrees samen, hoewel de nadelen die men vreest verschillen, evenals de goederen die men begeert onderscheiden zijn. Naar dit verschil zijn ook de zonden soortelijk onderscheiden, hoewel ze alle hierin overeenkomen, dat ze ons van God verwijderen.

Articulus III

Utrum timor mundanus sit semper malus

[3. Dist. 34. q. 2. art. 1. qla. 3. et Rom. c. 8. lect. 3.].
IIIe Artikel

Is de wereldsche vrees altijd slecht?Is de wereldse vrees altijd slecht?

antwoord 1 ↓

Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod timor mundanus non semper sit malus : ad timorem enim humanum pertinere videtur, quod homines reveremur. Sed quidam vituperantur de hoc, quod homines non reverentur, ut patet Luc. 18 [v. 2] de illo judice iniquo, qui nec Deum timebat, nec 54homines reverebatur. Ergo videtur, quod timor mundanus non semper sit malus.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de wereldsche vrees niet altijd slecht is. — 1. De wereldsche vrees boezemt eerbied in voor de menschen. Welnu, sommigen werden berispt omdat ze de menschen niet eerden, zooals Lucas (18. 2) verhaalt van den 54onrechtvaardigen rechter, die God niet vreesde en zich aan de menschen niet stoorde. Bijgevolg is de wereldsche vrees niet steeds slecht.Bedenkingen. — Men beweert, dat de wereldse vrees niet altijd slecht is. — 1. De wereldse vrees boezemt eerbied in voor de mensen. Welnu, sommigen werden berispt omdat ze de mensen niet eerden, zoals Lukas (18, 2) verhaalt van de 54onrechtvaardige rechter, die God niet vreesde en zich aan de mensen niet stoorde. Bijgevolg is de wereldse vrees niet steeds slecht.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, ad timorem mundanum videntur pertinere poenae, quae per potestates seculares infliguntur. Sed per hujusmodi poenas provocamur ad bene agendum, secundum illud Rom. 13 [v. 3] : « Vis non timere potestatem? bonum fac, et habebis laudem ex illa ». Ergo timor mundanus non semper est malus.

2. De straffen, door de burgerlijke macht toegepast, vallen onder de wereldsche vrees. Doch deze straffen zetten ons ertoe aan om ons goed te gedragen. In den Brief aan de Romeinen (13. 3) zegt immers de Apostel : « Wilt ge niets te vreezen hebben van het gezag? Gedraag u dan behoorlijk, en gij zult zijn goedkeuring verwerven ». Bijgevolg is de wereldsche vrees niet altijd verkeerd.2. De straffen, door de burgerlijke macht toegepast, vallen onder de wereldse vrees. Doch deze straffen zetten ons ertoe aan om ons goed te gedragen. In de Brief aan de Romeinen (13, 3) zegt immers de Apostel: “Wilt ge niets te vrezen hebben van het gezag? Gedraag u dan behoorlijk, en gij zult zijn goedkeuring verwerven”. Bijgevolg is de wereldse vrees niet altijd verkeerd.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, illud, quod inest nobis naturaliter, non videtur esse malum, eo quod naturalia sunt nobis a Deo. Sed naturali est homini, ut timeat proprii corporis detrimentum et amissionem bonorum temporalium, quibus praesens vita sustentatur. Ergo videtur, quod timor mundanus non sit semper malus.

3. Wat ons aangeboren is kan niet slecht zijn, want de natuur komt van God. Welnu het is natuurlijk dat men ervoor terugschrikt, benadeeld te worden in zijn eigen lichaam, of de tijdelijke goederen te verliezen, waardoor men in zijn levensnoodwendigheden voorziet. Bijgevolg is de wereldsche vrees niet altijd verkeerd.3. Wat ons aangeboren is kan niet slecht zijn, want de natuur komt van God. Welnu het is natuurlijk dat men ervoor terugschrikt, benadeeld te worden in zijn eigen lichaam, of de tijdelijke goederen te verliezen, waardoor men in zijn levensnoodwendigheden voorziet. Bijgevolg is de wereldse vrees niet altijd verkeerd.

Sed contra est, quod Dominus dicit Matth. 10 [v. 28] : « Nolite timere eos, qui corpus occidunt », ubi timor mundanus prohibetur. Nihil 55autem divinitus prohibetur, nisi malum. Ergo timor mundanus est malus.

Daartegenover staat echter, wat we lezen bij Mattheus (10. 28) : « Weest niet bevreesd voor hen die het lichaam dooden ». Daardoor wordt de wereldsche vrees verboden. Welnu God 55verbiedt alleen wat slecht is. Bijgevolg is de wereldsche vrees verkeerd.Daartegenover staat echter, wat we lezen bij Matteüs (10, 28): “Weest niet bevreesd voor hen die het lichaam doden”. Daardoor wordt de wereldse vrees verboden. Welnu God 55verbiedt alleen wat slecht is. Bijgevolg is de wereldse vrees verkeerd.

Respondeo dicendum, quod, sicut ex supra dictis patet [1-2. q. 18. art. 2, et q. 54. art. 2.], actus morales et habitus ex objectis nomen et speciem habent; propter autem objectum appetitivi motus est bonum finale, et ideo a proprio fine omnis motus appetitivus et specificatur et nominatur. Si quis enim cupiditatem nominaret amorem laboris, quia propter cupiditatem homines laborant, non recte nominaret : non enim cupidi laborem quaerunt, sicut finem, sed sicut id quod est ad finem; sicut finem autem quaerunt divitias, unde cupiditas recte nominatur desiderium, vel amor divitiarum, quod est malum. Et per hunc modum amor mundanus proprie dicitur, quo aliquis mundo innititur tamquam fini, et sic amor mundanus semper est malus; timor autem ex amore nascitur : illud enim timet homo amittere quod amat, ut patet per Augustinum in lib. 83. QQ. [q. 33.]. Et ideo timor mundanus est, qui procedit ab amore mundano, tamquam a mala radice. Et propter hoc ipse timor mundanus semper est malus.

Leerstelling. — Zooals vroeger is uiteengezet (I-II 18e Kw. 1e Art.; 54e Kw. 2e Art.), krijgen de zedelijke handelingen en vaardigheden hun benaming en soortindeeling van hun voorwerp. Het voorwerp nu van het streefvermogen is het einddoel. Waaruit volgt dat elke neiging van het streefvermogen genoemd en soortelijk ingedeeld wordt volgens haar eigen einddoel. Aldus zou het verkeerd zijn de liefde tot den arbeid, winzucht te noemen, alleen omdat de menschen in hun werk winzuchtig zijn. De winzuchtige zoekt het werk niet als een doel, doch als een middel. Zijn doel is de rijkdom. Daarom is de winzucht een begeerte naar of een liefde tot den rijkdom; wat verkeerd is. Zoo is ook de wereldsche liefde, de liefde van hen die zich aan de wereld hechten als aan een einddoel. Deze wereldsche liefde is daarom steeds slecht. Welnu de vrees ontstaat uit de liefde; want men vreest te verliezen wat men bemint, zooals bij Augustinus blijkt. De wereldsche vrees wortelt bijgevolg in de wereldsche liefde. Die wortel is slecht, en bijgevolg is ook de wereldsche vrees altijd slecht.Leerstelling. — Zoals vroeger is uiteengezet (1-2 18e Kw. 1e Art.; 54e Kw. 2e Art.), krijgen de zedelijke handelingen en vaardigheden hun benaming en soortindeling van hun voorwerp. Het voorwerp nu van het streefvermogen is het einddoel. Waaruit volgt dat elke neiging van het streefvermogen genoemd en soortelijk ingedeeld wordt volgens haar eigen einddoel. Aldus zou het verkeerd zijn de liefde tot de arbeid, winzucht te noemen, alleen omdat de mensen in hun werk winzuchtig zijn. De winzuchtige zoekt het werk niet als een doel, doch als een middel. Zijn doel is de rijkdom. Daarom is de winzucht een begeerte naar of een liefde tot de rijkdom; wat verkeerd is. Zo is ook de wereldse liefde, de liefde van hen die zich aan de wereld hechten als aan een einddoel. Deze wereldse liefde is daarom steeds slecht. Welnu de vrees ontstaat uit de liefde; want men vreest te verliezen wat men bemint, zoals bij Augustinus blijkt. De wereldse vrees wortelt bijgevolg in de wereldse liefde. Die wortel is slecht, en bijgevolg is ook de wereldse vrees altijd slecht.

↑ bedenking 1

56Ad primum ergo dicendum, quod aliquis potest revereri homines dupliciter : uno modo, inquantum est in eis aliquid divinum, puta bonum gratiae vel virtutis vel saltem naturalis Dei imaginis : et hoc modo vituperantur, qui homines non reverentur. Alio modo potest aliquis homines revereri, inquantum Deo contrariantur, et sic laudantur, qui homines non reverentur, secundum illud Eccli. 48. [v. 13] de Elia vel de Elisaeo : « In diebus suis non pertimuit principem ».

56Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Men kan de menschen eer bewijzen om een dubbele reden : ten eerste, omdat men in den mensch iets goddelijks erkent, nl. de genade of de deugd, of op zijn minst een natuurlijke beeltenis van God. Daarom worden diegene die de menschen niet eeren, berispt. Men kan daarentegen iemand eer bewijzen omdat hij zich tegen God verzet. Aldus worden zij geprezen die de menschen niet eeren, naar dit woord uit het Boek Ecclesiasticus (48. 13), betreffende Elias of Eliseus: « In zijn tijd vreesde hij den vorst niet ».56Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Men kan de mensen eer bewijzen om een dubbele reden: ten eerste, omdat men in de mens iets goddelijks erkent, nl. de genade of de deugd, of op zijn minst een natuurlijke beeltenis van God. Daarom worden diegene die de mensen niet eren, berispt. Men kan daarentegen iemand eer bewijzen omdat hij zich tegen God verzet. Aldus worden zij geprezen die de mensen niet eren, naar dit woord uit het Boek Sirach (48, 13), betreffende Elias of Eliseus: “In zijn tijd vreesde hij de vorst niet”.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod potestates saeculares, quando inferunt poenas ad retrahendum a peccato, in hoc sunt Dei ministri, secundum illud Rom. 13 [4] : « Minister enim Dei est vindex in iram ei, qui malum agit », et secundum hoc timere potestatem saecularem non pertinet ad timorem mundanum, sed ad timorem servilem vel initialem.

2. Wanneer de burgerlijke overheid straft, dan is zij de dienaar Gods, zooals Paulus zegt in den Brief aan de Romeinen (13. 4) : « Het gezag is de dienaar Gods, die met de bestraffing van den misdadiger belast is ». Dergelijke vrees voor de burgerlijke overheid is geen wereldsche, doch een slaafsche of beginnende vrees.2. Wanneer de burgerlijke overheid straft, dan is zij de dienaar Gods, zoals Paulus zegt in de Brief aan de Romeinen (13, 4): “Het gezag is de dienaar Gods, die met de bestraffing van de misdadiger belast is”. Dergelijke vrees voor de burgerlijke overheid is geen wereldse, doch een slaafse of beginnende vrees.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod hoc est naturale, quod homo refugiat proprii corporis detrimentum et damna temporalium rerum. Sed quod homo propter ista recedat a justitia, est contra rationem naturalem. Unde Philosophus dicit in 3. Ethic. [cap. 1.], quod quaedam sunt, scilicet peccatorum 57opera, ad quae nullo timore aliquis debet cogi, quia pejus est hujusmodi peccata committere, quam poenas quascumque pati.

3. Het is den mensch aangeboren, dat hij alles van zich afweert wat hem in zijn lichaam of in zijn goederen schaden kan. Doch het is in strijd met de natuurlijke rede dat de mensch daarom van den rechten weg afwijkt. Vandaar leert de Wijsgeer dat er dingen zijn, nl. zondige handelingen, waartoe niemand, uit welke 57vrees ook, moet gedwongen worden. Want het is erger deze handelingen te stellen, dan om 't even welk leed te ondergaan.3. Het is de mens aangeboren, dat hij alles van zich afweert wat hem in zijn lichaam of in zijn goederen schaden kan. Doch het is in strijd met de natuurlijke rede dat de mens daarom van de rechte weg afwijkt. Vandaar leert de Wijsgeer dat er dingen zijn, nl. zondige handelingen, waartoe niemand, uit welke 57vrees ook, moet gedwongen worden. Want het is erger deze handelingen te stellen, dan om 't even welk leed te ondergaan.

Articulus IV

Utrum timor servilis sit bonus

[3. Dist. 34. q. 2. art. 2. qla. 1 ; Rom. c. 8. lect. 3.]
IVe Artikel

Is de slaafsche vrees goed?Is de slaafse vrees goed?

antwoord 1 ↓

Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod timor servilis non sit bonus, quia cujus usus est malus, ipsum quoque malum est. Sed usus timoris servilis est malus, quia sicut Glos. Lombard. ex Prosp.; ad v. 15 dicit Rom. 8 [v. 15] : « Qui timore aliquid facit, etsi bonum sit, quod facit, non tamen bene facit ». Ergo timor servilis non est bonus.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de slaafsche vrees niet goed is. — 1. Datgene waarvan het gebruik verkeerd is, is zelf verkeerd. Welnu het is verkeerd uit slaafsche vrees te handelen. Want op het woord van den Apostel in den Brief aan de Romeinen (8. 15), merkt de Glossa op : « Hij die iets doet uit vrees, zelfs wanneer datgene wat hij doet goed is, handelt verkeerd ». Dus is de slaafsche vrees niet goed.Bedenkingen. — Men beweert, dat de slaafse vrees niet goed is. — 1. Datgene waarvan het gebruik verkeerd is, is zelf verkeerd. Welnu het is verkeerd uit slaafse vrees te handelen. Want op het woord van de Apostel in de Brief aan de Romeinen (8, 15), merkt de Glossa op: “Hij die iets doet uit vrees, zelfs wanneer datgene wat hij doet goed is, handelt verkeerd”. Dus is de slaafse vrees niet goed.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, illud quod ex radice peccati oritur, non est bonum. Sed timor servilis oritur ex radice peccati, quia super illud Job 3 [v. 11] : Quare non in vulva mortuus sum? ; dicit Gregorius [lib. 4. Mor. cap. 27] : 58« Cum ex peccato praesens poena metuitur, et annexa 1 Dei facies non amatur, timor ex tumore est, non ex humilitate ». Ergo timor servilis est malus.

2. Wat wortelt in de zonde, is niet goed. Welnu de slaafsche vrees wortelt in de zonde. Het Boek Job (3. 11) zegt : « Waarom stierf ik niet in den schoot van mijn moeder? » De H. Gregorius merkt daarbij op : « Wanneer men om reden van de zonde, 58de tegenwoordige straf vreest, en geen liefde gevoelt voor het aanschijn des Heeren, waarvan men zich afwendde, dan komt die vrees voort uit hoogmoed, geenszins uit nederigheid ». Bijgevolg is de slaafsche vrees verkeerd.2. Wat wortelt in de zonde, is niet goed. Welnu de slaafse vrees wortelt in de zonde. Het Boek Job (3, 11) zegt: “Waarom stierf ik niet in de schoot van mijn moeder?” De H. Gregorius merkt daarbij op: “Wanneer men om reden van de zonde, 58de tegenwoordige straf vreest, en geen liefde gevoelt voor het aanschijn van de Heer, waarvan men zich afwendde, dan komt die vrees voort uit hoogmoed, geenszins uit nederigheid”. Bijgevolg is de slaafse vrees verkeerd.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, sicut amori charitatis opponitur amor mercenarius, ita timori casto videtur opponi timor servilis. Sed amor mercenarius semper est malus. Ergo et timor servilis.

3. Zooals de genegenheid van de liefde tegengesteld is aan de genegenheid van een huurling, aldus is reine vrees tegengesteld aan slaafsche vrees. Welnu de genegenheid van een huurling is steeds verkeerd. Dus evenzoo de slaafsche vrees.3. Zoals de genegenheid van de liefde tegengesteld is aan de genegenheid van een huurling, aldus is reine vrees tegengesteld aan slaafse vrees. Welnu de genegenheid van een huurling is steeds verkeerd. Dus evenzo de slaafse vrees.

Sed contra, nullum malum est a Spiritu Sancto. Sed timor servilis est a Spiritu Sancto, quia super illud Rom. 8 [v. 15] : Non accepistis spiritum servitutis, etc. dicit Glos. [Lombard. ex August. tract. 9. in epist. Joan.] : « Unus spiritus est, qui facit duos timores », scilicet servilem et castum. Ergo timor servilis non est malus.

Daartegenover staat echter dat niets wat van den H. Geest komt, slecht is. Welnu de slaafsche vrees komt van den H. Geest. Want betreffende dit woord van den Brief aan de Romeinen (8. 15) : « Gij hebt geen geest van slavernij ontvangen... », zegt de Glossa : « Zoowel de slaafsche als de reine vrees komen van den H. Geest ». Bijgevolg is de slaafsche vrees niet verkeerd.Daartegenover staat echter dat niets wat van de H. Geest komt, slecht is. Welnu de slaafse vrees komt van de H. Geest. Want betreffende dit woord van de Brief aan de Romeinen (8, 15): “Gij hebt geen geest van slavernij ontvangen...”, zegt de Glossa: “Zowel de slaafse als de reine vrees komen van de H. Geest”. Bijgevolg is de slaafse vrees niet verkeerd.

Respondeo dicendum, quod timor servilis ex parte servilitatis habet, quod sit malus : servitus enim libertati opponitur; unde cum liber sit qui 59causa sui est, ut dicitur in 1. Metaphysic. [cap. 2.], servus est, qui non causa sui operatur, sed quasi ab extrinseco motus. Quicumque autem ex amore aliquid facit, quasi ex seipso operatur, quia ex propria inclinatione movetur ad operandum; et ideo contra rationem servilitatis est, quod aliquis ex amore operetur. Sic ergo timor servilis, inquantum servilis est, charitati contrariatur; si ergo servilitas esset de ratione timoris servilis, oporteret quod timor servilis simpliciter esset malus, sicut adulterium simpliciter est malum, quia id, ex quo contrariatur charitati, pertinet ad adulterii speciem. Sed praedicta servilitas non pertinet ad speciem timoris servilis, sicut nec informitas ad speciem fidei informis : species enim moralis habitus vel actus ex objecto accipitur; objectum autem timoris servilis est poena, cui accidit, quod bonum, cui contrariatur poena, ametur tamquam finis ultimus, et per consequens poena timeatur tamquam principale malum, quod contingit in non habente charitatem; vel quod ordinetur in Deum, sicut in finem, et per consequens poena non timeatur tamquam principale malum, quod contingit in habente 60charitatem : non enim tollitur species habitus per hoc, quod ejus objectum vel finis ordinatur ad ulteriorem finem. Et ideo timor servilis secundum suam substantiam bonus est, sed servilitas ejus est mala.

Leerstelling. — De slaafsche vrees is slecht, wanneer ze voortspruit uit een slaafsche gezindheid. Slavernij en vrijheid sluiten immers elkander uit. De vrije man is zichzelf meester, zooals 59in de Metaphysica gezegd is; de slaaf daarentegen beschikt niet over zichzelf, doch wordt als van buiten af gedreven. Hij nu die uit liefde handelt, is meester van zijn daden, want hij handelt uit persoonlijke neiging. Het is derhalve uitgesloten dat een slaaf uit liefde handelt. Daarom ook is de slaafsche vrees juist als slaafsche vrees beschouwd in strijd met de liefde. Was die slaafsche gezindheid wezenlijk met de slaafsche vrees verbonden, dan zou de slaafsche vrees altijd slecht zijn. De echtbreuk, b. v. is altijd slecht, omdat iets wat wezenlijk met de liefde in strijd is, tot de wezenheid der echtbreuk behoort. Maar de slaafsche gezindheid behoort geenszins tot de wezenheid der slaafsche vrees, evenmin als datgene waardoor het geloof een dood geloof is, behoort tot de wezenheid van het geloof. De zedelijke handelingen en vaardigheden krijgen immers hun soortindeeling naar hun voorwerp. Het eigenlijke voorwerp van de slaafsche vrees is de straf. Het is echter toevallig, dat iemand datgene waarvan hij door de straf beroofd wordt, als zijn einddoel bemint, zoodat zijn vrees hoofdzakelijk op de straf betrokken is. En dit is het geval bij hen die buiten de liefde leven. Toevallig is het ook, dat iemand de straf beschouwt als een middel om God of het einddoel te verwerven, zoodat zijn vrees niet hoofdzakelijk op de straf betrokken is. En 60dit is de gesteldheid van hen die de liefde bezitten. De natuur van een vaardigheid wordt niet gewijzigd doordat het voorwerp of het doel van die vaardigheid op een verder doel gericht wordt. Daarom is de vrees voor de straf als zoodanig uiteraard goed; alleen de slaafsche gezindheid is verkeerd.Leerstelling. — De slaafse vrees is slecht, wanneer ze voortspruit uit een slaafse gezindheid. Slavernij en vrijheid sluiten immers elkander uit. De vrije man is zichzelf meester, zoals 59in de Metafysica gezegd is; de slaaf daarentegen beschikt niet over zichzelf, doch wordt als van buiten af gedreven. Hij nu die uit liefde handelt, is meester van zijn daden, want hij handelt uit persoonlijke neiging. Het is derhalve uitgesloten dat een slaaf uit liefde handelt. Daarom ook is de slaafse vrees juist als slaafse vrees beschouwd in strijd met de liefde. Was die slaafse gezindheid wezenlijk met de slaafse vrees verbonden, dan zou de slaafse vrees altijd slecht zijn. De echtbreuk, bv. is altijd slecht, omdat iets wat wezenlijk met de liefde in strijd is, tot de wezenheid van de echtbreuk behoort. Maar de slaafse gezindheid behoort geenszins tot de wezenheid van de slaafse vrees, evenmin als datgene waardoor het geloof een dood geloof is, behoort tot de wezenheid van het geloof. De zedelijke handelingen en vaardigheden krijgen immers hun soortindeling naar hun voorwerp. Het eigenlijke voorwerp van de slaafse vrees is de straf. Het is echter toevallig, dat iemand datgene waarvan hij door de straf beroofd wordt, als zijn einddoel bemint, zodat zijn vrees hoofdzakelijk op de straf betrokken is. En dit is het geval bij hen die buiten de liefde leven. Toevallig is het ook, dat iemand de straf beschouwt als een middel om God of het einddoel te verwerven, zodat zijn vrees niet hoofdzakelijk op de straf betrokken is. En 60dit is de gesteldheid van hen die de liefde bezitten. De natuur van een vaardigheid wordt niet gewijzigd doordat het voorwerp of het doel van die vaardigheid op een verder doel gericht wordt. Daarom is de vrees voor de straf als zodanig uiteraard goed; alleen de slaafse gezindheid is verkeerd.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod verbum illud Augustini intelligendum est de eo, qui facit aliquid timore servili, inquantum est servilis, ut scilicet non amet justitiam, sed solum poenam timeat.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het aangehaalde woord van Augustinus slaat op diengene die op slaafsche wijze vreest, zoodat hij de gerechtigheid niet bemint, doch uitsluitend de straf vreest.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het aangehaalde woord van Augustinus slaat op diengene die op slaafse wijze vreest, zodat hij de gerechtigheid niet bemint, doch uitsluitend de straf vreest.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod timor servilis secundum suam objectum 2 non oritur ex tumore, sed ejus servilitas ex timore nascitur, inquantum scilicet homo affectum suum non vult subjicere jugo justitiae per amorem.

2. Naar haar zelfstandigheid ontstaat de slaafsche vrees niet uit hoogmoed. Alleen de slaafsche gezindheid komt uit hoogmoed voort, in zoover iemand zijn gemoed door de liefde niet wil onderwerpen aan het juk van de gerechtigheid.2. Naar haar zelfstandigheid ontstaat de slaafse vrees niet uit hoogmoed. Alleen de slaafse gezindheid komt uit hoogmoed voort, in zover iemand zijn gemoed door de liefde niet wil onderwerpen aan het juk van de gerechtigheid.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod amor mercenarius dicitur, qui Deum diligit propter bona temporalia, quod secundum se charitati contrariatur; et ideo amor mercenarius semper est malus. Sed timor servilis secundum suam substantiam non importat nisi timorem poenae, sive timeatur ut principale malum, sive non timeatur ut principale malum.

3. De huurling bemint God om wille van de tijdelijke goederen; wat uiteraard in strijd is met de liefde. Daarom is de liefde van den huurling steeds slecht. Doch de slaafsche vrees slaat uiteraard uitsluitend op de straf, hetzij deze straf, als voornaamste kwaad geweerd wordt, of niet.3. De huurling bemint God om wille van de tijdelijke goederen; wat uiteraard in strijd is met de liefde. Daarom is de liefde van de huurling steeds slecht. Doch de slaafse vrees slaat uiteraard uitsluitend op de straf, hetzij deze straf, als voornaamste kwaad geweerd wordt, of niet.

Articulus V

Utrum timor servilis sit idem in substantia cum timore filiali

[3. Dist. 34. q. 2. art. 3. qla. 1.]
Ve Artikel

Zijn de slaafsche en de kinderlijke vrees wezenlijk hetzelfde?Zijn de slaafse en de kinderlijke vrees wezenlijk hetzelfde?

antwoord 1 ↓

61Ad quintum sic proceditur. Videtur, quod timor servilis sit idem in substantia cum timore filiali : ita enim videtur se habere timor filialis ad servilem, sicut fides formata ad informem; quorum unum est cum peccato mortali, aliud vero non. Sed eadem secundum substantiam est fides formata et informis. Ergo et idem est secundum substantiam timor servilis et filialis.

61Bedenkingen. — Men beweert, dat de slaafsche en de kinderlijke vrees wezenlijk hetzelfde zijn. — 1. De verhouding van de kinderlijke vrees tot de slaafsche, is dezelfde als de verhouding van het doode geloof tot het levende. Het doode geloof bestaat bij iemand die in doodzonde leeft; het levende geloof niet. Nochtans is het doode geloof wezenlijk hetzelfde als het levende. Bijgevolg zijn ook de slaafsche en de kinderlijke vrees wezenlijk hetzelfde.61Bedenkingen. — Men beweert, dat de slaafse en de kinderlijke vrees wezenlijk hetzelfde zijn. — 1. De verhouding van de kinderlijke vrees tot de slaafse, is dezelfde als de verhouding van het dode geloof tot het levende. Het dode geloof bestaat bij iemand die in doodzonde leeft; het levende geloof niet. Nochtans is het dode geloof wezenlijk hetzelfde als het levende. Bijgevolg zijn ook de slaafse en de kinderlijke vrees wezenlijk hetzelfde.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, habitus diversificantur secundum objecta. Sed idem est objectum timoris servilis et filialis, quia utroque timore timetur Deus. Ergo et idem est secundum substantiam timor servilis et timor filialis.

2. De vaardigheden worden soortelijk onderscheiden door hun voorwerpen. Welnu de slaafsche en de kinderlijke vrees hebben hetzelfde voorwerp. Beide vreezen God. Bijgevolg zijn ze wezenlijk hetzelfde.2. De vaardigheden worden soortelijk onderscheiden door hun voorwerpen. Welnu de slaafse en de kinderlijke vrees hebben hetzelfde voorwerp. Beide vrezen God. Bijgevolg zijn ze wezenlijk hetzelfde.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, sicut homo sperat frui Deo, et etiam ab eo beneficia obtinere, ita etiam timet separari a Deo, et poenas ab eo pati. Sed eadem 62est spes, qua speramus frui Deo, et qua speramus alia beneficia obtinere ab eo, ut dictum est [q. 17. art. 2. ad 2.]. Ergo etiam idem est timor filialis, quo timemus separationem a Deo, et timor servilis, quo timemus ab eo puniri.

3. Zooals de mensch hoopt God te genieten en weldaden van Hem te ontvangen, evenzoo vreest hij van God gescheiden te worden en door Hem gestraft te worden. Welnu, zooals boven 62gezegd is (17e Kw. 2e Art. 2e Antw.), hoopt de mensch door éénzelfde hoop het bezit van God en diens weldaden. Dus is de kinderlijke vrees, waardoor wij vreezen van God gescheiden te worden hetzelfde als de slaafsche vrees, waardoor wij beducht zijn voor Gods straffen.3. Zoals de mens hoopt God te genieten en weldaden van Hem te ontvangen, evenzo vreest hij van God gescheiden te worden en door Hem gestraft te worden. Welnu, zoals boven 62gezegd is (17e Kw. 2e Art. 2e Antw.), hoopt de mens door éénzelfde hoop het bezit van God en diens weldaden. Dus is de kinderlijke vrees, waardoor wij vrezen van God gescheiden te worden hetzelfde als de slaafse vrees, waardoor wij beducht zijn voor Gods straffen.

Sed contra est, quod Augustinus super 1. Canon. Joan. [tract. 9.] dicit duos esse timores, alium servilem, et alium filialem, vel castum.

Daartegenover staat echter het gezag van Augustinus, die bevestigt dat er een dubbele vrees is : een slaafsche en een kinderlijke of reine vrees.Daartegenover staat echter het gezag van Augustinus, die bevestigt dat er een dubbele vrees is: een slaafse en een kinderlijke of reine vrees.

Respondeo dicendum, quod proprium objectum timoris est malum, et quia actus et habitus distinguuntur secundum objecta, ut ex supra dictis patet [1-2. q. 54. art. 2.], necesse est, quod secundum diversitatem malorum et timores specie differant. Differunt autem specie malum poenae, quod refugit timor servilis, et malum culpae, quod refugit timor filialis, ut ex supra dictis patet [art. 2.]. Unde manifestum est, quod timor servilis et filialis non sunt idem secundum substantiam, sed differunt specie.

Leerstelling. — Het eigen voorwerp van de vrees is een kwaad. Omdat nu de handelingen en de vaardigheden hun soortindeeling krijgen van hun voorwerp, moeten we de soorten van vrees onderscheiden, naargelang het kwaad soortelijk verschillend is. Welnu het kwaad dat de slaafsche vrees ontwijkt, nl. de straf, verschilt van het kwaad dat de kinderlijke vrees ontwijkt, nl. de zonde, zooals wij boven zegden (2e Art.). Bijgevolg zijn de slaafsche en de kinderlijke vrees wezenlijk onderscheiden en soortelijk verschillend.Leerstelling. — Het eigen voorwerp van de vrees is een kwaad. Omdat nu de handelingen en de vaardigheden hun soortindeling krijgen van hun voorwerp, moeten we de soorten van vrees onderscheiden, naargelang het kwaad soortelijk verschillend is. Welnu het kwaad dat de slaafse vrees ontwijkt, nl. de straf, verschilt van het kwaad dat de kinderlijke vrees ontwijkt, nl. de zonde, zoals wij boven zegden (2e Art.). Bijgevolg zijn de slaafse en de kinderlijke vrees wezenlijk onderscheiden en soortelijk verschillend.

↑ bedenking 1

63Ad primum ergo dicendum, quod fides formata et informis non differunt secundum objectum; utraque enim fides et credit Deo, et credit Deum, sed differunt solum per aliquod extrinsecum, scilicet secundum praesentiam et absentiam charitatis; et ideo non differunt secundum substantiam. Sed timor servilis, et filialis differunt secundum objecta; et ideo non est similis ratio.

63Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het levende en het doode geloof zijn niet verschillend naar hun voorwerp. Beide gelooven in God en gelooven God. Ze verschillen door iets dat uitwendig is, nl. de aanwezigheid of de afwezigheid van de liefde. Daarom zijn ze niet wezenlijk verschillend. Doch het voorwerp van de slaafsche vrees verschilt van het voorwerp van de kinderlijke vrees. De vergelijking gaat dus niet op.63Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het levende en het dode geloof zijn niet verschillend naar hun voorwerp. Beide geloven in God en geloven God. Ze verschillen door iets dat uitwendig is, nl. de aanwezigheid of de afwezigheid van de liefde. Daarom zijn ze niet wezenlijk verschillend. Doch het voorwerp van de slaafse vrees verschilt van het voorwerp van de kinderlijke vrees. De vergelijking gaat dus niet op.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod timor servilis et timor filialis non habent eamdem habitudinem ad Deum, nam timor servilis respicit Deum, sicut principium inflictivum poenarum, timor autem filialis respicit Deum, non sicut principium activum culpae, sed potius sicut terminum, a quo refugit separari per culpam. Et ideo ex hoc objecto, quod est Deus, non consequitur identitatem speciei, quia etiam motus naturales secundum habitudinem ad aliquem terminum specie diversificantur : non enim idem est motus specie, qui est ab albedine, et qui est ad albedinem.

2. De slaafsche en de kinderlijke vrees staan niet in dezelfde verhouding tot God. De slaafsche vrees ziet in God hem die straft; de kinderlijke vrees echter beschouwt God, niet als de oorzaak van de zonde, doch integendeel als diengene waarvan men door de zonde niet wil gescheiden worden. Het is dus niet omdat beide soorten van vrees betrekking hebben op God dat ze soortelijk gelijk zijn. Ook de natuurlijke neigingen zijn soortelijk onderscheiden naar gelang ze in een andere verhouding staan tot hun term. De beweging die de witheid nastreeft is niet dezelfde als de beweging die zich van de witheid verwijdert.2. De slaafse en de kinderlijke vrees staan niet in dezelfde verhouding tot God. De slaafse vrees ziet in God hem die straft; de kinderlijke vrees echter beschouwt God, niet als de oorzaak van de zonde, doch integendeel als diengene waarvan men door de zonde niet wil gescheiden worden. Het is dus niet omdat beide soorten van vrees betrekking hebben op God dat ze soortelijk gelijk zijn. Ook de natuurlijke neigingen zijn soortelijk onderscheiden naar gelang ze in een andere verhouding staan tot hun term. De beweging die de witheid nastreeft is niet dezelfde als de beweging die zich van de witheid verwijdert.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod spes respicit Deum sicut principium, tam respectu fruitionis divinae, quam respectu cujuscumque alterius benefici. Non autem est sic de timore; et ideo non est similis ratio.

3. De hoop ziet in God het beginsel én van de Godsgenieting, én van elke andere weldaad. Dit is niet het geval met de vrees. Bijgevolg gaat de vergelijking niet op.

Articulus VI

Utrum timor servilis remaneat cum charitate

[infra. a. 8. 3. Dist. 34. q. 2. art. 2. et Veri. q. 14. art. 7. ad 2.]
VIe Artikel

Kan de slaafsche vrees samen bestaan met de liefde?Kan de slaafse vrees samen bestaan met de liefde?

antwoord 1 ↓

64Ad sextum sic proceditur. Videtur, quod timor servilis non remaneat cum charitate : dicit enim Augustinus super Canon. 1. Joan. [tract. 9.], quod cum coeperit charitas habitare, pellitur timor, qui ei praeparavit locum.

64Bedenkingen. — Men beweert, dat de slaafsche vrees niet samen kan bestaan met de liefde. — 1. Bij den Eersten Brief van Joannes, merkt Augustinus op dat, wanneer de liefde bij iemand haar intrek neemt, de vrees, die de plaats voor de liefde voorbereidde, uitgedreven wordt.64Bedenkingen. — Men beweert, dat de slaafse vrees niet samen kan bestaan met de liefde. — 1. Bij de Eerste Brief van Johannes, merkt Augustinus op dat, wanneer de liefde bij iemand haar intrek neemt, de vrees, die de plaats voor de liefde voorbereidde, uitgedreven wordt.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, « Charitas Dei diffunditur in cordibus nostris per Spiritum Sanctum, qui datus est nobis », ut dicitur Rom. 5 [v. 5.]. Sed « ubi Spiritus Domini, ibi libertas », ut dicitur 2. ad Cor. 3 [v. 17.]. Cum ergo libertas excludat servitutem, videtur quod timor servilis expellatur, charitate adveniente.

2. In den Brief aan de Romeinen (5. 5) lezen we : « De liefde Gods is uitgestort in onze harten door den H. Geest, die ons geschonken werd ». Doch : « Waar de Geest des Heeren is, daar is vrijheid », zooals we lezen in den Tweeden Brief aan de Corinthiërs (3. 17). Daar de vrijheid de slavernij verdrijft, verdrijft de liefde de slaafsche vrees.2. In de Brief aan de Romeinen (5, 5) lezen we: “De liefde Gods is uitgestort in onze harten door de H. Geest, die ons geschonken werd”. Doch: “Waar de Geest van de Heer is, daar is vrijheid”, zoals we lezen in de Tweede Brief aan de Korintiërs (3, 17). Daar de vrijheid de slavernij verdrijft, verdrijft de liefde de slaafse vrees.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, timor servilis ex amore sui causatur, inquantum poena diminuit proprium bonum. Sed amor Dei expellit amorem sui : facit enim contemnere seipsum, ut patet per auctoritatem Augustini 14. de Civ. Dei 65[cap. 28.], quod amor Dei usque ad contemptum sui facit civitatem Dei. Ergo videtur, quod veniente charitate, timor servilis tollatur.

3. De slaafsche vrees ontstaat uit de liefde die we onszelf toedragen; we vreezen immers de straf die ons eigen welzijn vermindert. Doch de liefde tot God verdrijft de liefde tot onszelf. Zij leidt immers tot het misprijzen van onszelf, zooals uit Augustinus 65blijkt dat de liefde tot God doorgedreven tot het misprijzen van onszelf, de stad Gods opbouwt. Bijgevolg verdwijnt de slaafsche vrees wanneer de liefde in ons ontstaat.3. De slaafse vrees ontstaat uit de liefde die we onszelf toedragen; we vrezen immers de straf die ons eigen welzijn vermindert. Doch de liefde tot God verdrijft de liefde tot onszelf. Zij leidt immers tot het misprijzen van onszelf, zoals uit Augustinus 65blijkt dat de liefde tot God doorgedreven tot het misprijzen van onszelf, de stad Gods opbouwt. Bijgevolg verdwijnt de slaafse vrees wanneer de liefde in ons ontstaat.

Sed contra est, quod timor servilis est donum Spiritus Sancti, ut supra dictum est [art. 4.]. Sed dona Spiritus Sancti non tolluntur adveniente charitate, per quam Spiritus Sanctus in nobis habitat. Ergo adveniente charitate non tollitur timor servilis.

Daartegenover staat echter dat de slaafsche vrees een gave is van den H. Geest, zooals boven gezegd is (4e Art.). Doch de gaven van den H. Geest verdwijnen niet wanneer de liefde in ons ontstaat, want door de liefde woont de H. Geest in ons. Bijgevolg verdwijnt de slaafsche vrees niet wanneer de liefde ingestort wordt.Daartegenover staat echter dat de slaafse vrees een gave is van de H. Geest, zoals boven gezegd is (4e Art.). Doch de gaven van de H. Geest verdwijnen niet wanneer de liefde in ons ontstaat, want door de liefde woont de H. Geest in ons. Bijgevolg verdwijnt de slaafse vrees niet wanneer de liefde ingestort wordt.

Respondeo dicendum, quod timor servilis ex amore sui causatur, quia est timor poenae, quae est detrimentum proprii boni. Unde hoc modo timor poenae potest stare cum charitate, sicut et amor sui : ejusdem enim rationis est, quod homo cupiat bonum suum, et quod timeat eo privari. Amor autem sui tripliciter se potest habere ad charitatem : uno enim modo contrariatur charitati, secundum quod aliquis in amore proprii boni finem constituit; alio vero modo in charitate includitur, secundum quod homo se propter 66Deum, et in Deo diligit; tertio modo a charitate quidem distinguitur, sed charitati non contrariatur : puta cum aliquis diligit seipsum secundum rationem proprii boni, ita tamen quod in hoc proprio bono non constituat finem, sicut etiam et ad proximum potest esse aliqua alia specialis dilectio praeter dilectionem charitatis, quae fundatur in Deo, dum proximus diligitur ratione commoditatis, consanguinitatis, vel alicujus alterius conditionis humanae, quae tamen referibilis sit ad charitatem. Sic ergo et timor poenae includitur uno modo in charitate, nam separari a Deo est quaedam poena, quam charitas maxime refugit; unde hoc pertinet ad timorem castum; alio autem modo contrariatur charitati, secundum quod aliquis refugit poenam contrariam bono suo naturali, sicut principale malum contrarium bono, quod diligitur ut finis; et sic timor poenae non est cum charitate. Alio modo timor poenae distinguitur quidem secundum substantiam a timore casto, quia scilicet homo timet malum poenale, non ratione separationis a Deo, sed inquantum 67est nocivum proprii boni; nec tamen in illo bono constituitur ejus finis; unde nec illud malum formidatur tamquam principalem malum. Et talis timor poenae potest esse cum charitate, sed iste timor poenae non dicitur esse servilis, nisi quando poena formidatur sicut principale malum, ut ex dictis patet [art. 2. ad 4; art. 4.]. Et ideo timor, inquantum servilis, non manet cum charitate, sed substantia timoris servilis cum charitate manere potest, sicut amor servi 1 manere potest cum charitate.

Leerstelling. — De slaafsche vrees wordt door de eigenliefde veroorzaakt. Ze is immers de vrees voor een straf, die ons in ons eigen goed benadeelt. De vrees voor de straf kan dus samengaan met de liefde, in zoover de eigenliefde daarmee kan samengaan. Want het is om eenzelfde reden dat men eigen welzijn begeert en vreest daarvan beroofd te worden. De verhouding tusschen de eigenliefde en de deugd van liefde kan zich op drievoudige wijze voordoen. De eigenliefde kan vooreerst in strijd zijn met de deugd van liefde, wat gebeurt, wanneer iemand zijn eigen voordeel als zijn einddoel beschouwt. De eigenliefde is ten tweede 66vervat in de deugd van liefde, wanneer men zichzelf bemint om God en in God. De eigenliefde kan, ten derde, onderscheiden zijn van de deugd, zonder ermee in strijd te zijn, b. v. wanneer iemand zichzelf als zijn eigen goed bemint, zonder dit eigen goed als zijn einddoel te beschouwen. Men kan immers ook zijn naaste beminnen uit een genegenheid, die echter niet de genegenheid is van de deugd van liefde, welke haar grondreden vindt in God. Want men kan zijn naaste beminnen of omdat hij ons helpt, of met ons verwant is, of om reden van een andere menschelijke verhouding, die niettemin tot de liefde herleidbaar is. Wanneer we dit toepassen op de vrees, dan onderscheiden we een drievoudige verhouding tusschen de vrees en de liefde. Ten eerste, de vrees voor de straf kan vervat zijn in de deugd van liefde. Want gescheiden worden van God, is gestraft worden; en dit is het ergste dat de liefde vreest. We kunnen in dit geval spreken van reine vrees. Ten tweede, de vrees kan in strijd zijn met de liefde. Dit geschiedt wanneer men de straf vlucht, die in strijd is met eigen natuurlijk goed, en men ze beschouwt als het ergste kwaad dat tegengesteld is aan het als doel beminde goed. Dan sluiten de vrees voor de straf en de liefde elkander uit. Ten derde, de vrees voor de straf kan wezenlijk onderscheiden zijn van de reine vrees. Men vreest dan de straf, niet omdat ze ons van God verwijdert, 67maar omdat ze ons persoonlijk benadeelt en ons van ons eigen goed berooft. Dit goed wordt echter niet als einddoel beschouwd. De berooving is evenmin gevreesd als het ergste kwaad. Een dergelijke vrees voor de straf, kan dan te gelijk met de liefde bij iemand aanwezig zijn. Zij wordt echter slechts slaafsche vrees genoemd, wanneer de straf als het ergste kwaad gevreesd wordt, zooals boven gezegd is (2e Art. 4e Antw.; 4e Art.). De vrees in zoover ze een slaafsche gezindheid is, is bijgevolg niet overeen te brengen met de liefde; hoewel de slaafsche vrees, naar haar zelfstandigheid, en de liefde elkander niet uitsluiten, evenmin als de eigenliefde en de deugd van liefde.Leerstelling. — De slaafse vrees wordt door de eigenliefde veroorzaakt. Ze is immers de vrees voor een straf, die ons in ons eigen goed benadeelt. De vrees voor de straf kan dus samengaan met de liefde, in zover de eigenliefde daarmee kan samengaan. Want het is om eenzelfde reden dat men eigen welzijn begeert en vreest daarvan beroofd te worden. De verhouding tussen de eigenliefde en de deugd van liefde kan zich op drievoudige wijze voordoen. De eigenliefde kan vooreerst in strijd zijn met de deugd van liefde, wat gebeurt, wanneer iemand zijn eigen voordeel als zijn einddoel beschouwt. De eigenliefde is ten tweede 66vervat in de deugd van liefde, wanneer men zichzelf bemint om God en in God. De eigenliefde kan, ten derde, onderscheiden zijn van de deugd, zonder ermee in strijd te zijn, bv. wanneer iemand zichzelf als zijn eigen goed bemint, zonder dit eigen goed als zijn einddoel te beschouwen. Men kan immers ook zijn naaste beminnen uit een genegenheid, die echter niet de genegenheid is van de deugd van liefde, welke haar grondreden vindt in God. Want men kan zijn naaste beminnen of omdat hij ons helpt, of met ons verwant is, of om reden van een andere menselijke verhouding, die niettemin tot de liefde herleidbaar is. Wanneer we dit toepassen op de vrees, dan onderscheiden we een drievoudige verhouding tussen de vrees en de liefde. Ten eerste, de vrees voor de straf kan vervat zijn in de deugd van liefde. Want gescheiden worden van God, is gestraft worden; en dit is het ergste dat de liefde vreest. We kunnen in dit geval spreken van reine vrees. Ten tweede, de vrees kan in strijd zijn met de liefde. Dit geschiedt wanneer men de straf vlucht, die in strijd is met eigen natuurlijk goed, en men ze beschouwt als het ergste kwaad dat tegengesteld is aan het als doel beminde goed. Dan sluiten de vrees voor de straf en de liefde elkander uit. Ten derde, de vrees voor de straf kan wezenlijk onderscheiden zijn van de reine vrees. Men vreest dan de straf, niet omdat ze ons van God verwijdert, 67maar omdat ze ons persoonlijk benadeelt en ons van ons eigen goed berooft. Dit goed wordt echter niet als einddoel beschouwd. De beroving is evenmin gevreesd als het ergste kwaad. Een dergelijke vrees voor de straf, kan dan te gelijk met de liefde bij iemand aanwezig zijn. Zij wordt echter slechts slaafse vrees genoemd, wanneer de straf als het ergste kwaad gevreesd wordt, zoals boven gezegd is (2e Art. 4e Antw.; 4e Art.). De vrees in zover ze een slaafse gezindheid is, is bijgevolg niet overeen te brengen met de liefde; hoewel de slaafse vrees, naar haar zelfstandigheid, en de liefde elkander niet uitsluiten, evenmin als de eigenliefde en de deugd van liefde.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod Augustinus ibi loquitur de timore, inquantum servilis est.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Augustinus spreekt van de vrees, voor zoover ze precies slaafsch is.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Augustinus spreekt van de vrees, voor zover ze precies slaafs is.

bedenkingen ↑ 2 ↑ 3

Et sic etiam procedunt aliae duae rationes.

En dit antwoord geldt ook voor de andere bedenkingen.

Articulus VII

Utrum timor sit initium sapientiae

[Infr. q. 45. art. 6. ad 3.]
VIIe Artikel

Is de vrees het begin van de wijsheid?

antwoord 1 ↓

68Ad septimum sic proceditur. Videtur, quod timor non sit initium sapientiae : initium enim est aliquid rei. Sed timor non est aliquid sapientiae, quia timor est in vi appetitiva, sapientia autem est in vi intellectiva. Ergo videtur, quod timor non sit initium sapientiae.

68Bedenkingen. — Men beweert, dat de vrees het begin van de wijsheid niet is. — 1. Het begin maakt deel uit van datgene waarvan het het begin is. Welnu de vrees maakt geen deel uit van de wijsheid, daar de vrees haar zetel heeft in het streefvermogen, de wijsheid daarentegen in het verstandelijk vermogen. Bijgevolg is de vrees niet het begin van de wijsheid.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, nihil est principium sui ipsius. Sed « timor Dei ipse est sapientia », ut dicitur Job 28 [v. 28.]. Ergo videtur, quod timor Dei non sit initium sapientiae.

2. Niets is begin van zichzelf. Welnu, het Boek Job (28. 28) zegt : « De vreeze des Heeren, is wijsheid ». Bijgevolg is de vreeze Gods niet het begin van de wijsheid.2. Niets is begin van zichzelf. Welnu, het Boek Job (28, 28) zegt: “De vreze van de Heer, is wijsheid”. Bijgevolg is de vreze Gods niet het begin van de wijsheid.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, principio non est aliquid prius. Sed fides praecedit timorem. Ergo videtur, quod timor non sit initium sapientiae.

3. Het begin is door niets anders voorafgegaan. Welnu de vrees wordt voorafgegaan door het geloof. Bijgevolg is de vrees niet het begin van de wijsheid.

Sed contra est, quod dicitur in Psalm. 110 [v. 10] : « Initium sapientiae timor Domini ».

Daartegenover staat echter het getuigenis van het Boek der Psalmen (110. 10) : « Het begin van wijsheid is de vreeze Gods ».Daartegenover staat echter het getuigenis van het Boek van de Psalmen (110, 10)a: “Het begin van wijsheid is de vreze Gods”.

69Respondeo dicendum, quod initium sapientiae potest aliquid dici dupliciter : uno modo, quia est initium ipsius sapientiae quantum ad ejus essentiam; alio modo quantum ad ejus effectum, sicut initium artis secundum ejus essentiam sunt principia, ex quibus procedit ars; initium autem artis secundum ejus effectum est, unde incipit ars operari, sicut si dicamus, quod principium artis aedificativae est fundamentum, quia ibi incipit aedificator operari. Cum autem sapientia sit cognitio divinorum, ut infra dicetur [q. 45. art. 1.], aliter consideratur a nobis, et aliter a philosophis : quia enim vita nostra ad divinam fruitionem ordinatur et dirigitur secundum quamdam participationem divinae naturae, quae est per gratiam, sapientia secundum nos non solum consideratur ut est cognoscitiva Dei, sicut apud philosophos, sed etiam ut est directiva humanae vitae, quae non solum dirigitur secundum rationes humanas, sed etiam secundum rationes divinas, ut patet per Augustinum 12. de Trin. [cap. 13.]. Sic ergo initium sapientiae secundum ejus essentiam sunt prima principia sapientiae, quae sunt articuli fidei; et secundum hoc fides dicitur sapientiae initium; sed quantum ad effectum, initium sapientiae est, unde sapientia incipit operari, et hoc modo timor est initium 70sapientiae, aliter tamen timor servilis, et aliter timor filialis. Timor enim servilis est sicut principium extra disponens ad sapientiam, inquantum aliquis timore poenae discedit a peccato, et habilitatur per hoc ad sapientiae effectum, secundum illud Eccli. 1 [v. 27] : « Timor Domini expellit peccatum ». Timor autem castus, vel filialis est initium sapientiae, sicut primus sapientiae effectus : cum enim ad sapientiam pertineat, quod humana vita reguletur secundum rationes divinas, hinc oportet sumere principium, ut homo Deum revereatur, et se ei subjiciat : sic enim consequenter in omnibus secundum Deum regulabitur.

69Leerstelling. — Iets kan op dubbele wijze, het begin van de wijsheid genoemd worden : of het begin van de wezenheid van de wijsheid; of het begin van een uitwerksel van de wijsheid. B. v. het begin van de kunstvaardigheid, beschouwd naar haar wezenheid, zijn de beginselen waarop de kunstvaardigheid steunt; het begin van de kunstvaardigheid, beschouwd naar haar uitwerksel, is datgene waarmee de kunstenaar zijn werk aanvangt. De grondvesten, b. v. zijn het begin van de bouwkunde, want daarmee begint de bouwmeester. De wijsheid is de kennis der goddelijke dingen, zooals later (45e Kw. 1e Art.) zal gezegd worden. Wij spreken hier anders over de wijsheid, dan de wijsgeeren. Het doel van ons leven immers is het genieten van God, waarop we voorbereid worden door een deelgenootschap aan de goddelijke natuur, nl. de genade. Daarom is voor ons de wijsheid niet uitsluitend een kennis van God, zooals voor de wijsgeeren. De wijsheid geeft leiding in het menschelijk leven, niet volgens menschelijke, doch volgens goddelijke richtlijnen, zooals Augustinus zegt. Wanneer we dan spreken over de wijsheid beschouwd naar haar wezenheid, dan zijn de eerste beginselen van de wijsheid de geloofsartikelen, zoodat in dezen zin het geloof het begin der 70wijsheid is. Wanneer we echter spreken van de uitwerkselen van de wijsheid, en daarmee bedoelen datgene waarmee de wijsheid haar invloed laat gelden, dan is de vrees het begin van de wijsheid. Er is echter een verschil tusschen de slaafsche en de kinderlijke vrees. De slaafsche vrees is een uitwendig beginsel dat iemand op de wijsheid voorbereidt, doordat men door de vrees voor de straf, de zonde vlucht, en daardoor geschikt wordt om den invloed van de wijsheid te ondergaan. Aldus zegt de Ecclesiasticus (1. 27) : « De vrees des Heeren verdrijft de zonde ». De kinderlijke vrees is het begin der wijsheid, omdat zij het eerste uitwerksel is van de wijsheid. Want het komt de wijsheid toe, het menschelijke leven te ordenen volgens goddelijke richtlijnen. Daartoe wordt vereischt dat de mensch eerst en vooral God eert en zich aan Hem onderwerpt. Daaruit zal dan noodzakelijk volgen, dat de mensch in al het overige naar God geordend leeft.69Leerstelling. — Iets kan op dubbele wijze, het begin van de wijsheid genoemd worden: of het begin van de wezenheid van de wijsheid; of het begin van een uitwerksel van de wijsheid. Bv. het begin van de kunstvaardigheid, beschouwd naar haar wezenheid, zijn de beginselen waarop de kunstvaardigheid steunt; het begin van de kunstvaardigheid, beschouwd naar haar uitwerksel, is datgene waarmee de kunstenaar zijn werk aanvangt. De grondvesten, bv. zijn het begin van de bouwkunde, want daarmee begint de bouwmeester. De wijsheid is de kennis van de goddelijke dingen, zoals later (45e Kw. 1e Art.) zal gezegd worden. Wij spreken hier anders over de wijsheid, dan de wijsgeren. Het doel van ons leven immers is het genieten van God, waarop we voorbereid worden door een deelgenootschap aan de goddelijke natuur, nl. de genade. Daarom is voor ons de wijsheid niet uitsluitend een kennis van God, zoals voor de wijsgeren. De wijsheid geeft leiding in het menselijk leven, niet volgens menselijke, doch volgens goddelijke richtlijnen, zoals Augustinus zegt. Wanneer we dan spreken over de wijsheid beschouwd naar haar wezenheid, dan zijn de eerste beginselen van de wijsheid de geloofsartikelen, zodat in deze zin het geloof het begin van de 70wijsheid is. Wanneer we echter spreken van de uitwerkselen van de wijsheid, en daarmee bedoelen datgene waarmee de wijsheid haar invloed laat gelden, dan is de vrees het begin van de wijsheid. Er is echter een verschil tussen de slaafse en de kinderlijke vrees. De slaafse vrees is een uitwendig beginsel dat iemand op de wijsheid voorbereidt, doordat men door de vrees voor de straf, de zonde vlucht, en daardoor geschikt wordt om de invloed van de wijsheid te ondergaan. Aldus zegt de Sirach (1, 27): “De vrees van de Heer verdrijft de zonde”. De kinderlijke vrees is het begin van de wijsheid, omdat zij het eerste uitwerksel is van de wijsheid. Want het komt de wijsheid toe, het menselijke leven te ordenen volgens goddelijke richtlijnen. Daartoe wordt vereist dat de mens eerst en vooral God eert en zich aan Hem onderwerpt. Daaruit zal dan noodzakelijk volgen, dat de mens in al het overige naar God geordend leeft.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod ratio illa ostendit, quod timor non est principium sapientiae quantum ad essentiam sapientiae.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De eerste bedenking bewijst slechts dat de vrees niet het begin is van de wijsheid, beschouwd naar haar wezenheid.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod timor Dei comparatur ad totam vitam humanam per sapientiam Dei regulatam, sicut radix ad arborem; unde 71dicitur Eccli. 1 [v. 25] : « Radix sapientiae est timere Dominum : rami enim illius longaevi ». Et ideo sicut radix virtute dicitur esse tota arbor, ita timor Dei dicitur esse sapientia.

2. Men kan de vreeze Gods met betrekking tot geheel het menschelijk leven, door de wijsheid geordend, vergelijken met den wortel van een boom. De Ecclesiasticus (1. 25) zegt : « De 71wortel der wijsheid is de vreeze des Heeren; haar takken zijn lengte van dagen ». Zooals de wortelen in kiem geheel de boom zijn, aldus is de vreeze Gods, de wijsheid in kiem.2. Men kan de vreze Gods met betrekking tot geheel het menselijk leven, door de wijsheid geordend, vergelijken met de wortel van een boom. De Sirach (1, 25) zegt: “De 71wortel van de wijsheid is de vreze van de Heer; haar takken zijn lengte van dagen”. Zoals de wortelen in kiem geheel de boom zijn, aldus is de vreze Gods, de wijsheid in kiem.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod, sicut dictum est [in corp.], alio modo fides est principium sapientiae, et alio modo timor; unde dicitur Eccli. 25 [v. 16] : « Timor Dei initium dilectionis est; initium autem fidei agglutinandum est ei ».

3. Zooals gezegd is (in de Leerst.), zijn het geloof en de vrees, elk op hun wijze, begin der wijsheid. Daarom zegt de Ecclesiasticus (25. 16) : « De vreeze Gods is het begin van de liefde tot Hem; maar het geloof is het begin van onze verbinding met Hem ».3. Zoals gezegd is (in de Leerst.), zijn het geloof en de vrees, elk op hun wijze, begin van de wijsheid. Daarom zegt de Sirach (25, 16): “De vreze Gods is het begin van de liefde tot Hem; maar het geloof is het begin van onze verbinding met Hem”.

Articulus VIII

Utrum timor initialis differat secundum substantiam a timore filiali

[3. Dist. 34. q. 2. art. 3. qla. 2.]
VIIIe Artikel

Is de aanvangsvrees wezenlijk onderscheiden van de kinderlijke vrees?

antwoord 1 ↓

Ad octavum sic proceditur. Videtur, quod timor initialis differat secundum substantiam a timore filiali : timor enim filialis ex dilectione causatur. Sed timor initialis est principium dilectionis, secundum illud Eccli. 25 72[v. 16] : « Timor Domini initium dilectionis est ». Ergo timor initialis est alius a filiali.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de aanvangsvrees wezenlijk onderscheiden is van de kinderlijke vrees. — 1. De kinderlijke vrees volgt uit de liefde. De aanvangsvrees daarentegen is het beginsel der liefde, naar het woord uit het Boek Ecclesiasticus (25. 16) : « De vreeze des Heeren is het begin van de liefde ». 72Bijgevolg verschillen de aanvangsvrees en de kinderlijke vrees onderling.Bedenkingen. — Men beweert, dat de aanvangsvrees wezenlijk onderscheiden is van de kinderlijke vrees. — 1. De kinderlijke vrees volgt uit de liefde. De aanvangsvrees daarentegen is het beginsel van de liefde, naar het woord uit het Boek Sirach (25, 16): “De vreze van de Heer is het begin van de liefde”. 72Bijgevolg verschillen de aanvangsvrees en de kinderlijke vrees onderling.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, timor initialis timet poenam, quae est objectum servilis timoris, et sic videtur, quod timor initialis sit idem cum servili. Sed timor servilis est alius a filiali. Ergo etiam timor initialis est alius secundum substantiam a filiali.

2. De aanvangsvrees schrikt terug voor de straf, die het voorwerp is van de slaafsche vrees. Bijgevolg is de aanvangsvrees hetzelfde als de slaafsche. Welnu de slaafsche en de kinderlijke verschillen. Bijgevolg is evenzoo de aanvangsvrees wezenlijk onderscheiden van de kinderlijke.2. De aanvangsvrees schrikt terug voor de straf, die het voorwerp is van de slaafse vrees. Bijgevolg is de aanvangsvrees hetzelfde als de slaafse. Welnu de slaafse en de kinderlijke verschillen. Bijgevolg is evenzo de aanvangsvrees wezenlijk onderscheiden van de kinderlijke.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, medium differt eadem ratione ab utroque extremorum. Sed timor initialis est medium inter timorem servilem, et timorem filialem. Ergo differt et a filiali, et a servili.

3. Het midden verschilt om éénzelfde reden van de twee uitersten. Welnu de aanvangsvrees houdt het midden tusschen de slaafsche en de kinderlijke vrees. Bijgevolg is zij te gelijk onderscheiden van de kinderlijke en de slaafsche.3. Het midden verschilt om éénzelfde reden van de twee uitersten. Welnu de aanvangsvrees houdt het midden tussen de slaafse en de kinderlijke vrees. Bijgevolg is zij te gelijk onderscheiden van de kinderlijke en de slaafse.

Sed contra est, quod perfectum et imperfectum non diversificant substantiam rei. Sed timor initialis et filialis differunt secundum perfectionem et imperfectionem charitatis, ut patet per Augustinum super 1. Canon. Joan. [tract. 9.]. Ergo timor initialis non differt secundum substantiam a filiali.

Daartegenover staat echter dat het onvolmaakte en het volmaakte niet wezenlijk onderscheiden zijn. Welnu het verschil tusschen de aanvangsvrees en de kinderlijke vrees is te zoeken in een minder en meer volmaakte liefde, zooals Augustinus zegt. Bijgevolg is er geen wezenlijk onderscheid tusschen de aanvangsvrees en de kinderlijke vrees.Daartegenover staat echter dat het onvolmaakte en het volmaakte niet wezenlijk onderscheiden zijn. Welnu het verschil tussen de aanvangsvrees en de kinderlijke vrees is te zoeken in een minder en meer volmaakte liefde, zoals Augustinus zegt. Bijgevolg is er geen wezenlijk onderscheid tussen de aanvangsvrees en de kinderlijke vrees.

Respondeo dicendum, quod timor initialis dicitur ex eo, quod est 73initium. Sed cum et timor servilis, et timor filialis sint aliquo modo initium sapientiae, uterque potest aliquo modo initialis dici. Sed sic non accipitur initialis, secundum quod distinguitur a timore servili et filiali, sed accipitur secundum quod competit statui incipientium, in quibus inchoatur quidam timor filialis per inchoationem charitatis, non tamen inest eis timor filialis perfecte, quia nondum pervenerunt ad perfectionem charitatis. Et ideo timor initialis hoc modo se habet ad filialem, sicut charitas imperfecta ad perfectam. Charitas autem perfecta et imperfecta non differunt secundum essentiam, sed solum secundum statum. Et ideo dicendum est, quod etiam timor initialis, prout hic sumitur, non differt secundum essentiam a timore filiali.

Leerstelling. — De aanvangsvrees ontleent haar naam aan 73het feit dat zij een begin is. Daar nu de slaafsche en de kinderlijke vrees elk op hun wijze het begin der wijsheid zijn, daarom kunnen ze beide aanvangsvrees genoemd worden. Doch dit is de beteekenis niet van de aanvangsvrees, voor zoover deze onderscheiden wordt van de slaafsche en de kinderlijke vrees. De aanvangsvrees wordt aangetroffen bij beginnelingen, bij wie de kinderlijke vrees een aanvang neemt, door het feit dat de liefde in hen begint. Ze bezitten de kinderlijke vrees niet op volmaakte wijze, omdat de liefde zelf bij hen niet volmaakt is. De aanvangsvrees is bijgevolg ten opzichte van de kinderlijke vrees, wat de onvolmaakte liefde is ten opzichte van de volmaakte. Welnu de volmaakte en de onvolmaakte liefde zijn niet wezenlijk doch slechts in graad onderscheiden. Bijgevolg verschilt de aanvangsvrees, waarover we hier spreken, niet wezenlijk van de kinderlijke vrees.Leerstelling. — De aanvangsvrees ontleent haar naam aan 73het feit dat zij een begin is. Daar nu de slaafse en de kinderlijke vrees elk op hun wijze het begin van de wijsheid zijn, daarom kunnen ze beide aanvangsvrees genoemd worden. Doch dit is de betekenis niet van de aanvangsvrees, voor zover deze onderscheiden wordt van de slaafse en de kinderlijke vrees. De aanvangsvrees wordt aangetroffen bij beginnelingen, bij wie de kinderlijke vrees een aanvang neemt, door het feit dat de liefde in hen begint. Ze bezitten de kinderlijke vrees niet op volmaakte wijze, omdat de liefde zelf bij hen niet volmaakt is. De aanvangsvrees is bijgevolg ten opzichte van de kinderlijke vrees, wat de onvolmaakte liefde is ten opzichte van de volmaakte. Welnu de volmaakte en de onvolmaakte liefde zijn niet wezenlijk doch slechts in graad onderscheiden. Bijgevolg verschilt de aanvangsvrees, waarover we hier spreken, niet wezenlijk van de kinderlijke vrees.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod timor, qui est initium dilectionis, est timor servilis, qui introducit charitatem; sicut seta introducit linum, ut Augustinus dicit [tract. 9. in Epist. 1. Joan.]; vel si hoc referatur ad timorem initialem, dicitur esse dilectionis initium non absolute, sed quantum ad statum charitatis perfectae.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De vrees die het begin der liefde genoemd wordt, is de slaafsche vrees, welke naar het woord van Augustinus, de liefde voorafgaat, zooals het vlas het linnen. Wil men het citaat uit het Boek Ecclesiasticus toepassen op de aanvangsvrees, dan kan men zeggen dat deze het begin is, niet van de liefde als zoodanig, maar van de volmaakte liefde.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De vrees die het begin van de liefde genoemd wordt, is de slaafse vrees, welke naar het woord van Augustinus, de liefde voorafgaat, zoals het vlas het linnen. Wil men het citaat uit het Boek Sirach toepassen op de aanvangsvrees, dan kan men zeggen dat deze het begin is, niet van de liefde als zodanig, maar van de volmaakte liefde.

↑ bedenking 2

74Ad secundum dicendum, quod timor initialis non timet poenam sicut proprium objectum, sed inquantum habet aliquid de timore servili adjunctum, qui secundum substantiam manet quidem cum charitate, servilitate remota. Sed actus ejus manet quidem cum charitate imperfecta in eo, qui non solum movetur ad bene agendum ex amore justitiae, sed etiam ex timore poenae. Sed iste actus cessat in eo, qui habet charitatem perfectam, quae « foras mittit timorem habentem poenam », ut dicitur 1. Joan. 4 [v. 18.).]

742. De aanvangsvrees, vreest de straf niet als haar eigen voorwerp; die vrees voor de straf behoort tot de aanvangsvrees voor zoover iets van de slaafsche vrees in haar voortleeft. En deze vrees is vereenigbaar met de liefde, met uitsluiting echter van elke slaafsche gezindheid. Maar de eigen neiging van de slaafsche vrees blijft samen met de onvolmaakte liefde, bij hen die tot het goede gedreven worden, niet enkel uit liefde tot de gerechtigheid, doch ook uit vrees voor de straf. Slechts bij hen die de volmaakte liefde bezitten, houdt de neiging der slaafsche vrees op, naar het woord van den Eersten Brief van Joannes (4. 18) : « De volmaakte liefde bant de vrees, want de vrees onderstelt de straf ».742. De aanvangsvrees, vreest de straf niet als haar eigen voorwerp; die vrees voor de straf behoort tot de aanvangsvrees voor zover iets van de slaafse vrees in haar voortleeft. En deze vrees is verenigbaar met de liefde, met uitsluiting echter van elke slaafse gezindheid. Maar de eigen neiging van de slaafse vrees blijft samen met de onvolmaakte liefde, bij hen die tot het goede gedreven worden, niet enkel uit liefde tot de gerechtigheid, doch ook uit vrees voor de straf. Slechts bij hen die de volmaakte liefde bezitten, houdt de neiging van de slaafse vrees op, naar het woord van de Eerste Brief van Johannes (4, 18): “De volmaakte liefde bant de vrees, want de vrees onderstelt de straf”.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod timor initialis est medium inter timorem servilem et filialem, non sicut inter ea, quae sunt unius generis, sed sicut imperfectum est medium inter ens perfectum et non ens, ut dicitur in 2. Metaph. [lib. 1. a. cap. 2], quod tamen est idem secundum substantiam cum ente perfecto, differt autem totaliter a non ente.

3. De aanvangsvrees staat niet in het midden tusschen slaafsche en kinderlijke vrees, zooals iets het midden houdt tusschen geslachtgelijke dingen, doch zooals het onvolmaakte het midden houdt tusschen het volmaakte en het niet-zijnde, naar de leer van de Metaphysica. Dit onvolmaakte is naar zijn wezenheid niet onderscheiden van het volmaakte, maar verschilt volledig van het niet-zijnde.3. De aanvangsvrees staat niet in het midden tussen slaafse en kinderlijke vrees, zoals iets het midden houdt tussen geslachtgelijke dingen, doch zoals het onvolmaakte het midden houdt tussen het volmaakte en het niet-zijnde, naar de leer van de Metafysica. Dit onvolmaakte is naar zijn wezenheid niet onderscheiden van het volmaakte, maar verschilt volledig van het niet-zijnde.

Articulus IX

Utrum timor sit donum Spiritus Sancti

[3. Dist. 34. q. 2. a. 1. qla. 3. ad Rom. c. 8. l. 3.]
IXe Artikel

Is de vrees een gave van den H. Geest?Is de vrees een gave van de H. Geest?

antwoord 1 ↓

75Ad nonum sic proceditur. Videtur, quod timor non sit donum Spiritus Sancti : nullum enim donum Spiritus Sancti opponitur virtuti, quae etiam est a Spiritu Sancto; alioquin Spiritus Sanctus esset sibi contrarius. Sed timor opponitur spei, quae est virtus. Ergo timor non est donum Spiritus Sancti.

75Bedenkingen. — Men beweert, dat de vrees geen gave is van den H. Geest. — 1. Geen enkele gave van den H. Geest is in strijd met de deugd, welke ook van den H. Geest komt. Anders zou de H. Geest in tegenspraak zijn met zich zelf. Welnu de vrees is in strijd met de hoop, die een deugd is. Bijgevolg is de vrees geen gave van den H. Geest.75Bedenkingen. — Men beweert, dat de vrees geen gave is van de H. Geest. — 1. Geen enkele gave van de H. Geest is in strijd met de deugd, welke ook van de H. Geest komt. Anders zou de H. Geest in tegenspraak zijn met zichzelf. Welnu de vrees is in strijd met de hoop, die een deugd is. Bijgevolg is de vrees geen gave van de H. Geest.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, virtutis theologicae proprium est, quod Deum habeat pro objecto. Sed timor habet Deum pro objecto, inquantum Deus timetur. Ergo timor non est donum, sed virtus theologica.

2. De goddelijke deugden hebben God als voorwerp. Welnu het voorwerp van de vrees is God, die men vreest. Bijgevolg is de vrees geen gave, doch een goddelijke deugd.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, timor ex amore consequitur. Sed amor ponitur quaedam virtus theologica. Ergo etiam timor est virtus theologica, quasi ad idem pertinens.

3. De vrees ontstaat uit de liefde. Welnu de liefde is een goddelijke deugd. Bijgevolg is ook de vrees een goddelijke deugd, daar ze op hetzelfde betrekking heeft.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, Gregorius dicit 2. Moral. [cap. 27], quod « timor 76datur contra superbiam ». Sed superbiae opponitur virtus humilitatis. Ergo etiam timor sub virtute comprehenditur.

4. Volgens Gregorius is de vrees een heelmiddel tegen den hoogmoed. Welnu de hoogmoed is het tegenovergestelde van de 76deugd van nederigheid. Bijgevolg valt de vrees onder de deugden.4. Volgens Gregorius is de vrees een heelmiddel tegen de hoogmoed. Welnu de hoogmoed is het tegenovergestelde van de 76deugd van nederigheid. Bijgevolg valt de vrees onder de deugden.

antwoord 5 ↓

5. Praeterea, dona sunt perfectiora virtutibus : dantur enim in adjutorium virtutum, ut Gregorius dicit 2. Mor. [ibid.]. Sed spes est perfectior timore, quia spes respicit bonum, timor malum. Cum ergo spes sit virtus, non debet dici quod timor sit donum.

5. De gaven zijn volmaakter dan de deugden, daar ze gegeven worden als een hulp voor de deugden, zooals Gregorius zegt. Doch de hoop is volmaakter dan de vrees. Want het voorwerp van de hoop is iets wat goed is; het voorwerp van de vrees iets wat slecht is. Daar nu de hoop een deugd is, kan de vrees geen gave zijn.5. De gaven zijn volmaakter dan de deugden, daar ze gegeven worden als een hulp voor de deugden, zoals Gregorius zegt. Doch de hoop is volmaakter dan de vrees. Want het voorwerp van de hoop is iets wat goed is; het voorwerp van de vrees iets wat slecht is. Daar nu de hoop een deugd is, kan de vrees geen gave zijn.

Sed contra est, quod Isa. 11 [v. 3] timor Domini enumeratur inter septem dona Spiritus Sancti.

Daartegenover staat echter het getuigenis van Isaïas (11. 3), die de vreeze des Heeren, onder de zeven gaven van den H. Geest rangschikt.Daartegenover staat echter het getuigenis van Jesaja (11, 3), die de vreze van de Heer, onder de zeven gaven van de H. Geest rangschikt.

Respondeo dicendum, quod multiplex est timor, ut supra dictum est [art. 2.]. Timor autem humanus, ut dicit Augustinus in lib. de Gratia et Lib. Arbitr. [cap. 18.] non est donum Dei : hoc enim timore Petrus negavit Christum, sed ille timor, de quo dictum est [Matth. 10. v. 28; Luc. cap. 12. c. 5] : « Illum timete, qui potest animam, et corpus mittere in gehennam ». Similiter etiam timor servilis non est numerandus inter 77septem dona Spiritus Sancti, licet sit a Spiritu Sancto, quia, ut Augustinus dicit in lib. de Nat. et Gr. [cap. 57.], potest habere annexam voluntatem peccandi; dona autem Spiritus Sancti non possunt esse cum voluntate peccandi, quia non sunt sine charitate, ut dictum est [1-2. q. 68. art. 5.]; unde relinquitur, quod timor Dei, qui numeratur inter septem dona Spiritus Sancti, est timor filialis, sive castus : dictum est enim supra [1-2. q. 68. art. 1. et 3.], quod dona Spiritus Sancti sunt quaedam habituales perfectiones potentiarum animae, quibus redduntur bene mobiles a Spiritu Sancto, sicut virtutibus moralibus potentiae appetitivae redduntur bene mobiles a ratione. Ad hoc autem quod aliquid sit bene mobile ab aliquo movente, primo requiritur ut sit ei subjectum non repugnans, quia ex repugnantia mobilis ad movens impeditur motus. Hoc autem facit timor filialis vel castus, inquantum per ipsum Deum reveremur et refugimus nos ipsi subducere. Et ideo timor filialis quasi primum locum tenet ascendendo inter dona Spiritus Sancti, ultimum autem descendendo, sicut Augustinus dicit in lib. 1. de Serm. Dom. in monte [cap. 4.].

Leerstelling. — Wij hebben gezegd (2e Art.), dat er veel soorten van vrees zijn. De menschelijke vrees, zegt Augustinus, is geen gave van God. Immers, door een dergelijke vrees gedreven, verloochende Petrus Christus. Mattheus zegt van die vrees : « Vrees liever Hem, die én ziel én lichaam in de hel kan verderven » (10. 28). Evenmin moet de slaafsche vrees, hoewel ze van den H. Geest is, onder de gaven van den H. Geest gerekend worden, want zooals Augustinus zegt, sluit een dergelijke vrees den 77wil niet uit om te zondigen. De gaven van den H. Geest zijn niet aanwezig, waar de wil om te zondigen blijft, want zij onderstellen de liefde, zooals boven gezegd is (I-II 68e Kw. 5e Art.). Alleen de kinderlijke vrees is de vrees die onder de gaven van den H. Geest gerekend wordt. Boven (I-II 68e Kw. 1e en 3e Art.) is gezegd, dat de gaven van den H. Geest blijvende volmaaktheden zijn van de zielsvermogen, waardoor deze geschikt zijn om door den H. Geest bewogen te worden, zooals door de zedelijke deugden de streefvermogens geschikt zijn, om door de rede bewogen te worden. Het eerste wat vereischt wordt opdat iets zou geschikt zijn om bewogen te worden, is dat hetgeen moet bewogen worden geen weerstand biedt. Want de weerstand van het bewogene, belet de beweging van den beweger. Welnu de kinderlijke of kuische vrees zorgt ervoor dat men de beweging van den H. Geest niet door weerstand belemmert, in zoover ze ons er toe brengt God te eerbiedigen, en te vermijden, ons aan Hem te onttrekken. Wanneer we de rangorde der gaven van den H. Geest beschouwen, opklimmend van onder naar boven, dan vinden we de gave van vrees op de eerste plaats; op de laatste echter, wanneer we van boven naar beneden afdalen. Dit volgens de verklaring van Augustinus.Leerstelling. — Wij hebben gezegd (2e Art.), dat er veel soorten van vrees zijn. De menselijke vrees, zegt Augustinus, is geen gave van God. Immers, door een dergelijke vrees gedreven, verloochende Petrus Christus. Matteüs zegt van die vrees: “Vrees liever Hem, die én ziel én lichaam in de hel kan verderven” (10, 28). Evenmin moet de slaafse vrees, hoewel ze van de H. Geest is, onder de gaven van de H. Geest gerekend worden, want zoals Augustinus zegt, sluit een dergelijke vrees de 77wil niet uit om te zondigen. De gaven van de H. Geest zijn niet aanwezig, waar de wil om te zondigen blijft, want zij onderstellen de liefde, zoals boven gezegd is (1-2 68e Kw. 5e Art.). Alleen de kinderlijke vrees is de vrees die onder de gaven van de H. Geest gerekend wordt. Boven (1-2 68e Kw. 1e en 3e Art.) is gezegd, dat de gaven van de H. Geest blijvende volmaaktheden zijn van de zielsvermogen, waardoor deze geschikt zijn om door de H. Geest bewogen te worden, zoals door de zedelijke deugden de streefvermogens geschikt zijn, om door de rede bewogen te worden. Het eerste wat vereist wordt opdat iets zou geschikt zijn om bewogen te worden, is dat hetgeen moet bewogen worden geen weerstand biedt. Want de weerstand van het bewogene, belet de beweging van de beweger. Welnu de kinderlijke of kuise vrees zorgt ervoor dat men de beweging van de H. Geest niet door weerstand belemmert, in zover ze ons er toe brengt God te eerbiedigen, en te vermijden, ons aan Hem te onttrekken. Wanneer we de rangorde van de gaven van de H. Geest beschouwen, opklimmend van onder naar boven, dan vinden we de gave van vrees op de eerste plaats; op de laatste echter, wanneer we van boven naar beneden afdalen. Dit volgens de verklaring van Augustinus.

↑ bedenking 1

78Ad primum ergo dicendum, quod timor filialis non contrariatur virtuti spei : non enim per timorem filialem timemus ne nobis deficiat quod speramus obtinere per auxilium divinum, sed timemus ab hoc auxilio nos subtrahere; et ideo timor filialis et spes sibi invicem cohaerent, et se invicem perficiunt.

78Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De kinderlijke vrees is niet in strijd met de deugd van hoop. We zijn er immers niet bang voor, dat wat we hopen door de goddelijke hulp te verkrijgen, ons zal ontsnappen; we vreezen alleen ons aan dien bijstand te onttrekken. De hoop en de vrees zijn onderling verbonden en vullen elkander aan.78Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De kinderlijke vrees is niet in strijd met de deugd van hoop. We zijn er immers niet bang voor, dat wat we hopen door de goddelijke hulp te verkrijgen, ons zal ontsnappen; we vrezen alleen ons aan die bijstand te onttrekken. De hoop en de vrees zijn onderling verbonden en vullen elkander aan.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod proprium et principale objectum timoris est malum, quod quis refugit; et per hunc modum Deus non potest esse objectum timoris, sicut supra dictum est [art. 1.]; est autem per hunc modum objectum spei, et aliarum virtutum theologicarum, quia per virtutem spei non solum innitimur divino auxilio ad adipiscendum quaecumque alia bona, sed principaliter ad adipiscendum ipsum Deum, tamquam principale bonum; et idem patet in aliis virtutibus theologicis.

2. Het eigen en voornaamste voorwerp van de vrees is een kwaad dat men vlucht. Op die wijze, zooals (1e Art.) gezegd is, kan God het voorwerp van de vrees niet zijn. God is echter het eigen en voornaamste voorwerp van de hoop en van de andere goddelijke deugden, in zoover we door de hoop, niet slechts rekenen op de goddelijke hulp om eenig ander goed te verkrijgen, doch hoofdzakelijk om God, als het voornaamste goed, te bereiken. Hetzelfde geldt voor de andere goddelijke deugden.2. Het eigen en voornaamste voorwerp van de vrees is een kwaad dat men vlucht. Op die wijze, zoals (1e Art.) gezegd is, kan God het voorwerp van de vrees niet zijn. God is echter het eigen en voornaamste voorwerp van de hoop en van de andere goddelijke deugden, in zover we door de hoop, niet slechts rekenen op de goddelijke hulp om enig ander goed te verkrijgen, doch hoofdzakelijk om God, als het voornaamste goed, te bereiken. Hetzelfde geldt voor de andere goddelijke deugden.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod ex hoc quod amor est principium timoris, non sequitur, quod timor Dei non sit habitus distinctus a charitate, quae est amor Dei, quia amor est principium omnium affectionum; et tamen in diversis habitibus perficimur circa diversas affectiones. Ideo tamen amor magis 79habet rationem virtutis, quam timor, quia amor respicit bonum, ad quod principaliter virtus ordinatur secundum propriam rationem, ut ex supradictis patet [1-2. q. 55. art. 3. et 4.], et propter hoc etiam spes ponitur virtus, timor autem principaliter respicit malum, cujus fugam importat; unde est aliquid minus virtute theologica.

3. De liefde is ongetwijfeld het beginsel van de vrees. Daaruit volgt echter geenszins dat de vreeze Gods als hebbelijkheid niet onderscheiden is van de liefde, nl. van de liefde tot God. Want de liefde is het beginsel van alle genegenheden. Wat niet belet dat we met betrekking tot verschillende genegenheden door verschillende hebbelijkheden toegerust worden. Nochtans moet de liefde, veeleer dan de vrees, een deugd genoemd worden. De liefde 79immers heeft het goed als voorwerp, en het goed is hoofdzakelijk datgene wat aan een deugd haar zijnsreden geeft, zooals boven gezegd is (I-II 55e Kw. 3e en 4e Art.). Om dezelfde reden is ook de hoop een deugd. De vrees daarentegen heeft voornamelijk het kwaad als voorwerp, en ze wil dit ontvluchten. Er ontbreekt bijgevolg iets aan de vrees om een goddelijke deugd te zijn.3. De liefde is ongetwijfeld het beginsel van de vrees. Daaruit volgt echter geenszins dat de vreze Gods als hebbelijkheid niet onderscheiden is van de liefde, nl. van de liefde tot God. Want de liefde is het beginsel van alle genegenheden. Wat niet belet dat we met betrekking tot verschillende genegenheden door verschillende hebbelijkheden toegerust worden. Nochtans moet de liefde, veeleer dan de vrees, een deugd genoemd worden. De liefde 79immers heeft het goed als voorwerp, en het goed is hoofdzakelijk datgene wat aan een deugd haar zijnsreden geeft, zoals boven gezegd is (1-2 55e Kw. 3e en 4e Art.). Om dezelfde reden is ook de hoop een deugd. De vrees daarentegen heeft voornamelijk het kwaad als voorwerp, en ze wil dit ontvluchten. Er ontbreekt bijgevolg iets aan de vrees om een goddelijke deugd te zijn.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod, sicut dicitur Eccle. 10 [v. 14] : « Initium superbiae hominis apostatare a Deo », hoc est nolle subdi Deo, quod opponitur timori filiali, qui Deum reveretur. Et sic timor excludit principium superbiae, propter quod datur contra superbiam. Nec tamen sequitur, quod sit idem cum virtute humilitatis, sed quod sit principium ejus : dona enim Spiritus Sancti sunt principia virtutum intellectualium, et moralium, ut supra dictum est [1-2. q. 68. art. 4.]. Sed virtutes theologicae sunt principia donorum, ut supra habitum est [1-2. q. 68. art. 4. ad 3.].

4. Het Boek Ecclesiasticus (10. 14) zegt : « De afval van God is het begin van 's menschen hoogmoed ». M. a. w. de hoogmoed begint, doordat de mensch weigert zich aan God te onderwerpen. En dit is in strijd met de kinderlijke vrees, die God eert. Zoodoende sluit de vrees het beginsel van den hoogmoed uit, en is aldus een tegengift tegen den hoogmoed. De kinderlijke vrees is daarom echter niet hetzelfde als de nederigheid, doch haar beginsel. De gaven van den H. Geest zijn immers, zooals boven gezegd is (I-II 68e Kw. 4e Art.), de beginselen van de verstandelijke en zedelijke deugden. Maar de goddelijke deugden zijn de beginselen van de gaven, zooals boven werd uiteengezet (I-II 68e Kw. 4e Art. 3e Antw.).4. Het Boek Sirach (10, 14) zegt: “De afval van God is het begin van 's mensen hoogmoed”. M. a. w. de hoogmoed begint, doordat de mens weigert zich aan God te onderwerpen. En dit is in strijd met de kinderlijke vrees, die God eert. Zodoende sluit de vrees het beginsel van de hoogmoed uit, en is aldus een tegengift tegen de hoogmoed. De kinderlijke vrees is daarom echter niet hetzelfde als de nederigheid, doch haar beginsel. De gaven van de H. Geest zijn immers, zoals boven gezegd is (1-2 68e Kw. 4e Art.), de beginselen van de verstandelijke en zedelijke deugden. Maar de goddelijke deugden zijn de beginselen van de gaven, zoals boven werd uiteengezet (1-2 68e Kw. 4e Art. 3e Antw.).

↑ bedenking 5

Unde patet responsio ad quintum.

Het antwoord op de vijfde bedenking is duidelijk.

Articulus X

Utrum, crescente charitate, diminuatur timor

[3. Dist. 34. q. 2. art. 3. qla. 3.]
Xe Artikel

Vermindert de vrees wanneer de liefde groeit?

antwoord 1 ↓

80Ad decimum sic proceditur. Videtur, quod crescente charitate diminuatur timor : dicit enim Augustinus super 1. Canon. Joann. [tract. 9] : « Quantum charitas crescit, tantum timor decrescit ».

80Bedenkingen. — Men beweert dat, wanneer de liefde groeit, de vrees vermindert. — 1. Aldus Augustinus : « De vrees neemt af, naarmate de liefde aangroeit ».80Bedenkingen. — Men beweert dat, wanneer de liefde groeit, de vrees vermindert. — 1. Aldus Augustinus: “De vrees neemt af, naarmate de liefde aangroeit”.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, crescente spe diminuitur timor. Sed crescente charitate crescit spes, ut supra habitum est [q. 17. art. 8.]. Ergo crescente charitate diminuitur timor.

2. Wanneer de hoop groeit, dan vermindert de vrees. Doch wanneer de liefde vermeerdert, dan groeit de hoop, zooals boven gezegd is (17e Kw. 8e Art.). Bijgevolg wanneer de liefde vermeerdert, vermindert de vrees.2. Wanneer de hoop groeit, dan vermindert de vrees. Doch wanneer de liefde vermeerdert, dan groeit de hoop, zoals boven gezegd is (17e Kw. 8e Art.). Bijgevolg wanneer de liefde vermeerdert, vermindert de vrees.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, amor importat unionem, timor autem separationem. Sed crescente unione, diminuitur separatio. Ergo crescente amore charitatis diminuitur timor.

3. Liefde baart éénheid; vrees, verwijdering. Groeit de éénheid, dan vermindert de verwijdering. Bijgevolg naar gelang de liefde groeit, vermindert de vrees.

Sed contra est, quod dicit Augustinus in lib. 83. QQ. [Q. 36], quod Dei timor non solum inchoat, sed etiam perficit sapientiam, quae summe diligit Deum, et proximum tamquam seipsum.

Daartegenover staat echter de uitspraak van Augustinus dat de vrees van God niet alleen het begin van de wijsheid is, doch ze aanvult; de wijsheid, nl. die God boven alles bemint en den naaste als zichzelf.Daartegenover staat echter de uitspraak van Augustinus dat de vrees van God niet alleen het begin van de wijsheid is, doch ze aanvult; de wijsheid, nl. die God boven alles bemint en de naaste als zichzelf.

81Respondeo dicendum, quod duplex est timor Dei, sicut dictum est [art. 2] : unus quidem filialis, quo quis timet offensam patris, vel separationem ab ipso, alius autem servilis, quo quis timet poenam. Timor autem filialis necesse est quod crescat crescente charitate, sicut effectus crescit crescente causa : quanto enim aliquis magis diligit aliquem, tanto magis timet eum offendere, et ab eo separari. Sed timor servilis quantum ad servilitatem totaliter tollitur, charitate adveniente, remanet tamen secundum substantiam timor poenae, ut dictum est [art. 6.]; et iste timor diminuitur charitate crescente, maxime quantum ad actum, quia quanto aliquis magis diligit Deum, tanto minus timet poenam : prima quidem, quia minus attendit ad proprium bonum, cui contrariatur poena; secundo, quia firmius inhaerens, magis confidit de praemio, et per consequens minus timet de poena.

81Leerstelling. — Boven zegden we reeds (2e Art.), dat men een dubbele vrees onderscheiden moet : de kinderlijke, waardoor men vreest zijn vader te beleedigen en van hem gescheiden te worden, en de slaafsche, waardoor men de straf vreest. De kinderlijke vrees moet groeien wanneer de liefde groeit, zooals een uitwerksel vermeerdert wanneer de oorzaak intenser haar invloed laat gelden. Hoe meer men iemand liefheeft, des te sterker vreest men van hem verwijderd te worden. Wat de slaafsche vrees betreft, elke slaafsche gezindheid houdt op, wanneer de liefde ingestort wordt; enkel de vrees voor de straf, blijft naar haar wezenheid bestaan, zooals gezegd is (6e Art.). En ook die vrees neemt af, met het aangroeien van de liefde, vooral met betrekking tot haar daad. Want hoe inniger men God bemint, hoe minder men voor de straf bevreesd is; ten eerste, omdat men minder begaan is met eigen belang, dat door de straf benadeeld wordt; ten tweede, omdat men, intenser aan God gehecht, met grooter zekerheid op de belooning rekent, en derhalve minder voor straf beducht is.81Leerstelling. — Boven zegden we reeds (2e Art.), dat men een dubbele vrees onderscheiden moet: de kinderlijke, waardoor men vreest zijn vader te beledigen en van hem gescheiden te worden, en de slaafse, waardoor men de straf vreest. De kinderlijke vrees moet groeien wanneer de liefde groeit, zoals een uitwerksel vermeerdert wanneer de oorzaak intenser haar invloed laat gelden. Hoe meer men iemand liefheeft, des te sterker vreest men van hem verwijderd te worden. Wat de slaafse vrees betreft, elke slaafse gezindheid houdt op, wanneer de liefde ingestort wordt; enkel de vrees voor de straf, blijft naar haar wezenheid bestaan, zoals gezegd is (6e Art.). En ook die vrees neemt af, met het aangroeien van de liefde, vooral met betrekking tot haar daad. Want hoe inniger men God bemint, hoe minder men voor de straf bevreesd is; ten eerste, omdat men minder begaan is met eigen belang, dat door de straf benadeeld wordt; ten tweede, omdat men, intenser aan God gehecht, met groter zekerheid op de beloning rekent, en derhalve minder voor straf beducht is.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod Augustinus loquitur de timore poenae.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Augustinus heeft het over de vrees voor de straf.

↑ bedenking 2

82Ad secundum dicendum, quod timor poenae est, qui diminuitur crescente spe. Sed ea crescente, crescit timor filialis, quia quanto aliquis certius expectat alicujus boni consecutionem, per auxilium alterius, tanto magis veretur eum offendere, vel ab eo separari.

822. De vrees voor de straf neemt af, doordat de hoop groeit. Met de hoop groeit echter ook de kinderlijke vrees. Hoe zekerder men wordt door iemand geholpen te worden in het nastreven van een goed, hoe meer men vermijdt hem te beleedigen of zich van hem te verwijderen.822. De vrees voor de straf neemt af, doordat de hoop groeit. Met de hoop groeit echter ook de kinderlijke vrees. Hoe zekerder men wordt door iemand geholpen te worden in het nastreven van een goed, hoe meer men vermijdt hem te beledigen of zich van hem te verwijderen.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod timor filialis non importat separationem, sed magis subjectionem ad ipsum. Separationem autem refugit a subjectione ipsius. Sed quodammodo separationem importat per hoc, quod non praesumit se ei adaequare, sed ei se subjicit; quae etiam separatio invenitur in charitate, inquantum diligit Deum supra se, et supra omnia. Unde amor charitatis augmentatus reverentiam timoris non minuit, sed auget.

3. De kinderlijke vrees is niet beducht voor scheiding : ze zoekt de onderwerping aan God. Ze vreest alleen zich aan deze onderwerping te onttrekken. Wil men toch van scheiding spreken, dan kan men zeggen dat de kinderlijke vrees den afstand die tusschen God en ons bestaat, eerbiedigt, door zich nooit als Gods gelijke te gedragen, maar door zich aan Hem te onderwerpen. Ook de liefde erkent dien afstand, door God boven eigen persoon en boven alles te beminnen. Bijgevolg wanneer de liefde groeit, vermindert de eerbiedige vrees niet; wel integendeel, zij vermeerdert.3. De kinderlijke vrees is niet beducht voor scheiding: ze zoekt de onderwerping aan God. Ze vreest alleen zich aan deze onderwerping te onttrekken. Wil men toch van scheiding spreken, dan kan men zeggen dat de kinderlijke vrees de afstand die tussen God en ons bestaat, eerbiedigt, door zich nooit als Gods gelijke te gedragen, maar door zich aan Hem te onderwerpen. Ook de liefde erkent die afstand, door God boven eigen persoon en boven alles te beminnen. Bijgevolg wanneer de liefde groeit, vermindert de eerbiedige vrees niet; wel integendeel, zij vermeerdert.

Articulus XI

Utrum timor remaneat in patria

[1-2. q. 67. art. 4. ad 3; 3. Dist. 34. q. 2. art. 3. qla. 4; De Virt. q. 4. a. 4. ad 2.]
XIe Artikel

Blijft de vrees voortbestaan in den hemel?Blijft de vrees voortbestaan in de hemel?

antwoord 1 ↓

Ad undecimum sic proceditur. Videtur, quod timor non remaneat in 83patria : dicitur enim Proverb. 1 [v. 33] : « Abundantia perfruetur, timore malorum sublato », quod intelligitur de homine jam sapientia perfruente in beatitudine aeterna. Sed omnis timor est alicujus mali, quia malum est objectum timoris, ut supra dictum est [art. 2. et 5; 1-2. q. 42. art. 1.]. Ergo nullus timor erit in patria.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de vrees in den hemel 83niet blijft voortbestaan. — 1. In het Boek der Spreuken (1. 33) lezen we : « Hij zal overvloed genieten, bevrijd van de vrees voor de rampen ». We mogen dit woord toepassen op hen die reeds de wijsheid genieten in den hemel. Welnu men vreest alleen het kwaad, dat zooals boven gezegd is (2e en 5e Art.; 42e Kw. 1e Art.), het voorwerp is van de vrees. Bijgevolg is alle vrees uitgesloten in den hemel.Bedenkingen. — Men beweert, dat de vrees in de hemel 83niet blijft voortbestaan. — 1. In het Boek van de Spreuken (1, 33) lezen we: “Hij zal overvloed genieten, bevrijd van de vrees voor de rampen”. We mogen dit woord toepassen op hen die reeds de wijsheid genieten in de hemel. Welnu men vreest alleen het kwaad, dat zoals boven gezegd is (2e en 5e Art.; 42e Kw. 1e Art.), het voorwerp is van de vrees. Bijgevolg is alle vrees uitgesloten in de hemel.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, homines in patria erunt Deo conformes, secundum illud 1. Joan. 3 [v. 2] : « Cum apparuerit, similes ei erimus ». Sed Deus nihil timet. Ergo homines in patria non habebunt aliquem timorem.

2. In den hemel, wordt de mensch aan God gelijk, naar het woord van Joannes in zijn Tweeden Brief (3. 2) : « Wanneer de openbaring komt, zullen wij aan Hem gelijk zijn ». Welnu God kent geen vrees. Evenmin dus de mensch, die in den hemel is.2. In de hemel, wordt de mens aan God gelijk, naar het woord van Johannes in zijn Tweeden Brief (3, 2): “Wanneer de openbaring komt, zullen wij aan Hem gelijk zijn”. Welnu God kent geen vrees. Evenmin dus de mens, die in de hemel is.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, spes est perfectior, quam timor, quia spes est respectu boni, timor respectu mali. Sed spes non erit in patria. Ergo nec timor erit in patria.

3. De hoop is volmaakter dan de vrees, want het voorwerp van de hoop is het goede, het voorwerp van de vrees, het kwaad. Welnu de hoop houdt op te bestaan in den hemel. Bijgevolg zal ook de vrees ophouden te bestaan.3. De hoop is volmaakter dan de vrees, want het voorwerp van de hoop is het goede, het voorwerp van de vrees, het kwaad. Welnu de hoop houdt op te bestaan in de hemel. Bijgevolg zal ook de vrees ophouden te bestaan.

Sed contra est, quod dicitur in Psalm. 18 [v. 10] : « Timor Domini sanctus permanet in saeculum ».

Daartegenover staat echter wat het Boek der Psalmen zegt (18. 10) : « De heilige vreeze des Heeren blijft in de eeuwen der eeuwen ».Daartegenover staat echter wat het Boek van de Psalmen zegt (18, 10): “De heilige vreze van de Heer blijft in de eeuwen van de eeuwen”.

84Respondeo dicendum, quod timor servilis, sive timor poenae, nullo modo erit in patria : excluditur enim talis timor per securitatem aeternae beatitudinis, quae est de ipsius beatitudinis ratione, sicut supra dictum est [q. 18. art. 3; 1-2. q. 5. art. 4.]. Timor autem filialis sicut augetur augmentata charitate, ita charitate perfecta perficietur. Unde non habebit in patria eumdem actum omnino, quem habet modo. Ad cujus evidentiam sciendum est, quod proprium objectum timoris est malum possibile, sicut proprium objectum spei est bonum possibile; et cum motus timoris sit quasi fugae, importat timor fugam mali ardui possibilis, parva enim mala timorem non inducunt. Sicut autem bonum uniuscujusque est, ut in suo ordine consistat, ita malum uniuscujusque est, ut suum ordinem deserat; ordo autem creaturae rationalis est, ut sit sub Deo et supra caeteras creaturas. Unde sicut malum creaturae rationalis est, ut subdat se creaturae inferiori per amorem, ita etiam malum ejus est, si non Deo se subjiciat, sed in ipsum praesumptuose insiliat, vel contemnat. Hoc autem malum creaturae rationali secundum suam naturam consideratae possibile est, propter 85naturalem liberi arbitrii flexibilitatem; sed in beatis fit non possibile per gloriae perfectionem; fuga ergo hujus mali, quod est Deo non subjici, ut possibilis naturae, impossibilis autem beatitudini, erit in patria. In via autem est fuga hujus mali, ut omnino possibilis. Et ideo Gregorius dicit 17. Moral. exponens illud Job 26 : Columnae coeli contremiscunt, et pavent ad nutum ejus [cap. 17.]. « Ipsae, inquit, virtutes coelestium, quae hunc sine cessatione conspiciunt, in ipsa contemplatione contremiscunt; sed idem tremor, ne eis poenalis sit, non timoris est, sed admirationis », quia scilicet admirantur Deum ut supra se existentem, et eis incomprehensibilem. Augustinus etiam 14. de Civit. Dei [cap. 9.] hoc modo ponit timorem in patria, quamvis hoc sub dubio derelinquat : « Timor, inquit, ille castus permanens in saeculum saeculi, si erit in futuro saeculo, non erit timor exiens 1 a malo, quod accidere potest, sed tenens in bono, quod amitti non potest. Ubi enim boni adepti amor immutabilis est, profecto, si dici potest, mali cavendi timor 86securus est. Timoris quippe casti nomine ea voluntas significata est, qua nos necesse erit nolle peccare, et non solicitudine infirmitatis ne forte peccemus, sed tranquillitate charitatis cavere peccatum; aut si nullius omnino generis timor ibi esse poterit, ita fortasse timor in saeculum saeculi dictus est permanens, quia id permanebit, quo timor ipse perducit ».

84Leerstelling. — De slaafsche vrees of de vrees voor de straf is totaal uitgesloten in den hemel. Want een dergelijke vrees wordt door de veiligheid der zaligheid, die tot de wezenheid der zaligheid behoort, uitgesloten, zooals boven gezegd is (I-II 5e Kw. 4e Art.). De kinderlijke vrees echter die groeit met de groeiende liefde, wordt door de volmaakte liefde vervolmaakt, en zal daarom in den hemel niet op dezelfde wijze als hier tot uiting komen. Dit wordt duidelijk, wanneer men in acht neemt dat het eigen voorwerp van de vrees een mogelijk kwaad is; het eigen voorwerp van de hoop, een mogelijk goed. Daar nu vreezen een soort vluchten is, zoo sluit de vrees het ontvluchten in van een mogelijk zwaar kwaad; want een gering kwaad boezemt geen vrees in. Welnu evenals het eerbiedigen van de orde een goed is voor eenieder, zoo is het verbreken van die orde, een kwaad. De orde echter vraagt dat een redelijk schepsel zich stellen zou onder God, maar boven de andere schepselen. Evenals dan het redelijk schepsel kwaad bedrijft, wanneer het de lagere schepselen zoo bemint, dat het zich aan hen ondergeschikt maakt, zoo bedrijft het ook kwaad wanneer het weigert zich aan God te onderwerpen, maar hoogmoedig tegen Hem opstaat en Hem misprijst. Welnu uit de natuur van den mensch volgt dat hij het kwaad kan 85bedrijven, omdat zijn vrijen wil begeven kan. De volmaaktheid der zaligheid echter maakt die afwijking onmogelijk. Bijgevolg kunnen de zaligen het kwaad der zonde, of den opstand tegen God slechts duchten, als iets dat volgens de natuurlijke neiging van den wil mogelijk is, doch onmogelijk is geworden voor hen. Zij die op aarde leven duchten die scheiding van God, als een kwaad dat zonder meer mogelijk is. Daarom zegt Gregorius bij het Boek Job (26. 11) : « De zuilen van den hemel staan te waggelen en rillen van angst bij het minst van zijn bewegingen »: « Zelfs de Krachten die in den hemel voortdurend in zijn tegenwoordigheid vertoeven, sidderen wanneer ze Hem zien. Ze sidderen niet omdat ze vreezen gestraft te worden, maar uit bewondering ». Ze bewonderen immers Gods verhevenheid en onbegrijpelijkheid. Ook Augustinus zegt, zonder echter allen twijfel uit te sluiten, dat de zaligen zulke vrees kennen : « De kuische vrees, die eeuwig blijft duren, ten minste indien in den hemel nog spraak is van vrees, is geen terugschrikken voor een mogelijke ramp, maar een vrees die een gevolg is van het goed dat ze bezitten en niet verliezen kunnen. Want wanneer de liefde waarmee men iets bemint niet vergaan kan, dan is de vrees dit goed te verliezen, gerustgesteld. 86Door de kuische vrees wordt noodzakelijk alle zonde van de hand gewezen, niet omdat men zijn zwakheid vreest, maar omdat de liefde zoo sterk is dat de zonde onmogelijk wordt. Indien echter elke vrees uitgesloten is in den hemel, dan kan men mogelijks zeggen dat de vrees eeuwig voortbestaat, omdat datgene voortbestaat, waartoe de vrees zelf geleid heeft ».84Leerstelling. — De slaafse vrees of de vrees voor de straf is totaal uitgesloten in de hemel. Want een dergelijke vrees wordt door de veiligheid van de zaligheid, die tot de wezenheid van de zaligheid behoort, uitgesloten, zoals boven gezegd is (1-2 5e Kw. 4e Art.). De kinderlijke vrees echter die groeit met de groeiende liefde, wordt door de volmaakte liefde vervolmaakt, en zal daarom in de hemel niet op dezelfde wijze als hier tot uiting komen. Dit wordt duidelijk, wanneer men in acht neemt dat het eigen voorwerp van de vrees een mogelijk kwaad is; het eigen voorwerp van de hoop, een mogelijk goed. Daar nu vrezen een soort vluchten is, zo sluit de vrees het ontvluchten in van een mogelijk zwaar kwaad; want een gering kwaad boezemt geen vrees in. Welnu evenals het eerbiedigen van de orde een goed is voor eenieder, zo is het verbreken van die orde, een kwaad. De orde echter vraagt dat een redelijk schepsel zich stellen zou onder God, maar boven de andere schepselen. Evenals dan het redelijk schepsel kwaad bedrijft, wanneer het de lagere schepselen zo bemint, dat het zich aan hen ondergeschikt maakt, zo bedrijft het ook kwaad wanneer het weigert zich aan God te onderwerpen, maar hoogmoedig tegen Hem opstaat en Hem misprijst. Welnu uit de natuur van de mens volgt dat hij het kwaad kan 85bedrijven, omdat zijn vrijen wil begeven kan. De volmaaktheid van de zaligheid echter maakt die afwijking onmogelijk. Bijgevolg kunnen de zaligen het kwaad van de zonde, of de opstand tegen God slechts duchten, als iets dat volgens de natuurlijke neiging van de wil mogelijk is, doch onmogelijk is geworden voor hen. Zij die op aarde leven duchten die scheiding van God, als een kwaad dat zonder meer mogelijk is. Daarom zegt Gregorius bij het Boek Job (26, 11): “De zuilen van de hemel staan te waggelen en rillen van angst bij het minst van zijn bewegingen”: “Zelfs de Krachten die in de hemel voortdurend in zijn tegenwoordigheid vertoeven, sidderen wanneer ze Hem zien. Ze sidderen niet omdat ze vrezen gestraft te worden, maar uit bewondering”. Ze bewonderen immers Gods verhevenheid en onbegrijpelijkheid. Ook Augustinus zegt, zonder echter allen twijfel uit te sluiten, dat de zaligen zulke vrees kennen: “De kuise vrees, die eeuwig blijft duren, ten minste indien in de hemel nog spraak is van vrees, is geen terugschrikken voor een mogelijke ramp, maar een vrees die een gevolg is van het goed dat ze bezitten en niet verliezen kunnen. Want wanneer de liefde waarmee men iets bemint niet vergaan kan, dan is de vrees dit goed te verliezen, gerustgesteld. 86Door de kuise vrees wordt noodzakelijk alle zonde van de hand gewezen, niet omdat men zijn zwakheid vreest, maar omdat de liefde zo sterk is dat de zonde onmogelijk wordt. Indien echter elke vrees uitgesloten is in de hemel, dan kan men mogelijks zeggen dat de vrees eeuwig voortbestaat, omdat datgene voortbestaat, waartoe de vrees zelf geleid heeft”.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod in auctoritate praedicta excluditur a beatis timor solicitudinem habens, de malo praecavens, non autem timor securus, ut Augustinus dicit [loc. sup. cit.].

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Bedenking wil enkel zeggen dat, bij de gelukzaligen, de vrees, die, bezorgd is om het kwaad te vermijden, uitgesloten is. Ze duiden echter niet op de gerustgestelde vrees, zooals Augustinus zegt.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Bedenking wil enkel zeggen dat, bij de gelukzaligen, de vrees, die, bezorgd is om het kwaad te vermijden, uitgesloten is. Ze duiden echter niet op de gerustgestelde vrees, zoals Augustinus zegt.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod, sicut dicit Dionysius 9. cap. de Div. Nom. : « Eadem et similia sunt Deo, et dissimilia : haec quidem secundum contingentem non imitabilis imitationem », idest inquantum secundum suum posse imitantur Deum, qui non est perfecte imitabilis; « haec autem secundum quod hic causata minus habent a causa infinitis mensuris et incomparabilibus deficientia ». Unde non oportet, si Deo non convenit timor, quia non habet superiorem, cui subjiciatur, quod propter hoc non conveniat beatis, 87quorum beatitudo consistit in perfecta subjectione ad Deum.

2. « Hetzelfde is, met betrekking tot God, evenzeer gelijksoortig als ongelijksoortig. Gelijksoortig naargelang iets den Onnavolgbare navolgen kan; ongelijksoortig omdat het veroorzaakte nooit de volmaaktheid van de oorzaak uitdrukt, waarmee het zich niet meten kan noch gelijkgesteld kan worden ». Aldus Dionysius. Daarom is het niet noodig de vrees bij de gelukzaligen uit te sluiten, omdat ze bij God niet bestaat. Bij God kan ze niet aangetroffen worden, daar Hij aan niemand ondergeschikt is, terwijl 87de zaligheid der hemelingen juist in hun ondergeschiktheid aan God gelegen is.2. “Hetzelfde is, met betrekking tot God, evenzeer gelijksoortig als ongelijksoortig. Gelijksoortig naargelang iets de Onnavolgbare navolgen kan; ongelijksoortig omdat het veroorzaakte nooit de volmaaktheid van de oorzaak uitdrukt, waarmee het zich niet meten kan noch gelijkgesteld kan worden”. Aldus Dionysius. Daarom is het niet nodig de vrees bij de gelukzaligen uit te sluiten, omdat ze bij God niet bestaat. Bij God kan ze niet aangetroffen worden, daar Hij aan niemand ondergeschikt is, terwijl 87de zaligheid van de hemelingen juist in hun ondergeschiktheid aan God gelegen is.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod spes importat quemdam defectum, scilicet futuritionem beatitudinis, quae tollitur per eius praesentiam. Sed timor importat defectum naturalem creaturae, secundum quod infinitum distat a Deo, quod etiam in patria remanebit; et ideo timor non evacuabitur totaliter.

3. Er is iets onvolkomen in de hoop, nl. het voorwaardelijk karakter van de zaligheid, die voor de toekomst beloofd wordt. Dit karakter vervalt wanneer de zaligheid bereikt wordt. De vrees echter sluit in zich een natuurlijke onvolkomenheid, het schepsel aangeboren, doordat het oneindig ver van God afstaat. En die afstand blijft in de hemel. Bijgevolg zal de vrees niet totaal verdwijnen.

Articulus XII

Utrum paupertas spiritus sit beatitudo respondens dono timoris

[3. Dist. 34. q. 1. art. 4; in Matth. c. 5.]
XIIe Artikel

Beantwoordt de zaligspreking : « Zalig de armen van geest », aan de gave van vrees?Beantwoordt de zaligspreking: “Zalig de armen van geest”, aan de gave van vrees?

antwoord 1 ↓

Ad duodecimum sic proceditur. Videtur, quod paupertas spiritus non sit beatitudo respondens dono timoris : timor enim est initium spiritualis vitae, ut ex dictis patet [art. 7.]. Sed paupertas pertinet ad perfectionem 88vitae spiritualis, secundum illud Matth. 19 [v. 21] : « Si vis perfectus esse, vade, et vende omnia, quae habes, et da pauperibus ». Ergo paupertas spiritus non respondet dono timoris.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de armoede van geest, niet de zaligheid is, die beantwoordt aan de gave van vrees. — 1. We zegden (7e Art.) dat de vrees het begin is van het geestelijk leven. De armoede daarentegen behoort tot de voltooiïng van het geestelijk leven, naar het woord bij Mattheus (19. 21) : « Zoo 88ge volmaakt wilt zijn, ga dan verkoopen wat ge bezit, en geef het aan de armen ». Bijgevolg beantwoordt de armoede van geest niet aan de gave van vrees.Bedenkingen. — Men beweert, dat de armoede van geest, niet de zaligheid is, die beantwoordt aan de gave van vrees. — 1. We zegden (7e Art.) dat de vrees het begin is van het geestelijk leven. De armoede daarentegen behoort tot de voltooiing van het geestelijk leven, naar het woord bij Matteüs (19, 21): “Zo 88ge volmaakt wilt zijn, ga dan verkopen wat ge bezit, en geef het aan de armen”. Bijgevolg beantwoordt de armoede van geest niet aan de gave van vrees.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, in Psal. 118 [v. 120] dicitur : « Confige timore tuo carnes meas », ex quo videtur, quod ad timorem pertineat carnem reprimere. Sed ad repressionem carnis maxime videtur pertinere beatitudo luctus. Ergo beatitudo luctus magis respondet dono timoris, quam beatitudo paupertatis.

2. We lezen in het Boek der Psalmen (118. 120) : « Doordring mijn vleesch met vrees ». Daaruit blijkt dat de vrees de begeerten van het vleesch moet onderdrukken. Welnu het komt de zaligheid der tranen toe, de begeerten van het vleesch te bedwingen. Deze zaligheid beantwoordt bijgevolg beter aan de gave van vrees dan de zaligheid der armoede.2. We lezen in het Boek van de Psalmen (118, 120)a: “Doordring mijn vlees met vrees”. Daaruit blijkt dat de vrees de begeerten van het vlees moet onderdrukken. Welnu het komt de zaligheid van de tranen toe, de begeerten van het vlees te bedwingen. Deze zaligheid beantwoordt bijgevolg beter aan de gave van vrees dan de zaligheid van de armoede.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, donum timoris respondet virtuti spei, sicut dictum est [art. 9. ad 1.]. Sed spei maxime videtur respondere beatitudo ultima, quae est : « Beati pacifici, quoniam Filii Dei vocabuntur » [Matt. cap. 5. v. 9.] quia, ut dicitur Rom. 5 [v. 2] : « Gloriamur in spe gloriae filiorum Dei ». Ergo beatitudo illa magis respondet dono timoris, quam paupertas spiritus.

3. We hebben boven uiteengezet (9e Art. 1e Antw.), dat de gave van vrees beantwoordt aan de deugd van hoop. Doch de hoop komt beter overeen met de laatste zaligspreking : « Zalig de vreedzamen, want ze zullen zonen van God genoemd worden ». Want de Apostel schrijft in den Brief aan de Romeinen (5. 2) : « We roemen in de hoop op de heerlijkheid van de kinderen Gods ». Bijgevolg beantwoordt deze zaligheid beter aan de gave van vrees dan de armoede van geest.3. We hebben boven uiteengezet (9e Art. 1e Antw.), dat de gave van vrees beantwoordt aan de deugd van hoop. Doch de hoop komt beter overeen met de laatste zaligspreking: “Zalig de vreedzamen, want ze zullen zonen van God genoemd worden”. Want de Apostel schrijft in de Brief aan de Romeinen (5, 2): “We roemen in de hoop op de heerlijkheid van de kinderen Gods”. Bijgevolg beantwoordt deze zaligheid beter aan de gave van vrees dan de armoede van geest.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, supra dictum est [1-2. q. 70. art. 2.], quod beatitudinibus respondent fructus. Sed nihil in fructibus invenitur respondere dono 89timoris, ergo etiam neque in beatitudinibus aliquid ei respondet.

4. Aan de zaligheden beantwoorden de vruchten, zooals vroeger gezegd is (I-II 70e Kw. 2e Art.). Welnu er is geen enkele vrucht die aan de gave van vrees beantwoordt. Bijgevolg kan 89evenmin een zaligheid met die gave verband houden.4. Aan de zaligheden beantwoorden de vruchten, zoals vroeger gezegd is (1-2 70e Kw. 2e Art.). Welnu er is geen enkele vrucht die aan de gave van vrees beantwoordt. Bijgevolg kan 89evenmin een zaligheid met die gave verband houden.

Sed contra est, quod Augustinus dicit. in lib. 1. de Serm. Dom. in monte [cap. 4] : « Timor Dei congruit humilibus, de quibus dicitur : Beati pauperes spiritu ».

Daartegenover staat echter dat Augustinus zegt : « De vrees van God is de nederigen eigen, van wie gezegd is : Zalig de armen van geest ».Daartegenover staat echter dat Augustinus zegt: “De vrees van God is de nederigen eigen, van wie gezegd is: Zalig de armen van geest”.

Respondeo dicendum, quod timori proprie respondet paupertas spiritus : cum enim ad timorem filialem pertineat Deo reverentiam exhibere, et ei subditum esse, id quod ex hujusmodi subjectione consequitur, pertinet ad donum timoris. Ex hoc autem quod aliquis Deo se subjicit, desinit quaerere in seipso vel in aliquo alio magnificari, nisi in Deo : hoc enim repugnaret perfectae subjectioni ad Deum. Unde dicitur in Psal. 19 [v. 8] : « Hi in curribus, et hi in equis, nos autem in nomine Dei nostri invocabimus », et ideo ex hoc quod aliquis perfecte timet Deum, consequens est, quod non quaerat magnificari in seipso per superbiam, neque etiam quaerat magnificari in exterioribus bonis, scilicet honoribus et divitiis, quorum utrumque pertinet ad paupertatem spiritus, secundum quod paupertas spiritus intelligi 90potest, vel exinanitio inflati et superbi spiritus, ut Augustinus exponit [loc. sup. cit. cap. 1], vel etiam abjectio temporalium rerum, quae fit spiritu, idest propria voluntate per instinctum Spiritus Sancti, ut Ambrosius [sup. illud Luc. 6. : Beati pauperes], et Hieronymus [sup. hunc loc. Matth. 5] exponunt.

Leerstelling. — De armoede van geest beantwoordt waarlijk aan de gave van vrees. Het is immers de kinderlijke vrees eigen, God te eeren en zich aan Hem te onderwerpen. Wat uit deze ondergeschiktheid volgt behoort tot de gave van vrees. Welnu wanneer iemand zich onderwerpt aan God, dan houdt bij hem alle lust op, om zich in zichzelf of in iets anders te verheffen. Want dit zou in strijd zijn met de volmaakte ondergeschiktheid aan God. Vandaar dat de Psalmist zegt (19. 8) : « Anderen gaan trots op hun strijdwagens en paarden; wij, op den naam van God ». Derhalve, wanneer iemand God op volmaakte wijze vreest, dan zal hij zich nooit in zichzelf door hoogmoed verlustigen, noch grootgaan op uitwendige goederen, nl. op eerbewijzen en rijkdom. Welnu dit valt onder de armoede van geest. Want de armoede 90van geest beduidt, volgens Augustinus, de vermorzeling van den opgeblazen en hoogmoedigen geest; of ook, het zich ontzeggen van de tijdelijke goederen, wat, naar de verklaring van Ambrosius en Hieronymus, geschiedt door den geest, d. i. door den persoonlijken wil, onder ingeving van den H. Geest.Leerstelling. — De armoede van geest beantwoordt waarlijk aan de gave van vrees. Het is immers de kinderlijke vrees eigen, God te eren en zich aan Hem te onderwerpen. Wat uit deze ondergeschiktheid volgt behoort tot de gave van vrees. Welnu wanneer iemand zich onderwerpt aan God, dan houdt bij hem alle lust op, om zich in zichzelf of in iets anders te verheffen. Want dit zou in strijd zijn met de volmaakte ondergeschiktheid aan God. Vandaar dat de Psalmist zegt (19, 8): “Anderen gaan trots op hun strijdwagens en paarden; wij, op de naam van God”. Derhalve, wanneer iemand God op volmaakte wijze vreest, dan zal hij zich nooit in zichzelf door hoogmoed verlustigen, noch grootgaan op uitwendige goederen, nl. op eerbewijzen en rijkdom. Welnu dit valt onder de armoede van geest. Want de armoede 90van geest beduidt, volgens Augustinus, de vermorzeling van de opgeblazen en hoogmoedigen geest; of ook, het zich ontzeggen van de tijdelijke goederen, wat, naar de verklaring van Ambrosius en Hieronymus, geschiedt door de geest, d.i. door de persoonlijke wil, onder ingeving van de H. Geest.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod cum beatitudo sit actus virtutis perfectae, omnes beatitudines ad perfectionem spiritualis vitae pertinent; in qua quidem perfectione principium esse videtur, ut tendens ad perfectam spiritualium bonorum participationem, terrena bona contemnat, sicut et timor primum locum habet in donis. Non autem consistit perfectio in ipsa temporalium bonorum desertione, sed haec est via ad perfectionem. Timor autem filialis, cui respondet beatitudo paupertatis, etiam est cum perfectione sapientiae, ut supra dictum est [art. 7.].

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Elke zaligheid is de daad van de volmaakte deugd. Daarom behooren al de zaligheden tot de volmaaktheid van het geestelijk leven. Deze volmaaktheid vergt, dat hij die volmaakt wil deelen in de geestelijke goederen, begint met de tijdelijke goederen te misprijzen, zooals ook de vrees de eerste is onder de gaven. De volmaaktheid is echter niet te zoeken in het misprijzen der tijdelijke goederen als zoodanig. Dit prijsgeven van de tijdelijke goederen is slechts een middel om tot de volmaaktheid te komen. Wat de kinderlijke vrees betreft, waaraan de zaligheid der armoede beantwoordt, zij bestaat samen met de volmaaktheid der wijsheid, zooals boven gezegd is (7e Art.).Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Elke zaligheid is de daad van de volmaakte deugd. Daarom behoren al de zaligheden tot de volmaaktheid van het geestelijk leven. Deze volmaaktheid vergt, dat hij die volmaakt wil delen in de geestelijke goederen, begint met de tijdelijke goederen te misprijzen, zoals ook de vrees de eerste is onder de gaven. De volmaaktheid is echter niet te zoeken in het misprijzen van de tijdelijke goederen als zodanig. Dit prijsgeven van de tijdelijke goederen is slechts een middel om tot de volmaaktheid te komen. Wat de kinderlijke vrees betreft, waaraan de zaligheid van de armoede beantwoordt, zij bestaat samen met de volmaaktheid van de wijsheid, zoals boven gezegd is (7e Art.).

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod directius opponitur subjectioni ad Deum, quam facit timor filialis, indebita magnificatio hominis vel in seipso, vel in 91aliis rebus, quam delectatio extranea; quae tamen opponitur timori ex consequenti, quia qui Deum reveretur et ei subditur, non delectatur in aliis a Deo. Sed tamen delectatio non pertinet ad rationem ardui, quam respicit timor, sicut magnificato. Et ideo directe beatitudo paupertatis respondet timori, beatitudo autem luctus ex consequenti.

2. De misplaatste zelfverheffing en het grootgaan op tijdelijke bezittingen, zijn meer onmiddellijk tegengesteld aan de onderworpenheid aan God, door de kinderlijke vrees veroorzaakt, dan het 91zoeken van andere genoegens. Niettemin hinderen deze genoegens de kinderlijke vrees, gezien datgene wat uit deze genoegens volgt. Want hij die God eert en zich aan Hem onderwerpt, zoekt zijn genoegen niet in wat vreemd is aan God. Daar nu de wellust niet valt onder het lastige dat voorwerp van vrees is, terwijl dit wel het geval is voor de zelfverheffing, daarom beantwoordt de zaligheid der armoede meer onmiddellijk aan de vrees, en de zaligheid der tranen slechts gevolglijkerwijze.2. De misplaatste zelfverheffing en het grootgaan op tijdelijke bezittingen, zijn meer onmiddellijk tegengesteld aan de onderworpenheid aan God, door de kinderlijke vrees veroorzaakt, dan het 91zoeken van andere genoegens. Niettemin hinderen deze genoegens de kinderlijke vrees, gezien datgene wat uit deze genoegens volgt. Want hij die God eert en zich aan Hem onderwerpt, zoekt zijn genoegen niet in wat vreemd is aan God. Daar nu de wellust niet valt onder het lastige dat voorwerp van vrees is, terwijl dit wel het geval is voor de zelfverheffing, daarom beantwoordt de zaligheid van de armoede meer onmiddellijk aan de vrees, en de zaligheid van de tranen slechts gevolglijkerwijze.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod spes importat motum secundum habitudinem ad terminum ad quem tenditur, sed timor importat magis motum secundum habitudinem recessus a termino a quo; et ideo ultima beatitudo, quae est spiritualis perfectionis terminus, congrue respondet spei per modum objecti ultimi, sed prima beatitudo, quae est per recessum a rebus exterioribus impedientibus divinam subjectionem, congrue respondet timori.

3. De hoop sluit een beweging in, die betrekking heeft op den eindterm die nagestreefd wordt. De vrees daarentegen wijst op een beweging die zich van het uitgangspunt verwijdert. Daarom beantwoordt de laatste zaligheid, die de eindterm is van de geestelijke volmaaktheid, op passende wijze aan de hoop, bij wijze van laatste voorwerp. Maar de eerste zaligheid, die wijst op een verwijderen van de tijdelijke goederen die de ondergeschiktheid aan God hinderen, beantwoordt op passende wijze aan de vrees.3. De hoop sluit een beweging in, die betrekking heeft op de eindterm die nagestreefd wordt. De vrees daarentegen wijst op een beweging die zich van het uitgangspunt verwijdert. Daarom beantwoordt de laatste zaligheid, die de eindterm is van de geestelijke volmaaktheid, op passende wijze aan de hoop, bij wijze van laatste voorwerp. Maar de eerste zaligheid, die wijst op een verwijderen van de tijdelijke goederen die de ondergeschiktheid aan God hinderen, beantwoordt op passende wijze aan de vrees.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod in fructibus illa, quae pertinent ad moderatum usum vel abstinentiam a rebus temporalibus, videntur dono timoris convenire, sicut modestia et continentia, et castitas.

4. De vruchten, die betrekking hebben op een matig gebruik of op de onthouding van de tijdelijke goederen, beantwoorden het best aan de gave van vrees, nl. de bescheidenheid, de onthouding en de kuischheid.4. De vruchten, die betrekking hebben op een matig gebruik of op de onthouding van de tijdelijke goederen, beantwoorden het best aan de gave van vrees, nl. de bescheidenheid, de onthouding en de kuisheid.