De subjecto spei
Over den zetel der hoopOver de zetel van de hoop
29Deinde considerandum est de subjecto spei.
29Nu moeten wij den zetel der hoop bestudeeren.29Nu moeten wij de zetel van de hoop bestuderen.
Et circa hoc quaeruntur quatuor : 1. Utrum virtus spei sit in voluntate sicut in subjecto. — 2. Utrum sit in beatis. — 3. Utrum sit in damnatis. — 4. Utrum in viatoribus habeat certitudinem.
Hieromtrent worden vier vragen gesteld : 1. Is de wil de zetel van de hoop? 2. Bezitten de gelukzaligen de hoop? 3. En de verdoemden? 4. Is de hoop bij hen die op aarde leven, zekerheid?Hieromtrent worden vier vragen gesteld: 1. Is de wil de zetel van de hoop? 2. Bezitten de gelukzaligen de hoop? 3. En de verdoemden? 4. Is de hoop bij hen die op aarde leven, zekerheid?
Utrum spes sit in voluntate sicut in subjecto
Is de wil, de zetel van de hoop?
Ad primum sic proceditur. Videtur, quod spes non sit in voluntate 30sicut in subjecto : spei enim objectum est bonum arduum, ut supra dictum est [q. praec. art. 1. et 1-2. q. 40. art. 1.]. Arduum autem non est objectum voluntatis, sed irascibilis. Ergo spes non est in voluntate, sed in irascibili.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de zetel van de hoop 30niet de wil is. — 1. Zooals gezegd is (vorige Kw. 1e Art.; I-II 40e Kw. 1e Art.), is het voorwerp van de hoop een moeilijk te bereiken goed. Welnu wat we moeilijk bereiken, is niet het voorwerp van den wil, doch van het weerstandsvermogen. Bijgevolg is de zetel van de hoop niet de wil doch het weerstandsvermogen.Bedenkingen. — Men beweert, dat de zetel van de hoop 30niet de wil is. — 1. Zoals gezegd is (vorige Kw. 1e Art.; 1-2 40e Kw. 1e Art.), is het voorwerp van de hoop een moeilijk te bereiken goed. Welnu wat we moeilijk bereiken, is niet het voorwerp van de wil, doch van het weerstandsvermogen. Bijgevolg is de zetel van de hoop niet de wil doch het weerstandsvermogen.
2. Praeterea, ei, ad quod unum sufficit, superflue apponitur aliud. Sed ad perficiendum potentiam voluntatis sufficit charitas, quae est perfectissima virtutum. Ergo spes non est in voluntate.
2. Wanneer één zaak voldoende is, dan is al het overige overbodig. Welnu de liefde, die volmaaktste der deugden is, volstaat om den wil te volmaken. Bijgevolg is de hoop in den wil overbodig.2. Wanneer één zaak voldoende is, dan is al het overige overbodig. Welnu de liefde, die volmaaktste van de deugden is, volstaat om de wil te volmaken. Bijgevolg is de hoop in de wil overbodig.
3. Praeterea, una potentia non potest simul esse in duobus actibus, sicut intellectus non potest simul multa intelligere. Sed actus spei simul potest esse cum actu charitatis. Ergo cum actus charitatis manifeste pertineat ad voluntatem, actus spei non pertinet ad ipsam. Sic ergo spes non est in voluntate.
3. Eénzelfde vermogen kan niet te gelijk in twee handelingen werkdadig zijn; zooals het verstand niet te gelijk twee dingen kan kennen. Welnu de daad van hoop kan samenvallen met de daad van liefde. Daar nu de daad van liefde haar zetel heeft in den wil, zoo is daar geen plaats meer voor de hoop. Bijgevolg is de wil niet de zetel van de hoop.3. Eénzelfde vermogen kan niet te gelijk in twee handelingen werkdadig zijn; zoals het verstand niet te gelijk twee dingen kan kennen. Welnu de daad van hoop kan samenvallen met de daad van liefde. Daar nu de daad van liefde haar zetel heeft in de wil, zo is daar geen plaats meer voor de hoop. Bijgevolg is de wil niet de zetel van de hoop.
Sed contra, anima non est capax Dei nisi secundum mentem, in qua est memoria, intelligentia, et voluntas, ut patet per Augustinum in lib. 14. de Trin. [cap. 8. et 12.]. Sed spes est virtus theologica habens Deum 31pro objecto. Cum ergo non sit neque in memoria, neque in intelligentia, quae pertinent ad vim cognoscitivam, relinquitur quod sit in voluntate sicut in subjecto.
Daartegenover staat echter dat de ziel God slechts kan bereiken door den geest, waarin aanwezig zijn : het geheugen, het verstand en de wil, zooals bij Augustinus blijkt. Welnu, de hoop 31is een goddelijke deugd die God als voorwerp heeft. Daar nu, de hoop haar zetel heeft, noch in het geheugen, noch in het verstand, blijft alleen de wil over.Daartegenover staat echter dat de ziel God slechts kan bereiken door de geest, waarin aanwezig zijn: het geheugen, het verstand en de wil, zoals bij Augustinus blijkt. Welnu, de hoop 31is een goddelijke deugd die God als voorwerp heeft. Daar nu, de hoop haar zetel heeft, noch in het geheugen, noch in het verstand, blijft alleen de wil over.
Respondeo dicendum, quod, sicut ex praedictis patet [part. 1. q. 87. art. 2.], habitus per actus cognoscuntur; actus autem spei est quidam motus appetitivae partis, cum sit ejus objectum bonum; cum autem sit duplex appetitus in homine, scilicet appetitus sensitivus, qui dividitur per irascibilem et concupiscibilem, et appetitus intellectivus, qui dicitur voluntas, ut in 1. habitum est [q. 82. art. 5.] illi motus, qui sunt in appetitu inferiori, sunt cum passione; in superiori autem sine passione, ut ex supra dictis patet [part. 1. q. 82. art. 5.]. Actus autem virtutis spei non potest pertinere ad appetitum sensitivum, quia bonum quod est objectum principale huius virtutis, non est aliquod bonum sensibile, sed bonum divinum. Et ideo spes est in appetitu superiori, qui dicitur voluntas, sicut in subjecto, non autem in appetitu inferiori, ad quem pertinet irascibilis.
Leerstelling. — Reeds vroeger (I 87e Kw. 2e Art.) werd gezegd, dat men de hebbelijkheden kent door de daden. De daad van hoop is een beweging van het streefvermogen, daar haar voorwerp het goede is. Welnu de mensch bezit een dubbel streefvermogen, een zinnelijk, dat onderverdeeld wordt in weerstandsvermogen en begeervermogen; en een verstandelijk streefvermogen, dat de wil is, zooals vroeger gezegd werd (I 82e Kw. 5e Art.). De neigingen van het lagere streefvermogen, zijn aan de hartstochten onderhevig; de neigingen van het hoogere streefvermogen niet, zooals t. a. p. gezegd werd. Welnu de daad van de deugd van hoop kan niet van het zinnelijk streefvermogen uitgaan, daar het goed, dat het voornaamste voorwerp van deze deugd is, geen zinnelijk doch een goddelijk voorwerp is. Daarom is de zetel van de hoop het hoogere streefvermogen, nl. de wil en geenszins het lagere streefvermogen, waartoe het weerstandsvermogen behoort.Leerstelling. — Reeds vroeger (I 87e Kw. 2e Art.) werd gezegd, dat men de hebbelijkheden kent door de daden. De daad van hoop is een beweging van het streefvermogen, daar haar voorwerp het goede is. Welnu de mens bezit een dubbel streefvermogen, een zinnelijk, dat onderverdeeld wordt in weerstandsvermogen en begeervermogen; en een verstandelijk streefvermogen, dat de wil is, zoals vroeger gezegd werd (I 82e Kw. 5e Art.). De neigingen van het lagere streefvermogen, zijn aan de hartstochten onderhevig; de neigingen van het hogere streefvermogen niet, zoals t. a. p. gezegd werd. Welnu de daad van de deugd van hoop kan niet van het zinnelijk streefvermogen uitgaan, daar het goed, dat het voornaamste voorwerp van deze deugd is, geen zinnelijk doch een goddelijk voorwerp is. Daarom is de zetel van de hoop het hogere streefvermogen, nl. de wil en geenszins het lagere streefvermogen, waartoe het weerstandsvermogen behoort.
32Ad primum ergo dicendum, quod irascibilis objectum est arduum sensibile; objectum autem virtutis spei est arduum intelligibile, vel potius supra intellectum existens.
32Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het voorwerp van het weerstandsvermogen is een zinnelijk goed dat moeilijk te bereiken is. Doch het voorwerp van de deugd van hoop is een verstandelijk goed dat moeilijk te bereiken is, of beter een goed dat elk verstand te boven gaat.
Ad secundum dicendum, quod charitas sufficienter perficit voluntatem quantum ad unum actum, qui est diligere; requiritur autem alia virtus ad perficiendum ipsam secundum alium actum ejus, qui est sperare.
2. De wil wordt door de liefde voldoende volmaakt met betrekking tot die daad, die beminnen heet. Doch een andere deugd is noodig om den wil te volmaken met betrekking tot die andere daad, die hopen is.2. De wil wordt door de liefde voldoende volmaakt met betrekking tot die daad, die beminnen heet. Doch een andere deugd is nodig om de wil te volmaken met betrekking tot die andere daad, die hopen is.
Ad tertium dicendum, quod motus spei et motus charitatis habent ordinem ad invicem, ut ex supra dictis patet [q. 17. art. 8.] ; unde nihil prohibet, utrumque motum simul esse unius potentiae, sicut et intellectus potest simul multa intelligere ad invicem ordinata, ut in 1. habitum est [q. 85. art. 4,].
3. Er werd aangetoond (vorige Kw. 8e Art.) dat de hoop en de liefde onderling geordend zijn. Het is dus niet uitgesloten dat die twee neigingen tot hetzelfde vermogen behooren. Ook het verstand kan te gelijk verschillende voorwerpen, die onderling geordend zijn begrijpen, zooals boven gezegd werd (I 85e Kw. 4e Art.).3. Er werd aangetoond (vorige Kw. 8e Art.) dat de hoop en de liefde onderling geordend zijn. Het is dus niet uitgesloten dat die twee neigingen tot hetzelfde vermogen behoren. Ook het verstand kan te gelijk verschillende voorwerpen, die onderling geordend zijn begrijpen, zoals boven gezegd werd (I 85e Kw. 4e Art.).
Utrum spes sit in beatis
Bezitten de gelukzaligen de hoop?
Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod spes sit in beatis : Christus 33enim a principio suae conceptionis fuit perfectus comprehensor. Sed ipse habuit spem, cum ex ejus persona dicatur in Psalm. 30 [v. 1] : « In te Domine speravi », ut Glos. [interlin.] exponit. Ergo in beatis potest esse spes.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de gelukzaligen de 33hoop bezitten. — 1. Christus was vanaf den aanvang van zijn ontvangenis in een toestand van zalige schouwing. Welnu Christus bezat de hoop, daar de Psalmist (30. 1), naar de verklaring van de Glossa, in Christus' naam zegde : « In U, Heer, heb ik gehoopt ». Bijgevolg kunnen de zaligen de hoop bezitten.Bedenkingen. — Men beweert, dat de gelukzaligen de 33hoop bezitten. — 1. Christus was vanaf de aanvang van zijn ontvangenis in een toestand van zalige schouwing. Welnu Christus bezat de hoop, daar de Psalmist (30, 1), naar de verklaring van de Glossa, in Christus' naam zegde: “In U, Heer, heb ik gehoopt”. Bijgevolg kunnen de zaligen de hoop bezitten.
2. Praeterea, sicut adeptio beatitudinis est quoddam bonum arduum, ita etiam ejus continuatio. Sed homines, antequam beatitudinem adipiscantur, habent spem de beatitudinis adeptione. Ergo postquam sunt beatitudinem adepti, possunt sperare beatitudinis continuationem.
2. Zooals het moeilijk is de zaligheid te verwerven, zoo is het moeilijk te volharden. Welnu, men hoopt de zaligheid te bereiken vooraleer men ze verworven heeft. Bijgevolg kan men, na ze verworven te hebben, hopen dat men ze behouden zal.2. Zoals het moeilijk is de zaligheid te verwerven, zo is het moeilijk te volharden. Welnu, men hoopt de zaligheid te bereiken vooraleer men ze verworven heeft. Bijgevolg kan men, na ze verworven te hebben, hopen dat men ze behouden zal.
3. Praeterea, per virtutem spei potest aliquis beatitudinem sperare non solum sibi, sed etiam aliis, ut supra dictum est [q. 17. art. 3]. Sed beati, qui sunt in patria, sperant beatitudinem aliis, alioquin non rogarent pro eis. Ergo in beatis potest esse spes.
3. Door de hoop kan men niet slechts voor zichzelf, doch ook voor anderen de zaligheid hopen, zooals boven gezegd is (17e Kw. 3e Art.). Welnu de gelukzaligen die in den hemel zijn, hopen de zaligheid voor anderen, anders zouden ze voor hen niet bidden. Bijgevolg bestaat de hoop bij de zaligen.3. Door de hoop kan men niet slechts voor zichzelf, doch ook voor anderen de zaligheid hopen, zoals boven gezegd is (17e Kw. 3e Art.). Welnu de gelukzaligen die in de hemel zijn, hopen de zaligheid voor anderen, anders zouden ze voor hen niet bidden. Bijgevolg bestaat de hoop bij de zaligen.
4. Praeterea, ad beatitudinem Sanctorum pertinet non solum gloria animae, sed etiam gloria corporis. Sed animae Sanctorum, qui sunt in patria, expectant adhuc gloriam corporis, ut patet Apoc. 6 [v. 9] et 12. super Gen. ad lit. [Augustini, l. c. cap. 35.]. Ergo spes potest esse in beatis.
4. Tot het geluk der heiligen behoort niet slechts de glorie van de ziel, doch ook deze van het lichaam. Doch de ziel der heiligen, die in den hemel zijn, verwacht nog de glorie van het lichaam, zooals blijkt in het Boek der Openbaring (6. 9), en bij Augustinus. Bijgevolg bestaat de hoop bij de zaligen.4. Tot het geluk van de heiligen behoort niet slechts de glorie van de ziel, doch ook deze van het lichaam. Doch de ziel van de heiligen, die in de hemel zijn, verwacht nog de glorie van het lichaam, zoals blijkt in het Boek van de Openbaring (6, 9), en bij Augustinus. Bijgevolg bestaat de hoop bij de zaligen.
34Sed contra est, quod Apostolus dicit ad Rom. 8. [v. 24] : « Quod videt quis, quid sperat? » Sed beati fruuntur Dei visione. Ergo in eis spes locum non habet.
34Daartegenover staat echter wat de Apostel zegt in den Brief aan de Romeinen (8. 24) : « Hoopt men soms nog wat men ziet? » Welnu de zaligen genieten het zien van God. Derhalve kan er bij hen geen spraak zijn van hoop.34Daartegenover staat echter wat de Apostel zegt in de Brief aan de Romeinen (8, 24): “Hoopt men soms nog wat men ziet?” Welnu de zaligen genieten het zien van God. Derhalve kan er bij hen geen spraak zijn van hoop.
Respondeo dicendum, quod subtracto eo, quod dat speciem rei, resolvitur species, et res non potest eadem remanere; sicut remota forma corporis naturalis, non remanet idem secundum speciem. Spes autem recipit speciem a suo objecto principali, sicut et caeterae virtutes, ut ex supradictis patet [q. praec. art. 5. et 6.] ; objectum autem principale ejus est beatitudo aeterna, secundum quod est possibilis haberi ex auxilio divino. Quia ergo bonum arduum possibile non cadit sub ratione spei, nisi secundum quod est futurum, ideo cum beatitudo jam non fuerit futura, sed praesens, non potest ibi esse virtus spei. Et ideo spes, sicut et fides, evacuatur in patria, et neutrum eorum in beatis esse potest.
Leerstelling. — Verliest iets datgene waaraan het zijn wezenheid dankt, dan verliest het meteen zijn wezenheid zelf, zoodat het onmogelijk zichzelf kan blijven. Zoo verliest een lichaam zijn eigen aard, wanneer de natuurlijke lichaamsvorm verdwijnt. Evenals alle deugden, ontleent de hoop haar eigen aard aan haar voornaamste voorwerp, zooals gezegd is (vorige Kw. 5e en 6e Art.). Welnu het voornaamste voorwerp van de hoop is de eeuwige zaligheid, die, dank zij de goddelijke hulp, binnen ons bereik valt. Dit lastig, doch niet onbereikbaar goed, valt echter onder de hoop, in zoover het een toekomstig goed is. En diensvolgens, wanneer dit goed geen toekomstig goed meer is, maar een verworven goed, vervalt de deugd van hoop. Derhalve, verdwijnt de hoop in den hemel, evenals het geloof; en geen van beide deugden is bij de zaligen aanwezig.Leerstelling. — Verliest iets datgene waaraan het zijn wezenheid dankt, dan verliest het meteen zijn wezenheid zelf, zodat het onmogelijk zichzelf kan blijven. Zo verliest een lichaam zijn eigen aard, wanneer de natuurlijke lichaamsvorm verdwijnt. Evenals alle deugden, ontleent de hoop haar eigen aard aan haar voornaamste voorwerp, zoals gezegd is (vorige Kw. 5e en 6e Art.). Welnu het voornaamste voorwerp van de hoop is de eeuwige zaligheid, die, dank zij de goddelijke hulp, binnen ons bereik valt. Dit lastig, doch niet onbereikbaar goed, valt echter onder de hoop, in zover het een toekomstig goed is. En diensvolgens, wanneer dit goed geen toekomstig goed meer is, maar een verworven goed, vervalt de deugd van hoop. Derhalve, verdwijnt de hoop in de hemel, evenals het geloof; en geen van beide deugden is bij de zaligen aanwezig.
Ad primum ergo dicendum, quod Christus, etsi esset comprehensor, et 35per consequens beatus, quantum ad divinam fruitionem, erat tamen simul viator, quantum ad passibilitatem naturae, quam adhuc gerebat, et ideo gloriam impassibilitatis et immortalitatis sperare potuit. Non tamen ita quod haberet virtutem spei, quae non respicit gloriam corporis, sicut principale objectum, sed potius fruitionem divinam.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Christus verkeerde 35weliswaar in den toestand van hen die de zaligheid bereikt hebben, zoodat Hij de goddelijke schouwing genoot. Naar zijn menschelijke natuur, die Hij had aangenomen, was Hij niettemin onderhevig aan elke menschelijke lijdelijkheid. Daarom kon Hij hopen de glorie van de onlijdelijkheid en de onsterfelijkheid te verwerven. Nochtans bezat Hij daarom de deugd van hoop niet, in zoover deze deugd niet de verheerlijking van het lichaam, maar de goddelijke zaligheid als voorwerp heeft.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Christus verkeerde 35weliswaar in de toestand van hen die de zaligheid bereikt hebben, zodat Hij de goddelijke schouwing genoot. Naar zijn menselijke natuur, die Hij had aangenomen, was Hij niettemin onderhevig aan elke menselijke lijdelijkheid. Daarom kon Hij hopen de glorie van de onlijdelijkheid en de onsterfelijkheid te verwerven. Nochtans bezat Hij daarom de deugd van hoop niet, in zover deze deugd niet de verheerlijking van het lichaam, maar de goddelijke zaligheid als voorwerp heeft.
Ad secundum dicendum, quod beatitudo Sanctorum dicitur vita aeterna, quia per hoc quod Deo fruuntur, efficiuntur quodammodo participes aeternitatis divinae, quae excedit omne tempus. Et ita continuatio beatitudinis non diversificatur per praesens, praeteritum, et futurum. Et ideo beati non habent spem de continuatione beatitudinis, sed habent ipsam rem, quia non est ibi ratio futuri.
2. Men noemt de zaligheid der heiligen, het eeuwig leven, omdat zij die God genieten, eenigszins deelachtig worden aan Gods Eeuwigheid, die boven elken tijd verheven is. Daarom is er in het voortduren van de zaligheid, geen verschil meer tusschen heden, verleden en toekomst. De heiligen hopen dus geenszins de volharding in de zaligheid; ze bezitten haar zonder dat er nog spraak is van toekomst.2. Men noemt de zaligheid van de heiligen, het eeuwig leven, omdat zij die God genieten, enigszins deelachtig worden aan Gods Eeuwigheid, die boven elke tijd verheven is. Daarom is er in het voortduren van de zaligheid, geen verschil meer tussen heden, verleden en toekomst. De heiligen hopen dus geenszins de volharding in de zaligheid; ze bezitten haar zonder dat er nog spraak is van toekomst.
Ad tertium dicendum, quod durante virtute spei, eadem spe aliquis sperat beatitudinem sibi, et aliis; sed evacuata spe in beatis, secundum quam sperabant sibi beatitudinem, sperant quidem aliis beatitudinem, sed non virtute spei, sed magis ex amore charitatis; sicut etiam qui habet charitatem 36Dei, eadem charitate diligit proximum; et tamen aliquis potest diligere proximum non habens virtutem charitatis, sed alio quodam amore.
3. Zoolang de deugd van hoop bestaat, verhoopt men door dezelfde hoop, de zaligheid, voor zichzelf en voor anderen. Wanneer bij de zaligen de hoop verdwijnt, waardoor ze de zaligheid voor zichzelf hoopten, dan blijven ze de zaligheid der anderen verhopen, niet krachtens de deugd van hoop, maar krachtens de liefde. Wie de liefde tot God bezit, bemint immers 36ook door éénzelfde liefde zijn evenmensch. Nochtans kan hij die de deugd van liefde niet bezit, zijn naaste beminnen krachtens een andere liefde.3. Zolang de deugd van hoop bestaat, verhoopt men door dezelfde hoop, de zaligheid, voor zichzelf en voor anderen. Wanneer bij de zaligen de hoop verdwijnt, waardoor ze de zaligheid voor zichzelf hoopten, dan blijven ze de zaligheid van de anderen verhopen, niet krachtens de deugd van hoop, maar krachtens de liefde. Wie de liefde tot God bezit, bemint immers 36ook door éénzelfde liefde zijn evenmens. Nochtans kan hij die de deugd van liefde niet bezit, zijn naaste beminnen krachtens een andere liefde.
Ad quartum dicendum, quod cum spes sit virtus theologica habens Deum pro objecto, principale objectum spei est gloria animae, quae in fruitione divina consistit, non autem gloria corporis. Gloria etiam corporis, etsi habeat rationem ardui per comparationem ad naturam humanam, non habet tamen rationem ardui habenti gloriam animae, tum quia gloria corporis est minimum quiddam in comparatione ad gloriam animae, tum etiam quia habens gloriam animae habet jam sufficienter causam gloriae corporis.
4. Daar de hoop een goddelijke deugd is met God als voorwerp, is, niet de verheerlijking van het lichaam, maar de verheerlijking van de ziel, die het genieten van God is, het voornaamste voorwerp van de hoop. De verheerlijking van het lichaam, hoewel zij buiten het bereik valt van 's menschen vermogen, valt niet buiten het bereik van hen die de glorie der ziel genieten. De verheerlijking van het lichaam is immers een gering goed, vergeleken bij de verheerlijking van de ziel; en hij die naar zijn ziel verheerlijkt is, is reeds overvloedig in het bezit van datgene waarop de verheerlijking van het lichaam moet volgen.4. Daar de hoop een goddelijke deugd is met God als voorwerp, is, niet de verheerlijking van het lichaam, maar de verheerlijking van de ziel, die het genieten van God is, het voornaamste voorwerp van de hoop. De verheerlijking van het lichaam, hoewel zij buiten het bereik valt van 's mensen vermogen, valt niet buiten het bereik van hen die de glorie van de ziel genieten. De verheerlijking van het lichaam is immers een gering goed, vergeleken bij de verheerlijking van de ziel; en hij die naar zijn ziel verheerlijkt is, is reeds overvloedig in het bezit van datgene waarop de verheerlijking van het lichaam moet volgen.
Utrum spes sit in damnatis
Hopen de verdoemden?
Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod in damnatis sit spes : 37diabolus enim est damnatus, et princeps damnatorum, secundum illud Matth. 25. [v. 41] : « Ite, maledicti, in ignem aeternum, qui paratus est diabolo et angelis ejus ». Sed diabolus habet spem, secundum illud Job 40. [v. 28] : « Ecce spes ejus frustrabitur eum ». Ergo videtur, quod damnati habeant spem.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de verdoemden hopen. 37— 1. De duivel is verdoemd en de vorst der verdoemden, naar het woord bij Mattheus (25. 41) : « Gaat weg van Mij, vervloekten in het eeuwig vuur, dat bereid is voor den duivel en zijn engelen ». Welnu de duivel hoopt, naar dit woord uit het Boek Job (40. 28) : « Zijn hoop komt vast bedrogen uit ». Bijgevolg bezitten de verdoemden de hoop.Bedenkingen. — Men beweert, dat de verdoemden hopen. 37— 1. De duivel is verdoemd en de vorst van de verdoemden, naar het woord bij Matteüs (25, 41): “Gaat weg van Mij, vervloekten in het eeuwig vuur, dat bereid is voor de duivel en zijn engelen”. Welnu de duivel hoopt, naar dit woord uit het Boek Job (40, 28)a: “Zijn hoop komt vast bedrogen uit”. Bijgevolg bezitten de verdoemden de hoop.
2. Praeterea, sicut fides est formata, et informis, ita et spes. Sed fides informis potest esse in daemonibus, et damnatis, secundum illud Jacobi 2. [v. 19] : « Daemones credunt, et contremiscunt ». Ergo videtur, quod etiam spes informis potest esse in damnatis.
2. Evenals er een levend en een dood geloof is, aldus ook een levende en een doode hoop. Welnu het dood geloof wordt bij de duivels en de verdoemden aangetroffen, naar het woord van den H. Jacobus (2. 19) : « De duivels gelooven en sidderen ». Bijgevolg kan ook een doode hoop bij hen bestaan.2. Evenals er een levend en een dood geloof is, aldus ook een levende en een dode hoop. Welnu het dood geloof wordt bij de duivels en de verdoemden aangetroffen, naar het woord van de H. Jacobus (2, 19): “De duivels geloven en sidderen”. Bijgevolg kan ook een dode hoop bij hen bestaan.
3. Praeterea, nulli hominum post mortem accrescit meritum, vel demeritum, quod in vita non habuit, secundum illud Eccle. 11. [v. 3] : « Si ceciderit lignum ad Austrum, aut ad Aquilonem, in quocumque loco ceciderit, ibi erit ». Sed multi qui damnantur, habuerunt in hac vita spem, numquam desperantes. Ergo etiam in futura vita spem habebunt.
3. Na den dood, groeit bij niemand, de verdienste of de onverdienste, welke hij tijdens dit leven bezat, naar het woord van den Prediker (11. 3) : « Als de boom valt, naar het zuiden of het noorden, blijft hij liggen, op de plaats waar hij valt ». Doch velen die verdoemd worden, hadden tijdens dit leven de hoop, daar ze nooit door wanhoop zondigden. Bijgevolg blijven ze de hoop bewaren in het andere leven.3. Na de dood, groeit bij niemand, de verdienste of de onverdienste, welke hij tijdens dit leven bezat, naar het woord van de Prediker (11, 3): “Als de boom valt, naar het zuiden of het noorden, blijft hij liggen, op de plaats waar hij valt”. Doch velen die verdoemd worden, hadden tijdens dit leven de hoop, daar ze nooit door wanhoop zondigden. Bijgevolg blijven ze de hoop bewaren in het andere leven.
Sed contra est, quod spes causat gaudium, secundum illud Rom. 12. 38[v. 12] : « Spe gaudentes ». Sed damnati non sunt in gaudio, sed in dolore, et luctu, secundum illud Isa. 65. [v. 14] : « Servi mei laudabunt prae exultatione cordis, et vos clamabitis prae dolore cordis, et prae contritione spiritus ululabitis ». Ergo spes non est in damnatis.
Daartegenover staat echter, dat de hoop blijdschap veroorzaakt, naar het woord van den Apostel in den Brief aan de 38Romeinen (12. 12) : « Weest blijde in de hoop ». Welnu de verdoemden kennen geen blijdschap; ze kennen slechts smart en rouw, naar het woord van Isaïas (65. 14) : « Mijn dienaren zullen naar hartelust zingen; maar gij zult van harteleed schreien, en jammeren van wanhoop ». Bijgevolg is de hoop bij de verdoemden verdwenen.Daartegenover staat echter, dat de hoop blijdschap veroorzaakt, naar het woord van de Apostel in de Brief aan de 38Romeinen (12, 12): “Weest blijde in de hoop”. Welnu de verdoemden kennen geen blijdschap; ze kennen slechts smart en rouw, naar het woord van Jesaja (65, 14): “Mijn dienaren zullen naar hartelust zingen; maar gij zult van harteleed schreien, en jammeren van wanhoop”. Bijgevolg is de hoop bij de verdoemden verdwenen.
Respondeo dicendum, quod sicut de ratione beatitudinis est, ut in ea quietetur voluntas, ita de ratione poenae est, ut id quod pro poena infligitur, voluntati repugnet. Non autem potest voluntatem quietare, vel ei repugnare, quod ignoratur; et ideo Augustinus dicit 11. super Gen. ad lit. [cap. 17.], quod angeli perfecte beati esse non poterant in primo statu ante confirmationem vel lapsum, cum non essent praescii sui eventus : requiritur enim ad perfectam et veram beatitudinem, ut aliquis certus sit de suae beatitudinis perpetuitate; alioquin voluntas non quietaretur. Similiter etiam cum perpetuitas damnationis pertineat ad poenam damnatorum, non vere haberet rationem poenae, nisi voluntati repugnaret, quod esse non posset, si perpetuitatem 39suae damnationis ignorarent; et ideo ad conditionem miseriae damnatorum pertinet, ut ipsi sciant, quod nullo modo possunt damnationem evadere, et ad beatitudinem pervenire; unde dicitur Job 15. [v. 22] : « Non credit quod reverti possit de tenebris ad lucem ». Unde patet, quod non possunt apprehendere beatitudinem ut bonum possibile, sicut nec beati ut bonum futurum. Et ideo neque in beatis, neque in damnatis est spes; sed in viatoribus, sive sint in vita ista, sive in purgatorio, potest esse spes, quia utrobique apprehendunt beatitudinem ut futurum possibile.
Leerstelling. — Uit de zaligheid volgt uiteraard de rust van den wil, doch uit de straf volgt uiteraard tegenzin voor datgene wat als straf opgelegd wordt. De wil echter kan geen rust vinden in, noch tegenzin gewaar worden betreffende iets dat onbekend is. Daarom zegt Augustinus, dat de engelen in hun eersten toestand, voordat ze in het goede bestendigd waren of afvallig werden, niet volkomen gelukkig konden zijn, omdat ze niet wisten wat hen in de toekomst te wachten stond. Want om volkomen en waarlijk gelukkig te zijn moet men zeker zijn dat het geluk bestendig is; anders is de wil niet bevredigd. Van den anderen kant, behoort de eeuwigheid van de verwerping tot de wezenheid van de straf der verdoemden, en er zou waarlijk geen spraak zijn van straf, indien hun wil daartegen niet in opstand was. Die tegenzin of opstand zouden ze echter niet ondervinden, indien ze onwetend waren omtrent de eeuwigheid van 39hun verwerping. Hun ellendige toestand eischt bijgevolg, dat de verdoemden weten dat ze geenszins aan hun verwerping kunnen ontsnappen en nooit de zaligheid zullen bereiken. Daarom zegt het Boek Job (15. 22) : « Hij hoopt niet eens aan de duisternis te ontsnappen en tot het licht terug te keeren ». Waaruit blijkt dat de verdoemden nooit denken kunnen, dat de zaligheid voor hen mogelijk is, evenmin als de zaligen hun geluk als iets toekomstig kunnen opvatten. Derhalve kan de hoop niet bestaan noch bij de zaligen, noch bij de verdoemden. Bij diegenen echter die de zaligheid nog niet bereikt hebben, hetzij ze hier op aarde leven of in het vagevuur zijn, bestaat de hoop, daar ze in beide toestanden de zaligheid als een toekomstig goed beschouwen.Leerstelling. — Uit de zaligheid volgt uiteraard de rust van de wil, doch uit de straf volgt uiteraard tegenzin voor datgene wat als straf opgelegd wordt. De wil echter kan geen rust vinden in, noch tegenzin gewaar worden betreffende iets dat onbekend is. Daarom zegt Augustinus, dat de engelen in hun eersten toestand, voordat ze in het goede bestendigd waren of afvallig werden, niet volkomen gelukkig konden zijn, omdat ze niet wisten wat hen in de toekomst te wachten stond. Want om volkomen en waarlijk gelukkig te zijn moet men zeker zijn dat het geluk bestendig is; anders is de wil niet bevredigd. Van de andere kant, behoort de eeuwigheid van de verwerping tot de wezenheid van de straf van de verdoemden, en er zou waarlijk geen spraak zijn van straf, indien hun wil daartegen niet in opstand was. Die tegenzin of opstand zouden ze echter niet ondervinden, indien ze onwetend waren omtrent de eeuwigheid van 39hun verwerping. Hun ellendige toestand eist bijgevolg, dat de verdoemden weten dat ze geenszins aan hun verwerping kunnen ontsnappen en nooit de zaligheid zullen bereiken. Daarom zegt het Boek Job (15, 22): “Hij hoopt niet eens aan de duisternis te ontsnappen en tot het licht terug te keren”. Waaruit blijkt dat de verdoemden nooit denken kunnen, dat de zaligheid voor hen mogelijk is, evenmin als de zaligen hun geluk als iets toekomstig kunnen opvatten. Derhalve kan de hoop niet bestaan noch bij de zaligen, noch bij de verdoemden. Bij diegenen echter die de zaligheid nog niet bereikt hebben, hetzij ze hier op aarde leven of in het vagevuur zijn, bestaat de hoop, daar ze in beide toestanden de zaligheid als een toekomstig goed beschouwen.
Ad primum ergo dicendum, quod, sicut Gregorius dicit 33. Moral. [cap. 29.], hoc dicitur de diabolo secundum membra ejus, quorum spes annullabitur; vel si intelligatur de ipso diabolo, potest referri ad spem, qua sperat se de Sanctis victoriam obtinere, secundum illud quod supra praemiserat 40[v. 18] : « Habet fiduciam, quod Jordanis influat in os ejus ». Haec autem non est spes, de qua loquimur.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De woorden van het Boek Job, aangehaald in de eerste bedenking, moeten naar de verklaring van den H. Gregorius, begrepen worden van den duivel beschouwd in zijn ledematen, waarin elke hoop vernield is. Wil men die woorden toepassen op den duivel zelf, dan kan men zeggen dat er spraak is van de hoop, die de duivel koestert omtrent de zegepraal, welke hij hoopt te behalen op de heiligen, volgens de beteekenis van de woorden, die de aangehaalde voorafgaan : « Hij vertrouwt erop dat de Jordaan tot zijn muil 40zal stijgen (18) ». Doch dit is niet dezelfde hoop waarover wij het hebben.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De woorden van het Boek Job, aangehaald in de eerste bedenking, moeten naar de verklaring van de H. Gregorius, begrepen worden van de duivel beschouwd in zijn ledematen, waarin elke hoop vernield is. Wil men die woorden toepassen op de duivel zelf, dan kan men zeggen dat er spraak is van de hoop, die de duivel koestert omtrent de zegepraal, welke hij hoopt te behalen op de heiligen, volgens de betekenis van de woorden, die de aangehaalde voorafgaan: “Hij vertrouwt erop dat de Jordaan tot zijn muil 40zal stijgen (18)”. Doch dit is niet dezelfde hoop waarover wij het hebben.
Ad secundum dicendum, quod, sicut Augustinus dicit in Enchirid. [cap. 8.], « fides est malarum rerum et bonarum, et praeteritarum et praesentium et futurarum et suarum et alienarum; sed spes non est nisi rerum bonarum futurarum ad se pertinentium » ; et ideo magis potest esse fides informis in damnatis, quam spes, quia bona divina non sunt eis futura possibilia, sed sunt eis absentia.
2. De H. Augustinus zegt : « Het geloof slaat op slechte en goede dingen, op het verleden, het hedendaagsche en het toekomende, op wat ons persoonlijk aangaat of anderen; doch de hoop slaat uitsluitend op goede dingen, die toekomend zijn en ons persoonlijk aanbelangen ». Daarom is er grootere mogelijkheid dat men het geloof bij de verdoemden aantreft dan de hoop. Want de goddelijke goederen zijn voor de verdoemden geen toekomstige of bereikbare goederen; ze zijn hun totaal vreemd.2. De H. Augustinus zegt: “Het geloof slaat op slechte en goede dingen, op het verleden, het hedendaagse en het toekomende, op wat ons persoonlijk aangaat of anderen; doch de hoop slaat uitsluitend op goede dingen, die toekomend zijn en ons persoonlijk aanbelangen”. Daarom is er grotere mogelijkheid dat men het geloof bij de verdoemden aantreft dan de hoop. Want de goddelijke goederen zijn voor de verdoemden geen toekomstige of bereikbare goederen; ze zijn hun totaal vreemd.
Ad tertium dicendum, quod defectus spei in damnatis non variat demeritum, sicut nec evacuatio spei in beatis auget meritum, sed utrumque contingit propter mutationem status.
3. De schuld van de verdoemden is niet zwaarder omdat ze de hoop missen, evenmin als het verdwijnen van de hoop, de verdiensten der zaligen vermeerdert. Dat ze beide de hoop niet bezitten is een gevolg van den toestand waarin ze zijn overgegaan.3. De schuld van de verdoemden is niet zwaarder omdat ze de hoop missen, evenmin als het verdwijnen van de hoop, de verdiensten van de zaligen vermeerdert. Dat ze beide de hoop niet bezitten is een gevolg van de toestand waarin ze zijn overgegaan.
Utrum spes viatorum habeat certitudinem
Is de hoop van hen die op aarde leven, een zekerheid?
Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod spes viatorum non habeat 41certitudinem : spes enim est in voluntate sicut in subjecto. Sed certitudo non pertinet ad voluntatem, sed ad intellectum. Ergo spes non habet certitudinem.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de hoop van hen die 41op aarde leven geen zekerheid biedt. — 1. De zetel van de hoop is de wil. Welnu de zekerheid is geen eigenschap van den wil doch van het verstand. Bijgevolg is de hoop niet zeker.Bedenkingen. — Men beweert, dat de hoop van hen die 41op aarde leven geen zekerheid biedt. — 1. De zetel van de hoop is de wil. Welnu de zekerheid is geen eigenschap van de wil doch van het verstand. Bijgevolg is de hoop niet zeker.
2. Praeterea, spes ex gratia et meritis provenit, ut supra dictum est [q. 17. art. 1. arg. 2.]. Sed in hac vita scire per certitudinem non possumus, quod gratiam habeamus, ut supra dictum est [1-2. q. 112. art. 5.]. Ergo spes viatorum non habet certitudinem.
2. De hoop wordt veroorzaakt door de genade en de verdiensten, zooals boven gezegd is (17e Kw. 1e Art. 2e Bed.). Doch in dit leven kunnen we met geen zekerheid weten dat we de genade bezitten, zooals verklaard is (I-II 112e Kw. 5e Art.). Bijgevolg kan de hoop in dit leven geen zekerheid bieden.2. De hoop wordt veroorzaakt door de genade en de verdiensten, zoals boven gezegd is (17e Kw. 1e Art. 2e Bed.). Doch in dit leven kunnen we met geen zekerheid weten dat we de genade bezitten, zoals verklaard is (1-2 112e Kw. 5e Art.). Bijgevolg kan de hoop in dit leven geen zekerheid bieden.
3. Praeterea, certitudo esse non potest de eo, quod potest deficere. Sed multi viatores habentes spem deficiunt a consecutione beatitudinis. Ergo spes viatorum non habet certitudinem.
3. Men heeft geen zekerheid, betreffende iets dat men verliezen kan. Doch velen die hier op aarde de hoop bezitten, worden niet zalig. Bijgevolg is de hoop geen zekerheid voor hen die op aarde leven.
Sed contra est, quod « spes est certa expectatio beatitudinis », sicut Magister dicit 26. dist. 3. Sent., quod potest accipi ex hoc quod dicitur 2. ad Tim. 1. [v. 12] : « Scio cui credidi, et certus sum, quia potens est depositum meum servare ».
Daartegenover staat echter wat de Magister Sententiarum leert : « De hoop is de zekere verwachting van de toekomstige zaligheid ». Men kan dit ook afleiden uit wat de Apostel schrijft in den Tweeden Brief aan Timotheus (1. 12) : « Ik weet op wien ik mijn vertrouwen stel, en ik ben er zeker van dat Hij machtig is, het mij toevertrouwde pand te bewaren ».Daartegenover staat echter wat de Magister Sententiarum leert: “De hoop is de zekere verwachting van de toekomstige zaligheid”. Men kan dit ook afleiden uit wat de Apostel schrijft in de Tweede Brief aan Timoteüs (1, 12): “Ik weet op wie ik mijn vertrouwen stel, en ik ben er zeker van dat Hij machtig is, het mij toevertrouwde pand te bewaren”.
42Respondeo dicendum, quod certitudo invenitur in aliquo dupliciter, scilicet essentialiter, et participative. Essentialiter quidem invenitur in vi cognoscitiva; participative autem in omni eo, quod a vi cognoscitiva movetur infallibiliter ad finem suum. Secundum quem modum dicitur, quod natura certitudinaliter operatur, tamquam mota ab intellecto divino certitudinaliter movente unumquodque ad suum finem. Et per hunc etiam modum virtutes morales certius arte dicuntur operari [Arist., Eth. l. 2. cap. 6.], inquantum per modum naturae moventur a ratione ad suos actus. Et sic etiam spes certitudinaliter tendit in suum finem, quasi participans certitudinem a fide, quae est in vi cognoscitiva.
42Leerstelling. — Iets kan zeker zijn op een dubbele wijze: wezenlijk of door deelname. Wezenlijk is de zekerheid aan het kenvermogen eigen. Maar alles wat, door het kenvermogen, onfeilbaar naar zijn doel bewogen wordt, deelt in de zekerheid van het kenvermogen. Daarom zegt men dat de natuur met zekerheid werkt, omdat zij bewogen wordt door het goddelijk verstand, dat met zekerheid alles op zijn doel richt. Daarom nog wordt van de zedelijke deugden gezegd dat ze met grootere zekerheid handelen dan de kunstvaardigheid, want deze deugden worden, door de rede als door een natuur, op hun daden gericht. Op dergelijke wijze neigt de hoop met zekerheid naar haar doel, deelend in de zekerheid van het geloof, dat zijn zetel heeft in het kenvermogen.42Leerstelling. — Iets kan zeker zijn op een dubbele wijze: wezenlijk of door deelname. Wezenlijk is de zekerheid aan het kenvermogen eigen. Maar alles wat, door het kenvermogen, onfeilbaar naar zijn doel bewogen wordt, deelt in de zekerheid van het kenvermogen. Daarom zegt men dat de natuur met zekerheid werkt, omdat zij bewogen wordt door het goddelijk verstand, dat met zekerheid alles op zijn doel richt. Daarom nog wordt van de zedelijke deugden gezegd dat ze met grotere zekerheid handelen dan de kunstvaardigheid, want deze deugden worden, door de rede als door een natuur, op hun daden gericht. Op dergelijke wijze neigt de hoop met zekerheid naar haar doel, delend in de zekerheid van het geloof, dat zijn zetel heeft in het kenvermogen.
Unde patet responsio ad primum.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het antwoord blijkt uit de leerstelling.
Ad secundum dicendum, quod spes non innititur principaliter gratiae jam habitae, sed divinae omnipotentiae et misericordiae, per quam etiam qui gratiam non habet, eam consequi potest, ut sic ad vitam aeternam 43perveniat. De omnipotentia autem Dei et misericordia ejus certus est, quicumque fidem habet.
2. De hoop steunt niet in de eerste plaats op de genade die men bezit, doch op de goddelijke almacht en barmhartigheid, waardoor ook zij die de genade niet bezitten, deze verkrijgen kunnen, om aldus tot de zaligheid te komen. Eenieder echter die 43gelooft, is meteen zeker van Gods almacht en barmhartigheid.
Ad tertium dicendum, quod hoc quod aliqui habentes spem deficiant a consecutione beatitudinis, contingit ex defectu liberi arbitrii ponentis obstaculum peccati, non autem ex defectu divinae potentiae vel misericordiae, cui spes innititur. Unde hoc non praejudicat certitudini spei.
3. Indien sommigen die de hoop bezitten, de zaligheid niet bereiken, dan komt dit alleen op rekening van de zwakheid van den wil, die door de zonde, de zaligheid verhindert. Gods Macht en Barmhartigheid, waarop de hoop steunt, kunnen daarvoor niet aansprakelijk gesteld worden. De zekerheid van de hoop wordt bijgevolg niet verminderd, doordat sommigen niet zalig worden.3. Indien sommigen die de hoop bezitten, de zaligheid niet bereiken, dan komt dit alleen op rekening van de zwakheid van de wil, die door de zonde, de zaligheid verhindert. Gods Macht en Barmhartigheid, waarop de hoop steunt, kunnen daarvoor niet aansprakelijk gesteld worden. De zekerheid van de hoop wordt bijgevolg niet verminderd, doordat sommigen niet zalig worden.