De consequentibus unionem, quantum ad ea quae conveniunt Christo secundum esse, et fieri1, in duodecim articulos divisa
Over wat Christus naar Zijn bestaan en worden toekomt
464Deinde considerandum est de his quae consequuntur unionem. Et primo quantum ad ea quae conveniunt Christo secundum se. Secundo de his quae conveniunt Christo per comparationem ad Deum Patrem. Tertio de his quae conveniunt Christo per comparationem ad nos.
464Vervolgens moeten wij spreken over wat uit die Vereeniging volgt. En dan vooreerst over wat Christus op Zichzelf beschouwd toekomt; en dan over wat Hem krachtens Zijn verhouding tot God den Vader, ten derde over wat Hem krachtens Zijn verhouding tot ons eigen is.464Vervolgens moeten wij spreken over wat uit die Vereniging volgt. En dan vooreerst over wat Christus op Zichzelf beschouwd toekomt; en dan over wat Hem krachtens Zijn verhouding tot God de Vader, ten derde over wat Hem krachtens Zijn verhouding tot ons eigen is.
Circa primum duplex consideratio occurrit: prima quidem de his quae conveniunt Christo secundum esse, et fieri: secunda de his quae conveniunt Christo secundum rationem unitatis.
Wat het eerste punt betreft zijn er twee dingen te behandelen. Ten eerste wat Christus naar worden en bestaan toekomt; en dan wat Christus uiteraard door de eenheid (in persoon) bezit.
465Circa primum quaeruntur duodecim: 1. Utrum haec sit vera: « Deus est homo ». — 2. Utrum haec sit vera: « Homo est Deus ». — 3. Utrum Christus possit dici « homo dominicus ». — 4. Utrum ea quae conveniunt Filio hominis, possint praedicari de Filio Dei, et e contrario. — 5. Utrum ea quae conveniunt Filio hominis, possint praedicari de divina natura, et de humana ea quae conveniunt Filio Dei. — 6. Utrum haec sit vera: « Filius Dei factus est homo ». — 7. Utrum haec sit vera: « Homo factus est Deus ». — 8. Utrum haec sit vera: « Christus est creatura ». — 9. Utrum haec sit vera: « Iste homo » demonstrato Christo, « incepit esse » vel « fuit semper ». — 10. Utrum haec sit vera: « Christus, secundum quod homo, est creatura ». — 11. Utrum haec sit vera: « Christus, secundum quod homo, est Deus ». — 12. Utrum haec sit vera: « Christus, secundum quod homo, est hypostasis, vel persona ».
Over het eerste stellen wij ons twaalf vragen: 4651. Is deze stelling waar: God is mensch? 2. Is deze stelling waar: een mensch is God? 3. Kan men Christus noemen: den mensch, die den Heer toebehoort?* 4. Kan wat den Menschenzoon toekomt, ook van den Zoon Gods worden gezegd en omgekeerd? 5. Kan wat den Menschenzoon toekomt, ook van de goddelijke natuur worden gezegd, en wat Gods Zoon toekomt, van de menschelijke? 6. Is deze stelling waar: Gods Zoon is mensch geworden? 7. Is deze stelling waar: een mensch is God geworden? 8. Is deze stelling waar: Christus is een schepsel? 9. Is deze stelling waar: deze mensch, als dit op Christus slaat, begon te bestaan of heeft altijd bestaan? 10. Is deze stelling waar: Christus als mensch is een schepsel? 11. Is deze stelling waar: Christus als mensch is God? 12. Is deze stelling waar: Christus als mensch is een hypostase of persoon?Over het eerste stellen wij ons twaalf vragen: 4651. Is deze stelling waar: God is mens? 2. Is deze stelling waar: een mens is God? 3. Kan men Christus noemen: de mens, die de Heer toebehoort?* 4. Kan wat de Mensenzoon toekomt, ook van de Zoon Gods worden gezegd en omgekeerd? 5. Kan wat de Mensenzoon toekomt, ook van de goddelijke natuur worden gezegd, en wat Gods Zoon toekomt, van de menselijke? 6. Is deze stelling waar: Gods Zoon is mens geworden? 7. Is deze stelling waar: een mens is God geworden? 8. Is deze stelling waar: Christus is een schepsel? 9. Is deze stelling waar: deze mens, als dit op Christus slaat, begon te bestaan of heeft altijd bestaan? 10. Is deze stelling waar: Christus als mens is een schepsel? 11. Is deze stelling waar: Christus als mens is God? 12. Is deze stelling waar: Christus als mens is een hypostase of persoon?
Utrum haec sit vera: Deus est homo
Is deze stelling waar: God is mensch?Is deze stelling waar: God is mens?
466Ad primum sic proceditur. Videtur, quod haec sit falsa: « Deus est homo ». Omnis enim propositio affirmativa in materia remota est falsa. Sed haec propositio: « Deus est homo » est in materia remota; quia formae significatae per subjectum, et praedicatum sunt maxime distantes. Cum ergo propositio praedicta sit affirmativa, videtur quod sit falsa.
466Bedenkingen. — Men beweert, dat deze stelling: God is mensch, onwaar is. — 1. Want iedere bevestigende bewering over begrippen, die ver van elkaar liggen, is onwaar. Nu gaat de stelling: God is mensch, over ver van elkaar af liggende begrippen, omdat de door subject en praedicaat aangegeven vormen zoo ver mogelijk van elkaar af staan. Omdat deze stelling nu bevestigend is, schijnt zij onwaar te zijn.466Bedenkingen. — Men beweert, dat deze stelling: God is mens, onwaar is. — 1. Want iedere bevestigende bewering over begrippen, die ver van elkaar liggen, is onwaar. Nu gaat de stelling: God is mens, over ver van elkaar af liggende begrippen, omdat de door subject en predicaat aangegeven vormen zo ver mogelijk van elkaar af staan. Omdat deze stelling nu bevestigend is, schijnt zij onwaar te zijn.
2. Praeterea, magis conveniunt tres personae divinae ad invicem, quam humana natura, et divina. Sed in mysterio Trinitatis una persona non praedicatur de alia: non enim dicimus, quod Pater est Filius, vel e converso. Ergo videtur, quod nec humana natura possit praedicari de Deo, ut dicatur quod Deus est homo.
2. De drie Personen komen meer met elkaar overeen dan de goddelijke en de menschelijke natuur. Toch wordt in het geheim van de Drievuldigheid de eene Persoon niet van de andere gezegd; want wij zeggen niet, dat de Vader de Zoon is of omgekeerd. Dus schijnt de menschelijke natuur ook niet van God gezegd te kunnen worden, zoodat men zou kunnen beweren, dat God mensch is.2. De drie Personen komen meer met elkaar overeen dan de goddelijke en de menselijke natuur. Toch wordt in het geheim van de Drievuldigheid de ene Persoon niet van de andere gezegd; want wij zeggen niet, dat de Vader de Zoon is of omgekeerd. Dus schijnt de menselijke natuur ook niet van God gezegd te kunnen worden, zodat men zou kunnen beweren, dat God mens is.
3. Praeterea, Athanasius dicit [in Symb. Fid.], quod « sicut anima, et caro unus est homo, ita Deus, et homo unus est Christus ». Sed haec 467est falsa: « Anima est corpus ». Ergo etiam haec est falsa: « Deus est homo ».
3. Athanasius zegt (in het Symbolum), dat « zooals ziel en lichaam één mensch, zoo ook God en mensch één Christus zijn ». 467Nu is het niet waar, dat de ziel het lichaam is. Dus is ook de stelling: God is mensch, onwaar.3. Athanasius zegt (in het Symbolum), dat “zoals ziel en lichaam één mens, zo ook God en mens één Christus zijn”. 467Nu is het niet waar, dat de ziel het lichaam is. Dus is ook de stelling: God is mens, onwaar.
4. Praeterea, sicut in 1. habitum est [q. 39. art. 4.], quod praedicatur de Deo non relative, sed absolute, convenit toti Trinitati, et singulis personis. Sed hoc nomen « homo » non est relativum, sed absolutum. Si ergo vere praedicaretur de Deo, sequeretur quod tota Trinitas, et quaelibet persona sit homo. Quod patet esse falsum.
4. In het eerste deel (39e Kw., 4e Art.) is gezegd, dat wat van God niet als iets, wat een verhouding, maar wat een absolute grootheid uitdrukt, wordt gezegd, aan de geheele Drievuldigheid en aan iederen Persoon afzonderlijk toekomt. Nu drukt de term mensch niet iets relatiefs, maar iets absoluuts uit. Werd het dus in waarheid van God gezegd, dan zou de geheele Drievuldigheid en iedere Persoon mensch zijn, maar dat is klaarblijkelijk onwaar.4. In het eerste deel (39e Kw., 4e Art.) is gezegd, dat wat van God niet als iets, wat een verhouding, maar wat een absolute grootheid uitdrukt, wordt gezegd, aan de gehele Drievuldigheid en aan iedere Persoon afzonderlijk toekomt. Nu drukt de term mens niet iets relatiefs, maar iets absoluuts uit. Werd het dus in waarheid van God gezegd, dan zou de gehele Drievuldigheid en iedere Persoon mens zijn, maar dat is klaarblijkelijk onwaar.
Sed contra est, quod dicitur Philipp. 2. [v. 6 et 7]: « Qui cum in forma Dei esset, exinanivit semetipsum, formam servi accipiens, in similitudinem hominum factus, et habitu inventus ut homo ». Et sic ille qui est in forma Dei, est homo. Sed ille qui est in forma Dei, est Deus. Ergo Deus est homo.
Maar daartegenover staat, dat in den Philippensenbrief (2, 6 en 7) wordt gezegd: « Al bezat Hij Gods gestalte, toch heeft Hij er Zich van ontdaan door de gestalte van een slaaf aan te nemen, gelijk te worden aan de menschen en uiterlijk als een mensch te worden bevonden ». En zoo is Hij, die de gestalte van God bezat, toch een mensch. Wie nu Gods gestalte bezit, is God. Dus is God mensch.Maar daartegenover staat, dat in de Filippenzenbrief (2, 6 en 7) wordt gezegd: “Al bezat Hij Gods gestalte, toch heeft Hij er Zich van ontdaan door de gestalte van een slaaf aan te nemen, gelijk te worden aan de mensen en uiterlijk als een mens te worden bevonden”. En zo is Hij, die de gestalte van God bezat, toch een mens. Wie nu Gods gestalte bezit, is God. Dus is God mens.
Respondeo dicendum, quod ista propositio: « Deus est homo » ab omnibus christianis conceditur, non tamen ab omnibus secundum eamdem 468rationem. Quidam enim hanc propositionem concedunt, non secundum propriam acceptionem horum terminorum. Nam Manichaei Verbum Dei dicunt esse hominem, non quidem verum, sed similitudinarium; inquantum dicunt, Filium Dei corpus phantasticum assumpsisse; ut sic dicatur Deus homo, sicut cuprum figuratum dicitur homo, quia habet similitudinem hominis. Similiter etiam illi qui posuerunt, quod in Christo anima, et corpus non fuerunt unita, non possunt dicere1, quod Deus sit verus homo, sed quod dicatur homo figurative ratione partium. Sed utraque harum opinionum supra improbata est [q. 2. art. 5. et q. 5. art. 1.].
Leerstelling. — Deze stelling: God is mensch, wordt door alle christenen toegegeven, maar niet door allen in dezelfde opvatting. Want sommigen geven deze stelling niet toe, als de woorden 468hun eigen beteekenis hebben. De Manichaeën immers zeggen, dat Gods Woord mensch is, doch niet echt, maar alleen in schijn, omdat zij beweren, dat Gods Zoon een lichaam dat wij ons inbeelden aannam; zoodat God mensch wordt genoemd in denzelfden zin als een koperen afgietsel een mensch wordt genoemd, omdat het een beeld van een mensch is. — Evenmin geven zij, die ontkennen, dat in Christus ziel en lichaam vereenigd waren, toe, dat God een echte mensch is, maar dat Hij in beeldspraak, nl. om wille van de deelen, mensch wordt genoemd. — Beide meeningen echter zijn boven bestreden (2e Kw., 5e Art.; 5e Kw., 1e Art.).Leerstelling. — Deze stelling: God is mens, wordt door alle christenen toegegeven, maar niet door allen in dezelfde opvatting. Want sommigen geven deze stelling niet toe, als de woorden 468hun eigen betekenis hebben. De Manicheeën immers zeggen, dat Gods Woord mens is, doch niet echt, maar alleen in schijn, omdat zij beweren, dat Gods Zoon een lichaam dat wij ons inbeelden aannam; zodat God mens wordt genoemd in dezelfde zin als een koperen afgietsel een mens wordt genoemd, omdat het een beeld van een mens is. — Evenmin geven zij, die ontkennen, dat in Christus ziel en lichaam verenigd waren, toe, dat God een echte mens is, maar dat Hij in beeldspraak, nl. om wille van de delen, mens wordt genoemd. — Beide meningen echter zijn boven bestreden (2e Kw., 5e Art.; 5e Kw., 1e Art.).
Alii vero e converso ponunt veritatem ex parte hominis, sed negant veritatem ex parte Dei. Dicunt enim, Christum, qui est Deus, et homo2, esse Deum non naturaliter, sed participative, scilicet per gratiam; sicut et omnes sancti viri dicuntur Dii [Ps. 81. v. 6; Jo. X. v. 34, 35]: excellentius tamen Christus prae aliis, propter gratiam abundantiorem. Et secundum hoc cum dicitur, « Deus est homo » ly « Deus » non supponit verum, et naturalem Deum. Et haec est haeresis Photini, quae supra improbata est [q. 2. art. 10. et 11.].
Anderen daarentegen erkennen de echtheid van de kant van den mensch maar ontkennen de echtheid van Gods kant. Want zij zeggen, dat Christus de Godmensch, niet van nature God is, maar alleen deel heeft aan de godheid, nl. door de genade, zooals alle heilige menschen goden worden genoemd; Christus echter boven alle anderen om een rijkere genade. En als men in dezen zin zegt: God is mensch, slaat de term God niet op een waren God, die het van nature is. Dat is de ketterij van Photinus, die boven is weerlegd (2e Kw., 10e en 11e Art.).Anderen daarentegen erkennen de echtheid van de kant van de mens maar ontkennen de echtheid van Gods kant. Want zij zeggen, dat Christus de Godmens, niet van nature God is, maar alleen deel heeft aan de godheid, nl. door de genade, zoals alle heilige mensen goden worden genoemd; Christus echter boven alle anderen om een rijkere genade. En als men in deze zin zegt: God is mens, slaat de term God niet op een waren God, die het van nature is. Dat is de ketterij van Photinus, die boven is weerlegd (2e Kw., 10e en 11e Art.).
469Alii vero concedunt hanc propositionem cum veritate utriusque termini, ponentes Christum et verum Deum esse, et verum hominem: sed tamen veritatem praedicationis non salvant. Dicunt enim, quod homo praedicatur de Deo per quamdam conjunctionem, vel dignitatis, vel auctoritatis, vel etiam affectionis, aut inhabitationis. Et sic posuit Nestorius, Deum hominem esse; ut per hoc nihil aliud significetur, quam quod Deus est homini conjunctus tali conjunctione, quod homo inhabitetur a Deo, et uniatur ei secundum affectum, et secundum participationem auctoritatis, et honoris divini. Et in similem errorem incidunt, quicumque ponunt duas hypostases, vel duo supposita in Christo. Quia non est possibile intelligi, quod duorum, quae sunt secundum suppositum, vel hypostasim distincta, unum proprie praedicetur de alio: sed solum secundum quamdam figurativam locutionem, inquantum in aliquo conjunguntur; puta si dicamus: Petrum esse Joannem, quia habent aliquam conjunctionem ad invicem. Et hae etiam opiniones supra improbatae sunt [q. 2. art. 3. et 6.].
469Weer anderen geven deze stelling toe, als beide termen in waren zin worden genomen, omdat zij houden, dat Christus waarlijk God en waarlijk mensch is; maar zij kunnen de bevestiging zelf niet in volle beteekenis handhaven. Want zij zeggen, dat mensch van God wordt gezegd om een band in waardigheid of macht ofwel van liefde en inwonen. En in dezen zin beweerde Nestorius, dat God mensch was, zoodat dit niets anders beteekende dan dat God met de mensch zoo vereenigd was, dat God in dien mensch woonde en deze met Hem in gevoelens en een deelen in goddelijke macht en eer was vereenigd. — En zij, die twee hypostasen of dragers in Christus aannemen, vallen in dezelfde dwaling. Want het is niet te begrijpen, dat van twee, die in hypostase of drager verschillen, het eene in eigenlijken zin van het andere zou worden gezegd; enkel in beeldspraak in zoover zij in een punt vereenigd zijn, is dit mogelijk, zooals wij kunnen zeggen, dat Petrus Johannes is, omdat zij een band van eenheid hebben. — Deze meeningen zijn boven weerlegd (2e Kw., 3e en 6e Art.).469Weer anderen geven deze stelling toe, als beide termen in waren zin worden genomen, omdat zij houden, dat Christus waarlijk God en waarlijk mens is; maar zij kunnen de bevestiging zelf niet in volle betekenis handhaven. Want zij zeggen, dat mens van God wordt gezegd om een band in waardigheid of macht ofwel van liefde en inwonen. En in deze zin beweerde Nestorius, dat God mens was, zodat dit niets anders betekende dan dat God met de mens zo verenigd was, dat God in die mens woonde en deze met Hem in gevoelens en een delen in goddelijke macht en eer was verenigd. — En zij, die twee hypostasen of dragers in Christus aannemen, vallen in dezelfde dwaling. Want het is niet te begrijpen, dat van twee, die in hypostase of drager verschillen, het ene in eigenlijke zin van het andere zou worden gezegd; enkel in beeldspraak in zover zij in een punt verenigd zijn, is dit mogelijk, zoals wij kunnen zeggen, dat Petrus Johannes is, omdat zij een band van eenheid hebben. — Deze meningen zijn boven weerlegd (2e Kw., 3e en 6e Art.).
Unde supponendo secundum veritatem Catholicae fidei, quod vera natura divina unita est cum vera natura humana, non solum in persona, sed etiam 470in supposito, vel hypostasi, dicimus hanc propositionem esse veram, et propriam, « Deus est homo »: non solum propter veritatem terminorum quia scilicet Christus est verus Deus, et verus homo; sed etiam propter veritatem praedicationis. Nomen enim significans naturam communem in concreto potest supponere pro quolibet contentorum sub natura communi: sicut hoc nomen « homo » potest supponere pro quolibet homine singulari. Et ita hoc nomen « Deus » ex ipso modo suae significationis potest supponere pro persona Filii Dei, et etiam in 1. habitum est [q. 39. art. 4.]. De quolibet autem supposito alicujus naturae potest vere, et proprie praedicari nomen significans illam naturam in concreto: sicut de Socrate, et Platone proprie, et vere praedicatur « homo ». Quia ergo persona Filii Dei, pro qua supponit hoc nomen « Deus » est suppositum naturae humanae, vere et proprie hoc nomen « homo » potest praedicari de hoc nomine « Deus » secundum quod supponit pro persona Filii Dei.
Nemen wij dus volgens het ware katholieke geloof aan, dat de ware goddelijke natuur met de echte menschelijke niet alleen in persoon, maar ook in drager of hypostase vereenigd is, dan zeggen 470wij, dat deze stelling: God is mensch, in eigenlijken zin waar is; niet alleen omdat de termen in waren zin genomen zijn, omdat Christus nl. in waren zin God en mensch is; maar ook, omdat de bevestiging in echten zin geschiedt. Want een term, die een aan meerderen eigen natuur in het concrete aanduidt, kan op iedereen slaan, die de gemeenschappelijke natuur bezit, zooals de term mensch op iederen bijzonderen mensch kan slaan. En zoo kan de term God krachtens de manier, waarop zij iets aanduidt, op den persoon van Gods Zoon slaan, zooals in het eerste deel is gezegd (39e Kw., 4e Art.). Nu kan van iederen drager van een natuur de term, die deze natuur concreet aangeeft, in waarheid en naar de eigen beteekenis worden gezegd, zooals de term mensch echt en eigenlijk aan Socrates en Plato wordt toegekend. Daar nu de persoon van Gods Zoon, waarop de term God doelt, de drager is van de menschelijke natuur, kan de term mensch in waarheid en in zijn eigenlijken zin van den term God worden gezegd, in zoover deze slaat op den Persoon van Gods Zoon.Nemen wij dus volgens het ware katholieke geloof aan, dat de ware goddelijke natuur met de echte menselijke niet alleen in persoon, maar ook in drager of hypostase verenigd is, dan zeggen 470wij, dat deze stelling: God is mens, in eigenlijke zin waar is; niet alleen omdat de termen in waren zin genomen zijn, omdat Christus nl. in waren zin God en mens is; maar ook, omdat de bevestiging in echten zin geschiedt. Want een term, die een aan meerderen eigen natuur in het concrete aanduidt, kan op iedereen slaan, die de gemeenschappelijke natuur bezit, zoals de term mens op iedere bijzonderen mens kan slaan. En zo kan de term God krachtens de manier, waarop zij iets aanduidt, op de persoon van Gods Zoon slaan, zoals in het eerste deel is gezegd (39e Kw., 4e Art.). Nu kan van iedere drager van een natuur de term, die deze natuur concreet aangeeft, in waarheid en naar de eigen betekenis worden gezegd, zoals de term mens echt en eigenlijk aan Socrates en Plato wordt toegekend. Daar nu de persoon van Gods Zoon, waarop de term God doelt, de drager is van de menselijke natuur, kan de term mens in waarheid en in zijn eigenlijken zin van de term God worden gezegd, in zover deze slaat op de Persoon van Gods Zoon.
Ad primum ergo dicendum, quod, quando formae diversae non possunt convenire in unum suppositum, tunc oportet quod propositio sit in materia remota, cujus subjectum significat unam illarum formarum, et praedicatum 471aliam. Sed quando duae formae possunt convenire in unum suppositum, non est materia remota, sed naturalis, vel contingens; sicut cum dico: « Album est musicum ». Natura autem divina, et humana, quamvis sint maxime distantes, tamen conveniunt per Incarnationis mysterium in uno supposito, cui neutra illarum inest per accidens, sed per se. Et ideo haec propositio: « Deus est homo » non est neque in materia remota, neque in materia contingenti, sed in materia naturali. Et praedicatur « homo » de Deo, non per accidens, sed per se, sicut species3 de sua hypostasi: non quidem ratione formae significatae per hoc nomen « Deus » sed ratione suppositi, quod est hypostasis humanae naturae.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Als verschillende vormen niet in denzelfden drager kunnen gevonden worden, moet een stelling, waarvan het subject den eenen en het praedicaat den 471anderen van deze vormen aangeeft, beschouwd worden als te gaan over begrippen, die ver van elkaar liggen. Kunnen echter twee vormen wel in denzelfden drager bestaan, dan zijn het geen begrippen, die buiten elkaar liggen, maar van nature of toevallig elkaar dekken, zooals wanneer ik zeg: een blanke is een musicus. Al liggen nu ook de goddelijke en de menschelijke natuur zoover mogelijk van elkaar af, toch komen zij door het geheim der Menschwording in denzelfden drager, in wien geen der beide naturen op bijkomstige manier, maar om zichzelf bestaat. Daarom gaat deze stelling: God is mensch, niet over begrippen, die buiten elkaar liggen of toevallig elkaar dekken, maar over begrippen, die natuurlijk bij elkaar hooren. En de term mensch wordt van God niet als iets bijkomstigs, maar om zichzelf gezegd, omdat hij gezegd wordt van zijn hypostase; wel niet krachtens den vorm, die door de term God wordt aangeduid, maar krachtens den drager ervan, die ook de hypostase van de menschelijke natuur is.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Als verschillende vormen niet in dezelfde drager kunnen gevonden worden, moet een stelling, waarvan het subject de ene en het predicaat de 471anderen van deze vormen aangeeft, beschouwd worden als te gaan over begrippen, die ver van elkaar liggen. Kunnen echter twee vormen wel in dezelfde drager bestaan, dan zijn het geen begrippen, die buiten elkaar liggen, maar van nature of toevallig elkaar dekken, zoals wanneer ik zeg: een blanke is een musicus. Al liggen nu ook de goddelijke en de menselijke natuur zover mogelijk van elkaar af, toch komen zij door het geheim van de Menswording in dezelfde drager, in wie geen van de beide naturen op bijkomstige manier, maar om zichzelf bestaat. Daarom gaat deze stelling: God is mens, niet over begrippen, die buiten elkaar liggen of toevallig elkaar dekken, maar over begrippen, die natuurlijk bij elkaar horen. En de term mens wordt van God niet als iets bijkomstigs, maar om zichzelf gezegd, omdat hij gezegd wordt van zijn hypostase; wel niet krachtens de vorm, die door de term God wordt aangeduid, maar krachtens de drager ervan, die ook de hypostase van de menselijke natuur is.
Ad secundum dicendum, quod tres personae divinae conveniunt in natura: distinguuntur tamen in supposito: et ideo non praedicantur de invicem. In mysterio autem Incarnationis naturae quidem, quia distinctae sunt, de invicem non praedicantur, secundum quod significantur in abstracto non enim natura divina est humana: sed quia conveniunt in supposito, praedicantur de invicem in concreto.
2. De Drie Personen komen in natuur overeen, maar verschillen in drager, en zoo worden Zij niet van elkaar gezegd. Maar in het geheim der Menschwording worden de naturen, die van elkaar verschillen, wel niet van elkaar gezegd, als men hen abstract aanduidt, omdat de goddelijke natuur de menschelijke niet is; maar omdat 472zij denzelfden drager hebben, worden zij wel concreet van elkaar gezegd.2. De Drie Personen komen in natuur overeen, maar verschillen in drager, en zo worden Zij niet van elkaar gezegd. Maar in het geheim van de Menswording worden de naturen, die van elkaar verschillen, wel niet van elkaar gezegd, als men hen abstract aanduidt, omdat de goddelijke natuur de menselijke niet is; maar omdat 472zij dezelfde drager hebben, worden zij wel concreet van elkaar gezegd.
Ad tertium dicendum, quod « anima » et « caro » significantur ut in abstracto, sicut « divinitas » et « humanitas ». In concreto vero dicuntur « animatum » et « carneum » sive « corporeum »: sicut et ex alia parte « Deus » et « homo ». Unde utrobique abstractum non praedicatur de abstracto, sed solum concretum de concreto.
3. Ziel en lichaam worden in abstracto aangeduid, zooals godheid en menschheid. Wil men ze concreet aangeven, dan spreekt men van het bezielde en het vleeschelijke of lichamelijke, zooals in het andere geval van God en mensch. In beide gevallen wordt dus het abstracte niet van het abstracte gezegd, maar alleen het concrete van het concrete.3. Ziel en lichaam worden in abstracto aangeduid, zoals godheid en mensheid. Wil men ze concreet aangeven, dan spreekt men van het bezielde en het vleselijke of lichamelijke, zoals in het andere geval van God en mens. In beide gevallen wordt dus het abstracte niet van het abstracte gezegd, maar alleen het concrete van het concrete.
Ad quartum dicendum, quod hoc nomen « homo » praedicatur de Deo ratione unionis in persona: quae quidem unio relationem importat. Et ideo non sequitur regulam eorum nominum, quae absolute praedicantur de Deo ab aeterno.
4. De term mensch wordt van God gezegd om de vereeniging in persoon, en deze vereeniging brengt een verhouding mee. Daarom valt zij niet onder de regel, welke geldt voor de termen, die als iets absoluuts van eeuwigheid van God worden gezegd.4. De term mens wordt van God gezegd om de vereniging in persoon, en deze vereniging brengt een verhouding mee. Daarom valt zij niet onder de regel, welke geldt voor de termen, die als iets absoluuts van eeuwigheid van God worden gezegd.
Utrum haec sit vera: homo est Deus
Is deze stelling waar: een mensch is God?Is deze stelling waar: een mens is God?
472Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod haec sit falsa: « Homo est Deus »: « Deus » enim est nomen incommunicabile; sed Sap. 14. 473[v. 21]: reprehenduntur idololatrae de hoc, quod « hoc nomen, « Deus » quod est incommunicabile, lignis, et lapidibus imposuerunt ». Ergo pari ratione videtur esse inconveniens, quod hoc nomen « Deus » praedicetur de homine.
472Bedenkingen. — Men beweert, dat deze stelling: een mensch is God, onwaar is. — 1. Want « God » is een naam, die niet 473toegekend kan worden aan anderen. Nu worden de afgodendienaars in het boek der Wijsheid (14, 21) hierom veroordeeld, dat « zij dien naam God, die aan niets anders toegekend kan worden, gaven aan hout en steenen ». Om dezelfde reden schijnt het dus niet te passen dien naam God aan een mensch te geven.472Bedenkingen. — Men beweert, dat deze stelling: een mens is God, onwaar is. — 1. Want “God” is een naam, die niet 473toegekend kan worden aan anderen. Nu worden de afgodendienaars in het boek van de Wijsheid (14, 21) hierom veroordeeld, dat “zij die naam God, die aan niets anders toegekend kan worden, gaven aan hout en stenen”. Om dezelfde reden schijnt het dus niet te passen die naam God aan een mens te geven.
2. Praeterea, quidquid praedicatur de praedicato, praedicatur de subjecto. Sed haec est vera: « Deus est pater » vel: « Deus est Trinitas ». Si ergo haec sit vera: « Homo est Deus » videtur quod haec etiam sit vera: « Homo est Pater » vel: « Homo est Trinitas ». Quas quidem patet esse falsas. Ergo et primam.
2. Wat van het praedicaat wordt gezegd, wordt ook van het subject gezegd. Nu is deze stelling waar: God is Vader, of: God is de Drievuldigheid. Is dus de stelling: een mensch is God, waar, dan zouden ook de stellingen: een mensch is God de Vader of een mensch is de Drievuldigheid, waar zijn; en dat zijn klaarblijkelijk onwaarheden. Dus is ook de eerste stelling een onwaarheid.2. Wat van het predicaat wordt gezegd, wordt ook van het subject gezegd. Nu is deze stelling waar: God is Vader, of: God is de Drievuldigheid. Is dus de stelling: een mens is God, waar, dan zouden ook de stellingen: een mens is God de Vader of een mens is de Drievuldigheid, waar zijn; en dat zijn klaarblijkelijk onwaarheden. Dus is ook de eerste stelling een onwaarheid.
3. Praeterea, in Ps. 80. [v. 10] dicitur: « Non erit in te Deus recens ». Sed homo est quiddam recens: non enim Christus semper fuit homo. Ergo haec est falsa: « Homo est Deus ».
3. In de psalmen (Ps. 80, 10) wordt gezegd: « Geen nieuwe God zal er onder u zijn ». Nu is deze mensch iets nieuws, omdat Christus niet altijd mensch was. Dus is de stelling: een mensch is God, onwaar.3. In de psalmen (Ps. 80, 10)a wordt gezegd: “Geen nieuwe God zal er onder u zijn”. Nu is deze mens iets nieuws, omdat Christus niet altijd mens was. Dus is de stelling: een mens is God, onwaar.
Sed contra est, quod dicitur Rom. 9. [v. 5]: « Ex quibus est Christus secundum carnem, qui est super omnia Deus benedictus in saecula ». Sed Christus secundum carnem est homo. Ergo haec est vera: « Homo est Deus ».
Maar daartegenover staat, dat in den Romeinenbrief (9, 5) wordt gezegd: « Van hen stamt Christus naar het vleesch af, Hij die God is, boven alles gezegend in eeuwigheid ». Nu is Christus naar het vleesch mensch. Dus is de stelling: Een mensch is God, waar.Maar daartegenover staat, dat in de Romeinenbrief (9, 5) wordt gezegd: “Van hen stamt Christus naar het vlees af, Hij die God is, boven alles gezegend in eeuwigheid”. Nu is Christus naar het vlees mens. Dus is de stelling: Een mens is God, waar.
474Respondeo dicendum, quod supposita veritate utriusque naturae, divinae scilicet, et humanae, et unione in persona, et hypostasi, haec est vera, et propria: « Homo est Deus » sicut et ista: « Deus est homo ». Hoc enim nomen « homo » potest supponere pro qualibet hypostasi humanae naturae: et ita potest supponere pro persona Filii Dei, quam dicamus esse hypostasim humanae naturae. Manifestum est autem, quod de persona Filii Dei vere, et proprie praedicatur hoc nomen « Deus » ut in 1. habitum est [q. 39. art. 4.]. Unde relinquitur, quod haec sit vera, et propria: « Homo est Deus ».
474Leerstelling. — Nemen wij de echtheid van beide naturen, nl. de goddelijke en de menschelijke, en de vereeniging in persoon en hypostase aan, dan is de stelling: een mensch is God, in eigenlijken zin even waar als die andere: God is mensch. Want deze term mensch kan slaan op iedere hypostase van de menschelijke natuur, en dus ook op den Persoon van den Zoon, dien wij hypostase der menschelijke natuur noemen. Nu is het duidelijk, dat de naam God in waarheid en in eigenlijken zin van den persoon van Gods Zoon wordt gezegd, zooals in het eerste deel (39e Kw., 4e Art.) bewezen is. Dus volgt, dat de stelling: Een mensch is God, in eigenlijken zin waar is.474Leerstelling. — Nemen wij de echtheid van beide naturen, nl. de goddelijke en de menselijke, en de vereniging in persoon en hypostase aan, dan is de stelling: een mens is God, in eigenlijke zin even waar als die andere: God is mens. Want deze term mens kan slaan op iedere hypostase van de menselijke natuur, en dus ook op de Persoon van de Zoon, die wij hypostase van de menselijke natuur noemen. Nu is het duidelijk, dat de naam God in waarheid en in eigenlijke zin van de persoon van Gods Zoon wordt gezegd, zoals in het eerste deel (39e Kw., 4e Art.) bewezen is. Dus volgt, dat de stelling: Een mens is God, in eigenlijke zin waar is.
Ad primum ergo dicendum, quod idololatrae attribuebant nomen deitatis lapidibus, et lignis, secundum quod in sua natura considerantur: qui putabant in illis aliquid numinis esse. Nos autem non attribuimus nomen Deitatis Christo homini secundum humanam naturam: sed secundum suppositum aeternum, quod est etiam per unionem suppositum humanae naturae, ut dictum est [in corp. art.].
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Afgodendienaars gaven den naam van godheid aan steenen en hout, beschouwd naar hun eigen natuur, omdat zij meenden, dat er iets goddelijks in hen was. Maar wij kennen de naam der godheid niet aan een mensch krachtens de menschelijke natuur toe, maar krachtens den eeuwigen drager, Die om de vereeniging ook drager is van de menschelijke natuur, zooals wij zeiden (in de Leerstelling).Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Afgodendienaars gaven de naam van godheid aan stenen en hout, beschouwd naar hun eigen natuur, omdat zij meenden, dat er iets goddelijks in hen was. Maar wij kennen de naam van de godheid niet aan een mens krachtens de menselijke natuur toe, maar krachtens de eeuwige drager, Die om de vereniging ook drager is van de menselijke natuur, zoals wij zeiden (in de Leerstelling).
Ad secundum dicendum, quod hoc nomen « Pater » praedicatur de hoc nomine « Deus » secundum quod hoc nomen « Deus » supponit pro persona Patris. Sic autem non praedicatur de persona Filii: quia persona Filii non est persona Patris. Et per consequens non oportet, quod hoc nomen « Pater » praedicetur de hoc nomine « homo » de quo praedicatur hoc nomen « Deus » inquantum ly « homo » supponit pro persona Filii.
2. De naam van Vader wordt van den term God gezegd, in zoover die term God slaat op den persoon van den Vader. Maar 475zij wordt niet op gelijke wijze van den persoon van den Zoon gezegd, omdat de persoon van den Zoon niet die van den Vader is. Daarom is het niet noodig, dat de naam van Vader toegekend wordt aan den term mensch, waarvan de term God wordt gezegd, in zoover mensch nl. slaat op den persoon van den Zoon.2. De naam van Vader wordt van de term God gezegd, in zover die term God slaat op de persoon van de Vader. Maar 475zij wordt niet op gelijke wijze van de persoon van de Zoon gezegd, omdat de persoon van de Zoon niet die van de Vader is. Daarom is het niet nodig, dat de naam van Vader toegekend wordt aan de term mens, waarvan de term God wordt gezegd, in zover mens nl. slaat op de persoon van de Zoon.
Ad tertium dicendum, quod licet humana natura in Christo sit quiddam recens; tamen suppositum humanae naturae non est recens, sed aeternum. Et quia hoc nomen « Deus » non praedicatur de homine ratione humanae naturae, sed ratione suppositi, non sequitur quod ponamus Deum recentem. Sequeretur autem, si poneremus quod « homo » supponit suppositum creatum: secundum quod oportet dicere eos, qui in Christo ponunt duo supposita [cfr. q. 2. art. 3. et 6.].
3. Al is de menschelijke natuur in Christus iets, wat een begin heeft gehad, toch heeft de drager van de menschelijke natuur nog geen begin gehad, maar is eeuwig. En daar de naam van God niet van dien mensch om de menschelijke natuur wordt gezegd, maar om den drager, volgt er niet uit, dat wij een God aannemen, die een begin heeft gehad. — Dit zou volgen, als wij aannamen dat mensch sloeg op een geschapen drager; en dat moeten zij wel doen, die in Christus twee dragers aannemen.3. Al is de menselijke natuur in Christus iets, wat een begin heeft gehad, toch heeft de drager van de menselijke natuur nog geen begin gehad, maar is eeuwig. En daar de naam van God niet van die mens om de menselijke natuur wordt gezegd, maar om de drager, volgt er niet uit, dat wij een God aannemen, die een begin heeft gehad. — Dit zou volgen, als wij aannamen dat mens sloeg op een geschapen drager; en dat moeten zij wel doen, die in Christus twee dragers aannemen.
Utrum Christus possit dici homo Dominicus
Kan men Christus noemen: den mensch die den Heer toebehoort?Kan men Christus noemen: de mens die de Heer toebehoort?
475Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod Christus possit dici « homo 476dominicus ». Dicit enim Augustinus in lib. 83. QQ. [q. 36. cir. med.]: « Monendum est, ut illa bona expectentur, quae fuerunt in illo homine dominico ». Loquitur autem de Christo. Ergo videtur, quod Christus sit homo dominicus.
475Bedenkingen. — Men beweert, dat men Christus den mensch, 476die den Heer toebehoort kan noemen. — 1. Want Augustinus zegt in het boek Over de 83 Vraagstukken (36e Vr.): « Denkt er aan, dat wij al het goed moeten verwachten, dat er in dien den Heer toebehoorenden mensch was ». Nu spreekt hij daar over Christus, en zoo schijnt Christus dus den den Heer toebehoorende mensch te zijn.475Bedenkingen. — Men beweert, dat men Christus de mens, 476die de Heer toebehoort kan noemen. — 1. Want Augustinus zegt in het boek Over de 83 Vraagstukken (36e Vr.): “Denkt er aan, dat wij al het goed moeten verwachten, dat er in die de Heer toebehorenden mens was”. Nu spreekt hij daar over Christus, en zo schijnt Christus dus de de Heer toebehorende mens te zijn.
2. Praeterea, sicut dominium convenit Christo ratione divinae naturae; ita etiam humanitas pertinet ad humanam naturam. Sed Deus dicitur « humanatus » ut patet per Damascenum in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 11.]. ubi dicit, quod « humanatio eam, quae ad hominem, copulationem demonstrat ». Ergo pari ratione potest dici denominative, quod homo ille sit dominicus.
2. Zooals de heerschappij Christus krachtens de goddelijke natuur toekomt, behoort de menschelijkheid tot de menschelijke natuur. Nu noemt men God menschgeworden, zooals uit het 3e boek van Damascenus (Over het Ware Geloof, 11e H.) blijkt, waar hij zegt, dat « de zg. humanatio den band met den mensch aangeeft ». Om dezelfde reden kan men deze aanduiding geven, dat deze mensch « dominicus », dwz. den Heer toebehoorend is.2. Zoals de heerschappij Christus krachtens de goddelijke natuur toekomt, behoort de menselijkheid tot de menselijke natuur. Nu noemt men God mensgeworden, zoals uit het 3e boek van Damascenus (Over het Ware Geloof, 11e H.) blijkt, waar hij zegt, dat “de zg. humanatio de band met de mens aangeeft”. Om dezelfde reden kan men deze aanduiding geven, dat deze mens “dominicus”, dwz. de Heer toebehorend is.
3. Praeterea, sicut « dominicus » denominative dicitur a domino; ita « divinus » denominative dicitur a Deo. Sed Dionysius [cap. 4. Eccl. Hier.] Christum nominat « divinissimum Jesum ». Ergo pari ratione potest dici, quod Christus sit homo dominicus.
3. Zooals dominicus of den Heer toebehoorend van Heer is afgeleid, is de term goddelijk van God afgeleid. Nu noemt Dionysius Christus « allergoddelijkste Jesus ». Dus kan men met evenveel recht zeggen, dat Christus dominicus of den Heer toebehoorend is.3. Zoals dominicus of de Heer toebehorend van Heer is afgeleid, is de term goddelijk van God afgeleid. Nu noemt Dionysius Christus “allergoddelijkste Jesus”. Dus kan men met evenveel recht zeggen, dat Christus dominicus of de Heer toebehorend is.
Sed contra est, quod Augustinus dicit in lib. 1. Retract. [cap. 19.]: 477« Non video, utrum recte dicatur homo dominicus Jesus Christus, cum sit utique dominus ».
Maar daartegenover staat, dat Augustinus in het boek der Retractaties (1e B., 19e H.) zegt: « Het is mij niet duidelijk, dat men 477Jesus Christus met recht den den Heer toebehoorenden mensch kan noemen, omdat Hij nl. de Heer zelf is ».Maar daartegenover staat, dat Augustinus in het boek van de Retractaties (1e B., 19e H.) zegt: “Het is mij niet duidelijk, dat men 477Jesus Christus met recht de de Heer toebehorenden mens kan noemen, omdat Hij nl. de Heer zelf is”.
Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [art. praec. ad 3.] cum dicitur « homo Christus Jesus » designatur suppositum aeternum, quod est persona Filii Dei, propter hoc quod est unum suppositum utriusque naturae: de persona autem Filii Dei praedicatur Deus, et Dominus essentialiter. Et ideo non debet praedicari denominative; quia hoc derogat veritati unionis. Unde cum « Dominicus » dicatur denominative a Domino, non potest vere et proprie dici, quod homo ille sit « dominicus » sed magis quod sit « dominus ».
Leerstelling. — Zooals boven is gezegd (Vorig Art.), wordt, als men van den mensch Jesus Christus spreekt, de eeuwige drager bedoeld, nl. de persoon van Gods Zoon, omdat er van beide naturen maar een drager is. Nu worden de termen God en Heer van den persoon van Gods Zoon naar het wezen gezegd; en moeten dus niet in afgeleide beteekenis gezegd worden, omdat men dan aan de echtheid der vereeniging te kort doet. En daar nu dominicus of den Heer toebehoorend in afgeleide beteekenis van Heer wordt gezegd, kan men niet in waren en eigenlijken zin zeggen, dat deze mensch dominicus of den Heer toebehoorend is, maar eerder, dat Hij de Heer is.Leerstelling. — Zoals boven is gezegd (Vorig Art.), wordt, als men van de mens Jesus Christus spreekt, de eeuwige drager bedoeld, nl. de persoon van Gods Zoon, omdat er van beide naturen maar een drager is. Nu worden de termen God en Heer van de persoon van Gods Zoon naar het wezen gezegd; en moeten dus niet in afgeleide betekenis gezegd worden, omdat men dan aan de echtheid van de vereniging te kort doet. En daar nu dominicus of de Heer toebehorend in afgeleide betekenis van Heer wordt gezegd, kan men niet in waren en eigenlijken zin zeggen, dat deze mens dominicus of de Heer toebehorend is, maar eerder, dat Hij de Heer is.
Si autem per hoc quod dicitur « homo Christus Jesus » designaretur suppositum aliquod creatum, secundum illos qui ponunt in Christo duo supposita, posset dici homo ille « dominicus » inquantum assumitur ad participationem honoris divini, sicut Nestoriani posuerunt.
Zou men echter bij het noemen van den mensch Jesus Christus een geschapen drager aangeven volgens de meening van hen, die in Christus twee dragers aannemen, dan zou men dien mensch den Heer toebehoorend kunnen noemen, in zoover hij aangenomen zou zijn om te deelen in de God gebrachte eer, zooals de Nestorianen beweren.Zou men echter bij het noemen van de mens Jesus Christus een geschapen drager aangeven volgens de mening van hen, die in Christus twee dragers aannemen, dan zou men die mens de Heer toebehorend kunnen noemen, in zover hij aangenomen zou zijn om te delen in de God gebrachte eer, zoals de Nestorianen beweren.
Et hoc etiam modo humana natura non dicitur essentialiter « dea » 478sed « deificata » non quidem per conversionem ipsius in divinam naturam, sed per conjunctionem ad divinam naturam in una hypostasi, ut patet per Damascenum in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 11. et 17.].
Op dezelfde manier wordt de menschelijke natuur ook niet wezenlijk goddelijk, maar vergoddelijkt genoemd, omdat zij niet in de 478goddelijke natuur is veranderd, maar daarmee in een hypostase vereenigd is, als blijkt uit het 3e boek van Damascenus (Over het Ware Geloof, 11e en 17e H.).Op dezelfde manier wordt de menselijke natuur ook niet wezenlijk goddelijk, maar vergoddelijkt genoemd, omdat zij niet in de 478goddelijke natuur is veranderd, maar daarmee in een hypostase verenigd is, als blijkt uit het 3e boek van Damascenus (Over het Ware Geloof, 11e en 17e H.).
Ad primum ergo dicendum, quod Augustinus verba illa, et similia retractat in lib. 1. Retract. Unde post verba praemissa in 1. lib. Retract. [cfr. Arg. sed contra] subdit: « Ubicumque hoc dixi » scilicet quod Christus Jesus sit homo dominicus « dixisse me nollem. Postea quippe vidi non esse dicendum: quamvis nonnulla ratione potest defendi »: quia scilicet posset aliquis dicere, quod dicitur homo dominicus ratione humanae naturae, quam significat hoc nomen « homo » non autem ratione suppositi.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Augustinus neemt deze en dergelijke uitdrukkingen terug in het boek der Retractaties. Daarom gaat hij na de geciteerde woorden verder: « Waar ik dat ook gezegd mag hebben, nl. dat Jesus Christus de den Heer toebehoorende mensch is, wilde ik, dat ik het niet had gezegd. Want later heb ik ingezien, dat men zoo niet moet spreken, al is het eenigszins te verdedigen », omdat men zou kunnen zeggen, dat Hij dominicus wordt genoemd om de menschelijke natuur, die door den naam mensch wordt aangenomen, maar niet om den drager.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Augustinus neemt deze en dergelijke uitdrukkingen terug in het boek van de Retractaties. Daarom gaat hij na de geciteerde woorden verder: “Waar ik dat ook gezegd mag hebben, nl. dat Jesus Christus de de Heer toebehorende mens is, wilde ik, dat ik het niet had gezegd. Want later heb ik ingezien, dat men zo niet moet spreken, al is het enigszins te verdedigen”, omdat men zou kunnen zeggen, dat Hij dominicus wordt genoemd om de menselijke natuur, die door de naam mens wordt aangenomen, maar niet om de drager.
Ad secundum dicendum, quod illud unum suppositum, quod est humanae, et divinae naturae, primo quidem fuit divinae naturae, scilicet ab aeterno: postea autem ex tempore per Incarnationem factum est suppositum humanae naturae. Et hac ratione dicitur « humanatum »: non quia assumpserit hominem, sed quia assumpsit humanam naturam. Non autem sic est e converso, quod suppositum humanae naturae assumpserit divinam 479naturam. Unde non potest dici homo « deificatus » vel « dominicus ».
2. De eene drager van de goddelijke en menschelijke natuur was dit van eeuwigheid eerst alleen van de goddelijke natuur, en daarna werd hij door de menschwording in den tijd drager van de menschelijke. En om deze reden wordt hij vermenschelijkt genoemd, niet omdat hij een mensch heeft aangenomen, maar omdat hij een menschelijke natuur heeft aangenomen. Maar omgekeerd is het niet waar, dat de drager van de menschelijke natuur de goddelijke 479aangenomen heeft. Daarom kan de mensch niet vergoddelijkt of den Heer toebehoorend worden genoemd.2. De ene drager van de goddelijke en menselijke natuur was dit van eeuwigheid eerst alleen van de goddelijke natuur, en daarna werd hij door de menswording in de tijd drager van de menselijke. En om deze reden wordt hij vermenselijkt genoemd, niet omdat hij een mens heeft aangenomen, maar omdat hij een menselijke natuur heeft aangenomen. Maar omgekeerd is het niet waar, dat de drager van de menselijke natuur de goddelijke 479aangenomen heeft. Daarom kan de mens niet vergoddelijkt of de Heer toebehorend worden genoemd.
Ad tertium dicendum, quod hoc nomen « divinum » consuevit praedicari etiam de his, de quibus praedicatur essentialiter hoc nomen « Deus »: dicimus enim, quod « divina essentia est Deus » ratione identitatis; et quod « essentia est Dei » sive « divina » propter diversum modum significandi; et « Verbum divinum » cum tamen Verbum sit Deus. Et similiter dicimus « personam divinam » sicut et « personam Platonis »: propter diversum modum significandi. Sed « dominicus » non dicitur de his, de quibus « dominus » praedicatur: non enim consuevit dici, quod aliquis homo, qui est dominus, sit « dominicus ». Sed illud quod qualitercumque est domini, « dominicum » dicitur: sicut « dominica voluntas » vel « dominica manus » vel « dominica passio1 ». Et ideo ipse homo Christus, qui est dominus, non potest dici « dominicus »: sed potest caro ejus dici « caro dominica » et passio ejus potest dici « passio dominica ».
3. De term goddelijk wordt gewoonlijk ook gezegd van datgene, waarvan de naam God naar het wezen wordt gezegd; want wij zeggen, dat het goddelijke wezen God is om de identiteit; en dat het het wezen van God of het goddelijke wezen is, omdat het dan op verschillende manieren wordt aangeduid; en wij spreken van het goddelijke Woord, al is het Woord ook God. En evenzoo spreken wij van den goddelijken persoon zooals wij spreken van Plato's persoon om het verschil in de manier van aanduiden. Maar men zegt niet den Heer toebehoorend van hen, van wie men zegt, dat zij de heer zijn; want het is geen gewoonte van iemand, die heer is, te zeggen, dat hij den heer toebehoort. Maar wat hoe dan ook een heer toebehoort, noemen wij « dominicus », zooals wij spreken van de wil of de hand of het bezit van den heer. Daarom ook kan de mensch Christus, die de Heer is, niet den Heer toebehoorend worden genoemd, maar zijn vleesch kan het vleesch van den Heer en Zijn lijden het lijden van den Heer worden genoemd.3. De term goddelijk wordt gewoonlijk ook gezegd van datgene, waarvan de naam God naar het wezen wordt gezegd; want wij zeggen, dat het goddelijke wezen God is om de identiteit; en dat het het wezen van God of het goddelijke wezen is, omdat het dan op verschillende manieren wordt aangeduid; en wij spreken van het goddelijke Woord, al is het Woord ook God. En evenzo spreken wij van de goddelijke persoon zoals wij spreken van Plato's persoon om het verschil in de manier van aanduiden. Maar men zegt niet de Heer toebehorend van hen, van wie men zegt, dat zij de heer zijn; want het is geen gewoonte van iemand, die heer is, te zeggen, dat hij de heer toebehoort. Maar wat hoe dan ook een heer toebehoort, noemen wij “dominicus”, zoals wij spreken van de wil of de hand of het bezit van de heer. Daarom ook kan de mens Christus, die de Heer is, niet de Heer toebehorend worden genoemd, maar zijn vlees kan het vlees van de Heer en Zijn lijden het lijden van de Heer worden genoemd.
Utrum ea quae conveniunt Filio Hominis, possint praedicari de Filio Dei, et e converso1
Kan wat aan de menschelijke natuur toekomt van God worden gezegd?Kan wat aan de menselijke natuur toekomt van God worden gezegd?
480Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod ea quae sunt humanae naturae, non possint dici de Deo. Impossibile enim est, opposita de eodem praedicari: sed ea quae sunt humanae naturae, sunt contraria his quae sunt propria Dei: Deus enim est increatus, immutabilis, et aeternus; ad humanam autem naturam pertinet, ut sit creata, temporalis, et mutabilis. Ergo ea quae sunt humanae naturae, non possunt dici de Deo.
480Bedenkingen. — Men beweert, dat wat aan de menschelijke natuur toekomt niet van God kan worden gezegd. — 1. Want tegenovergestelde dingen kunnen niet van een en denzelfden worden gezegd. Nu staat wat aan de menschelijke natuur toekomt tegenover datgene, wat God eigen is, want God is ongeschapen, onveranderlijk en eeuwig, maar de menschelijke natuur geschapen, tijdelijk en veranderlijk. Dus kan wat aan de menschelijke natuur eigen is, niet van God worden gezegd.480Bedenkingen. — Men beweert, dat wat aan de menselijke natuur toekomt niet van God kan worden gezegd. — 1. Want tegenovergestelde dingen kunnen niet van een en dezelfde worden gezegd. Nu staat wat aan de menselijke natuur toekomt tegenover datgene, wat God eigen is, want God is ongeschapen, onveranderlijk en eeuwig, maar de menselijke natuur geschapen, tijdelijk en veranderlijk. Dus kan wat aan de menselijke natuur eigen is, niet van God worden gezegd.
2. Praeterea, attribuere Deo ea quae ad defectum pertinent, videtur derogare divino honori, et ad blasphemiam pertinere. Sed ea quae sunt humanae naturae, defectum quemdam continent: sicut pati, mori, et alia hujusmodi. Ergo videtur, quod nullo modo ea quae sunt humanae naturae, possint dici de Deo.
2. Men doet aan de God verschuldigde eer te kort, als men God iets onvolmaakts toeschrijft. Maar wat aan de menschelijke natuur toekomt, sluit onvolmaaktheden in als sterven, lijden en dergelijken. Dus schijnt wat aan de menschelijke natuur eigen is in geen enkel opzicht aan God toegeschreven te kunnen worden.2. Men doet aan de God verschuldigde eer te kort, als men God iets onvolmaakts toeschrijft. Maar wat aan de menselijke natuur toekomt, sluit onvolmaaktheden in als sterven, lijden en dergelijken. Dus schijnt wat aan de menselijke natuur eigen is in geen enkel opzicht aan God toegeschreven te kunnen worden.
4813. Praeterea, assumi convenit humanae naturae. Non autem hoc convenit Deo. Non ergo ea quae sunt humanae naturae, de Deo dici possunt.
4813. Het komt aan de menschelijke natuur toe aangenomen te worden. Dit echter komt aan God niet toe. Dus kan men van God niet zeggen wat aan de menschelijke natuur eigen is.4813. Het komt aan de menselijke natuur toe aangenomen te worden. Dit echter komt aan God niet toe. Dus kan men van God niet zeggen wat aan de menselijke natuur eigen is.
Sed contra est, quod Damascenus dicit in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 4.], quod Deus « suscepit ea, quae sunt carnis idiomata » idest proprietates « dum Deus passibilis nominatur, et Deus gloriae crucifixus est ».
Daartegenover staat echter, wat Damascenus zegt in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 4e H.), dat « God de idiomata, dwz. de eigenschappen van het vleesch aannam, als men zegt, dat God kan lijden en dat de God van glorie gekruisigd is ».Daartegenover staat echter, wat Damascenus zegt in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 4e H.), dat “God de idiomata, dwz. de eigenschappen van het vlees aannam, als men zegt, dat God kan lijden en dat de God van glorie gekruisigd is”.
Respondeo dicendum, quod circa hanc quaestionem diversitas fuit inter Nestorianos, et Catholicos. Nestoriani enim voces, quae dicuntur de Christo, dividere volebant hoc modo, ut ea quae pertinent ad humanam naturam, non dicerentur de Deo; nec ea quae pertinent ad divinam naturam, dicerentur de homine. Unde Nestorius dixit: « Si quis Dei Verbo tentat passiones tribuere, anathema sit ». Si qua vero nomina sunt, quae pertinere possunt ad utramque naturam, de talibus praedicabant ea quae sunt utriusque naturae: sicut hoc nomen « Christus » vel « Dominus ». Unde concedebant, Christum esse natum de Virgine, et fuisse ab aeterno; non 482tamen dicebant2, vel Deum natum de Virgine, vel hominem ab aeterno fuisse.
Leerstelling. — Over dit vraagstuk verschilden Nestorianen en Katholieken van meening. De eersten nl. wilden de uitdrukkingen die over Christus werden gebruikt, zoo verdeelen, dat wat aan de menschelijke natuur toekomt, niet van God wordt gezegd, en wat aan de goddelijke natuur eigen is, niet van den mensch. Daarom zei Nestorius: « Wie lijden aan Gods Woord wil toeschrijven, hij zij gebannen ». Zijn er echter uitdrukkingen, die van beide naturen kunnen worden gebruikt, dan kenden zij die aan beide naturen toe als den naam Christus of den term Heer. Daarom gaven zij toe, dat Christus uit de Maagd werd geboren en 482eeuwig was, maar zij gaven niet toe dat God uit de Maagd was geboren of een mensch van eeuwigheid bestond.Leerstelling. — Over dit vraagstuk verschilden Nestorianen en Katholieken van mening. De eersten nl. wilden de uitdrukkingen die over Christus werden gebruikt, zo verdelen, dat wat aan de menselijke natuur toekomt, niet van God wordt gezegd, en wat aan de goddelijke natuur eigen is, niet van de mens. Daarom zei Nestorius: “Wie lijden aan Gods Woord wil toeschrijven, hij zij gebannen”. Zijn er echter uitdrukkingen, die van beide naturen kunnen worden gebruikt, dan kenden zij die aan beide naturen toe als de naam Christus of de term Heer. Daarom gaven zij toe, dat Christus uit de Maagd werd geboren en 482eeuwig was, maar zij gaven niet toe dat God uit de Maagd was geboren of een mens van eeuwigheid bestond.
Catholici vero posuerunt, hujusmodi, quae dicuntur de Christo, sive secundum divinam naturam, sive secundum humanam, dici posse tam de Deo, quam de homine. Unde Cyrillus dicit [in epist. ad Nestor. de Excom. can. 4. et hab. in Conc. Ephes. gener. 3. part 1. cap. 26.]: « Si quis duabus personis, sive substantiis » idest hypostasibus « eas, quae in Evangelicis, et Apostolicis conscriptionibus sunt, dividit voces, vel ea quae de Christo a Sanctis dicuntur, vel ab ipso Christo de semetipso; et aliquas quidem ex his homini applicandas crediderit, aliquas vero soli Verbo deputaverit, anathema sit ». Et hujus ratio est, quia cum sit eadem hypostasis utriusque naturae, eadem hypostasis supponitur nomine utriusque naturae. Sive ergo dicatur « homo » sive « Deus » supponitur hypostasis divinae, et humanae naturae. Et ideo de homine possunt dici ea quae sunt divinae naturae, tamquam de hypostasi divinae naturae3, et de Deo possunt dici ea quae sunt humanae naturae, tamquam de hypostasi humanae naturae4.
De Katholieken echter houden, dat wat van Christus wordt gezegd, hetzij naar de goddelijke, hetzij naar de menschelijke natuur, zoowel van God als van den mensch kan worden gezegd. Daarom zegt Cyrillus: « Als iemand de in de Evangeliën of Apostolische geschriften gebruikte termen over Christus tusschen twee personen of substanties, (dwz. hypostasen) wil verdeelen, of zij nu door de gewijde schrijvers van Christus of door Christus over Zichzelf worden gezegd, en meent, dat sommigen ervan op den mensch, en anderen alleen op het Woord moeten worden toegepast, die zij gebannen ». De reden hiervan is, dat daar er van beide naturen maar een en dezelfde hypostase is, dezelfde hypostase wordt bedoeld als men van een van beide naturen spreekt. Zegt men dus God of mensch, dan bedoelt men de hypostase van de goddelijke en de menschelijke natuur. En daarom kan men van den mensch zeggen, wat aan de goddelijke natuur eigen is en van God, wat aan de menschelijke natuur toekomt.De Katholieken echter houden, dat wat van Christus wordt gezegd, hetzij naar de goddelijke, hetzij naar de menselijke natuur, zowel van God als van de mens kan worden gezegd. Daarom zegt Cyrillus: “Als iemand de in de Evangeliën of Apostolische geschriften gebruikte termen over Christus tussen twee personen of substanties, (dwz. hypostasen) wil verdelen, of zij nu door de gewijde schrijvers van Christus of door Christus over Zichzelf worden gezegd, en meent, dat sommigen ervan op de mens, en anderen alleen op het Woord moeten worden toegepast, die zij gebannen”. De reden hiervan is, dat daar er van beide naturen maar een en dezelfde hypostase is, dezelfde hypostase wordt bedoeld als men van een van beide naturen spreekt. Zegt men dus God of mens, dan bedoelt men de hypostase van de goddelijke en de menselijke natuur. En daarom kan men van de mens zeggen, wat aan de goddelijke natuur eigen is en van God, wat aan de menselijke natuur toekomt.
483Sciendum tamen, quod in propositione, in qua aliquid de aliquo praedicatur, non solum attenditur, quod sit illud, de quo praedicatur praedicatum, sed etiam secundum quid de illo praedicetur. Quamvis ergo non distinguantur ea, quae praedicantur de Christo; distinguuntur tamen secundum id, secundum quod utrumque praedicatur. Nam ea quae sunt divinae naturae, praedicantur de Christo secundum divinam naturam: ea autem quae sunt humanae naturae, praedicantur de eo secundum humanam naturam. Unde Augustinus dicit in 1. de Trin. [cap. 11.] « Distinguamus, quid in Scripturis sonet secundum formam Dei, et quid secundum formam servi » et infra: [cap. 13.] « quid propter quid, et quid secundum quid dicatur, prudens et diligens, et pius lector intelliget ».
483Men moet echter weten, dat in een bewering, waarin iets van iets anders wordt gezegd, niet alleen gelet wordt op datgene, waarvan het gezegd wordt, maar ook op datgene, waarom het ervan gezegd wordt. Al maken wij dus geen onderscheid in datgene wat van Christus wordt gezegd, toch zijn zij onderscheiden om de reden, waarom beide groepen uitdrukkingen van Hem gebruikt worden. Want wat aan de goddelijke natuur eigen is, wordt van Christus om de goddelijke natuur gezegd, maar wat aan de menschelijke natuur toekomt, wordt om de menschelijke natuur aan Hem toegekend. Daarom zegt Augustinus in het 1e boek Over de Drievuldigheid (11e H.): « Wij moeten onderscheid maken tusschen wat wij in de H. Schrift om de gestalte van God en wat wij om de gestalte van den slaaf lezen », en verderop (13e H.): « Wat om de eene en wat om de andere reden wordt gezegd, zal de voorzichtige en ijverige en vrome lezer zelf begrijpen ».483Men moet echter weten, dat in een bewering, waarin iets van iets anders wordt gezegd, niet alleen gelet wordt op datgene, waarvan het gezegd wordt, maar ook op datgene, waarom het ervan gezegd wordt. Al maken wij dus geen onderscheid in datgene wat van Christus wordt gezegd, toch zijn zij onderscheiden om de reden, waarom beide groepen uitdrukkingen van Hem gebruikt worden. Want wat aan de goddelijke natuur eigen is, wordt van Christus om de goddelijke natuur gezegd, maar wat aan de menselijke natuur toekomt, wordt om de menselijke natuur aan Hem toegekend. Daarom zegt Augustinus in het 1e boek Over de Drievuldigheid (11e H.): “Wij moeten onderscheid maken tussen wat wij in de H. Schrift om de gestalte van God en wat wij om de gestalte van de slaaf lezen”, en verderop (13e H.): “Wat om de ene en wat om de andere reden wordt gezegd, zal de voorzichtige en ijverige en vrome lezer zelf begrijpen”.
Ad primum ergo dicendum, quod opposita praedicari de eodem secundum idem est impossibile: sed secundum diversa nihil prohibet. Et hoc modo opposita praedicantur de Christo: non secundum idem, sed secundum diversas naturas.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Tegengestelde dingen kunnen niet om dezelfde reden van een en hetzelfde ding worden gezegd, maar er is niets tegen, dat het om verschillende redenen gebeurt. En zoo worden tegengestelde dingen van Christus gezegd, niet om dezelfde reden, maar om de verschillende naturen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Tegengestelde dingen kunnen niet om dezelfde reden van een en hetzelfde ding worden gezegd, maar er is niets tegen, dat het om verschillende redenen gebeurt. En zo worden tegengestelde dingen van Christus gezegd, niet om dezelfde reden, maar om de verschillende naturen.
484Ad secundum dicendum, quod si ea quae ad defectum pertinent, Deo attribueretur secundum divinam naturam, esset blasphemia, quasi pertinens ad diminutionem honoris ipsius: non autem pertinet ad Dei injuriam, si attribuantur ei secundum naturam assumptam. Unde in quodam sermone Ephesini Concilii [qui est 2. de Nativ. in eo Conc. quod est gener. 3. part. 3. cap. 10.] dicitur: « Nihil putat Deus injuriam, quod est occasio salutis hominibus: Nihil enim abjectorum, quae elegit propter nos, injuriam facit illi naturae, quae non potest esse subjecta injuriis: propria vero facit inferiora, ut salvet naturam nostram. Quando ergo quae abjecta, et vilia sunt, divinam naturam non injuriantur, sed salutem hominibus operantur, quomodo dicis, ea quae causa nostrae salutis sunt, injuriae occasionem Deo fuisse? »
4842. Het zou godslasterlijk zijn aan God om de goddelijke natuur dingen die een gebrek insluiten toe te kennen, omdat dit aan Zijn eer zou te kort doen; maar het is geen beleediging van God, als deze dingen van Hem worden gezegd om de natuur, die Hij aannam. Daarom vinden wij in een redevoering op het Concilie van Ephese: « God acht datgene, wat aanleiding is tot het heil der menschen, geen beleediging; want niets van al dat vernederende, dat Hij om ons uitkoos, beleedigt de natuur, die niet onder beleedigingen kan lijden; maar al dat lagere maakt Hij Zich eigen om onze natuur te redden. Als dus het lage en vernederende Gods natuur niet beleedigt, maar het heil der menschen bewerkt, hoe beweert gij dan, dat wat oorzaak is van ons heil, voor God een reden tot beleediging is? »4842. Het zou godslasterlijk zijn aan God om de goddelijke natuur dingen die een gebrek insluiten toe te kennen, omdat dit aan Zijn eer zou te kort doen; maar het is geen belediging van God, als deze dingen van Hem worden gezegd om de natuur, die Hij aannam. Daarom vinden wij in een redevoering op het Concilie van Efeze: “God acht datgene, wat aanleiding is tot het heil van de mensen, geen belediging; want niets van al dat vernederende, dat Hij om ons uitkoos, beledigt de natuur, die niet onder beledigingen kan lijden; maar al dat lagere maakt Hij Zich eigen om onze natuur te redden. Als dus het lage en vernederende Gods natuur niet beledigt, maar het heil van de mensen bewerkt, hoe beweert gij dan, dat wat oorzaak is van ons heil, voor God een reden tot belediging is?”
Ad tertium dicendum, quod assumi convenit humanae naturae, non ratione suppositi, sed ratione sui ipsius. Et ideo non convenit Deo.
3. Aangenomen te worden komt aan de menschelijke natuur niet krachtens haar drager toe, maar om haar zelf. En daarom komt het aan God niet toe.3. Aangenomen te worden komt aan de menselijke natuur niet krachtens haar drager toe, maar om haarzelf. En daarom komt het aan God niet toe.
Utrum ea quae conveniunt Filio Hominis, possint praedicari de Divina natura, et de humana ea quae conveniunt Filio Dei1
Kan wat aan de menschelijke natuur eigen is, van de goddelijke natuur worden gezegd?Kan wat aan de menselijke natuur eigen is, van de goddelijke natuur worden gezegd?
485Ad quintum sic proceditur. Videtur, quod ea quae sunt humanae naturae, possint dici de natura divina. Ea enim quae sunt humanae naturae, praedicantur de Filio Dei, et de Deo. Sed Deus est sua natura. Ergo ea quae sunt naturae humanae, possunt praedicari de divina natura.
485Bedenkingen. — Men beweert, dat wat aan de menschelijke natuur eigen is, van de goddelijke natuur kan worden gezegd. — 1. Want wat aan de menschelijke natuur toekomt, wordt van Gods Zoon en van God gezegd. Nu is God Zijn natuur. Dus kan wat aan de menschelijke natuur eigen is, van de goddelijke worden gezegd.485Bedenkingen. — Men beweert, dat wat aan de menselijke natuur eigen is, van de goddelijke natuur kan worden gezegd. — 1. Want wat aan de menselijke natuur toekomt, wordt van Gods Zoon en van God gezegd. Nu is God Zijn natuur. Dus kan wat aan de menselijke natuur eigen is, van de goddelijke worden gezegd.
2. Praeterea, caro pertinet ad naturam humanam. Sed, sicut dicit Damasc. in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 6.], « dicimus, naturam Verbi incarnatam esse, secundum beatos Athanasium, et Cyrillum ». Ergo videtur, quod pari ratione ea quae sunt humanae naturae, possint dici de divina natura.
2. Het vleesch behoort tot de menschelijke natuur. Nu zegt Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 6e H.): « Wij zeggen, dat de natuur van het Woord volgens de zalige Athanasius en Cyrillus is vleesch geworden ». Evengoed schijnt men dus wat aan de menschelijke natuur toekomt, van de goddelijke te kunnen zeggen.2. Het vlees behoort tot de menselijke natuur. Nu zegt Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 6e H.): “Wij zeggen, dat de natuur van het Woord volgens de zalige Athanasius en Cyrillus is vlees geworden”. Evengoed schijnt men dus wat aan de menselijke natuur toekomt, van de goddelijke te kunnen zeggen.
3. Praeterea, ea quae sunt divinae naturae, conveniunt humanae 486naturae in Christo: sicut cognoscere futura, et habere salutiferam virtutem. Ergo videtur, quod pari ratione ea quae sunt humanae naturae, possint dici de divina natura.
3. Wat aan de goddelijke natuur toekomt, komt in Christus 486aan de menschelijke toe, zooals het kennen van de toekomst en het hebben van de macht om zalig te maken. Dus schijnt dat wat aan de menschelijke natuur eigen is om dezelfde reden van de goddelijke te kunnen worden gezegd.3. Wat aan de goddelijke natuur toekomt, komt in Christus 486aan de menselijke toe, zoals het kennen van de toekomst en het hebben van de macht om zalig te maken. Dus schijnt dat wat aan de menselijke natuur eigen is om dezelfde reden van de goddelijke te kunnen worden gezegd.
Sed contra est, quod Damascenus dicit in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 4.] « Deitatem quidem dicentes non nominamus de ea, quae humanitatis idiomata sunt » idest proprietates: « non enim dicimus deitatem passibilem, vel creabilem ». Deitas autem est divina natura. Ergo ea quae sunt humanae naturae propria, non possunt dici de divina natura.
Maar daartegenover staat, dat Damascenus zegt in het 3e boek (t. a. pl., 4e H.): « Als wij van de godheid spreken, zeggen wij van haar de idiomata of eigenschappen, die aan de menschheid toekomen niet, want wij zeggen niet, dat de godheid kan lijden of geschapen worden ». Nu is de godheid de goddelijke natuur. Wat dus aan de menschelijke natuur eigen is, kan niet van de goddelijke worden gezegd.Maar daartegenover staat, dat Damascenus zegt in het 3e boek (t.a.p., 4e H.): “Als wij van de godheid spreken, zeggen wij van haar de idiomata of eigenschappen, die aan de mensheid toekomen niet, want wij zeggen niet, dat de godheid kan lijden of geschapen worden”. Nu is de godheid de goddelijke natuur. Wat dus aan de menselijke natuur eigen is, kan niet van de goddelijke worden gezegd.
Respondeo dicendum, quod ea quae sunt propria unius, non possunt vere de alio praedicari, nisi de eo quod est idem illi: sicut « risibile » non convenit nisi ei quod est homo. In mysterio autem Incarnationis non est eadem natura divina, et humana: sed eadem est hypostasis utriusque naturae. Et ideo ea quae sunt unius naturae, non possunt de alia praedicari, secundum quod in abstracto significatur. Nomina vero concreta supponunt hypostasim naturae. Et ideo indifferenter praedicari possunt ea, quae ad 487utramque naturam pertinent, de nominibus concretis: sive illud nomen, de quo dicuntur, det intelligere utramque naturam; sicut hoc nomen « Christus » in quo intelligitur « et divinitas ungens, et humanitas uncta »; sive solum divinam naturam; sicut hoc nomen « Deus » vel « Filius Dei », sive solum naturam humanam; sicut hoc nomen « homo » vel « Jesus ». Unde Leo Papa dicit in Epist. [124] ad Palaestinos: « Non interest, ex qua Christus substantia nominetur: cum inseparabiliter manente unitate personae, idem sit et totus hominis filius propter carnem, et totus Dei filius propter unam cum Patre Deitatem ».
Leerstelling. — Wat aan een ding eigen is, kan in waarheid van niets anders gezegd worden, als van wat hetzelfde als dat eene ding is, zooals kunnen lachen alleen maar aan diegenen toekomt, die menschen zijn. Nu zijn bij het geheim der menschwording de goddelijke en de menschelijke natuur niet dezelfde, maar wel is de hypostase van beide naturen dezelfde. Daarom ook kan wat aan een natuur toekomt, niet van de andere worden gezegd, in zoover zij in het abstracte wordt aangegeven. Maar 487concrete termen slaan op de hypostase der natuur. En daarom kan men zonder onderscheid wat aan beide naturen toekomt van concrete termen zeggen, of nu de term, waarvan zij gezegd wordt beide naturen aanduidt, zooals de term Christus, waarmee « en de godheid, die zalft en de menschheid, die gezalfd wordt », aangeduid worden, ofwel alleen de goddelijke natuur, zooals de naam God of Gods Zoon, ofwel alleen de menschelijke natuur, zooals de naam Jesus of mensch. Daarom zegt Paus Leo in den Brief aan de Palestijnen (124e Br., 7e H.): « Het komt er niet op aan, krachtens welke substantie men Christus een naam geeft, omdat waar de persoon onscheidbaar een blijft, hij, die om het vleesch geheel en al menschenzoon, en hij, die om dezelfde godheid als die van den Vader geheel en al Zoon Gods is, dezelfde zijn ».Leerstelling. — Wat aan een ding eigen is, kan in waarheid van niets anders gezegd worden, als van wat hetzelfde als dat een ding is, zoals kunnen lachen alleen maar aan diegenen toekomt, die mensen zijn. Nu zijn bij het geheim van de menswording de goddelijke en de menselijke natuur niet dezelfde, maar wel is de hypostase van beide naturen dezelfde. Daarom ook kan wat aan een natuur toekomt, niet van de andere worden gezegd, in zover zij in het abstracte wordt aangegeven. Maar 487concrete termen slaan op de hypostase van de natuur. En daarom kan men zonder onderscheid wat aan beide naturen toekomt van concrete termen zeggen, of nu de term, waarvan zij gezegd wordt beide naturen aanduidt, zoals de term Christus, waarmee “en de godheid, die zalft en de mensheid, die gezalfd wordt”, aangeduid worden, ofwel alleen de goddelijke natuur, zoals de naam God of Gods Zoon, ofwel alleen de menselijke natuur, zoals de naam Jesus of mens. Daarom zegt Paus Leo in de Brief aan de Palestijnen (124e Br., 7e H.): “Het komt er niet op aan, krachtens welke substantie men Christus een naam geeft, omdat waar de persoon onscheidbaar een blijft, hij, die om het vlees geheel en al mensenzoon, en hij, die om dezelfde godheid als die van de Vader geheel en al Zoon Gods is, dezelfde zijn”.
Ad primum ergo dicendum, quod in divinis realiter est idem persona cum natura: et ratione hujus identitatis divina natura praedicatur de Filio Dei. Non tamen est idem modus significandi. Et ideo quaedam dicuntur de Filio Dei, quae non dicuntur de divina natura: sicut dicimus, quod Filius Dei est genitus; non tamen dicimus, quod natura divina sit genita, ut in 1. habitum est [q. 39. art. 5.]. Et similiter in mysterio Incarnationis 488dicimus quod Filius Dei passus est; non autem dicimus, quod divina natura sit passa.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Waar het God betreft, zijn persoon en natuur werkelijk hetzelfde en daarom kent men aan Gods Zoon de goddelijke natuur toe. Maar beide begrippen geven niet precies hetzelfde aan. En daarom zegt men sommige dingen van Gods Zoon, die men niet van de goddelijke natuur zegt, zooals wij zeggen, dat Gods Zoon is voortgebracht, terwijl wij dat niet van de goddelijke natuur zeggen, zooals in het eerste deel (39e Kw., 5e Art.) behandeld is. En evenzoo 488zeggen wij bij het geheim der menschwording, dat Gods Zoon geleden heeft, terwijl wij niet zeggen, dat de goddelijke natuur geleden heeft.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Waar het God betreft, zijn persoon en natuur werkelijk hetzelfde en daarom kent men aan Gods Zoon de goddelijke natuur toe. Maar beide begrippen geven niet precies hetzelfde aan. En daarom zegt men sommige dingen van Gods Zoon, die men niet van de goddelijke natuur zegt, zoals wij zeggen, dat Gods Zoon is voortgebracht, terwijl wij dat niet van de goddelijke natuur zeggen, zoals in het eerste deel (39e Kw., 5e Art.) behandeld is. En evenzo 488zeggen wij bij het geheim van de menswording, dat Gods Zoon geleden heeft, terwijl wij niet zeggen, dat de goddelijke natuur geleden heeft.
Ad secundum dicendum, quod Incarnatio magis importat unionem ad carnem, quam carnis proprietatem. Utraque autem natura in Christo est unita alteri in persona: ratione cujus unionis et divina natura dicitur « incarnata » et humana natura « deificata » ut supra dictum est [q. 2. art. 1. ad 3.].
2. De menschwording drukt eerder een vereeniging met het vleesch dan een eigenschap van het vleesch uit. Nu zijn in Christus beide naturen met de andere in den persoon vereenigd, en om die vereeniging noemen wij de goddelijke natuur menschgeworden en de menschelijke natuur vergoddelijkt, zooals boven is gezegd (2e Kw., 1e Art., Antw. op de 3e B.).2. De menswording drukt eerder een vereniging met het vlees dan een eigenschap van het vlees uit. Nu zijn in Christus beide naturen met de andere in de persoon verenigd, en om die vereniging noemen wij de goddelijke natuur mensgeworden en de menselijke natuur vergoddelijkt, zoals boven is gezegd (2e Kw., 1e Art., Antw. op de 3e B.).
Ad tertium dicendum, quod ea quae sunt divinae naturae, dicuntur de humana natura, non secundum quod essentialiter competunt divinae naturae, sed secundum quod participative derivantur ad humanam naturam. Unde ea quae participari non possunt a natura humana sicut esse increatum, aut omnipotentem nullo modo de humana natura dicuntur: divina autem natura nihil participative recipit ab humana natura. Et ideo ea, quae sunt humanae naturae, nullo modo possunt dici de divina natura.
3. Wat aan de goddelijke natuur eigen is, wordt van de menschelijke natuur gezegd, niet op de manier, waarop het aan de goddelijke natuur wezenlijk toekomt, maar zooals het door deelhebbing op de menschelijke natuur wordt overgebracht. Datgene, waaraan de menschelijke natuur dus geen deel kan hebben, zooals ongeschapen en almachtig zijn, wordt heelemaal niet van de menschelijke natuur gezegd. De goddelijke natuur echter ontvangt niets van de menschelijke natuur door eraan deel te hebben, en daarom kan wat aan de menschelijke natuur eigen is, in het geheel niet van de goddelijke worden gezegd.3. Wat aan de goddelijke natuur eigen is, wordt van de menselijke natuur gezegd, niet op de manier, waarop het aan de goddelijke natuur wezenlijk toekomt, maar zoals het door deelhebbing op de menselijke natuur wordt overgebracht. Datgene, waaraan de menselijke natuur dus geen deel kan hebben, zoals ongeschapen en almachtig zijn, wordt helemaal niet van de menselijke natuur gezegd. De goddelijke natuur echter ontvangt niets van de menselijke natuur door eraan deel te hebben, en daarom kan wat aan de menselijke natuur eigen is, in het geheel niet van de goddelijke worden gezegd.
Utrum haec sit vera: Deus factus est homo
Is deze stelling waar: God is mensch geworden?Is deze stelling waar: God is mens geworden?
489Ad sextum sic proceditur. Videtur, quod haec sit falsa: « Deus factus est homo ». Cum enim homo significat substantiam, fieri hominem est fieri simpliciter. Sed haec est falsa: « Deus factus est simpliciter ». Ergo haec est falsa: « Deus factus est homo ».
489Bedenkingen. — Men beweert, dat de stelling: God is mensch geworden, onwaar is. — 1. Want omdat mensch een zelfstandigheid aangeeft, beteekent mensch worden, worden zonder beperking. Nu is de stelling: God is geworden zonder beperking, onwaar. Dus is de stelling: God is mensch geworden, onwaar.489Bedenkingen. — Men beweert, dat de stelling: God is mens geworden, onwaar is. — 1. Want omdat mens een zelfstandigheid aangeeft, betekent mens worden, worden zonder beperking. Nu is de stelling: God is geworden zonder beperking, onwaar. Dus is de stelling: God is mens geworden, onwaar.
2. Praeterea, fieri hominem est mutari. Sed Deus non potest esse subjectum mutationis: secundum illud Malach. 3. [v. 6]: « Ego Dominus, et non mutor ». Ergo videtur quod haec sit falsa: « Deus factus est homo ».
2. Mensch worden is veranderd worden. Nu kan God geen onderwerp van verandering zijn volgens het woord van Malachias (3, 6): « Ik ben God en Ik verander niet ». Dus is de stelling: God is mensch geworden, onwaar.2. Mens worden is veranderd worden. Nu kan God geen onderwerp van verandering zijn volgens het woord van Maleachi (3, 6): “Ik ben God en Ik verander niet”. Dus is de stelling: God is mens geworden, onwaar.
3. Praeterea, « homo » secundum quod de Christo dicitur, supponit personam Filii Dei. Sed haec est falsa: « Deus factus est persona Filii Dei ». Ergo haec est falsa: « Deus factus est homo ».
3. Als « mensch » van Christus wordt gezegd, slaat het op den persoon van Gods Zoon. Nu is deze stelling: God is de persoon van Gods Zoon geworden, onwaar. Dus is de stelling: God is mensch geworden, onwaar.3. Als “mens” van Christus wordt gezegd, slaat het op de persoon van Gods Zoon. Nu is deze stelling: God is de persoon van Gods Zoon geworden, onwaar. Dus is de stelling: God is mens geworden, onwaar.
Sed contra est, quod dicitur Joan. 1. [v. 14]: « Verbum caro 490factum est ». Et, sicut Athanasius dicit in Epist. ad Epictatum [et haec est cont. haereticos], quod dixit: « Verbum caro factum est » simile est ac si diceretur, quod « Deus homo factus est ».
Maar daartegenover staat, dat bij Johannes (1, 14) wordt 490gezegd: « Het Woord is vleesch geworden ». En zooals Athanasius in den Brief aan Epictetus (n. 8) zegt, « is wat hij zegt: het Woord is vleesch geworden, hetzelfde als wanneer hij zou zeggen: mensch geworden ».Maar daartegenover staat, dat bij Johannes (1, 14) wordt 490gezegd: “Het Woord is vlees geworden”. En zoals Athanasius in de Brief aan Epictetus (n. 8) zegt, “is wat hij zegt: het Woord is vlees geworden, hetzelfde als wanneer hij zou zeggen: mens geworden”.
Respondeo dicendum, quod unumquodque dicitur esse factum illud, quod de novo incipit praedicari de ipso: esse autem hominem vere praedicatur de Deo, sicut dictum est [art. 1. huj. q.], ita tamen quod non convenit Deo esse hominem ab aeterno, sed ex tempore per assumptionem humanae naturae. Et ideo haec est vera: « Deus factus est homo ». Diversimode tamen intelligitur a diversis; sicut et haec: « Deus est homo » ut supra dictum est [art. 1. huj. q.].
Leerstelling. — Men zegt, dat iets datgene geworden is, wat men als iets nieuws ervan begint te zeggen. Nu zegt men zooals wij vermeldden (1e Art.) in waarheid van God, dat Hij mensch is, maar niet zoo, dat het van eeuwigheid aan God toekwam mensch te zijn, maar in den tijd door het aannemen van de menschelijke natuur. En dus is deze stelling: God is mensch geworden, waar. Maar door verschillenden wordt zij verschillend opgevat, gelijk die andere: God is mensch, zooals boven is gezegd (t. a. pl.).Leerstelling. — Men zegt, dat iets datgene geworden is, wat men als iets nieuws ervan begint te zeggen. Nu zegt men zoals wij vermeldden (1e Art.) in waarheid van God, dat Hij mens is, maar niet zo, dat het van eeuwigheid aan God toekwam mens te zijn, maar in de tijd door het aannemen van de menselijke natuur. En dus is deze stelling: God is mens geworden, waar. Maar door verschillenden wordt zij verschillend opgevat, gelijk die andere: God is mens, zoals boven is gezegd (t.a.p.).
Ad primum ergo dicendum, quod fieri hominem est fieri simpliciter in omnibus his, in quibus humana natura incipit esse in supposito de novo creato. Deus autem dicitur factus homo, eo quod humana natura incepit esse in supposito divinae naturae ab aeterno praeexistente. Et ideo Deum fieri hominem, non est Deum fieri simpliciter.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Mensch worden is worden zonder beperking bij allen, waarin de menschelijke natuur als iets nieuws begint te bestaan in een drager, die als iets nieuws wordt geschapen. Nu zegt men hierom, dat God mensch geworden is, dat de menschelijke natuur begon te bestaan in den drager van de goddelijke natuur, die te voren van eeuwigheid af bestond. Daarom is het menschworden van God niet hetzelfde als dat God wordt zonder beperking.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Mens worden is worden zonder beperking bij allen, waarin de menselijke natuur als iets nieuws begint te bestaan in een drager, die als iets nieuws wordt geschapen. Nu zegt men hierom, dat God mens geworden is, dat de menselijke natuur begon te bestaan in de drager van de goddelijke natuur, die te voren van eeuwigheid af bestond. Daarom is het mensworden van God niet hetzelfde als dat God wordt zonder beperking.
491Ad secundum dicendum, quod, sicut dictum est [in corp. art.] « fieri » importat, quod aliquid praedicetur de novo de altero. Unde quandocumque aliquid de novo praedicatur de altero cum mutatione ejus, de quo dicitur, tunc fieri est mutari. Et hoc contingit1 in omnibus quae absolute dicuntur: non enim potest albedo, aut nigredo de novo advenire alicui, nisi per hoc quod de novo mutatur ad albedinem, vel nigredinem. Ea vero quae relative dicuntur, possunt de novo praedicari de aliquo absque ejus mutatione: sicut homo de novo fit dexter absque sui mutatione per motum illius, qui fit ei sinister. Unde in talibus non oportet, omne quod dicitur fieri, esse mutatum: quia hoc potest accidere per mutationem alterius. Et per hunc modum ad Deum dicimus: « Domine refugium factus es nobis » Ps. 89. [v. 1]. Esse autem hominem praedicatur de novo de Deo absque ejus mutatione per mutationem humanae naturae, quae assumitur in divinam personam. Et ideo cum dicitur: « Deus factus est homo » non intelligitur aliqua mutatio ex parte Dei, sed solum ex parte humanae naturae.
4912. Worden brengt zooals wij zeiden (in de Leerstelling) mee, dat iets als iets nieuws van iets anders wordt gezegd. Altijd dus, als iets als iets nieuws van iets anders wordt gezegd tegelijk met een verandering in datgene, waarvan het gezegd wordt, beteekent worden veranderen. En dat komt aan alles toe, wat absoluut wordt gezegd; want witheid of grootheid kunnen in niets als iets nieuws komen, zonder dat dit opnieuw veranderd wordt tot witheid of grootheid. Maar wat als een verhouding wordt gezegd, kan als iets nieuws aan iets anders worden toegekend zonder dat het verandert, zooals iemand zonder te veranderen rechts komt te staan, door een beweging van wie links van hem komt. Bij zulke dingen behoeft dus niet ieder worden een veranderen te zijn, omdat het kan geschieden door de verandering van iets anders. En zoo zeggen wij tot God: « Heer, gij zijt onze toevlucht geworden » (Ps. 89, 1). — Nu komt het door de vereeniging, die een verhouding is, aan God toe mensch te zijn. Dus zegt men als iets nieuws van God, dat Hij mensch is, zonder dat Hij verandert, door de verandering nl. van de menschelijke natuur, die Hij in Zijn persoon aanneemt. Zeggen wij nu dat God mensch geworden is, dan bedoelen wij geen verandering in God, maar alleen van den kant der menschelijke natuur.4912. Worden brengt zoals wij zeiden (in de Leerstelling) mee, dat iets als iets nieuws van iets anders wordt gezegd. Altijd dus, als iets als iets nieuws van iets anders wordt gezegd tegelijk met een verandering in datgene, waarvan het gezegd wordt, betekent worden veranderen. En dat komt aan alles toe, wat absoluut wordt gezegd; want witheid of grootheid kunnen in niets als iets nieuws komen, zonder dat dit opnieuw veranderd wordt tot witheid of grootheid. Maar wat als een verhouding wordt gezegd, kan als iets nieuws aan iets anders worden toegekend zonder dat het verandert, zoals iemand zonder te veranderen rechts komt te staan, door een beweging van wie links van hem komt. Bij zulke dingen behoeft dus niet ieder worden een veranderen te zijn, omdat het kan geschieden door de verandering van iets anders. En zo zeggen wij tot God: “Heer, gij zijt onze toevlucht geworden” (Ps. 89, 1)a. — Nu komt het door de vereniging, die een verhouding is, aan God toe mens te zijn. Dus zegt men als iets nieuws van God, dat Hij mens is, zonder dat Hij verandert, door de verandering nl. van de menselijke natuur, die Hij in Zijn persoon aanneemt. Zeggen wij nu dat God mens geworden is, dan bedoelen wij geen verandering in God, maar alleen van de kant van de menselijke natuur.
Ad tertium dicendum, quod « homo » supponit personam Filii Dei non nudam, sed prout subsistit in humana natura. Et ideo quamvis haec sit falsa: « Deus factus est persona Filii Dei » est tamen haec vera: « Deus factus est homo » ex eo, quod est unitus humanae naturae.
4923. « Mensch » slaat op den persoon van Gods Zoon, niet onbepaald, maar in zoover Deze zelfstandig in de menschelijke natuur bestaat. En al is de stelling: God werd de persoon van den Zoon, onwaar, toch is deze: God is mensch geworden, waar, omdat Hij vereenigd is met de menschelijke natuur.4923. “Mens” slaat op de persoon van Gods Zoon, niet onbepaald, maar in zover Deze zelfstandig in de menselijke natuur bestaat. En al is de stelling: God werd de persoon van de Zoon, onwaar, toch is deze: God is mens geworden, waar, omdat Hij verenigd is met de menselijke natuur.
Utrum haec sit vera: homo factus est Deus
Is deze stelling: een mensch is God geworden, waar?Is deze stelling: een mens is God geworden, waar?
492Ad septimum sic proceditur. Videtur, quod haec sit vera: « Homo factus est Deus » dicitur enim Rom. 1. [v. 2, 3]: « Quod ante promiserat per Prophetas suos in Scripturis sanctis de Filio suo, qui factus est ei ex semine David secundum carnem ». Sed Christus, secundum quod homo, est ex semine David secundum carnem. Ergo homo factus est Filius Dei.
492Bedenkingen. — Men beweert, dat de stelling: een mensch is God geworden, waar is. — 1. Want in den Romeinenbrief (1, 2 en 3) wordt gezegd: « wat Hij tevoren door de Profeten in de Heilige Schriften beloofd had over Zijn Zoon, die Hem naar het vleesch uit Davids zaad is geworden ». Nu is Christus als mensch uit Davids zaad naar het vleesch geworden. Dus is een mensch Gods Zoon geworden.492Bedenkingen. — Men beweert, dat de stelling: een mens is God geworden, waar is. — 1. Want in de Romeinenbrief (1, 2 en 3) wordt gezegd: “wat Hij tevoren door de Profeten in de Heilige Schriften beloofd had over Zijn Zoon, die Hem naar het vlees uit Davids zaad is geworden”. Nu is Christus als mens uit Davids zaad naar het vlees geworden. Dus is een mens Gods Zoon geworden.
2. Praeterea, Augustinus dicit in 1. de Trin. [cap. 13.]: « Talis erat illa susceptio, qua Deum hominem faceret, et hominem Deum ». Sed 493ratione illius susceptionis haec est vera: « Deus factus est homo ». Ergo similiter haec est vera: « Homo factus est Deus ».
2. Augustinus zegt in het 1e boek Over de Drievuldigheid (13e H.): « Dit aannemen geschiedde op die manier, dat het God tot 493een mensch en een mensch tot God maakte ». En nu is juist om dit aannemen de stelling: God is mensch geworden, waar. Dus is de andere stelling: een mensch is God geworden, even waar.2. Augustinus zegt in het 1e boek Over de Drievuldigheid (13e H.): “Dit aannemen geschiedde op die manier, dat het God tot 493een mens en een mens tot God maakte”. En nu is juist om dit aannemen de stelling: God is mens geworden, waar. Dus is de andere stelling: een mens is God geworden, even waar.
3. Praeterea, Gregorius Nazianzenus dicit in Epist. 1. (101) ad Cledonium: « Deus quidem humanatus est, homo autem deificatus, vel quomodolibet aliter nominaverit ». Sed Deus ea ratione dicitur humanatus, qua1 est homo factus; ergo homo ea ratione dicitur deificatus, qua2 est factus Deus; et ita haec est vera: « Homo factus est Deus ».
3. Gregorius van Nazianze zegt in den Brief aan Celidonius (101e Br.): « God is vermenschelijkt, en de mensch vergoddelijkt of hoe men dat anders noemen wil ». Nu noemt men God hierom vermenschelijkt, dat Hij mensch geworden is. Dus noemt men den mensch met hetzelfde recht vergoddelijkt, omdat hij God geworden is. En daarom is de stelling: een mensch is God geworden, waar.3. Gregorius van Nazianze zegt in de Brief aan Celidonius (101e Br.): “God is vermenselijkt, en de mens vergoddelijkt of hoe men dat anders noemen wil”. Nu noemt men God hierom vermenselijkt, dat Hij mens geworden is. Dus noemt men de mens met hetzelfde recht vergoddelijkt, omdat hij God geworden is. En daarom is de stelling: een mens is God geworden, waar.
4. Praeterea, cum dicitur: « Deus factus est homo » subjectum factionis, vel mutationis3 non est Deus, sed humana natura, quam significat hoc nomen « homo ». Sed illud videtur esse subjectum factionis, cui factio attribuitur. Ergo haec magis est vera: « Homo factus est Deus » quam ista: « Deus factus est homo ».
4. Als wij zeggen, dat God mensch geworden is, dan is niet God, maar de menschelijke natuur, die door de term mensch aangegeven wordt, onderwerp van dit maken of vereenigen. Nu schijnt echter datgene, waaraan het maken toegeschreven wordt, onderwerp van het maken te zijn. Dus is de stelling een mensch is God geworden, meer waar dan de andere: God is mensch geworden.4. Als wij zeggen, dat God mens geworden is, dan is niet God, maar de menselijke natuur, die door de term mens aangegeven wordt, onderwerp van dit maken of verenigen. Nu schijnt echter datgene, waaraan het maken toegeschreven wordt, onderwerp van het maken te zijn. Dus is de stelling een mens is God geworden, meer waar dan de andere: God is mens geworden.
Sed contra est, quod Damascenus dicit in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 2.]: « Non hominem deificatum dicimus, sed Deum humanatum ». Idem autem 494est fieri Deum, quod deificari. Ergo haec est falsa: « Homo factus est Deus ».
Maar daartegenover staat, dat Damascenus in het 3e boek zegt (Over het Ware Geloof, 2e H.): « Wij noemen den mensch niet vergoddelijkt, maar wel God vermenschelijkt ». Nu is God worden 494hetzelfde als vergoddelijkt worden. Dus is de stelling een mensch is God geworden, onwaar.Maar daartegenover staat, dat Damascenus in het 3e boek zegt (Over het Ware Geloof, 2e H.): “Wij noemen de mens niet vergoddelijkt, maar wel God vermenselijkt”. Nu is God worden 494hetzelfde als vergoddelijkt worden. Dus is de stelling een mens is God geworden, onwaar.
Respondeo dicendum, quod ista propositio: « Homo factus est Deus » tripliciter potest intelligi. Uno modo ita, quod hoc participium, « factus » determinet absolute vel subjectum, vel praedicatum; et in hoc sensu est falsa: quia neque homo ille, de quo Deus praedicatur, est factus, neque Deus est factus, ut infra dicetur [art. 8. et 9. seq.]. Et sub eodem sensu haec est falsa: « Deus factus est homo ». Sed sub hoc sensu non quaeritur hic de istis propositionibus.
Leerstelling. — De stelling: een mensch is God geworden, kan op drie manieren worden opgevat. Ten eerste zoo, dat het deelwoord geworden het onderwerp of het gezegde een absolute bepaling geeft. En in dien zin is de stelling onwaar. Want noch de mensch, waarvan het gezegd wordt, noch God is geworden, zooals later zal worden gezegd (8e en 9e Art.). En in dezelfde beteekenis genomen is de stelling: God is mensch geworden, ook onwaar. Maar wij bespreken de stellingen hier niet in die beteekenis.Leerstelling. — De stelling: een mens is God geworden, kan op drie manieren worden opgevat. Ten eerste zo, dat het deelwoord geworden het onderwerp of het gezegde een absolute bepaling geeft. En in die zin is de stelling onwaar. Want noch de mens, waarvan het gezegd wordt, noch God is geworden, zoals later zal worden gezegd (8e en 9e Art.). En in dezelfde betekenis genomen is de stelling: God is mens geworden, ook onwaar. Maar wij bespreken de stellingen hier niet in die betekenis.
Alio modo potest intelligi, ut ly « factus » determinet compositionem: ut sit sensus: « Homo factus est Deus » idest « factum est, ut homo sit Deus ». Et sub hoc sensu utraque est vera, et « Homo factus est Deus » et « Deus factus est homo ». Sed hic non est proprius sensus harum locutionum: nisi forte intelligatur, secundum quod ly « homo » non habet personalem suppositionem, sed simplicem. Licet enim hic homo non sit factus Deus; quia hoc suppositum, scilicet persona Filii Dei, ab 495aeterno fuit Deus: tamen homo, communiter loquendo, non semper fuit Deus.
Ten tweede kan men haar zoo opvatten, dat het worden de samenvoeging nader bepaalt, zoodat de beteekenis van: een mensch is God geworden, zou zijn: het is geschied, dat een mensch God is. En in die zin zijn beide stellingen: een mensch is God geworden, en: God is mensch geworden, waar. Maar dat is de eigenlijke beteekenis van deze stellingen niet; tenzij wij bedoelen, dat de term mensch niet een bepaalden persoon, maar mensch in het algemeen bedoelt. Want al is deze mensch geen God geworden, omdat de drager, nl. de persoon van Gods Zoon, altijd 495God was, toch is in het algemeen genomen niet altijd een mensch God geweest.Ten tweede kan men haar zo opvatten, dat het worden de samenvoeging nader bepaalt, zodat de betekenis van: een mens is God geworden, zou zijn: het is geschied, dat een mens God is. En in die zin zijn beide stellingen: een mens is God geworden, en: God is mens geworden, waar. Maar dat is de eigenlijke betekenis van deze stellingen niet; tenzij wij bedoelen, dat de term mens niet een bepaalden persoon, maar mens in het algemeen bedoelt. Want al is deze mens geen God geworden, omdat de drager, nl. de persoon van Gods Zoon, altijd 495God was, toch is in het algemeen genomen niet altijd een mens God geweest.
Tertio modo proprie intelligitur, secundum quod hoc participium, « factus » ponit fieri circa hominem in respectu ad Deum, sicut ad terminum factionis. Et in hoc sensu, supposito quod in Christo sit eadem persona, et hypostasis, et suppositum Dei, et hominis, ut supra ostensum est [q. 2. art. 3.], ista propositio est falsa. Quia cum dicitur: « Homo factus est Deus » ly « homo » habet personalem suppositionem: non enim esse Deum verificatur de homine ratione humanae naturae, sed ratione suppositi sui. Suppositum autem illud humanae naturae, de quo verificatur esse Deum, est idem quod hypostasis, seu persona Filii Dei, quae semper fuit Deus. Unde non potest dici, quod iste homo « incepit esse Deus » vel quod « fiat Deus » aut quod « factus sit Deus ».
Ten derde ligt de eigenlijke beteekenis hierin, dat het deelwoord geworden een worden van den mensch in verhouding tot God aangeeft, waarbij God de term van het gemaakt worden is. En nemen wij zooals boven aangetoond is (2e Kw., 2e en 3e Art.) aan, dat er in Christus dezelfde persoon en drager en hypostase van God en mensch is, dan is de stelling in dezen zin onwaar. Want zeggen wij, dat een mensch God geworden is, dan slaat mensch op een persoon, want van den mensch is het niet om zijn menschelijke natuur waar, dat hij God is, maar om zijn drager. Nu is de drager van de menschelijke natuur, die in waarheid God is, hetzelfde als de hypostase of persoon van Gods Zoon, die altijd God was. Daarom kan men niet zeggen, dat die mensch begon God te zijn, of God wordt, of God geworden is.Ten derde ligt de eigenlijke betekenis hierin, dat het deelwoord geworden een worden van de mens in verhouding tot God aangeeft, waarbij God de term van het gemaakt worden is. En nemen wij zoals boven aangetoond is (2e Kw., 2e en 3e Art.) aan, dat er in Christus dezelfde persoon en drager en hypostase van God en mens is, dan is de stelling in deze zin onwaar. Want zeggen wij, dat een mens God geworden is, dan slaat mens op een persoon, want van de mens is het niet om zijn menselijke natuur waar, dat hij God is, maar om zijn drager. Nu is de drager van de menselijke natuur, die in waarheid God is, hetzelfde als de hypostase of persoon van Gods Zoon, die altijd God was. Daarom kan men niet zeggen, dat die mens begon God te zijn, of God wordt, of God geworden is.
Si vero esset alia persona, vel hypostasis Dei, et hominis, ita quod esse Deum praedicaretur de homine, et e converso, per quamdam conjunctionem suppositorum ,vel dignitatis personalis, vel affectionis, vel inhabitationis, ut Nestoriani dixerunt: tunc pari ratione posset dici, quod « homo factus 496est Deus » idest « conjunctus Deo » sicut et quod « Deus factus est homo » idest « conjunctus homini ».
Zou er echter een andere persoon of hypostase van God en mensch zijn, zoodat God zijn van den mensch en omgekeerd zou worden gezegd om een vereeniging der dragers in persoonlijke waardigheid of gevoelens of inwoning, zooals de Nestorianen zeggen, dan zou men met evenveel recht kunnen zeggen: een mensch 496is God geworden, nl. met God vereenigd als: God is mensch geworden, nl. met een mensch vereenigd.Zou er echter een andere persoon of hypostase van God en mens zijn, zodat God zijn van de mens en omgekeerd zou worden gezegd om een vereniging van de dragers in persoonlijke waardigheid of gevoelens of inwoning, zoals de Nestorianen zeggen, dan zou men met evenveel recht kunnen zeggen: een mens 496is God geworden, nl. met God verenigd als: God is mens geworden, nl. met een mens verenigd.
Ad primum ergo dicendum, quod in verbis illis Apostoli hoc relativum, « qui » quod refert personam Filii Dei, non debet intelligi ex parte praedicati, quasi aliquis existens ex semine David secundum carnem sit factus Filius Dei; in quo sensu objecto procedebat: sed debet intelligi ex parte subjecti: ut sit sensus, quod « Filius Dei factus est »4, scilicet homo, « ad honorem Patris » ut Gloss. [interl.] exponit, « existens ex semine David secundum carnem »: ac si diceret: « Filius Dei factus est habens carnem ex semine David ad honorem Dei ».
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. In die tekst van den Apostel moet men het voegwoord die, dat op den persoon van den Zoon slaat, niet met het gezegde in verbinding brengen alsof iemand, die naar het vleesch uit Davids zaad het bestaan had, Gods Zoon geworden was; en de gemaakte moeilijkheid komt juist uit het zoo begrijpen van dezen tekst voort. Maar men moet het laten slaan op het onderwerp, zoodat de beteekenis wordt: « Gods Zoon is Hem geworden, (nl. tot meerdere eer van den Vader, zooals de Glossa uitlegt) toen Hij naar het vleesch uit Davids zaad het bestaan had », alsof er stond: « Gods Zoon, die het vleesch uit Davids zaad heeft, tot eer van God ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. In die tekst van de Apostel moet men het voegwoord die, dat op de persoon van de Zoon slaat, niet met het gezegde in verbinding brengen alsof iemand, die naar het vlees uit Davids zaad het bestaan had, Gods Zoon geworden was; en de gemaakte moeilijkheid komt juist uit het zo begrijpen van deze tekst voort. Maar men moet het laten slaan op het onderwerp, zodat de betekenis wordt: “Gods Zoon is Hem geworden, (nl. tot meerdere eer van de Vader, zoals de Glossa uitlegt) toen Hij naar het vlees uit Davids zaad het bestaan had”, alsof er stond: “Gods Zoon, die het vlees uit Davids zaad heeft, tot eer van God”.
Ad secundum dicendum, quod illud verbum Augustini est intelligendum in illo sensu, secundum quod ex illa susceptione Incarnationis factum est, ut homo esset Deus, et Deus esset homo. In quo sensu ambae locutiones sunt verae, ut dictum est [in corp. art.].
2. De tekst van Augustinus moet men zoo opvatten, dat het door de aanneming bij de menschwording gebeurde, dat een mensch God en God mensch was. In dezen zin zijn immers beide uitdrukkingen waar, zooals is gezegd.2. De tekst van Augustinus moet men zo opvatten, dat het door de aanneming bij de menswording gebeurde, dat een mens God en God mens was. In deze zin zijn immers beide uitdrukkingen waar, zoals is gezegd.
Et similiter dicendum est ad tertium; nam « deificari » idem est, quod « fieri Deum ».
3. Het zelfde antwoord geldt voor de derde moeilijkheid, want vergoddelijkt worden is hetzelfde als God worden.
497Ad quartum dicendum, quod terminus in subjecto positus tenetur materialiter, idest pro supposito: positus vero in praedicato tenetur formaliter, idest pro natura significata. Et ideo cum dicitur: « Homo factus est Deus » ipsum fieri non attribuitur humanae naturae, sed supposito humanae naturae: quod est ab aeterno Deus, et ideo non convenit ei fieri Deum. Cum autem dicitur: « Deus factus est homo » factio intelligitur terminari ad ipsam humanam naturam. Et ideo, proprie loquendo, haec est vera: « Deus factus est homo »: sed haec est falsa: « Homo factus est Deus ». Sicut si Socrates, cum prius fuerit homo, postea factus est albus: demonstrato Socrate, haec est vera: « Hic homo hodie factus est albus »; haec tamen est falsa: « Hoc album hodie factum est homo ». Si tamen ex parte subjecti poneretur aliquod nomen significans naturam humanam in abstracto, posset hoc modo significari ut subjectum factionis: puta si dicatur, quod « natura humana facta est Filii Dei ».
4974. De als onderwerp gebruikte term verhoudt zich als materie, nl. als slaand op den drager, terwijl de in het gezegde gebruikte zich als vorm verhoudt, omdat zij op de aangegeven natuur slaat. Zeggen wij dus: een mensch is God geworden, dan wordt het worden zelf niet aan de menschelijke natuur toegekend, maar aan den drager ervan; die nu is de eeuwige God, waaraan het niet toekomt God te worden. Zeggen wij echter: God is mensch geworden, dan beschouwt men de menschelijke natuur als term van het worden zelf. Daarom is deze stelling: God is mensch geworden, in eigenlijken zin genomen waar, maar de stelling: een mensch is God geworden, niet. Zou zoo Socrates, die eerst mensch was, later blank geworden zijn, dan zou het gezegde: deze mensch, slaande op Socrates, is vandaag blank geworden, waar zijn, maar deze andere: dit blanke ding is vandaag mensch geworden, niet. Zou men echter op de plaats van het onderwerp een term zetten, die de menschelijke natuur in het abstracte aangeeft, dan zou zij zoo als onderwerp van het worden aangegeven kunnen worden, zooals men bv. zou kunnen zeggen: de menschelijke natuur is die van Gods Zoon geworden.4974. De als onderwerp gebruikte term verhoudt zich als materie, nl. als slaand op de drager, terwijl de in het gezegde gebruikte zich als vorm verhoudt, omdat zij op de aangegeven natuur slaat. Zeggen wij dus: een mens is God geworden, dan wordt het worden zelf niet aan de menselijke natuur toegekend, maar aan de drager ervan; die nu is de eeuwige God, waaraan het niet toekomt God te worden. Zeggen wij echter: God is mens geworden, dan beschouwt men de menselijke natuur als term van het worden zelf. Daarom is deze stelling: God is mens geworden, in eigenlijke zin genomen waar, maar de stelling: een mens is God geworden, niet. Zou zo Socrates, die eerst mens was, later blank geworden zijn, dan zou het gezegde: deze mens, slaande op Socrates, is vandaag blank geworden, waar zijn, maar deze andere: dit blanke ding is vandaag mens geworden, niet. Zou men echter op de plaats van het onderwerp een term zetten, die de menselijke natuur in het abstracte aangeeft, dan zou zij zo als onderwerp van het worden aangegeven kunnen worden, zoals men bv. zou kunnen zeggen: de menselijke natuur is die van Gods Zoon geworden.
Utrum haec sit vera: Christus est creatura
Is deze stelling: Christus is een schepsel, waar?
498Ad octavum sic proceditur. Videtur, quod haec sit vera: « Christus est creatura ». Dicit enim Leo Papa [quid simile hab. serm. 3. Pentecost.]: « Nova, et inaudita conventio: Deus, qui est, et erat, fit creatura ». Sed illud potest praedicari de Christo, quod filius Dei factus est per Incarnationem. Ergo haec est vera: « Christus est creatura ».
498Bedenkingen. — Men beweert, dat de stelling: Christus is een schepsel, waar is. — 1. Want Paus Leo zegt: « Iets nieuws en ongehoords geschiedde: God, die is en die was, wordt een schepsel ». Nu kan datgene, wat Gods Zoon door de menschwording geworden is, van Christus worden gezegd. Dus is ook deze stelling: Christus is een schepsel, waar.498Bedenkingen. — Men beweert, dat de stelling: Christus is een schepsel, waar is. — 1. Want Paus Leo zegt: “Iets nieuws en ongehoords geschiedde: God, die is en die was, wordt een schepsel”. Nu kan datgene, wat Gods Zoon door de menswording geworden is, van Christus worden gezegd. Dus is ook deze stelling: Christus is een schepsel, waar.
2. Praeterea, proprietates utriusque naturae possunt praedicari de hypostasi communi utriusque naturae, quocumque nomine significetur, ut supra dictum est [art. 5. huj. q.]. Sed proprietas humanae naturae est esse creaturam: sicut et proprietas divinae naturae est esse creatorem. Ergo utrumque potest dici de Christo: scilicet quod sit creatura, et quod sit increatus, et creator.
2. De eigenschappen van ieder der beide naturen kunnen gezegd worden van den gemeenschappelijken drager ervan, onder welke term deze ook wordt aangegeven, zooals boven is gezegd. Nu is het een eigenschap der menschelijke natuur, dat zij een schepsel is, zooals het een eigenschap is der goddelijke, schepper te zijn. Dus kunnen beide dingen van Christus worden gezegd: dat Hij een schepsel is, en dat Hij de ongeschapen schepper is.2. De eigenschappen van ieder van de beide naturen kunnen gezegd worden van de gemeenschappelijke drager ervan, onder welke term deze ook wordt aangegeven, zoals boven is gezegd. Nu is het een eigenschap van de menselijke natuur, dat zij een schepsel is, zoals het een eigenschap is van de goddelijke, schepper te zijn. Dus kunnen beide dingen van Christus worden gezegd: dat Hij een schepsel is, en dat Hij de ongeschapen schepper is.
3. Praeterea, principalior pars hominis est anima, quam corpus. Sed 499Christus ratione corporis, quod de Virgine traxit, dicitur esse simpliciter natus de Virgine. Ergo ratione animae, quae creata est a Deo, debet simpliciter dici, quod Christus sit creatura.
3. De ziel is een voornamer deel van den mensch dan het 499lichaam. Nu wordt Christus om Zijn lichaam, dat Hij van de Maagd kreeg, zonder meer geboren uit de Maagd genoemd. Dus moet men even goed om de ziel, die door God geschapen is, zonder meer zeggen, dat Christus een schepsel is.3. De ziel is een voornamer deel van de mens dan het 499lichaam. Nu wordt Christus om Zijn lichaam, dat Hij van de Maagd kreeg, zonder meer geboren uit de Maagd genoemd. Dus moet men even goed om de ziel, die door God geschapen is, zonder meer zeggen, dat Christus een schepsel is.
Sed contra est, quod Ambrosius dicit in lib. 1. de Trinit. [seu de Fide ad Gratian. cap. 16.] « Numquid dicto factus est Christus? numquid mandato creatus est Christus? » quasi dicat: « Non » unde subdit: « Quomodo autem creatura in Deo esse potest? etenim Deus naturae simplicis est, non conjunctae ». Ergo haec non est concedenda: « Christus est creatura ».
Maar daartegenover staat, dat Ambrosius in het boek Over de Drievuldigheid zegt: « Is Christus dan door een woord gemaakt? Is Hij dan door een bevel geschapen? », alsof hij wilde zeggen: neen. Daarom gaat hij ook voort « Hoe kan er echter in God iets geschapens zijn? Want God heeft een eenvoudige, geen samengestelde natuur ». Dus moet men de stelling: Christus is een schepsel, niet toegeven.Maar daartegenover staat, dat Ambrosius in het boek Over de Drievuldigheid zegt: “Is Christus dan door een woord gemaakt? Is Hij dan door een bevel geschapen?”, alsof hij wilde zeggen: neen. Daarom gaat hij ook voort “Hoe kan er echter in God iets geschapens zijn? Want God heeft een eenvoudige, geen samengestelde natuur”. Dus moet men de stelling: Christus is een schepsel, niet toegeven.
Respondeo dicendum, quod, sicut Hieronymus dicit: « ex verbis inordinate prolatis incurritur haeresis ». Unde cum haereticis nec nomina debemus habere communia, ne eorum errori favere videamur. Ariani autem haeretici Christum dixerunt esse creaturam, et minorem Patre, non solum ratione humanae naturae, sed etiam ratione divinae personae. Et ideo non est absolute dicendum, quod Christus sit « creatura » vel « minor Patre »: 500sed cum determinatione, scilicet « secundum humanam naturam ». Ea vero, de quibus suspicari non potest, quod divinae personae conveniant secundum seipsam, possunt simpliciter dici de Christo ratione humanae naturae: sicut simpliciter dicimus, Christum esse « passum, mortuum, et sepultum ». Sicut etiam in rebus corporalibus, et humanis, ea quae in dubitationem venire possunt an conveniant toti, vel parti, si insunt alicui parti, non attribuimus toti simpliciter, idest sine determinatione: non enim dicimus, quod « Aethiops est albus » sed quod « est albus secundum dentes ». Dicimus autem absque determinatione, quod « est crispus »: quia hoc non potest ei convenire nisi secundum capillos.
Leerstelling. — Zooals Hieronymus zegt, « ontstaat een ketterij door het onnauwkeurig gebruik van termen ». Daarom moeten wij met de ketters zelfs niet in het gebruik van termen overeen komen, opdat wij hun dwalingen niet schijnen te beschermen. Nu noemden de kettersche Arianen Christus een schepsel en minder dan de Vader, niet alleen om de menschelijke natuur, maar ook om den goddelijken persoon. Daarom ook moet men niet zonder meer zeggen, dat Christus een schepsel of minder dan 500de Vader is, maar alleen met een nadere bepaling, nl. naar Zijn menschelijke natuur. De uitdrukkingen echter, waarvan men zelfs niet kan vermoeden, dat zij bij den goddelijken persoon krachtens dezen zelf passen, kan men zonder beperking krachtens de menschelijke natuur van Christus zeggen, zooals wij zonder meer van Hem zeggen, dat Hij leed, stierf en begraven werd. Ook bij menschelijke en lichamelijke dingen kennen wij de zaken, waarvan het niet zeker is of zij aan het geheel of aan een deel toekomen, als zij zich in een deel bevinden, hen niet zonder meer, dwz. zonder nadere bepaling aan het geheel toe; want wij zeggen niet, dat een Ethiopiër wit is, maar dat hij wat zijn tanden betreft wit is. Wel zeggen wij zonder nadere bepaling, dat hij gekroesd is, omdat hij dat alleen wat de haren betreft kan zijn.Leerstelling. — Zoals Hieronymus zegt, “ontstaat een ketterij door het onnauwkeurig gebruik van termen”. Daarom moeten wij met de ketters zelfs niet in het gebruik van termen overeen komen, opdat wij hun dwalingen niet schijnen te beschermen. Nu noemden de ketterse Arianen Christus een schepsel en minder dan de Vader, niet alleen om de menselijke natuur, maar ook om de goddelijke persoon. Daarom ook moet men niet zonder meer zeggen, dat Christus een schepsel of minder dan 500de Vader is, maar alleen met een nadere bepaling, nl. naar Zijn menselijke natuur. De uitdrukkingen echter, waarvan men zelfs niet kan vermoeden, dat zij bij de goddelijke persoon krachtens deze zelf passen, kan men zonder beperking krachtens de menselijke natuur van Christus zeggen, zoals wij zonder meer van Hem zeggen, dat Hij leed, stierf en begraven werd. Ook bij menselijke en lichamelijke dingen kennen wij de zaken, waarvan het niet zeker is of zij aan het geheel of aan een deel toekomen, als zij zich in een deel bevinden, hen niet zonder meer, dwz. zonder nadere bepaling aan het geheel toe; want wij zeggen niet, dat een Ethiopiër wit is, maar dat hij wat zijn tanden betreft wit is. Wel zeggen wij zonder nadere bepaling, dat hij gekroesd is, omdat hij dat alleen wat de haren betreft kan zijn.
Ad primum ergo dicendum, quod aliquando sancti Doctores causa brevitatis, determinatione omissa, nomine « creaturae » utuntur circa Christum. Est tamen in eorum dictis subintelligenda1 determinatio, inquantum homo.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Soms gebruiken de Heilige Leeraars kortheidshalve den term schepsel van Christus en laten de bepaling weg. Maar die moet men in hun geschriften erbij denken.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Soms gebruiken de Heilige Leraars kortheidshalve de term schepsel van Christus en laten de bepaling weg. Maar die moet men in hun geschriften erbij denken.
Ad secundum dicendum, quod omnes proprietates humanae naturae, sicut et divinae, possunt aequaliter dici de Christo. Unde et Damascenus 501dicit in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 4.] quod « Christus, qui Deus est, et homo, dicitur creabilis est et increabilis et partibilis et impartibilis ». Sed tamen illa quae dubitationem habent circa alterutram naturam, non sunt dicenda absque determinatione. Unde ipse postea alibi [lib. 4. Orth. Fid. cap. 5.] subdit: « Ipsa una hypostasis » scilicet Christi, « et increata est divinitate, et creata est humanitate ». Sicut et e converso non esset dicendum sine determinatione: « Christus est incorporeus, vel impassibilis », ad evitandum errorem Manichaei, qui posuit Christum verum corpus non habuisse, nec vere passum esse: sed dicendum est cum determinatione, quod « Christus secundum deitatem est incorporeus, et impassibilis ».
2. Alle eigenschappen van de goddelijke zoowel als van de menschelijke natuur kan men in zekeren zin van Christus zeggen. 501Daarom zegt Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 4e H.): « Christus, die God en mensch wordt genoemd, kan wel en niet geschapen worden, wel en niet verdeeld worden ». Maar dingen waarvan het onzeker is, tot welke natuur zij behooren, moet men zonder bepaling niet zeggen. Daarom voegt hijzelf er elders bij (4e B., 5e H.): « Dezelfde eene hypostase, nl. die van Christus, is door de godheid ongeschapen en door de menschheid geschapen ». Omgekeerd zou men zonder nadere bepaling niet moeten zeggen, dat Christus geen lichaam heeft of niet kan lijden, om de dwaling der Manichaeën te vermijden, die zeiden, dat Christus geen echt lichaam had en niet echt geleden heeft; maar men moet bepalend zeggen, dat Christus naar Zijn godheid geen lichaam heeft en niet lijden kan.2. Alle eigenschappen van de goddelijke zowel als van de menselijke natuur kan men in zekeren zin van Christus zeggen. 501Daarom zegt Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 4e H.): “Christus, die God en mens wordt genoemd, kan wel en niet geschapen worden, wel en niet verdeeld worden”. Maar dingen waarvan het onzeker is, tot welke natuur zij behoren, moet men zonder bepaling niet zeggen. Daarom voegt hijzelf er elders bij (4e B., 5e H.): “Dezelfde een hypostase, nl. die van Christus, is door de godheid ongeschapen en door de mensheid geschapen”. Omgekeerd zou men zonder nadere bepaling niet moeten zeggen, dat Christus geen lichaam heeft of niet kan lijden, om de dwaling van de Manicheeën te vermijden, die zeiden, dat Christus geen echt lichaam had en niet echt geleden heeft; maar men moet bepalend zeggen, dat Christus naar Zijn godheid geen lichaam heeft en niet lijden kan.
Ad tertium dicendum, quod de nativitate ex Virgine nulla dubitatio potest esse, quod conveniat personae Filii Dei, sicut potest esse de creatione. Et ideo non est similis ratio utrobique.
3. Er kan niet getwijfeld worden, of het geboren zijn uit de Maagd misschien aan den persoon van Gods Zoon toekomt, zooals het met het geschapen zijn wel kan. Daarom gaat dezelfde redeneering niet in beide gevallen op.3. Er kan niet getwijfeld worden, of het geboren zijn uit de Maagd misschien aan de persoon van Gods Zoon toekomt, zoals het met het geschapen zijn wel kan. Daarom gaat dezelfde redenering niet in beide gevallen op.
Utrum haec sit vera: iste homo, demonstrato Christo, incepit esse1
Of deze mensch (als Christus wordt bedoeld), begon te bestaan?Of deze mens (als Christus wordt bedoeld), begon te bestaan?
502Ad nonum sic proceditur. Videtur, quod ille homo, demonstrato Christo, incepit esse. Dicit enim August. super illud Joan. [cap. 17. v. 5. tract. 105.]: « Priusquam mundus esset, nec nos eramus, nec ipse mediator Dei et hominum homo Jesus Christus ». Sed illud quod non semper fuit, incepit esse. Ergo ille homo, demonstrato Christo, incepit esse.
502Bedenkingen. — Men beweert, dat het waar is, dat deze mensch, als dit op Christus slaat, begon te bestaan. — 1. Want Augustinus zegt in zijn Commentaar op Johannes (105e Trakt. op 17, 5): « Voordat de wereld er was, bestonden noch wij, noch de middelaar zelf tusschen God en de menschen, de mensch Jesus Christus ». Maar wat er niet altijd is geweest, begon te bestaan. Dus begon deze mensch, als dat op Christus slaat, te bestaan.502Bedenkingen. — Men beweert, dat het waar is, dat deze mens, als dit op Christus slaat, begon te bestaan. — 1. Want Augustinus zegt in zijn Commentaar op Johannes (105e Trakt. op 17, 5): “Voordat de wereld er was, bestonden noch wij, noch de middelaar zelf tussen God en de mensen, de mens Jesus Christus”. Maar wat er niet altijd is geweest, begon te bestaan. Dus begon deze mens, als dat op Christus slaat, te bestaan.
2. Praeterea, Christus incepit esse homo. Sed esse hominem est esse simpliciter. Ergo ille homo incepit esse simpliciter.
2. Christus begon mensch te zijn. Nu is mensch zijn in eigenlijken zin zijn. Dus begon die mensch zonder meer te zijn.2. Christus begon mens te zijn. Nu is mens zijn in eigenlijke zin zijn. Dus begon die mens zonder meer te zijn.
3. Praeterea, homo importat suppositum humanae naturae. Sed Christus non semper fuit suppositum humanae naturae. Ergo ille homo incepit esse.
3. « Mensch » omvat den drager van de menschelijke natuur. Nu was Christus niet altijd drager van de menschelijke natuur. Dus begon die mensch te zijn.3. “Mens” omvat de drager van de menselijke natuur. Nu was Christus niet altijd drager van de menselijke natuur. Dus begon die mens te zijn.
Sed contra est, quod dicitur Hebr. ult. [v. 8]: « Jesus Christus heri, et hodie, ipse et in saecula ».
Maar daartegenover staat, dat in den Hebreeënbrief (13, 8) wordt gezegd: « Jesus Christus is dezelfde gisteren en heden en in eeuwigheid ».Maar daartegenover staat, dat in de Hebreeënbrief (13, 8) wordt gezegd: “Jesus Christus is dezelfde gisteren en heden en in eeuwigheid”.
503Respondeo dicendum, quod non est dicendum, quod « ille homo » demonstrato Christo, « inceperit esse » si nihil addatur. Et hoc duplici ratione. Primo quidem, quia haec locutio est simpliciter falsa secundum sententiam catholicae fidei, qua ponimus in Christo unum suppositum, et unam hypostasim, sicut et unam personam. Secundum hoc enim oportet quod, in hoc quod dicitur: « iste homo » demonstrato Christo, designetur suppositum aeternum: cujus aeternitati repugnat incipere esse. Unde haec est falsa. « Hic homo incepit esse ». Nec obstat, quod incipere esse convenit humanae naturae, quae significatur per hoc nomen « homo »: quia terminus in subjecto positus non tenetur formaliter pro natura, sed magis materialiter pro supposito, ut supra dictum est [art. 7. huj. q. ad 4.].
503Leerstelling. — Men moet niet zonder nadere bepaling zeggen, dat deze mensch, slaand op Christus, begon te bestaan; en dat om twee redenen. Ten eerste, omdat die uitdrukking zonder meer onwaar is volgens de leer van het katholieke geloof, omdat wij volgens haar één drager en één hypostase en één persoon aannemen. Daarom immers moeten wij, als wij doelend op Christus van dien mensch spreken, den eeuwigen drager bedoelen; en met diens eeuwigheid strijdt het beginnen te bestaan. Daarom is het onwaar, dat deze mensch begon te bestaan. — Daarmee strijdt niet, dat het aan de menschelijke natuur, die door den term mensch aangeduid wordt, toekomt te beginnen te bestaan, want de als onderwerp gebruikte term duidt niet als slaande op den vorm de natuur, maar veeleer als slaande op de materie den drager aan, zooals boven is gezegd (7e Art., Antw. op de 4e B.).503Leerstelling. — Men moet niet zonder nadere bepaling zeggen, dat deze mens, slaand op Christus, begon te bestaan; en dat om twee redenen. Ten eerste, omdat die uitdrukking zonder meer onwaar is volgens de leer van het katholieke geloof, omdat wij volgens haar één drager en één hypostase en één persoon aannemen. Daarom immers moeten wij, als wij doelend op Christus van die mens spreken, de eeuwige drager bedoelen; en met diens eeuwigheid strijdt het beginnen te bestaan. Daarom is het onwaar, dat deze mens begon te bestaan. — Daarmee strijdt niet, dat het aan de menselijke natuur, die door de term mens aangeduid wordt, toekomt te beginnen te bestaan, want de als onderwerp gebruikte term duidt niet als slaande op de vorm de natuur, maar veeleer als slaande op de materie de drager aan, zoals boven is gezegd (7e Art., Antw. op de 4e B.).
Secundo, quia etiamsi esset vera, non tamen esset ea utendum absque determinatione, ad evitandum haeresim Arii: quia2 sicut personae Filii Dei attribuit, quod esset creatura, et quod esset minor Patre: ita attribuit ei, quod esse inceperit, dicens, quod « erat, quando non erat ».
Ten tweede zou men, ook al was het gezegde waar, het niet zonder nadere bepaling moeten gebruiken om de ketterij van Arius te vermijden, die den persoon van Gods Zoon het beginnen te bestaan toeschreef, evenals het een schepsel, en minder dan de Vader te zijn; zoodat hij zei, dat er een tijd is geweest, waarin Hij niet bestond.Ten tweede zou men, ook al was het gezegde waar, het niet zonder nadere bepaling moeten gebruiken om de ketterij van Arius te vermijden, die de persoon van Gods Zoon het beginnen te bestaan toeschreef, evenals het een schepsel, en minder dan de Vader te zijn; zodat hij zei, dat er een tijd is geweest, waarin Hij niet bestond.
504Ad primum ergo dicendum, quod auctoritas illa est intelligenda cum determinatione; ut scilicet3 dicamus, quod homo Jesus Christus non fuit antequam mundus esset, « secundum humanitatem ».
504Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Deze gezagvolle tekst moet men met een beperking opvatten, zoodat wij zeggen, dat de mensch Christus naar Zijn menschheid niet bestond, voordat de wereld er was.504Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Deze gezagvolle tekst moet men met een beperking opvatten, zodat wij zeggen, dat de mens Christus naar Zijn mensheid niet bestond, voordat de wereld er was.
Ad secundum dicendum, quod cum hoc verbo incipit non sequitur argumentum ab inferiori ad superius: non enim sequitur: « hoc incipit esse album », « ergo incipit esse coloratum ». Et hoc ideo, quia « incipere » importat nunc esse, et non prius: non autem sequitur: « hoc non erat prius album; ergo non erat prius coloratum ». Esse autem simpliciter est superius ad esse hominem; unde non sequitur: « Christus incepit esse homo: ergo incepit esse ».
2. Uit den term beginnen kan men geen bewijs van het lagere naar het hoogere opbouwen, want de redeneering: dit ding begon wit te zijn, dus begon het gekleurd te zijn, gaat niet op. En dat is hierom, dat beginnen nu wel en eerst iets niet zijn insluit; maar de redeneering: dit was eerst niet wit, dus was het niet gekleurd, gaat niet op. Nu staat zijn zonder meer boven mensch zijn; dus de redeneering: Christus begon mensch te zijn, dus begon Hij zonder meer te zijn, gaat niet op.2. Uit de term beginnen kan men geen bewijs van het lagere naar het hogere opbouwen, want de redenering: dit ding begon wit te zijn, dus begon het gekleurd te zijn, gaat niet op. En dat is hierom, dat beginnen nu wel en eerst iets niet zijn insluit; maar de redenering: dit was eerst niet wit, dus was het niet gekleurd, gaat niet op. Nu staat zijn zonder meer boven mens zijn; dus de redenering: Christus begon mens te zijn, dus begon Hij zonder meer te zijn, gaat niet op.
Ad tertium dicendum, quod hoc nomen « homo » secundum quod accipitur pro Christo, licet significet humanam naturam, quae incepit esse; tamen supponit suppositum aeternum, quod esse non incepit. Et ideo quia secundum quod ponitur in subjecto, tenetur pro supposito, secundum autem quod ponitur in praedicato, refertur ad naturam, ideo haec est falsa: « Homo Christus esse incepit » sed haec est vera, « Christus incepit esse Homo ».
3. Al geeft de term mensch van Christus gebruikt de menschelijke natuur aan, die begon te bestaan, toch slaat zij op den eeuwigen drager, die niet begon te bestaan. Want als zij als onderwerp wordt gebruikt, dan slaat zij op den drager, maar is zij gezegde, dan slaat zij op de natuur; en daarom is deze stelling: de mensch Christus begon te bestaan, onwaar, maar deze: Christus begon als mensch te bestaan, waar.3. Al geeft de term mens van Christus gebruikt de menselijke natuur aan, die begon te bestaan, toch slaat zij op de eeuwige drager, die niet begon te bestaan. Want als zij als onderwerp wordt gebruikt, dan slaat zij op de drager, maar is zij gezegde, dan slaat zij op de natuur; en daarom is deze stelling: de mens Christus begon te bestaan, onwaar, maar deze: Christus begon als mens te bestaan, waar.
Utrum haec sit vera: Christus, secundum quod homo, est creatura1
Is deze stelling: Christus als mensch is een schepsel of begon te bestaan, waar?Is deze stelling: Christus als mens is een schepsel of begon te bestaan, waar?
505Ad decimum sic proceditur. Videtur, quod haec sit falsa: « Christus, secundum quod homo, est creatura, vel « incepit esse ». Nihil enim in Christo est creatum, nisi humana natura. Sed haec est falsa: « Christus, secundum quod homo, est humana natura ». Ergo haec etiam est falsa: « Christus, secundum quod homo, est creatura ».
505Bedenkingen. — Men beweert, dat de stelling: Christus als mensch is een schepsel of begon te bestaan, onwaar is. — 1. Want in Christus is niets geschapens behalve de menschelijke natuur. Nu is de stelling: Christus als mensch is de menschelijke natuur, onwaar. Dus is ook deze stelling: Christus als mensch is een schepsel, onwaar.505Bedenkingen. — Men beweert, dat de stelling: Christus als mens is een schepsel of begon te bestaan, onwaar is. — 1. Want in Christus is niets geschapens behalve de menselijke natuur. Nu is de stelling: Christus als mens is de menselijke natuur, onwaar. Dus is ook deze stelling: Christus als mens is een schepsel, onwaar.
2. Praeterea, praedicatum magis praedicatur de termino in reduplicatione posito, quam de ipso subjecto propositionis: sicut si dicam: « corpus secundum quod coloratum, est visibile », sequitur quod coloratum sit visibile. Sed haec non est absolute, sicut dictum est [art. 8.], concedenda: « Homo Christus est creatura ». Ergo neque haec: « Christus, secundum quod homo, est creatura ».
2. Het gezegde wordt meer toegerekend aan den term, waarop door herhaling den nadruk wordt gelegd dan aan het onderwerp zelf; want als wij zeggen: het lichaam in zoover het gekleurd is is zichtbaar, dan volgt daaruit, dat het gekleurde zichtbaar is. Nu mag men zooals gezegd is (8e Art.) de stelling: de mensch Christus is een schepsel, niet zonder meer toegeven. Dus evenmin deze: Christus als mensch is een schepsel.2. Het gezegde wordt meer toegerekend aan de term, waarop door herhaling de nadruk wordt gelegd dan aan het onderwerp zelf; want als wij zeggen: het lichaam in zover het gekleurd is is zichtbaar, dan volgt daaruit, dat het gekleurde zichtbaar is. Nu mag men zoals gezegd is (8e Art.) de stelling: de mens Christus is een schepsel, niet zonder meer toegeven. Dus evenmin deze: Christus als mens is een schepsel.
5063. Praeterea, quidquid praedicatur de quocumque homine, secundum quod homo, praedicatur de eo per se, et simpliciter: idem enim est « per se » et « secundum quod ipsum » ut dicitur 5. Metaph. [S. Th. lect. 19]: sed haec est falsa: « Christus est per se, et simpliciter creatura ». Ergo etiam haec est falsa: « Christus, secundum quod homo, est creatura ».
5063. Wat van een mensch als mensch wordt gezegd, wordt zonder beperking en krachtens zichzelf gezegd; want krachtens zichzelf en krachtens datgene wat iets is, is hetzelfde, zooals in het 5e boek Over de Metaphysiek wordt gezegd. Nu is de stelling: Christus is krachtens zichzelf en zonder beperking een schepsel, onwaar. Dus ook deze: Christus als mensch is een schepsel, onwaar.5063. Wat van een mens als mens wordt gezegd, wordt zonder beperking en krachtens zichzelf gezegd; want krachtens zichzelf en krachtens datgene wat iets is, is hetzelfde, zoals in het 5e boek Over de Metafysica wordt gezegd. Nu is de stelling: Christus is krachtens zichzelf en zonder beperking een schepsel, onwaar. Dus ook deze: Christus als mens is een schepsel, onwaar.
Sed contra, omne quod est, vel est creator, vel creatura. Sed haec est falsa: « Christus, secundum quod homo, est creator ». Ergo haec est vera: « Christus, secundum quod homo, est creatura ».
Maar daartegenover staat, dat alles wat bestaat ofwel schepper ofwel een schepsel is. Nu is de stelling: Christus als mensch is schepper, onwaar. Dus is deze stelling: Christus als mensch is een schepsel, waar.Maar daartegenover staat, dat alles wat bestaat ofwel schepper ofwel een schepsel is. Nu is de stelling: Christus als mens is schepper, onwaar. Dus is deze stelling: Christus als mens is een schepsel, waar.
Respondeo dicendum, quod cum dicitur: « Christus, secundum quod homo » hoc nomen « homo », potest resumi in reduplicatione, vel ratione suppositi, vel ratione naturae. Si quidem resumatur ratione suppositi, cum suppositum humanae naturae in Christo sit aeternum, et increatum, haec erit falsa: « Christus, secundum quod homo, est creatura ». Si vero resumatur ratione humanae naturae, sic est vera: quia ratione humanae naturae, sive secundum humanam naturam, convenit sibi esse creaturam, ut supra dictum est [art. 8. huj. q.]. Sciendum tamen, quod nomen sic 507resumptum in reduplicatione magis proprie tenetur pro natura, quam pro supposito: resumitur enim in vi praedicati, quod tenetur formaliter: idem enim est dictu: « Christus, secundum quod homo », ac si diceretur: « Christus, secundum quod est homo ». Et ideo haec est magis concedenda, quam neganda: « Christus, secundum quod homo, est creatura ». Si tamen adderetur aliquid, per quod traheretur2 ad suppositum, esset propositio magis neganda, quam concedenda: puta si diceretur: « Christus, secundum quod hic homo, est creatura ».
Leerstelling. — Spreken wij van Christus als mensch genomen, dan kan den term mensch met nadruk herhaald worden ofwel als slaande op den drager, ofwel op de natuur. Wordt zij om den drager herhaald, dan is, omdat de drager van de menschelijke natuur in Christus eeuwig en ongeschapen is, de stelling: Christus als mensch is een schepsel, onwaar. Maar wordt de term herhaald om de menschelijke natuur, dan is de stelling waar, omdat het Hem om of krachtens de menschelijke natuur toekomt schepsel te zijn, zooals boven is gezegd (8e Art.). 507Maar nu moet men weten, dat een zoo herhaalde term meer eigenlijk op de natuur slaat als op den drager, want zij wordt als een gezegde herhaald, dat iets formaliter bepaalt; want het is precies hetzelfde te zeggen Christus als mensch, of Christus in zoover Hij mensch is. En daarom moeten wij de stelling: Christus als mensch is een schepsel, eerder bevestigen dan ontkennen. Zou er echter iets worden bijgevoegd, waardoor de nadruk meer op den drager viel, dan moest men eerder ontkennen dan bevestigen, bv. als men zegt: Christus als deze bepaalde mensch is een schepsel.Leerstelling. — Spreken wij van Christus als mens genomen, dan kan de term mens met nadruk herhaald worden ofwel als slaande op de drager, ofwel op de natuur. Wordt zij om de drager herhaald, dan is, omdat de drager van de menselijke natuur in Christus eeuwig en ongeschapen is, de stelling: Christus als mens is een schepsel, onwaar. Maar wordt de term herhaald om de menselijke natuur, dan is de stelling waar, omdat het Hem om of krachtens de menselijke natuur toekomt schepsel te zijn, zoals boven is gezegd (8e Art.). 507Maar nu moet men weten, dat een zo herhaalde term meer eigenlijk op de natuur slaat als op de drager, want zij wordt als een gezegde herhaald, dat iets formaliter bepaalt; want het is precies hetzelfde te zeggen Christus als mens, of Christus in zover Hij mens is. En daarom moeten wij de stelling: Christus als mens is een schepsel, eerder bevestigen dan ontkennen. Zou er echter iets worden bijgevoegd, waardoor de nadruk meer op de drager viel, dan moest men eerder ontkennen dan bevestigen, bv. als men zegt: Christus als deze bepaalde mens is een schepsel.
Ad primum ergo dicendum, quod licet Christus non sit humana natura, est tamen habens humanam naturam: nomen autem « creaturae » natum est praedicari non solum de abstractis, sed etiam de concretis. Dicimus enim, quod « humanitas est creatura » et quod « homo est creatura ».
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Al is Christus de menschelijke natuur niet, toch is Hij in het bezit van de menschelijke natuur. Nu kan de term schepsel niet alleen gezegd worden van abstracte, maar ook van concrete dingen, want wij zeggen, dat de menschheid een schepsel, en dat de mensch er een is.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Al is Christus de menselijke natuur niet, toch is Hij in het bezit van de menselijke natuur. Nu kan de term schepsel niet alleen gezegd worden van abstracte, maar ook van concrete dingen, want wij zeggen, dat de mensheid een schepsel, en dat de mens er een is.
Ad secundum dicendum, quod ly « homo » secundum quod ponitur in subjecto, magis respicit suppositum: secundum autem quod ponitur in reduplicatione, magis respicit naturam, ut dictum est [in corp. art.]. Et quia natura est creata, suppositum vero increatum, ideo licet non concedatur ista simpliciter: « Homo Christus est creatura »3 conceditur tamen ista: « Christus, secundum quod homo, est creatura ».
2. Wordt de term mensch als onderwerp geplaatst, dan slaat zij meer op den drager, maar wordt zij voor den nadruk herhaald, dan doelt zij, zooals gezegd is (in de Leerstelling), meer op de menschelijke natuur. En waar de natuur geschapen, maar de drager 508ongeschapen is, kan men, al mag de stelling: Deze mensch is een schepsel, niet zonder meer worden toegegeven, toch de stelling: Christus als mensch is een schepsel, toegeven.2. Wordt de term mens als onderwerp geplaatst, dan slaat zij meer op de drager, maar wordt zij voor de nadruk herhaald, dan doelt zij, zoals gezegd is (in de Leerstelling), meer op de menselijke natuur. En waar de natuur geschapen, maar de drager 508ongeschapen is, kan men, al mag de stelling: Deze mens is een schepsel, niet zonder meer worden toegegeven, toch de stelling: Christus als mens is een schepsel, toegeven.
Ad tertium dicendum, quod cuilibet homini, qui est suppositum solius naturae humanae, competit quod non habeat esse, nisi secundum humanam naturam; et ideo de quolibet tali supposito sequitur, si secundum quod homo est creatura, quod sit creatura simpliciter. Sed Christus non solum est suppositum humanae naturae, sed etiam divinae, secundum quam habet esse increatum. Et ideo non sequitur, si secundum quod homo est creatura, quod sit simpliciter creatura.
3. Aan ieder mensch, die alleen van de menschelijke natuur de drager is, komt het alleen toe het bestaan te hebben naar de menschelijke natuur. En daarom gaat het van al die menschen op, dat, als hij als mensch een schepsel is, hij zonder beperking een schepsel is. Maar Christus is niet alleen drager van de menschelijke, maar ook van de goddelijke natuur, en naar deze laatste heeft Hij een ongeschapen bestaan. Daarom volgt uit het feit, dat Hij als mensch een schepsel is, niet dat Hij zonder beperking een schepsel is.3. Aan ieder mens, die alleen van de menselijke natuur de drager is, komt het alleen toe het bestaan te hebben naar de menselijke natuur. En daarom gaat het van al die mensen op, dat, als hij als mens een schepsel is, hij zonder beperking een schepsel is. Maar Christus is niet alleen drager van de menselijke, maar ook van de goddelijke natuur, en naar deze laatste heeft Hij een ongeschapen bestaan. Daarom volgt uit het feit, dat Hij als mens een schepsel is, niet dat Hij zonder beperking een schepsel is.
Utrum haec sit vera: Christus, secundum quod homo, est Deus1
Is Christus als mensch genomen God?Is Christus als mens genomen God?
508Ad undecimum sic proceditur. Videtur, quod « Christus, secundum quod homo, sit Deus ». Christus enim est Deus per gratiam unionis. Sed 509Christus, secundum quod homo, habet gratiam unionis. Ergo Christus, secundum quod homo, est Deus.
508Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus genomen als mensch God is. — 1. Want Christus is God door de genade der 509vereeniging. Nu heeft Christus de genade der vereeniging als mensch. Dus is hij als mensch genomen God.508Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus genomen als mens God is. — 1. Want Christus is God door de genade van de 509vereniging. Nu heeft Christus de genade van de vereniging als mens. Dus is hij als mens genomen God.
2. Praeterea, dimittere peccata est proprium Dei, secundum illud Isa. 43. [v. 25]: « Ego sum ipse, qui deleo iniquitates tuas propter me ». Sed Christus, secundum quod homo, dimittit peccata, secundum illud Matth. 9. [v. 6]: « Ut autem sciatis, quia filius hominis habet potestatem in terra dimittendi peccata » etc. Ergo Christus, secundum quod homo, est Deus.
2. Zonden vergeven is eigen aan God; naar Isaias (43, 25): « Ik zelf ben het, die uw zonden om mijnentwil wegneem ». Nu heeft Christus als mensch de macht om de zonden te vergeven naar Matthaeus (9, 6): « Opdat gij moogt weten, dat de menschenzoon op aarde macht heeft om de zonden te vergeven », enz. Dus is Christus als mensch genomen God.2. Zonden vergeven is eigen aan God; naar Jesaja (43, 25): “Ik zelf ben het, die uw zonden om mijnentwil wegneem”. Nu heeft Christus als mens de macht om de zonden te vergeven naar Matteüs (9, 6): “Opdat gij moogt weten, dat de mensenzoon op aarde macht heeft om de zonden te vergeven”, enz. Dus is Christus als mens genomen God.
3. Praeterea, Christus non est homo communis, sed est homo iste particularis. Sed Christus, secundum quod est iste homo, est Deus; quia in « isto homine » designatur suppositum aeternum, quod naturaliter est Deus. Ergo Christus, secundum quod homo, est Deus.
3. Christus is niet de mensch in het algemeen, maar die bepaalde mensch. Nu is Christus in zoover Hij die bepaalde mensch is God, omdat bij dien mensch de eeuwige drager wordt aangeduid, die van nature God is. Dus is Christus als mensch genomen God.3. Christus is niet de mens in het algemeen, maar die bepaalde mens. Nu is Christus in zover Hij die bepaalde mens is God, omdat bij die mens de eeuwige drager wordt aangeduid, die van nature God is. Dus is Christus als mens genomen God.
Sed contra, illud quod convenit Christo, secundum quod homo, convenit cuilibet homini. Si ergo Christus, secundum quod homo, est Deus. sequitur quod omnis homo sit Deus. Quod patet esse falsum.
Maar daartegenover staat, dat wat Christus als mensch toekomt, aan iederen mensch toekomt. Is dus Christus als mensch God, dan is iedere mensch God, en dat is klaarblijkelijk onwaar.Maar daartegenover staat, dat wat Christus als mens toekomt, aan iedere mens toekomt. Is dus Christus als mens God, dan is iedere mens God, en dat is klaarblijkelijk onwaar.
Respondeo dicendum, quod iste terminus « homo » in reduplicatione positus potest dupliciter accipi. Uno modo quantum ad naturam. Et sic 510non est verum, quod Christus, « secundum quod homo » sit Deus: quia humana natura est distincta a divina secundum differentiam naturae. Alio modo potest accipi ratione suppositi: et sic cum suppositum naturae humanae in Christo sit persona Filii Dei, cui per se convenit esse Deum, verum est, quod « Christus, secundum quod homo, sit Deus ». Quia tamen terminus in reduplicatione positus magis proprie tenetur pro natura, quam pro supposito, ut supra dictum est [art. praec. in corp. et ad 2.]. Ideo magis est ista neganda: « Christus, secundum quod homo, est Deus » quam sit affirmanda.
Leerstelling. — Wordt deze term mensch door verdubbeling herhaald, dan kan men haar op twee manieren opvatten. Ten 510eerste als op de natuur slaand. En dan is het niet waar, dat Hij als mensch genomen God is; want om het verschil in natuur is de menschelijke van de goddelijke onderscheiden. — Maar de term kan ook anders worden genomen als slaand op den drager. En omdat de drager van de menschelijke natuur in Christus de Persoon van Gods Zoon is, waaraan het om zichzelf toekomt God te zijn, is het waar dat Christus als mensch God is. Omdat een door verdubbeling herhaalde term echter meer eigenlijk op de natuur als op den drager slaat, zooals boven is gezegd (vorig Art.), moet de stelling: Christus als mensch genomen is God, eer ontkend dan bevestigd worden.Leerstelling. — Wordt deze term mens door verdubbeling herhaald, dan kan men haar op twee manieren opvatten. Ten 510eerste als op de natuur slaand. En dan is het niet waar, dat Hij als mens genomen God is; want om het verschil in natuur is de menselijke van de goddelijke onderscheiden. — Maar de term kan ook anders worden genomen als slaand op de drager. En omdat de drager van de menselijke natuur in Christus de Persoon van Gods Zoon is, waaraan het om zichzelf toekomt God te zijn, is het waar dat Christus als mens God is. Omdat een door verdubbeling herhaalde term echter meer eigenlijk op de natuur als op de drager slaat, zoals boven is gezegd (vorig Art.), moet de stelling: Christus als mens genomen is God, eer ontkend dan bevestigd worden.
Ad primum ergo dicendum, quod non secundum idem convenit alicui moveri ad aliquid, et esse illud. Nam moveri convenit alicui ratione materiae, vel subjecti: esse autem in actu ratione formae. Et similiter non secundum idem convenit Christo ordinari ad hoc, quod sit Deus per gratiam unionis, et esse Deum: sed primum convenit sibi secundum humanam naturam: secundum vero secundum divinam. Et ideo haec est vera: « Christus, 511secundum quod homo, habet gratiam unionis », non tamen ista: « Christus, secundum quod homo, est Deus ».
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Aan een ding is het niet krachtens hetzelfde eigen naar iets toe bewogen te worden en dat te zijn; want bewogen worden komt eraan toe om de stof of den drager, maar actueel te zijn om den vorm. En daarom komt het aan Christus niet krachtens hetzelfde beginsel toe erop aangelegd te worden, dat Hij door de genade der vereeniging God is, en God te zijn; maar het eerste komt Hem toe om de menschelijke natuur en het tweede om de goddelijke. Daarom 511is de stelling: Christus heeft als mensch de genade der vereeniging, waar; maar die andere: Christus is als mensch God, niet.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Aan een ding is het niet krachtens hetzelfde eigen naar iets toe bewogen te worden en dat te zijn; want bewogen worden komt eraan toe om de stof of de drager, maar actueel te zijn om de vorm. En daarom komt het aan Christus niet krachtens hetzelfde beginsel toe erop aangelegd te worden, dat Hij door de genade van de vereniging God is, en God te zijn; maar het eerste komt Hem toe om de menselijke natuur en het tweede om de goddelijke. Daarom 511is de stelling: Christus heeft als mens de genade van de vereniging, waar; maar die andere: Christus is als mens God, niet.
Ad secundum dicendum, quod « filius hominis habet in terra potestatem dimittendi peccata » non virtute humanae naturae, sed virtute naturae divinae: in qua quidem natura consistit potestas dimittendi peccata per auctoritatem: in humana autem natura consistit instrumentaliter, et per ministerium. Unde Chrysost. super Matth. [cat. aurea. In Marc. cap. 2. v. 10] hoc exponens dicit: « Signanter dixit: « In terra dimittendi peccata » ut ostenderet quod humanae naturae potestatem divinitatis univit indivisibili unione: quia etsi factus est homo, tamen Dei verbum permansit ».
2. « De menschenzoon heeft op aarde macht om zonden te vergeven », maar niet door kracht van de menschelijke, maar van de goddelijke natuur. In de goddelijke natuur ligt het vermogen om met gezag de zonden te vergeven, maar in de menschelijke natuur alleen om dit als dienaar en werktuig te doen. Daarom zegt Chrysostomus in zijn uitleg op Matthaeus: « Hij zegt met nadruk « heeft macht op aarde » om aan te geven, dat Hij de macht der goddelijke natuur met de menschelijke door ondeelbare vereeniging heeft verbonden. Want al werd Hij mensch, toch bleef Hij Gods Woord ».2. “De mensenzoon heeft op aarde macht om zonden te vergeven”, maar niet door kracht van de menselijke, maar van de goddelijke natuur. In de goddelijke natuur ligt het vermogen om met gezag de zonden te vergeven, maar in de menselijke natuur alleen om dit als dienaar en werktuig te doen. Daarom zegt Chrysostomus in zijn uitleg op Matteüs: “Hij zegt met nadruk ‘heeft macht op aarde’ om aan te geven, dat Hij de macht van de goddelijke natuur met de menselijke door ondeelbare vereniging heeft verbonden. Want al werd Hij mens, toch bleef Hij Gods Woord”.
Ad tertium dicendum, quod cum dicitur « iste homo » pronomen demonstrativum hoc nomen « homo » trahit ad suppositum. Et ideo magis est haec vera: « Christus, secundum quod iste homo, est Deus » quam ista: « Christus, secundum quod homo, est Deus ».
3. Spreekt men van dezen mensch, dan betrekt het aanwijzend voornaamwoord den term mensch op den drager. En daarom is de stelling: Christus is in zoover Hij deze mensch is God, meer waar dan: Christus als mensch is God.3. Spreekt men van deze mens, dan betrekt het aanwijzend voornaamwoord de term mens op de drager. En daarom is de stelling: Christus is in zover Hij deze mens is God, meer waar dan: Christus als mens is God.
Utrum haec sit vera: Christus, secundum quod homo, est hypostasis, vel persona1
Is Christus als mensch genomen een hypostase of drager?Is Christus als mens genomen een hypostase of drager?
512Ad duodecimum sic proceditur. Videtur, quod « Christus, secundum quod homo, sit persona »2. Illud enim quod convenit cuilibet homini, convenit Christo, secundum quod est homo: est enim aliis hominibus similis, secundum illud Philip. 2. [v. 7]: « In similitudinem hominum factus ». Sed omnis homo est persona. Ergo Christus, secundum quod homo, est persona.
512Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus als mensch genomen een hypostase of drager is. — 1. Want wat aan iederen mensch toekomt, heeft ook Christus als mensch, want Hij is aan de andere menschen gelijk zooals in den Brief aan de Philippensen (2, 7) wordt gezegd: « aan de menschen gelijk geworden ». Nu is ieder mensch een persoon. Dus is Christus als mensch een persoon.512Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus als mens genomen een hypostase of drager is. — 1. Want wat aan iedere mens toekomt, heeft ook Christus als mens, want Hij is aan de andere mensen gelijk zoals in de Brief aan de Filippenzen (2, 7) wordt gezegd: “aan de mensen gelijk geworden”. Nu is ieder mens een persoon. Dus is Christus als mens een persoon.
2. Praeterea, Christus, secundum quod homo, est substantia rationalis naturae: non autem substantia universalis, ergo substantia individua. Sed nihil aliud est persona, quam « rationalis naturae individua substantia » ut Boetius dicit in lib. de Duabus Naturis. Ergo Christus, secundum quod homo, est persona.
2. Christus is als mensch een zelfstandigheid van redelijke natuur. Maar geen algemeene zelfstandigheid, dus een, die een eenling is. Nu is een persoon niets anders als een zelfstandigheid van redelijke natuur, die een eenling is, zooals Boëtius in het boek Over de Twee naturen (4e H.) zegt. Dus is Christus als mensch een persoon.2. Christus is als mens een zelfstandigheid van redelijke natuur. Maar geen algemene zelfstandigheid, dus een, die een eenling is. Nu is een persoon niets anders als een zelfstandigheid van redelijke natuur, die een eenling is, zoals Boëtius in het boek Over de Twee naturen (4e H.) zegt. Dus is Christus als mens een persoon.
5133. Praeterea, Christus, secundum quod homo, est res humanae naturae, et suppositum, et hypostasis ejusdem naturae. Sed omnis hypostasis, et suppositum, et res humanae naturae est persona. Ergo Christus, secundum quod homo, est persona.
5133. Christus is als mensch een ding van menschelijken aard en een drager en hypostase van dezelfden aard. Nu is iedere drager en hypostase en ding van menschelijken aard een persoon. Dus ook Christus als mensch is een persoon.5133. Christus is als mens een ding van menselijke aard en een drager en hypostase van dezelfden aard. Nu is iedere drager en hypostase en ding van menselijke aard een persoon. Dus ook Christus als mens is een persoon.
Sed contra, Christus, secundum quod homo, non est persona aeterna. Si ergo Christus, secundum quod homo, sit persona, sequeretur quod in Christo sint duae personae, una temporalis, et alia aeterna. Quod est erroneum, ut supra dictum est [q. 2. art. 6. et q. 4. art. 2.].
Maar daartegenover staat, dat Christus als mensch geen eeuwige persoon is. Is Hij dus als mensch een persoon, dan zou volgen, dat er in Christus twee personen zijn, een eeuwige en een in den tijd. Dat is, zooals boven gezegd is (2e Kw., 6e Art.; 4e Kw., 2e Art.), onjuist.Maar daartegenover staat, dat Christus als mens geen eeuwige persoon is. Is Hij dus als mens een persoon, dan zou volgen, dat er in Christus twee personen zijn, een eeuwige en een in de tijd. Dat is, zoals boven gezegd is (2e Kw., 6e Art.; 4e Kw., 2e Art.), onjuist.
Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [art. 10. et 11. huj. q.], iste terminus « homo » in reduplicatione positus potest accipi vel ratione suppositi, vel ratione naturae. Cum ergo dicitur: « Christus, secundum quod homo, est persona » si accipiatur ratione suppositi, manifestum est, quod Christus, secundum quod homo, est persona: quia suppositum humanae naturae nihil est aliud, quam persona Filii Dei. Si autem accipiatur ratione naturae, sic potest intelligi dupliciter. Uno modo, ut intelligatur quod naturae humanae competat esse in aliqua persona. Et 514hoc etiam modo verum est: omne enim quod subsistit in humana natura, est persona. Alio modo potest intelligi, ut naturae humanae in Christo propria personalitas debeatur, causata ex principiis humanae naturae. Et sic Christus, secundum quod homo, non est persona: quia humana natura non est per se seorsum subsistens3 a divina natura; quod requirit ratio personae.
Leerstelling. — Zooals boven is gezegd (10e en 11e Art.) kan de term mensch bij verdubbeling slaan op den drager of op de natuur. Als men dus in de stelling: Christus als mensch is een persoon, den term op den drager laat slaan, dan is het duidelijk, dat Christus als mensch een persoon is; want de drager der menschelijke natuur is niets anders als de persoon van Gods Zoon. Maar laat men den term slaan op de natuur, dan kan het op twee manieren worden opgevat. Ten eerste kan men het laten beteekenen, dat het aan de menschelijke natuur toekomt in een 514persoon te zijn; en zoo is het ook waar, want alles wat in de menschelijke natuur zelfstandig bestaat is een persoon. — Maar het zou ook kunnen beteekenen, dat aan de menschelijke natuur in Christus een eigen persoonlijkheid toekwam, die door de beginselen der menschelijke natuur werd voortgebracht. En zoo is Christus als mensch geen persoon, omdat de menschelijke natuur niet op zichzelf los van de goddelijke natuur bestaat, wat voor het wezen van een persoon noodig is.Leerstelling. — Zoals boven is gezegd (10e en 11e Art.) kan de term mens bij verdubbeling slaan op de drager of op de natuur. Als men dus in de stelling: Christus als mens is een persoon, de term op de drager laat slaan, dan is het duidelijk, dat Christus als mens een persoon is; want de drager van de menselijke natuur is niets anders als de persoon van Gods Zoon. Maar laat men de term slaan op de natuur, dan kan het op twee manieren worden opgevat. Ten eerste kan men het laten betekenen, dat het aan de menselijke natuur toekomt in een 514persoon te zijn; en zo is het ook waar, want alles wat in de menselijke natuur zelfstandig bestaat is een persoon. — Maar het zou ook kunnen betekenen, dat aan de menselijke natuur in Christus een eigen persoonlijkheid toekwam, die door de beginselen van de menselijke natuur werd voortgebracht. En zo is Christus als mens geen persoon, omdat de menselijke natuur niet op zichzelf los van de goddelijke natuur bestaat, wat voor het wezen van een persoon nodig is.
Ad primum ergo dicendum, quod omni homini convenit esse personam, secundum quod omne subsistens in humana natura est persona. Sed hoc est proprium homini Christo, quod persona subsistens in humana natura ejus non sit causata ex principiis humanae naturae, sed sit aeterna. Et ideo uno modo est persona, secundum quod homo, alio modo non, sicut dictum est [in corp. art.].
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Aan ieder mensch komt het toe persoon te zijn, in zoover alles wat in de menschelijke natuur zelfstandig bestaat een persoon is. Maar aan den mensch Christus is het eigen, dat de persoon die in Zijn natuur zelfstandig bestaat, niet door de beginselen der menschelijke natuur voortgebracht maar eeuwig is. En zoo is Hij op een manier als mensch wel een persoon en op een andere manier niet, zooals wij zeiden (in de Leerstelling).Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Aan ieder mens komt het toe persoon te zijn, in zover alles wat in de menselijke natuur zelfstandig bestaat een persoon is. Maar aan de mens Christus is het eigen, dat de persoon die in Zijn natuur zelfstandig bestaat, niet door de beginselen van de menselijke natuur voortgebracht maar eeuwig is. En zo is Hij op een manier als mens wel een persoon en op een andere manier niet, zoals wij zeiden (in de Leerstelling).
Ad secundum dicendum, quod « substantia individua » quae ponitur in definitione personae, importat substantiam completam per se subsistentem separatim ab aliis. Alioquin manus hominis posset dici persona, cum sit 515substantia quaedam individua: quia tamen est substantia individua, sicut in alio existens, non potest dici persona. Et eadem ratione nec humana natura in Christo, quae tamen potest dici individuum, vel singulare quoddam.
2. De zelfstandigheid, die een eenling is, die in de omschrijving van den persoon is opgenomen, moet een volledige zelfstandigheid zijn, die gescheiden van anderen op zichzelf bestaat. Anders kon de hand van een mensch een persoon worden genoemd, 515omdat zij zelfstandigheid en een eenling is, maar zij is een eenling en zelfstandigheid, die in iets anders bestaat en daarom geen persoon. En de menschelijke natuur in Christus om dezelfde reden evenmin, al kan zij een eenling of enkelvoudig iets worden genoemd.2. De zelfstandigheid, die een eenling is, die in de omschrijving van de persoon is opgenomen, moet een volledige zelfstandigheid zijn, die gescheiden van anderen op zichzelf bestaat. Anders kon de hand van een mens een persoon worden genoemd, 515omdat zij zelfstandigheid en een eenling is, maar zij is een eenling en zelfstandigheid, die in iets anders bestaat en daarom geen persoon. En de menselijke natuur in Christus om dezelfde reden evenmin, al kan zij een eenling of enkelvoudig iets worden genoemd.
Ad tertium dicendum, quod sicut « persona » significat quid completum, et per se subsistens in natura rationali: ita « hypostasis », « suppositum » et « res naturae » in genere substantiae significant quiddam per se subsistens. Unde sicut humana natura non est per se persona4 seorsim a persona Filii Dei; ita etiam non est per se hypostasis, vel suppositum, vel res naturae. Et ideo in sensu in quo negatur ista: « Christus, secundum quod homo, est persona »; oportet etiam negari omnes alias.
3. Zooals persoon iets volledigs en zelfstandig in de redelijke natuur bestaands aangeeft, zoo beteekenen drager, hypostase en natuurding onder de zelfstandigheden iets op zichzelf bestaands. Zooals nu de menschelijke natuur niet op zichzelf buiten den persoon van den Zoon bestaat, is zij ook niet door zichzelf hypostase of drager of natuurding. En daarom moet men in denzelfden zin als de stelling: Christus als mensch genomen is een persoon, alle andere stellingen evenzeer ontkennen.3. Zoals persoon iets volledigs en zelfstandig in de redelijke natuur bestaands aangeeft, zo betekenen drager, hypostase en natuurding onder de zelfstandigheden iets op zichzelf bestaands. Zoals nu de menselijke natuur niet op zichzelf buiten de persoon van de Zoon bestaat, is zij ook niet door zichzelf hypostase of drager of natuurding. En daarom moet men in dezelfde zin als de stelling: Christus als mens genomen is een persoon, alle andere stellingen evenzeer ontkennen.