Theologische Summa · Tertia Pars · Wat uit de vereeniging volgtWat uit de vereniging volgtSumma · III · Wat uit de vereeniging volgtWat uit de vereniging volgtSumma · III · Kw. 17Kw. 17
Quaestio XVII

De pertinentibus ad unitatem in Christo quantum ad esse1, in duos articulos divisa

Kwestie 17

Over de eenheid van Christus wat het zijn betreft

(Twee Artikelen)

516Deinde considerandum est de his quae pertinent ad unitatem in Christo in communi. Nam de his quae pertinent ad unitatem, vel pluralitatem in speciali, suis locis determinandum est: sicut supra determinatum est [q. 9.], quod in Christo non est una tantum scientia; et infra determinabitur [q. 35.], quod in Christo non est una tantum nativitas. Considerandum est ergo primo de unitate Christi quantum ad esse: secundo quantum ad velle [q. 8.] tertio quantum ad operari [q. 11.].

516Vervolgens moeten wij over wat tot de eenheid van Christus in het algemeen genomen behoort spreken. Want op de daarvoor aangewezen plaatsen moet gesproken worden over de eenheid of veelvoudigheid van Christus in bijzondere punten, zooals boven reeds is uitgemaakt, dat er niet maar een wetenschap in Hem is; en later zal worden bewezen, dat er in Hem niet maar een geboorte aangewezen kan worden. Ten eerste moeten wij dus spreken over de eenheid van Christus in het zijn, vervolgens over die in het willen en ten derde over die in het werken.516Vervolgens moeten wij over wat tot de eenheid van Christus in het algemeen genomen behoort spreken. Want op de daarvoor aangewezen plaatsen moet gesproken worden over de eenheid of veelvoudigheid van Christus in bijzondere punten, zoals boven reeds is uitgemaakt, dat er niet maar een wetenschap in Hem is; en later zal worden bewezen, dat er in Hem niet maar een geboorte aangewezen kan worden. Ten eerste moeten wij dus spreken over de eenheid van Christus in het zijn, vervolgens over die in het willen en ten derde over die in het werken.

Circa primum quaeruntur duo: 1. Utrum Christus sit unum, vel duo. — 2. Utrum in Christo sit tantum unum esse.

Over het eerste punt stellen wij ons twee vragen: 1. Is Christus een of twee zijnden? 2. Is er in Christus maar een zijn?

Articulus I

Utrum Christus sit unum, vel duo

[3. Dist. 6. q. 2. art. 1. et lib. 4. Contr. g. cap. 38. et un. art. 2. ad 2. et 7. et art. 3.]
Ie Artikel

Is Christus een of twee zijnden?

antwoord 1 ↓

517Ad primum sic proceditur. Videtur, quod Christus non sit unum, sed duo. Dicit enim August. in 1. de Trinit. [cap. 7.]: « Quia forma Dei accepit formam servi, utrumque Deus propter accipientem Deum, utrumque autem homo propter acceptum hominem ». Sed « utrumque » dici non potest, nisi ubi sunt duo. Ergo Christus est duo.

517Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet een, maar twee zijnden is. — 1. Want Augustinus zegt in het 1e boek Over de Drievuldigheid (7e H.): « Omdat de gestalte van God de gestalte van een mensch aanneemt, zijn beiden God om den God, die aanneemt en beiden mensch om den mensch, die aangenomen is ». Nu kan men niet van « beiden » spreken als er geen twee zijnden zijn. Dus is Christus twee zijnden.517Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet een, maar twee zijnden is. — 1. Want Augustinus zegt in het 1e boek Over de Drievuldigheid (7e H.): “Omdat de gestalte van God de gestalte van een mens aanneemt, zijn beiden God om de God, die aanneemt en beiden mens om de mens, die aangenomen is”. Nu kan men niet van “beiden” spreken als er geen twee zijnden zijn. Dus is Christus twee zijnden.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, ubicumque est « aliud, et aliud », ibi sunt duo: sed Christus est aliud, et aliud. Dicit enim August. in Ench. [cap. 35. in med.]: « Cum in forma Dei esset, formam servi accepit, utrumque unus, sed aliud propter verbum, aliud propter hominem ». Ergo Christus est duo.

2. Waar men van het eene en het andere spreekt, zijn er twee zijnden. Nu is Christus een bepaald zijnde en ook iets anders, omdat Augustinus in het Enchiridion (35e H.) zegt: « Toen Hij de gestalte Gods bezat, nam Hij de gestalte van een mensch aan; een is beiden, maar het eene om het Woord en het andere om den mensch ». Dus is Christus twee zijnden.2. Waar men van het ene en het andere spreekt, zijn er twee zijnden. Nu is Christus een bepaald zijnde en ook iets anders, omdat Augustinus in het Enchiridion (35e H.) zegt: “Toen Hij de gestalte Gods bezat, nam Hij de gestalte van een mens aan; een is beiden, maar het ene om het Woord en het andere om de mens”. Dus is Christus twee zijnden.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Christus non est tantum homo: quia sic purus homo 518esset1. Ergo est aliquid aliud, quam homo; et ita in Christo est « aliud, et aliud ». Ergo Christus est duo.

3. Christus is niet enkel en alleen mensch, want als Hij een mensch zonder meer was, zou Hij geen God zijn. Dus is Hij iets 518anders als een mensch. Dus is er in Christus het eene en het andere. Dus is Hij twee zijnden.3. Christus is niet enkel en alleen mens, want als Hij een mens zonder meer was, zou Hij geen God zijn. Dus is Hij iets 518anders als een mens. Dus is er in Christus het ene en het andere. Dus is Hij twee zijnden.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, Christus est aliquid quod est Pater, et est aliquid quod non est Pater. Ergo Christus est « aliquid, et aliquid ». Ergo Christus est duo.

4. Christus is iets, wat de Vader ook is en iets, wat de Vader niet is. Dus is Christus het eene en het andere, en dus twee zijnden.4. Christus is iets, wat de Vader ook is en iets, wat de Vader niet is. Dus is Christus het ene en het andere, en dus twee zijnden.

antwoord 5 ↓

5. Praeterea, sicut in mysterio Trinitatis sunt tres personae in una natura: ita in mysterio Incarnationis sunt duae naturae in una persona. Sed propter unitatem naturae, non obstante distinctione personae, Pater, et Filius sunt unum, secundum illud Joan. 10. [v. 30]: « Ego, et Pater unus sumus ». Ergo, non obstante unitate personae, propter dualitatem naturarum Christus est duo.

5. Zooals er in het geheim der Drievuldigheid drie personen in een natuur zijn, zijn er in het geheim der Menschwording twee naturen in een persoon. Om de eenheid in natuur zijn de Vader en de Zoon ondanks het verschil in persoon een volgens Johannes (10, 30): « Ik en de Vader zijn een ». Dus is Christus ondanks de eenheid in persoon om de tweevoudigheid der naturen twee zijnden.5. Zoals er in het geheim van de Drievuldigheid drie personen in een natuur zijn, zijn er in het geheim van de Menswording twee naturen in een persoon. Om de eenheid in natuur zijn de Vader en de Zoon ondanks het verschil in persoon een volgens Johannes (10, 30): “Ik en de Vader zijn een”. Dus is Christus ondanks de eenheid in persoon om de tweevoudigheid van de naturen twee zijnden.

antwoord 6 ↓

6. Praeterea, Philos. dicit in 3. Phys. [S. Th. lect. 4.] quod « unum » et « duo » denominative dicuntur. Sed Christus habet dualitatem naturarum. Ergo Christus est duo.

6. De Philosoof zegt in het 3e boek Over de Physica (3e H., n. 1), dat een en twee ook in oneigenlijken zijn worden gebruikt. Nu heeft Christus een tweevoudigheid in natuur en is dus twee zijnden.6. De Filosoof zegt in het 3e boek Over de Fysica (3e H., n. 1), dat een en twee ook in oneigenlijken zijn worden gebruikt. Nu heeft Christus een tweevoudigheid in natuur en is dus twee zijnden.

antwoord 7 ↓

7. Praeterea, sicut forma accidentalis facit « alterum » ita forma substantialis « aliud » ut Porphyrius dicit [in Praedic. cap. de Differ.]. Sed in Christo sunt duae naturae substantiales, humana scilicet, et divina. Ergo Christus est « aliud, et aliud ». Ergo Christus est duo.

7. Zooals een bijkomstige vorm iets doet anders zijn, zoo maakt een zelfstandigheidsvorm het tot een ander ding, zooals Porphyrius zegt. Nu zijn er in Christus twee zelfstandigheidsnaturen, nl. de goddelijke en de menschelijke. Dus is Christus het eene en het andere ding en dus twee zijnden.7. Zoals een bijkomstige vorm iets doet anders zijn, zo maakt een zelfstandigheidsvorm het tot een ander ding, zoals Porphyrius zegt. Nu zijn er in Christus twee zelfstandigheidsnaturen, nl. de goddelijke en de menselijke. Dus is Christus het ene en het andere ding en dus twee zijnden.

519Sed contra est, quod Boetius dicit in lib. de Duabus Naturis [implic. et lib. de Unit. et Uno]: « Omne quod est, inquantum est, unum est ». Sed Christum esse confitemur. Ergo Christus est unum.

519Maar daartegenover staat, dat Boëtius in het boek Over de Twee Naturen (4e H.) zegt: « Alles wat is, is in zoover het is, iets eens ». Nu belijden wij, dat Christus is. Dus is Hij iets eens.519Maar daartegenover staat, dat Boëtius in het boek Over de Twee Naturen (4e H.) zegt: “Alles wat is, is in zover het is, iets eens”. Nu belijden wij, dat Christus is. Dus is Hij iets eens.

Respondeo dicendum, quod natura secundum se considerata, prout in abstracto significatur, non vere potest praedicari de supposito, seu persona, nisi in Deo, in quo non differt, « quod est » et « quo est » ut in prima parte habitum est [q. 29. art. 4. ad 1. q. 40. art. 1. q. 50. art. 2. ad 3. q. 75. art. 5. ad 4.]. In Christo autem cum sint duae naturae, divina scilicet et humana, altera earum, scilicet divina, potest de eo praedicari et in abstracto, et in concreto. Dicimus enim, quod « Filius Dei », qui supponitur in hoc nomine « Christus » et « est divina natura et est Deus ». Sed humana natura non potest praedicari de Christo secundum se in abstracto, sed solum in concreto; prout scilicet significatur in supposito. Non enim vere potest dici, quod « Christus sit humana natura », quia natura humana non est nata praedicari de suo supposito; dicitur autem quod « Christus est homo » sicut et quod « Christus est Deus ». « Deus » autem significat « habentem deitatem », et « homo » significat 520« habentem humanitatem ». Aliter tamen habens humanitatem significatur per hoc nomen « homo » et aliter per hoc nomen « Jesus » vel « Petrus ». Nam hoc nomen « homo » importat habentem humanitatem indistincte; sicut et hoc nomen « Deus » indistincte importat habentem deitatem. Hoc autem nomen « Petrus » vel « Jesus » importat distincte habentem humanitatem, scilicet sub determinatis individualibus proprietatibus; sicut et hoc nomen « Filius Dei » importat habentem deitatem sub determinata proprietate personali. Numerus autem dualitatis in Christo ponitur circa ipsas naturas. Et ideo si ambae naturae in abstracto praedicarentur de Christo, nisi prout significantur in supposito, oportet secundum rationem suppositi praedicari de Christo « unum » vel « duo ». Quidam autem [cfr. q. 2. art. 6.] posuerunt in Christo duo supposita, sed unam personam; quae quidem videtur se habere secundum eorum opinionem tamquam suppositum completum ultima completione. Et ideo quia ponebant in Christo duo supposita, dicebant Christum esse « duo » neutraliter. Sed quia ponebant unam personam, dicebant Christum « unum » masculine. 521Nam neutrum genus designat quiddam informe, et imperfectum, genus autem masculinum designat quiddam formatum, et perfectum. Nestoriani autem ponentes in Christo duas personas dicebant, Christum non solum esse « duo » neutraliter, sed etiam « duos » masculine. Quia vero nos ponimus in Christo unam personam, et unum suppositum, ut ex supra dictis patet [q. 2. art. 2. et 3.], sequitur quod dicamus, quod non solum « Christus est unus » masculine, sed etiam quod « est unum » neutraliter.

Leerstelling. — Duidt men de natuur op zichzelf beschouwd in het abstracte aan, dan kan men behalve bij God, in Wien Datgene wat is en Datgene waardoor Het is niet verschillen, zooals in het eerste deel (29e Kw., 4e Art., Antw. op de 1e B.) is gezegd, de natuur niet zeggen van den drager of persoon. Waar er nu in Christus twee naturen zijn, nl. de goddelijke en de menschelijke, kan men een ervan, nl. de goddelijke zoowel abstract als concreet van Hem zeggen, want wij zeggen, dat de Zoon Gods, die in den naam Christus wordt aangeduid, de goddelijke natuur en God is. De menschelijke natuur op zichzelf beschouwd echter kan niet abstract van Christus worden gezegd, maar alleen concreet, wanneer zij nl. in den drager wordt aangeduid. Want men kan niet zeggen, dat Christus de menschelijke natuur is, omdat de menschelijke natuur niet geschikt is om van haar drager te worden gezegd; maar men kan wel zeggen, dat Christus mensch is, zooals men zegt, dat Hij God is. Nu geeft de term God dengene, die de goddelijke, 520en die van mensch dengene, die de menschelijke natuur bezit aan. Maar hij, die de menschelijke natuur bezit, wordt door den term mensch anders aangeduid als door den term Jesus of Petrus. De naam mensch immers geeft den bezitter der menschelijke natuur onbepaald aan, zooals de term God Dien der godheid. Maar de termen Jesus en Petrus geven hem, die de menschelijke natuur heeft, zeer bepaald aan, nl. met de bepaalde eigenschappen van een eenling, zooals de term Zoon Gods den bezitter der goddelijke natuur met de bepaalde persoonlijke eigenschap aangeeft. Het getal twee nu wordt bij Christus wat de naturen betreft gebruikt. Zouden dus beide naturen in het abstracte van Christus worden gezegd, dan zou daaruit volgen, dat Christus twee zijnden was. Omdat zij echter van Christus niet worden gezegd tenzij wanneer zij worden aangegeven zooals zij in den drager zijn, moet men van Christus zeggen, dat Hij een of twee is al naar gelang de drager. Nu hebben sommigen in Christus twee dragers, maar een persoon aangenomen, omdat dit laatste naar hun meening een drager was, die den hoogsten graad van volmaaktheid had. Omdat zij nu twee dragers aannemen, zeiden zij, dat Christus twee onzijdig genomen was; maar omdat zij een persoon aannamen, noemden zij Hem een mannelijk genomen; omdat het onzijdige iets 521ongevormds en onvolmaakts aangeeft, maar het mannelijk geslacht iets gevormds en volmaakts. — De Nestorianen daarentegen, die in Christus niet alleen twee dragers, maar ook twee personen aannemen, noemden Hem niet alleen in het onzijdige, maar ook mannelijk genomen twee zijnden. Omdat wij echter, zooals uit het voorafgaande blijkt, in Christus maar een persoon en ook maar een drager aannemen, volgt eruit, dat wij Christus niet alleen mannelijk, maar ook onzijdig genomen, een zijnde noemen.Leerstelling. — Duidt men de natuur op zichzelf beschouwd in het abstracte aan, dan kan men behalve bij God, in Wie Datgene wat is en Datgene waardoor Het is niet verschillen, zoals in het eerste deel (29e Kw., 4e Art., Antw. op de 1e B.) is gezegd, de natuur niet zeggen van de drager of persoon. Waar er nu in Christus twee naturen zijn, nl. de goddelijke en de menselijke, kan men een ervan, nl. de goddelijke zowel abstract als concreet van Hem zeggen, want wij zeggen, dat de Zoon Gods, die in de naam Christus wordt aangeduid, de goddelijke natuur en God is. De menselijke natuur op zichzelf beschouwd echter kan niet abstract van Christus worden gezegd, maar alleen concreet, wanneer zij nl. in de drager wordt aangeduid. Want men kan niet zeggen, dat Christus de menselijke natuur is, omdat de menselijke natuur niet geschikt is om van haar drager te worden gezegd; maar men kan wel zeggen, dat Christus mens is, zoals men zegt, dat Hij God is. Nu geeft de term God dengene, die de goddelijke, 520en die van mens dengene, die de menselijke natuur bezit aan. Maar hij, die de menselijke natuur bezit, wordt door de term mens anders aangeduid als door de term Jesus of Petrus. De naam mens immers geeft de bezitter van de menselijke natuur onbepaald aan, zoals de term God Die van de godheid. Maar de termen Jesus en Petrus geven hem, die de menselijke natuur heeft, zeer bepaald aan, nl. met de bepaalde eigenschappen van een eenling, zoals de term Zoon Gods de bezitter van de goddelijke natuur met de bepaalde persoonlijke eigenschap aangeeft. Het getal twee nu wordt bij Christus wat de naturen betreft gebruikt. Zouden dus beide naturen in het abstracte van Christus worden gezegd, dan zou daaruit volgen, dat Christus twee zijnden was. Omdat zij echter van Christus niet worden gezegd tenzij wanneer zij worden aangegeven zoals zij in de drager zijn, moet men van Christus zeggen, dat Hij een of twee is al naar gelang de drager. Nu hebben sommigen in Christus twee dragers, maar een persoon aangenomen, omdat dit laatste naar hun mening een drager was, die de hoogste graad van volmaaktheid had. Omdat zij nu twee dragers aannemen, zeiden zij, dat Christus twee onzijdig genomen was; maar omdat zij een persoon aannamen, noemden zij Hem een mannelijk genomen; omdat het onzijdige iets 521ongevormds en onvolmaakts aangeeft, maar het mannelijk geslacht iets gevormds en volmaakts. — De Nestorianen daarentegen, die in Christus niet alleen twee dragers, maar ook twee personen aannemen, noemden Hem niet alleen in het onzijdige, maar ook mannelijk genomen twee zijnden. Omdat wij echter, zoals uit het voorafgaande blijkt, in Christus maar een persoon en ook maar een drager aannemen, volgt eruit, dat wij Christus niet alleen mannelijk, maar ook onzijdig genomen, een zijnde noemen.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod verbum illud Augustini non est sic intelligendum, quod ly « utrumque » teneatur ex parte praedicati; quasi dicat, quod « Christus sit utrumque ». Sed tenetur ex parte subjecti; et tunc ly « utrumque » ponitur non quasi pro duobus suppositis, sed pro duobus nominibus significantibus duas naturas in concreto. Possum enim dicere, quod « utrumque » scilicet Deus, et homo, « est Deus propter accipientem Deum » et « utrumque » scilicet Deus, et homo, « est homo propter acceptum hominem ».

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dit gezegde van Augustinus moet men niet zoo verstaan, dat dit beiden in verband staat met het gezegde, alsof hij zeide, dat « Christus beiden was », maar het behoort bij het onderwerp. En dan wordt de term beiden gebruikt niet voor twee dragers, maar voor twee termen, die in het concreet een natuur aanduiden. Want ik kan zeggen, dat beiden, nl. God en mensch, God zijn om den God, die aanneemt, en beiden, nl. God en mensch, mensch zijn om den mensch, die aangenomen wordt.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dit gezegde van Augustinus moet men niet zo verstaan, dat dit beiden in verband staat met het gezegde, alsof hij zeide, dat “Christus beiden was”, maar het behoort bij het onderwerp. En dan wordt de term beiden gebruikt niet voor twee dragers, maar voor twee termen, die in het concreet een natuur aanduiden. Want ik kan zeggen, dat beiden, nl. God en mens, God zijn om de God, die aanneemt, en beiden, nl. God en mens, mens zijn om de mens, die aangenomen wordt.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod cum dicitur: « Christus est aliud, et 522aliud » locutio est exponenda, ut sit sensus: « Habens aliam, et aliam naturam ». Et hoc modo exponit Augustinus in lib. contra Felicianum [cap. 11.]. Ubi cum dixisset: « In mediatore Dei, et hominum aliud Dei filius, aliud hominis filius »; subdit: « Aliud, inquam, pro discretione substantiae, non aliud pro unitate personae ». Unde Gregorius Nazianzenus in Epist. 1. ad Chelidonium dicit: « Si oportet compendiose dicere, aliud quidem, et aliud ea, ex quibus Salvator est: siquidem non idem est invisibile visibili, et quod absque tempore, ei quod sub tempore: non autem alius, et alius: absit; haec enim ambo unum ».

2. Als men zegt, dat Christus het eene en het andere is, dan 522moet men deze uitdrukking zoo uitleggen, dat zij beteekent: is iemand, die de eene en de andere natuur bezit. Zoo legt Augustinus in het boek Tegen Felicianus (11e H.) het uit, waar hij als hij zegt: « In den middelaar tusschen God en de menschen is het Zoon Gods en het andere Menschenzoon », daarop laat volgen: « Ik sprak van « het eene » om het verschil in zelfstandigheid, niet van « den eene » om een persoonsverschil ». En Gregorius van Nazianze zegt in den Brief aan Chelidonius (101e Br.): « Moeten wij het kort zeggen, dan zijn de elementen, waaruit onze Verlosser bestaat, iets anders, omdat het onzichtbare nl. niet hetzelfde is als het zichtbare, en dat wat buiten den tijd ligt als datgene wat door den tijd wordt bepaald. Maar geen verschillende personen, dat zij verre. Want beiden zijn een ».2. Als men zegt, dat Christus het ene en het andere is, dan 522moet men deze uitdrukking zo uitleggen, dat zij betekent: is iemand, die de ene en de andere natuur bezit. Zo legt Augustinus in het boek Tegen Felicianus (11e H.) het uit, waar hij als hij zegt: “In de middelaar tussen God en de mensen is het Zoon Gods en het andere Mensenzoon”, daarop laat volgen: “Ik sprak van ‘het ene’ om het verschil in zelfstandigheid, niet van ‘de ene’ om een persoonsverschil”. En Gregorius van Nazianze zegt in de Brief aan Chelidonius (101e Br.): “Moeten wij het kort zeggen, dan zijn de elementen, waaruit onze Verlosser bestaat, iets anders, omdat het onzichtbare nl. niet hetzelfde is als het zichtbare, en dat wat buiten de tijd ligt als datgene wat door de tijd wordt bepaald. Maar geen verschillende personen, dat zij verre. Want beiden zijn een”.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod haec est falsa: « Christus est tantum homo ». Quia non excludit aliud suppositum, sed aliam naturam: eo quod termini in praedicato positi formaliter tenentur. Si vero adderetur aliquid, per quod traheretur ad suppositum, esset vera locutio: puta: « Christus est tantum id quod est homo », non tamen sequitur, quod sit « aliquid aliud quam homo » quia ly « aliud » cum sit relativum diversitatis substantiae, 523proprie refertur ad suppositum, sicut et omnia relativa facientia personalem relationem: sequitur autem « ergo habet aliam naturam ».

3. De bewering: Christus is enkel mensch, is onwaar, omdat zij niet een anderen drager, maar een andere natuur ontkent, daar als gezegde gebruikte termen formeel genomen moeten worden. Werd er echter iets bijgevoegd, waardoor het op den drager ging slaan, dan zou het een goede uitdrukking zijn, bv.: Christus is alleen datgene, wat een mensch is. Daaruit zou niet volgen, dat Hij iets anders als een mensch was, omdat de term iets anders, die een andere zelfstandigheid aanduidt, eigenlijk slaat op den drager, evenals alle verhoudingstermen, die een verhouding tusschen 523personen aangeven. Er zou dus uit volgen: « Dus heeft Hij een andere natuur ».3. De bewering: Christus is enkel mens, is onwaar, omdat zij niet een anderen drager, maar een andere natuur ontkent, daar als gezegde gebruikte termen formeel genomen moeten worden. Werd er echter iets bijgevoegd, waardoor het op de drager ging slaan, dan zou het een goede uitdrukking zijn, bv.: Christus is alleen datgene, wat een mens is. Daaruit zou niet volgen, dat Hij iets anders als een mens was, omdat de term iets anders, die een andere zelfstandigheid aanduidt, eigenlijk slaat op de drager, evenals alle verhoudingstermen, die een verhouding tussen 523personen aangeven. Er zou dus uit volgen: “Dus heeft Hij een andere natuur”.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod cum dicitur: « Christus est aliquid, quod est Pater » ly « aliquid » tenetur pro natura divina, quae etiam in abstracto praedicatur de Patre, et Filio. Sed cum dicitur: « Christus est aliquid, quod non est Pater » ly « aliquid » tenetur non pro ipsa natura humana, secundum quod significatur in abstracto, sed secundum quod significatur in concreto; non quidem secundum suppositum distinctum, sed secundum suppositum indistinctum; prout scilicet substat naturae, non autem proprietatibus individuantibus. Et ideo non sequitur, quod Christus sit « aliud, et aliud » vel quod sit « duo »; quia suppositum humanae naturae in Christo, quod est persona Filii Dei, non ponit in numerum, cum natura divina, quae praedicatur de Patre et Filio.

4. Als gezegd wordt, dat « Christus iets is, dat de Vader is », dan slaat dit iets op de goddelijke natuur, die ook abstract van den Vader en den Zoon wordt gezegd. Zegt men echter: Christus is iets, dat de Vader niet is, dan slaat dit iets op de menschelijke natuur, niet abstract, maar concreet aangegeven; en niet naar een bepaalden, maar naar een onbepaalden drager, in zoover deze de natuur draagt, maar zonder de eigenschappen, die er een eenling van maken. Daarom volgt er niet uit, dat Christus het eene en het ander is of dat Hij twee zijnden is; omdat de drager van de menschelijke natuur in Christus, die de persoon van Gods Zoon is, geen veelvoudigheid geeft te zamen met de goddelijke natuur, die van den Vader en den Zoon wordt gezegd.4. Als gezegd wordt, dat “Christus iets is, dat de Vader is”, dan slaat dit iets op de goddelijke natuur, die ook abstract van de Vader en de Zoon wordt gezegd. Zegt men echter: Christus is iets, dat de Vader niet is, dan slaat dit iets op de menselijke natuur, niet abstract, maar concreet aangegeven; en niet naar een bepaalden, maar naar een onbepaalden drager, in zover deze de natuur draagt, maar zonder de eigenschappen, die er een eenling van maken. Daarom volgt er niet uit, dat Christus het ene en het ander is of dat Hij twee zijnden is; omdat de drager van de menselijke natuur in Christus, die de persoon van Gods Zoon is, geen veelvoudigheid geeft te zamen met de goddelijke natuur, die van de Vader en de Zoon wordt gezegd.

↑ bedenking 5

Ad quintum dicendum, quod in mysterio divinae Trinitatis natura divina praedicatur etiam in abstracto de tribus personis: et ideo simpliciter potest dici, quod « tres personae sint unum ». Sed in mysterio Incarnationis non praedicantur ambae naturae in abstracto de Christo; et ideo non potest simpliciter dici, quod « Christus sit duo ».

5. In het geheim der Drievuldigheid wordt de goddelijke natuur abstract van de drie personen gezegd, en daarom kan men zonder voorbehoud zeggen, dat de drie personen een zijn. Maar bij het geheim der Menschwording worden de twee naturen niet abstract van Christus gezegd, en daarom kan men niet zonder voorbehoud zeggen, dat Christus twee is.5. In het geheim van de Drievuldigheid wordt de goddelijke natuur abstract van de drie personen gezegd, en daarom kan men zonder voorbehoud zeggen, dat de drie personen een zijn. Maar bij het geheim van de Menswording worden de twee naturen niet abstract van Christus gezegd, en daarom kan men niet zonder voorbehoud zeggen, dat Christus twee is.

↑ bedenking 6

524Ad sextum dicendum, quod « duo » dicitur, quasi habens dualitatem, non quidem in aliquo alio, sed in ipso de quo duo praedicatur. Fit autem praedicatio de supposito, quod importatur per hoc nomen « Christus ». Quamvis igitur Christus habeat dualitatem naturarum; quia tamen non habet dualitatem suppositorum, non potest dici Christus esse duo.

5246. Men spreekt van twee als van iemand, die twee dingen heeft, niet in een ander, maar in hem zelf, waarvan twee dingen worden gezegd. Nu wordt iets gezegd van den drager, die in den naam Christus wordt aangeduid. Al heeft Christus dus een dubbele natuur, toch kan men niet zeggen, dat Hij twee is, omdat Hij geen dubbele drager is.5246. Men spreekt van twee als van iemand, die twee dingen heeft, niet in een ander, maar in hemzelf, waarvan twee dingen worden gezegd. Nu wordt iets gezegd van de drager, die in de naam Christus wordt aangeduid. Al heeft Christus dus een dubbele natuur, toch kan men niet zeggen, dat Hij twee is, omdat Hij geen dubbele drager is.

↑ bedenking 7

Ad septimum dicendum, quod « alterum » importat diversitatem accidentis: et ideo diversitas accidentis sufficit ad hoc quod aliquid simpliciter dicatur « alterum ». Sed « aliud » importat diversitatem substantiae: substantia autem dicitur non solum natura, sed etiam suppositum, ut dicitur in 5. Met. [S. Th. lect. 10.]. Et ideo diversitas naturae non sufficit ad hoc, quod aliquid simpliciter dicatur aliud ,nisi adsit diversitas secundum suppositum. Sed diversitas naturae facit aliud secundum quid, scilicet secundum naturam, si non adsit diversitas suppositi.

7. Iets dat anders is beteekent een verschil in een bijkomstigheid en daarom is een verschil in een bijkomstigheid voldoende om iets zonder voorbehoud anders te laten noemen. Maar iets anders geeft een verschil in zelfstandigheid aan, en zelfstandigheid geeft niet alleen de natuur, maar ook den drager aan, zooals in het 5e boek Over de Metaphysiek wordt gezegd. Daarom is een verschil in natuur niet voldoende om iets zonder voorbehoud iets anders te noemen, als het verschil in drager er niet is. Verschil in natuur maakt iets onder zeker opzicht anders, nl. in natuur, als er geen verschil in drager is.7. Iets dat anders is betekent een verschil in een bijkomstigheid en daarom is een verschil in een bijkomstigheid voldoende om iets zonder voorbehoud anders te laten noemen. Maar iets anders geeft een verschil in zelfstandigheid aan, en zelfstandigheid geeft niet alleen de natuur, maar ook de drager aan, zoals in het 5e boek Over de Metafysica wordt gezegd. Daarom is een verschil in natuur niet voldoende om iets zonder voorbehoud iets anders te noemen, als het verschil in drager er niet is. Verschil in natuur maakt iets onder zeker opzicht anders, nl. in natuur, als er geen verschil in drager is.

Articulus II

Utrum in Christo sit tantum unum esse

[3. Dist. 4. q. 1. art. 2. q. 1. et Dist. 6. q. 2. art. 2. et Dist. 14. art. 1. q. 1. et Quodl. 9. q. 2. art. 2. et Comp. Theol. cap. 212.]
IIe Artikel

Is er in Christus maar een zijn?

antwoord 1 ↓

525Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod in Christo non sit tantum unum esse, sed duo. Dicit enim Damascenus in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 13.], quod ea quae consequuntur naturam in Christo duplicantur. Sed esse consequitur naturam: esse enim est a forma. Ergo in Christo sunt duo esse.

525Bedenkingen. — Men beweert, dat er in Christus niet slechts een, maar een dubbel zijn gevonden wordt. — 1. Want Damascenus zegt in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 13e H.), dat wat de natuur volgt, in Christus dubbel is. Nu volgt het zijn de natuur, omdat het zijn van den vorm komt. Dus is er in Christus een dubbel zijn.525Bedenkingen. — Men beweert, dat er in Christus niet slechts een, maar een dubbel zijn gevonden wordt. — 1. Want Damascenus zegt in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 13e H.), dat wat de natuur volgt, in Christus dubbel is. Nu volgt het zijn de natuur, omdat het zijn van de vorm komt. Dus is er in Christus een dubbel zijn.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, esse Filii Dei est ipsa natura divina, et est aeternum. Esse autem hominis Christi non est divina natura, sed est esse temporale. Ergo in Christo non est tantum unum esse.

2. Het zijn van Gods Zoon is de goddelijke natuur zelf en eeuwig. Het zijn echter van den mensch Christus is de goddelijke natuur niet, en is in den tijd. Dus is er in Christus niet maar een zijn.2. Het zijn van Gods Zoon is de goddelijke natuur zelf en eeuwig. Het zijn echter van de mens Christus is de goddelijke natuur niet, en is in de tijd. Dus is er in Christus niet maar een zijn.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, in Trinitate quamvis sint tres personae, est tamen unum esse propter unitatem naturae. Sed in Christo sunt duae naturae, quamvis sit una persona. Ergo in Christo non est tantum unum esse, sed duo.

3. Al zijn er drie personen in de Drievuldigheid, toch is er maar een zijn om de eenheid in natuur. Nu zijn er in Christus twee naturen, al is er maar een persoon. Dus is er in Hem niet maar een, doch een dubbel zijn.

antwoord 4 ↓

5264. Praeterea, in Christo anima dat aliquod esse corpori, cum sit forma ejus: sed non dat sibi esse divinum, cum sit increatum. Ergo in Christo est aliud esse praeter esse divinum. Et sic in Christo non est tantum unum esse.

5264. In Christus geeft de ziel een zijn aan het lichaam, omdat zij zijn vorm is. Het goddelijke zijn geeft zij niet, omdat het ongeschapen is. Dus is er in Hem behalve het goddelijke nog een ander zijn, en is er niet maar een zijn in Hem.

Sed contra, unumquodque secundum hoc dicitur ens, secundum quod dicitur unum: quia unum, et ens convertuntur. Si ergo in Christo essent duo esse, et non tantum unum, Christus esset duo, et non unum.

Maar daartegenover staat, dat alles, in zoover het een zijnde wordt genoemd, ook een wordt genoemd, omdat zijnde en een omkeerbaar zijn. Als er dus in Christus twee zijns waren, en niet maar een, zouden Christus twee en niet een zijnde zijn.Maar daartegenover staat, dat alles, in zover het een zijnde wordt genoemd, ook een wordt genoemd, omdat zijnde en een omkeerbaar zijn. Als er dus in Christus twee zijns waren, en niet maar een, zouden Christus twee en niet een zijnde zijn.

Respondeo dicendum, quod, quia in Christo sunt duae naturae, et una hypostasis, necesse est, quod ea quae ad naturam pertinent in Christo, sint duo; quae autem pertinent ad hypostasim in Christo, sint unum tantum. Esse autem pertinet et ad naturam, et ad hypostasim: ad hypostasim quidem, sicut ad id quod habet esse: ad naturam autem, sicut ad id quo aliquid habet esse. Natura enim significatur per modum formae, quae dicitur ens ex eo, quod ea aliquid est; sicut albedine est aliquid album, et humanitate est aliquis homo. Est autem considerandum, quod si est aliqua forma, vel natura, quae non pertineat ad esse personale hypostasis 527subsistentis, illud esse non dicitur esse illius personae simpliciter, sed secundum quid: sicut esse album est esse Socratis, non inquantum est Socrates, sed inquantum est albus; et hujusmodi esse nihil prohibet multiplicari in una hypostasi, vel persona: aliud enim est esse, quo Socrates est albus, et quo Socrates est musicus. Sed illud esse, quod pertinet ad ipsam hypostasim, vel personam, secundum se, impossibile est in una hypostasi, vel persona multiplicari: quia impossibile est, quod unius rei non sit unum esse.

Leerstelling. — Omdat er in Christus twee naturen en een hypostase zijn, moet wat bij de naturen hoort in Christus dubbel en wat bij den persoon behoort in Hem maar enkel zijn. Nu behoort het zijn tot de natuur en tot de hypostase, nl. tot de hypostase als tot datgene, wat het zijn heeft en tot de natuur als tot datgene, waardoor iets het zijn heeft; omdat de natuur als een vorm wordt aangeduid, die een zijnde wordt genoemd, omdat er door haar iets is, zooals door de witheid iets wit en door de menschheid iets een mensch is. Nu moet men er rekening mee houden, dat als er een vorm of natuur is, die niet tot het persoonlijke zijn van de zelfstandig bestaande hypostase behoort, dit zijn niet zonder 527voorbehoud het zijn van dien persoon wordt genoemd, maar in zeker opzicht, zooals het wit zijn een zijn van Socrates is, niet in zoover hij Socrates, maar in zoover hij wit is. En er is niets tegen, dat zulke dingen in het meervoud voorkomen in een hypostase of persoon, want het zijn, waardoor Socrates wit is, is een ander dan dat waardoor hij musicaal is. Maar het zijn, dat om zichzelf tot de hypostase of persoon zelf behoort, kan in een hypostase of persoon niet meervoudig zijn, omdat er van een ding niet meer dan een zijn mogelijk is.Leerstelling. — Omdat er in Christus twee naturen en een hypostase zijn, moet wat bij de naturen hoort in Christus dubbel en wat bij de persoon behoort in Hem maar enkel zijn. Nu behoort het zijn tot de natuur en tot de hypostase, nl. tot de hypostase als tot datgene, wat het zijn heeft en tot de natuur als tot datgene, waardoor iets het zijn heeft; omdat de natuur als een vorm wordt aangeduid, die een zijnde wordt genoemd, omdat er door haar iets is, zoals door de witheid iets wit en door de mensheid iets een mens is. Nu moet men er rekening mee houden, dat als er een vorm of natuur is, die niet tot het persoonlijke zijn van de zelfstandig bestaande hypostase behoort, dit zijn niet zonder 527voorbehoud het zijn van die persoon wordt genoemd, maar in zeker opzicht, zoals het wit zijn een zijn van Socrates is, niet in zover hij Socrates, maar in zover hij wit is. En er is niets tegen, dat zulke dingen in het meervoud voorkomen in een hypostase of persoon, want het zijn, waardoor Socrates wit is, is een ander dan dat waardoor hij musicaal is. Maar het zijn, dat om zichzelf tot de hypostase of persoon zelf behoort, kan in een hypostase of persoon niet meervoudig zijn, omdat er van een ding niet meer dan een zijn mogelijk is.

Si igitur humana natura adveniret Filio Dei non hypostatice, vel personaliter, sed accidentaliter, sicut quidam posuerunt [q. 2. art. 6.], oporteret ponere in Christo duo esse, unum quidem, secundum quod est Deus; aliud autem, secundum quod est homo: sicut in Socrate ponitur aliud esse, secundum quod est albus, et aliud, secundum quod est homo: quia esse album non pertinet ad ipsum esse personale Socratis. Esse autem capitatum, et esse corporeum, et esse animatum, totum pertinet ad unam personam Socratis; et ideo ex omnibus his non fit nisi unum esse in Socrate; et si contingeret, quod post constitutionem personae Socratis adveniret Socrati manus, vel pedes, vel oculi, sicut accidit in caeco nato, ex his non 528accresceret Socrati aliud esse, sed solum relatio quaedam ad hujusmodi: quia scilicet diceretur esse non solum secundum ea quae prius habebat, sed etiam secundum ea quae sibi postmodum advenerunt.

Kwam dus de menschelijke natuur aan Gods Zoon niet hypostatisch of persoonlijk, maar als een bijkomstigheid toe, gelijk sommigen beweerden, dan zou men een dubbel zijn in Hem moeten aannemen, een in zoover Hij God is en een ander in zoover Hij mensch is. Evenzoo neemt men in Socrates een zijn aan, waardoor hij wit en een ander, waardoor hij mensch is aan; want wit zijn behoort niet tot het persoonlijke zijn van Socrates. Maar in het bezit van een hoofd of een lichaam of een ziel zijn, dat alles behoort tot den eenen persoon van Socrates, en daarom ontstaat uit al die dingen in Socrates maar een zijn. En zou Socrates, nadat zijn persoon gevormd was, handen of voeten of oogen erbij krijgen, zooals bij den blindgeborene is geschied, dan zou hij er daardoor 528geen ander zijn bijkrijgen, maar alleen een verhouding tot dergelijke dingen, omdat er nl. niet alleen zou gezegd worden, dat hij er was wat de dingen die hij eerst had, maar ook wat de dingen die er naderhand bijkwamen betreft.Kwam dus de menselijke natuur aan Gods Zoon niet hypostatisch of persoonlijk, maar als een bijkomstigheid toe, gelijk sommigen beweerden, dan zou men een dubbel zijn in Hem moeten aannemen, een in zover Hij God is en een ander in zover Hij mens is. Evenzo neemt men in Socrates een zijn aan, waardoor hij wit en een ander, waardoor hij mens is aan; want wit zijn behoort niet tot het persoonlijke zijn van Socrates. Maar in het bezit van een hoofd of een lichaam of een ziel zijn, dat alles behoort tot de ene persoon van Socrates, en daarom ontstaat uit al die dingen in Socrates maar een zijn. En zou Socrates, nadat zijn persoon gevormd was, handen of voeten of ogen erbij krijgen, zoals bij de blindgeborene is geschied, dan zou hij er daardoor 528geen ander zijn bijkrijgen, maar alleen een verhouding tot dergelijke dingen, omdat er nl. niet alleen zou gezegd worden, dat hij er was wat de dingen die hij eerst had, maar ook wat de dingen die er naderhand bijkwamen betreft.

Sic igitur cum humana natura conjungatur Filio Dei hypostatice, vel personaliter, ut supra dictum est [q. 2. art. 6.], et non accidentaliter, consequens est quod secundum humanam naturam non adveniat sibi novum esse personale, sed solum nova habitudo esse personalis praeexistentis ad naturam humanam; ut scilicet persona illa jam dicatur subsistere non solum secundum divinam naturam, sed etiam secundum humanam.

Daar dus zooals boven gezegd is (2e Kw., 6e Art.) de menschelijke natuur hypostatisch of in persoon met Gods Zoon vereenigd is en niet bijkomstig, volgt er uit dat Hij er naar de menschelijke natuur geen nieuw persoonlijk zijn bij kreeg, maar alleen een nieuwe verhouding van het reeds bestaande persoonlijke zijn tot de menschelijke natuur, zoodat men nl. van dien Persoon niet alleen zegt, dat zij naar de goddelijke, maar ook naar de menschelijke natuur is.Daar dus zoals boven gezegd is (2e Kw., 6e Art.) de menselijke natuur hypostatisch of in persoon met Gods Zoon verenigd is en niet bijkomstig, volgt er uit dat Hij er naar de menselijke natuur geen nieuw persoonlijk zijn bij kreeg, maar alleen een nieuwe verhouding van het reeds bestaande persoonlijke zijn tot de menselijke natuur, zodat men nl. van die Persoon niet alleen zegt, dat zij naar de goddelijke, maar ook naar de menselijke natuur is.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod esse consequitur naturam, non sicut habentem esse, sed sicut qua aliquid est: personam autem, sive hypostasim consequitur, sicut habentem esse; et ideo magis retinet unitatem secundum unitatem hypostasis, quam habeat dualitatem secundum dualitatem naturae.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het zijn volgt de natuur niet als datgene, wat het zijn heeft, maar waardoor iets het zijn heeft; het volgt echter den persoon of hypostase als datgene, wat het zijn heeft. En daarom behoudt het krachtens de eenheid der hypostase meer de eenheid dan een tweevoudigheid krachtens de dubbele natuur.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het zijn volgt de natuur niet als datgene, wat het zijn heeft, maar waardoor iets het zijn heeft; het volgt echter de persoon of hypostase als datgene, wat het zijn heeft. En daarom behoudt het krachtens de eenheid van de hypostase meer de eenheid dan een tweevoudigheid krachtens de dubbele natuur.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod illud esse aeternum Filii Dei, quod 529est divina natura, fit esse hominis, inquantum humana natura assumitur a Filio Dei in unitatem personae.

2. Het eeuwige zijn van Gods Zoon, dat de goddelijke natuur is, wordt het zijn van den mensch, in zoover de menschelijke 529natuur door Gods Zoon in de eenheid van persoon opgenomen wordt.2. Het eeuwige zijn van Gods Zoon, dat de goddelijke natuur is, wordt het zijn van de mens, in zover de menselijke 529natuur door Gods Zoon in de eenheid van persoon opgenomen wordt.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod, sicut in 1. dictum est [q. 50. art. 2. ad 3. q. 75. art. 5. ad 4.], quia persona divina est idem cum natura, in personis divinis non est aliud esse personae praeter esse naturae: et ideo tres personae non habent nisi unum esse; haberent autem triplex esse, si in eis esset aliud esse personae, et aliud esse naturae.

3. Omdat, zooals in het eerste deel (50e Kw., 2e Art., Antw. op de 3e B.; 75e Kw., 5e Art., Antw. op de 4e B.) is gezegd, de goddelijke persoon hetzelfde is als de natuur, is het persoonlijke zijn bij de goddelijke personen niets anders als het zijn der natuur; en daarom hebben de drie personen maar een zijn. Was er in hen verschil tusschen zijn van persoon en natuur, dan hadden Zij een drievoudig zijn.3. Omdat, zoals in het eerste deel (50e Kw., 2e Art., Antw. op de 3e B.; 75e Kw., 5e Art., Antw. op de 4e B.) is gezegd, de goddelijke persoon hetzelfde is als de natuur, is het persoonlijke zijn bij de goddelijke personen niets anders als het zijn van de natuur; en daarom hebben de drie personen maar een zijn. Was er in hen verschil tussen zijn van persoon en natuur, dan hadden Zij een drievoudig zijn.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod anima in Christo dat esse corpori, inquantum facit ipsum actu animatum; quod est dare ei complementum naturae, et speciei. Sed si intelligatur corpus perfectum per animam absque hypostasi habente utrumque, hoc totum compositum ex anima, et corpore, prout significatur nomine « humanitatis » non significatur ut quod est, sed ut quo aliquid est. Et ideo ipsum esse est personae subsistentis, secundum quod habet habitudinem ad talem naturam: cujus habitudinis causa est anima, inquantum perficit humanam naturam informando corpus.

4. Christus' ziel geeft aan het lichaam het zijn in zoover zij het actueel bezield maakt; en dat beteekent er de vervolmaking van natuur en soort aan geven. Beschouwen wij echter het door de ziel vervolmaakte lichaam zonder de hypostase, die hen beiden bezit, dan duiden wij dit uit lichaam en ziel samengestelde geheel, als wij het den naam menschheid geven, niet aan als datgene wat is, maar als datgene waardoor iets is. Daarom komt het zijn zelf toe aan de zelfstandig bestaande persoon, in zoover deze een verhouding tot die natuur heeft; en de oorzaak van deze verhouding is de ziel, in zoover zij door het lichaam te informeeren de menschelijke natuur vervolmaakt.4. Christus' ziel geeft aan het lichaam het zijn in zover zij het actueel bezield maakt; en dat betekent er de vervolmaking van natuur en soort aan geven. Beschouwen wij echter het door de ziel vervolmaakte lichaam zonder de hypostase, die hen beiden bezit, dan duiden wij dit uit lichaam en ziel samengestelde geheel, als wij het de naam mensheid geven, niet aan als datgene wat is, maar als datgene waardoor iets is. Daarom komt het zijn zelf toe aan de zelfstandig bestaande persoon, in zover deze een verhouding tot die natuur heeft; en de oorzaak van deze verhouding is de ziel, in zover zij door het lichaam te informeren de menselijke natuur vervolmaakt.