De pertinentibus ad unitatem Christi quantum ad operationem1, in quatuor articulos divisa
Over de eenheid van handelen bij Christus
558Deinde considerandum est de unitate operationis Christi.
558Vervolgens moeten wij over de eenheid van handelen bij Christus spreken.
Et circa hoc quaeruntur quatuor: 1. Utrum in Christo sit una operatio divinitatis, et humanitatis, vel plures. — 2. Utrum in Christo sint plures operationes secundum humanam naturam. — 3. Utrum Christus secundum humanam operationem aliquid sibi meruerit. — 4. Utrum per eam aliquid meruerit nobis.
En hierover stellen wij ons vier vragen: 1. Bestond er in Christus één werkzaamheid van Zijn godheid en Zijn menschheid, of meerdere? 2. Bestond er in Christus naar de menschelijke natuur een meervoudig handelen? 3. Verdiende Christus iets voor zich door Zijn werkzaamheid als mensch? 4. Verdiende Hij daardoor iets voor ons?En hierover stellen wij ons vier vragen: 1. Bestond er in Christus één werkzaamheid van Zijn godheid en Zijn mensheid, of meerdere? 2. Bestond er in Christus naar de menselijke natuur een meervoudig handelen? 3. Verdiende Christus iets voor zich door Zijn werkzaamheid als mens? 4. Verdiende Hij daardoor iets voor ons?
Utrum in Christo sit una tantum operatio divinitatis, et humanitatis
Was er in Christus maar één werkzaamheid van Zijn godheid en Zijn menschheid?Was er in Christus maar één werkzaamheid van Zijn godheid en Zijn mensheid?
559Ad primum sic proceditur. Videtur, quod in Christo sit una tantum operatio divinitatis, et humanitatis. Dicit enim Dionysius in 2. cap. de Div. Nom. [S. Th. lect. 3.]: « Discreta autem est benignissima circa nos Dei operatio per hoc, quod secundum nos ex nobis integre vereque humanatum est Verbum, quod est supra substantiam, et operari et pati, quaecumque humanae ejus, divinaeque operationi congruunt ». Ubi unam operationem nominat humanam, et divinam, quae in graeco dicitur « θεανδρική » idest « Dei virilis ». Videtur igitur esse una operatio composita in Christo.
559Bedenkingen. — Men beweert, dat er in Christus maar één werkzaamheid was van Zijn godheid en Zijn menschheid. — 1. Want Dionysius zegt in het 2e hoofdstuk Over de Namen van God: « Gods zeer goedertieren werkzaamheid ten opzichte van ons is hierom zoo fijngevoelig, dat het Woord naar onze manier van bestaan en uit ons waarlijk en volledig mensch is geworden, dat boven alle zelfstandigheid is; en Het doet en ondergaat, wat bij Zijn goddelijke en menschelijke werkzaamheid past ». Daar noemt hij dus een werkzaamheid de goddelijke en menschelijke, die in het Grieksch theandrica, dwz. godmenschelijk wordt genoemd. Dus schijnt er maar een samengestelde werkzaamheid in Christus te zijn.559Bedenkingen. — Men beweert, dat er in Christus maar één werkzaamheid was van Zijn godheid en Zijn mensheid. — 1. Want Dionysius zegt in het 2e hoofdstuk Over de Namen van God: “Gods zeer goedertieren werkzaamheid ten opzichte van ons is hierom zo fijngevoelig, dat het Woord naar onze manier van bestaan en uit ons waarlijk en volledig mens is geworden, dat boven alle zelfstandigheid is; en Het doet en ondergaat, wat bij Zijn goddelijke en menselijke werkzaamheid past”. Daar noemt hij dus een werkzaamheid de goddelijke en menselijke, die in het Grieks theandrica, dwz. godmenselijk wordt genoemd. Dus schijnt er maar een samengestelde werkzaamheid in Christus te zijn.
2. Praeterea, principalis agentis, et instrumenti est una sola operatio. Sed humana natura in Christo fuit instrumentum divinae, ut supra dictum 560est [q. 2. art. 6. arg. 4.]. Ergo eadem est divinae, et humanae naturae in Christo operatio.
2. De voornaamste werkoorzaak en het werktuig oefenen samen een enkele werkzaamheid uit. Nu was zooals boven is gezegd (2e Kw., 6e Art., 4e B.) de menschelijke natuur in Christus het 560werktuig van Zijn goddelijke. Dus is er in Christus een werkzaamheid van de goddelijke en de menschelijke natuur.2. De voornaamste werkoorzaak en het werktuig oefenen samen een enkele werkzaamheid uit. Nu was zoals boven is gezegd (2e Kw., 6e Art., 4e B.) de menselijke natuur in Christus het 560werktuig van Zijn goddelijke. Dus is er in Christus een werkzaamheid van de goddelijke en de menselijke natuur.
3. Praeterea, cum in Christo sint duae naturae in una hypostasi, vel persona, necessarium est unum et idem esse, quod pertinet ad hypostasim vel personam. Sed operatio pertinet ad hypostasim, vel personam: nihil enim operatur, nisi supplementum1 subsistens. Unde secundum Philos. [l. 1. Metaph. cap. 1. n. 6. S. Th. lect. 1.] « actus sunt singularium ». Ergo in Christo est una et eadem operatio divinitatis, et humanitatis.
3. Omdat er in Christus twee naturen in een hypostase of persoon zijn, moet wat tot persoon of hypostase behoort een en hetzelfde zijn. Nu behoort het handelen tot de hypostase, want niets werkt tenzij een zelfstandig bestaande drager; daarom komen de handelingen zooals de Philosoof zegt aan de enkelingen toe. Dus is in Christus de werkzaamheid van de goddelijke en de menschelijke natuur een en dezelfde.3. Omdat er in Christus twee naturen in een hypostase of persoon zijn, moet wat tot persoon of hypostase behoort een en hetzelfde zijn. Nu behoort het handelen tot de hypostase, want niets werkt tenzij een zelfstandig bestaande drager; daarom komen de handelingen zoals de Filosoof zegt aan de enkelingen toe. Dus is in Christus de werkzaamheid van de goddelijke en de menselijke natuur een en dezelfde.
4. Praeterea, sicuti esse est hypostasis subsistentis, ita etiam operari. Sed propter unitatem hypostasis est in Christo unum esse, ut supra dictum est [q. 17. art. 2.]. Ergo etiam propter eamdem unitatem est in Christo una operatio.
4. Evenals het zijn komt ook het handelen aan de zelfstandig bestaande hypostase toe. Nu is er in Christus om de eenheid van hypostase maar een zijn zooals boven is gezegd (17e Kw., 2e Art.). Dus om dezelfde eenheid ook maar één werkzaamheid.4. Evenals het zijn komt ook het handelen aan de zelfstandig bestaande hypostase toe. Nu is er in Christus om de eenheid van hypostase maar een zijn zoals boven is gezegd (17e Kw., 2e Art.). Dus om dezelfde eenheid ook maar één werkzaamheid.
5. Praeterea, ubi est unum operatum, ibi est una operatio. Sed idem operatum erat divinitatis, et humanitatis; sicut sanatio leprosi, vel suscitatio mortui. Ergo videtur, quod in Christo sit una tantum operatio divinitatis, et humanitatis.
5. Waar er één door de handeling voortgebracht ding is, is er maar een werkzaamheid. Nu is wat door godheid en menschheid wordt voortgebracht, maar één ding als de genezing van de melaatsche en het opwekken van den doode. Dus schijnt er in Christus maar één werkzaamheid van Godheid en menschheid te zijn.5. Waar er één door de handeling voortgebracht ding is, is er maar een werkzaamheid. Nu is wat door godheid en mensheid wordt voortgebracht, maar één ding als de genezing van de melaatse en het opwekken van de dode. Dus schijnt er in Christus maar één werkzaamheid van Godheid en mensheid te zijn.
561Sed contra est, quod Ambrosius dicit in 2. lib. ad Gratianum imperatorem [De Fid. lib. 2. cap. 8.]: « Quemadmodum eadem operatio diversae est potestatis? numquid sic potest minor, quemadmodum major operari, aut una operatio potest esse, ubi diversa substantia est »?
561Maar daartegenover staat, dat Ambrosius in het 2e boek Aan Keizer Gratianus (8e H.) zegt: « Hoe zou dezelfde werkzaamheid uit verschillende macht voortkomen? Kan de mindere dan zoo handelen als de meerdere? Of kan er één werkzaamheid zijn, waar er een verschillende zelfstandigheid is? »561Maar daartegenover staat, dat Ambrosius in het 2e boek Aan Keizer Gratianus (8e H.) zegt: “Hoe zou dezelfde werkzaamheid uit verschillende macht voortkomen? Kan de mindere dan zo handelen als de meerdere? Of kan er één werkzaamheid zijn, waar er een verschillende zelfstandigheid is?”
Respondeo dicendum, quod haeretici supra dicti [q. praec. art. 1.], posuerunt in Christo unam voluntatem, posuerunt etiam in Christo unam operationem; et ut eorum opinio erronea melius intelligatur, considerandum est, quod ubicumque sunt plura agentia ordinata, inferius movetur a superiori: sicut in homine corpus movetur ab anima, et inferiores vires a ratione. Sic igitur actiones, et motus inferioris principii sunt magis operata quaedam, quam operationes. Id autem quod pertinet ad supremum principium, est proprie operatio: puta si dicamus in homine, quod ambulare, quod est pedum, et palpare, quod est manuum, sunt quaedam hominis operata, quorum unum operatur anima per pedes, aliud per manus: et quia est eadem anima operans per utrumque, ex parte ipsius operantis, quod est primum 562principium movens, est una et indifferens operatio. Ex parte autem ipsorum operatorum differentia invenitur; sicut2 autem in homine puro corpus movetur ab anima, et appetitus sensitivus a rationali: ita in Domino Jesu Christo humana natura movebatur, et regebatur a divina. Et ideo dicebant, quod eadem est operatio, et indifferens ex parte ipsius divinitatis operantis: sunt tamen diversa operata; inquantum scilicet divinitas Christi aliud agebat per seipsam, sicut quod « portabat omnia verbo virtutis suae » [Hebr. 1, v. 3] aliud autem per humanam naturam, sicut quod corporaliter ambulabat. Unde in sexta Synodo [scilicet Const. 3. gener. 6. act. 10. inter med. et fin.], inducuntur verba Severi haeretici sic dicentis: « Ea quae agebantur, et operabantur ab uno Christo, multum differunt; quaedam enim sunt Deo decibilia, quaedam humana; veluti corporaliter vadere super terram, profecto humanum est, cruribus vero vexatis, et ambulare super terram penitus non valentibus sanum gressum donare, Deo decibile est: sed unus, scilicet incarnatum Verbum, hoc, et illud operatus est: et 563nequaquam hoc quidem hujus, hoc vero hujus est naturae: neque eo quod diversa sunt operamenta, ideo duas operatrices naturas, atque formas juste deferimus ». Sed in hoc decipiebantur; quia actio ejus quod movetur ab altero, est duplex: una quidem, quam habet secundum propriam formam: alia autem, quam habet secundum quod movetur ab alio, sicut securis operatio secundum propriam formam est incisio; secundum autem quod movetur ab artifice, operatio ejus est facere scamnum. Operatio igitur, quae est alicujus rei secundum suam formam, est propria ejus; nec pertinet ad moventem, nisi secundum quod utitur hujusmodi re ad suam operationem: sicut calefacere est propria operatio ignis, non autem fabri, nisi quatenus utitur igne ad calefaciendum ferrum. Sed illa operatio, quae est rei solum secundum quod movetur ab alio, non est alia praeter operationem moventis ipsam: sicut facere scamnum, non est seorsum operatio securis ab operatione artificis, sed securis participat instrumentaliter operationem artificis3, et ideo ubicumque movens, et motum habent diversas formas, seu virtutes operativas, ibi oportet quod sit alia operatio moventis, et alia operatio 564propria moti: licet motum participet operationem moventis, et movens utatur operatione moti, et sic utrumque agat cum communione alterius.
Leerstelling. — Zooals boven is gezegd (Vorige Kw., 1e Art.), namen de ketters, die één wil in Christus aannamen, ook maar een werkzaamheid in Hem aan. En om deze valsche meening beter te begrijpen, moet men bedenken, dat waar er meerdere onderling geordende werkers zijn, de lagere door den hoogere wordt bewogen, zooals het lichaam bij den mensch door de ziel wordt bewogen en de lagere krachten door het verstand. Zoo zijn de daden en bewegingen van het lagere beginsel eerder iets wat bewerkt wordt dan handelingen, maar wat tot het hoogste beginsel behoort is in eigenlijken zin een handeling. Zoo kunnen wij bv. zeggen, dat wandelen wat van de voeten, en tasten wat van de handen komt, dingen zijn die de mensch bewerkt, waarvan de ziel het eene door de voeten en het andere door de handen bewerkt; en omdat de ziel, die door beiden werkt dezelfde is, is er van de kant van wat handelt zelf, dat het eerste bewegende 562beginsel is, maar één niet onderscheiden handeling; maar het verschil vindt men van de kant van wat bewerkt wordt. Zooals nu in een mensch zonder meer het lichaam door de ziel wordt bewogen en de lagere krachten door de redelijke, werd in den Heer Jesus Christus de menschelijke natuur bewogen en bestuurd door de goddelijke. En daarom zeiden de ketters, dat van de kant der werkende godheid maar een niet verschillende werkzaamheid was, doch verschillende bewerkte dingen; in zoover nl. Christus' godheid door zichzelf iets anders deed, zooals Zij « alles draagt door het woord van Haar kracht » (Brief aan de Hebreeën, 1, 3), dan zij deed door de menschelijke natuur zooals zij in het lichaam wandelde. Daarom worden in de Zesde Kerkvergadering deze woorden van den ketter Severus aangehaald: « Wat door den eenen Christus werd gedaan en bewerkt, verschilt in vele opzichten. Want sommige dingen moet men aan God toeschrijven en sommige zijn menschelijk. Zoo is lichamelijk over de aarde wandelen ongetwijfeld menschelijk, maar aan verlamde beenen, die in het geheel niet op den grond konden wandelen, het gezonde gaan te geven moet men aan God toeschrijven. Maar één zijnde, nl. het menschgeworden Woord, bewerkte zoowel het een als het ander; en beide dingen mag men in het geheel niet aan 563verschillende naturen toeschrijven. En omdat er nu verschillende dingen zijn bewerkt, hebben wij toch geen recht om twee handelende naturen en vormen te leeren ». Maar hierin vergisten zij zich. Want er is een dubbele handeling van wat door een ander wordt bewogen: een die het heeft door de eigen vorm, en een die het heeft in zoover het door een ander wordt bewogen. Zoo is het werken van een zaag krachtens de eigen vorm het insnijden, maar in zoover deze door den werkman wordt bewogen, is zijn handeling het maken van een bank. De handeling dus, die aan een ding krachtens de eigen vorm toekomt, is eraan eigen en behoort niet aan den beweger, tenzij in zoover deze er gebruik van maakt voor zijn eigen handeling. Zoo is het verwarmen de eigen handeling van het vuur en niet van den smid, tenzij in zoover hij het gebruikt om het ijzer te verwarmen. De handeling echter die een ding alleen in zoover het door iets anders bewogen wordt heeft, verschilt niet van de handeling van wat het beweegt, zooals het maken van de bank geen handeling van de zaag is buiten de handeling van den werkman om. Overal waar dus de beweger en wat bewogen wordt verschillende vormen en krachten hebben, moet er een eigen 564werking van den beweger zijn verschillend van die van wat bewogen wordt; en zoo handelen beiden in vereeniging met den ander.Leerstelling. — Zoals boven is gezegd (Vorige Kw., 1e Art.), namen de ketters, die één wil in Christus aannamen, ook maar een werkzaamheid in Hem aan. En om deze valse mening beter te begrijpen, moet men bedenken, dat waar er meerdere onderling geordende werkers zijn, de lagere door de hogere wordt bewogen, zoals het lichaam bij de mens door de ziel wordt bewogen en de lagere krachten door het verstand. Zo zijn de daden en bewegingen van het lagere beginsel eerder iets wat bewerkt wordt dan handelingen, maar wat tot het hoogste beginsel behoort is in eigenlijke zin een handeling. Zo kunnen wij bv. zeggen, dat wandelen wat van de voeten, en tasten wat van de handen komt, dingen zijn die de mens bewerkt, waarvan de ziel het ene door de voeten en het andere door de handen bewerkt; en omdat de ziel, die door beiden werkt dezelfde is, is er van de kant van wat handelt zelf, dat het eerste bewegende 562beginsel is, maar één niet onderscheiden handeling; maar het verschil vindt men van de kant van wat bewerkt wordt. Zoals nu in een mens zonder meer het lichaam door de ziel wordt bewogen en de lagere krachten door de redelijke, werd in de Heer Jesus Christus de menselijke natuur bewogen en bestuurd door de goddelijke. En daarom zeiden de ketters, dat van de kant van de werkende godheid maar een niet verschillende werkzaamheid was, doch verschillende bewerkte dingen; in zover nl. Christus' godheid door zichzelf iets anders deed, zoals Zij “alles draagt door het woord van Haar kracht” (Brief aan de Hebreeën, 1, 3), dan zij deed door de menselijke natuur zoals zij in het lichaam wandelde. Daarom worden in de Zesde Kerkvergadering deze woorden van de ketter Severus aangehaald: “Wat door de ene Christus werd gedaan en bewerkt, verschilt in vele opzichten. Want sommige dingen moet men aan God toeschrijven en sommige zijn menselijk. Zo is lichamelijk over de aarde wandelen ongetwijfeld menselijk, maar aan verlamde benen, die in het geheel niet op de grond konden wandelen, het gezonde gaan te geven moet men aan God toeschrijven. Maar één zijnde, nl. het mensgeworden Woord, bewerkte zowel het een als het ander; en beide dingen mag men in het geheel niet aan 563verschillende naturen toeschrijven. En omdat er nu verschillende dingen zijn bewerkt, hebben wij toch geen recht om twee handelende naturen en vormen te leren”. Maar hierin vergisten zij zich. Want er is een dubbele handeling van wat door een ander wordt bewogen: een die het heeft door de eigen vorm, en een die het heeft in zover het door een ander wordt bewogen. Zo is het werken van een zaag krachtens de eigen vorm het insnijden, maar in zover deze door de werkman wordt bewogen, is zijn handeling het maken van een bank. De handeling dus, die aan een ding krachtens de eigen vorm toekomt, is eraan eigen en behoort niet aan de beweger, tenzij in zover deze er gebruik van maakt voor zijn eigen handeling. Zo is het verwarmen de eigen handeling van het vuur en niet van de smid, tenzij in zover hij het gebruikt om het ijzer te verwarmen. De handeling echter die een ding alleen in zover het door iets anders bewogen wordt heeft, verschilt niet van de handeling van wat het beweegt, zoals het maken van de bank geen handeling van de zaag is buiten de handeling van de werkman om. Overal waar dus de beweger en wat bewogen wordt verschillende vormen en krachten hebben, moet er een eigen 564werking van de beweger zijn verschillend van die van wat bewogen wordt; en zo handelen beiden in vereniging met de ander.
Sic igitur in Christo humana natura habet propriam formam, et virtutem, per quam operatur: et similiter divina. Unde humana natura habet propriam operationem distinctam ab operatione divina, et e converso. Et tamen divina natura utitur operatione naturae humanae, sicut operatione sui instrumenti. Et similiter humana natura participat operationem divinae naturae, sicut instrumentum participat operationem principalis agentis. Et hoc est quod dicit Leo Papa in epist. ad Flavian. [quae est 28]: « Agit utraque forma », scilicet tam natura divina, quam humana in Christo, « cum alterius communione, quod proprium est, Verbo scilicet operante, quod Verbi est, et carne exequente, quod carnis est ».
Nu heeft de menschelijke natuur in Christus dus een eigen vorm en kracht, waardoor zij werkt en de goddelijke eveneens. De menschelijke natuur heeft dus een eigen werkzaamheid, die van die der godheid onderscheiden is en omgekeerd. Maar toch gebruikt de goddelijke natuur de werkzaamheid der menschelijke als die van haar werktuig, en evenzoo deelt de menschelijke natuur in die der goddelijke, zooals een werktuig deel heeft aan de werkzaamheid van de voornaamste werkoorzaak. En dat is het, wat Paus Leo in den Brief aan Flavianus (28e Br., 4e H.) zegt: « ieder van beide vormen, (nl. zoowel de goddelijke als de menschelijke natuur in Christus) doet in vereeniging met de andere, wat haar eigen is, doordat het Woord doet wat eigen is aan het Woord en het vleesch uitvoert, wat aan het vleesch past ».Nu heeft de menselijke natuur in Christus dus een eigen vorm en kracht, waardoor zij werkt en de goddelijke eveneens. De menselijke natuur heeft dus een eigen werkzaamheid, die van die van de godheid onderscheiden is en omgekeerd. Maar toch gebruikt de goddelijke natuur de werkzaamheid van de menselijke als die van haar werktuig, en evenzo deelt de menselijke natuur in die van de goddelijke, zoals een werktuig deel heeft aan de werkzaamheid van de voornaamste werkoorzaak. En dat is het, wat Paus Leo in de Brief aan Flavianus (28e Br., 4e H.) zegt: “ieder van beide vormen, (nl. zowel de goddelijke als de menselijke natuur in Christus) doet in vereniging met de andere, wat haar eigen is, doordat het Woord doet wat eigen is aan het Woord en het vlees uitvoert, wat aan het vlees past”.
Si vero esset una tantum operatio divinitatis, et humanitatis in Christo. oporteret dicere, vel, quod humana natura non haberet propriam formam, et virtutem (de divina enim hoc dici est impossibile), ex quo sequeretur, quod in Christo esset tantum divina operatio: vel oporteret dicere, quod 565ex divina virtute, et humana esset conflata in Christo una virtus. Quorum utrumque est impossibile. Nam per primum horum ponitur natura humana in Christo esse imperfecta. Per secundum vero ponitur confusio naturarum.
Was er dus in Christus maar een werkzaamheid van Godheid en menschheid, dan zou men ofwel moeten zeggen, dat de menschelijke natuur geen eigen vorm en kracht heeft (want het is onmogelijk dit van de goddelijke te zeggen), waaruit zou volgen, dat alleen de goddelijke werkzaamheid in Christus bestond; of dat er in Christus 565een kracht was uit de goddelijke en menschelijke samengesteld. Elk hiervan is onmogelijk, want het eerste houdt in, dat de menschelijke natuur in Christus onvolmaakt was en het tweede stelt een vermenging der naturen voor.Was er dus in Christus maar een werkzaamheid van Godheid en mensheid, dan zou men ofwel moeten zeggen, dat de menselijke natuur geen eigen vorm en kracht heeft (want het is onmogelijk dit van de goddelijke te zeggen), waaruit zou volgen, dat alleen de goddelijke werkzaamheid in Christus bestond; of dat er in Christus 565een kracht was uit de goddelijke en menselijke samengesteld. Elk hiervan is onmogelijk, want het eerste houdt in, dat de menselijke natuur in Christus onvolmaakt was en het tweede stelt een vermenging van de naturen voor.
Et ideo rationabiliter in sexta Synodo [ut sup. cit. act. 18.] haec opinio est condemnata: in cujus determinatione dicitur: « Duas naturales operationes indivise, inconvertibiliter, inconfuse, inseparabiliter in eodem Domino Jesu Christo vero Deo nostro glorificamus », hoc est divinam operationem, et humanam operationem.
Daarom is deze meening terecht in de Zesde Kerkvergadering veroordeeld want in de bepalingen ervan lezen wij: « In denzelfden Heer Jesus Christus, onzen waren God, verheerlijken wij onverdeeld, onveranderlijk, onvermengd en onscheidbaar twee natuurlijke werkzaamheden », nl. een goddelijke en een menschelijke.Daarom is deze mening terecht in de Zesde Kerkvergadering veroordeeld want in de bepalingen ervan lezen wij: “In dezelfde Heer Jesus Christus, onze ware God, verheerlijken wij onverdeeld, onveranderlijk, onvermengd en onscheidbaar twee natuurlijke werkzaamheden”, nl. een goddelijke en een menselijke.
Ad primum ergo dicendum, quod Dionysius ponit in Christo operationem « θεανδρικήν » idest « divinam virilem » vel « divinam humanam », non per aliquam confusionem operationum, seu virtutum utriusque naturae, sed per hoc quod divina operatio ejus utitur humana4, et humana ejus operatio participat virtutem divinae operationis. Unde, sicut ipse dicit in quadam epistola ad Cajum [quae est 4. cir. med.], « super hominem operabatur ea quae sunt hominis, quod monstrat Virgo supernaturaliter 566concipiens, et aqua instabilis terrenorum pedum sustinens gravitatem ». Manifestum est enim, quod concipi est humanae naturae, similiter et ambulare, sed utrumque fuit in Christo supernaturaliter. Et similiter divina operabatur humanitus: sicut cum sanavit leprosum tangendo; unde in eadem epistola subdit: « Non secundum Deum divina faciens, non humana secundum hominem, sed Deo homine facto, nova quadam Dei et hominis operatione ».
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dionysius neemt in Christus een theandrische of godmannelijke of godmenschelijke werkzaamheid aan, niet door een vermenging van de werkzaamheid of de krachten van beide naturen, maar hierdoor dat Zijn goddelijke werkzaamheid Zijn menschelijke gebruikt en de menschelijke deelt in de kracht van de goddelijke. Zooals hijzelf daarom in een Brief zegt (4e Brief aan Caius), « deed Hij bovenmenschelijk datgene wat den mensch eigen is, wat de Maagd, die bovennatuurlijk baart, en het water dat de zwaarte van aardsche voeten draagt, aantoonen ». Want het is duidelijk, dat het aan de 566menschelijke natuur eigen is ontvangen te worden en ook te wandelen, maar beiden gebeurden in Christus op bovennatuurlijke wijze. Goddelijke dingen deed Hij evenzoo op menschelijke manier, want Hij genas een melaatsche door hem aan te raken. Daarom voegt hij er in denzelfden Brief aan toe: « Maar toen God mensch was geworden, (deed Hij dat) met een nieuwe werkzaamheid van God en mensch ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dionysius neemt in Christus een theandrische of godmannelijke of godmenselijke werkzaamheid aan, niet door een vermenging van de werkzaamheid of de krachten van beide naturen, maar hierdoor dat Zijn goddelijke werkzaamheid Zijn menselijke gebruikt en de menselijke deelt in de kracht van de goddelijke. Zoals hijzelf daarom in een Brief zegt (4e Brief aan Caius), “deed Hij bovenmenselijk datgene wat de mens eigen is, wat de Maagd, die bovennatuurlijk baart, en het water dat de zwaarte van aardse voeten draagt, aantonen”. Want het is duidelijk, dat het aan de 566menselijke natuur eigen is ontvangen te worden en ook te wandelen, maar beiden gebeurden in Christus op bovennatuurlijke wijze. Goddelijke dingen deed Hij evenzo op menselijke manier, want Hij genas een melaatse door hem aan te raken. Daarom voegt hij er in dezelfde Brief aan toe: “Maar toen God mens was geworden, (deed Hij dat) met een nieuwe werkzaamheid van God en mens”.
Quod autem intellexerit, duas esse operationes in Christo, unam divinae naturae, aliam autem humanae, patet ex his quae dicit in 2. cap. de Div. Nom. [S. Th. lect. 3.], ubi dicit, quod « his » quae pertinent ad humanam ejus operationem, « Pater, et Spiritus Sanctus nulla ratione communicant, nisi quis dixerit secundum benignissimam, et misericordem voluntatem »; inquantum scilicet Pater, et Spiritus Sanctus ex sua misericordia voluerunt Christum agere, et pati humana; addit autem, « et secundum omnem sublimissimam, et ineffabilem Dei operationem, quam homo pro nobis factus adimplevit, immutabilis profecto Deus, et Dei Verbum »5. Sic igitur 567patet, quod alia est operatio humana, in qua Pater, et Spiritus Sanctus non communicant, nisi secundum acceptationem misericordiae suae: et alia est ejus operatio, inquantum est Dei Verbum; in qua communicant Pater, et Spiritus Sanctus.
Dat hij echter begreep, dat er twee werkzaamheden in Christus zijn, een van de goddelijke en een van de menschelijke natuur, blijkt uit wat staat in het 2e hoofdstuk Over de Namen van God, waar hij zegt, dat de Vader en de H. Geest « in geen enkel opzicht deelen in wat tot Zijn menschelijke werkzaamheid behoort, tenzij iemand dat zoo zou noemen naar Hun wil vol goedheid en barmhartigheid », in zoover nl. de Vader en de H. Geest uit barmhartigheid wilden, dat Christus deed en onderging wat den mensch past. Maar hij voegt er achter: « en de geheele hoog verheven en onuitsprekelijke werkzaamheid Gods, die Hij nog uitoefende, toen Hij aan ons gelijk was geworden, omdat Hij als God en Gods Woord onveranderlijk was ». Zoo blijkt het, dat 567er verschil is tusschen Zijn menschelijke werkzaamheid, waarin de Vader en de H. Geest alleen deelen door haar om Hun barmhartigheid te aanvaarden en Zijn werkzaamheid in zoover Hij Gods Woord is, waarin de Vader en de H. Geest wel deelen.Dat hij echter begreep, dat er twee werkzaamheden in Christus zijn, een van de goddelijke en een van de menselijke natuur, blijkt uit wat staat in het 2e hoofdstuk Over de Namen van God, waar hij zegt, dat de Vader en de H. Geest “in geen enkel opzicht delen in wat tot Zijn menselijke werkzaamheid behoort, tenzij iemand dat zo zou noemen naar Hun wil vol goedheid en barmhartigheid”, in zover nl. de Vader en de H. Geest uit barmhartigheid wilden, dat Christus deed en onderging wat de mens past. Maar hij voegt er achter: “en de gehele hoog verheven en onuitsprekelijke werkzaamheid Gods, die Hij nog uitoefende, toen Hij aan ons gelijk was geworden, omdat Hij als God en Gods Woord onveranderlijk was”. Zo blijkt het, dat 567er verschil is tussen Zijn menselijke werkzaamheid, waarin de Vader en de H. Geest alleen delen door haar om Hun barmhartigheid te aanvaarden en Zijn werkzaamheid in zover Hij Gods Woord is, waarin de Vader en de H. Geest wel delen.
Ad secundum dicendum, quod instrumentum dicitur aliquid agere ex eo, quod movetur a principali agente, quod tamen praeter hoc potest habere propriam operationem secundum suam formam, ut de igne dictum est [in corp. art.]. Sic igitur actio instrumenti, in quantum est instrumentum, non est alia ab actione principalis agentis: potest tamen habere aliam operationem, prout est res quaedam. Sic igitur operatio, quae est humanae naturae in Christo, inquantum est instrumentum divinitatis, non est alia ab operatione divinitatis, non enim est alia salvatio, qua salvat humanitas Christi, et divinitas ejus: habet tamen humana natura in Christo, inquantum est natura quaedam, quamdam propriam operationem praeter divinam, ut dictum est [in corp. art.].
2. Iets wordt werktuig genoemd, omdat het door de voornaamste werkoorzaak wordt bewogen, maar behalve dat kan het toch naar de eigen vorm een eigen werkzaamheid bezitten, zooals van het vuur is gezegd (in de Leerstelling). Zoo is de werkzaamheid van een werktuig precies als werktuig geen andere dan die van de voornaamste werkoorzaak, maar het kan als een bepaald ding een eigen werkzaamheid bezitten. Zoo is de werkzaamheid van de menschelijke natuur in Christus, in zoover zij een werktuig der godheid is, geen andere dan de werkzaamheid der godheid, want de redding waardoor Christus' menschheid ons redt en die der godheid zijn geen anderen. Maar de menschelijke natuur in Christus heeft als een bepaalde natuur een eigen werkzaamheid buiten de goddelijke zooals is gezegd.2. Iets wordt werktuig genoemd, omdat het door de voornaamste werkoorzaak wordt bewogen, maar behalve dat kan het toch naar de eigen vorm een eigen werkzaamheid bezitten, zoals van het vuur is gezegd (in de Leerstelling). Zo is de werkzaamheid van een werktuig precies als werktuig geen andere dan die van de voornaamste werkoorzaak, maar het kan als een bepaald ding een eigen werkzaamheid bezitten. Zo is de werkzaamheid van de menselijke natuur in Christus, in zover zij een werktuig van de godheid is, geen andere dan de werkzaamheid van de godheid, want de redding waardoor Christus' mensheid ons redt en die van de godheid zijn geen anderen. Maar de menselijke natuur in Christus heeft als een bepaalde natuur een eigen werkzaamheid buiten de goddelijke zoals is gezegd.
Ad tertium dicendum, quod operari est hypostasis subsistentis, sed secundum formam, et naturam, a qua operatio speciem recipit, et ideo a diversitate formarum, seu naturarum est diversa species operationum: sed ab 568unitate hypostasis est unitas secundum numerum, quantum ad operationem speciei: sicut ignis habet duas operationes specie differentes, scilicet illuminare, et calefacere secundum differentiam lucis, et caloris: et tamen est una numero illuminatio ignis semel illuminantis. Et similiter in Christo oportet quod sint duae operationes specie differentes secundum ejus duas naturas: quaelibet tamen operationum est una numero in Christo semel facta; sicut una ambulatio, et una sanatio.
3. Het handelen komt wel aan de zelfstandig bestaande hypostase toe, maar door de vorm en de natuur, waardoor de handeling haar bepaalde aard krijgt. Daarom is er door het verschil van 568vormen of naturen een soortelijk verschil in het handelen, maar van de eenheid der hypostase komt de eenheid van getal in de soortelijke werkzaamheid. Zoo heeft het vuur een dubbel en in soort verschillend handelen, nl. verlichten en verwarmen om het verschil tusschen warmte en licht, maar als het vuur eenmaal verlicht is er in getal maar een verlichting. Evenzoo moeten er in Christus een dubbel en in soort verschillend handelen zijn naar Zijn twee naturen, maar elk handelen is in Christus een in getal als het eenmaal geschiedt als een genezing en een wandeling.3. Het handelen komt wel aan de zelfstandig bestaande hypostase toe, maar door de vorm en de natuur, waardoor de handeling haar bepaalde aard krijgt. Daarom is er door het verschil van 568vormen of naturen een soortelijk verschil in het handelen, maar van de eenheid van de hypostase komt de eenheid van getal in de soortelijke werkzaamheid. Zo heeft het vuur een dubbel en in soort verschillend handelen, nl. verlichten en verwarmen om het verschil tussen warmte en licht, maar als het vuur eenmaal verlicht is er in getal maar een verlichting. Evenzo moeten er in Christus een dubbel en in soort verschillend handelen zijn naar Zijn twee naturen, maar elk handelen is in Christus een in getal als het eenmaal geschiedt als een genezing en een wandeling.
Ad quartum dicendum, quod esse, et operari est personae a natura: aliter tamen, et aliter; nam esse pertinet ad ipsam constitutionem personae; et sic quantum ad hoc se habet in ratione termini; et ideo unitas personae requirit unitatem ipsius esse completi, et personalis: sed operatio est quidam effectus personae secundum aliquam formam, vel naturam: unde pluralitas operationum non praejudicat unitate personali.
4. Zijn en werken krijgt de persoon van de natuur, maar verschillend. Want het zijn behoort tot de vorming zelf van den persoon, en gedraagt zich dus in dit opzicht als een eindterm. Dus eischt de eenheid van persoon de eenheid van het volledige en persoonlijke zijn zelf. Maar het handelen is een uitwerking van den persoon volgens een natuur of vorm. Daarom doet de veelvoudigheid van het handelen niets af aan de eenheid van den persoon.4. Zijn en werken krijgt de persoon van de natuur, maar verschillend. Want het zijn behoort tot de vorming zelf van de persoon, en gedraagt zich dus in dit opzicht als een eindterm. Dus eist de eenheid van persoon de eenheid van het volledige en persoonlijke zijn zelf. Maar het handelen is een uitwerking van de persoon volgens een natuur of vorm. Daarom doet de veelvoudigheid van het handelen niets af aan de eenheid van de persoon.
Ad quintum dicendum, quod aliud est proprium operatum operationis divinae, et operationis humanae in Christo, sicut operatum proprium divinae operationis est sanatio leprosi; operatum autem proprium humanae naturae est ejus contactus; concurrunt autem ambae operationes ad unum operatum, 569secundum quod una natura agit cum communione alterius, ut dictum est [in corp. art.].
5. Wat de goddelijke en de menschelijke werkzaamheid in Christus eigenlijk uitwerken verschilt, zooals wat de goddelijke werkzaamheid eigenlijk uitwerkt het genezen van den melaatsche, en dat wat de menschelijke werkzaamheid doet, het aanraken is. Maar dit dubbele handelen werkt samen om een ding 569te bewerken, in zoover de eene natuur handelt in vereeniging met de andere, zooals is gezegd (in de Leerstelling).5. Wat de goddelijke en de menselijke werkzaamheid in Christus eigenlijk uitwerken verschilt, zoals wat de goddelijke werkzaamheid eigenlijk uitwerkt het genezen van de melaatse, en dat wat de menselijke werkzaamheid doet, het aanraken is. Maar dit dubbele handelen werkt samen om een ding 569te bewerken, in zover de ene natuur handelt in vereniging met de andere, zoals is gezegd (in de Leerstelling).
Utrum in Christo sint plures operationes humanae
Is er in Christus een meervoudig menschelijk handelen?Is er in Christus een meervoudig menselijk handelen?
569Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod in Christo sint plures humanae operationes; Christus enim, inquantum homo, communicat cum plantis in natura nutritiva; cum animalibus autem in natura sensitiva; cum angelis vero in natura intellectiva, sicut et caeteri homines. Sed alia est operatio plantae, inquantum est planta, et alia animalis, inquantum est animal. Ergo Christus inquantum est homo, habet plures operationes.
569Bedenkingen. — Men beweert, dat er in Christus een meervoudig menschelijk handelen is. — 1. Want Christus deelt als mensch met de planten in de natuur die zich voedt, met de dieren in de zintuiglijke natuur, en met de engelen in de verstandelijke natuur, zooals ook de andere menschen. Nu heeft de plant als plant een andere werkzaamheid dan het dier als dier. Dus had Christus als mensch een meervoudig handelen.569Bedenkingen. — Men beweert, dat er in Christus een meervoudig menselijk handelen is. — 1. Want Christus deelt als mens met de planten in de natuur die zich voedt, met de dieren in de zintuiglijke natuur, en met de engelen in de verstandelijke natuur, zoals ook de andere mensen. Nu heeft de plant als plant een andere werkzaamheid dan het dier als dier. Dus had Christus als mens een meervoudig handelen.
2. Praeterea, potentiae, et habitus distinguuntur secundum actus. Sed in anima Christi fuerunt diversae potentiae, et diversi habitus. Ergo et diversae operationes.
2. De vermogens en gewoonten worden naar de daden onderscheiden. Nu waren er in Christus' ziel meerdere vermogens en verschillende gewoonten. Dus ook verschillend handelen.
3. Praeterea, instrumenta debent esse proportionata operationibus. Corpus autem humanum habet diversa membra differentia secundum 570formam. Ergo diversis operationibus debent esse1 accommodata. Sunt ergo in Christo diversae operationes secundum humanam naturam.
3. Werktuigen moeten aan de werkzaamheden beantwoorden. Nu heeft het menschelijk lichaam verschillende ledematen, die in vorm verschillen. Dus zijn die aan verschillende werkzaamheden 570aangepast. Dus is er in Christus naar de menschelijke natuur meervoudig handelen.3. Werktuigen moeten aan de werkzaamheden beantwoorden. Nu heeft het menselijk lichaam verschillende ledematen, die in vorm verschillen. Dus zijn die aan verschillende werkzaamheden 570aangepast. Dus is er in Christus naar de menselijke natuur meervoudig handelen.
Sed contra est, quod, sicut Damascenus dicit in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 15.], « operatio sequitur naturam ». Sed in Christo est tantum una natura humana. Ergo in Christo fuit una tantum operatio humana.
Maar daartegenover staat, dat Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 15e en 16e H.) zegt: « Het werken volgt uit de natuur ». Nu is er in Christus maar een menschelijke natuur en dus ook maar een werkzaamheid als mensch.Maar daartegenover staat, dat Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 15e en 16e H.) zegt: “Het werken volgt uit de natuur”. Nu is er in Christus maar een menselijke natuur en dus ook maar een werkzaamheid als mens.
Respondeo dicendum, quod quia homo est id quod est secundum rationem, illa operatio dicitur esse simpliciter humana, quae a ratione procedit per voluntatem, quae est rationis appetitus. Si qua autem operatio est in homine, quae non procedit a ratione, et voluntate, non est simpliciter operatio humana: sed convenit homini secundum aliquam partem humanae naturae: quandoque quidem secundum ipsam naturam elementi corporalis; sicut ferri deorsum: quandoque vero secundum virtutem animae vegetabilis; sicut nutriri, et augeri: quandoque vero secundum partem sensitivam; sicut videre, et audire, imaginari, et memorari, concupiscere, et irasci. Inter quas 571operationes est differentia. Nam operationes animae sensitivae sunt aliqualiter obedientes rationi, et ideo sunt aliqualiter rationales, et humanae; inquantum scilicet obediunt rationi, ut patet per Philos. in 1. Ethic. [cap. 13. n. 15. S. Th. lect. 20.]. Operationes vero quae sequuntur animam vegetabilem, vel etiam naturam elementaris corporis, non subjiciuntur rationi, unde nullo modo sunt rationales, nec humanae simpliciter, sed solum secundum partem humanae naturae.
Leerstelling. — Omdat de mensch een door de rede beheerscht iets is, noemen wij die werkzaamheid zonder beperking menschelijk, die door den wil, die het redelijk streefvermogen is, uit het verstand voortkomt. Is er echter in den mensch een werkzaamheid, die niet uit verstand en wil voortkomt, dan noemen wij die niet zonder meer menschelijk, maar dan komt zij den mensch toe krachtens een deel der menschelijke natuur; en dans soms krachtens de natuur zelf der stoffelijke elementen zooals het omlaag getrokken worden, soms naar de krachten van de plantaardige ziel zooals het zich voeden en groeien, en soms naar het zintuiglijke gedeelte, zooals zien en hooren, zich verbeelden en zich herinneren, begeeren en vertoornd worden. Nu bestaat er een verschil tusschen deze werkzaamheden. Want die 571der zintuiglijke ziel gehoorzamen eenigszins aan de rede, en zijn dus tot op zekere hoogte redelijk en menschelijk in zoover zij zich naar het verstand voegen, zooals de Philosoof in het 1e boek Over de Zedeleer (13e H., n. 15 en vlgd.) bewijst. Maar de werkzaamheden, die uit de plantaardige ziel of uit de natuur der stoffelijke elementen voortkomen, gehoorzamen niet aan de rede, en zijn dus in geen enkel opzicht redelijk, en niet zonder meer van den mensch, maar alleen naar een deel der menschelijke natuur.Leerstelling. — Omdat de mens een door de rede beheerst iets is, noemen wij die werkzaamheid zonder beperking menselijk, die door de wil, die het redelijk streefvermogen is, uit het verstand voortkomt. Is er echter in de mens een werkzaamheid, die niet uit verstand en wil voortkomt, dan noemen wij die niet zonder meer menselijk, maar dan komt zij de mens toe krachtens een deel van de menselijke natuur; en dans soms krachtens de natuur zelf van de stoffelijke elementen zoals het omlaag getrokken worden, soms naar de krachten van de plantaardige ziel zoals het zich voeden en groeien, en soms naar het zintuiglijke gedeelte, zoals zien en horen, zich verbeelden en zich herinneren, begeren en vertoornd worden. Nu bestaat er een verschil tussen deze werkzaamheden. Want die 571van de zintuiglijke ziel gehoorzamen enigszins aan de rede, en zijn dus tot op zekere hoogte redelijk en menselijk in zover zij zich naar het verstand voegen, zoals de Filosoof in het 1e boek Over de Zedeleer (13e H., n. 15 en vlgd.) bewijst. Maar de werkzaamheden, die uit de plantaardige ziel of uit de natuur van de stoffelijke elementen voortkomen, gehoorzamen niet aan de rede, en zijn dus in geen enkel opzicht redelijk, en niet zonder meer van de mens, maar alleen naar een deel van de menselijke natuur.
Dictum est autem supra [art. praec.], quod quando agens inferius agit per propriam formam, tunc est alia operatio inferioris agentis, et superioris: quando vero agens inferius non agit, nisi secundum quod est motum a superiori agente, tunc est eadem operatio superioris agentis, et inferioris. Sic igitur in quocumque homine puro alia est operatio elementaris corporis, et animae vegetabilis ab operatione voluntatis, quae est proprie humana. Et similiter etiam operatio animae sensitivae, quantum ad id quod non movetur a ratione; sed quantum ad id quod movetur a ratione, est eadem operatio partis sensitivae, et rationalis. Ipsius autem animae rationalis est 572una operatio, si attendamus ad ipsum principium operationis, quod est ratio, vel voluntas. Diversificatur autem secundum respectum ad diversa objecta: quam quidem diversitatem aliqui appellaverunt diversitatem « operatorum » magis quam operationum, judicantes de unitate operationis solum ex parte operativi principii, sic enim nunc quaeritur de unitate, vel pluralitate operationum in Christo.
Nu is boven gezegd (Vorig Art.), dat als een lager staande werker krachtens zijn eigen vorm werkt er verschil is tusschen de werkzaamheid van den lager en van den hooger staanden werker; maar als de lager staande alleen werkt voor zoover hij door den hooger staanden bewogen wordt, is de werkzaamheid van den lager en den hooger staanden dezelfde. Zoo is er dus in iedereen, die niets meer is dan een mensch, een verschil tusschen de werkzaamheid van de stoffelijke elementen en de plantaardige ziel en die van den wil, die in eigenlijken zin menschelijk is. Evenzoo is het gesteld met die van de zintuiglijke ziel, in zoover zij door de rede niet bewogen wordt, maar voor zoover zij wel door de rede wordt geleid, is de werkzaamheid van het zintuiglijke en redelijke gedeelte dezelfde. De redelijke ziel zelf heeft maar een 572werkzaamheid, als wij dat naar het beginsel zelf der werkzaamheid, de rede of den wil, afmeten; maar er komt een verschil door de verhouding tot de voorwerpen, waarop de werkzaamheid zich richt. Dit verschil noemden sommigen liever het verschil in wat bewerkt wordt dan het verschil in werkzaamheid, omdat zij over de eenheid van de werkzaamheid alleen oordeelen gerekend van de kant van het beginsel der werkzaamheid; en zoo vragen wij nu naar eenheid of meervoudigheid van de werkzaamheid in Christus.Nu is boven gezegd (Vorig Art.), dat als een lager staande werker krachtens zijn eigen vorm werkt er verschil is tussen de werkzaamheid van de lager en van de hoger staanden werker; maar als de lager staande alleen werkt voor zover hij door de hoger staanden bewogen wordt, is de werkzaamheid van de lager en de hoger staanden dezelfde. Zo is er dus in iedereen, die niets meer is dan een mens, een verschil tussen de werkzaamheid van de stoffelijke elementen en de plantaardige ziel en die van de wil, die in eigenlijke zin menselijk is. Evenzo is het gesteld met die van de zintuiglijke ziel, in zover zij door de rede niet bewogen wordt, maar voor zover zij wel door de rede wordt geleid, is de werkzaamheid van het zintuiglijke en redelijke gedeelte dezelfde. De redelijke ziel zelf heeft maar een 572werkzaamheid, als wij dat naar het beginsel zelf van de werkzaamheid, de rede of de wil, afmeten; maar er komt een verschil door de verhouding tot de voorwerpen, waarop de werkzaamheid zich richt. Dit verschil noemden sommigen liever het verschil in wat bewerkt wordt dan het verschil in werkzaamheid, omdat zij over de eenheid van de werkzaamheid alleen oordelen gerekend van de kant van het beginsel van de werkzaamheid; en zo vragen wij nu naar eenheid of meervoudigheid van de werkzaamheid in Christus.
Sic igitur in quolibet puro homine est tantum una operatio, quae proprie humana dicitur: praeter quam tamen sunt in homine puro quaedam aliae operationes, quae non sunt proprie humanae, sicut dictum est. Sed in homine Jesu Christo nullus erat motus sensitivae partis, qui non esset ordinatus a ratione: ipsae etiam operationes naturales, et corporales aliqualiter ad ejus voluntatem pertinebant; inquantum voluntatis ejus erat, ut « caro ejus ageret, et pateretur quae sunt sibi propria » ut dictum est supra [q. praec. art. 5.]. Et ideo multo magis est una operatio in Christo, quam in quocumque alio homine.
Zoo is er dus in ieder mensch-zonder-meer maar een werkzaamheid, die in eigenlijken zin menschelijk wordt genoemd; maar behalve die zijn er in zoo 'n mensch andere soorten van handelen, die zooals gezegd werd niet in eigenlijken zin menschelijk zijn. Maar in den mensch Jesus Christus was er geen beweging in het zinnelijke gedeelte, die niet door het verstand geregeld was; en ook het natuurlijke en lichamelijke handelen was tot op zekere hoogte van Zijn wil afhankelijk, in zoover het krachtens Zijn wil gebeurde, dat « Zijn vleesch deed en onderging, wat eraan eigen was », zooals boven is gezegd (18e Kw., 5e Art.). En daarom is er in Christus veel meer dan ieder ander mensch maar een werkzaamheid.Zo is er dus in ieder mens-zonder-meer maar een werkzaamheid, die in eigenlijke zin menselijk wordt genoemd; maar behalve die zijn er in zo 'n mens andere soorten van handelen, die zoals gezegd werd niet in eigenlijke zin menselijk zijn. Maar in de mens Jesus Christus was er geen beweging in het zinnelijke gedeelte, die niet door het verstand geregeld was; en ook het natuurlijke en lichamelijke handelen was tot op zekere hoogte van Zijn wil afhankelijk, in zover het krachtens Zijn wil gebeurde, dat “Zijn vlees deed en onderging, wat eraan eigen was”, zoals boven is gezegd (18e Kw., 5e Art.). En daarom is er in Christus veel meer dan ieder ander mens maar een werkzaamheid.
573Ad primum ergo dicendum, quod operatio partis sensitivae, et etiam nutritivae non est proprie humana, sicut dictum est [in corp.]: et tamen in Christo hujusmodi operationes fuerunt magis humanae, quam in aliis.
573Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zooals werd gezegd (in de Leerstelling), is de werkzaamheid van het zinnelijke en zich voedende gedeelte niet in eigenlijken zin menschelijk. Toch waren deze werkzaamheden in Christus meer menschelijk dan in anderen.573Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoals werd gezegd (in de Leerstelling), is de werkzaamheid van het zinnelijke en zich voedende gedeelte niet in eigenlijke zin menselijk. Toch waren deze werkzaamheden in Christus meer menselijk dan in anderen.
Ad secundum dicendum, quod potentiae, et habitus diversificantur per comparationem ad objecta, et ideo diversitas operationum hoc modo respondet diversis potentiis, et habitibus, sicut etiam respondet diversis objectis: talem autem diversitatem operationum non intendimus excludere ab humanitate Christi; sicut nec eam, quae est secundum aliud et aliud instrumentum2, sed solum illam, quae est secundum primum principium activum, ut dictum est [in corp. art.].
2. Vermogens en gewoonten worden in verhouding tot hun daden onderscheiden en daarom beantwoordt het verschil in werkzaamheid op deze manier aan een verschil in de vermogens en gewoonten als aan een verschil in de voorwerpen van het handelen. Maar zulk een verschil in werkzaamheid bedoelen wij bij Christus ook niet uit te sluiten, evenmin als het verschil door een ander tijdstip, maar zooals werd gezegd (t. a. pl.), alleen het verschil om een ander werkend beginsel.2. Vermogens en gewoonten worden in verhouding tot hun daden onderscheiden en daarom beantwoordt het verschil in werkzaamheid op deze manier aan een verschil in de vermogens en gewoonten als aan een verschil in de voorwerpen van het handelen. Maar zulk een verschil in werkzaamheid bedoelen wij bij Christus ook niet uit te sluiten, evenmin als het verschil door een ander tijdstip, maar zoals werd gezegd (t.a.p.), alleen het verschil om een ander werkend beginsel.
Unde patet etiam responsio ad tertium.
En hiermee is ook het antwoord op de derde bedenking gegeven.
Utrum actio humana Christi potuerit esse sibi meritoria
Konden Christus' menschelijke daden voor Hem verdienstelijk zijn?Konden Christus' menselijke daden voor Hem verdienstelijk zijn?
573Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod actio humana Christi non 574potuit ei esse meritoria: Christus enim ante mortem fuit comprehensor, sicut et modo est: sed comprehensoris non est mereri; charitas enim comprehensoris pertinet ad praemium beatitudinis, cum secundum eam attendatur fruitio, unde non videtur esse principium merendi, cum non sit idem meritum, et praemium. Ergo Christus ante passionem non merebatur, sicut nec modo meretur.
573Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus' menschelijke 574daden voor Hem niet verdienstelijk konden zijn. — 1. Want reeds voor Zijn dood was Christus zooals Hij nu is, iemand die den hemel had bereikt. Nu kan zoo iemand niet verdienen, want diens liefde behoort tot het loon der zaligheid, omdat het genieten daarin wortelt; en daarom schijnt zij geen beginsel van verdienste meer te zijn, omdat een en hetzelfde ding geen verdienste en loon kan zijn. Dus verdiende Christus door Zijn lijden niet, zooals ook nu niet.573Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus' menselijke 574daden voor Hem niet verdienstelijk konden zijn. — 1. Want reeds voor Zijn dood was Christus zoals Hij nu is, iemand die de hemel had bereikt. Nu kan zo iemand niet verdienen, want diens liefde behoort tot het loon van de zaligheid, omdat het genieten daarin wortelt; en daarom schijnt zij geen beginsel van verdienste meer te zijn, omdat een en hetzelfde ding geen verdienste en loon kan zijn. Dus verdiende Christus door Zijn lijden niet, zoals ook nu niet.
2. Praeterea, nullus meretur id, quod est sibi debitum. Sed ex hoc quod Christus est Filius Dei per naturam, debetur sibi haereditas aeterna, quam alii homines per bona opera merentur. Non ergo Christus aliquid sibi mereri potuit, quia a principio fuit Filius Dei.
2. Niemand verdient datgene waarop hij reeds recht heeft. Omdat Christus nu van nature Gods Zoon is, heeft Hij recht op de eeuwige erfenis, die andere menschen zich door goede werken verdienen. Dus kon Christus, die van het begin af Gods Zoon was, niets voor zich verdienen.2. Niemand verdient datgene waarop hij reeds recht heeft. Omdat Christus nu van nature Gods Zoon is, heeft Hij recht op de eeuwige erfenis, die andere mensen zich door goede werken verdienen. Dus kon Christus, die van het begin af Gods Zoon was, niets voor zich verdienen.
3. Praeterea, quicumque habet id quod est principale, non proprie meretur id, quod ex illo habito sequitur. Sed Christus habuit gloriam animae, ex qua secundum communem ordinem sequitur gloria corporis, ut Augustinus dicit in epist. ad Dioscorum [q. 56. nunc 118]: in Christo tamen dispensative factum est gloria animae non derivaretur ad corpus. Non ergo Christus meruit gloriam corporis.
3. Iedereen die het belangrijkste van iets heeft, verdient niet in eigenlijken zin wat uit het bezit ervan volgt. Nu had Christus de heerlijkheid der ziel, waaruit naar de gewone orde de verheerlijking van het lichaam volgt, zooals Augustinus in den Brief aan Dioscorus (118e Br., 3e H.) zegt; alleen gebeurde het bij Christus krachtens een bijzondere bepaling, dat de verheerlijking der ziel niet op het lichaam overvloeide. Dus verdiende Christus de verheerlijking van het lichaam niet.3. Iedereen die het belangrijkste van iets heeft, verdient niet in eigenlijke zin wat uit het bezit ervan volgt. Nu had Christus de heerlijkheid van de ziel, waaruit naar de gewone orde de verheerlijking van het lichaam volgt, zoals Augustinus in de Brief aan Dioscorus (118e Br., 3e H.) zegt; alleen gebeurde het bij Christus krachtens een bijzondere bepaling, dat de verheerlijking van de ziel niet op het lichaam overvloeide. Dus verdiende Christus de verheerlijking van het lichaam niet.
5754. Praeterea, manifestatio excellentiae Christi non est bonum ipsius Christi, sed eorum qui eum cognoscunt, unde et pro praemio promittitur dilectoribus Christi, ut eis manifestetur, secundum illud Joan. 14. [v. 21]: « Si quis diligit me, diligetur a Patre meo, et ego diligam eum, et manifestabo ei me ipsum ». Ergo Christus non meruit manifestationem suae altitudinis.
5754. De openbaring van Christus' boven alles uitstekende volmaaktheid is niet voor Christus zelf iets goeds, maar voor hen die Hem kennen; en daarom wordt aan hen die Christus beminnen als loon beloofd, dat Hij hun zal geopenbaard worden volgens Joannes (14, 21): « Als iemand Mij bemint, zal hij door den Vader bemind worden, en Ik zal hem beminnen en mij aan hem openbaren ». Daarom verdiende Christus de openbaring van Zijn verhevenheid niet.5754. De openbaring van Christus' boven alles uitstekende volmaaktheid is niet voor Christus zelf iets goeds, maar voor hen die Hem kennen; en daarom wordt aan hen die Christus beminnen als loon beloofd, dat Hij hun zal geopenbaard worden volgens Johannes (14, 21): “Als iemand Mij bemint, zal hij door de Vader bemind worden, en Ik zal hem beminnen en mij aan hem openbaren”. Daarom verdiende Christus de openbaring van Zijn verhevenheid niet.
Sed contra est, quod Apostolus dicit Philip. 2. [v. 8 et 9]: « Factus est obediens usque ad mortem: propter quod et Deus exaltavit illum ». Meruit ergo obediendo suam exaltationem: et ita aliquid sibi meruit.
Maar daartegenover staat, dat de Apostel in den Philippensenbrief (2, 8 en 9) zegt: « Hij is gehoorzaam geworden tot aan den dood; daarom heeft God Hem verheven ». Dus verdiende Hij Zijn verheffing door te gehoorzamen, en zoo verdiende Hij iets voor zichzelf.Maar daartegenover staat, dat de Apostel in de Filippenzenbrief (2, 8 en 9) zegt: “Hij is gehoorzaam geworden tot aan de dood; daarom heeft God Hem verheven”. Dus verdiende Hij Zijn verheffing door te gehoorzamen, en zo verdiende Hij iets voor zichzelf.
Respondeo dicendum, quod habere aliquod donum per se est nobilius, quam habere illud per aliud, « semper » enim « causa, quae est per se, potior est ea, quae est per aliud » ut dicitur in 8. Physicor. [cap. 5. n. 7. S. Th. lect. 9]: hoc autem dicitur aliquis habere per seipsum, cujus est sibi aliquo modo causa. Prima autem causa omnium bonorum nostrorum per auctoritatem est Deus: et per hunc modum nulla creatura habet aliquid 576boni per seipsam, secundum illud 1. ad Corinth. 4. [v. 7]: « Quid habes, quod non accepisti? » Potest tamen secundario aliquis esse causa sibi alicujus boni habendi, inquantum scilicet in hoc ipso Deo cooperatur: et, sic ille qui habet aliquid per meritum proprium, habet quodammodo illud per seipsum. Unde nobilius habetur id quod habetur per meritum, quam id quod habetur sine merito.
Leerstelling. — Door zichzelf iets goeds bezitten is edeler dan het door een ander hebben, want « de oorzaak die door zichzelf iets is, staat altijd hooger dan wat door iets anders datzelfde is », zooals in het 8e boek Over de Physica (5e H., n. 7) wordt gezegd. Wanneer nu iemand voor zichzelf oorzaak van iets is, zegt men dat hij door zichzelf iets bezit. Nu is God door Zijn macht de eerste oorzaak van al ons goed, en zoo heeft geen enkel schepsel iets goeds 576door zichzelf, volgens den Eersten Brief aan de Korinthiërs (4, 7): « Wat hebt gij, dat gij niet ontvangen hebt? » Maar op een bijkomstige manier kan iemand voor zichzelf oorzaak zijn van het bezitten van iets goeds, in zoover hij nl. daarin met God medewerkt. En zoo heeft wie iets door eigen verdienste bezit, dat in zekeren zin door zichzelf. Daarom staat het hooger iets door verdiensten te bezitten dan zonder.Leerstelling. — Door zichzelf iets goeds bezitten is edeler dan het door een ander hebben, want “de oorzaak die door zichzelf iets is, staat altijd hoger dan wat door iets anders datzelfde is”, zoals in het 8e boek Over de Fysica (5e H., n. 7) wordt gezegd. Wanneer nu iemand voor zichzelf oorzaak van iets is, zegt men dat hij door zichzelf iets bezit. Nu is God door Zijn macht de eerste oorzaak van al ons goed, en zo heeft geen enkel schepsel iets goeds 576door zichzelf, volgens de Eerste Brief aan de Korintiërs (4, 7): “Wat hebt gij, dat gij niet ontvangen hebt?” Maar op een bijkomstige manier kan iemand voor zichzelf oorzaak zijn van het bezitten van iets goeds, in zover hij nl. daarin met God medewerkt. En zo heeft wie iets door eigen verdienste bezit, dat in zekeren zin door zichzelf. Daarom staat het hoger iets door verdiensten te bezitten dan zonder.
Quia autem omnis perfectio, et nobilitas Christo est attribuenda, consequens est quod ipse per meritum habuerit illud, quod alii per meritum habent: nisi sit tale quid, cujus carentia magis dignitati Christi, et perfectioni praejudicet, quam per meritum accrescat. Unde nec gratiam, nec scientiam, nec beatitudinem animae, nec divinitatem meruit: quia cum meritum non sit, nisi ejus quod nondum habetur, oporteret quod Christus aliquando istis caruisset; quibus carere magis diminuit dignitatem Christi, quam augeat meritum. Sed gloria corporis, vel si quid aliud hujusmodi est, minus est, quam dignitas merendi, quae pertinet ad virtutem charitatis: et ideo dicendum est, quod Christus gloriam corporis, et ea quae pertinent 577ad exteriorem ejus excellentiam, sicut est ascensio, veneratio, et alia hujusmodi, habuit per meritum. Et sic patet, quod aliquid sibi mereri potuit.
Omdat wij nu iedere volmaaktheid en al wat edel is aan Christus moeten toeschrijven, volgt daaruit, dat Hij alles door eigen verdiensten heeft, wat anderen zoo bezitten, behalve als het gaat over iets, dat bij ontbreken Zijn waardigheid en volmaaktheid meer afbreuk zou doen dan de verdienste eraan zou bijbrengen. Daarom verdiende Hij noch de genade, noch de zaligheid der ziel, noch de wetenschap noch de godheid; want daar verdiensten alleen bestaan voor dingen die nog niet bezeten worden, had Christus deze dingen eenigen tijd moeten missen; en dat gemis vermindert Zijn waardigheid meer dan de verdienste eraan toevoegt. Maar de verheerlijking van het lichaam en dergelijke dingen staan lager dan de waardigheid, die het verdienen geeft en die onder de deugd van liefde valt. En daarom moeten wij zeggen, dat Christus de verheerlijking van Zijn lichaam en wat tot Zijn uiterlijke verheffing behoort als 577de hemelvaart, de vereering en dergelijke, door verdiensten verkreeg. En zoo blijkt het, dat Hij iets voor Zich kon verdienen.Omdat wij nu iedere volmaaktheid en al wat edel is aan Christus moeten toeschrijven, volgt daaruit, dat Hij alles door eigen verdiensten heeft, wat anderen zo bezitten, behalve als het gaat over iets, dat bij ontbreken Zijn waardigheid en volmaaktheid meer afbreuk zou doen dan de verdienste eraan zou bijbrengen. Daarom verdiende Hij noch de genade, noch de zaligheid van de ziel, noch de wetenschap noch de godheid; want daar verdiensten alleen bestaan voor dingen die nog niet bezeten worden, had Christus deze dingen enigen tijd moeten missen; en dat gemis vermindert Zijn waardigheid meer dan de verdienste eraan toevoegt. Maar de verheerlijking van het lichaam en dergelijke dingen staan lager dan de waardigheid, die het verdienen geeft en die onder de deugd van liefde valt. En daarom moeten wij zeggen, dat Christus de verheerlijking van Zijn lichaam en wat tot Zijn uiterlijke verheffing behoort als 577de hemelvaart, de verering en dergelijke, door verdiensten verkreeg. En zo blijkt het, dat Hij iets voor Zich kon verdienen.
Ad primum ergo dicendum, quod fruitio, quae est actus charitatis, pertinet ad gloriam animae, quam Christus non meruit. Et ideo si per charitatem aliquid meruit, non sequitur quod idem sit meritum, et praemium. Nec tamen per charitatem meruit, inquantum erat charitas comprehensoris, sed inquantum erat viatoris, nam ipse fuit simul viator, et comprehensor, ut supra habitum est [q. 15. art. 10.]. Et ideo quia nunc non est viator, non est in statu merendi.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het genieten, wat een daad der liefde is, valt onder de verheerlijking der ziel, die Christus niet verdiende. En als Hij daarom door de liefde iets verdiende, volgt daaruit nog niet, dat verdienste en loon hetzelfde zijn. Ook verdiende Hij niet door de liefde, in zoover deze de liefde van iemand die den hemel bereikt heeft is, maar in zoover zij de liefde is van een pelgrim; want zooals boven is uiteengezet (15e Kw., 10e Art.) was Hij dat tegelijk. En omdat Hij nu geen pelgrim meer is, is Hij dus niet meer in staat om te verdienen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het genieten, wat een daad van de liefde is, valt onder de verheerlijking van de ziel, die Christus niet verdiende. En als Hij daarom door de liefde iets verdiende, volgt daaruit nog niet, dat verdienste en loon hetzelfde zijn. Ook verdiende Hij niet door de liefde, in zover deze de liefde van iemand die de hemel bereikt heeft is, maar in zover zij de liefde is van een pelgrim; want zoals boven is uiteengezet (15e Kw., 10e Art.) was Hij dat tegelijk. En omdat Hij nu geen pelgrim meer is, is Hij dus niet meer in staat om te verdienen.
Ad secundum dicendum, quod Christo, secundum quod est Deus, et Dei filius, per naturam debetur gloria divina, et dominium omnium, sicut primo, et supremo domino. Nihilominus tamen debetur ei gloria, sicut homini beato; quam quantum ad aliquid debuit habere sine merito, et quantum ad aliquid cum merito, ut ex supra dictis patet [in corp. art.].
2. Christus heeft als God en als Gods Zoon van nature recht op Gods heerlijkheid en het heerschen over alles als de eerste en hoogste Heer. Maar desalniettemin heeft Hij als zalig mensch recht op verheerlijking; en deels moest Hij die zonder en deels door verdiensten krijgen, zooals uit het bovengezegde blijkt (in de Leerstelling).2. Christus heeft als God en als Gods Zoon van nature recht op Gods heerlijkheid en het heersen over alles als de eerste en hoogste Heer. Maar desalniettemin heeft Hij als zalig mens recht op verheerlijking; en deels moest Hij die zonder en deels door verdiensten krijgen, zoals uit het bovengezegde blijkt (in de Leerstelling).
Ad tertium dicendum, quod redundantia gloriae ex anima ad corpus est ex divina ordinatione, secundum congruentiam humanorum meritorum: ut scilicet sicut homo meretur per actum animae, quem exercet in corpore, ita etiam remuneretur per gloriam animae redundantem ad corpus. Et 578propter hoc non solum gloria animae, sed etiam gloria corporis cadit sub merito, secundum illud Rom. 8. [v. 11]: « Vivificabit mortalia corpora nostra propter inhabitantem Spiritum ejus in nobis ». Et ita potuit cadere sub merito Christi.
3. Het overvloeien der heerlijkheid uit de ziel op het lichaam geschiedt naar Gods verordening in overeenkomst met de verdiensten van de menschen, zoodat de mensch nl., evenals hij door 578een daad der ziel, die in het lichaam werd uitgeoefend, verdient, zoo ook beloond wordt door de heerlijkheid der ziel, die op het lichaam overvloeit. En daarom valt niet alleen de verheerlijking der ziel, maar ook die van het lichaam onder het bereik der verdienste volgens den Romeinenbrief (8, 11): « Hij zal onze sterfelijke lichamen levend maken om Zijn Geest, die in ons woont ». En zoo kon dat onder het bereik van Christus' verdiensten vallen.3. Het overvloeien van de heerlijkheid uit de ziel op het lichaam geschiedt naar Gods verordening in overeenkomst met de verdiensten van de mensen, zodat de mens nl., evenals hij door 578een daad van de ziel, die in het lichaam werd uitgeoefend, verdient, zo ook beloond wordt door de heerlijkheid van de ziel, die op het lichaam overvloeit. En daarom valt niet alleen de verheerlijking van de ziel, maar ook die van het lichaam onder het bereik van de verdienste volgens de Romeinenbrief (8, 11): “Hij zal onze sterfelijke lichamen levend maken om Zijn Geest, die in ons woont”. En zo kon dat onder het bereik van Christus' verdiensten vallen.
Ad quartum dicendum, quod manifestatio excellentiae Christi pertinet ad bonum ejus secundum esse, quod habet in notitia aliorum: quamvis principalius pertineat ad bonum eorum, qui eum cognoscunt secundum esse, quod habent in seipsis. Sed etiam hoc ipsum refertur ad Christum, inquantum sunt membra ejus.
4. De openbaring van Christus' verhevenheid is voor Hem iets goeds, in zoover Hij bestaat in de kennis van anderen, al is dit dan ook voornamelijk goed voor hen, die Hem kennen naar het bestaan, dat zij in zichzelf hebben. Maar dat wordt weer tot Christus teruggebracht, in zoover zij Zijn ledematen zijn.4. De openbaring van Christus' verhevenheid is voor Hem iets goeds, in zover Hij bestaat in de kennis van anderen, al is dit dan ook voornamelijk goed voor hen, die Hem kennen naar het bestaan, dat zij in zichzelf hebben. Maar dat wordt weer tot Christus teruggebracht, in zover zij Zijn ledematen zijn.
Utrum Christus aliis mereri potuerit
Kon Christus voor anderen verdienen?
578Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod Christus aliis mereri non potuerit: dicitur enim Ezech. 18. [v. 20]: « Anima quae peccaverit, 579ipsa morietur ». Ergo pari ratione anima quae meretur, ipsa remunerabitur. Non ergo est possibile, quod Christus aliis meruerit.
578Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet voor anderen kon verdienen. — 1. Want bij Ezechiël (18, 20) wordt 579gezegd: « De ziel die zondigt zal zelf sterven ». Dus zal om dezelfde reden de ziel die verdient zelf beloond worden. Dus was het niet mogelijk, dat Christus voor anderen verdiende.578Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet voor anderen kon verdienen. — 1. Want bij Ezechiël (18, 20) wordt 579gezegd: “De ziel die zondigt zal zelf sterven”. Dus zal om dezelfde reden de ziel die verdient zelf beloond worden. Dus was het niet mogelijk, dat Christus voor anderen verdiende.
2. Praeterea, « De plenitudine gratiae Christi omnes accipiunt » ut dicitur Joan. 1. [v. 16]. Sed alii homines habentes gratiam Christi non possunt aliis mereri: dicitur enim Ezech. 14. [v. 20], quod « si fuerint in civitate Noë, Daniel, et Job, filium, et filiam non liberabunt, sed ipsi justitia sua liberabunt animas suas ». Ergo nec Christus potuit aliquid nobis mereri.
2. « Van de volheid van Christus' genade hebben allen ontvangen », zooals bij Joannes (1, 16) staat. Nu kunnen andere menschen, die Christus' genade ontvangen hebben, niet voor anderen verdienen, want bij Ezechiël (14, 20) wordt gezegd: « Als Noë, Daniël en Job in die stad waren, zouden zij hun zoon en dochter niet bevrijden, maar door hun rechtvaardigheid zullen zij hun eigen zielen bevrijden ». Dus kon ook Christus niets voor ons verdienen.2. “Van de volheid van Christus' genade hebben allen ontvangen”, zoals bij Johannes (1, 16) staat. Nu kunnen andere mensen, die Christus' genade ontvangen hebben, niet voor anderen verdienen, want bij Ezechiël (14, 20) wordt gezegd: “Als Noë, Daniël en Job in die stad waren, zouden zij hun zoon en dochter niet bevrijden, maar door hun rechtvaardigheid zullen zij hun eigen zielen bevrijden”. Dus kon ook Christus niets voor ons verdienen.
3. Praeterea, « Merces », quam quis meretur, « debetur secundum justitiam, et non secundum gratiam » ut patet Rom. 4. [v. 4]. Si ergo Christus meruit salutem nostram, sequitur quod salus nostra non sit ex gratia Dei, sed ex justitia; et quod injuste agat cum eis, quos non salvat, cum meritum Christi ad omnes se extendat.
3. « De belooning, die iemand verdient, moet hij krachtens de rechtvaardigheid en niet door goedgunstigheid krijgen », zooals uit den Romeinenbrief (4, 4) blijkt. Verdiende Christus dus onze redding, dan zou daaruit volgen, dat wij deze niet meer krachtens Gods genade, maar krachtens de rechtvaardigheid ontvingen, en dat God onrechtvaardig zou handelen tegenover hen die Hij niet zalig maakt, omdat Christus' verdienste zich over allen uitstrekt.3. “De beloning, die iemand verdient, moet hij krachtens de rechtvaardigheid en niet door goedgunstigheid krijgen”, zoals uit de Romeinenbrief (4, 4) blijkt. Verdiende Christus dus onze redding, dan zou daaruit volgen, dat wij deze niet meer krachtens Gods genade, maar krachtens de rechtvaardigheid ontvingen, en dat God onrechtvaardig zou handelen tegenover hen die Hij niet zalig maakt, omdat Christus' verdienste zich over allen uitstrekt.
Sed contra est, quod dicitur Rom. 5. [v. 18]: « Sicut per unius delictum in omnes homines in condemnationem, sic et per unius justitiam 580in omnes homines in justificationem vitae ». Sed demeritum Adae derivatur ad condemnationem aliorum. Ergo multo magis meritum Christi ad alios derivatur.
Maar daartegenover staat, dat in den Romeinenbrief (5, 18) wordt gezegd: « Zooals de misdaad van een mensch alle menschen 580tot veroordeeling strekt, zoo strekt ook de rechtvaardigheid van één alle menschen tot rechtvaardiging ». Nu ging Adams schuld op alle menschen over om hen te doen veroordeelen. Dus strekt de verdienste van Christus zich veel meer nog over anderen uit.Maar daartegenover staat, dat in de Romeinenbrief (5, 18) wordt gezegd: “Zoals de misdaad van een mens alle mensen 580tot veroordeling strekt, zo strekt ook de rechtvaardigheid van één alle mensen tot rechtvaardiging”. Nu ging Adams schuld op alle mensen over om hen te doen veroordelen. Dus strekt de verdienste van Christus zich veel meer nog over anderen uit.
Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [q. 8. art. 1. et 5.], in Christo non solum fuit gratia, sicut in quodam homine singulari, sed sicut in capite totius Ecclesiae, cui omnes uniuntur sicut capiti membra, ex quibus constituitur mystice una persona. Et exinde est, quod meritum Christi se extendit ad alios, inquantum sunt membra ejus: sicut etiam in uno homine actio capitis aliqualiter pertinet ad omnia membra ejus; quia non solum sibi sentit, sed omnibus membris.
Leerstelling. — Zooals vroeger is gezegd (8e Kw., 1e en 5e Art.), was de genade in Christus niet alleen als in een op zichzelf staand mensch, maar als in het hoofd der Kerk, waarmee alle menschen als ledematen met het hoofd vereenigd zijn, waaruit op mystieke wijze een persoon wordt gevormd. Daarvandaan komt het, dat de verdienste van Christus zich over anderen uitstrekt in zoover zij Zijn ledematen zijn, zooals in een mensch de werkzaamheid van het hoofd zich eenigszins over alle ledematen uitstrekt, omdat dit niet alleen voor zichzelf waarneemt, maar voor alle ledematen.Leerstelling. — Zoals vroeger is gezegd (8e Kw., 1e en 5e Art.), was de genade in Christus niet alleen als in een op zichzelf staand mens, maar als in het hoofd van de Kerk, waarmee alle mensen als ledematen met het hoofd verenigd zijn, waaruit op mystieke wijze een persoon wordt gevormd. Daarvandaan komt het, dat de verdienste van Christus zich over anderen uitstrekt in zover zij Zijn ledematen zijn, zoals in een mens de werkzaamheid van het hoofd zich enigszins over alle ledematen uitstrekt, omdat dit niet alleen voor zichzelf waarneemt, maar voor alle ledematen.
Ad primum ergo dicendum, quod peccatum singularis personae non nocet nisi sibi ipsi. Sed peccatum Adae, qui constitutus est a Deo principium totius naturae, ad alios per carnis propaginem derivatur. Et similiter meritum Christi, qui est a Deo constitutus caput omnium hominum, quantum ad gratiam, se extendit ad omnia ejus membra.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De zonde van een bepaald mensch schaadt alleen hemzelf. Maar die van Adam, die door God tot beginsel der geheele natuur was gemaakt, vloeit door de voortplanting door het vleesch op anderen over. Evenzoo ook strekt de verdienste van Christus, die door God Hoofd van alle menschen in de genade is gemaakt, zich tot al Zijn ledematen uit.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De zonde van een bepaald mens schaadt alleen hemzelf. Maar die van Adam, die door God tot beginsel van de gehele natuur was gemaakt, vloeit door de voortplanting door het vlees op anderen over. Evenzo ook strekt de verdienste van Christus, die door God Hoofd van alle mensen in de genade is gemaakt, zich tot al Zijn ledematen uit.
581Ad secundum dicendum, quod alii de plenitudine Christi accipiunt, non quidem fontem gratiae, sed quamdam particularem gratiam. Et ideo non oportet, quod alii homines possint aliis mereri, sicut Christus.
5812. Anderen ontvangen van Christus' volheid geen genadebron, maar een bepaalde genade. Daarom moeten zij niet als Christus voor anderen kunnen verdienen.
Ad tertium dicendum, quod sicut peccatum Adae non derivatur ad alios, nisi per carnalem generationem, ita meritum Christi non derivatur ad alios, nisi per generationem1 spiritualem, quae fit in baptismo, per quam homines Christo incorporantur2, secundum illud ad Galat. 3. [v. 27]: « Omnes quotquot in Christo baptizati estis, Christum induistis ». Et hoc ipsum est gratiae, quod homini conceditur regenerari in Christo. Et sic salus hominis est ex gratia.
3. Zooals Adams zonde alleen door vleeschelijke geboorte op anderen overgaat, komt Christus' verdienste alleen over anderen door de geestelijke wedergeboorte in het doopsel, waardoor wij Christus worden ingelijfd naar den Galatenbrief (3, 27): « Gij allen, die in Christus zijt gedoopt, hebt met Christus gemeenschap ». En van de genade komt het, dat het den menschen wordt gegeven in Christus herboren te worden. En zoo komt de redding der menschen van de genade.3. Zoals Adams zonde alleen door vleselijke geboorte op anderen overgaat, komt Christus' verdienste alleen over anderen door de geestelijke wedergeboorte in het doopsel, waardoor wij Christus worden ingelijfd naar de Galatenbrief (3, 27): “Gij allen, die in Christus zijt gedoopt, hebt met Christus gemeenschap”. En van de genade komt het, dat het de mensen wordt gegeven in Christus herboren te worden. En zo komt de redding van de mensen van de genade.