Theologische Summa · Tertia Pars · Wat uit de vereeniging volgtWat uit de vereniging volgtSumma · III · Wat uit de vereeniging volgtWat uit de vereniging volgtSumma · III · Kw. 21Kw. 21
Quaestio XXI

De oratione Christi, in quatuor articulos divisa

Kwestie 21

Over het gebed van Christus

(Vier Artikelen)

594Deinde considerandum est de oratione Christi.

594Vervolgens moeten wij het gebed van Christus beschouwen.

Et circa hoc quaeruntur quatuor: 1. Utrum Christo conveniat orare. — 2. Utrum conveniat sibi secundum suam sensualitatem. — 3. Utrum conveniat sibi orare pro seipso, an tantum pro aliis. — 4. Utrum omnis ejus oratio sit exaudita.

En hierover stellen wij ons vier vragen: 1. Kwam het Christus toe te bidden? 2. Kwam Hem dit naar het zinnelijke gedeelte in Hem toe? 3. Kwam het Hem toe voor Zichzelf te bidden of alleen voor anderen? 4. Werd elk gebed van Hem verhoord?

Articulus I

Utrum Christo competat orare

[Supra q. 13. art. 4. ad 3. et Infra q. 43. art. 2. ad 2. 3. Dist. 17. art. 3. q. 1. et 4. Dist. 15. q. 4. art. 6. q. 2. ad 2. et Joan 11. lect. 6.]
Ie Artikel

Kwam het Christus toe te bidden?

antwoord 1 ↓

594Ad primum sic proceditur. Videtur, quod Christo non competat orare: 595Nam, sicut Damascenus dicit [lect. 3. Orth. Fid. cap. 24. in princ.], « oratio est petitio decentium a Deo ». Sed cum Christus omnia facere posset, non videtur ei convenire, quod aliquid ab aliquo peteret. Ergo videtur, quod Christo non conveniat orare.

594Bedenkingen. — Men beweert, dat het Christus niet toekwam 595te bidden. — 1. Want het gebed is, zooals Damascenus zegt (Over het Ware Geloof, 3e B., 24e H.), « het vragen aan God van gepaste dingen ». Omdat nu Christus alles kon doen, schijnt het Hem niet toe te komen iets van een ander te vragen. Dus schijnt het bidden Christus niet toe te komen.594Bedenkingen. — Men beweert, dat het Christus niet toekwam 595te bidden. — 1. Want het gebed is, zoals Damascenus zegt (Over het Ware Geloof, 3e B., 24e H.), “het vragen aan God van gepaste dingen”. Omdat nu Christus alles kon doen, schijnt het Hem niet toe te komen iets van een ander te vragen. Dus schijnt het bidden Christus niet toe te komen.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, non oportet orando petere illud, quod aliquis scit pro certo esse futurum: sicut non oramus, quod sol oriatur cras. Neque est etiam conveniens, quod aliquis orando petat, quod scit nullo modo esse futurum. Sed Christus sciebat circa omnia quid esset futurum. Ergo non conveniebat ei aliquid orando petere.

2. Men moet in het gebed niet vragen, waarvan men zeker weet dat het geschieden zal, zooals wij niet bidden dat morgen de zon op zal gaan. Evenmin past het datgene te vragen in het gebed, waarvan men zeker weet dat het nooit zal geschieden. Nu wist Christus van alles of het gebeuren zou. Dus paste het Hem niet in het gebed iets te vragen.2. Men moet in het gebed niet vragen, waarvan men zeker weet dat het geschieden zal, zoals wij niet bidden dat morgen de zon op zal gaan. Evenmin past het datgene te vragen in het gebed, waarvan men zeker weet dat het nooit zal geschieden. Nu wist Christus van alles of het gebeuren zou. Dus paste het Hem niet in het gebed iets te vragen.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Damascenus dicit in 3. lib. [loc. cit.], quod « oratio est ascensus intellectus in Deum ». Sed intellectus Christi non indigebat ascensione in Deum: quia semper intellectus ejus erat Deo conjunctus, non solum secundum unionem hypostasis, sed etiam secundum fruitionem beatitudinis. Ergo Christo non conveniebat orare.

3. Damascenus zegt in het 3e boek (t. a. pl.), dat « het gebed een opstijgen van het verstand is naar God ». Nu had Christus' verstand geen behoefte tot God op te stijgen, omdat het altijd met God verbonden was niet alleen door de vereeniging in persoon, maar ook door het zalige genieten. Dus paste het Christus niet te bidden.3. Damascenus zegt in het 3e boek (t.a.p.), dat “het gebed een opstijgen van het verstand is naar God”. Nu had Christus' verstand geen behoefte tot God op te stijgen, omdat het altijd met God verbonden was niet alleen door de vereniging in persoon, maar ook door het zalige genieten. Dus paste het Christus niet te bidden.

Sed contra est, quod dicitur Luc. 6. [v. 12]: « Factum est, in illis diebus exiit in montem orare, et erat pernoctans in oratione Dei ».

Maar daartegenover staat, dat bij Lucas (6, 12) wordt gezegd: « Het gebeurde in die dagen, dat Hij den berg besteeg om te bidden en den nacht doorbracht in het gebed tot God ».Maar daartegenover staat, dat bij Lukas (6, 12) wordt gezegd: “Het gebeurde in die dagen, dat Hij de berg besteeg om te bidden en de nacht doorbracht in het gebed tot God”.

596Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est in 2. [2-2. q. 83. art. 1. et 2.], oratio est quaedam explicatio propriae voluntatis apud Deum, ut eam impleat. Si igitur in Christo esset una tantum voluntas, scilicet divina, nullo modo competeret sibi orare: quia voluntas divina per seipsam est effectiva eorum quae vult, secundum illud. Psal. 134. [v. 6]: « Omnia quaecumque voluit Dominus, fecit ». Sed quia in Christo est alia voluntas divina, et alia humana, et voluntas humana non est per seipsam efficax ad implendum quae vult, nisi per virtutem divinam: inde est quod Christo, secundum quod est homo, et humanam voluntatem habens, competit orare.

596Leerstelling. — Het gebed is een uitspreken van den eigen wil tegenover God opdat Hij hem mag vervullen, zooals in het tweede deel (IIa-IIae, 83e Kw., 1e en 2e Art.) is gezegd. Had Christus dus maar een wil, nl. den goddelijken gehad, dan was het Hem in het geheel niet toegekomen te bidden, omdat de goddelijke wil altijd zelf volbrengt wat hij wil naar het Psalmwoord (Ps. 134, 6): « Alles wat Hij wilde, heeft de Heer volbracht ». Omdat er echter in Christus verschil is tusschen den goddelijken en den menschelijken wil, en de menschelijke niet in staat is door zichzelf uit te voeren wat hij wil, maar alleen door goddelijke kracht, komt het aan Christus in zoover Hij mensch is en een menschelijken wil heeft toe te bidden.596Leerstelling. — Het gebed is een uitspreken van de eigen wil tegenover God opdat Hij hem mag vervullen, zoals in het tweede deel (2-2, 83e Kw., 1e en 2e Art.) is gezegd. Had Christus dus maar een wil, nl. de goddelijke gehad, dan was het Hem in het geheel niet toegekomen te bidden, omdat de goddelijke wil altijd zelf volbrengt wat hij wil naar het Psalmwoord (Ps. 134, 6)a: “Alles wat Hij wilde, heeft de Heer volbracht”. Omdat er echter in Christus verschil is tussen de goddelijken en de menselijke wil, en de menselijke niet in staat is door zichzelf uit te voeren wat hij wil, maar alleen door goddelijke kracht, komt het aan Christus in zover Hij mens is en een menselijken wil heeft toe te bidden.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod Christus poterat perficere omnia quae volebat, secundum quod Deus, non autem secundum quod homo: quia secundum quod homo, non habuit omnipotentiam, ut supra habitum est [q. 13. art. 1.]. Nihilominus tamen ipse idem Deus existens, et homo, voluit ad Patrem orationem porrigere, non quod1 ipse esset impotens, sed propter nostram instructionem. Primo quidem, ut ostenderet se esse a 597Patre. Unde ipse dicit Joan. 11. [v. 42]: « Propter populum qui circumstat, dixi », scilicet verba orationis, « ut credant, quia tu me misisti ». Unde Hilarius in 10. de Trinit. [num. 71.] dicit: « Non prece eguit: pro nobis oravit, ne filius ignoraretur ». Secundo, ut nobis exemplum orandi daret. Unde Ambrosius dicit super Luc. [cap. 6. v. 12. sup. illud.: Et erat pernoctans, etc.]: « Noli insidiatrices aperire aures, ut putes Filium Dei quasi infirmum rogare, ut impetret quod implere non possit. Potestatis enim auctor, obedientiae magister, ad praecepta virtutis suo nos informat exemplo ». Unde et Augustinus dicit super Joan. [tract. 104. circ. med.]: « Poterat Dominus in forma servi, si hoc opus esset, orare silentio: sed ita se Patri exhibere voluit precatorem, ut meminisset nostrum se esse doctorem ».

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. In zoover Hij God was kon Christus alles volbrengen wat Hij wilde, maar niet als mensch; want als mensch bezat Hij zooals boven gezegd is (13e Kw., 1e Art.) geen almacht. Desalniettemin wilde Hij, die God en mensch tegelijk was, Zijn gebeden tot den Vader richten, niet alsof Hijzelf onmachtig was, maar om ons te onderrichten. Ten eerste om te toonen, dat Hij van den Vader kwam, en daarom zei 597Hij bij Joannes (11, 42): « Om het volk, dat om Mij heen staat, heb Ik gesproken, (nl. de woorden van Mijn gebed) opdat zij zouden gelooven, dat Gij Mij gezonden hebt ». Daarom zegt ook Hilarius in het 10e boek Over de Drievuldigheid (n. 71): « Hij had geen behoefte aan het gebed, maar Hij bad voor ons, dat Hij als Zoon bekend mocht worden ». Ten tweede om ons een voorbeeld te geven. Daarom zegt Ambrosius bij Lucas (6, 12): « Laat de geopende ooren U niet bedriegen, om te meenen, dat Gods Zoon als een zwakke bidt om te verkrijgen wat Hij zelf niet volbrengen kan. Want de oorsprong van alle macht en de leermeester der gehoorzaamheid brengt ons door Zijn voorbeeld tot het onderhouden van de geboden der deugd ». Daarom zegt Augustinus ook in het Commentaar op Johannes (104e Tr.): « Als het noodig was geweest, had de Heer in de gestalte van een slaaf ook in stilte kunnen bidden. Maar Hij wilde zoo als smeekeling bij den Vader verschijnen, dat Hij zich tegelijk bewust was onze leermeester te zijn ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. In zover Hij God was kon Christus alles volbrengen wat Hij wilde, maar niet als mens; want als mens bezat Hij zoals boven gezegd is (13e Kw., 1e Art.) geen almacht. Desalniettemin wilde Hij, die God en mens tegelijk was, Zijn gebeden tot de Vader richten, niet alsof Hijzelf onmachtig was, maar om ons te onderrichten. Ten eerste om te tonen, dat Hij van de Vader kwam, en daarom zei 597Hij bij Johannes (11, 42): “Om het volk, dat om Mij heen staat, heb Ik gesproken, (nl. de woorden van Mijn gebed) opdat zij zouden geloven, dat Gij Mij gezonden hebt”. Daarom zegt ook Hilarius in het 10e boek Over de Drievuldigheid (n. 71): “Hij had geen behoefte aan het gebed, maar Hij bad voor ons, dat Hij als Zoon bekend mocht worden”. Ten tweede om ons een voorbeeld te geven. Daarom zegt Ambrosius bij Lukas (6, 12): “Laat de geopende oren U niet bedriegen, om te menen, dat Gods Zoon als een zwakke bidt om te verkrijgen wat Hij zelf niet volbrengen kan. Want de oorsprong van alle macht en de leermeester van de gehoorzaamheid brengt ons door Zijn voorbeeld tot het onderhouden van de geboden van de deugd”. Daarom zegt Augustinus ook in het Commentaar op Johannes (104e Tr.): “Als het nodig was geweest, had de Heer in de gestalte van een slaaf ook in stilte kunnen bidden. Maar Hij wilde zo als smekeling bij de Vader verschijnen, dat Hij zich tegelijk bewust was onze leermeester te zijn”.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod inter alia, quae Christus scivit futura, scivit quaedam esse fienda propter suam orationem. Et hujusmodi non inconvenienter a Deo petiit.

2. Onder de toekomstige dingen, die Christus kende, wist Hij van sommigen, dat zij op Zijn gebed moesten geschieden. En het was niet ongepast, dat Hij daarom tot God bad.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod ascensio nihil est aliud, quam motus in 598id quod est sursum. Motus autem, ut habetur in 3. de Anima [cap. 7. n. 1. S. Th. lect. 12.], dupliciter dicitur. Uno modo proprie, secundum, quod importat exitum de potentia in actum, prout est « actus imperfecti ». Et sic ascendere competit ei quod est potentia sursum, et non actu. Et hoc modo, ut Damascenus dicit in 3. lib. [loc. cit. in arg.], « intellectus humanus Christi non eget ascensione in Deum, cum sit semper Deo unitus et secundum esse personale, et secundum contemplationem beatam ». — Alio modo dicitur motus, qui est « actus perfecti », idest existentis in actu: sicut intelligere, et sentire dicuntur quidam motus. Et hoc modo intellectus Christi semper ascendit in Deum, quia semper contemplatur ipsum, ut supra se existentem.

3. Het opstijgen is niets anders dan het zich bewegen naar iets 598dat hooger is. Nu spreekt men volgens het 3e boek Over de Ziel (7e H., n. 1.) in dubbelen zin over beweging. Ten eerste in eigenlijken als men een overgang van het kunnen naar de act bedoelt, in zoover beweging de act is van iets onvolmaakts. En zoo komt beweging toe aan iets dat hooger kan zijn, maar niet daadwerkelijk is. En zooals Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, t. a. pl.) zegt, « had Christus' menschelijk verstand er geen behoefte aan naar God op te stijgen, omdat het altijd met God vereenigd is zoowel in het persoonlijke zijn als naar de zalige aanschouwing ». In anderen zin wordt de beweging de act van iets volmaakts genoemd, dit wil zeggen van iets dat reeds daadwerkelijk iets is, zooals men begrijpen en gevoelen een beweging noemt. En zoo stijgt het verstand van Christus altijd omhoog naar God, omdat het Hem altijd beschouwt als boven zichzelf verheven bestaand.3. Het opstijgen is niets anders dan het zich bewegen naar iets 598dat hoger is. Nu spreekt men volgens het 3e boek Over de Ziel (7e H., n. 1.) in dubbelen zin over beweging. Ten eerste in eigenlijken als men een overgang van het kunnen naar de act bedoelt, in zover beweging de act is van iets onvolmaakts. En zo komt beweging toe aan iets dat hoger kan zijn, maar niet daadwerkelijk is. En zoals Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, t.a.p.) zegt, “had Christus' menselijk verstand er geen behoefte aan naar God op te stijgen, omdat het altijd met God verenigd is zowel in het persoonlijke zijn als naar de zalige aanschouwing”. In anderen zin wordt de beweging de act van iets volmaakts genoemd, dit wil zeggen van iets dat reeds daadwerkelijk iets is, zoals men begrijpen en gevoelen een beweging noemt. En zo stijgt het verstand van Christus altijd omhoog naar God, omdat het Hem altijd beschouwt als boven zichzelf verheven bestaand.

Articulus II

Utrum Christo conveniat orare secundum suam sensualitatem

[3. Dist. 17. art. 3. q. 3. et Comp. Theol. Cap. 233.]
IIe Artikel

Kwam het Christus naar Zijn zinnelijk gedeelte toe te bidden?

antwoord 1 ↓

598Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod Christo conveniat orare 599secundum suam sensualitatem. Dicitur enim in Ps. 83. [v. 3] ex persona Christi: « Cor meum, et caro mea exultaverunt in Deum vivum ». Sed sensualitas dicitur appetitus carnis. Ergo sensualitas Christi potuit ascendere in Deum vivum exultando: et pari modo orando.

598Bedenkingen. — Men beweert, dat het Christus naar Zijn 599zinnelijk gedeelte toekwam te bidden. — 1. Want in een Psalm (Ps. 83, 3) wordt in Christus' naam gezegd: « Mijn hart en mijn vleesch hebben zich verheugd in den levenden God ». Nu noemt men het verlangen van het vleesch de zinnelijkheid. Dus kon Christus' zinnelijkheid in blijdschap opstijgen naar den levenden God, en evenzeer in het gebed.598Bedenkingen. — Men beweert, dat het Christus naar Zijn 599zinnelijk gedeelte toekwam te bidden. — 1. Want in een Psalm (Ps. 83, 3)a wordt in Christus' naam gezegd: “Mijn hart en mijn vlees hebben zich verheugd in de levende God”. Nu noemt men het verlangen van het vlees de zinnelijkheid. Dus kon Christus' zinnelijkheid in blijdschap opstijgen naar de levende God, en evenzeer in het gebed.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, ejus videtur esse orare, cujus est desiderare illud quod petitur. Sed Christus petivit aliquid, quod desideravit ejus sensualitas, cum dixit: « Transeat a me calix iste », sicut dicitur Matth. 26. [v. 39]. Ergo sensualitas Christi oravit.

2. Aan datgene schijnt het bidden toe te komen, waaraan ook het verlangen naar het voorwerp van het gebed toekomt. Nu bad Christus om iets dat Zijn zinnelijkheid verlangde, toen Hij zei: « Neem deze kelk van Mij weg » (Matthaeus, 26, 39). Dus bad Christus' zinnelijkheid.2. Aan datgene schijnt het bidden toe te komen, waaraan ook het verlangen naar het voorwerp van het gebed toekomt. Nu bad Christus om iets dat Zijn zinnelijkheid verlangde, toen Hij zei: “Neem deze kelk van Mij weg” (Matteüs, 26, 39). Dus bad Christus' zinnelijkheid.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, magis est uniri Deo in persona, quam ascendere in Deum per orationem. Sed sensualitas fuit assumpta a Deo in unitatem personae, sicut et qualibet pars humanae naturae. Ergo multo magis potuit ascendere in Deum orando.

3. Het is iets hoogers met God in persoon vereenigd te zijn dan door het gebed tot Hem op te stijgen. Nu werd de zinnelijkheid als ieder ander deel van de menschelijke natuur door God in de eenheid van persoon aangenomen. Dus kon zij zooveel te meer in het gebed tot God opstijgen.3. Het is iets hogers met God in persoon verenigd te zijn dan door het gebed tot Hem op te stijgen. Nu werd de zinnelijkheid als ieder ander deel van de menselijke natuur door God in de eenheid van persoon aangenomen. Dus kon zij zoveel te meer in het gebed tot God opstijgen.

Sed contra est, quod dicitur Philip. 2. [v. 7] quod Filius Dei secundum naturam quam assumpsit, « in similitudinem hominum factus » 600est. Sed alii homines non orant secundum sensualitatem. Ergo nec Christus oravit secundum sensualitatem.

Maar daartegenover staat, dat in den Philippensenbrief (2, 7) wordt gezegd, dat Gods Zoon naar de aangenomen natuur, « aan de menschen gelijk is geworden ». Maar de andere menschen 600bidden niet naar het zinnelijke gedeelte. Dus bad ook Christus niet krachtens Zijn zinnelijk deel.Maar daartegenover staat, dat in de Filippenzenbrief (2, 7) wordt gezegd, dat Gods Zoon naar de aangenomen natuur, “aan de mensen gelijk is geworden”. Maar de andere mensen 600bidden niet naar het zinnelijke gedeelte. Dus bad ook Christus niet krachtens Zijn zinnelijk deel.

Respondeo dicendum, quod orare secundum sensualitatem potest intelligi dupliciter. Uno modo sic, quod ipsa oratio sit actus sensualitatis. Et hoc modo Christus secundum sensualitatem non oravit. Quia ejus sensualitas ejusdem naturae, et speciei fuit in Christo, et in nobis. In nobis autem non potest sensualitas orare duplici ratione. Primo quidem, quia motus sensualitatis non potest sensibilia transcendere: et ideo non potest in Deum ascendere; quod requiritur ad orationem. Secundo, quia oratio importat quamdam ordinationem; prout scilicet aliquis desiderat aliquid, quasi a Deo implendum: et hoc est solius rationis. Unde ratio est actus rationis, ut in 2. habitum est [2-2. q. 83. art. 1.].

Leerstelling. — Bidden krachtens de zinnelijkheid kan men op twee manieren opvatten. Ten eerste zoo, dat het bidden een daad van het zinnelijke gedeelte zou zijn. En zoo bad Christus niet krachtens de zinnelijkheid, omdat die bij Hem van dezelfde natuur en soort is als bij ons. Nu kan zij in ons om een dubbele reden niet bidden. Ten eerste omdat haar werkzaamheid de zinnelijke dingen niet te boven kan gaan; en daarom kan zij niet tot God opstijgen, zooals voor een gebed noodzakelijk is. Ten tweede brengt het bidden het scheppen van een verhouding mee, in zoover iemand om iets bidt in zoover het door God moet worden volbracht, en dat kan alleen het verstand. Daarom is bidden een daad van het verstand, zooals in het tweede deel behandeld is (IIa-IIae, 83e Kw., 1e Art.).Leerstelling. — Bidden krachtens de zinnelijkheid kan men op twee manieren opvatten. Ten eerste zo, dat het bidden een daad van het zinnelijke gedeelte zou zijn. En zo bad Christus niet krachtens de zinnelijkheid, omdat die bij Hem van dezelfde natuur en soort is als bij ons. Nu kan zij in ons om een dubbele reden niet bidden. Ten eerste omdat haar werkzaamheid de zinnelijke dingen niet te boven kan gaan; en daarom kan zij niet tot God opstijgen, zoals voor een gebed noodzakelijk is. Ten tweede brengt het bidden het scheppen van een verhouding mee, in zover iemand om iets bidt in zover het door God moet worden volbracht, en dat kan alleen het verstand. Daarom is bidden een daad van het verstand, zoals in het tweede deel behandeld is (2-2, 83e Kw., 1e Art.).

Alio modo potest dici aliquis orare secundum sensualitatem, quia scilicet ejus ratio orando Deo proponit, quod est in appetitu sensualitatis ipsius. Et secundum hoc Christus oravit secundum sensualitatem: inquantum scilicet oratio ejus exprimebat sensualitatis affectum, tanquam sensualitatis advocata. 601Et hoc ut nos de tribus instrueret. Primo quidem ut ostenderet se veram naturam humanam suscepisse1 cum omnibus naturalibus affectibus. Secundo, ut ostenderet quod homini licet secundum naturalem affectum aliquid velle, quod Deus non vult. Tertio, ut ostendat quod proprium affectum debet homo divinae voluntati subjicere. Unde Augustinus in Ps. 32. [v. 1. Lomb. Gloss.] dicit: « sic Christus hominem gerens ostendit privatam quamdam hominis voluntatem, cum dicit: « Transeat a me calix iste » haec enim erat humana voluntas, proprium aliquid, et tanquam privatum volens: sed quia recto corde vult esse hominem, et ad Deum dirigit, subdit « Verumtamen non sicut ego volo, sed sicut tu », ac si dicat: Vide te in me, quia potes aliquid proprium velle, etsi Deus aliud velit ».

In anderen zin kan men zeggen, dat iemand krachtens de zinnelijkheid bidt, in zoover zijn verstand aan God in het gebed datgene voorstelt, wat in de verlangens der zinnelijkheid opgesloten lag. En in dezen zin bad Christus krachtens Zijn zinnelijkheid, omdat nl. Zijn gebed als voorspreker der zinnelijkheid haar gevoelens uitdrukte. Dat was om ons over drie dingen te 601onderrichten. Ten eerste om ons te toonen, dat Hij een echte menschelijke natuur had aangenomen met alle natuurlijke gevoelens. Ten tweede om te laten zien, dat de mensch met zijn natuurlijke gevoelens iets mag willen, dat God niet wil. Ten derde om erop te wijzen, dat de mensch zijn natuurlijke gevoelens aan den goddelijken wil moet onderwerpen. Daarom zegt Augustinus in het Enchiridion: « Christus, die Zich als mensch gedroeg, toonde zoo een eigen menschelijken wil te hebben toen Hij bad: Laat deze kelk aan Mij voorbijgaan ». Dit immers was een menschelijke wil, die iets eigens en als het ware iets persoonlijks verlangde. Maar omdat Hij een goed mensch wilde zijn en Zich tot God richten, voegde Hij eraan toe: « Maar niet zooals Ik het wil, maar gelijk Gij », alsof Hij wilde zeggen: « Ziet u zelf in Mij; dat gij nl. iets eigens kunt willen, ook al wil God iets anders ».In anderen zin kan men zeggen, dat iemand krachtens de zinnelijkheid bidt, in zover zijn verstand aan God in het gebed datgene voorstelt, wat in de verlangens van de zinnelijkheid opgesloten lag. En in deze zin bad Christus krachtens Zijn zinnelijkheid, omdat nl. Zijn gebed als voorspreker van de zinnelijkheid haar gevoelens uitdrukte. Dat was om ons over drie dingen te 601onderrichten. Ten eerste om ons te tonen, dat Hij een echte menselijke natuur had aangenomen met alle natuurlijke gevoelens. Ten tweede om te laten zien, dat de mens met zijn natuurlijke gevoelens iets mag willen, dat God niet wil. Ten derde om erop te wijzen, dat de mens zijn natuurlijke gevoelens aan de goddelijke wil moet onderwerpen. Daarom zegt Augustinus in het Enchiridion: “Christus, die Zich als mens gedroeg, toonde zo een eigen menselijken wil te hebben toen Hij bad: Laat deze kelk aan Mij voorbijgaan”. Dit immers was een menselijke wil, die iets eigens en als het ware iets persoonlijks verlangde. Maar omdat Hij een goed mens wilde zijn en Zich tot God richten, voegde Hij eraan toe: “Maar niet zoals Ik het wil, maar gelijk Gij”, alsof Hij wilde zeggen: “Ziet uzelf in Mij; dat gij nl. iets eigens kunt willen, ook al wil God iets anders”.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod caro exultat in Deum vivum, non per actum carnis ascendentem in Deum: sed per redundantiam a corde in carnem; inquantum appetitus sensitivus sequitur motum appetitus rationalis.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het vleesch verheugt zich in God niet door een daad van het vleesch, die omhoog stijgt naar God, maar doordat er iets uit het hart op het vleesch overvloeit, in zoover het zinnelijk streefvermogen de beweging van het redelijke volgt.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het vlees verheugt zich in God niet door een daad van het vlees, die omhoog stijgt naar God, maar doordat er iets uit het hart op het vlees overvloeit, in zover het zinnelijk streefvermogen de beweging van het redelijke volgt.

↑ bedenking 2

602Ad secundum dicendum, quod licet sensualitas hoc voluerit, quod ratio petebat: hoc tamen orando petere non erat sensualitatis, sed rationis, ut dictum est [in corp. art.].

6022. Al wilde de zinnelijkheid datgene, wat de rede vroeg, is toch dat vragen in het gebed niet iets van de zinnelijkheid, maar van de rede, zooals werd gezegd (in de Leerstelling).6022. Al wilde de zinnelijkheid datgene, wat de rede vroeg, is toch dat vragen in het gebed niet iets van de zinnelijkheid, maar van de rede, zoals werd gezegd (in de Leerstelling).

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod unio in persona est secundum esse personale, quod pertinet ad quamlibet partem humanae naturae. Sed ascensio orationis est per actum, qui non convenit nisi rationi, ut dictum est [in corp. art.]. Unde non est similis ratio.

3. De vereeniging in persoon geschiedde naar het persoonlijke zijn, dat aan ieder deel der menschelijke natuur toekomt. Het opstijgen echter in het gebed gebeurt door een daad, die zooals werd gezegd (t. a. pl.), alleen aan het verstand toekomt. Daarom gaat dezelfde reden hier niet op.3. De vereniging in persoon geschiedde naar het persoonlijke zijn, dat aan ieder deel van de menselijke natuur toekomt. Het opstijgen echter in het gebed gebeurt door een daad, die zoals werd gezegd (t.a.p.), alleen aan het verstand toekomt. Daarom gaat dezelfde reden hier niet op.

Articulus III

Utrum fuerit conveniens Christum pro se orare

[3. Dist. 17. art. 3. q. 2.]
IIIe Artikel

Paste het Christus voor Zichzelf te bidden?

antwoord 1 ↓

602Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod Christo non fuerit conveniens pro se orare. Dicit enim Hilarius in 10. de Trinit. [num. 71.]: « Cum sibi non proficeret deprecationis sermo, ad profectum tamen nostrae fidei loquebatur ». Sic ergo videtur, quod Christus non sibi, sed nobis oraverit.

602Bedenkingen. — Men beweert, dat het Christus niet paste voor Zichzelf te bidden. — 1. Want Hilarius zegt in het tiende boek Over de Drievuldigheid (n. 71): « Al baatte Zijn smeekgebed Hemzelf niet, Hij sprak toch om ons geloof te doen groeien ». Zoo schijnt het, dat Christus niet voor Zichzelf maar voor ons bad.602Bedenkingen. — Men beweert, dat het Christus niet paste voor Zichzelf te bidden. — 1. Want Hilarius zegt in het tiende boek Over de Drievuldigheid (n. 71): “Al baatte Zijn smeekgebed Hemzelf niet, Hij sprak toch om ons geloof te doen groeien”. Zo schijnt het, dat Christus niet voor Zichzelf maar voor ons bad.

antwoord 2 ↓

6032. Praeterea, nullus orat, nisi pro eo quod vult: quia, sicut dictum est [art. 1. huj. q.]. oratio est quaedam explicatio voluntatis per Deum implendae. Sed Christus volebat pati ea quae patiebatur: dicit enim Augustinus 26. contra Faust. [cap. 8.]: « Homo plerumque, etsi nolit, irascitur; etsi nolit, contristatur; etsi nolit, dormit; etsi nolit, esurit, ac sitit: ille autem (scilicet Christus), omnia ista habuit, quia voluit ». Ergo ei non competebat pro seipso orare.

6032. Niemand bidt tenzij voor wat hij verlangt, omdat het gebed zooals werd gezegd (1e Art.) een uiteenzetting is van wat men door God volvoerd wil zien. Nu wilde Christus datgene wat Hij leed ondergaan, want Augustinus zegt in het boek Tegen Faustus (26e B., 8e H.): « Meestal wordt de mensch bedroefd ook al wil hij het niet, slaapt al wil hij het niet; heeft honger en dorst al wil hij het niet. Maar Hij (nl. Christus) had dat alles, omdat Hij het wilde ». Dus kwam het Hem niet toe voor Zichzelf te bidden.6032. Niemand bidt tenzij voor wat hij verlangt, omdat het gebed zoals werd gezegd (1e Art.) een uiteenzetting is van wat men door God volvoerd wil zien. Nu wilde Christus datgene wat Hij leed ondergaan, want Augustinus zegt in het boek Tegen Faustus (26e B., 8e H.): “Meestal wordt de mens bedroefd ook al wil hij het niet, slaapt al wil hij het niet; heeft honger en dorst al wil hij het niet. Maar Hij (nl. Christus) had dat alles, omdat Hij het wilde”. Dus kwam het Hem niet toe voor Zichzelf te bidden.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Cyprianus dicit in lib. de Oratione Dominica: « Pacis doctor, et unitatis magister noluit sigillatim, et privatim preces fieri, ut quis, cum precatur, pro se tantum precetur ». Sed Christus illud implevit, quod docuit, secundum illud Act. 1. [v. 1]: « Coepit Jesus facere, et docere ». Ergo Christus nunquam pro se solo oravit.

3. Cyprianus zegt in het boek Over het gebed des Heeren: « De Leeraar van vrede en eenheid wilde niet dat er afzonderlijk en alleen gebeden werd, opdat niemand in het gebed alleen voor zichzelf zou bidden ». Nu vervulde Christus wat Hij voorschreef volgens de Handelingen (1, 1): « Jesus begon te doen en te onderrichten ». Dus bad Jesus nooit voor Zich alleen.3. Cyprianus zegt in het boek Over het gebed van de Heer: “De Leraar van vrede en eenheid wilde niet dat er afzonderlijk en alleen gebeden werd, opdat niemand in het gebed alleen voor zichzelf zou bidden”. Nu vervulde Christus wat Hij voorschreef volgens de Handelingen (1, 1): “Jesus begon te doen en te onderrichten”. Dus bad Jesus nooit voor Zich alleen.

Sed contra est, quod ipse Dominus orando dicit Joan. 17. [v. 1]: « Clarifica Filium tuum ».

Maar daartegenover staat, dat de Heer zelf biddend zei, (Joannes 27, 1): « Verheerlijk Uw Zoon ».Maar daartegenover staat, dat de Heer zelf biddend zei, (Johannes 27, 1): “Verheerlijk Uw Zoon”.

Respondeo dicendum, quod Christus pro se oravit dupliciter. Uno modo exprimendo affectum sensualitatis, ut supra dictum est [art. praec.], 604vel etiam voluntatis simplicis, quae consideratur ut natura; sicut cum oravit a se calicem passionis transferri. Alio modo exprimendo affectum voluntatis deliberatae, quae consideratur ut ratio: sicut cum petiit gloriam resurrectionis. Et hoc rationabiliter: sicut enim dictum est [art. 1. huj. q. ad 1.], Christus ad hoc uti voluit oratione ad Patrem, ut nobis daret exemplum orandi, et ut ostenderet Patrem suum esse auctorem, a quo et aeternaliter processit secundum divinam naturam, et secundum naturam humanam ab eo habet, quidquid boni habet. Sicut autem in humana natura quaedam bona habebat a Patre jam percepta; ita etiam expectabat ab eo quaedam bona nondum habita, sed percipienda: Et ideo sicut pro bonis jam perceptis in humana natura gratias agebat Patri, recognoscendo eum auctorem, ut patet Matth. 26. [v. 27] et Joan. 11. [v. 41]: ita etiam ut Patrem auctorem recognosceret, ab eo orando petebat ea, quae sibi deerant secundum humanam naturam; puta gloriam corporis, et alia hujusmodi. Et in hoc etiam nobis dedit exemplum, ut de perceptis a nobis muneribus gratias agamus, et etiam nondum habita orando postulemus.

Leerstelling. — Op de twee manieren bad Christus voor zichzelf. Ten eerste door zooals boven is gezegd (Vorig Art.) de 604gevoelens van Zijn zinnelijk gedeelte uit te drukken of ook die van den eenvoudig als een natuurding beschouwden wil, zooals toen Hij bad, dat de kelk van het lijden van Hem mocht worden weggenomen. Daarnaast door de verlangens van zijn door overleg geleiden als een redelijk ding beschouwden wil uit te drukken, zooals toen Hij om de verheerlijking der Verrijzenis bad. En dat was redelijk. Want zooals werd gezegd (1e Art., Antw. op de 1e B.) wilde Christus Zijn gebed tot den Vader als een voorbeeld van gebed gebruiken, en ook om te toonen, dat de Vader het beginsel was, uit wien Hij naar de goddelijke natuur van eeuwigheid was voortgekomen en van Wien Hij naar de menschelijke al het goed had dat Hij bezat. Zooals Hij nu in de menschelijke natuur sommige goede dingen reeds van den Vader ontvangen had, verwachtte Hij van Hem het goede, dat Hij nog niet had ontvangen, maar krijgen moest. En zooals Hij dus voor het in de menschelijke natuur ontvangen goed den Vader dankte en als gever erkende, zooals uit Matthaeus (26, 27) en Joannes (11, 41) blijkt, zoo vroeg Hij ook om den Vader als gever te erkennen in het gebed datgene van Hem, dat Hij naar de menschelijke natuur nog miste als de heerlijkheid van het lichaam en dergelijke dingen. En hierin gaf Hij ons ook een voorbeeld om voor te ontvangen gaven te danken en wat wij nog niet hebben in het gebed te vragen.Leerstelling. — Op de twee manieren bad Christus voor zichzelf. Ten eerste door zoals boven is gezegd (Vorig Art.) de 604gevoelens van Zijn zinnelijk gedeelte uit te drukken of ook die van de eenvoudig als een natuurding beschouwden wil, zoals toen Hij bad, dat de kelk van het lijden van Hem mocht worden weggenomen. Daarnaast door de verlangens van zijn door overleg geleiden als een redelijk ding beschouwden wil uit te drukken, zoals toen Hij om de verheerlijking van de Verrijzenis bad. En dat was redelijk. Want zoals werd gezegd (1e Art., Antw. op de 1e B.) wilde Christus Zijn gebed tot de Vader als een voorbeeld van gebed gebruiken, en ook om te tonen, dat de Vader het beginsel was, uit wie Hij naar de goddelijke natuur van eeuwigheid was voortgekomen en van Wie Hij naar de menselijke al het goed had dat Hij bezat. Zoals Hij nu in de menselijke natuur sommige goede dingen reeds van de Vader ontvangen had, verwachtte Hij van Hem het goede, dat Hij nog niet had ontvangen, maar krijgen moest. En zoals Hij dus voor het in de menselijke natuur ontvangen goed de Vader dankte en als gever erkende, zoals uit Matteüs (26, 27) en Johannes (11, 41) blijkt, zo vroeg Hij ook om de Vader als gever te erkennen in het gebed datgene van Hem, dat Hij naar de menselijke natuur nog miste als de heerlijkheid van het lichaam en dergelijke dingen. En hierin gaf Hij ons ook een voorbeeld om voor te ontvangen gaven te danken en wat wij nog niet hebben in het gebed te vragen.

↑ bedenking 1

605Ad primum ergo dicendum. quod Hilarius loquitur quantum ad orationem vocalem: quae non erat ei necessaria propter ipsum, sed solum propter nos. Unde signanter dicit, quod « sibi non proficiebat deprecationis sermo ». Si enim « desiderium pauperum exaudivit Dominus » ut in Ps. 9. [v. 38] dicitur, multo magis sola voluntas Christi habet vim orationis apud Patrem. Unde ipse dicebat Joan. 11. [v. 42]: « Ego sciebam, quoniam semper me audis; sed propter populum qui circumstat, dixi, ut credant, quia tu me misisti ».

605Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Hilarius spreekt hier over het mondgebed, waaraan Hij voor Zichzelf geen behoefte had, maar voor ons. Daarom zegt hij uitdrukkelijk, dat de woorden van het gebed Hem niet baatten. Want als God « de gebeden der armen verhoort », zooals in de Psalmen (Ps. 9, 38) staat, dan had de wil van Christus alleen zooveel te meer nog bij God de kracht van een gebed. Daarom zei Hij zelf bij Joannes (11, 42): « Ik wist dat Gij Mij altijd hoort, maar Ik heb gesproken om het volk dat om Mij heenstaat, opdat zij gelooven zouden dat Gij Mij gezonden hebt ».605Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Hilarius spreekt hier over het mondgebed, waaraan Hij voor Zichzelf geen behoefte had, maar voor ons. Daarom zegt hij uitdrukkelijk, dat de woorden van het gebed Hem niet baatten. Want als God “de gebeden van de armen verhoort”, zoals in de Psalmen (Ps. 9, 38)a staat, dan had de wil van Christus alleen zoveel te meer nog bij God de kracht van een gebed. Daarom zei Hij zelf bij Johannes (11, 42): “Ik wist dat Gij Mij altijd hoort, maar Ik heb gesproken om het volk dat om Mij heenstaat, opdat zij geloven zouden dat Gij Mij gezonden hebt”.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod Christus volebat quidem pati illa quae patiebatur pro tempore illo: sed nihilominus volebat, ut post passionem gloriam corporis consequeretur, quam nondum habebat. Quam quidem gloriam expectabat a Patre, sicut ab auctore. Et ideo convenienter ab ipso eam petebat.

2. Christus wilde wat Hij onderging wat dien tijd betreft wel lijden, maar toch wilde Hij na het lijden de verheerlijking van het lichaam krijgen, die Hij nog niet had. Die verwachtte Hij van den Vader als van den gever. En daarom past het, dat Hij dat voor Zichzelf vroeg.2. Christus wilde wat Hij onderging wat die tijd betreft wel lijden, maar toch wilde Hij na het lijden de verheerlijking van het lichaam krijgen, die Hij nog niet had. Die verwachtte Hij van de Vader als van de gever. En daarom past het, dat Hij dat voor Zichzelf vroeg.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod ipsa gloria, quam Christus orando petebat, pertinebat ad salutem aliorum: secundum illud Rom. [v. 25]: « Resurrexit propter justificationem nostram ». Et ideo illa etiam oratio, quam pro se faciebat, erat quodammodo pro aliis. Sicut et quicumque homo 606aliquod bonum a Deo postulat, ut utatur illo ad utilitatem aliorum, non sibi soli, sed etiam aliis orat.

3. De glorie, die Hij in het gebed voor Zich vroeg, maakte deel uit van de redding der menschen volgens den Romeinenbrief (4, 25): « Hij verrees om onze rechtvaardigmaking ». Zoo was dat gebed voor Hemzelf ook eenigszins voor anderen. Evenzoo bidt ieder mensch, die van God iets goeds vraagt om dat voor het 606nut van anderen te gebruiken, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor anderen.3. De glorie, die Hij in het gebed voor Zich vroeg, maakte deel uit van de redding van de mensen volgens de Romeinenbrief (4, 25): “Hij verrees om onze rechtvaardigmaking”. Zo was dat gebed voor Hemzelf ook enigszins voor anderen. Evenzo bidt ieder mens, die van God iets goeds vraagt om dat voor het 606nut van anderen te gebruiken, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor anderen.

Articulus IV

Utrum oratio Christi semper fuerit exaudita

[3. Dist. 17. art. 3. q. 4. et Comp. Theol. cap. 231. et Joan. 12. lect. 5. et Heb. 5. lect. 1.]
IVe Artikel

Werd Christus' gebed altijd verhoord?

antwoord 1 ↓

606Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod oratio Christi non semper fuerit exaudita. Petiit enim a se removeri calicem passionis, ut patet Matth. 26. [v. 39]: qui tamen ab eo non fuit translatus. Ergo videtur, quod non omnis oratio ejus fuerit exaudita.

606Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus' gebed niet altijd werd verhoord. — 1. Want Hij vroeg dat de kelk van het lijden van Hem werd weggenomen, zooals blijkt uit Matthaeus (26, 39); en toch ging deze Hem niet voorbij. Dus schijnt niet ieder gebed van Hem verhoord te zijn.606Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus' gebed niet altijd werd verhoord. — 1. Want Hij vroeg dat de kelk van het lijden van Hem werd weggenomen, zoals blijkt uit Matteüs (26, 39); en toch ging deze Hem niet voorbij. Dus schijnt niet ieder gebed van Hem verhoord te zijn.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, ipse oravit, ut peccatum crucifixoribus suis ignosceretur, ut patet Luc. 23. [v. 34]: Non tamen omnibus peccatum illud fuit dimissum: nam Judaei fuerunt pro illo peccato puniti. Ergo videtur, quod non omnis oratio ejus sit exaudita.

2. Hij bad, dat de zonde van hen, die Hem kruisigden vergeven mocht worden, zooals uit Lucas (23, 34) blijkt. Maar niet aan allen werd die zonde vergeven, omdat de Joden ervoor zijn gestraft. Dus schijnt niet ieder gebed van Hem verhoord te zijn.2. Hij bad, dat de zonde van hen, die Hem kruisigden vergeven mocht worden, zoals uit Lukas (23, 34) blijkt. Maar niet aan allen werd die zonde vergeven, omdat de Joden ervoor zijn gestraft. Dus schijnt niet ieder gebed van Hem verhoord te zijn.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, dominus oravit « pro his, qui erant credituri per verbum Apostolorum in ipsum, ut omnes in eo unum essent » et ut pervenirent 607ad hoc quod essent cum ipso [Jo. 17. v. 20, 21 et 24]. Sed non omnes ad hoc perveniunt. Ergo non omnis ejus oratio est exaudita.

3. De Heer bad voor hen, die door het woord der Apostelen in Hem zouden gelooven, dat allen in Hem een zouden zijn, en 607dat zij ertoe mochten komen om met Hem te zijn. Maar niet allen kwamen daartoe. Dus werd niet ieder gebed van Hem verhoord.3. De Heer bad voor hen, die door het woord van de Apostelen in Hem zouden geloven, dat allen in Hem een zouden zijn, en 607dat zij ertoe mochten komen om met Hem te zijn. Maar niet allen kwamen daartoe. Dus werd niet ieder gebed van Hem verhoord.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, in Psal. 21. [v. 3] dicitur in persona Christi: « Clamabo per diem, et non exaudies ». Ergo non omnis oratio Christi fuit exaudita.

4. In een Psalm (Ps. 21, 3) wordt namens Christus gezegd: « Ik roep den heelen dag en Gij luistert niet ». Dus zijn niet al Zijn gebeden verhoord.4. In een Psalm (Ps. 21, 3)a wordt namens Christus gezegd: “Ik roep de hele dag en Gij luistert niet”. Dus zijn niet al Zijn gebeden verhoord.

Sed contra est, quod Apostolus dicit ad Hebr. 5. [v. 7]: « Cum clamore valido, et lacrymis offerens, exauditus est pro sua reverentia ».

Maar daartegenover staat dat de Apostel in den Hebreeënbrief (5, 7) zegt: « Toen Hij onder luid geroep en tranen gebeden opzond, is Hij om Zijn godvreezendheid verhoord ».Maar daartegenover staat dat de Apostel in de Hebreeënbrief (5, 7) zegt: “Toen Hij onder luid geroep en tranen gebeden opzond, is Hij om Zijn godvrezendheid verhoord”.

Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est [art. 1.], oratio est quodammodo interpretativa voluntatis humanae. Tunc ergo alicujus orantis exauditur oratio, quando ejus voluntas adimpletur. Voluntas autem simpliciter hominis est rationis voluntas: hoc enim absolute volumus, quod secundum deliberatam rationem volumus. Illud autem quod volumus secundum motum sensualitatis, vel etiam secundum motum voluntatis simplicis, quae consideratur ut natura, non simpliciter volumus, sed secundum quid: scilicet si aliud non obsistat, quod per deliberationem rationis invenitur. 608Unde talis voluntas magis est dicenda « velleitas » quam absoluta voluntas: quia scilicet homo hoc vellet, si aliud non obsisteret.

Leerstelling. — Zooals werd gezegd (1e Art.), is het gebed in zekeren zin de uitdrukking van den menschelijken wil. Iemands gebed wordt dus verhoord als zijn wil wordt vervuld. Maar de wil van een mensch zonder meer is zijn door de rede geleiden wil; want wij willen onvoorwaardelijk datgene, wat wij met den door overleg geleiden wil willen. Maar wat wij met de bewegingen der zinnelijkheid of van den eenvoudig als natuurding beschouwden wil willen, willen wij niet zonder meer maar alleen in zeker opzicht, nl. als er niets tegen is, dat wij bij verstandsoverleg vinden. Een dergelijk willen moeten wij daarom eerder een 608zou-willen (Lat. velleitas) noemen dan een onvoorwaardelijk willen, omdat de mensch het nl. zou willen, als er niets tegen was.Leerstelling. — Zoals werd gezegd (1e Art.), is het gebed in zekeren zin de uitdrukking van de menselijke wil. Iemands gebed wordt dus verhoord als zijn wil wordt vervuld. Maar de wil van een mens zonder meer is zijn door de rede geleiden wil; want wij willen onvoorwaardelijk datgene, wat wij met de door overleg geleiden wil willen. Maar wat wij met de bewegingen van de zinnelijkheid of van de eenvoudig als natuurding beschouwden wil willen, willen wij niet zonder meer maar alleen in zeker opzicht, nl. als er niets tegen is, dat wij bij verstandsoverleg vinden. Een dergelijk willen moeten wij daarom eerder een 608zou-willen (Lat. velleitas) noemen dan een onvoorwaardelijk willen, omdat de mens het nl. zou willen, als er niets tegen was.

Secundum autem voluntatem rationis Christus nihil aliud voluit, nisi quod scivit Deum velle. Et ideo omnis absoluta voluntas Christi, etiam humana, fuit impleta; quia fuit Deo conformis: et per consequens omnis ejus oratio fuit exaudita. Nam et secundum hoc aliorum orationes implentur, quod sunt eorum voluntates Deo conformes: secundum illud Rom. 8. [v. 27]: « Qui autem scrutatur corda, scit » idest approbat, « quid desideret spiritus » idest quid faciat sanctos desiderare: [cfr. Glossa int.] « quoniam secundum Deum » idest secundum conformitatem divinae voluntatis, « postulat pro sanctis ».

Maar met Zijn redelijken wil wilde Christus niets anders dan dat, waarvan Hij wist dat God het wilde. En dus werd elk onvoorwaardelijk, ook het menschelijke willen van Christus altijd vervuld, omdat het met God overeen kwam en daarom is elk gebed van Hem verhoord. Hierom immers worden ook de gebeden van anderen verhoord, dat hun wil met God overeenkomt naar den Romeinenbrief (8, 27): « Hij die de harten doorgrondt, weet, (dwz. keurt goed) wat de Geest verlangt, (dwz. de heiligen doet verlangen), omdat Hij volgens God (dwz. overeenkomstig Gods wil) voor de heiligen bidt ».Maar met Zijn redelijken wil wilde Christus niets anders dan dat, waarvan Hij wist dat God het wilde. En dus werd elk onvoorwaardelijk, ook het menselijke willen van Christus altijd vervuld, omdat het met God overeen kwam en daarom is elk gebed van Hem verhoord. Hierom immers worden ook de gebeden van anderen verhoord, dat hun wil met God overeenkomt naar de Romeinenbrief (8, 27): “Hij die de harten doorgrondt, weet, (dwz. keurt goed) wat de Geest verlangt, (dwz. de heiligen doet verlangen), omdat Hij volgens God (dwz. overeenkomstig Gods wil) voor de heiligen bidt”.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod illa petitio de translatione calicis diversimode a sanctis exponitur. Hilarius enim super Matth. [cap. 31. n. 7] dicit: « Quod autem ut a se transeat rogat, non ut ipsa praetereatur orat: sed ut in alterum id quod a se transit, accedat. Atque ideo pro his orat, qui passuri post se erant »: ut sit sensus: « quomodo a me bibitur calix 609iste passionis, ita ab his bibatur sine spei diffidentia, sine sensu doloris, sine metu mortis ».

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De heiligen leggen dit gebed om het wegnemen der kelk verschillend uit. Want Hilarius zegt (op Matthaeus, 31e H., n. 7): « Als Hij vraagt, dat zij van Hem weggaat, bidt Hij niet om zelf voorbij te worden gegaan, maar dat wat van Hem weggaat anderen ten goede mag komen. En daarom bidt Hij voor hen die na Hem zouden lijden, zoodat de beteekenis wordt: mag de kelk van het lijden zoo door 609anderen worden gedronken als door Mij, zonder dat de hoop versaagt, zonder gevoel van smart, zonder vrees voor den dood ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De heiligen leggen dit gebed om het wegnemen van de kelk verschillend uit. Want Hilarius zegt (op Matteüs, 31e H., n. 7): “Als Hij vraagt, dat zij van Hem weggaat, bidt Hij niet om zelf voorbij te worden gegaan, maar dat wat van Hem weggaat anderen ten goede mag komen. En daarom bidt Hij voor hen die na Hem zouden lijden, zodat de betekenis wordt: mag de kelk van het lijden zo door 609anderen worden gedronken als door Mij, zonder dat de hoop versaagt, zonder gevoel van smart, zonder vrees voor de dood”.

Vel secundum Hieron. [sup. hunc loc. Matth. 26. v. 31]: « signanter dicit: « Calix iste », hoc est populi Judaeorum, qui excusationem ignorantiae habere non possunt, si me occiderint, habentes leges, et prophetas, qui me vaticinantur ».

Of volgens Hieronymus (Commentaar op Matthaeus (26, 39), 4e B.): « Hij zegt uitdrukkelijk: deze kelk, nl. van het joodsche volk, die zich niet met onwetendheid kunnen verontschuldigen als zij mij dooden, omdat zij wet en Profeten hebben, die Mij aankondigen ».Of volgens Hieronymus (Commentaar op Matteüs (26, 39), 4e B.): “Hij zegt uitdrukkelijk: deze kelk, nl. van het Joodse volk, die zich niet met onwetendheid kunnen verontschuldigen als zij mij doden, omdat zij wet en Profeten hebben, die Mij aankondigen”.

Vel secundum Dionysium Alexandrinum [De Martyrio, ad Origen. cap. 7.], quod dicit: « Transfer calicem istum a me », non hoc est « Non adveniat mihi », nisi enim advenerit, transferri non poterit: sed sicut quod praeterit, nec intactum est, nec permanens, sic Salvator leviter invadentem tentationem flagitat pelli ».

Of volgens Dionysius van Alexandrië (Over het Martelaarschap, aan Origenes, 7e H.): « Dat Hij zegt: Neem deze kelk van mij weg, beteekent niet, laat zij Mij niet bereiken; want als zij Hem niet bereikte, zou zij niet weggenomen kunnen worden. Maar zooals wat voorbij gaat noch onaangeraakt noch blijvend is, vroeg onze Verlosser, dat de bekoring die Hem eenigszins aangreep verdreven mocht worden ».Of volgens Dionysius van Alexandrië (Over het Martelaarschap, aan Origenes, 7e H.): “Dat Hij zegt: Neem deze kelk van mij weg, betekent niet, laat zij Mij niet bereiken; want als zij Hem niet bereikte, zou zij niet weggenomen kunnen worden. Maar zoals wat voorbij gaat noch onaangeraakt noch blijvend is, vroeg onze Verlosser, dat de bekoring die Hem enigszins aangreep verdreven mocht worden”.

Ambrosius autem dicit [sup. illud Luc. 22. v. 42], et Origenes [tract. 35. in Matth. inter princ. et med.], et Chrysostomus [hom. 84. in Matth. parum a princ.], quod hoc petiit, « quasi homo » naturali voluntate « mortem recusans ».

Ambrosius echter en Origenes en Chrysostomus zeggen, dat Hij dit bad als een mensch, die met zijn natuurlijken wil voor den dood terugschrikt.Ambrosius echter en Origenes en Chrysostomus zeggen, dat Hij dit bad als een mens, die met zijn natuurlijken wil voor de dood terugschrikt.

Sic ergo si intelligatur, quod petierit per hoc, alios martyres suae passionis imitatores fieri, secundum Hilarium [loc. sup. cit.], vel si petiit, quod timor bibendi calicis eum non perturbaret, vel quod mors eum non 610detineret: omnino impletum est quod petivit. Si vero intelligitur petiisse, quod non biberet calicem mortis, et passionis, vel quod non biberet ipsum a Judaeis: non quidem est factum quod petiit; quia ratio, quae petitionem proposuit, nolebat ut hoc impleretur. Sed ad instructionem nostram volebat demonstrare nobis suam voluntatem naturalem, et motum sensualitatis, quem sicut homo habebat.

Vat men het dus zoo op, dat Hij bad, dat hierdoor de andere martelaars navolgers mochten worden, of dat de vrees voor het drinken van de kelk Hem niet zou verwarren of dat de dood Hem 610niet blijvend zou overwinnen, dan is datgene, waarom Hij vroeg geheel en al vervuld. Houdt men, dat Hij bad dat Hij de kelk van lijden en dood niet zou drinken of niet door het joodsche volk, dan is Zijn gebed wel niet verhoord, omdat de rede, die dit gebed aan God overbracht, niet wilde dat het vervuld werd; maar Hij wilde om ons te onderrichten ons Zijn natuurlijken wil en de bewegingen van Zijn zinnelijk deel, die Hij als mensch had, toonen.Vat men het dus zo op, dat Hij bad, dat hierdoor de andere martelaars navolgers mochten worden, of dat de vrees voor het drinken van de kelk Hem niet zou verwarren of dat de dood Hem 610niet blijvend zou overwinnen, dan is datgene, waarom Hij vroeg geheel en al vervuld. Houdt men, dat Hij bad dat Hij de kelk van lijden en dood niet zou drinken of niet door het Joodse volk, dan is Zijn gebed wel niet verhoord, omdat de rede, die dit gebed aan God overbracht, niet wilde dat het vervuld werd; maar Hij wilde om ons te onderrichten ons Zijn natuurlijken wil en de bewegingen van Zijn zinnelijk deel, die Hij als mens had, tonen.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod Dominus non oravit pro omnibus crucifixoribus, neque etiam pro omnibus qui erant credituri in eum: sed pro his solum, qui erant praedestinati, ut per ipsum vitam consequerentur aeternam.

2. De Heer bad niet voor allen, die Hem kruisigden en niet voor allen, die in Hem zouden gelooven, maar alleen voor hen die voorbestemd waren om door Hem het eeuwige leven te krijgen.2. De Heer bad niet voor allen, die Hem kruisigden en niet voor allen, die in Hem zouden geloven, maar alleen voor hen die voorbestemd waren om door Hem het eeuwige leven te krijgen.

↑ bedenking 3

Unde patet etiam responsio ad tertium.

Hieruit blijkt ook het antwoord op de derde bedenking.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod cum dicit: « Clamabo, et non exaudies » intelligendum est quantum ad affectum sensualitatis, quae mortem refugiebat. Exauditur tamen quantum ad affectum rationis, ut dictum est [in corp.].

4. Als er staat: « Ik zal roepen en Gij zult Mij niet verhooren », moet men dit laten slaan op de gevoelens der zinnelijkheid, die voor den dood terugschrikken. Maar zooals werd gezegd (in de Leerstelling), is Hij wel verhoord in de gevoelens van Zijn redelijken wil.4. Als er staat: “Ik zal roepen en Gij zult Mij niet verhoren”, moet men dit laten slaan op de gevoelens van de zinnelijkheid, die voor de dood terugschrikken. Maar zoals werd gezegd (in de Leerstelling), is Hij wel verhoord in de gevoelens van Zijn redelijken wil.