De adoratione Christi, in sex articulos divisa
Over het aanbidden van Christus
669Deinde considerandum est de his quae pertinent ad Christum in comparatione ad nos: et primo de adoratione Christi, quae scilicet nos eum adoramus: secundo de hoc quod est Mediator noster ad Deum.
669Vervolgens moeten wij over de dingen spreken, die Christus toekomen om Zijn verhouding tot ons. En wel vooreerst over de aanbidding van Christus, die nl. waarmee wij Hem aanbidden; ten tweede over het feit, dat Hij middelaar is van ons bij God.
Circa primum quaeruntur sex: 1. Utrum una et eadem adoratione sit adoranda divinitas Christi, et ejus humanitas. — 2. Utrum caro Christi sit adoranda adoratione latriae. — 3. Utrum adoratio latriae sit exhibenda imagini Christi. — 4. Utrum sit exhibenda cruci Christi. — 5. Utrum sit exhibenda Matri ejus. — 6. De adoratione Reliquiarum Sanctorum.
Over het eerste punt stellen wij ons zes vragen: 1. Moeten Christus' godheid en menschheid met dezelfde soort aanbidding aanbeden worden? 2. Moet Zijn vleesch aanbeden worden met godsvereering? 3. Moet men die aanbidding brengen aan Zijn afbeeldingen? 4. Moet men haar brengen aan Zijn kruis? 5. Moet men haar brengen aan Zijn Moeder? 6. Over de vereering van de overblijfselen der Heiligen.Over het eerste punt stellen wij ons zes vragen: 1. Moeten Christus' godheid en mensheid met dezelfde soort aanbidding aanbeden worden? 2. Moet Zijn vlees aanbeden worden met godsverering? 3. Moet men die aanbidding brengen aan Zijn afbeeldingen? 4. Moet men haar brengen aan Zijn kruis? 5. Moet men haar brengen aan Zijn Moeder? 6. Over de verering van de overblijfselen van de Heiligen.
Utrum una et eadem1 adoratione sit adoranda divinitas Christi, et ejus humanitas
Moeten Christus' godheid en menschheid met dezelfde soort aanbidding aanbeden worden?Moeten Christus' godheid en mensheid met dezelfde soort aanbidding aanbeden worden?
670Ad primum sic proceditur. Videtur quod non eadem adoratione adoranda sit humanitas Christi, et ejus divinitas. Divinitas enim Christi est adoranda quia2 est communis Patri, et Filio, unde dicitur Joan. 5. [v. 23]: « Omnes honorificent Filium, sicut honorificant Patrem ». Sed humanitas Christi non est communis ei, et Patri. Ergo non eadem adoratione adoranda est humanitas Christi, et ejus divinitas.
670Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus' godheid en menschheid niet met dezelfde soort aanbidding aanbeden moeten worden. — 1. Want Christus' godheid moet aanbeden worden in zoover Hij haar gemeenschappelijk met den Vader bezit, zoodat bij Joannes (5, 23) wordt gezegd: « Allen eeren den Zoon zooals zij den Vader vereeren ». Maar Christus heeft Zijn menschheid niet met den Vader gemeen. Dus moeten Zijn godheid en menschheid niet met dezelfde soort aanbidding aanbeden worden.670Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus' godheid en mensheid niet met dezelfde soort aanbidding aanbeden moeten worden. — 1. Want Christus' godheid moet aanbeden worden in zover Hij haar gemeenschappelijk met de Vader bezit, zodat bij Johannes (5, 23) wordt gezegd: “Allen eren de Zoon zoals zij de Vader vereren”. Maar Christus heeft Zijn mensheid niet met de Vader gemeen. Dus moeten Zijn godheid en mensheid niet met dezelfde soort aanbidding aanbeden worden.
2. Praeterea, Honor est proprie « praemium virtutis »: ut Philos. dicit in 4. Ethic. [cap. 3. n. 15. S. Th. lect. 8.]: meretur autem virtus suum praemium per actum. Cum igitur in Christo sit alia operatio divinae, 671et humanae naturae, ut supra habitum est [q. 19. art. 1.], videtur, quod alio honore sit veneranda3 humanitas Christi, et alio ejus divinitas.
2. De eer is in eigenlijken zin « het loon der deugd », zooals de Philosoof in het 4e boek Over de Zedeleer (3e H., n. 15) zegt. Nu verdient de deugd door daden haar loon. Omdat er nu zooals boven is gezegd (19e Kw., 1e Art.) in Christus verschil is tusschen de werkzaamheid van de goddelijke en menschelijke natuur, 671schijnt Christus' godheid met andere eerbewijzen aanbeden te moeten worden dan Zijn menschheid.2. De eer is in eigenlijke zin “het loon van de deugd”, zoals de Filosoof in het 4e boek Over de Zedeleer (3e H., n. 15) zegt. Nu verdient de deugd door daden haar loon. Omdat er nu zoals boven is gezegd (19e Kw., 1e Art.) in Christus verschil is tussen de werkzaamheid van de goddelijke en menselijke natuur, 671schijnt Christus' godheid met andere eerbewijzen aanbeden te moeten worden dan Zijn mensheid.
3. Praeterea, anima Christi, si non esset Verbo unita, esset veneranda propter excellentiam sapientiae, et gratiae, quam habet. Sed nihil dignitatis est ei subtractum per hoc quod est unita Verbo. Ergo natura humana in Christo est quaedam4 propria adoratione veneranda, praeter venerationem quae exhibetur divinitati ipsius.
3. Als Christus' ziel niet met het Woord vereenigd was, zou zij vereerd moeten worden om de uitstekende wijsheid en genade, die zij bezit. Nu is haar door de vereeniging met het Woord niets onttrokken, wat tot haar waardigheid bijdraagt. Dus is de menschelijke natuur met een eigen soort eer te vereeren buiten de vereering om, die aan Zijn goddelijke natuur wordt gebracht.3. Als Christus' ziel niet met het Woord verenigd was, zou zij vereerd moeten worden om de uitstekende wijsheid en genade, die zij bezit. Nu is haar door de vereniging met het Woord niets onttrokken, wat tot haar waardigheid bijdraagt. Dus is de menselijke natuur met een eigen soort eer te vereren buiten de verering om, die aan Zijn goddelijke natuur wordt gebracht.
Sed contra est, quod in capitulis quintae Synodi [scilicet Constan. 2. gener. 5. collat. 8. can. 9.] sic legitur: « Si quis in duabus naturis adorari dicit Christum, ex quo duae adorationes introducuntur, sed non una adoratione Deum Verbum incarnatum cum propria ipsius carne adorat, sicut ab initio Dei Ecclesiae traditum est, talis anathema sit ».
Maar daartegenover staat, dat wij in de kapittels van de Vijfde Kerkvergadering dit lezen: « Als iemand beweert, dat Christus in twee naturen vereerd moet worden en zoo over twee aanbiddingen begint te spreken, maar niet zooals het vanaf het begin in Gods Kerk overgeleverd is met een enkele aanbidding God, het menschgeworden Woord, met Zijn eigen Vleesch aanbidt, die zij gebannen ».Maar daartegenover staat, dat wij in de kapittels van de Vijfde Kerkvergadering dit lezen: “Als iemand beweert, dat Christus in twee naturen vereerd moet worden en zo over twee aanbiddingen begint te spreken, maar niet zoals het vanaf het begin in Gods Kerk overgeleverd is met een enkele aanbidding God, het mensgeworden Woord, met Zijn eigen Vlees aanbidt, die zij gebannen”.
Respondeo dicendum, quod in eo qui honoratur, duo possumus considerare, scilicet eum cui honor exhibetur, et causam honoris. Proprie autem 672honor exhibetur toti rei subsistenti: non enim dicimus, quod manus hominis honoretur, sed quod homo honoretur. Et si quandoque contingat, quod dicatur honorari manus, vel pes alicujus, hoc non dicitur ea ratione, quod hujusmodi partes secundum se honorentur, sed quia in istis partibus honoratur totum. Per quem etiam modum aliquis homo potest honorari in aliquo exteriori; puta in veste, aut in imagine, aut in nuntio.
Leerstelling. — In hem, die geëerd wordt kunnen wij twee dingen beschouwen, nl. wie geeerd wordt en de reden waarom. In eigenlijken zin nu wordt eer bewezen aan het geheele zelfstandig 672bestaande ding, want wij zeggen niet, dat de hand van den mensch geëerd wordt, maar de mensch. En zegt men toevallig, dat iemands hand of voet wordt geëerd, dan is dat niet met deze bedoeling, dat deze deelen op zichzelf worden geëerd, maar dat in deze deelen het geheel wordt geëerd. Op deze manier kan een mensch ook in een buiten hem staand ding worden geëerd, bv. in zijn kleeding of beeld of een afgezant.Leerstelling. — In hem, die geëerd wordt kunnen wij twee dingen beschouwen, nl. wie geëerd wordt en de reden waarom. In eigenlijke zin nu wordt eer bewezen aan het gehele zelfstandig 672bestaande ding, want wij zeggen niet, dat de hand van de mens geëerd wordt, maar de mens. En zegt men toevallig, dat iemands hand of voet wordt geëerd, dan is dat niet met deze bedoeling, dat deze delen op zichzelf worden geëerd, maar dat in deze delen het geheel wordt geëerd. Op deze manier kan een mens ook in een buiten hem staand ding worden geëerd, bv. in zijn kleding of beeld of een afgezant.
Causa autem honoris est id, ex quo ille qui honoratur, habet aliquam excellentiam: nam honor est reverentia alicui exhibita propter sui excellentiam, ut in secunda parte dictum est [2-2. q. 103. art. 1.]; et ideo si in uno homine sunt plures causae honoris, puta praelatio, scientia, et virtus, erit quidem illius hominis unus honor ex parte ejus qui honoratur, plures tamen secundum causas honoris, homo enim est, qui honoratur et propter scientiam, et propter virtutem.
De reden van de eer nu is datgene, waardoor hij die geëerd wordt, boven anderen uitsteekt, omdat eer de iemand om zijn uitstekendheid bewezen hulde is, zooals in het tweede deel (IIa-IIae, 103e Kw., 1e Art.) is gezegd. En zijn er dus in een mensch meerdere redenen om hem te eeren, bij waardigheid, wetenschap en deugd, dan zal er één vereering zijn van dien mensch, gezien van den kant van hem die geëerd wordt, maar meerdere wat de redenen van vereering betreft, want het is de mensch, die en om de wetenschap en om de deugd wordt geëerd.De reden van de eer nu is datgene, waardoor hij die geëerd wordt, boven anderen uitsteekt, omdat eer de iemand om zijn uitstekendheid bewezen hulde is, zoals in het tweede deel (2-2, 103e Kw., 1e Art.) is gezegd. En zijn er dus in een mens meerdere redenen om hem te eren, bij waardigheid, wetenschap en deugd, dan zal er één verering zijn van die mens, gezien van de kant van hem die geëerd wordt, maar meerdere wat de redenen van verering betreft, want het is de mens, die en om de wetenschap en om de deugd wordt geëerd.
Sic ergo cum in Christo sit tantum una persona divinae, et humanae naturae, et etiam una hypostasis, et unum suppositum, est quidem ejus una adoratio, et unus honor ex parte ejus qui adoratur: sed ex parte causae qua honoratur, possunt dici esse plures adorationes; ut scilicet alio honore 673honoretur propter sapientiam increatam, et alio5 propter sapientiam creatam.
Omdat er dus in Christus maar een persoon is in de goddelijke en de menschelijke natuur en maar een hypostase en een drager, is er maar een aanbidding en vereering van Hem, bezien van den kant van wie aanbeden wordt, maar van den kant van de reden 673om te eeren kan men van meerdere aanbiddingen spreken, in zoover Hij met een andere eer wordt vereerd om de ongeschapen en om de geschapen wijsheid.Omdat er dus in Christus maar een persoon is in de goddelijke en de menselijke natuur en maar een hypostase en een drager, is er maar een aanbidding en verering van Hem, bezien van de kant van wie aanbeden wordt, maar van de kant van de reden 673om te eren kan men van meerdere aanbiddingen spreken, in zover Hij met een andere eer wordt vereerd om de ongeschapen en om de geschapen wijsheid.
Si autem ponerentur in Christo plures personae, seu hypostases, sequeretur quod simpliciter essent plures adorationes. Et hoc est quod in Synodis reprobatur; dicitur enim in capitulis Cyrilli [hab. in ejus epist. ad Nestor. in Concil. Ephes. gener. 3. part. 1. cap. 26. can. 8.]: « Si quis audet dicere, assumptum hominem coadorari oportere Deo Verbo, quasi alterum alteri, et non potius una adoratione honorificat Emmanuelem, secundum quod Verbum caro factum est, anathema sit ».
Zou men echter in Christus meerdere personen of hypostasen aannemen, dan waren er zonder beperking meerdere aanbiddingen. En dat wordt op de Kerkvergaderingen verworpen. Want in de kapittels van Cyrillus wordt gezegd: « Als iemand het waagt te zeggen, dat de aangenomen mensch te samen met Gods Woord moet aanbeden worden als de eene persoon met den anderen, en niet liever met een enkele aanbidding den Emmanuel vereert, in zoover het Woord is Vleesch geworden, die zij gebannen ».Zou men echter in Christus meerdere personen of hypostasen aannemen, dan waren er zonder beperking meerdere aanbiddingen. En dat wordt op de Kerkvergaderingen verworpen. Want in de kapittels van Cyrillus wordt gezegd: “Als iemand het waagt te zeggen, dat de aangenomen mens te samen met Gods Woord moet aanbeden worden als de ene persoon met de anderen, en niet liever met een enkele aanbidding de Emmanuel vereert, in zover het Woord is Vlees geworden, die zij gebannen”.
Ad primum ergo dicendum, quod in Trinitate sunt tres qui honorantur, sed est una causa honoris. In mysterio autem Incarnationis est e converso. Et ideo alio modo est unus honor Trinitatis, et alio modo est unus honor Christi.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. In de Drievuldigheid zijn er Drie die vereerd worden, maar een reden om hen te vereeren, doch bij het geheim der Menschwording is het omgekeerd. En dus is de vereering der Drievuldigheid op een andere manier één dan die van Christus.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. In de Drievuldigheid zijn er Drie die vereerd worden, maar een reden om hen te vereren, doch bij het geheim van de Menswording is het omgekeerd. En dus is de verering van de Drievuldigheid op een andere manier één dan die van Christus.
Ad secundum dicendum, quod operatio non est quae honoratur, sed est ratio honoris: et ideo per hoc quod in Christo sunt duae operationes, 674non ostenditur quod sint duae adorationes, sed quod sint duae adorationis causae.
2. De werkzaamheid is niet datgene, wat geëerd wordt, maar de reden om te eeren. En daarom volgt uit het feit dat er in 674Christus twee werkzaamheden zijn niet, dat er twee aanbiddingen zijn, maar wel twee redenen ervan.2. De werkzaamheid is niet datgene, wat geëerd wordt, maar de reden om te eren. En daarom volgt uit het feit dat er in 674Christus twee werkzaamheden zijn niet, dat er twee aanbiddingen zijn, maar wel twee redenen ervan.
Ad tertium dicendum, quod anima Christi, si non esset unita Dei Verbo, esset id quod est principalissimum in homine illo. Et ideo sibi praecipue deberetur honor: quia homo est id quod est potissimum in eo. Sed quia anima Christi est unita personae digniori, illi personae praecipue debetur honor, cui anima Christi unitur. Nec per hoc tamen diminuitur dignitas animae Christi, sed augetur, ut etiam supra dictum est [q. 2. art. 2. ad 2.].
3. Was Christus' ziel niet met het Woord vereenigd, dan was zij het voornaamste in dien mensch. Daarom zou de eer voornamelijk aan haar moeten worden gebracht, omdat de mensch datgene is wat het voornaamste in hem is. Omdat zij echter met een in waardigheid hooger staanden persoon is vereenigd, moet aan den persoon, waarmee Christus' ziel verbonden is, voornamelijk eer worden gebracht. Hierdoor wordt echter aan de waardigheid van Christus' ziel niet te kort gedaan, maar zij wordt zooals boven is gezegd (2e Kw., 2e Art., Antw. op de 2e B.), nog vermeerderd.3. Was Christus' ziel niet met het Woord verenigd, dan was zij het voornaamste in die mens. Daarom zou de eer voornamelijk aan haar moeten worden gebracht, omdat de mens datgene is wat het voornaamste in hem is. Omdat zij echter met een in waardigheid hoger staanden persoon is verenigd, moet aan de persoon, waarmee Christus' ziel verbonden is, voornamelijk eer worden gebracht. Hierdoor wordt echter aan de waardigheid van Christus' ziel niet te kort gedaan, maar zij wordt zoals boven is gezegd (2e Kw., 2e Art., Antw. op de 2e B.), nog vermeerderd.
Utrum humanitas Christi adoranda sit adoratione latriae
674Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod humanitas Christi non sit adoranda adoratione latriae: quia super Psal. 98. [v. 5]: « Adorate 675scabellum pedum ejus, quoniam sanctum est » dicit Glos. [Lomb.]: « Caro a Verbo Dei assumpta sine impietate adoratur a nobis; quia nemo carnem ejus spiritualiter manducat, nisi prius adoret; non illa dico adoratione, quae latria est, quae soli Creatori debetur ». Caro autem Christi est pars humanitatis. Ergo humanitas Christi non est adoranda adoratione latriae.
674Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus' menschheid niet met godsvereering aanbeden moet worden. — 1. Want bij den 675Psalmtekst (Ps. 98, 5): « Aanbidt de voetbank van Zijn voeten, omdat deze heilig is », zegt de Glossa: « Wij zijn niet goddeloos, als wij het door Gods Woord aangenomen vleesch aanbidden, omdat niemand geestelijk Zijn vleesch eet, die het niet eerst aanbidt; maar ik spreek niet van de aanbidding met godsvereering, die alleen aan den Schepper moet worden gebracht ». Dus moet men Christus' menschheid niet met godsvereering aanbidden.674Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus' mensheid niet met godsverering aanbeden moet worden. — 1. Want bij de 675Psalmtekst (Ps. 98, 5)a: “Aanbidt de voetbank van Zijn voeten, omdat deze heilig is”, zegt de Glossa: “Wij zijn niet goddeloos, als wij het door Gods Woord aangenomen vlees aanbidden, omdat niemand geestelijk Zijn vlees eet, die het niet eerst aanbidt; maar ik spreek niet van de aanbidding met godsverering, die alleen aan de Schepper moet worden gebracht”. Dus moet men Christus' mensheid niet met godsverering aanbidden.
2. Praeterea, cultus latriae nulli creaturae debetur: ex hoc enim reprobantur Gentiles, quod « coluerunt, et servierunt creaturae » ut dicitur Rom. 1. [v. 25]. Sed humanitas Christi est creatura. Ergo non est adoranda adoratione latriae.
2. Geen schepsel heeft recht op de godsvereering, want aan de heidenen wordt juist verweten, dat zij « schepselen dienden en vereerden », zooals in den Romeinenbrief (1, 25) wordt gezegd. Nu is Christus' menschheid een schepsel. Dus moet men haar niet met godsvereering aanbidden.2. Geen schepsel heeft recht op de godsverering, want aan de heidenen wordt juist verweten, dat zij “schepselen dienden en vereerden”, zoals in de Romeinenbrief (1, 25) wordt gezegd. Nu is Christus' mensheid een schepsel. Dus moet men haar niet met godsverering aanbidden.
3. Praeterea, adoratio latriae debetur Deo in recognitionem maximi dominii, secundum illud Deuteron. 6. [v. 13]: « Dominum Deum tuum adorabis, et illi soli servies ». Sed Christus, secundum quod est homo, est minor Patre. Ergo humanitas ejus non est adoratione latriae adoranda.
3. God heeft op de godsvereering recht als erkenning van Zijn hoogste heerschappij volgens Deuteronomium (6, 13): « Den Heer uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen ». Nu staat Christus als mensch lager dan de Vader. Dus moet men Zijn menschheid niet met godsvereering aanbidden.3. God heeft op de godsverering recht als erkenning van Zijn hoogste heerschappij volgens Deuteronomium (6, 13): “De Heer uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen”. Nu staat Christus als mens lager dan de Vader. Dus moet men Zijn mensheid niet met godsverering aanbidden.
Sed contra est, quod Damascenus dicit in 4. lib. [Orth. Fid. cap. 3.]: « Adoratur autem caro Christi incarnato Verbo Deo, non propter seipsam, 676sed propter unitum ei secundum hypostasim Verbum Dei ». Et super illud Ps. 98. [v. 5]: « Adorate scabellum pedum ejus » dicit Gloss. [ord. August.]: « Qui adorat corpus Christi, non terram intuetur, sed illum potius, cujus scabellum est, in cujus honore scabellum adorat ». Sed Verbum incarnatum adoratur adoratione latriae. Ergo et corpus ejus, sive ejus humanitas.
Maar daartegenover staat, dat Damascenus in het 4e boek (Over het Ware Geloof, 3e H.) zegt: « Nu Gods Woord is mensch geworden, wordt Christus' vleesch aanbeden, niet om 676zichzelf maar om het in hypostase ermee vereenigde Woord Gods ». En bij het Psalmwoord: « Aanbidt de voetbank van Zijn voeten », zegt de Glossa: « Wie Christus' lichaam aanbidt beziet de aarde niet, maar eerder Hem wiens voetbank zij is, en ter eere van Hem aanbidt hij de voetbank ». Nu moet men het menschgeworden Woord met godsvereering aanbidden. Dus ook Zijn lichaam of menschheid.Maar daartegenover staat, dat Damascenus in het 4e boek (Over het Ware Geloof, 3e H.) zegt: “Nu Gods Woord is mens geworden, wordt Christus' vlees aanbeden, niet om 676zichzelf maar om het in hypostase ermee verenigde Woord Gods”. En bij het Psalmwoord: “Aanbidt de voetbank van Zijn voeten”, zegt de Glossa: “Wie Christus' lichaam aanbidt beziet de aarde niet, maar eerder Hem wiens voetbank zij is, en ter ere van Hem aanbidt hij de voetbank”. Nu moet men het mensgeworden Woord met godsverering aanbidden. Dus ook Zijn lichaam of mensheid.
Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [art. praec.], honor adorationis proprie1 debetur hypostasi subsistenti: tamen ratio honoris potest esse aliquid non subsistens, propter quod honoratur persona, cui illud inest. Adoratio igitur humanitatis Christi dupliciter potest intelligi. Uno modo, ut sit ejus sicut rei adoratae. Et sic adorare carnem Christi nihil est aliud, quam adorare Verbum Dei incarnatum: sicut adorare vestem regis nihil est aliud, quam adorare regem vestitum. Et secundum hoc adoratio humanitatis Christi est adoratio latriae.
Leerstelling. — Zooals boven is gezegd (Vorig Art.), moet men de eer der aanbidding aan de zelfstandig bestaande hypostase brengen; maar de reden om te eeren kan iets niet zelfstandig bestaands zijn, waarom de persoon in wien het is geëerd wordt. Dus kan men de aanbidding van Christus' menschheid dubbel opvatten. Ten eerste alsof zij Haar als het aanbeden ding toekwam. En zoo is het aanbidden van Christus' vleesch niets anders als het aanbidden van het menschgeworden Woord Gods, zooals het eeren van het kleed van den koning niets anders is dan het eeren van den gekleeden koning. En zoo is het aanbidden van Christus' menschheid het aanbidden met godsvereering.Leerstelling. — Zoals boven is gezegd (Vorig Art.), moet men de eer van de aanbidding aan de zelfstandig bestaande hypostase brengen; maar de reden om te eren kan iets niet zelfstandig bestaands zijn, waarom de persoon in wie het is geëerd wordt. Dus kan men de aanbidding van Christus' mensheid dubbel opvatten. Ten eerste alsof zij Haar als het aanbeden ding toekwam. En zo is het aanbidden van Christus' vlees niets anders als het aanbidden van het mensgeworden Woord Gods, zoals het eren van het kleed van de koning niets anders is dan het eren van de geklede koning. En zo is het aanbidden van Christus' mensheid het aanbidden met godsverering.
Alio modo potest intelligi adoratio humanitatis Christi, quae fit ratione 677humanitatis Christi perfectae omni munere gratiarum. Et sic adoratio humanitatis Christi non est adoratio latriae, sed adoratio duliae. Ita scilicet quod una et eadem persona Christi adoretur adoratione latriae propter suam divinitatem, et adoratione duliae propter perfectionem humanitatis.
Het aanbidden van Christus' menschheid kan ook zoo begrepen 677worden als wat gebeurt om Christus menschheid, die met alle genadegaven volmaakt is. En zoo is de vereering van Christus' menschheid geen aanbidding met godsvereering, maar de hulde van godsdienstige vereering. Maar dat moet zóó zijn, dat een en dezelfde persoon van Christus om Zijn godheid met godsvereering wordt aanbeden en om de volmaaktheid der menschheid met godsdienstige vereering vereerd.Het aanbidden van Christus' mensheid kan ook zo begrepen 677worden als wat gebeurt om Christus mensheid, die met alle genadegaven volmaakt is. En zo is de verering van Christus' mensheid geen aanbidding met godsverering, maar de hulde van godsdienstige verering. Maar dat moet zó zijn, dat een en dezelfde persoon van Christus om Zijn godheid met godsverering wordt aanbeden en om de volmaaktheid van de mensheid met godsdienstige verering vereerd.
Nec hoc est inconveniens. Quia ipsi Deo Patri debetur honor latriae propter deitatem, et honor duliae propter dominum, quo gubernat creaturam. Unde super illud Psal. 7. [v. 1]: « Domine Deus meus, in te speravi » dicit Gloss. [Lomb.]: « Dominus omnium per potentiam, cui debetur dulia: Deus omnium per creationem, cui debetur latria ».
Dat is niet ongepast. Want God de Vader zelf heeft recht op godsvereering om de godheid en op godsdienstige vereering om Zijn heerschappij, waarmee Hij de schepselen bestuurt. Daarom zegt de Glossa op het Psalmwoord (Ps. 7, 1): « Heer, mijn God, op U heb ik gehoopt », « Heer van allen door macht, die recht hebt op godsdienstige vereering, Heer van allen door de schepping, die recht hebt op godsvereering ».Dat is niet ongepast. Want God de Vader zelf heeft recht op godsverering om de godheid en op godsdienstige verering om Zijn heerschappij, waarmee Hij de schepselen bestuurt. Daarom zegt de Glossa op het Psalmwoord (Ps. 7, 1): “Heer, mijn God, op U heb ik gehoopt”, “Heer van allen door macht, die recht hebt op godsdienstige verering, Heer van allen door de schepping, die recht hebt op godsverering”.
Ad primum ergo dicendum, quod Glossa illa non est sic intelligenda, quasi seorsum adoretur caro Christi ab ejus divinitate: hoc enim contingeret solum hoc modo, si esset alia hypostasis Dei, et hominis. Sed quia, ut Damasc. dicit [loc. sup. cit.], « si dividas subtilibus intelligentiis, quod videtur ab eo quod intelligitur, inadorabilis est, ut creatura », scilicet 678adoratione latriae. Et tunc sic intellectae, ut separatae a Dei Verbo, deberetur sibi adoratio duliae: non cujuscumque, puta quae communiter exhibetur aliis creaturis, sed cujusdam excellentioris, quam « hyperduliam » vocant.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Deze glossa moet men niet zoo opvatten, dat Christus' vleesch buiten verband met Zijn godheid zou aanbeden worden, want dat zou alleen kunnen geschieden, als er verschil was tusschen de hypostase van God en mensch. Maar het is hierom, zooals Damascenus zegt (t. a. pl.), « dat als gij een scherpzinnig onderscheid maakt tusschen wat gij ziet en wat gij begrijpt, Hij als schepsel niet kan aanbeden worden », nl. met godsvereering. En beschouwt men de menschheid 678dus als gescheiden van Gods Woord, dan heeft zij recht op godsdienstige vereering, maar niet een gewone die in het algemeen aan alle schepselen wordt gebracht, maar een bijzondere die hyperdulia wordt genoemd.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Deze glossa moet men niet zo opvatten, dat Christus' vlees buiten verband met Zijn godheid zou aanbeden worden, want dat zou alleen kunnen geschieden, als er verschil was tussen de hypostase van God en mens. Maar het is hierom, zoals Damascenus zegt (t.a.p.), “dat als gij een scherpzinnig onderscheid maakt tussen wat gij ziet en wat gij begrijpt, Hij als schepsel niet kan aanbeden worden”, nl. met godsverering. En beschouwt men de mensheid 678dus als gescheiden van Gods Woord, dan heeft zij recht op godsdienstige verering, maar niet een gewone die in het algemeen aan alle schepselen wordt gebracht, maar een bijzondere die hyperdulia wordt genoemd.
Et per hoc etiam patet responsio ad secundum, et tertium. Quia adoratio latriae non exhibetur humanitati Christi ratione sui ipsius, sed ratione divinitatis, cui unitur, secundum quam Christus non est minor Patre.
Hieruit blijkt ook, wat op de tweede en derde bedenking te antwoorden is. Want Godsvereering wordt aan Christus' menschheid niet om haarzelf gebracht, maar om de godheid, waarmee zij vereenigd is, en krachtens deze is Christus niet minder dan de Vader.Hieruit blijkt ook, wat op de tweede en derde bedenking te antwoorden is. Want Godsverering wordt aan Christus' mensheid niet om haarzelf gebracht, maar om de godheid, waarmee zij verenigd is, en krachtens deze is Christus niet minder dan de Vader.
Utrum imago Christi sit adoranda adoratione latriae
Moet een beeld van Christus met godsvereering aanbeden worden?Moet een beeld van Christus met godsverering aanbeden worden?
678Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod imago Christi non sit adoranda adoratione latriae. Dicitur enim Exod. 20. [v. 4]: « Non facies tibi sculptile, neque omnem similitudinem ». Sed nulla adoratio est facienda contra Dei praeceptum. Ergo imago Christi non est adoranda adoratione latriae.
678Bedenkingen. — Men beweert, dat een beeld van Christus niet met godsvereering aanbeden moet worden. — 1. Want in Exodus (20, 4) wordt gezegd: « Gij zult U geen beeld of afbeelding maken ». Nu moet men niets aanbidden tegen Gods gebod in. Dus moet men een beeld van Christus niet met godsvereering aanbidden.678Bedenkingen. — Men beweert, dat een beeld van Christus niet met godsverering aanbeden moet worden. — 1. Want in Exodus (20, 4) wordt gezegd: “Gij zult U geen beeld of afbeelding maken”. Nu moet men niets aanbidden tegen Gods gebod in. Dus moet men een beeld van Christus niet met godsverering aanbidden.
6792. Praeterea, operibus Gentilium non debemus communicare, ut Apost. dicit Ephes. 5. [v. 11]: sed Gentiles de hoc praecipue inculpantur, quod « commutaverunt gloriam incorruptibilis Dei in similitudinem imaginis corruptibilis hominis »: ut dicitur Rom. 1. [v. 23]. Ergo imago Christi non est adoranda adoratione latriae.
6792. Wij moeten geen deel hebben aan de werken der heidenen, zooals de Apostel in den Ephesiërsbrief (5, 11) zegt. Nu wordt dit vooral aan de heidenen verweten, dat zij « de glorie van den onsterfelijken God hebben verruild voor een beeld, dat op een mensch gelijkt », zooals we lezen in den Brief aan de Romeinen (1, 23). Dus moet men een beeld van Christus niet met godsvereering aanbidden.6792. Wij moeten geen deel hebben aan de werken van de heidenen, zoals de Apostel in de Efesiërsbrief (5, 11) zegt. Nu wordt dit vooral aan de heidenen verweten, dat zij “de glorie van de onsterfelijke God hebben verruild voor een beeld, dat op een mens gelijkt”, zoals we lezen in de Brief aan de Romeinen (1, 23). Dus moet men een beeld van Christus niet met godsverering aanbidden.
3. Praeterea, Christo debetur adoratio latriae ratione divinitatis, non ratione humanitatis. Sed imagini divinitatis ejus, quae est animae rationali impressa, non debetur adoratio latriae. Ergo multo minus imagini corporali, quae repraesentat humanitatem ipsius.
3. Christus heeft om Zijn godheid en niet om Zijn menschheid recht op godsvereering. Nu heeft het beeld van Zijn godheid, dat in de redelijke ziel is ingedrukt, geen recht op godsvereering. Dus het lichamelijke beeld, dat Zijn menschheid afbeeldt, nog veel minder.3. Christus heeft om Zijn godheid en niet om Zijn mensheid recht op godsverering. Nu heeft het beeld van Zijn godheid, dat in de redelijke ziel is ingedrukt, geen recht op godsverering. Dus het lichamelijke beeld, dat Zijn mensheid afbeeldt, nog veel minder.
4. Praeterea, nihil videtur esse in cultu divino faciendum, nisi quod est a Deo institutum: unde et Apost. 1. ad Corinth. 11. [v. 23] traditurus doctrinam de sacrificio Ecclesiae dicit: « Ego accepi a Domino, quod et tradidi vobis ». Sed nulla traditio in Scriptura invenitur de adorandis imaginibus. Ergo imago Christi non est adoranda adoratione latriae.
4. Men schijnt in de godsvereering niets anders te moeten doen dan wat door God is ingesteld, en daarom zegt de Apostel, als hij in den Eersten Brief aan de Korinthiërs (11, 23) de leer over het offer der Kerk meedeelt: « Ik lever u over, wat ik van God ontvangen heb ». Nu wordt er in de Schrift niets van het vereeren van beelden vermeld. Dus moet men een beeld van Christus niet met godsvereering aanbidden.4. Men schijnt in de godsverering niets anders te moeten doen dan wat door God is ingesteld, en daarom zegt de Apostel, als hij in de Eerste Brief aan de Korintiërs (11, 23) de leer over het offer van de Kerk meedeelt: “Ik lever u over, wat ik van God ontvangen heb”. Nu wordt er in de Schrift niets van het vereren van beelden vermeld. Dus moet men een beeld van Christus niet met godsverering aanbidden.
Sed contra est, quod Damascenus [lib. 4. Orth. Fid. cap. 16.] inducit Basilium dicentem: « Imaginis honor ad prototypum pervenit », 680idest exemplar. Sed ipsum exemplar (scilicet Christus) est adorandum adoratione latriae. Ergo et ejus imago.
Maar daartegenover staat, dat Damascenus (Over het Ware Geloof, 4e B., 16e H.) den tekst van Basilius aanhaalt: « De 680vereering van een beeld gaat op het afgebeelde of het voorbeeld ervan over ». Nu moet men het voorbeeld nl. Christus met godsvereering aanbidden. Dus ook de afbeeldingen van Hem.Maar daartegenover staat, dat Damascenus (Over het Ware Geloof, 4e B., 16e H.) de tekst van Basilius aanhaalt: “De 680verering van een beeld gaat op het afgebeelde of het voorbeeld ervan over”. Nu moet men het voorbeeld nl. Christus met godsverering aanbidden. Dus ook de afbeeldingen van Hem.
Respondeo dicendum, quod, sicut Philosophus dicit in lib. de Mem. et Remin. [cap. 1. S. Th. lect. 3.], duplex est motus animae in imaginem: unus quidem in ipsam imaginem, secundum quod res quaedam est: alio modo in imaginem, inquantum est imago alterius. Et inter hos duos motus est haec differentia: quia primus motus, quo quis movetur in imaginem, ut est res quaedam, est alius a motu, qui est in rem: secundus autem motus, qui est in imaginem, inquantum est imago, est unus et idem cum illo, qui est in rem. Sic ergo dicendum est, quod imagini Christi, inquantum est res quaedam puta lignum sculptum, vel pictum, nulla reverentia exhibetur: quia reverentia nonnisi rationali naturae debetur. Relinquitur ergo, quod exhibeatur ei reverentia, solum inquantum est imago: et sic sequitur, quod eadem reverentia exhibeatur imagini Christi, et ipsi Christo. Cum ergo Christus adoretur adoratione latriae, consequens est quod ejus imago sit adoratione latriae adoranda.
Leerstelling. — Zooals de philosoof in het boek Over het Geheugen en de Herinnering (1e H.) zegt, bestaat er een dubbele zielshouding ten opzichte van een beeld; ten eerste van het beeld in zoover het zelf een ding, en daarnaast in zoover het beeld is van een ander ding. En daartusschen bestaat dit verschil, dat de eerste houding, die het beeld als een ding beschouwt, anders is dan die ten opzichte van het afgebeelde ding, maar de tweede ten opzichte van het beeld als beeld is een en dezelfde als die ten opzichte van het ding zelf. Men moet dus zeggen, dat aan een beeld van Christus, in zoover dit een ding is, bv. gesneden of beschilderd hout, geen enkele eer wordt gebracht, omdat eer alleen aan een redelijk schepsel wordt gebracht. Er blijft dus over, dat er eer aan wordt gebracht alleen in zoover het een beeld is. En zoo volgt, dat dezelfde eer aan Christus' beeld wordt gebracht als aan Christus zelf. Waar nu Christus met godsvereering aanbeden wordt, moet daarom ook zijn beeld daarmee aanbeden worden.Leerstelling. — Zoals de filosoof in het boek Over het Geheugen en de Herinnering (1e H.) zegt, bestaat er een dubbele zielshouding ten opzichte van een beeld; ten eerste van het beeld in zover het zelf een ding, en daarnaast in zover het beeld is van een ander ding. En daartussen bestaat dit verschil, dat de eerste houding, die het beeld als een ding beschouwt, anders is dan die ten opzichte van het afgebeelde ding, maar de tweede ten opzichte van het beeld als beeld is een en dezelfde als die ten opzichte van het ding zelf. Men moet dus zeggen, dat aan een beeld van Christus, in zover dit een ding is, bv. gesneden of beschilderd hout, geen enkele eer wordt gebracht, omdat eer alleen aan een redelijk schepsel wordt gebracht. Er blijft dus over, dat er eer aan wordt gebracht alleen in zover het een beeld is. En zo volgt, dat dezelfde eer aan Christus' beeld wordt gebracht als aan Christus zelf. Waar nu Christus met godsverering aanbeden wordt, moet daarom ook zijn beeld daarmee aanbeden worden.
681Ad primum ergo dicendum, quod non prohibetur illo praecepto facere quamcumque sculpturam, vel similitudinem, sed facere adorandum1, unde subdit: « Non adorabis ea, neque coles » et quia, sicut dictum est [in corp. art.], idem est motus in imaginem, et in rem, eo modo prohibetur adoratio imaginis, quo prohibetur adoratio rei, cujus imago est: unde ibi intelligitur prohiberi adoratio imaginum, quas Gentiles faciebant in venerationem deorum suorum, id est daemonum: et ideo praemittitur [v. 3]: « Non habebis deos alienos coram me ». Ipsi autem vero Deo, cum sit incorporeus, nulla imago corporalis poterat poni: quia, ut Damascenus dicit [loc. sup. cit.], « insipientiae summae est, et impietatis figurare quod est divinum ». Sed quia in novo Testamento Deus factus est homo, potest in sui imagine corporali adorari.
681Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Door dit verbod wordt niet ieder maken van een beeld of afbeelding verboden, maar alleen om het te aanbidden, en daarom wordt eraan toegevoegd: « Gij zult hen aanbidden noch vereeren ». En omdat, zooals werd gezegd (in de Leerstelling), de houding ten opzichte van beeld en ding hetzelfde is, wordt de vereering precies zoo verboden als die van het ding, waarvan het een beeld is. Men moet dus begrijpen, dat daar het vereeren verboden werd van de beelden, die de heidenen maakten om hun goden te vereeren, nl. de duivels; en daarom gaat eraan vooraf: « Gij zult geen vreemde goden voor Mijn oogen hebben ». Maar omdat Godzelf zonder lichaam is, kon er geen lichamelijk beeld van Hem worden gemaakt; want zooals Damascenus zegt (t. a. pl.), « is het een teeken van grootste dwaasheid en goddeloosheid het goddelijke af te beelden ». Omdat God echter in het Nieuwe Verbond mensch geworden is, kan Hij in een stoffelijk beeld aanbeden worden.681Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Door dit verbod wordt niet ieder maken van een beeld of afbeelding verboden, maar alleen om het te aanbidden, en daarom wordt eraan toegevoegd: “Gij zult hen aanbidden noch vereren”. En omdat, zoals werd gezegd (in de Leerstelling), de houding ten opzichte van beeld en ding hetzelfde is, wordt de verering precies zo verboden als die van het ding, waarvan het een beeld is. Men moet dus begrijpen, dat daar het vereren verboden werd van de beelden, die de heidenen maakten om hun goden te vereren, nl. de duivels; en daarom gaat eraan vooraf: “Gij zult geen vreemde goden voor Mijn ogen hebben”. Maar omdat Godzelf zonder lichaam is, kon er geen lichamelijk beeld van Hem worden gemaakt; want zoals Damascenus zegt (t.a.p.), “is het een teken van grootste dwaasheid en goddeloosheid het goddelijke af te beelden”. Omdat God echter in het Nieuwe Verbond mens geworden is, kan Hij in een stoffelijk beeld aanbeden worden.
Ad secundum dicendum, quod Apostolus prohibet operibus infructuosis Gentilium communicare: communicare autem utilibus eorum operibus. Apostolus non prohibet. Adoratio autem imaginum est inter infructuosa opera computanda, quantum ad duo. Primo quidem quantum ad hoc, quod 682quidam eorum adorabant ipsas imagines ut res quasdam, credentes in eis esse aliquod numen, propter responsa quae daemones in eis dabant, et alios hujusmodi effectus mirabiles. Secundo propter res, quarum erant imagines, statuebant enim hujusmodi imagines aliquibus creaturis, quas in eis veneratione latriae venerabantur. Nos autem adoramus adoratione latriae imaginem Christi, qui est verus Deus, non propter ipsam imaginem, sed propter rem, cujus imago est, sicut dictum est [in corp. art.].
2. De Apostel verbiedt te deelen in de nuttelooze werken der heidenen, maar niet in hun nuttige. Nu kan men het vereeren van beelden in twee punten onder de nuttelooze werken rekenen. Ten eerste in dit opzicht, dat sommigen de beelden als dingen 682vereerden, in de meening dat er iets goddelijks in hen stak om de antwoorden, die de duivels door hen gaven en andere wonderlijke feiten meer. Ten tweede om de dingen, waarvan het afbeeldingen waren: want zij maakten beelden ter eere van sommige schepsels, die zij daarin met godsvereering aanbaden. Maar wij aanbidden met godsvereering een beeld van Christus, die de ware God is, niet om het beeld zelf, maar om datgene waarvan het een beeld is, zooals gezegd is (in de Leerstelling).2. De Apostel verbiedt te delen in de nutteloze werken van de heidenen, maar niet in hun nuttige. Nu kan men het vereren van beelden in twee punten onder de nutteloze werken rekenen. Ten eerste in dit opzicht, dat sommigen de beelden als dingen 682vereerden, in de mening dat er iets goddelijks in hen stak om de antwoorden, die de duivels door hen gaven en andere wonderlijke feiten meer. Ten tweede om de dingen, waarvan het afbeeldingen waren: want zij maakten beelden ter ere van sommige schepsels, die zij daarin met godsverering aanbaden. Maar wij aanbidden met godsverering een beeld van Christus, die de ware God is, niet om het beeld zelf, maar om datgene waarvan het een beeld is, zoals gezegd is (in de Leerstelling).
Ad tertium dicendum, quod creaturae rationali debetur reverentia propter seipsam. Et ideo si creaturae rationali, in qua est imago Dei2, exhiberetur adoratio latriae, posset esse erroris occasio; ut scilicet motus adorantis sisteret in homine, inquantum est res quaedam, et non ferretur in Deum, cujus est imago. Quod non potest contingere de imagine sculpta, vel picta in materia sensibili3.
3. Een redelijk schepsel heeft om zichzelf recht op eer. En wordt dus aan dat redelijke schepsel, waarin Gods beeld ligt, de godsvereering gebracht, dan is er gelegenheid om te dwalen, omdat nl. de gevoelens van den aanbidder konden blijven staan bij den mensch als een ding en niet tot God, waarvan hij een beeld is, zouden gaan. Dat kan echter niet gebeuren bij een in doode stof gesneden of geverfd beeld.3. Een redelijk schepsel heeft om zichzelf recht op eer. En wordt dus aan dat redelijke schepsel, waarin Gods beeld ligt, de godsverering gebracht, dan is er gelegenheid om te dwalen, omdat nl. de gevoelens van de aanbidder konden blijven staan bij de mens als een ding en niet tot God, waarvan hij een beeld is, zouden gaan. Dat kan echter niet gebeuren bij een in dode stof gesneden of geverfd beeld.
Ad quartum dicendum, quod Apostoli familiari instinctu Spiritus Sancti quaedam Ecclesiis tradiderunt servanda, quae non reliquerunt in scriptis, sed in observatione Ecclesiae per successionem fidelium4. Unde 683ipse Apost. dicit 2. ad Tess. 2. [v. 14]: « State, et tenete traditiones, quas didicistis, sive per sermonem » scilicet ore prolatum, « sive per epistolam », scilicet scripto transmissam: et inter hujusmodi traditiones est imaginum Christi adoratio. Unde et B. Lucas dicitur depinxisse Christi imaginem, quae Romae habetur.
4. Door de hun eigen inwerking van den H. Geest lieten de Apostelen eenige geboden aan de kerken na om te onderhouden, die zij niet in schrift opteekenden, maar die in de kerkelijke gewoonten door de geslachten der geloovigen heen geregeld zijn. 683Daarom zegt Paulus zelf in den Tweeden Brief aan de Thessalonicensen (2, 14): « Staat pal en houdt u aan de overleveringen, die gij het zij door ons woord (dus mondeling) of ons schrijven (dus schriftelijk) geleerd hebt ». Onder deze overleveringen valt de vereering der beelden van Christus. Daarom zegt men ook, dat de H. Lucas het te Rome bewaarde beeld van Christus heeft geschilderd.4. Door de hun eigen inwerking van de H. Geest lieten de Apostelen enige geboden aan de kerken na om te onderhouden, die zij niet in schrift optekenden, maar die in de kerkelijke gewoonten door de geslachten van de gelovigen heen geregeld zijn. 683Daarom zegt Paulus zelf in de Tweede Brief aan de Tessalonicenzen (2, 14): “Staat pal en houdt u aan de overleveringen, die gij het zij door ons woord (dus mondeling) of ons schrijven (dus schriftelijk) geleerd hebt”. Onder deze overleveringen valt de verering van de beelden van Christus. Daarom zegt men ook, dat de H. Lukas het te Rome bewaarde beeld van Christus heeft geschilderd.
Utrum crux Christi sit adoranda adoratione latriae
Moet men Christus' kruis met godsvereering aanbidden?Moet men Christus' kruis met godsverering aanbidden?
683Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod crux Christi non sit adoranda adoratione latriae. Nullus enim pius filius veneratur contumeliam patris sui, puta flagellum quo flagellatus est, vel lignum in quo fuit suspensus, sed magis illud abhorret. Christus autem in ligno crucis opprobriosissimam mortem passus est, secundum illud Sapientiae 2. [v. 20]: « Morte 684turpissima condemnemus eum ». Ergo non debemus crucem venerari, sed magis abhorrere.
683Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat men Christus' kruis niet met godsvereering moet aanbidden. Want geen liefdevolle zoon vereert de schande van zijn vader, bv. den geesel, waarmee hij gegeeseld of het hout, waaraan hij opgehangen is, maar heeft daar eerder een afschuw van. Nu heeft Christus aan het kruishout den schandelijksten dood ondergaan volgens het boek der Wijsheid (2, 20): « Laten wij hem tot den schandelijksten dood 684veroordeelen ». Dus moeten wij het kruis niet vereeren, maar verafschuwen.683Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat men Christus' kruis niet met godsverering moet aanbidden. Want geen liefdevolle zoon vereert de schande van zijn vader, bv. de gesel, waarmee hij gegeseld of het hout, waaraan hij opgehangen is, maar heeft daar eerder een afschuw van. Nu heeft Christus aan het kruishout de schandelijkste dood ondergaan volgens het boek van de Wijsheid (2, 20): “Laten wij hem tot de schandelijkste dood 684veroordelen”. Dus moeten wij het kruis niet vereren, maar verafschuwen.
2. Praeterea, humanitas Christi adoratione latriae adoratur, inquantum est unita Filio Dei in persona. Quod de cruce dici non potest. Ergo crux Christi non est adoranda adoratione latriae.
2. Christus' menschheid wordt met Godsvereering vereerd in zoover zij met Gods Zoon in persoon vereenigd is. Dit kan men van het kruis niet zeggen. Dus moet het niet met Godsvereering worden vereerd.2. Christus' mensheid wordt met Godsverering vereerd in zover zij met Gods Zoon in persoon verenigd is. Dit kan men van het kruis niet zeggen. Dus moet het niet met Godsverering worden vereerd.
3. Praeterea, sicut crux Christi fuit instrumentum passionis ejus, et mortis; ita etiam et multa alia, puta clavi, corona, et lancea: quibus tamen non exhibemus latriae cultum. Ergo videtur, quod crux Christi non sit adoratione latriae adoranda.
3. Zooals Christus' kruis een werktuig is van Zijn lijden en dood, zijn dat ook veel andere dingen als de spijkers, de kroon en de lans; en daaraan brengen wij geen godsvereering. Dus moet men schijnbaar ook Christus' kruis niet met godsvereering aanbidden.3. Zoals Christus' kruis een werktuig is van Zijn lijden en dood, zijn dat ook veel andere dingen als de spijkers, de kroon en de lans; en daaraan brengen wij geen godsverering. Dus moet men schijnbaar ook Christus' kruis niet met godsverering aanbidden.
Sed contra est, quod illi exhibemus latriae cultum, in quo ponimus spem salutis. Sed in cruce Christi ponimus spem salutis: cantat enim Ecclesia [Dom. Pass. ad Vesp.]: « O crux, ave, spes unica! Hoc passionis tempore, Auge piis justitiam, Reisque dona veniam ». Ergo crux Christi est adoranda adoratione latriae.
Maar daartegenover staat, dat wij de aanbidding der godsvereering aan Hem brengen, op Wien wij hopen voor ons heil. Nu stellen wij onze hoop in Christus' kruis, want de Kerk zingt: « Wees gegroet, o kruis, onze eenige hoop in dezen passietijd; geef meer rechtvaardigheid aan de godvruchtigen en aan de schuldigen vergiffenis ». Dus moet men Christus' kruis met godsvereering aanbidden.Maar daartegenover staat, dat wij de aanbidding van de godsverering aan Hem brengen, op Wie wij hopen voor ons heil. Nu stellen wij onze hoop in Christus' kruis, want de Kerk zingt: “Wees gegroet, o kruis, onze enige hoop in deze passietijd; geef meer rechtvaardigheid aan de godvruchtigen en aan de schuldigen vergiffenis”. Dus moet men Christus' kruis met godsverering aanbidden.
685Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [art. praec.], honor, seu reverentia non debetur nisi rationali naturae1: creaturae autem insensibili non debetur honor, vel reverentia, nisi ratione rationalis naturae. Et hoc dupliciter: uno modo, inquantum repraesentat rationalem naturam: alio modo, inquantum ei quocumque modo conjungitur. Primo modo consueverunt homines venerari regis imaginem: secundo modo ejus vestimentum. Utrumque autem venerantur homines eadem veneratione, qua venerantur et regem.
685Leerstelling. — Zooals boven werd gezegd (3e Art.), heeft alleen het redelijke schepsel recht op hulde en eer, maar een onredelijk schepsel alleen om een redelijk. En dat op twee wijzen; ten eerste in zoover het de redelijke natuur vertegenwoordigt: en ten tweede in zoover het daarmee hoe dan ook vereenigd is. Op de eerste manier zijn de menschen gewend het beeld van den koning te vereeren en op de tweede zijn kleed. Maar beide dingen eeren de menschen met dezelfde hulde als den koning.685Leerstelling. — Zoals boven werd gezegd (3e Art.), heeft alleen het redelijke schepsel recht op hulde en eer, maar een onredelijk schepsel alleen om een redelijk. En dat op twee wijzen; ten eerste in zover het de redelijke natuur vertegenwoordigt: en ten tweede in zover het daarmee hoe dan ook verenigd is. Op de eerste manier zijn de mensen gewend het beeld van de koning te vereren en op de tweede zijn kleed. Maar beide dingen eren de mensen met dezelfde hulde als de koning.
Si ergo loquamur de ipsa cruce, in qua Christus crucifixus est, utroque modo est a nobis veneranda; uno scilicet modo, inquantum repraesentat nobis figuram Christi extensi in ea: alio modo ex contactu ad membra Christi, et ex hoc quod ejus sanguine est perfusa. Unde utroque modo adoratur eadem adoratione cum Christo, scilicet adoratione latriae. Et propter hoc etiam crucem alloquimur, et deprecamur quasi ipsum crucifixum. Si vero loquamur de effigie crucis Christi in quacumque alia materia, puta lapidis, vel ligni, argenti, vel auri, sic veneramur crucem tantum, ut 686imaginem Christi, quam veneramur adoratione latriae, ut supra dictum est [art. praec.].
Spreken wij dus van het kruis zelf waarop Christus gekruisigd is, dan moeten wij het op beide manieren vereeren, omdat het nl. ten eerste de gedaante van Christus, die erop uitgestrekt was afbeeldt; en ten tweede, omdat het door Christus' ledematen aangeraakt en met Zijn bloed besproeid is. Op beide wijzen wordt het dus vereerd met dezelfde vereering als Christus, dus met godsvereering. En daarom spreken en smeeken wij ook tot het kruis als tot den Gekruisigde zelf. Spreken wij echter van een afbeelding van Zijn kruis in welke andere stof ook, bv. steen of hout, zilver of goud, dan vereeren wij het kruis als beeld van Christus 686en wel met de aanbidding van godsvereering, zooals boven is gezegd.Spreken wij dus van het kruis zelf waarop Christus gekruisigd is, dan moeten wij het op beide manieren vereren, omdat het nl. ten eerste de gedaante van Christus, die erop uitgestrekt was afbeeldt; en ten tweede, omdat het door Christus' ledematen aangeraakt en met Zijn bloed besproeid is. Op beide wijzen wordt het dus vereerd met dezelfde verering als Christus, dus met godsverering. En daarom spreken en smeken wij ook tot het kruis als tot de Gekruisigde zelf. Spreken wij echter van een afbeelding van Zijn kruis in welke andere stof ook, bv. steen of hout, zilver of goud, dan vereren wij het kruis als beeld van Christus 686en wel met de aanbidding van godsverering, zoals boven is gezegd.
Ad primum ergo dicendum, quod in cruce Christi quantum ad intentionem, vel opinionem infidelium consideratur opprobrium Christi: sed quantum ad effectum nostrae salutis consideratur virtus divina ipsius, quae de hostibus triumphavit, secundum illud Coloss. 2. [v. 14, 15]: « Ipsum tulit de medio affigens illud cruci, et spolians principatus, et potestates, traduxit confidenter palam triumphans illos in semetipso ». Et ideo dicit Apostolus 1. ad Corinth. 1. [v. 18]: « Verbum crucis pereuntibus quidem stultitia est: his autem qui salvi fiunt, idest nobis, virtus Dei est ».
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Volgens de meening of bedoeling der ongeloovigen moet men in Christus' Kruis een smaad zien, maar in zoover het ons heil bewerkte zien wij er Zijn goddelijke kracht in, waardoor Hij over de vijanden zegevierde naar den Colossensenbrief (2, 14 en 15): « Hij heeft het vernietigd door het aan het kruis te hechten; de heerschappijen en machten ontmaskerd en tentoongesteld hen door het Kruis overwinnend ». En daarom zegt de Apostel in den Eersten Korinthiërsbrief (1, 18): « De prediking van het kruis is wel een dwaasheid voor hen die verloren gaan, maar voor ons die behouden worden is zij een kracht Gods ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Volgens de mening of bedoeling van de ongelovigen moet men in Christus' Kruis een smaad zien, maar in zover het ons heil bewerkte zien wij er Zijn goddelijke kracht in, waardoor Hij over de vijanden zegevierde naar de Kolossenzenbrief (2, 14 en 15): “Hij heeft het vernietigd door het aan het kruis te hechten; de heerschappijen en machten ontmaskerd en tentoongesteld hen door het Kruis overwinnend”. En daarom zegt de Apostel in de Eerste Korintiërsbrief (1, 18): “De prediking van het kruis is wel een dwaasheid voor hen die verloren gaan, maar voor ons die behouden worden is zij een kracht Gods”.
Ad secundum dicendum, quod crux Christi, licet non fuerit unita Verbo Dei in persona, fuit tamen ei unita aliquo modo, scilicet per repraesentationem, et contactum. Et hac sola ratione exhibetur ei reverentia.
2. Al was Christus' kruis niet in persoon met Gods Woord vereenigd, het was daarmee toch wel eenigszins vereenigd, nl. door af te beelden en door aanraking. En alleen daarom wordt er eer aan bewezen.2. Al was Christus' kruis niet in persoon met Gods Woord verenigd, het was daarmee toch wel enigszins verenigd, nl. door af te beelden en door aanraking. En alleen daarom wordt er eer aan bewezen.
Ad tertium dicendum, quod quantum ad rationem contactus membrorum Christi, adoramus non solum crucem, sed etiam omnia quae sunt Christi. Unde Damascenus dicit in 4. lib. [Orth. Fid. cap. 1.]: « 687Pretiosum lignum ut sanctificatum tactu sancti corporis, et sanguinis, decenter adorandum, clavos, indumenta, lanceam, et sacra ejus tabernacula, quae sunt praesepe, spelunca, et hujusmodi ». Ista tamen non repraesentant imaginem Christi, sicut crux, quae dicitur « signum Filii hominis » quod « apparebit in coelo », ut dicitur Matth. 24. [v. 30]. Ideoque mulieribus dixit angelus [Marci 16. v. 6]: « Jesum quaeritis Nazarenum crucifixum »: non dixit: « lanceatum » sed: « crucifixum ». Et inde est quod crucem2 Christi veneramur in quacumque materia, non autem imaginem clavorum, vel quorumcumque hujusmodi.
3. Om de aanraking van Christus' ledematen vereeren wij niet alleen Christus' kruis, maar alles wat van Hem is. Daarom zegt Damascenus in het 4e boek (Over het Ware Geloof, 11e H.): 687« Het kostbare hout, geheiligd door de aanraking van het heilige lichaam en bloed, moet passend aanbeden worden, ook de spijkers, de kleederen, de lans en Zijn heilige woonplaats ». Deze dingen echter beelden niet als het kruis Christus af; want dat wordt « het beeld van den Menschenzoon, dat op de wolken zal verschijnen » genoemd bij Matthaeus (24, 30). Daarom ook zei de Engel tot de vrouwen (Marcus, 16, 6): « Gij zoekt Jesus van Nazareth den gekruiste », en niet den doorboorde, maar den gekruiste. Daarom vereeren wij het beeld van Christus' Kruis in iedere stof, maar niet het beeld der spijkers en dergelijke.3. Om de aanraking van Christus' ledematen vereren wij niet alleen Christus' kruis, maar alles wat van Hem is. Daarom zegt Damascenus in het 4e boek (Over het Ware Geloof, 11e H.): 687“Het kostbare hout, geheiligd door de aanraking van het heilige lichaam en bloed, moet passend aanbeden worden, ook de spijkers, de klederen, de lans en Zijn heilige woonplaats”. Deze dingen echter beelden niet als het kruis Christus af; want dat wordt “het beeld van de Mensenzoon, dat op de wolken zal verschijnen” genoemd bij Matteüs (24, 30). Daarom ook zei de Engel tot de vrouwen (Marcus, 16, 6): “Gij zoekt Jesus van Nazareth de gekruiste”, en niet de doorboorde, maar de gekruiste. Daarom vereren wij het beeld van Christus' Kruis in iedere stof, maar niet het beeld van de spijkers en dergelijke.
Utrum Mater Christi sit adoranda adoratione latriae
Moeten wij Gods Moeder met godsvereering aanbidden?Moeten wij Gods Moeder met godsverering aanbidden?
687Ad quintum sic proceditur. Videtur, quod mater Dei sit adoranda adoratione latriae. Videtur enim idem honor esse exhibendus matri regis, et regi; unde dicitur 3. Regi 2. [v. 19], quod « positus est thronus matri 688regis, quae sedit ad dexteram ejus ». Et Augustinus dicit in serm. de Assumptione [cap. 6. circ. med. et est tract. 8. de Diversis]: « Thronum Dei, et thalamum Domini domum, atque tabernaculum Christi dignum est ibi esse, ubi est ipse ». Sed Christus adoratur adoratione latriae. Ergo et mater ejus.
687Bedenkingen. — Men beweert, dat wij Gods Moeder met godsvereering moeten aanbidden. — 1. Want dezelfde eer schijnt aan de moeder van den koning te worden bewezen als aan den koning, zoodat in het 3e boek der Koningen (2, 19) staat, dat 688« er een troon werd geplaatst voor de moeder van den koning, die aan zijn rechterhand kwam te zitten ». En Augustinus zegt in een preek Over de Tenhemelopneming: « Het behoort, dat Gods troon, de woontent van Christus en de bruidskamer van den Heer des hemels daar is, waar Hij zelf is ». Nu wordt Christus met godsvereering aanbeden en dus Zijn Moeder ook.687Bedenkingen. — Men beweert, dat wij Gods Moeder met godsverering moeten aanbidden. — 1. Want dezelfde eer schijnt aan de moeder van de koning te worden bewezen als aan de koning, zodat in het 3e boek van de Koningen (2, 19)a staat, dat 688“er een troon werd geplaatst voor de moeder van de koning, die aan zijn rechterhand kwam te zitten”. En Augustinus zegt in een preek Over de Tenhemelopneming: “Het behoort, dat Gods troon, de woontent van Christus en de bruidskamer van de Heer van de hemel daar is, waar Hij zelf is”. Nu wordt Christus met godsverering aanbeden en dus Zijn Moeder ook.
2. Praeterea, Damascenus dicit in 4 lib. [Orth. Fid. cap. 16], quod « honor matris refertur ad filium ». Sed filius adoratur adoratione latriae. Ergo et mater.
2. Damascenus zegt in het 4e boek (Over het Ware Geloof, 16e H.), dat « de eer aan de moeder gebracht op den zoon terugkomt ». Nu wordt de Zoon met godsvereering aanbeden en dus de moeder ook.2. Damascenus zegt in het 4e boek (Over het Ware Geloof, 16e H.), dat “de eer aan de moeder gebracht op de zoon terugkomt”. Nu wordt de Zoon met godsverering aanbeden en dus de moeder ook.
3. Praeterea, conjunctior est Christo mater ejus, quam crux. Sed crux adoratur adoratione latriae. Ergo et mater Christi est adoratione latriae adoranda.
3. Christus' moeder is meer met Hem vereenigd dan het kruis. Nu wordt het kruis met godsvereering aanbeden en de Moeder dus evenzeer.3. Christus' moeder is meer met Hem verenigd dan het kruis. Nu wordt het kruis met godsverering aanbeden en de Moeder dus evenzeer.
Sed contra est, quod Mater Dei est pura creatura. Non ergo ei debetur adoratio latriae.
Maar daartegenover staat, dat de Moeder Gods niets meer dan een schepsel is. Dus heeft Zij geen recht op godsvereering.Maar daartegenover staat, dat de Moeder Gods niets meer dan een schepsel is. Dus heeft Zij geen recht op godsverering.
Respondeo dicendum, quod quia latria soli Deo debetur, nulli creaturae debetur latria, prout creaturam secundum se veneramur. Licet autem creaturae insensibiles non sint capaces venerationis secundum seipsas: 689creatura tamen rationalis est capax venerationis secundum seipsam. Et ideo nulli purae creaturae rationali debetur cultus latriae. Cum igitur Beata Virgo sit pura creatura rationalis, non debetur ei adoratio latriae, sed solum veneratio duliae: eminentius tamen, quam caeteris creaturis, inquantum ipsa est mater Dei. Et ideo dicitur, quod debetur ei non qualiscumque dulia, sed hyperdulia.
Leerstelling. — Alleen God heeft recht op godsvereering, geen schepsel in zoover wij dat op zichzelf eeren. Al kunnen de redelooze schepsels echter niet krachtens zichzelf worden vereerd, 689dan kan dat toch met de redelijke geschieden. En daarom heeft geen redelijk schepsel, dat niets meer dan dat is, recht op godsvereering, maar alleen op godsdienstige vereering. Daar de Heilige Maagd dit nu is, heeft zij geen recht op godsvereering, maar alleen op godsdienstige vereering, doch op een boven de anderen uitstekende manier, omdat Zij Moeder Gods is. Daarom zegt men, dat zij niet recht heeft op een gewone maar op een buitengewone godsdienstige vereering of hyperdulia.Leerstelling. — Alleen God heeft recht op godsverering, geen schepsel in zover wij dat op zichzelf eren. Al kunnen de redeloze schepsels echter niet krachtens zichzelf worden vereerd, 689dan kan dat toch met de redelijke geschieden. En daarom heeft geen redelijk schepsel, dat niets meer dan dat is, recht op godsverering, maar alleen op godsdienstige verering. Daar de Heilige Maagd dit nu is, heeft zij geen recht op godsverering, maar alleen op godsdienstige verering, doch op een boven de anderen uitstekende manier, omdat Zij Moeder Gods is. Daarom zegt men, dat zij niet recht heeft op een gewone maar op een buitengewone godsdienstige verering of hyperdulia.
Ad primum ergo dicendum, quod matri regis non debetur aequalis honor honori qui debetur regi. Debetur tamen ei quidam honor consimilis. ratione cujusdam excellentiae. Et hoc significant auctoritates inductae.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De eer waarop de moeder van een koning recht heeft is niet gelijk aan die van den koning. Maar omdat zij boven anderen uitsteekt, heeft zij recht op een eer die erop gelijkt. En dat geven de aangehaalde teksten te kennen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De eer waarop de moeder van een koning recht heeft is niet gelijk aan die van de koning. Maar omdat zij boven anderen uitsteekt, heeft zij recht op een eer die erop gelijkt. En dat geven de aangehaalde teksten te kennen.
Ad secundum dicendum, quod honor matris refertur ad filium: quia ipsa mater est propter filium adoranda1. Non tamen eo modo, quo honor imaginis refertur ad exemplar: quia ipsa imago, prout in se consideratur ut res quaedam, nullo modo est veneranda.
2. De aan de moeder gebrachte eer valt op den zoon terug, omdat de moeder om den zoon geëerd moet worden. Maar dat is niet op dezelfde manier als de aan een beeld gebrachte eer op het voorbeeld terugslaat; want het beeld als een ding beschouwd heeft in het geheel geen recht op eer.2. De aan de moeder gebrachte eer valt op de zoon terug, omdat de moeder om de zoon geëerd moet worden. Maar dat is niet op dezelfde manier als de aan een beeld gebrachte eer op het voorbeeld terugslaat; want het beeld als een ding beschouwd heeft in het geheel geen recht op eer.
Ad tertium dicendum, quod crux non est capax venerationis2, 690prout in se consideratur, ut dictum est [in corp. et art. 4.]. Sed B. Virgo secundum seipsam est venerationis capax. Et ideo non est similis ratio.
3. Zooals werd gezegd (in de Leerstelling, en 4e Art.), kan 690het kruis in zichzelf beschouwd geen eer ontvangen. Maar de Heilige Maagd op zichzelf wel; en daarom is het niet hetzelfde.3. Zoals werd gezegd (in de Leerstelling, en 4e Art.), kan 690het kruis in zichzelf beschouwd geen eer ontvangen. Maar de Heilige Maagd op zichzelf wel; en daarom is het niet hetzelfde.
Utrum reliquiae sanctorum sint adorandae1
Moeten de overblijfselen der Heiligen eenigszins vereerd worden?Moeten de overblijfselen van de Heiligen enigszins vereerd worden?
690Ad sextum sic proceditur. Videtur, quod sanctorum reliquiae nullo modo sint adorandae. Non enim est aliquid faciendum, quod possit esse occasio erroris. Sed adorare mortuorum reliquias videtur ad errorem Gentium pertinere, qui mortuis hominibus honorificentiam impendebant. Ergo non sunt sanctorum reliquiae adorandae2.
690Bedenkingen. — Men beweert, dat de overblijfselen van Heiligen in het geheel niet vereerd moeten worden. — 1. Want men moet niets doen wat aanleiding kan geven tot dwaling. Nu schijnt het vereeren van de overblijfselen van dooden onder de dwalingen der heidenen te vallen, die eer brachten aan doode menschen. Dus moet men de overblijfselen van Heiligen niet vereeren.690Bedenkingen. — Men beweert, dat de overblijfselen van Heiligen in het geheel niet vereerd moeten worden. — 1. Want men moet niets doen wat aanleiding kan geven tot dwaling. Nu schijnt het vereren van de overblijfselen van doden onder de dwalingen van de heidenen te vallen, die eer brachten aan dode mensen. Dus moet men de overblijfselen van Heiligen niet vereren.
2. Praeterea, stultum videtur rem insensibilem venerari. Sed sanctorum reliquiae sunt insensibilia corpora. Ergo stultum est eas venerari.
2. Het is dwaas een ding te vereeren dat niet kan waarnemen. Nu nemen de overblijfselen van Heiligen niets waar. Dus is het dwaas hen te vereeren.2. Het is dwaas een ding te vereren dat niet kan waarnemen. Nu nemen de overblijfselen van Heiligen niets waar. Dus is het dwaas hen te vereren.
3. Praeterea, corpus mortuum non est ejusdem speciei cum corpore 691vivo; et per consequens non videtur esse numero idem. Ergo videtur, quod post mortem alicujus sancti corpus ejus non sit adorandum.
3. Het lichaam van een doode is niet van dezelfde soort als dat van een levende, en dus is het niet hetzelfde individu. Daarom 691schijnt men na den dood van een Heilige zijn lichaam niet te moeten vereeren.3. Het lichaam van een dode is niet van dezelfde soort als dat van een levende, en dus is het niet hetzelfde individu. Daarom 691schijnt men na de dood van een Heilige zijn lichaam niet te moeten vereren.
Sed contra est, quod dicitur in lib. de Ecclesiasticis dogmatibus [cap. 40. inter op. Aug.]: « Sanctorum corpora, et praecipue beatorum martyrum reliquias, ac si Christi membra, sincerissime honoranda credimus »: et postea subditur: « Si quis contra hanc sententiam venerit, non Christianus, sed Eunomianus, et Vigilantianus creditur ».
Maar daartegenover staat, dat wij in het boek Over de Leerstukken der Kerk lezen: « Dat de lichamen der Heiligen en vooral van de zalige martelaren alsof zij van Christus waren vereerd moeten worden, (gelooven wij) ». En daarna volgt: « Als iemand zich tegen deze stelling wil verklaren, geloof dan niet dat hij een Christen, maar dat hij een aanhanger van Eunomius en Vigilantius is ».Maar daartegenover staat, dat wij in het boek Over de Leerstukken van de Kerk lezen: “Dat de lichamen van de Heiligen en vooral van de zalige martelaren alsof zij van Christus waren vereerd moeten worden, (geloven wij)”. En daarna volgt: “Als iemand zich tegen deze stelling wil verklaren, geloof dan niet dat hij een Christen, maar dat hij een aanhanger van Eunomius en Vigilantius is”.
Respondeo dicendum, quod, sicut Augustinus dicit in lib. 1. de Civ. Dei [cap. 13. a princ.], « si paterna vestis, et annulus, ac si quid hujusmodi, tanto carius est posteris, quanto erga parentes est major affectus, nullo modo ipsa spernenda sunt corpora, quae utique multo familiarius, atque conjunctius, quam quaelibet indumenta, gestamus, haec enim ad ipsam naturam hominis pertinent ». Ex quo patet, quod qui habet affectum ad aliquem, etiam ea quae de ipso post mortem relinquuntur, veneratur: non solum corpus, aut partes corporis ejus, sed etiam aliqua exteriora, 692puta vestes, et similia. Manifestum est autem, quod sanctos Dei in veneratione habere debemus, tamquam membra Christi, Dei filios, et amicos, et nostros intercessores. Et ideo eorum reliquias qualiscumque honore congruo in eorum memoriam venerari debemus, et praecipue eorum corpora, quae fuerunt templa, et organa Spiritus Sancti in eis habitantis, et sunt corpori Christi configuranda per gloriosam resurrectionem. Unde et ipse Deus hujusmodi reliquias convenienter honorat, in eorum praesentiam miracula faciendo.
Leerstelling. — Zooals Augustinus in De Stad Gods (1e B., 13e H.) zegt, « mogen wij, als de kleederen of de ring van een vader en dergelijke den nakomelingen zooveel te dierbaarder zijn naarmate zij meer liefde voor hun ouders hadden, de lichamen zelf geenszins verachten, die meer nabestaand en vereenigd met ons zijn dan de kleederen die wij dragen, omdat zij tot de natuur zelf van de menschen behooren ». Daaruit blijkt, dat wie iemand bemint, vereert wat na den dood van hem overblijft; en niet alleen zijn lichaam en de deelen ervan, maar ook buiten hem staande dingen 692als kleeren en dergelijke. Nu is het duidelijk, dat wij Gods Heiligen moeten vereeren als ledematen van Christus, zonen en vrienden van God en onze voorsprekers. En daarom moeten wij al hun overblijfselen met passende eer om hun nagedachtenis vereeren en vooral hun lichamen, die tempels waren van den H. Geest en organen van den H. Geest, die in hen woonde en werkte; ook moeten zij aan Christus' lichaam gelijk worden gemaakt door de heerlijkheid der verrijzenis. Daarom eert God zelf ook deze overblijfselen op passende manier door er wonderen bij te doen.Leerstelling. — Zoals Augustinus in De Stad Gods (1e B., 13e H.) zegt, “mogen wij, als de klederen of de ring van een vader en dergelijke de nakomelinge zoveel te dierbaarder zijn naarmate zij meer liefde voor hun ouders hadden, de lichamen zelf geenszins verachten, die meer nabestaand en verenigd met ons zijn dan de klederen die wij dragen, omdat zij tot de natuur zelf van de mensen behoren”. Daaruit blijkt, dat wie iemand bemint, vereert wat na de dood van hem overblijft; en niet alleen zijn lichaam en de delen ervan, maar ook buiten hem staande dingen 692als kleren en dergelijke. Nu is het duidelijk, dat wij Gods Heiligen moeten vereren als ledematen van Christus, zonen en vrienden van God en onze voorsprekers. En daarom moeten wij al hun overblijfselen met passende eer om hun nagedachtenis vereren en vooral hun lichamen, die tempels waren van de H. Geest en organen van de H. Geest, die in hen woonde en werkte; ook moeten zij aan Christus' lichaam gelijk worden gemaakt door de heerlijkheid van de verrijzenis. Daarom eert God zelf ook deze overblijfselen op passende manier door er wonderen bij te doen.
Ad primum ergo dicendum, quod haec fuit ratio Vigilantii, cujus verba introducit Hieronymus in libro, quem contra eum scribit: dicentis: « Prope ritum Gentilium videmus sub praetextu religionis introductum, pulvisculum, nescio quod, in modico vasculo pretioso linteamine circumdatum, osculantes adorant ». Contra quem Hieronymus dicit in epistola ad Riparium [quae est 109 parum a princ.]: « Nos, non dico Martyrum reliquias, sed nec solem, nec lunam, nec angelos adoramus », scilicet adoratione latriae: « honoramus autem reliquias Martyrum, ut eum, cujus sunt 693martyres, adoremus: honoramus servos, ut honor servorum redundet ad Dominum ». Sic ergo honorando reliquias Sanctorum, non incidimus in errorem Gentilium, qui cultum latriae mortuis hominibus exhibebant.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dit was het argument van Vigilantius, wiens woorden Hieronymus aanhaalt in het boek, dat hij tegen hem schreef (Tegen Vigilantius, n. 4): « Wij zien onder het mom van godsdienst bijna de gewoonte der heidenen ingevoerd; een beetje stof in een stuk vaatwerk met kostbaar lijnwaad omwonden vereeren zij met kussen ». Daartegen zegt Hieronymus in den Brief aan Riparius (109e Br.): « Wij vereeren, ik noem de lichamen der martelaren niet eens, maar zelfs zon en maan en engelen niet », nl. met godsvereering. « Maar wij eeren de overblijfselen der martelaren om Hem te aanbidden, Wiens martelaren zij zijn; wij eeren de dienaren opdat het eeren der dienaren op God 693mag neerkomen ». Zoo vallen wij bij het eeren der martelaren niet in de dwalingen der heidenen, die de eer der godsvereering aan doode menschen brachten.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dit was het argument van Vigilantius, wiens woorden Hieronymus aanhaalt in het boek, dat hij tegen hem schreef (Tegen Vigilantius, n. 4): “Wij zien onder het mom van godsdienst bijna de gewoonte van de heidenen ingevoerd; een beetje stof in een stuk vaatwerk met kostbaar lijnwaad omwonden vereren zij met kussen”. Daartegen zegt Hieronymus in de Brief aan Riparius (109e Br.): “Wij vereren, ik noem de lichamen van de martelaren niet eens, maar zelfs zon en maan en engelen niet”, nl. met godsverering. “Maar wij eren de overblijfselen van de martelaren om Hem te aanbidden, Wiens martelaren zij zijn; wij eren de dienaren opdat het eren van de dienaren op God 693mag neerkomen”. Zo vallen wij bij het eren van de martelaren niet in de dwalingen van de heidenen, die de eer van de godsverering aan dode mensen brachten.
Ad secundum dicendum, quod corpus illud insensibile non adoramus propter seipsum, sed propter animam, quae fuit ei unita, quae nunc fruitur Deo, et propter Deum, cujus fuerunt ministri.
2. Het lichaam dat niets waarneemt eeren wij niet om zichzelf, maar om de ziel die ermee vereenigd was en nu van God geniet; en om God, Wiens dienaars zij waren..2. Het lichaam dat niets waarneemt eren wij niet om zichzelf, maar om de ziel die ermee verenigd was en nu van God geniet; en om God, Wiens dienaars zij waren..
Ad tertium dicendum, quod corpus mortui alicujus sancti non est idem numero, quod primo fuit, dum viveret, propter diversitatem formae, quae est anima: est tamen idem identitate materiae, quae est iterum suae formae unienda.
3. Het doode lichaam van een Heilige is niet hetzelfde individu dat het in het leven was om het verschil in vorm, die de ziel is; maar het is hetzelfde omdat de materie, die weer met haar vorm vereenigd moet worden, dezelfde is.3. Het dode lichaam van een Heilige is niet hetzelfde individu dat het in het leven was om het verschil in vorm, die de ziel is; maar het is hetzelfde omdat de materie, die weer met haar vorm verenigd moet worden, dezelfde is.