Theologische Summa · Tertia Pars · Wat uit de vereeniging volgtWat uit de vereniging volgtSumma · III · Wat uit de vereeniging volgtWat uit de vereniging volgtSumma · III · Kw. 26Kw. 26
Quaestio XXVI

De eo quod Christus mediator Dei, et hominum dicitur, in duos articulos divisa

Kwestie 26

Over het feit, dat Christus middelaar tusschen God en de menschen wordt genoemdOver het feit, dat Christus middelaar tussen God en de mensen wordt genoemd

(Twee Artikelen)

694Deinde considerandum est de hoc quod dicitur Christus Dei, et hominum mediator. Et circa hoc quaeruntur duo: 1. Utrum esse mediatorem Dei, et hominum, sit proprium Christo. — 2. Utrum hoc conveniat ei secundum humanam naturam.

694Vervolgens moet wij het feit bespreken, dat Christus middelaar tusschen God en de menschen wordt genoemd. En hierover stellen wij ons twee vragen: 1. Is het uitsluitend aan Christus eigen middelaar tusschen God en de menschen te zijn? 2. Komt Hem dat toe naar de menschelijke natuur?694Vervolgens moet wij het feit bespreken, dat Christus middelaar tussen God en de mensen wordt genoemd. En hierover stellen wij ons twee vragen: 1. Is het uitsluitend aan Christus eigen middelaar tussen God en de mensen te zijn? 2. Komt Hem dat toe naar de menselijke natuur?

Articulus I

Utrum esse mediatorem Dei, et hominum sit proprium Christo

[3. Dist. 19. art. 5. q. 3. et Gal. 3. lect. 7. fin.]
Ie Artikel

Is het eigen aan Christus Middelaar tusschen God en de menschen te zijn?Is het eigen aan Christus Middelaar tussen God en de mensen te zijn?

antwoord 1 ↓

695Ad primum sic proceditur. Videtur, quod esse mediatorem Dei, et hominum non sit proprium Christo. Sicut enim sacerdos, ita et propheta videtur esse mediator inter Deum, et homines, secundum illud Deuter. 5. [v. 5]: « Ego illo tempore sequester fui, et medius inter Deum, et vos ». Sed esse prophetam, et sacerdotem non est proprium Christo. Ergo etiam1 esse mediatorem.

695Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet aan Christus eigen is middelaar tusschen God en de menschen te zijn. — 1. Want een priester en een profeet schijnen middelaars tusschen God en de menschen te zijn, omdat in Deuteronomium (5, 5) wordt gezegd: « In dien tijd was ik tusschenpersoon en bemiddelaar tusschen U en God ». Nu is het priester en profeet zijn niet uitsluitend aan Christus eigen. Dus het middelaar zijn evenmin.695Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet aan Christus eigen is middelaar tussen God en de mensen te zijn. — 1. Want een priester en een profeet schijnen middelaars tussen God en de mensen te zijn, omdat in Deuteronomium (5, 5) wordt gezegd: “In die tijd was ik tussenpersoon en bemiddelaar tussen U en God”. Nu is het priester en profeet zijn niet uitsluitend aan Christus eigen. Dus het middelaar zijn evenmin.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, illud quod convenit angelis bonis, et malis, non potest dici esse proprium Christo. Sed esse medium inter Deum, et homines convenit bonis: ut Dionysius dicit 4. cap. de Div. Nom. [parum a princ. lect. 1.]. Convenit etiam angelis malis, idest daemonibus: habent enim quaedam communia cum Deo, scilicet « immortalitatem » quaedam2 cum hominibus, scilicet quod sunt « animo passivi » et per consequens 696« miseri » ut patet per Aug. in 9. de Civ. Dei [cap. 13. et 15.]. Ergo esse mediatorem Dei, et hominum non est proprium Christo.

2. Wat goede en kwade Engelen toekomt, kan men niet eigen aan Christus noemen. Nu komt het aan de goede Engelen toe tusschen God en de menschen in te staan, zooals Dionysius zegt in Over de Namen van God (4e H.). Het komt ook aan de kwade Engelen of duivels toe, omdat zij iets met God gemeen hebben, nl. de onsterfelijkheid, en met de menschen deelen zij iets, dat zij nl. 696naar de ziel kunnen lijden en dus ellendig zijn, zooals Augustinus in De Stad Gods (9e B., 13e en 15e H.) bewijst. Dus is het middelaar zijn tusschen God en de menschen niet eigen aan Christus.2. Wat goede en kwade Engelen toekomt, kan men niet eigen aan Christus noemen. Nu komt het aan de goede Engelen toe tussen God en de mensen in te staan, zoals Dionysius zegt in Over de Namen van God (4e H.). Het komt ook aan de kwade Engelen of duivels toe, omdat zij iets met God gemeen hebben, nl. de onsterfelijkheid, en met de mensen delen zij iets, dat zij nl. 696naar de ziel kunnen lijden en dus ellendig zijn, zoals Augustinus in De Stad Gods (9e B., 13e en 15e H.) bewijst. Dus is het middelaar zijn tussen God en de mensen niet eigen aan Christus.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, ad officium mediatoris pertinet interpellare ad unum eorum, inter quos est mediator pro altero. Sed « Spiritus Sanctus » sicut dicitur Rom. 8. [v. 26]: « interpellat pro nobis ad Deum gemitibus inenarrabilibus ». Ergo Spiritus Sanctus est mediator inter Deum, et homines. Non ergo est proprium Christo.

3. Tot de taak van den middelaar behoort het bij een van hen, tusschen wie hij middelaar is, de belangen van den ander te bepleiten. Nu « smeekt de Heilige Geest », zooals in den Romeinenbrief (8, 26) wordt gezegd, « voor ons bij God met onuitsprekelijke verzuchtingen ». Dus is ook de Heilige Geest middelaar tusschen God en de menschen en is dit niet eigen aan Christus.3. Tot de taak van de middelaar behoort het bij een van hen, tussen wie hij middelaar is, de belangen van de ander te bepleiten. Nu “smeekt de Heilige Geest”, zoals in de Romeinenbrief (8, 26) wordt gezegd, “voor ons bij God met onuitsprekelijke verzuchtingen”. Dus is ook de Heilige Geest middelaar tussen God en de mensen en is dit niet eigen aan Christus.

Sed contra est, quod dicitur 1. ad Timoth. 2. [v. 5]: « Unus est mediator Dei, et hominum homo Jesus Christus ».

Maar daartegenover staat, dat in den Eersten Brief aan Timotheus (2, 5) wordt gezegd: « Er is een middelaar tusschen God en de menschen, de mensch Jesus Christus ».Maar daartegenover staat, dat in de Eerste Brief aan Timoteüs (2, 5) wordt gezegd: “Er is een middelaar tussen God en de mensen, de mens Jesus Christus”.

Respondeo dicendum, quod ad mediatoris officium proprie pertinet conjungere, et unire3 eos, inter quos est mediator: nam extrema uniuntur in medio. Unire autem homines Deo perfective quidem convenit Christo, per quem homines sunt reconciliati Deo4, secundum illud 2. ad Cor. 5. 697[v. 19]: « Deus erat in Christo, mundum reconcilians sibi ». Et ideo solus Christus est perfectus Dei, et hominum mediator; inquantum per suam mortem humanum genus Deo reconciliavit. Unde cum Apostolus dixisset: « Mediator Dei, et hominum homo Christus Jesus » subjunxit: « Qui dedit semetipsum redemptionem pro omnibus ».

Leerstelling. — De eigenlijke taak van een middelaar is hen tusschen wie hij middelaar is te vereenigen, omdat de uitersten vereenigd worden in wat tusschen hen in staat. Nu komt het aan Christus toe de menschen volmaakt met God te vereenigen, omdat zij door Hem met God worden verzoend volgens den Tweeden Brief aan de Korinthiërs (5, 19): « Het was God, die de wereld 697in Christus met Zich verzoende ». Daarom is Christus alleen de volmaakte middelaar tusschen God en de menschen, in zoover Hij door Zijn dood het menschelijk geslacht met God verzoende. Als daarom de Apostel zegt: « de middelaar tusschen God en de menschen, de mensch Christus Jesus », voegt hij eraan toe: « Die Zichzelf als verlossing voor allen gegeven heeft ».Leerstelling. — De eigenlijke taak van een middelaar is hen tussen wie hij middelaar is te verenigen, omdat de uitersten verenigd worden in wat tussen hen in staat. Nu komt het aan Christus toe de mensen volmaakt met God te verenigen, omdat zij door Hem met God worden verzoend volgens de Tweede Brief aan de Korintiërs (5, 19): “Het was God, die de wereld 697in Christus met Zich verzoende”. Daarom is Christus alleen de volmaakte middelaar tussen God en de mensen, in zover Hij door Zijn dood het menselijk geslacht met God verzoende. Als daarom de Apostel zegt: “de middelaar tussen God en de mensen, de mens Christus Jesus”, voegt hij eraan toe: “Die Zichzelf als verlossing voor allen gegeven heeft”.

Nihil tamen prohibet, aliquos alios secundum quid dici mediatores inter Deum, et homines: prout scilicet cooperantur ad unionem hominum cum Deo dispositive, vel ministerialiter.

Maar er is niets tegen, dat anderen onder zeker opzicht middelaars tusschen God en mensch worden genoemd, in zoover zij door voor te bereiden of als werktuig meewerken om de menschen met God te vereenigen.Maar er is niets tegen, dat anderen onder zeker opzicht middelaars tussen God en mens worden genoemd, in zover zij door voor te bereiden of als werktuig meewerken om de mensen met God te verenigen.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod prophetae, et sacerdotes veteris Testamenti dicti sunt mediatores inter Deum, et homines dispositive, et ministerialiter: inquantum scilicet praenuntiabant, et praefigurabant verum et perfectum Dei, et hominum mediatorem. Sacerdotes vero novi Testamenti possunt dici mediatores Dei, et hominum, inquantum sunt ministri veri mediatoris, vice ipsius salutaria sacramenta hominibus exhibentes.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De profeten en priesters van het oude verbond worden als voorbereidende werktuigen middelaars tusschen God en de menschen genoemd, omdat zij nl. den waren en volmaakten middelaar tusschen God en de menschen aankondigden en voorafbeeldden. Men kan echter de priesters van het nieuwe verbond middelaars tusschen God en mensch noemen, in zoover zij dienaars zijn van den waren middelaar, die in Zijn plaats de heilbrengende sacramenten aan de menschen toedienen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De profeten en priesters van het oude verbond worden als voorbereidende werktuigen middelaars tussen God en de mensen genoemd, omdat zij nl. de waren en volmaakten middelaar tussen God en de mensen aankondigden en voorafbeeldden. Men kan echter de priesters van het nieuwe verbond middelaars tussen God en mens noemen, in zover zij dienaars zijn van de ware middelaar, die in Zijn plaats de heilbrengende sacramenten aan de mensen toedienen.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod angeli boni, ut Augustinus dicit in 9. de Civ. Dei [cap. 13. a med.], non recte possunt dici mediatores inter 698Deum, et homines. « Cum enim utrumque habeant commune cum Deo, et beatitudinem, et immortalitatem, nihil autem horum cum hominibus miseris, et mortalibus, quomodo non potius remoti sunt ab hominibus, Deoque conjuncti, quam inter utrosque medii constituti? » Dionysius tamen dicit, eos esse medios, quia secundum gradum naturae sunt infra Deum, et supra homines constituti. Et mediatoris officium exercent, non quod principaliter, et perfective, sed ministerialiter, et dispositive: unde Matth. 4. [v. 11] dicitur, quod « accesserunt angeli, et ministrabant ei » scilicet Christo.

2. Zooals Augustinus in De Stad Gods (9e B., 13e H.) zegt, kunnen de goede Engelen eigenlijk geen middelaars tusschen God 698en mensch worden genoemd. « Omdat zij nl. beide dingen met God gemeen hebben, de zaligheid en de onsterfelijkheid, en niets met de ongelukkige en sterfelijke menschen, hoe zouden zij dan niet veel meer ver van de menschen en vereenigd met God dan midden tusschen beiden in zijn? » Dionysius noemt hen echter het midden tusschen beiden, omdat zij naar den rang in natuur beneden God en boven de menschen staan. En zij vervullen het ambt van middelaar niet op de voornaamste en volmaakte manier, maar als voorbereidende dienaars; en daarom wordt bij Matthaeus (4, 11) gezegd, dat « Engelen kwamen en Hem, nl. Christus, dienden ».2. Zoals Augustinus in De Stad Gods (9e B., 13e H.) zegt, kunnen de goede Engelen eigenlijk geen middelaars tussen God 698en mens worden genoemd. “Omdat zij nl. beide dingen met God gemeen hebben, de zaligheid en de onsterfelijkheid, en niets met de ongelukkige en sterfelijke mensen, hoe zouden zij dan niet veel meer ver van de mensen en verenigd met God dan midden tussen beiden in zijn?” Dionysius noemt hen echter het midden tussen beiden, omdat zij naar de rang in natuur beneden God en boven de mensen staan. En zij vervullen het ambt van middelaar niet op de voornaamste en volmaakte manier, maar als voorbereidende dienaars; en daarom wordt bij Matteüs (4, 11) gezegd, dat “Engelen kwamen en Hem, nl. Christus, dienden”.

Daemones autem habent communem5 cum Deo immortalitatem, cum hominibus autem miseriam. « Ad hoc enim se interponit medium daemon immortalis, et miser, ut ad immortalitatem beatam transire non sinat » sed perducat ad miseriam immortalem. Unde est sicut « malus medius, qui separat amicos » [St Aug. loc. cit. cap. 15.].

De duivels hebben wel de onsterfelijkheid met God en de ellende met de menschen gemeen. « Daarom stelt de onsterfelijke en ongelukkige duivel zich in den weg om ons te beletten de gelukkige onsterfelijkheid te bereiken », maar ons te brengen tot de onsterfelijke ellende. Daarom is hij « een valsche middelaar, die de vrienden scheidt » (H. Augustinus, t. a. pl., 15e H.).De duivels hebben wel de onsterfelijkheid met God en de ellende met de mensen gemeen. “Daarom stelt de onsterfelijke en ongelukkige duivel zich in de weg om ons te beletten de gelukkige onsterfelijkheid te bereiken”, maar ons te brengen tot de onsterfelijke ellende. Daarom is hij “een valse middelaar, die de vrienden scheidt” (H. Augustinus, t.a.p., 15e H.).

Christus autem habuit communem cum Deo beatitudinem, cum hominibus autem mortalitatem. Et ideo « ad hoc se interposuit medium, ut 699mortalitate transacta, et ex mortuis faceret immortales (quod in se resurgendo monstravit), et ex miseris beatos efficeret; unde nunquam ipse decessit ». Et ideo ipse est « bonus mediator, qui reconciliat inimicos » [ibid.].

Christus echter had met God de zaligheid en met de menschen het kunnen sterven gemeen. « Daarom plaatste Hij zich tusschen beiden in om als de dood overwonnen was de dooden onsterflijk te 699maken, wat Hij in Zijn eigen Verrijzenis aanduidde; en de ongelukkigen tot de zaligheid, die Hij nooit verloren had, te brengen ». Daarom is Hij « de goede middelaar, die de vijanden verzoent » (t. a. pl.).Christus echter had met God de zaligheid en met de mensen het kunnen sterven gemeen. “Daarom plaatste Hij zich tussen beiden in om als de dood overwonnen was de doden onsterflijk te 699maken, wat Hij in Zijn eigen Verrijzenis aanduidde; en de ongelukkigen tot de zaligheid, die Hij nooit verloren had, te brengen”. Daarom is Hij “de goede middelaar, die de vijanden verzoent” (t.a.p.).

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod Spiritus Sanctus, cum sit per omnia Deo aequalis, non potest dici medius, vel mediator inter Deum, et homines: sed solus Christus, qui licet « secundum divinitatem aequalis sit Patri », tamen « secundum humanitatem minor est Patre » [Symbol. Ath.]. Ut supra dictum est [q. 20. art. 1.]. Unde super illud ad Gal. 3. [v. 20]., dicit Gloss. [Lomb.]: « Christus est mediator, non Pater, nec Spiritus Sanctus ». Dicitur autem Spiritus Sanctus « interpellare pro nobis » quia ipse interpellare nos facit [Gloss. ord. Aug. et Lomb.].

3. Omdat de Heilige Geest in alles aan God gelijk is, kan Hij niet het midden of de bemiddelaar tusschen God en de menschen worden genoemd, maar alleen Christus, die « al is Hij naar de godheid aan den Vader gelijk, toch naar Zijn menschheid minder dan de Vader is », zooals wij zeiden (20e Kw., 1e Art.). Daarom ook zegt de Glossa bij den tekst uit den Galatenbrief (3, 20): « Christus is de middelaar », « Niet de Vader of de Heilige Geest ». Men zegt echter van den H. Geest, dat « Hij voor ons bidt », omdat Hij ons doet bidden.3. Omdat de Heilige Geest in alles aan God gelijk is, kan Hij niet het midden of de bemiddelaar tussen God en de mensen worden genoemd, maar alleen Christus, die “al is Hij naar de godheid aan de Vader gelijk, toch naar Zijn mensheid minder dan de Vader is”, zoals wij zeiden (20e Kw., 1e Art.). Daarom ook zegt de Glossa bij de tekst uit de Galatenbrief (3, 20): “Christus is de middelaar”, “Niet de Vader of de Heilige Geest”. Men zegt echter van de H. Geest, dat “Hij voor ons bidt”, omdat Hij ons doet bidden.

Articulus II

Utrum Christus, secundum quod homo, sit mediator Dei, et hominum

[3. Dist. 19. q. 5. art. 2. et Veri. q. 29. art. 5. ad 5. et 1. Tim. 2. lect. 1. fin.]
IIe Artikel

Was Christus als mensch middelaar tusschen God en de menschen?Was Christus als mens middelaar tussen God en de mensen?

antwoord 1 ↓

699Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod Christus non sit mediator 700Dei, et hominum, secundum quod homo. Dicit enim Augustinus in lib. contra Felicianum [cap. 10. ant. med.]: « Una est Christi persona: ne sit non unus Christus, non una substantia, ne mediatoris dispensatione submota, aut Dei tantum dicatur, aut hominis filius ». Sed non est Dei, et hominis filius, secundum quod homo: sed simul secundum quod Deus, et homo. Ergo neque dicendum est, quod sit mediator Dei, et hominum solum secundum quod homo.

699Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet als mensch 700middelaar tusschen God en de menschen is. — 1. Want Augustinus zegt in het boek Tegen Felicianus (10e H.): « Er is maar een persoon van Christus, opdat er een Christus en een zelfstandigheid zou zijn, en opdat Hij niet met opheffing van Zijn werk als middelaar of alleen van God of alleen van een mensch de Zoon zou worden genoemd ». Nu is Hij niet als mensch Zoon van God en mensch, maar in zoover Hij tegelijk God en mensch is. Maar dan moet men evenmin zeggen, dat Hij alleen in zoover Hij mensch is, middelaar is tusschen God en de menschen.699Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet als mens 700middelaar tussen God en de mensen is. — 1. Want Augustinus zegt in het boek Tegen Felicianus (10e H.): “Er is maar een persoon van Christus, opdat er een Christus en een zelfstandigheid zou zijn, en opdat Hij niet met opheffing van Zijn werk als middelaar of alleen van God of alleen van een mens de Zoon zou worden genoemd”. Nu is Hij niet als mens Zoon van God en mens, maar in zover Hij tegelijk God en mens is. Maar dan moet men evenmin zeggen, dat Hij alleen in zover Hij mens is, middelaar is tussen God en de mensen.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, sicut Christus, inquantum est Deus, convenit cum Patre, et Spiritu Sancto; ita inquantum est homo, convenit cum hominibus. Sed propter hoc quod inquantum est Deus, convenit cum Patre, et Spiritu Sancto, non potest dici mediator, inquantum est Deus: quia super illud 1. ad Tim. 2. [v. 5]: « Mediator Dei, et hominum » etc. dicit Gloss. [ord. Aug. lib. 10.]: « Inquantum est Verbum, non medius est; quia aequalis est Deo, et Deus apud Deum, et simul unus Deus ». Ergo nec etiam inquantum est homo, potest dici mediator, propter convenientiam quam cum hominibus habet.

2. Zooals Christus als God gelijk is aan den Vader en den Heiligen Geest, is Hij als mensch gelijk aan de menschen. Nu kan Hij niet, omdat Hij als God aan den Vader en den Heiligen Geest gelijk is, middelaar worden genoemd precies als God, want bij het aangehaalde woord uit den Eersten Brief aan Timotheus, (2, 5): « Middelaar tusschen God en de menschen », zegt de Glossa: « Niet als het Woord staat Hij middenin, want dan is Hij gelijk aan God en God bij God en tegelijk een God ». Dus kan Hij evenmin als mensch middelaar worden genoemd, omdat Hij met de menschen overeenkomt.2. Zoals Christus als God gelijk is aan de Vader en de Heilige Geest, is Hij als mens gelijk aan de mensen. Nu kan Hij niet, omdat Hij als God aan de Vader en de Heilige Geest gelijk is, middelaar worden genoemd precies als God, want bij het aangehaalde woord uit de Eerste Brief aan Timoteüs, (2, 5): “Middelaar tussen God en de mensen”, zegt de Glossa: “Niet als het Woord staat Hij middenin, want dan is Hij gelijk aan God en God bij God en tegelijk een God”. Dus kan Hij evenmin als mens middelaar worden genoemd, omdat Hij met de mensen overeenkomt.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Christus dicitur mediator, inquantum reconciliavit nos 701Deo: quod quidem fecit auferendo peccatum, quod nos separabat a Deo. Sed auferre peccatum convenit Christo, non inquantum est homo, sed inquantum est Deus. Ergo Christus, inquantum est homo, non est mediator, sed inquantum est Deus.

3. Christus wordt Middelaar genoemd, omdat Hij ons met God 701heeft verzoend; en dat deed Hij door de zonde, die ons van God scheidde, weg te nemen. Nu komt het wegnemen van zonde niet aan Christus als mensch, maar als God toe. Dus is Christus niet als mensch middelaar, maar als God.3. Christus wordt Middelaar genoemd, omdat Hij ons met God 701heeft verzoend; en dat deed Hij door de zonde, die ons van God scheidde, weg te nemen. Nu komt het wegnemen van zonde niet aan Christus als mens, maar als God toe. Dus is Christus niet als mens middelaar, maar als God.

Sed contra est, quod Augustinus dicit in lib. 9. de Civ. Dei [cap. 15. ad fin.]: « Non ob hoc mediator est Christus, quia est Verbum. Maxime quippe immortale, et maxime beatum verbum longe est a mortalibus miseriis. Sed mediator est, secundum quod homo ».

Maar daartegenover staat, dat Augustinus zegt in De Stad Gods (9e B., 15e H.): « Christus is niet middelaar, omdat Hij het Woord is. Want het in hoogste mate onsterfelijke en gelukkige woord is ver van de menschen. Maar Hij is middelaar als mensch ».Maar daartegenover staat, dat Augustinus zegt in De Stad Gods (9e B., 15e H.): “Christus is niet middelaar, omdat Hij het Woord is. Want het in hoogste mate onsterfelijke en gelukkige woord is ver van de mensen. Maar Hij is middelaar als mens”.

Respondeo dicendum, quod in mediatore duo possumus considerare: primo quidem rationem medii: secundo officium conjungendi. Est autem de ratione medii, quod distet ab utroque extremorum: conjungit autem mediator per hoc, quod ea quae unius sunt, defert ad alterum. Neutrum autem horum potest convenire Christo, secundum quod Deus, sed solum secundum quod homo. Nam secundum quod Deus, non differt a Patre et Spiritu Sancto in natura, et potestate dominii: nec etiam Pater, et Spiritus Sanctus aliquid habent, quod non sit Filii; ut sic possit id quod 702est Patris, vel Spiritus Sancti, quasi quod est aliorum, ad alios deferre. Sed utrumque convenit ei, inquantum est homo. Quia secundum quod est homo, distat et a Deo in natura, et ab hominibus in dignitate et gratiae, et gloriae. Inquantum etiam est homo, convenit ei conjungere homines Deo, praecepta et dona Dei hominibus exhibendo; et pro hominibus Deo satisfaciendo, et interpellando. Et ideo verissime dicitur mediator, secundum quod homo.

Leerstelling. — Twee dingen kunnen wij in een middelaar beschouwen: het staan tusschen beiden in en ten tweede de taak om hen te vereenigen. Tot het tusschen beiden instaan nu behoort het op een afstand van beiden staan; en de middelaar vereenigt doordat hij wat van den een is naar den ander brengt. Geen van deze beide dingen echter kan Christus in zoover Hij God is toekomen, maar alleen in zoover Hij mensch is. Want als God verschilt Hij in natuur en heerschersmacht niet van den Vader en den H. Geest, en dezen hebben niets wat ook niet van den Zoon is en dat Hij als anderen toebehoorend van den Vader en den H. Geest naar anderen 702zou kunnen brengen. Maar beide dingen komen Hem wel als mensch toe. Als mensch immers, staat Hij in natuur op een afstand van God en in waardigheid van genade en heerlijkheid van de menschen. In zoover Hij mensch is, komt het Hem ook toe de menschen met God te vereenigen door hun de geboden en gaven te brengen en tegenover God voor hen te voldoen en hun voorspraak te zijn. En zoo wordt Hij in meest waren zin als mensch middelaar genoemd.Leerstelling. — Twee dingen kunnen wij in een middelaar beschouwen: het staan tussen beiden in en ten tweede de taak om hen te verenigen. Tot het tussen beiden instaan nu behoort het op een afstand van beiden staan; en de middelaar verenigt doordat hij wat van de een is naar de ander brengt. Geen van deze beide dingen echter kan Christus in zover Hij God is toekomen, maar alleen in zover Hij mens is. Want als God verschilt Hij in natuur en heersersmacht niet van de Vader en de H. Geest, en deze hebben niets wat ook niet van de Zoon is en dat Hij als anderen toebehorend van de Vader en de H. Geest naar anderen 702zou kunnen brengen. Maar beide dingen komen Hem wel als mens toe. Als mens immers, staat Hij in natuur op een afstand van God en in waardigheid van genade en heerlijkheid van de mensen. In zover Hij mens is, komt het Hem ook toe de mensen met God te verenigen door hun de geboden en gaven te brengen en tegenover God voor hen te voldoen en hun voorspraak te zijn. En zo wordt Hij in meest waren zin als mens middelaar genoemd.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod si subtrahatur divina natura a Christo, subtrahetur per consequens ab eo singularis plenitudo gratiarum, quae convenit ei, inquantum est « unigenitus a Patre » ut dicitur Joan. 1. [v. 14]. Ex qua quidem plenitudine habet, ut sit super omnes homines constitutus, et propinquius ad Deum accedens.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Neemt men de goddelijke natuur van Christus weg, dan wordt Hem dientengevolge de bijzondere volheid van genade, die Hem als Eeniggeboren des Vaders, zooals Johannes (1, 14) Hem noemt, toekomt ook ontnomen. En juist door deze volheid van genade heeft Hij het boven de menschen staan en dichter tot God naderen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Neemt men de goddelijke natuur van Christus weg, dan wordt Hem dientengevolge de bijzondere volheid van genade, die Hem als Eniggeboren van de Vader, zoals Johannes (1, 14) Hem noemt, toekomt ook ontnomen. En juist door deze volheid van genade heeft Hij het boven de mensen staan en dichter tot God naderen.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod Christus, secundum quod Deus, est per omnia aequalis Patri. Sed etiam in humana natura excedit alios homines. Et ideo secundum quod homo, potest esse mediator: non autem secundum quod Deus.

2. Als God is Christus in alles aan den Vader gelijk. Maar de andere menschen overtreft Hij zelfs in de menschelijke natuur. Daarom kan Hij als mensch middelaar zijn, maar niet als God.2. Als God is Christus in alles aan de Vader gelijk. Maar de andere mensen overtreft Hij zelfs in de menselijke natuur. Daarom kan Hij als mens middelaar zijn, maar niet als God.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod licet auctoritative peccatum auferre 703conveniat Christo, secundum quod est Deus: tamen satisfacere pro peccato humani generis convenit ei, secundum quod est homo. Et secundum hoc dicitur Dei, et hominum mediator.

3. Al komt het aan Christus in zoover Hij God is toe met 703macht de zonden weg te nemen, toch komt het Hem als mensch toe voor de zonden van het menschelijk geslacht te voldoen. En juist krachtens dit laatste wordt Hij middelaar tusschen God en de menschen genoemd.3. Al komt het aan Christus in zover Hij God is toe met 703macht de zonden weg te nemen, toch komt het Hem als mens toe voor de zonden van het menselijk geslacht te voldoen. En juist krachtens dit laatste wordt Hij middelaar tussen God en de mensen genoemd.