Theologische Summa · Tertia Pars · Christus' komst in de wereldSumma · III · Christus' komst in de wereldSumma · III · Kw. 27Kw. 27
Quaestio XXVII

De beatae Virginis Mariae sanctificatione

Kwestie 27

Over de heiliging der H. MaagdOver de heiliging van de H. Maagd

(Zes Artikelen.)

1Post praedicta, in quibus de unione Dei et hominis, et de his quae unionem consequuntur, tractatum est, restat considerandum de his quae Filius Dei incarnatus in natura humana sibi unita gessit, vel passus est; quae quidem consideratio quadripartita erit, nam primo considerabimus de his, quae pertinent ad ingressum ejus in mundum; secundo, de his quae pertinent ad progressum vitae ipsius in hoc mundo; tertio, de exitu ipsius ab hoc mundo; quarto, de his quae pertinent ad exaltationem ipsius post hanc vitam.

1Na gehandeld te hebben zoowel over de vereeniging van God en mensch in Christus, als over datgene, wat uit deze vereeniging volgt, moeten we nu gaan spreken over hetgeen de mensch-geworden Zoon van God gedaan en geleden heeft in de menschelijke natuur, die Hij met zich vereenigde. Deze beschouwing nu zal bestaan uit vier deelen. Want eerstens zullen we nagaan datgene wat betrekking heeft op zijn komst in deze wereld; vervolgens datgene, wat bij zijn levensloop behoort; ten derde, zijn heengaan uit deze wereld; ten vierde, datgene, wat behoort bij zijn verheerlijking na dit leven.1Na gehandeld te hebben zowel over de vereniging van God en mens in Christus, als over datgene, wat uit deze vereniging volgt, moeten we nu gaan spreken over hetgeen de mens-geworden Zoon van God gedaan en geleden heeft in de menselijke natuur, die Hij met zich verenigde. Deze beschouwing nu zal bestaan uit vier delen. Want eerstens zullen we nagaan datgene wat betrekking heeft op zijn komst in deze wereld; vervolgens datgene, wat bij zijn levensloop behoort; ten derde, zijn heengaan uit deze wereld; ten vierde, datgene, wat behoort bij zijn verheerlijking na dit leven.

Circa primum, quatuor consideranda occurrunt: primo quidem de conceptione Christi; secundo, de ejus nativitate; tertio, de ejus circumcisione; quarto, de ejus baptismo.

Aangaande het eerstgenoemde vragen vier punten onze aandacht: 1e nl. Christus' ontvangenis; vervolgens zijn geboorte; 3e zijn besnijdenis; 4e zijn doop.Aangaande het eerstgenoemde vragen vier punten onze aandacht: eerste nl. Christus' ontvangenis; vervolgens zijn geboorte; derde zijn besnijdenis; vierde zijn doop.

2Circa conceptionem autem ejus oportet primo aliqua considerare quantum ad matrem concipientem; secundo, quantum ad modum conceptionis; tertio, quantum ad perfectionem prolis conceptae.

2Wat nu zijn ontvangenis betreft, moeten we spreken: 1e over de moeder, die Hem ontving; 2e over de wijze der ontvangenis; 3e over de volmaaktheid van het ontvangen kind.2Wat nu zijn ontvangenis betreft, moeten we spreken: eerste over de moeder, die Hem ontving; tweede over de wijze van de ontvangenis; derde over de volmaaktheid van het ontvangen kind.

Ex parte autem matris occurrunt quinque consideranda: primo quidem, de sanctificatione ejus; secundo, de virginitate ejus; tertio, de desponsatione ejusdem; quarto, de annuntiatione ipsius; quinto, de praeparatione ipsius ad concipiendum.

Betreffende de moeder nu staan ons deze vier punten te behandelen: 1e haar heiliging; 2e haar maagdelijkheid; 3e haar verloving; 4e de boodschap des Engels, d. w. z. haar voorbereid-worden op het ontvangen.Betreffende de moeder nu staan ons deze vier punten te behandelen: eerste haar heiliging; tweede haar maagdelijkheid; derde haar verloving; vierde de boodschap van de Engel, d. w. z. haar voorbereid-worden op het ontvangen.

Circa primum quaeruntur sex: 1. Utrum B. Virgo mater Dei fuerit sanctificata ante nativitatem ex utero. — 2. Utrum fuerit sanctificata ante animationem. — 3. Utrum per hujusmodi sanctificationem fuerit sibi totaliter sublatus fomes peccati. — 4. Utrum per hujusmodi sanctificationem fuerit consecuta ut nunquam peccaret. — 5. Utrum per hujusmodi sanctificationem adepta fuerit plenitudinem gratiarum. — 6. Utrum sic sanctificari fuerit proprium sibi.

Omtrent de eerste kwestie worden zes vragen gesteld: 1. Is de H. Maagd, de Moeder Gods geheiligd vóórdat zij uit den moederschoot geboren werd? 2. Werd zij geheiligd vóórdat zij de menschelijke ziel ontvangen had? 3. Werd door deze heiliging de haard der zonde geheel bij haar weggenomen? 4. Verkreeg zij door deze heiliging, dat zij nooit zou zondigen? 5. Verkreeg zij door deze heiliging de volheid van genaden? 6. Was een dergelijke heiliging iets eigens voor haar alleen?Omtrent de eerste kwestie worden zes vragen gesteld: 1. Is de H. Maagd, de Moeder Gods geheiligd vóórdat zij uit de moederschoot geboren werd? 2. Werd zij geheiligd vóórdat zij de menselijke ziel ontvangen had? 3. Werd door deze heiliging de haard van de zonde geheel bij haar weggenomen? 4. Verkreeg zij door deze heiliging, dat zij nooit zou zondigen? 5. Verkreeg zij door deze heiliging de volheid van genaden? 6. Was een dergelijke heiliging iets eigens voor haar alleen?

Articulus I

Utrum B. Virgo Mater Dei fuerit sanctificata ante nativitatem ex utero

[3. Dist. 3. q. 1. art. 1. q. 3. et Quodl. 6. q. 5. art. 1. corp. et opusc. 3. cap. 231. et Psal. 45. col. 2.]
Ie Artikel

Is de H. Maagd geheiligd, vóórdat zij uit den moederschoot geboren werd?Is de H. Maagd geheiligd, vóórdat zij uit de moederschoot geboren werd?

antwoord 1 ↓

3Ad primum sic proceditur. Videtur, quod Beata Virgo non fuerit sanctificata ante nativitatem ex utero: dicit enim Apostolus 1. ad Cor. 15. [v. 46]: « Non prius quod spiritale est, sed prius quod est animale, deinde quod est spiritale ». Sed per gratiam sanctificantem nascitur homo spiritualiter in filium Dei, secundum illud Joan. 1. [v. 13]: « Ex Deo nati sunt »; nativitas autem ex utero est nativitas animalis. Non ergo Beata Virgo fuit prius sanctificata, quam ex utero nasceretur.

3Bedenkingen. — Men beweert, dat de H. Maagd niet geheiligd is, vóórdat zij uit den moederschoot geboren werd. — 1. Want de Apostel schrijft in zijn Eersten Brief aan de Korinthiërs (15, 46): « Niet het geestelijke gaat vooraf, maar wel het bezielde; daarna komt het geestelijke ». Maar door de heiligmakende genade wordt de mensch geestelijkerwijze geboren tot kind Gods, blijkens Joannes (1, 13): « Uit God zijn zij geboren ». De geboorte echter uit den moederschoot is de geboorte van het bezielde. Derhalve is de H. Maagd niet geheiligd, vóórdat zij uit den moederschoot geboren werd.3Bedenkingen. — Men beweert, dat de H. Maagd niet geheiligd is, vóórdat zij uit de moederschoot geboren werd. — 1. Want de Apostel schrijft in zijn Eersten Brief aan de Korintiërs (15, 46): “Niet het geestelijke gaat vooraf, maar wel het bezielde; daarna komt het geestelijke”. Maar door de heiligmakende genade wordt de mens geestelijkerwijze geboren tot kind Gods, blijkens Johannes (1, 13): “Uit God zijn zij geboren”. De geboorte echter uit de moederschoot is de geboorte van het bezielde. Derhalve is de H. Maagd niet geheiligd, vóórdat zij uit de moederschoot geboren werd.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Augustinus dicit in Epist. ad Dardanum [ep. 187, al. 57.]: « Sanctificatio, qua efficimur templum Dei, nonnisi renatorum est ». Nemo autem renascitur, nisi prius nascatur. Ergo Beata Virgo non fuit prius sanctificata, quam ex utero nasceretur.

2. Augustinus schrijft in zijn Brief aan Dardanus: « De heiliging, waardoor we Gods tempel worden, vindt ge uitsluitend bij de herborenen ». Niemand echter wordt herboren, tenzij hij eerst geboren is. Derhalve is de H. Maagd niet geheiligd, vóórdat zij uit den moederschoot geboren werd.2. Augustinus schrijft in zijn Brief aan Dardanus: “De heiliging, waardoor we Gods tempel worden, vindt ge uitsluitend bij de herborenen”. Niemand echter wordt herboren, tenzij hij eerst geboren is. Derhalve is de H. Maagd niet geheiligd, vóórdat zij uit de moederschoot geboren werd.

antwoord 3 ↓

43. Praeterea, quicumque est sanctificatus per gratiam, est mundatus a peccato originali et actuali. Si ergo Beata Virgo fuit sanctificata ante nativitatem ex utero, consequens est quod tunc fuerit emundata ab originali peccato. Sed solum originale peccatum poterat eam impedire ab introitu regni coelestis. Si ergo tunc mortua fuisset, videtur quod januam regni coelestis introisset, quod tamen fieri non potuit ante passionem Christi: « Habemus enim fiduciam in introitum sanctorum per sanguinem ejus », ut dicitur Hebr. 10. [v. 19]. Videtur ergo, quod B. Virgo non fuerit sanctificata, antequam ex utero nasceretur.

43. Alwie door de genade geheiligd is, is gezuiverd van erfzonde en persoonlijke zonde. Indien derhalve de H. Maagd geheiligd is, vóórdat zij uit den moederschoot geboren werd, dan was zij toen bijgevolg gezuiverd van de erfzonde. Maar alleen de erfzonde kon voor haar een beletsel zijn, het hemelrijk binnen te treden. Zoo zij dus toen gestorven was, zou zij de poort van het hemelrijk zijn binnengegaan. Dit echter was onmogelijk vóór het lijden van Christus, blijkens de woorden van den Apostel (Hebreeënbrief, 10, 19): « Wij toch hebben de vaste zekerheid, dat door het Bloed van Jezus de weg tot het heiligdom openstaat ». Derhalve, zoo beweert men, is de H. Maagd niet geheiligd, vóórdat zij uit den moederschoot geboren werd.43. Alwie door de genade geheiligd is, is gezuiverd van erfzonde en persoonlijke zonde. Indien derhalve de H. Maagd geheiligd is, vóórdat zij uit de moederschoot geboren werd, dan was zij toen bijgevolg gezuiverd van de erfzonde. Maar alleen de erfzonde kon voor haar een beletsel zijn, het hemelrijk binnen te treden. Zo zij dus toen gestorven was, zou zij de poort van het hemelrijk zijn binnengegaan. Dit echter was onmogelijk vóór het lijden van Christus, blijkens de woorden van de Apostel (Hebreeënbrief, 10, 19): “Wij toch hebben de vaste zekerheid, dat door het Bloed van Jezus de weg tot het heiligdom openstaat”. Derhalve, zo beweert men, is de H. Maagd niet geheiligd, vóórdat zij uit de moederschoot geboren werd.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, peccatum originale contrahitur ex origine, sicut peccatum actuale ex actu. Sed quamdiu aliquis est in actu peccandi, non potest a peccato actuali mundari. Ergo etiam nec Beata Virgo a peccato originali mundari potuit, dum esset adhuc in ipso actu originis in materno utero existens.

4. De erfzonde wordt gecontraheerd* door de voortkomst, evenals de persoonlijke zonde door onze persoonlijke daad. Welnu, iemand kan niet van zijn persoonlijke zonde gezuiverd worden, zoolang hij nog metterdaad aan het zondigen is. Derhalve kon ook de H. Maagd niet van de erfzonde gezuiverd worden, zoolang zij nog metterdaad aan het voortkomen was, d. w. z. zoolang zij nog aanwezig was in den moederschoot.4. De erfzonde wordt gecontraheerd* door de voortkomst, evenals de persoonlijke zonde door onze persoonlijke daad. Welnu, iemand kan niet van zijn persoonlijke zonde gezuiverd worden, zolang hij nog metterdaad aan het zondigen is. Derhalve kon ook de H. Maagd niet van de erfzonde gezuiverd worden, zolang zij nog metterdaad aan het voortkomen was, d. w. z. zolang zij nog aanwezig was in de moederschoot.

5Sed contra est, quod Ecclesia celebrat nativitatem B. Virginis. Non autem celebratur festum in Ecclesia, nisi pro aliquo Sancto. Ergo B. Virgo in ipsa sua nativitate fuit sancta. Fuit ergo in utero sanctificata.

5Daartegenover staat echter, dat de Kerk het Geboorte-feest der H. Maagd viert. In de Kerk echter wordt geen enkel feest gevierd dan voor een of anderen Heilige. Derhalve was de H. Maagd bij haar geboorte zelf reeds heilig. Dus is zij in den moederschoot geheiligd.5Daartegenover staat echter, dat de Kerk het Geboorte-feest van de H. Maagd viert. In de Kerk echter wordt geen enkel feest gevierd dan voor een of andere Heilige. Derhalve was de H. Maagd bij haar geboorte zelf reeds heilig. Dus is zij in de moederschoot geheiligd.

Respondeo dicendum, quod de sanctificatione B. Mariae, quod scilicet fuerit sanctificata in utero, nihil in Scriptura canonica traditur, quae etiam nec de ejus nativitate mentionem facit. Sic tamen Augustinus in serm. de Assumptione ipsius Virginis [Tract. de Assumpt. B. M. V., inter opp. Aug.] rationabiliter argumentatur, quod cum corpore sit assumpta in coelum, quod tamen Scriptura non tradit, ita etiam rationabiliter argumentari possumus, quod fuerit sanctificata in utero: rationabiliter enim creditur, quod illa quae genuit « Unigenitum a Patre, plenum gratiae et veritatis » [Joan., cap. 1, v. 14] prae omnibus aliis majora privilegia gratiae acceperit. Unde, ut legitur Luc. 1. [v. 28]: « Angelus ei dixit: Ave, Maria, gratia plena ». Invenimus autem quibusdam aliis hoc privilegialiter esse concessum, ut in utero sanctificarentur, sicut Hieremias 6, cui dictum est [Hierem. 1. v. 5]: « Antequam exires de vulva, sanctificavi te », et sicut Joannes Baptista, de quo dictum est Luc. 1. [v. 15]: « Spiritu Sancto replebitur adhuc ex utero matris suae ». Unde rationabiliter creditur, quod B. Virgo sanctificata fuerit, antequam ex utero nasceretur.

Leerstelling. — In de H. Schrift staat niets opgeteekend over de heiliging der H. Maagd, dat zij nl. in den moederschoot geheiligd is; maar de H. Schrift maakt evenmin melding van haar geboorte. Doch zooals Augustinus in zijn Verhandeling over de ten-Hemel-opneming der H. Maagd, op redelijke gronden beredeneert, dat zij met haar lichaam ten hemel is opgenomen, waarover de H. Schrift echter niets mededeelt, zoo ook kunnen we op redelijke gronden aannemelijk maken, dat zij in den moederschoot geheiligd is. Want redelijk is het, aan te nemen, dat de moeder van den Eengeborene uit den Vader, die vol van genade en waarheid is (Joannes, 1, 14) grootere genade-voorrechten ontving dan alle anderen; vandaar lezen we bij Lucas (1, 28), dat de engel tot haar zeide: « Wees gegroet, gij, vol van genade ». Nu weten we echter, dat wel aan sommige anderen als een voorrecht gegeven is, dat zij in den moederschoot geheiligd werden: zooals Jeremias, tot wien gezegd werd (Jeremias, 1, 5): « Eer 6gij voortkwaamt uit het lichaam uwer moeder, heiligde ik u »; eveneens Joannes de Dooper, over wien gezegd is (Lucas, 1, 15): « Reeds van den schoot zijner moeder af zal hij vervuld worden van den Heiligen Geest ». Op redelijken grond derhalve gelooft men, dat de H. Maagd geheiligd is, vóórdat zij uit den moederschoot geboren werd.Leerstelling. — In de H. Schrift staat niets opgetekend over de heiliging van de H. Maagd, dat zij nl. in de moederschoot geheiligd is; maar de H. Schrift maakt evenmin melding van haar geboorte. Doch zoals Augustinus in zijn Verhandeling over de ten-Hemel-opneming van de H. Maagd, op redelijke gronden beredeneert, dat zij met haar lichaam ten hemel is opgenomen, waarover de H. Schrift echter niets mededeelt, zo ook kunnen we op redelijke gronden aannemelijk maken, dat zij in de moederschoot geheiligd is. Want redelijk is het, aan te nemen, dat de moeder van de Eengeborene uit de Vader, die vol van genade en waarheid is (Johannes, 1, 14) grotere genade-voorrechten ontving dan alle anderen; vandaar lezen we bij Lukas (1, 28), dat de engel tot haar zeide: “Wees gegroet, gij, vol van genade”. Nu weten we echter, dat wel aan sommige anderen als een voorrecht gegeven is, dat zij in de moederschoot geheiligd werden: zoals Jeremia, tot wie gezegd werd (Jeremia, 1, 5): “Eer 6gij voortkwaamt uit het lichaam van uw moeder, heiligde ik u”; eveneens Johannes de Doper, over wie gezegd is (Lukas, 1, 15): “Reeds van de schoot van zijn moeder af zal hij vervuld worden van de Heilige Geest”. Op redelijke grond derhalve gelooft men, dat de H. Maagd geheiligd is, vóórdat zij uit de moederschoot geboren werd.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod etiam in B. Virgine prius fuit id quod est animale, et post id quod est spiritale, quia prius fuit secundum carnem concepta, et postea secundum Spiritum sanctificata.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Ook in de H. Maagd ging het bezielde vooraf en kwam daarna het geestelijke, doordat zij eerst naar het vleesch ontvangen werd en vervolgens naar den geest werd geheiligd.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Ook in de H. Maagd ging het bezielde vooraf en kwam daarna het geestelijke, doordat zij eerst naar het vlees ontvangen werd en vervolgens naar de geest werd geheiligd.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod Augustinus loquitur secundum legem communem, secundum quam per sacramenta non regenerantur aliqui, nisi prius nati. Sed Deus huic legi sacramentorum potentiam suam non alligavit, quin aliquibus ex speciali privilegio gratiam suam conferre possit, antequam nascantur ex utero.

2. Augustinus spreekt daar overeenkomstig de algemeene wet, volgens welke niemand door de Sacramenten herboren wordt, tenzij men eerst geboren is. Maar God heeft zijn macht niet zoodanig gebonden aan deze sacramenten-wet, dat Hij aan sommige personen, krachtens een bijzonder voorrecht, zijn genade niet zou kunnen mededeelen, voordat zij uit den moederschoot geboren zijn.2. Augustinus spreekt daar overeenkomstig de algemene wet, volgens welke niemand door de Sacramenten herboren wordt, tenzij men eerst geboren is. Maar God heeft zijn macht niet zodanig gebonden aan deze sacramenten-wet, dat Hij aan sommige personen, krachtens een bijzonder voorrecht, zijn genade niet zou kunnen mededelen, voordat zij uit de moederschoot geboren zijn.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod B. Virgo sanctificata fuit in utero a peccato originali, quantum ad maculam personalem. Non tamen fuit 7liberata a reatu, quo tota natura tenebatur obnoxia, ut scilicet non intraret in paradisum, nisi per Christi hostiam, sicut et de sanctis Patribus dicitur, qui fuerunt ante Christum.

3. De H. Maagd werd in den moederschoot gezuiverd van de erfzonde voor zoover deze een persoonlijke zondesmet is, doch zij werd niet bevrijd van de strafschuldigheid, waardoor de geheele menschelijke natuur strafschuldig bleef, zoodat zij het 7hemelsch Paradijs niet zou binnengaan tenzij door de offerande van Christus; zooals dit ook wordt geleerd over de Heilige Vaders, die vóór Christus leefden.3. De H. Maagd werd in de moederschoot gezuiverd van de erfzonde voor zover deze een persoonlijke zondesmet is, doch zij werd niet bevrijd van de strafschuldigheid, waardoor de gehele menselijke natuur strafschuldig bleef, zodat zij het 7hemels Paradijs niet zou binnengaan tenzij door de offerande van Christus; zoals dit ook wordt geleerd over de Heilige Vaders, die vóór Christus leefden.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod peccatum originale trahitur ex origine, inquantum per eam communicatur humana natura, quam proprie respicit peccatum originale, quod quidem fit, quando proles concepta animatur. Unde post animationem nihil prohibet, prolem conceptam sanctificari; postea enim non manet in materno utero ad accipiendam humanam naturam, sed ad aliqualem perfectionem ejus, quod jam accepit.

4. De erfzonde wordt door de voortkomst verkregen in zoover er de menschelijke natuur door wordt medegedeeld, waartoe nu juist de erfzonde betrekking zegt. De menschelijke natuur nu wordt ons medegedeeld, wanneer aan het ontvangen kind de ziel wordt ingestort. Derhalve is er niets op tegen, dat het ontvangen kind, na bezield te zijn, geheiligd wordt; nadien toch blijft het niet in den moederschoot, om de menschelijke natuur te ontvangen, maar opdat datgene, wat het reeds ontving, tot een zekere volmaaktheid zou worden gebracht.4. De erfzonde wordt door de voortkomst verkregen in zover er de menselijke natuur door wordt medegedeeld, waartoe nu juist de erfzonde betrekking zegt. De menselijke natuur nu wordt ons medegedeeld, wanneer aan het ontvangen kind de ziel wordt ingestort. Derhalve is er niets op tegen, dat het ontvangen kind, na bezield te zijn, geheiligd wordt; nadien toch blijft het niet in de moederschoot, om de menselijke natuur te ontvangen, maar opdat datgene, wat het reeds ontving, tot een zekere volmaaktheid zou worden gebracht.

Articulus II

Utrum B. Virgo fuerit sanctificata ante animationem

[3. Dist. 3. q. 1. art. 1. et Quodl. 6. q. 5. art. 1. corp. et opusc. 2. cap. 231.]
IIe Artikel

Werd de H. Maagd geheiligd, vóórdat zij de menschelijke ziel ontvangen had?*Werd de H. Maagd geheiligd, vóórdat zij de menselijke ziel ontvangen had?*

antwoord 1 ↓

7Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod B. Virgo sanctificata 8fuerit ante animationem, quia, ut dictum est [art. praec.], plus gratiae est collatum Virgini matri Dei, quam alicui Sanctorum. Sed quibusdam videtur esse concessum, quod sanctificarentur ante animationem, quia, ut dicitur Hierem. 1. [v. 5]: « Priusquam te formarem in utero, novi te ». Non autem infunditur anima ante corporis formationem. Similiter etiam de Joanne Baptista dicit Ambrosius super Luc. [cap. 1. sup. illud: Et Spiritu Sancto replebitur], quod « nondum inerat ei spiritus vitae, et jam inerat ei Spiritus gratiae ». Ergo multo magis B. Virgo ante animationem sanctificari potuit.

7Bedenkingen. — Men beweert, dat de H. Maagd geheiligd 8werd, vóórdat zij de menschelijke ziel ontvangen had. — 1. Want, zooals (in het vorige Artikel) gezegd is, werden aan de H. Maagd, de Moeder Gods, méér genaden geschonken, dan aan één der andere heiligen. Maar aan sommige heiligen nu is, naar men beweert, verleend, dat zij geheiligd werden, vóórdat zij de menschelijke ziel ontvingen. Tot Jeremias toch werd gezegd (Jeremias, 1, 5): « Eer Ik u vormde in den moederschoot, kende Ik u »; de ziel wordt echter niet ingestort, vóórdat het lichaam gevormd is. Eveneens schrijft Ambrosius in zijn Uitleg op Lucas (1e B.; verklaring op 1, 15) aangaande Joannes den Dooper: « de geest des levens was nog niet in hem, en reeds woonde in hem de Geest der genade ». Derhalve kon toch veel meer de H. Maagd geheiligd worden, voordat zij de menschelijke ziel ontvangen had.7Bedenkingen. — Men beweert, dat de H. Maagd geheiligd 8werd, vóórdat zij de menselijke ziel ontvangen had. — 1. Want, zoals (in het vorige Artikel) gezegd is, werden aan de H. Maagd, de Moeder Gods, méér genaden geschonken, dan aan één van de andere heiligen. Maar aan sommige heiligen nu is, naar men beweert, verleend, dat zij geheiligd werden, vóórdat zij de menselijke ziel ontvingen. Tot Jeremia toch werd gezegd (Jeremia, 1, 5): “Eer Ik u vormde in de moederschoot, kende Ik u”; de ziel wordt echter niet ingestort, vóórdat het lichaam gevormd is. Eveneens schrijft Ambrosius in zijn Uitleg op Lukas (1e B.; verklaring op 1, 15) aangaande Johannes de Doper: “de geest van het leven was nog niet in hem, en reeds woonde in hem de Geest van de genade”. Derhalve kon toch veel meer de H. Maagd geheiligd worden, voordat zij de menselijke ziel ontvangen had.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, conveniens fuit, sicut Anselmus dicit in lib. de Conceptu Virginali [cap. 18.], ut illa Virgo ea puritate niteret qua major sub Deo nequit intelligi; unde et Cant. 4. [v. 7] dicitur: « Tota pulchra es, amica mea, et macula non est in te ». Sed major puritas fuisset B. Virginis, si nunquam anima ejus fuisset inquinata contagio originalis peccati. 9Ergo hoc ei praestitum fuit, ut antequam animaretur caro ejus, sanctificaretur.

2. Zooals Anselmus in zijn werk Over het Maagdelijk Ontvangen (18e H.) leert, was het passend, dat « deze Maagd met zulk een reinheid zou schitteren, als er buiten God geen grootere denkbaar is »; vandaar dan ook heet het in het Hooglied (4, 7): « Geheel schoon zijt gij, Mijne vriendin, en geen smet is in u ». De reinheid nu der H. Maagd zou grooter zijn geweest, zoo zij nooit bevlekt was geworden door de smet der erfzonde. Derhalve 9werd haar verleend, geheiligd te worden, vóórdat haar lichaam de menschelijke ziel ontving.2. Zoals Anselmus in zijn werk Over het Maagdelijk Ontvangen (18e H.) leert, was het passend, dat “deze Maagd met zulk een reinheid zou schitteren, als er buiten God geen grotere denkbaar is”; vandaar dan ook heet het in het Hooglied (4, 7): “Geheel schoon zijt gij, Mijn vriendin, en geen smet is in u”. De reinheid nu van de H. Maagd zou groter zijn geweest, zo zij nooit bevlekt was geworden door de smet van de erfzonde. Derhalve 9werd haar verleend, geheiligd te worden, vóórdat haar lichaam de menselijke ziel ontving.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, sicut dictum est [art. praec. arg. Sed cont.], non celebratur festum nisi de aliquo Sancto. Sed quidam celebrant festum Conceptionis B. Virginis. Ergo videtur, quod in ipsa sua conceptione fuerit sancta, et ita quod ante animationem fuerit sanctificata.

3. Zooals (in het tegen-bewijs van het vorige Artikel) gezegd is, wordt er geen feest gevierd dan voor een of anderen heilige. Sommigen nu vieren het feest der Ontvangenis der H. Maagd. Derhalve, zoo beweert men, was zij bij haar ontvangenis zelf reeds heilig. Bijgevolg, zoo beweert men, werd zij geheiligd, eer zij de menschelijke ziel ontving.3. Zoals (in het tegen-bewijs van het vorige Artikel) gezegd is, wordt er geen feest gevierd dan voor een of andere heilige. Sommigen nu vieren het feest van de Ontvangenis van de H. Maagd. Derhalve, zo beweert men, was zij bij haar ontvangenis zelf reeds heilig. Bijgevolg, zo beweert men, werd zij geheiligd, eer zij de menselijke ziel ontving.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, Apostolus dicit Rom. 11. [v. 16]: « Si radix sancta, et rami ». Radix autem filiorum sunt parentes eorum. Potuit ergo B. Virgo sanctificari etiam in suis parentibus ante animationem.

4. De Apostel schrijft in den Romeinen-brief (11, 16): « Is de wortel heilig, dan ook de takken ». De wortel nu der kinderen zijn hun ouders. Derhalve kon de H. Maagd ook in haar ouders geheiligd worden, nog voordat zij de menschelijke ziel ontvangen had.4. De Apostel schrijft in de Romeinen-brief (11, 16): “Is de wortel heilig, dan ook de takken”. De wortel nu van de kinderen zijn hun ouders. Derhalve kon de H. Maagd ook in haar ouders geheiligd worden, nog voordat zij de menselijke ziel ontvangen had.

Sed contra est, quod ea quae fuerunt in Veteri Testamento, sunt figura novi, secundum illud 1. ad Cor. 10. [v. 11]: « Omnia in figura contingebant illis ». Sed per sanctificationem tabernaculi, de qua dicitur in Psal. 45. [v. 5]: « Sanctificavit tabernaculum suum Altissimus », videtur significari sanctificatio Matris Dei, quae tabernaculum Dei dicitur, 10secundum illud Ps. 18. [v. 6]: « In sole posuit tabernaculum suum ». De tabernaculo autem dicitur Exod. ult. [v. 31-32]: « Postquam cuncta perfecta sunt, operuit nubes Tabernaculum testimonii, et gloria Domini implevit illud ». Ergo etiam Beata Virgo non fuit sanctificata, nisi postquam cuncta ejus perfecta sunt, scilicet et corpus et anima.

Daartegenover staat echter, dat, hetgeen in het Oude Verbond geschiedde, een vóórafbeelding is van het Nieuwe Verbond, blijkens den Eersten Brief aan de Korinthiërs (10, 11): « Dit alles nu overkwam hun als een voorafbeelding » (voor ons). Welnu, door de heiliging van den tabernakel — waarover in het Boek der Psalmen (Ps. 45, 5) geschreven staat: « De Allerhoogste heiligde zijn woontent » — werd, naar men beweert, de heiliging voorafgebeeld der Moeder Gods, die Gods woontent wordt genoemd overeenkomstig het Psalmwoord (Ps. 18, 6): « In de zon 10plaatste Hij zijn woontent ». Aangaande den tabernakel echter lezen we in het Boek van den Uittocht (40, 31-32): « Nadat alles voltooid was, bedekte de wolk den tabernakel der getuigenis, en de heerlijkheid des Heeren vervulde hem ». Derhalve werd ook de H. Maagd slechts geheiligd, nadat alles af was, d. w. z.: toen haar ziel en lichaam voltooid waren.Daartegenover staat echter, dat, hetgeen in het Oude Verbond geschiedde, een vóórafbeelding is van het Nieuwe Verbond, blijkens de Eerste Brief aan de Korintiërs (10, 11): “Dit alles nu overkwam hun als een voorafbeelding” (voor ons). Welnu, door de heiliging van de tabernakel — waarover in het Boek van de Psalmen (Ps. 45, 5)a geschreven staat: “De Allerhoogste heiligde zijn woontent” — werd, naar men beweert, de heiliging voorafgebeeld van de Moeder Gods, die Gods woontent wordt genoemd overeenkomstig het Psalmwoord (Ps. 18, 6)b: “In de zon 10plaatste Hij zijn woontent”. Aangaande de tabernakel echter lezen we in het Boek van de Uittocht (40, 31-32): “Nadat alles voltooid was, bedekte de wolk de tabernakel van de getuigenis, en de heerlijkheid van de Heer vervulde hem”. Derhalve werd ook de H. Maagd slechts geheiligd, nadat alles af was, d. w. z.: toen haar ziel en lichaam voltooid waren.

Respondeo dicendum, quod sanctificatio Beatae Virginis non potest intelligi ante ejus animationem, duplici ratione: primo quidem, quia sanctificatio, de qua loquimur, non est nisi emundatio a peccato originali: sanctitas enim est perfecta munditia, ut Dionysius dicit in 12. cap. de Div. Nom.; culpa autem non potest emundari nisi per gratiam, cujus subjectum est sola creatura rationalis; et ideo ante infusionem animae rationalis Beata Virgo sanctificata non fuit. Secundo, quia cum sola creatura rationalis sit susceptiva culpae, ante infusionem animae rationalis proles concepta non est culpae obnoxia. Et si quocumque modo ante 11animationem Beata Virgo sanctificata fuisset, nunquam incurrisset maculam originalis culpae, et ita non indiguisset redemptione et salute, quae est per Christum, de quo dicitur Matth. 1. [v. 21]: « Ipse salvum faciet populum suum a peccatis eorum ». Hoc autem inconveniens est, quod Christus non sit Salvator omnium hominum, ut dicitur 1. ad Tim. 4. [v. 10]. Unde relinquitur, quod sanctificatio B. Virginis fuerit post ejus animationem.

Leerstelling. — Om een tweevoudige reden is het ondenkbaar, dat de H. Maagd geheiligd werd, vóórdat zij de menschelijke ziel ontving. Ten eerste nl. omdat de heiliging, waarover we hier spreken, niets anders is dan het gezuiverd worden van de erfzonde: heiligheid toch is volledige zuiverheid, zooals Dionysius leert in zijn werk Over de Goddelijke Namen (12e H). Van zonde-schuld echter kan men slechts gezuiverd worden door de genade; nu kan uitsluitend een redelijk schepsel drager der genade zijn. En derhalve werd de H. Maagd niet geheiligd, vóórdat haar de redelijke ziel was ingestort. Ten tweede, daar uitsluitend een redelijk schepsel zonde-schuld kan hebben, is in een ontvangen kind geen zonde-schuld, vóórdat de redelijke ziel wordt ingestort. Bijgevolg, indien de H. Maagd hoe dan ook geheiligd zou zijn geworden vóór de instorting der menschelijke ziel, zou zij nooit de vlek der erfzonde zijn opgeloopen; en dus zou zij de verlossing en de heiligmaking, die 11ons gewordt door Christus, niet noodig hebben gehad. Van Hem nu wordt getuigd: « Hij zal zijn volk verlossen van hunne zonden » (Mattheus, 1, 21). Het is echter onjuist, dat Christus niet de Zaligmaker aller menschen zou zijn, zooals Hij in den Eersten Brief aan Timotheus (4, 10) genoemd wordt. Daaruit volgt, dat de heiliging der H. Maagd heeft plaats gehad na de instorting der menschelijke ziel.Leerstelling. — Om een tweevoudige reden is het ondenkbaar, dat de H. Maagd geheiligd werd, vóórdat zij de menselijke ziel ontving. Ten eerste nl. omdat de heiliging, waarover we hier spreken, niets anders is dan het gezuiverd worden van de erfzonde: heiligheid toch is volledige zuiverheid, zoals Dionysius leert in zijn werk Over de Goddelijke Namen (12e H). Van zonde-schuld echter kan men slechts gezuiverd worden door de genade; nu kan uitsluitend een redelijk schepsel drager van de genade zijn. En derhalve werd de H. Maagd niet geheiligd, vóórdat haar de redelijke ziel was ingestort. Ten tweede, daar uitsluitend een redelijk schepsel zonde-schuld kan hebben, is in een ontvangen kind geen zonde-schuld, vóórdat de redelijke ziel wordt ingestort. Bijgevolg, indien de H. Maagd hoe dan ook geheiligd zou zijn geworden vóór de instorting van de menselijke ziel, zou zij nooit de vlek van de erfzonde zijn opgelopen; en dus zou zij de verlossing en de heiligmaking, die 11ons gewordt door Christus, niet nodig hebben gehad. Van Hem nu wordt getuigd: “Hij zal zijn volk verlossen van hun zonden” (Matteüs, 1, 21). Het is echter onjuist, dat Christus niet de Zaligmaker aller mensen zou zijn, zoals Hij in de Eerste Brief aan Timoteüs (4, 10) genoemd wordt. Daaruit volgt, dat de heiliging van de H. Maagd heeft plaats gehad na de instorting van de menselijke ziel.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod Dominus dicit ante formationem in utero se Hieremiam novisse, notitia scilicet praedestinationis; sed sanctificasse dicit eum non ante formationem, sed antequam exiret de ventre.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Heer zegt, dat Hij Jeremias vóór diens vorming in den moederschoot gekend heeft, nl. in zijn wetenschap der voorbestemming; maar Hij getuigt, dat Hij hem geheiligd heeft, niet vóór zijn vorming in den moederschoot, maar vóórdat hij uit den moederschoot uitging.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Heer zegt, dat Hij Jeremia vóór diens vorming in de moederschoot gekend heeft, nl. in zijn wetenschap van de voorbestemming; maar Hij getuigt, dat Hij hem geheiligd heeft, niet vóór zijn vorming in de moederschoot, maar vóórdat hij uit de moederschoot uitging.

Quod autem Ambrosius dicit, quod Joanni Baptistae nondum inerat spiritus vitae cum jam haberet spiritum gratiae, non est intelligendum, secundum quod spiritus vitae dicitur anima vivificans, sed secundum quod spiritus vitae dicitur aer exterius respiratus; vel potest dici, quod nondum inerat ei spiritus vitae, idest anima, quantum ad manifestas et completas operationes ipsius.

Wat echter Ambrosius schrijft, dat de geest des levens nog niet in Joannes den Dooper was, terwijl de Geest der genade reeds in hem woonde, moet men niet zoo verstaan, alsof de geest des levens de levendmakende ziel beteekent, maar in dien zin, dat « geest » de van buiten ingeademde lucht beteekent. — Men kan ook zeggen, dat de geest des levens nog niet in hem was, d. i. de ziel, was nog niet in hem naar haar klaarblijkelijke en volledige werkingen.Wat echter Ambrosius schrijft, dat de geest van het leven nog niet in Johannes de Doper was, terwijl de Geest van de genade reeds in hem woonde, moet men niet zo verstaan, alsof de geest van het leven de levendmakende ziel betekent, maar in die zin, dat “geest” de van buiten ingeademde lucht betekent. — Men kan ook zeggen, dat de geest van het leven nog niet in hem was, d.i. de ziel, was nog niet in hem naar haar klaarblijkelijke en volledige werkingen.

↑ bedenking 2

12Ad secundum dicendum, quod si nunquam anima B. Virginis fuisset contagio originalis peccati inquinata, hoc derogaret dignitati Christi, secundum quam est universalis omnium Salvator. Et ideo sub Christo, qui salvari non indiguit, tamquam universalis Salvator, maxima fuit B. Virginis puritas, nam Christus nullo modo contraxit originale peccatum, sed in ipsa sui conceptione fuit sanctus, secundum illud Luc. 1. [v. 35]: « Quod ex te nascetur sanctum, vocabitur Filius Dei ». Sed B. Virgo contraxit quidem originale peccatum, sed ab eo fuit mundata, antequam ex utero nasceretur. Et hoc signatur Job 3. [v. 9] ubi de nocte originalis peccati dicitur: « Expectet lucem (idest Christum) et non videat », quia « nihil inquinatum incurrit in illam », ut dicitur Sap. 7. [v. 25], nec « ortum surgentis aurorae » [Job, cap. 3, v. 9], idest B. Virginis, quae in suo ortu a peccato originali fuit immunis.

122. Indien de ziel der Maagd nooit besmet was geweest met de vlek der erfzonde, zou dit afbreuk doen aan de waardigheid van Christus, in zoover Hij de algemeene Zaligmaker is van alle menschen. En derhalve was buiten Christus, die als de algemeene Verlosser niet verlost behoefde te worden, de reinheid der H. Maagd het grootst. Want Christus heeft op geenerlei wijze de erfzonde gecontraheerd*, maar zelfs reeds bij zijn ontvangenis was Hij heilig, volgens Lucas (1, 35): « het heilige, dat uit u zal geboren worden, zal de Zoon van God worden genoemd ». Doch de H. Maagd contraheerde wel de erfzonde, maar werd daarvan gezuiverd, vóórdat zij uit den moederschoot geboren werd. En dit wordt aangeduid door Job (3,9), waar aangaande den nacht der erfzonde gezegd wordt: « dat hij wachte op het licht (d. w. z. op Christus) en hij zie het niet (want niets wat besmet was, kwam in Hem, die Wijsheid is, zooals we lezen in het Boek der Wijsheid (7, 25), noch ook zie hij den opgang van den rijzenden dageraad », d. w. z. der H. Maagd, die bij haar opgang bevrijd was van de erfzonde.122. Indien de ziel van de Maagd nooit besmet was geweest met de vlek van de erfzonde, zou dit afbreuk doen aan de waardigheid van Christus, in zover Hij de algemene Zaligmaker is van alle mensen. En derhalve was buiten Christus, die als de algemene Verlosser niet verlost behoefde te worden, de reinheid van de H. Maagd het grootst. Want Christus heeft op generlei wijze de erfzonde gecontraheerd*, maar zelfs reeds bij zijn ontvangenis was Hij heilig, volgens Lukas (1, 35): “het heilige, dat uit u zal geboren worden, zal de Zoon van God worden genoemd”. Doch de H. Maagd contraheerde wel de erfzonde, maar werd daarvan gezuiverd, vóórdat zij uit de moederschoot geboren werd. En dit wordt aangeduid door Job (3,9), waar aangaande de nacht van de erfzonde gezegd wordt: “dat hij wachte op het licht (d. w. z. op Christus) en hij zie het niet (want niets wat besmet was, kwam in Hem, die Wijsheid is, zoals we lezen in het Boek van de Wijsheid (7, 25), noch ook zie hij de opgang van de rijzende dageraad”, d. w. z. van de H. Maagd, die bij haar opgang bevrijd was van de erfzonde.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod licet Romana Ecclesia, Conceptionem B. Virginis non celebret, tolerat tamen consuetudinem aliquarum ecclesiarum 13illud festum celebrantium. Unde talis celebritas non est totaliter reprobanda. Nec tamen per hoc quod festum Conceptionis celebratur, datur intelligi, quod in sua conceptione fuerit sancta, sed quia quo tempore sanctificata fuerit, ignoratur, celebratur festum Sanctificationis ejus potius quam Conceptionis in die conceptionis ipsius.

3. Hoewel de Romeinsche Kerk de Ontvangenis der H. Maagd niet viert, toch tolereert zij het gebruik van sommige andere Kerkprovincies 13, die dit feest wel vieren. Die viering mag dan ook niet heelemaal worden afgekeurd. Doch evenmin wordt door het vieren van het feest der Ontvangenis te verstaan gegeven, dat zij bij haar ontvangenis reeds heilig was. Maar, omdat we niet precies weten, op welk tijdstip zij geheiligd werd, viert men op den dag harer ontvangenis het feest harer heiliging, eerder dan het feest harer ontvangenis.3. Hoewel de Romeinse Kerk de Ontvangenis van de H. Maagd niet viert, toch tolereert zij het gebruik van sommige andere Kerkprovincies 13, die dit feest wel vieren. Die viering mag dan ook niet helemaal worden afgekeurd. Doch evenmin wordt door het vieren van het feest van de Ontvangenis te verstaan gegeven, dat zij bij haar ontvangenis reeds heilig was. Maar, omdat we niet precies weten, op welk tijdstip zij geheiligd werd, viert men op de dag van haar ontvangenis het feest van haar heiliging, eerder dan het feest van haar ontvangenis.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod duplex est sanctificatio: una quidem totius naturae, inquantum scilicet tota natura humana ab omni corruptione culpae et poenae liberatur; et haec erit in resurrectione. Alia vero est sanctificatio personalis, quae non transit in prolem carnaliter genitam, quia talis sanctificatio non respicit carnem, sed mentem. Et ideo si parentes Beatae Virginis fuerunt mundati a peccato originali, nihilominus Beata Virgo peccatum originale contraxit, cum fuerit concepta secundum carnis concupiscentiam ex commixtione maris et foeminae: dicit enim 14Augustinus in lib. 1. de Nupt. et Concupisc. [cap. 12.]: « Omnem, quae de concubitu nascitur, carnem esse peccati ».

4. Er bestaat een tweevoudige heiliging. De eene van de geheele natuur, in zoover nl. geheel de menschelijke natuur bevrijd wordt van alle verderf, dat door zonde-schuld of straf veroorzaakt werd. Deze heiliging zal plaats hebben bij de verrijzenis des vleesches. — De andere heiliging echter is een persoonlijke heiliging. Maar deze gaat niet over op het kind, dat lichamelijk wordt voortgebracht, daar deze heiliging geen betrekking heeft op het lichaam, maar op den geest. En derhalve, ook al waren de ouders der H. Maagd van de erfzonde gezuiverd, toch heeft de H. Maagd de erfzonde gecontraheerd*, omdat zij ontvangen was onder de begeerlijkheid des vleesches krachtens de huwelijksgemeenschap tusschen man en vrouw; want Augustinus schrijft in zijn werk Over het Huwelijk en de Begeerlijkheid (1e B., 12e H.), dat 14« elk kind, dat uit de huwelijksgemeenschap geboren wordt, een kind der zonde is ».4. Er bestaat een tweevoudige heiliging. De ene van de gehele natuur, in zover nl. geheel de menselijke natuur bevrijd wordt van alle verderf, dat door zonde-schuld of straf veroorzaakt werd. Deze heiliging zal plaats hebben bij de verrijzenis van het vlees. — De andere heiliging echter is een persoonlijke heiliging. Maar deze gaat niet over op het kind, dat lichamelijk wordt voortgebracht, daar deze heiliging geen betrekking heeft op het lichaam, maar op de geest. En derhalve, ook al waren de ouders van de H. Maagd van de erfzonde gezuiverd, toch heeft de H. Maagd de erfzonde gecontraheerd*, omdat zij ontvangen was onder de begeerlijkheid van het vlees krachtens de huwelijksgemeenschap tussen man en vrouw; want Augustinus schrijft in zijn werk Over het Huwelijk en de Begeerlijkheid (1e B., 12e H.), dat 14“elk kind, dat uit de huwelijksgemeenschap geboren wordt, een kind van de zonde is”.

Articulus III

Utrum per sanctificationem fuerit Beatae Virgini fomes totaliter sublatus

[3. Dist. 3. q. 1. art. 2. et ibid. in exp. 1. part. text. et opusc. 2. cap. 231.]
IIIe Artikel

Werd de H. Maagd gezuiverd van de besmetting van den zonde-haard?Werd de H. Maagd gezuiverd van de besmetting van de zonde-haard?

antwoord 1 ↓

Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod B. Virgo non fuerit emundata ab infectione fomitis: sicut enim poena originalis peccati est fomes, qui consistit in inferiorum virium rebellione ad rationem, ita etiam poena originalis peccati est mors, et caeterae poenalitates corporales. Sed B. Virgo fuit subjecta hujusmodi poenalitatibus. Ergo etiam fomes ab ea totaliter remotus non fuit.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de H. Maagd niet gezuiverd werd van de besmetting van den haard der zonde. — 1. Want, zooals deze zonde-haard, die bestaat in de opstandigheid onzer lagere vermogens tegen de rede, een straf voor de erfzonde is, zoo ook is de dood en het overige lichamelijke lijden een straf voor de erfzonde. De H. Maagd nu bleef wel onderworpen aan deze laatstgenoemde straffen. Derhalve was ook die zonde-haard niet geheel van haar weggenomen.Bedenkingen. — Men beweert, dat de H. Maagd niet gezuiverd werd van de besmetting van de haard van de zonde. — 1. Want, zoals deze zonde-haard, die bestaat in de opstandigheid van onze lagere vermogens tegen de rede, een straf voor de erfzonde is, zo ook is de dood en het overige lichamelijke lijden een straf voor de erfzonde. De H. Maagd nu bleef wel onderworpen aan deze laatstgenoemde straffen. Derhalve was ook die zonde-haard niet geheel van haar weggenomen.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, 2. ad Cor. 12. [v. 9] dicitur: « Virtus in infirmitate perficitur », et loquitur ibi de infirmitate fomitis, secundum quam patiebatur 15stimulum carnis. Sed nihil quod pertinet ad perfectionem virtutis fuit B. Virgini subtrahendum. Ergo non fuit B. Virgini totaliter subtrahendus fomes.

2. In zijn Tweeden Brief aan de Korinthiërs (12, 9) schrijft de Apostel: « Juist bij de zwakheid komt de deugd tot volmaaktheid »; hij spreekt daar over de zwakheid, die het gevolg is van onzen zonde-haard, want hij gewaagt (12, 7) van den prikkel 15des vleesches dien hij voelde. Welnu aan de H. Maagd moest niets ontnomen worden van datgene, wat betrekking heeft op de vervolmaking van haar deugd. Derhalve moest aan de H. Maagd de haard van zonde niet geheel ontnomen worden.2. In zijn Tweeden Brief aan de Korintiërs (12, 9) schrijft de Apostel: “Juist bij de zwakheid komt de deugd tot volmaaktheid”; hij spreekt daar over de zwakheid, die het gevolg is van onze zonde-haard, want hij gewaagt (12, 7) van de prikkel 15van het vlees die hij voelde. Welnu aan de H. Maagd moest niets ontnomen worden van datgene, wat betrekking heeft op de vervolmaking van haar deugd. Derhalve moest aan de H. Maagd de haard van zonde niet geheel ontnomen worden.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Damascenus dicit [lib. 3. de Orth. Fid. cap. 2.], quod « in B. Virginem supervenit Spiritus Sanctus, purgans eam ante conceptionem Filii Dei », quod non potest intelligi nisi de purgatione a fomite, nam peccatum non fecit, ut Augustinus dicit in lib. de Nat. et Grat. [cap. 36.]. Ergo per sanctificationem in utero non fuit libere mundata a fomite.

3. Damascenus zegt, dat de H. Geest, vóór de ontvangenis van den Zoon Gods, over de H. Maagd nederdaalde en haar reinigde. Dit nu kan slechts verstaan worden van de reiniging van den zonde-haard; want zonde bedreef zij niet, gelijk Augustinus schrijft in zijn werk Over de Natuur en de Genade (36e H.). Derhalve werd zij door haar heiliging in den moederschoot niet onbeperkt gereinigd van den haard van zonde.3. Damascenus zegt, dat de H. Geest, vóór de ontvangenis van de Zoon Gods, over de H. Maagd nederdaalde en haar reinigde. Dit nu kan slechts verstaan worden van de reiniging van de zonde-haard; want zonde bedreef zij niet, gelijk Augustinus schrijft in zijn werk Over de Natuur en de Genade (36e H.). Derhalve werd zij door haar heiliging in de moederschoot niet onbeperkt gereinigd van de haard van zonde.

Sed contra est, quod dicitur Cant. 4. [v. 7]: « Tota pulchra es, amica mea, et macula non est in te ». Fomes autem ad maculam pertinet, saltem carnis. Ergo in B. Virgine fomes non fuit.

Daartegenover staat echter hetgeen we lezen in het Hooglied (4, 7): « Geheel schoon zijt gij, mijn vriendin, en er is geen smet in u ». De zonde-haard nu behoort tot de smetten, minstens tot de smetten des vleesches. Derhalve was er in de H. Maagd geen haard van zonde.Daartegenover staat echter hetgeen we lezen in het Hooglied (4, 7): “Geheel schoon zijt gij, mijn vriendin, en er is geen smet in u”. De zonde-haard nu behoort tot de smetten, minstens tot de smetten van het vlees. Derhalve was er in de H. Maagd geen haard van zonde.

Respondeo dicendum, quod circa hoc sunt diversae opiniones: quidam enim dixerunt, quod in ipsa sanctificatione B. Virginis, qua fuit sanctificata 16in utero, totaliter fuit ei fomes subtractus. Quidam vero dicunt, quod remansit fomes quantum ad hoc, quod facit difficultatem ad bonum, sublatus tamen fuit ad hoc, quod facit pronitatem ad malum. Alii vero dixerunt, quod sublatus fuit fomes, inquantum pertinet ad corruptionem personae, prout impellit ad malum, et difficultatem facit ad bonum; remansit tamen, inquantum pertinet ad corruptionem naturae, prout scilicet est causa traducendi originale peccatum in prolem. Alii vero dicunt, quod in prima sanctificatione remansit fomes secundum essentiam, sed ligatus; in ipsa autem conceptione Filii Dei fuit totaliter sublatus.

Leerstelling. — Hierover bestaan verschillende meeningen. Sommigen toch zeiden, dat bij de heiliging zelf der H. Maagd, waardoor zij in den moederschoot geheiligd werd, de zonde-haard 16geheel bij haar werd weggenomen. — Anderen echter houden, dat hij bleef voortbestaan, in zoover hij het goede te doen bemoeilijkt, doch dat hij werd weggenomen, in zoover hij doet heenneigen naar het kwaad. — Weer anderen echter leeren, dat de haard van zonde werd weggenomen, voor zoover hij haar persoon besmette, d. w. z. in zoover hij doet heenneigen naar het kwaad en het doen van het goede moeilijk maakt, maar dat hij bleef, in zoover hij de menschelijke natuur in haar besmette, d. w. z. in zoover hij de erfzonde op de kinderen doet overgaan. — Weer anderen echter houden, dat bij de eerste heiliging (in den moederschoot) de zonde-haard naar zijn wezen bleef, doch als het ware krachteloos werd gemaakt; maar dat hij bij de ontvangenis van Gods Zoon geheel werd weggenomen.Leerstelling. — Hierover bestaan verschillende meningen. Sommigen toch zeiden, dat bij de heiliging zelf van de H. Maagd, waardoor zij in de moederschoot geheiligd werd, de zonde-haard 16geheel bij haar werd weggenomen. — Anderen echter houden, dat hij bleef voortbestaan, in zover hij het goede te doen bemoeilijkt, doch dat hij werd weggenomen, in zover hij doet heenneigen naar het kwaad. — Weer anderen echter leren, dat de haard van zonde werd weggenomen, voor zover hij haar persoon besmette, d. w. z. in zover hij doet heenneigen naar het kwaad en het doen van het goede moeilijk maakt, maar dat hij bleef, in zover hij de menselijke natuur in haar besmette, d. w. z. in zover hij de erfzonde op de kinderen doet overgaan. — Weer anderen echter houden, dat bij de eerste heiliging (in de moederschoot) de zonde-haard naar zijn wezen bleef, doch als het ware krachteloos werd gemaakt; maar dat hij bij de ontvangenis van Gods Zoon geheel werd weggenomen.

Ad horum autem intellectum oportet considerare, quod fomes nihil est aliud, quam inordinata concupiscentia sensibilis appetitus; habitualis tamen, quia actualis concupiscentia est motus peccati. Dicitur autem concupiscentia sensualitatis esse inordinata, inquantum repugnat rationi; quod fit, inquantum inclinat ad malum, vel difficultatem facit in bono. Et ideo ad ipsam rationem fomitis pertinet, quod inclinet ad malum, vel difficultatem faciat 17in bono. Unde ponere, quod remanserit fomes in B. Virgine non inclinans ad malum, est ponere duo opposita simul.

Tot een goed begrip hiervan, moet men bedenken, dat de zonde-haard niets anders is dan de ongeregelde neiging van het zintuigelijk begeervermogen, maar dan als een blijvende toestand, als een vaardigheid, want de daadwerkelijke ongeregelde neiging is de zondedaad. Het zintuigelijk begeervermogen nu heet ongeregeld, in zoover het in strijd is met het verstand; en het is daarmede in strijd, in zoover het den mensch doet heenneigen naar het kwaad, of het goed-doen bemoeilijkt. Zoo men derhalve houdt, dat de zonde-haard wèl in de H. Maagd bleef voortbestaan, doch dat deze 17haar niet naar het kwaad deed heenneigen, dan houdt men twee dingen, die aan elkaar zijn tegengesteld.Tot een goed begrip hiervan, moet men bedenken, dat de zonde-haard niets anders is dan de ongeregelde neiging van het zintuigelijk begeervermogen, maar dan als een blijvende toestand, als een vaardigheid, want de daadwerkelijke ongeregelde neiging is de zondedaad. Het zintuigelijk begeervermogen nu heet ongeregeld, in zover het in strijd is met het verstand; en het is daarmede in strijd, in zover het de mens doet heenneigen naar het kwaad, of het goed-doen bemoeilijkt. Zo men derhalve houdt, dat de zonde-haard wèl in de H. Maagd bleef voortbestaan, doch dat deze 17haar niet naar het kwaad deed heenneigen, dan houdt men twee dingen, die aan elkaar zijn tegengesteld.

Similiter etiam videtur oppositionem implicare, quod remanserit fomes, inquantum pertinet ad corruptionem naturae, non autem inquantum pertinet ad corruptionem personae; nam, secundum Augustinum in lib. 1. de Nup. et Concupiscentia [cap. 24.], libido est, quae peccatum originale transmittit in prolem. Libido autem importat inordinatam concupiscentiam, quae non totaliter subditur rationi. Et ideo si totaliter fomes subtraheretur, inquantum pertinet ad corruptionem personae, non posset remanere, inquantum pertinet ad corruptionem naturae.

Eveneens ligt er een zekere tegenspraak in, naar het schijnt, zoo men houdt, dat de zonde-haard bleef voortbestaan, in zoover hij onder de besmetheid der natuur valt, doch dat hij werd weggenomen, in zoover hij betrekking heeft op de besmetheid der persoon. Want volgens Augustinus in zijn werk Over het Huwelijk en de Begeerlijkheid (1e B, 24e H.), doet juist de vleeschelijke neiging de erfzonde op het kind overgaan. Deze vleeschelijke neiging echter sluit een ongeregelde begeerte in, welke niet geheel aan het verstand onderworpen is. Indien dus de zonde-haard geheel werd weggenomen voor wat de besmetheid van de persoon betreft, dan zou hij niet kunnen blijven voortbestaan voor wat de besmetheid van de natuur betreft.Eveneens ligt er een zekere tegenspraak in, naar het schijnt, zo men houdt, dat de zonde-haard bleef voortbestaan, in zover hij onder de besmetheid van de natuur valt, doch dat hij werd weggenomen, in zover hij betrekking heeft op de besmetheid van de persoon. Want volgens Augustinus in zijn werk Over het Huwelijk en de Begeerlijkheid (1e B, 24e H.), doet juist de vleselijke neiging de erfzonde op het kind overgaan. Deze vleselijke neiging echter sluit een ongeregelde begeerte in, welke niet geheel aan het verstand onderworpen is. Indien dus de zonde-haard geheel werd weggenomen voor wat de besmetheid van de persoon betreft, dan zou hij niet kunnen blijven voortbestaan voor wat de besmetheid van de natuur betreft.

Restat ergo ut dicamus, quod vel totaliter fomes fuerit ab ea sublatus per primam sanctificationem, vel quod si remanserit quod fuerit ligatus. Posset enim intelligi, quod totaliter fuerit sublatus fomes hoc modo, quod praestitum fuerit B. Virgini ex abundantia gratiae descendentis in ipsam, ut talis esset dispositio virium animae in ipsa, quod inferiores vires nunquam moverentur sine arbitrio rationis, sicut dictum est [q. 15. art. 2.] 18fuisse in Christo, quem constat peccati fomitem non habuisse, et sicut fuit in Adam ante peccatum per originalem justitiam, ita quod quantum ad hoc gratia sanctificationis in Virgine habuit vim originalis justitiae. Et quamvis haec positio ad dignitatem Virginis matris pertinere videatur, derogat tamen in aliquo dignitati Christi, absque cujus virtute nullus a prima damnatione liberatur. Et quamvis per fidem Christi aliqui ante Christi incarnationem sint secundum spiritum ab illa damnatione liberati, tamen quod secundum carnem aliquis ab illa damnatione liberetur, non videtur fieri debuisse nisi post incarnationem ejus, in qua primo debuit immunitas damnationis apparere. Et ideo sicut ante immortalitatem carnis Christi resurgentis nullus adeptus fuit carnis immortalitatem, ita inconveniens esse videtur dicere, quod ante Christi carnem, in qua nullum fuit peccatum, caro Virginis matris ejus, vel cujuscumque alterius, fuerit absque fomite, qui dicitur lex carnis, sive membrorum.

Er blijft dus niets anders over dan te houden ófwel, dat de zonde-haard door de eerste heiliging geheel van haar werd weggenomen, ófwel, dat hij bedwongen werd. Het algeheele wegnemen van den zonde-haard, in de H. Maagd, zou men zich kunnen denken, als kwam haar, krachtens den genade-overvloed, een dusdanige gesteltenis der zielsvermogens toe, dat de lagere vermogens nooit in werking zouden treden zonder de uitspraak van het verstand af te wachten; hetzelfde werd gezegd van 18Christus (15e Kw., 2e Art.), die klaarblijkelijk geen zonde-haard in zich droeg, en tevens van Adam, voor de zondeval, uit kracht van de erfrechtvaardigheid, zoodat in de H. Maagd, betreffende dit punt, de heiligingsgenade kracht van erfrechtvaardigheid bezat. Maar, hoewel deze opvatting schijnt te passen bij de waardigheid der Moedermaagd, toch doet zij in zeker opzicht afbreuk aan de waardigheid van Christus, zonder wiens kracht niemand van de eerste veroordeeling bevrijd wordt. En ook al werden er sommigen door hun geloof in Christus reeds vóór zijn Menschwording van die veroordeeling bevrijd naar hun geest, toch moest het, naar het schijnt, niet voorkomen, dat iemand ook naar het lichaam van die veroordeeling werd bevrijd, tenzij na zijn menschwording; in die menschwording toch moest het volstrekt vrij-zijn van iedere veroordeeling zich het eerst openbaren. En derhalve, gelijk niemand de onsterfelijkheid des vleesches verkreeg, vóórdat het lichaam van den verrijzenden Christus de onsterfelijkheid ontvangen had, zoo ook lijkt het niet passend te beweren, dat vóór Christus' vleesch, waarin geen enkele zonde was, toch reeds het vleesch der H. Maagd, zijner Moeder, of van wie(n) dan ook, zou geweest zijn zonder zonde-haard, die dan toch ook de « wet des vleesches » of « der ledematen » heet (Romeinenbrief, 7, 23, 25).Er blijft dus niets anders over dan te houden ófwel, dat de zonde-haard door de eerste heiliging geheel van haar werd weggenomen, ófwel, dat hij bedwongen werd. Het algehele wegnemen van de zonde-haard, in de H. Maagd, zou men zich kunnen denken, als kwam haar, krachtens de genade-overvloed, een dusdanige gesteltenis van de zielsvermogens toe, dat de lagere vermogens nooit in werking zouden treden zonder de uitspraak van het verstand af te wachten; hetzelfde werd gezegd van 18Christus (15e Kw., 2e Art.), die klaarblijkelijk geen zonde-haard in zich droeg, en tevens van Adam, voor de zondeval, uit kracht van de erfrechtvaardigheid, zodat in de H. Maagd, betreffende dit punt, de heiligingsgenade kracht van erfrechtvaardigheid bezat. Maar, hoewel deze opvatting schijnt te passen bij de waardigheid van de Moedermaagd, toch doet zij in zeker opzicht afbreuk aan de waardigheid van Christus, zonder wiens kracht niemand van de eerste veroordeling bevrijd wordt. En ook al werden er sommigen door hun geloof in Christus reeds vóór zijn Menswording van die veroordeling bevrijd naar hun geest, toch moest het, naar het schijnt, niet voorkomen, dat iemand ook naar het lichaam van die veroordeling werd bevrijd, tenzij na zijn menswording; in die menswording toch moest het volstrekt vrij-zijn van iedere veroordeling zich het eerst openbaren. En derhalve, gelijk niemand de onsterfelijkheid van het vlees verkreeg, vóórdat het lichaam van de verrijzende Christus de onsterfelijkheid ontvangen had, zo ook lijkt het niet passend te beweren, dat vóór Christus' vlees, waarin geen enkele zonde was, toch reeds het vlees van de H. Maagd, van zijn Moeder, of van wie(n) dan ook, zou geweest zijn zonder zonde-haard, die dan toch ook de “wet van het vlees” of “van de ledematen” heet (Romeinenbrief, 7, 23, 25).

19Et ideo videtur melius dicendum, quod per sanctificationem in utero non fuerit sublatus B. Virgini fomes secundum essentiam, sed remanserit ligatus, non quidem per actum rationis suae, sicut in viris sanctis, quia non habuit usum liberi arbitrii adhuc in ventre matris existens: hoc enim est speciale privilegium Christi, sed per abundantiam gratiae, quam in sanctificatione recepit, et etiam perfectius per divinam providentiam, sensualitatem ejus ab omni inordinato motu prohibentem. Postmodum vero in ipsa conceptione carnis Christi, in qua primo debuit refulgere peccati immunitas, credendum est quod ex prole redundaverit in matrem, totaliter fomite subtracto. Et hoc signatur Ezech. 43. [v. 2] ubi dicitur: « Ecce gloria Dei Israël ingrediebatur per viam orientalem », idest per Beatam Virginem, « et terra », idest caro ipsius, « splendebat a majestate ejus », scilicet Christi.

Daarom lijkt het ons beter, te zeggen, dat de zonde-haard door de heiliging in den moederschoot, bij de H. Maagd niet werd weggenomen naar zijn wezen, maar dat hij bleef voortbestaan, hoewel bedwongen. « Bedwongen 19», niet door de daad van haar verstand, zooals dit bij de Heiligen geschiedt, want, nog verblijvend in den schoot harer moeder, had zij maar niet aanstonds het gebruik van haar vrijen wil. Dit toch was een bijzonder voorrecht van Christus. Maar gebonden door de overvloedige genade, die zij bij haar heiliging ontving, en vollediger nog tevens door Gods Voorzienigheid, die haar zintuigelijk begeervermogen van iedere ongeregelde opwelling weerhield. Maar men moet aannemen, dat later bij de ontvangenis zelf van Christus' vleesch, waarin het volstrekt vrij-zijn van alle zonde het allereerst moest uitschijnen, het algeheel vrij-zijn van den zonde-haard van het kind op de moeder overging. Dit nu wordt aangeduid door Ezechiël (43, 2): « Zie, de heerlijkheid van den God van Israël trad binnen langs den oostelijken weg, d. w. z. door de H. Maagd, en de aarde, d. i. haar vleesch, glansde van zijn, d. i. Christus', heerlijkheid ».Daarom lijkt het ons beter, te zeggen, dat de zonde-haard door de heiliging in de moederschoot, bij de H. Maagd niet werd weggenomen naar zijn wezen, maar dat hij bleef voortbestaan, hoewel bedwongen. “Bedwongen 19”, niet door de daad van haar verstand, zoals dit bij de Heiligen geschiedt, want, nog verblijvend in de schoot van haar moeder, had zij maar niet aanstonds het gebruik van haar vrijen wil. Dit toch was een bijzonder voorrecht van Christus. Maar gebonden door de overvloedige genade, die zij bij haar heiliging ontving, en vollediger nog tevens door Gods Voorzienigheid, die haar zintuigelijk begeervermogen van iedere ongeregelde opwelling weerhield. Maar men moet aannemen, dat later bij de ontvangenis zelf van Christus' vlees, waarin het volstrekt vrij-zijn van alle zonde het allereerst moest uitschijnen, het algeheel vrij-zijn van de zonde-haard van het kind op de moeder overging. Dit nu wordt aangeduid door Ezechiël (43, 2): “Zie, de heerlijkheid van de God van Israël trad binnen langs de oostelijke weg, d. w. z. door de H. Maagd, en de aarde, d.i. haar vlees, glansde van zijn, d.i. Christus', heerlijkheid”.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod mors et hujusmodi poenalitates de se non inclinant ad peccatum. Unde etiam Christus, licet assumpserit hujusmodi poenalitates, fomitem tamen non assumpsit. Unde etiam in 20B. Virgine, ut Filio conformaretur, de cujus plenitudine gratiam accipiebat, primo quidem fuit ligatus fomes, et postea sublatus; non autem liberata fuit a morte, et aliis hujusmodi poenalitatibus.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het zijn niet de dood en meer van dergelijke straffen die de geneigdheid tot de zonde geven. Vandaar dan ook, dat Christus, alhoewel Hij dergelijke straffen op zich nam, toch niet den haard van zonde heeft aangenomen 20. Vandaar tevens, dat, om gelijkvormig gemaakt te worden aan den Zoon, van wiens volheid zij de genade ontving (Joannes, 1, 16), in de H. Maagd eerst de zonde-haard bedwongen werd en later is weggenomen. Zij werd echter niet vrijgesteld van den dood en van andere dergelijke straffen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het zijn niet de dood en meer van dergelijke straffen die de geneigdheid tot de zonde geven. Vandaar dan ook, dat Christus, alhoewel Hij dergelijke straffen op zich nam, toch niet de haard van zonde heeft aangenomen 20. Vandaar tevens, dat, om gelijkvormig gemaakt te worden aan de Zoon, van wiens volheid zij de genade ontving (Johannes, 1, 16), in de H. Maagd eerst de zonde-haard bedwongen werd en later is weggenomen. Zij werd echter niet vrijgesteld van de dood en van andere dergelijke straffen.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod infirmitas carnis ad fomitem pertinens est quidem in sanctis viris perfectae virtutis occasio, non tamen causa, sine qua perfectio haberi non possit. Sufficit autem in B. Virgine ponere perfectam virtutem ex abundantia gratiae, nec oportet in ea ponere omnem occasionem perfectionis.

2. De zwakheid des vleesches, die met den zonde-haard samenhangt, is in de Heiligen wel een aanleiding tot volmaakte deugdbeoefening, maar geen oorzaak, zonder welke men de volmaaktheid niet kan bezitten. Men kan er echter mee volstaan, met in de H. Maagd volmaakte deugd en overvloed van genade te aanvaarden, en het is niet noodig, in haar iedere mogelijke aanleiding tot volmaaktheid aan te nemen.2. De zwakheid van het vlees, die met de zonde-haard samenhangt, is in de Heiligen wel een aanleiding tot volmaakte deugdbeoefening, maar geen oorzaak, zonder welke men de volmaaktheid niet kan bezitten. Men kan er echter mee volstaan, met in de H. Maagd volmaakte deugd en overvloed van genade te aanvaarden, en het is niet nodig, in haar iedere mogelijke aanleiding tot volmaaktheid aan te nemen.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod Spiritus Sanctus in B. Virgine duplicem purgationem fecit: unam quidem quasi praeparatoriam ad Christi conceptionem; quae non fuit ab aliqua impuritate culpae, vel fomitis, sed mentem ejus magis in unum colligens, et a multitudine sustollens [cf. Dionys., De Div. Nom., cap. 4.]. Nam et angeli purgari dicuntur, in quibus nulla impuritas invenitur, ut Dionysius dicit 6. cap. Eccl. Hierarch. 21Aliam vero purgationem operatus est in ea Spiritus Sancti opus, et secundum hoc potest dici, quod purgavit eam totaliter a fomite.

3. De H. Geest bewerkte in de H. Maagd een tweevoudige zuivering. De eene nl. was als het ware voorbereidend op de ontvangenis van Christus; dit nu was geen zuivering van eenige onreinheid van zonde-schuld of van den zonde-haard, doch zij richtte haren geest meer op één punt en onttrok dien aan het veelvormige (Vgl. Dionysius in zijn werk Over de Goddelijke Namen, 4e H.). Want ook van de Engelen zegt men, dat zij gezuiverd worden; en toch is in hen geen onreinheid te vinden, gelijk Dionysius schrijft in zijn werk Over de Hemelkoren (6e H.). — De andere heiliging voltrok de H. Geest in haar door middel van Christus' ontvangenis, die toch het werk is van den H. Geest. En 21op grond dezer zuivering kan men zeggen, dat de H. Geest haar geheel van den zonde-haard heeft gereinigd.3. De H. Geest bewerkte in de H. Maagd een tweevoudige zuivering. De ene nl. was als het ware voorbereidend op de ontvangenis van Christus; dit nu was geen zuivering van enige onreinheid van zonde-schuld of van de zonde-haard, doch zij richtte haar geest meer op één punt en onttrok die aan het veelvormige (Vgl. Dionysius in zijn werk Over de Goddelijke Namen, 4e H.). Want ook van de Engelen zegt men, dat zij gezuiverd worden; en toch is in hen geen onreinheid te vinden, gelijk Dionysius schrijft in zijn werk Over de Hemelkoren (6e H.). — De andere heiliging voltrok de H. Geest in haar door middel van Christus' ontvangenis, die toch het werk is van de H. Geest. En 21op grond van deze zuivering kan men zeggen, dat de H. Geest haar geheel van de zonde-haard heeft gereinigd.

Articulus IV

Utrum per hujusmodi sanctificationem fuerit consecuta ut nunquam peccaret

[3. Dist. 3. q. 1. art. 2. q. 3. et Dist. 13. q. 1. art. 2. q. 1. corp. et 4. Dist. 6. q. 1. art. 1. q. 2. corp. et opusc. 3. cap. 224. et opusc. 7. cap. 6. princ. et opusc. 60. cap. 3.]
IVe Artikel

Werd de H. Maagd door de heiliging in den moederschoot gevrijwaard voor iedere persoonlijke zonde?Werd de H. Maagd door de heiliging in de moederschoot gevrijwaard voor iedere persoonlijke zonde?

antwoord 1 ↓

Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod per sanctificationem in utero non fuerit B. Virgo praeservata ab omni peccato actuali, quia, ut dictum est [art. praec.], post primam sanctificationem fomes peccati remansit in Virgine. Motus autem fomitis, etiamsi rationem praeveniat, est peccatum veniale, licet levissimum, ut Augustinus dicit in lib. de Trinit. [Mag., II Sent., Dist. 24.]. Ergo in B. Virgine fuit aliquod peccatum veniale.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de H. Maagd door de heiliging in den moederschoot niet gevrijwaard werd voor iedere persoonlijke zonde. — 1. Want, zooals we gezien hebben (Vorige Art.), bleef na die eerste heiliging de zondehaard in de H. Maagd voortbestaan. Het in werking treden nu van den zonde-haard, ook al geschiedt dit voordat het verstand uitspraak heeft gedaan, is een dagelijksche zonde, hoewel een zeer lichte, gelijk Augustinus schrijft in zijn werk, Over de Drievuldigheid. Derhalve was er in de H. Maagd een dagelijksche zonde.Bedenkingen. — Men beweert, dat de H. Maagd door de heiliging in de moederschoot niet gevrijwaard werd voor iedere persoonlijke zonde. — 1. Want, zoals we gezien hebben (Vorige Art.), bleef na die eerste heiliging de zondehaard in de H. Maagd voortbestaan. Het in werking treden nu van de zonde-haard, ook al geschiedt dit voordat het verstand uitspraak heeft gedaan, is een dagelijkse zonde, hoewel een zeer lichte, gelijk Augustinus schrijft in zijn werk, Over de Drievuldigheid. Derhalve was er in de H. Maagd een dagelijkse zonde.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, super illud Luc. 2. [v. 35]: « Tuam ipsius animam pertransibit gladius », dicit Augustinus in lib. QQ. Veteris et Novi 22Testamenti [q. 73. inter opp. Aug.], quod « B. Virgo in morte Domini stupore quodam dubitavit ». Sed dubitare de fide peccatum est. Ergo B. Virgo non fuit praeservata immunis ab omni peccato.

2. Naar aanleiding van de woorden bij Lucas (2, 35): « Een zwaard zal uw eigen ziel doorboren », schrijft Augustinus in zijn 22werk « Vraagstukken van het Oude en Nieuwe Verbond », dat de H. Maagd bij den dood des Heeren met een zekere verbazing twijfelde. Welnu, twijfelen aangaande het geloof is zonde. Derhalve was de H. Maagd niet voor alle zonde gevrijwaard.2. Naar aanleiding van de woorden bij Lukas (2, 35): “Een zwaard zal uw eigen ziel doorboren”, schrijft Augustinus in zijn 22werk “Vraagstukken van het Oude en Nieuwe Verbond”, dat de H. Maagd bij de dood van de Heer met een zekere verbazing twijfelde. Welnu, twijfelen aangaande het geloof is zonde. Derhalve was de H. Maagd niet voor alle zonde gevrijwaard.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Chrysostomus super Matth. 12. [hom. 44.] exponens illud: Ecce mater tua, et fratres tui foris stant, quaerentes te, dicit: « Manifestum est, quod solum ex vana gloria hoc faciebant ». Et Joan. 2. super illud: Vinum non habent, dicit idem Chrysostomus [hom. 20. in Joan.] quod « volebat illis ponere gratiam, et seipsam clariorem facere per Filium: et fortassis quid humanum patiebatur, quemadmodum et fratres ejus dicentes: Manifesta teipsum mundo »; et post pauca subdit: « Nondum enim, quam oportebat, de eo opinionem habebat ». Quod totum constat esse peccatum. Ergo B. Virgo non fuit praeservata immunis ab omni peccato.

3. Waar Chrysostomus in zijn Homelie op Mattheus (44e) de woorden uitlegt: « Zie, Uw moeder en Uw broeders staan buiten en willen U spreken », schrijft hij: « Het is duidelijk, dat zij dit alleen uit ijdele roemzucht deden ». En, waar hij de woorden van Joannes (2, 3) verklaart: « Ze hebben geen wijn meer », schrijft dezelfde Chrysostomus: « Hun wilde zij een gunst bewijzen en zichzelf wilde zij door haar Zoon beroemder maken; en misschien kwam er wel iets kleinmenschelijks bij, zooals bij zijn broeders, toen zij zeiden: « Openbaar U zelf aan de wereld » ». En iets verder voegt hij er aan toe: « De meening, die zij over Hem moest hebben, bezat zij nog niet ». Klaarblijkelijk is dit alles zondig. Derhalve werd de H. Maagd niet voor alle zonde gevrijwaard.3. Waar Chrysostomus in zijn Homelie op Matteüs (44e) de woorden uitlegt: “Zie, Uw moeder en Uw broeders staan buiten en willen U spreken”, schrijft hij: “Het is duidelijk, dat zij dit alleen uit ijdele roemzucht deden”. En, waar hij de woorden van Johannes (2, 3) verklaart: “Ze hebben geen wijn meer”, schrijft dezelfde Chrysostomus: “Hun wilde zij een gunst bewijzen en zichzelf wilde zij door haar Zoon beroemder maken; en misschien kwam er wel iets kleinmenselijks bij, zoals bij zijn broeders, toen zij zeiden: ‘Openbaar Uzelf aan de wereld’”. En iets verder voegt hij er aan toe: ‘De mening, die zij over Hem moest hebben, bezat zij nog niet’. Klaarblijkelijk is dit alles zondig. Derhalve werd de H. Maagd niet voor alle zonde gevrijwaard.

Sed contra est, quod Augustinus dicit in lib. de Natura, et Gratia [cap. 36.]: « De Sancta Virgine Maria propter honorem Christi nullam 23prorsus, cum de peccatis agitur, habere volo quaestionem; unde enim scimus, quod ei plus gratiae collatum fuerit ad vincendum ex omni parte peccatum, quod concipere, ac parere meruit eum, quem constat nullum habuisse peccatum ».

Daartegenover staat echter hetgeen Augustinus in zijn werk Over de Natuur en de Genade zegt: « Wanneer het over zonden gaat, wil ik, dat er om wille van de eer van Christus, volstrekt geen sprake 23zij van de H. Maagd Maria. Want wij weten, dat haar om wille dier eer van Christus, een overvloed van genade werd verleend, om van alle kanten de zonde te kunnen vermijden, omdat zij dengene verdiende te ontvangen en te baren, die vanzelfsprekend geen enkele zonde had ».Daartegenover staat echter hetgeen Augustinus in zijn werk Over de Natuur en de Genade zegt: “Wanneer het over zonden gaat, wil ik, dat er om wille van de eer van Christus, volstrekt geen sprake 23zij van de H. Maagd Maria. Want wij weten, dat haar om wille van die eer van Christus, een overvloed van genade werd verleend, om van alle kanten de zonde te kunnen vermijden, omdat zij dengene verdiende te ontvangen en te baren, die vanzelfsprekend geen enkele zonde had”.

Respondeo dicendum, quod illos, quos Deus ad aliquid eligit, ita praeparat et disponit, ut ad id, ad quod eliguntur, inveniantur idonei, secundum illud 2. ad Corinth. 3. [v. 6]: « Idoneos nos fecit ministros novi Testamenti ». Beata autem Virgo fuit electa divinitus, ut esset mater Dei, et ideo non est dubitandum, quin Deus per suam gratiam eam ad hoc idoneam reddidit, secundum quod Angelus ad eam dicit Luc. [v. 30 sqq.]: « Invenisti gratiam apud Deum: ecce concipies », etc. Non autem fuisset idonea mater Dei, si peccasset aliquando, tum quia honor parentum redundat in prolem, secundum illud Proverb. 17. [v. 6]: « Gloria filiorum patres eorum », unde et per oppositum ignominia matris 24ad filium redundasset; tum etiam quia singularem affinitatem habuit ad Christum, qui ab ea carnem accepit. Dicitur autem 2. ad Cor. 6. [v. 15]: « Quae conventio Christi ad Belial? » Tum etiam quia singulari modo Dei Filius, qui est Dei sapientia, in ipsa habitavit, non solum in anima, sed etiam in utero. Dicitur autem Sap. 1. [v. 4]: « In malevolam animam non introibit sapientia, nec habitabit in corpore subdito peccatis ».

Leerstelling. — Hen, die God tot eenig ambt uitkiest, bekwaamt en ordent Hij innerlijk zóó, dat zij geschikt bevonden worden voor het ambt, waartoe zij werden uitverkoren, blijkens den Tweeden brief aan de Korinthiërs (3, 6): « Hij heeft ons bekwaam gemaakt, om bedienaars te worden van een nieuw Verbond ». De H. Maagd nu werd door God uitverkoren, om moeder Gods te zijn. We mogen er derhalve niet aan twijfelen, dat God haar door zijn genade hiertoe geschikt maakte, zooals ook blijkt uit hetgeen de Engel tot haar zeide (Lucas, 1, 30 v.v.): « Gij hebt genade gevonden bij God: zie, gij zult in uw schoot ontvangen », enz. Zij zou echter geen passende moeder Gods zijn geweest, indien zij ooit gezondigd had. Niet alleen, omdat de eer der ouders overgaat op de kinderen, volgens het Boek der Spreuken (17, 6): « De roem der kinderen zijn hunne vaderen ». Zoo ook zou, omgekeerd, de oneer der moeder hebben teruggeslagen op den Zoon. — Maar ook, omdat zij in een bijzondere verwantschap 24stond met Christus, die uit haar het vleesch aannam. In den Tweeden Brief aan de Korinthiërs (6, 15) nu, heet het: « Wat voor overeenkomst bestaat er tusschen Christus en Belial? » — Tenslotte, omdat Gods Zoon, die de Wijsheid Gods is, op geheel bijzondere wijze in haar zijn intrek nam, niet slechts in haar ziel, maar tevens in haar lichaam. Welnu in het Boek der Wijsheid (1, 4) staat geschreven: « In een kwaadwillende ziel zal de Wijsheid niet ingaan, noch wonen in een lichaam, dat den zonden dienstbaar is ».Leerstelling. — Hen, die God tot enig ambt uitkiest, bekwaamt en ordent Hij innerlijk zó, dat zij geschikt bevonden worden voor het ambt, waartoe zij werden uitverkoren, blijkens de Tweede brief aan de Korintiërs (3, 6): “Hij heeft ons bekwaam gemaakt, om bedienaars te worden van een nieuw Verbond”. De H. Maagd nu werd door God uitverkoren, om moeder Gods te zijn. We mogen er derhalve niet aan twijfelen, dat God haar door zijn genade hiertoe geschikt maakte, zoals ook blijkt uit hetgeen de Engel tot haar zeide (Lukas, 1, 30 v.v.): “Gij hebt genade gevonden bij God: zie, gij zult in uw schoot ontvangen”, enz. Zij zou echter geen passende moeder Gods zijn geweest, indien zij ooit gezondigd had. Niet alleen, omdat de eer van de ouders overgaat op de kinderen, volgens het Boek van de Spreuken (17, 6): “De roem van de kinderen zijn hun vaderen”. Zo ook zou, omgekeerd, de oneer van de moeder hebben teruggeslagen op de Zoon. — Maar ook, omdat zij in een bijzondere verwantschap 24stond met Christus, die uit haar het vlees aannam. In de Tweede Brief aan de Korintiërs (6, 15) nu, heet het: “Wat voor overeenkomst bestaat er tussen Christus en Belial?” — Tenslotte, omdat Gods Zoon, die de Wijsheid Gods is, op geheel bijzondere wijze in haar zijn intrek nam, niet slechts in haar ziel, maar tevens in haar lichaam. Welnu in het Boek van de Wijsheid (1, 4) staat geschreven: “In een kwaadwillende ziel zal de Wijsheid niet ingaan, noch wonen in een lichaam, dat de zonde dienstbaar is”.

Et ideo simpliciter fatendum est, quod beata Virgo nullum actuale peccatum commisit, nec mortale, nec veniale, ut sic in ea impleatur, quod dicitur Cant. 4. [v. 7]: « Tota pulchra es, amica mea, et macula non est in te ».

Bijgevolg moet men zonder meer erkennen, dat de H. Maagd geen enkele persoonlijke zonde, noch doodzonde, noch dagelijksche zonde heeft bedreven, opdat zoodoende in haar in vervulling zou gaan hetgeen we lezen in het Hooglied (4, 7): « Geheel schoon zijt gij, mijn vriendin, en geen smet is in u », enz.Bijgevolg moet men zonder meer erkennen, dat de H. Maagd geen enkele persoonlijke zonde, noch doodzonde, noch dagelijkse zonde heeft bedreven, opdat zodoende in haar in vervulling zou gaan hetgeen we lezen in het Hooglied (4, 7): “Geheel schoon zijt gij, mijn vriendin, en geen smet is in u”, enz.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod in B. Virgine post sanctificationem in utero remansit quidem fomes peccati, sed ligatus, ne scilicet prorumperet in aliquem motum inordinatum, qui rationem praeveniret. Et licet ad hoc operaretur gratia sanctificationis, non tamen ad hoc sufficiebat. Alioquin 25virtute illius gratiae hoc ei fuisset praestitum, ut nullus motus posset esse in sensualitate ejus, nisi ratione praeventus, et sic fomitem non habuisset, quod est contra supra dicta [art. praec.]. Unde oportet dicere, quod complementum illius ligationis fuit ex divina providentia, quae non permittebat aliquem motum inordinatum ex fomite provenire.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Na de heiliging in den moederschoot bleef de zonde-haard wel voortbestaan in de H. Maagd, doch bedwongen, opdat hij nl. niet zou uitslaan in een ongeregelde opvlamming, welke in werking zou treden nog eer het verstand uitspraak had gedaan. En hoewel de genade der heiliging tot dit in-bedwang-houden medewerkte, toch volstond zij daartoe niet; anders toch zou aan de H. Maagd krachtens die 25genade verleend zijn, dat er geen enkele opwelling in haar zintuigelijk begeervermogen kon plaats hebben, die niet door het verstand voorkomen was, en zoodoende zou zij eigenlijk geen zonde-haard gehad hebben, hetgeen in strijd is met het boven behandelde (Vorige Art.). Derhalve moet men zeggen, dat Gods Voorzienigheid dit in-bedwang-houden aanvulde; zij liet niet toe, dat er eenige ongeregelde opvlamming uit den zonde-haard uitsloeg.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Na de heiliging in de moederschoot bleef de zonde-haard wel voortbestaan in de H. Maagd, doch bedwongen, opdat hij nl. niet zou uitslaan in een ongeregelde opvlamming, welke in werking zou treden nog eer het verstand uitspraak had gedaan. En hoewel de genade van de heiliging tot dit in-bedwang-houden medewerkte, toch volstond zij daartoe niet; anders toch zou aan de H. Maagd krachtens die 25genade verleend zijn, dat er geen enkele opwelling in haar zintuigelijk begeervermogen kon plaats hebben, die niet door het verstand voorkomen was, en zodoende zou zij eigenlijk geen zonde-haard gehad hebben, hetgeen in strijd is met het boven behandelde (Vorige Art.). Derhalve moet men zeggen, dat Gods Voorzienigheid dit in-bedwang-houden aanvulde; zij liet niet toe, dat er enige ongeregelde opvlamming uit de zonde-haard uitsloeg.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod illud verbum Simeonis Origenes [hom. 17. in Luc.] et quidam alii Doctores exponunt de dolore, quem passa est in Christi passione.

2. Origenes en sommige andere Leeraars verstaan onder dit woord van Simeon de smart, die zij leed bij Christus' Lijden.2. Origenes en sommige andere Leraars verstaan onder dit woord van Simeon de smart, die zij leed bij Christus' Lijden.

Ambrosius autem [in hunc loc.] per gladium, dicit significari prudentiam Mariae, non ignaram mysterii coelestis. « Vivum est enim verbum Dei, et validum, et acutius omni gladio acutissimo ».

Ambrosius echter houdt, dat met dit zwaard Maria's omzichtigheid bedoeld wordt, die niet onbekend was met het geheim des hemels. « Want Gods woord is levend en krachtig, scherper dan elk tweesnijdend zwaard ». (Vgl. Hebreeënbrief, 4, 12).Ambrosius echter houdt, dat met dit zwaard Maria's omzichtigheid bedoeld wordt, die niet onbekend was met het geheim van de hemel. “Want Gods woord is levend en krachtig, scherper dan elk tweesnijdend zwaard”. (Vgl. Hebreeënbrief, 4, 12).

Quidam vero per gladium dubitationem intelligunt; quae tamen non est intelligenda dubitatio infidelitatis, sed admirationis et discussionis: dicit enim Basilius in epist. ad Optimum [ep. 317.], quod « B. Virgo assistens cruci et aspiciens singula, post testimonium Gabrielis, post ineffabilem divinae conceptionis notitiam, post ingentem miraculorum ostensionem 26, animo fluctuabat », ex una scilicet parte videns eum pati abjecta, et ex alia parte considerans ejus mirifica.

Sommigen echter zien in het zwaard den twijfel. Hieronder moet men echter niet den twijfel der ongeloovigheid verstaan, maar van verwondering en van het zoeken naar een oplossing. Basilius toch schrijft in zijn Brief aan Optimus: « Terwijl de H. Maagd onder het Kruis stond en het een na het ander overwoog, werd zij, na het getuigenis van Gabriël vernomen te hebben, na haar onuitsprekelijk weten, dat God ontvangen was, na de grootsche wonderen, die Hij verricht had, in haar ziel als heen en weer geslingerd », daar zij Hem van den eenen kant zag 26lijden als een verworpeling en van den anderen kant al zijn wonderdadigheden overdacht.Sommigen echter zien in het zwaard de twijfel. Hieronder moet men echter niet de twijfel van de ongelovigheid verstaan, maar van verwondering en van het zoeken naar een oplossing. Basilius toch schrijft in zijn Brief aan Optimus: “Terwijl de H. Maagd onder het Kruis stond en het een na het ander overwoog, werd zij, na het getuigenis van Gabriël vernomen te hebben, na haar onuitsprekelijk weten, dat God ontvangen was, na de grootse wonderen, die Hij verricht had, in haar ziel als heen en weer geslingerd”, daar zij Hem van de ene kant zag 26lijden als een verworpeling en van de andere kant al zijn wonderdadigheden overdacht.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod in verbis illis Chrysostomus excessit. Possunt tamen exponi, ut intelligatur in ea Dominum cohibuisse non inordinatum inanis gloriae motum quantum ad ipsam, sed id quod ab aliis posset aestimari.

3. Met deze uitdrukkingen heeft Chrysostomus overdreven. Toch kunnen zij goed worden uitgelegd, indien men daaronder verstaat, dat de Heer in haar heeft tegengehouden niet een ongeregelde streving naar ijdele glorie ten opzichte van zichzelf, maar datgene, wat anderen daarvoor konden aanzien.

Articulus V

Utrum Beata Virgo per hujusmodi sanctificationem adepta fuerit plenitudinem omnium gratiarum

[3. Dist. 3. q. 1. art. 2. q. 3. corp. et Dist. 13. q. 1. art. 2. q. 1. corp. et opusc. 60. cap. 3. et Joan. 16. col. 3. et Rom. 8. lect. 5. col. 1. fin.]
Ve Artikel

Verkreeg de H. Maagd door de heiliging in den moederschoot de volheid der genaden?Verkreeg de H. Maagd door de heiliging in de moederschoot de volheid van de genaden?

antwoord 1 ↓

Ad quintum sic proceditur. Videtur, quod beata Virgo per sanctificationem in utero non obtinuerit gratiae plenitudinem, sive perfectionem: hoc enim videtur pertinere ad privilegium Christi, secundum illud Joan. 1. [v. 14]: « Vidimus eum quasi unigenitum a Patre, plenum gratiae et 27veritatis ». Sed ea quae sunt propria Christi, non sunt alteri attribuenda. Ergo beata Virgo plenitudinem gratiarum non accepit in sanctificatione.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de H. Maagd door de heiliging in den moederschoot niet de volheid of de voltooidheid der genade ontving. — 1. Want, naar het schijnt, is dit een voorrecht van Christus, overeenkomstig het woord van Joannes (1, 14): « Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd: een heerlijkheid als van den Eengeborene uit den Vader, vol van genade 27en waarheid ». Welnu, datgene wat iets geheel eigens van Christus is, moet men aan geen ander toeschrijven. Derhalve ontving de H. Maagd bij haar heiliging de volheid der genaden niet.Bedenkingen. — Men beweert, dat de H. Maagd door de heiliging in de moederschoot niet de volheid of de voltooidheid van de genade ontving. — 1. Want, naar het schijnt, is dit een voorrecht van Christus, overeenkomstig het woord van Johannes (1, 14): “Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd: een heerlijkheid als van de Eengeborene uit de Vader, vol van genade 27en waarheid”. Welnu, datgene wat iets geheel eigens van Christus is, moet men aan geen ander toeschrijven. Derhalve ontving de H. Maagd bij haar heiliging de volheid van de genaden niet.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, ei, quod est plenum et perfectum, non restat aliquid addendum, quia « perfectum est, cui nihil deest », ut dicitur in 3. Physic. [cap. 6.]. Sed Beata Virgo postmodum additionem gratiae suscepit, et quando Christum concepit (dictum est enim Luc. 1. [v. 35]: « Spiritus Sanctus superveniet in te »), et iterum quando in gloria est assumpta. Ergo videtur, quod non habuerit in sua prima sanctificatione plenitudinem gratiarum.

2. Aan datgene, wat vol en af is, kan niets meer worden toegevoegd, want voltooid is datgene, waaraan niets meer ontbreekt, gelijk in het 3e boek der Natuurleer staat. Maar de H. Maagd kreeg later, toen zij Christus ontving, vermeerdering van genade; tot haar toch werd gezegd (Lucas, 1, 35): « De H. Geest zal op u neerdalen ». Zoo ook, toen zij ten hemel werd opgenomen. Derhalve, zoo beweert men, bezat zij bij haar eerste heiliging de volheid der genaden nog niet.2. Aan datgene, wat vol en af is, kan niets meer worden toegevoegd, want voltooid is datgene, waaraan niets meer ontbreekt, gelijk in het 3e boek van de Natuurleer staat. Maar de H. Maagd kreeg later, toen zij Christus ontving, vermeerdering van genade; tot haar toch werd gezegd (Lukas, 1, 35): “De H. Geest zal op u neerdalen”. Zo ook, toen zij ten hemel werd opgenomen. Derhalve, zo beweert men, bezat zij bij haar eerste heiliging de volheid van de genaden nog niet.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Deus non facit aliquid frustra, ut dicitur in 1. de Coelo et Mundo [cap. 4.]. Frustra autem habuisset quasdam gratias cum earum usum nunquam exercuit: non enim legitur aut docuisse, quod est actus sapientiae; aut miracula fecisse, quod est actus gratiae gratis datae. Non igitur habuit plenitudinem gratiarum.

3. God doet niets doelloos, gelijk we lezen in het 1e boek van het werk Over den Hemel en de Aarde (4e H.). In de H. Maagd nu zouden sommige genade-gaven zonder doel zijn geweest, daar zij er nooit gebruik van heeft gemaakt; want we lezen nergens, dat zij ooit geleeraard heeft, hetgeen de uiting is van de genade-gave der wijsheid, of dat zij ooit wonderen verrichtte, hetgeen de werking der om niet gegeven genade-gave is. Derhalve bezat zij de volheid der genade-gaven niet.3. God doet niets doelloos, gelijk we lezen in het 1e boek van het werk Over de Hemel en de Aarde (4e H.). In de H. Maagd nu zouden sommige genade-gaven zonder doel zijn geweest, daar zij er nooit gebruik van heeft gemaakt; want we lezen nergens, dat zij ooit geleraard heeft, hetgeen de uiting is van de genade-gave van de wijsheid, of dat zij ooit wonderen verrichtte, hetgeen de werking van de om niet gegeven genade-gave is. Derhalve bezat zij de volheid van de genade-gaven niet.

Sed contra est, quod Angelus ad eam dixit, Luc. 1. [v. 28]: « Ave, 28gratia plena », quod exponens Hieronymus in serm. de Assumptione [inter supposit. Hieron.] dicit: « Bene gratia plena, quia caeteris per partes praestatur; Mariae vero se totam simul infudit gratiae plenitudo ».

Daartegenover staat echter hetgeen de Engel tot haar sprak: 28« Wees gegroet gij, vol van genade ». Waar Hieronymus in zijn preek Over Maria-ten-Hemel-Opneming deze woorden uitlegt, zegt hij: « Terecht, vol van genade, want aan de overigen wordt de genade deelsgewijze geschonken, maar aan Maria deelde de volheid van genade zich in eens heelemaal mee ».Daartegenover staat echter hetgeen de Engel tot haar sprak: 28“Wees gegroet gij, vol van genade”. Waar Hieronymus in zijn preek Over Maria-ten-Hemel-Opneming deze woorden uitlegt, zegt hij: “Terecht, vol van genade, want aan de overigen wordt de genade deelsgewijze geschonken, maar aan Maria deelde de volheid van genade zich in eens helemaal mee”.

Respondeo dicendum, quod quanto aliquid magis appropinquat principio in quolibet genere, tanto magis participat effectum illius principii. Unde Dionysius dicit 4. cap. Coel. Hierar., quod angeli, qui sunt Deo propinquiores, magis participant de bonitatibus divinis, quam homines. Christus autem est principium gratiae, secundum divinitatem quidem auctoritative, secundum humanitatem vero instrumentaliter. Unde et Joan. 1. [v. 17] dicitur: « Gratia et veritas per Jesum Christum facta est ». Beata autem Virgo Maria propinquissima Christo fuit secundum humanitatem, quia ex ea accepit humanam naturam. Et ideo prae caeteris majorem debuit a Christo gratiae plenitudinem obtinere.

Leerstelling. — Hoe dichter iets staat bij het beginsel op welk gebied dan ook, des te meer deelt het in de uitwerking van dat beginsel; vandaar zegt Dionysius in zijn werk Over de Hemelsche Koren (4e H.), dat de Engelen, die dichter bij God staan, meer deelen in Gods volmaaktheden dan de menschen. Christus nu is het beginsel der genade, en wel naar zijn Godheid als eigenlijke Verwekker der genade, en naar zijn menschheid als instrumenteel beginsel; daarom ook heet het bij Joannes (1, 17): « De genade en waarheid zijn door Jezus Christus gekomen ». Welnu, de H. Maagd stond het dichtste bij Christus voor wat zijn menschheid betreft; omdat Hij uit haar zijn menschelijke natuur ontving. Derhalve moest zij van Christus een grootere volheid van genade verkrijgen dan alle anderen.Leerstelling. — Hoe dichter iets staat bij het beginsel op welk gebied dan ook, des te meer deelt het in de uitwerking van dat beginsel; vandaar zegt Dionysius in zijn werk Over de Hemelse Koren (4e H.), dat de Engelen, die dichter bij God staan, meer delen in Gods volmaaktheden dan de mensen. Christus nu is het beginsel van de genade, en wel naar zijn Godheid als eigenlijke Verwekker van de genade, en naar zijn mensheid als instrumenteel beginsel; daarom ook heet het bij Johannes (1, 17): “De genade en waarheid zijn door Jezus Christus gekomen”. Welnu, de H. Maagd stond het dichtste bij Christus voor wat zijn mensheid betreft; omdat Hij uit haar zijn menselijke natuur ontving. Derhalve moest zij van Christus een grotere volheid van genade verkrijgen dan alle anderen.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod unicuique a Deo datur gratia, secundum hoc ad quod eligitur; et quia Christus, inquantum est homo, 29ad hoc fuit praedestinatus et electus, ut esset Filius Dei, in virtute sanctificandi [ad Rom., cap. 1, v. 4], hoc fuit sibi proprium, ut haberet talem plenitudinem gratiae, quod redundaret in omnes, secundum quod dicitur Joan. 1. [v. 16]: « De plenitudine ejus nos omnes accepimus ». Sed Beata Virgo Maria tantam gratiae obtinuit plenitudinem, ut esset propinquissima auctori gratiae, ita quod eum, qui est plenus omni gratia, in se reciperet, et eum pariendo, quodammodo gratiam ad omnes derivaret.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. God verleent aan een ieder de genade overeenkomstig de taak, waartoe hij werd uitgekozen 29. En omdat nu Christus als mensch daartoe werd voorbestemd en uitverkoren, om te zijn de voorafbestemde Zoon van God in kracht van heiligmaking, was het Hem geheel eigen, zulk een volheid van genade te bezitten, dat zij op allen zou overvloeien, overeenkomstig het woord van Joannes (1, 16): « Van zijn volheid hebben wij allen ontvangen ». Maar de H. Maagd verkreeg een zoo groote volheid van genade, dat zij de Bron van genade het meest zou benaderen; zóó, dat zij dengene, die vol is van alle genade, in zich ontving en zóó, dat zij door Hem te baren, in zekeren zin de genade liet komen tot allen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. God verleent aan een ieder de genade overeenkomstig de taak, waartoe hij werd uitgekozen 29. En omdat nu Christus als mens daartoe werd voorbestemd en uitverkoren, om te zijn de voorafbestemde Zoon van God in kracht van heiligmaking, was het Hem geheel eigen, zulk een volheid van genade te bezitten, dat zij op allen zou overvloeien, overeenkomstig het woord van Johannes (1, 16): “Van zijn volheid hebben wij allen ontvangen”. Maar de H. Maagd verkreeg een zo grote volheid van genade, dat zij de Bron van genade het meest zou benaderen; zó, dat zij dengene, die vol is van alle genade, in zich ontving en zó, dat zij door Hem te baren, in zekeren zin de genade liet komen tot allen.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod in rebus naturalibus primo quidem est perfectio dispositionis, puta cum materia est perfecte ad formam disposita; secundo autem est perfectio formae, quae est potior, nam et ipse calor est perfectior, qui provenit ex forma ignis, quam ille, qui ad formam ignis disponebat; tertio autem est perfectio finis, sicut ignis perfectissime habet proprias qualitates, cum ad locum suum pervenerit.

2. Op natuurlijk gebied heeft men op de eerste plaats de volmaaktheid van op iets aangelegd te zijn; zoo b. v. wanneer de materiaal-oorzaak volkomen geschikt gemaakt is voor den wezensvorm. Op de tweede plaats heeft men de volmaaktheid van het innerlijke formeerend beginsel; en deze volmaaktheid staat hooger, want ook de warmte, die uit den wezensvorm van het vuur voortkomt, is volmaakter dan de warmte, die geschikt maakte tot den wezensvorm van vuur. Op de derde plaats heeft men de volmaaktheid van het doel, gelijk het vuur juist dan zijn eigenschappen het volmaaktst bezit, wanneer het in zijn eigen natuurlijke plaats is.2. Op natuurlijk gebied heeft men op de eerste plaats de volmaaktheid van op iets aangelegd te zijn; zo bv. wanneer de materiaal-oorzaak volkomen geschikt gemaakt is voor de wezensvorm. Op de tweede plaats heeft men de volmaaktheid van het innerlijke formerend beginsel; en deze volmaaktheid staat hoger, want ook de warmte, die uit de wezensvorm van het vuur voortkomt, is volmaakter dan de warmte, die geschikt maakte tot de wezensvorm van vuur. Op de derde plaats heeft men de volmaaktheid van het doel, gelijk het vuur juist dan zijn eigenschappen het volmaaktst bezit, wanneer het in zijn eigen natuurlijke plaats is.

Et similiter in Beata Virgine fuit triplex perfectio gratiae: prima quidem quasi dispositiva, per 30quam reddebatur idonea ad hoc, quod esset mater Christi; et haec fuit perfectio sanctificationis. Secunda autem perfectio gratiae fuit in Beata Virgine ex praesentia Filii Dei in ejus utero incarnati. Tertia autem est perfectio finis, quam habet in gloria.

En zoo bestond er ook in de H. Maagd een drievoudige volmaaktheid der genade. De eerste nl. was als het ware voorbereidend, waardoor zij geschikt gemaakt werd, om moeder van Christus 30te zijn; en dit was de volmaaktheid, die door de heiliging werd medegedeeld. De tweede volmaaktheid echter der genade verkreeg de H. Maagd krachtens de tegenwoordigheid van den, in haar schoot mensch geworden, Zoon van God. De derde volmaaktheid is die van het bereikte doel; deze bezit zij in de hemelsche heerlijkheid.En zo bestond er ook in de H. Maagd een drievoudige volmaaktheid van de genade. De eerste nl. was als het ware voorbereidend, waardoor zij geschikt gemaakt werd, om moeder van Christus 30te zijn; en dit was de volmaaktheid, die door de heiliging werd medegedeeld. De tweede volmaaktheid echter van de genade verkreeg de H. Maagd krachtens de tegenwoordigheid van de, in haar schoot mens geworden, Zoon van God. De derde volmaaktheid is die van het bereikte doel; deze bezit zij in de hemelse heerlijkheid.

Quod autem secunda perfectio sit potior quam prima, et tertia quam secunda, patet quidem uno modo per liberationem a malo; nam primo in sua sanctificatione fuit liberata a culpa originali; secundo in conceptione Filii Dei fuit totaliter a fomite mundata; tertio vero in sui glorificatione fuit liberata etiam ab omni miseria. Alio modo per ordinem ad bonum; nam primo in sua sanctificatione adepta est gratiam inclinantem eam ad bonum; in conceptione autem Filii Dei consummata est ejus gratia confirmans eam in bono; in sui vero glorificatione consummata est ejus gratia perficiens eam in fruitione omnis boni.

Dat echter de tweede volmaaktheid hooger staat dan de eerste, en de derde hooger dan de tweede, blijkt eenerzijds uit het bevrijd-zijn van het kwaad. Want eerst, bij haar heiliging werd zij bevrijd van de erfzonde; vervolgens bij de ontvangenis van Gods Zoon werd zij gezuiverd van den zonde-haard; tenslotte bij haar verheerlijking in den hemel werd zij tevens van alle ellende bevrijd. — Anderzijds blijkt dit uit haar verhouding tot het goede. Want eerst, bij haar heiliging, verkreeg zij de genade, die haar naar het goede heenneigde; bij de ontvangenis echter van Gods Zoon werd in haar de genade voltooid, die haar in het goede bevestigde; bij haar verheerlijking echter werd in haar voltooid de genade, die haar vervolmaakt in het genieten van alle goed.Dat echter de tweede volmaaktheid hoger staat dan de eerste, en de derde hoger dan de tweede, blijkt enerzijds uit het bevrijd-zijn van het kwaad. Want eerst, bij haar heiliging werd zij bevrijd van de erfzonde; vervolgens bij de ontvangenis van Gods Zoon werd zij gezuiverd van de zonde-haard; tenslotte bij haar verheerlijking in de hemel werd zij tevens van alle ellende bevrijd. — Anderzijds blijkt dit uit haar verhouding tot het goede. Want eerst, bij haar heiliging, verkreeg zij de genade, die haar naar het goede heenneigde; bij de ontvangenis echter van Gods Zoon werd in haar de genade voltooid, die haar in het goede bevestigde; bij haar verheerlijking echter werd in haar voltooid de genade, die haar vervolmaakt in het genieten van alle goed.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod non est dubitandum, quin B. Virgo acceperit excellenter donum sapientiae, et gratiam virtutum, et etiam gratiam prophetiae; non tamen accepit, ut haberet omnes usus harum et 31similium gratiarum, sicut habuit Christus, sed secundum quod conveniebat conditioni ipsius: sapientiae enim usum habuit in contemplando, secundum illud Luc. 2. [v. 19]: « Maria autem conservabat omnia verba haec, conferens, in corde suo ». Non autem habuit usum sapientiae quantum ad docendum, quia hoc non conveniebat sexui muliebri, secundum illud 1. ad Timoth. 2. [v. 12]: « Docere autem mulieri non permitto ». Miraculorum autem usus sibi non competebat, dum viveret, quia tunc temporis confirmanda erat doctrina Christi miraculis; et ideo soli Christo et ejus discipulis, qui erant bajuli doctrinae Christi, conveniebat miracula facere, propter quod etiam de Joanne Baptista dicitur Joan. 10. [v. 41] quod signum fecit nullum, ut scilicet omnes Christo intenderent. Usum autem prophetiae habuit, ut patet in Cantico quod fecit: « Magnificat anima mea Dominum », etc. [Lucae 1, v. 46 sqq.].

3. Men betwijfele niet, of de H. Maagd zoowel de gave der wijsheid als de genade der wonderdaden in verheven mate ontvangen heeft en tevens de genade der profetie, gelijk ook Christus deze 31bezat. Doch zij kreeg ze niet zoo, dat ze over alle uitingen van deze en dergelijke genade-gaven kon beschikken, zooals Christus het wel kon, maar slechts voor zoover dit paste bij haar waardigheid. Van de gave der wijsheid toch maakte zij gebruik bij de beschouwing, volgens Lucas (2, 19): « Maria echter bewaarde al deze woorden in haar hart, en overwoog ze bij zichzelf ». Zij beschikte echter niet over de gave der wijsheid, om als leerares op te treden, daar dit niet paste aan het vrouwelijk geslacht, blijkens den Eersten Brief aan Timotheüs (2, 12): « Ik sta niet toe, dat een vrouw onderricht geeft ». — Maar, zoolang zij leefde, paste het niet, dat zij wonderen deed; omdat toen ter tijd Christus' leer door wonderen bevestigd moest worden; en daarom kwam het uitsluitend aan Christus toe en aan zijn leerlingen, die de onmiddellijke bedienaren van Christus' leer waren, om wonderen te doen. Vandaar staat ook van Joannes den Dooper geschreven (Joannes, 10, 41), « dat hij geen enkel wonderteeken gedaan heeft », opdat nl. allen gespannen zouden wezen op Christus. — Doch het gebruik der profetie bezat zij wel, zooals blijkt uit het lied, dat zij samenstelde (Lucas, 1, 46 en vlgd.): « Mijne ziel maakt groot den Heer ».3. Men betwijfele niet, of de H. Maagd zowel de gave van de wijsheid als de genade van de wonderdaden in verheven mate ontvangen heeft en tevens de genade van de profetie, gelijk ook Christus deze 31bezat. Doch zij kreeg ze niet zo, dat ze over alle uitingen van deze en dergelijke genade-gaven kon beschikken, zoals Christus het wel kon, maar slechts voor zover dit paste bij haar waardigheid. Van de gave van de wijsheid toch maakte zij gebruik bij de beschouwing, volgens Lukas (2, 19): “Maria echter bewaarde al deze woorden in haar hart, en overwoog ze bij zichzelf”. Zij beschikte echter niet over de gave van de wijsheid, om als lerares op te treden, daar dit niet paste aan het vrouwelijk geslacht, blijkens de Eerste Brief aan Timoteüs (2, 12): “Ik sta niet toe, dat een vrouw onderricht geeft”. — Maar, zolang zij leefde, paste het niet, dat zij wonderen deed; omdat toen ter tijd Christus' leer door wonderen bevestigd moest worden; en daarom kwam het uitsluitend aan Christus toe en aan zijn leerlingen, die de onmiddellijke bedienaren van Christus' leer waren, om wonderen te doen. Vandaar staat ook van Johannes de Doper geschreven (Johannes, 10, 41), “dat hij geen enkel wonderteken gedaan heeft”, opdat nl. allen gespannen zouden wezen op Christus. — Doch het gebruik van de profetie bezat zij wel, zoals blijkt uit het lied, dat zij samenstelde (Lukas, 1, 46 en vlgd.): “Mijn ziel maakt groot de Heer”.

Articulus VI

Utrum sic sanctificari fuerit proprium Beatae Virgini

[3. Dist. 3. q. 1. art. 2. q. 1. ad 4. et Quodl. 6. q. 5. art. 1. corp. fin. et opusc. 2. cap. 224. et Ps. 45. col. 5.]
VIe Artikel

Was het, behalve aan Christus, iets geheel eigens aan de H. Maagd in den moederschoot geheiligd te worden?Was het, behalve aan Christus, iets geheel eigens aan de H. Maagd in de moederschoot geheiligd te worden?

antwoord 1 ↓

32Ad sextum sic proceditur. Videtur, quod sanctificari in utero post Christum proprium fuerit B. Virgini: dictum est enim [art. 3. et 4.], quod propter hoc B. Virgo fuit sanctificata in utero, ut redderetur idonea ad hoc ut esset mater Dei. Sed hoc est proprium sibi. Ergo sola ipsa fuit sanctificata in utero.

32Bedenkingen. — Men beweert, dat het, behalve aan Christus, uitsluitend toekwam aan de H. Maagd in den moederschoot geheiligd te worden. — 1. Want, gelijk boven (5e Art., Antw. op de 2e Bed.) werd aangegeven, is de H. Maagd juist daarom in den moederschoot geheiligd, opdat zij geschikt zou worden gemaakt, om Gods Moeder te zijn. Doch dit komt uitsluitend aan haar alleen toe. Derhalve werd zij alleen in den moederschoot geheiligd.32Bedenkingen. — Men beweert, dat het, behalve aan Christus, uitsluitend toekwam aan de H. Maagd in de moederschoot geheiligd te worden. — 1. Want, gelijk boven (5e Art., Antw. op de 2e Bed.) werd aangegeven, is de H. Maagd juist daarom in de moederschoot geheiligd, opdat zij geschikt zou worden gemaakt, om Gods Moeder te zijn. Doch dit komt uitsluitend aan haar alleen toe. Derhalve werd zij alleen in de moederschoot geheiligd.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, aliqui videntur propinquius accessisse ad Christum, quam Hieremias, et Joannes Baptista, qui dicuntur sanctificati in utero, nam Christus specialiter dicitur filius David et Abraham propter promissionem eis specialiter factam de Christo; Isaias etiam expressissime de eo prophetavit; Apostoli etiam cum ipso Christo conversati sunt. Nec tamen 33leguntur sanctificati in utero. Ergo neque etiam Hieremiae, et Joanni Baptistae convenit sanctificari in utero.

2. Naar men beweert, stonden sommige personen dichter bij Christus dan Jeremias en Joannes de Dooper, van wie geschreven staat (Vgl. het tegen-bewijs), dat zij in den moederschoot geheiligd werden. Want Christus heet in heel bijzonderen zin de zoon van David en de zoon van Abraham, om de belofte, welke bijzonder aan hen aangaande den Christus gedaan werd. Verder Isaias, die de uitdrukkelijkste voorspellingen over Christus deed. Tenslotte de Apostelen, die met Christus zelf omgingen. Toch lezen we niet, 33dat dezen in den moederschoot geheiligd werden. Bijgevolg kwam het ook niet aan Jeremias noch aan Joannes den Dooper toe, in den moederschoot geheiligd te worden.2. Naar men beweert, stonden sommige personen dichter bij Christus dan Jeremia en Johannes de Doper, van wie geschreven staat (Vgl. het tegen-bewijs), dat zij in de moederschoot geheiligd werden. Want Christus heet in heel bijzonderen zin de zoon van David en de zoon van Abraham, om de belofte, welke bijzonder aan hen aangaande de Christus gedaan werd. Verder Jesaja, die de uitdrukkelijkste voorspellingen over Christus deed. Tenslotte de Apostelen, die met Christus zelf omgingen. Toch lezen we niet, 33dat deze in de moederschoot geheiligd werden. Bijgevolg kwam het ook niet aan Jeremia noch aan Johannes de Doper toe, in de moederschoot geheiligd te worden.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Job de se dicit, Job 31. [v. 18]: « Ab infantia crevit mecum miseratio, ut de utero egressa est mecum », nec tamen propter hoc dicimus eum sanctificatum in utero. Ergo neque etiam Joannem Baptistam et Hieremiam cogimur dicere sanctificatos in utero.

3. Job (31, 18) getuigt van zichzelf: « Vanaf mijn kindsheid groeide het medelijden met mij op, en uit den schoot mijner moeder is het mij te voorschijn getreden ». Toch zeggen we hierom niet, dat hij in den moederschoot geheiligd is. Derhalve zijn we evenmin verplicht te houden, dat Joannes de Dooper en Jeremias in den moederschoot geheiligd zijn.3. Job (31, 18) getuigt van zichzelf: “Vanaf mijn kindsheid groeide het medelijden met mij op, en uit de schoot van mijn moeder is het mij te voorschijn getreden”. Toch zeggen we hierom niet, dat hij in de moederschoot geheiligd is. Derhalve zijn we evenmin verplicht te houden, dat Johannes de Doper en Jeremia in de moederschoot geheiligd zijn.

Sed contra est, quod dicitur de Hieremia, Hierem. 1. [v. 5]: « Antequam exires de ventre, sanctificavi te », et de Joanne Baptista dicitur Luc. 1. [v. 15]: « Spiritu Sancto replebitur adhuc ex utero matris suae ».

Daartegenover staat echter, dat we over Jeremias lezen (Jeremias, 1, 5): « Vóórdat gij uit den moederschoot uitgingt, heb Ik u geheiligd ». En betreffende Joannes den Dooper lezen we (Lucas, 1, 15): « Reeds van den schoot zijner moeder af zal hij worden vervuld van den H. Geest ».Daartegenover staat echter, dat we over Jeremia lezen (Jeremia, 1, 5): “Vóórdat gij uit de moederschoot uitgingt, heb Ik u geheiligd”. En betreffende Johannes de Doper lezen we (Lukas, 1, 15): “Reeds van de schoot van zijn moeder af zal hij worden vervuld van de H. Geest”.

Respondeo dicendum, quod Augustinus in ep. ad Dardanum [ep. 57.] dubie videtur loqui de horum sanctificatione in utero: « Potuit enim exultatio Joannis in utero », ut ipse dicit, « esse significatio rei tantae, scilicet quod mulier esset mater Dei, a majoribus cognoscendae, non a 34parvulo cognitae. Unde in Evangelio non dicitur: Credidit infans in utero, sed: Exultavit. Videmus autem exultationem non solum parvulorum, sed etiam pecorum esse; sed haec inusitata extitit, quia in utero; et ideo sicut solent miracula fieri, facta est divinitus in infante, non humanitus ab infante; quamquam etiam si usque adeo est in ullo puero acceleratus usus rationis et voluntatis, ut intra materna jam posset agnoscere, credere, consentire (ad quod in aliis parvulis aetas expectatur, ut possint), et hoc in miraculis habendum puto divinae potentiae ».

Leerstelling. — Augustinus schijnt in zijn Brief aan Dardanus weifelend te spreken over de heiliging dezer beide personen in den schoot hunner moeder. « Want schrijft hij, dit opspringen van Joannes in den moederschoot kon de aanduiding zijn van een zoo gewichtig voorval (dat nl. deze vrouw de moeder was van Christus), hetwelk de grooteren moesten 34weten, doch door het kind zelf niet geweten werd. Daarom dan ook staat er in het Evangelie niet: « Het kind geloofde in haar schoot », maar « sprong op ». Het opspringen echter treffen we niet alleen bij kleine kinderen aan, maar ook bij dieren. Doch in dit geval was het iets ongewoons, wijl het in den moederschoot geschiedde. En zoo is derhalve ook, gelijk de wonderen gewoonlijk verricht worden, dit opspringen door God in het kind verwekt, en niet menschelijkerwijze door het kind zelf. Evenwel, ook indien het gebruiken van verstand en wil in dit kind zoo zeer is vervroegd, dat het reeds in den moederschoot kon kennen, gelooven en toestemmen, terwijl in andere kinderen een zekere leeftijd moet worden afgewacht, eer zij dit kunnen, meen ik ook dit voor een wonder te moeten houden van Gods Macht ».Leerstelling. — Augustinus schijnt in zijn Brief aan Dardanus weifelend te spreken over de heiliging van deze beide personen in de schoot van hun moeder. “Want schrijft hij, dit opspringen van Johannes in de moederschoot kon de aanduiding zijn van een zo gewichtig voorval (dat nl. deze vrouw de moeder was van Christus), hetwelk de groteren moesten 34weten, doch door het kind zelf niet geweten werd. Daarom dan ook staat er in het Evangelie niet: ‘Het kind geloofde in haar schoot’, maar ‘sprong op’. Het opspringen echter treffen we niet alleen bij kleine kinderen aan, maar ook bij dieren. Doch in dit geval was het iets ongewoons, wijl het in de moederschoot geschiedde. En zo is derhalve ook, gelijk de wonderen gewoonlijk verricht worden, dit opspringen door God in het kind verwekt, en niet menselijkerwijze door het kind zelf. Evenwel, ook indien het gebruiken van verstand en wil in dit kind zo zeer is vervroegd, dat het reeds in de moederschoot kon kennen, geloven en toestemmen, terwijl in andere kinderen een zekere leeftijd moet worden afgewacht, eer zij dit kunnen, meen ik ook dit voor een wonder te moeten houden van Gods Macht”.

Sed quia expresse in Evangelio dicitur, quod « Spiritu Sancto replebitur adhuc ex utero matris suae », et de Hieremia expresse dicitur: « Antequam exires de vulva, sanctificavi te », asserendum videtur eos sanctificatos in utero, quamvis in utero usum liberi arbitrii non habuerint, de quo Augustinus [loc. cit.] quaestionem movet. Sicut etiam pueri, qui sanctificantur per baptismum, non statim habent usum liberi arbitrii.

Maar, omdat in het Evangelie uitdrukkelijk over Joannes gezegd wordt, dat hij « reeds van den schoot zijner moeder af vervuld zal worden van den H. Geest », en omdat van Jeremias uitdrukkelijk geschreven staat: « Vóórdat gij uit den moederschoot uitgingt, heb Ik u geheiligd », meenen wij te moeten houden, dat zij in den moederschoot geheiligd zijn, hoewel zij in den moederschoot nog niet het gebruik van den vrijen wil hadden (hierover gaat de moeilijkheid van Augustinus), evenmin als de kinderen, die door het Doopsel geheiligd worden, terstond hun vrijen wil kunnen gebruiken.Maar, omdat in het Evangelie uitdrukkelijk over Johannes gezegd wordt, dat hij “reeds van de schoot van zijn moeder af vervuld zal worden van de H. Geest”, en omdat van Jeremia uitdrukkelijk geschreven staat: “Vóórdat gij uit de moederschoot uitgingt, heb Ik u geheiligd”, menen wij te moeten houden, dat zij in de moederschoot geheiligd zijn, hoewel zij in de moederschoot nog niet het gebruik van de vrije wil hadden (hierover gaat de moeilijkheid van Augustinus), evenmin als de kinderen, die door het Doopsel geheiligd worden, terstond hun vrijen wil kunnen gebruiken.

35Nec est credendum, aliquos alios sanctificatos esse in utero, de quibus Scriptura mentionem non facit, quia hujusmodi privilegia gratiae, quae dantur aliquibus praeter legem communem, ordinantur ad utilitatem aliorum, secundum illud 1. ad Corinth. 12. [v. 7]: « Unicuique datur manifestatio spiritus ad utilitatem », quae nulla proveniret ex sanctificatione aliquorum in utero, nisi Ecclesiae innotesceret.

35Toch moet men niet gelooven, dat sommige anderen, van wie de H. Schrift geen melding maakt, in den moederschoot geheiligd zijn. Want dergelijke genade-voorrechten, die aan sommigen, buiten den gewonen regel om, verleend worden, zijn gericht op het welzijn van anderen, volgens de woorden van den Eersten Brief aan de Korinthiërs (12, 7): « Aan een ieder wordt de uiting des Geestes geschonken, om er nut mee te stichten »; en geen enkel nut zou uit hun heiliging in den moederschoot voortvloeien, zoo de Kerk er niets van af wist.35Toch moet men niet geloven, dat sommige anderen, van wie de H. Schrift geen melding maakt, in de moederschoot geheiligd zijn. Want dergelijke genade-voorrechten, die aan sommigen, buiten de gewone regel om, verleend worden, zijn gericht op het welzijn van anderen, volgens de woorden van de Eerste Brief aan de Korintiërs (12, 7): “Aan een ieder wordt de uiting van de Geest geschonken, om er nut mee te stichten”; en geen enkel nut zou uit hun heiliging in de moederschoot voortvloeien, zo de Kerk er niets van af wist.

Et quamvis judiciorum Dei non possit ratio assignari, quare scilicet huic et non alii hoc munus gratiae conferat, conveniens tamen videtur fuisse utrumque dictorum sanctificari in utero ad praefigurandam sanctificationem per Christum faciendam: primo quidem per ejus passionem, secundum illud Hebr. ult. [v. 12]: « Jesus, ut sanctificaret per suum sanguinem populum, extra portam passus est », quam quidem passionem Hieremias, et verbis, et mysteriis apertissime praenuntiavit, et suis passionibus expressissime praefiguravit. Secundo per baptismum, 1. ad Corinth 6. [v. 11] 36: « Sed abluti estis, sed sanctificati estis », ad quem quidem baptismum Joannes suo baptismo homines praeparavit.

En hoewel men geen reden kan aangeven van Gods raadsbesluiten, waarom Hij nl. wel aan dezen dit genade-geschenk geeft en niet aan een ander, toch lijkt het wel passend, dat zij beiden, zoowel Jeremias als Joannes, in den moederschoot geheiligd werden ter voorafbeelding van de heiliging, die door Christus zou worden voltrokken. Op de eerste plaats nl. door zijn lijden, volgens den Brief aan de Hebreeën (13, 12): « Daarom heeft ook Jezus buiten de poort geleden, om door Zijn Bloed het volk te heiligen ». Dit lijden nu heeft Jeremias zoowel door zijn woorden als door zijn geheimzinnige handelingen het openlijkst voorspeld en door zijn eigen lijden het uitdrukkelijkst voorafgebeeld. — Op de tweede plaats door het Doopsel, volgens den Eersten Brief aan de Korinthiërs (6, 11): « Gij zijt rein gewasschen 36, gij zijt geheiligd ». Op dit Doopsel nu heeft Joannes de menschen door zijn doopsel voorbereid.En hoewel men geen reden kan aangeven van Gods raadsbesluiten, waarom Hij nl. wel aan deze dit genade-geschenk geeft en niet aan een ander, toch lijkt het wel passend, dat zij beiden, zowel Jeremia als Johannes, in de moederschoot geheiligd werden ter voorafbeelding van de heiliging, die door Christus zou worden voltrokken. Op de eerste plaats nl. door zijn lijden, volgens de Brief aan de Hebreeën (13, 12): “Daarom heeft ook Jezus buiten de poort geleden, om door Zijn Bloed het volk te heiligen”. Dit lijden nu heeft Jeremia zowel door zijn woorden als door zijn geheimzinnige handelingen het openlijkst voorspeld en door zijn eigen lijden het uitdrukkelijkst voorafgebeeld. — Op de tweede plaats door het Doopsel, volgens de Eerste Brief aan de Korintiërs (6, 11): “Gij zijt rein gewassen 36, gij zijt geheiligd”. Op dit Doopsel nu heeft Johannes de mensen door zijn doopsel voorbereid.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod Beata Virgo, quae fuit a Deo electa in matrem, ampliorem sanctificationis gratiam obtinuit, quam Joannes Baptista, et Hieremias, qui sunt electi ut speciales praefiguratores sanctificationis Christi; cujus signum est, quod B. Virgini praestitum est, ut de caetero non peccaret, nec mortaliter, nec venialiter; aliis autem sanctificatis creditur praestitum esse, ut de caetero mortaliter non peccarent, divina eos gratia protegente.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De H. Maagd, die door God tot moeder was uitverkoren, verkreeg een grootere heiligingsgenade dan Joannes de Dooper en Jeremias, die waren uitverkoren tot bijzondere voorafbeelders van de heiligmaking door Christus. En het teeken hiervan is, dat aan de H. Maagd verleend werd, dat zij later niet zondigde, m. a. w. geen doodzonde noch dagelijksche zonde bedreef; wat de overige geheiligden betreft, gelooft men, dat hun verleend werd, dat zij later geen doodzonde bedreven, daar de Goddelijke genade hen beschermde.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De H. Maagd, die door God tot moeder was uitverkoren, verkreeg een grotere heiligingsgenade dan Johannes de Doper en Jeremia, die waren uitverkoren tot bijzondere voorafbeelders van de heiligmaking door Christus. En het teken hiervan is, dat aan de H. Maagd verleend werd, dat zij later niet zondigde, m. a. w. geen doodzonde noch dagelijkse zonde bedreef; wat de overige geheiligden betreft, gelooft men, dat hun verleend werd, dat zij later geen doodzonde bedreven, daar de Goddelijke genade hen beschermde.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod quantum ad alia potuerunt sancti esse Christo conjunctiores, quam Hieremias et Joannes Baptista, qui tamen fuerunt ei conjunctissimi, quantum ad expressam figuram sanctificationis ipsius, ut dictum est [in corp.].

2. In andere punten konden de heiligen méér met Christus verbonden zijn dan Jeremias en Joannes de Dooper. Maar dezen stonden het dichtst bij Hem als de uitdrukkelijke voorafbeelders der door Hem voltrokken heiligmaking, gelijk boven werd uiteengezet (Vgl. de Leerstelling en het Antw. op de eerste Bedenking).2. In andere punten konden de heiligen méér met Christus verbonden zijn dan Jeremia en Johannes de Doper. Maar deze stonden het dichtst bij Hem als de uitdrukkelijke voorafbeelders van de door Hem voltrokken heiligmaking, gelijk boven werd uiteengezet (Vgl. de Leerstelling en het Antw. op de eerste Bedenking).

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod miseratio, de qua ibi Job loquitur, non significat virtutem infusam, sed quamdam inclinationem naturalem ad actum hujus virtutis.

3. Het medelijden, waarover Job spreekt, beteekent geen ingestorte deugd, maar een zekere natuurlijke neiging tot de daad dezer deugd.3. Het medelijden, waarover Job spreekt, betekent geen ingestorte deugd, maar een zekere natuurlijke neiging tot de daad van deze deugd.