Theologische Summa · Tertia Pars · Christus' komst in de wereldSumma · III · Christus' komst in de wereldSumma · III · Kw. 31Kw. 31
Quaestio XXXI

De conceptione Salvatoris quoad materiam de qua corpus ejus conceptum est

Kwestie 31

Over de stof, waaruit Christus' Lichaam ontvangen werd

(Acht Artikelen)

98Deinde considerandum est de ipsa conceptione Salvatoris: primo quantum ad materiam, de qua ejus corpus conceptum est; secundo quantum ad conceptionis auctorem; tertio quantum ad modum, et ordinem conceptionis.

98Vervolgens moeten we spreken over de ontvangenis zelf des Zaligmakers. En eerstens over de materie, waaruit zijn Lichaam ontvangen werd. Ten tweede over den bewerker der ontvangenis. Ten derde over de wijze en volgorde der ontvangenis.98Vervolgens moeten we spreken over de ontvangenis zelf van de Zaligmaker. En eerstens over de materie, waaruit zijn Lichaam ontvangen werd. Ten tweede over de bewerker van de ontvangenis. Ten derde over de wijze en volgorde van de ontvangenis.

Circa primum quaeruntur octo: 1. Utrum caro Christi fuerit sumpta de Adam. — 2. Utrum fuerit sumpta de David. — 3. De genealogia Christi, quae in Evangeliis ponitur. — 4. Utrum decuerit Christum nasci de foemina. — 5. Utrum fuerit de purissimis sanguinibus virginis corpus ejus formatum. — 6. Utrum caro Christi fuerit in antiquis patribus secundum 99aliquid signatum. — 7. Utrum caro Christi in patribus fuerit peccato obnoxia. — 8. Utrum fuerit decimata in lumbis Abrahae.

Aangaande het eerste punt worden acht vragen gesteld : 1. Is Christus' Lichaam ontleend aan Adam? 2. Is Christus' Lichaam ontleend aan David? 3. Over den stamboom van Christus, die in de Evangeliën wordt opgegeven. 4. Paste het, dat Christus geboren werd uit een vrouw? 5. Werd Christus' Lichaam gevormd uit het zuiverste bloed der Maagd? 6. Was Christus' Lichaam in de Voorvaderen aanwezig naar iets bepaald aanwijsbaars? 997. Was Christus' Lichaam in de Voorvaderen besmet door de zonde? 8. Heeft Christus' Lichaam in de lenden van Abraham de tienden betaald?Aangaande het eerste punt worden acht vragen gesteld: 1. Is Christus' Lichaam ontleend aan Adam? 2. Is Christus' Lichaam ontleend aan David? 3. Over de stamboom van Christus, die in de Evangeliën wordt opgegeven. 4. Paste het, dat Christus geboren werd uit een vrouw? 5. Werd Christus' Lichaam gevormd uit het zuiverste bloed van de Maagd? 6. Was Christus' Lichaam in de Voorvaderen aanwezig naar iets bepaald aanwijsbaars? 997. Was Christus' Lichaam in de Voorvaderen besmet door de zonde? 8. Heeft Christus' Lichaam in de lenden van Abraham de tienden betaald?

Articulus I

Utrum caro Christi fuerit sumpta de Adam

Ie Artikel

Is Christus' Lichaam ontleend aan Adam?

antwoord 1 ↓

Ad primum sic proceditur. Videtur, quod caro Christi non fuerit sumpta ex Adam; dicit enim Apostolus 1. ad Cor. 15. [v. 47]: « Primus homo de terra terrenus, secundus homo de coelo coelestis ». Primus autem homo est Adam, secundus est Christus. Ergo Christus non est ex Adam, sed habet ab eo distinctam originem.

Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus' Lichaam niet aan Adam ontleend is. — 1. De Apostel toch schrijft in zijn Eersten Brief aan de Korinthiërs (15, 47) : « De eerste mensch was uit de aarde, aardsch; de tweede mensch is uit den hemel, hemelsch ». De eerste mensch echter is Adam; de tweede mensch is Christus. Derhalve is Christus niet uit Adam voortgesproten, maar heeft Hij een van hem onderscheiden oorsprong.Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus' Lichaam niet aan Adam ontleend is. — 1. De Apostel toch schrijft in zijn Eersten Brief aan de Korintiërs (15, 47): “De eerste mens was uit de aarde, aards; de tweede mens is uit de hemel, hemels”. De eerste mens echter is Adam; de tweede mens is Christus. Derhalve is Christus niet uit Adam voortgesproten, maar heeft Hij een van hem onderscheiden oorsprong.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, conceptio Christi debuit esse maxime miraculosa. Sed majus est miraculum formare corpus hominis ex limo terrae, quam ex materia humana, quae de Adam trahitur. Ergo videtur, quod non fuerit conveniens Christum ab Adam carnem sumpsisse. Ergo videtur quod corpus 100Christi non debuerit formari de massa humani generis derivata ab Adam, sed de aliqua alia materia.

2. Christus' ontvangenis moest zeer wondervol wezen. Welnu, het lichaam van den mensch uit het slijk der aarde te vormen, is een grooter wonder dan het te vormen uit menschelijke materie, die uit Adam wordt afgeleid. Derhalve was het niet passend, naar het schijnt, dat Christus zijn lichaam heeft ontleend aan Adam. 100Bijgevolg moest Christus' Lichaam, zoo beweert men, niet gevormd worden uit het deeg van het menschelijk geslacht, hetwelk van Adam afstamt, maar uit eenige andere stof.2. Christus' ontvangenis moest zeer wondervol wezen. Welnu, het lichaam van de mens uit het slijk van de aarde te vormen, is een groter wonder dan het te vormen uit menselijke materie, die uit Adam wordt afgeleid. Derhalve was het niet passend, naar het schijnt, dat Christus zijn lichaam heeft ontleend aan Adam. 100Bijgevolg moest Christus' Lichaam, zo beweert men, niet gevormd worden uit het deeg van het menselijk geslacht, hetwelk van Adam afstamt, maar uit enige andere stof.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, « peccatum in hunc mundum intravit per unum hominem », scilicet per Adam, quia omnes in eo originaliter existentes peccaverunt, ut patet Rom. 5. [v. 12]. Sed si corpus Christi fuisset ab Adam sumptum, ipse etiam in Adam originaliter fuisset, quando peccavit. Ergo peccatum originale contraxisset, quod non decebat Christi puritatem. Non ergo corpus Christi est formatum de materia sumpta ab Adam.

3. « De zonde is door één mensch in de wereld gekomen », nl. door Adam, omdat allen, die naar hun oorsprong in hem waren, zondigden, zooals blijkt uit den Brief aan de Romeinen (5, 12). Welnu, indien Christus' Lichaam ontleend zou zijn aan Adam, dan zou ook Hij oorspronkelijk in Adam geweest zijn, toen deze zondigde. Bijgevolg zou Hij de erfzonde hebben opgeloopen. Dit echter past geenszins aan Christus' vlekkeloosheid. Derhalve is Christus' Lichaam niet gevormd uit een aan Adam ontleende materie.3. “De zonde is door één mens in de wereld gekomen”, nl. door Adam, omdat allen, die naar hun oorsprong in hem waren, zondigden, zoals blijkt uit de Brief aan de Romeinen (5, 12). Welnu, indien Christus' Lichaam ontleend zou zijn aan Adam, dan zou ook Hij oorspronkelijk in Adam geweest zijn, toen deze zondigde. Bijgevolg zou Hij de erfzonde hebben opgelopen. Dit echter past geenszins aan Christus' vlekkeloosheid. Derhalve is Christus' Lichaam niet gevormd uit een aan Adam ontleende materie.

Sed contra est, quod Apostolus dicit ad Hebr. 2. [v. 16]: « Nusquam angelos apprehendit, scilicet Filius Dei, sed semen Abrahae apprehendit ». Semen autem Abrahae sumptum est ex Adam. Ergo corpus Christi fuit formatum de materia ex Adam sumpta.

Daartegenover staat echter hetgeen de Apostel zegt in den Brief aan de Hebreeën (2, 16) : « Niet engelen trok Hij (nl. de Zoon Gods) zich aan, maar Abrahams zaad trok Hij zich aan ». Abrahams zaad echter is ontleend aan Adam. Bijgevolg is Christus' Lichaam gevormd uit aan Adam ontleende materie.Daartegenover staat echter hetgeen de Apostel zegt in de Brief aan de Hebreeën (2, 16): “Niet engelen trok Hij (nl. de Zoon Gods) zich aan, maar Abrahams zaad trok Hij zich aan”. Abrahams zaad echter is ontleend aan Adam. Bijgevolg is Christus' Lichaam gevormd uit aan Adam ontleende materie.

Respondeo dicendum, quod Christus humanam naturam assumpsit, ut eam a corruptione purgaret; non autem purgatione indigebat natura humana, 101nisi secundum quod infecta erat per originem vitiatam, qua ex Adam descendebat, et ideo conveniens fuit ut carnem sumeret ex materia ab Adam derivata, ut ipsa natura per assumptionem curaretur.

Leerstelling. — Christus heeft de menschelijke natuur aangenomen, om haar te zuiveren van haar bedorvenheid. De menschelijke natuur echter behoefde niet gezuiverd te worden, dan 101voor zoover zij besmet was door haar onteerden oorsprong, waardoor zij van Adam afstamde. Derhalve was het betamelijk, dat Hij het vleesch aannam uit een materie, die van Adam afstamde, om door deze aanneming de natuur zelf te genezen.Leerstelling. — Christus heeft de menselijke natuur aangenomen, om haar te zuiveren van haar bedorvenheid. De menselijke natuur echter behoefde niet gezuiverd te worden, dan 101voor zover zij besmet was door haar onteerden oorsprong, waardoor zij van Adam afstamde. Derhalve was het betamelijk, dat Hij het vlees aannam uit een materie, die van Adam afstamde, om door deze aanneming de natuur zelf te genezen.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod secundus homo, idest Christus, dicitur esse de coelo, non quidem quantum ad materiam corporis, sed vel quantum ad virtutem formativam corporis ejus, vel etiam quantum ad ipsam ejus divinitatem. Secundum autem materiam corpus Christi fuit terrenum, sicut et corpus Adae.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Van den tweeden mensch, d. i. Christus, heet het, dat Hij uit den hemel is, niet voor wat de materie aangaat, waaruit zijn Lichaam gevormd werd, maar ófwel voor wat de kracht betreft, die zijn Lichaam vormde, ófwel om reden van zijn Godheid. Naar de materie echter was Christus' Lichaam aardsch, zooals ook het lichaam van Adam.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Van de tweede mens, d.i. Christus, heet het, dat Hij uit de hemel is, niet voor wat de materie aangaat, waaruit zijn Lichaam gevormd werd, maar ófwel voor wat de kracht betreft, die zijn Lichaam vormde, ófwel om reden van zijn Godheid. Naar de materie echter was Christus' Lichaam aards, zoals ook het lichaam van Adam.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod, sicut dictum est [q. 29. art. 1. ad 2.], mysterium incarnationis Christi est quiddam miraculosum, non sicut ordinatum ad confirmationem fidei, sed sicut articulus fidei. Et ideo in mysterio incarnationis non requiritur, quid sit majus miraculum, sicut in miraculis quae fiunt ad confirmationem fidei, sed quid sit divinae sapientiae convenientius, et magis expediens humanae saluti, quod requiritur in omnibus quae fidei sunt. Vel potest dici, quod in mysterio incarnationis non solum 102attenditur miraculum ex materia conceptus, sed magis ex modo conceptionis et partus, quia scilicet virgo concepit et peperit.

2. Zooals we boven (29e Kw., 1e Art., Antw. op de 2e B.) reeds zeiden, is het geheim van Christus' Menschwording iets wondervols, niet in dien zin, dat het moet dienen ter bevestiging der geloofsleer, maar als een geloofspunt. En derhalve wordt bij het geheim der menschwording niet gevraagd, wat het grootste wonder is, zooals bij de wonderen, die dienen om het geloof te bevestigen; maar wat het meest overeenkomt met Gods Wijsheid en wat het meest bevorderlijk is voor het heil der menschen; dit toch wordt gevraagd bij al wat geloofd wordt. Ofwel, men kan zeggen, dat bij het geheim der menschwording het wonder niet alleen wordt afgemeten naar de materie, waaruit (het Lichaam) ontvangen werd, 102maar meer nog naar de wijze der ontvangenis en der geboorte dat nl. een maagd ontving en baarde.2. Zoals we boven (29e Kw., 1e Art., Antw. op de 2e B.) reeds zeiden, is het geheim van Christus' Menswording iets wondervols, niet in die zin, dat het moet dienen ter bevestiging van de geloofsleer, maar als een geloofspunt. En derhalve wordt bij het geheim van de menswording niet gevraagd, wat het grootste wonder is, zoals bij de wonderen, die dienen om het geloof te bevestigen; maar wat het meest overeenkomt met Gods Wijsheid en wat het meest bevorderlijk is voor het heil van de mensen; dit toch wordt gevraagd bij al wat geloofd wordt. Ofwel, men kan zeggen, dat bij het geheim van de menswording het wonder niet alleen wordt afgemeten naar de materie, waaruit (het Lichaam) ontvangen werd, 102maar meer nog naar de wijze van de ontvangenis en van de geboorte dat nl. een maagd ontving en baarde.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod, sicut supra dictum est [q. 4, art. 6, et q. 15, a. 1 ad 2], corpus Christi fuit in Adam secundum corpulentam substantiam, quia scilicet ipsa materia corporis Christi derivata est ab Adam; non autem fuit ibi secundum seminalem rationem, quia non est conceptum ex virili semine; et ideo non contraxit originale peccatum, sicut caeteri, qui ab Adam per viam virilis seminis derivantur.

3. Zooals we boven (15e Kw., 1e Art., Antw. op de 2e B.) reeds zeiden, was Christus' Lichaam wel in Adam naar het lichamelijke dier zelfstandigheid, omdat nl. juist deze lichamelijke materie van Christus' Lichaam uit Adam is voortgekomen, maar deze materie was niet in Adam op grond van eenig zaad, omdat het niet uit het zaad van den man ontvangen werd. Daarom ook liep Christus de erfzonde niet op, gelijk de anderen, die wel langs den weg van het mannelijk zaad van Adam afstammen.3. Zoals we boven (15e Kw., 1e Art., Antw. op de 2e B.) reeds zeiden, was Christus' Lichaam wel in Adam naar het lichamelijke van die zelfstandigheid, omdat nl. juist deze lichamelijke materie van Christus' Lichaam uit Adam is voortgekomen, maar deze materie was niet in Adam op grond van enig zaad, omdat het niet uit het zaad van de man ontvangen werd. Daarom ook liep Christus de erfzonde niet op, gelijk de anderen, die wel langs de weg van het mannelijk zaad van Adam afstammen.

Articulus II

Utrum caro Christi fuerit sumpta de David

IIe Artikel

Heeft Christus zijn Vleesch ontleend aan het zaad van David?Heeft Christus zijn Vlees ontleend aan het zaad van David?

antwoord 1 ↓

Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod Christus non sumpserit carnem de semine David: Matthaeus enim genealogiam Christi texens, eam ad Joseph perducit. Joseph autem non fuit pater Christi, ut supra 103dictum est [q. 28. art. 1. ad 2., et q. 29. art. 2.]. Non ergo videtur, quod Christus de genere David descenderit.

Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus zijn Lichaam niet heeft ontleend aan het zaad van David. — 1. Want, waar Mattheus den geslachtsboom van Christus opstelt (1e H.), daar voert hij dezen door tot op Joseph. Joseph echter was niet de vader 103van Christus, gelijk reeds werd aangetoond (28e Kw., 1e Art., Antw. op de 1e en 2e B.). Bijgevolg stamde Christus niet af van David.Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus zijn Lichaam niet heeft ontleend aan het zaad van David. — 1. Want, waar Matteüs de geslachtsboom van Christus opstelt (1e H.), daar voert hij deze door tot op Joseph. Joseph echter was niet de vader 103van Christus, gelijk reeds werd aangetoond (28e Kw., 1e Art., Antw. op de 1e en 2e B.). Bijgevolg stamde Christus niet af van David.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Aaron fuit de tribu Levi, ut patet Exod. 6. [v. 16 sqq.]. Maria autem mater Christi cognata dicitur Elisabeth, quae est filia Aaron, ut patet Luc. 1. [v. 5 et 36]. Cum ergo David fuerit de tribu Juda, ut patet Matth. 1. [v. 3 sqq.], videtur quod Christus de semine David non descenderit.

2. Aaron was van den stam van Levi, zooals blijkt uit het Boek van den Uittocht (6, 16 v. v.). Maria echter, de Moeder van Christus, wordt een bloedverwante genoemd van Elisabeth, die een dochter van Aaron was, zooals blijkt uit Lucas (1, 5, 36). Bijgevolg, daar David uit den stam van Juda was, blijkens Mattheus (1, 3 v. v.), is Christus, naar het schijnt, niet voortgesproten uit het zaad van David.2. Aaron was van de stam van Levi, zoals blijkt uit het Boek van de Uittocht (6, 16 v. v.). Maria echter, de Moeder van Christus, wordt een bloedverwante genoemd van Elisabeth, die een dochter van Aaron was, zoals blijkt uit Lukas (1, 5, 36). Bijgevolg, daar David uit de stam van Juda was, blijkens Matteüs (1, 3 v. v.), is Christus, naar het schijnt, niet voortgesproten uit het zaad van David.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Hierem. 22. [v. 30] dicitur de Jechonia: « Scribe istum virum sterilem; nec enim erit de semine ejus vir, qui sedeat super solium David ». Sed de Christo dicitur Isa. 9. [v. 7]: « Super solium David sedebit ». Ergo Christus non fuit de semine Jechoniae, et per consequens nec de genere David, quia Matthaeus a David per Jechoniam seriem generationum perducit.

3. In Jeremias (22, 30) wordt aangaande Jechonias gezegd : « Schrijf dien man op voor kinderloos. . want uit zijn zaad zal geen man zijn, die zetelt op den troon van David ». Maar van Christus wordt in Isaias (9, 7) gezegd: « Op Davids troon zal Hij zetelen ». Derhalve was Christus niet uit het zaad van Jechonias. En bijgevolg ook niet uit het geslacht van David, daar Mattheus den stamboom vanaf David over Jechonias laat gaan.3. In Jeremia (22, 30) wordt aangaande Jechonias gezegd: “Schrijf die man op voor kinderloos. . want uit zijn zaad zal geen man zijn, die zetelt op de troon van David”. Maar van Christus wordt in Jesaja (9, 7) gezegd: “Op Davids troon zal Hij zetelen”. Derhalve was Christus niet uit het zaad van Jechonias. En bijgevolg ook niet uit het geslacht van David, daar Matteüs de stamboom vanaf David over Jechonias laat gaan.

Sed contra est, quod dicitur Rom. 1. [v. 3]: « Qui factus est ei ex semine David secundum carnem ».

Daartegenover staat echter hetgeen we lezen in den Brief aan de Romeinen (1, 3) : « Die naar het vleesch uit Davids zaad gesproten is ».Daartegenover staat echter hetgeen we lezen in de Brief aan de Romeinen (1, 3): “Die naar het vlees uit Davids zaad gesproten is”.

104Respondeo dicendum, quod Christus specialiter duorum antiquorum Patrum filius dicitur esse, Abrahae scilicet, et David, ut patet Matth. 1. [v. 1]. Cujus est multiplex ratio: prima quidem, quia ad hos specialiter de Christo promissio facta est. Dictum est enim Abrahae Genes. 22. [v. 18]: « Benedicentur in semine tuo omnes gentes terrae ». Quod Apostolus de Christo exponit, dicens Gal. 3. [v. 16]: « Abrahae dictae sunt promissiones et semini ejus. Non dicit: Et seminibus, quasi in multis, sed quasi in uno: Et semini tuo, qui est Christus ». Ad David autem dictum est [Psal. 131, v. 11]: « Dè fructu ventris tui ponam super sedem tuam ». Unde et populi Judaeorum, ut regem honorifice suscipientes, dicebant Matth. 21. [v. 9]: « Hosanna filio David ».

104Leerstelling. — Van Christus heet het, dat Hij de zoon van twee voorvaderen in het bijzonder was, nl. van Abraham en van David. De reden hiervan is veelvoudig. 1e nl., daar bijzonderlijk aan hen de belofte betreffende den Christus werd gedaan. Aan Abraham toch werd gezegd (Boek der Schepping, 22, 18) : « Gezegend zullen worden in uw zaad alle volkeren der aarde », hetgeen de Apostel in zijn Brief aan de Galaten (3, 16) op Christus laat slaan met de woorden: « De beloften zijn gedaan aan Abraham en zijn zaad; er wordt niet gezegd: « aan zijn zaden », alsof er spraak was van meerderen, maar : « aan uw zaad », als van één, en dit is Christus ». Tot David echter werd gezegd (Psalm, 131, 11) : « Van de vrucht uws lichaams zal ik plaatsen op uw troon ». Vandaar ook, dat de Joodsche volkeren, die Hem luisterrijk als koning inhaalden, zeiden: « Hosanna den zoon van David » (Mattheus, 21, 9).104Leerstelling. — Van Christus heet het, dat Hij de zoon van twee voorvaderen in het bijzonder was, nl. van Abraham en van David. De reden hiervan is veelvoudig. eerste nl., daar bijzonderlijk aan hen de belofte betreffende de Christus werd gedaan. Aan Abraham toch werd gezegd (Boek van de Schepping, 22, 18): “Gezegend zullen worden in uw zaad alle volkeren van de aarde”, hetgeen de Apostel in zijn Brief aan de Galaten (3, 16) op Christus laat slaan met de woorden: “De beloften zijn gedaan aan Abraham en zijn zaad; er wordt niet gezegd: ‘aan zijn zaden’, alsof er spraak was van meerderen, maar: ‘aan uw zaad’, als van één, en dit is Christus”. Tot David echter werd gezegd (Psalm, 131, 11): “Van de vrucht uws lichaams zal ik plaatsen op uw troon”. Vandaar ook, dat de Joodse volkeren, die Hem luisterrijk als koning inhaalden, zeiden: “Hosanna de zoon van David” (Matteüs, 21, 9).

Secunda ratio est, quod Christus futurus erat Rex, Propheta, et Sacerdos: Abraham autem Sacerdos fuit, ut patet ex hoc quod Dominus dixit ad eum Gen. 15. [v. 9]: « Sume tibi vaccam triennem » etc.; fuit etiam Propheta, secundum illud quod dicitur Genes. 20. [v. 7]: « Propheta est, et orabit pro te ». David autem Rex fuit, et Propheta.

Een tweede reden is, dat Christus koning, priester en profeet zou zijn. Abraham nu was priester, zooals hieruit blijkt, dat de Heer volgens het Boek der Schepping (15, 9) tot hem sprak: « Neem u een driejarige koe... », enz. Tevens was hij profeet, naar hetgeen gezegd wordt in het Boek der Schepping (20, 7) : « Hij is een profeet en zal voor u bidden ». David echter was koning en profeet.Een tweede reden is, dat Christus koning, priester en profeet zou zijn. Abraham nu was priester, zoals hieruit blijkt, dat de Heer volgens het Boek van de Schepping (15, 9) tot hem sprak: “Neem u een driejarige koe...”, enz. Tevens was hij profeet, naar hetgeen gezegd wordt in het Boek van de Schepping (20, 7): “Hij is een profeet en zal voor u bidden”. David echter was koning en profeet.

105Tertia ratio est, quia in Abraham primo incepit circumcisio; in David autem maxime manifestata est Dei electio, secundum illud quod dicitur 1. Reg. 13. [v. 14]: « Quaesivit Dominus sibi virum juxta cor suum ». Et ideo utriusque filius Christus specialissime dicitur, ut ostendatur esse in salutem et circumcisioni, et electioni Gentilium.

105Een derde reden is, dat volgens het Boek der Schepping (17, 10 v. v) in Abraham het eerst met de besnijdenis werd begonnen, terwijl in David zich het meest Gods uitverkiezing openbaarde blijkens de woorden in het 1e Boek der Koningen (13, 14) : « De Heer zocht zich een man naar zijn hart ». Daarom heet Christus in heel bijzonderen zin hun beider zoon, om aan te toonen, dat Hij kwam tot heil der besnedenen en tot uitverkiezing der heidenen.105Een derde reden is, dat volgens het Boek van de Schepping (17, 10 v. v) in Abraham het eerst met de besnijdenis werd begonnen, terwijl in David zich het meest Gods uitverkiezing openbaarde blijkens de woorden in het 1e Boek van de Koningen (13, 14)a: “De Heer zocht zich een man naar zijn hart”. Daarom heet Christus in heel bijzonderen zin hun beider zoon, om aan te tonen, dat Hij kwam tot heil van de besnedenen en tot uitverkiezing van de heidenen.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod haec objectio fuit Fausti Manichaei volentis probare, Christum non esse filium David, quia non est conceptus ex Joseph, usque ad quem seriem generationis Matthaeus perducit. Contra quem Augustinus respondet 23. lib. contra Faus. [cap. 8. et 9.] quod « cum idem Evangelista dicat, et virum Mariae esse Joseph, et Christi matrem virginem esse, et Christum esse ex semine David, quid restat, nisi credere Mariam non fuisse extraneam a cognatione David, et eam Joseph conjugem non frustra appellatam propter animorum confoederationem, quamvis ei non fuerit carne commixtus; et quod potius propter dignitatem virilem ordo generationum usque ad Joseph perducitur? Sic ergo nos 106credimus etiam Mariam fuisse de cognatione David, quia Scripturis credimus, quae utrumque dicunt, et Christum ex semine David secundum carnem, et ejus matrem Mariam, non cum viro concumbendo, sed virginem ». Ut enim dicit Hieronymus super Matth. [Comm. Lib. I, ad c. 1, v. 18], « ex una tribu fuit Joseph et Maria; et secundum legem eam accipere cogebatur ut propinquam, propter quod et simul censentur in Bethleem, quasi simul de una stirpe generati ».

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Deze moeilijkheid is afkomstig van den manichaeër Faustus, die wilde bewijzen, dat Christus niet de zoon van David was, daar Hij niet ontvangen is uit Joseph, tot op wien Mattheus den stamboom doorvoert. Hierop antwoordt Augustinus in het 23e boek van zijn werk Tegen Faustus: « Daar eenzelfde Evangelist verhaalt, dat Joseph de man was van Maria, en dat de Moeder van Christus een maagd was, en dat Christus is gesproten uit Davids zaad, wat blijft er dan over, tenzij aan te nemen, dat Maria niet buiten de afstamming van David stond, en dat zij niet zonder reden de echtgenoote van Joseph genoemd werd, nl. om de verbintenis hunner zielen, hoewel hij geen vleeschelijken omgang met haar had, en dat de geslachtslijst vooral om diens mannelijke waardigheid, tot op Joseph wordt doorgetrokken? Zoo derhalve gelooven we, dat ook 106Maria in bloedverwantschap met David stond : omdat wij gelooven aan de H. Schrift, die beide leert, én dat Christus naar het vleesch is gesproten uit het zaad van David, én dat Maria zijn moeder werd, niet door omgang te hebben met een man, doch als maagd ». Want gelijk Hieronymus in het 1e boek van zijn Verklaring op Mattheus (op 1, 18) zegt, « waren Joseph en Maria uit één stam: vandaar ook, dat hij volgens de wet verplicht was haar, als zijnde zijn bloedverwante, tot vrouw te nemen. Daarom ook moeten beiden, als uit één stam voortgekomen, naar Bethlehem voor de volkstelling ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Deze moeilijkheid is afkomstig van de manicheeër Faustus, die wilde bewijzen, dat Christus niet de zoon van David was, daar Hij niet ontvangen is uit Joseph, tot op wie Matteüs de stamboom doorvoert. Hierop antwoordt Augustinus in het 23e boek van zijn werk Tegen Faustus: “Daar eenzelfde Evangelist verhaalt, dat Joseph de man was van Maria, en dat de Moeder van Christus een maagd was, en dat Christus is gesproten uit Davids zaad, wat blijft er dan over, tenzij aan te nemen, dat Maria niet buiten de afstamming van David stond, en dat zij niet zonder reden de echtgenote van Joseph genoemd werd, nl. om de verbintenis van hun zielen, hoewel hij geen vleselijken omgang met haar had, en dat de geslachtslijst vooral om diens mannelijke waardigheid, tot op Joseph wordt doorgetrokken? Zo derhalve geloven we, dat ook 106Maria in bloedverwantschap met David stond: omdat wij geloven aan de H. Schrift, die beide leert, én dat Christus naar het vlees is gesproten uit het zaad van David, én dat Maria zijn moeder werd, niet door omgang te hebben met een man, doch als maagd”. Want gelijk Hieronymus in het 1e boek van zijn Verklaring op Matteüs (op 1, 18) zegt, “waren Joseph en Maria uit één stam: vandaar ook, dat hij volgens de wet verplicht was haar, als zijnde zijn bloedverwante, tot vrouw te nemen. Daarom ook moeten beiden, als uit één stam voortgekomen, naar Bethlehem voor de volkstelling”.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod huic objectioni Gregorius Nazianzenus [in carm. 38. de Genealog. Christi] respondet dicens, quod « hoc nutu superno contigit, ut regium genus sacerdotali stirpi jungeretur, ut Christus, qui rex est et sacerdos, ab utrisque nasceretur secundum carnem ». Unde et Aaron, qui fuit primus sacerdos secundum legem, duxit ex tribu Juda conjugem Elisabeth filiam Aminadab. Sic ergo potuit fieri, ut pater Elisabeth aliquam uxorem habuerit de stirpe David, ratione cujus B. Virgo Maria, quae fuit de stirpe David, esset Elisabeth cognata. Vel potius e 107converso, quod pater Beatae Mariae de stirpe David existens, uxorem habuerit de stirpe Aaron.

2. Op deze moeilijkheid antwoordt Gregorius van Nazianze met te zeggen, dat het op hooger bestel gebeurde, dat het koninklijk geslacht zich met den priesterstam verbond, opdat Christus, die koning en priester tevens was, door beiden zou geboren worden naar het vleesch. Vandaar, dat Aaron, die de eerste priester was volgens de wet, een echtgenoote nam uit den stam van Juda, Elisabeth, de dochter van Aminadab (vgl. het Boek van den Uittocht, 6, 23; het Boek der Getallen, 1, 7). Evenzoo kon het dus gebeuren, dat de vader van Elisabeth een vrouw gehuwd heeft van het geslacht van David, waardoor de H. Maagd, die van Davids stam was, een bloedverwante was van Elisabeth. Of beter nog, 107omgekeerd, dat de vader der H. Maagd, die van Davids geslacht was, een echtgenoote genomen had uit den stam van Aaron.2. Op deze moeilijkheid antwoordt Gregorius van Nazianze met te zeggen, dat het op hoger bestel gebeurde, dat het koninklijk geslacht zich met de priesterstam verbond, opdat Christus, die koning en priester tevens was, door beiden zou geboren worden naar het vlees. Vandaar, dat Aaron, die de eerste priester was volgens de wet, een echtgenote nam uit de stam van Juda, Elisabeth, de dochter van Aminadab (vgl. het Boek van de Uittocht, 6, 23; het Boek van de Getallen, 1, 7). Evenzo kon het dus gebeuren, dat de vader van Elisabeth een vrouw gehuwd heeft van het geslacht van David, waardoor de H. Maagd, die van Davids stam was, een bloedverwante was van Elisabeth. Of beter nog, 107omgekeerd, dat de vader van de H. Maagd, die van Davids geslacht was, een echtgenote genomen had uit de stam van Aaron.

Vel, sicut Augustinus dicit 23. contra Faustum [cap. 9.], si Joachim pater Mariae de stirpe Aaron fuit (ut Faustus haereticus per quasdam scripturas apocryphas asserebat), credendum est, quod mater Joachim fuerit de stirpe David, vel etiam uxor ejus, ita ut per aliquem modum Mariam dicamus fuisse de stirpe David.

Of, zooals Augustinus zegt in het 23e boek van zijn werk Tegen Faustus (9e H.), indien Joachim, de vader van Maria, van den stam van Aaron was, (gelijk de ketter Faustus op grond van sommige apocryphe geschriften beweerde), dan moeten we aannemen, dat de moeder van Joachim, of anders zijn vrouw van Davids geslacht was, zoodat we op eenige manier kunnen zeggen, dat Maria onder Davids nakomelingsschap behoorde.Of, zoals Augustinus zegt in het 23e boek van zijn werk Tegen Faustus (9e H.), indien Joachim, de vader van Maria, van de stam van Aaron was, (gelijk de ketter Faustus op grond van sommige apocriefe geschriften beweerde), dan moeten we aannemen, dat de moeder van Joachim, of anders zijn vrouw van Davids geslacht was, zodat we op enige manier kunnen zeggen, dat Maria onder Davids nakomelingsschap behoorde.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod per illam auctoritatem propheticam, sicut Ambrosius dicit super Lucam [Exposit., Lib. III, ad c. 3, v. 25 sqq.], « non negatur ex semine Jechoniae posteros nascituros, et ideo de semine ejus Christus est. Et quod regnavit Christus, non contra prophetiam est: non enim saeculari honore regnavit; ipse enim dixit: Regnum meum non est de hoc mundo ».

3. Zooals Ambrosius in het 3e boek van zijn Uiteenzetting op Lucas (op 3, 25 v. v.) leert, wordt met deze profetische uitspraak niet ontkend, dat er uit Jechonias' zaad nakomelingen geboren zullen worden. En zoo is Christus uit diens zaad voortgekomen. En dat Christus koning was, is evenmin in strijd met deze voorspelling: want Hij heerschte niet krachtens wereldsche waardigheid; zelf toch sprak Hij: « Mijn Rijk is niet van deze wereld ».3. Zoals Ambrosius in het 3e boek van zijn Uiteenzetting op Lukas (op 3, 25 v. v.) leert, wordt met deze profetische uitspraak niet ontkend, dat er uit Jechonias' zaad nakomelingen geboren zullen worden. En zo is Christus uit diens zaad voortgekomen. En dat Christus koning was, is evenmin in strijd met deze voorspelling: want Hij heerste niet krachtens wereldse waardigheid; zelf toch sprak Hij: “Mijn Rijk is niet van deze wereld”.

Articulus III

Utrum convenienter genealogia Christi ab Evangelistis texatur

[Matth. 1. Luc. 1. 2. 3. et 4.]
IIIe Artikel

Is Christus' stamboom wel behoorlijk door de Evangelisten opgesteld?

antwoord 1 ↓

108Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod genealogia Christi inconvenienter ab Evangelistis texatur: dicitur enim Isa. 53. [v. 8] de Christo: « Generationem ejus quis enarrabit? » Ergo non fuit generatio Christi enarranda.

108Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat Christus' stamboom niet behoorlijk door de Evangelisten (Mattheus, 1 ; Lucas, 3, 23 v. v.) is opgesteld. In Isaïas (53, 8) toch wordt aangaande Christus gezegd: « Zijn afkomst, wie zal ze verhalen? » Derhalve moest Christus' afkomst niet worden verhaald.108Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat Christus' stamboom niet behoorlijk door de Evangelisten (Matteüs, 1; Lukas, 3, 23 v. v.) is opgesteld. In Jesaja (53, 8) toch wordt aangaande Christus gezegd: “Zijn afkomst, wie zal ze verhalen?” Derhalve moest Christus' afkomst niet worden verhaald.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, impossibile est unum hominem duos patres habere. Sed Matthaeus dicit [cap. 1.] quod « Jacob genuit Joseph virum Mariae ». Lucas autem dicit [cap. 3.]. Joseph fuisse filium Heli. Ergo contraria sibi invicem scribunt.

2. Een mensch kan onmogelijk twee vaders hebben. Welnu, Mattheus (1, 16) zegt: « Jacob won Joseph, den man van Maria ». Lucas (3, 23) echter leert, dat Joseph de zoon van Heli was. Bijgevolg leeren zij iets, dat met elkaar in strijd is.2. Een mens kan onmogelijk twee vaders hebben. Welnu, Matteüs (1, 16) zegt: “Jacob won Joseph, de man van Maria”. Lukas (3, 23) echter leert, dat Joseph de zoon van Heli was. Bijgevolg leren zij iets, dat met elkaar in strijd is.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, videntur in quibusdam a se invicem diversificari: Matthaeus enim in principio libri incipiens ab Abraham descendendo usque ad Joseph, quadraginta duas generationes enumerat; Lucas autem post baptismum Christi generationem Christi ponit, incipiens a Christo, et perducens 109generationum numerum usque ad Deum, ponens generationes septuaginta septem, utroque extremo computato. Videtur igitur, quod inconvenienter generationem Christi describant.

3. Naar men beweert, verschillen de Evangelisten van elkander. Want Mattheus noemt in den aanvang van zijn Evangelie twee en veertig geslachten op, terwijl hij begint met Abraham en tot op Joseph afdaalt. Lucas echter plaatst Christus' stamboom na den Doop van Christus, en beginnend bij Christus, en het aantal 109geslachten tot op God terugvoerend, geeft hij zeven en zeventig geslachten op, begin- en eind-term medegerekend. Bijgevolg, beschrijven zij Christus' afkomst, naar men beweert, niet zooals het behoort.3. Naar men beweert, verschillen de Evangelisten van elkander. Want Matteüs noemt in de aanvang van zijn Evangelie twee en veertig geslachten op, terwijl hij begint met Abraham en tot op Joseph afdaalt. Lukas echter plaatst Christus' stamboom na de Doop van Christus, en beginnend bij Christus, en het aantal 109geslachten tot op God terugvoerend, geeft hij zeven en zeventig geslachten op, begin- en eind-term medegerekend. Bijgevolg, beschrijven zij Christus' afkomst, naar men beweert, niet zoals het behoort.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, 4. Reg. 8. [v. 24] legitur, quod Joram genuit Ochoziam, cui successit Joas filius ejus; huic autem successit filius ejus Amasias; postea regnavit filius ejus Azarias, qui appellatur Ozias; cui successit Joatham filius ejus. Matthaeus autem dicit, quod Joram genuit Oziam. Ergo videtur inconvenienter generationem Christi describere, tres reges in medio praetermittens.

4. In het 4e Boek der Koningen (8, 24) lezen we, dat Joram Ochozias won; deze werd opgevolgd door zijn Zoon Joas; op hem volgde zijn zoon Amasias en daarna regeerde diens zoon Azarias, die genoemd wordt Ozias; op dezen volgde zijn zoon Joathan. Mattheus (1, 8) echter zegt: « Joram won Ozias ». Bijgevolg schijnt hij Christus' afkomst niet te hebben beschreven zooals het behoort, daar hij midden-in drie koningen overslaat.4. In het 4e Boek van de Koningen (8, 24)a lezen we, dat Joram Ochozias won; deze werd opgevolgd door zijn Zoon Joas; op hem volgde zijn zoon Amasias en daarna regeerde diens zoon Azarias, die genoemd wordt Ozias; op deze volgde zijn zoon Jotam. Matteüs (1, 8) echter zegt: “Joram won Ozias”. Bijgevolg schijnt hij Christus' afkomst niet te hebben beschreven zoals het behoort, daar hij midden-in drie koningen overslaat.

antwoord 5 ↓

5. Praeterea, omnes qui in Christi generatione describuntur, patres habuerunt et matres, et plurimi etiam ex eis fratres habuerunt. Matthaeus autem in generatione Christi tres tantum enumerat matres, scilicet Thamar, Ruth, et uxorem Uriae; fratres autem nominat Judae et Jechoniae, et iterum Phares et Zaram, quorum nihil posuit Lucas. Ergo videntur Evangelistae inconvenienter genealogiam Christi descripsisse.

5. Allen, die in Christus' geslachtslijst staan opgeteekend, hadden vaders en moeders; en de meesten hunner hadden ook broers. Mattheus echter noemt in Christus' geslachtslijst slechts drie moeders op nl. Thamar, Ruth en de vrouw van Urias; broeders echter geeft hij aan van Juda en Jechonias, alsmede Phares en Zara. Lucas echter maakt van dezen geen melding. Derhalve hebben de Evangelisten, naar men beweert, Christus' geslachtslijst niet opgeteekend, zooals het behoort.5. Allen, die in Christus' geslachtslijst staan opgetekend, hadden vaders en moeders; en de meesten van hun hadden ook broers. Matteüs echter noemt in Christus' geslachtslijst slechts drie moeders op nl. Thamar, Ruth en de vrouw van Urias; broeders echter geeft hij aan van Juda en Jechonias, alsmede Fares en Zara. Lukas echter maakt van deze geen melding. Derhalve hebben de Evangelisten, naar men beweert, Christus' geslachtslijst niet opgetekend, zoals het behoort.

Sed contra est auctoritas Scripturae.

Daartegenover staat echter het gezag der H. Schrift.Daartegenover staat echter het gezag van de H. Schrift.

110Respondeo dicendum, quod, sicut dicitur 2. ad Timoth. 3. [v. 16]: « Omnis scriptura sacra est divinitus inspirata »; quae autem divinitus fiunt, ordinatissime fiunt, secundum illud Rom. 13. [v. 1]: « Quae a Deo sunt, ordinata sunt ». Unde convenienti ordine genealogia Christi est ab Evangelistis scripta.

110Leerstelling. — Zooals in den Tweeden Brief aan Timotheus (3, 16) geschreven staat, « is de geheele H. Schrift door God ingegeven ». Wat echter door God gedaan wordt, wordt ten ordelijkste gedaan, blijkens den Brief aan de Romeinen (13, 1) : « Wat van God komt, is geordend ». Derhalve is Christus' stamboom in passende volgorde door de Evangelisten beschreven.110Leerstelling. — Zoals in de Tweede Brief aan Timoteüs (3, 16) geschreven staat, “is de gehele H. Schrift door God ingegeven”. Wat echter door God gedaan wordt, wordt ten ordelijkste gedaan, blijkens de Brief aan de Romeinen (13, 1): “Wat van God komt, is geordend”. Derhalve is Christus' stamboom in passende volgorde door de Evangelisten beschreven.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod, sicut Hieronymus dicit super Matth. [in cap. 1.], Isaias loquitur de generatione divinitatis Christi; Matthaeus autem enarrat generationem Christi secundum humanitatem, non quidem explicans modum incarnationis, quia hoc etiam est ineffabile, sed enumerans patres, ex quibus Christus secundum carnem processit.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zooals Hieronymus in het 1e Boek van zijn Verklaring op Mattheus zegt, spreekt Isaias daar over de afkomst van Christus' Godheid. Mattheus echter verhaalt Christus' afkomst naar zijn menschheid, wel niet in dien zin, dat hij de wijze zijner Menschwording uiteenzet, want daar vermag bovendien niemand iets over te zeggen; doch hij noemt de voorvaderen op, uit wie Christus naar het vleesch is voortgekomen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoals Hieronymus in het 1e Boek van zijn Verklaring op Matteüs zegt, spreekt Jesaja daar over de afkomst van Christus' Godheid. Matteüs echter verhaalt Christus' afkomst naar zijn mensheid, wel niet in die zin, dat hij de wijze van zijn Menswording uiteenzet, want daar vermag bovendien niemand iets over te zeggen; doch hij noemt de voorvaderen op, uit wie Christus naar het vlees is voortgekomen.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod ad hanc objectionem, quam movit Julianus Apostata, diversimode ab aliquibus respondetur. Quidam enim, ut Gregorius Nazianzenus dicit (vide Aug. lib. 2. QQ. Evang. q. 5.), dicunt eosdem esse, quos uterque Evangelista enumerat, sed sub diversis nominibus, quasi binomios, sed hoc stare non potest. quia Matthaeus ponit unum filiorum David, scilicet Salomonem, Lucas autem ponit alium, scilicet 111Nathan, quos secundum historiam libri Regum constat fratres fuisse.

2. Deze moeilijkheid, die door Juliaan den Afvallige werd opgeworpen, wordt door verschillenden verschillend beantwoord. Sommigen toch, gelijk Gregorius van Nazianze mededeelt, zeggen, dat beide Evangelisten over denzelfden persoon spreken, maar onder andere namen, alsof die persoon twee namen had. — Doch deze oplossing houdt geen stand, want Mattheus noemt een der zonen van David, nl. Salomon; Lucas echter noemt een anderen 111zoon, nl. Nathan, terwijl het volgens de geschiedenis in het 2e Boek der Koningen (2, 5) duidelijk is, dat zij broeders waren.2. Deze moeilijkheid, die door Juliaan de Afvallige werd opgeworpen, wordt door verschillenden verschillend beantwoord. Sommigen toch, gelijk Gregorius van Nazianze mededeelt, zeggen, dat beide Evangelisten over dezelfde persoon spreken, maar onder andere namen, alsof die persoon twee namen had. — Doch deze oplossing houdt geen stand, want Matteüs noemt een van de zonen van David, nl. Salomon; Lukas echter noemt een anderen 111zoon, nl. Nathan, terwijl het volgens de geschiedenis in het 2e Boek van de Koningen (2, 5)b duidelijk is, dat zij broeders waren.

Unde alii dixerunt, quod Matthaeus veram genealogiam Christi tradidit, Lucas autem putativam; unde incepit: « Ut putabatur filius Joseph ». Erant enim aliqui ex Judaeis, qui propter peccata regum Juda credebant, Christum ex David non per reges, sed per aliam ejus stirpem hominum privatorum esse nasciturum.

Daarom leerden anderen, dat Mattheus de ware geslachtslijst opgeeft, Lucas echter de vermeende, vandaar, dat hij begint met: « naar men meende, de zoon van Joseph ». Onder de Joden toch waren er die meenden, dat Christus wegens de zonden der koningen van Juda, niet door de koningen uit David zou worden geboren, maar langs dien anderen tak, nl. van privaat-burgers.Daarom leerden anderen, dat Matteüs de ware geslachtslijst opgeeft, Lukas echter de vermeende, vandaar, dat hij begint met: “naar men meende, de zoon van Joseph”. Onder de Joden toch waren er die meenden, dat Christus wegens de zonden van de koningen van Juda, niet door de koningen uit David zou worden geboren, maar langs die andere tak, nl. van privaat-burgers.

Alii vero dixerunt, quod Matthaeus posuit patres carnales, Lucas vero posuit patres spirituales, scilicet justos viros, qui dicuntur patres propter similitudinem honestatis.

Weer anderen echter zeiden, dat Mattheus de voorvaders naar het vleesch opnoemt, Lucas daarentegen de voorvaders naar den geest, nl. de rechtvaardige mannen, die om wille van hun overeenkomstig hoogstaand zedelijk leven, voorvaderen heeten.Weer anderen echter zeiden, dat Matteüs de voorvaders naar het vlees opnoemt, Lukas daarentegen de voorvaders naar de geest, nl. de rechtvaardige mannen, die om wille van hun overeenkomstig hoogstaand zedelijk leven, voorvaderen heten.

In libro vero de Quaestionibus veteris et novi Testamenti [part. 1. q. 56. et part. 2. in QQ. novi Testam. q. 6. inter op. Aug.] respondetur, quod non est intelligendum, quod Joseph a Luca dicatur esse filius Heli, sed quod Heli et Joseph fuerunt patres Christi, diversimode a David descendentes; unde de Christo dicitur, quod putabatur filius Joseph, et quod ipse etiam Christus fuit Heli filius, quasi diceret, quod Christus ea ratione, qua dicitur filius Joseph, potest dici filius Heli, et omnium eorum qui ex stirpe David descenderunt, sicut 112Apostolus dicit Rom. 9. [v. 5]: « Ex quibus, scilicet Judaeis, Christus est secundum carnem ».

In het boek Over de Vragen van het Oude en Nieuwe Verbond echter wordt geantwoord, dat men het niet moet verstaan, alsof Lucas zegt, dat Joseph de zoon van Heli was, maar dat Heli en Joseph ten tijde van Christus nakomelingen van David waren, die langs verschillende lijnen van hem afstamden. Daarom dan wordt van Christus getuigd, dat Hij, naar men meende de zoon van Joseph was, en dat ook Christus zelf de zoon was van Heli; als wilde hij zeggen, dat Christus om dezelfde reden als Hij zoon van Joseph heet, ook de zoon van Heli kan genoemd worden en zelfs zoon van al diegenen, die uit Davids stam waren voortgesproten, 112gelijk ook de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (9, 5) zegt: « van hen — nl. van de Joden — stamt Christus af naar het vleesch ».In het boek Over de Vragen van het Oude en Nieuwe Verbond echter wordt geantwoord, dat men het niet moet verstaan, alsof Lukas zegt, dat Joseph de zoon van Heli was, maar dat Heli en Joseph ten tijde van Christus nakomelingen van David waren, die langs verschillende lijnen van hem afstamden. Daarom dan wordt van Christus getuigd, dat Hij, naar men meende de zoon van Joseph was, en dat ook Christus zelf de zoon was van Heli; als wilde hij zeggen, dat Christus om dezelfde reden als Hij zoon van Joseph heet, ook de zoon van Heli kan genoemd worden en zelfs zoon van al diegenen, die uit Davids stam waren voortgesproten, 112gelijk ook de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (9, 5) zegt: “van hen — nl. van de Joden — stamt Christus af naar het vlees”.

Augustinus vero in lib. 2 de Quaestionibus Evangel. [q. 5] tripliciter solvit dicens: « Tres causae occurrunt, quarum aliquam evangelista secutus est: aut enim unus Evangelista patrem Joseph, a quo genitus est, nominavit; alter vero vel avum maternum, vel aliquem de cognatis majoribus posuit; aut unus erat huic Joseph naturalis pater, et alter eum adoptaverat; aut more Judaeorum, cum sine filiis unus decessisset, ejus uxorem propinquus accipiens, filium quem genuit propinquo mortuo deputavit ». Quod etiam quoddam genus adoptionis legalis est, ut ipse Augustinus dicit in 2. de Consensu Evangel. [cap. 3.].

Augustinus echter geeft in zijn werk Over de Vraagstukken van het Evangelie een drievoudige oplossing, waar hij zegt: « Er staan drie mogelijkheden open; slechts een dezer heeft de Evangelist gevolgd. Want ófwel de eene Evangelist heeft den vader van Joseph genoemd, door wien hij werd voortgebracht, terwijl de andere den grootvader van moederszijde aangeeft of iemand van de meer oudere verwanten. — Ofwel de een was Joseph's natuurlijke vader terwijl de ander hem als zoon had aangenomen. — Ofwel, zooals bij de Joden gebruikelijk was, wanneer iemand kinderloos stierf, dan nam een bloedverwant diens echtgenoote tot vrouw, en den zoon, dien hij won, benoemde hij naar den overleden bloedverwant »; hetgeen tevens een soort wettelijke aanneming is, zooals Augustinus zelf zegt in het 2e boek van zijn Overeenstemming der Evangeliën.Augustinus echter geeft in zijn werk Over de Vraagstukken van het Evangelie een drievoudige oplossing, waar hij zegt: “Er staan drie mogelijkheden open; slechts een van deze heeft de Evangelist gevolgd. Want ófwel de ene Evangelist heeft de vader van Joseph genoemd, door wie hij werd voortgebracht, terwijl de andere de grootvader van moederszijde aangeeft of iemand van de meer oudere verwanten. — Ofwel de een was Joseph's natuurlijke vader terwijl de ander hem als zoon had aangenomen. — Ofwel, zoals bij de Joden gebruikelijk was, wanneer iemand kinderloos stierf, dan nam een bloedverwant diens echtgenote tot vrouw, en de zoon, die hij won, benoemde hij naar de overleden bloedverwant”; hetgeen tevens een soort wettelijke aanneming is, zoals Augustinus zelf zegt in het 2e boek van zijn Overeenstemming van de Evangeliën.

Et haec ultima causa est verior, quam et Hieronymus super Matth. [Comm. in L. I, ad c. 1, v. 16] ponit, et Eusebius Caesariensis in Ecclesiastica Historia [lib. 1. cap. 7.] ab Africano historiographo traditam asserit. Dicunt enim, quod Mathan et Melchi diversis temporibus de una 113eademque uxore Estha nomine singulos filios procreaverunt; quia Mathan, qui per Salomonem descendit, uxorem eam primum ceperat; et relicto filio uno Jacob nomine, defunctus est; post cujus obitum, quoniam lex viduam alii viro non vetat nubere, Melchi, qui per Mathan genus ducit, cum esset ex eadem tribu, sed non ex eodem genere, relictam Mathan accepit uxorem, ex qua etiam ipse suscepit filium nomine Heli. Et sic ex diverso patrum genere efficiuntur Jacob et Heli uterini fratres; quorum alter, idest Jacob, fratris sui Heli sine liberis defuncti ex mandato legis accipiens uxorem, genuit Joseph, natura quidem generis suum filium, secundum vero legis praeceptum Heli efficitur filius. Et ideo Matthaeus dicit: Jacob genuit Joseph: sed Lucas, quia legalem generationem describit, nullum nominat aliquem genuisse.

Deze laatste oplossing is de meest juiste; zij wordt ook gegeven door Hieronymus in het eerste boek van zijn Verklaring op het Mattheus-Evangelie, en Eusebius van Caesarea beweert in het eerste Boek van zijn Kerkelijke Geschiedenis, dat zij door een Afrikaansch geschiedschrijver is overgeleverd. Zij toch houden, dat Mathan en Melchi achtereenvolgens zonen wonnen uit een en 113dezelfde echtgenoote, met name Estha. Mathan nl., die door Salomon van David afstamt, had haar het eerst tot echtgenoote genomen, en was toen gestorven met achterlating van één zoon, Jacob genaamd. Na diens dood — de wet verbiedt toch niet dat een weduwe met een anderen man trouwt — nam Melchi (die tot Nathans geslacht behoort), daar hij wel van denzelfden stam was, maar niet van hetzelfde geslacht, de achtergeblevene weduwe van Mathan tot zijn echtgenoote, en ook hij ontving een zoon uit haar, met name Heli. En zoodoende, hoewel hun vaders van verschillend geslacht waren, waren Jacob en Heli toch halve broers van elkaar. Een hunner nu, nl. Jacob, nam overeenkomstig het voorschrift der wet, de echtgenoote van zijn broeder Heli, die kinderloos gestorven was, tot vrouw en won uit haar Joseph, die wel van nature en van geslacht zijn eigen zoon was, maar volgens het voorschrift der wet : de zoon van Heli. En daarom zegt Mattheus: « Jacob won Joseph », maar, wijl Lucas de wettelijke afstamming geeft, zegt hij van geen enkele, dat hij iemand won.Deze laatste oplossing is de meest juiste; zij wordt ook gegeven door Hieronymus in het eerste boek van zijn Verklaring op het Matteüs-Evangelie, en Eusebius van Caesarea beweert in het eerste Boek van zijn Kerkelijke Geschiedenis, dat zij door een Afrikaans geschiedschrijver is overgeleverd. Zij toch houden, dat Mathan en Melchi achtereenvolgens zonen wonnen uit een en 113dezelfde echtgenote, met name Estha. Mathan nl., die door Salomon van David afstamt, had haar het eerst tot echtgenote genomen, en was toen gestorven met achterlating van één zoon, Jacob genaamd. Na diens dood — de wet verbiedt toch niet dat een weduwe met een anderen man trouwt — nam Melchi (die tot Nathans geslacht behoort), daar hij wel van dezelfde stam was, maar niet van hetzelfde geslacht, de achtergeblevene weduwe van Mathan tot zijn echtgenote, en ook hij ontving een zoon uit haar, met name Heli. En zodoende, hoewel hun vaders van verschillend geslacht waren, waren Jacob en Heli toch halve broers van elkaar. Een van hun nu, nl. Jacob, nam overeenkomstig het voorschrift van de wet, de echtgenote van zijn broeder Heli, die kinderloos gestorven was, tot vrouw en won uit haar Joseph, die wel van nature en van geslacht zijn eigen zoon was, maar volgens het voorschrift van de wet: de zoon van Heli. En daarom zegt Matteüs: “Jacob won Joseph”, maar, wijl Lukas de wettelijke afstamming geeft, zegt hij van geen enkele, dat hij iemand won.

Et quamvis Damascenus dicat [lib. 4. Orth. Fid. cap. 14], quod B. Virgo Maria Joseph attinebat secundum illam originem, qua pater ejus dicitur Heli, quia dicit eam ex Melchi descendisse, tamen credendum est, quod etiam ex Salomone originem duxerit, secundum aliquem modum per illos patres, quos enumerat Matthaeus, qui carnalem Christi 114generationem dicitur enarrare, praesertim cum Ambrosius dicat [Expos. in Luc., Lib. III, ad c. 3, v. 23 sqq.] Christum de semine Jechoniae descendisse.

En hoewel Damascenus zegt, dat de H. Maagd Maria aan Joseph toekwam krachtens dien oorsprong, waarom Heli zijn vader wordt genoemd, (daar hij zegt, dat zij uit Melchi is voortgesproten), toch moet men aannemen, dat zij tevens op een of andere wijze van Salomon afstamde door die voorvaderen, welke 114Mattheus opnoemt — van Mattheus toch zegt men, dat hij de geboorte van Christus naar het vleesch verhaalt, — vooral, omdat Ambrosius leert, dat Christus uit het zaad van Jechonias is voortgekomen.En hoewel Damascenus zegt, dat de H. Maagd Maria aan Joseph toekwam krachtens die oorsprong, waarom Heli zijn vader wordt genoemd, (daar hij zegt, dat zij uit Melchi is voortgesproten), toch moet men aannemen, dat zij tevens op een of andere wijze van Salomon afstamde door die voorvaderen, welke 114Matteüs opnoemt — van Matteüs toch zegt men, dat hij de geboorte van Christus naar het vlees verhaalt, — vooral, omdat Ambrosius leert, dat Christus uit het zaad van Jechonias is voortgekomen.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod, sicut dicit Augustinus in lib. 2. de Consensu Evang. [cap. 4]: « Matthaeus regiam in Christo instituerat insinuare personam, Lucas autem sacerdotalem; unde in generationibus Matthaei significatur nostrorum susceptio peccatorum a Domino Jesu Christo », inquantum scilicet per carnis originem similitudinem carnis peccati assumpsit, « in generationibus autem Lucae signatur nostrorum abolitio peccatorum », quae est per sacrificium Christi. « Et ideo generationes Matthaeus descendens enumerat, Lucas autem ascendens. Inde etiam est, quod Matthaeus ab ipso David per Salomonem descendit, in cujus matre ille peccavit. Lucas vero ad ipsum David per Mathan ascendit, per cujus nominis Prophetam Deus peccatum illius expiavit ». Et inde est etiam, quod quia « Matthaeus ad mortalitatem nostram Christum descendentem voluit signare, ipsas generationes ab Abraham usque ad Joseph, et usque 115ad ipsius Christi nativitatem descendendo commemoravit ab initio Evangelii sui. Lucas autem non ab initio, sed a baptismo Christi generationem narrat, nec descendendo, sed ascendendo, tanquam sacerdotem in expiandis peccatis magis assignans, ubi testimonium Joannes perhibuit dicens: « Ecce qui tollit peccatum mundi ». Ascendendo autem transit ab Abraham, et pervenit ad Deum, cui mundati et expiati reconciliamur. Merito etiam adoptionis originem ipse suscepit, quia per adoptionem efficimur filii Dei; per carnalem vero generationem Filius Dei filius hominis factus est. Satis autem demonstravit, non se ideo dixisse Joseph filium Heli, quod de illo sit genitus, sed quod ab illo fuerit adoptatus, cum et ipsum Adam filium Dei dixerit, cum sit factus a Deo ».

3. Zooals Augustinus in het 2e boek van zijn Overeenstemming der Evangeliën leert, « had Mattheus zich voorgesteld den koninklijken rang in Christus te doen uitkomen, Lucas echter de priesterlijke waardigheid. Zoodoende wordt in Mattheus' geslachtslijst het op zich nemen onzer zonden door onzen Heer Jezus Christus te kennen gegeven », in zoover Hij nl. door Zijn oorsprong naar het lichaam « de gelijkheid van het vleesch der zonde » (Rom. 8, 3) heeft aangenomen. « In de geslachtslijst van Lucas echter wordt het wegnemen onzer zonden aangeduid »; dit nu geschiedt door het Offer van Christus. « Daarom geeft Mattheus den stamboom in afdalende, Lucas echter in opgaande lijn ». — Vandaar ook, dat « Mattheus van David afdaalt over Salomon, in wiens moeder David zondigde, terwijl Lucas daarentegen naar David opstijgt over Nathan, omdat God door den profeet van dienzelfden naam hem zijn zonde vergaf ». — Vandaar tevens, dat « Mattheus, wijl hij Christus wilde doen uitkomen als afdalend tot onze sterfelijkheid, de geslachten vanaf Abraham tot op Joseph en tot op de 115geboorte van Christus zelf in afdalende lijn geeft, en reeds in het begin van zijn Evangelie. Lucas echter verhaalt Christus' stamboom niet in het begin, maar eerst bij diens Doop; en ook niet in afdalende, maar in opklimmende lijn, daar hij Hem wil doen uitkomen als den priester in het vergeven der zonden bij welken Doop Joannes het getuigenis aflegde, zeggend: « Ziehier Dengene, die de zonde der wereld wegneemt ». Opstijgend echter gaat hij tot voorbij Abraham en klimt op tot God, met Wien wij, na gezuiverd en gereinigd te zijn, worden verzoend. — Terecht ook behandelde Lucas den oorsprong der aanneming, omdat wij door aanneming kinderen Gods worden, terwijl Gods Zoon door zijn geboorte naar het vleesch de zoon werd des menschen. En hij gaf voldoende aan, dat hij niet dààrom gezegd heeft, dat Joseph de zoon was van Heli, omdat hij door hem is geteeld, maar omdat hij door hem werd aangenomen, daar hij ook Adam zelf zoon van God noemde omdat hij door God is gemaakt ».3. Zoals Augustinus in het 2e boek van zijn Overeenstemming van de Evangeliën leert, “had Matteüs zich voorgesteld de koninklijke rang in Christus te doen uitkomen, Lukas echter de priesterlijke waardigheid. Zodoende wordt in Matteüs' geslachtslijst het op zich nemen van onze zonden door onze Heer Jezus Christus te kennen gegeven”, in zover Hij nl. door Zijn oorsprong naar het lichaam “de gelijkheid van het vlees van de zonde” (Rom. 8, 3) heeft aangenomen. “In de geslachtslijst van Lukas echter wordt het wegnemen van onze zonden aangeduid”; dit nu geschiedt door het Offer van Christus. “Daarom geeft Matteüs de stamboom in afdalende, Lukas echter in opgaande lijn”. — Vandaar ook, dat “Matteüs van David afdaalt over Salomon, in wiens moeder David zondigde, terwijl Lukas daarentegen naar David opstijgt over Nathan, omdat God door de profeet van dienzelfden naam hem zijn zonde vergaf”. — Vandaar tevens, dat “Matteüs, wijl hij Christus wilde doen uitkomen als afdalend tot onze sterfelijkheid, de geslachten vanaf Abraham tot op Joseph en tot op de 115geboorte van Christus zelf in afdalende lijn geeft, en reeds in het begin van zijn Evangelie. Lukas echter verhaalt Christus' stamboom niet in het begin, maar eerst bij diens Doop; en ook niet in afdalende, maar in opklimmende lijn, daar hij Hem wil doen uitkomen als de priester in het vergeven van de zonden bij welke Doop Johannes het getuigenis aflegde, zeggend: ‘Ziehier Dengene, die de zonde van de wereld wegneemt’. Opstijgend echter gaat hij tot voorbij Abraham en klimt op tot God, met Wie wij, na gezuiverd en gereinigd te zijn, worden verzoend. — Terecht ook behandelde Lukas de oorsprong van de aanneming, omdat wij door aanneming kinderen Gods worden, terwijl Gods Zoon door zijn geboorte naar het vlees de zoon werd van de mens. En hij gaf voldoende aan, dat hij niet dààrom gezegd heeft, dat Joseph de zoon was van Heli, omdat hij door hem is geteeld, maar omdat hij door hem werd aangenomen, daar hij ook Adam zelf zoon van God noemde omdat hij door God is gemaakt”.

Numerus etiam quadragenarius ad tempus praesentis vitae pertinet, propter quatuor partes mundi, in quo mortalem vitam ducimus sub Christo regnante; quadraginta autem quater habent decem, et ipsa decem ab uno usque ad quatuor, progrediente numero consummantur. Posset etiam 116denarius ad Decalogum referri, et quaternarius ad praesentem vitam, vel etiam ad quatuor Evangelia, secundum quae Christus regnat in nobis. Et ideo « Matthaeus regiam personam Christi commendans, quadraginta personas posuit, excepto ipso » [Augustinus, loc. cit.]; sed hoc intelligendum est, si sit idem Jechonias, qui ponitur in fine secundi quaterdenarii, et in principio tertii, ut Augustinus vult [loc. sup. cit.], qui dicit factum esse ad significandum, quod « in Jechonia facta est quaedam deflexio ad extraneas gentes, quando in Babyloniam transmigratum est, quod praefigurabat Christum a circumcisione ad praeputium migraturum ».

Wat vervolgens het verschil in de getallen betreft, ook het getal veertig heeft betrekking op den tijd van ons tegenwoordig leven, en wel om de vier windstreken, waarin wij onder het bestuur van Christus ons sterfelijk leven leiden. Veertig nu is viermaal tien: en deze tientallen worden tot volmaaktheid gebracht door het van één tot vier voortschrijdende getal. Eveneens kan het getal tien 116betrekking hebben op de tien geboden Gods, en het getal vier op het tegenwoordig leven, of ook wel op de vier Evangeliën, voor zoover Christus in ons heerscht. En daarom dus geeft « Mattheus, die den nadruk legt op Christus' koninklijken rang, veertig personen aan, behalve dan Hem zelf ». — Deze opvatting is juist, indien, zooals Augustinus aanneemt, Jechonias, die op het einde van het tweede veertien-tal genoemd wordt, dezelfde is als die in het begin van het derde veertien-tal staat. En dit, zegt hij, zou geschied zijn, om aan te duiden, « dat er onder Jechonias een uitwijking naar de vreemde volkeren plaats vond, toen men naar Babylon werd overgevoerd, hetgeen tevens den Christus voorafbeeldde, die zich van de besnijdenis tot de onbesnedenen zou begeven ».Wat vervolgens het verschil in de getallen betreft, ook het getal veertig heeft betrekking op de tijd van ons tegenwoordig leven, en wel om de vier windstreken, waarin wij onder het bestuur van Christus ons sterfelijk leven leiden. Veertig nu is viermaal tien: en deze tientallen worden tot volmaaktheid gebracht door het van één tot vier voortschrijdende getal. Eveneens kan het getal tien 116betrekking hebben op de tien geboden Gods, en het getal vier op het tegenwoordig leven, of ook wel op de vier Evangeliën, voor zover Christus in ons heerst. En daarom dus geeft “Matteüs, die de nadruk legt op Christus' koninklijken rang, veertig personen aan, behalve dan Hemzelf”. — Deze opvatting is juist, indien, zoals Augustinus aanneemt, Jechonias, die op het einde van het tweede veertien-tal genoemd wordt, dezelfde is als die in het begin van het derde veertien-tal staat. En dit, zegt hij, zou geschied zijn, om aan te duiden, “dat er onder Jechonias een uitwijking naar de vreemde volkeren plaats vond, toen men naar Babylon werd overgevoerd, hetgeen tevens de Christus voorafbeeldde, die zich van de besnijdenis tot de onbesnedenen zou begeven”.

Hieronymus autem dicit [Comm. in Matth., L. I, ad c. 1., v. 12-15], duos fuisse Joachim, idest Jechoniam, patrem scilicet et filium; quorum uterque in generatione Christi assumitur, ut constet distinctio generationum, quas Evangelista per tres quaternarios distinguit, quod ascendit ad quadraginta duas personas. Qui etiam numerus sanctae convenit Ecclesiae: hic enim numerus consurgit ex senario, qui significat laborem praesentis vitae, et septenario, qui significat quietem vitae futurae: sexies enim septem sunt 117quadraginta duo. Ipse etiam quaterdenarius, quia ex denario et quaternario, constituitur per aggregationem ad eamdem significationem pertinere potest, quae attributa est quadragenario, qui consurgit ex eisdem numeris secundum multiplicationem.

Hieronymus echter schrijft in het 1e boek van zijn Verklaring op Mattheus, dat er twee Joachims waren, d. w. z. dat er twee personen waren, die Jechonias heetten, nl. vader en zoon. En beiden worden zij in Christus' stamboom opgenoemd, om het onderscheid te doen uitkomen tusschen de verschillende geslachten, welke door den Evangelist in drie veertien-tallen worden ingedeeld. Zoodoende komt men tot twee en veertig personen. En ook dit getal komt overeen met de H. Kerk. Want dit getal ontstaat uit zes (hetgeen de wederwaardigheden van het tegenwoordig leven aanduidt) en uit zeven (hetgeen de rust beteekent van het toekomstig leven) ; zes 117maal zeven toch is twee en veertig. En het getal veertien, dat men verkrijgt door tien en vier bij elkaar op te tellen, kan een zelfde beteekenis hebben als die, welke (zoo juist) werd toegeschreven aan het getal veertig, hetwelk uit de vermenigvuldiging derzelfde getallen (tien en vier) ontstaat.Hieronymus echter schrijft in het 1e boek van zijn Verklaring op Matteüs, dat er twee Joachims waren, d. w. z. dat er twee personen waren, die Jechonias heetten, nl. vader en zoon. En beiden worden zij in Christus' stamboom opgenoemd, om het onderscheid te doen uitkomen tussen de verschillende geslachten, welke door de Evangelist in drie veertien-tallen worden ingedeeld. Zodoende komt men tot twee en veertig personen. En ook dit getal komt overeen met de H. Kerk. Want dit getal ontstaat uit zes (hetgeen de wederwaardigheden van het tegenwoordig leven aanduidt) en uit zeven (hetgeen de rust betekent van het toekomstig leven); zes 117maal zeven toch is twee en veertig. En het getal veertien, dat men verkrijgt door tien en vier bij elkaar op te tellen, kan een zelfde betekenis hebben als die, welke (zo juist) werd toegeschreven aan het getal veertig, hetwelk uit de vermenigvuldiging van dezelfde getallen (tien en vier) ontstaat.

Numerus autem, quo Lucas utitur in generationibus Christi, significat universitatem peccatorum. « Denarius enim, tanquam justitiae numerus, in decem praeceptis legis ostenditur, peccatum autem est legis transgressio; denarii vero numeri transgressio est undenarius ». Septenarius autem significat universitatem, quia « universum tempus septenario dierum numero volvitur ». Septies autem undecim sunt septuaginta septem, et ita per hoc significatur universitas peccatorum, quae per Christum tolluntur.

Het getal echter, dat Lucas in Christus' stamboom gebruikt, beteekent de algemeenheid der zonden. « Want het getal tien wordt ons in de tien geboden der wet als het getal der gerechtigheid voorgehouden. De zonde echter is een overtreding der wet. De overtreding nu van het getal tien is elf ». Van den anderen kant wijst het getal zeven een algemeenheid aan, daar « het geheel van den tijd wordt rondgewenteld in een zevental van dagen ». Zeven maal elf echter is zeven en zeventig. Hiermede wordt dus aangeduid de algemeenheid der zonden, die door Christus worden weggenomen.Het getal echter, dat Lukas in Christus' stamboom gebruikt, betekent de algemeenheid van de zonden. “Want het getal tien wordt ons in de tien geboden van de wet als het getal van de gerechtigheid voorgehouden. De zonde echter is een overtreding van de wet. De overtreding nu van het getal tien is elf”. Van de andere kant wijst het getal zeven een algemeenheid aan, daar “het geheel van de tijd wordt rondgewenteld in een zevental van dagen”. Zeven maal elf echter is zeven en zeventig. Hiermede wordt dus aangeduid de algemeenheid van de zonden, die door Christus worden weggenomen.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod, sicut Hieronymus super Matth. dicit [Comm., Lib. I, ad c. 1, v. 8 et 11], « quia Joram rex generi se miscuerat impiissimae Jezabelis, idcirco usque ad tertiam generationem ejus memoria tollitur, ne in sanctae nativitatis ordine poneretur ». Et ita, ut Chrysostomus dicit [hom. 1. in Matth. in op. imperf., inter opp. Chrys.], « quanta benedictio facta est super Jehu, qui vindictam fecerat super 118domum Achab et Jezabel, tanta est maledictio super domum Joram propter filiam iniqui Achab et Jezabel, ut usque ad quartam generationem praedicantur filii ejus de numero regum, sicut scriptum est Exod. 20. [v. 5]: « Reddam peccatum parentum in filios usque ad tertiam et quartam generationem » ».

4. Zooals Hieronymus in het 1e boek van zijn Verklaring op Mattheus zegt: « daar koning Joram zich met het geslacht der goddelooze Jezabel vermaagschapt had, wordt zijn nagedachtenis tot in het derde geslacht verzwegen, en niet opgenomen in de heilige rij der Geboorte ». En derhalve, gelijk Chrysostomus leert : « even groot als de zegen was over Jehu, omdat hij de straf had voltrokken 118over het huis van Achab en Jezabel, even groot was de vloek over het huis van Joram, om de dochter van den zondigen Achab en Jezabel, zoodat diens zonen tot in het vierde geslacht worden weggelaten uit de rij der koningen, zooals geschreven staat in het Boek van den Uittocht (20, 5) : « De zonde der ouders zal ik vergelden tot in het derde en vierde geslacht » ».4. Zoals Hieronymus in het 1e boek van zijn Verklaring op Matteüs zegt: “daar koning Joram zich met het geslacht van de goddeloze Jezabel vermaagschapt had, wordt zijn nagedachtenis tot in het derde geslacht verzwegen, en niet opgenomen in de heilige rij van de Geboorte”. En derhalve, gelijk Chrysostomus leert: “even groot als de zegen was over Jehu, omdat hij de straf had voltrokken 118over het huis van Achab en Jezabel, even groot was de vloek over het huis van Joram, om de dochter van de zondige Achab en Jezabel, zodat diens zonen tot in het vierde geslacht worden weggelaten uit de rij van de koningen, zoals geschreven staat in het Boek van de Uittocht (20, 5): ‘De zonde van de ouders zal ik vergelden tot in het derde en vierde geslacht’”.

Est etiam attendendum, quod et alii reges fuerunt peccatores, qui in genealogia Christi ponuntur, sed non fuit eorum continua impietas, nam, ut dicitur in lib. Questionum veteris et novi Testamenti [q. 85, inter opp. Aug.]: « Salomon merito patris sui dimissus in regno est; Roboam merito Asa filii sui; horum autem trium continuavit impietas ».

Toch moet men bedenken, dat ook de andere koningen, die in Christus' stamboom worden opgenoemd, zondaars waren; maar hun zondigheid was niet doorloopend. Want gelijk gezegd wordt in het boek Over de Vraagstukken van het Oude en Nieuwe Verbond, « werd Salomon om de verdienste zijns vaders in het koningschap gehandhaafd, Roboam om de verdienste van Asa, den zoon van Abias, den zoon van Roboam. Maar de zondigheid dezer drie werd niet onderbroken ».Toch moet men bedenken, dat ook de andere koningen, die in Christus' stamboom worden opgenoemd, zondaars waren; maar hun zondigheid was niet doorlopend. Want gelijk gezegd wordt in het boek Over de Vraagstukken van het Oude en Nieuwe Verbond, “werd Salomon om de verdienste zijns vaders in het koningschap gehandhaafd, Roboam om de verdienste van Asa, de zoon van Abias, de zoon van Roboam. Maar de zondigheid van deze drie werd niet onderbroken”.

↑ bedenking 5

Ad quintum dicendum, sicut dicit Hieronymus super Matth. [Comment. Lib. I, ad c. 1, v. 3], « in genealogia Salvatoris nullam sanctarum mulierum assumi, sed eas, quas Scriptura reprehendit, ut qui propter peccatores venerat, de peccatoribus nascens omnium peccata deleret ». Unde ponitur Thamar, quae reprehenditur de socerino concubitu; et Rahab, quae fuit meretrix; et Ruth, quae fuit alienigena; et Bethsabee, uxor Uriae, quae 119fuit adultera, quae tamen proprio nomine non ponitur, sed ex nomine viri designatur, tum propter peccatum ipsius, quae fuit adulterii et homicidii conscia, tum etiam ut nominato viro peccatum David ad memoriam revocetur. Et quia Lucas Christum designare intendit ut peccatorum expiatorem, talium mulierum mentionem non facit.

5. Zooals Hieronymus in het 1e boek van zijn Verklaring op Mattheus opmerkt, « wordt in de geslachtslijst des Zaligmakers geen enkele der heilige vrouwen opgenomen, doch slechts zij, die de H. Schrift misprijst, opdat Hij, die omwille der zondaars gekomen was, uit zondaars geboren, aller zonden zou verdelgen »: Daarom staat Thamar er genoemd, zij, die berispt wordt om haar samenleving met haar schoonvader; en Rahab, die een lichtekooi was; en Bethsabee, Urias' vrouw, die overspel bedreef. Deze 119laatste echter wordt (in Mattheus' geslachtslijst) niet met haar eigen naam genoemd, doch slechts aangegeven met den naam van haar man, niet alleen omwille harer zonde daar zij zich haar overspel en doodslag bewust was, maar ook, opdat bij het noemen van haar man, ons Davids zonde voor den geest zou komen. — En wijl Lucas Christus juist als den Uitboeter der zonden wil aangeven, maakt hij van dergelijke vrouwen geen melding.5. Zoals Hieronymus in het 1e boek van zijn Verklaring op Matteüs opmerkt, “wordt in de geslachtslijst van de Zaligmaker geen enkele van de heilige vrouwen opgenomen, doch slechts zij, die de H. Schrift misprijst, opdat Hij, die omwille van de zondaars gekomen was, uit zondaars geboren, aller zonden zou verdelgen”: Daarom staat Thamar er genoemd, zij, die berispt wordt om haar samenleving met haar schoonvader; en Rahab, die een lichtekooi was; en Batseba, Urias' vrouw, die overspel bedreef. Deze 119laatste echter wordt (in Matteüs' geslachtslijst) niet met haar eigen naam genoemd, doch slechts aangegeven met de naam van haar man, niet alleen omwille van haar zonde daar zij zich haar overspel en doodslag bewust was, maar ook, opdat bij het noemen van haar man, ons Davids zonde voor de geest zou komen. — En wijl Lukas Christus juist als de Uitboeter van de zonden wil aangeven, maakt hij van dergelijke vrouwen geen melding.

Fratres autem Judae commemorat, ut ostendat eos ad Dei populum pertinere, cum tamen Ismael frater Isaac, et Esau frater Jacob a populo Dei fuerint separati, propter quod in generatione Christi non commemorantur; et etiam ut superbiam de nobilitate excludat; multi enim fratrum Judae ex ancillis nati fuerunt, sed omnes simul erant Patriarchae, et tribuum principes; Phares autem et Zaram simul nominantur, ut Ambrosius dicit super Lucam [Expos., Lib. II, ad c. 3, v. 23 sqq.], quia « per eos gemina describitur vita populorum: una secundum legem », quae significatur per Zaram, « altera secundum fidem », quae significatur per Phares. Fratres autem Jechoniae ponit, quia 120omnes regnaverant diversis temporibus, quod in aliis regibus non acciderat, vel quia eorum similis fuit et iniquitas et miseria.

Mattheus noemt de broeders van Juda wel, om te doen zien, dat zij tot het volk Gods behoorden. (Daar echter Ismaël, de broeder van Isaac, en Esau, de broeder van Jacob, waren afgescheiden van Gods volk, wordt over hen in Christus' geslachtslijst niet gesproken.) En tevens, om den hoogmoed over den voorrang uit te sluiten; velen van Juda's broeders toch waren geboren uit dienstmaagden, maar allen waren zij evenzeer Aartsvaders en stamhoofden. — Wat Phares en Zara betreft, dezen worden tezamen genoemd, omdat, gelijk Ambrosius in het 3e boek van zijn Uiteenzetting op Lucas zegt, « door hen het dubbele leven der volkeren wordt beschreven: het eene nl. volgens de wet, en dit wordt beteekend door Zara; het andere volgens het geloof », en dit wordt beteekend door Phares. — Tenslotte, Mattheus vermeldt de broeders van Jechonias, omdat zij allen op verschillende tijden aan het bestuur kwamen, hetgeen bij de andere koningen niet het geval 120was. Ofwel, omdat zoowel hun zondigheid als hun rampspoed even groot waren.Matteüs noemt de broeders van Juda wel, om te doen zien, dat zij tot het volk Gods behoorden. (Daar echter Ismaël, de broeder van Isaac, en Esau, de broeder van Jacob, waren afgescheiden van Gods volk, wordt over hen in Christus' geslachtslijst niet gesproken.) En tevens, om de hoogmoed over de voorrang uit te sluiten; velen van Juda's broeders toch waren geboren uit dienstmaagden, maar allen waren zij evenzeer Aartsvaders en stamhoofden. — Wat Fares en Zara betreft, deze worden tezamen genoemd, omdat, gelijk Ambrosius in het 3e boek van zijn Uiteenzetting op Lukas zegt, “door hen het dubbele leven van de volkeren wordt beschreven: het ene nl. volgens de wet, en dit wordt betekend door Zara; het andere volgens het geloof”, en dit wordt betekend door Fares. — Tenslotte, Matteüs vermeldt de broeders van Jechonias, omdat zij allen op verschillende tijden aan het bestuur kwamen, hetgeen bij de andere koningen niet het geval 120was. Ofwel, omdat zowel hun zondigheid als hun rampspoed even groot waren.

Articulus IV

Utrum decuerit Christum nasci de foemina

[3. Dist. 12. q. 3. art. 2. q. 2. et opusc .2. cap. 218.]
IVe Artikel

Moest de materie voor Christus' Lichaam genomen worden uit een vrouw?

antwoord 1 ↓

Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod materia corporis Christi non debuerit esse assumpta de foemina: sexus enim masculinus est nobilior, quam sexus foemineus. Sed maxime decuit, ut Christus assumeret id, quod est perfectum in humana natura. Ergo videtur, quod non debuerit de foemina carnem assumere, sed magis de viro, sicut et Eva de costa viri formata est.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de materie voor Christus' Lichaam niet genomen moest worden uit een vrouw. — 1. Want het mannelijk geslacht is volmaakter dan het vrouwelijk geslacht. Maar het is ten hoogste passend, dat Christus datgene aannam, wat in de menschelijke natuur volmaakt is. Bijgevolg moest Christus het Lichaam aannemen niet van een vrouw, maar eerder van een man, zooals ook Eva gevormd werd uit de rib van een man.Bedenkingen. — Men beweert, dat de materie voor Christus' Lichaam niet genomen moest worden uit een vrouw. — 1. Want het mannelijk geslacht is volmaakter dan het vrouwelijk geslacht. Maar het is ten hoogste passend, dat Christus datgene aannam, wat in de menselijke natuur volmaakt is. Bijgevolg moest Christus het Lichaam aannemen niet van een vrouw, maar eerder van een man, zoals ook Eva gevormd werd uit de rib van een man.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, quicumque ex foemina concipitur, utero foeminae concluditur. Sed Deo, qui coelum et terram implet, ut dicitur Jerem. 23. [v. 24], non competit, quod parvo foeminae utero includatur. Ergo videtur, quod non debuerit concipi de foemina.

2. Al wie van een vrouw ontvangen wordt, wordt door den moederschoot der vrouw omsloten. Maar aan God, « Die hemel en aarde vervult », zooals we in Jeremias (23, 24) lezen, past het niet, door den kleinen schoot eener vrouw omsloten te worden. Derhalve moest Hij niet ontvangen worden van een vrouw.2. Al wie van een vrouw ontvangen wordt, wordt door de moederschoot van de vrouw omsloten. Maar aan God, “Die hemel en aarde vervult”, zoals we in Jeremia (23, 24) lezen, past het niet, door de kleine schoot van een vrouw omsloten te worden. Derhalve moest Hij niet ontvangen worden van een vrouw.

antwoord 3 ↓

1213. Praeterea, illi qui concipiuntur ex foemina, quamdam immunditiam patiuntur; unde dicitur Job 25. [v. 4]: « Numquid justificari potest homo comparatus Deo, aut apparere mundus natus de muliere? » Sed in Christo nulla immunditia esse debuit: ipse enim est Dei sapientia, de qua dicitur Sapientiae 7. [v. 25]: « Nihil inquinatum in illam incurrit ». Ergo non videtur, quod debuerit carnem assumere de foemina.

1213. Zij, die uit een vrouw ontvangen worden, ondergaan een verontreiniging, zooals blijkt uit Job (25, 4) : « Kan wel de mensch rechtvaardig zijn in vergelijking met God, of rein verschijnen hij, die uit een vrouw geboren werd? » Maar in Christus moest geen enkele verontreiniging wezen : Hij toch is de Wijsheid Gods (1e Korinthiërsbrief, 1, 24), van wie in het Boek der Wijsheid (7, 25) gezegd wordt: « niets onreins geraakt in haar ». Bijgevolg had Hij het Lichaam niet moeten aannemen uit een vrouw.1213. Zij, die uit een vrouw ontvangen worden, ondergaan een verontreiniging, zoals blijkt uit Job (25, 4): “Kan wel de mens rechtvaardig zijn in vergelijking met God, of rein verschijnen hij, die uit een vrouw geboren werd?” Maar in Christus moest geen enkele verontreiniging wezen: Hij toch is de Wijsheid Gods (1e Korintiërsbrief, 1, 24), van wie in het Boek van de Wijsheid (7, 25) gezegd wordt: “niets onreins geraakt in haar”. Bijgevolg had Hij het Lichaam niet moeten aannemen uit een vrouw.

Sed contra est, quod dicitur Gal. 4. [v. 4]: « Misit Deus Filium suum factum ex muliere ».

Daartegenover staat echter hetgeen gezegd wordt in den Brief aan de Galaten (4, 4) : « God heeft Zijn eigen Zoon gezonden, die geboren werd uit een vrouw ».Daartegenover staat echter hetgeen gezegd wordt in de Brief aan de Galaten (4, 4): “God heeft Zijn eigen Zoon gezonden, die geboren werd uit een vrouw”.

Respondeo dicendum, quod licet Filius Dei carnem humanam assumere potuerit de quacumque materia voluisset, convenientissimum tamen fuit, ut de foemina carnem acciperet:

Leerstelling. — Hoewel Gods Zoon het menschelijk lichaam had kunnen aannemen uit welke materie Hij ook maar gewild had, toch was het het meest passende, dat Hij dit lichaam aannam uit een vrouw.Leerstelling. — Hoewel Gods Zoon het menselijk lichaam had kunnen aannemen uit welke materie Hij ook maar gewild had, toch was het het meest passende, dat Hij dit lichaam aannam uit een vrouw.

primo quidem, quia per hoc tota humana natura nobilitata est; unde Augustinus dicit in lib. 83. Quaestionum [q. 11.]: « Hominis liberatio in utroque sexu debuit apparere; ergo quia virum oportebat suscipere, qui sexus honorabilior est, conveniens erat, ut 122foeminei sexus liberatio hinc appareret, quod ille vir de foemina natus est ».

1e, nl., wijl zoodoende geheel de menschelijke natuur geadeld werd. Daarom ook zegt Augustinus in zijn boek der Drie en tachtig Vraagstukken : « 's Menschen verlossing moest in beiderlei geslacht tot uiting komen. Derhalve, daar Hij de mannelijke natuur moest aannemen, wijl dit het eervolste geslacht is, was het 122passend, dat de verlossing van het vrouwelijk geslacht daarin zou blijken, dat deze man uit een vrouw geboren werd ».eerste, nl., wijl zodoende geheel de menselijke natuur geadeld werd. Daarom ook zegt Augustinus in zijn boek van de Drie en tachtig Vraagstukken: “'s Mensen verlossing moest in beiderlei geslacht tot uiting komen. Derhalve, daar Hij de mannelijke natuur moest aannemen, wijl dit het eervolste geslacht is, was het 122passend, dat de verlossing van het vrouwelijk geslacht daarin zou blijken, dat deze man uit een vrouw geboren werd”.

Secundo, quia per hoc veritas incarnationis adstruitur: unde Ambrosius dicit in lib. de Incarn. [cap. 6.]: « Multa in Christo secundum naturam invenies, et ultra naturam; secundum conditionem etenim naturae in utero [foeminei corporis] fuit; sed supra conditionem virgo concepit, virgo generavit, ut crederes, quia Deus erat, qui innovabat naturam, et homo erat, qui secundum naturam nascebatur ex homine »; et Augustinus dicit in epist. ad Volusian. [Ep. 137, al. 3, cap. 3]: « Si omnipotens Deus hominem ubicumque formatum non ex materno utero crearet, sed repentinum inferret aspectibus, nonne opinionem confirmaret erroris, nec hominem verum suscepisse ullo modo crederetur, et dum omnia mirabiliter facit, auferret quod misericorditer fecit? Nunc vero ita inter Deum et hominem mediator 123apparuit, ut in unitate personae copulans utramque naturam, et solita sublimaret insolitis, et insolita solitis temperaret ».

2e, wijl zoodoende de waarheid der Menschwording duidelijker voor oogen werd gesteld. Vandaar, dat Ambrosius in zijn werk Over de Menschwording (6e H.) zegt : « Daarin zult gij veel dingen vinden, die volgens de natuur waren, maar ook, die boven de natuur uitgingen. Overeenkomstig den aard der natuur toch was Hij in den schoot, nl. van het vrouwelijk lichaam; maar boven dien aard was het dat een maagd ontving, en dat een maagd baarde: opdat gij zoudt gelooven, dat Hij, die dit nieuwe in de natuur bracht, God was; en dat Hij, die overeenkomstig de natuur uit een mensch geboren werd, mensch was ». En Augustinus schrijft in zijn brief aan Volusianus : « Indien de almachtige God dezen mensch, waar Hij dan ook gevormd mocht zijn, niet uit den moederschoot had doen worden, doch Hem plotseling onder de oogen der menschen had gebracht, zou Hij dan de dwaling niet bevestigd hebben? Zou men dan nog eenigszins geloofd hebben, dat Hij waarlijk de menschelijke natuur had aangenomen? En zou Hij, terwijl Hij in dit alles zoo wonderbaar te werk gaat, verloochenen wat Hij zoo barmhartig heeft ingesteld? Nu echter is Hij zoozeer de Middelaar tusschen God en mensch gebleken, dat Hij, beider natuur in de eenheid van Zijn Persoon vereenigd, én het 123gewone verheven maakte door het ongewone, én het ongewone matigde door het gewone ».tweede, wijl zodoende de waarheid van de Menswording duidelijker voor ogen werd gesteld. Vandaar, dat Ambrosius in zijn werk Over de Menswording (6e H.) zegt: “Daarin zult gij veel dingen vinden, die volgens de natuur waren, maar ook, die boven de natuur uitgingen. Overeenkomstig de aard van de natuur toch was Hij in de schoot, nl. van het vrouwelijk lichaam; maar boven die aard was het dat een maagd ontving, en dat een maagd baarde: opdat gij zoudt geloven, dat Hij, die dit nieuwe in de natuur bracht, God was; en dat Hij, die overeenkomstig de natuur uit een mens geboren werd, mens was”. En Augustinus schrijft in zijn brief aan Volusianus: “Indien de almachtige God deze mens, waar Hij dan ook gevormd mocht zijn, niet uit de moederschoot had doen worden, doch Hem plotseling onder de ogen van de mensen had gebracht, zou Hij dan de dwaling niet bevestigd hebben? Zou men dan nog enigszins geloofd hebben, dat Hij waarlijk de menselijke natuur had aangenomen? En zou Hij, terwijl Hij in dit alles zo wonderbaar te werk gaat, verloochenen wat Hij zo barmhartig heeft ingesteld? Nu echter is Hij zozeer de Middelaar tussen God en mens gebleken, dat Hij, beider natuur in de eenheid van Zijn Persoon verenigd, én het 123gewone verheven maakte door het ongewone, én het ongewone matigde door het gewone”.

Tertio, quia per hunc modum completur omnis diversitas generationis humanae, nam primus homo productus est ex limo terrae sine viro et foemina; Eva vero producta est ex viro, sine foemina; alii vero homines nascuntur ex viro et femina. Unde hoc quartum quasi Christo proprium relinquebatur, ut produceretur ex foemina sine viro.

3e, omdat zoodoende alle verscheidenheid in de voortbrenging eens menschen in vervulling gaat. Want de eerste mensch werd zonder man en vrouw gevormd uit het slijk der aarde; Eva echter werd zonder vrouw gevormd uit den man; de overige menschen echter worden voortgebracht uit man én vrouw. Zoo werd deze vierde mogelijkheid als iets eigens aan Christus gelaten : uit een vrouw te worden gevormd zonder man.derde, omdat zodoende alle verscheidenheid in de voortbrenging eens mensen in vervulling gaat. Want de eerste mens werd zonder man en vrouw gevormd uit het slijk van de aarde; Eva echter werd zonder vrouw gevormd uit de man; de overige mensen echter worden voortgebracht uit man én vrouw. Zo werd deze vierde mogelijkheid als iets eigens aan Christus gelaten: uit een vrouw te worden gevormd zonder man.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod quia sexus masculinus est nobilior quam foemineus, ideo humanam naturam in masculino sexu assumpsit. Ne tamen sexus foemineus contemneretur, congruum fuit, ut carnem assumeret de foemina. Unde Augustinus dicit in lib. de Agone Christiano [cap. 11.]: « Nolite vos ipsos contemnere viri: Filius Dei virum suscepit. Nolite vos ipsas contemnere foeminae: Filius Dei natus ex foemina est ».

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het mannelijk geslacht is volmaakter dan het vrouwelijke : daarom nam Hij dan ook de menschelijke natuur aan in het mannelijk geslacht. Maar, opdat het vrouwelijk geslacht niet zou worden geminacht, was het passend, dat Hij dit lichaam aannam uit een vrouw. Vandaar zegt Augustinus in zijn werk Over den Christelijken Kamp: « Minacht u zelf niet, gij mannen, Gods Zoon heeft het manzijn aangenomen. Minacht uzelf niet, gij vrouwen : Gods Zoon is geboren uit een vrouw ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het mannelijk geslacht is volmaakter dan het vrouwelijke: daarom nam Hij dan ook de menselijke natuur aan in het mannelijk geslacht. Maar, opdat het vrouwelijk geslacht niet zou worden geminacht, was het passend, dat Hij dit lichaam aannam uit een vrouw. Vandaar zegt Augustinus in zijn werk Over de Christelijke Kamp: “Minacht uzelf niet, gij mannen, Gods Zoon heeft het manzijn aangenomen. Minacht uzelf niet, gij vrouwen: Gods Zoon is geboren uit een vrouw”.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod, sicut Augustinus dicit 23. lib. contra Faust. [cap. 10], qui hac objectione utebatur: « Non plane, inquit, 124catholica fides, quae Christum Dei Filium, natum secundum carnem credit ex virgine, ullo modo eumdem Dei Filium sic in utero mulieris includit, quasi extra non sit, quasi coeli et terrae administrationem deseruerit, quasi a Patre recesserit. Sed vos Manichaei corde illo, quo nihil potestis nisi corporalia phantasmata cogitare, ista omnino non capitis »; ut enim dicit in Epist. ad Volus. [Ep. 137, al. 3, cap. 2.]: « Hominum iste sensus est, nihil nisi corpora valentium cogitare, quorum nullum potest esse ubique totum; quoniam per innumerabiles partes aliud alibi habeat necesse est. Longe alia est animae natura, quam corporis. Quanto magis Dei, qui creator est animae et corporis, et novit ubique totus esse, et nullo contineri loco; novit venire, non recedendo ubi erat; novit abire, non deserendo quo venerat? »

2. Zooals Augustinus opmerkt in het 23e boek van zijn werk Tegen Faustus die zich van deze opwerping bediende « sluit 124de Katholieke geloofsleer, die houdt, dat Christus, de Zoon van God, naar het vleesch geboren is uit een Maagd, dienzelfden Zoon van God op volstrekt geen enkele wijze zóó in den schoot der vrouw op, alsof Hij niet daarbuiten was, alsof Hij zou hebben opgehouden met het besturen van hemel en aarde, alsof Hij van den Vader zou zijn heengegaan. Maar gij, Manichaeën, door die gezindheid, waardoor gij u niets anders dan lichamelijke voorstellingen kunt denken, gij begrijpt dit in het geheel niet ». Want zooals hij in zijn Brief aan Volusianus schrijft: « Dit is de gestemdheid van menschen, die zich niets anders dan lichamen kunnen voorstellen; en geen dezer lichamen kan overal heelemaal aanwezig zijn, wijl het om zijn ontelbare deelen een andere plaats moet hebben. Maar de natuur der ziel is geheel anders als die des lichaams. Hoeveel temeer (de natuur) van God, die de Schepper is van ziel en lichaam. Hij kan overal geheel tegenwoordig zijn en door geen enkele plaats worden omsloten; Hij kan komen zonder weg te gaan waar Hij was; Hij kan weggaan zonder de plaats te verlaten, waarheen Hij kwam ».2. Zoals Augustinus opmerkt in het 23e boek van zijn werk Tegen Faustus die zich van deze opwerping bediende “sluit 124de Katholieke geloofsleer, die houdt, dat Christus, de Zoon van God, naar het vlees geboren is uit een Maagd, dienzelfden Zoon van God op volstrekt geen enkele wijze zó in de schoot van de vrouw op, alsof Hij niet daarbuiten was, alsof Hij zou hebben opgehouden met het besturen van hemel en aarde, alsof Hij van de Vader zou zijn heengegaan. Maar gij, Manicheeën, door die gezindheid, waardoor gij u niets anders dan lichamelijke voorstellingen kunt denken, gij begrijpt dit in het geheel niet”. Want zoals hij in zijn Brief aan Volusianus schrijft: “Dit is de gestemdheid van mensen, die zich niets anders dan lichamen kunnen voorstellen; en geen van deze lichamen kan overal helemaal aanwezig zijn, wijl het om zijn ontelbare delen een andere plaats moet hebben. Maar de natuur van de ziel is geheel anders als die van het lichaam. Hoeveel temeer (de natuur) van God, die de Schepper is van ziel en lichaam. Hij kan overal geheel tegenwoordig zijn en door geen enkele plaats worden omsloten; Hij kan komen zonder weg te gaan waar Hij was; Hij kan weggaan zonder de plaats te verlaten, waarheen Hij kwam”.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod in conceptione viri ex foemina non est aliquid immundum, inquantum est opus Dei: unde dicitur Actuum 10. [v. 15]: « Quod Deus creavit, tu ne commune dixeris », idest immundum. Est ibi tamen aliqua immunditia ex peccato proveniens, prout cum libidine 125quis concipitur ex commixtione maris et foeminae; quod tamen in Christo non fuit, ut supra ostensum est [q. 28. art. 1.].

3. In het feit, dat een man van een vrouw ontvangen wordt, ligt niets onreins, in zoover dit een instelling is van God; daarom dan ook wordt in de Handelingen der Apostelen (10, 15) gezegd: « Wat God geschapen heeft, noem gij dat niet gemeen » d. i. 125onrein. Toch is daar een zekere onreinheid bij, die voortkomt uit de zonde, in zoover nl. iemand ontvangen wordt met zingenot uit den omgang van man en vrouw. Dit echter was bij Christus niet het geval, zooals boven (28e Kw., 1e Art.) werd aangetoond.3. In het feit, dat een man van een vrouw ontvangen wordt, ligt niets onreins, in zover dit een instelling is van God; daarom dan ook wordt in de Handelingen van de Apostelen (10, 15) gezegd: “Wat God geschapen heeft, noem gij dat niet gemeen” d.i. 125onrein. Toch is daar een zekere onreinheid bij, die voortkomt uit de zonde, in zover nl. iemand ontvangen wordt met zingenot uit de omgang van man en vrouw. Dit echter was bij Christus niet het geval, zoals boven (28e Kw., 1e Art.) werd aangetoond.

Si tamen aliqua esset ibi immunditia, ex ea non inquinaretur Dei Verbum, quod nullo modo est mutabile vel alterabile. Unde Augustinus dicit in lib. Contra quinque Haereses [cap. 5; inter opp. Aug.]: « Dicit Deus creator hominis, filius hominis: quid est, quod te permovet in mea nativitate? non sum libidinis conceptus cupiditate: ego matrem, de qua nascerer, feci. Si solis radius cloacarum sordes siccare novit, eis inquinari non novit, quanto magis splendor lucis aeternae, quocumque radiaverit, mundare potest, et ipse pollui non potest? »

En zelfs al was daar eenige onreinheid bij geweest, dan zou het Woord Gods daardoor toch nog niet bezoedeld zijn geworden; dit toch kan op geen enkele manier worden aangetast. Daarvandaan zegt Augustinus in zijn boek « Tegen de vijf Dwalingen » (5e H.) : « God, de Schepper van den mensch, zegt : Wat is het, dat u in Mijn geboorte ontstelt? Ik werd niet ontvangen krachtens een begeerte naar zingenot. Ik maakte de moeder uit wie Ik zou geboren worden. Zoo een zonnestraal al het vuil der riolen kan doen uitdrogen, zonder er zelf door verontreinigd te worden, hoeveel te meer zal dan niet de Glans van het eeuwig Licht kunnen zuiveren, zonder zelf bezoedeld te worden? »En zelfs al was daar enige onreinheid bij geweest, dan zou het Woord Gods daardoor toch nog niet bezoedeld zijn geworden; dit toch kan op geen enkele manier worden aangetast. Daarvandaan zegt Augustinus in zijn boek “Tegen de vijf Dwalingen” (5e H.): “God, de Schepper van de mens, zegt: Wat is het, dat u in Mijn geboorte ontstelt? Ik werd niet ontvangen krachtens een begeerte naar zingenot. Ik maakte de moeder uit wie Ik zou geboren worden. Zo een zonnestraal al het vuil van de riolen kan doen uitdrogen, zonder er zelf door verontreinigd te worden, hoeveel te meer zal dan niet de Glans van het eeuwig Licht kunnen zuiveren, zonder zelf bezoedeld te worden?”

Articulus V

Utrum Corpus Christi de purissimis sanguinibus virginis formatum fuerit

[3. Dist. 3. q. 2. art. 1. ad 4.]
Ve Artikel

Werd Christus' Lichaam gevormd uit het zuiverste bloed der Maagd?Werd Christus' Lichaam gevormd uit het zuiverste bloed van de Maagd?

antwoord 1 ↓

Ad quintum sic proceditur. Videtur, quod caro Christi non fuerit 126concepta ex purissimis sanguinibus virginis: dicitur enim in Collecta [in festo Annunt. B. M. V.], quod Deus Verbum suum de virgine carnem sumere voluit. Sed caro differt a sanguine virginis. Ergo corpus Christi non est sumptum de sanguine virginis.

Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus' Lichaam niet 126gevormd werd uit het zuiverste bloed der Maagd. — 1. Want in het Collecta-gebed op het feest van Maria-Boodschap wordt gezegd, dat God gewild heeft, dat zijn Woord het lichaam zou aannemen uit de Maagd. Maar het vleesch verschilt van het bloed. Derhalve is het Lichaam van Christus niet genomen uit het bloed der Maagd.Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus' Lichaam niet 126gevormd werd uit het zuiverste bloed van de Maagd. — 1. Want in het Collecta-gebed op het feest van Maria-Boodschap wordt gezegd, dat God gewild heeft, dat zijn Woord het lichaam zou aannemen uit de Maagd. Maar het vlees verschilt van het bloed. Derhalve is het Lichaam van Christus niet genomen uit het bloed van de Maagd.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, sicut mulier formata est miraculose de viro, sic corpus Christi miraculose formatum est de Virgine. Sed mulier non dicitur esse formata de sanguine viri, sed magis de carne et ossibus ejus, secundum illud quod dicitur Genes. 2. [v. 23]: « Hoc nunc os ex ossibus meis, et caro de carne mea ». Ergo videtur, quod nec etiam corpus Christi formari debuerit de sanguine virginis, sed de carnibus et ossibus ejus.

2. Zooals de vrouw wonderdadig is gevormd uit den man, zoo werd Christus' Lichaam door een wonder gevormd uit de Maagd. Maar men houdt niet, dat de vrouw gevormd werd uit het bloed van den man, doch eerder uit diens vleesch en gebeente, overeenkomstig hetgeen gezegd wordt in het Boek der Schepping (2, 23) : « Dit nu is gebeente van mijn gebeente, en vleesch van mijn vleesch ». Derhalve, zoo beweert men, moest ook Christus' Lichaam niet gevormd worden uit het bloed der Maagd, doch uit haar vleesch en haar gebeente.2. Zoals de vrouw wonderdadig is gevormd uit de man, zo werd Christus' Lichaam door een wonder gevormd uit de Maagd. Maar men houdt niet, dat de vrouw gevormd werd uit het bloed van de man, doch eerder uit diens vlees en gebeente, overeenkomstig hetgeen gezegd wordt in het Boek van de Schepping (2, 23): “Dit nu is gebeente van mijn gebeente, en vlees van mijn vlees”. Derhalve, zo beweert men, moest ook Christus' Lichaam niet gevormd worden uit het bloed van de Maagd, doch uit haar vlees en haar gebeente.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, corpus Christi fuit ejusdem speciei cum corporibus aliorum hominum. Sed corpora aliorum hominum non formantur ex purissimo sanguine, sed ex semine et sanguine menstruo. Ergo videtur, quod nec etiam corpus Christi fuerit conceptum ex purissimis sanguinibus virginis.

3. Het lichaam van Christus was gelijksoortig met de lichamen der overige menschen. Welnu, de lichamen der overige menschen worden niet uit het zuiverste bloed gevormd, maar uit het zaad en het maandstonden-bloed. Derhalve werd ook Christus' Lichaam niet gevormd uit het zuiverste bloed der Maagd.3. Het lichaam van Christus was gelijksoortig met de lichamen van de overige mensen. Welnu, de lichamen van de overige mensen worden niet uit het zuiverste bloed gevormd, maar uit het zaad en het maandstonden-bloed. Derhalve werd ook Christus' Lichaam niet gevormd uit het zuiverste bloed van de Maagd.

Sed contra est, quod Damascenus dicit in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 1272.], quod « Filius Dei construxit sibi ipsi ex castissimis et purissimis sanguinibus virginis carnem animatam anima rationali ».

Daartegenover staat echter hetgeen Damascenus zegt in het 3e 127boek van zijn werk Over het Waarachtig Geloof (2e H.) : « Gods Zoon bouwde zich uit het zuivere en reinste bloed der Maagd een lichaam, dat met een redelijke ziel bezield was ».Daartegenover staat echter hetgeen Damascenus zegt in het 3e 127boek van zijn werk Over het Waarachtig Geloof (2e H.): “Gods Zoon bouwde zich uit het zuivere en reinste bloed van de Maagd een lichaam, dat met een redelijke ziel bezield was”.

Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [art. praec.], in conceptione Christi fuit secundum conditionem naturae, quod est natus ex foemina, sed supra conditionem naturae, quod est natus ex virgine. Habet autem hoc naturalis conditio, quod in generatione animalis foemina materiam ministret, ex parte autem maris sit principium activum in generatione, sicut probat Philosophus in lib. 1. de Generatione animalium [cap. 20, et lib. 2. cap. 4. et 5.]. Foemina autem, quae ex mare concipit, non est virgo, et ideo ad supernaturalem modum generationis Christi pertinet, quod activum principium in generatione illa fuerit virtus supernaturalis divina. Sed ad naturalem modum generationis ejus pertinet, quod ejus materia; de qua corpus ejus conceptum est, sit conformis materiae, quam aliae foeminae subministrant ad conceptionem prolis. Haec autem materia, secundum Philosophum in lib. 1. de Generatione animalium [cap. 19.], est sanguis 128mulieris, non quicumque, sed perductus ad quamdam ampliorem digestionem per virtutem generativam matris, ut sit materia apta ad conceptum, et ideo ex tali materia fuit corpus Christi conceptum.

Leerstelling. — Zooals boven (vorige artikel) gezegd is, was bij de Menschwording van Christus overeenkomstig den aard der natuur, dat Hij geboren werd uit een vrouw, doch het was boven den aard der natuur, dat hij geboren werd uit een maagd. De natuurlijke gang nu houdt in, dat de vrouw bij de voortbrengst van een dierlijk wezen de materie levert, terwijl van den kant van den man het werkzame beginsel in deze voortbrengst komt, zooals de Wijsgeer aantoont in het 1e boek van zijn werk Over de Voortbrenging der Dieren. Een vrouw echter, die uit een man ontvangt, is geen maagd. En bijgevolg behoort het tot de bovennatuurlijke wijze van Christus' voortkomst, dat het werkzame beginsel bij deze voortbrenging de bovennatuurlijke kracht Gods was; maar tot de natuurlijke wijze zijner voortkomst behoort het, dat de materie, waaruit zijn Lichaam gevormd werd, gelijkvormig is aan de materie, welke ook de andere vrouwen verschaffen ter ontvangenis van het kind. Deze materie nu is, volgens den Wijsgeer in het 1e boek van zijn werk Over de Voortbrenging der Dieren (19e H.), het bloed der vrouw, niet elk willekeurig bloed, doch slechts dat 128bloed, hetwelk door het op de voortplanting gerichte vermogen der moeder tot een hoogere gezuiverdheid is opgevoerd, om het een voor de ontvangenis geschikte materie te doen zijn. En derhalve werd Christus' Lichaam uit een dergelijke materie gevormd.Leerstelling. — Zoals boven (vorige artikel) gezegd is, was bij de Menswording van Christus overeenkomstig de aard van de natuur, dat Hij geboren werd uit een vrouw, doch het was boven de aard van de natuur, dat hij geboren werd uit een maagd. De natuurlijke gang nu houdt in, dat de vrouw bij de voortbrengst van een dierlijk wezen de materie levert, terwijl van de kant van de man het werkzame beginsel in deze voortbrengst komt, zoals de Wijsgeer aantoont in het 1e boek van zijn werk Over de Voortbrenging van de Dieren. Een vrouw echter, die uit een man ontvangt, is geen maagd. En bijgevolg behoort het tot de bovennatuurlijke wijze van Christus' voortkomst, dat het werkzame beginsel bij deze voortbrenging de bovennatuurlijke kracht Gods was; maar tot de natuurlijke wijze van zijn voortkomst behoort het, dat de materie, waaruit zijn Lichaam gevormd werd, gelijkvormig is aan de materie, welke ook de andere vrouwen verschaffen ter ontvangenis van het kind. Deze materie nu is, volgens de Wijsgeer in het 1e boek van zijn werk Over de Voortbrenging van de Dieren (19e H.), het bloed van de vrouw, niet elk willekeurig bloed, doch slechts dat 128bloed, hetwelk door het op de voortplanting gerichte vermogen van de moeder tot een hogere gezuiverdheid is opgevoerd, om het een voor de ontvangenis geschikte materie te doen zijn. En derhalve werd Christus' Lichaam uit een dergelijke materie gevormd.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod cum Beata Virgo fuerit ejusdem naturae cum aliis foeminis, consequens est quod habuerit carnem et ossa ejusdem naturae. Carnes autem et ossa in aliis foeminis sunt actuales corporis partes, ex quibus constituitur integritas corporis, et ideo subtrahi non possunt sine corruptione corporis vel diminutione. Christus autem, qui venerat corrupta reparare, nullam corruptionem aut diminutionem integritati matris ejus inferre debuit, ut supra dictum est [q. 28. art. 1. et 2.]. Et ideo non debuit corpus Christi formari de carne vel ossibus virginis, sed de sanguine, qui nondum est actu pars, sed est potentia totum, ut dicitur in lib. 1. de Gener. animalium [cap. 18. et 19, et lib. 2. de Partib. animal. cap. 10.]. Et ideo dicitur carnem de virgine sumpsisse, non quod materia corporis ejus fuerit actu caro, sed sanguis, qui est potentia caro.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Daar de H. Maagd dezelfde natuur had als de overige vrouwen, had zij bijgevolg ook het vleesch en het gebeente dier zelfde natuur. Dit vleesch en dit gebeente nu zijn in de overige vrouwen daadwerkelijke lichaamsdeelen, waaruit de volledigheid van het lichaam is opgebouwd; en daarom kan men ze er niet aan onttrekken zonder het lichaam zelf te niet te doen of te verminken. Daar Christus nu juist gekomen was om het te niet gedane te herstellen, moest Hij in niets de gaafheid zijner Moeder te niet doen of verminken. En daarom moest Christus' Lichaam niet gevormd worden uit het vleesch of het gebeente der Maagd, maar uit het bloed; dit toch is daadwerkelijk geen lichaamsdeel, maar in aanleg het geheele lichaam, gelijk in het 1e boek van het werk Over de Voortbrenging der Dieren gezegd wordt. En zoo dus zegt men, dat Hij het vleesch heeft aangenomen van de Maagd, niet in dien zin, dat de materie van zijn Lichaam daadwerkelijk vleesch was, maar daadwerkelijk was het bloed, en dit is vleesch in aanleg.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Daar de H. Maagd dezelfde natuur had als de overige vrouwen, had zij bijgevolg ook het vlees en het gebeente van die zelfde natuur. Dit vlees en dit gebeente nu zijn in de overige vrouwen daadwerkelijke lichaamsdelen, waaruit de volledigheid van het lichaam is opgebouwd; en daarom kan men ze er niet aan onttrekken zonder het lichaam zelf te niet te doen of te verminken. Daar Christus nu juist gekomen was om het te niet gedane te herstellen, moest Hij in niets de gaafheid van zijn Moeder te niet doen of verminken. En daarom moest Christus' Lichaam niet gevormd worden uit het vlees of het gebeente van de Maagd, maar uit het bloed; dit toch is daadwerkelijk geen lichaamsdeel, maar in aanleg het gehele lichaam, gelijk in het 1e boek van het werk Over de Voortbrenging van de Dieren gezegd wordt. En zo dus zegt men, dat Hij het vlees heeft aangenomen van de Maagd, niet in die zin, dat de materie van zijn Lichaam daadwerkelijk vlees was, maar daadwerkelijk was het bloed, en dit is vlees in aanleg.

↑ bedenking 2

129Ad secundum dicendum, quod, sicut in 1. parte dictum est [q. 92. art. 3. ad 2.], Adam, quia institutus erat ut principium quoddam humanae naturae, habebat in suo corpore aliquid carnis et ossis, quod non pertinebat ad integritatem personalem ipsius, sed solum inquantum erat naturae humanae principium. Et de tali carne formata est mulier absque viri detrimento. Sed nihil tale fuit in corpore virginis, ex quo corpus Christi posset formari sine corruptione materni corporis.

1292. Zooals in het eerste Deel (92e Kw., 3e Art., Antw. op de 2e B.) gezegd is, bezat Adam, daar hij gesteld was als hoofd van het menschelijk geslacht, in zijn lichaam vleesch en gebeente, dat niet tot zijn eigen, persoonlijke gaafheid behoorde, maar dat hij slechts bezat in zoover hij het hoofd was van het menschelijk geslacht. En hieruit is de vrouw gevormd, zonder aan den man afbreuk te doen. Doch in het lichaam der Maagd was niet iets dergelijks, waaruit Christus' Lichaam zou kunnen gevormd worden, zonder dat het lichaam der Moeder misvormd werd.1292. Zoals in het eerste Deel (92e Kw., 3e Art., Antw. op de 2e B.) gezegd is, bezat Adam, daar hij gesteld was als hoofd van het menselijk geslacht, in zijn lichaam vlees en gebeente, dat niet tot zijn eigen, persoonlijke gaafheid behoorde, maar dat hij slechts bezat in zover hij het hoofd was van het menselijk geslacht. En hieruit is de vrouw gevormd, zonder aan de man afbreuk te doen. Doch in het lichaam van de Maagd was niet iets dergelijks, waaruit Christus' Lichaam zou kunnen gevormd worden, zonder dat het lichaam van de Moeder misvormd werd.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod semen foeminae non est generationi aptum, sed est quiddam imperfectum in genere seminis, quod non potuit perduci ad perfectum seminis complementum propter imperfectionem virtutis foemineae; et ideo tale semen non est materia, quae de necessitate requiratur ad conceptum, sicut Philosophus dicit in lib. 1. de Gener. animalium [cap. 19.] et ideo in conceptione corporis Christi non fuit, praesertim quia licet sit imperfectum in genere seminis, tamen cum quadam concupiscentia resolvitur, sicut et semen maris. In illo autem conceptu virginali concupiscentia locum habere non potuit, et ideo Damascenus dicit [lib. 3. Orth. Fid. 130cap. 2.], quod corpus Christi non seminaliter conceptum est.

3. Het zaad der vrouw is niet geschikt voor de voortbrengst, maar het is als zaad iets onvolmaakts, dat wegens de onvolmaaktheid van het vrouwelijk voortplantingsvermogen niet in de volledige voltogenheid van zaad kon worden voortgebracht. En zoodoende is dergelijk zaad geen materie, die voor de ontvangenis onontbeerlijk zou wezen, zooals de Wijsgeer in het 1e boek van zijn werk Over de Voortbrenging der Dieren leert. En daarom was het bij Christus' ontvangenis niet aanwezig; te minder, daar het, hoewel het als zaad iets on-afs is, toch met een zekere wellust los komt, evenals het zaad van den man; in dit maagdelijk ontvangen echter kon er voor begeerlijkheid geen plaats zijn. En aldus zegt 130Damascenus in het 3e boek van zijn werk Over het Waarachtig Geloof, dat Christus' Lichaam zonder zaad ontvangen werd.3. Het zaad van de vrouw is niet geschikt voor de voortbrengst, maar het is als zaad iets onvolmaakts, dat wegens de onvolmaaktheid van het vrouwelijk voortplantingsvermogen niet in de volledige voltogenheid van zaad kon worden voortgebracht. En zodoende is dergelijk zaad geen materie, die voor de ontvangenis onontbeerlijk zou wezen, zoals de Wijsgeer in het 1e boek van zijn werk Over de Voortbrenging van de Dieren leert. En daarom was het bij Christus' ontvangenis niet aanwezig; te minder, daar het, hoewel het als zaad iets on-afs is, toch met een zekere wellust los komt, evenals het zaad van de man; in dit maagdelijk ontvangen echter kon er voor begeerlijkheid geen plaats zijn. En aldus zegt 130Damascenus in het 3e boek van zijn werk Over het Waarachtig Geloof, dat Christus' Lichaam zonder zaad ontvangen werd.

Sanguis autem menstruus, quem foeminae per singulos menses emittunt, impuritatem quamdam naturalem habet corruptionis, sicut et caeterae superfluitates, quibus natura non indiget, sed eas expellit. Ex tali autem menstruo corruptionem habente, quod natura repudiat, non formatur conceptus, sed hoc est purgamentum quoddam illius puri sanguinis, qui digestione quadam est praeparatus ad conceptum, quasi purior et perfectior alio sanguine; habet tamen impuritatem libidinis in conceptione aliorum hominum, inquantum ex ipsa commixtione maris et foeminae talis sanguis ad locum generationi congruum attrahitur. Sed hoc in conceptione Christi non fit, quia operatione Spiritus Sancti talis sanguis in utero Virginis adunatus est, et formatus in prolem. Et ideo dicitur corpus Christi ex castissimis, et purissimis sanguinibus virginis formatum.

Het maandstonden-bloed echter, dat de vrouwen maandelijks uitstorten, heeft een zekere, natuurlijke afvals-onreinheid, gelijk dit ook het geval is bij de andere overtolligheden, die de natuur niet noodig heeft, maar uitdrijft. Uit dergelijk maandstonden-bloed nu, dat bedorven stoffen in zich heeft en door de natuur wordt uitgestooten, wordt geen ontvangenis gevormd; maar het is afval van dat zuivere bloed, hetwelk door een zekere schifting geschikt gemaakt wordt om te kunnen ontvangen, daar het zuiverder is dan het andere bloed. Toch heeft het bij de ontvangenis der overige menschen een zekere onreinheid krachtens het zingenot, in zoover dit bloed, wegens den vleeschelijken omgang van man en vrouw, naar de voor het voortbrengen bestemde plaats trekt. Maar dit was niet het geval bij de ontvangenis van Christus, daar dit bloed door de inwerking des H. Geestes in den schoot der Maagd was samengetrokken en gevormd tot het kind. En aldus heet het, dat Christus' Lichaam uit het zuiverste en reinste bloed der Maagd was gevormd.Het maandstonden-bloed echter, dat de vrouwen maandelijks uitstorten, heeft een zekere, natuurlijke afvals-onreinheid, gelijk dit ook het geval is bij de andere overtolligheden, die de natuur niet nodig heeft, maar uitdrijft. Uit dergelijk maandstonden-bloed nu, dat bedorven stoffen in zich heeft en door de natuur wordt uitgestoten, wordt geen ontvangenis gevormd; maar het is afval van dat zuivere bloed, hetwelk door een zekere schifting geschikt gemaakt wordt om te kunnen ontvangen, daar het zuiverder is dan het andere bloed. Toch heeft het bij de ontvangenis van de overige mensen een zekere onreinheid krachtens het zingenot, in zover dit bloed, wegens de vleselijke omgang van man en vrouw, naar de voor het voortbrengen bestemde plaats trekt. Maar dit was niet het geval bij de ontvangenis van Christus, daar dit bloed door de inwerking van de H. Geest in de schoot van de Maagd was samengetrokken en gevormd tot het kind. En aldus heet het, dat Christus' Lichaam uit het zuiverste en reinste bloed van de Maagd was gevormd.

Articulus VI

Utrum corpus Christi in antiquis patribus fuerit secundum aliquid signatum

[3. Dist. 3. q. 4. art. 2.]
VIe Artikel

Was Christus' Lichaam naar iets bepaald aanwijsbaars in Adam en in de overige voorvaderen aanwezig?

antwoord 1 ↓

131Ad sextum sic proceditur. Videtur, quod Corpus Christi fuerit secundum aliquid signatum in Adam et in aliis patribus: dicit enim Augustinus 10. super Genes. ad literam [cap. 20.], quod caro Christi fuit in Adam et Abraham « secundum corpulentam substantiam ». Sed substantia corpulenta est quiddam signatum. Ergo caro Christi fuit in Adam et Abraham et aliis patribus secundum aliquid signatum.

131Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus' Lichaam naar iets bepaald aanwijsbaars in Adam en de overige voorvaderen was. — 1. Want Augustinus zegt in het 10e boek van zijn Letterlijke Verklaring van het Boek der Schepping (20e H.), dat Christus' vleesch in Adam en Abraham was naar het lichamelijke dier zelfstandigheid. Maar het lichamelijke eener zelfstandigheid is iets bepaalds. Derhalve was Christus' vleesch in Adam en Abraham en de overige voorvaderen naar iets bepaalds aanwezig.131Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus' Lichaam naar iets bepaald aanwijsbaars in Adam en de overige voorvaderen was. — 1. Want Augustinus zegt in het 10e boek van zijn Letterlijke Verklaring van het Boek van de Schepping (20e H.), dat Christus' vlees in Adam en Abraham was naar het lichamelijke van die zelfstandigheid. Maar het lichamelijke van een zelfstandigheid is iets bepaalds. Derhalve was Christus' vlees in Adam en Abraham en de overige voorvaderen naar iets bepaalds aanwezig.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Rom. 1. [v. 3] dicitur, quod « Christus factus est ex semine David secundum carnem ». Sed semen David fuit aliquid signatum in ipso. Ergo Christus fuit in David secundum aliquid signatum, et eadem ratione in aliis patribus.

2. In den Brief aan de Romeinen (1, 3) lezen we, dat Christus « naar het vleesch uit Davids zaad is gesproten ». Maar Davids zaad was iets bepaalds in hem. Derhalve was Christus naar iets bepaalds in David aanwezig, en om dezelfde reden ook in de andere voorvaderen.2. In de Brief aan de Romeinen (1, 3) lezen we, dat Christus “naar het vlees uit Davids zaad is gesproten”. Maar Davids zaad was iets bepaalds in hem. Derhalve was Christus naar iets bepaalds in David aanwezig, en om dezelfde reden ook in de andere voorvaderen.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Christus ad humanum genus affinitatem habet, inquantum ex humano genere carnem assumpsit. Sed si caro illa non fuit 132secundum aliquid signatum in Adam, nullam videtur habere affinitatem ad humanum genus, quod ex Adam derivatur, sed magis ad alias res, unde materia carnis ejus assumpta est. Videtur ergo, quod caro Christi fuerit in Adam et in aliis patribus secundum aliquid signatum.

3. Christus heeft een zekere verwantschap met het menschelijk geslacht, in zoover Hij uit het menschelijk geslacht het vleesch 132heeft aangenomen. Maar indien dit vleesch niet naar iets bepaalds in Adam was, zou Hij, naar men beweert, géén verwantschap hebben met het menschelijk geslacht, hetwelk uit Adam is voortgesproten, maar eerder met datgene, waaraan de materie van zijn vleesch werd ontleend. Bijgevolg, zoo beweert men, was Christus' vleesch naar iets bepaalds in Adam en de andere voorvaderen aanwezig.3. Christus heeft een zekere verwantschap met het menselijk geslacht, in zover Hij uit het menselijk geslacht het vlees 132heeft aangenomen. Maar indien dit vlees niet naar iets bepaalds in Adam was, zou Hij, naar men beweert, géén verwantschap hebben met het menselijk geslacht, hetwelk uit Adam is voortgesproten, maar eerder met datgene, waaraan de materie van zijn vlees werd ontleend. Bijgevolg, zo beweert men, was Christus' vlees naar iets bepaalds in Adam en de andere voorvaderen aanwezig.

Sed contra est. quod Augustinus dicit 10. super Genes. ad literam [cap. 19. et 20.], quocumque modo Christus fuit in Adam et Abraham et aliis patribus, alii homines etiam ibi fuerunt, sed non convertitur: alii autem homines non fuerunt in Adam et Abraham secundum aliquam materiam signatam. sed solum secundum originem, ut in 1. parte habitum est [q. 119, a. 1, 2 ad 4.]. Ergo neque Christus fuit in Adam et Abraham secundum aliquid signatum; et eadem ratione nec in aliis patribus.

Daartegenover staat echter hetgeen Augustinus zegt in het 10e boek van zijn Letterlijke Verklaring van het boek der Schepping (19e en 20e H.) : « Op elke wijze, waarop Christus in Adam en Abraham was, waren er ook de overige menschen; maar dit is niet omkeerbaar ». De overige menschen nu waren niet naar een bepaalde materie in Adam en Abraham, doch alleen naar hun oorsprong, gelijk in het eerste Deel (119e Kw., art. 1) behandeld werd. Derhalve was ook Christus niet naar iets bepaalds in Adam en Abraham aanwezig, en om dezelfde reden ook niet in de andere voorvaderen.Daartegenover staat echter hetgeen Augustinus zegt in het 10e boek van zijn Letterlijke Verklaring van het boek van de Schepping (19e en 20e H.): “Op elke wijze, waarop Christus in Adam en Abraham was, waren er ook de overige mensen; maar dit is niet omkeerbaar”. De overige mensen nu waren niet naar een bepaalde materie in Adam en Abraham, doch alleen naar hun oorsprong, gelijk in het eerste Deel (119e Kw., art. 1) behandeld werd. Derhalve was ook Christus niet naar iets bepaalds in Adam en Abraham aanwezig, en om dezelfde reden ook niet in de andere voorvaderen.

Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [art. praec.], materia corporis Christi non fuit caro et os Beatae Virginis, nec aliquid, quod fuerit actu pars corporis ejus, sed sanguis, qui est potentia caro. 133Quidquid autem fuit in Beata Virgine a parentibus acceptum, fuit actu pars corporis ejus Beatae Virginis. Unde illud quod fuit in Beata Virgine a parentibus acceptum, non fuit materia corporis Christi. Et ideo dicendum est, quod corpus Christi non fuit in Adam et aliis patribus secundum aliquid signatum, ita scilicet quod aliqua pars corporis Adae vel alicujus alterius posset designari determinate, ut diceretur quod ex hac materia determinate formabitur corpus Christi. Sed fuit ibi secundum originem, sicut et caro aliorum hominum. Corpus enim Christi habet relationem ad Adam et alios patres mediante corpore matris ejus; unde nullo alio modo fuit in patribus corpus Christi, quam corpus matris ejus, quod non fuit in patribus secundum materiam signatam, sicut nec corpora aliorum hominum, ut in 1. parte dictum est [q. 119, a. 6 ad 4.].

Leerstelling. — De materie van Christus' Lichaam waren niet het vleesch en het gebeente der H. Maagd, noch iets dat daadwerkelijk een deel van haar lichaam was, maar het bloed, 133dat in aanleg vleesch is, gelijk we boven gezien hebben (Art. 5, Antw. op de 1e B.). Al datgene echter, wat in de H. Maagd van de ouders afkomstig was, was een daadwerkelijk deel van het lichaam der H. Maagd. Derhalve was datgene, wat in de H. Maagd van de ouders afkomstig was, niet de materie voor Christus' Lichaam. En bijgevolg moeten we zeggen, dat Christus' Lichaam niet naar iets bepaalds in Adam en de overige voorvaders aanwezig was, zoo nl. dat eenig lichaamsdeel van Adam of van iemand anders bepaaldelijk kon worden aangewezen, zoo dat men zou kunnen zeggen : « uit deze materie zal Christus' Lichaam worden gevormd ». Maar Christus' Lichaam was er naar zijn oorsprong, zooals ook dat der andere menschen. Christus' Lichaam toch staat in verband met Adam en de overige voorvaders door het lichaam zijner moeder. Derhalve was Christus' Lichaam op geen enkele andere wijze in de voorvaders aanwezig dan het lichaam zijner moeder, hetwelk niet naar een bepaalde materie in de voorvaders was, evenmin als de lichamen der andere menschen, zooals we in het eerste Deel (t. a. p.) gezien hebben.Leerstelling. — De materie van Christus' Lichaam waren niet het vlees en het gebeente van de H. Maagd, noch iets dat daadwerkelijk een deel van haar lichaam was, maar het bloed, 133dat in aanleg vlees is, gelijk we boven gezien hebben (Art. 5, Antw. op de 1e B.). Al datgene echter, wat in de H. Maagd van de ouders afkomstig was, was een daadwerkelijk deel van het lichaam van de H. Maagd. Derhalve was datgene, wat in de H. Maagd van de ouders afkomstig was, niet de materie voor Christus' Lichaam. En bijgevolg moeten we zeggen, dat Christus' Lichaam niet naar iets bepaalds in Adam en de overige voorvaders aanwezig was, zo nl. dat enig lichaamsdeel van Adam of van iemand anders bepaaldelijk kon worden aangewezen, zo dat men zou kunnen zeggen: “uit deze materie zal Christus' Lichaam worden gevormd”. Maar Christus' Lichaam was er naar zijn oorsprong, zoals ook dat van de andere mensen. Christus' Lichaam toch staat in verband met Adam en de overige voorvaders door het lichaam van zijn moeder. Derhalve was Christus' Lichaam op geen enkele andere wijze in de voorvaders aanwezig dan het lichaam van zijn moeder, hetwelk niet naar een bepaalde materie in de voorvaders was, evenmin als de lichamen van de andere mensen, zoals we in het eerste Deel (t. a. p.) gezien hebben.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod cum dicitur Christus fuisse in Adam secundum corpulentam substantiam, non est intelligendum hoc modo, quod corpus Christi in Adam fuerit quaedam corpulenta substantia, sed quia 134corpulenta substantia corporis Christi, idest materia, quam sumpsit ex Virgine, fuit in Adam sicut in principio activo, non autem sicut in materiali principio, quia scilicet per virtutem generativam Adae et aliorum ab Adam descendentium usque ad Beatam Virginem, factum est ut illa materia praepararetur ad conceptum corporis Christi. Non autem fuit materia illa formata in corpus Christi per virtutem seminis ab Adam derivatam; et ideo Christus dicitur fuisse in Adam originaliter secundum corpulentam substantiam, non autem secundum seminalem rationem.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wanneer gezegd wordt, dat Christus naar de lichamelijke zelfstandigheid in Adam was, moet men dit niet zoo verstaan, alsof Christus' Lichaam in 134Adam een zekere lichamelijke zelfstandigheid was, maar dat de lichamelijke zelfstandigheid van Christus' Lichaam, d. w. z. de materie, die het aan de Maagd ontleende, in Adam was als in het eerste beginsel dat voortbrengt, en niet in hem als een eerste materieel beginsel waaruit het wordt voortgebracht. Door het op de voortplanting gerichte vermogen van Adam toch en van de overigen, die van Adam afstammen tot en met de H. Maagd toe, werd verwezenlijkt, dat deze materie geschikt werd gemaakt tot het ontvangen van Christus' Lichaam. Deze materie echter werd niet gevormd tot Lichaam van Christus door een van Adam afkomstige kracht van het zaad. Daarom dan ook heet het, dat Christus naar zijn oorsprong in Adam was naar zijn lichamelijke zelfstandigheid, maar niet op grond van eenig zaad.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wanneer gezegd wordt, dat Christus naar de lichamelijke zelfstandigheid in Adam was, moet men dit niet zo verstaan, alsof Christus' Lichaam in 134Adam een zekere lichamelijke zelfstandigheid was, maar dat de lichamelijke zelfstandigheid van Christus' Lichaam, d. w. z. de materie, die het aan de Maagd ontleende, in Adam was als in het eerste beginsel dat voortbrengt, en niet in hem als een eerste materieel beginsel waaruit het wordt voortgebracht. Door het op de voortplanting gerichte vermogen van Adam toch en van de overigen, die van Adam afstammen tot en met de H. Maagd toe, werd verwezenlijkt, dat deze materie geschikt werd gemaakt tot het ontvangen van Christus' Lichaam. Deze materie echter werd niet gevormd tot Lichaam van Christus door een van Adam afkomstige kracht van het zaad. Daarom dan ook heet het, dat Christus naar zijn oorsprong in Adam was naar zijn lichamelijke zelfstandigheid, maar niet op grond van enig zaad.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod quamvis corpus Christi non fuerit in Adam et in aliis patribus secundum seminalem rationem, corpus tamen Beatae Virginis, quod ex semine maris est conceptum, fuit in Adam et in aliis patribus secundum rationem seminalem. Et ideo mediante B. Virgine, Christus secundum carnem dicitur esse ex semine David per modum originis.

2. Hoewel Christus' Lichaam in Adam en de overige voorvaders niet op grond van eenig zaad aanwezig was, toch was wel het lichaam der H. Maagd, dat uit het zaad van den man ontvangen is, op grond van (dit) zaad in Adam en in de andere voorvaders aanwezig. En daarom zegt men dan ook dat Christus naar het vleesch middellijk, d. i. door de H. Maagd, uit het zaad van David is voortgekomen.2. Hoewel Christus' Lichaam in Adam en de overige voorvaders niet op grond van enig zaad aanwezig was, toch was wel het lichaam van de H. Maagd, dat uit het zaad van de man ontvangen is, op grond van (dit) zaad in Adam en in de andere voorvaders aanwezig. En daarom zegt men dan ook dat Christus naar het vlees middellijk, d.i. door de H. Maagd, uit het zaad van David is voortgekomen.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod Christus habet affinitatem ad humanum genus secundum similitudinem speciei. Similitudo autem speciei attenditur, 135non secundum materiam remotam, sed secundum materiam proximam, et secundum principium activum, quod generat sibi simile in specie. Sic igitur affinitas Christi ad humanum genus sufficienter conservatur per hoc, quod corpus Christi formatum est ex sanguinibus virginis, derivatis secundum originem ab Adam et aliis patribus. Nec refert ad hanc affinitatem, undecumque materia illorum sanguinum sumpta fuerit, sicut nec hoc refert in generatione aliorum hominum, sicut in prima parte dictum est [q. 119, art. 2 ad 3.].

3. Christus is verwant met het menschelijk geslacht naar de soortgelijkheid. Deze soortgelijkheid nu moet men nemen niet naar de 135verwijderde materie, doch én naar datgene waaruit iets onmiddellijk wordt voortgebracht én naar het bewerkend beginsel, dat iets voortbrengt, aan zich gelijk. Zoo derhalve wordt Christus' verwantschap met het menschelijk geslacht voldoende gewaarborgd, doordat Christus' Lichaam is gevormd uit het bloed der Maagd, hetwelk naar zijn oorsprong van Adam en de overige voorvaders afstamt. En voor deze verwantschap doet het er ook niets aan af, waar de materie tot dit bloed aan ontleend werd; evenmin als dit iets af doet bij de voortbrenging der andere menschen, zooals we in het eerste Deel (119e Kw., 2e Art., Antw. op de 3e B.) gezien hebben.3. Christus is verwant met het menselijk geslacht naar de soortgelijkheid. Deze soortgelijkheid nu moet men nemen niet naar de 135verwijderde materie, doch én naar datgene waaruit iets onmiddellijk wordt voortgebracht én naar het bewerkend beginsel, dat iets voortbrengt, aan zich gelijk. Zo derhalve wordt Christus' verwantschap met het menselijk geslacht voldoende gewaarborgd, doordat Christus' Lichaam is gevormd uit het bloed van de Maagd, hetwelk naar zijn oorsprong van Adam en de overige voorvaders afstamt. En voor deze verwantschap doet het er ook niets aan af, waar de materie tot dit bloed aan ontleend werd; evenmin als dit iets af doet bij de voortbrenging van de andere mensen, zoals we in het eerste Deel (119e Kw., 2e Art., Antw. op de 3e B.) gezien hebben.

Articulus VII

Utrum caro Christi in patribus fuerit peccato obnoxia

[3. Dist. 3. q. 4. art. 1.]
VIIe Artikel

Was Christus' Lichaam in de voorvaderen besmet door de zonde?

antwoord 1 ↓

Ad septimum sic proceditur. Videtur, quod caro Christi in antiquis patribus peccato infecta non fuerit: dicitur enim Sap. 7. [v. 25], quod in divinam sapientiam nihil inquinatum incurrit. Christus autem est Dei 136sapientia, ut dicitur 1. ad Corinth. 1. [v. 24]. Ergo caro ejus nunquam peccato inquinata fuit.

Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus' Lichaam in de voorvaderen niet door de zonde besmet was. — 1. Want in het Boek der Wijsheid (7, 25) wordt gezegd, dat niets onreins geraakt in de Goddelijke Wijsheid. Christus nu is Gods Wijsheid, zooals 136blijkt uit den Eersten Brief aan de Korinthiërs (1, 24). Derhalve was Christus' Lichaam nooit door een zonde besmet.Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus' Lichaam in de voorvaderen niet door de zonde besmet was. — 1. Want in het Boek van de Wijsheid (7, 25) wordt gezegd, dat niets onreins geraakt in de Goddelijke Wijsheid. Christus nu is Gods Wijsheid, zoals 136blijkt uit de Eerste Brief aan de Korintiërs (1, 24). Derhalve was Christus' Lichaam nooit door een zonde besmet.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Damasc. dicit in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 2. et 11.] quod Christus primitias nostrae naturae assumpsit. Sed in primo statu caro humana non erat peccato infecta. Ergo caro Christi non fuit infecta nec in Adam, nec aliis patribus.

2. Damascenus leert in het 3e boek van zijn werk Over het Waarachtig Geloof (2e en 11e H.), dat Christus de eerstelingen onzer natuur heeft aangenomen. Maar in den eersten staat was 's menschen vleesch door geen zonde besmet. Derhalve was Christus' vleesch niet besmet noch in Adam noch in de andere voorvaderen.2. Damascenus leert in het 3e boek van zijn werk Over het Waarachtig Geloof (2e en 11e H.), dat Christus de eerstelingen van onze natuur heeft aangenomen. Maar in de eerste staat was 's mensen vlees door geen zonde besmet. Derhalve was Christus' vlees niet besmet noch in Adam noch in de andere voorvaderen.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Augustinus dicit 10. super Genes. ad literam [cap. 20.], quod « natura humana semper habuit cum vulnere vulneris medicinam ». Sed id quod est infectum, non potest esse vulneris medicina, sed magis ipsum indiget medicina. Ergo semper in natura humana fuit aliquid non infectum, ex quo postmodum est corpus Christi formatum.

3. Augustinus schrijft in het 10e boek van zijn Letterlijke Verklaring van het Boek der Schepping: « steeds had de menschelijke natuur met de wonde tegelijk ook het geneesmiddel dier wonde ». Maar wat besmet is kan geen geneesmiddel zijn voor een wond, doch heeft eerder zelf een geneesmiddel noodig. Derhalve was er aldoor in de menschelijke natuur iets onbesmets; en hieruit werd later het Lichaam van Christus gevormd.3. Augustinus schrijft in het 10e boek van zijn Letterlijke Verklaring van het Boek van de Schepping: “steeds had de menselijke natuur met de wonde tegelijk ook het geneesmiddel van die wonde”. Maar wat besmet is kan geen geneesmiddel zijn voor een wond, doch heeft eerder zelf een geneesmiddel nodig. Derhalve was er aldoor in de menselijke natuur iets onbesmets; en hieruit werd later het Lichaam van Christus gevormd.

Sed contra est, quod corpus Christi non refertur ad Adam, et ad alios patres, nisi mediante corpore B. Virginis, de qua carnem assumpsit. Sed corpus B. Virginis totum fuit in originali peccato conceptum, ut supra dictum est [q. 14. art. 3. ad 1. et q. 27. art. 2.], et ita etiam secundum 137quod fuit in patribus, fuit peccato obnoxium. Ergo caro Christi, secundum quod fuit in patribus, fuit peccato obnoxia.

Daartegenover staat echter, dat Christus' Lichaam geen verband houdt met Adam en de overige voorvaders dan door het lichaam der H. Maagd. Welnu het geheele lichaam der H. Maagd was in de erfzonde ontvangen, gelijk boven (14e Kw., Art. 3, Antw. op de 1e B.) gezegd werd; en zoodoende was het, ook in zoover het in de voorvaders was, besmet door de zonde. Bijgevolg was 137Christus' Lichaam in zoover het in de voorvaders was, door de zonde besmet.Daartegenover staat echter, dat Christus' Lichaam geen verband houdt met Adam en de overige voorvaders dan door het lichaam van de H. Maagd. Welnu het gehele lichaam van de H. Maagd was in de erfzonde ontvangen, gelijk boven (14e Kw., Art. 3, Antw. op de 1e B.) gezegd werd; en zodoende was het, ook in zover het in de voorvaders was, besmet door de zonde. Bijgevolg was 137Christus' Lichaam in zover het in de voorvaders was, door de zonde besmet.

Respondeo dicendum, quod cum dicimus, Christum vel carnem ejus fuisse in Adam et in aliis patribus, comparamus ipsum vel carnem ejus ad Adam et ad alios patres. Manifestum autem est, quod alia fuit conditio patrum, et alia Christi, nam patres fuerunt subjecti peccato, Christus autem fuit omnino a peccato immunis. Dupliciter ergo in hac comparatione errare contingit: uno modo, ut attribuamus Christo vel carni ejus conditionem, quae fuit in patribus, puta si dicamus, quod Christus in Adam peccavit, quia in eo aliquo modo fuit, quod est falsum, quia non eo modo in eo fuit, ut ad Christum peccatum Adae perveniret, quia non derivatur ab eo secundum concupiscentiae legem, sive secundum rationem seminalem, ut supra dictum est [art. praec. ad 1. et q. 15. art. 1. ad 2.].

Leerstelling. — Wanneer wij zeggen, dat Christus of zijn vleesch in Adam en in de overige voorvaders was, dan vergelijken we Hem of zijn vleesch met Adam en met de overige voorvaders. Nu is het echter duidelijk, dat de gesteldheid dier voorvaders een andere was dan die van Christus. Want de voorvaders stonden onder zonde, Christus daarentegen was geheel van zonde vrij. Op grond dus van deze vergelijking kan men op tweevoudige manier dwalen. Op de eerste plaats, doordat we aan Christus of zijn vleesch de gesteldheid toeschrijven, welke in de vaders werd aangetroffen: b. v. zoo we zouden zeggen, dat Christus in Adam gezondigd heeft, omdat Hij op een of andere wijze in hem was. Maar dit is onjuist, omdat Christus niet op zulk een wijze in hem was, dat Adams zonde iets van Christus zou zijn, daar Hij niet uit hem is voortgekomen naar de wet der begeerlijkheid en evenmin naar het zaad, gelijk boven (Art. 1, Antw. op de 3e B.; Art. 6, Antw. op de 1e B.; 15e Kw., Art. 1, Antw. op de 2e B.) gezegd is.Leerstelling. — Wanneer wij zeggen, dat Christus of zijn vlees in Adam en in de overige voorvaders was, dan vergelijken we Hem of zijn vlees met Adam en met de overige voorvaders. Nu is het echter duidelijk, dat de gesteldheid van die voorvaders een andere was dan die van Christus. Want de voorvaders stonden onder zonde, Christus daarentegen was geheel van zonde vrij. Op grond dus van deze vergelijking kan men op tweevoudige manier dwalen. Op de eerste plaats, doordat we aan Christus of zijn vlees de gesteldheid toeschrijven, welke in de vaders werd aangetroffen: bv. zo we zouden zeggen, dat Christus in Adam gezondigd heeft, omdat Hij op een of andere wijze in hem was. Maar dit is onjuist, omdat Christus niet op zulk een wijze in hem was, dat Adams zonde iets van Christus zou zijn, daar Hij niet uit hem is voortgekomen naar de wet van de begeerlijkheid en evenmin naar het zaad, gelijk boven (Art. 1, Antw. op de 3e B.; Art. 6, Antw. op de 1e B.; 15e Kw., Art. 1, Antw. op de 2e B.) gezegd is.

Alio modo contingit errare, si attribuamus ei quod actu fuit in patribus, conditionem Christi vel carnis ejus, ut scilicet quia caro Christi, 138secundum quod in Christo fuit, non fuit peccato obnoxia, ita etiam in Adam et in aliis patribus fuerit aliqua pars corporis ejus, quae non fuit peccato obnoxia, ex qua postmodum corpus Christi formaretur, sicut quidam posuerunt. Quod quidem esse non potest: primo, quia caro Christi non fuit secundum aliquid signatum in Adam, et in aliis patribus, quod posset distingui a reliqua ejus carne, sicut purum ab impuro, sicut jam supra dictum est [loc. cit.]. Secundo, quia cum caro humana peccato inficiatur ex hoc, quod est per concupiscentiam concepta, sicut tota caro alicujus hominis per concupiscentiam concipitur, ita etiam tota peccato inquinatur. Et ideo dicendum est, quod tota caro antiquorum patrum fuit peccato obnoxia, nec fuit in eis aliquid a peccato immune, de quo postmodum corpus Christi formaretur.

Op de tweede plaats kan men dwalen, zoo we aan datgene, wat van Christus daadwerkelijk in de voorvaders was, de gesteldheid van Christus of van zijn vleesch toekennen. Zoodat we nl. 138zouden beweren : daar Christus' vleesch, voor zoover het in Christus was, niet door de zonde besmet was, zoo ook was er in Adam en de overige voorvaders een deel van zijn Lichaam, welk deel door geen zonde besmet was en waaruit dan later Christus' Lichaam zou gevormd worden gelijk sommigen hielden. Dit nu kan niet juist zijn. Eerstens, omdat, gelijk boven (vorig Art.) gezegd is, Christus' vleesch niet naar iets bepaalds in Adam en de overige vaders aanwezig was, hetwelk men van hun overig vleesch zou kunnen onderscheiden als het reine tegenover het onreine. Ten tweede, omdat (daar 's menschen vleesch door de zonde wordt besmeurd, wijl het in begeerlijkheid ontvangen wordt), gelijk het geheele vleesch van den mensch in begeerlijkheid wordt ontvangen, zoo ook heelemaal door de zonde wordt besmet. En derhalve moet men zeggen, dat het geheele vleesch der voorvaders door de zonde bezoedeld was; en in hen was ook niets, dat niet door de zonde was aangetast, waaruit dan later Christus' Lichaam zou gevormd worden.Op de tweede plaats kan men dwalen, zo we aan datgene, wat van Christus daadwerkelijk in de voorvaders was, de gesteldheid van Christus of van zijn vlees toekennen. Zodat we nl. 138zouden beweren: daar Christus' vlees, voor zover het in Christus was, niet door de zonde besmet was, zo ook was er in Adam en de overige voorvaders een deel van zijn Lichaam, welk deel door geen zonde besmet was en waaruit dan later Christus' Lichaam zou gevormd worden gelijk sommigen hielden. Dit nu kan niet juist zijn. Eerstens, omdat, gelijk boven (vorig Art.) gezegd is, Christus' vlees niet naar iets bepaalds in Adam en de overige vaders aanwezig was, hetwelk men van hun overig vlees zou kunnen onderscheiden als het reine tegenover het onreine. Ten tweede, omdat (daar 's mensen vlees door de zonde wordt besmeurd, wijl het in begeerlijkheid ontvangen wordt), gelijk het gehele vlees van de mens in begeerlijkheid wordt ontvangen, zo ook helemaal door de zonde wordt besmet. En derhalve moet men zeggen, dat het gehele vlees van de voorvaders door de zonde bezoedeld was; en in hen was ook niets, dat niet door de zonde was aangetast, waaruit dan later Christus' Lichaam zou gevormd worden.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod Christus non assumpsit carnem humani generis subjectam peccato, sed ab omni infectione peccati mundatam; et ideo in Dei sapientiam nihil inquinatum incurrit.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Christus nam van het menschelijk geslacht geen vleesch aan, dat onder zonde stond, maar vleesch, dat van alle zondesmet gezuiverd was. En zoodoende geraakte er niets onreins in de Wijsheid Gods.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Christus nam van het menselijk geslacht geen vlees aan, dat onder zonde stond, maar vlees, dat van alle zondesmet gezuiverd was. En zodoende geraakte er niets onreins in de Wijsheid Gods.

↑ bedenking 2

139Ad secundum dicendum, quod Christus dicitur primitias nostrae naturae assumpsisse quantum ad similitudinem conditionis, quia scilicet assumpsit carnem peccato non infectam, sicut fuerat caro hominis, ante peccatum. Non autem hoc intelligitur secundum continuationem puritatis, ita scilicet quod illa caro puri hominis conservaretur a peccato immunis usque ad formationem corporis Christi.

1392. Naar het heet heeft Christus de eerstelingen onzer natuur aangenomen, voor wat betreft de gelijkheid in gesteltenis; omdat Hij nl. het niet door zonde bezoedeld vleesch heeft aangenomen, gelijk ook 's menschen vleesch was vóór den zondeval. Doch dit moet men niet verstaan, alsof die zondeloosheid was voortgezet, nl. zóó dat dit vleesch van dien zondeloozen mensch voor zonde zou gevrijwaard blijven tot aan de vorming van Christus' Lichaam.1392. Naar het heet heeft Christus de eerstelingen van onze natuur aangenomen, voor wat betreft de gelijkheid in gesteltenis; omdat Hij nl. het niet door zonde bezoedeld vlees heeft aangenomen, gelijk ook 's mensen vlees was vóór de zondeval. Doch dit moet men niet verstaan, alsof die zondeloosheid was voortgezet, nl. zó dat dit vlees van die zondeloozen mens voor zonde zou gevrijwaard blijven tot aan de vorming van Christus' Lichaam.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod in humana natura ante Christum erat vulnus, idest infectio originalis peccati in actu; medicina autem vulneris non erat ibi actu, sed solum secundum virtutem originis, prout ab illis Patribus propaganda erat caro Christi.

3. Vóór Christus was er in de menschelijke natuur daadwerkelijk een wond, d. i. de smet der erfzonde. Het geneesmiddel dier wond echter was daar (in de menschelijke natuur) niet daadwerkelijk maar uitsluitend in zoover die natuur de kracht bezat de oorsprong van dat geneesmiddel te zijn, daar toch Christus' vleesch door die vaders moest worden voortgeplant.3. Vóór Christus was er in de menselijke natuur daadwerkelijk een wond, d.i. de smet van de erfzonde. Het geneesmiddel van die wond echter was daar (in de menselijke natuur) niet daadwerkelijk maar uitsluitend in zover die natuur de kracht bezat de oorsprong van dat geneesmiddel te zijn, daar toch Christus' vlees door die vaders moest worden voortgeplant.

Articulus VIII

Utrum Christus in lumbis Abrahae fuerit decimatus

[3. Dist. 3. q. 4. art. 3. q. 2. et 4. Dist. 1. q. 2. art. 2. q. 3. ad 2. et Dist. 2. q. 1. art. 2. ad 4.]
VIIIe Artikel

Heeft Christus in de lendenen van Abraham tienden betaald?

antwoord 1 ↓

Ad octavum sic proceditur. Videtur, quod Christus fuerit in lumbis 140Abrahae decimatus: dicit enim Apostolus ad Hebr. 7. [v. 6 sqq.], quod Levi pronepos Abrahae decimatus fuit in Abraham, quia eo decimas dante Melchisedech, adhuc Levi erat in lumbis ejus. Sed similiter Christus erat in lumbis Abrahae, quando decimas dedit. Ergo ipse etiam Christus fuit decimatus in Abraham.

Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus in de lendenen 140van Abraham tienden heeft betaald. — 1. De Apostel toch zegt in zijn Brief aan de Hebreeën (7, 6, vlg.), dat Levi, de achterkleinzoon van Abraham, in Abraham tienden heeft betaald, omdat Levi nog in diens lendenen was, toen Abraham tienden betaalde aan Melchisedech. Christus echter was evenzeer in de lendenen van Abraham, toen deze de tienden gaf. Derhalve heeft ook Christus in Abraham tienden betaald.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Christus est ex semine Abrahae secundum carnem, quam de matre accepit. Sed mater ejus fuit decimata in Abraham. Ergo pari ratione Christus.

2. Christus is uit het zaad van Abraham naar het vleesch, dat Hij van zijn moeder ontving. Welnu, zijn moeder heeft in Abraham tienden betaald. Derhalve om dezelfde reden ook Christus.2. Christus is uit het zaad van Abraham naar het vlees, dat Hij van zijn moeder ontving. Welnu, zijn moeder heeft in Abraham tienden betaald. Derhalve om dezelfde reden ook Christus.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, « illud in Abraham decimabatur, quod curatione indigebat », ut Augustinus dicit 10. super Genes. ad literam [cap. 20.]. Curatione autem indiget omnis caro peccato obnoxia. Cum igitur caro Christi fuerit peccato obnoxia, sicut dictum est [art. praec.], videtur quod caro Christi in Abraham fuerit decimata.

3. « Datgene heeft in Abraham tienden betaald, wat genezing behoefde », zooals Augustinus zegt in zijn Letterlijke Verklaring van het Boek der Schepping (10e B., 20e H.). Genezing nu behoefde alle vleesch, dat zonde-schuldig was. Wijl derhalve Christus' vleesch zonde-schuldig was, zooals in het vorige Art. werd aangetoond, heeft ook Christus' vleesch, naar men beweert, in Abraham tienden betaald.3. “Datgene heeft in Abraham tienden betaald, wat genezing behoefde”, zoals Augustinus zegt in zijn Letterlijke Verklaring van het Boek van de Schepping (10e B., 20e H.). Genezing nu behoefde alle vlees, dat zonde-schuldig was. Wijl derhalve Christus' vlees zonde-schuldig was, zoals in het vorige Art. werd aangetoond, heeft ook Christus' vlees, naar men beweert, in Abraham tienden betaald.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, hoc non videtur aliquo modo derogare dignitati Christi: nihil enim prohibet, patre alicujus pontificis decimas dante alicui sacerdoti, filium ejus pontificem majorem esse simplici sacerdote. Licet ergo dicatur 141Christus decimatus, Abraham decimas dante Melchisedech, non tamen propter hoc excluditur, quin Christus sit major quam Melchisedech.

4. Naar men beweert, doet dit op geen enkele manier afbreuk aan Christus' waardigheid. Niets toch belet, dat, terwijl de vader van een hoogepriester aan een gewoon priester tienden geeft, zijn zoon hooger in priesterlijke waardigheid staat dan een gewoon priester. Ook al zegt men dus, dat Christus tienden betaalde, 141toen Abraham tienden gaf aan Melchisedech, toch wordt daarmede niet uitgesloten, dat Christus hooger is dan Melchisedech.4. Naar men beweert, doet dit op geen enkele manier afbreuk aan Christus' waardigheid. Niets toch belet, dat, terwijl de vader van een hogepriester aan een gewoon priester tienden geeft, zijn zoon hoger in priesterlijke waardigheid staat dan een gewoon priester. Ook al zegt men dus, dat Christus tienden betaalde, 141toen Abraham tienden gaf aan Melchisedech, toch wordt daarmede niet uitgesloten, dat Christus hoger is dan Melchisedech.

Sed contra est, quod Augustinus dicit in 10. super Gen. ad literam [cap. 20.], quod « Christus ibi, scilicet in Abraham, decimatus non est, cujus caro inde non fervorem vulneris, sed materiam medicaminis traxit ».

Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt in zijn Letterlijke Verklaring van het Boek der Schepping (10e B., 20e H.), dat « Christus daar, nl. in Abraham, geen tienden betaald heeft; zijn vleesch ontleende daaraan niet het schrijnen van de wonde, maar de materie voor het geneesmiddel ».Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt in zijn Letterlijke Verklaring van het Boek van de Schepping (10e B., 20e H.), dat “Christus daar, nl. in Abraham, geen tienden betaald heeft; zijn vlees ontleende daaraan niet het schrijnen van de wonde, maar de materie voor het geneesmiddel”.

Respondeo dicendum, quod secundum intentionem Apostoli oportet dicere, quod Christus in lumbis Abrahae non fuerit decimatus: probat enim Apostolus, majus esse sacerdotium, quod est secundum ordinem Melchisedech, sacerdotio Levitico, per hoc quod Abraham decimas dedit Melchisedech, adhuc Levi existente in lumbis ejus, ad quem pertinet legale sacerdotium. Si autem Christus etiam in Abraham decimatus esset, ejus sacerdotium non esset secundum ordinem Melchisedech, sed minus sacerdotio Melchisedech, et ideo dicendum est, quod Christus non est decimatus in lumbis Abrahae, sicut Levi.

Leerstelling. — Volgens de bedoeling van den Apostel moet men zeggen, dat Christus in de lendenen van Abraham geen tienden heeft betaald. De Apostel toch bewijst de stelling, dat het priesterschap, hetwelk volgens de orde van Melchisedech is, hooger staat dan het Levitisch priesterschap, door het feit, dat Abraham tienden gaf aan Melchisedech, toen Levi, aan wien het priesterschap der Wet toekwam, nog in Abrahams lendenen was. Indien nu ook Christus in Abraham tienden had betaald, zou zijn priesterschap niet volgens de orde van Melchisedech zijn, doch lager staan dan het priesterschap van Melchisedech. En bijgevolg moet men zeggen, dat Christus, in de lendenen van Abraham geen tienden heeft betaald, gelijk Levi.Leerstelling. — Volgens de bedoeling van de Apostel moet men zeggen, dat Christus in de lendenen van Abraham geen tienden heeft betaald. De Apostel toch bewijst de stelling, dat het priesterschap, hetwelk volgens de orde van Melchisedech is, hoger staat dan het Levitisch priesterschap, door het feit, dat Abraham tienden gaf aan Melchisedech, toen Levi, aan wie het priesterschap van de Wet toekwam, nog in Abrahams lendenen was. Indien nu ook Christus in Abraham tienden had betaald, zou zijn priesterschap niet volgens de orde van Melchisedech zijn, doch lager staan dan het priesterschap van Melchisedech. En bijgevolg moet men zeggen, dat Christus, in de lendenen van Abraham geen tienden heeft betaald, gelijk Levi.

Quia enim ille qui decimas dat, novem sibi 142retinet, et decimam alii tribuit, quod est perfectionis signum, inquantum est quodammodo terminus omnium numerorum, qui procedunt usque ad decem. Inde est, quod ille qui decimas dat, protestatur se imperfectum, et perfectionem alii tribuere. Imperfectio autem humani generis est propter peccatum, quod indiget perfectione ejus, qui a peccato curat. Curare autem a peccato est solius Christi: ipse enim est Agnus, qui tollit peccatum mundi, ut dicitur Joan. 1. [v. 29]. Figuram autem ejus gerebat Melchisedech, ut Apostolus probat Hebr. 7. Per hoc ergo quod Abraham Melchisedech decimas dedit, praefiguravit se velut in peccato conceptum, et omnes qui ab eo descensuri erant, ea ratione ut peccatum originale contraherent, indigere curatione, quae est per Christum.

Daar toch degene, die tienden geeft, negen tienden voor zich 142behoudt en aan den ander een tiende afstaat (tien nu is het teeken van volmaaktheid, voor zoover het in zekeren zin een eindpunt aller getallen is; de getallen toch, loopen door tot op tien), daarvandaan betuigt hij, die tienden geeft, dat hij onvolmaakt is en dat hij aan den ander de volmaaktheid toekent. De onvolmaaktheid nu van het menschelijk geslacht is krachtens de zonde; en deze behoeft de volmaaktheid van dengene, die van zonde geneest. Het genezen echter van zonde komt uitsluitend aan Christus toe : Hij toch is het Lam, dat de zonde der wereld wegneemt, zooals gezegd wordt bij Joannes (1, 29). Hij nu werd voorafgebeeld door Melchisedech, gelijk de Apostel in zijn Brief aan de Hebreeën (7e H.) aantoont. Door dus tienden te geven aan Melchisedech, beeldde Abraham vooraf, dat hij, als in zonde ontvangen, en al degenen, die van hem zouden afstammen, zoo dat zij de erfzonde op zich zouden trekken, de genezing behoeven, welke geschiedt door Christus.Daar toch degene, die tienden geeft, negen tienden voor zich 142behoudt en aan de ander een tiende afstaat (tien nu is het teken van volmaaktheid, voor zover het in zekeren zin een eindpunt aller getallen is; de getallen toch, lopen door tot op tien), daarvandaan betuigt hij, die tienden geeft, dat hij onvolmaakt is en dat hij aan de ander de volmaaktheid toekent. De onvolmaaktheid nu van het menselijk geslacht is krachtens de zonde; en deze behoeft de volmaaktheid van dengene, die van zonde geneest. Het genezen echter van zonde komt uitsluitend aan Christus toe: Hij toch is het Lam, dat de zonde van de wereld wegneemt, zoals gezegd wordt bij Johannes (1, 29). Hij nu werd voorafgebeeld door Melchisedech, gelijk de Apostel in zijn Brief aan de Hebreeën (7e H.) aantoont. Door dus tienden te geven aan Melchisedech, beeldde Abraham vooraf, dat hij, als in zonde ontvangen, en al degenen, die van hem zouden afstammen, zo dat zij de erfzonde op zich zouden trekken, de genezing behoeven, welke geschiedt door Christus.

Isaac autem et Jacob et Levi et omnes alii sic fuerunt in Abraham, ut ex eo derivarentur non solum secundum corpulentam substantiam, sed etiam secundum rationem seminalem, per quam originale peccatum contrahitur. Et ideo omnes in Abraham sunt decimati, idest praefigurati indigere curatione, quae est per Christum.

[De vertaling van deze zinnen ontbreekt in de uitgave.]

Solus autem Christus sic fuit in Abraham, ut ab eo derivaretur, non secundum rationem seminalem, sed secundum corpulentam substantiam. Et ideo non fuit 143in Abraham sicut curatione indigens, sed magis sicut vulneris medicina. Et ideo non fuit in lumbis Abrahae decimatus.

Uitsluitend Christus echter was op zulk een wijze in Abraham, dat Hij niet van hem afstamde krachtens het zaad, doch alleen naar de lichamelijke zelfstandigheid. En bijgevolg was Hij niet in Abraham als een die genezing behoeft, maar eer als het 143geneesmiddel der wonde. En derhalve heeft Hij in de lendenen van Abraham geen tienden betaald.Uitsluitend Christus echter was op zulk een wijze in Abraham, dat Hij niet van hem afstamde krachtens het zaad, doch alleen naar de lichamelijke zelfstandigheid. En bijgevolg was Hij niet in Abraham als een die genezing behoeft, maar eer als het 143geneesmiddel van de wonde. En derhalve heeft Hij in de lendenen van Abraham geen tienden betaald.

↑ bedenking 1

Et per hoc patet responsio ad primum.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Uit het bovenstaande blijkt het antwoord op de eerste bedenking.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod quia Beata Virgo fuit in originali concepta, fuit in Abraham sicut curatione indigens. Et ideo fuit ibi decimata, velut inde descendens secundum seminalem rationem. De corpore autem Christi non est sic, ut dictum est [in corp.].

2. Daar de H. Maagd in erfzonde ontvangen werd, was zij in Abraham als een die genezing behoeft. En bijgevolg heeft zij daar tienden betaald, als van hem afstammend door het zaad. Bij het Lichaam van Christus echter was dit niet het geval, zooals blijkt uit hetgeen in de leerstelling werd aangetoond.2. Daar de H. Maagd in erfzonde ontvangen werd, was zij in Abraham als een die genezing behoeft. En bijgevolg heeft zij daar tienden betaald, als van hem afstammend door het zaad. Bij het Lichaam van Christus echter was dit niet het geval, zoals blijkt uit hetgeen in de leerstelling werd aangetoond.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod caro Christi dicitur fuisse in antiquis Patribus peccato obnoxia, secundum qualitatem quam habuit in ipsis patribus qui fuerunt decimati, non autem secundum qualitatem quam habet, prout est actu in Christo, qui non est decimatus.

3. Van Christus' vleesch zegt men, dat het in zijn voorvaders zonde-schuldig was naar de hoedanigheid, die het had in de voorouders zelf, die tienden hebben betaald. Maar niet naar de hoedanigheid, die het heeft voor zoover het daadwerkelijk is in Christus, die geen tienden betaalde.3. Van Christus' vlees zegt men, dat het in zijn voorvaders zonde-schuldig was naar de hoedanigheid, die het had in de voorouders zelf, die tienden hebben betaald. Maar niet naar de hoedanigheid, die het heeft voor zover het daadwerkelijk is in Christus, die geen tienden betaalde.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod sacerdotium Leviticum secundum carnis originem derivabatur; unde non minus fuit in Abraham, quam in Levi; unde per hoc quod Abraham decimas dedit Melchisedech tamquam majori, ostenditur sacerdotium Melchisedech, inquantum gerit figuram Christi, esse majus sacerdotio Levitico. Sacerdotium autem Christi non sequitur carnis 144originem, sed gratiam spiritualem, et ideo potest esse, quod pater det decimas alicui sacerdoti, tamquam minor majori; et tamen filius ejus, si sit Pontifex, est major illo sacerdote, non propter carnis originem, sed propter gratiam spiritualem, quam habet a Christo.

4. Het Levitisch priesterschap zette zich voort naar de afstamming des vleesches. Derhalve was het niet minder in Abraham dan in Levi. Doordat Abraham tienden gaf aan Melchisedech als aan zijn meerdere, wordt dus aangetoond, dat het priesterschap van Melchisedech, in zoover hij Christus voorafbeeldt, hooger staat dan het Levitisch priesterschap. Christus' priesterschap echter volgt 144niet de lijn van vleeschelijke afstamming, maar de geestelijke genade. En zoo is het dus mogelijk, dat een vader tienden gaf aan een priester als de mindere aan zijn meerdere, terwijl toch zijn zoon, indien deze hoogepriester is, hooger is dan die priester, niet om de vleeschelijke afstamming, maar om de geestelijke genade, die hij van Christus ontvangt.4. Het Levitisch priesterschap zette zich voort naar de afstamming van het vlees. Derhalve was het niet minder in Abraham dan in Levi. Doordat Abraham tienden gaf aan Melchisedech als aan zijn meerdere, wordt dus aangetoond, dat het priesterschap van Melchisedech, in zover hij Christus voorafbeeldt, hoger staat dan het Levitisch priesterschap. Christus' priesterschap echter volgt 144niet de lijn van vleselijke afstamming, maar de geestelijke genade. En zo is het dus mogelijk, dat een vader tienden gaf aan een priester als de mindere aan zijn meerdere, terwijl toch zijn zoon, indien deze hogepriester is, hoger is dan die priester, niet om de vleselijke afstamming, maar om de geestelijke genade, die hij van Christus ontvangt.