De nativitate Christi
Over Christus' geboorte
200Consequenter post Christi conceptionem agendum est de ejus nativitate; et primo quantum ad ipsam nativitatem, secundo quantum ad nativitatis manifestationem.
200Consequent moeten we na Christus' ontvangenis handelen over zijn geboorte. Eerstens over de geboorte zelf; vervolgens over de bekendmaking van den geborene.200Consequent moeten we na Christus' ontvangenis handelen over zijn geboorte. Eerstens over de geboorte zelf; vervolgens over de bekendmaking van de geborene.
Circa primum quaeruntur octo: 1. Utrum nativitas sit naturae, vel personae. — 2. Utrum Christo sit attribuenda alia nativitas praeter aeternam. — 3. Utrum secundum nativitatem temporalem B. Virgo sit mater ejus. — 4. Utrum debeat dici mater Dei. — 5. Utrum Christus secundum duas filiationes sit filius Dei Patris, et Virginis matris. — 6. De modo nativitatis. — 7. De loco. — 8. De tempore nativitatis.
Aangaande het eerste worden acht vragen gesteld. 1. Komt het geboren worden aan de natuur toe of aan den persoon? 2. Moet aan Christus behalve zijn eeuwige geboorte nog een andere geboorte worden toegekend? 3. Is de H. Maagd zijn Moeder krachtens zijn geboorte in den tijd? 4. Moet zij Moeder Gods worden genoemd? 5. Is Christus krachtens twee zoonschappen Zoon van God den Vader en Zoon der Moedermaagd ? 6. Over de wijze der geboorte. 7. Over de plaats. 8. Over den tijd der geboorte.Aangaande het eerste worden acht vragen gesteld. 1. Komt het geboren worden aan de natuur toe of aan de persoon? 2. Moet aan Christus behalve zijn eeuwige geboorte nog een andere geboorte worden toegekend? 3. Is de H. Maagd zijn Moeder krachtens zijn geboorte in de tijd? 4. Moet zij Moeder Gods worden genoemd? 5. Is Christus krachtens twee zoonschappen Zoon van God de Vader en Zoon van de Moedermaagd? 6. Over de wijze van de geboorte. 7. Over de plaats. 8. Over de tijd van de geboorte.
Utrum nativitas sit naturae, vel personae
Komt het geboren worden meer aan de natuur toe dan aan den persoon ?Komt het geboren worden meer aan de natuur toe dan aan de persoon?
201Ad primum sic proceditur. Videtur, quod nativitas naturae conveniat magis, quam personae: dicit enim Augustinus in libro de Fide ad Petrum [cap. 2.] : « Natura aeterna atque divina non posset concipi et nasci ex humana natura, nisi secundum veritatem humanae naturae ». Si igitur divinae naturae convenit concipi et nasci ratione humanae naturae, multo magis convenit humanae naturae.
201Bedenkingen. — Men beweert, dat het geboren worden meer aan de natuur dan aan den persoon toekomt. — 1. Augustinus toch zegt in zijn werk Over het Geloof, aan Petrus: « De eeuwige en Goddelijke natuur zou niet ontvangen en geboren kunnen worden in de menschelijke natuur tenzij volgens de ware menschelijke natuur ». Zoo dus komt het krachtens de menschelijke natuur aan de Goddelijke natuur toe ontvangen en geboren te worden. Nog veel meer komt het dus aan de menschelijke natuur toe ontvangen en geboren te worden.201Bedenkingen. — Men beweert, dat het geboren worden meer aan de natuur dan aan de persoon toekomt. — 1. Augustinus toch zegt in zijn werk Over het Geloof, aan Petrus: “De eeuwige en Goddelijke natuur zou niet ontvangen en geboren kunnen worden in de menselijke natuur tenzij volgens de ware menselijke natuur”. Zo dus komt het krachtens de menselijke natuur aan de Goddelijke natuur toe ontvangen en geboren te worden. Nog veel meer komt het dus aan de menselijke natuur toe ontvangen en geboren te worden.
2. Praeterea, secundum Philosophum 5. Metaph. [L. IV, cap. 4, n. 1], « nomen naturae a nascendo sumptum est ». Sed denominationes fiunt secundum similitudinis convenientiam. Ergo videtur, quod nativitas magis pertineat ad naturam, quam ad personam.
2. Volgens den Wijsgeer in het 5e boek van zijn Metaphysica is het woord « natuur » afgeleid van « nasci », (d. i. geboren worden). Maar het namen geven steunt op een overeenkomst van gelijkenis. Derhalve, zoo beweert men, behoort de geboorte meer bij de natuur dan bij den persoon.2. Volgens de Wijsgeer in het 5e boek van zijn Metafysica is het woord “natuur” afgeleid van “nasci”, (d.i. geboren worden). Maar het namen geven steunt op een overeenkomst van gelijkenis. Derhalve, zo beweert men, behoort de geboorte meer bij de natuur dan bij de persoon.
3. Praeterea, illud proprie nascitur, quod per nativitatem incipit esse. Sed per nativitatem Christi non incepit esse persona Christi, sed ejus humana 202natura. Ergo videtur, quod nativitas proprie pertineat ad naturam, non ad personam.
3. In eigenlijken zin wordt datgene geboren, wat door de geboorte begint te bestaan. Maar door de geboorte van Christus 202begon niet Christus' Persoon te bestaan, doch zijn menschelijke natuur. Bijgevolg, zoo beweert men, behoort eigenlijk de geboorte tot de natuur, en niet tot den persoon.3. In eigenlijke zin wordt datgene geboren, wat door de geboorte begint te bestaan. Maar door de geboorte van Christus 202begon niet Christus' Persoon te bestaan, doch zijn menselijke natuur. Bijgevolg, zo beweert men, behoort eigenlijk de geboorte tot de natuur, en niet tot de persoon.
Sed contra est, quod Damascenus dicit in 4. lib. [Orth. Fid. cap. 7.] : « Nativitas hypostasis est, non naturae ».
Daartegenover staat echter hetgeen Damascenus schrijft in het 3e boek van zijn werk Over het Waarachtig Geloof : « De geboorte geldt den persoon, niet de natuur ».Daartegenover staat echter hetgeen Damascenus schrijft in het 3e boek van zijn werk Over het Waarachtig Geloof: “De geboorte geldt de persoon, niet de natuur”.
Respondeo dicendum, quod nativitas potest attribui alicui dupliciter: uno modo sicut subjecto, alio modo sicut termino. Sicut subjecto quidem, attribuitur ei, quod nascitur. Hoc autem proprie est hypostasis, non natura: cum enim nasci sit quoddam generari, sicut generatur aliquid ad hoc quod sit, ita nascitur aliquid ad hoc quod sit. Esse autem proprie est rei subsistentis, nam forma, quae non subsistit, dicitur esse solum, quia ea aliquid est, persona autem, vel hypostasis significatur per modum subsistentis; natura autem significatur per modum formae, in qua aliquid subsistit. Et 203ideo nativitas, tanquam subjecto nascenti, proprie attribuitur personae vel hypostasi, non naturae, sed sicut termino attribuitur nativitas naturae: terminus enim generationis et cujuslibet nativitatis est forma; natura autem per modum formae significatur. Unde nativitas dicitur esse via in naturam, ut patet per Philosophum 2. Phys. [cap. 1, n. 14] : terminatur enim naturae intentio ad formam seu naturam speciei.
Leerstelling. — De geboorte kan aan iets op tweevoudige wijze worden toegeschreven: eerstens als zijnde het subject, (dat het geboren worden ondergaat) ; op de tweede plaats als zijnde het doel der geboorte. Als zijnde het subject wordt de geboorte toegeschreven aan datgene, wat geboren wordt. Dit nu is eigenlijk de persoon, niet de natuur. Want, daar geboren worden een voortgebracht worden is, daarom, gelijk iets wordt voortgebracht, om te zijn, zoo ook wordt iets geboren, om te zijn. Het zijn nu is eigenlijk iets van het op zich zelf staande ding; want van een niet op zich zelf staanden vorm zegt men alleen, dat hij is, omdat dóór hem iets is. Persoon nu of hypostase wordt aangeduid als iets, dat op zich zelf staat; de natuur echter wordt aangeduid bij wijze van een vorm, waardoor iets op zich zelf bestaat. En derhalve, wanneer het gaat over het subject van het geboren worden, wordt de geboorte eigenlijk aan den persoon toegeschreven, niet aan de natuur. 203Maar gaat het over het doel, dan wordt de geboorte aan de natuur toegeschreven. Het doel immers der voortbrenging of van welke geboorte ook, is de vorm. De natuur echter van een ding wordt bij wijze van een vorm aangeduid. Vandaar heet de geboorte de weg naar de natuur van het ding, zooals blijkt bij den Wijsgeer in het 2e boek van zijn Natuurleer; de streving toch der natuur beperkt zich tot den vorm, m. a. w. tot de natuur of het wezen der soort.Leerstelling. — De geboorte kan aan iets op tweevoudige wijze worden toegeschreven: eerstens als zijnde het subject, (dat het geboren worden ondergaat); op de tweede plaats als zijnde het doel van de geboorte. Als zijnde het subject wordt de geboorte toegeschreven aan datgene, wat geboren wordt. Dit nu is eigenlijk de persoon, niet de natuur. Want, daar geboren worden een voortgebracht worden is, daarom, gelijk iets wordt voortgebracht, om te zijn, zo ook wordt iets geboren, om te zijn. Het zijn nu is eigenlijk iets van het op zichzelf staande ding; want van een niet op zichzelf staanden vorm zegt men alleen, dat hij is, omdat dóór hem iets is. Persoon nu of hypostase wordt aangeduid als iets, dat op zichzelf staat; de natuur echter wordt aangeduid bij wijze van een vorm, waardoor iets op zichzelf bestaat. En derhalve, wanneer het gaat over het subject van het geboren worden, wordt de geboorte eigenlijk aan de persoon toegeschreven, niet aan de natuur. 203Maar gaat het over het doel, dan wordt de geboorte aan de natuur toegeschreven. Het doel immers van de voortbrenging of van welke geboorte ook, is de vorm. De natuur echter van een ding wordt bij wijze van een vorm aangeduid. Vandaar heet de geboorte de weg naar de natuur van het ding, zoals blijkt bij de Wijsgeer in het 2e boek van zijn Natuurleer; de streving toch van de natuur beperkt zich tot de vorm, m. a. w. tot de natuur of het wezen van de soort.
Ad primum ergo dicendum, quod propter identitatem, quae in divinis est inter naturam et hypostasim, quandoque natura ponitur pro persona vel hypostasi; et secundum haec dicit Augustinus naturam divinam esse conceptam et natam, quia scilicet persona Filii est concepta et nata secundum humanam naturam.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Omdat in God Persoon en Natuur een en hetzelfde zijn, spreekt men soms van natuur in plaats van persoon. En in dien zin zegt Augustinus, dat de Goddelijke natuur ontvangen en geboren werd, omdat nl. de Persoon des Zoons ontvangen en geboren werd naar de menschelijke natuur.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Omdat in God Persoon en Natuur een en hetzelfde zijn, spreekt men soms van natuur in plaats van persoon. En in die zin zegt Augustinus, dat de Goddelijke natuur ontvangen en geboren werd, omdat nl. de Persoon van de Zoon ontvangen en geboren werd naar de menselijke natuur.
Ad secundum dicendum, quod nullus motus seu mutatio denominatur a subjecto, quod movetur, sed a termino motus, a quo speciem habet, et propter hoc nativitas non denominatur a persona, quae nascitur, sed a natura, ad quam nativitas terminatur.
2. Geen enkele beweging of verandering wordt benoemd naar het subject, dat die beweging of verandering ondergaat, maar naar het doel of eindpunt der beweging, waaraan zij ook haar eigen aard ontleent. Daarom juist wordt de geboorte niet genoemd naar den persoon (die geboren wordt), doch naar de natuur (die het doel of eindpunt der geboorte is).2. Geen enkele beweging of verandering wordt benoemd naar het subject, dat die beweging of verandering ondergaat, maar naar het doel of eindpunt van de beweging, waaraan zij ook haar eigen aard ontleent. Daarom juist wordt de geboorte niet genoemd naar de persoon (die geboren wordt), doch naar de natuur (die het doel of eindpunt van de geboorte is).
Ad tertium dicendum, quod natura, proprie loquendo, non incipit esse, 204sed magis persona incipit esse in aliqua natura, quia, sicut dictum est [in corp.], natura significatur, ut quo aliquid est, persona autem significatur, ut quae habet esse subsistens.
3. In eigenlijken zin begint de natuur niet te bestaan, maar veel 204eer begint een persoon te bestaan in deze of gene natuur, omdat, gelijk boven (zie Leerstelling) gezegd is, de natuur wordt aangeduid als een « waardoor » iets is; de persoon echter wordt aangeduid als datgene, wat een op zichzelf staand zijn heeft.3. In eigenlijke zin begint de natuur niet te bestaan, maar veel 204eer begint een persoon te bestaan in deze of gene natuur, omdat, gelijk boven (zie Leerstelling) gezegd is, de natuur wordt aangeduid als een “waardoor” iets is; de persoon echter wordt aangeduid als datgene, wat een op zichzelf staand zijn heeft.
Utrum attribuenda sit Christo aliqua nativitas temporalis
Moet aan Christus een geboorte in den tijd worden toegeschreven?Moet aan Christus een geboorte in de tijd worden toegeschreven?
Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod Christo non sit attribuenda aliqua nativitas temporalis. Nasci enim est velut quidam motus rei non existentis, antequam nascatur, id agens beneficio nativitatis, ut sit. Sed Christus ab aeterno fuit. Ergo non potuit temporaliter nasci.
Bedenkingen. — Men beweert, dat aan Christus geen geboorte in den tijd moet worden toegeschreven. — 1. Geboren worden toch is als het ware het veranderd worden van een ding, dat voor zijn geboorte niet bestaat, maar door de weldaad der geboorte bereikt, dat het bestaat. Maar Christus bestond van eeuwigheid. Derhalve kon Hij niet in den tijd geboren worden.Bedenkingen. — Men beweert, dat aan Christus geen geboorte in de tijd moet worden toegeschreven. — 1. Geboren worden toch is als het ware het veranderd worden van een ding, dat voor zijn geboorte niet bestaat, maar door de weldaad van de geboorte bereikt, dat het bestaat. Maar Christus bestond van eeuwigheid. Derhalve kon Hij niet in de tijd geboren worden.
2. Praeterea, illud quod est ex se perfectum, nativitate non indiget. Sed persona Filii Dei ab aeterno fuit perfecta. Non ergo indiget temporali nativitate, et ita videtur, quod non sit temporaliter natus.
2. Wat in zichzelf volmaakt is, heeft geen geboorte noodig. Welnu, de Persoon van den Zoon Gods is van eeuwigheid af volmaakt. Derhalve heeft Hij geen geboorte in den tijd noodig. En dus, beweert men, is Hij niet in den tijd geboren.2. Wat in zichzelf volmaakt is, heeft geen geboorte nodig. Welnu, de Persoon van de Zoon Gods is van eeuwigheid af volmaakt. Derhalve heeft Hij geen geboorte in de tijd nodig. En dus, beweert men, is Hij niet in de tijd geboren.
2053. Praeterea, nativitas proprie personae convenit. Sed in Christo est una tantum persona. Ergo in Christo est tantum una nativitas.
2053. De geboorte komt eigenlijk aan den persoon toe. Welnu in Christus is slechts één Persoon. Derhalve is in Christus ook slechts één geboorte.2053. De geboorte komt eigenlijk aan de persoon toe. Welnu in Christus is slechts één Persoon. Derhalve is in Christus ook slechts één geboorte.
4. Praeterea, quod duabus nativitatibus nascitur, bis nascitur. Sed haec videtur esse falsa: Christus est bis natus, quia nativitas ejus, qua de Patre est natus, interruptionem non patitur, cum sit aeterna; quod tamen requiritur ad hoc adverbium bis: ille enim dicitur bis currere, qui cum interruptione currit. Ergo videtur, quod in Christo non sit ponenda duplex nativitas.
4. Wat door twee geboorten geboren wordt, wordt tweemaal geboren. Nu lijkt het echter onjuist te beweren : Christus is tweemaal geboren. Want zijn geboorte, waardoor Hij van den Vader geboren wordt, duldt geen onderbreking, omdat zij eeuwig is. Toch wordt dit vereischt, anders kan men niet spreken van tweemaal; van dengene toch, die zijn loop onderbreekt, zegt men, dat hij tweemaal loopt. Derhalve zoo beweert men, moet men in Christus geen dubbele geboorte aannemen.4. Wat door twee geboorten geboren wordt, wordt tweemaal geboren. Nu lijkt het echter onjuist te beweren: Christus is tweemaal geboren. Want zijn geboorte, waardoor Hij van de Vader geboren wordt, duldt geen onderbreking, omdat zij eeuwig is. Toch wordt dit vereist, anders kan men niet spreken van tweemaal; van dengene toch, die zijn loop onderbreekt, zegt men, dat hij tweemaal loopt. Derhalve zo beweert men, moet men in Christus geen dubbele geboorte aannemen.
Sed contra est, quod Damascenus dicit in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 7.] : « Confitemur duas Christi nativitates: unam, quae est ex Patre, aeternam, et unam, quae est in ultimis temporibus, propter nos ».
Daartegenover staat echter hetgeen Damascenus schrijft in het 3e boek van zijn werk Over het Waarachtig Geloof: « Wij belijden twee geboorten van Christus : eene eeuwige, en deze is de geboorte uit den Vader, en eene, die in de laatste tijden om ons geschiedde ».Daartegenover staat echter hetgeen Damascenus schrijft in het 3e boek van zijn werk Over het Waarachtig Geloof: “Wij belijden twee geboorten van Christus: een eeuwige, en deze is de geboorte uit de Vader, en een, die in de laatste tijden om ons geschiedde”.
Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est [art. praec.], natura comparatur ad nativitatem, sicut terminus ad motum vel mutationem; motus autem diversificatur secundum diversitatem terminorum, ut patet per 206Philosophum in 5. Physicor. [cap. 5, n. 3 sqq.]. In Christo autem sunt duae naturae, divina scilicet et humana quarum unam accepit ab aeterno a Patre, alteram accepit temporaliter a matre. Et ideo necesse est attribuere Christo duas nativitates, unam qua aeternaliter natus est a Patre, aliam qua temporaliter natus est a matre.
Leerstelling. — Gelijk boven gezegd is (vorig Art.) verhoudt de natuur zich tot de geboorte, gelijk het doel of eindpunt zich verhoudt tot de beweging of verandering. De beweging nu is verschillend naar het verschil der eindpunten; zooals blijkt bij den 206Wijsgeer in het 5e boek van zijn Natuurleer. In Christus nu is een tweevoudige natuur; de eene dezer ontving Hij van eeuwigheid af van den Vader, de andere ontving Hij in den tijd van de moeder. En derhalve is het noodzakelijk, aan Christus twee geboorten toe te kennen; eene, waardoor Hij eeuwig geboren is van den Vader, de andere, waardoor Hij in den tijd geboren is van de moeder .Leerstelling. — Gelijk boven gezegd is (vorig Art.) verhoudt de natuur zich tot de geboorte, gelijk het doel of eindpunt zich verhoudt tot de beweging of verandering. De beweging nu is verschillend naar het verschil van de eindpunten; zoals blijkt bij de 206Wijsgeer in het 5e boek van zijn Natuurleer. In Christus nu is een tweevoudige natuur; de ene van deze ontving Hij van eeuwigheid af van de Vader, de andere ontving Hij in de tijd van de moeder. En derhalve is het noodzakelijk, aan Christus twee geboorten toe te kennen; een, waardoor Hij eeuwig geboren is van de Vader, de andere, waardoor Hij in de tijd geboren is van de moeder .
Ad primum ergo dicendum, quod haec fuit objectio cujusdam Feliciani haeretici, quam Augustinus in lib. contra Felicianum sic solvit: « Fingamus, inquit, sicut plerique volunt, esse in mundo animam generalem, quae sic ineffabili motu semina cuncta vivificet, ut non sit concreta cum genitis, sed vitam praestet ipsa gignendis, nempe cum haec in utero, passibilem materiam ad usus suos formatura, pervenerit, unam facit secum esse personam ejus rei, quam non eamdem constat habere substantiam; et fit operante anima, et patiente materia, ex duabus substantiis unus homo, sicque animam nasci fatemur ex utero, non quia antequam nasceretur, 207quantum ad se attinet, ipsa penitus non fuisset. Sic ergo, immo sublimius natus est de matre Filius Dei secundum hominem, eo pacto quo cum corpore nasci docetur et animus, non quia utriusque sit una substantia, sed quia ex utraque fit una persona. Non tamen ab initio carnis incepisse dicimus Dei Filium, ne temporalem credat aliquis deitatem; non ab aeterno Filii Dei novimus carnem, ne non veritatem humani corporis, sed quamdam eum suscepisse putemus imaginem ».
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dit is een moeilijkheid van een zekeren Feliciaan, een ketter; Augustinus lost haar aldus op in zijn werk Tegen Feliciaan: « Laten we eens veronderstellen, gelijk de meesten willen, dat er in de wereld een alles omvattende ziel is, die door een onuitsprekelijke werking alle zaden zoo levend maakt, dat zij toch niet is samengegroeid met al wat is voortgebracht, maar dat zij zelf het leven geeft aan al wat voortgebracht moet worden. Want wanneer zij in den moederschoot is ingetreden, om de ontvankelijke materie om te vormen tot datgene, waartoe zij haar wil gebruiken, dan maakt zij, dat de persoon van dit ding met haar één is; toch is het duidelijk, dat deze persoon niet hetzelfde wezen heeft; en door de inwerking der ziel en door het ondergaan der materie wordt uit beide wezens (ziel en materie) de ééne mensch. En zoo erkennen we, dat de ziel wordt geboren uit den moederschoot: niet in dien zin alsof zij, voor wat haar zelf 207betreft, in het geheel niet bestond, eer zij geboren werd. Zoo derhalve, en zelfs in nog veel verhevener zin, is de Zoon Gods als mensch geboren op die wijze, waarop men ook aangaande de menschelijke ziel leert, dat zij met het menschelijk lichaam geboren wordt, niet dat beiden één wezen vormen, maar dat uit beiden één persoon wordt. Wij leeren echter niet, dat Gods Zoon hiermede in den beginne begonnen is, opdat toch maar niemand zou denken, dat zijn Godheid in den tijd ontstond. We weten wel, dat het vleesch (het mensch-zijn) van den Zoon Gods niet van eeuwigheid is, opdat we niet zouden denken, dat Hij geen waarachtig menschelijk lichaam, doch slechts een schijnlichaam heeft aangenomen ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dit is een moeilijkheid van een zekeren Feliciaan, een ketter; Augustinus lost haar aldus op in zijn werk Tegen Feliciaan: “Laten we eens veronderstellen, gelijk de meesten willen, dat er in de wereld een alles omvattende ziel is, die door een onuitsprekelijke werking alle zaden zo levend maakt, dat zij toch niet is samengegroeid met al wat is voortgebracht, maar dat zij zelf het leven geeft aan al wat voortgebracht moet worden. Want wanneer zij in de moederschoot is ingetreden, om de ontvankelijke materie om te vormen tot datgene, waartoe zij haar wil gebruiken, dan maakt zij, dat de persoon van dit ding met haar één is; toch is het duidelijk, dat deze persoon niet hetzelfde wezen heeft; en door de inwerking van de ziel en door het ondergaan van de materie wordt uit beide wezens (ziel en materie) de éne mens. En zo erkennen we, dat de ziel wordt geboren uit de moederschoot: niet in die zin alsof zij, voor wat haarzelf 207betreft, in het geheel niet bestond, eer zij geboren werd. Zo derhalve, en zelfs in nog veel verhevener zin, is de Zoon Gods als mens geboren op die wijze, waarop men ook aangaande de menselijke ziel leert, dat zij met het menselijk lichaam geboren wordt, niet dat beiden één wezen vormen, maar dat uit beiden één persoon wordt. Wij leren echter niet, dat Gods Zoon hiermede in de beginne begonnen is, opdat toch maar niemand zou denken, dat zijn Godheid in de tijd ontstond. We weten wel, dat het vlees (het mens-zijn) van de Zoon Gods niet van eeuwigheid is, opdat we niet zouden denken, dat Hij geen waarachtig menselijk lichaam, doch slechts een schijnlichaam heeft aangenomen”.
Ad secundum dicendum, quod haec fuit ratio Nestorii, quam solvit Cyrillus in quadam epistola [act. Conc. Ephes. part. 1. cap. 8.] dicens: « Non dicimus, quod Filius Dei indiguerit necessario propter se secunda nativitate, post eam quae ex Patre est: est enim fatuum et indoctum, existentem ante omnia saecula et consempiternum Patri indigere dicere initio, ut sit secundo. Quoniam autem propter nos et propter nostram salutem uniens sibi secundum subsistentiam quod est humanum, processit ex muliere, ob hoc dicitur nasci carnaliter ».
2. Dit was de moeilijkheid van Nestorius, die Cyrillus in een brief aldus oplost : « Wij zeggen niet, dat Gods Zoon omwille van zichzelf een tweede geboorte noodzakelijk noodig had, na de geboorte uit den Vader. Want het is dwaas en dom, te beweren, dat Hij, die vóór alle eeuwen bestaat en mede-eeuwig is met den Vader, nog een begin noodig had, om ten tweeden male te zijn. Daar Hij echter om onzentwille en om ons heil is voortgekomen uit de vrouw, naar zijn Persoon met zich vereenigend wat des menschen is, daarom zeggen we, dat Hij geboren is naar het vleesch ».2. Dit was de moeilijkheid van Nestorius, die Cyrillus in een brief aldus oplost: “Wij zeggen niet, dat Gods Zoon omwille van zichzelf een tweede geboorte noodzakelijk nodig had, na de geboorte uit de Vader. Want het is dwaas en dom, te beweren, dat Hij, die vóór alle eeuwen bestaat en mede-eeuwig is met de Vader, nog een begin nodig had, om ten tweeden male te zijn. Daar Hij echter om onzentwille en om ons heil is voortgekomen uit de vrouw, naar zijn Persoon met zich verenigend wat van de mens is, daarom zeggen we, dat Hij geboren is naar het vlees”.
Ad tertium dicendum, quod nativitas est personae ut subjecti, naturae 208autem ut termini. Possibile est autem, uni subjecto plures transmutationes inesse, quas tamen necesse est secundum terminos variari. Quod tamen non dicimus, quasi aeterna nativitas sit transmutatio aut motus, sed quia significatur per modum mutationis aut motus.
3. De geboorte is van den persoon als van het subject, doch van de natuur als van het eindpunt. Nu is het mogelijk, dat in één 208subject meerdere veranderingen zijn; doch deze moeten dan noodzakelijk naar haar eindpunten verschillen. Dit echter bedoelen we niet in dien zin, alsof de eeuwige geboorte een verandering of beweging zou wezen, maar omdat zij wordt aangeduid (voorgesteld) bij wijze van een verandering of beweging.3. De geboorte is van de persoon als van het subject, doch van de natuur als van het eindpunt. Nu is het mogelijk, dat in één 208subject meerdere veranderingen zijn; doch deze moeten dan noodzakelijk naar haar eindpunten verschillen. Dit echter bedoelen we niet in die zin, alsof de eeuwige geboorte een verandering of beweging zou wezen, maar omdat zij wordt aangeduid (voorgesteld) bij wijze van een verandering of beweging.
Ad quartum dicendum, quod Christus potest dici bis natus secundum duas nativitates. Sicut enim dicitur bis currere, qui currit duobus temporibus, ita potest dici bis nasci, qui semel nascitur in aeternitate, et semel in tempore, quia aeternitas et tempus multo magis differunt, quam duo tempora, cum tamen utrumque designet mensuram durationis.
4. Men kan zeggen, dat Christus krachtens de twee geboorten tweemaal geboren is. Want zooals men zegt, dat iemand, die op twee verschillende tijdstippen loopt, tweemaal loopt, zoo kan men ook zeggen, dat hij, die eenmaal in de eeuwigheid en eenmaal in den tijd geboren is, tweemaal is geboren, daar eeuwigheid en tijd veel meer van elkaar verschillen dan twee tijdstippen, hoewel toch elk van beide een maat van duur aangeeft.4. Men kan zeggen, dat Christus krachtens de twee geboorten tweemaal geboren is. Want zoals men zegt, dat iemand, die op twee verschillende tijdstippen loopt, tweemaal loopt, zo kan men ook zeggen, dat hij, die eenmaal in de eeuwigheid en eenmaal in de tijd geboren is, tweemaal is geboren, daar eeuwigheid en tijd veel meer van elkaar verschillen dan twee tijdstippen, hoewel toch elk van beide een maat van duur aangeeft.
Utrum secundum temporalem Christi nativitatem B. Virgo possit dici mater ejus
Kan de H. Maagd op grond van Christus' geboorte in den tijd Moeder Gods genoemd worden ?Kan de H. Maagd op grond van Christus' geboorte in de tijd Moeder Gods genoemd worden?
Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod secundum temporalem 209nativitatem Christi Beata Virgo non possit dici mater ejus: ut enim supra dictum est [q. 32. art. 4.], Beata Virgo Maria nihil active in generatione Christi operata est, sed solam materiam ministravit. Sed hoc non videtur sufficere ad rationem matris: alioquin lignum diceretur esse mater lecti, aut scamni. Ergo videtur, quod Beata Virgo non possit dici mater Christi.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de H. Maagd op grond 209van Christus' geboorte in den tijd geen Moeder Gods kan worden genoemd. — 1. Want gelijk boven (32e Kw., 4e Art.) werd uiteengezet, heeft de H. Maagd bij de geboorte van Christus niet actief medegewerkt, maar alleen de materie geleverd. Maar dit lijkt niet voldoende om moeder te heeten; anders toch zou men het hout ook wel de moeder van het bed of van een bank noemen. Derhalve, zoo beweert men, kan de H. Maagd niet de moeder van Christus heeten.Bedenkingen. — Men beweert, dat de H. Maagd op grond 209van Christus' geboorte in de tijd geen Moeder Gods kan worden genoemd. — 1. Want gelijk boven (32e Kw., 4e Art.) werd uiteengezet, heeft de H. Maagd bij de geboorte van Christus niet actief medegewerkt, maar alleen de materie geleverd. Maar dit lijkt niet voldoende om moeder te heten; anders toch zou men het hout ook wel de moeder van het bed of van een bank noemen. Derhalve, zo beweert men, kan de H. Maagd niet de moeder van Christus heten.
2. Praeterea, Christus ex Beata Virgine miraculose natus est. Sed miraculosa generatio non sufficit ad rationem maternitatis vel filiationis: non enim dicimus, Evam fuisse filiam Adae. Ergo videtur, quod nec Christus debeat dici filius Beatae Virginis.
2. Christus is op wonderdadige wijze uit de H. Maagd geboren. Maar een wonderdadige voortkomst volstaat niet, om moeder of zoon te heeten; Eva toch noemen we niet de dochter van Adam. Derhalve moet ook Christus niet de zoon der H. Maagd genoemd worden.2. Christus is op wonderdadige wijze uit de H. Maagd geboren. Maar een wonderdadige voortkomst volstaat niet, om moeder of zoon te heten; Eva toch noemen we niet de dochter van Adam. Derhalve moet ook Christus niet de zoon van de H. Maagd genoemd worden.
3. Praeterea, ad matrem pertinere videtur decisio seminis. Sed, sicut Damascenus dicit in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 2. et 7.], « corpus Christi non seminaliter, sed conditive a Spiritu Sancto formatum est ». Ergo videtur, quod Beata Virgo non debeat dici Mater Christi.
3. Naar men beweert, wordt voor het moeder-worden een zaadafscheiding vereischt. Maar, zooals Damascenus in het 3e boek van zijn werk Over het Waarachtig Geloof schrijft, werd Christus' lichaam niet door middel van zaad maar door de inwerking des H. Geestes gevormd. Bijgevolg, zoo beweert men, moet de H. Maagd niet de moeder van Christus genoemd worden.3. Naar men beweert, wordt voor het moeder-worden een zaadafscheiding vereist. Maar, zoals Damascenus in het 3e boek van zijn werk Over het Waarachtig Geloof schrijft, werd Christus' lichaam niet door middel van zaad maar door de inwerking van de H. Geest gevormd. Bijgevolg, zo beweert men, moet de H. Maagd niet de moeder van Christus genoemd worden.
Sed contra est, quod dicitur Matth. 1. [v. 18] : « Christi generatio sic erat: Cum esset desponsata Mater Jesu Maria Joseph » etc.
Daartegenover staat echter hetgeen we lezen bij Mattheus (1, 18) : « De geboorte van Christus geschiedde aldus. Toen Maria, Jesus' moeder, verloofd was met Joseph enz. ».Daartegenover staat echter hetgeen we lezen bij Matteüs (1, 18): “De geboorte van Christus geschiedde aldus. Toen Maria, Jesus' moeder, verloofd was met Joseph enz.”.
210Respondeo dicendum, quod Beata Virgo est vera et naturalis Mater Christi: sicut enim supra dictum est [q. 5. art. 2.], corpus Christi non est de coelo allatum, sicut Valentinus haereticus posuit, sed de virgine matre sumptum, et ex purissimis sanguinibus ejus formatum; et hoc solum requiritur ad rationem matris, ut ex supradictis patet [q. 31. art. 5.]. Unde Beata Virgo vere est Mater Christi.
210Leerstelling. — De H. Maagd Maria is de waarachtige en natuurlijke moeder van Christus. Want zooals we boven (5e Kw., 2e Art.; 31e Kw., 5e Art.) hebben aangetoond, is Christus' lichaam niet van uit den hemel op aarde gebracht, gelijk de ketter Valentinus beweerde, doch werd genomen uit de Moedermaagd en werd uit haar zuiverste bloed gevormd. En dit alleen wordt vereischt om moeder te zijn, zooals uit het boven behandelde (31e Kw., 5e Art.;32e Kw., 4e Art.) blijkt. Derhalve is de H. Maagd waarlijk de moeder van Christus.210Leerstelling. — De H. Maagd Maria is de waarachtige en natuurlijke moeder van Christus. Want zoals we boven (5e Kw., 2e Art.; 31e Kw., 5e Art.) hebben aangetoond, is Christus' lichaam niet van uit de hemel op aarde gebracht, gelijk de ketter Valentinus beweerde, doch werd genomen uit de Moedermaagd en werd uit haar zuiverste bloed gevormd. En dit alleen wordt vereist om moeder te zijn, zoals uit het boven behandelde (31e Kw., 5e Art.;32e Kw., 4e Art.) blijkt. Derhalve is de H. Maagd waarlijk de moeder van Christus.
Ad primum ergo dicendum, quod, sicut supra dictum est [q. 32. art. 3.], paternitas sive maternitas et filiatio non competunt in quacumque generatione, sed in sola generatione viventium; et ideo si aliqua inanimata ex aliqua materia fiant, non propter hoc consequitur in eis relatio maternitatis et filiationis, sed solum in generatione viventium, quae proprie nativitas dicitur.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Gelijk boven (32e Kw., 3e Art.) werd aangetoond, komen vaderschap of moederschap en zoonschap niet aan elke voortbrenging toe, maar alleen aan de voortbrenging van levende wezens. En derhalve, ook al worden sommige levenlooze dingen uit een of andere materie voortgebracht, toch volgt daarom nog niet de verhouding van moeder en zoon; maar dit geschiedt uitsluitend bij het voortbrengen van levende wezens; hetgeen dan ook in eigenlijken zin een geboorte wordt genoemd.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Gelijk boven (32e Kw., 3e Art.) werd aangetoond, komen vaderschap of moederschap en zoonschap niet aan elke voortbrenging toe, maar alleen aan de voortbrenging van levende wezens. En derhalve, ook al worden sommige levenloze dingen uit een of andere materie voortgebracht, toch volgt daarom nog niet de verhouding van moeder en zoon; maar dit geschiedt uitsluitend bij het voortbrengen van levende wezens; hetgeen dan ook in eigenlijke zin een geboorte wordt genoemd.
Ad secundum dicendum, quod, sicut Damascenus dicit in lib. 3. [Orth. Fid. cap. 7.], « nativitas temporalis, qua Christus est natus propter 211nostram salutem, est quodammodo secundum nos, quoniam natus est homo ex muliere, et tempore conceptionis debito; super nos autem, quoniam non ex semine, sed ex Spiritu Sancto et sancta virgine supra legem conceptionis ». Sic igitur ex parte matris nativitas illa fuit naturalis, sed ex parte operationis Spiritus Sancti fuit miraculosa. Unde Beata Virgo est vera et naturalis mater Christi.
2. Zooals Damascenus schrijft in het 3e boek van zijn werk Over het Waarachtig Geloof is de geboorte in den tijd, waardoor Christus omwille van ons heil geboren werd, in zekeren zin overeenkomstig 211onze geboorte, omdat Hij als mensch geboren is uit een vrouw en wel op den gewonen tijd der ontvangenis; de zijne echter overtreft de onze, omdat Hij, boven de algemeene wet der ontvangenis uit, geboren werd uit den H. Geest en de H. Maagd. Zoo derhalve was zijn geboorte van den kant der moeder natuurlijk; maar van den kant der inwerking des H. Geestes was zij wonderbaar. En de H. Maagd is dan ook de werkelijke en natuurlijke moeder van Christus.2. Zoals Damascenus schrijft in het 3e boek van zijn werk Over het Waarachtig Geloof is de geboorte in de tijd, waardoor Christus omwille van ons heil geboren werd, in zekeren zin overeenkomstig 211onze geboorte, omdat Hij als mens geboren is uit een vrouw en wel op de gewone tijd van de ontvangenis; de zijne echter overtreft de onze, omdat Hij, boven de algemene wet van de ontvangenis uit, geboren werd uit de H. Geest en de H. Maagd. Zo derhalve was zijn geboorte van de kant van de moeder natuurlijk; maar van de kant van de inwerking van de H. Geest was zij wonderbaar. En de H. Maagd is dan ook de werkelijke en natuurlijke moeder van Christus.
Ad tertium dicendum, quod, sicut supra dictum est [q. 32. art. 4], resolutio seminis foeminae non pertinet ad necessitatem conceptus; et ideo resolutio seminis non ex necessitate requiritur ad matrem.
3. Zooals boven (31e Kw., 5e Art., Antw. op de 3e Bedenk.; 32e Kw., 4e Art.) gezegd is, behoort de afscheiding van het zaad der vrouw niet noodzakelijk tot de ontvangenis. En derhalve wordt de zaadafscheiding niet noodzakelijk vereischt tot het moeder-zijn.3. Zoals boven (31e Kw., 5e Art., Antw. op de 3e Bedenk.; 32e Kw., 4e Art.) gezegd is, behoort de afscheiding van het zaad van de vrouw niet noodzakelijk tot de ontvangenis. En derhalve wordt de zaadafscheiding niet noodzakelijk vereist tot het moeder-zijn.
Utrum Beata Virgo debeat dici Mater Dei
Moet de H. Maagd Moeder Gods worden genoemd ?Moet de H. Maagd Moeder Gods worden genoemd?
Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod B. Virgo non debeat dici Mater Dei: non enim dicendum est circa divina mysteria, nisi quod ex 212sacra Scriptura habetur. Sed nunquam in sacra Scriptura legitur, quod sit Mater aut Genitrix Dei, sed quod sit Mater Christi, vel mater pueri, ut patet Matth. 1. [v. 18]. Ergo non est dicendum, quod Beata Virgo sit Mater Dei.
Bedenkingen. — Men beweert, dat men de H. Maagd niet moet noemen: Moeder Gods. — 1. Want aangaande de goddelijke mysteries moet men niets beweren, tenzij datgene, wat er in 212de H. Schrift staat. Maar we lezen nergens in de H. Schrift, dat zij de moeder of voortbrengster is van God; doch alleen, dat zij « moeder is van Christus », of « moeder van het kind », zooals blijkt uit Mattheus (1, 18; 2, 13, 20, 21). Bijgevolg moet men niet zeggen, dat de H. Maagd moeder Gods is.Bedenkingen. — Men beweert, dat men de H. Maagd niet moet noemen: Moeder Gods. — 1. Want aangaande de goddelijke mysteries moet men niets beweren, tenzij datgene, wat er in 212de H. Schrift staat. Maar we lezen nergens in de H. Schrift, dat zij de moeder of voortbrengster is van God; doch alleen, dat zij “moeder is van Christus”, of “moeder van het kind”, zoals blijkt uit Matteüs (1, 18; 2, 13, 20, 21). Bijgevolg moet men niet zeggen, dat de H. Maagd moeder Gods is.
2. Praeterea, Christus dicitur Deus secundum divinam naturam. Sed divina natura non accepit initium essendi ex Virgine. Ergo Beata Virgo non est dicenda Mater Dei.
2. Christus heet God naar zijn goddelijke natuur. Maar de goddelijke Natuur dankt het begin van haar zijn niet aan de H. Maagd. Derhalve moet men de H. Maagd geen moeder Gods noemen.
3. Praeterea, hoc nomen « Deus » communiter praedicatur de Patre et Filio et Spiritu Sancto. Si ergo Beata Virgo est Mater Dei, videtur sequi, quod Beata Virgo sit mater Patris et Filii et Spiritus Sancti, quod est inconveniens. Non ergo Beata Virgo debet dici Mater Dei.
3. De naam God wordt algemeen gezegd zoowel van den Vader als van den Zoon, als van den H. Geest. Indien men de H. Maagd dus moeder Gods noemt, dan schijnt daaruit te volgen, dat zij moeder is zoowel van den Vader als van den Zoon als van den H. Geest; maar dit is onjuist. Derhalve moet men de H. Maagd geen moeder Gods noemen.3. De naam God wordt algemeen gezegd zowel van de Vader als van de Zoon, als van de H. Geest. Indien men de H. Maagd dus moeder Gods noemt, dan schijnt daaruit te volgen, dat zij moeder is zowel van de Vader als van de Zoon als van de H. Geest; maar dit is onjuist. Derhalve moet men de H. Maagd geen moeder Gods noemen.
Sed contra est, quod in Capitulis Cyrilli approbatis in Ephesina Synodo [part. 1. cap. 26.] legitur: « Si quis non confitetur Deum esse secundum veritatem Emmanuel, et propter hoc Dei Genitricem Sanctam 213Virginem (genuit enim carnaliter carnem factum Dei Verbum), anathema sit ».
Daartegenover staat echter hetgeen we lezen in de hoofdstukken van Cyrillus (Athanasius), die op de Kerkvergadering van Ephese zijn goedgekeurd : « Indien iemand niet erkent, dat God in waarheid de Emmanuel is (d. w. z. de God met ons), en daarom (niet erkent) dat de H. Maagd moeder Gods is (zij toch baarde 213naar het vleesch het vleesch geworden Woord Gods) : hij zij vervloekt ».Daartegenover staat echter hetgeen we lezen in de hoofdstukken van Cyrillus (Athanasius), die op de Kerkvergadering van Efeze zijn goedgekeurd: “Indien iemand niet erkent, dat God in waarheid de Emmanuel is (d. w. z. de God met ons), en daarom (niet erkent) dat de H. Maagd moeder Gods is (zij toch baarde 213naar het vlees het vlees geworden Woord Gods): hij zij vervloekt”.
Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [q. 16. art. 1.], omne nomen significans in concreto naturam aliquam, potest supponere pro qualibet hypostasi illius naturae. Cum autem unio incarnationis sit facta in hypostasi, sicut supra dictum est [q. 2. art. 2. et 3.], manifestum est, quod hoc nomen « Deus » potest supponere pro hypostasi habente humanam naturam et divinam. Et ideo quidquid convenit divinae naturae vel humanae, potest attribui illi personae, sive secundum quod pro ea supponit nomen significans divinam naturam, sive secundum quod pro ea supponit nomen significans humanam naturam. Concipi autem et nasci personae attribuitur et hypostasi, secundum naturam illam, in qua concipitur et nascitur. Cum igitur in ipso principio conceptionis fuerit humana natura assumpta a divina persona, sicut praedictum est [q. 33. art. 3.], consequens est quod vere possit dici Deum esse conceptum et natum de virgine. Ex hoc autem dicitur aliqua mulier alicujus mater, quod eum concepit et genuit. 214Unde consequens est, quod Beata Virgo vere dicatur Mater Dei: solum enim sic negari posset, Beatam Virginem esse matrem Dei, si vel humanitas prius fuisset subjecta conceptioni et nativitati, quam homo ille fuisset filius Dei, sicut Photinus posuit, vel humanitas non fuisset assumpta in unitatem personae vel hypostasis Verbi Dei, sicut posuit Nestorius. Utrumque autem horum est erroneum; unde haereticum est negare, Beatam Virginem esse Matrem Dei.
Leerstelling. — Zooals we boven (16e Kw., 1e Art.) hebben uiteengezet, kan iedere naam, die een of andere natuur in concreto aangeeft, staan voor elken persoon dier natuur. Daar nu de vereeniging der menschwording geschied is in den persoon, gelijk boven (2e Kw., 3e Art.) werd aangetoond, kan deze benaming « God » staan voor den persoon, die de menschelijke en goddelijke natuur heeft. En daarom kan al wat aan de goddelijke en menschelijke natuur toekomt, aan dien persoon worden toegeschreven : hetzij dat in plaats van dien persoon een naam staat die op zijn goddelijke natuur wijst; hetzij dat er in plaats van dien persoon een benaming staat, die op zijn menschelijke natuur wijst. Nu wordt het ontvangen- en geboren-worden toegeschreven aan den persoon naar die natuur, waarin Hij ontvangen en geboren wordt. Daar dus, zooals we boven gezien hebben (33e Kw., 3e Art.), de menschelijke natuur reeds in het allereerste begin der ontvangenis werd aangenomen door den Goddelijken Persoon, kan men bijgevolg zeggen, dat God ontvangen en geboren is van de H. Maagd. 214Nu wordt juist hierom een vrouw moeder van iemand genoemd, omdat zij hem ontving en baarde. Bijgevolg wordt de H. Maagd naar waarheid moeder Gods genoemd. Want alleen dan zou men kunnen ontkennen, dat de H. Maagd moeder Gods is, indien ófwel de menschheid was ontvangen en geboren, eer deze mensch Zoon van God was, gelijk Photinus hield, ófwel indien de menschheid niet in de eenheid van den persoon van het Woord Gods was aangenomen, zooals Nestorius hield. Elk dezer beide meeningen echter is een dwaalleer. Het is dan ook kettersch te ontkennen, dat de H. Maagd moeder Gods is.Leerstelling. — Zoals we boven (16e Kw., 1e Art.) hebben uiteengezet, kan iedere naam, die een of andere natuur in concreto aangeeft, staan voor elke persoon van die natuur. Daar nu de vereniging van de menswording geschied is in de persoon, gelijk boven (2e Kw., 3e Art.) werd aangetoond, kan deze benaming “God” staan voor de persoon, die de menselijke en goddelijke natuur heeft. En daarom kan al wat aan de goddelijke en menselijke natuur toekomt, aan die persoon worden toegeschreven: hetzij dat in plaats van die persoon een naam staat die op zijn goddelijke natuur wijst; hetzij dat er in plaats van die persoon een benaming staat, die op zijn menselijke natuur wijst. Nu wordt het ontvangen- en geboren-worden toegeschreven aan de persoon naar die natuur, waarin Hij ontvangen en geboren wordt. Daar dus, zoals we boven gezien hebben (33e Kw., 3e Art.), de menselijke natuur reeds in het allereerste begin van de ontvangenis werd aangenomen door de Goddelijke Persoon, kan men bijgevolg zeggen, dat God ontvangen en geboren is van de H. Maagd. 214Nu wordt juist hierom een vrouw moeder van iemand genoemd, omdat zij hem ontving en baarde. Bijgevolg wordt de H. Maagd naar waarheid moeder Gods genoemd. Want alleen dan zou men kunnen ontkennen, dat de H. Maagd moeder Gods is, indien ófwel de mensheid was ontvangen en geboren, eer deze mens Zoon van God was, gelijk Photinus hield, ófwel indien de mensheid niet in de eenheid van de persoon van het Woord Gods was aangenomen, zoals Nestorius hield. Elk van deze beide meningen echter is een dwaalleer. Het is dan ook ketters te ontkennen, dat de H. Maagd moeder Gods is.
Ad primum ergo dicendum, quod haec fuit objectio Nestorii: quae quidem solvitur ex hoc, quod licet non inveniatur expresse in Scriptura dictum, quod Beata Virgo sit Mater Dei, invenitur tamen expresse in Scriptura, quod Jesus Christus est verus Deus, ut patet 1. Joan. ult. [v. 20] et quod Beata Virgo est mater Jesu Christi, ut patet Matth. 1. [v. 18]. Unde sequitur ex necessitate ex verbis Scripturae, quod sit Mater Dei. Dicitur etiam Roman. 9. [v. 5], quod « ex Judaeis est secundum carnem Christus, qui est super omnia Deus benedictus in saecula ». Non autem est 215ex Judaeis, nisi mediante Beata Virgine. Unde ille, qui est super omnia Deus benedictus in saecula, est vere natus ex Beata Virgine, sicut ex sua matre.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dit was de opwerping van Nestorius. Deze wordt daardoor opgelost, dat, hoewel in de H. Schrift niet uitdrukkelijk geschreven staat, dat de H. Maagd moeder Gods is er toch wel uitdrukkelijk in de H. Schrift staat, dat Jesus Christus waarlijk God is, zooals blijkt uit den Eersten Brief van Joannes (5, 20), en dat de H. Maagd de moeder is van Jesus Christus, blijkens Mattheus (1, 18). Uit de woorden der H. Schrift volgt dan ook noodzakelijk, dat zij moeder Gods is. Ook in den Brief aan de Romeinen (9, 5) wordt gezegd, dat Christus, Hij die God is, boven alles gezegend in eeuwigheid, naar 215het vleesch afstamt van de Joden. Maar Hij komt niet uit de Joden voort tenzij door de H. Maagd. Bijgevolg werd Hij, die de boven alles in eeuwigheid gezegende God is, waarlijk uit de H. Maagd als uit zijn moeder geboren.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dit was de opwerping van Nestorius. Deze wordt daardoor opgelost, dat, hoewel in de H. Schrift niet uitdrukkelijk geschreven staat, dat de H. Maagd moeder Gods is er toch wel uitdrukkelijk in de H. Schrift staat, dat Jesus Christus waarlijk God is, zoals blijkt uit de Eerste Brief van Johannes (5, 20), en dat de H. Maagd de moeder is van Jesus Christus, blijkens Matteüs (1, 18). Uit de woorden van de H. Schrift volgt dan ook noodzakelijk, dat zij moeder Gods is. Ook in de Brief aan de Romeinen (9, 5) wordt gezegd, dat Christus, Hij die God is, boven alles gezegend in eeuwigheid, naar 215het vlees afstamt van de Joden. Maar Hij komt niet uit de Joden voort tenzij door de H. Maagd. Bijgevolg werd Hij, die de boven alles in eeuwigheid gezegende God is, waarlijk uit de H. Maagd als uit zijn moeder geboren.
Ad secundum dicendum, quod illa est objectio Nestorii, sed Cyrillus in quadam epistola contra Nestorium [act. Conc. Ephes. part. 1. cap. 2. num. 12.] eam solvit, sic dicens: « Sicut hominis anima cum proprio corpore nascitur, et tamquam unum reputatur, et si voluerit quispiam dicere, quod est genitrix carnis, non tamen et animae genitrix, nimis superflue loquitur. Tale aliquid gestum perpicimus in generatione Christi: natum est enim ex Dei Patris substantia Dei Verbum; quia vero carnem assumpsit, necessarium est confiteri, quod natum est secundum carnem ex muliere ». Dicendum est ergo, quod Beata Virgo dicitur Mater Dei, non quia sit mater divinitatis, sed quia personae habentis divinitatem et humanitatem est mater secundum humanitatem.
2. Dit is de opwerping van Nestorius. Maar Cyrillus lost haar in een Brief tegen Nestorius aldus op : « Zooals 's menschen ziel tegelijk met zijn eigen lichaam wordt geboren, en als één geheel wordt geacht (en zoo iemand zou willen zeggen, dat zij de moeder is naar het vleesch en niet naar de ziel, dan zegt hij te veel) zoo is naar wij weten, iets dergelijks gebeurd bij de geboorte van Christus. Want het Woord Gods is geboren uit de zelfstandigheid van God den Vader, doch wijl dit Woord het vleesch heeft aangenomen, moeten we belijden, dat het naar het vleesch geboren is uit de vrouw ». We moeten dus zeggen, dat de H. Maagd moeder Gods wordt genoemd, niet omdat zij moeder der Godheid is, maar omdat zij naar diens menschelijke natuur moeder is van een persoon, die de goddelijke en menschelijke natuur heeft.2. Dit is de opwerping van Nestorius. Maar Cyrillus lost haar in een Brief tegen Nestorius aldus op: “Zoals 's mensen ziel tegelijk met zijn eigen lichaam wordt geboren, en als één geheel wordt geacht (en zo iemand zou willen zeggen, dat zij de moeder is naar het vlees en niet naar de ziel, dan zegt hij te veel) zo is naar wij weten, iets dergelijks gebeurd bij de geboorte van Christus. Want het Woord Gods is geboren uit de zelfstandigheid van God de Vader, doch wijl dit Woord het vlees heeft aangenomen, moeten we belijden, dat het naar het vlees geboren is uit de vrouw”. We moeten dus zeggen, dat de H. Maagd moeder Gods wordt genoemd, niet omdat zij moeder van de Godheid is, maar omdat zij naar diens menselijke natuur moeder is van een persoon, die de goddelijke en menselijke natuur heeft.
Ad tertium dicendum, quod hoc nomen, Deus, quamvis sit commune tribus personis, tamen supponit quandoque pro sola persona Patris, quandoque pro sola persona Filii, vel Spiritus Sancti, ut supra habitum est 216[q. 16. art. 1. et 2.]. Et ita cum dicitur, Beata Virgo est Mater Dei, hoc nomen Deus supponit pro sola persona Filii incarnata.
3. Hoewel deze naam « God » gemeenschappelijk is aan de drie personen, toch staat die naam soms alleen voor den Persoon des Vaders, soms alleen voor den Persoon van den Zoon of van den H. Geest, zooals boven (16e Kw., 1e Art.; Ie Deel, 39e Kw., 2164e Art.) werd uiteengezet. En zoo staat de naam « God », wanneer we zeggen : de H. Maagd is moeder Gods uitsluitend voor den mensch geworden Persoon des Zoons.3. Hoewel deze naam “God” gemeenschappelijk is aan de drie personen, toch staat die naam soms alleen voor de Persoon van de Vader, soms alleen voor de Persoon van de Zoon of van de H. Geest, zoals boven (16e Kw., 1e Art.; 1e Deel, 39e Kw., 2164e Art.) werd uiteengezet. En zo staat de naam “God”, wanneer we zeggen: de H. Maagd is moeder Gods uitsluitend voor de mens geworden Persoon van de Zoon.
Utrum in Christo sint duae filiationes
Zijn er in Christus twee zoonschappen ?Zijn er in Christus twee zoonschappen?
Ad quintum sic proceditur. Videtur, quod in Christo sint duae filiationes: nativitas enim est causa filiationis. Sed in Christo sunt duae nativitates. Ergo etiam in Christo sunt duae filiationes.
Bedenkingen. — Men beweert, dat er in Christus twee zoonschappen zijn. — 1. De geboorte toch is de oorzaak van het zoonschap. Welnu, in Christus zijn er twee geboorten. Bijgevolg zijn er in Christus ook twee zoonschappen.
2. Praeterea, filiatio, qua quis dicitur filius alicujus, ut matris vel patris, dependet aliqualiter ab ipso, quia esse relationis est ad aliud aliqualiter se habere; unde et interempto uno relativorum, interimitur aliud. Sed filiatio aeterna, qua Christus est filius Dei Patris, non dependet a matre, quia nullum aeternum dependet a temporali. Ergo Christus non est 217filius matris filiatione aeterna. Aut ergo nullo modo est filius ejus, quod est contra praedicta [art. praec.], aut oportet, quod sit filius ejus quadam alia filiatione temporali. Sunt ergo in Christo duae filiationes.
2. Het zoonschap, waardoor iemand de zoon wordt genoemd van een ander, hetzij van een vader of moeder, hangt eenigzins af van dezen andere, daar het wezen van een verhouding inhoudt : eenigzins tot een ander in betrekking te staan; vandaar dan ook, dat, zoo een der beide termen eener verhouding wordt weggenomen, tevens de andere term vervalt. Maar het eeuwige zoonschap, waardoor Christus de Zoon is van God den Vader, hangt niet af van de moeder; daar niets eeuwigs afhangt van datgene wat in den tijd 217is. Derhalve is Christus niet door zijn eeuwig zoonschap de zoon der moeder. Derhalve is Hij ófwel op geen enkele manier haar zoon, wat in strijd is met het boven (Art. 3, 4) behandelde, ófwel, Hij moet haar zoon zijn door een tweede zoonschap, in den tijd. Bijgevolg zijn er in Christus twee zoonschappen.2. Het zoonschap, waardoor iemand de zoon wordt genoemd van een ander, hetzij van een vader of moeder, hangt enigszins af van deze andere, daar het wezen van een verhouding inhoudt: enigszins tot een ander in betrekking te staan; vandaar dan ook, dat, zo een van de beide termen van een verhouding wordt weggenomen, tevens de andere term vervalt. Maar het eeuwige zoonschap, waardoor Christus de Zoon is van God de Vader, hangt niet af van de moeder; daar niets eeuwigs afhangt van datgene wat in de tijd 217is. Derhalve is Christus niet door zijn eeuwig zoonschap de zoon van de moeder. Derhalve is Hij ófwel op geen enkele manier haar zoon, wat in strijd is met het boven (Art. 3, 4) behandelde, ófwel, Hij moet haar zoon zijn door een tweede zoonschap, in de tijd. Bijgevolg zijn er in Christus twee zoonschappen.
3. Praeterea, unum relativorum ponitur in definitione alterius: ex quo patet quod unum relativorum specificatur ex alio. Sed unum et idem non potest esse in diversis speciebus. Ergo impossibile videtur, quod una et eadem relatio terminetur ad extrema omnino diversa. Sed Christus dicitur filius Patris aeterni, et matris temporalis, qui sunt termini omnino diversi. Ergo videtur, quod non possit eadem relatione Christus dici filius Patris et matris. Sunt ergo in Christo duae filiationes.
3. Wil men den eenen term eener wederzijdsche verhouding definiëeren, dan moet men in deze begripsbepaling den anderen term opnemen; daaruit blijkt, dat de eene term soortelijk wordt bepaald door den anderen term. Maar een en hetzelfde ding kan niet tot verschillende soorten tegelijk behooren. Het is dus onmogelijk, beweert men, dat een en dezelfde verhouding haar eindpunten zou hebben in geheel verschillende termen. Welnu Christus is de Zoon van den eeuwigen Vader en van een moeder in den tijd. Derhalve, zoo beweert men, kan Christus niet door één en dezelfde verhouding de Zoon des Vaders en de Zoon der moeder worden genoemd. Bijgevolge zijn er in Christus twee zoonschappen.3. Wil men de ene term van een wederzijdse verhouding definiëeren, dan moet men in deze begripsbepaling de andere term opnemen; daaruit blijkt, dat de ene term soortelijk wordt bepaald door de andere term. Maar een en hetzelfde ding kan niet tot verschillende soorten tegelijk behoren. Het is dus onmogelijk, beweert men, dat een en dezelfde verhouding haar eindpunten zou hebben in geheel verschillende termen. Welnu Christus is de Zoon van de eeuwige Vader en van een moeder in de tijd. Derhalve, zo beweert men, kan Christus niet door één en dezelfde verhouding de Zoon van de Vader en de Zoon van de moeder worden genoemd. Bijgevolge zijn er in Christus twee zoonschappen.
Sed contra est, quod, sicut Damascenus dicit in lib. 3. [Orth. Fid. cap. 13.], ea quae sunt naturae, multiplicantur in Christo, et non ea quae sunt personae. Sed filiatio maxime pertinet ad personam: est enim 218proprietas personalis, ut patet ex his quae in 1. dicta sunt [q. 40. art. 2.]. Ergo in Christo est una tantum filiatio.
Daartegenover staat echter hetgeen Damascenus zegt in het 3e boek van zijn werk Over het Waarachtig Geloof: « Datgene wat van de natuur is, vormt in Christus wel een veelheid, datgene echter wat aan den persoon toekomt, vormt geen veelheid ». Welnu, heel in het bijzonder komt het zoon-zijn aan den persoon toe, want dit 218is een persoonlijke eigenschap, zooals blijkt uit hetgeen in het Ie Deel (32e Kw., 3e Art.; 40e Kw., 2e Art.) werd aangetoond. Derhalve is er in Christus slechts één zoonschap.Daartegenover staat echter hetgeen Damascenus zegt in het 3e boek van zijn werk Over het Waarachtig Geloof: “Datgene wat van de natuur is, vormt in Christus wel een veelheid, datgene echter wat aan de persoon toekomt, vormt geen veelheid”. Welnu, heel in het bijzonder komt het zoon-zijn aan de persoon toe, want dit 218is een persoonlijke eigenschap, zoals blijkt uit hetgeen in het 1e Deel (32e Kw., 3e Art.; 40e Kw., 2e Art.) werd aangetoond. Derhalve is er in Christus slechts één zoonschap.
Respondeo dicendum, quod circa hoc sunt diversae opiniones: quidam enim attendentes ad causam filiationis, quae est nativitas, ponunt in Christo duas filiationes, sicut et duas nativitates; alii vero attendentes ad subjectum filiationis, quod est persona vel hypostasis Filii, ponunt in Christo unam tantum filiationem, sicut et unam hypostasim vel personam. Unitas enim relationis vel ejus pluralitas non attenditur secundum terminos, sed secundum causam vel subjectum: si enim secundum terminos attenderetur, oporteret quod quilibet homo in se duas filiationes haberet, unam qua referretur ad patrem, et aliam qua referretur ad matrem. Sed recte consideranti apparet, eadem relatione referri unumquemque ad suum patrem et matrem, propter unitatem causae; eadem enim nativitate homo nascitur ex patre et matre; unde eadem relatione ad utrumque refertur. Et eadem ratio est de magistro qui docet multos discipulos eadem doctrina, et de domino, qui 219gubernat diversos subjectos eadem potestate. Si vero sint causae diversae specie differentes, ex consequenti videntur etiam relationes specie differre. unde nihil prohibet, plures tales rationes eidem inesse: sicut si aliquis est aliquorum magister in grammatica, et aliorum in logica, alia est ratio magisterii utriusque: et ideo relationibus diversis unus et idem homo potest esse magister, vel diversorum, vel eorumdem, secundum diversas doctrinas. Contingit autem quandoque, quod aliquis habet relationem ad plures secundum diversas causas, ejusdem tamen speciei: sicut cum aliquis est pater diversorum filiorum secundum diversos generationis actus; unde paternitas non potest specie differre, cum actus generationum sint iidem specie, et quia plures formae ejusdem speciei non possunt simul inesse eidem subjecto, non est possibile quod sint plures paternitates in eo, qui est pater plurium filiorum generatione naturali. Secus autem esset, si esset pater unius generatione naturali et alterius per adoptionem.
Leerstelling. — Hieromtrent bestaan verschillende meeningen. Sommigen toch leggen den nadruk op de oorzaak van het zoonschap, d. i. op de geboorte, en stellen dan twee zoonschappen in Christus, zooals zij ook twee geboorten in Hem aannemen. — Anderen echter letten op het subject van het zoonschap, d. i. op den persoon of den drager, en nemen in Christus slechts één zoonschap aan, zooals ook maar één drager of één persoon. De eenheid toch of veelheid der verhoudingen moet men niet zoeken in de termen; maar ófwel in haar oorzaak ófwel in haar subject. Want zoo men het in de termen der verhouding zoekt, dan moest ieder mensch in zich twee zoonschappen hebben : een, waardoor hij een verhouding zegt tot zijn vader, en een, waardoor hij een verhouding zegt tot zijn moeder. Doch bij nader toezien blijkt, dat iedereen door één en dezelfde verhouding een betrekking zoowel tot zijn vader als tot zijn moeder zegt krachtens de eenheid van oorzaak dier verhouding. Door de ééne geboorte toch wordt de mensch uit vader en moeder geboren; daarom zegt hij door éénzelfde verhouding een betrekking tot beiden. Ditzelfde 219geldt ook voor den leeraar die eenzelfde leer aan vele leerlingen onderwijst, of voor een heer, die verscheidene onderdanen met eenzelfde macht bestuurt. — Indien er nu echter verscheidene, soortelijk verschillende oorzaken zijn, dan schijnen ook de daarop steunende verhoudingen soortelijk te verschillen. Vandaar schijnt er dan ook niets op tegen te zijn, dat er meerdere dergelijke verhoudingen in eenzelfden persoon zijn. Zoo b. v. wanneer iemand leeraar is van sommigen in de taalkunde en van anderen in de redeneerkunst, dan is het eigene in beide leeraarschappen iets anders; en zoo kan een en dezelfde persoon door onderscheidene verhoudingen leeraar zijn van verschillende personen of van dezelfde personen betreffende verschillende vakken. — Soms echter komt het voor, dat iemand een verhouding zegt tot meerderen op grond van onderscheidene oorzaken, welke echter gelijksoortig zijn; zooals wanneer iemand vader is van verschillende kinderen, maar op grond van onderscheidene voortbrengingsdaden. En derhalve kan het vaderschap niet soortelijk verschillen, daar de voortbrengingsdaden gelijksoortig zijn. En wijl meerdere gelijksoortige vormen niet tegelijk in éénzelfde subject kunnen zijn, is het onmogelijk, dat er meerdere vaderschappen zouden wezen in iemand, die door natuurlijke voortbrenging vader is van meerdere kinderen. Iets anders zou het echter wezen, indien hij vader was van het eene kind door natuurlijke voortbrenging, en van het andere door aanneming.Leerstelling. — Hieromtrent bestaan verschillende meningen. Sommigen toch leggen de nadruk op de oorzaak van het zoonschap, d.i. op de geboorte, en stellen dan twee zoonschappen in Christus, zoals zij ook twee geboorten in Hem aannemen. — Anderen echter letten op het subject van het zoonschap, d.i. op de persoon of de drager, en nemen in Christus slechts één zoonschap aan, zoals ook maar één drager of één persoon. De eenheid toch of veelheid van de verhoudingen moet men niet zoeken in de termen; maar ófwel in haar oorzaak ófwel in haar subject. Want zo men het in de termen van de verhouding zoekt, dan moest ieder mens in zich twee zoonschappen hebben: een, waardoor hij een verhouding zegt tot zijn vader, en een, waardoor hij een verhouding zegt tot zijn moeder. Doch bij nader toezien blijkt, dat iedereen door één en dezelfde verhouding een betrekking zowel tot zijn vader als tot zijn moeder zegt krachtens de eenheid van oorzaak van die verhouding. Door de éne geboorte toch wordt de mens uit vader en moeder geboren; daarom zegt hij door éénzelfde verhouding een betrekking tot beiden. Ditzelfde 219geldt ook voor de leraar die eenzelfde leer aan vele leerlingen onderwijst, of voor een heer, die verscheidene onderdanen met eenzelfde macht bestuurt. — Indien er nu echter verscheidene, soortelijk verschillende oorzaken zijn, dan schijnen ook de daarop steunende verhoudingen soortelijk te verschillen. Vandaar schijnt er dan ook niets op tegen te zijn, dat er meerdere dergelijke verhoudingen in eenzelfde persoon zijn. Zo bv. wanneer iemand leraar is van sommigen in de taalkunde en van anderen in de redeneerkunst, dan is het eigene in beide leeraarschappen iets anders; en zo kan een en dezelfde persoon door onderscheidene verhoudingen leraar zijn van verschillende personen of van dezelfde personen betreffende verschillende vakken. — Soms echter komt het voor, dat iemand een verhouding zegt tot meerderen op grond van onderscheidene oorzaken, welke echter gelijksoortig zijn; zoals wanneer iemand vader is van verschillende kinderen, maar op grond van onderscheidene voortbrengingsdaden. En derhalve kan het vaderschap niet soortelijk verschillen, daar de voortbrengingsdaden gelijksoortig zijn. En wijl meerdere gelijksoortige vormen niet tegelijk in éénzelfde subject kunnen zijn, is het onmogelijk, dat er meerdere vaderschappen zouden wezen in iemand, die door natuurlijke voortbrenging vader is van meerdere kinderen. Iets anders zou het echter wezen, indien hij vader was van het ene kind door natuurlijke voortbrenging, en van het andere door aanneming.
220Manifestum autem est, quod non una et eadem nativitate Christus est natus ex Patre ab aeterno, et ex matre ex tempore; nec nativitas est unius speciei. Unde quantum ad hoc, oporteret dicere in Christo esse diversas filiationes, unam temporalem, et aliam aeternam. Sed quia subjectum filiationis non est natura, aut pars naturae, sed solum persona, vel hypostasis, in Christo autem non est hypostasis vel persona, nisi aeterna, non potest in Christo esse aliqua filiatio, nisi quae sint in hypostasi aeterna. Omnis autem relatio, quae ex tempore de Deo dicitur, non ponit in ipso Deo aeterno aliquid secundum rem, sed secundum rationem tantum, sicut in 1. habitum est [q. 13. art. 7.]. Et ideo filiatio, qua Christus refertur ad matrem, non potest esse realis relatio, sed solum secundum rationem.
220Het spreekt echter van zelf, dat Christus niet door een en dezelfde geboorte van eeuwigheid uit den Vader geboren is en uit de moeder in den tijd. Evenmin is het een gelijksoortige geboorte. Van dien kant zou men dan ook moeten zeggen, dat er in Christus verschillende zoonschappen zijn : de eene in den tijd, de andere eeuwig. Maar, omdat het subject, de drager van het zoonschap niet de natuur is noch een deel van de natuur, doch alleen de persoon, en omdat er in Christus geen drager of persoon is tenzij de eeuwige persoon, daarom kan er in Christus geen zoonschap zijn behalve dat, hetwelk gedragen wordt in den eeuwigen persoon. Geen enkele verhouding echter, die in den tijd van God wordt gezegd, stelt in den eeuwigen God zelf iets werkelijks maar uitsluitend iets volgens onze wijze van begrijpen, gelijk in het Ie Deel (13e Kw., 7e Art.) is uiteengezet. En derhalve kan de verhouding, waardoor Christus een betrekking tot zijn moeder zegt, geen werkelijke verhouding zijn, doch slechts een begripmatige.220Het spreekt echter van zelf, dat Christus niet door een en dezelfde geboorte van eeuwigheid uit de Vader geboren is en uit de moeder in de tijd. Evenmin is het een gelijksoortige geboorte. Van die kant zou men dan ook moeten zeggen, dat er in Christus verschillende zoonschappen zijn: de ene in de tijd, de andere eeuwig. Maar, omdat het subject, de drager van het zoonschap niet de natuur is noch een deel van de natuur, doch alleen de persoon, en omdat er in Christus geen drager of persoon is tenzij de eeuwige persoon, daarom kan er in Christus geen zoonschap zijn behalve dat, hetwelk gedragen wordt in de eeuwige persoon. Geen enkele verhouding echter, die in de tijd van God wordt gezegd, stelt in de eeuwige God zelf iets werkelijks maar uitsluitend iets volgens onze wijze van begrijpen, gelijk in het 1e Deel (13e Kw., 7e Art.) is uiteengezet. En derhalve kan de verhouding, waardoor Christus een betrekking tot zijn moeder zegt, geen werkelijke verhouding zijn, doch slechts een begripmatige.
Et sic, quantum ad aliquid, utraque opinio verum dicit: nam si attendemus ad perfectas rationes filiationis, oportet dicere duas filiationes secundum dualitatem nativitatum. Si autem attendamus ad subjectum filiationis, quod non potest esse nisi suppositum aeternum, non potest in Christo esse 221realiter nisi filiatio aeterna. Dicitur tamen relative filius ad matrem, relatione, quae coïntelligitur relationi maternitatis ad Christum, sicut etiam Deus dicitur Dominus, relatione, quae coïntelligitur reali relationi, qua creatura subjicitur Deo; et quamvis relatio dominii non sit realis in Deo, dicitur tamen realiter dominus ex reali subjectione creaturae ad ipsum. Et similiter Christus dicitur realiter filius Virginis matris ex relatione reali maternitatis ad Christum.
En zoodoende hebben beide voornoemde meeningen onder bepaald opzicht gelijk. Want, leggen we den nadruk op het volledige begrip van zoon-zijn, dan moet men in Christus twee zoonschappen aannemen op grond van zijn tweevoudige geboorte. Beschouwen we echter het subject van het zoonschap, hetwelk niets anders wezen kan dan de eeuwige persoon, dan kan er in Christus geen werkelijk zoonschap zijn behalve zijn eeuwig zoon-zijn. 221Toch wordt Hij ook met betrekking tot de moeder zoon genoemd krachtens de verhouding, die in de verhouding van haar moederschap tot Christus mede wordt inbegrepen. Zooals ook God de Heer wordt genoemd door de verhouding, welke mede wordt inbegrepen in de werkelijke verhouding, waardoor het schepsel aan God onderdanig is. En hoewel de betrekking, welke zijn heerschappij zegt, niet werkelijk in God is, toch is Hij werkelijk de Heer krachtens de werkelijke onderworpenheid van al het geschapene aan Hem. Eveneens wordt Christus werkelijk de Zoon der Moedermaagd genoemd op grond van de werkelijke verhouding, die haar moederschap tot Hem zegt.En zodoende hebben beide voornoemde meningen onder bepaald opzicht gelijk. Want, leggen we de nadruk op het volledige begrip van zoon-zijn, dan moet men in Christus twee zoonschappen aannemen op grond van zijn tweevoudige geboorte. Beschouwen we echter het subject van het zoonschap, hetwelk niets anders wezen kan dan de eeuwige persoon, dan kan er in Christus geen werkelijk zoonschap zijn behalve zijn eeuwig zoon-zijn. 221Toch wordt Hij ook met betrekking tot de moeder zoon genoemd krachtens de verhouding, die in de verhouding van haar moederschap tot Christus mede wordt inbegrepen. Zoals ook God de Heer wordt genoemd door de verhouding, welke mede wordt inbegrepen in de werkelijke verhouding, waardoor het schepsel aan God onderdanig is. En hoewel de betrekking, welke zijn heerschappij zegt, niet werkelijk in God is, toch is Hij werkelijk de Heer krachtens de werkelijke onderworpenheid van al het geschapene aan Hem. Eveneens wordt Christus werkelijk de Zoon van de Moedermaagd genoemd op grond van de werkelijke verhouding, die haar moederschap tot Hem zegt.
Ad primum ergo dicendum, quod nativitas temporalis causaret in Christo temporalem filiationem realem, si esset ibi subjectum hujusmodi filiationis capax. Quod quidem esse non potest: ipsum enim suppositum aeternum non potest esse susceptivum relationis temporalis, ut dictum est [in corp.]. Nec potest dici, quod sit susceptivum filiationis temporalis ratione humanae naturae, sicut etiam et temporalis nativitatis, quia oporteret naturam humanam aliqualiter esse subjectam filiationi, sicut est aliqualiter subjecta 222nativitati. Cum enim Aethiops dicitur albus ratione dentis, oportet quod Aethiopis dens sit albedinis subjectum. Natura autem humana nullo modo potest esse subjectum filiationis, quia haec relatio directe respicit personam.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De geboorte in den tijd zou in Christus een werkelijk zoonschap in den tijd hebben veroorzaakt, indien daar een subject was, dat voor een dergelijk zoonschap ontvankelijk is. Dit nu is onmogelijk; de goddelijke Persoon toch is niet ontvankelijk voor een verhouding, die in den tijd ontstaat, gelijk werd aangegeven (zie Leerstelling). — Evenmin kan men zeggen, dat Hij op grond van zijn menschelijke natuur ontvankelijk was voor een zoonschap in den tijd, evengoed als voor een geboorte in den tijd; want dan moest de menschelijke natuur op een of andere manier subject zijn van het zoonschap, zooals zij dat ook in bepaald opzicht is van de geboorte; want 222wanneer men een Ethiopiër wit noemt om zijn tanden, dan moeten de tanden van een Ethiopiër de drager wezen van het wit-zijn. De menschelijke natuur echter kan op geen enkele manier subject of draagster zijn van het zoonschap, daar deze verhouding onmiddellijk betrekking heeft op den persoon.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De geboorte in de tijd zou in Christus een werkelijk zoonschap in de tijd hebben veroorzaakt, indien daar een subject was, dat voor een dergelijk zoonschap ontvankelijk is. Dit nu is onmogelijk; de goddelijke Persoon toch is niet ontvankelijk voor een verhouding, die in de tijd ontstaat, gelijk werd aangegeven (zie Leerstelling). — Evenmin kan men zeggen, dat Hij op grond van zijn menselijke natuur ontvankelijk was voor een zoonschap in de tijd, evengoed als voor een geboorte in de tijd; want dan moest de menselijke natuur op een of andere manier subject zijn van het zoonschap, zoals zij dat ook in bepaald opzicht is van de geboorte; want 222wanneer men een Ethiopiër wit noemt om zijn tanden, dan moeten de tanden van een Ethiopiër de drager wezen van het wit-zijn. De menselijke natuur echter kan op geen enkele manier subject of draagster zijn van het zoonschap, daar deze verhouding onmiddellijk betrekking heeft op de persoon.
Ad secundum dicendum, quod filiatio aeterna non dependet a matre temporali, sed huic filiationi aeternae cointelligitur quidam respectus temporalis dependens a matre, secundum quem Christus dicitur filius matris.
2. Christus' eeuwig zoonschap is niet afhankelijk van zijn moeder-in-den-tijd; maar in dit eeuwig zoonschap wordt een tijdelijke verhouding mede inbegrepen, en deze is wèl afhankelijk van de moeder. En om deze verhouding wordt Christus zoon der moeder genoemd.2. Christus' eeuwig zoonschap is niet afhankelijk van zijn moeder-in-de-tijd; maar in dit eeuwig zoonschap wordt een tijdelijke verhouding mede inbegrepen, en deze is wèl afhankelijk van de moeder. En om deze verhouding wordt Christus zoon van de moeder genoemd.
Ad tertium dicendum, quod unum et ens se consequuntur, ut dicitur in 4. Metaphys. [L. 3, C. 2, n. 5.]. Et ideo sicut contingit, quod in uno extremorum relatio sit quoddam ens, in alio autem non sit ens, sed ratio tantum, sicut de scibili et scientia Philosophus dicit in 5. Metaph. [L. 4, C. 3, n. 8], ita etiam contingit, quod ex parte unius extremi est una relatio, ex parte autem alterius extremi sunt multae relationes, sicut in hominibus ex parte parentum invenitur duplex relatio, una paternitatis, et alia maternitatis, quae sunt specie differentes, propter hoc quod alia ratione pater, et alia mater est generationis principium. Si vero essent plures eadem 223ratione principium unius actionis (puta cum multi simul trahunt navem), in omnibus esset una et eadem relatio. Ex parte autem prolis est una sola filiatio secundum rem, sed duplex secundum rationem, inquantum correspondet utrique relationi parentum secundum duos respectus intellectus. Et sic etiam quantum ad aliquid in Christo est una tantum filiatio realis, quae respicit Patrem aeternum; est tamen ibi alius respectus temporalis, qui respicit matrem temporalem.
3. Eén en zijnde zijn omkeerbaar, gelijk in het 4e boek der Metaphysica geleerd wordt. Bijgevolg, zooals het voorkomt, dat in een der termen de verhouding een werkelijk iets is, in den anderen term echter geen werkelijk iets, doch alleen maar iets gedachts, zooals de Wijsgeer in het 5e boek van zijn Metaphysica zegt aangaande het weetbare en de wetenschap, zoo komt het ook voor, dat er van den kant van den eenen term slechts één verhouding is, van den kant van den anderen term echter meer verhoudingen. Zoo b. v. vindt men bij de menschen van den kant der ouders een tweevoudige verhouding, de eene van het vaderschap, de andere van het moederschap, die soortelijk verschillen, omdat de vader onder een ander opzicht voortbrengend beginsel is dan de moeder; (wanneer echter meerderen tegelijk onder hetzelfde opzicht princiep zijn van 223één en dezelfde werking, b. v. wanneer meerderen tegelijk een schip voorttrekken, dan is in hen allen één en dezelfde verhouding) ; van den kant van het kind echter is er slechts één werkelijk kindschap, doch een tweevoudig gedacht kindschap, in zoover dit nl. met twee verhoudingen aan de dubbele verhouding der ouders zal gedacht worden te beantwoorden. Zoo ook is er in bepaald opzicht slechts een werkelijk zoonschap in Christus en dit zoonschap zegt een betrekking tot den eeuwigen Vader; toch is er in Hem nog een andere en wel een tijdelijke betrekking, die een verhouding zegt tot de moeder-in-den-tijd.3. Eén en zijnde zijn omkeerbaar, gelijk in het 4e boek van de Metafysica geleerd wordt. Bijgevolg, zoals het voorkomt, dat in een van de termen de verhouding een werkelijk iets is, in de andere term echter geen werkelijk iets, doch alleen maar iets gedachts, zoals de Wijsgeer in het 5e boek van zijn Metafysica zegt aangaande het weetbare en de wetenschap, zo komt het ook voor, dat er van de kant van de ene term slechts één verhouding is, van de kant van de andere term echter meer verhoudingen. Zo bv. vindt men bij de mensen van de kant van de ouders een tweevoudige verhouding, de ene van het vaderschap, de andere van het moederschap, die soortelijk verschillen, omdat de vader onder een ander opzicht voortbrengend beginsel is dan de moeder; (wanneer echter meerderen tegelijk onder hetzelfde opzicht princiep zijn van 223één en dezelfde werking, bv. wanneer meerderen tegelijk een schip voorttrekken, dan is in hen allen één en dezelfde verhouding); van de kant van het kind echter is er slechts één werkelijk kindschap, doch een tweevoudig gedacht kindschap, in zover dit nl. met twee verhoudingen aan de dubbele verhouding van de ouders zal gedacht worden te beantwoorden. Zo ook is er in bepaald opzicht slechts een werkelijk zoonschap in Christus en dit zoonschap zegt een betrekking tot de eeuwige Vader; toch is er in Hem nog een andere en wel een tijdelijke betrekking, die een verhouding zegt tot de moeder-in-de-tijd.
Utrum Christus fuerit natus sine dolore matris
Werd Christus zonder barensweeën geboren?
Ad sextum sic proceditur. Videtur, quod Christus non fuerit natus sine dolore matris: sicut enim mors hominum subsecuta est ex peccato primorum parentum, secundum illud Genes. 2. [v. 17] : « Quacumque die comederis ex eo, morte morieris », ita etiam dolor partus, secundum 224illud Gen. 3. [v. 16] : « In dolore paries filios ». Sed Christus mortem subire voluit. Ergo videtur, quod pari ratione ejus partus esse debuerit cum dolore.
Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet zonder barensweeën geboren werd. — 1. Want, gelijk de dood een gevolg is van de zonde der eerste ouders, blijkens het Boek der Schepping (2, 17) : « Op den dag, dat gij daarvan zult eten, zult gij den dood sterven », zoo ook de barensweeën blijkens het Boek der 224Schepping (3, 16) : « In smart zult gij kinderen baren ». Maar Christus heeft den dood willen ondergaan. Derhalve moest, naar men beweert, om dezelfde reden ook zijn geboorte in smart geschieden.Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet zonder barensweeën geboren werd. — 1. Want, gelijk de dood een gevolg is van de zonde van de eerste ouders, blijkens het Boek van de Schepping (2, 17): “Op de dag, dat gij daarvan zult eten, zult gij de dood sterven”, zo ook de barensweeën blijkens het Boek van de 224Schepping (3, 16): “In smart zult gij kinderen baren”. Maar Christus heeft de dood willen ondergaan. Derhalve moest, naar men beweert, om dezelfde reden ook zijn geboorte in smart geschieden.
2. Praeterea, finis proportionatur principio. Sed finis vitae Christi fuit cum dolore, secundum illud Isa. 53. [v. 4] : « Vere dolores nostros ipse tulit ». Ergo videtur, quod etiam in sua nativitate fuerit dolor partus.
2. Het einde is evenredig aan het begin. Welnu het einde van Christus' leven verliep in smart blijkens Isaïas (53, 4) : « In waarheid heeft Hij onze smarten gedragen ». Derhalve ging ook zijn geboorte vergezeld van de weeën der baring.2. Het einde is evenredig aan het begin. Welnu het einde van Christus' leven verliep in smart blijkens Jesaja (53, 4): “In waarheid heeft Hij onze smarten gedragen”. Derhalve ging ook zijn geboorte vergezeld van de weeën van de baring.
3. Praeterea, in libro de Ortu Salvatoris [al. Protoev. Jacobi, c. 19, 20] narratur, quod ad Christi nativitatem obstetrices occurrerunt, quae videntur esse necessariae parienti propter dolorem. Ergo videtur, quod B. Virgo peperit cum dolore.
3. In het werk Over de Geboorte des Zaligmakers wordt verhaald, dat er bij Christus' geboorte vroedvrouwen behulpzaam waren; dezen nu heeft de barende noodig, naar het schijnt, om wille van haar pijnen. Derhalve, zoo beweert men, heeft de H. Maagd in smarten gebaard.3. In het werk Over de Geboorte van de Zaligmaker wordt verhaald, dat er bij Christus' geboorte vroedvrouwen behulpzaam waren; deze nu heeft de barende nodig, naar het schijnt, om wille van haar pijnen. Derhalve, zo beweert men, heeft de H. Maagd in smarten gebaard.
Sed contra est, quod Augustinus dicit in Serm. de Nativit. [Serm. 18 de Sanctis] alloquens Virginem matrem: « Nec in conceptione, inquit, inventa es sine pudore, nec in partu inventa es cum dolore ».
Daartegenover staat echter hetgeen Augustinus in zijn Kerstpreek zegt, waar hij de Moedermaagd aldus aanspreekt : « Bij zijn ontvangenis werdt gij niet zonder schroomvalligheid bevonden, noch bij zijn geboorte bevonden met smart ».Daartegenover staat echter hetgeen Augustinus in zijn Kerstpreek zegt, waar hij de Moedermaagd aldus aanspreekt: “Bij zijn ontvangenis werdt gij niet zonder schroomvalligheid bevonden, noch bij zijn geboorte bevonden met smart”.
Respondeo dicendum, quod dolor parientis causatur ex apertione meatuum, per quos proles egreditur. Dictum est autem supra [q. 28. art. 2252.], quod Christus est egressus ex clauso utero matris, et sic nulla violentia apertionis meatuum ibi fuit. Et propter hoc in illo partu nullus fuit dolor, sicut nec aliqua corruptio, sed fuit ibi maxima jucunditas ex hoc, quod homo Deus est natus in mundum, secundum illud Isa. 35. [v. 1-2] : « Germinans germinabit, sicut lilium, et exultabit laetabunda et laudans ».
Leerstelling. — De barensweeën worden veroorzaakt door het zich openen van den baarmoedermond, waardoor het kind naar 225buiten treedt. Boven echter (28e Kw., 2e Art.) hebben we behandeld, dat Christus geboren werd, terwijl de baarmoeder zijner moeder gesloten bleef : en zoodoende werd de moedermond daar niet geopend. Daarom ging deze baring niet vergezeld van pijn noch van eenige ontbinding, doch van de grootste aangenaamheid, omdat de Godmensch in de wereld geboren was (vgl. Joannes, 16, 21) volgens het woord van Isaïas (35, 1, 2) : « Heerlijk zal zij openbloeien als een lelie, en juichen in blijheid en lofzang ».Leerstelling. — De barensweeën worden veroorzaakt door het zich openen van de baarmoedermond, waardoor het kind naar 225buiten treedt. Boven echter (28e Kw., 2e Art.) hebben we behandeld, dat Christus geboren werd, terwijl de baarmoeder van zijn moeder gesloten bleef: en zodoende werd de moedermond daar niet geopend. Daarom ging deze baring niet vergezeld van pijn noch van enige ontbinding, doch van de grootste aangenaamheid, omdat de Godmens in de wereld geboren was (vgl. Johannes, 16, 21) volgens het woord van Jesaja (35, 1, 2): “Heerlijk zal zij openbloeien als een lelie, en juichen in blijheid en lofzang”.
Ad primum ergo dicendum, quod dolor partus consequitur in muliere commixtionem virilem; unde Gen. 3. postquam dictum est: In dolore paries, subditur: « Et sub viri potestate eris ». Sed, sicut dicit Augustinus in Serm. de Assumpt. B. Virg. [tract. 8. de Diversis, cap. 4; inter opp. Aug.], « ab hac sententia excipitur Virgo Mater Dei; quae quia sine peccati colluvione, et sine virilis admixtionis detrimento Christum suscepit, sine dolore genuit, et sine integritatis violatione, pudore virginitatis integro permansit ». Christus autem mortem suscepit spontanea voluntate, ut pro 226nobis satisfaceret, non quasi ex necessitate illius sententiae, quia ipse mortis debitor non erat.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De barensweeën der vrouw volgen op haar lichamelijke vereeniging met den man. Vandaar dan ook, dat het Boek der Schepping (3, 16), na gezegd te hebben : « In pijn zult gij baren », er onmiddellijk aan toevoegt : « en gij zult staan onder de macht van den man ». Maar, zooals Augustinus schrijft in zijn preek op de ten Hemel-Opneming der H. Maagd, werd de maagdelijke moeder Gods van dit vonnis uitgezonderd: « omdat zij zonder besmetting der zonde en zonder eenig nadeel wegens vereeniging met een man, den Christus ontving, baarde zij zonder pijn, zonder schending van haar ongereptheid, en bleef zij ongedeerd in de eerwaardigheid van haar maagdschap ». Den dood echter nam Christus geheel vrijwillig op 226zich, om voor ons te voldoen, maar niet krachtens de algemeenheid van dat vonnis, daar Hij geen schuldenaar des doods was.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De barensweeën van de vrouw volgen op haar lichamelijke vereniging met de man. Vandaar dan ook, dat het Boek van de Schepping (3, 16), na gezegd te hebben: “In pijn zult gij baren”, er onmiddellijk aan toevoegt: “en gij zult staan onder de macht van de man”. Maar, zoals Augustinus schrijft in zijn preek op de ten Hemel-Opneming van de H. Maagd, werd de maagdelijke moeder Gods van dit vonnis uitgezonderd: “omdat zij zonder besmetting van de zonde en zonder enig nadeel wegens vereniging met een man, de Christus ontving, baarde zij zonder pijn, zonder schending van haar ongereptheid, en bleef zij ongedeerd in de eerwaardigheid van haar maagdschap”. De dood echter nam Christus geheel vrijwillig op 226zich, om voor ons te voldoen, maar niet krachtens de algemeenheid van dat vonnis, daar Hij geen schuldenaar van de dood was.
Ad secundum dicendum, quod sicut Christus moriendo destruxit mortem nostram, ita suo dolore nos a doloribus liberavit, et ideo mori voluit cum dolore. Sed dolor parientis matris non pertinebat ad Christum, qui pro peccatis nostris satisfacere veniebat, et ideo non oportuit, quod mater ejus pareret cum dolore.
2. Zooals Christus door zijn sterven onzen dood vernietigde, zoo ook bevrijdde Hij door zijn smart ons van smarten, en daarom wilde Hij sterven met smart. Maar de smart der barende moeder paste niet bij Christus, die kwam voldoen voor onze zonden. En daarom was het niet noodig, dat zijn moeder in smart zou baren.2. Zoals Christus door zijn sterven onze dood vernietigde, zo ook bevrijdde Hij door zijn smart ons van smarten, en daarom wilde Hij sterven met smart. Maar de smart van de barende moeder paste niet bij Christus, die kwam voldoen voor onze zonden. En daarom was het niet nodig, dat zijn moeder in smart zou baren.
Ad tertium dicendum, quod Luc. 2. [v. 7] dicitur, quod B. Virgo ipsum puerum, quem pepererat, pannis involvit, et posuit in praesepio, et ex hoc ostenditur narratio illius libri, qui est apocryphus, esse falsa: unde Hieronymus dicit contra Helvidium [cap. 4.] : « Nulla ibi obstetrix, nulla muliercularum sedulitas intercessit; et mater, et obstetrix fuit. Pannis, inquit, involvit infantem, et posuit in praesepio: quae sententia apocryphorum deliramenta convincit ».
3. Door Lucas (2, 7) wordt verhaald, dat de H. Maagd het kind, dat zij gebaard had, zelf in doeken wikkelde en neerlegde in een kribbe. Hieruit bewijst men, dat het verhaal van dit apocrief werk valsch is. Daarom ook zegt Hieronymus in zijn geschrift Tegen Helvidius: « Daar was geen enkele vroedvrouw, noch dienstwaardige vrouwspersonen bij behulpzaam. Zij was zoowel moeder als vroedvrouw tevens. « Zij wikkelde » zegt de Evangelist « het kind in doeken en legde het neder in een kribbe ». Deze woorden weerleggen overtuigend de dwaze verzinsels der apocriefen ».3. Door Lukas (2, 7) wordt verhaald, dat de H. Maagd het kind, dat zij gebaard had, zelf in doeken wikkelde en neerlegde in een kribbe. Hieruit bewijst men, dat het verhaal van dit apocrief werk vals is. Daarom ook zegt Hieronymus in zijn geschrift Tegen Helvidius: “Daar was geen enkele vroedvrouw, noch dienstwaardige vrouwspersonen bij behulpzaam. Zij was zowel moeder als vroedvrouw tevens. ‘Zij wikkelde’ zegt de Evangelist ‘het kind in doeken en legde het neder in een kribbe’. Deze woorden weerleggen overtuigend de dwaze verzinsels van de apocriefen”.
Utrum Christus debuerit in Bethlehem nasci
Had Christus in Bethlehem moeten geboren worden?
227Ad septimum sic proceditur. Videtur, quod Christus non debuerit in Bethlehem nasci: dicitur enim Isa. 2. [v. 3] : « De Sion exibit lex, et Verbum Domini de Hierusalem ». Sed Christus est vere Verbum Dei. Ergo de Hierusalem debuit prodire in mundum.
227Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet had moeten geboren worden in Bethlehem. — 1. Want in Isaïas (2, 3) staat geschreven : « Van Sion zal de wet uitgaan en Gods woord van Jerusalem ». Welnu, Christus is waarlijk Gods Woord. Derhalve had Hij vanuit Jerusalem in de wereld te voorschijn moeten treden.227Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet had moeten geboren worden in Bethlehem. — 1. Want in Jesaja (2, 3) staat geschreven: “Van Sion zal de wet uitgaan en Gods woord van Jerusalem”. Welnu, Christus is waarlijk Gods Woord. Derhalve had Hij vanuit Jerusalem in de wereld te voorschijn moeten treden.
2. Praeterea, Matth. 2. [v. 23] dicitur scriptum esse de Christo, quod Nazarenus vocabitur, quod sumitur ex eo quod scribitur Isa. 11. [v. 1] : « Flos de radice ejus ascendet »: Nazareth enim flos interpretatur. Sed maxime aliquis denominatur a loco suae nativitatis. Ergo videtur, quod in Nazareth nasci debuerit, ubi etiam fuit conceptus et nutritus.
2. In Mattheus (2, 23) wordt verhaald, dat over Christus geschreven was : « Een Nazareër zal Hij genoemd worden »; dit nu is hiervan afgeleid, dat bij Isaïas over Hem geschreven staat (11, 1) : « een bloem zal opschieten uit zijn wortel »; « Nazareth » toch beteekent « bloem ». Bij voorkeur nu wordt iemand genoemd naar zijn geboorteplaats. Derhalve had Christus geboren moeten worden te Nazareth, waar Hij trouwens ook ontvangen en opgevoed werd.2. In Matteüs (2, 23) wordt verhaald, dat over Christus geschreven was: “Een Nazareër zal Hij genoemd worden”; dit nu is hiervan afgeleid, dat bij Jesaja over Hem geschreven staat (11, 1): “een bloem zal opschieten uit zijn wortel”; “Nazareth” toch betekent “bloem”. Bij voorkeur nu wordt iemand genoemd naar zijn geboorteplaats. Derhalve had Christus geboren moeten worden te Nazareth, waar Hij trouwens ook ontvangen en opgevoed werd.
3. Praeterea, ad hoc Dominus natus est in mundo, ut veritatis fidem annuntiaret, secundum illud Joan. 18. [v. 37] : « In hoc natus sum, et 228ad hoc veni in mundum, ut testimonium perhibeam veritati ». Sed hoc facilius fieri potuisset, si natus fuisset in civitate Romana, quae tunc dominatum orbis habebat; unde et Paulus Romanis scribens dicit Rom. 1. [v. 8] : « Fides vestra annuntiatur in universo mundo ». Ergo videtur, quod non debuerit in Bethlehem nasci.
3. Daartoe is de Heer in de wereld geboren, om het geloof der waarheid te verkondigen, blijkens Joannes (18, 37) : « Ik ben geboren en in de wereld gekomen, om getuigenis af te leggen voor de 228waarheid ». Maar dit had gemakkelijker bereikt kunnen worden, zoo Hij in Rome geboren was, dat toentertijd de heerschappij voerde over de wereld; daarom ook zegt Paulus, wanneer hij aan de Romeinen schrijft (Brief aan de Romeinen, 1, 8) : « In heel de wereld wordt uw geloof geroemd ». Bijgevolg had Christus niet in Bethlehem geboren moeten worden.3. Daartoe is de Heer in de wereld geboren, om het geloof van de waarheid te verkondigen, blijkens Johannes (18, 37): “Ik ben geboren en in de wereld gekomen, om getuigenis af te leggen voor de 228waarheid”. Maar dit had gemakkelijker bereikt kunnen worden, zo Hij in Rome geboren was, dat toentertijd de heerschappij voerde over de wereld; daarom ook zegt Paulus, wanneer hij aan de Romeinen schrijft (Brief aan de Romeinen, 1, 8): “In heel de wereld wordt uw geloof geroemd”. Bijgevolg had Christus niet in Bethlehem geboren moeten worden.
Sed contra est, quod dicitur Mich. 5. [v. 2] : « Et tu Bethlehem Ephrata, parvulus es in millibus Juda; ex te mihi egredietur, qui sit dominator in Israël ».
Daartegenover staat echter hetgeen we lezen bij Micheas (5, 2) : « En gij, Bethlehem Ephrata, uit u zal Mij voortkomen, die heerscher zal zijn in Israël ».Daartegenover staat echter hetgeen we lezen bij Micheas (5, 2): “En gij, Bethlehem Efrata, uit u zal Mij voortkomen, die heerser zal zijn in Israël”.
Respondeo dicendum, quod Christus in Bethlehem nasci voluit, duplici ratione: primo quidem, quia « factus est ex semine David secundum carnem », ut dicitur Rom. 1. [v. 3], cui etiam facta fuerat repromissio specialis de Christo, secundum illud 2. Reg. 23. [v. 1] : « Dixit vir, cui constitutum est de Christo Dei Jacob », et ideo in Bethlehem, de qua natus fuit David, nasci voluit, ut ex ipso loco nativitatis promissio ei facta 229impleta ostenderetur. Et hoc designat Evangelista dicens: « Eo quod esset de domo, et familia David » [Luc. 2, v. 4].
Leerstelling. — Om een tweevoudige reden wilde Christus te Bethlehem geboren worden. — 1e, omdat Hij, zooals in den Brief aan de Romeinen (1, 3) gezegd wordt, naar het vleesch gesproten is uit het zaad van David, aan wien ook een bijzondere belofte aangaande den Christus was gedaan, blijkens het 2e Boek der Koningen (23, 1) : « Zoo sprak de man, wien openbaring gewerd over den gezalfde (den Christus) van den God van Jacob ». Daarom wilde Hij te Bethlehem geboren worden, van waar ook David geboortig was, opdat ook krachtens de geboorteplaats zelf de aan David gedane belofte vervuld zou blijken. Dit geeft de 229Evangelist (Lucas, 2, 4) aan, waar hij schrijft : « Daar Hij uit het huis en het geslacht van David was ».Leerstelling. — Om een tweevoudige reden wilde Christus te Bethlehem geboren worden. — eerste, omdat Hij, zoals in de Brief aan de Romeinen (1, 3) gezegd wordt, naar het vlees gesproten is uit het zaad van David, aan wie ook een bijzondere belofte aangaande de Christus was gedaan, blijkens het 2e Boek van de Koningen (23, 1)a: “Zo sprak de man, wie openbaring gewerd over de gezalfde (de Christus) van de God van Jacob”. Daarom wilde Hij te Bethlehem geboren worden, van waar ook David geboortig was, opdat ook krachtens de geboorteplaats zelf de aan David gedane belofte vervuld zou blijken. Dit geeft de 229Evangelist (Lukas, 2, 4) aan, waar hij schrijft: “Daar Hij uit het huis en het geslacht van David was”.
Secundo, quia, ut Gregorius dicit in Hom. [8. in Evang.] : « Bethlehem domus panis interpretatur. Ipse autem Christus est, qui ait: Ego sum panis vivus, qui de coelo descendi ».
2e, omdat, gelijk Gregorius in zijn Homelie zegt: « Bethlehem « huis des broods » beteekent. Christus zelf sprak : « Ik ben het levend brood, dat uit den hemel is nedergedaald » ».tweede, omdat, gelijk Gregorius in zijn Homelie zegt: “Bethlehem ‘huis van het brood’ betekent. Christus zelf sprak: ‘Ik ben het levend brood, dat uit de hemel is nedergedaald’”.
Ad primum ergo dicendum, quod sicut David in Bethlehem natus est, ita etiam Hierusalem elegit, ut in ea sedem regni constitueret, et templum Dei ibi aedificaret; et sic Hierusalem elegit, ut esset civitas simul regalis et sacerdotalis. Sacerdotium autem Christi et ejus regnum praecipue consummatum est in ejus passione. Et ideo convenienter Bethlehem elegit nativitati, Hierusalem vero passioni. Similiter etiam per hoc hominum gloriam confutavit, qui gloriantur de hoc, quod ex civitatibus nobilibus originem ducunt, in quibus etiam praecipue volunt honorari. Christus autem e converso in civitate ignobili nasci voluit, et in civitate nobili pati opprobrium.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zooals David te Bethlehem geboren werd, zoo ook koos hij Jerusalem uit, om daar den zetel van zijn rijk te vestigen en daar den tempel Gods te bouwen, opdat Jerusalem zoodoende de koninklijke en priesterlijke stad zou zijn. Christus' koningschap nu en zijn priesterschap werden vooral voltooid door zijn lijden. Terecht koos Hij dan ook Bethlehem voor geboorteplaats, en Jerusalem, om er te lijden. Daarmede beschaamde Hij tegelijkertijd de eerzucht van menschen, die er groot op gaan, uit voorname steden afkomstig te zijn, en vooral ook om die reden willen geëerd worden. Christus daarentegen wil in een onaanzienlijk plaatsje geboren worden, en in een voorname stad zijn versmading ondergaan.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoals David te Bethlehem geboren werd, zo ook koos hij Jerusalem uit, om daar de zetel van zijn rijk te vestigen en daar de tempel Gods te bouwen, opdat Jerusalem zodoende de koninklijke en priesterlijke stad zou zijn. Christus' koningschap nu en zijn priesterschap werden vooral voltooid door zijn lijden. Terecht koos Hij dan ook Bethlehem voor geboorteplaats, en Jerusalem, om er te lijden. Daarmede beschaamde Hij tegelijkertijd de eerzucht van mensen, die er groot op gaan, uit voorname steden afkomstig te zijn, en vooral ook om die reden willen geëerd worden. Christus daarentegen wil in een onaanzienlijk plaatsje geboren worden, en in een voorname stad zijn versmading ondergaan.
Ad secundum dicendum, quod Christus florere voluit secundum virtuosam conversationem, non secundum carnis originem. Et ideo in civitate 230Nazareth educari voluit et nutriri; in Bethlehem autem voluit quasi peregre nasci, quia, ut Gregorius dicit [loc. sup. cit.], « per humanitatem, quam assumpserat, quasi in alieno nascebatur, non secundum potestatem, sed secundum naturam ». Et etiam, ut Beda dicit [Exp. in Luc., L. 1, ad C. 2, v. 7], « in diversorio loco egebat, ut nobis multas mansiones in domo Patris sui praepararet ».
2. Christus wilde bloeien naar zijn deugdzaam leven en niet naar zijn lichamelijken oorsprong. Daarom wilde Hij in Nazareth opgevoed en gevoed worden. In Bethlehem echter wilde Hij als 230vreemdeling geboren worden, omdat Hij, zooals Gregorius zegt, « naar zijn menschheid, die Hij had aangenomen, als het ware in den vreemde geboren werd, wel niet voor wat zijn macht betreft, maar betreffende zijn natuur ». En gelijk Beda schrijft, « doordat Hij een plaats noodig heeft in een herberg, bereidt Hij voor ons vele woningen in het huis zijns Vaders ».2. Christus wilde bloeien naar zijn deugdzaam leven en niet naar zijn lichamelijken oorsprong. Daarom wilde Hij in Nazareth opgevoed en gevoed worden. In Bethlehem echter wilde Hij als 230vreemdeling geboren worden, omdat Hij, zoals Gregorius zegt, “naar zijn mensheid, die Hij had aangenomen, als het ware in de vreemde geboren werd, wel niet voor wat zijn macht betreft, maar betreffende zijn natuur”. En gelijk Beda schrijft, “doordat Hij een plaats nodig heeft in een herberg, bereidt Hij voor ons vele woningen in het huis zijns Vaders”.
Ad tertium dicendum, quod, sicut dicitur in quodam Serm. Ephes. Conc. (Act. Conc. part. 3. cap. 9.), « si maximam Romam elegisset civitatem propter potentiam civium, mutationem orbis terrarum putarent; si filius fuisset imperatoris, potestati utilitatem adscriberent; sed ut divinitas cognosceretur, orbem transformasse terrarum, pauperculam elegit matrem et pauperiorem patriam ». Elegit autem Deus infirma mundi, ut confundat fortia, sicut dicitur 1. ad Corinth. 1. [v. 27], et ideo ut suam potestatem magis ostenderet, in ipsa Roma, quae caput mundi erat, etiam caput Ecclesiae suae statuit in signum perfectae victoriae, ut exinde fides derivaretur ad universum mundum, secundum illud Isa. 26. [v. 5-6] : « 231Civitatem sublimem humiliabit, et conculcabit eam pes pauperis », scilicet Christi, « gressus egenorum », idest Apostolorum Petri et Pauli.
3. Op deze bedenking kunnen we antwoorden met wat in een toespraak op de Kerkvergadering van Ephese gezegd werd: « Indien Hij Rome, de grootste stad, had uitgekozen, zou men hebben gemeend, dat de macht harer burgers de wereld heeft omgevormd. Was Hij de zoon van den keizer geweest, dan zou men eenig gewicht aan de macht hebben toegekend. Maar, opdat men zou erkennen, dat zijn Godheid het aanschijn der wereld deed veranderen, koos Hij zich een arme moeder en een nog armer vaderland ». « Het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, om het sterke te beschamen », gelijk in den Eersten Brief aan de Korinthiërs (1, 27) geschreven staat. En om zijn macht nog meer te doen blijken, plaatste Hij juist daarom het opperhoofd zijner Kerk in Rome zelf, dat de hoofdstad der wereld was, ten teeken zijner volledige overwinning, opdat vandaar het geloof over de geheele aarde zou uitgaan, overeenkomstig de voorspelling van Isaïas (26, 5-6) : « Vernederen zal Hij de verheven stad, vertrappen zal 231haar de voet van den arme », d. i. van Christus, « de tred der behoeftigen », d. i. van de Apostelen Petrus en Paulus.3. Op deze bedenking kunnen we antwoorden met wat in een toespraak op de Kerkvergadering van Efeze gezegd werd: “Indien Hij Rome, de grootste stad, had uitgekozen, zou men hebben gemeend, dat de macht van haar burgers de wereld heeft omgevormd. Was Hij de zoon van de keizer geweest, dan zou men enig gewicht aan de macht hebben toegekend. Maar, opdat men zou erkennen, dat zijn Godheid het aanschijn van de wereld deed veranderen, koos Hij zich een arme moeder en een nog armer vaderland”. “Het zwakke van de wereld heeft God uitverkoren, om het sterke te beschamen”, gelijk in de Eerste Brief aan de Korintiërs (1, 27) geschreven staat. En om zijn macht nog meer te doen blijken, plaatste Hij juist daarom het opperhoofd van zijn Kerk in Rome zelf, dat de hoofdstad van de wereld was, ten teken van zijn volledige overwinning, opdat vandaar het geloof over de gehele aarde zou uitgaan, overeenkomstig de voorspelling van Jesaja (26, 5-6): “Vernederen zal Hij de verheven stad, vertrappen zal 231haar de voet van de arme”, d.i. van Christus, “de tred van de behoeftigen”, d.i. van de Apostelen Petrus en Paulus.
Utrum Christus fuerit tempore congruo natus
Werd Christus op den gepasten tijd geboren?Werd Christus op de gepaste tijd geboren?
Ad octavum sic proceditur. Videtur, quod Christus non fuerit congruo tempore natus: ad hoc enim Christus venerat, ut suos in libertatem revocaret. Natus est autem tempore servitutis, quo scilicet totus orbis praecepto Augusti describitur, quasi tributarius factus, ut habetur Luc. 2. [v. 1 sqq.]. Ergo videtur, quod non congruo tempore Christus fuerit natus.
Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet op den gepasten tijd geboren werd. — 1. Christus was juist gekomen, om ons tot de vrijheid terug te roepen. Hij werd echter geboren in een tijd van onderworpenheid, waarin nl. op bevel van Augustus over geheel de wereld een volkstelling moest gehouden worden, alsof geheel de wereld hem schatplichtig was, zooals geschreven staat in Lucas (2, 1 v. v.). Derhalve, zoo beweert men, is Christus niet op den gepasten tijd geboren.Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet op de gepaste tijd geboren werd. — 1. Christus was juist gekomen, om ons tot de vrijheid terug te roepen. Hij werd echter geboren in een tijd van onderworpenheid, waarin nl. op bevel van Augustus over geheel de wereld een volkstelling moest gehouden worden, alsof geheel de wereld hem schatplichtig was, zoals geschreven staat in Lukas (2, 1 v. v.). Derhalve, zo beweert men, is Christus niet op de gepaste tijd geboren.
2. Praeterea, promissiones de Christo nascituro Gentibus non fuerant factae, secundum illud Rom. 9. [v. 4] : « Quorum sunt promissa ». Sed Christus natus est tempore, quo rex alienigena dominabatur, sicut patet 232Matth. 2. [v. 1] : « Cum natus esset Jesus in diebus Herodis regis ». Ergo videtur, quod non fuerit congruo tempore natus.
2. Blijkens den Brief aan de Romeinen (9, 4) : « Aan hen behooren de beloften », waren de beloften over den toekomstigen Christus niet gedaan aan de heidenen. Welnu, Christus is geboren in een tijd, waarin een vreemdeling als koning regeerde, zooals blijkt uit Mattheus (2, 1) : « Toen Jesus nu geboren was in de 232dagen van koning Herodes ». Derhalve, zoo beweert men, is Christus niet op den Hem passenden tijd geboren.2. Blijkens de Brief aan de Romeinen (9, 4): “Aan hen behoren de beloften”, waren de beloften over de toekomstige Christus niet gedaan aan de heidenen. Welnu, Christus is geboren in een tijd, waarin een vreemdeling als koning regeerde, zoals blijkt uit Matteüs (2, 1): “Toen Jesus nu geboren was in de 232dagen van koning Herodes”. Derhalve, zo beweert men, is Christus niet op de Hem passenden tijd geboren.
3. Praeterea, tempus praesentiae Christi in mundo diei comparatur, propter id quod ipse est lux mundi; unde ipse dicit Joan. 9. [v. 4] : « Me oportet operari opera ejus, qui misit me, donec dies est ». Sed in aestate sunt dies longiores, quam in hyeme. Ergo cum natus fuerit in profundo hyemis, idest 8. Kalendas Jan., videtur, quod non fuerit convenienti tempore natus.
3. De tijd van Christus' aanwezigheid op aarde wordt bij een dag vergeleken, juist omdat Hij zelf het licht der wereld is (Joannes, 8, 12; 9, 5) ; daarom ook zegt Hij zelf (Joannes, 9, 4) : «Zoolang het dag is, moet Ik de werken verrichten van Hem, die Mij gezonden heeft ». Maar 's zomers zijn de dagen langer dan 's winters. Bijgevolg, daar Hij in het hart van den winter geboren werd, acht dagen vóór den eersten Januari, is Hij, naar men beweert, niet op den juisten tijd geboren.3. De tijd van Christus' aanwezigheid op aarde wordt bij een dag vergeleken, juist omdat Hij zelf het licht van de wereld is (Johannes, 8, 12; 9, 5); daarom ook zegt Hij zelf (Johannes, 9, 4): “Zolang het dag is, moet Ik de werken verrichten van Hem, die Mij gezonden heeft”. Maar 's zomers zijn de dagen langer dan 's winters. Bijgevolg, daar Hij in het hart van de winter geboren werd, acht dagen vóór de eerste Januari, is Hij, naar men beweert, niet op de juiste tijd geboren.
Sed contra est, quod dicitur Galat. 4. [v. 4] : « Cum venit plenitudo temporis, misit Deus Filium suum, factum ex muliere, factum sub lege ».
Daartegenover staat echter hetgeen we lezen in den Brief aan de Galaten (4, 4) : « Toen de volheid van den tijd gekomen was, heeft God zijn eigen Zoon gezonden, die uit een vrouw werd geboren en geboren onder de Wet ».Daartegenover staat echter hetgeen we lezen in de Brief aan de Galaten (4, 4): “Toen de volheid van de tijd gekomen was, heeft God zijn eigen Zoon gezonden, die uit een vrouw werd geboren en geboren onder de Wet”.
Respondeo dicendum, quod haec est differentia inter Christum et alios homines, quod alii homines nascuntur subjecti necessitati temporis; Christus autem, tamquam dominus et conditor omnium temporum, elegit sibi tempus, in quo nasceretur, sicut et matrem et locum. Et quia quae a 233Deo sunt, ordinata sunt [Rom. 13.], et convenienter disposita, consequens est, quod convenientissimo tempore Christus nasceretur.
Leerstelling. — Dit is het verschil tusschen Christus en de andere menschen, dat de andere menschen geboren worden in een noodzakelijke afhankelijkheid van hun tijd. Christus echter, de Heer en Grondvester aller tijden, koos zichzelf den tijd, waarop Hij zou geboren worden, zooals Hij zich ook een moeder en een geboorteplaats koos. En omdat al datgene, wat van God 233komt, geordend, en op behoorlijke wijze geregeld is, werd Christus bijgevolg op den meest-passenden tijd geboren.Leerstelling. — Dit is het verschil tussen Christus en de andere mensen, dat de andere mensen geboren worden in een noodzakelijke afhankelijkheid van hun tijd. Christus echter, de Heer en Grondvester aller tijden, koos zichzelf de tijd, waarop Hij zou geboren worden, zoals Hij zich ook een moeder en een geboorteplaats koos. En omdat al datgene, wat van God 233komt, geordend, en op behoorlijke wijze geregeld is, werd Christus bijgevolg op de meest-passenden tijd geboren.
Ad primum ergo dicendum, quod Christus venerat nos in statum libertatis reducere de statu servitutis; et ideo, sicut mortalitatem nostram suscepit, ut nos ad vitam reduceret, ita, ut Beda dicit [Exp. in Luc., L. 1, ad cap. 2, v. 4-5], « eo tempore dignatus est incarnari, quo mox natus censui Caesaris adscriberetur, atque ob nostri liberationem ipse servitio subderetur ». Tempore etiam illo, quo totus orbis sub uno principe vivebat, maxima pax fuit in mundo, et ideo decebat, ut illo tempore Christus nasceretur, « qui est pax nostra, faciens utraque unum », ut dicitur Ephes. 2. [v. 14]. Unde Hieronymus dicit super Isa. [Comm. L. I, ad c. 2, v. 4] : « Veteres revolvamus historias, inveniemus usque ad vigesimum octavum annum Caesaris Augusti in toto orbe terrarum fuisse discordiam; 234orto autem Domino, omnia bella cessaverunt », secundum illud Isa. 2. [v. 4] : « Non levabit gens contra gentem gladium ». Congruebat etiam, ut in illo tempore, quo unus princeps dominabatur in mundo, Christus nasceretur, qui venerat congregare suos in unum, ut esset unum ovile, et unus pastor, ut dicitur Joan. 10. [v. 16].
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Christus was gekomen, om ons van den staat van slavernij terug te voeren tot den staat der vrijheid. En juist daarom, zooals Hij onze sterfelijkheid op zich had genomen, om ons tot het leven terug te brengen, zoo ook, gelijk Beda zegt, gewaardigde Hij zich mensch te worden in dien tijd, waarop Hij, zoodra Hij geboren was, door de volkstelling van den Caesar zou worden opgeschreven, en waarop Hij zich omwille onzer bevrijding aan de dienstbaarheid zou onderwerpen. Juist vooral in den tijd, toen de geheele wereld onder één vorst leefde, heerschte er vooral vrede op aarde. Daarom paste het, dat Christus in dien tijd geboren werd, Hij, die onze vrede is, die beide groepen één heeft gemaakt, zooals in den Brief aan de Ephesiërs (2, 14) geschreven staat. Daarom ook zegt Hieronymus in zijn Uitleg op Isaïas (2, 4) : « Slaan we de oude geschiedenis na, dan zullen we vinden, dat er tot in het acht en twintigste jaar van Caesar Augustus over de geheele wereld tweedracht heerschte, zoodra echter de Heer geboren was, eindigden alle oorlogen », 234overeenkomstig het woord van Isaïas (2, 4) : « Het eene volk zal het zwaard niet opheffen tegen het andere volk ». Tevens paste het, dat in den tijd, waarin één vorst over de wereld regeerde, de Christus geboren werd, Hij, die gekomen was, om de zijnen tot een eenheid samen te brengen (Joannes, 9, 52), opdat het één schaapstal zou zijn en één herder, zooals geschreven staat in Joannes (10, 16).Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Christus was gekomen, om ons van de staat van slavernij terug te voeren tot de staat van de vrijheid. En juist daarom, zoals Hij onze sterfelijkheid op zich had genomen, om ons tot het leven terug te brengen, zo ook, gelijk Beda zegt, gewaardigde Hij zich mens te worden in die tijd, waarop Hij, zodra Hij geboren was, door de volkstelling van de Caesar zou worden opgeschreven, en waarop Hij zich omwille van onze bevrijding aan de dienstbaarheid zou onderwerpen. Juist vooral in de tijd, toen de gehele wereld onder één vorst leefde, heerste er vooral vrede op aarde. Daarom paste het, dat Christus in die tijd geboren werd, Hij, die onze vrede is, die beide groepen één heeft gemaakt, zoals in de Brief aan de Efesiërs (2, 14) geschreven staat. Daarom ook zegt Hieronymus in zijn Uitleg op Jesaja (2, 4): “Slaan we de oude geschiedenis na, dan zullen we vinden, dat er tot in het acht en twintigste jaar van Caesar Augustus over de gehele wereld tweedracht heerste, zodra echter de Heer geboren was, eindigden alle oorlogen”, 234overeenkomstig het woord van Jesaja (2, 4): “Het ene volk zal het zwaard niet opheffen tegen het andere volk”. Tevens paste het, dat in de tijd, waarin één vorst over de wereld regeerde, de Christus geboren werd, Hij, die gekomen was, om de zijnen tot een eenheid samen te brengen (Johannes, 9, 52), opdat het één schaapstal zou zijn en één herder, zoals geschreven staat in Johannes (10, 16).
Ad secundum dicendum, quod ideo Christus regis alienigenae tempore nasci voluit, ut impleretur prophetia Jacob dicentis Genes. penult. [v. 10] : « Non auferetur sceptrum de Juda, et dux de femore ejus, donec veniat, qui mittendus est », quia, ut Chrysostomus dicit super Matth. [hom. 2, in op. imperf., inter opp. Chrys.], « quamdiu Judaica gens sub Judaicis regibus, quamvis peccatoribus, tenebatur, Prophetae mittebantur ad remedium ejus; nunc autem quando lex Dei sub potestate regis iniqui tenebatur, nascitur Christus, quia magna et desperabilis infirmitas medicum artificiosiorem quaerebat ».
2. Christus wilde geboren worden onder het koningschap van een buitenlandsch vorst, opdat de voorspelling van Jacob vervuld zou worden, die zeide (Boek der Schepping, 49, 10) : « De schepter zal niet worden ontnomen aan Juda, noch de vorst uit zijne lendenen, totdat Hij komt, die gezonden zal worden. » Daarom ook schrijft Chrysostomus in zijn Uitleg op Mattheus : « Zoolang het Joodsche volk onder Joodsche koningen stond, ook al waren zij zondaars, werden er te zijner genezing profeten gezonden. Nu echter, nu de Wet Gods onder de macht van een onrechtvaardigen koning stond, wordt de Christus geboren, omdat de zware en haast wanhopige ziekte een kundiger geneesheer noodig had ».2. Christus wilde geboren worden onder het koningschap van een buitenlands vorst, opdat de voorspelling van Jacob vervuld zou worden, die zeide (Boek van de Schepping, 49, 10): “De schepter zal niet worden ontnomen aan Juda, noch de vorst uit zijn lendenen, totdat Hij komt, die gezonden zal worden.” Daarom ook schrijft Chrysostomus in zijn Uitleg op Matteüs: “Zolang het Joodse volk onder Joodse koningen stond, ook al waren zij zondaars, werden er te zijn genezing profeten gezonden. Nu echter, nu de Wet Gods onder de macht van een onrechtvaardigen koning stond, wordt de Christus geboren, omdat de zware en haast wanhopige ziekte een kundiger geneesheer nodig had”.
Ad tertium dicendum, quod, sicut dicitur in lib. de QQ. vet. et novi Testam. [q. 53., inter opp. Aug.], « tunc Christus nasci voluit, quando 235lux diei crementum incipit accipere », ut ostenderetur, quod ipse venerat, ut homines crescerent in lucem divinam, secundum illud Luc. 1. [v. 79] : « Illuminare his, qui in tenebris, et in umbra mortis sedent ». Similiter etiam asperitatem hyemis elegit ad nativitatem, ut ex tunc carnis afflictionem pateretur pro nobis.
3. Zooals we lezen in het boek Vraagstukken van het Oude en Nieuwe Verbond (53e Vr.) wilde Christus geboren worden, juist toen de dagen begonnen te lengen, om aan te toonen, dat Hij 235gekomen was, om de menschen te doen groeien in het Goddelijk licht, volgens het woord van Lucas (1, 79) : « Om hen te verlichten, die in duisternis en in de schaduw des doods gezeten zijn ». Eveneens koos Hij voor zijn geboorte de gestrengheid van den winter, om van dan af voor ons verdrukking te lijden.3. Zoals we lezen in het boek Vraagstukken van het Oude en Nieuwe Verbond (53e Vr.) wilde Christus geboren worden, juist toen de dagen begonnen te lengen, om aan te tonen, dat Hij 235gekomen was, om de mensen te doen groeien in het Goddelijk licht, volgens het woord van Lukas (1, 79): “Om hen te verlichten, die in duisternis en in de schaduw van de dood gezeten zijn”. Eveneens koos Hij voor zijn geboorte de gestrengheid van de winter, om van dan af voor ons verdrukking te lijden.