De baptizatione Christi
Over den doop van ChristusOver de doop van Christus
322Deinde considerandum est de baptizatione Christi. Et circa hoc quaeruntur octo: 1. Utrum Christus debuerit baptizari. — 2. Utrum debuerit baptizari baptismo Joannis. — 3. De tempore baptismi. — 4. De loco. — 5. De hoc quod ei sunt coeli aperti. — 6. De Spiritu Sancto apparente in specie columbae. — 7. Utrum illa columba fuerit verum animal. — 8. De voce paterni testimonii.
322Hierna handelen we over den doop van Christus, en we stellen ons daaromtrent acht vragen. 1. Had Christus gedoopt moeten worden? 2. Had Hij met het doopsel van Joannes moeten gedoopt worden? 3. Over den tijd waarop Hij gedoopt werd. 4. Waar Hij gedoopt werd. 5. Over het feit dat zich de hemelen voor Hem openden. 6. Over den Heiligen Geest, die in de gedaante van een duif nederdaalde. 7. Was die duif een werkelijk dier? 8. Over de stem, waarin het getuigenis van den Vader klonk.322Hierna handelen we over de doop van Christus, en we stellen ons daaromtrent acht vragen. 1. Had Christus gedoopt moeten worden? 2. Had Hij met het doopsel van Johannes moeten gedoopt worden? 3. Over de tijd waarop Hij gedoopt werd. 4. Waar Hij gedoopt werd. 5. Over het feit dat zich de hemelen voor Hem openden. 6. Over de Heilige Geest, die in de gedaante van een duif nederdaalde. 7. Was die duif een werkelijk dier? 8. Over de stem, waarin het getuigenis van de Vader klonk.
Utrum fuerit conveniens Christum baptizari
Behoorde Christus wel gedoopt te worden?
323Ad primum sic proceditur. Videtur, quod non fuerit conveniens Christum baptizari. Baptizari enim est ablui. Sed Christo non convenit ablui, in quo nulla fuit impuritas. Ergo videtur, quod Christum non decuerit baptizari.
323Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet passend geweest is, dat Christus gedoopt is geworden. — 1. Gedoopt worden, beteekent immers afgewasschen worden. Maar Christus behoort niet afgewasschen te worden, daar in Hem geen onreinheid is. Dus schijnt het wel, dat Christus niet had behooren gedoopt te worden.323Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet passend geweest is, dat Christus gedoopt is geworden. — 1. Gedoopt worden, betekent immers afgewassen worden. Maar Christus behoort niet afgewassen te worden, daar in Hem geen onreinheid is. Dus schijnt het wel, dat Christus niet had behoren gedoopt te worden.
2. Praeterea, Christus circumcisionem suscepit, ut impleret legem. Sed baptismus non pertinebat ad legem. Ergo non debebat baptizari.
2. Christus ontving de besnijdenis ten einde de wet na te komen. Maar het doopsel behoorde niet tot de wet. Dus moest Hij niet gedoopt worden.
3. Praeterea, primum movens in quolibet genere est immobile secundum illum motum, sicut coelum, quod est primum alterans, non est alterabile. Sed Christus est primum baptizans, secundum illud Joan. 1. [v. 33] : « Super quem videris Spiritum descendentem, et manentem, hic est qui baptizat ». Ergo ipsum non decuit baptizari.
3. In iedere orde van dingen, is, wat in die orde de eerste beweger is, zelf onbewogen wat die beweging betreft: zooals de hemel, die het eerst zekere veranderingen teweegbrengt, zelf niet als zoodanig veranderd kan worden. Maar nu is Christus de eerste onder de doopenden, volgens Joannes (1, 33) : « Op wien ge den Geest ziet nederdalen en rusten, Hij is het die doopt ». Dus behoorde Christus niet gedoopt te worden.3. In iedere orde van dingen, is, wat in die orde de eerste beweger is, zelf onbewogen wat die beweging betreft: zoals de hemel, die het eerst zekere veranderingen teweegbrengt, zelf niet als zodanig veranderd kan worden. Maar nu is Christus de eerste onder de dopenden, volgens Johannes (1, 33): “Op wie ge de Geest ziet nederdalen en rusten, Hij is het die doopt”. Dus behoorde Christus niet gedoopt te worden.
324Sed contra est, quod dicitur Matth. 3. [v. 13], quod venit Jesus a Galilaea in Jordanem ad Joannem, ut baptizaretur ab eo.
324Daartegenover staat echter wat Mattheus zegt (3, 13) : « Toen kwam ook Jesus van Galilea naar den Jordaan tot Joannes, om zich door hem te laten doopen ».324Daartegenover staat echter wat Matteüs zegt (3, 13): “Toen kwam ook Jesus van Galilea naar de Jordaan tot Johannes, om zich door hem te laten dopen”.
Respondeo dicendum, quod conveniens fuit Christum baptizari, primo quidem, quia, ut Ambrosius dicit super Luc. [sup. illud. cap. 3., v. 21 : Factum est autem, etc.], « baptizatus est Dominus, non mundari volens, sed mundare aquas, ut ablutae per carnem Christi, quae peccatum non cognovit, baptismatis vim haberent, et ut sanctificatas aquas relinqueret postmodum baptizandis », sicut Chrysostomus dicit super Matth. [homil. 4. in op. imperf., inter opp. Chrys.].
Leerstelling. — Het was passend dat Christus gedoopt werd. En wel ten eerste, omdat, zooals Ambrosius zegt (Verklaring van Lucas, 3, 21, 2e B., Nr 83) : « Christus is gedoopt, niet omdat Hij gezuiverd wilde worden, maar om de wateren te zuiveren, opdat deze, gereinigd door het lichaam van Christus, dat geen zonde heeft gekend, de kracht zouden bezitten om te kunnen doopen », en « om ze daarna geheiligd aan de doopelingen over te laten », zooals Chrysostomus zegt (in zijn onvoltooid gebleven Verklaring van Mattheus, 4e Homelie.)Leerstelling. — Het was passend dat Christus gedoopt werd. En wel ten eerste, omdat, zoals Ambrosius zegt (Verklaring van Lukas, 3, 21, 2e B., Nr 83): “Christus is gedoopt, niet omdat Hij gezuiverd wilde worden, maar om de wateren te zuiveren, opdat deze, gereinigd door het lichaam van Christus, dat geen zonde heeft gekend, de kracht zouden bezitten om te kunnen dopen”, en “om ze daarna geheiligd aan de dopelingen over te laten”, zoals Chrysostomus zegt (in zijn onvoltooid gebleven Verklaring van Matteüs, 4e Homelie.)
Secundo, quia, sicut Chrysostomus dicit super Matth. [ibid.], « quamvis ipse non esset peccator, tamen naturam suscepit peccatricem, et similitudinem carnis peccati; propterea etsi pro se baptismate non indigebat, tamen in aliis carnalis natura opus habebat », et, sicut Gregorius Nazianzenus dicit [in orat. 39, Sancta Lumina, N. 15], « baptizatus est Christus, ut totum veteranum Adam immergat aquae ».
Ten tweede : Chrysostomus zegt (t. a. p.) : « Ofschoon Christus geen zondaar was, nam Hij toch de zondige natuur aan en « de gedaante van het zondige vleesch ». En daarom: ofschoon Hij voor zich zelf het doopsel niet behoefde, had toch de vleeschelijke natuur in anderen er behoefte aan ». En Gregorius van Nazianze zegt (39e Redevoering) : « Christus werd gedoopt, om den geheelen ouden Adam in het water onder te dompelen ».Ten tweede: Chrysostomus zegt (t. a. p.): “Ofschoon Christus geen zondaar was, nam Hij toch de zondige natuur aan en ‘de gedaante van het zondige vlees’. En daarom: ofschoon Hij voor zichzelf het doopsel niet behoefde, had toch de vleselijke natuur in anderen er behoefte aan”. En Gregorius van Nazianze zegt (39e Redevoering): “Christus werd gedoopt, om de gehele oude Adam in het water onder te dompelen”.
Tertio baptizari voluit, sicut Augustinus dicit in sermone de 325Epiphania [29. de Temp.], « quia voluit facere quod faciendum omnibus imperavit » ; et hoc est quod ipse dicit: « Sic decet nos implere omnem justitiam » [Matth. 3, v. 15] ; ut enim Ambrosius dixit super Luc. [loc. sup. cit.], « haec est justitia, ut quod alterum facere velis, prior ipse incipias, et tuo alios horteris exemplo ».
En ten derde wilde Hij gedoopt worden, omdat, zooals Augustinus zegt in een Preek op Driekoningen : « Hij zelf wilde doen, 325wat Hij aan allen te volbrengen heeft opgelegd ». En dit slaat op wat Hij zelf zegt: « Zoo betaamt het ons, alle gerechtigheid te vervullen ». (Matth., 3, 15) Want zooals Ambrosius zegt (in zijn Verklaring van Lucas, 3, 21 : 2e B., Nr 90) : « De gerechtigheid bestaat hierin, dat ge met datgene, wat ge wilt dat een ander doet, eerst zelf begint en door uw eigen voorbeeld anderen aanspoort ».En ten derde wilde Hij gedoopt worden, omdat, zoals Augustinus zegt in een Preek op Driekoningen: “Hij zelf wilde doen, 325wat Hij aan allen te volbrengen heeft opgelegd”. En dit slaat op wat Hij zelf zegt: “Zo betaamt het ons, alle gerechtigheid te vervullen”. (Matt., 3, 15) Want zoals Ambrosius zegt (in zijn Verklaring van Lukas, 3, 21: 2e B., Nr 90): “De gerechtigheid bestaat hierin, dat ge met datgene, wat ge wilt dat een ander doet, eerst zelf begint en door uw eigen voorbeeld anderen aanspoort”.
Ad primum ergo dicendum, quod Christus non fuit baptizatus, ut ablueretur, sed ut ablueret, sicut dictum est [in corp.].
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Christus werd niet gedoopt om afgewasschen te worden, maar om af te wasschen zooals gezegd is (in de Leerstelling).Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Christus werd niet gedoopt om afgewassen te worden, maar om af te wassen zoals gezegd is (in de Leerstelling).
Ad secundum dicendum, quod Christus non solum debebat implere ea quae erant veteris legis, sed etiam inchoare ea quae sunt novae legis, et ideo non solum voluit circumcidi, sed etiam baptizari.
2. Christus moest niet alleen de voorschriften der oude wet nakomen, maar ook voorgaan met het vervullen der voorschriften der nieuwe wet. En daarom wilde Hij niet alleen besneden, maar ook gedoopt worden.2. Christus moest niet alleen de voorschriften van de oude wet nakomen, maar ook voorgaan met het vervullen van de voorschriften van de nieuwe wet. En daarom wilde Hij niet alleen besneden, maar ook gedoopt worden.
Ad tertium dicendum, quod Christus est primum baptizans spiritualiter, et sic non est baptizatus, sed solum in aqua.
3. Christus is de eerste die geestelijk doopt. En zóó werd Hij niet gedoopt, maar alleen met water.3. Christus is de eerste die geestelijk doopt. En zó werd Hij niet gedoopt, maar alleen met water.
Utrum Christus baptismo Joannis debuerit baptizari
Betaamde het wel, dat Christus met het doopsel van Joannes gedoopt werd ?Betaamde het wel, dat Christus met het doopsel van Johannes gedoopt werd?
326Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod Christus non debuerit baptizari baptismo Joannis. Baptismus enim Joannis fuit baptismus poenitentiae. Sed poenitentia Christo non convenit, quia nullum habuit peccatum. Ergo videtur, quod non debuerit baptizari baptismo Joannis.
326Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet betaamde, dat Christus met het doopsel van Joannes gedoopt werd. — 1. Het doopsel immers van Joannes, was een doopsel van boetvaardigheid (Marc, 1, 4; Lucas, 3, 4). Maar het komt Christus niet toe, boetvaardigheid te verrichten, daar Hij geen zonde had. Dus schijnt het wel, dat Hij niet moest gedoopt worden met het doopsel van Joannes.326Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet betaamde, dat Christus met het doopsel van Johannes gedoopt werd. — 1. Het doopsel immers van Johannes, was een doopsel van boetvaardigheid (Marc, 1, 4; Lukas, 3, 4). Maar het komt Christus niet toe, boetvaardigheid te verrichten, daar Hij geen zonde had. Dus schijnt het wel, dat Hij niet moest gedoopt worden met het doopsel van Johannes.
2. Praeterea, baptismus Joannis, sicut dicit Chrysostomus [hom. 12. in Matth.], medium fuit inter baptismum Judaeorum et Christi baptismum. Sed medium sapit naturam extremorum. Cum ergo Christus non fuerit baptizatus baptismate legali, nec etiam baptismate suo, videtur quod pari ratione baptismate Joannis baptizari non debuerit.
2. Het doopsel van Joannes hield, zooals Chrysostomus zegt (Homelie Over het doopsel van Christus, Nr 3) : het midden tusschen het doopsel der Joden en het doopsel van Christus. Maar wat in het midden staat, heeft de natuur der uitersten (Aristoteles Over de deelen der dieren, 3e B., 1e H.) Omdat derhalve Christus niet gedoopt is geworden met een Joodsch doopsel, en ook niet met zijn eigen doopsel, heeft het er den schijn van dat Hij om die reden evenmin met het doopsel van Joannes had moeten gedoopt worden.2. Het doopsel van Johannes hield, zoals Chrysostomus zegt (Homelie Over het doopsel van Christus, Nr 3): het midden tussen het doopsel van de Joden en het doopsel van Christus. Maar wat in het midden staat, heeft de natuur van de uitersten (Aristoteles Over de delen van de dieren, 3e B., 1e H.) Omdat derhalve Christus niet gedoopt is geworden met een Joods doopsel, en ook niet met zijn eigen doopsel, heeft het er de schijn van dat Hij om die reden evenmin met het doopsel van Johannes had moeten gedoopt worden.
3. Praeterea, omne quod in rebus humanis est optimum, debet attribui 327Christo. Sed baptismus Joannis non tenet supremum locum inter baptismata. Ergo non convenit Christum baptizari baptismo Joannis.
3. Alles wat in de dingen der menschen het schoonste is moet aan Christus toegeschreven worden. Nu bekleedt het doopsel van 327Joannes niet de hoogste plaats onder de doopsels. Dus past het niet, dat Christus gedoopt wordt met het doopsel van Joannes.3. Alles wat in de dingen van de mensen het schoonste is moet aan Christus toegeschreven worden. Nu bekleedt het doopsel van 327Johannes niet de hoogste plaats onder de doopsels. Dus past het niet, dat Christus gedoopt wordt met het doopsel van Johannes.
Sed contra est, quod dicitur Matth. 3. [v. 13] quod « Venit Jesus in Jordanem, ut baptizaretur a Joanne ».
Daartegenover staat echter wat Mattheus zegt (3, 13) : « Toen kwam Jesus naar den Jordaan, om zich door Joannes te laten doopen ».Daartegenover staat echter wat Matteüs zegt (3, 13): “Toen kwam Jesus naar de Jordaan, om zich door Johannes te laten dopen”.
Respondeo dicendum, quod, sicut dicit Augustinus sup. Joan. [tract. 13.], « baptizatus Dominus baptizabat, non eo baptismate, quo baptizatus est ». Unde cum ipse baptizaret baptismo proprio, consequens est, quod non fuerit baptizatus suo baptismate, sed baptismate Joannis. Et hoc fuit conveniens, primo quidem propter conditionem baptismi Joannis, qui non baptizavit in Spiritu, sed solum in aqua; Christus autem spirituali baptismate non indigebat, qui a principio suae conceptionis gratia Spiritus Sancti repletus fuit, ut patet ex dictis [q. 34. art. 1.]. Et haec est ratio Chrysostomi [hom. 4. in op. imperf.].
Leerstelling. — Augustinus zegt in zijn 13e Verhandeling op Joannes: « De Heer doopte na zijn eigen doop niet met het doopsel waarmee Hij zelf gedoopt was ». Daar Hij dus zelf met zijn eigen doopsel doopte, volgt dat Hij niet met zijn eigen doopsel gedoopt is, maar met het doopsel van Joannes. En dat was passend en wel ten eerste, om den aard van het doopsel van Joannes, die niet met den Geest doopte, maar alleen met water (Matth., 3, 11). Christus echter behoefde geen geestelijk doopsel, daar Hij van het begin van zijn ontvangenis af vervuld was geweest met de genade van den Heiligen Geest, zooals uit het vroeger gezegde blijkt (34e Kw., 1e Art.). En dit is het argument van Chrysostomus.Leerstelling. — Augustinus zegt in zijn 13e Verhandeling op Johannes: “De Heer doopte na zijn eigen doop niet met het doopsel waarmee Hij zelf gedoopt was”. Daar Hij dus zelf met zijn eigen doopsel doopte, volgt dat Hij niet met zijn eigen doopsel gedoopt is, maar met het doopsel van Johannes. En dat was passend en wel ten eerste, om de aard van het doopsel van Johannes, die niet met de Geest doopte, maar alleen met water (Matt., 3, 11). Christus echter behoefde geen geestelijk doopsel, daar Hij van het begin van zijn ontvangenis af vervuld was geweest met de genade van de Heilige Geest, zoals uit het vroeger gezegde blijkt (34e Kw., 1e Art.). En dit is het argument van Chrysostomus.
Secundo, ut Beda dicit [cap. 4. in Mar.], « baptizatus est baptismo Joannis, ut baptismo suo baptismum Joannis 328comprobaret ».
Ten tweede werd Hij gedoopt met het doopsel van Joannes, zooals Beda zegt (Verklaring van Marcus, 1, 9) : « om door zijn eigen doop het doopsel van Joannes te bekrachtigen ».Ten tweede werd Hij gedoopt met het doopsel van Johannes, zoals Beda zegt (Verklaring van Marcus, 1, 9): “om door zijn eigen doop het doopsel van Johannes te bekrachtigen”.
Tertio, sicut Gregorius Nazianzenus dicit [Or. 39 in Sancta Lumina, N. 15], « accedit Christus ad baptismum Joannis, sanctificaturus baptismum ».
328En ten derde « naderde Jesus tot het doopsel van Joannes », zooals Gregorius van Nazianze zegt (39e Redevoering) « om het doopsel te heiligen ».328En ten derde “naderde Jesus tot het doopsel van Johannes”, zoals Gregorius van Nazianze zegt (39e Redevoering) “om het doopsel te heiligen”.
Ad primum ergo dicendum, quod, sicut supra dictum est [art. praec.], Christus baptizari voluit, ut nos exemplo suo induceret ad baptismum. Et ideo ad hoc quod esset efficacior ejus inductio, voluit baptizari baptismo, quo manifeste non indigebat, ut homines ad baptismum accederent, quo indigebant. Unde Ambrosius dicit super Luc. [sup. illud cap. 3, v. 21 : Factum est autem] : « nemo refugiat lavacrum gratiae, quando Christus lavacrum poenitentiae non refugit ».
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zooals in het 1e Art. gezegd is, wilde Christus gedoopt worden, om ons door zijn voorbeeld tot het doopsel te brengen. En om nu zijn aansporing nog meer kracht bij te zetten, wilde Hij gedoopt worden met een doopsel, waar Hij klaarblijkelijk geen behoefte aan had, opdat de menschen tot een doopsel zouden naderen waar ze wèl behoefte aan hadden. Vandaar zegt Ambrosius (Verklaring van Lucas, 3, 21) : « Niemand ontvluchte het bad der genade, nu Christus het bad van boetvaardigheid niet ontvlucht is ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoals in het 1e Art. gezegd is, wilde Christus gedoopt worden, om ons door zijn voorbeeld tot het doopsel te brengen. En om nu zijn aansporing nog meer kracht bij te zetten, wilde Hij gedoopt worden met een doopsel, waar Hij klaarblijkelijk geen behoefte aan had, opdat de mensen tot een doopsel zouden naderen waar ze wèl behoefte aan hadden. Vandaar zegt Ambrosius (Verklaring van Lukas, 3, 21): “Niemand ontvluchte het bad van de genade, nu Christus het bad van boetvaardigheid niet ontvlucht is”.
Ad secundum dicendum, quod baptismus Judaeorum in lege praeceptus erat solum figuralis; baptismus autem Joannis aliqualiter erat realis, inquantum inducebat homines ad abstinendum a peccatis; baptismus autem Christi habet efficaciam mundandi a peccato, et gratiam conferendi. Christus autem neque indigebat percipere remissionem peccatorum, quae in eo non erant, neque recipere gratiam, qua plenus erat; similiter etiam cum ipse sit veritas, non competebat ei id, quod in sola figura gerebatur. Et ideo 329magis congruum fuit, quod baptizaretur baptismo medio, quam aliquo extremorum.
2. Het doopsel der Joden, in de wet voorgeschreven, was alleen figuurlijk; het doopsel van Joannes was in zekeren zin werkelijk, in zooverre het de menschen er toe wilde brengen zich van zonden te onthouden; het doopsel van Christus echter bezit de kracht van zonde te zuiveren en genade mede te deelen. Christus nu behoefde geen vergiffenis van zonden te ontvangen, daar die in Hem niet waren; en evenmin genade te ontvangen, daar Hij daarvan vervuld was. En evenzoo kwam Hem, die zelf de waarheid is (Joan., 14, 3296), ook niet toe wat slechts figuurlijken zin had. En dus was het beter, dat Hij gedoopt werd met het middelste doopsel, dan met een der uitersten.2. Het doopsel van de Joden, in de wet voorgeschreven, was alleen figuurlijk; het doopsel van Johannes was in zekeren zin werkelijk, in zoverre het de mensen er toe wilde brengen zich van zonden te onthouden; het doopsel van Christus echter bezit de kracht van zonde te zuiveren en genade mede te delen. Christus nu behoefde geen vergiffenis van zonden te ontvangen, daar die in Hem niet waren; en evenmin genade te ontvangen, daar Hij daarvan vervuld was. En evenzo kwam Hem, die zelf de waarheid is (Joh., 14, 3296), ook niet toe wat slechts figuurlijken zin had. En dus was het beter, dat Hij gedoopt werd met het middelste doopsel, dan met een van de uitersten.
Ad tertium dicendum, quod baptismus est quoddam spirituale remedium. Quanto autem aliquid est magis perfectum, tanto minori remedio indiget. Unde ex hoc ipso quod Christus est maxime perfectus, conveniens fuit, quod non baptizaretur perfectissimo baptismo, sicut ille qui est sanus, non indiget efficaci medicina.
3. Het doopsel is een soort geestelijk geneesmiddel. Hoe volmaakter nu iets is, zooveel te minder in kracht het geneesmiddel is, waaraan het behoefte heeft. Uit het feit dus dat Christus allervolmaaktst is, volgt dat het passend was, dat Hij niet met het allervolmaaktste doopsel gedoopt werd, evenals iemand die gezond is, geen krachtige medicijn noodig heeft.3. Het doopsel is een soort geestelijk geneesmiddel. Hoe volmaakter nu iets is, zoveel te minder in kracht het geneesmiddel is, waaraan het behoefte heeft. Uit het feit dus dat Christus allervolmaaktst is, volgt dat het passend was, dat Hij niet met het allervolmaaktste doopsel gedoopt werd, evenals iemand die gezond is, geen krachtige medicijn nodig heeft.
Utrum Christus convenienti tempore fuerit baptizatus
Is Christus op den geschikten tijd gedoopt geworden?Is Christus op de geschikte tijd gedoopt geworden?
Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod non convenienti tempore Christus fuerit baptizatus. Ad hoc enim Christus baptizatus est, ut suo exemplo alios ad baptismum provocaret. Sed fideles Christi laudabiliter baptizantur non solum ante trigesimum annum, sed in infantili aetate. Ergo videtur quod Christus non debuerit baptizari in aetate triginta annorum.
Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet op den geschikten tijd is gedoopt geworden. — 1. Christus is immers gedoopt, om anderen door zijn voorbeeld op te wekken, zich ook te laten doopen. Nu is het echter prijzenswaardig, dat de geloovigen niet alleen vóór hun dertigste levensjaar, maar ook op jeugdigen leeftijd gedoopt worden. Dus schijnt het wel, dat Christus niet gedoopt moest worden, toen Hij dertig jaar oud was.Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet op de geschikte tijd is gedoopt geworden. — 1. Christus is immers gedoopt, om anderen door zijn voorbeeld op te wekken, zich ook te laten dopen. Nu is het echter prijzenswaardig, dat de gelovigen niet alleen vóór hun dertigste levensjaar, maar ook op jeugdigen leeftijd gedoopt worden. Dus schijnt het wel, dat Christus niet gedoopt moest worden, toen Hij dertig jaar oud was.
3302. Praeterea, Christus non legitur docuisse vel miracula fecisse ante baptismum. Sed utilius fuisset mundo, si priori tempore docuisset, incipiens a vigesimo anno, vel etiam prius. Ergo videtur, quod Christus, qui pro utilitate hominum venerat, ante trigesimum annum debuerit baptizari.
3302. Er staat nergens te lezen, dat Christus vóór zijn doopsel geleeraard heeft, of wonderen heeft gedaan. Maar het zou voor de wereld voordeeliger zijn geweest, als Hij langer geleeraard had, en op zijn twintigste jaar of nog eerder er mee begonnen was. Dus schijnt het wel, dat Christus, die tot voordeel der menschen gekomen was, vóór zijn dertigste jaar zich had moeten laten doopen.3302. Er staat nergens te lezen, dat Christus vóór zijn doopsel geleraard heeft, of wonderen heeft gedaan. Maar het zou voor de wereld voordeliger zijn geweest, als Hij langer geleraard had, en op zijn twintigste jaar of nog eerder er mee begonnen was. Dus schijnt het wel, dat Christus, die tot voordeel van de mensen gekomen was, vóór zijn dertigste jaar zich had moeten laten dopen.
3. Praeterea, judicium sapientiae divinitus infusae maxime debuit manifestari in Christo. Est autem manifestatum in Daniele tempore suae pueritiae, secundum illud Dan. 13. [v. 45] : « Suscitavit Dominus spiritum pueri junioris, cujus nomen Daniel ». Ergo multo magis Christus in sua pueritia debuit baptizari et docere.
3. Een aanwijzing van door God ingestorte wijsheid, had bovenal in Christus zichtbaar moeten zijn. Ze was zichtbaar in Daniël in zijn jeugd, volgens het woord uit het Boek Daniël (13, 45) : « De Heer wekte den Heiligen Geest op van een jongen man, wiens naam was Daniël ». Dus had nog veeleer Christus in zijn jeugd moeten gedoopt worden.3. Een aanwijzing van door God ingestorte wijsheid, had bovenal in Christus zichtbaar moeten zijn. Ze was zichtbaar in Daniël in zijn jeugd, volgens het woord uit het Boek Daniël (13, 45): “De Heer wekte de Heilige Geest op van een jongen man, wiens naam was Daniël”. Dus had nog veeleer Christus in zijn jeugd moeten gedoopt worden.
4. Praeterea, baptismus Joannis ordinatur ad baptismum Christi, sicut ad finem. Sed finis est prior in intentione, et posterior in executione. Ergo vel Christus debuit primus a Joanne baptizari, vel ultimus.
4. Het doopsel van Joannes is op het doopsel van Christus gericht als op zijn einddoel. Nu is het doel het eerst in de gedachte en het laatst in de uitvoering. Hij had dus ofwel het eerst, ofwel het laatst door Joannes moeten gedoopt worden.4. Het doopsel van Johannes is op het doopsel van Christus gericht als op zijn einddoel. Nu is het doel het eerst in de gedachte en het laatst in de uitvoering. Hij had dus ofwel het eerst, ofwel het laatst door Johannes moeten gedoopt worden.
Sed contra est, quod dicitur Luc. 3. [v. 21] : « Factum est, cum baptizaretur omnis populus, et Jesu baptizato et orante » etc.; et infr. [v. 23] : « Et ipse Jesus erat incipiens quasi annorum triginta ».
Daartegenover staat echter wat Lucas zegt (3, 21) : « Toen nu al het volk zich liet doopen, en ook Jesus gedoopt was en bad... » en verderop (v. 23) : « Toen Jesus nu optrad, was Hij ongeveer dertig jaar oud ».Daartegenover staat echter wat Lukas zegt (3, 21): “Toen nu al het volk zich liet dopen, en ook Jesus gedoopt was en bad...” en verderop (v. 23): “Toen Jesus nu optrad, was Hij ongeveer dertig jaar oud”.
331Respondeo dicendum, quod Christus convenienter fuit in trigesimo anno baptizatus, primo quidem, quia Christus baptizabatur, quasi ex tunc incipiens docere et praedicare, ad quod requiritur perfecta aetas, qualis est triginta annorum; unde legitur Genes. 41. [v. 46], quod triginta annorum erat Joseph, quando accepit regimen Aegypti; similiter etiam 2. Reg. 5. [v. 4] legitur de David, quod triginta annorum erat, cum regnare coepisset; Ezechiel etiam in trigesimo anno coepit prophetizare, ut habetur Ezech. 1. [v. 1].
331Leerstelling. — Het was heel passend, dat Christus zich in zijn dertigste levensjaar heeft laten doopen. En wel ten eerste, daar Christus zich liet doopen, omdat Hij van toen af begon te leeraren en te preeken: waartoe een volmaakte leeftijd vereischt wordt, wat het dertigste levensjaar is. Vandaar ook lezen we in het Boek Genesis (41, 46) dat Joseph dertig jaar oud was, toen hij het bestuur van Aegypte op zich nam. Zoo staat er ook van David geschreven (2e Boek der Koningen, 5, 4), dat hij dertig jaar oud was, toen hij begon te regeeren. Ook Ezechiel begon in zijn dertigste levensjaar te profeteeren, zooals geschreven staat in het Boek Ezechiel (1, 1).331Leerstelling. — Het was heel passend, dat Christus zich in zijn dertigste levensjaar heeft laten dopen. En wel ten eerste, daar Christus zich liet dopen, omdat Hij van toen af begon te leraren en te preken: waartoe een volmaakte leeftijd vereist wordt, wat het dertigste levensjaar is. Vandaar ook lezen we in het Boek Genesis (41, 46) dat Joseph dertig jaar oud was, toen hij het bestuur van Egypte op zich nam. Zo staat er ook van David geschreven (2e Boek van de Koningen, 5, 4a), dat hij dertig jaar oud was, toen hij begon te regeren. Ook Ezechiël begon in zijn dertigste levensjaar te profeteren, zoals geschreven staat in het Boek Ezechiël (1, 1).
Secundo, quia, sicut Chrysostomus dicit super Matth. [hom. 10.], futurum erat, ut post baptismum Christi lex cessare inciperet; et ideo hac aetate Christus ad baptismum venit, quae potest omnia peccata suscipere, ut lege servata nullus dicat, quod ideo eam solvit, quia implere non potuit.
Ten tweede, omdat, zooals Chrysostomus zegt (10e Homelie op Mattheus), « nà Christus' doop, de wet zou beginnen op te houden. En daarom kwam Christus op zoo 'n leeftijd tot het doopsel, die voor alle zonden vatbaar is : opdat niemand die de wet onderhouden had, zou zeggen, dat Hij haar daarom ophief, omdat Hij haar zelf niet kon onderhouden ».Ten tweede, omdat, zoals Chrysostomus zegt (10e Homelie op Matteüs), “nà Christus' doop, de wet zou beginnen op te houden. En daarom kwam Christus op zo 'n leeftijd tot het doopsel, die voor alle zonden vatbaar is: opdat niemand die de wet onderhouden had, zou zeggen, dat Hij haar daarom ophief, omdat Hij haarzelf niet kon onderhouden”.
Tertio, quia per hoc quod Christus in aetate perfecta baptizatur, datur intelligi, quod baptismus parit viros perfectos, secundum illud Ephes. 4. [v. 13] : « Donec occuramus omnes in unitatem fidei et agnitionis Filii Dei, in virum perfectum, in mensuram aetatis plenitudinis Christi ». Unde 332et ipsa proprietas numeri ad hoc pertinere videtur; consurgit enim trigenarius numerus ex ductu ternarii in denarium; per ternarium autem intelligitur fides Trinitatis, per denarium autem impletio mandatorum legis, et in his duobus perfectio vitae christianae consistit.
Ten derde, omdat door het feit, dat Christus zich liet doopen toen Hij den volmaakten leeftijd bereikt had, te verstaan gegeven wordt, dat het doopsel volmaakte mannen voortbrengt, volgens den Brief aan de Ephesiers (4, 13) : « Tot den tijd, dat we allen tot de eenheid des geloofs en der kennis van Gods Zoon zijn gekomen, 332een volwassen man zijn geworden, en de mannenmaat van den volmaakten Christus hebben bereikt ». Daarop schijnt dan ook de eigenschap van het getal te slaan. Want het getal dertig ontstaat door drie met tien te vermenigvuldigen; onder het getal drie nu wordt verstaan het geloof in de Drievuldigheid, onder het getal tien de vervulling van de voorschriften der wet; en uit deze twee bestaat de volmaaktheid van het Christelijk leven.Ten derde, omdat door het feit, dat Christus zich liet dopen toen Hij de volmaakte leeftijd bereikt had, te verstaan gegeven wordt, dat het doopsel volmaakte mannen voortbrengt, volgens de Brief aan de Efeziërs (4, 13): “Tot de tijd, dat we allen tot de eenheid van het geloof en van de kennis van Gods Zoon zijn gekomen, 332een volwassen man zijn geworden, en de mannenmaat van de volmaakte Christus hebben bereikt”. Daarop schijnt dan ook de eigenschap van het getal te slaan. Want het getal dertig ontstaat door drie met tien te vermenigvuldigen; onder het getal drie nu wordt verstaan het geloof in de Drievuldigheid, onder het getal tien de vervulling van de voorschriften van de wet; en uit deze twee bestaat de volmaaktheid van het Christelijk leven.
Ad primum ergo dicendum, quod, sicut Gregorius Nazianzenus dicit [in orat. 40., de Baptismo], Christus non est baptizatus, « quasi indigeret purgatione, nec quod aliquod illi immineret periculum differendo baptismum; sed cuivis alii non in parvum redundat periculum, si exeat ex hac vita non indutus veste incorruptionis », scilicet gratia. Et licet bonum sit post baptismum baptismi munditiam custodire, « potius tamen est, ut ipse dicit, interdum paulisper maculari, quam gratia omnino carere ».
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Volgens Gregorius van Nazianze (40e Preek op het H. Doopsel) heeft Christus zich niet laten doopen, alsof Hij reiniging noodig had, en evenmin alsof Hem, als Hij het doopsel zou uitstellen, een of ander gevaar boven het hoofd zou zweven. Maar voor ieder ander zou het een niet gering gevaar opleveren, als hij dit leven zou verlaten, niet omkleed met het kleed der onvergankelijkheid, d. i. de genade. En al is het dan goed, na het doopsel de reinheid te bewaren, het is echter beter, zooals hij zegt (t. a. p., Nr 19) soms een weinig besmet te worden, dan de genade heelemaal te moeten missen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Volgens Gregorius van Nazianze (40e Preek op het H. Doopsel) heeft Christus zich niet laten dopen, alsof Hij reiniging nodig had, en evenmin alsof Hem, als Hij het doopsel zou uitstellen, een of ander gevaar boven het hoofd zou zweven. Maar voor ieder ander zou het een niet gering gevaar opleveren, als hij dit leven zou verlaten, niet omkleed met het kleed van de onvergankelijkheid, d.i. de genade. En al is het dan goed, na het doopsel de reinheid te bewaren, het is echter beter, zoals hij zegt (t. a. p., Nr 19) soms een weinig besmet te worden, dan de genade helemaal te moeten missen.
Ad secundum dicendum, quod utilitas, quae a Christo provenit hominibus, praecipue est per fidem et humilitatem, ad quorum utrumque valet, quod Christus in pueritia vel adolescentia non coepit docere, sed in perfecta aetate. Ad fidem quidem, quia per hoc apparet in eo vera natura 333humanitatis, quod per temporum incrementa corporaliter profecit; et ne hujusmodi profectus putaretur esse phantasticus, noluit sapientiam suam, vel virtutem manifestare ante perfectam corporis aetatem; ad humilitatem vero, ne ante perfectam aetatem aliquis praesumptuose praelationis gradum et docendi officium assumat.
2. Het voordeel, dat de menschen van Christus hebben, komt hoofdzakelijk van het geloof en de nederigheid : en voor beide is het goed, dat Christus niet in zijn jeugd, of toen Hij jongeling was, maar in volmaakten leeftijd is begonnen te leeraren. Voor 333het geloof, omdat daardoor de waarachtige menschelijke natuur in Hem bewezen wordt, welke natuur bij het groeien der jaren volmaakter werd: en opdat men nu niet zou meenen, dat die wasdom maar een waanbeeld was, wilde Hij zijn wijsheid en kracht niet toonen, vóórdat zijn lichaam den volmaakten leeftijd bereikt had. Voor de nederigheid nu, opdat niet iemand zich overmoedig een rang van prelaat of leeraarsambt zou aanmatigen.2. Het voordeel, dat de mensen van Christus hebben, komt hoofdzakelijk van het geloof en de nederigheid: en voor beide is het goed, dat Christus niet in zijn jeugd, of toen Hij jongeling was, maar in volmaakten leeftijd is begonnen te leraren. Voor 333het geloof, omdat daardoor de waarachtige menselijke natuur in Hem bewezen wordt, welke natuur bij het groeien van de jaren volmaakter werd: en opdat men nu niet zou menen, dat die wasdom maar een waanbeeld was, wilde Hij zijn wijsheid en kracht niet tonen, vóórdat zijn lichaam de volmaakte leeftijd bereikt had. Voor de nederigheid nu, opdat niet iemand zich overmoedig een rang van prelaat of leraarsambt zou aanmatigen.
Ad tertium dicendum, quod Christus proponebatur hominibus in exemplum omnium, et ideo oportuit in eo ostendi id, quod competit omnibus secundum legem communem, ut scilicet in aetate perfecta doceret. Sed, sicut Gregorius Nazianzenus dicit [in orat. 39. in Sancta Lumina, N. 14], « non est lex communis, quod raro contingit, sicut nec una hirundo ver facit ». Aliquibus enim ex quadam speciali dispensatione secundum divinae sapientiae ordinem et rationem concessum est praeter legem communem, ut ante perfectam aetatem officium vel praesidendi, vel docendi haberent, sicut Salomon, Daniel, et Jeremias.
3. Christus werd aan de menschen voorgesteld, ten voorbeeld voor allen. En daarom moest in Hem te zien zijn, wat volgens de algemeene wet aan allen toekomt en wel dat Hij pas op volmaakten leeftijd leeraarde. Maar, zooals Gregorius van Nazianze zegt (39e Redevoering) wat zelden voorvalt, is geen kerkelijke wet: zooals evenmin « één zwaluw de lente maakt ». Want aan sommigen is, met bizondere dispensatie, naar het plan der goddelijke wijsheid buiten de algemeene wet om toegestaan, een officie te hebben, hetzij om te besturen, hetzij om te leeraren, zooals aan Salomon, Daniël en Jeremias.3. Christus werd aan de mensen voorgesteld, ten voorbeeld voor allen. En daarom moest in Hem te zien zijn, wat volgens de algemene wet aan allen toekomt en wel dat Hij pas op volmaakten leeftijd leraarde. Maar, zoals Gregorius van Nazianze zegt (39e Redevoering) wat zelden voorvalt, is geen kerkelijke wet: zoals evenmin “één zwaluw de lente maakt”. Want aan sommigen is, met bizondere dispensatie, naar het plan van de goddelijke wijsheid buiten de algemene wet om toegestaan, een officie te hebben, hetzij om te besturen, hetzij om te leraren, zoals aan Salomon, Daniël en Jeremia.
Ad quartum dicendum, quod Christus nec primus, nec ultimus debuit a Joanne baptizari, quia, ut Chrysostomus dicit super Matth. [homil. 4. inter opp. Chrys.], Christus ad hoc baptizabatur, « ut confirmaret 334praedicationem et baptismum Joannis, et ut testimonium acciperet a Joanne ». Non autem creditum fuisset testimonio Joannis, nisi postquam fuerunt multi baptizati ab ipso; et ideo non debuit primus a Joanne baptizari. Similiter etiam nec ultimus, quia, sicut ipse ibidem subdit, « sicut lux solis non expectat occasum luciferi, sed eo procedente egreditur, et suo lumine obscurat illius candorem, sic et Christus non expectavit, ut cursum suum Joannes impleret, sed adhuc eo docente et baptizante, apparuit ».
4. Christus behoorde noch als eerste noch als laatste door Joannes gedoopt te worden, omdat, zooals Chrysostomus zegt (4e Homelie van een onvoltooid gebleven Verklaring van Mattheus) Christus zich daarom liet doopen, ten einde de prediking en het 334doopsel van Joannes te bekrachtigen; en om een getuigenis te ontvangen van Joannes. Aan Joannes' getuigenis zou men echter eerst dan pas geloof gaan hechten, als er velen door hem gedoopt waren. En dus moest Hij niet het eerst door Joannes gedoopt worden. — Evenzoo ook niet het laatst : omdat, zooals hij er t. a. p. aan toevoegt, evenals het licht der zon de ondergang der Morgenster niet afwacht, maar door haar voorafgegaan uittreedt, en haar glans door haar eigen licht verduistert; zoo wachtte Christus niet, totdat Joannes zijn loop zou voleindigd hebben, maar verscheen reeds, toen hij nog leerde en doopte.4. Christus behoorde noch als eerste noch als laatste door Johannes gedoopt te worden, omdat, zoals Chrysostomus zegt (4e Homelie van een onvoltooid gebleven Verklaring van Matteüs) Christus zich daarom liet dopen, ten einde de prediking en het 334doopsel van Johannes te bekrachtigen; en om een getuigenis te ontvangen van Johannes. Aan Johannes' getuigenis zou men echter eerst dan pas geloof gaan hechten, als er velen door hem gedoopt waren. En dus moest Hij niet het eerst door Johannes gedoopt worden. — Evenzo ook niet het laatst: omdat, zoals hij er t. a. p. aan toevoegt, evenals het licht van de zon de ondergang van de Morgenster niet afwacht, maar door haar voorafgegaan uittreedt, en haar glans door haar eigen licht verduistert; zo wachtte Christus niet, totdat Johannes zijn loop zou voleindigd hebben, maar verscheen reeds, toen hij nog leerde en doopte.
Utrum Christus debuerit in Jordane baptizari
Had Christus in den Jordaan gedoopt moeten worden?Had Christus in de Jordaan gedoopt moeten worden?
Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod Christus non debuerit baptizari in Jordane. Veritas enim debet respondere figurae. Sed figura baptismi praecessit in transitu maris Rubri, ubi Aegyptii sunt submersi, sicut peccata 335delentur in baptismo. Ergo videtur, quod Christus magis debuerit baptizari in mari Rubro, quam in flumine Jordanis.
Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet in den Jordaan had gedoopt moeten worden. — 1. De werkelijkheid immers, moet aan de voorafbeelding beantwoorden. Maar de voorafbeelding van het doopsel ging vooraf bij den overtocht der Roode Zee, 335waarin de Egyptenaren verdronken, zooals de zonden gedelgd worden in het doopsel. Dus schijnt het wel, dat Christus veeleer in de zee had gedoopt moeten worden, dan in de rivier de Jordaan.Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet in de Jordaan had gedoopt moeten worden. — 1. De werkelijkheid immers, moet aan de voorafbeelding beantwoorden. Maar de voorafbeelding van het doopsel ging vooraf bij de overtocht van de Rode Zee, 335waarin de Egyptenaren verdronken, zoals de zonden gedelgd worden in het doopsel. Dus schijnt het wel, dat Christus veeleer in de zee had gedoopt moeten worden, dan in de rivier de Jordaan.
2. Praeterea, Jordanis interpretatur descensus. Sed per baptismum aliquis ascendit magis quam descendat, unde etiam Matth. 3. [v. 16] dicitur, quod « baptizatus Jesus confestim ascendit de aqua ». Ergo videtur inconveniens fuisse, quod Christus in Jordane baptizaretur.
2. Jordaan beteekent neerdaling. (Hieronymus, 78e Brief Over de 42 verblijven, 41e Verbl.). Maar door het doopsel stijgt iemand meer op, dan dat hij afdaalt : vandaar zegt Mattheus ook (3, 16) dat Jesus nadat Hij den doop had ontvangen, onmiddellijk uit het water steeg. Dus schijnt het niet passend te zijn geweest, dat Christus in den Jordaan gedoopt werd.2. Jordaan betekent neerdaling. (Hieronymus, 78e Brief Over de 42 verblijven, 41e Verbl.). Maar door het doopsel stijgt iemand meer op, dan dat hij afdaalt: vandaar zegt Matteüs ook (3, 16) dat Jesus nadat Hij de doop had ontvangen, onmiddellijk uit het water steeg. Dus schijnt het niet passend te zijn geweest, dat Christus in de Jordaan gedoopt werd.
3. Praeterea, transeuntibus filiis Israël, aquae Jordanis conversae sunt retrorsum, ut legitur Josue 3. [v. 16-17], et sicut etiam in Psal. 113. [v. 3-5] dicitur. Sed illi qui baptizantur, non retrorsum, sed in antea progrediuntur. Non ergo fuit conveniens, quod Christus in Jordane baptizaretur.
3. Bij den overtocht der kinderen Israëls, weken de wateren van den Jordaan terug, zooals bij Josuë te lezen staat (3, 16, 17) en in het Boek der Psalmen (113, 3-5). Maar die zich laten doopen, gaan niet achteruit doch vooruit. Het was dus niet passend, dat Christus in den Jordaan gedoopt werd.3. Bij de overtocht van de kinderen Israëls, weken de wateren van de Jordaan terug, zoals bij Josuë te lezen staat (3, 16, 17) en in het Boek van de Psalmen (113, 3-5)a. Maar die zich laten dopen, gaan niet achteruit doch vooruit. Het was dus niet passend, dat Christus in de Jordaan gedoopt werd.
Sed contra est, quod dicitur Marci 1. [v. 9], quod « baptizatus est Jesus a Joanne in Jordane ».
Daartegenover staat echter, dat Marcus zegt (1, 9), dat Jesus door Joannes in den Jordaan gedoopt werd.Daartegenover staat echter, dat Marcus zegt (1, 9), dat Jesus door Johannes in de Jordaan gedoopt werd.
Respondeo dicendum, quod fluvius Jordanis fuit, per quem filii Israël in terram promissionis intraverunt. Hoc autem habet baptismus Christi 336speciale prae omnibus baptismatibus, quod introducit in regnum Dei, quod per terram promissionis significatur. Unde dicitur Joan. 3. [v. 5] : « Nisi quis renatus fuerit ex aqua et Spiritu Sancto, non potest introire in regnum Dei ». Ad quod etiam pertinet, quod Helias divisit aquas Jordanis, quando erat in curru igneo rapiendus in coelum, ut dicitur 4. Reg. 2. [v. 7 sqq.], quia scilicet transeuntibus per aquam baptismi, per ignem Spiritus Sancti patet aditus in coelum. Et ideo conveniens fuit, ut Christus in Jordane baptizaretur.
Leerstelling. — Het was de rivier de Jordaan, waardoor de kinderen Israëls het beloofde land binnentraden. (Josue, 3e en 4e H.). Wat nu het doopsel van Christus vóór heeft op alle 336andere doopsels is dit, dat het binnenleidt in het rijk Gods, dat door het beloofde land beteekend wordt. Vandaar zegt Joannes (3, 5) : « Zoo iemand niet geboren wordt uit water en den Heiligen Geest, kan hij niet ingaan in het koninkrijk Gods ». Hierop slaat ook, dat Elias de wateren van den Jordaan verdeelde, toen hij op het punt stond om in een vurigen wagen weggevoerd te worden naar den hemel, zooals geschreven staat in het 4e Boek der Koningen (2, 7 vlg.) : omdat nl. voor hen, die door het water des doopsels gaan, door het vuur van den Heiligen Geest de toegang tot den hemel openstaat. En dus was het passend, dat Christus in den Jordaan gedoopt werd.Leerstelling. — Het was de rivier de Jordaan, waardoor de kinderen Israëls het beloofde land binnentraden. (Josue, 3e en 4e H.). Wat nu het doopsel van Christus vóór heeft op alle 336andere doopsels is dit, dat het binnenleidt in het rijk Gods, dat door het beloofde land betekend wordt. Vandaar zegt Johannes (3, 5): “Zo iemand niet geboren wordt uit water en de Heilige Geest, kan hij niet ingaan in het koninkrijk Gods”. Hierop slaat ook, dat Elias de wateren van de Jordaan verdeelde, toen hij op het punt stond om in een vurigen wagen weggevoerd te worden naar de hemel, zoals geschreven staat in het 4e Boek van de Koningen (2, 7 vlg.)b: omdat nl. voor hen, die door het water van het doopsel gaan, door het vuur van de Heilige Geest de toegang tot de hemel openstaat. En dus was het passend, dat Christus in de Jordaan gedoopt werd.
Ad primum ergo dicendum, quod transitus maris Rubri praefiguravit baptismum, quantum ad hoc quod baptismus delet peccata. Sed transitus Jordanis quantum ad hoc quod aperit januam regni coelestis, qui est principalior effectus baptismi, et per solum Christum impletus, et ideo convenientius fuit, quod Christus in Jordane, quam in mari baptizaretur.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De overtocht van de Roode Zee verzinnebeelde het doopsel wat de uitdelging der zonden betreft. Maar de overtocht van den Jordaan, in zoover het de deur van het hemelrijk opent: wat het voornaamste gevolg van het doopsel is, dat door Christus alleen vervuld is. En daarom was het beter, dat Christus in den Jordaan en niet in de zee gedoopt werd.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De overtocht van de Rode Zee verzinnebeelde het doopsel wat de uitdelging van de zonden betreft. Maar de overtocht van de Jordaan, in zover het de deur van het hemelrijk opent: wat het voornaamste gevolg van het doopsel is, dat door Christus alleen vervuld is. En daarom was het beter, dat Christus in de Jordaan en niet in de zee gedoopt werd.
Ad secundum dicendum, quod in baptismo est ascensus per profectum gratiae, qui requirit descensum humilitatis, secundum illud Jacobi 4. [v. 6] : 337« Humilibus autem dat gratiam », et ad talem descensum referendum est nomen Jordanis.
2. Er is een opstijgen in het doopsel, door een vooruitgang in genade, wat een afdalen in nederigheid vereischt, volgens het woord 337van Jacobus (4, 6) : « Aan de nederigen echter geeft Hij genade ». En op dat afdalen slaat de naam : Jordaan.2. Er is een opstijgen in het doopsel, door een vooruitgang in genade, wat een afdalen in nederigheid vereist, volgens het woord 337van Jacobus (4, 6): “Aan de nederigen echter geeft Hij genade”. En op dat afdalen slaat de naam: Jordaan.
Ad tertium dicendum, quod, sicut Augustinus dicit in serm. de Epiph. [Serm. 10, inter opp. Ambrosii], « sicut antea aquae Jordanis retrorsum conversae fuerant, ita modo Christo baptizato, retrorsum peccata conversa sunt ».
3. Hierop is te antwoorden met de woorden van Augustinus, in een Preek op Driekoningen (10e Pr.) : « Gelijk vroeger de wateren van den Jordaan terugweken, zoo wijken nù, na den doop van Christus, de zonden terug ».3. Hierop is te antwoorden met de woorden van Augustinus, in een Preek op Driekoningen (10e Pr.): “Gelijk vroeger de wateren van de Jordaan terugweken, zo wijken nù, na de doop van Christus, de zonden terug”.
Vel etiam per hoc significatur, quod contra descensum aquarum benedictionum fluvius sursum ferebatur.
Of ook zoo : daardoor wordt beteekend, dat, in tegenstelling met het afvloeien der wateren, de stroom van zegeningen opliep.Of ook zo: daardoor wordt betekend, dat, in tegenstelling met het afvloeien van de wateren, de stroom van zegeningen opliep.
Utrum, Christo baptizato, coeli debuerint aperiri
Moesten de hemelen zich openen, toen Christus gedoopt was?
Ad quintum sic proceditur. Videtur, quod, Christo baptizato, non debuerint coeli aperiri. Illi enim aperiendi sunt coeli, qui indiget intrare in coelum, quasi extra coelum existens. Sed Christus semper erat in coelo, secundum illud Joan. 3. [v. 13] : « Filius hominis, qui est in coelo ». Ergo videtur, quod non debuerint ei coeli aperiri.
Bedenkingen. — Men beweert, dat toen Christus gedoopt was, de hemelen zich niet hadden moeten openen. — 1. Voor hem immers moeten de hemelen zich openen, die, omdat hij buiten den hemel staat, den hemel binnen moet treden. Maar Christus was altijd in den hemel, volgens het woord van Joannes (3, 13) : « De Menschenzoon, die in den hemel is ». Dus hadden zich de hemelen voor Hem niet behoeven te openen.Bedenkingen. — Men beweert, dat toen Christus gedoopt was, de hemelen zich niet hadden moeten openen. — 1. Voor hem immers moeten de hemelen zich openen, die, omdat hij buiten de hemel staat, de hemel binnen moet treden. Maar Christus was altijd in de hemel, volgens het woord van Johannes (3, 13): “De Mensenzoon, die in de hemel is”. Dus hadden zich de hemelen voor Hem niet behoeven te openen.
3382. Praeterea, apertio coelorum aut intelligitur spiritualiter, aut corporaliter. Sed non potest intelligi corporaliter, quia corpora coelestia sunt impassibilia et infrangibilia, secundum illud Job 37. [v. 18] : « Tu forsitan cum eo fabricatus es coelos, qui solidissimi quasi aere fusi sunt? » Similiter etiam nec potest intelligi spiritualiter, quia ante oculos Filii Dei coeli antea clausi non fuerant. Ergo videtur inconvenienter dici, quod baptizando Christo, aperti fuerint ei coeli.
3382. Het opengaan der hemelen, moet ofwel lichamelijk of geestelijk verstaan worden. Maar het kan niet lichamelijk verstaan worden, omdat de hemellichamen onlijdelijk en onbreekbaar zijn, volgens het woord uit het Boek Job (37, 18) : « Hebt gij misschien de hemelen gemaakt, die vast staan, als waren zij van koper gegoten? ». Evenmin kan het geestelijk verstaan worden, omdat de hemelen voor de oogen van den Zoon Gods van te voren niet gesloten waren. Bijgevolg schijnt het heelemaal niet goed uitgedrukt te zijn, dat de hemelen zich openden toen Christus gedoopt was.3382. Het opengaan van de hemelen, moet ofwel lichamelijk of geestelijk verstaan worden. Maar het kan niet lichamelijk verstaan worden, omdat de hemellichamen onlijdelijk en onbreekbaar zijn, volgens het woord uit het Boek Job (37, 18): “Hebt gij misschien de hemelen gemaakt, die vast staan, als waren zij van koper gegoten?”. Evenmin kan het geestelijk verstaan worden, omdat de hemelen voor de ogen van de Zoon Gods van te voren niet gesloten waren. Bijgevolg schijnt het helemaal niet goed uitgedrukt te zijn, dat de hemelen zich openden toen Christus gedoopt was.
3. Praeterea, fidelibus coelum apertum est per Christi passionem, secundum illud Heb. 10. [v. 19] : « Habemus fiduciam in introitu sanctorum in sanguine Christi ». Unde etiam nec Christi baptismo baptizati, si qui ante ejus passionem decesserint, coelos intrare potuerunt. Ergo magis debuerunt aperiri coeli Christo patiente, quam eo baptizato.
3. Voor de geloovigen is de hemel door Christus' lijden geopend, volgens het woord uit den Brief aan de Hebreën (10, 19) : « We hebben de vaste zekerheid, dat door het bloed van Jesus de weg tot het heiligdom ons openstaat ». Vandaar ook, als er eenigen van hen, die met het doopsel van Christus gedoopt waren, vóór zijn lijden zijn komen te sterven, dan konden zij de hemelen niet binnentreden. Bijgevolg hadden zich veeleer de hemelen moeten openen, toen Christus leed, dan toen Hij gedoopt was.3. Voor de gelovigen is de hemel door Christus' lijden geopend, volgens het woord uit de Brief aan de Hebreën (10, 19): “We hebben de vaste zekerheid, dat door het bloed van Jesus de weg tot het heiligdom ons openstaat”. Vandaar ook, als er enigen van hen, die met het doopsel van Christus gedoopt waren, vóór zijn lijden zijn komen te sterven, dan konden zij de hemelen niet binnentreden. Bijgevolg hadden zich veeleer de hemelen moeten openen, toen Christus leed, dan toen Hij gedoopt was.
Sed contra est, quod dicitur Luc. 3. [v. 21] : « Jesu baptizato et orante, apertum est coelum ».
Daartegenover staat echter, dat Lucas zegt (3, 21) : « Toen Jesus gedoopt was, ging, terwijl Hij aan het bidden was, de hemel open ».Daartegenover staat echter, dat Lukas zegt (3, 21): “Toen Jesus gedoopt was, ging, terwijl Hij aan het bidden was, de hemel open”.
339Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est [art. 1. huj. q.], Christus baptizari voluit, ut suo baptismo consecraret baptismum, quo nos baptizaremur, et ideo in baptismo Christi ea demonstrari debuerunt, quae pertinent ad efficaciam nostri baptismi. Circa quam tria sunt consideranda: primo quidem, principalis virtus, ex qua baptismus habet efficaciam, quae quidem est virtus coelestis; et ideo, baptizato Christo, apertum est coelum, ut ostenderetur quod de caetero coelestis virtus baptismum sanctificaret.
339Leerstelling. — Zooals gezegd (1e Art.; 38e Kw., 1e Art.), wilde Christus gedoopt worden, om door zijn doopsel het doopsel, waarmee wij zouden gedoopt worden, te heiligen. En daarom moesten in Christus' doop die dingen aangetoond worden, die tot de kracht van het doopsel behooren. En daaromtrent zijn drie dingen te beschouwen. En wel ten eerste, de hoofdkracht waaraan het doopsel zijn werking ontleent : en dat nu is een kracht uit den hemel. En dus werd de hemel geopend toen Christus gedoopt was, als om aan te toonen, dat voortaan een kracht van den hemel het doopsel zou heiligen.339Leerstelling. — Zoals gezegd (1e Art.; 38e Kw., 1e Art.), wilde Christus gedoopt worden, om door zijn doopsel het doopsel, waarmee wij zouden gedoopt worden, te heiligen. En daarom moesten in Christus' doop die dingen aangetoond worden, die tot de kracht van het doopsel behoren. En daaromtrent zijn drie dingen te beschouwen. En wel ten eerste, de hoofdkracht waaraan het doopsel zijn werking ontleent: en dat nu is een kracht uit de hemel. En dus werd de hemel geopend toen Christus gedoopt was, als om aan te tonen, dat voortaan een kracht van de hemel het doopsel zou heiligen.
Secundo, operatur ad efficaciam baptismi fides Ecclesiae, et ejus qui baptizatur; unde et baptizati fidem profitentur, et baptismus fidei dicitur sacramentum. Per fidem autem inspicimus coelestia, quae sensum et rationem humanam excedunt. Et ad hoc significandum, Christo baptizato, aperti sunt coeli.
Ten tweede werken het geloof der Kerk en van dengene die gedoopt wordt er toe mee, dat het doopsel zijn uitwerking heeft: daarom belijden de gedoopten ook hun geloof en wordt het doopsel een sacrament des geloofs genoemd (Augustinus in zijn brief Aan Bonifacius). Door het geloof echter krijgen wij zicht op de hemelsche dingen, die de zintuigen en het verstand van den mensch te boven gaan. En om dit te beteekenen werden de hemelen, toen Christus gedoopt was, geopend.Ten tweede werken het geloof van de Kerk en van dengene die gedoopt wordt er toe mee, dat het doopsel zijn uitwerking heeft: daarom belijden de gedoopten ook hun geloof en wordt het doopsel een sacrament van het geloof genoemd (Augustinus in zijn brief Aan Bonifacius). Door het geloof echter krijgen wij zicht op de hemelse dingen, die de zintuigen en het verstand van de mens te boven gaan. En om dit te betekenen werden de hemelen, toen Christus gedoopt was, geopend.
Tertio, quia per baptismum Christi specialiter aperitur nobis introitus regni coelestis, qui primo homini praeclusus fuerat per peccatum. Unde baptizato Christo, aperti sunt coeli, ut ostenderetur, quod 340baptizatis patet via in coelum.
Ten derde, omdat door het doopsel vooral ons de toegang tot het hemelrijk geopend wordt, welke eerst voor den mensch door de zonde gesloten was. En daarom werden de hemelen geopend toen Christus gedoopt was, als om aan te duiden, dat den gedoopten de weg naar den hemel open staat.Ten derde, omdat door het doopsel vooral ons de toegang tot het hemelrijk geopend wordt, welke eerst voor de mens door de zonde gesloten was. En daarom werden de hemelen geopend toen Christus gedoopt was, als om aan te duiden, dat de gedoopten de weg naar de hemel open staat.
Post baptismum autem necessaria est homini jugis oratio, ad hoc quod coelum introeat. Licet enim per baptismum remittantur peccata, remanet tamen fomes peccati, nos impugnans interius, et mundus, et daemones, qui impugnant exterius. Et ideo signanter dicitur Luc. 3. [v. 21], quod Jesu baptizato et orante, apertum est coelum, quia scilicet fidelibus necessaria est oratio post baptismum, vel ut detur intelligi, quod hoc ipsum quod per baptismum coelum aperitur credentibus, est ex virtute orationis Christi. Unde signanter Matth. 3. [v. 16] dicitur, quod apertum est ei coelum, idest omnibus propter eum, sicut si imperator alicui pro alio petenti dicat: « Ecce hoc beneficium non illi do, sed tibi, idest propter te illi », ut Chrysostomus dicit super Matth. [hom. 4. in op. imperf., inter opp. Chrysost.].
340Nà het doopsel is voor den mensch om in den hemel te komen nog noodig een aanhoudend gebed : want ofschoon door het doopsel de zonden vergeven worden, blijven toch nog over de zonde-haard, die ons inwendig bestrijdt, en de wereld en de duivelen, die ons van buiten af aanvallen. En daarom zegt Lucas heel terecht dat de hemel zich opende toen Jesus gedoopt was en Hij aan het bidden was, omdat nl. voor de geloovigen het gebed nà het doopsel noodzakelijk is. — Of ook wel om daardoor te verstaan te geven, dat het feit, dat de hemel voor de geloovigen geopend wordt, te danken is aan de kracht van Christus' gebed. Vandaar zegt Mattheus zoo teekenend, dat de hemel zich voor Hem opende, d. i. voor allen, terwille van Hem: evenals wanneer een keizer aan iemand, die voor een ander iets vraagt, zou zeggen: « Ziet eens, deze gunst geef ik niet aan hem, maar aan u, d. i. aan hem terwille van u », zooals Chrysostomus zegt (4e Homelie van zijn onvoltooid gebleven Verklaring van Mattheus).340Nà het doopsel is voor de mens om in de hemel te komen nog nodig een aanhoudend gebed: want ofschoon door het doopsel de zonden vergeven worden, blijven toch nog over de zonde-haard, die ons inwendig bestrijdt, en de wereld en de duivelen, die ons van buiten af aanvallen. En daarom zegt Lukas heel terecht dat de hemel zich opende toen Jesus gedoopt was en Hij aan het bidden was, omdat nl. voor de gelovigen het gebed nà het doopsel noodzakelijk is. — Of ook wel om daardoor te verstaan te geven, dat het feit, dat de hemel voor de gelovigen geopend wordt, te danken is aan de kracht van Christus' gebed. Vandaar zegt Matteüs zo tekenend, dat de hemel zich voor Hem opende, d.i. voor allen, terwille van Hem: evenals wanneer een keizer aan iemand, die voor een ander iets vraagt, zou zeggen: “Ziet eens, deze gunst geef ik niet aan hem, maar aan u, d.i. aan hem terwille van u”, zoals Chrysostomus zegt (4e Homelie van zijn onvoltooid gebleven Verklaring van Matteüs).
Ad primum ergo dicendum, quod, sicut Chrysostomus dicit super Matth. [ibidem], « sicut Christus secundum dispensationem humanam baptizatus est, quamvis ipse propter se baptismo non indigeret, sic etiam secundum 341humanam dispensationem aperti sunt ei coeli; secundum autem naturam divinam semper erat in coelis ».
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Hierop is te antwoorden met de woorden van Chrysostomus (t. a. p.) : « Evenals Christus, ofschoon Hij voor zich zelf het doopsel niet noodig had, gedoopt werd, als ook vallend onder het bestuur, dat over de 341menschen staat, zoo ook en om de zelfde reden, werden Hem de hemelen geopend, ofschoon Hij als Goddelijk wezen, voortdurend in de hemelen was ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Hierop is te antwoorden met de woorden van Chrysostomus (t. a. p.): “Evenals Christus, ofschoon Hij voor zichzelf het doopsel niet nodig had, gedoopt werd, als ook vallend onder het bestuur, dat over de 341mensen staat, zo ook en om de zelfde reden, werden Hem de hemelen geopend, ofschoon Hij als Goddelijk wezen, voortdurend in de hemelen was”.
Ad secundum dicendum, quod, sicut Hieronymus dicit super Matth. [cap. 3, N. 16-17], « coeli aperti sunt, Christo baptizato, non reseratione elementorum, sed spiritualibus oculis, sicut et Ezechiel in principio voluminis sui coelos apertos esse commemorat ». Et hoc probat Chrysostomus super Matth. [loc. sup. cit.] dicens, « quod si ipsa creatura, scilicet coelorum, rupta fuisset, non dixisset: Aperti sunt ei, quia quod corporaliter aperitur, omnibus est apertum ». Unde etiam Marci 1. [v. 10] expresse dicitur, quod Jesus statim ascendens de aqua vidit apertos coelos, quasi ipsa apertio coelorum ad visionem Christi referatur. Quod quidem aliqui referunt ad visionem corporalem, dicentes quod circa Christum baptizatum tantus splendor fulsit in baptismo, ut viderentur coeli aperti. Potest etiam referri ad imaginariam visionem, per quem modum Ezechiel vidit coelos apertos. Formabatur enim ex virtute divina et voluntate rationis talis visio in 342imaginatione Christi ad designandum, quod per baptismum coeli aditus hominibus aperitur. Potest etiam et ad visionem intellectualem referri, prout scilicet Christus vidit, jam baptismo sanctificato, apertum esse coelum hominibus, quod tamen etiam ante viderat esse fiendum.
2. Hierop is met Hieronymus te antwoorden (Verklaring van Mattheus, 3, 16, 17, 3e B.) : « Toen Christus gedoopt was, openden zich de hemelen voor zijn geestesoog, en niet in dien zin, dat de elementen zich vaneen deden: en dat bedoelt ook Ezechiel, als hij in het begin van zijn boek er melding van maakt dat de hemelen geopend waren ». En dat bewijst Chrysostomus (t. a. p.) met te zeggen, dat, « indien de geschapen hemel geopend was geweest, dan zou hij (d. i. Mattheus) niet gezegd hebben: « Hem werden geopend »: omdat wat in letterlijken zin geopend wordt, voor allen open staat ». En daarom zegt ook Marcus uitdrukkelijk (1, 10), dat op hetzelfde oogenblik, dat Jesus opsteeg uit het water, Hij den hemel geopend zag: als om die opening der hemelen in verband te brengen met het zien van Christus. Sommigen nu brengen het in verband met het lichamelijk zien, en zeggen dan, dat er zoo'n gloed om Christus straalde, toen Hij gedoopt werd, dat de hemelen wel geopend schenen. Het kan ook in verband gebracht worden, met een zien der fantasie, op dezelfde manier als waarop Ezechiël de hemelen geopend zag: door Gods kracht immers en den invloed van zijn eigen redelijken wil werd er een dergelijke voorstelling in Christus' fantasie gevormd, als om aan te geven, dat door het 342doopsel voor den menschen de toegang naar den hemel geopend wordt. Het kan ook nog in verband gebracht worden met een verstandelijk zien, in zoover Christus zag, dat, nu het doopsel geheiligd was, voor den menschen de hemel open stond; maar van te voren had Hij ook al gezien, dat dit zou geschieden.2. Hierop is met Hieronymus te antwoorden (Verklaring van Matteüs, 3, 16, 17, 3e B.): “Toen Christus gedoopt was, openden zich de hemelen voor zijn geestesoog, en niet in die zin, dat de elementen zich vaneen deden: en dat bedoelt ook Ezechiël, als hij in het begin van zijn boek er melding van maakt dat de hemelen geopend waren”. En dat bewijst Chrysostomus (t. a. p.) met te zeggen, dat, “indien de geschapen hemel geopend was geweest, dan zou hij (d.i. Matteüs) niet gezegd hebben: “Hem werden geopend”: omdat wat in letterlijke zin geopend wordt, voor allen open staat”. En daarom zegt ook Marcus uitdrukkelijk (1, 10), dat op hetzelfde ogenblik, dat Jesus opsteeg uit het water, Hij de hemel geopend zag: als om die opening van de hemelen in verband te brengen met het zien van Christus. Sommigen nu brengen het in verband met het lichamelijk zien, en zeggen dan, dat er zo'n gloed om Christus straalde, toen Hij gedoopt werd, dat de hemelen wel geopend schenen. Het kan ook in verband gebracht worden, met een zien van de fantasie, op dezelfde manier als waarop Ezechiël de hemelen geopend zag: door Gods kracht immers en de invloed van zijn eigen redelijken wil werd er een dergelijke voorstelling in Christus' fantasie gevormd, als om aan te geven, dat door het 342doopsel voor de mensen de toegang naar de hemel geopend wordt. Het kan ook nog in verband gebracht worden met een verstandelijk zien, in zover Christus zag, dat, nu het doopsel geheiligd was, voor de mensen de hemel open stond; maar van te voren had Hij ook al gezien, dat dit zou geschieden.
Ad tertium dicendum, quod per passionem Christi aperitur coelum omnibus, sicut per causam communem apertionis coelorum. Oportet tamen hanc causam communem apertionis coelorum singulis applicari, ad hoc quod coelum introeant. Quod quidem fit per baptismum, secundum illud Rom. 6. [v. 3] : « Quicumque baptizati sumus in Christo Jesu, in morte ipsius baptizati sumus ». Et ideo potius fit mentio de apertione coelorum in baptismo, quam in passione Christi.
3. Het lijden van Christus is de algemeene grond, waarom voor de menschen de hemel geopend wordt. Opdat ze nu echter den hemel kunnen binnengaan, moet deze oorzaak op ieder in het bizonder toegepast worden. En dit gebeurt door het doopsel, volgens het woord van den Brief aan de Romeinen (6, 3) : « Wij allen, die in Christus Jesus gedoopt zijn, zijn in zijn dood gedoopt ». En daarom wordt liever bij den doop dan bij het lijden melding gemaakt van de opening der hemelen.3. Het lijden van Christus is de algemene grond, waarom voor de mensen de hemel geopend wordt. Opdat ze nu echter de hemel kunnen binnengaan, moet deze oorzaak op ieder in het bizonder toegepast worden. En dit gebeurt door het doopsel, volgens het woord van de Brief aan de Romeinen (6, 3): “Wij allen, die in Christus Jesus gedoopt zijn, zijn in zijn dood gedoopt”. En daarom wordt liever bij de doop dan bij het lijden melding gemaakt van de opening van de hemelen.
Vel, sicut Chrysostomus dicit super Matth. [loc. sup. cit.], « baptizato Christo, coeli tantum sunt aperti. Postquam vero tyrannum vicit per crucem, quia non erant necessariae portae coelo nunquam claudendo, non dicunt Angeli: Aperite portas, jam enim erant apertae, sed: Tollite portas », per quod dat intelligere Chrysostomus quod obstacula, quibus prius obsistentibus, animae defunctorum introire 343non poterant coelos, sunt totaliter per passionem Christi ablata. Sed in baptismo Christi sunt aperta, quasi manifestata jam via, per quam homines erant in coelum intraturi.
Men kan op deze bedenking ook nog antwoorden met de woorden van Chrysostomus (t. a. p.) : « De hemelen werden, toen Christus gedoopt was, alleen maar geopend: toen Hij echter door het kruis den tyran overwonnen had, toen zeiden de Engelen niet « Opent de poorten », maar « Neemt de poorten weg », omdat een hemel, die zich nooit meer zal sluiten, geen poorten meer noodig heeft ». En hierdoor geeft Chrysostomus te verstaan, dat de hinderpalen, welke aanvankelijk verhinderden, dat de zielen 343der afgestorvenen de hemelen konden binnengaan, geheel en al weggenomen zijn door het lijden: maar ze werden bij den doop van Christus geopend, omdat toèn de weg aangewezen was, waarlangs de menschen den hemel zouden binnengaan.Men kan op deze bedenking ook nog antwoorden met de woorden van Chrysostomus (t. a. p.): “De hemelen werden, toen Christus gedoopt was, alleen maar geopend: toen Hij echter door het kruis de tiran overwonnen had, toen zeiden de Engelen niet ‘Opent de poorten’, maar ‘Neemt de poorten weg’, omdat een hemel, die zich nooit meer zal sluiten, geen poorten meer nodig heeft”. En hierdoor geeft Chrysostomus te verstaan, dat de hinderpalen, welke aanvankelijk verhinderden, dat de zielen 343van de afgestorvenen de hemelen konden binnengaan, geheel en al weggenomen zijn door het lijden: maar ze werden bij de doop van Christus geopend, omdat toèn de weg aangewezen was, waarlangs de mensen de hemel zouden binnengaan.
Utrum convenienter Spiritus Sanctus super Christum baptizatum descenderit in specie columbae
Is het wel passend wat er gezegd wordt, dat de Heilige Geest op Christus, nà diens doop, onder de gedaante van een duif neerdaalde?
Ad sextum sic proceditur. Videtur, quod inconvenienter Spiritus Sanctus super Christum baptizatum dicatur descendisse in specie columbae. Spiritus enim Sanctus habitat in homine per gratiam. Sed in homine Christo fuit plenitudo gratiae a principio suae conceptionis, quia fuit unigenitus a Patre, ut ex supradictis patet [q. 34. art. 4.]. Non ergo debuit Spiritus Sanctus ad eum mitti in baptismo.
Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet passend is, wat er gezegd wordt, dat de Heilige Geest op Christus nà zijn doop, onder de gedaante van een duif neerdaalde. — 1. De Heilige Geest immers, woont in de menschen door de genade. Maar in den mensch Christus was, van het eerste oogenblik van zijn ontvangenis af, de volheid der genade, omdat Hij de Eengeborene uit den Vader was, zooals blijkt uit wat boven gezegd is (7e Kw., 12e Art.; 34e Kw., 1e Art.). Dus moest de Heilige Geest niet bij zijn doop tot Hem gezonden worden.Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet passend is, wat er gezegd wordt, dat de Heilige Geest op Christus nà zijn doop, onder de gedaante van een duif neerdaalde. — 1. De Heilige Geest immers, woont in de mensen door de genade. Maar in de mens Christus was, van het eerste ogenblik van zijn ontvangenis af, de volheid van de genade, omdat Hij de Eengeborene uit de Vader was, zoals blijkt uit wat boven gezegd is (7e Kw., 12e Art.; 34e Kw., 1e Art.). Dus moest de Heilige Geest niet bij zijn doop tot Hem gezonden worden.
3442. Praeterea, Christus dicitur in mundum descendisse per mysterium Incarnationis, quando « exinanivit semetipsum, formam servi accipiens » [Philipp. 2, v. 7] : Sed Spiritus Sanctus non est incarnatus. Ergo inconvenienter dicitur, quod Spiritus Sanctus descenderit super eum.
3442. Men kan zeggen, dat Christus in de wereld neerdaalde, door het geheim der menschwording, toen Hij zich zelf vernietigde, door de gestalte van een slaaf aan te nemen (Brief aan de Philippenzen, 2, 7). De Heilige Geest is echter geen vleesch geworden. En zoo is het dus niet passend wat er gezegd wordt, dat nl. de Heilige Geest op Hem nederdaalde.3442. Men kan zeggen, dat Christus in de wereld neerdaalde, door het geheim van de menswording, toen Hij zichzelf vernietigde, door de gestalte van een slaaf aan te nemen (Brief aan de Filippenzen, 2, 7). De Heilige Geest is echter geen vlees geworden. En zo is het dus niet passend wat er gezegd wordt, dat nl. de Heilige Geest op Hem nederdaalde.
3. Praeterea, in baptismo Christi ostendi debuit, sicut in quodam exemplari, id quod fit in nostro baptismo. Sed in nostro baptismo non fit aliqua missio visibilis Spiritus Sancti. Ergo nec in baptismo Christi debuit fieri visibilis missio Spiritus Sancti.
3. In Christus' doop moest, als in een soort voorbeeld, aangetoond worden, wat bij ons doopsel plaats heeft. Maar bij ons doopsel heeft er geen zichtbare zending van den Heiligen Geest plaats. Dus had er ook niet bij het doopsel van Christus een zichtbare zending van den Heiligen Geest moeten plaats hebben.3. In Christus' doop moest, als in een soort voorbeeld, aangetoond worden, wat bij ons doopsel plaats heeft. Maar bij ons doopsel heeft er geen zichtbare zending van de Heilige Geest plaats. Dus had er ook niet bij het doopsel van Christus een zichtbare zending van de Heilige Geest moeten plaats hebben.
4. Praeterea, Spiritus Sanctus a Christo in omnes alios derivatur, secundum illud Joan. 1. [v. 16] : « De plenitudine ejus nos omnes accepimus ». Sed super Apostolos Spiritus Sanctus descendit, non in specie columbae, sed in specie ignis. Ergo nec super Christum debuisset descendere in specie columbae, sed in specie ignis.
4. De Heilige Geest vloeit van Christus op alle anderen over, volgens het woord van Joannes (1, 16) : « Van zijn volheid hebben wij allen ontvangen ». Maar de Heilige Geest daalde over de Apostelen neer, niet onder de gedaante van een duif, maar onder de gedaante van vuur. Dus moest Hij ook niet over Christus neerdalen onder de gedaante van een duif, maar onder de gedaante van vuur.4. De Heilige Geest vloeit van Christus op alle anderen over, volgens het woord van Johannes (1, 16): “Van zijn volheid hebben wij allen ontvangen”. Maar de Heilige Geest daalde over de Apostelen neer, niet onder de gedaante van een duif, maar onder de gedaante van vuur. Dus moest Hij ook niet over Christus neerdalen onder de gedaante van een duif, maar onder de gedaante van vuur.
Sed contra est, quod dicitur Luc. 3. [v. 22] : « Descendit Spiritus Sanctus corporali specie, sicut columba, in ipsum ».
Daartegenover staat echter wat Lucas zegt (3, 22) : « De Heilige Geest daalde in lichamelijke gedaante als een duif op Hem neer ».Daartegenover staat echter wat Lukas zegt (3, 22): “De Heilige Geest daalde in lichamelijke gedaante als een duif op Hem neer”.
345Respondeo dicendum, quod hoc quod circa Christum factum est in ejus baptismo, sicut Chrysostomus dicit super Matth. [hom. 4. in op. imperf., inter opp. Chrys.], pertinet ad mysterium omnium, qui postmodum fuerant baptizandi. Omnes autem, qui baptismo Christi baptizantur, Spiritum Sanctum recipiunt, nisi ficti accedant, secundum illud Matth. 3. [v. 11] : « Ipse vos baptizabit in Spiritu Sancto ». Et ideo conveniens fuit, ut super Christum baptizatum Spiritus Sanctus descenderet.
345Leerstelling. — Wat er met Christus bij zijn doop gebeurd is, behoort, zooals Chrysostomus zegt (4e Homelie van een onvoltooid gebleven Verklaring van Mattheus) bij het mysterie dat zich in allen voltrekt, die naderhand zouden gedoopt worden. Al degenen nu, die met het doopsel van Christus gedoopt worden, ontvangen, behalve dan wanneer ze in schijn er toe naderen, den Heiligen Geest, zooals blijkt uit Mattheus (3, 11) : « Hij zal u doopen met den Heiligen Geest ». En dus was het passend, dat op den Heer nà zijn doopsel, de Heilige Geest nederdaalde.345Leerstelling. — Wat er met Christus bij zijn doop gebeurd is, behoort, zoals Chrysostomus zegt (4e Homelie van een onvoltooid gebleven Verklaring van Matteüs) bij het mysterie dat zich in allen voltrekt, die naderhand zouden gedoopt worden. Al degenen nu, die met het doopsel van Christus gedoopt worden, ontvangen, behalve dan wanneer ze in schijn er toe naderen, de Heilige Geest, zoals blijkt uit Matteüs (3, 11): “Hij zal u dopen met de Heilige Geest”. En dus was het passend, dat op de Heer nà zijn doopsel, de Heilige Geest nederdaalde.
Ad primum ergo dicendum, quod, sicut Augustinus dicit 15. de Trin. [cap. 26], « absurdissimum est dicere, quod Christus, cum jam triginta esset annorum, acceperit Spiritum Sanctum. Sed venit ad baptismum sicut sine peccato, ita non sine Spiritu Sancto. Si enim de Joanne scriptum est, quod Spiritu Sancto replebitur ab utero matris suae, quid de homine Christo dicendum est, cujus carnis ipsa conceptio non carnalis, sed spiritualis fuit? 346Tunc ergo (idest in baptismo) corpus suum, idest Ecclesiam, praefigurare dignatus est, in qua baptizati praecipue accipiunt Spiritum Sanctum ».
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Hierop moet geantwoord worden met de woorden van Augustinus (15e B. van zijn werk Over de Drievuldigheid, 26e H.) : « Het is te dwaas om te beweren, dat Christus den Heiligen Geest eerst ontving, toen Hij dertig jaar oud was : maar kwam Hij tot het doopsel zonder zonde, evenzoo niet zonder den Heiligen Geest. Want, zoo al van Joannes geschreven staat, dat hij « reeds van den schoot zijner moeder af vervuld zal worden van den Heiligen Geest », wat moet dan niet te zeggen zijn van den mensch Christus, wiens lichaam niet op vleeschelijke, maar op geestelijke wijze ontvangen was? Nù derhalve d. i. bij zijn doopsel, verwaardigde Hij zich zijn lichaam 346d. i. de Kerk, te voorafbeelden, waarin de gedoopten voornamelijk den Heiligen Geest ontvangen ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Hierop moet geantwoord worden met de woorden van Augustinus (15e B. van zijn werk Over de Drievuldigheid, 26e H.): “Het is te dwaas om te beweren, dat Christus de Heilige Geest eerst ontving, toen Hij dertig jaar oud was: maar kwam Hij tot het doopsel zonder zonde, evenzo niet zonder de Heilige Geest. Want, zo al van Johannes geschreven staat, dat hij ‘reeds van de schoot van zijn moeder af vervuld zal worden van de Heilige Geest’, wat moet dan niet te zeggen zijn van de mens Christus, wiens lichaam niet op vleselijke, maar op geestelijke wijze ontvangen was? Nù derhalve d.i. bij zijn doopsel, verwaardigde Hij zich zijn lichaam 346d.i. de Kerk, te voorafbeelden, waarin de gedoopten voornamelijk de Heilige Geest ontvangen”.
Ad secundum dicendum, quod, sicut Augustinus dicit in 2. de Trin. [cap. 6.], Spiritus Sanctus descendisse dicitur super Christum corporali specie, sicut columba, non quia ipsa substantia Spiritus Sancti videretur, quae est invisibilis, neque ita quod illa visibilis creatura in unitatem personae divinae assumeretur. Neque enim dicitur quod Spiritus Sanctus sit columba, sicut dicitur quod Filius Dei est homo, ratione unionis; neque etiam hoc modo Spiritus Sanctus visus est in specie columbae, sicut Joannes vidit agnum occisum in Apocalypsi, ut habetur Apoc. 5. [v. 6] ; illa enim visio facta fuit in Spiritu per spirituales imagines corporum. De illa vero columba nullus unquam dubitavit, quin oculis visa sit. Nec etiam hoc modo in specie columbae Spiritus Sanctus apparuit, sicut dicitur 1. ad Corinth. 10. [v. 4] : « Petra autem erat Christus ». Illa enim petra jam erat in creatura, et per significationis modum nuncupata est nomine Christi, quem significabat; illa autem columba ad hoc tantum significandum repente 347extitit, et postea cessavit, sicut flamma, quae in rubo apparuit Moysi.
2. Volgens Augustinus, in zijn werk Over de Drievuldigheid (2e B., 5e en 6e H.) kan men niet zeggen, dat de Heilige Geest in lichamelijke gedaante als een duif, op Christus is neergedaald, omdat het wezen zelf van den Heiligen Geest gezien werd: want dat is onzichtbaar. Evenmin kan men zeggen, dat dat zichtbare schepsel opgenomen werd in de eenheid der goddelijke persoon : want men kan niet zeggen, dat de Heilige Geest een duif is, zooals men wel, op grond der vereeniging, kan zeggen, dat de Zoon Gods mensch is. Ook werd de Heilige Geest niet op dezelfde wijze gezien onder de gedaante van een duif, zooals Joannes in het Boek der Openbaring het geslachte lam zag, zooals vermeld staat in het Boek der Openbaring (5, 6) ; want dit gezicht werd in den geest teweeg gebracht door geestelijke beelden van lichamen; niemand heeft er echter ooit aan getwijfeld, of die duif wel met de oogen gezien is. En de Heilige Geest verscheen ook niet op die wijze onder de gedaante van een duif, zooals gezegd wordt in den Eersten Brief aan de Korinthiërs (10, 4) : « En die rots was Christus ». « Want die rots was al iets geschapens en haar werd, om haar manier van doen, de naam: Christus gegeven, dien zij beteekende; die duif echter, ontstond eensklaps en hield later op te bestaan, alleen maar 347om dat aan te duiden, evenals de vlam, die in het braambosch aan Mozes verscheen ».2. Volgens Augustinus, in zijn werk Over de Drievuldigheid (2e B., 5e en 6e H.) kan men niet zeggen, dat de Heilige Geest in lichamelijke gedaante als een duif, op Christus is neergedaald, omdat het wezen zelf van de Heilige Geest gezien werd: want dat is onzichtbaar. Evenmin kan men zeggen, dat dat zichtbare schepsel opgenomen werd in de eenheid van de goddelijke persoon: want men kan niet zeggen, dat de Heilige Geest een duif is, zoals men wel, op grond van de vereniging, kan zeggen, dat de Zoon Gods mens is. Ook werd de Heilige Geest niet op dezelfde wijze gezien onder de gedaante van een duif, zoals Johannes in het Boek van de Openbaring het geslachte lam zag, zoals vermeld staat in het Boek van de Openbaring (5, 6); want dit gezicht werd in de geest teweeg gebracht door geestelijke beelden van lichamen; niemand heeft er echter ooit aan getwijfeld, of die duif wel met de ogen gezien is. En de Heilige Geest verscheen ook niet op die wijze onder de gedaante van een duif, zoals gezegd wordt in de Eerste Brief aan de Korintiërs (10, 4): “En die rots was Christus”. “Want die rots was al iets geschapens en haar werd, om haar manier van doen, de naam: Christus gegeven, die zij betekende; die duif echter, ontstond eensklaps en hield later op te bestaan, alleen maar 347om dat aan te duiden, evenals de vlam, die in het braambos aan Mozes verscheen”.
Dicitur ergo Spiritus Sanctus descendisse super Christum, non ratione unionis ad columbam, sed vel ratione ipsius columbae significantis Spiritum Sanctum, quae descendendo super Christum venit, vel ratione spiritualis gratiae, quae a Deo per modum cujusdam descensus in creaturam derivatur, secundum illud Jacobi 1. [v. 17] : « Omne datum optimum, et omne donum perfectum de sursum est, descendens a Patre luminum ».
Men kan derhalve zeggen, dat de Heilige Geest op Christus neergedaald is, niet op grond van een vereeniging met de duif : maar ofwel op grond van de duif zelf, die den Heiligen Geest beteekende en die al neerdalende op Christus kwam, of ook wel op grond van de geestelijke genade, die van God, bij wijze van een soort nederdaling, op het schepsel overvloeit, naar het woord van Jacobus (1, 17) : « Alle goede gift en volmaakte gave komt van boven en daalt neer van den Vader der lichten ».Men kan derhalve zeggen, dat de Heilige Geest op Christus neergedaald is, niet op grond van een vereniging met de duif: maar ofwel op grond van de duif zelf, die de Heilige Geest betekende en die al neerdalende op Christus kwam, of ook wel op grond van de geestelijke genade, die van God, bij wijze van een soort nederdaling, op het schepsel overvloeit, naar het woord van Jacobus (1, 17): “Alle goede gift en volmaakte gave komt van boven en daalt neer van de Vader van de lichten”.
Ad tertium dicendum, quod sicut Chrysostomus dicit super Matth. [hom. 12.], « in principiis spiritualium rerum semper sensibiles apparent visiones, propter eos qui nullam intelligentiam incorporalis naturae suscipere possunt, ut si postea non fiant, ex his quae semel facta sunt, recipiant fidem ». Et ideo circa Christum baptizatum corporali specie Spiritus Sanctus visibiliter descendit, ut super omnes baptizatos invisibiliter postea credatur descendere.
3. Hierop moet geantwoord worden met de woorden van Chrysostomus (12e Homelie op Mattheus) : « Als geestelijke dingen een aanvang nemen, verschijnen immer zintuigelijk waarneembare gezichten, ter wille van hen, die niet vatbaar zijn voor het begrip van een niet-lichamelijk wezen: en het doel hiervan is, dat, als ze later niet meer voorkomen, men gelooven zou, om datgene wat er eens wèl geschied is ». En dus daalde bij Christus' doop de Heilige Geest in lichamelijke gedaante zichtbaar neder, opdat men zou gelooven, dat Hij later onzichtbaar op de gedoopten zou neerdalen.3. Hierop moet geantwoord worden met de woorden van Chrysostomus (12e Homelie op Matteüs): “Als geestelijke dingen een aanvang nemen, verschijnen immer zintuigelijk waarneembare gezichten, ter wille van hen, die niet vatbaar zijn voor het begrip van een niet-lichamelijk wezen: en het doel hiervan is, dat, als ze later niet meer voorkomen, men geloven zou, om datgene wat er eens wèl geschied is”. En dus daalde bij Christus' doop de Heilige Geest in lichamelijke gedaante zichtbaar neder, opdat men zou geloven, dat Hij later onzichtbaar op de gedoopten zou neerdalen.
Ad quartum dicendum, quod Spiritus Sanctus in specie columbae 348apparuit super Christum baptizatum, propter tria1. Primo quidem propter dispositionem, quae requiritur in baptizato, ut scilicet non fictus accedat, quia, sicut dicitur Sap. 1. [v. 5], « Spiritus Sanctus disciplinae effugiet fictum ». Columba autem est animal simplex, astutia et dolo carens; unde dicitur Matth. 10. [v. 16] : « Estote simplices, sicut columbae ».
4. Om vier redenen daalde de Heilige Geest onder de gedaante van een duif op Christus neer toen Hij gedoopt was. En wel ten 348eerste, om de gesteltenis die in den doopeling vereischt wordt : hij mag nl. niet in schijn (tot het doopsel) naderen, omdat, zooals in het Boek der Wijsheid gezegd wordt (1, 5) : « De Heilige Geest der tucht vliedt wat geveinsd is ». Want de duif is een eenvoudig dier, zonder list en bedrog: vandaar zegt Mattheus (10, 16) : « weest eenvoudig als de duiven ».4. Om vier redenen daalde de Heilige Geest onder de gedaante van een duif op Christus neer toen Hij gedoopt was. En wel ten 348eerste, om de gesteltenis die in de dopeling vereist wordt: hij mag nl. niet in schijn (tot het doopsel) naderen, omdat, zoals in het Boek van de Wijsheid gezegd wordt (1, 5): “De Heilige Geest van de tucht vliedt wat geveinsd is”. Want de duif is een eenvoudig dier, zonder list en bedrog: vandaar zegt Matteüs (10, 16): “weest eenvoudig als de duiven”.
Secundo ad designandum septem dona Spiritus Sancti, quae columba suis proprietatibus significat: columba enim secus fluenta habitat, ut inde, viso accipitre, mergat se, et evadat; quod pertinet ad donum sapientiae, per quam Sancti secus Scripturae divinae fluenta resident, ut incursum diaboli evadant. Item columba meliora grana eligit, quod pertinet ad donum scientiae, qua Sancti sententias sanas, quibus pascantur, eligunt. Item columba alienos pullos nutrit, quod pertinet ad donum consilii, quo sancti homines, qui fuerunt pulli, idest imitatores diaboli, doctrina nutriunt et exemplo. Item columba non lacerat rostro, quod pertinet ad donum 349intellectus, quo Sancti bonas sententias lacerando non pervertunt, haereticorum more. Item columba felle caret, quod pertinet ad donum pietatis, per quam Sancti ira irrationabili carent. Item columba in cavernis petrae nidificat, quod pertinet ad donum fortitudinis, qua Sancti in plagis mortis Christi, qui est petra firma, nidum ponunt, idest suum refugium et spem. Item columba gemitum pro cantu habet, quod pertinet ad donum timoris, quo Sancti delectantur in gemitu pro peccatis.
Ten tweede, om de zeven gaven van den Heiligen Geest aan te geven, welke de duif door haar eigenschappen beteekent. De duif immers huist bij stroomen om als er een havik in zicht komt, zich onder te dompelen en te ontsnappen. En dit duidt op de gave der wijsheid, waardoor de heiligen zich neerzetten aan de stroomen der heilige Schrift ten einde aan de aanvallen van den duivel te ontkomen. — De duif zoekt vervolgens de beste graankorrels uit. En dit behoort bij de gave van wetenschap, waardoor de heiligen de bezonnen meeningen uitkiezen, waar ze zich mee voeden. — Ook voedt de duif andere jongen. En dit slaat op de gave van raad, waardoor heiligen die menschen, welke kinderen d. i. navolgers van den duivel, waren, door hun leer en voorbeeld spijzigen. — Verder verscheurd de duif niet met haar snavel. En dit houdt verband met de gave van verstand, waardoor de heiligen de goede sententies niet, zooals de ketters doen, verderven met ze in stukken te scheuren. — Ook heeft de duif geen gal. Wat op de gave van 349godsvrucht betrekking heeft, waardoor de heiligen vrij zijn van onredelijken toorn. — En verder bouwt de duif zijn nest in rotsholen. En dit houdt verband met de gave van sterkte, waardoor de heiligen hun zetel, d. i. hun toevlucht en hoop vestigen op de wonden van den dood van Christus, die een vaste rots is. — En vervolgens weeklaagt de duif in plaats van te zingen. Wat op de gave van vrees slaat, waardoor de heiligen hun behagen vinden in weeklachten om de zonden.Ten tweede, om de zeven gaven van de Heilige Geest aan te geven, welke de duif door haar eigenschappen betekent. De duif immers huist bij stromen om als er een havik in zicht komt, zich onder te dompelen en te ontsnappen. En dit duidt op de gave van de wijsheid, waardoor de heiligen zich neerzetten aan de stromen van de heilige Schrift ten einde aan de aanvallen van de duivel te ontkomen. — De duif zoekt vervolgens de beste graankorrels uit. En dit behoort bij de gave van wetenschap, waardoor de heiligen de bezonnen meningen uitkiezen, waar ze zich mee voeden. — Ook voedt de duif andere jongen. En dit slaat op de gave van raad, waardoor heiligen die mensen, welke kinderen d.i. navolgers van de duivel, waren, door hun leer en voorbeeld spijzigen. — Verder verscheurd de duif niet met haar snavel. En dit houdt verband met de gave van verstand, waardoor de heiligen de goede sententies niet, zoals de ketters doen, verderven met ze in stukken te scheuren. — Ook heeft de duif geen gal. Wat op de gave van 349godsvrucht betrekking heeft, waardoor de heiligen vrij zijn van onredelijke toorn. — En verder bouwt de duif zijn nest in rotsholen. En dit houdt verband met de gave van sterkte, waardoor de heiligen hun zetel, d.i. hun toevlucht en hoop vestigen op de wonden van de dood van Christus, die een vaste rots is. — En vervolgens weeklaagt de duif in plaats van te zingen. Wat op de gave van vrees slaat, waardoor de heiligen hun behagen vinden in weeklachten om de zonden.
Tertio apparuit Spiritus Sanctus in specie columbae propter effectum proprium baptismi, qui est remissio peccatorum et reconciliatio ad Deum; columba enim est animal mansuetum, et ideo, sicut Chrysostomus dicit super Matth. [hom. 12.], « in diluvio apparuit hoc animal, ramum ferens olivae, et communem orbis terrarum tranquillitatem annuntians ». Et nunc etiam columba apparet in baptismo, liberatorem nobis demonstrans ».
Ten derde verscheen de Heilige Geest onder de gedaante van een duif, om het eigen gevolg van het doopsel, nl. de vergiffenis der zonden en de verzoening met God: de duif immers is een zachtaardig dier. En daarom verscheen zooals Chrysostomus zegt (12e Homelie op Mattheus) dit dier bij den zondvloed met een olijftak bij zich en de algeheele rust der wereld aankondigend : en ook nu weer verschijnt de duif bij het doopsel, om aan te toonen, dat er voor ons verlossing is.Ten derde verscheen de Heilige Geest onder de gedaante van een duif, om het eigen gevolg van het doopsel, nl. de vergiffenis van de zonden en de verzoening met God: de duif immers is een zachtaardig dier. En daarom verscheen zoals Chrysostomus zegt (12e Homelie op Matteüs) dit dier bij de zondvloed met een olijftak bij zich en de algehele rust van de wereld aankondigend: en ook nu weer verschijnt de duif bij het doopsel, om aan te tonen, dat er voor ons verlossing is.
Quarto apparuit Spiritus Sanctus in specie columbae super Dominum baptizatum, ad designandum communem effectum baptismi, qui est conjunctio ecclesiasticae unitatis; unde dicitur Ephes. 5. [v. 25 sqq.], quod Christus « tradidit semetipsum, ut 350exhiberet sibi gloriosam Ecclesiam, non habentem maculam, aut rugam, aut aliquid hujusmodi, lavans eam lavacro aquae in verbo vitae ». Et ideo convenienter Spiritus Sanctus in baptismo demonstratus est in specie columbae, quae est animal amicabile et gregale; unde et Cant. 6. [v. 8] dicitur de Ecclesia: « Una est columba mea ».
Ten vierde verscheen de Heilige Geest onder de gedaante van een duif boven den Heer toen Hij gedoopt was, om het meer algemeene gevolg van het doopsel aan te geven nl. de vorming der kerkelijke eenheid. Vandaar staat er in den Brief aan de Ephesiërs (5, 25) dat Christus zich voor haar heeft overgeleverd, om 350zich een heerlijke Kerk te bereiden, zonder vlek of rimpel of iets van dien aard en haar te reinigen door het waterbad vergezeld van het woord. En dus werd heel passend de Heilige Geest bij het doopsel aangewezen onder de gedaante van een duif, wat een trouwhartig en in zwermen levend dier is. Vandaar wordt er ook in het Hooglied (6, 8) aangaande de Kerk gezegd : « Een eenige is mijn duif ».Ten vierde verscheen de Heilige Geest onder de gedaante van een duif boven de Heer toen Hij gedoopt was, om het meer algemene gevolg van het doopsel aan te geven nl. de vorming van de kerkelijke eenheid. Vandaar staat er in de Brief aan de Efesiërs (5, 25) dat Christus zich voor haar heeft overgeleverd, om 350zich een heerlijke Kerk te bereiden, zonder vlek of rimpel of iets van die aard en haar te reinigen door het waterbad vergezeld van het woord. En dus werd heel passend de Heilige Geest bij het doopsel aangewezen onder de gedaante van een duif, wat een trouwhartig en in zwermen levend dier is. Vandaar wordt er ook in het Hooglied (6, 8) aangaande de Kerk gezegd: “Een enige is mijn duif”.
Super Apostolos autem in specie ignis Spiritus Sanctus descendit, propter duo. Primo quidem ad ostendendum fervorem, quo corda eorum erant commovenda, ad hoc quod Christum ubique inter pressuras praedicarent; et ideo etiam in igneis linguis apparuit: unde Augustinus dicit super Joan. [tract. 6, N. 3] : « Duobus modis ostendit visibiliter Dominus Spiritum Sanctum, scilicet per columbam super Dominum baptizatum, et per ignem super discipulos congregatos, ibi simplicitas, hic fervor ostenditur. Ergo ne Spiritu sanctificati dolum habeant, in columba demonstratus est, et ne simplicitas frigida remaneat, in igne demonstratus est: Nec te moveat, quia linguae divisae sunt: unitatem in columba cognosce ».
Om twee redenen daalde de Heilige Geest echter over de Apostelen neer onder de gedaante van vuur. En wel ten eerste om den gloed aan te geven waardoor hun harten moesten aangegrepen worden, om Christus overal onder verdrukkingen nog te kunnen prediken. En daarom verscheen Hij ook in vurige tongen. Vandaar zegt Augustinus in zijn 6e Verhandeling op Joannes (Nr 3) : « Op twee manieren toonde de Heer den Heiligen Geest op zichtbare wijze: en wel door een duif boven den Heer, nà zijn doop; door vuur boven de vergaderde Apostelen. Daar wordt gewezen op de eenvoud, hier op den gloed. Opdat ze dus niet, geheiligd door den Geest, vol bedrog zouden zijn, werd Hij in een duif getoond; en opdat hun eenvoud niet koud zou blijven, in vuur. Laat het u niet verontrusten, dat de tongen verdeeld waren: herken de eenheid in de duif ».Om twee redenen daalde de Heilige Geest echter over de Apostelen neer onder de gedaante van vuur. En wel ten eerste om de gloed aan te geven waardoor hun harten moesten aangegrepen worden, om Christus overal onder verdrukkingen nog te kunnen prediken. En daarom verscheen Hij ook in vurige tongen. Vandaar zegt Augustinus in zijn 6e Verhandeling op Johannes (Nr 3): “Op twee manieren toonde de Heer de Heilige Geest op zichtbare wijze: en wel door een duif boven de Heer, nà zijn doop; door vuur boven de vergaderde Apostelen. Daar wordt gewezen op de eenvoud, hier op de gloed. Opdat ze dus niet, geheiligd door de Geest, vol bedrog zouden zijn, werd Hij in een duif getoond; en opdat hun eenvoud niet koud zou blijven, in vuur. Laat het u niet verontrusten, dat de tongen verdeeld waren: herken de eenheid in de duif”.
Secundo, quia, sicut Chrysostomus dicit [Gregorius, 351Homil. 30 in Evang.], « cum oportebat delictis ignoscere », quod fit in baptismo, « mansuetudo necessaria erat, quae demonstratur in columba. Sed ubi adepti sumus gratiam, restat judicii tempus, quod significatur per ignem ».
En ten tweede, omdat er, zooals Chrysostomus zegt (Gregorius 35130e Homelie op het Evangelie) misdaden moesten vergeven worden, wat in het doopsel gebeurt, was er lankmoedigheid noodig: wat in de duif aangetoond wordt. Maar wanneer we genade gekregen hebben, blijft nog de tijd van het oordeel over : wat door het vuur beteekend wordt.En ten tweede, omdat er, zoals Chrysostomus zegt (Gregorius 35130e Homelie op het Evangelie) misdaden moesten vergeven worden, wat in het doopsel gebeurt, was er lankmoedigheid nodig: wat in de duif aangetoond wordt. Maar wanneer we genade gekregen hebben, blijft nog de tijd van het oordeel over: wat door het vuur betekend wordt.
Utrum illa columba, in qua apparuit Spiritus Sanctus, fuerit verum animal
Was de duif, waarin de Heilige Geest verscheen, een werkelijk dier?
Ad septimum sic proceditur. Videtur, quod illa columba, in qua Spiritus Sanctus apparuit, non fuerit verum animal. Illud enim videtur specie tenus apparere, quod secundum similitudinem apparet. Sed Luc. 3. [v. 22] dicitur quod « descendit Spiritus Sanctus corporali specie, sicut columba, in ipsum ». Non ergo fuit vera columba, sed quaedam similitudo columbae.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de duif, waarin de Heilige Geest verscheen, geen werkelijk dier was. — 1. Datgene immers lijkt alleen maar in schijn te verschijnen, wat in beeld verschijnt. Maar Lucas zegt (3, 22) dat de Heilige Geest op Hem neerdaalde in lichamelijke gedaante als een duif. Het was dus geen echte duif, maar iets wat op een duif geleek.Bedenkingen. — Men beweert, dat de duif, waarin de Heilige Geest verscheen, geen werkelijk dier was. — 1. Datgene immers lijkt alleen maar in schijn te verschijnen, wat in beeld verschijnt. Maar Lukas zegt (3, 22) dat de Heilige Geest op Hem neerdaalde in lichamelijke gedaante als een duif. Het was dus geen echte duif, maar iets wat op een duif geleek.
2. Praeterea, sicut natura nihil facit frustra, ita nec Deus, ut dicitur in 1. de Coelo [C. 4, N. 8]. Sed cum columba illa non advenerit, nisi 352ut aliquid significaret, atque praeteriret, ut Augustinus dicit in 2. de Trinitate [cap. 6.], frustra fuisset vera columba, quia hoc ipsum fieri poterat per columbae similitudinem. Non ergo illa columba fuit verum animal.
2. Evenals de natuur niets maakt wat geen zin heeft, zooals gezegd wordt in het 1e Boek Over den Hemel (4e H., Nr 8) zoo ook God niet. Maar omdat nu die duif alleen maar optrad om 352iets te beteekenen en voorbij te gaan zooals Augustinus zegt in zijn werk Over de Drievuldigheid (2e B., 6e H.) zou een echte duif geen zin hebben gehad, omdat hetzelfde had kunnen geschieden met iets wat op een duif gelijkt. Die duif was dus geen werkelijk dier.2. Evenals de natuur niets maakt wat geen zin heeft, zoals gezegd wordt in het 1e Boek Over de Hemel (4e H., Nr 8) zo ook God niet. Maar omdat nu die duif alleen maar optrad om 352iets te betekenen en voorbij te gaan zoals Augustinus zegt in zijn werk Over de Drievuldigheid (2e B., 6e H.) zou een echte duif geen zin hebben gehad, omdat hetzelfde had kunnen geschieden met iets wat op een duif gelijkt. Die duif was dus geen werkelijk dier.
3. Praeterea, proprietates cujuslibet rei ducunt in cognitionem naturae illius rei. Si ergo fuisset illa columba verum animal, proprietates columbae significassent naturam veri animalis, non autem effectus Spiritus Sancti. Non ergo videtur, quod illa columba fuerit verum animal.
3. Van iedere zaak, leiden de eigenschappen tot de kennis der natuur van die zaak. Indien derhalve die duif een werkelijk dier geweest was, dan zouden de eigenschappen der duif de natuur van een werkelijk dier beteekend hebben, en niet de uitwerkingen van den Heiligen Geest. Het schijnt dus wel, dat die duif geen werkelijk dier is geweest.3. Van iedere zaak, leiden de eigenschappen tot de kennis van de natuur van die zaak. Indien derhalve die duif een werkelijk dier geweest was, dan zouden de eigenschappen van de duif de natuur van een werkelijk dier betekend hebben, en niet de uitwerkingen van de Heilige Geest. Het schijnt dus wel, dat die duif geen werkelijk dier is geweest.
Sed contra est quod Augustinus dicit in lib. de Agone Christiano [cap. 22] : « Neque hoc ita dicimus, ut Dominum Jesum Christum dicamus solum verum corpus habuisse, Spiritum autem Sanctum fallaciter apparuisse oculis hominum, sed ambo illa corpora vera esse credimus ».
Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt, in zijn werk Over den Strijd van den Christen: « En wij drukken dat daarom niet zoo uit, ten einde te kunnen beweren, dat Onze Heer Jesus Christus alleen maar een werkelijk lichaam heeft gehad, en de Heilige Geest slechts in schijn voor de oogen der menschen verschenen is : maar wij gelooven dat beide lichamen werkelijkheid waren ».Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt, in zijn werk Over de Strijd van de Christen: “En wij drukken dat daarom niet zo uit, ten einde te kunnen beweren, dat Onze Heer Jesus Christus alleen maar een werkelijk lichaam heeft gehad, en de Heilige Geest slechts in schijn voor de ogen van de mensen verschenen is: maar wij geloven dat beide lichamen werkelijkheid waren”.
Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [q. 5. art. 1.], non decebat, ut Filius Dei, qui est veritas Patris, aliqua fictione uteretur, 353et ideo non phantasticum, sed verum corpus accepit. Et quia Spiritus Sanctus dicitur spiritus veritatis, ut patet Joan. 16. [v. 13], ideo etiam ipse veram columbam formavit, in qua appareret, licet non assumeret ipsam in unitatem personae. Unde post praedicta verba Augustinus subdit: « Sicut non oportebat, ut homines falleret filius Dei, sic etiam non oportebat, ut falleret Spiritus Sanctus. Sed omnipotenti Deo, qui universam creaturam ex nihilo fabricavit, non erat difficile verum corpus columbae sine aliarum columbarum ministerio figurare, sicut non fuit ei difficile verum corpus in utero Mariae sine virili semine fabricare. Cum creatura corporea et in visceribus foeminae ad formandum hominem, et in ipso mundo ad formandam columbam, imperio Domini voluntatique serviret ».
Leerstelling. — Zooals vroeger gezegd (5e Kw., 1e Art.), paste het niet, dat de Zoon Gods, die de Waarheid des Vaders is, van een of andere fictie zou gebruik maken; en daarom nam Hij 353geen schijn-, maar een werkelijk lichaam aan. En omdat de Heilige Geest de Geest van Waarheid genoemd wordt, zooals blijkt uit Joannes (16, 13), daarom vormde ook Hij een werkelijke duif om daarin te verschijnen, alhoewel Hij haar niet opnam in de eenheid van zijn persoon. Vandaar voegt Augustinus nog aan de geciteerde woorden toe : « Zooals het niet betaamde, dat de Zoon Gods de menschen bedroog, evenmin betaamde het, dat de Heilige Geest ze zou bedriegen. Het was echter niet zoo moeilijk voor den almachtigen God, die de heele schepping uit niets gemaakt heeft, om, zonder behulp van andere duiven, een echt duiven-lichaam te vormen, zooals het ook niet lastig voor Hem geweest is, in Maria's schoot een werkelijk lichaam te maken zonder mannelijk zaad. Een lichamelijk schepsel moet immers evenzeer aan het bevel en den wil des Heeren gehoorzamen, om een mensch te vormen in den schoot eener vrouw, en een duif te vormen in het heelal ».Leerstelling. — Zoals vroeger gezegd (5e Kw., 1e Art.), paste het niet, dat de Zoon Gods, die de Waarheid van de Vader is, van een of andere fictie zou gebruik maken; en daarom nam Hij 353geen schijn-, maar een werkelijk lichaam aan. En omdat de Heilige Geest de Geest van Waarheid genoemd wordt, zoals blijkt uit Johannes (16, 13), daarom vormde ook Hij een werkelijke duif om daarin te verschijnen, alhoewel Hij haar niet opnam in de eenheid van zijn persoon. Vandaar voegt Augustinus nog aan de geciteerde woorden toe: “Zoals het niet betaamde, dat de Zoon Gods de mensen bedroog, evenmin betaamde het, dat de Heilige Geest ze zou bedriegen. Het was echter niet zo moeilijk voor de almachtige God, die de hele schepping uit niets gemaakt heeft, om, zonder behulp van andere duiven, een echt duiven-lichaam te vormen, zoals het ook niet lastig voor Hem geweest is, in Maria's schoot een werkelijk lichaam te maken zonder mannelijk zaad. Een lichamelijk schepsel moet immers evenzeer aan het bevel en de wil van de Heer gehoorzamen, om een mens te vormen in de schoot van een vrouw, en een duif te vormen in het heelal”.
Ad primum ergo dicendum, quod Spiritus Sanctus dicitur descendisse in specie vel similitudine columbae, non ad excludendam veritatem columbae, sed ad ostendendum quod ipse non apparuit in specie suae substantiae.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Heilige Geest wordt gezegd, neergedaald te zijn onder de gedaante of in de gelijkenis eener duif, niet om uit te sluiten dat het een werkelijke duif was, maar om aan te toonen, dat Hij niet verscheen in de gedaante van zijn eigen wezen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Heilige Geest wordt gezegd, neergedaald te zijn onder de gedaante of in de gelijkenis van een duif, niet om uit te sluiten dat het een werkelijke duif was, maar om aan te tonen, dat Hij niet verscheen in de gedaante van zijn eigen wezen.
354Ad secundum dicendum, quod non fuit superfluum formare veram columbam, ut in ea Spiritus Sanctus appareret, quia per ipsam veritatem columbae significatur veritas Spiritus Sancti et effectuum ejus.
3542. Het was niet overbodig een duif te vormen, om daarin den Heiligen Geest te laten verschijnen, omdat door de werkelijkheid van de duif, de werkelijkheid van den Heiligen Geest en zijn uitwerkingen beteekend wordt.3542. Het was niet overbodig een duif te vormen, om daarin de Heilige Geest te laten verschijnen, omdat door de werkelijkheid van de duif, de werkelijkheid van de Heilige Geest en zijn uitwerkingen betekend wordt.
Ad tertium dicendum, quod proprietates columbae eodem modo ducunt ad significandum naturam columbae, et ad significandos effectus Spiritus Sancti. Per hoc enim quod columba habet tales proprietates, ostenditur, quod columba significat Spiritum Sanctum.
3. De eigenschappen der duif leiden er op dezelfde wijze toe, om de natuur van een duif aan te geven, als om de uitwerkingen van den Heiligen Geest te beduiden. Doordat immers de duif dusdanige eigenschappen heeft, kan zij den Heiligen Geest beteekenen.3. De eigenschappen van de duif leiden er op dezelfde wijze toe, om de natuur van een duif aan te geven, als om de uitwerkingen van de Heilige Geest te beduiden. Doordat immers de duif dusdanige eigenschappen heeft, kan zij de Heilige Geest betekenen.
Utrum convenienter, Christo baptizato, fuerit audita vox Patris Filium protestantis
Was het wel passend, dat nà Christus' doop, de stem van den Vader gehoord werd om voor den Zoon te getuigen?Was het wel passend, dat nà Christus' doop, de stem van de Vader gehoord werd om voor de Zoon te getuigen?
Ad octavum sic proceditur. Videtur, quod inconvenienter, Christo baptizato, fuerit vox Patris audita Filium protestantis. Filius enim et Spiritus Sanctus secundum hoc quod sensibiliter apparuerunt, dicuntur 355visibiliter esse missi. Sed Patri non convenit mitti, ut patet per Augustinum in 2. de Trin. [cap. 12.]. Ergo etiam nec apparere.
Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet passend was, dat nà Christus' doop de stem van den Vader gehoord werd, om voor den Zoon te getuigen. — 1. Men kan zeggen, dat de Zoon en de Heilige Geest zichtbaar gezonden zijn, in zoover ze zichtbaar verschenen. Maar den Vader komt het niet toe gezonden te worden, 355zooals blijkt uit Augustinus in zijn werk Over de Drievuldigheid (2e B., 5e en 12e H.). Dus ook niet om te verschijnen.Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet passend was, dat nà Christus' doop de stem van de Vader gehoord werd, om voor de Zoon te getuigen. — 1. Men kan zeggen, dat de Zoon en de Heilige Geest zichtbaar gezonden zijn, in zover ze zichtbaar verschenen. Maar de Vader komt het niet toe gezonden te worden, 355zoals blijkt uit Augustinus in zijn werk Over de Drievuldigheid (2e B., 5e en 12e H.). Dus ook niet om te verschijnen.
2. Praeterea, vox est significativa verbi in corde concepti. Sed Pater non est verbum. Ergo inconvenienter manifestatur in voce.
2. De stem is de uitdrukking van het woord. Maar de Vader is niet het Woord. Bijgevolg past het niet, dat Hij zich openbaart in een stem.
3. Praeterea, homo Christus non incepit esse filius Dei in baptismo, sicut quidam haeretici putaverunt, sed a principio suae conceptionis fuit filius Dei. Magis ergo in nativitate debuit vox Patris protestari Christi divinitatem, quam in ejus baptismo.
3. De mensch Christus begon niet Zoon Gods te worden bij zijn doopsel, zooals enkele ketters gemeend hebben, maar van het begin van zijn ontvangenis af was Hij Zoon Gods. De stem des Vaders had dus veeleer bij de geboorte Christus' Godheid moeten betuigen, dan bij zijn doopsel.3. De mens Christus begon niet Zoon Gods te worden bij zijn doopsel, zoals enkele ketters gemeend hebben, maar van het begin van zijn ontvangenis af was Hij Zoon Gods. De stem van de Vader had dus veeleer bij de geboorte Christus' Godheid moeten betuigen, dan bij zijn doopsel.
Sed contra est, quod Matth. 3. [v. 17] dicitur: « Ecce vox de coelis dicens: Hic est Filius meus dilectus, in quo mihi complacui ».
Daartegenover staat echter, dat er bij Mattheus gezegd wordt (3, 17) : « En zie een stem uit den hemel sprak: Deze is mijn beminde Zoon, in wien Ik mijn welbehagen gevonden heb ».Daartegenover staat echter, dat er bij Matteüs gezegd wordt (3, 17): “En zie een stem uit de hemel sprak: Deze is mijn beminde Zoon, in wie Ik mijn welbehagen gevonden heb”.
Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [art. 5. huj. q.] in baptismo Christi, qui fuit exemplar nostri baptismi, demonstrari debuit quod in nostro baptismo perficitur. Baptismus autem, quo baptizantur fideles, consecratur in invocatione et virtute Trinitatis, secundum illud Matth. ult. [v. 19] : « Euntes docete omnes gentes, baptizantes eos in nomine Patris, 356et Filii, et Spiritus Sancti ». Et ideo « in baptismo Christi, ut Hieronymus dicit [sup. illud Matth. 3, v. 16-17: Et ecce aperti etc.], mysterium Trinitatis demonstratur. Dominus enim in natura humana baptizatur; Spiritus Sanctus descendit in specie columbae; Patris vox testimonium Filio perhibentis auditur ». Et ideo conveniens fuit, ut in illo baptismo Pater declararetur in voce.
Leerstelling. — Zooals vroeger gezegd (5e Art.) moest in Christus' doopsel, dat het voorbeeld was van ons doopsel, aangetoond worden, wat in ons doopsel tot stand gebracht wordt. Nu wordt het doopsel, waarmee de geloovigen gedoopt worden geheiligd door de aanroeping en de kracht der Drievuldigheid, volgens het woord van Mattheus (28, 19) : « Gaat heen dan, onderwijst 356alle volken, en doopt ze in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes ». En daarom, zooals Hieronymus zegt (Verklaring van Mattheus, 3, 16, 17) wordt in het doopsel van Christus het geheim der Drievuldigheid aangetoond: de Heer zelf wordt in menschelijke natuur gedoopt; de Heilige Geest daalt neer onder de gedaante van een duif; de stem van den Vader wordt vernomen, getuigenis afleggend voor den Zoon. En daarom was het passend, dat bij dat doopsel de Vader in een stem getoond werd.Leerstelling. — Zoals vroeger gezegd (5e Art.) moest in Christus' doopsel, dat het voorbeeld was van ons doopsel, aangetoond worden, wat in ons doopsel tot stand gebracht wordt. Nu wordt het doopsel, waarmee de gelovigen gedoopt worden geheiligd door de aanroeping en de kracht van de Drievuldigheid, volgens het woord van Matteüs (28, 19): “Gaat heen dan, onderwijst 356alle volken, en doopt ze in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest”. En daarom, zoals Hieronymus zegt (Verklaring van Matteüs, 3, 16, 17) wordt in het doopsel van Christus het geheim van de Drievuldigheid aangetoond: de Heer zelf wordt in menselijke natuur gedoopt; de Heilige Geest daalt neer onder de gedaante van een duif; de stem van de Vader wordt vernomen, getuigenis afleggend voor de Zoon. En daarom was het passend, dat bij dat doopsel de Vader in een stem getoond werd.
Ad primum ergo dicendum, quod missio visibilis addit aliquid super apparitionem, scilicet auctoritatem mittentis, et ideo Filius et Spiritus Sanctus, qui sunt ab alio, dicuntur mitti visibiliter, et non solum apparere. Pater autem, qui non est ab alio, apparere quidem potest, visibiliter autem mitti non potest.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het begrip: zichtbare zending, voegt iets toe aan het begrip: verschijning, en wel het gezag van dengene die zendt. En dus worden de Zoon en de Heilige Geest, die van iemand anders afhangen, gezegd, niet alleen te verschijnen, maar ook zichtbaar gezonden te worden. De Vader echter, die niet van een ander afhankelijk is, kan wel verschijnen, maar niet zichtbaar gezonden worden.
Ad secundum dicendum, quod Pater non demonstratur in voce, nisi sicut auctor vocis, vel loquens per vocem. Et quia proprium est Patri producere verbum, quod est dicere vel loqui, ideo convenientissime Pater per 357vocem manifestatus est, quae significat verbum. Unde et ipsa vox a Patre emissa filiationem Verbi protestatur. Et sicut species columbae, in qua demonstratus est Spiritus Sanctus, non est ipsa natura Spiritus Sancti, nec species hominis, in qua demonstratus est ipse Filius, est ipsa natura filii Dei, ita etiam ipsa vox non pertinet ad naturam Verbi, vel Patris loquentis; unde Joan. 5. [v. 37], Dominus dicit: « Neque vocem ejus, idest Patris, unquam audistis, neque speciem ejus vidistis ». Per quod, sicut Chrysostomus dicit super Joan. [hom. 39.], « paulatim eos in philosophicum dogma inducens, ostendit, quoniam neque vox circa Deum est, neque species; sed superior est et figuris, et loquelis talibus ». Et sicut columbam, et etiam humanam naturam a Christo assumptam tota Trinitas operata est, ita etiam et formationem vocis. Sed tamen in voce declaratur solus Pater ut loquens, sicut naturam humanam solus Filius assumpsit, et sicut in columba solus Spiritus Sanctus demonstratus est, ut patet per Augustinum [Fulgentius] in lib. de Fide ad Petrum [cap. 9.].
2. De Vader wordt in de stem alleen maar aangetoond, als voortbrenger van de stem of als sprekend met een stem. En omdat het eigen is aan den Vader het Woord voort te brengen, wat zeggen is, of spreken, daarom was het buitengewoon passend, dat de Vader geopenbaard werd door een stem, die de uitdrukking is van 357het woord. Vandaar, getuigt ook de stem, welke door den Vader wordt voortgebracht, van het zoonschap van het Woord. En evenals de gedaante der duif, waarin de Heilige Geest aangetoond werd, niet de natuur is van den Heiligen Geest; en ook de menschengedaante, waarin de Zoon is geopenbaard, niet de natuur zelf is van den Zoon Gods: zoo behoort ook de stem niet tot de natuur van het Woord of van den Vader, die spreekt. Vandaar zegt Joannes (5, 37) : « Nooit hebt ge zijn, d. i. des Vaders, stem gehoord, en nooit hebt ge zijn wezen gezien ». En hiermee geeft hij (d. i. Joannes), zooals Chrysostomus zegt (11e Homelie op Joannes), hen langzaam aan inleidend in de filosofische uitdrukkingswijze, te kennen, dat noch de stem, en evenmin de gedaante, van God is, maar dat Hij èn boven vormen èn boven dergelijke taal, ver verheven is. En evenals de geheele Drievuldigheid de duif en ook de door Christus aangenomen menschelijke natuur gemaakt heeft, zoo is ook de vorming van de stem van haar. Maar toch maakt alleen de Vader zich in de stem bekend, zooals alleen de Zoon de menschelijke natuur heeft aangenomen en de Heilige Geest alleen in een duif geopenbaard werd, zooals blijkt uit het werk van Augustinus.2. De Vader wordt in de stem alleen maar aangetoond, als voortbrenger van de stem of als sprekend met een stem. En omdat het eigen is aan de Vader het Woord voort te brengen, wat zeggen is, of spreken, daarom was het buitengewoon passend, dat de Vader geopenbaard werd door een stem, die de uitdrukking is van 357het woord. Vandaar, getuigt ook de stem, welke door de Vader wordt voortgebracht, van het zoonschap van het Woord. En evenals de gedaante van de duif, waarin de Heilige Geest aangetoond werd, niet de natuur is van de Heilige Geest; en ook de mensengedaante, waarin de Zoon is geopenbaard, niet de natuur zelf is van de Zoon Gods: zo behoort ook de stem niet tot de natuur van het Woord of van de Vader, die spreekt. Vandaar zegt Johannes (5, 37): “Nooit hebt ge zijn, d.i. van de Vader, stem gehoord, en nooit hebt ge zijn wezen gezien”. En hiermee geeft hij (d.i. Johannes), zoals Chrysostomus zegt (11e Homelie op Johannes), hen langzaam aan inleidend in de filosofische uitdrukkingswijze, te kennen, dat noch de stem, en evenmin de gedaante, van God is, maar dat Hij èn boven vormen èn boven dergelijke taal, ver verheven is. En evenals de gehele Drievuldigheid de duif en ook de door Christus aangenomen menselijke natuur gemaakt heeft, zo is ook de vorming van de stem van haar. Maar toch maakt alleen de Vader zich in de stem bekend, zoals alleen de Zoon de menselijke natuur heeft aangenomen en de Heilige Geest alleen in een duif geopenbaard werd, zoals blijkt uit het werk van Augustinus.
Ad tertium dicendum, quod divinitas Christi non debuit omnibus in 358ejus nativitate manifestari, sed magis occultari in defectibus infantilis aetatis. Sed quando jam pervenit ad perfectam aetatem, in qua oportebat eum docere, et miracula facere, et homines ad se convertere, tunc testimonio Patris erat ejus divinitas manifestanda, ut ejus doctrina credibilior fieret; unde et ipse dicit Joan. 5. [v. 37] : « Qui misit me Pater, ipse testimonium perhibet de me ». Et hoc praecipue in baptismo, per quem homines renascuntur in filios Dei adoptivos. Filii autem Dei adoptivi instituuntur ad similitudinem filii naturalis, secundum illud Rom. 8. [v. 29] : « Quos praescivit, hos et praedestinavit conformes fieri imaginis Filii sui ». Unde Hilarius dicit super Matth. [cap. 2.], quod « super Jesum baptizatum descendit Spiritus Sanctus, et vox Patris audita est dicentis: Hic est Filius meus dilectus, ut ex his quae consummabantur in Christo, cognosceremus post aquae lavacrum et de coelestibus portis sanctum in nos spiritum involare, et paternae vocis adoptione Dei filios fieri ».
3. De Godheid van Christus behoorde niet bij zijn geboorte 358aan allen bekend gemaakt te worden, maar moest veeleer onder de gebreken van een kinderleeftijd verborgen worden. Maar nu Hij tot den volmaakten leeftijd gekomen was, waarin Hij moest gaan leeraren en wonderen doen en menschen tot zich bekeeren, nù moest zijn Godheid door een getuigenis van den Vader geopenbaard worden, opdat zijn leer geloofwaardiger zou worden. Vandaar zegt Hij zelf (Joannes, 5, 37) : « Ook heeft de Vader, die Mij zond, zelf over Mij getuigd ». En dat wel hoofdzakelijk bij het doopsel, waardoor de menschen herboren worden tot aangenomen kinderen Gods: de aangenomen kinderen Gods immers worden gevormd naar de gelijkenis van den natuurlijken Zoon, volgens het woord uit den Brief aan de Romeinen (8, 29) : « Die Hij vooruit heeft gekend, heeft Hij ook voorbestemd om gelijkvormig te worden aan het beeld van zijn Zoon ». Vandaar zegt Hilarius in zijn Verklaring op Mattheus (2e H.), dat op Jesus, nà zijn doopsel, de Heilige Geest neerdaalde en de stem des Vaders gehoord werd zeggende : « Deze is mijn beminde Zoon », opdat wij uit datgene, wat er bij Christus geschiedde, zouden begrijpen, dat, nà de afwassching met water, de Heilige Geest vanuit de hemelgewesten naar ons toe komt gevlogen, en wij in het woord van den Vader, aangenomen kinderen Gods worden.3. De Godheid van Christus behoorde niet bij zijn geboorte 358aan allen bekend gemaakt te worden, maar moest veeleer onder de gebreken van een kinderleeftijd verborgen worden. Maar nu Hij tot de volmaakte leeftijd gekomen was, waarin Hij moest gaan leraren en wonderen doen en mensen tot zich bekeren, nù moest zijn Godheid door een getuigenis van de Vader geopenbaard worden, opdat zijn leer geloofwaardiger zou worden. Vandaar zegt Hij zelf (Johannes, 5, 37): “Ook heeft de Vader, die Mij zond, zelf over Mij getuigd”. En dat wel hoofdzakelijk bij het doopsel, waardoor de mensen herboren worden tot aangenomen kinderen Gods: de aangenomen kinderen Gods immers worden gevormd naar de gelijkenis van de natuurlijke Zoon, volgens het woord uit de Brief aan de Romeinen (8, 29): “Die Hij vooruit heeft gekend, heeft Hij ook voorbestemd om gelijkvormig te worden aan het beeld van zijn Zoon”. Vandaar zegt Hilarius in zijn Verklaring op Matteüs (2e H.), dat op Jesus, nà zijn doopsel, de Heilige Geest neerdaalde en de stem van de Vader gehoord werd zeggende: “Deze is mijn beminde Zoon”, opdat wij uit datgene, wat er bij Christus geschiedde, zouden begrijpen, dat, nà de afwassing met water, de Heilige Geest vanuit de hemelgewesten naar ons toe komt gevlogen, en wij in het woord van de Vader, aangenomen kinderen Gods worden.