De modo conversationis Christi
Over Christus' levenswijze
359Consequenter post ea quae pertinent ad ingressum Christi in mundum, vel ad ejus principium, considerandum restat de his quae pertinent ad progressum ipsius. Et primo considerandum est de modo conversationis ipsius; secundo de tentatione ejus; tertio de doctrina; quarto de miraculis.
359Na behandeld te hebben wat betrekking heeft op Christus' komst in de wereld ofwel zijn begin, blijft nog datgene te behandelen over wat op zijn levensloop betrekking heeft. En ten eerste moet dan gehandeld worden over zijn levenswijze; ten tweede over zijn bekoring; ten derde over zijn leer; ten vierde over zijn wonderen.
Circa primum quaeruntur quatuor: 1. Utrum Christus debuerit solitariam vitam ducere, an inter homines conversari. — 2. Utrum debuerit austeram vitam ducere in cibo, et potu, et vestitu, an cum aliis communem. — 3. Utrum debuerit abjecte vivere in hoc mundo, an in divitiis et honore. — 4. Utrum debuerit secundum legem vivere.
Over het eerste stellen we ons vier vragen. 1. Had Christus een kluizenaarsleven moeten leiden of had Hij met de menschen om moeten gaan? 2. Moest Hij in spijs, drank en kleeding een gewoon of een streng leven leiden? 3. Had Hij een onaanzienlijk leven moeten lijden in deze wereld of een leven van rijkdommen en eer? 4. Had Hij volgens de wet moeten leven?Over het eerste stellen we ons vier vragen. 1. Had Christus een kluizenaarsleven moeten leiden of had Hij met de mensen om moeten gaan? 2. Moest Hij in spijs, drank en kleding een gewoon of een streng leven leiden? 3. Had Hij een onaanzienlijk leven moeten lijden in deze wereld of een leven van rijkdommen en eer? 4. Had Hij volgens de wet moeten leven?
Utrum conveniens fuerit Christum inter homines conversari
Had Christus met de menschen om moeten gaan of had Hij een kluizenaarsleven moeten leiden?Had Christus met de mensen om moeten gaan of had Hij een kluizenaarsleven moeten leiden?
360Ad primum sic proceditur. Videtur, quod Christus non debuerit inter homines conversari, sed solitariam vitam agere. Oportebat enim, quod Christus sua conversatione non solum se hominem ostenderet esse, sed etiam Deum. Sed Deum non convenit cum hominibus conversari. Dicitur enim Danielis 2. [v. 11] : « Exceptis diis, quorum non est cum hominibus conversatio ». Et Philosophus dicit in 1. Politicae [cap. 2, N. 12], quod « ille qui solitarius vivit, aut est bestia », si scilicet propter saevitiam hoc faciat, « aut est Deus », si hoc faciat propter contemplandam veritatem. Ergo videtur, quod non fuerit conveniens Christum inter homines conversari.
360Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet onder de menschen had moeten leven, maar een kluizenaarsleven had moeten leiden. — 1. Het betaamde immers, dat Christus in zijn levenswijze zich niet alleen mensch maar ook God toonde. Maar voor een God past het niet met de menschen om te gaan: want Daniël zegt (2, 11) : « Behalve de goden, die met de menschen geen omgang hebben »; en de Wijsgeer zegt in het 1e Boek der Politica, dat hij, die op zich zelf leeft ofwel een dier is, indien hij dit nl. uit wreedheid doet, ofwel een god, als hij dat nl. doet om de waarheid te beschouwen. Dus schijnt het wel, dat het niet passend was, dat Christus onder de menschen verkeerde.360Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet onder de mensen had moeten leven, maar een kluizenaarsleven had moeten leiden. — 1. Het betaamde immers, dat Christus in zijn levenswijze zich niet alleen mens maar ook God toonde. Maar voor een God past het niet met de mensen om te gaan: want Daniël zegt (2, 11): “Behalve de goden, die met de mensen geen omgang hebben”; en de Wijsgeer zegt in het 1e Boek van de Politica, dat hij, die op zichzelf leeft ofwel een dier is, indien hij dit nl. uit wreedheid doet, ofwel een god, als hij dat nl. doet om de waarheid te beschouwen. Dus schijnt het wel, dat het niet passend was, dat Christus onder de mensen verkeerde.
2. Praeterea, Christus, dum in carne mortali vixit, debuit perfectissimam vitam ducere. Perfectissima autem vita est contemplativa, ut in secunda parte habitum est [2-2. q. 182. art. 1. ad 2.]. Ad vitam autem 361contemplativam maxime competit solitudo, secundum illud Oseae 2. [v. 14] : « Ducam eam in solitudinem, et loquar ad cor ejus ». Ergo videtur, quod Christus debuerit solitariam vitam ducere.
2. Zoolang als Christus een sterfelijk lichaam had, moest Hij een zoo volmaakt mogelijk leven leiden. Het beschouwende leven nu is het volmaaktste, zooals in het 2e Deel gezegd is (IIa-IIae, 182e Kw., 1e en 2e Art.). Het meest geschikt echter voor een 361beschouwend leven is de eenzaamheid, volgens Osee (2, 14) : « Ik zal haar naar de woestijn brengen en ik zal spreken tot haar hart ». Dus had Christus in de eenzaamheid moeten leven.2. Zolang als Christus een sterfelijk lichaam had, moest Hij een zo volmaakt mogelijk leven leiden. Het beschouwende leven nu is het volmaaktste, zoals in het 2e Deel gezegd is (2-2, 182e Kw., 1e en 2e Art.). Het meest geschikt echter voor een 361beschouwend leven is de eenzaamheid, volgens Hosea (2, 14): “Ik zal haar naar de woestijn brengen en ik zal spreken tot haar hart”. Dus had Christus in de eenzaamheid moeten leven.
3. Praeterea, conversatio Christi debuit esse uniformis, quia semper in eo debuit apparere id, quod optimum est. Sed quandoque Christus solitaria loca quaerebat, turbas declinans; unde Remigius dicit supra Matth. [hab. in Cat. D. Thom. cap. 5.] : « Tria refugia legitur Dominus habuisse, navim, montem, et desertum; ad quorum alterum, quotiescumque a turbis comprimebatur, conscendebat ». Ergo et semper debuit solitariam vitam agere.
3. Christus' levenswijze moest eenvormig zijn, omdat in Hem altijd het beste moest te zien zijn. Maar soms heeft Christus eenzame plaatsen opgezocht, en zich teruggetrokken van het volk. Vandaar zegt Remigius in zijn Verklaring van Mattheus: « Christus de Heer heeft, zooals te lezen staat, drie wijkplaatsen gehad: een schip, een berg en de woestijn; de tweede besteeg Hij zoo dikwijls als de menigte tegen Hem opdrong ». Bijgevolg had Hij ook altijd een eenzaam leven moeten leiden.3. Christus' levenswijze moest eenvormig zijn, omdat in Hem altijd het beste moest te zien zijn. Maar soms heeft Christus eenzame plaatsen opgezocht, en zich teruggetrokken van het volk. Vandaar zegt Remigius in zijn Verklaring van Matteüs: “Christus de Heer heeft, zoals te lezen staat, drie wijkplaatsen gehad: een schip, een berg en de woestijn; de tweede besteeg Hij zo dikwijls als de menigte tegen Hem opdrong”. Bijgevolg had Hij ook altijd een eenzaam leven moeten leiden.
Sed contra est, quod dicitur Baruch 3. [v. 38] : « Post haec in terris visus est, et cum hominibus conversatus est ».
Daartegenover staat echter wat Baruch zegt (3, 38) : « Daarna verscheen Hij op aarde, en ging om met de menschen ».Daartegenover staat echter wat Baruch zegt (3, 38): “Daarna verscheen Hij op aarde, en ging om met de mensen”.
Respondeo dicendum, quod conversatio Christi talis debuit esse, ut conveniret fini Incarnationis, secundum quem venit in mundum. Venit autem in mundum, primo quidem ad manifestandam veritatem, sicut ipse dicit Joan. 18. [v. 37] : « In hoc natus sum, et ad hoc veni in mundum, 362ut testimonium perhibeam veritati ». Et ideo non debebat se occultare, vitam solitariam agens, sed in publicum procedere, publice praedicando; unde Lucae 4. [v. 42-43] dixit illis qui volebant eum detinere: « Quia et aliis civitatibus oportet me evangelizare regnum Dei, quia ideo missus sum ».
Leerstelling. — Christus' levenswijze moest van dien aard zijn, dat ze met het doel der menschwording, waartoe Hij in de wereld gekomen is, overeen kon komen. Hij is nu in de wereld gekomen, ten eerste, om de waarheid bekend te maken, zooals Hij zelf zegt (Joannes, 18, 37) : « Ik ben geboren en in de 362wereld gekomen, juist om te getuigen voor de waarheid ». En bijgevolg moest Hij zich niet verbergen, en een kluizenaarsleven leiden, maar onder de menigte treden, en in het openbaar preeken. Daarom zegt Hij aan hen, die Hem tegen wilden houden (Lucas, 4, 42, 43) : « Ook aan andere steden moet Ik het koninkrijk Gods gaan verkondigen; want daartoe ben Ik in de wereld gezonden ».Leerstelling. — Christus' levenswijze moest van die aard zijn, dat ze met het doel van de menswording, waartoe Hij in de wereld gekomen is, overeen kon komen. Hij is nu in de wereld gekomen, ten eerste, om de waarheid bekend te maken, zoals Hij zelf zegt (Johannes, 18, 37): “Ik ben geboren en in de 362wereld gekomen, juist om te getuigen voor de waarheid”. En bijgevolg moest Hij zich niet verbergen, en een kluizenaarsleven leiden, maar onder de menigte treden, en in het openbaar preken. Daarom zegt Hij aan hen, die Hem tegen wilden houden (Lukas, 4, 42, 43): “Ook aan andere steden moet Ik het koninkrijk Gods gaan verkondigen; want daartoe ben Ik in de wereld gezonden”.
Secundo venit ad hoc, ut homines a peccato liberaret, secundum illud 1. ad Timoth. 1. [v. 15] : « Christus Jesus venit in hunc mundum peccatores salvos facere ». Et ideo, ut Chrysostomus dicit [hab. in Cat. aur. D. Thom. sup. illud Luc. 4.: Quia et aliis Civitatib.], licet « in eodem loco manendo posset Christus ad se omnes attrahere, ut ejus praedicationem audirent, non tamen hoc fecit, praebens nobis exemplum, ut perambulemus, et requiramus pereuntem, sicut pastor ovem perditam, et medicus accedit ad infirmum ».
Ten tweede is Hij gekomen, om de menschen van de zonde te bevrijden, volgens den Eersten Brief aan Timotheus (1, 15) : « Jesus Christus is in deze wereld gekomen, om zondaars te redden ». En daarom : ook al kon Christus, zooals Chrysostomus zegt, op eenzelfde plaats blijvend, allen tot zich trekken, om naar zijn preeken te luisteren, Hij deed het echter niet en gaf ons daardoor een voorbeeld, opdat ook wij rond zouden gaan en op zouden zoeken die verloren gaan, gelijk een herder zijn verloren schaap opzoekt en een geneesheer naar den zieke toegaat.Ten tweede is Hij gekomen, om de mensen van de zonde te bevrijden, volgens de Eerste Brief aan Timoteüs (1, 15): “Jesus Christus is in deze wereld gekomen, om zondaars te redden”. En daarom: ook al kon Christus, zoals Chrysostomus zegt, op eenzelfde plaats blijvend, allen tot zich trekken, om naar zijn preken te luisteren, Hij deed het echter niet en gaf ons daardoor een voorbeeld, opdat ook wij rond zouden gaan en op zouden zoeken die verloren gaan, gelijk een herder zijn verloren schaap opzoekt en een geneesheer naar de zieke toegaat.
Tertio venit, ut per ipsum habeamus accessum ad Deum, ut dicitur Rom. 5. [v. 2]. Et ideo familiariter cum hominibus conversando, conveniens fuit, ut hominibus fiduciam daret ad se accedendi; unde dicitur Matth. 9. [v. 10] : « Factum est, discumbente eo in domo, ecce multi publicani, et peccatores venientes discumbebant cum 363Jesu et discipulis ejus ». Quod exponens Hieronymus [Comm. L. 1] dicit: « Videbant publicanum a peccatis ad meliora conversum, locum invenisse poenitentiae, et ob id etiam ipsi non desperant salutem ».
Ten derde is Hij gekomen, opdat wij door Hem toegang zouden hebben tot God (Romeinen, 5, 2). En daarom was het passend, dat Hij, door vertrouwelijk met de menschen om te gaan, hen den moed gaf tot Hem te naderen. Daarom zegt Mattheus (9, 10) : « En zie, toen Jesus thuis aan tafel aanlag, kwamen vele tollenaars en zondaars aanliggen met Hem en zijn leerlingen. » In zijn 363verklaring van deze woorden zegt Hieronymus (1e Boek) : « Ze hadden gezien, dat een tollenaar, van zijn zonden tot een beter leven bekeerd, gelegenheid tot boetvaardigheid had gevonden : en daarom wanhopen ook zij niet aan hun heil ».Ten derde is Hij gekomen, opdat wij door Hem toegang zouden hebben tot God (Romeinen, 5, 2). En daarom was het passend, dat Hij, door vertrouwelijk met de mensen om te gaan, hen de moed gaf tot Hem te naderen. Daarom zegt Matteüs (9, 10): “En zie, toen Jesus thuis aan tafel aanlag, kwamen vele tollenaars en zondaars aanliggen met Hem en zijn leerlingen.” In zijn 363verklaring van deze woorden zegt Hieronymus (1e Boek): “Ze hadden gezien, dat een tollenaar, van zijn zonden tot een beter leven bekeerd, gelegenheid tot boetvaardigheid had gevonden: en daarom wanhopen ook zij niet aan hun heil”.
Ad primum ergo dicendum, quod Christus per humanitatem suam voluit manifestare divinitatem, et ideo conversando cum hominibus (quod est proprium hominis) manifestavit omnibus suam divinitatem praedicando, et miracula faciendo, et innocenter et juste inter homines conversando.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Christus wilde door zijn menschheid zijn Godheid bekend maken. Door dus met de menschen om te gaan, wat eigen is aan den mensch, maakte Hij aan allen zijn Godheid bekend, al predikende en wonderen werkende en door onbaatzuchtig en rechtvaardig onder de menschen te leven.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Christus wilde door zijn mensheid zijn Godheid bekend maken. Door dus met de mensen om te gaan, wat eigen is aan de mens, maakte Hij aan allen zijn Godheid bekend, al predikende en wonderen werkende en door onbaatzuchtig en rechtvaardig onder de mensen te leven.
Ad secundum dicendum, quod, sicut in secunda parte dictum est [2-2. q. 182. art. 1. et q. 188. art. 6.], vita contemplativa simpliciter est melior, quam activa, quae occupatur circa corporales actus. Sed vita activa, secundum quam aliquis praedicando et docendo contemplata aliis tradit, est perfectior, quam vita quae solum contemplatur, quia talis vita praesupponit abundantiam contemplationis, et ideo Christus talem vitam elegit.
2. Zooals in het 2e Deel gezegd is (IIa IIae, 182e Kw., 1e Art.; 188e Kw., 6e Art.) is, absoluut genomen, het beschouwende leven beter dan het werkdadige leven, dat zich met lichamelijke handelingen bezig houdt : maar het werkdadige leven, waarin iemand al preekend en leerend, het beschouwde aan anderen mededeelt, is volmaakter dan het leven, dat alleen maar beschouwt, omdat zoo een leven de volheid van beschouwing veronderstelt. En daarom heeft Christus dàt leven uitgekozen.2. Zoals in het 2e Deel gezegd is (2-2, 182e Kw., 1e Art.; 188e Kw., 6e Art.) is, absoluut genomen, het beschouwende leven beter dan het werkdadige leven, dat zich met lichamelijke handelingen bezig houdt: maar het werkdadige leven, waarin iemand al prekend en lerend, het beschouwde aan anderen mededeelt, is volmaakter dan het leven, dat alleen maar beschouwt, omdat zo een leven de volheid van beschouwing veronderstelt. En daarom heeft Christus dàt leven uitgekozen.
Ad tertium dicendum, quod actio Christi fuit nostra instructio, et ideo ut daret exemplum praedicatoribus, quod non semper se darent in publicum, 364ideo quandoque Dominus se a turbis retraxit. Quod quidem legitur fecisse propter tria. Quandoque quidem propter corporalem quietem; unde Marci 6. [v. 31] dicitur, quod Dominus dixit discipulis: « Venite seorsum in desertum locum, et requiescite pusillum. Erant enim qui veniebant et redibant multi, et nec spatium manducandi habebant ». Quandoque vero causa orationis; unde dicitur Lucae 6. [v. 12] : « Factum est in illis diebus; exiit in montem orare, et erat pernoctans in oratione Dei ». Ubi ait Ambrosius quod « ad praecepta virtutis suo nos informat exemplo ». Quandoque vero, ut doceret favorem humanum vitare; unde super illud Matth. 5. [v. 1] : Videns Jesus turbas, ascendit in montem, dicit Chrysostomus [hom. 15. in Matth.] : « Per hoc quod non in civitate et foro, sed in monte et solitudine sedit, erudivit nos, nihil ad ostentationem facere, et a tumultibus abscedere, et maxime cum de necessariis disputare oportet ».
3. Christus' daden waren ons tot leering. Om dus aan de predikanten een voorbeeld te geven, dat ze niet voortdurend in het 364openbaar zouden optreden, daàrom trok de Heer zich zoo nu en dan van de menigte terug. En dit deed Hij, zooals er geschreven staat, om drie redenen. Somtijds nl. om lichamelijk wat uit te rusten. Vandaar staat er bij Marcus (6, 31) dat Christus aan de leerlingen zeide : « Komt zelf nu eens afzonderlijk mee naar een eenzame plaats, en rust wat uit. Want velen liepen in en uit, zoodat ze zelfs geen tijd hadden om te eten ». Soms daarentegen om te bidden. Vandaar zegt Lucas (6, 12) : « In die dagen ging Hij het gebergte in om te bidden, en bracht er den nacht door in het gebed tot God ». Hierop zegt Ambrosius (Verklaring van Lucas, 5e B., Nr 42) dat Hij ons door zijn voorbeeld de voorschriften der deugd onderwijst. Soms weer, om ons te leeren de gunst der menschen te vermijden. Vandaar zegt Chrysostomus op deze woorden van Mattheus (5, 1) : « Toen Jesus de menigte zag besteeg Hij den berg »: « Doordat Hij zich niet in een stad en op de markt, maar op een berg en in eenzaamheid neerzet, leerde Hij ons niets te doen, om zich te laten zien en zich uit het gewoel terug te trekken en dit vooral als er noodzakelijke dingen behandeld moeten worden ».3. Christus' daden waren ons tot lering. Om dus aan de predikanten een voorbeeld te geven, dat ze niet voortdurend in het 364openbaar zouden optreden, daàrom trok de Heer zich zo nu en dan van de menigte terug. En dit deed Hij, zoals er geschreven staat, om drie redenen. Somtijds nl. om lichamelijk wat uit te rusten. Vandaar staat er bij Marcus (6, 31) dat Christus aan de leerlingen zeide: “Komt zelf nu eens afzonderlijk mee naar een eenzame plaats, en rust wat uit. Want velen liepen in en uit, zodat ze zelfs geen tijd hadden om te eten”. Soms daarentegen om te bidden. Vandaar zegt Lukas (6, 12): “In die dagen ging Hij het gebergte in om te bidden, en bracht er de nacht door in het gebed tot God”. Hierop zegt Ambrosius (Verklaring van Lukas, 5e B., Nr 42) dat Hij ons door zijn voorbeeld de voorschriften van de deugd onderwijst. Soms weer, om ons te leren de gunst van de mensen te vermijden. Vandaar zegt Chrysostomus op deze woorden van Matteüs (5, 1): “Toen Jesus de menigte zag besteeg Hij de berg”: “Doordat Hij zich niet in een stad en op de markt, maar op een berg en in eenzaamheid neerzet, leerde Hij ons niets te doen, om zich te laten zien en zich uit het gewoel terug te trekken en dit vooral als er noodzakelijke dingen behandeld moeten worden”.
Utrum Christus austeram vitam in hoc mundo ducere debuerit
Behoorde Christus wel een streng leven te leiden in deze wereld?
365Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod Christus debuerit austeram vitam ducere in hoc mundo. Christus enim multo magis praedicavit perfectionem vitae, quam Joannes. Sed Joannes austeram vitam duxit, ut suo exemplo homines ad perfectionem vitae provocaret, dicitur enim Matth. 3. [v. 4], quod ipse Joannes habebat vestimentum de pilis camelorum, et zonam pelliceam circa lumbos suos; esca autem ejus erant locustae et mel sylvestre, quod exponens Chrysostomus [hom. 10. in Matth.] dicit: « Erat mirabile in humano corpore tantam patientiam videre; quod et Judaeos magis attrahebat ». Ergo videtur, quod multo magis Christum decuerit austeritas vitae.
365Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus een streng leven had moeten leiden in deze wereld. — 1. Veel meer dan Joannes preekte Christus immers de volmaaktheid van leven. Maar Joannes leidde een streng leven, om de menschen door zijn voorbeeld tot een volmaakt leven op te wekken. Want Mattheus zegt (3, 4) dat deze Joannes een kemelharen kleed droeg, en een lederen gordel om zijn lenden; zijn voedsel bestond uit sprinkhanen en wilde honing; in zijn verklaring op deze woorden zegt Chrysostomus (10e Homelie op Mattheus) : « Het was iets wonderlijks in een menschelijk lichaam zooveel geduld te zien: wat dan ook de Joden het meest aantrok ». Dus schijnt het wel, dat nog veeleer Christus een streng leven had behooren te leiden.365Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus een streng leven had moeten leiden in deze wereld. — 1. Veel meer dan Johannes preekte Christus immers de volmaaktheid van leven. Maar Johannes leidde een streng leven, om de mensen door zijn voorbeeld tot een volmaakt leven op te wekken. Want Matteüs zegt (3, 4) dat deze Johannes een kemelharen kleed droeg, en een lederen gordel om zijn lenden; zijn voedsel bestond uit sprinkhanen en wilde honing; in zijn verklaring op deze woorden zegt Chrysostomus (10e Homelie op Matteüs): “Het was iets wonderlijks in een menselijk lichaam zoveel geduld te zien: wat dan ook de Joden het meest aantrok”. Dus schijnt het wel, dat nog veeleer Christus een streng leven had behoren te leiden.
2. Praeterea, abstinentia ad continentiam ordinatur; dicitur enim Oseae 4. [v. 10] : « Comedent, et non saturabuntur; fornicati sunt, et non 366cessaverunt ». Sed Christus continentiam in se servavit, et aliis servandam proposuit, cum dixit Matth. 19. [v. 12] : « Sunt eunuchi, qui se castraverunt propter regnum coelorum; qui potest capere capiat ». Ergo videtur, quod Christus in se et in suis discipulis austeritatem vitae servare debuerit.
2. Matigheid is gericht op de onthouding. Want Osee zegt (4, 10) : « Zij zullen eten en niet verzadigd zijn, zij hebben overspel bedreven zonder ophouden ». Maar Christus heeft voor zich 366zelf de onthouding beoefend en ze aan anderen ter beoefening voorgesteld toen Hij zeide (Mattheus, 19, 12) : « Er zijn onhuwbaren, die zichzelf onhuwbaar hebben gemaakt om het rijk der hemelen: wie het vatten kan, hij vatte het ». Dus had Christus zelf, en ook zijn Apostelen, een streng leven moeten leiden.2. Matigheid is gericht op de onthouding. Want Hosea zegt (4, 10): “Zij zullen eten en niet verzadigd zijn, zij hebben overspel bedreven zonder ophouden”. Maar Christus heeft voor zich 366zelf de onthouding beoefend en ze aan anderen ter beoefening voorgesteld toen Hij zeide (Matteüs, 19, 12): “Er zijn onhuwbaren, die zichzelf onhuwbaar hebben gemaakt om het rijk van de hemelen: wie het vatten kan, hij vatte het”. Dus had Christus zelf, en ook zijn Apostelen, een streng leven moeten leiden.
3. Praeterea, ridiculum videtur, ut aliquis districtiorem vitam incipiat, et ab ea in laxiorem revertatur. Potest enim dici contra eum, quod habetur Luc. 14. [v. 30] : « Hic homo coepit aedificare, et non potuit consummare ». Christus autem districtissimam vitam incepit post baptismum, manens in deserto, et jejunans quadraginta diebus et quadraginta noctibus. Ergo videtur non fuisse congruum, quod post tantam vitae districtionem ad communem vitam rediret.
3. Het is belachelijk, dat iemand met een tamelijk streng leven begint, om daarna weer tot een vrijer leven terug te keeren: tegen zoo iemand zou immers gezegd kunnen worden, wat bij Lucas staat (14, 30) : « Die mensch is begonnen te bouwen, en is blijven steken en kon niet doorzetten ». Christus nu, is met een zoo streng mogelijk leven begonnen nà het doopsel, toen Hij in de woestijn bleef en veertig dagen en veertig nachten vastte. Dus schijnt het wel, dat het niet passend was, dat Hij na zoo 'n streng leven weer tot het gewone leven terugkeerde.3. Het is belachelijk, dat iemand met een tamelijk streng leven begint, om daarna weer tot een vrijer leven terug te keren: tegen zo iemand zou immers gezegd kunnen worden, wat bij Lukas staat (14, 30): “Die mens is begonnen te bouwen, en is blijven steken en kon niet doorzetten”. Christus nu, is met een zo streng mogelijk leven begonnen nà het doopsel, toen Hij in de woestijn bleef en veertig dagen en veertig nachten vastte. Dus schijnt het wel, dat het niet passend was, dat Hij na zo 'n streng leven weer tot het gewone leven terugkeerde.
Sed contra est, quod dicitur Matth. 11. [v. 19] : « Venit Filius hominis manducans et bibens ».
Daartegenover staat echter, wat bij Mattheus te lezen staat (11, 19) : « De Menschenzoon kwam; Hij at en dronk ».Daartegenover staat echter, wat bij Matteüs te lezen staat (11, 19): “De Mensenzoon kwam; Hij at en dronk”.
Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est [art. praec.], congruum erat Incarnationis fini, ut Christus non ageret solitariam vitam, sed cum 367hominibus conversaretur. Qui autem cum aliquibus conversatur, convenientissimum est ut se eis in conversatione conformet, secundum illud Apostoli 1. ad Cor. 9. [v. 22] : « Omnibus omnia factus sum ». Et ideo convenientissimum fuit, ut Christus in cibo et potu communiter se, sicut alii, haberet; unde Augustinus dicit contra Faustum [lib. 16. cap. 31.], quod « Joannes dictus est non manducans neque bibens, quia illo victu, quo Judaei utebantur, non utebatur; hoc ergo nisi Dominus uteretur, non in ejus comparatione manducans bibensque diceretur ».
Leerstelling. — Zooals in het vorige artikel gezegd is, was het in overeenstemming met het doel der menschwording, dat Christus geen leven in eenzaamheid leidde, maar met de menschen 367omging. Alwie nu met sommigen omgaat doet buitengewoon verstandig met zich aan de levenswijze van die menschen aan te passen, volgens het woord van den Apostel (Eerste Brief aan de Korinthiërs, 9, 22) : « Voor allen ben ik van alles geworden ». Het was dus zeer gepast, dat Christus in spijs en drank gewoon deed, zooals de anderen. Vandaar zegt Augustinus in zijn werk Tegen Faustus (16e B., 31e H.) dat er van Joannes gezegd wordt dat hij « niet at noch dronk », omdat hij het voedsel, dat de Joden gebruikten, niet gebruikte. Alleen dus omdat de Heer het wèl gebruikte kan van Hem gezegd worden dat Hij « at en dronk ».Leerstelling. — Zoals in het vorige artikel gezegd is, was het in overeenstemming met het doel van de menswording, dat Christus geen leven in eenzaamheid leidde, maar met de mensen 367omging. Alwie nu met sommigen omgaat doet buitengewoon verstandig met zich aan de levenswijze van die mensen aan te passen, volgens het woord van de Apostel (Eerste Brief aan de Korintiërs, 9, 22): “Voor allen ben ik van alles geworden”. Het was dus zeer gepast, dat Christus in spijs en drank gewoon deed, zoals de anderen. Vandaar zegt Augustinus in zijn werk Tegen Faustus (16e B., 31e H.) dat er van Johannes gezegd wordt dat hij “niet at noch dronk”, omdat hij het voedsel, dat de Joden gebruikten, niet gebruikte. Alleen dus omdat de Heer het wèl gebruikte kan van Hem gezegd worden dat Hij “at en dronk”.
Ad primum ergo dicendum, quod Dominus in sua conversatione exemplum perfectionis dedit in omnibus, quae per se pertinent ad salutem. Ipsa autem abstinentia cibi et potus non per se pertinent ad salutem, secundum illud Rom. 14. [v. 17] : « Non est regnum Dei esca et potus ». Et Augustinus dicit in lib. 2. de Quaestionibus Evang. [q. 11.], exponens illud Matth. 11. [v. 19] : « Justificata est sapientia a filiis suis », quia scilicet « Sancti Apostoli intellexerunt regnum Dei non esse in esca et potu, sed 368in aequanimitate tolerandi; quos nec copia sublevat, nec deprimit egestas ». Et in 3. de Doctrina Christiana [cap. 12.] dicit, quod « in omnibus talibus non usus rerum, sed libido utentis in culpa est ». Utraque autem vita est licita et laudabilis. ut scilicet aliquis a communi consortio hominum segregatus abstinentiam servet, et ut in societate aliorum positus communi vita utatur. Et ideo Dominus voluit utriusque vitae exemplum dare hominibus.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Heer heeft in zijn omgang met de menschen een voorbeeld van volmaaktheid gegeven in al die dingen, welke noodzakelijk zijn ter zaligheid. Het zich onthouden nu van spijs en drank is niet uiteraard noodig ter zaligheid, volgens den Brief aan de Romeinen (14, 17) : « Het koninkrijk Gods bestaat niet in spijs en drank ». En Augustinus zegt in zijn werk, Vraagstukken aangaande het Evangelie (2e B., 11e Vr.) waar hij de woorden van Mattheus uitlegt (11, 19) : « De wijsheid wordt door haar werken gerechtvaardigd », dat de 368heilige Apostelen die geen overdaad omhoog kon heffen en geen armoede terneer drukte begrepen hebben, dat het koninkrijk Gods niet bestond in spijs en drank, maar in de lijdzaamheid. En in het 3e boek Over de Christelijke Leer (12e H.) zegt hij dat in al die dingen de zonde niet gelegen is in het gebruik maar in de begeerte van hem die er gebruik van maakt. Beide levensvormen zijn geoorloofd en prijzenswaardig: zoowel nl. wanneer iemand zich terugtrekt van den omgang met de menschen en in onthouding leeft, als wanneer iemand in den omgang met anderen de gewone levenswijze volgt. En daarom wilde de Heer van beide levensvormen een voorbeeld geven aan de menschen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Heer heeft in zijn omgang met de mensen een voorbeeld van volmaaktheid gegeven in al die dingen, welke noodzakelijk zijn ter zaligheid. Het zich onthouden nu van spijs en drank is niet uiteraard nodig ter zaligheid, volgens de Brief aan de Romeinen (14, 17): “Het koninkrijk Gods bestaat niet in spijs en drank”. En Augustinus zegt in zijn werk, Vraagstukken aangaande het Evangelie (2e B., 11e Vr.) waar hij de woorden van Matteüs uitlegt (11, 19): “De wijsheid wordt door haar werken gerechtvaardigd”, dat de 368heilige Apostelen die geen overdaad omhoog kon heffen en geen armoede terneer drukte begrepen hebben, dat het koninkrijk Gods niet bestond in spijs en drank, maar in de lijdzaamheid. En in het 3e boek Over de Christelijke Leer (12e H.) zegt hij dat in al die dingen de zonde niet gelegen is in het gebruik maar in de begeerte van hem die er gebruik van maakt. Beide levensvormen zijn geoorloofd en prijzenswaardig: zowel nl. wanneer iemand zich terugtrekt van de omgang met de mensen en in onthouding leeft, als wanneer iemand in de omgang met anderen de gewone levenswijze volgt. En daarom wilde de Heer van beide levensvormen een voorbeeld geven aan de mensen.
Joannes autem, sicut Chrysostomus dicit super Matth. [hom. 38.], « nihil plus ostendit praeter vitam et justitiam; Christus autem et a miraculis testimonium habebat. Dimittens ergo Joannem jejunio fulgere, ipse contraria incessit via, ad mensam intrans publicanorum, et manducans et bibens ».
Joannes echter toonde zooals Chrysostomus zegt in zijn Verklaring van Mattheus (37e Homelie) niets anders dan het leven en de gerechtigheid. Christus daarentegen ontving ook getuigenis van zijn wonderen. Hij liet dus toe dat Joannes in vasten uitblonk; zelf begon Hij het tegenovergestelde leven, en ging aanzitten aan de tafel van tollenaars en at en dronk.Johannes echter toonde zoals Chrysostomus zegt in zijn Verklaring van Matteüs (37e Homelie) niets anders dan het leven en de gerechtigheid. Christus daarentegen ontving ook getuigenis van zijn wonderen. Hij liet dus toe dat Johannes in vasten uitblonk; zelf begon Hij het tegenovergestelde leven, en ging aanzitten aan de tafel van tollenaars en at en dronk.
Ad secundum dicendum, quod sicut alii homines per abstinentiam consequuntur virtutem continendi, ita etiam Christus in se et in suis discipulis per virtutem suae divinitatis carnem comprimebat; unde, sicut Matth. 9. [v. 14] dicitur, Pharisaei et discipuli Joannis jejunabant, non autem 369discipuli Christi. Quod exponens Beda [L. 1, c. 2. in Marc.], dicit quod « Joannes vinum et siceram non bibit, quia illi abstinentia meritum auget, cui potentia nulla inerat naturae. Dominus autem, cui naturaliter suppetebat delicta donare, cur eos declinaret, quos abstinentibus poterat reddere puriores? »
2. Gelijk andere menschen de deugd van matigheid verwerven door zich te onthouden, zoo onderdrukte ook Christus in zich zelf en in de zijnen het vleesch door de kracht van zijn Godheid. Vandaar lezen we bij Mattheus (9, 14) : « De Farizeën en de leerlingen van Joannes vastten, de leerlingen van Christus echter niet ». 369En in zijn uitleg hiervan zegt Beda (Commentaar op Marcus, 2, 18; 1e B.) dat Joannes geen wijn noch sterken drank gebruikte: want voor hem die geen natuurlijke kracht bezit is de onthouding een vermeerdering van verdienste. De Heer echter, wien het van nature toekwam de zonden te vergeven — waarom zou Hij hen er van afhouden, die Hij zuiverder kon doen zijn dan zij zijn, die in onthouding leven?2. Gelijk andere mensen de deugd van matigheid verwerven door zich te onthouden, zo onderdrukte ook Christus in zichzelf en in de zijnen het vlees door de kracht van zijn Godheid. Vandaar lezen we bij Matteüs (9, 14): “De Farizeën en de leerlingen van Johannes vastten, de leerlingen van Christus echter niet”. 369En in zijn uitleg hiervan zegt Beda (Commentaar op Marcus, 2, 18; 1e B.) dat Johannes geen wijn noch sterken drank gebruikte: want voor hem die geen natuurlijke kracht bezit is de onthouding een vermeerdering van verdienste. De Heer echter, wie het van nature toekwam de zonden te vergeven — waarom zou Hij hen er van afhouden, die Hij zuiverder kon doen zijn dan zij zijn, die in onthouding leven?
Ad tertium dicendum, quod, sicut Chrysostomus dicit super Matth. [hom. 13.], « ut discas, quam magnum bonum est jejunium, et quale scutum est adversus diabolum, et quoniam post baptismum non lasciviae, sed jejunio intendere oportet, et ipse jejunavit, non eo indigens, sed nos instruens. Non autem ultra processit jejunando, quam Moyses et Elias, ne incredibilis videretur carnis assumptio ».
3. Hierop is te antwoorden met Chrysostomus (13e Homelie op Mattheus) : « Opdat ge zoudt leeren wat een groot goed het vasten is, en hoe het een schild is tegen den duivel, en dat men zich na het doopsel niet aan overdaad moet overgeven, maar op het vasten toe moet leggen, daarom vastte Hij, niet uit behoefte er aan, maar om ons te leeren. Met het vasten ging Hij echter niet verder dan Moses en Elias gegaan waren: opdat de menschwording geen schijn van ongeloofwaardigheid zou hebben ».3. Hierop is te antwoorden met Chrysostomus (13e Homelie op Matteüs): “Opdat ge zoudt leren wat een groot goed het vasten is, en hoe het een schild is tegen de duivel, en dat men zich na het doopsel niet aan overdaad moet overgeven, maar op het vasten toe moet leggen, daarom vastte Hij, niet uit behoefte er aan, maar om ons te leren. Met het vasten ging Hij echter niet verder dan Moses en Elias gegaan waren: opdat de menswording geen schijn van ongeloofwaardigheid zou hebben”.
Secundum mysterium autem, ut Gregorius dicit [hom. 16. in Evang.], « quadragenarius numerus exemplo Christi in jejunio custoditur, quia virtus Decalogi per libros quatuor S. Evangelii impletur, denarius enim quater ductus in quadragenarium surgit; vel quia in hoc mortali corpore ex quatuor elementis subsistimus, per cujus voluptates praeceptis Dominicis contraimus, quae per Decalogum sunt 370accepta ». Vel secundum Augustinum in lib. 83. Quaestionum [q. 81.] : « Omnis sapientiae disciplina est, Creatorem creaturamque cognoscere. Creator est Trinitas, Pater, et Filius, et Spiritus Sanctus; creatura vero partim est invisibilis, sicut anima, cui ternarius numerus attribuitur. Diligere enim Deum tripliciter jubemur, ex toto corde, et ex tota anima, et ex tota mente. Partim visibilis, sicut corpus, cui quaternarius debetur, propter calidum, humidum, frigidum, et siccum. Denarius ergo numerus, qui totam insinuat disciplinam, quater ductus, idest numero, qui corpori tribuitur, multiplicatus, quadragenarium conficit numerum. Et ideo tempus, quo ingemiscimus et dolemus, quadragenario numero celebratur ».
Verder wordt, zooals Gregorius zegt (14e Homelie op het Evangelie) het getal 40, wat het mysterie betreft, in het vasten door het voorbeeld van Christus gehandhaafd, omdat de kracht van den decaloog door de vier boeken van het heilig evangelie wordt aangevuld: want vier maal tien is veertig. — Ofwel omdat ons sterfelijk lichaam, dat ons door zijn wil doet ingaan tegen de voorschriften van den Heer, die in den decaloog zijn opgenomen, 370uit vier elementen bestaat. — Of ook volgens Augustinus zóó: « de geheele leer der wijsheid bestaat hierin: den Schepper en het schepsel te kennen. De Schepper is de Drievuldigheid, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Het geschapene echter is gedeeltelijk onzichtbaar, zooals de ziel en daarop past het getal drie, want we moeten God beminnen op een drievoudige wijze, « met geheel het hart, met de geheele ziel, met geheel het verstand »: gedeeltelijk zichtbaar, zooals het lichaam, waarop het getal vier past ter oorzake van deze vier: het warme, het natte, het koude en het droge. Het getal tien dus, dat de geheele leer aanduidt, met vier vermenigvuldigd, d. i. met het getal, dat op het lichaam wordt toegepast, geeft het getal veertig. En dus wordt de tijd waarin wij zuchten en weenen, met het getal veertig gevierd ».Verder wordt, zoals Gregorius zegt (14e Homelie op het Evangelie) het getal 40, wat het mysterie betreft, in het vasten door het voorbeeld van Christus gehandhaafd, omdat de kracht van de decaloog door de vier boeken van het heilig evangelie wordt aangevuld: want vier maal tien is veertig. — Ofwel omdat ons sterfelijk lichaam, dat ons door zijn wil doet ingaan tegen de voorschriften van de Heer, die in de decaloog zijn opgenomen, 370uit vier elementen bestaat. — Of ook volgens Augustinus zó: “de gehele leer van de wijsheid bestaat hierin: de Schepper en het schepsel te kennen. De Schepper is de Drievuldigheid, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Het geschapene echter is gedeeltelijk onzichtbaar, zoals de ziel en daarop past het getal drie, want we moeten God beminnen op een drievoudige wijze, ‘met geheel het hart, met de gehele ziel, met geheel het verstand’: gedeeltelijk zichtbaar, zoals het lichaam, waarop het getal vier past ter oorzake van deze vier: het warme, het natte, het koude en het droge. Het getal tien dus, dat de gehele leer aanduidt, met vier vermenigvuldigd, d.i. met het getal, dat op het lichaam wordt toegepast, geeft het getal veertig. En dus wordt de tijd waarin wij zuchten en wenen, met het getal veertig gevierd”.
Nec tamen incongruum fuit, ut Christus, post jejunium et desertum ad communem vitam rediret; hoc enim convenit vitae, secundum quam aliquis contemplata aliis tradit, quam Christus dicitur assumpsisse, ut primo contemplationi vacet, et postea ad publicum actionis descendat, aliis convivendo. Unde et Beda [loco sup. cit.] dicit sup. Marc. 2.: « Jejunavit Christus, ne praeceptum 371declinares; manducavit cum peccatoribus, ut gratiam cernens agnosceres potestatem ».
Toch was het niet ongepast dat Christus na het vasten in de woestijn tot het gewone leven terugkeerde. Want het is in overeenstemming met het leven, waarin iemand het beschouwde aan anderen mededeelt en welk leven wij gezegd hebben, dat Christus aangenomen heeft, dat hij eerst zich met de beschouwing bezighoudt en daarna afdaalt tot openbare werkzaamheden, in den omgang met anderen. Vandaar zegt dan ook Beda (Vgl. antw. op de 3712e Bed.) : « Christus heeft gevast, opdat gij geen minachting zoudt hebben, voor het gebod; Hij at met de zondaars, opdat gij de genade ziende, zijn macht zoudt erkennen ».Toch was het niet ongepast dat Christus na het vasten in de woestijn tot het gewone leven terugkeerde. Want het is in overeenstemming met het leven, waarin iemand het beschouwde aan anderen mededeelt en welk leven wij gezegd hebben, dat Christus aangenomen heeft, dat hij eerst zich met de beschouwing bezighoudt en daarna afdaalt tot openbare werkzaamheden, in de omgang met anderen. Vandaar zegt dan ook Beda (Vgl. antw. op de 3712e Bed.): “Christus heeft gevast, opdat gij geen minachting zoudt hebben, voor het gebod; Hij at met de zondaars, opdat gij de genade ziende, zijn macht zoudt erkennen”.
Utrum Christus in hoc mundo debuerit pauperem vitam ducere
Had Christus in deze wereld een arm leven moeten leiden?
Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod Christus in hoc mundo non debuerit pauperem vitam ducere. Christus enim debuit eligibilissimam vitam assumere. Sed eligibilissima vita est, quae est mediocris inter divitias et paupertatem. Dicitur enim Proverb. 30. [v. 8] : « Mendicitatem et divitias ne dederis mihi; tribue tantum victui meo necessaria ». Ergo Christus non debuit pauperem vitam ducere, sed moderatam.
Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus in deze wereld geen arm leven had moeten leiden. — 1. Christus immers moest dat leven aannemen, dat het verkieselijkst was. Maar het verkieselijkste leven, is dàt, hetwelk het midden houdt tusschen rijkdom en armoede: want in het Boek der Spreuken wordt gezegd (30, 8) : « Geef mij noch armoede noch rijkdom: verleen mij alleen wat noodig is tot mijn onderhoud ». Dus moest Christus geen arm, maar een gematigd leven leiden.Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus in deze wereld geen arm leven had moeten leiden. — 1. Christus immers moest dat leven aannemen, dat het verkieselijkst was. Maar het verkieselijkste leven, is dàt, hetwelk het midden houdt tussen rijkdom en armoede: want in het Boek van de Spreuken wordt gezegd (30, 8): “Geef mij noch armoede noch rijkdom: verleen mij alleen wat nodig is tot mijn onderhoud”. Dus moest Christus geen arm, maar een gematigd leven leiden.
2. Praeterea, exteriores divitiae ad usum corporis ordinantur, quantum ad victum et vestitum. Sed Christus in victu et vestitu communem vitam duxit, secundum modum aliorum, quibus convivebat. Ergo videtur, quod 372in divitiis et paupertate communem modum vivendi servare debuerit, et non uti maxima paupertate.
2. De uiterlijke rijkdommen zijn, wat voedsel en kleeding betreft, voor lichamelijk gebruik bestemd. Maar Christus leidde in voedsel en kleeding het gewone leven, in overeenstemming met de levenswijze van hen, waarmee Hij samenleefde. Dus schijnt het 372wel, dat Hij ook wat de rijkdommen en de armoede aangaat de algemeene levenswijze had moeten volgen en niet de grootste armoede had moeten betrachten.2. De uiterlijke rijkdommen zijn, wat voedsel en kleding betreft, voor lichamelijk gebruik bestemd. Maar Christus leidde in voedsel en kleding het gewone leven, in overeenstemming met de levenswijze van hen, waarmee Hij samenleefde. Dus schijnt het 372wel, dat Hij ook wat de rijkdommen en de armoede aangaat de algemene levenswijze had moeten volgen en niet de grootste armoede had moeten betrachten.
3. Praeterea, Christus maxime homines invitavit ad exemplum humilitatis, secundum illud Matth. 11. [v. 29] : « Discite a me, quia mitis sum et humilis corde ». Sed humilitas maxime commendatur in divitibus; unde dicitur 1. ad Timoth. ult. [v. 17] : « Divitibus hujus saeculi praecipe non altum sapere ». Ergo videtur, quod Christus non debuerit ducere pauperem vitam.
3. Christus heeft de menschen vooral uitgenoodigd een voorbeeld van nederigheid te zijn, volgens Mattheus (11, 29) : « Leert van Mij, omdat Ik zachtmoedig en nederig ben ». Maar het meest heeft de nederigheid der rijken wervende kracht. Vandaar dat in den Eersten Brief aan Timotheus gezegd wordt (6, 17) : « Vermaan de rijken dezer wereld, dat ze niet trots mogen zijn ». Dus had Christus geen arm leven moeten leiden.3. Christus heeft de mensen vooral uitgenodigd een voorbeeld van nederigheid te zijn, volgens Matteüs (11, 29): “Leert van Mij, omdat Ik zachtmoedig en nederig ben”. Maar het meest heeft de nederigheid van de rijken wervende kracht. Vandaar dat in de Eerste Brief aan Timoteüs gezegd wordt (6, 17): “Vermaan de rijken van deze wereld, dat ze niet trots mogen zijn”. Dus had Christus geen arm leven moeten leiden.
Sed contra est, quod dicitur Matth. 8. [v. 20] : « Filius hominis non habet ubi caput reclinet ». Quasi dicat, secundum Hieronymum [in Matth. L. 1, in hunc locum] : « Cur me propter divitias et saeculi lucra cupis sequi cum tantae sim paupertatis, ut nec hospitiolum quidem habeam, et tecto utar non meo? » Et super illud Matth. 17. [v. 26] : Ut non scandalizemus eos, vade ad mare, dicit Hieronymus, [in Matth., L. 3]: « Hoc simpliciter intellectum aedificat auditorem, dum audit tantae 373Dominum fuisse paupertatis, ut unde tributa pro se et Apostolo redderet, non habuerit ».
Daartegenover staat echter wat Mattheus zegt (8, 20) : « De Menschenzoon heeft niets om zijn hoofd op neer te leggen ». Alsof Hij zeggen wilde, zegt Hieronymus (Commentaar op Mattheus, 8, 20; 1e B.) : « Wat verlangt ge mij te volgen ter wille van rijkdommen en wereldsch gewin, daar ik zóó arm ben, dat Ik zelfs geen klein onderdak bezit, en van een andermans woning gebruik maak? » En bij de woorden van Mattheus (17, 26) : « Om hun geen aanstoot te geven, ga naar het meer » zegt Hieronymus: « Deze woorden, begrepen zooals ze daar staan, stichten hem die ze hoort, daar hij verneemt, dat de Heer zóó arm was, dat Hij 373niets bezat om de belasting voor zich en den Apostel er van te betalen ».Daartegenover staat echter wat Matteüs zegt (8, 20): “De Mensenzoon heeft niets om zijn hoofd op neer te leggen”. Alsof Hij zeggen wilde, zegt Hieronymus (Commentaar op Matteüs, 8, 20; 1e B.): “Wat verlangt ge mij te volgen ter wille van rijkdommen en werelds gewin, daar ik zó arm ben, dat Ik zelfs geen klein onderdak bezit, en van een andermans woning gebruik maak?” En bij de woorden van Matteüs (17, 26): “Om hun geen aanstoot te geven, ga naar het meer” zegt Hieronymus: “Deze woorden, begrepen zoals ze daar staan, stichten hem die ze hoort, daar hij verneemt, dat de Heer zó arm was, dat Hij 373niets bezat om de belasting voor zich en de Apostel er van te betalen”.
Respondeo dicendum, quod Christum decuit in hoc mundo pauperem vitam ducere. Primo quidem, quia hoc erat congruum praedicationis officio, propter quod venisse se dicit Marci 1. [v. 38] : « Eamus in proximos vicos et civitates, ut et ibi praedicem; ad hoc enim veni ». Oportet autem praedicatores verbi Dei, ut omnino vacent praedicationi, omnino a saecularium rerum cura esse absolutos, quod facere non possunt qui divitias possident. Unde et ipse Dominus Apostolos ad praedicandum mittens, dicit eis, Matth. 10. [v. 9] : « Nolite possidere aurum, neque argentum ». Et ipsi Apostoli dicunt Act. 6. [v. 2] : « Non est aequum nos relinquere verbum Dei et ministrare mensis ».
Leerstelling. — Christus behoorde in deze wereld een arm leven te leiden. En wel ten eerste, omdat zulks paste bij het predikambt, waartoe Hij, volgens zijn zeggen, gekomen was. Marcus (1, 38) : « Laten we naar de omliggende dorpen en steden gaan, om ook daar te preeken: want daartoe ben ik gekomen ». Predikers echter van het woord Gods behooren, om zich geheel te kunnen geven aan de prediking, volkomen bevrijd te zijn van de zorg voor wereldsche zaken. Rijken zijn dat echter niet. Vandaar dat als de Heer de Apostelen dan ook uitzendt om te preeken, Hij zelf tot hen zegt (Mattheus, 10, 9) : « Wilt geen goud noch zilver bezitten ». En de Apostelen zeggen zelf (Handel. der Apost., 6, 2) : « Het is niet goed, dat wij het woord verwaarloozen, om aan tafel te dienen ».Leerstelling. — Christus behoorde in deze wereld een arm leven te leiden. En wel ten eerste, omdat zulks paste bij het predikambt, waartoe Hij, volgens zijn zeggen, gekomen was. Marcus (1, 38): “Laten we naar de omliggende dorpen en steden gaan, om ook daar te preken: want daartoe ben ik gekomen”. Predikers echter van het woord Gods behoren, om zich geheel te kunnen geven aan de prediking, volkomen bevrijd te zijn van de zorg voor wereldse zaken. Rijken zijn dat echter niet. Vandaar dat als de Heer de Apostelen dan ook uitzendt om te preken, Hij zelf tot hen zegt (Matteüs, 10, 9): “Wilt geen goud noch zilver bezitten”. En de Apostelen zeggen zelf (Handel. van de Apost., 6, 2): “Het is niet goed, dat wij het woord verwaarlozen, om aan tafel te dienen”.
Secundo, quia sicut mortem corporalem assumpsit, ut nobis vitam largiretur spiritualem, ita corporalem paupertatem sustinuit, ut nobis divitias spirituales largiretur, secundum illud 2. ad Corinth. 3748. [v. 9] : « Scitis gratiam Domini nostri Jesu Christi, quoniam propter vos egenus factus est, ut illius inopia vos divites essetis ».
Ten tweede, omdat gelijk Christus den lichamelijken dood aanvaard heeft, om ons een geestelijk leven mede te deelen, Hij evenzoo lichamelijke armoede heeft willen dragen, om ons geestelijke rijkdommen te schenken, volgens den Tweeden Brief aan de Korinthiërs (8, 9) : « Ge kent toch de liefdedaad van onzen Heer 374Jesus Christus: hoe Hij om uwentwil arm is geworden, terwijl Hij rijk was opdat gij rijk zoudt worden door zijn armoede ».Ten tweede, omdat gelijk Christus de lichamelijke dood aanvaard heeft, om ons een geestelijk leven mede te delen, Hij evenzo lichamelijke armoede heeft willen dragen, om ons geestelijke rijkdommen te schenken, volgens de Tweede Brief aan de Korintiërs (8, 9): “Ge kent toch de liefdedaad van onze Heer 374Jesus Christus: hoe Hij om uwentwil arm is geworden, terwijl Hij rijk was opdat gij rijk zoudt worden door zijn armoede”.
Tertio, ne si divitias haberet, cupiditati ejus praedicatio adscriberetur; unde Hieronymus dicit super Matth. [L. 1, ad c. 10, v. 9], quod « si discipuli ejus divitias habuissent, viderentur non causa salutis hominum, sed causa lucri praedicare », et eadem ratio est de Christo.
Ten derde, opdat niet als Hij rijkdommen bezat, zijn prediking aan begeerlijkheid zou toegeschreven worden. Vandaar zegt Hieronymus (Verklaring van Mattheus, 10, 9; 1e B.) dat, als de leerlingen in het bezit zouden geweest zijn van rijkdommen dan zouden zij den schijn gewekt hebben, dat ze niet om het heil der menschen, maar uit winstbejag hadden gepredikt. Hetzelfde nu gaat op voor Christus.Ten derde, opdat niet als Hij rijkdommen bezat, zijn prediking aan begeerlijkheid zou toegeschreven worden. Vandaar zegt Hieronymus (Verklaring van Matteüs, 10, 9; 1e B.) dat, als de leerlingen in het bezit zouden geweest zijn van rijkdommen dan zouden zij de schijn gewekt hebben, dat ze niet om het heil van de mensen, maar uit winstbejag hadden gepredikt. Hetzelfde nu gaat op voor Christus.
Quarto, ut tanto major virtus divinitatis ejus ostenderetur, quanto per paupertatem videbatur abjectior; unde dicitur in quodam Sermone Ephesini Concilii (Act. cap. 9: Theodoti Ancyr.) : « Omnia paupera et vilia elegit, omnia mediocria et plurimis obscura, ut divinitas cognosceretur orbem transformasse terrarum. Propterea pauperculam elegit matrem, pauperiorem patriam; egens fuit pecuniis, et hoc tibi exponit praesepe ».
Ten vierde, opdat naar mate Hij door zijn armoede verachtelijker scheen, de kracht zijner Godheid des te sterker naar voren zou komen. Vandaar wordt er gezegd in een der redevoeringen van het Concilie van Ephese: « Al het arme en geringe, al het onaanzienlijke en door de meesten ongeachte heeft Hij uitgekozen, opdat men zou erkennen, dat zijn Godheid het aardrijk heeft veranderd. Daarom ook verkoos Hij een arme moeder en een nog armer vaderland: daarom lijdt hij gebrek aan geld. En deze kribbe toont Hij u ».Ten vierde, opdat naar mate Hij door zijn armoede verachtelijker scheen, de kracht van zijn Godheid des te sterker naar voren zou komen. Vandaar wordt er gezegd in een van de redevoeringen van het Concilie van Efeze: “Al het arme en geringe, al het onaanzienlijke en door de meesten ongeachte heeft Hij uitgekozen, opdat men zou erkennen, dat zijn Godheid het aardrijk heeft veranderd. Daarom ook verkoos Hij een arme moeder en een nog armer vaderland: daarom lijdt hij gebrek aan geld. En deze kribbe toont Hij u”.
Ad primum ergo dicendum, quod superabundantia divitiarum et mendicitas vitanda videntur ab his, qui volunt vivere secundum virtutem, inquantum sunt occasiones peccandi. Abundantia namque divitiarum est superbiendi 375occasio; mendicitas autem est occasio furandi et mentiendi, aut etiam perjurandi. Quia vero Christus peccati capax non erat, propter hanc causam, ex qua Salomon hoc vitabat, Christo vitanda non erant. Neque tamen quaelibet mendicitas est furandi et perjurandi occasio, ut ibidem Salomon subdere videtur, sed sola illa, quae est contraria voluntati, ad quam vitandam homo furatur et perjurat. Sed paupertas voluntaria hoc periculum non habet, et talem paupertatem Christus elegit.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Overvloed van rijkdommen en groote armoede schijnen door hen die deugdzaam willen leven vermeden te moeten worden als aanleiding tot zonde: 375want overvloed van rijkdommen is een aanleiding tot hoogmoed; groote armoede daarentegen is een aanleiding tot stelen en liegen of ook tot het doen van een meineed. Omdat Christus echter niet kon zondigen, behoefde Christus dit alles om de reden waarom Salomon het vermeed niet te vermijden. — Maar toch is niet iedere groote armoede een aanleiding tot stelen en meineedigheid, zooals Salomon op dezelfde plaats er aan schijnt toe te voegen: maar alleen die, welke iemand tegen zijn wil overkomt, en om welke te vermijden de menschen stelen en meineeden doen. Maar de vrijwillige armoede heeft dit gevaar niet. En die armoede heeft Christus verkozen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Overvloed van rijkdommen en grote armoede schijnen door hen die deugdzaam willen leven vermeden te moeten worden als aanleiding tot zonde: 375want overvloed van rijkdommen is een aanleiding tot hoogmoed; grote armoede daarentegen is een aanleiding tot stelen en liegen of ook tot het doen van een meineed. Omdat Christus echter niet kon zondigen, behoefde Christus dit alles om de reden waarom Salomon het vermeed niet te vermijden. — Maar toch is niet iedere grote armoede een aanleiding tot stelen en meinedigheid, zoals Salomon op dezelfde plaats er aan schijnt toe te voegen: maar alleen die, welke iemand tegen zijn wil overkomt, en om welke te vermijden de mensen stelen en meineden doen. Maar de vrijwillige armoede heeft dit gevaar niet. En die armoede heeft Christus verkozen.
Ad secundum dicendum, quod communi vita uti, quantum ad victum et vestitum, potest aliquis non solum divitias possidendo, sed etiam a mulieribus et divitibus necessaria accipiendo. Quod etiam circa Christum factum est: dicitur enim Lucae 8 [v. 2-3], quod mulieres quaedam sequebantur Christum, quae ministrabant ei de facultatibus suis. Ut enim Hieronymus dicit super Matth. [L. 4, ad c. 27, v. 55], « consuetudinis judaicae fuit, nec ducebatur in culpam more gentis antiquo, ut mulieres de substantia sua victum atque vestitum praeceptoribus suis ministrarent. Sed quia hoc scandalum facere poterat in nationibus, Paulus se abjecisse commemorat ». 376Sic ergo communis victus poterat esse sine sollicitudine impediente praedicationis officium, non autem divitiarum processio.
2. Iemand, die in voedsel en kleeding een gewoon leven wil leiden, kan dat niet alleen doen, met rijkdommen te bezitten, maar ook met het noodzakelijke van de rijken aan te nemen. Wat ook met Christus het geval is geweest : want Lucas zegt (8, 2, 3) dat enkele vrouwen Christus volgden, die Hem met haar vermogen ten dienste stonden. Want zooals Hieronymus zegt (Verklaring van Mattheus, 27, 55; 4e B.) : was het een Joodsche gewoonte, volgens oud gebruik van het volk, en welke niet als een fout werd aangerekend, dat vrouwen haar leeraren van voedsel en kleeding uit haar bezit voorzagen. Paulus maakt er echter melding van, dat Hij hiermee gebroken heeft, omdat dit ergernis had kunnen geven onder 376de heidenen. Zoo kon dus het gewone levensonderhoud aanwezig zijn zonder de zorg welke een beletsel is voor het predikambt: wat niet het geval is met het bezit van rijkdommen.2. Iemand, die in voedsel en kleding een gewoon leven wil leiden, kan dat niet alleen doen, met rijkdommen te bezitten, maar ook met het noodzakelijke van de rijken aan te nemen. Wat ook met Christus het geval is geweest: want Lukas zegt (8, 2, 3) dat enkele vrouwen Christus volgden, die Hem met haar vermogen ten dienste stonden. Want zoals Hieronymus zegt (Verklaring van Matteüs, 27, 55; 4e B.): was het een Joodse gewoonte, volgens oud gebruik van het volk, en welke niet als een fout werd aangerekend, dat vrouwen haar leraren van voedsel en kleding uit haar bezit voorzagen. Paulus maakt er echter melding van, dat Hij hiermee gebroken heeft, omdat dit ergernis had kunnen geven onder 376de heidenen. Zo kon dus het gewone levensonderhoud aanwezig zijn zonder de zorg welke een beletsel is voor het predikambt: wat niet het geval is met het bezit van rijkdommen.
Ad tertium dicendum, quod in eo, qui ex necessitate pauper est, humilitas non multum commendatur, sed in eo, qui voluntarie pauper est (sicut fuit Christus), ipsa paupertas est maximae humilitatis indicium.
3. In hem, die uit noodzaak armoede lijdt, heeft de nederigheid niet veel wervende kracht. Maar bij hem, die, zooals het geval was bij Christus, uit vrije keuze arm is, is arm zijn een teeken van de grootste nederigheid.3. In hem, die uit noodzaak armoede lijdt, heeft de nederigheid niet veel wervende kracht. Maar bij hem, die, zoals het geval was bij Christus, uit vrije keuze arm is, is arm zijn een teken van de grootste nederigheid.
Utrum Christus in hac vita secundum legem conversatus fuerit
Heeft Christus volgens de wet geleefd?
Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod Christus non fuerit conversatus secundum legem. Lex enim praecipiebat, ut nihil operis in sabbato fieret, sicut Deus die septimo requievit ab omni opere, quod patrarat [Gen. 2, v. 2]. Sed ipse in sabbato curavit hominem, et ei mandavit ut tolleret lectum suum. Ergo videtur, quod non fuerit secundum legem conversatus.
Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet volgens de wet geleefd heeft. — 1. De wet immers schreef voor, op den sabbat geen enkel werk te verrichten zooals God op den zevenden dag rustte van al het werk, dat Hij verricht had. Maar Hij genas op den sabbat een mensch, en gaf hem het bevel zijn bed op te nemen. Dus heeft het er wel den schijn van, dat Hij niet volgens de wet geleefd heeft.Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet volgens de wet geleefd heeft. — 1. De wet immers schreef voor, op de sabbat geen enkel werk te verrichten zoals God op de zevende dag rustte van al het werk, dat Hij verricht had. Maar Hij genas op de sabbat een mens, en gaf hem het bevel zijn bed op te nemen. Dus heeft het er wel de schijn van, dat Hij niet volgens de wet geleefd heeft.
3772. Praeterea, eadem Christus fecit, et docuit, secundum illud Act. 1. [v. 1] : « Coepit Jesus facere et docere ». Sed ipse Matth. 15. [v. 11] docuit, quod « omne quod intrat in os, non coinquinat hominem », quod est contra praeceptum legis, quae per esum et contactum quorumdam animalium dicebat hominem immundum fieri, ut patet Levit. 11. Ergo videtur, quod ipse non fuerit secundum legem conversatus.
3772. Wat Christus deed, dat leerde Hij ook, volgens den tekst uit de Handelingen der Apostelen (1, 1) : « Jesus begon te doen en te leeren ». Maar Hij leerde dat niet alles wat den mond binnengaat den mensch bezoedelt. (Mattheus, 15, 11) : wat tegen het voorschrift der wet is, die zeide, zooals uit Leviticus blijkt (11e H.) dat door het eten en aanraken van sommige dieren de mensch onrein wordt. Dus schijnt Hij niet volgens de wet geleefd te hebben.3772. Wat Christus deed, dat leerde Hij ook, volgens de tekst uit de Handelingen van de Apostelen (1, 1): “Jesus begon te doen en te leren”. Maar Hij leerde dat niet alles wat de mond binnengaat de mens bezoedelt. (Matteüs, 15, 11): wat tegen het voorschrift van de wet is, die zeide, zoals uit Leviticus blijkt (11e H.) dat door het eten en aanraken van sommige dieren de mens onrein wordt. Dus schijnt Hij niet volgens de wet geleefd te hebben.
3. Praeterea, idem judicium videtur esse facientis et consentientis, secundum illud Rom. 1. [v. 32] : « Non solum illis qui faciunt, sed et qui consentiunt facientibus ». Sed Christus consensit discipulis suis solventibus legem in hoc, quod sabbato spicas vellebant, excusando eos, ut habetur Matth. 12. [v. 1 & 8]. Ergo videtur, quod Christus non conversatus fuerit secundum legem.
3. Hij die iets doet en hij die er mee instemt, schijnen van hetzelfde gevoelen te zijn, volgens het woord uit den Brief aan de Romeinen (1, 32) : « Niet alleen zij die het doen, maar ook zij die hun bijval schenken aan hen die het doen ». Maar Christus stemt met de leerlingen in, waar hij ze verontschuldigt als ze de wet overtreden door op den sabbat korenaren te plukken: wat te lezen staat bij Mattheus (12, 1, 8). Dus schijnt Christus niet volgens de wet geleefd te hebben.3. Hij die iets doet en hij die er mee instemt, schijnen van hetzelfde gevoelen te zijn, volgens het woord uit de Brief aan de Romeinen (1, 32): “Niet alleen zij die het doen, maar ook zij die hun bijval schenken aan hen die het doen”. Maar Christus stemt met de leerlingen in, waar hij ze verontschuldigt als ze de wet overtreden door op de sabbat korenaren te plukken: wat te lezen staat bij Matteüs (12, 1, 8). Dus schijnt Christus niet volgens de wet geleefd te hebben.
Sed contra est, quod dicitur Matth. 5. [v. 17] : « Nolite putare, quoniam veni solvere legem aut prophetas », quod exponens Chrysostomus [hom. 16. in Matth.] dicit: « Legem implevit, primo quidem nihil 378transgrediendo legalium, secundo justificando per fidem, quod lex per litteram facere non valebat ».
Daartegenover staat echter dat Mattheus zegt (5, 17) : « Meent niet, dat Ik gekomen ben, om de Wet of de Profeten op te heffen ». In de verklaring waarvan Chrysostomus zegt (16e Homelie op Mattheus) : « Hij vervolmaakte de wet en wel ten eerste, door geen 378der wettelijke voorschriften te overtreden; ten tweede, door, wat de wet door haar letter niet vermocht te doen, te rechtvaardigen door het geloof ».Daartegenover staat echter dat Matteüs zegt (5, 17): “Meent niet, dat Ik gekomen ben, om de Wet of de Profeten op te heffen”. In de verklaring waarvan Chrysostomus zegt (16e Homelie op Matteüs): “Hij vervolmaakte de wet en wel ten eerste, door geen 378van de wettelijke voorschriften te overtreden; ten tweede, door, wat de wet door haar letter niet vermocht te doen, te rechtvaardigen door het geloof”.
Respondeo dicendum, quod Christus in omnibus secundum legis praecepta conversatus est. In cujus signum etiam voluit circumcidi: circumcisio enim est quaedam protestatio legis implendae, secundum illud Gal. 5. [v. 3] : « Testificor omni homini circumcidenti se, quoniam debitor est universae legis faciendae ».
Leerstelling. — Christus heeft in alles volgens de voorschriften der wet geleefd. Ten teeken waarvan Hij ook wilde besneden worden: want de besnijdenis is een soort belofte de wet te zullen volbrengen, volgens het woord aan de Galaten (5, 3) : « Ik verklaar aan eenieder, die zich besnijden laat, dat hij dan verplicht is de geheele wet te onderhouden ».Leerstelling. — Christus heeft in alles volgens de voorschriften van de wet geleefd. Ten teken waarvan Hij ook wilde besneden worden: want de besnijdenis is een soort belofte de wet te zullen volbrengen, volgens het woord aan de Galaten (5, 3): “Ik verklaar aan eenieder, die zich besnijden laat, dat hij dan verplicht is de gehele wet te onderhouden”.
Voluit autem Christus secundum legem conversari, primo quidem, ut legem veterem approbaret; secundo, ut eam observando, in seipso consummaret et terminaret, ostendens quod ad seipsum erat ordinata; tertio, ut Judaeis occasionem calumniandi subtraheret; quarto, ut homines a servitute legis liberaret, secundum illud Gal. 4. [v. 4-5] : « Misit Deus Filium suum factum sub lege, ut eos, qui sub lege erant, redimeret ».
Christus nu wilde volgens de wet leven en wel ten eerste, om de oude wet te bekrachtigen. — Ten tweede, ten einde haar, met ze te onderhouden, tot haar grootste volmaaktheid te brengen en af te sluiten, hiermee aanduidende, dat ze tot Hem gericht was. — Ten derde, om aan de Joden de aanleiding tot laster te ontnemen. — Ten vierde, om de menschen van de slavernij der wet te verlossen, volgens het woord aan de Galaten (4, 4, 5) : « God heeft zijn eigen Zoon gezonden, die geboren werd onder de wet, opdat Hij loskoopen zou die staan onder de wet ».Christus nu wilde volgens de wet leven en wel ten eerste, om de oude wet te bekrachtigen. — Ten tweede, ten einde haar, met ze te onderhouden, tot haar grootste volmaaktheid te brengen en af te sluiten, hiermee aanduidende, dat ze tot Hem gericht was. — Ten derde, om aan de Joden de aanleiding tot laster te ontnemen. — Ten vierde, om de mensen van de slavernij van de wet te verlossen, volgens het woord aan de Galaten (4, 4, 5): “God heeft zijn eigen Zoon gezonden, die geboren werd onder de wet, opdat Hij loskopen zou die staan onder de wet”.
Ad primum ergo dicendum, quod Dominus super hoc se excusat a 379transgressione legis tripliciter. Uno quidem modo, quia per praeceptum de sanctificatione sabbati non interdicitur opus divinum, sed opus humanum. Quamvis enim Deus die septimo cessaverit a novis creaturis condendis, semper tamen operatur in rerum conservatione et gubernatione. Quod autem Christus miracula faciebat, erat operis divini; unde ipse dicit Joan. 5. [v. 17] : « Pater meus usque modo operatur, et ego operor ».
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Op drie manieren 379verontschuldigt zich hier de Heer van een overtreding der wet. En wel op de eerste manier, omdat door het gebod van de heiliging van den Sabbat geen goddelijk werk verboden wordt, maar het werk der menschen: want ofschoon God op den zevenden dag opgehouden heeft met het maken van nieuwe schepselen, werkt Hij toch immer door, met de dingen te behouden en te besturen. Het wonderen werken van Christus was echter een godgelijk werk. En daarom zegt Hij zelf bij Joannes (5, 17) : « Mijn Vader werkt tot heden toe, en zoo werk Ik eveneens ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Op drie manieren 379verontschuldigt zich hier de Heer van een overtreding van de wet. En wel op de eerste manier, omdat door het gebod van de heiliging van de Sabbat geen goddelijk werk verboden wordt, maar het werk van de mensen: want ofschoon God op de zevende dag opgehouden heeft met het maken van nieuwe schepselen, werkt Hij toch immer door, met de dingen te behouden en te besturen. Het wonderen werken van Christus was echter een godgelijk werk. En daarom zegt Hij zelf bij Johannes (5, 17): “Mijn Vader werkt tot heden toe, en zo werk Ik eveneens”.
Secundo excusat se per hoc, quod illo praecepto non prohibentur opera, quae sunt de necessitate salutis, etiam corporalis. Unde ipse dicit Lucae 13. [v. 15] : « Unusquisque vestrum sabbato non solvit bovem suum aut asinum a praesepio, et ducit adaquare? », et infra, cap. 14. [v. 5] : « Cujus vestrum asinus aut bos in puteum cadet, et non continuo extrahet illum die sabbati? » Manifestum est autem, quod opera miraculorum, quae Christus faciebat, ad salutem corporis et animae pertinebant.
De tweede manier waarop Hij zich verontschuldigt is hierdoor, dat door dit voorschrift niet die werken verboden worden, welke noodzakelijk zijn voor het lichamelijk welzijn. Vandaar zegt Hij zelf bij Lucas (13, 15) : « Maakt niet ieder van u op den sabbat zijn rund of zijn ezel los van de kribbe, om ze weg te leiden en te drenken? » En verderop (14, 5) : « Wie van u zal zijn ezel of zijn os, die in den put is gevallen, niet aanstonds, ook op den sabbat, er uit trekken? » Het is echter duidelijk, dat de wonderwerken, welke Christus verrichtte, het welzijn van lichaam en ziel op het oog hadden.De tweede manier waarop Hij zich verontschuldigt is hierdoor, dat door dit voorschrift niet die werken verboden worden, welke noodzakelijk zijn voor het lichamelijk welzijn. Vandaar zegt Hij zelf bij Lukas (13, 15): “Maakt niet ieder van u op de sabbat zijn rund of zijn ezel los van de kribbe, om ze weg te leiden en te drenken?” En verderop (14, 5): “Wie van u zal zijn ezel of zijn os, die in de put is gevallen, niet aanstonds, ook op de sabbat, er uit trekken?” Het is echter duidelijk, dat de wonderwerken, welke Christus verrichtte, het welzijn van lichaam en ziel op het oog hadden.
Tertio, quia illo praecepto non prohibentur opera, quae pertinent ad Dei cultum; unde dicitur Matth. 12. [v. 5] : « An non legistis in lege, quia sabbatis sacerdotes in 380templo sabbatum violant, et sine crimine sunt? », et Joan. 7. [v. 23] dicitur, quod circumcisionem accipit homo in sabbato. Quod autem Christus paralytico mandavit, ut lectum suum sabbato portaret, ad cultum Dei pertinebat, idest ad laudem virtutis divinae.
Ten derde, omdat door dat voorschrift de werkzaamheden, die op den dienst van God betrekking hebben, niet verboden worden. Vandaar Mattheus (12, 5) : « Of hebt ge niet gelezen in de Wet, 380dat op den sabbat de priesters in den tempel de sabbatrust verbreken, en toch niet schuldig zijn? » En bij Joannes (7, 23) wordt gezegd dat er wel menschen op den sabbat de besnijdenis ontvangen. Dat nu Christus aan den lamme het bevel gaf op den sabbat zijn bed te dragen, dat is iets wat betrekking had op den eeredienst van God, d. i. op de lofprijzing der goddelijke kracht.Ten derde, omdat door dat voorschrift de werkzaamheden, die op de dienst van God betrekking hebben, niet verboden worden. Vandaar Matteüs (12, 5): “Of hebt ge niet gelezen in de Wet, 380dat op de sabbat de priesters in de tempel de sabbatrust verbreken, en toch niet schuldig zijn?” En bij Johannes (7, 23) wordt gezegd dat er wel mensen op de sabbat de besnijdenis ontvangen. Dat nu Christus aan de lamme het bevel gaf op de sabbat zijn bed te dragen, dat is iets wat betrekking had op de eredienst van God, d.i. op de lofprijzing van de goddelijke kracht.
Et sic patet, quod sabbatum non solvebat, quamvis hoc ei Judaei falso objicerent, dicentes [Joan. 9, v. 16] : « Non est hic homo a Deo, qui sabbatum non custodit ».
Er blijkt dus wel, dat Hij den sabbat niet schond, ofschoon de Joden Hem dit valschelijk voor de voeten wierpen, zeggende (Joannes, 9, 16) : « Die man komt niet van God, want Hij houdt den sabbat niet ».Er blijkt dus wel, dat Hij de sabbat niet schond, ofschoon de Joden Hem dit valselijk voor de voeten wierpen, zeggende (Johannes, 9, 16): “Die man komt niet van God, want Hij houdt de sabbat niet”.
Ad secundum dicendum, quod Christus voluit ostendere per illa verba, quod homo non redditur immundus secundum animam ex usu ciborum quorumcumque secundum suam naturam, sed solum secundum quamdam significationem utrumque natura immundum esse1. Quod autem in lege quidam cibi dicuntur immundi, hoc est per quamdam significationem; unde Augustinus dicit contra Faustum [lib. 6. cap. 7.] : « Si de porco et agno requiratur, utrum natura mundus est, dicimus2 quia omnis creatura Dei bona est; quadam vero significatione agnus mundus, porcus immundus est ».
2. Door deze woorden wilde Christus aangeven dat de mensch niet onrein van ziel wordt door het eten van gelijk welke spijzen, wanneer men de natuur ervan beschouwt, maar alleen wanneer men er een zekere beteekenis aan hecht. Dat nu in de wet sommige spijzen onrein genoemd worden, dat geschiedt om een zekere beteekenis. Vandaar zegt Augustinus in zijn Werk Tegen Faustus (6e B., 7e H.) : « Als men het varken en het lam met elkaar vergelijkt, dan zijn ze beiden als natuurding, rein, omdat « alle schepsel Gods goed is »: om een zekere beteekenis is echter het lam rein en het zwijn onrein ».2. Door deze woorden wilde Christus aangeven dat de mens niet onrein van ziel wordt door het eten van gelijk welke spijzen, wanneer men de natuur ervan beschouwt, maar alleen wanneer men er een zekere betekenis aan hecht. Dat nu in de wet sommige spijzen onrein genoemd worden, dat geschiedt om een zekere betekenis. Vandaar zegt Augustinus in zijn Werk Tegen Faustus (6e B., 7e H.): “Als men het varken en het lam met elkaar vergelijkt, dan zijn ze beiden als natuurding, rein, omdat ‘alle schepsel Gods goed is’: om een zekere betekenis is echter het lam rein en het zwijn onrein”.
381Ad tertium dicendum, quod etiam discipuli, quando esurientes spicas sabbato vellebant, a transgressione legis excusantur propter necessitatem famis, sicut et David non fuit transgressor legis, quando propter famis necessitatem comedit sanctos panes, quos ei edere non licebat.
3813. Ook toen de leerlingen, omdat ze honger hadden, op den sabbat korenaren plukten, waren ze van overtreding der wet vrij te pleiten, daar ze het deden omdat ze honger hadden; zoo was ook David geen overtreder der wet toen hij, door honger gedreven, de brooden opat, welke hij niet mocht eten.3813. Ook toen de leerlingen, omdat ze honger hadden, op de sabbat korenaren plukten, waren ze van overtreding van de wet vrij te pleiten, daar ze het deden omdat ze honger hadden; zo was ook David geen overtreder van de wet toen hij, door honger gedreven, de broden opat, welke hij niet mocht eten.