Theologische Summa · Tertia Pars · Zijn levensloopSumma · III · Zijn levensloopSumma · III · Kw. 45Kw. 45
Quaestio XLV

De transfiguratione Christi

Kwestie 45

Over de gedaanteverandering van Christus

(Vier Artikelen)

480Deinde considerandum est de transfiguratione Christi. Et circa hoc quaeruntur quatuor: 1. Utrum conveniens fuerit Christum transfigurari. — 2. Utrum claritas transfigurationis fuerit claritas gloriosa. — 3. De testibus transfigurationis. — 4. De testimonio paternae vocis.

480Vervolgens moeten we Christus' gedaanteverandering behandelen, en daaromtrent stellen we vier vragen : 1. Was het passend, dat Christus van gedaante veranderd werd? 2. Was de heerlijkheid der gedaanteverandering de hemelsche heerlijkheid? 3. Over de getuigen bij de gedaanteverandering. 4. Over het getuigenis van de stem des Vaders.480Vervolgens moeten we Christus' gedaanteverandering behandelen, en daaromtrent stellen we vier vragen: 1. Was het passend, dat Christus van gedaante veranderd werd? 2. Was de heerlijkheid van de gedaanteverandering de hemelse heerlijkheid? 3. Over de getuigen bij de gedaanteverandering. 4. Over het getuigenis van de stem van de Vader.

Articulus I

Utrum fuerit conveniens Christum transfigurari

[Opusc. 60. cap. 26.]
Ie Artikel

Was het passend, dat Christus van gedaante veranderd werd?

antwoord 1 ↓

480Ad primum sic proceditur. Videtur, quod non fuerit conveniens Christum transfigurari. Non enim competit vero corpori, ut in diversas figuras 481mutetur, sed corpori phantastico. Corpus autem Christi non fuit phantasticum, sed verum, ut supra habitum est [q. 5. art. 1.]. Ergo videtur, quod transfigurari non debuerit.

480Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet passend is geweest, dat Christus van gedaante veranderd werd. — 1. Het 481komt immers niet aan een echt, maar wel aan een schijnlichaam toe, in verschillende gedaanten veranderd te worden. Christus' lichaam was echter geen schijn-, maar een werkelijk lichaam, zooals boven uiteengezet is (5e Kw., 1e Art.). Dus schijnt het wel, dat Hij niet van gedaante moest veranderd worden.480Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet passend is geweest, dat Christus van gedaante veranderd werd. — 1. Het 481komt immers niet aan een echt, maar wel aan een schijnlichaam toe, in verschillende gedaanten veranderd te worden. Christus' lichaam was echter geen schijn-, maar een werkelijk lichaam, zoals boven uiteengezet is (5e Kw., 1e Art.). Dus schijnt het wel, dat Hij niet van gedaante moest veranderd worden.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, figura est in quarta specie qualitatis. Claritas autem est in tertia, cum sit sensibilis qualitas. Assumptio ergo claritatis a Christo transfiguratio dici non debet.

2. De figuur is een hoedanigheid van de vierde soort: de glans echter van de derde, daar het een zintuigelijk waarneembare hoedanigheid is. Het aannemen van een zekeren glans door Christus moet dus geen gedaanteverandering genoemd worden.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, corporis gloriosi sunt quatuor dotes, ut infra dicetur [Suppl. q. 82. et seq.], scilicet impassibilitas, agilitas, subtilitas, et claritas. Non ergo debuit transfigurari magis secundum assumptionem claritatis, quam secundum assumptionem aliarum dotium.

3. Zooals later gezegd zal worden (Suppl. 82e Kw., en vlg.), heeft het verheerlijkte lichaam vier eigenschappen: en wel onlijdelijkheid, vlugheid, doordringbaarheid, en glans. Christus moest dus niet alleen van gedaante veranderd worden, door den glans, maar ook door de andere gaven aan te nemen.3. Zoals later gezegd zal worden (Suppl. 82e Kw., en vlg.), heeft het verheerlijkte lichaam vier eigenschappen: en wel onlijdelijkheid, vlugheid, doordringbaarheid, en glans. Christus moest dus niet alleen van gedaante veranderd worden, door de glans, maar ook door de andere gaven aan te nemen.

Sed contra est, quod dicitur Matth. 17. [v. 2], quod Jesus transfiguratus est ante tres discipulorum suorum.

Daartegenover staat echter, wat we lezen bij Mattheus (17, 2), dat Jesus van gedaante veranderd werd voor de oogen van drie zijner leerlingen.Daartegenover staat echter, wat we lezen bij Matteüs (17, 2), dat Jesus van gedaante veranderd werd voor de ogen van drie van zijn leerlingen.

Respondeo dicendum, quod Dominus discipulis suis, praenuntiata sua passione, induxerat eos ad suae passionis sequelam. Oportet autem, ad hoc 482quod aliquis directe procedat in via, quod finem aliqualiter praecognoscat, sicut sagittator non recte jaciet sagittam, nisi prius signum prospexerit, in quod jaciendum est. Unde et Thomas dixit, Joan. 14. [v. 5] : « Domine, nescimus, quo vadis, et quomodo possumus viam scire? » Et hoc praecipue necessarium est quando via est difficilis et aspera, et iter laboriosum, finis vero jucundus. Christus autem per suam passionem ad hoc pervenit, ut gloriam obtineret non solum animae, quam habuit a principio suae conceptionis, sed etiam corporis, secundum illud Luc. ult. [v. 26] : « Haec oportuit Christum pati, et ita intrare in gloriam suam ». Ad quam etiam perducit eos, qui vestigia suae passionis sequuntur, secundum illud Act. 14. [v. 21] : « Per multas tribulationes oportet nos intrare in regnum coelorum ». Et ideo conveniens fuit, ut discipulis suis gloriam suae claritatis ostenderet, quod est ipsum transfigurari, cui suos configurabit, secundum illud Philipp. 3. [v. 21] : « Reformabit corpus humilitatis nostrae configuratum corpori claritatis suae ». Unde Beda dicit super Matth. [Expos., L. 3, ad c. 8, v. 39] : « Pia provisione factum est, 483ut contemplatione semper manentis gaudii ad breve tempus delibata, fortius adversa tolerarent ».

Leerstelling. — Toen de Heer zijn lijden voorspeld had, had Hij zijn leerlingen aangespoord zijn lijden na te volgen. Nu 482is het noodig dat, wil iemand ergens recht op af gaan, hij het doel eenigermate kent : zooals een boogschutter den pijl niet goed zal schieten als hij niet eerst het doel gezien heeft, waarnaar geschoten moet worden. Vandaar zegt ook Thomas, bij Joannes (14, 5) : « Heer, wij weten niet eens waar Gij heengaat; hoe zouden wij dan den weg kennen? » En dit is vooral dan noodzakelijk, als de weg moeilijk en oneffen is, en de tocht zwaar, het doel daarentegen aangenaam. Door zijn lijden nu zou Christus de glorie verkrijgen, niet alleen van zijn ziel, welke Hij al van het begin van zijn ontvangenis af bezat, maar ook van zijn lichaam, volgens Lucas (24, 26) : « Moest de Christus dit alles niet lijden, en zóó zijn glorie binnengaan? » Hiertoe brengt Hij ook hen, die de voetstappen van zijn lijden volgen, volgens de woorden uit de Handelingen der Apostelen (14, 21) : « Door veel verdrukkingen moeten we het koninkrijk Gods ingaan ». En dus had het zin, zijn leerlingen de glorie van zijn heerlijkheid te toonen (wat hetzelfde zeggen wil als: moest Hij van gedaante veranderd worden) waaraan Hij de zijnen zal gelijk maken, volgens het woord van Paulus uit zijn Brief aan de Philippensen (3, 21) : « Hij zal ons vernederd lichaam herscheppen aan zijn verheerlijkt lichaam gelijk ». Vandaar zegt Beda (in het 3e boek van zijn Uitleg op Marcus, 8, 39) : 483« Een liefdevolle beschikking heeft bewerkt, dat, nu ze voor heel even de aanschouwing der altijd blijvende glorie geproefd hadden, zij des te moediger tegenspoed zouden verduren ».Leerstelling. — Toen de Heer zijn lijden voorspeld had, had Hij zijn leerlingen aangespoord zijn lijden na te volgen. Nu 482is het nodig dat, wil iemand ergens recht op af gaan, hij het doel enigermate kent: zoals een boogschutter de pijl niet goed zal schieten als hij niet eerst het doel gezien heeft, waarnaar geschoten moet worden. Vandaar zegt ook Thomas, bij Johannes (14, 5): “Heer, wij weten niet eens waar Gij heengaat; hoe zouden wij dan de weg kennen?” En dit is vooral dan noodzakelijk, als de weg moeilijk en oneffen is, en de tocht zwaar, het doel daarentegen aangenaam. Door zijn lijden nu zou Christus de glorie verkrijgen, niet alleen van zijn ziel, welke Hij al van het begin van zijn ontvangenis af bezat, maar ook van zijn lichaam, volgens Lukas (24, 26): “Moest de Christus dit alles niet lijden, en zó zijn glorie binnengaan?” Hiertoe brengt Hij ook hen, die de voetstappen van zijn lijden volgen, volgens de woorden uit de Handelingen van de Apostelen (14, 21): “Door veel verdrukkingen moeten we het koninkrijk Gods ingaan”. En dus had het zin, zijn leerlingen de glorie van zijn heerlijkheid te tonen (wat hetzelfde zeggen wil als: moest Hij van gedaante veranderd worden) waaraan Hij de zijnen zal gelijk maken, volgens het woord van Paulus uit zijn Brief aan de Filippenzen (3, 21): “Hij zal ons vernederd lichaam herscheppen aan zijn verheerlijkt lichaam gelijk”. Vandaar zegt Beda (in het 3e boek van zijn Uitleg op Marcus, 8, 39): 483“Een liefdevolle beschikking heeft bewerkt, dat, nu ze voor heel even de aanschouwing van de altijd blijvende glorie geproefd hadden, zij des te moediger tegenspoed zouden verduren”.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod, sicut Hieronymus dicit super Matth. [Comm., L. 3, ad c. 17, v. 2], « nemo putet Christum, per hoc quod transfiguratus dicitur, pristinam formam et faciem perdidisse, vel amisisse corporis veritatem, et assumpsisse corpus spirituale vel aereum. Sed quomodo transformatus sit, Evangelista demonstrat, dicens: Resplenduit facies ejus, sicut sol, vestimenta autem ejus facta sunt alba, sicut nix; ubi splendor faciei ostenditur et candor describitur vestium; non substantia tollitur, sed gloria commutatur ».

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Hierop is te antwoorden met de woorden van Hieronymus uit het 3e boek van zijn Commentaar op Mattheus (17, 2) : « Niemand meene dat Christus, als we zeggen dat Hij van gedaante veranderd werd, zijn oorspronkelijke gedaante en aanschijn verloren had, of zijn werkelijk lichaam had doen ophouden en een geestelijk of een uit lucht gevormd lichaam had aangenomen. Maar hoe Hij dan van gedaante veranderd werd, laat de Evangelist zien, waar hij zegt: « Zijn aangezicht schitterde als de zon, en zijn kleederen werden wit als sneeuw ». Waar dus gewezen wordt op den luister van zijn aangezicht, en de verblindend witte kleur van de kleederen beschreven wordt, daar wordt het eigenlijke niet te niet gedaan, maar alleen de glorie veranderd ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Hierop is te antwoorden met de woorden van Hieronymus uit het 3e boek van zijn Commentaar op Matteüs (17, 2): “Niemand mene dat Christus, als we zeggen dat Hij van gedaante veranderd werd, zijn oorspronkelijke gedaante en aanschijn verloren had, of zijn werkelijk lichaam had doen ophouden en een geestelijk of een uit lucht gevormd lichaam had aangenomen. Maar hoe Hij dan van gedaante veranderd werd, laat de Evangelist zien, waar hij zegt: ‘Zijn aangezicht schitterde als de zon, en zijn klederen werden wit als sneeuw’. Waar dus gewezen wordt op de luister van zijn aangezicht, en de verblindend witte kleur van de klederen beschreven wordt, daar wordt het eigenlijke niet te niet gedaan, maar alleen de glorie veranderd”.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod figura circa extremitatem corporis consideratur; est enim figura, quae termino vel terminis comprehenditur. Et ideo omnia illa, quae circa extremitatem corporis considerantur, ad figuram quodammodo pertinere videntur. Sicut autem color, ita et claritas corporis 484non transparentis in ejus superficie attenditur, et ideo assumptio claritatis transfiguratio dicitur.

2. De figuur is iets van den buitensten omtrek van het lichaam: want de figuur is datgene wat door grens of grenzen omvat wordt. En zoo schijnt al datgene, wat met den buitensten omtrek van het lichaam samenhangt, op een of andere manier tot de figuur te behooren. Zooals nu de kleur, zoo is ook de glans van een niet 484doorschijnend lichaam iets van zijn oppervlakte. En daarom wordt verheerlijking ook gedaanteverandering* genoemd.2. De figuur is iets van de buitenste omtrek van het lichaam: want de figuur is datgene wat door grens of grenzen omvat wordt. En zo schijnt al datgene, wat met de buitenste omtrek van het lichaam samenhangt, op een of andere manier tot de figuur te behoren. Zoals nu de kleur, zo is ook de glans van een niet 484doorschijnend lichaam iets van zijn oppervlakte. En daarom wordt verheerlijking ook gedaanteverandering* genoemd.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod inter praedictas quatuor dotes sola claritas est qualitas ipsius personae in seipsa; aliae vero tres dotes non percipiuntur nisi in aliquo actu, vel motu, seu passione. Ostendit igitur Christus in seipso aliqua illarum trium dotium indicia, puta agilitatis, cum supra undas maris ambulavit; subtilitatis, quando de clauso utero virginis exivit; impassibilitatis, quando de manibus Judaeorum vel praecipitare vel lapidare eum volentium illaesus evasit. Nec tamen propter illas transfiguratus dicitur, sed propter solam claritatem, quae pertinet ad aspectum personae ipsius.

3. Van de genoemde vier gaven is de heerlijkheid alleen een hoedanigheid van de persoon als zoodanig: de drie andere gaven worden niet waargenomen, dan in een of andere handeling of beweging, of wanneer men iets ondergaat. Christus gaf derhalve in zichzelf soms een aanduiding van die drie gaven: van de lichtheid nl., toen Hij over de golven van het meer wandelde; van de doordringbaarheid, toen Hij door den gesloten schoot der Maagd uitging; van de onlijdelijkheid, toen Hij ongedeerd aan de handen der Joden ontsnapte toen ze Hem ofwel naar beneden wilden werpen of wilden steenigen. Toch kan men niet zeggen, dat Hij daarom van gedaante veranderd werd: maar alleen om de heerlijkheid, die bij het uiterlijk voorkomen van de persoon behoort.3. Van de genoemde vier gaven is de heerlijkheid alleen een hoedanigheid van de persoon als zodanig: de drie andere gaven worden niet waargenomen, dan in een of andere handeling of beweging, of wanneer men iets ondergaat. Christus gaf derhalve in zichzelf soms een aanduiding van die drie gaven: van de lichtheid nl., toen Hij over de golven van het meer wandelde; van de doordringbaarheid, toen Hij door de gesloten schoot van de Maagd uitging; van de onlijdelijkheid, toen Hij ongedeerd aan de handen van de Joden ontsnapte toen ze Hem ofwel naar beneden wilden werpen of wilden stenigen. Toch kan men niet zeggen, dat Hij daarom van gedaante veranderd werd: maar alleen om de heerlijkheid, die bij het uiterlijk voorkomen van de persoon behoort.

Articulus II

Utrum claritas Christi in transfiguratione fuerit claritas gloriosa

[3. Dist. 16. q. 2. art. 1.]
IIe Artikel

Was die heerlijkheid de heerlijkheid der glorie ?Was die heerlijkheid de heerlijkheid van de glorie?

antwoord 1 ↓

484Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod illa claritas non fuerit 485claritas gloriosa. Dicit enim quaedam Glossa Bedae super illud Matthaei 17. [v. 2] : Transfiguratus est coram eis: « In corpore, inquit, mortali ostendit non immortalitatem, sed claritatem similem futurae immortalitati ». Sed claritas gloriae est claritas immortalitatis. Non ergo illa claritas, quam Christus discipulis ostendit, fuit claritas gloriae.

484Bedenkingen. — Men beweert, dat die heerlijkheid niet de 485heerlijkheid der glorie was. — 1. De Glossa van Beda immers zegt op de woorden van Mattheus (17, 2) : « En Hij werd voor hun oogen van gedaante veranderd »: « In het sterfelijk lichaam toonde Hij niet de onsterfelijkheid, maar een heerlijkheid gelijk aan de toekomstige onsterfelijkheid ». Maar de hemelsche heerlijkheid is de glans der onsterfelijkheid. De heerlijkheid, welke Christus dus aan zijn leerlingen liet zien was niet de heerlijkheid der glorie.484Bedenkingen. — Men beweert, dat die heerlijkheid niet de 485heerlijkheid van de glorie was. — 1. De Glossa van Beda immers zegt op de woorden van Matteüs (17, 2): “En Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd”: “In het sterfelijk lichaam toonde Hij niet de onsterfelijkheid, maar een heerlijkheid gelijk aan de toekomstige onsterfelijkheid”. Maar de hemelse heerlijkheid is de glans van de onsterfelijkheid. De heerlijkheid, welke Christus dus aan zijn leerlingen liet zien was niet de heerlijkheid van de glorie.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, super illud Lucae 9. [v. 27] : Non gustabunt mortem, donec videant regnum Dei, dicit Glossa [interl.] : id est « glorificationem corporis in imaginaria repraesentatione futurae beatitudinis ». Sed imago alicujus rei non est ipsa res. Ergo claritas illa non fuit claritas beatitudinis.

2. Op den tekst van Lucas (9, 27) : « Zij zullen den dood niet smaken, voordat ze het koninkrijk Gods hebben gezien », zegt de Glossa van Beda: « d. i.: de verheerlijking van het lichaam in een imaginaire voorstelling, van de toekomstige gelukzaligheid ». Maar het beeld eener zaak is niet de zaak zelf. Dus was die heerlijkheid niet de heerlijkheid der gelukzaligheid.2. Op de tekst van Lukas (9, 27): “Zij zullen de dood niet smaken, voordat ze het koninkrijk Gods hebben gezien”, zegt de Glossa van Beda: “d.i.: de verheerlijking van het lichaam in een imaginaire voorstelling, van de toekomstige gelukzaligheid”. Maar het beeld van een zaak is niet de zaak zelf. Dus was die heerlijkheid niet de heerlijkheid van de gelukzaligheid.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, claritas gloriae non est nisi in corpore humano. Sed claritas illa transfigurationis apparuit non solum in corpore Christi, sed etiam in vestimentis ejus, et in nube lucida, quae discipulos obumbravit. Ergo videtur, quod illa claritas non fuerit claritas gloriae.

3. De heerlijkheid der glorie is alleen iets in het menschelijk lichaam. Maar de heerlijkheid der gedaanteverandering verscheen niet alleen in het lichaam van Christus, maar ook in zijn kleederen, en in de lichtende wolk die de leerlingen overschaduwde. Dus schijnt het wel, dat die heerlijkheid niet de hemelsche heerlijkheid was.3. De heerlijkheid van de glorie is alleen iets in het menselijk lichaam. Maar de heerlijkheid van de gedaanteverandering verscheen niet alleen in het lichaam van Christus, maar ook in zijn klederen, en in de lichtende wolk die de leerlingen overschaduwde. Dus schijnt het wel, dat die heerlijkheid niet de hemelse heerlijkheid was.

Sed contra est, quod super illud Matth. 17. [v. 2] : Transfiguratus est ante eos, dicit Hieronymus [Comm., L. 3] : « Qualis futurus est 486tempore judicii, talis Apostolis apparuit ». Et super illud Matth. 16. [v. 28] : Donec videant filium hominis venientem in regno suo, dicit Chrysostomus [hom. 57. in Matth.] : « Volens monstrare quid est illa gloria, in qua postea venturus est, eis in praesenti vita revelavit, sicut possibile erat eos discere, ut neque in Domini morte jam doleant ».

Daartegenover staat echter dat Hieronymus zegt in het 3e boek van zijn Commentaar op Mattheus (17, 2) : « Zooals Hij ten 486tijde van het oordeel zijn zal, zoo verscheen Hij aan zijn Apostelen ». En op de woorden van Mattheus (16, 28) : ...voordat ze den Menschenzoon zien komen in zijn koningschap, zegt Chrysostomus (56e Homelie op Mattheus) : « Daar Hij wilde laten zien, welke die heerlijkheid zijn zal waarin Hij later zal komen, gaf Hij hun daarvan in het tegenwoordige leven een openbaring. Zooals het (ook) mogelijk was hen te onderrichten, opdat ze nu ook niet bedroefd zouden zijn bij den dood van den Heer ».Daartegenover staat echter dat Hieronymus zegt in het 3e boek van zijn Commentaar op Matteüs (17, 2): “Zoals Hij ten 486tijde van het oordeel zijn zal, zo verscheen Hij aan zijn Apostelen”. En op de woorden van Matteüs (16, 28): ...voordat ze de Mensenzoon zien komen in zijn koningschap, zegt Chrysostomus (56e Homelie op Matteüs): “Daar Hij wilde laten zien, welke die heerlijkheid zijn zal waarin Hij later zal komen, gaf Hij hun daarvan in het tegenwoordige leven een openbaring. Zoals het (ook) mogelijk was hen te onderrichten, opdat ze nu ook niet bedroefd zouden zijn bij de dood van de Heer”.

Respondeo dicendum, quod claritas illa, quam Christus in transfiguratione assumpsit, fuit claritas gloriae quantum ad essentiam, non tamen quantum ad modum essendi. Claritas enim corporis gloriosi derivatur ab animae claritate, sicut Augustinus dicit in epist. ad Dioscorum [q. 56]. Et similiter claritas corporis Christi in transfiguratione derivata est et a divinitate ipsius, ut Damascenus dicit [Or. de Transfig. Christi], et a gloria animae ejus. Quod enim a principio conceptionis Christi gloria animae non redundaret ad corpus, ex quadam dispensatione divina factum est, ut in corpore passibili nostrae redemptionis expleret mysteria, sicut supra dictum est [q. 14. art. 1. ad 2.]. Non tamen per hoc adempta est Christo 487potestas derivandi gloriam animae ad corpus; et hoc quidem fecit quantum ad gloriae claritatem in transfiguratione. Aliter tamen, quam in corpore glorificato, nam ad corpus glorificatum redundat claritas ab anima, sicut qualitas quaedam permanens, corpus afficiens; unde fulgere corporaliter, non est miraculosum in corpore glorioso. Sed ad corpus Christi in transfiguratione derivata est claritas a divinitate et anima ejus, non per modum qualitatis immanentis et afficientis ipsum corpus, sed magis per modum passionis transeuntis. Sicut cum aer illuminatur a sole; unde ille fulgor tunc in corpore Christi apparens miraculosus fuit, sicut et hoc ipsum quod ambulavit super undas maris. Unde Dionysius dicit in epist. 4. ad Cajum: « Super hominem operabatur Christus ea quae sunt hominis; et hoc monstrat virgo supernaturaliter concipiens, et aqua instabilis materialium et terrenorum pedum sustinens gravitatem ».

Leerstelling. — De heerlijkheid, die Christus bij de gedaanteverandering aannam, was, wat het wezenlijke betreft, de hemelsche heerlijkheid, echter niet wat de zijnswijze betreft. Want de heerlijkheid van het verheerlijkte lichaam is een uitvloeisel van de heerlijkheid der ziel, zooals Augustinus zegt in zijn Brief aan Dioscorus. En evenzoo was de heerlijkheid van Christus' lichaam bij de gedaanteverandering een uitvloeisel van zijn Godheid, zooals Damascenus zegt, en van de heerlijkheid zijner ziel. Want, dat de glorie zijner ziel van den aanvang der ontvangenis van Christus af niet overstroomde op zijn lichaam, geschiedde door goddelijke tusschenkomst, opdat Hij in een lijdelijk lichaam de geheimenissen onzer verlossing zou vervullen, zooals boven (14e Kw., 1e Art., Antw. op de 2e B.) gezegd is. Daardoor werd aan Christus echter 487niet de macht ontnomen de glorie zijner ziel te doen uitstroomen over het lichaam. En dit nu deed Hij, wat de heerlijkheid betreft, bij de gedaanteverandering: op een andere wijze echter als in een verheerlijkt lichaam plaats vindt. Want de heerlijkheid die van de ziel over het verheerlijkte lichaam uitstroomt is als een hoedanigheid, die het lichaam blijvend verrijkt. Vandaar is het niets wonderlijks in een verheerlijkt lichaam, dat het licht uitstraalt. Maar bij de gedaanteverandering is de heerlijkheid van Christus' Godheid en ziel uitgestroomd over zijn lichaam niet als een hoedanigheid, die het lichaam bijbleef en vervulde, maar veeleer bij wijze van een voorbijgaande aandoening, zooals de lucht door de zon verlicht wordt. Zoodoende was die glans, welke toen in Christus' lichaam verscheen, iets wonderbaars, zooals ook het feit, dat Hij op de baren van het meer wandelde. Vandaar zegt Dionysius (4e Brief aan Caius) : « Christus doet de menschelijke dingen op een bovenmenschelijke wijze: en dit bewijst de Maagd, toen zij op een bovennatuurlijke wijze ontving; en het onbegaanbare water, toen het de zwaarte van stoffelijke en aardsche voeten uithield ».Leerstelling. — De heerlijkheid, die Christus bij de gedaanteverandering aannam, was, wat het wezenlijke betreft, de hemelse heerlijkheid, echter niet wat de zijnswijze betreft. Want de heerlijkheid van het verheerlijkte lichaam is een uitvloeisel van de heerlijkheid van de ziel, zoals Augustinus zegt in zijn Brief aan Dioscorus. En evenzo was de heerlijkheid van Christus' lichaam bij de gedaanteverandering een uitvloeisel van zijn Godheid, zoals Damascenus zegt, en van de heerlijkheid van zijn ziel. Want, dat de glorie van zijn ziel van de aanvang van de ontvangenis van Christus af niet overstroomde op zijn lichaam, geschiedde door goddelijke tussenkomst, opdat Hij in een lijdelijk lichaam de geheimenissen van onze verlossing zou vervullen, zoals boven (14e Kw., 1e Art., Antw. op de 2e B.) gezegd is. Daardoor werd aan Christus echter 487niet de macht ontnomen de glorie van zijn ziel te doen uitstromen over het lichaam. En dit nu deed Hij, wat de heerlijkheid betreft, bij de gedaanteverandering: op een andere wijze echter als in een verheerlijkt lichaam plaats vindt. Want de heerlijkheid die van de ziel over het verheerlijkte lichaam uitstroomt is als een hoedanigheid, die het lichaam blijvend verrijkt. Vandaar is het niets wonderlijks in een verheerlijkt lichaam, dat het licht uitstraalt. Maar bij de gedaanteverandering is de heerlijkheid van Christus' Godheid en ziel uitgestroomd over zijn lichaam niet als een hoedanigheid, die het lichaam bijbleef en vervulde, maar veeleer bij wijze van een voorbijgaande aandoening, zoals de lucht door de zon verlicht wordt. Zodoende was die glans, welke toen in Christus' lichaam verscheen, iets wonderbaars, zoals ook het feit, dat Hij op de baren van het meer wandelde. Vandaar zegt Dionysius (4e Brief aan Caius): “Christus doet de menselijke dingen op een bovenmenselijke wijze: en dit bewijst de Maagd, toen zij op een bovennatuurlijke wijze ontving; en het onbegaanbare water, toen het de zwaarte van stoffelijke en aardse voeten uithield”.

Unde non est dicendum, sicut Hugo de S. Victore [Innoc. III. lib. 4. de Myster. Missae cap. 12.] dicit, quod Christus assumpsit quatuor dotes: claritatis, in transfiguratione; 488agilitatis, ambulando super mare; subtilitatis, egrediendo de clauso utero virginis; et impassibilitatis in coena, quando dedit corpus suum ad edendum, sine hoc quod divideretur; quia dos nominat quamdam qualitatem immanentem corpori glorioso. Sed miraculose habuit ea, quae pertinent ad dotes. Et est simile quantum ad animam de visione, qua Paulus vidit Deum in raptu, ut in 2. dictum est [2-2. q. 175. art. 3. ad 2.].

Vandaar mag men niet zeggen, wat Hugo van S. Victor gezegd heeft, dat Christus de gave der heerlijkheid aangenomen heeft bij de gedaanteverandering, die der lichtheid toen Hij over 488het water wandelde, en die der doordringbaarheid toen Hij uit de gesloten schoot der Maagd naar buiten trad, en die der onlijdelijkheid bij het Laatste Avondmaal, toen Hij zijn lichaam als spijs gaf, zonder dat het verdeeld werd: want een gave wijst op een blijvende hoedanigheid in het verheerlijkte lichaam. Maar op wonderdadige wijze bezat Hij de eigenschappen der gaven. Hetzelfde had Paulus, wat de ziel betreft, toen hij in geestverrukking God zag zooals gezegd is in het Tweede Deel (IIa IIae 175e Kw., 3e Art., Antw. op de 2e B.).Vandaar mag men niet zeggen, wat Hugo van S. Victor gezegd heeft, dat Christus de gave van de heerlijkheid aangenomen heeft bij de gedaanteverandering, die van de lichtheid toen Hij over 488het water wandelde, en die van de doordringbaarheid toen Hij uit de gesloten schoot van de Maagd naar buiten trad, en die van de onlijdelijkheid bij het Laatste Avondmaal, toen Hij zijn lichaam als spijs gaf, zonder dat het verdeeld werd: want een gave wijst op een blijvende hoedanigheid in het verheerlijkte lichaam. Maar op wonderdadige wijze bezat Hij de eigenschappen van de gaven. Hetzelfde had Paulus, wat de ziel betreft, toen hij in geestverrukking God zag zoals gezegd is in het Tweede Deel (2-2 175e Kw., 3e Art., Antw. op de 2e B.).

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod ex illo verbo non ostenditur, quod claritas Christi non fuerit claritas gloriae, sed quod non fuerit claritas corporis gloriosi, quia corpus Christi nondum erat immortale. Sicut enim dispensative factum est, ut in Christo gloria animae non redundaret ad corpus, ita fieri potuit dispensative, ut redundaret quantum ad dotem claritatis, et non quantum ad dotem impassibilitatis.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Met die woorden wordt niet aangegeven dat de heerlijkheid van Christus niet de heerlijkheid der glorie was, maar wel, dat het niet de heerlijkheid van het verheerlijkte lichaam was. Want het lichaam van Christus was nog niet onsterfelijk. Gelijk het immers zoo geregeld was, dat in Christus de glorie zijner ziel niet overstroomde naar het lichaam, zoo kon het ook geregeld worden dat ze wèl overstroomde wat de gave der heerlijkheid en niet wat de gave der onlijdelijkheid betreft.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Met die woorden wordt niet aangegeven dat de heerlijkheid van Christus niet de heerlijkheid van de glorie was, maar wel, dat het niet de heerlijkheid van het verheerlijkte lichaam was. Want het lichaam van Christus was nog niet onsterfelijk. Gelijk het immers zo geregeld was, dat in Christus de glorie van zijn ziel niet overstroomde naar het lichaam, zo kon het ook geregeld worden dat ze wèl overstroomde wat de gave van de heerlijkheid en niet wat de gave van de onlijdelijkheid betreft.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod illa claritas dicitur imaginaria fuisse, non 489quin esset vera claritas gloriae, sed quia erat quaedam imago repraesentans illam gloriae perfectionem, secundum quam corpus erit gloriosum.

2. Die heerlijkheid wordt een imaginaire genoemd, niet om uit te sluiten dat het een werkelijke heerlijkheid der glorie was, maar 489omdat het een zeker beeld ervan was, dat die volmaaktheid der glorie voorstelde, die het lichaam verheerlijkt zal doen zijn.2. Die heerlijkheid wordt een imaginaire genoemd, niet om uit te sluiten dat het een werkelijke heerlijkheid van de glorie was, maar 489omdat het een zeker beeld ervan was, dat die volmaaktheid van de glorie voorstelde, die het lichaam verheerlijkt zal doen zijn.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod sicut claritas, quae erat in corpore Christi, repraesentabat futuram claritatem corporis ejus, ita claritas vestimentorum ejus designabat futuram claritatem Sanctorum, quae superabitur a claritate Christi, sicut candor nivis superatur a splendore solis; unde Gregorius dicit 32. Moral. [cap. 7.], quod « vestimenta Christi facta sunt splendentia, quae in supernae claritatis culmine Sancti omnes ei luce justitiae fulgentes adhaerebunt ». Vestium enim nomine justos, quos sibi adjunget, significat, secundum illud Isaiae 49. [v. 18] : « His omnibus velut ornamento vestieris ».

3. Zooals de heerlijkheid van Christus' lichaam de toekomstige heerlijkheid van zijn lichaam voorstelde, zoo duidt de heerlijkheid van zijn kleederen op de toekomstige heerlijkheid der heiligen, die overtroffen zal worden door de heerlijkheid van Christus, zooals de glans der sneeuw door dien der zon overtroffen wordt. Vandaar zegt Gregorius in zijn Zedekundige Verhandelingen (32e B., 6e H.) dat de kleederen van Christus begonnen te schitteren, omdat op het toppunt hunner hoogste heerlijkheid alle heiligen, stralend door het licht der gerechtigheid, Hem zullen aanhangen. Want met het woord kleederen duidt hij de rechtvaardigen aan, die Hij met zich zal vereenigen, volgens de woorden van Isaïas (49, 18) : « Met al dezen zult gij u als met een praalgewaad bekleeden ».3. Zoals de heerlijkheid van Christus' lichaam de toekomstige heerlijkheid van zijn lichaam voorstelde, zo duidt de heerlijkheid van zijn klederen op de toekomstige heerlijkheid van de heiligen, die overtroffen zal worden door de heerlijkheid van Christus, zoals de glans van de sneeuw door die van de zon overtroffen wordt. Vandaar zegt Gregorius in zijn Zedekundige Verhandelingen (32e B., 6e H.) dat de klederen van Christus begonnen te schitteren, omdat op het toppunt van hun hoogste heerlijkheid alle heiligen, stralend door het licht van de gerechtigheid, Hem zullen aanhangen. Want met het woord klederen duidt hij de rechtvaardigen aan, die Hij met zich zal verenigen, volgens de woorden van Jesaja (49, 18): “Met al deze zult gij u als met een praalgewaad bekleden”.

Nubes autem lucida significat Spiritus Sancti gloriam, vel virtutem Paternam, ut Origenes dicit [hom. 3. in Matth.], per quam Sancti in futura gloria protegentur; quamvis etiam convenienter significare possit claritatem mundi innovati, quae erit Sanctorum tabernaculum; unde, Petro disponente tabernacula facere, nubes lucida discipulos obumbravit.

De lichtende wolk echter beteekent de glorie van den Heiligen Geest, of de kracht des Vaders, zooals Origenes zegt (in zijn 3e Traktaat op Mattheus) die de heiligen in de toekomstige glorie zal beschermen. — Ofschoon ze ook heel passend de heerlijkheid der vernieuwde wereld zou kunnen beteekenen, die de woontent der heiligen zal zijn. Vandaar dat, toen Petrus tenten wilde gaan maken, een lichtende wolk de leerlingen overschaduwde.De lichtende wolk echter betekent de glorie van de Heilige Geest, of de kracht van de Vader, zoals Origenes zegt (in zijn 3e Traktaat op Matteüs) die de heiligen in de toekomstige glorie zal beschermen. — Ofschoon ze ook heel passend de heerlijkheid van de vernieuwde wereld zou kunnen betekenen, die de woontent van de heiligen zal zijn. Vandaar dat, toen Petrus tenten wilde gaan maken, een lichtende wolk de leerlingen overschaduwde.

Articulus III

Utrum testes transfigurationis convenienter fuerint inducti

IIIe Artikel

Zijn bij de gedaanteverandering wel de gepaste getuigen opgevoerd?

antwoord 1 ↓

490Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod non convenienter inducti fuerint testes transfigurationis. Unusquisque enim maxime potest perhibere testimonium de notis. Sed qualis esset futura gloria tempore transfigurationis Christi, nulli homini per experimentum erat adhuc notum, sed solis angelis. Ergo testes transfigurationis magis debuerunt esse angeli, quam homines.

490Bedenkingen. — Men beweert, dat bij de gedaanteverandering niet de gepaste getuigen zijn opgevoerd. — 1. Iemand kan immers het best getuigenis afleggen van bekende dingen. Maar ten tijde van Christus gedaanteverandering, was de aard zijner toekomstige heerlijkheid nog aan geen mensch uit ervaring bekend, doch alleen aan de engelen. Dus hadden de getuigen der gedaanteverandering veeleer engelen dan menschen moeten zijn.490Bedenkingen. — Men beweert, dat bij de gedaanteverandering niet de gepaste getuigen zijn opgevoerd. — 1. Iemand kan immers het best getuigenis afleggen van bekende dingen. Maar ten tijde van Christus gedaanteverandering, was de aard van zijn toekomstige heerlijkheid nog aan geen mens uit ervaring bekend, doch alleen aan de engelen. Dus hadden de getuigen van de gedaanteverandering veeleer engelen dan mensen moeten zijn.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, testes veritatis non decet aliqua fictio, sed veritas. Moyses autem et Elias non ibi vere adfuerunt, sed imaginarie: dicit enim quaedam Glossa [Ord. Strabi, v. 30] super illud Lucae 9. [v. 30] : Erant autem Moyses et Elias, etc.: « Sciendum est, inquit, non corpora vel animas Moysi et Eliae ibi apparuisse, sed in subjecta creatura illa corpora fuisse formata. Potest etiam credi, angelico ministerio hoc factum 491esse, ut angeli eorum personas assumerent ». Non ergo videtur, quod fuerint convenientes testes.

2. Getuigen voor de waarheid past geen fictie maar waarachtigheid. Moses en Elias waren daar echter niet werkelijk tegenwoordig, doch slechts in schijn. Want een Glossa zegt bij Lucas (9, 30) : « Het waren Moses en Elias enz. »: « Men diene te weten, dat niet het lichaam noch de zielen van Moses of Elias daar verschenen zijn, maar dat die lichamen gevormd waren in een ondergeschikt schepsel. Men kan ook aannemen, dat zulks geschiedde met behulp van engelen, zoodat engelen hun gedaante 491aangenomen hebben ». Het schijnt dus wel, dat het de gepaste getuigen niet waren.2. Getuigen voor de waarheid past geen fictie maar waarachtigheid. Moses en Elias waren daar echter niet werkelijk tegenwoordig, doch slechts in schijn. Want een Glossa zegt bij Lukas (9, 30): “Het waren Moses en Elias enz.”: “Men diene te weten, dat niet het lichaam noch de zielen van Moses of Elias daar verschenen zijn, maar dat die lichamen gevormd waren in een ondergeschikt schepsel. Men kan ook aannemen, dat zulks geschiedde met behulp van engelen, zodat engelen hun gedaante 491aangenomen hebben”. Het schijnt dus wel, dat het de gepaste getuigen niet waren.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Act. 10. [v. 43] dicitur, quod Christo omnes prophetae testimonium perhibent. Ergo non soli Moyses et Elias debuerunt adesse tanquam testes, sed etiam omnes prophetae.

3. In de Handelingen der Apostelen (10, 43) wordt gezegd, dat van Christus al de profeten getuigen. Dus hadden niet alleen Moses en Elias als getuigen aanwezig moeten zijn, maar ook al de profeten.3. In de Handelingen van de Apostelen (10, 43) wordt gezegd, dat van Christus al de profeten getuigen. Dus hadden niet alleen Moses en Elias als getuigen aanwezig moeten zijn, maar ook al de profeten.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, gloria Christi omnibus Christifidelibus repromittitur, quos per suam transfigurationem ad illius gloriae desiderium accendere voluit. Non ergo solos Petrum, et Jacobum, et Joannem in testimonium suae transfigurationis assumere debuit, sed omnes discipulos.

4. De heerlijkheid van Christus wordt aan alle geloovigen beloofd en daarom wilde Hij ze door zijn gedaanteverandering ontvlammen in verlangen naar die heerlijkheid. Hij had dus niet alleen Petrus, Jacobus en Joannes als getuigen zijner gedaanteverandering moeten meenemen, maar al de leerlingen.4. De heerlijkheid van Christus wordt aan alle gelovigen beloofd en daarom wilde Hij ze door zijn gedaanteverandering ontvlammen in verlangen naar die heerlijkheid. Hij had dus niet alleen Petrus, Jacobus en Johannes als getuigen van zijn gedaanteverandering moeten meenemen, maar al de leerlingen.

In contrarium est Evangelicae Scripturae auctoritas [Matth. 17, v. 1-8, et Marc. 9, v. 1-7, et Luc. 9, v. 28 sqq.]

Daartegenover staat echter het gezag der Evangeliën.Daartegenover staat echter het gezag van de Evangeliën.

Respondeo dicendum, quod Christus transfigurari voluit, ut gloriam suam hominibus ostenderet, et ad eam desiderandam homines provocaret, sicut supra dictum est [art. 1. hujus q.]. Ad gloriam autem aeternae beatitudinis adducuntur homines per Christum, non solum qui post eum fuerunt, sed etiam qui eum praecesserunt. Unde, eo ad passionem properante, 492tam turbae quae sequebantur, quam quae praecedebant, ei clamabant Hosanna, ut dicitur Matth. 21. [v. 9], quasi salutem ab eo petentes. Et ideo conveniens fuit, ut de praecedentibus ipsum testes adessent, scilicet Moyses et Elias, et de sequentibus ipsum, scilicet Petrus, et Jacobus, et Joannes, ut in ore duorum vel trium testium staret hoc verbum.

Leerstelling. — Zooals boven gezegd is (1e Art.) wilde Christus van gedaante veranderd worden om zijn heerlijkheid aan de menschen te toonen en ze op te wekken er naar te verlangen. Nu worden door Christus tot de heerlijkheid der eeuwige gelukzaligheid niet alleen de menschen gebracht die nà Hem geweest zijn, maar ook die Hem vooraf zijn gegaan. Vandaar dat, 492toen Hij zich naar het lijden heenspoedde, zoowel de scharen die volgden, als die voorop gingen uitriepen: Hosanna, zooals Mattheus zegt (21, 9), alsof ze aan Hem hun heil vroegen. En daarom was het redelijk, dat er getuigen aanwezig waren uit die Hem voorafgingen, nl. Moses en Elias, en uit die Hem volgden, nl. Petrus, Jacobus en Joannes, opdat door den mond van twee of drie getuigen, dat woord bekrachtigd zou worden.Leerstelling. — Zoals boven gezegd is (1e Art.) wilde Christus van gedaante veranderd worden om zijn heerlijkheid aan de mensen te tonen en ze op te wekken er naar te verlangen. Nu worden door Christus tot de heerlijkheid van de eeuwige gelukzaligheid niet alleen de mensen gebracht die nà Hem geweest zijn, maar ook die Hem vooraf zijn gegaan. Vandaar dat, 492toen Hij zich naar het lijden heenspoedde, zowel de scharen die volgden, als die voorop gingen uitriepen: Hosanna, zoals Matteüs zegt (21, 9), alsof ze aan Hem hun heil vroegen. En daarom was het redelijk, dat er getuigen aanwezig waren uit die Hem voorafgingen, nl. Moses en Elias, en uit die Hem volgden, nl. Petrus, Jacobus en Johannes, opdat door de mond van twee of drie getuigen, dat woord bekrachtigd zou worden.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod Christus per suam transfigurationem manifestavit discipulis corporis gloriam, quae ad solos homines pertinet, et ideo convenienter non angeli, sed homines ad hoc pro testibus inducuntur.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Christus openbaarde door zijn gedaanteverandering zijn lichamelijke heerlijkheid welke alleen aan de menschen toekomt. En dus was het passend, dat er hierbij geen engelen maar menschen als getuigen opgevoerd werden.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Christus openbaarde door zijn gedaanteverandering zijn lichamelijke heerlijkheid welke alleen aan de mensen toekomt. En dus was het passend, dat er hierbij geen engelen maar mensen als getuigen opgevoerd werden.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod Glossa illa dicitur esse sumpta ex libro, qui intitulatur de Mirabilibus sacrae Scripturae, qui non est liber authenticus, sed falso adscribitur Augustino; et ideo illi Glossae non est standum. Dicit enim expresse Hieronymus super Matth. [Comm., L. 3, ad c. 17, v. 3] : « Considerandum est, quod scribis et pharisaeis de coelo signa poscentibus dare noluit; hic vero, ut Apostolorum augeat fidem, dat signum de coelo, Elia inde descendente, quo conscenderat, et Moyse ab inferis 493resurgente ». Quod non est sic intelligendum, quasi anima Moysi suum corpus resumpserit, sed quod anima ejus apparuit per aliquod corpus assumptum, sicut angeli apparent; Elias autem apparuit in proprio corpore, non quidem de coelo empyreo allato, sed de aliquo eminenti loco, quo fuerat in curru igneo raptus.

2. Men zegt dat deze glossa genomen is uit het boek, dat tot titel heeft : Over de wondere gebeurtenissen der H. Schrift, welk boek niet authentiek is, maar ten onrechte wordt toegeschreven aan Augustinus. En daarom heeft deze glossa geen gezag. Want Hieronymus zegt (in het 3e boek van zijn Commentaar op Mattheus, 17, 3) : « Het verdient de aandacht, dat toen de schriftgeleerden en farizeën teekenen vroegen uit den hemel, Hij ze niet wilde geven. Hier echter geeft Hij, om het geloof der Apostelen te vermeerderen, wèl een teeken uit den hemel, doordat nl. 493Elias neerdaalde van waarheen Hij opgestegen was en Moses uit den dood verrees ». Dit moet nu niet zoo verstaan worden, alsof de ziel van Moses haar eigen lichaam hernomen heeft, maar dat zijn ziel verschenen is door middel van een aangenomen lichaam, zooals de engelen verschijnen. Elias echter verscheen in zijn eigen lichaam; wel niet vanuit den hemel, maar van een of andere verheven plaats, waarheen hij in een vurigen wagen weggevoerd was.2. Men zegt dat deze glossa genomen is uit het boek, dat tot titel heeft: Over de wondere gebeurtenissen van de H. Schrift, welk boek niet authentiek is, maar ten onrechte wordt toegeschreven aan Augustinus. En daarom heeft deze glossa geen gezag. Want Hieronymus zegt (in het 3e boek van zijn Commentaar op Matteüs, 17, 3): “Het verdient de aandacht, dat toen de schriftgeleerden en farizeën tekenen vroegen uit de hemel, Hij ze niet wilde geven. Hier echter geeft Hij, om het geloof van de Apostelen te vermeerderen, wèl een teken uit de hemel, doordat nl. 493Elias neerdaalde van waarheen Hij opgestegen was en Moses uit de dood verrees”. Dit moet nu niet zo verstaan worden, alsof de ziel van Moses haar eigen lichaam hernomen heeft, maar dat zijn ziel verschenen is door middel van een aangenomen lichaam, zoals de engelen verschijnen. Elias echter verscheen in zijn eigen lichaam; wel niet vanuit de hemel, maar van een of andere verheven plaats, waarheen hij in een vurigen wagen weggevoerd was.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod, sicut Chrysostomus dicit super Matth. [hom. 57.], Moyses et Elias in medium adducuntur propter multas rationes. Prima est haec: « Quia enim turbae dicebant, eum esse Eliam, vel Jeremiam, aut unum ex prophetis, capita prophetarum secum ducit, ut saltem hinc appareat differentia servorum et Domini ». Secunda ratio est, « quia Moyses legem dedit, Elias pro gloria Domini aemulator fuit; unde per hoc quod simul cum Christo apparent, excluditur calumnia Judaeorum accusantium Christum, tanquam transgressorem legis et blasphemum, Dei sibi gloriam usurpantem ». Tertia ratio est, « ut ostendat se habere potestatem mortis et vitae, et esse judicem mortuorum, et vivorum, per hoc quod Moysen jam mortuum et Eliam adhuc viventem secum ducit ». Quarta 494ratio est, « quia, sicut Lucas dicit [c. 9, v. 31], « loquebantur cum eo de excessu, quem completurus erat in Jerusalem », idest de passione et morte sua. Et ideo, ut super hoc discipulorum animos confirmaret, inducit eos in medium, qui se morti exposuerunt pro Deo. Nam Moyses cum periculo mortis se obtulit Pharaoni, Elias vero regi Achab ». Quinta ratio est, « quia volebat ut discipuli sui aemularentur Moysi mansuetudinem et zelum Eliae ».

3. Zooals Chrysostomus zegt in zijn Uitleg op Mattheus (56e Homelie) werden om vele redenen Moses en Elias opgevoerd. De eerste reden is de volgende : « Want omdat het volk zeide, dat Hij Elias of Jeremias was of een der profeten, bracht Hij de voornaamsten van de profeten met zich mee, opdat tenminste op die manier het verschil zou blijken tusschen de dienaren en den Heer ». — De tweede reden is, dat Moses de wet gegeven heeft en Elias de ijveraar is geweest voor de glorie van den Heer. Vandaar wordt, doordat ze tegelijk met Christus verschijnen, de laster der Joden afgewezen, die Christus er van beschuldigden, dat Hij een wetsovertreder was en een godslasteraar, iemand die zich wederrechtelijk Gods glorie aanmatigde. — De derde reden is, om te laten zien, dat Hij de macht bezit over leven en dood en de rechter is van levenden en dooden, wat hieruit bleek, dat Hij Moses, die reeds gestorven was, en Elias, die nog leefde, met zich meebracht; 494— De vierde reden is, omdat zij, zooals Lucas zegt (9, 31) « met Hem zijn uiteinde bespraken, dat Hij te Jerusalem zou voltrekken », d. i. zijn lijden en dood. En om nu dienaangaande de leerlingen moed in te spreken, doet Hij hen verschijnen, die zich voor God aan den dood hebben blootgesteld; want Moses is met doodsgevaar voor Pharao verschenen, Elias echter voor Koning Achab. — De vijfde reden is, omdat Hij wilde dat zijn leerlingen de zachtmoedigheid van Moses en den ijver van Elias zouden navolgen.3. Zoals Chrysostomus zegt in zijn Uitleg op Matteüs (56e Homelie) werden om vele redenen Moses en Elias opgevoerd. De eerste reden is de volgende: “Want omdat het volk zeide, dat Hij Elias of Jeremia was of een van de profeten, bracht Hij de voornaamsten van de profeten met zich mee, opdat tenminste op die manier het verschil zou blijken tussen de dienaren en de Heer”. — De tweede reden is, dat Moses de wet gegeven heeft en Elias de ijveraar is geweest voor de glorie van de Heer. Vandaar wordt, doordat ze tegelijk met Christus verschijnen, de laster van de Joden afgewezen, die Christus er van beschuldigden, dat Hij een wetsovertreder was en een godslasteraar, iemand die zich wederrechtelijk Gods glorie aanmatigde. — De derde reden is, om te laten zien, dat Hij de macht bezit over leven en dood en de rechter is van levenden en doden, wat hieruit bleek, dat Hij Moses, die reeds gestorven was, en Elias, die nog leefde, met zich meebracht; 494— De vierde reden is, omdat zij, zoals Lukas zegt (9, 31) “met Hem zijn uiteinde bespraken, dat Hij te Jerusalem zou voltrekken”, d.i. zijn lijden en dood. En om nu dienaangaande de leerlingen moed in te spreken, doet Hij hen verschijnen, die zich voor God aan de dood hebben blootgesteld; want Moses is met doodsgevaar voor Farao verschenen, Elias echter voor Koning Achab. — De vijfde reden is, omdat Hij wilde dat zijn leerlingen de zachtmoedigheid van Moses en de ijver van Elias zouden navolgen.

Sextam rationem addit Hilarius [cap. 17. in Matth.], « ut ostenderet scilicet se per legem, quam dedit Moyses, et per prophetas, inter quos fuit Elias praecipuus, esse praedicatum ».

Hilarius voegt er nog een zesde reden aan toe, om aan te toonen nl. dat Hij door de wet, die Moses gegeven heeft, en door de profeten, waarvan Elias de voornaamste was, gepredikt was.Hilarius voegt er nog een zesde reden aan toe, om aan te tonen nl. dat Hij door de wet, die Moses gegeven heeft, en door de profeten, waarvan Elias de voornaamste was, gepredikt was.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod alta mysteria non sunt omnibus exponenda immediate, sed per majores suo tempore ad alios debent devenire; et ideo, ut Chrysostomus dicit [loc. sup. cit.], « assumpsit tres tanquam potiores: Nam Petrus excellens fuit in dilectione », quam habuit ad Christum, et iterum in potestate sibi commissa; « Joannes vero in privilegio amoris, quo a Christo diligebatur propter suam virginitatem », et iterum propter praerogativam Evangelicae doctrinae; « Jacobus autem propter praerogativam 495martyrii », et tamen hos ipsos noluit hoc quod viderant, aliis annuntiare ante resurrectionem, « ne, ut Hieronymus dicit [Comm. in Matth., L. 3, ad c. 17, v. 19], et incredibile esset pro rei magnitudine, et post tantam gloriam apud rudes animos sequens crux scandalum faceret », vel etiam « ne totaliter impediretur a populo » [Beda, Hom. 18], et « ut cum essent Spiritu Sancto repleti, tunc gestorum spiritualium testes essent » [Hilarius loco supra citato].

4. Hoogere mysteries dienen niet onmiddellijk aan allen uiteengezet te worden, maar moeten door voornamere personen eerst ter zijner tijd tot de anderen afkomen. En daarom nam Hij, zooals Chrysostomus zegt (t. a. p.) er drie mee, en wel de voornaamsten. Want Petrus onderscheidde zich door de liefde, die hij voor Christus had, en ook door de hem toevertrouwde macht; Joannes daarentegen, doordat hij een voorrecht bezat in de liefde, die Christus hem toedroeg om zijn maagdelijkheid, en ook nog (omdat hij zich onderscheidde) door zijn bijzondere Evangelische leer; Jacobus echter (muntte uit) door zijn bijzonder 495martelaarschap. En toch wilde Hij niet, dat ze, wat ze gezien hadden, vóór zijn verrijzenis aan anderen zouden mededeelen: opdat het niet, zooals Hieronymus zegt (in het 3e boek van zijn Commentaar op Mattheus, 17, 9) om de grootschheid van het geval, voor ongeloofelijk zou gehouden worden; en na zooveel glorie, het daarop volgende kruis ergernis zou verwekken; of ook wel, heelemaal door het volk zou verhinderd worden en opdat ze, wanneer ze vervuld zouden zijn van den H. Geest, dan ook zouden op kunnen treden als getuigen van geestelijke gebeurtenissen.4. Hogere mysteries dienen niet onmiddellijk aan allen uiteengezet te worden, maar moeten door voornamere personen eerst ter van zijn tijd tot de anderen afkomen. En daarom nam Hij, zoals Chrysostomus zegt (t. a. p.) er drie mee, en wel de voornaamsten. Want Petrus onderscheidde zich door de liefde, die hij voor Christus had, en ook door de hem toevertrouwde macht; Johannes daarentegen, doordat hij een voorrecht bezat in de liefde, die Christus hem toedroeg om zijn maagdelijkheid, en ook nog (omdat hij zich onderscheidde) door zijn bijzondere Evangelische leer; Jacobus echter (muntte uit) door zijn bijzonder 495martelaarschap. En toch wilde Hij niet, dat ze, wat ze gezien hadden, vóór zijn verrijzenis aan anderen zouden mededelen: opdat het niet, zoals Hieronymus zegt (in het 3e boek van zijn Commentaar op Matteüs, 17, 9) om de grootsheid van het geval, voor ongelofelijk zou gehouden worden; en na zoveel glorie, het daarop volgende kruis ergernis zou verwekken; of ook wel, helemaal door het volk zou verhinderd worden en opdat ze, wanneer ze vervuld zouden zijn van de H. Geest, dan ook zouden op kunnen treden als getuigen van geestelijke gebeurtenissen.

Articulus IV

Utrum convenienter auditum fuerit Testimonium paternae vocis in transfiguratione

[In Cat. aur. Mat. 17. lect. 2. Marc. 9. lect. 1.]
IVe Artikel

Is er wel voldoende reden voor aan te geven, waarom het getuigenis van de stem des Vaders er nog bij kwam, zeggende: « Deze is mijn geliefde Zoon »?Is er wel voldoende reden voor aan te geven, waarom het getuigenis van de stem van de Vader er nog bij kwam, zeggende: “Deze is mijn geliefde Zoon”?

antwoord 1 ↓

495Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod inconvenienter auditum fuerit testimonium paternae vocis [Matth. 17.] dicentis: « Hic est filius meus dilectus », quia ut dicitur Job 33. [v. 14] : « Semel loquitur Deus, 496et secundo idipsum non repetit ». Sed in baptismo hoc ipsum paterna vox fuerat protestata. Non ergo fuit conveniens, quod hoc iterum protestaretur in transfiguratione.

495Bedenkingen. — Men beweert, dat er geen voldoende reden voor aan te geven is, waarom de getuigenis van de stem des Vaders er nog bij moest komen, zeggende: « Deze is mijn geliefde Zoon ». — 1. Want in het Boek Job staat (33, 14) : « God 496spreekt eenmaal, en Hij herhaalt geen tweemaal hetzelfde ». Maar bij het doopsel had de stem des Vaders hetzelfde getuigd. Dus was het niet passend, dat het nog eens bij de gedaanteverandering getuigd werd.495Bedenkingen. — Men beweert, dat er geen voldoende reden voor aan te geven is, waarom de getuigenis van de stem van de Vader er nog bij moest komen, zeggende: “Deze is mijn geliefde Zoon”. — 1. Want in het Boek Job staat (33, 14): “God 496spreekt eenmaal, en Hij herhaalt geen tweemaal hetzelfde”. Maar bij het doopsel had de stem van de Vader hetzelfde getuigd. Dus was het niet passend, dat het nog eens bij de gedaanteverandering getuigd werd.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, in baptismo simul cum voce paterna affuit Spiritus Sanctus in specie columbae, quod in transfiguratione factum non fuit. Non ergo conveniens videtur fuisse Patris protestatio.

2. Bij het doopsel was tegelijk met de stem des Vaders de H. Geest tegenwoordig, onder de gedaante van een duif. Wat niet gebeurd is bij de gedaanteverandering. Het getuigenis van den Vader was dus schijnbaar niet passend.2. Bij het doopsel was tegelijk met de stem van de Vader de H. Geest tegenwoordig, onder de gedaante van een duif. Wat niet gebeurd is bij de gedaanteverandering. Het getuigenis van de Vader was dus schijnbaar niet passend.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Christus docere incepit post baptismum, et tamen in baptismo vox Patris ad eum audiendum homines non induxerat. Ergo nec in transfiguratione inducere debuit.

3. Christus is na zijn doopsel begonnen te leeraren. En toch had de stem van den Vader bij zijn doopsel de menschen niet aangespoord naar Hem te luisteren. Dus behoorde dat ook niet te gebeuren bij de gedaanteverandering.3. Christus is na zijn doopsel begonnen te leraren. En toch had de stem van de Vader bij zijn doopsel de mensen niet aangespoord naar Hem te luisteren. Dus behoorde dat ook niet te gebeuren bij de gedaanteverandering.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, non debent aliquibus dici ea, quae ferre non possunt, secundum illud, Joan. 16. [v. 12] : « Adhuc habeo vobis multa dicere, quae non potestis portare modo ». Sed discipuli vocem Patris ferre non poterant: dicitur enim Matth. 17. [v. 6], quod « audientes discipuli ceciderunt in faciem suam, et timuerunt valde ». Ergo non debuit vox paterna ad eos fieri.

4. Aan sommigen moeten niet die dingen gezegd worden, die ze niet kunnen dragen, volgens het woord bij Joannes (16, 12) : « Nog veel meer heb Ik u te zeggen, doch gij kunt het thans nog niet dragen ». Maar de leerlingen konden de stem van den Vader niet verdragen, want bij Mattheus wordt gezegd (17, 6), dat, toen de leerlingen dit hoorden, ze op hun aangezicht neervielen, en zeer bevreesd werden. Dus had de Vader niet tot hen moeten spreken.4. Aan sommigen moeten niet die dingen gezegd worden, die ze niet kunnen dragen, volgens het woord bij Johannes (16, 12): “Nog veel meer heb Ik u te zeggen, doch gij kunt het thans nog niet dragen”. Maar de leerlingen konden de stem van de Vader niet verdragen, want bij Matteüs wordt gezegd (17, 6), dat, toen de leerlingen dit hoorden, ze op hun aangezicht neervielen, en zeer bevreesd werden. Dus had de Vader niet tot hen moeten spreken.

In contrarium est auctoritas Evangelicae Scripturae [Matth. 17, v. 5. et Marc. 9, v. 6, Luc. 9, v. 34 sqq.].

Daartegenover staat echter het gezag van de Evangeliën.

497Respondeo dicendum, quod adoptio filiorum Dei est per quamdam conformitatem imaginis ad Filium Dei naturalem. Quod quidem fit dupliciter: primo quidem fit per gratiam viae, quae est conformitas imperfecta; secundo per gloriam patriae, quae erit conformitas perfecta, secundum illud 1. Joan. 3. [v. 2] : « Nunc filii Dei sumus, et nondum apparuit, quid erimus. Scimus, quoniam cum apparuerit, similes ei erimus, quoniam videbimus eum, sicuti est ». Quia igitur gratiam per baptismum consequimur, in transfiguratione autem praemonstrata est claritas futurae gloriae, ideo tam in baptismo, quam in transfiguratione conveniens fuit manifestari naturalem Christi filiationem testimonio Patris, quia solus est perfecte conscius illius perfectae generationis simul cum Filio et Spiritu Sancto.

497Leerstelling. — De aanneming tot kinderen Gods geschiedt door een zekere gelijkvormigheid van het beeld aan den natuurlijken Zoon van God. Dit nu heeft op een tweevoudige manier plaats, en wel ten eerste door de genade die we ontvangen in dit leven, welke genade een onvolmaakte gelijkvormigheid geeft; ten tweede, door de glorie, wat een volmaakte gelijkvormigheid geeft, volgens den Eersten Brief van Joannes (3, 2) : « Thans reeds zijn we kinderen Gods; maar nog is het niet openbaar geworden, wat we zullen zijn. Toch weten we, dat wanneer de openbaring gekomen is, wij aan Hem gelijk zullen zijn; want we zullen Hem zien zooals Hij is ». Omdat wij derhalve door het doopsel de genade verkrijgen, bij de gedaanteverandering echter de heerlijkheid der toekomstige glorie vooruit getoond werd, daarom was het redelijk, dat én bij het doopsel, én bij de gedaanteverandering door het getuigenis van den Vader het natuurlijk Zoonschap van Christus werd geopenbaard : want Hij alleen is zich, tegelijk met den Zoon en den H. Geest, volmaakt bewust van die volmaakte voortkomst.497Leerstelling. — De aanneming tot kinderen Gods geschiedt door een zekere gelijkvormigheid van het beeld aan de natuurlijke Zoon van God. Dit nu heeft op een tweevoudige manier plaats, en wel ten eerste door de genade die we ontvangen in dit leven, welke genade een onvolmaakte gelijkvormigheid geeft; ten tweede, door de glorie, wat een volmaakte gelijkvormigheid geeft, volgens de Eerste Brief van Johannes (3, 2): “Thans reeds zijn we kinderen Gods; maar nog is het niet openbaar geworden, wat we zullen zijn. Toch weten we, dat wanneer de openbaring gekomen is, wij aan Hem gelijk zullen zijn; want we zullen Hem zien zoals Hij is”. Omdat wij derhalve door het doopsel de genade verkrijgen, bij de gedaanteverandering echter de heerlijkheid van de toekomstige glorie vooruit getoond werd, daarom was het redelijk, dat én bij het doopsel, én bij de gedaanteverandering door het getuigenis van de Vader het natuurlijk Zoonschap van Christus werd geopenbaard: want Hij alleen is zich, tegelijk met de Zoon en de H. Geest, volmaakt bewust van die volmaakte voortkomst.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod illud verbum referendum est ad aeternam Dei locutionem, qua Deus Pater Verbum unicum protulit sibi 498coaeternum. Et tamen potest dici, quod licet idem corporali voce Deus protulerit, non tamen propter idem, sed ad ostendendum diversum modum, quo homines participare possunt similitudinem filiationis aeternae.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dien tekst moet men laten slaan op het eeuwig spreken van God, waardoor God de Vader een eenig Woord voortbracht, aan zichzelf gelijk in 498eeuwigheid. En toch kan men zeggen, dat God tweemaal hetzelfde met een lichamelijke stem gesproken heeft, alhoewel niet om dezelfde reden; maar om de verschillende wijzen aan te toonen, waarop de menschen deel kunnen hebben aan de gelijkenis van het eeuwige Zoonschap.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Die tekst moet men laten slaan op het eeuwig spreken van God, waardoor God de Vader een enig Woord voortbracht, aan zichzelf gelijk in 498eeuwigheid. En toch kan men zeggen, dat God tweemaal hetzelfde met een lichamelijke stem gesproken heeft, alhoewel niet om dezelfde reden; maar om de verschillende wijzen aan te tonen, waarop de mensen deel kunnen hebben aan de gelijkenis van het eeuwige Zoonschap.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod sicut in baptismo, ubi declaratum fuit mysterium primae generationis, ostensa est operatio totius Trinitatis per hoc, quod fuit ibi Filius incarnatus in voce, ita etiam in transfiguratione, quae est sacramentum secundae regenerationis, tota Trinitas apparuit, Pater in voce, Filius in homine, Spiritus Sanctus in nube clara, quia sicut in baptismo dat innocentiam, quae per simplicitatem columbae designatur, ita in resurrectione dabit electis suis claritatem gloriae, et refrigerium ab omni malo, quae designantur in nube lucida.

2. Evenals bij het doopsel, waar het geheim der eerste wedergeboorte verkondigd werd, de werking der geheele Drievuldigheid aangeduid werd, doordat de vleeschgeworden Zoon aanwezig was, de H. Geest onder de gedaante van een duif verscheen, en de Vader er bekend gemaakt werd in de stem, zoo verscheen ook de geheele Drievuldigheid bij de gedaanteverandering, dat het sacrament is der tweede wedergeboorte, en wel de Vader in de stem, de Zoon in den mensch, en de H. Geest in de lichtende wolk. Want zooals Hij in het doopsel de onschuld schenkt, die aangeduid wordt door de eenvoud van de duif, zoo zal Hij bij de verrijzenis aan zijn uitverkorenen de heerlijkheid der glorie schenken en de beschutting tegen alle kwaad, wat alles aangeduid wordt in de lichtende wolk.2. Evenals bij het doopsel, waar het geheim van de eerste wedergeboorte verkondigd werd, de werking van de gehele Drievuldigheid aangeduid werd, doordat de vleesgeworden Zoon aanwezig was, de H. Geest onder de gedaante van een duif verscheen, en de Vader er bekend gemaakt werd in de stem, zo verscheen ook de gehele Drievuldigheid bij de gedaanteverandering, dat het sacrament is van de tweede wedergeboorte, en wel de Vader in de stem, de Zoon in de mens, en de H. Geest in de lichtende wolk. Want zoals Hij in het doopsel de onschuld schenkt, die aangeduid wordt door de eenvoud van de duif, zo zal Hij bij de verrijzenis aan zijn uitverkorenen de heerlijkheid van de glorie schenken en de beschutting tegen alle kwaad, wat alles aangeduid wordt in de lichtende wolk.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod Christus venerat gratiam actualiter dare, gloriam vero promittere verbo: et ideo convenienter in transfiguratione inducuntur homines, ut ipsum audiant, non autem in baptismo.

3. Christus was gekomen om de genade feitelijk mede te deelen, doch om de glorie slechts met zijn woord te beloven. En daarom was het passend, dat er bij de gedaanteverandering menschen tegenwoordig waren om naar Hem te luisteren, wat niet noodig was bij het doopsel.3. Christus was gekomen om de genade feitelijk mede te delen, doch om de glorie slechts met zijn woord te beloven. En daarom was het passend, dat er bij de gedaanteverandering mensen tegenwoordig waren om naar Hem te luisteren, wat niet nodig was bij het doopsel.

↑ bedenking 4

499Ad quartum dicendum, quod conveniens fuit discipulos voce paterna terreri, et prosterni, ut ostenderetur, quod excellentia illius gloriae, quae tunc demonstrabatur, excedit omnem sensum, et facultatem mortalium, secundum illud Exodi 33.: Non videbit me homo, et vivet: et hoc est quod Hieronymus dicit super Matthaeum [sup. illud cap. 17.: Audientes discipuli ceciderunt, etc.], quod « humana fragilitas conspectum majoris gloriae ferre non sustinet » ; ab hac autem fragilitate sanantur homines per Christum, eos in gloriam adducendo: quod significatur per hoc quod dixit eis: Surgite, nolite timere.

4994. Het was passend dat de leerlingen door de stem van den Vader verschrikt en neergeworpen werden: zoo zou nl. aangetoond worden, dat de hoogheid der glorie, die op dat moment getoond werd, alle gevoel en vermogen der stervelingen te boven gaat, volgens het Boek van den Uittocht (33, 20) : « Geen mensch zal mij zien en leven ». En hierop doelt Hieronymus, als hij (in het 3e boek van zijn Commentaar op Mattheus, 17, 6) zegt, dat de menschelijke broosheid niet bestand is tegen het aanschouwen van wat hoogere glorie is. De menschen worden echter door Christus genezen van die broosheid als Hij ze de glorie in zal voeren. Wat beteekend wordt door de woorden, welke Hij tot hen sprak: Staat op, wilt niet vreezen.4994. Het was passend dat de leerlingen door de stem van de Vader verschrikt en neergeworpen werden: zo zou nl. aangetoond worden, dat de hoogheid van de glorie, die op dat moment getoond werd, alle gevoel en vermogen van de stervelingen te boven gaat, volgens het Boek van de Uittocht (33, 20): “Geen mens zal mij zien en leven”. En hierop doelt Hieronymus, als hij (in het 3e boek van zijn Commentaar op Matteüs, 17, 6) zegt, dat de menselijke broosheid niet bestand is tegen het aanschouwen van wat hogere glorie is. De mensen worden echter door Christus genezen van die broosheid als Hij ze de glorie in zal voeren. Wat betekend wordt door de woorden, welke Hij tot hen sprak: Staat op, wilt niet vrezen.