De doctrina Christi
Over Christus' leer
406Deinde considerandum est de doctrina Christi.
406Vervolgens moeten we handelen over de leer van Christus.
Et circa hoc quaeruntur quatuor: 1. Utrum Christus debuerit praedicare solum Judaeis, an etiam Gentilibus. — 2. Utrum in sua praedicatione debuerit turbationem Judaeorum vitare. — 3. Utrum debuerit praedicare publice, vel occulte. — 4. Utrum debuerit docere solum verbo, vel etiam scripto.
En hieromtrent stellen we ons vier vragen: 1. Had Christus alleen voor de Joden, of ook voor de heidenen moeten preeken? 2. Had Christus het in zijn prediking, moeten vermijden verwarring onder de Joden te stichten? 3. Had Christus in het openbaar, of in het verborgen moeten prediken? 4. Had Christus alleen in woord of ook in geschrift moeten leeraren?En hieromtrent stellen we ons vier vragen: 1. Had Christus alleen voor de Joden, of ook voor de heidenen moeten preken? 2. Had Christus het in zijn prediking, moeten vermijden verwarring onder de Joden te stichten? 3. Had Christus in het openbaar, of in het verborgen moeten prediken? 4. Had Christus alleen in woord of ook in geschrift moeten leraren?
De tempore autem, quo docere incepit, supra dictum est [q. 39. art. 3.], cum de baptismo ejus ageretur.
Over den tijd, waarin Hij begon te leeraren, is boven al gesproken, toen zijn doopsel behandeld werd (39e Kw., 3e Art.).Over de tijd, waarin Hij begon te leraren, is boven al gesproken, toen zijn doopsel behandeld werd (39e Kw., 3e Art.).
Utrum conveniens fuerit Christum Judaeis et non gentibus praedicare
Had Christus, niet alleen voor de Joden, maar ook voor de heidenen moeten prediken?
407Ad primum sic proceditur. Videtur, quod Christus non solum Judaeis, sed etiam Gentilibus debuerit praedicare. Dicitur enim Isa. 49. [v. 6] : « Parum est ut sis mihi servus ad suscitandas tribus Israël et faeces Jacob convertendas; dedi te in lucem gentium, ut sis salus mea usque ad extremum terrae ». Sed lumen et salutem Christus praebuit per suam doctrinam. Ergo videtur parum fuisse, si solum Judaeis, et non Gentilibus praedicavit.
407Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet alleen voor de Joden, maar ook voor de heidenen had moeten prediken. — 1. Bij Isaïas staat immers (49, 6) : « Te gering is het, dat gij mij tot dienstknecht zijt, om de geslachten van Jacob op te wekken, en het uitwerpsel van Israël te bekeeren. Zie, ik heb U gesteld tot een licht voor de heidenen, om mijn heil te zijn tot aan het uiteinde der aarde ». Maar Christus verschafte licht en heil door zijn leer. Dus schijnt het wel onvoldoende geweest te zijn, indien Hij alleen aan de Joden en niet aan de heidenen gepredikt heeft.407Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet alleen voor de Joden, maar ook voor de heidenen had moeten prediken. — 1. Bij Jesaja staat immers (49, 6): “Te gering is het, dat gij mij tot dienstknecht zijt, om de geslachten van Jacob op te wekken, en het uitwerpsel van Israël te bekeren. Zie, ik heb U gesteld tot een licht voor de heidenen, om mijn heil te zijn tot aan het uiteinde van de aarde”. Maar Christus verschafte licht en heil door zijn leer. Dus schijnt het wel onvoldoende geweest te zijn, indien Hij alleen aan de Joden en niet aan de heidenen gepredikt heeft.
2. Praeterea, sicut dicitur Matth. 7. [v. 29] : « Erat docens eos, sicut potestatem habens ». Sed major potestas doctrinae ostenditur in instructione illorum, qui penitus nihil audierunt, quales erant Gentiles; unde Apostolus dicit Rom. 15. [v. 20] : « Sic praedicavi Evangelium hoc, non ubi nominatus est Christus, ne super alienum fundamentum 408aedificarem ». Ergo multo magis Christus praedicare debuit Gentibus, quam Judaeis.
2. Er staat bij Mattheus (7, 29) : « Hij leerde hen als een die gezag heeft ». Maar het gezag eener leer, komt veel meer tot uiting bij het onderricht van hen, die nog in het geheel niets gehoord hebben, wat de heidenen waren: vandaar zegt de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (15, 20) : « Maar evenzeer was het mij een eerezaak, nergens het Evangelie te preeken, waar de naam 408van Christus reeds werd genoemd; om niet op de grondslagen van anderen te bouwen ». Dus moest zeker Christus veeleer voor de heidenen preeken dan voor de Joden.2. Er staat bij Matteüs (7, 29): “Hij leerde hen als een die gezag heeft”. Maar het gezag van een leer, komt veel meer tot uiting bij het onderricht van hen, die nog in het geheel niets gehoord hebben, wat de heidenen waren: vandaar zegt de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (15, 20): “Maar evenzeer was het mij een erezaak, nergens het Evangelie te preken, waar de naam 408van Christus reeds werd genoemd; om niet op de grondslagen van anderen te bouwen”. Dus moest zeker Christus veeleer voor de heidenen preken dan voor de Joden.
3. Praeterea, utilior est instructio multorum, quam unius. Sed Christus aliquos Gentilium instruxit, sicut mulierem Samaritanam, Joan. 4. [v. 7 sqq.] et Chananaeam, Matth. 15. [v. 22 sqq.]. Ergo videtur, quod multo fortius Christus debuerit multitudini gentium praedicare.
3. Onderricht, dat aan velen gegeven wordt, is nuttiger, dan wanneer het aan een persoon gegeven wordt. Maar Christus heeft enkele heidenen onderricht gegeven: zooals b. v. de Samaritaansche vrouw (Joannes, 4, 7 en vlg.), en de Chananeesche (Matth., 15, 22 en vlg.). Dus schijnt het wel, dat Christus in veel sterker mate, aan een menigte van heidenen had moeten preeken.3. Onderricht, dat aan velen gegeven wordt, is nuttiger, dan wanneer het aan een persoon gegeven wordt. Maar Christus heeft enkele heidenen onderricht gegeven: zoals bv. de Samaritaanse vrouw (Johannes, 4, 7 en vlg.), en de Kananeese (Matt., 15, 22 en vlg.). Dus schijnt het wel, dat Christus in veel sterker mate, aan een menigte van heidenen had moeten preken.
Sed contra est, quod Dominus dicit, Matth. 15. [v. 24] : « Non sum missus, nisi ad oves, quae perierunt domus Israël ». Sed Rom. 10. [v. 15] dicitur: « Quomodo praedicabunt, nisi mittantur? » Ergo Christus non debuit praedicare nisi Judaeis.
Daartegenover staat echter, dat de Heer bij Mattheus zegt (15, 24) : « Alleen tot de verloren schapen van het huis van Israël ben Ik gezonden ». Maar in den Brief aan de Romeinen wordt gezegd (10, 15) : « En hoe zal men preeken, als men niet gezonden is? » Dus behoorde Christus niet tot de heidenen te preeken.Daartegenover staat echter, dat de Heer bij Matteüs zegt (15, 24): “Alleen tot de verloren schapen van het huis van Israël ben Ik gezonden”. Maar in de Brief aan de Romeinen wordt gezegd (10, 15): “En hoe zal men preken, als men niet gezonden is?” Dus behoorde Christus niet tot de heidenen te preken.
Respondeo dicendum, quod conveniens fuit praedicationem Christi tam per ipsum, quam per Apostolos a principio solis Judaeis exhiberi. Primo quidem, ut ostenderet per suum adventum impleri promissiones antiquitus factas Judaeis, non autem Gentilibus; unde Apostolus dicit Rom. 15. 409[v. 8] : « Dico Christum Jesum ministrum fuisse circumcisionis », idest Apostolum et praedicatorem Judaeorum, « propter veritatem Dei, ad confirmandas promissiones patrum ».
Leerstelling. — Het was passend, dat de leer van Christus, zoowel door Hem zelf, als ook door de Apostelen, in het begin alleen aan de Joden voorgesteld werd. En wel ten eerste, om aan te toonen dat door zijn komst de beloften vervuld werden, welke oudtijds aan de Joden gegeven waren, en niet aan de heidenen. Vandaar zegt de Apostel, in zijn Brief aan de Romeinen (15, 8) : 409« Ik bedoel, dat Christus de Bedienaar der besnijdenis is geworden », d. i. Apostel en verkondiger der Joden, « opdat Gods getrouwheid zou blijken, en de beloften aan de Vaders zouden worden vervuld ».Leerstelling. — Het was passend, dat de leer van Christus, zowel door Hemzelf, als ook door de Apostelen, in het begin alleen aan de Joden voorgesteld werd. En wel ten eerste, om aan te tonen dat door zijn komst de beloften vervuld werden, welke oudtijds aan de Joden gegeven waren, en niet aan de heidenen. Vandaar zegt de Apostel, in zijn Brief aan de Romeinen (15, 8): 409“Ik bedoel, dat Christus de Bedienaar van de besnijdenis is geworden”, d.i. Apostel en verkondiger van de Joden, “opdat Gods getrouwheid zou blijken, en de beloften aan de Vaders zouden worden vervuld”.
Secundo, ut ejus adventus ostenderetur esse a Deo. Quae enim a Deo sunt, ordinata sunt, ut dicitur Rom. 13. [v. 1]. Hoc autem debitus ordo exigebat, ut Judaeis, qui Deo erant propinquiores per fidem et cultum unius Dei, prius doctrina Christi proponeretur, et per eos transmitteretur ad gentes, sicut etiam in coelesti hierarchia per superiores angelos ad inferiores divinae illuminationes deveniunt; unde super illud Matth. 15. [v. 24] : Non sum missus, nisi ad oves, quae perierunt domus Israël, dicit Hieronymus: « Non hoc dicit, quin et ad gentes missus sit, sed quod primum ad Israël missus est ». Unde et Isa. ult. [v. 19] dicitur: « Mittam ex eis, qui salvati fuerint, scilicet ex Judaeis, ad gentes, et annuntiabunt gloriam meam gentibus ».
Ten tweede, om aan te toonen, dat zijn komst van God was. Want « wat van God komt, geschiedt met orde », zooals in den Brief aan de Romeinen gezegd wordt (13, 1). De goede orde nu vorderde, dat de leer van Christus het eerst zou worden voorgesteld aan de Joden, die God het meest nabij stonden door hun geloof in en vereering van den eenen God, en dat ze door hen overgedragen zou worden aan de heidenen: zooals ook in het hemelrijk door de hoogere engelen aan de lagere de goddelijke verlichtingen toekomen. Vandaar zegt Hieronymus op den tekst van Mattheus (15, 24) : « Alleen tot de verloren schapen van het huis van Israël ben Ik gezonden ». — « Hij wil daar niet mee zeggen, dat Hij niet tot de heidenen gezonden is, maar dat Hij eerst tot Israël gezonden is ». Vandaar zegt dan ook Isaïas (66, 19) : « Uit de verlosten, d. i. uit de Joden, zal Ik er zenden naar de heidenen, en zij zullen Mijn glorie den volkeren verkondigen ».Ten tweede, om aan te tonen, dat zijn komst van God was. Want “wat van God komt, geschiedt met orde”, zoals in de Brief aan de Romeinen gezegd wordt (13, 1). De goede orde nu vorderde, dat de leer van Christus het eerst zou worden voorgesteld aan de Joden, die God het meest nabij stonden door hun geloof in en verering van de ene God, en dat ze door hen overgedragen zou worden aan de heidenen: zoals ook in het hemelrijk door de hogere engelen aan de lagere de goddelijke verlichtingen toekomen. Vandaar zegt Hieronymus op de tekst van Matteüs (15, 24): “Alleen tot de verloren schapen van het huis van Israël ben Ik gezonden”. — “Hij wil daar niet mee zeggen, dat Hij niet tot de heidenen gezonden is, maar dat Hij eerst tot Israël gezonden is”. Vandaar zegt dan ook Jesaja (66, 19): “Uit de verlosten, d.i. uit de Joden, zal Ik er zenden naar de heidenen, en zij zullen Mijn glorie de volkeren verkondigen”.
Tertio, ut Judaeis auferret calumniandi materiam; unde super illud Matth. 10. [v. 5] : In viam gentium ne abieritis, dicit Hieronymus [Comment. L. 1] « Oportebat 410primum adventum Christi nuntiari Judaeis, ne justam haberent excusationem, dicentes, ideo se Dominum rejecisse, quia ad gentes et Samaritanos Apostolos miserit ».
Ten derde, om aan de Joden stof tot laster te ontnemen. Vandaar zegt Hieronymus op den tekst van Mattheus (10, 5) : « Slaat niet den weg naar de heidenen in ». — « Christus' komst moest eerst verkondigd worden aan de Joden, opdat ze geen rechtmatige 410verontschuldiging zouden hebben, zeggende dat God hen daarom verworpen had, omdat Hij de Apostelen naar de heidenen en Samaritanen gezonden had ».Ten derde, om aan de Joden stof tot laster te ontnemen. Vandaar zegt Hieronymus op de tekst van Matteüs (10, 5): “Slaat niet de weg naar de heidenen in”. — “Christus' komst moest eerst verkondigd worden aan de Joden, opdat ze geen rechtmatige 410verontschuldiging zouden hebben, zeggende dat God hen daarom verworpen had, omdat Hij de Apostelen naar de heidenen en Samaritanen gezonden had”.
Quarto, quia Christus per Crucis victoriam meruit potestatem et dominium super gentes; unde dicitur Apocalyps. 2. [v. 26, 28] : « Qui vicerit, dabo illi potestatem super gentes, sicut et ego accepi a Patre meo ». Et Philipp. 2. [v. 8 sqq.] dicitur, quod quia factus est obediens usque ad mortem crucis, Deus exaltavit illum, ut in nomine Jesu omne genu flectatur, et omnis lingua ei confiteatur ». Et ideo ante passionem suam noluit gentibus praedicari suam doctrinam, sed post passionem dixit discipulis Matth. ult. [v. 19] : « Euntes docete omnes gentes ». Propter quod, ut legitur Joann. 12. [v. 20 sqq.], cum imminente passione, quidam Gentiles vellent Jesum videre, respondit: « Nisi granum frumenti cadens in terram mortuum fuerit, ipsum solum manet; si autem mortuum fuerit, multum fructum affert ». Et, sicut Augustinus dicit ibidem [tract. 51. in Joan.], « se dicebat granum mortificandum in infidelitate Judaeorum, et multiplicandum in fide omnium populorum ».
Ten vierde, omdat Christus door de overwinning des kruises de macht en het gezag over de heidenen verdiend heeft. Vandaar staat er in het Boek der Openbaring (2, 26, 28) : « Wie overwint, hem zal Ik macht over de heidenen geven: zooals Ik dit ook van mijn Vader ontving ». En in den Brief aan de Philippenzen (2, 8 vlg.) : staat geschreven, dat omdat Hij gehoorzaam is geworden tot aan den dood des kruises, God Hem daarom heeft verheven, opdat in den naam van Jesus iedere knie zich zou buigen, en iedere tong Hem zou belijden. En daarom wilde Hij vóór zijn lijden niet preeken tot de heidenen: maar nà zijn lijden zeide Hij tot de leerlingen (Mattheus, 28, 19) : « Gaat en onderwijst alle volkeren ». Daarom ook gaf Christus, toen, zooals bij Joannes te lezen staat (12, 20, vlg.) enkele heidenen Hem vlak voor zijn lijden wilden zien, ten antwoord: « Zoo de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft ze alleen; maar zoo ze sterft, brengt ze rijke vruchten voort ». En, zooals Augustinus zegt (51e Traktaat op het Evangelie van Joannes) noemde Hij zich zelf een graankorrel, die sterven moest door de ongetrouwheid der Joden, en zich zou vermenigvuldigen door het geloof der volkeren.Ten vierde, omdat Christus door de overwinning van het kruis de macht en het gezag over de heidenen verdiend heeft. Vandaar staat er in het Boek van de Openbaring (2, 26, 28): “Wie overwint, hem zal Ik macht over de heidenen geven: zoals Ik dit ook van mijn Vader ontving”. En in de Brief aan de Filippenzen (2, 8 vlg.): staat geschreven, dat omdat Hij gehoorzaam is geworden tot aan de dood van het kruis, God Hem daarom heeft verheven, opdat in de naam van Jesus iedere knie zich zou buigen, en iedere tong Hem zou belijden. En daarom wilde Hij vóór zijn lijden niet preken tot de heidenen: maar nà zijn lijden zeide Hij tot de leerlingen (Matteüs, 28, 19): “Gaat en onderwijst alle volkeren”. Daarom ook gaf Christus, toen, zoals bij Johannes te lezen staat (12, 20, vlg.) enkele heidenen Hem vlak voor zijn lijden wilden zien, ten antwoord: “Zo de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft ze alleen; maar zo ze sterft, brengt ze rijke vruchten voort”. En, zoals Augustinus zegt (51e Traktaat op het Evangelie van Johannes) noemde Hij zichzelf een graankorrel, die sterven moest door de ongetrouwheid van de Joden, en zich zou vermenigvuldigen door het geloof van de volkeren.
411Ad primum ergo dicendum, quod Christus fuit in lumen et salutem gentium per discipulos suos, quos ad praedicandum gentibus misit.
411Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Christus was tot een licht en tot heil voor de heidenen door zijn leerlingen, die Hij uitgezonden heeft, om te preeken aan de heidenen.411Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Christus was tot een licht en tot heil voor de heidenen door zijn leerlingen, die Hij uitgezonden heeft, om te preken aan de heidenen.
Ad secundum dicendum, quod non est minoris potestatis, sed majoris facere aliquid per alios, quam per seipsum. Et ideo in hoc maxime potestas divina in Christo monstrata est, quod discipulis suis tantam virtutem contulit in docendo, ut gentes, quae nihil de Christo audierant, converterent ad ipsum.
2. Iets door anderen doen en niet door zich zelf, dat is geen teeken van kleinere maar van grootere macht. En dus blijkt hieruit het sterkst de goddelijke macht in Christus, dat Hij aan het onderricht zijner leerlingen zulk een kracht geschonken heeft, dat de heidenen, die niets over Christus gehoord hadden, zich tot Hem bekeerden.2. Iets door anderen doen en niet door zichzelf, dat is geen teken van kleinere maar van grotere macht. En dus blijkt hieruit het sterkst de goddelijke macht in Christus, dat Hij aan het onderricht van zijn leerlingen zulk een kracht geschonken heeft, dat de heidenen, die niets over Christus gehoord hadden, zich tot Hem bekeerden.
Potestas autem Christi in docendo attenditur, et quantum ad miracula, per quae doctrinam suam confirmabat, et quantum ad efficaciam persuadendi, et quantum ad auctoritatem loquentis, quia loquebatur quasi dominium habens super legem, cum diceret: « Ego autem dico vobis », et etiam quantum ad virtutem rectitudinis, quam in sua conversatione monstrabat, sine peccato vivendo.
Het leergezag van Christus blijkt echter uit de volgende kenmerken; zijn wonderen, waarmee Hij zijn leer bevestigde; de overredingskracht; de autoriteit waarmee Hij sprak, omdat Hij sprak als iemand die boven de wet staat, met te zeggen: « Maar Ik zeg u » (Mattheus, 5, 22, 28, enz.) ; en ook nog uit de deugd van rechtschapenheid, welke Hij in zijn levenswijze ten toon spreidde, door zonder zonden te leven.Het leergezag van Christus blijkt echter uit de volgende kenmerken; zijn wonderen, waarmee Hij zijn leer bevestigde; de overredingskracht; de autoriteit waarmee Hij sprak, omdat Hij sprak als iemand die boven de wet staat, met te zeggen: “Maar Ik zeg u” (Matteüs, 5, 22, 28, enz.); en ook nog uit de deugd van rechtschapenheid, welke Hij in zijn levenswijze ten toon spreidde, door zonder zonden te leven.
Ad tertium dicendum, quod sicut Christus non debuit a principio indifferenter Gentilibus suam doctrinam communicare, ut Judaeis tanquam primogenito populo deditus observaretur, ita etiam, non debuit Gentiles omnino repellere, ne spes salutis eis praecluderetur. Et propter hoc aliqui 412Gentilium particulariter sunt admissi propter excellentiam fidei et devotionis eorum.
3. Evenmin als Christus in het begin zonder onderscheid te maken, ook aan de heidenen zijn leer moest meedeelen, opdat het zou kunnen blijken dat Hij zich bizonder aan de Joden, als aan het eerstgeboren volk, toegewijd had; zoo behoorde Hij evenmin ook de heidenen geheel van zich af te stooten, opdat de hoop op behoud hun niet afgesneden zou worden. En daarom zijn enkele heidenen 412in het bizonder toegelaten, om de verhevenheid van hun geloof en toewijding.3. Evenmin als Christus in het begin zonder onderscheid te maken, ook aan de heidenen zijn leer moest meedelen, opdat het zou kunnen blijken dat Hij zich bizonder aan de Joden, als aan het eerstgeboren volk, toegewijd had; zo behoorde Hij evenmin ook de heidenen geheel van zich af te stoten, opdat de hoop op behoud hun niet afgesneden zou worden. En daarom zijn enkele heidenen 412in het bizonder toegelaten, om de verhevenheid van hun geloof en toewijding.
Utrum Christus debuerit Judaeis sine eorum offensione praedicare
Had Christus voor de Joden moeten preeken, zonder hen aanstoot te geven?Had Christus voor de Joden moeten preken, zonder hen aanstoot te geven?
Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod Christus debuerit Judaeis sine eorum offensione praedicare, quia, ut Augustinus dicit in lib. de Agone Christiano [cap. 11.], « in homine Jesu Christo se nobis ad exemplum vitae praebuit Filius Dei ». Sed nos debemus vitare offensionem non solum fidelium, sed etiam infidelium, secundum illud 1. ad Corinth. 10. [v. 32] : « Sine offensione estote Judaeis, et Gentibus, et Ecclesiae Dei ». Ergo videtur, quod etiam Christus in sua doctrina offensionem Judaeorum vitare debuerit.
Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus voor de Joden had moeten preeken zonder hen aanstoot te geven. — 1. Augustinus zegt immers, in zijn Werk Over den Strijd van den Christen (11e H.) : « In den mensch Jesus Christus heeft de Zoon Gods zich ons ten voorbeeld gesteld ». Maar wij moeten het vermijden iemand aanstoot te geven, niet alleen de geloovigen, maar ook de ongeloovigen, volgens het woord uit den Eersten Brief aan de Korinthiërs (10, 32) : « Geeft geen aanstoot aan Joden of heidenen, noch aan de Kerk van God ». Het schijnt dus wel, dat ook Christus in zijn leer had moeten vermijden, de Joden aanstoot te geven.Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus voor de Joden had moeten preken zonder hen aanstoot te geven. — 1. Augustinus zegt immers, in zijn Werk Over de Strijd van de Christen (11e H.): “In de mens Jesus Christus heeft de Zoon Gods zich ons ten voorbeeld gesteld”. Maar wij moeten het vermijden iemand aanstoot te geven, niet alleen de gelovigen, maar ook de ongelovigen, volgens het woord uit de Eerste Brief aan de Korintiërs (10, 32): “Geeft geen aanstoot aan Joden of heidenen, noch aan de Kerk van God”. Het schijnt dus wel, dat ook Christus in zijn leer had moeten vermijden, de Joden aanstoot te geven.
2. Praeterea, nullus sapiens debet facere, unde effectum sui operis impediat. Sed per hoc quod sua doctrina Christus Judaeos turbavit, 413impediebatur effectus ejus doctrinae: dicitur enim Luc. 11. [v. 53-54] quod cum Dominus Pharisaeos et Scribas reprehenderet, « coeperunt graviter insistere, et os ejus opprimere de multis, insidiantes ei, et quaerentes aliquid capere ex ore ejus, ut accusarent eum ». Non ergo videtur conveniens fuisse, quod eos in sua doctrina offenderet.
2. Geen wijs mensch moet iets doen, wat het gevolg van zijn werk zou kunnen verhinderen. Maar doordat Christus met zijn leer de Joden in opschudding gebracht heeft, werd het resultaat 413van zijn leer belemmerd: want bij Lucas (11, 53, 54) staat, dat toen de Heer de Farizeën en schriftgeleerden terecht wees, « zij Hem heftig begonnen aan te vallen, en Hem allerlei strikvragen te stellen; ze loerden er op, uit zijn mond iets op te vangen, om Hem te beschuldigen ». Het schijnt dus niet passend geweest te zijn, dat Hij hen met zijn leer beleedigde.2. Geen wijs mens moet iets doen, wat het gevolg van zijn werk zou kunnen verhinderen. Maar doordat Christus met zijn leer de Joden in opschudding gebracht heeft, werd het resultaat 413van zijn leer belemmerd: want bij Lukas (11, 53, 54) staat, dat toen de Heer de Farizeën en schriftgeleerden terecht wees, “zij Hem heftig begonnen aan te vallen, en Hem allerlei strikvragen te stellen; ze loerden er op, uit zijn mond iets op te vangen, om Hem te beschuldigen”. Het schijnt dus niet passend geweest te zijn, dat Hij hen met zijn leer beledigde.
3. Praeterea, Apostolus dicit 1. Timoth. 5. [v. 1] : « Seniorem ne increpaveris, sed obsecra ut patrem ». Sed sacerdotes et principes Judaeorum erant illius populi seniores. Ergo videtur, quod non fuerint duris increpationibus arguendi.
3. De Apostel zegt, in zijn Eersten Brief aan Timotheus (5, 1) : « Ge moet niet hard optreden, tegen een bejaard man, maar hem vermanen als een vader ». Maar de priesters en oversten der Joden, waren de oudsten van dat volk. Dus hadden ze niet met harde smaadwoorden moeten aangeklaagd worden.3. De Apostel zegt, in zijn Eersten Brief aan Timoteüs (5, 1): “Ge moet niet hard optreden, tegen een bejaard man, maar hem vermanen als een vader”. Maar de priesters en oversten van de Joden, waren de oudsten van dat volk. Dus hadden ze niet met harde smaadwoorden moeten aangeklaagd worden.
Sed contra est, quod Isa. 8. [v. 14] fuerat prophetizatum, quod Christus esset in lapidem offensionis et petram scandali duabus domibus Israël.
Daartegenover staat echter, dat aan Isaïas voorzegd was (8, 14), dat Christus tot een steen des aanstoots zou zijn, en tot een rots van ergernis voor de twee huizen van Israël.Daartegenover staat echter, dat aan Jesaja voorzegd was (8, 14), dat Christus tot een steen des aanstoots zou zijn, en tot een rots van ergernis voor de twee huizen van Israël.
Respondeo dicendum, quod salus multitudinis est praeferenda paci quorumcumque singularium hominum. Et ideo quando aliqui sua perversitate multitudinis salutem impediunt, non est timenda eorum offensio a 414praedicatore vel doctore, ad hoc quod multitudinis saluti provideat. Scribae autem et pharisaei et principes Judaeorum sua malitia plurimum impediebant populi salutem, tum quia repugnabant Christi doctrinae, per quam solam poterat esse salus, tum etiam quia pravis suis moribus vitam populi corrumpebant. Et ideo Dominus, non obstante offensione eorum, publice veritatem docebat, quam illi oderant, et eorum vitia arguebat; et ideo dicitur Matth. 15. [v. 12, 14], quod discipulis Domino dicentibus: « Scis, quia Judaei, audito hoc verbo, scandalizati sunt? », respondit: « Sinite illos, caeci sunt, ducesque caecorum. Caecus autem si caeco ducatum praestet, ambo in foveam cadunt ».
Leerstelling. — Aan het heil eener gemeenschap moet den voorkeur gegeven boven den vrede van sommige particuliere personen. Wanneer dus sommigen door hun slechtheid een beletsel vormen voor het welzijn eener gemeenschap, dan mogen de 414predikant en de leeraar niet bang zijn hen aanstoot te geven, ten einde voor het welzijn van de gemeenschap te kunnen zorgen. De Schriftgeleerden en Farizeën echter, en de oversten der Joden waren door hun slechtheid een groot beletsel voor het welzijn van het volk; [De vertaling van «tum quia repugnabant Christi doctrinae» ontbreekt in de uitgave.] te meer, daar zij door hun slecht gedrag, het volksleven bedierven. En daarom leerde de Heer, niettegenstaande zij er aanstoot aan namen, openlijk de waarheid, die ze haatten, en laakte Hij hun ondeugden. En daarom staat er bij Mattheus (15, 12, 14), dat, toen de leerlingen aan den Heer zeiden: « Weet Gij, dat de Farizeën bij het hooren van dit woord zich hebben geërgerd? », Hij ten antwoord gaf: « Laat hen begaan; ze zijn blinde leiders van blinden; maar als de eene blinde den anderen leidt, vallen ze allebei in den kuil ».Leerstelling. — Aan het heil van een gemeenschap moet de voorkeur gegeven boven de vrede van sommige particuliere personen. Wanneer dus sommigen door hun slechtheid een beletsel vormen voor het welzijn van een gemeenschap, dan mogen de 414predikant en de leraar niet bang zijn hen aanstoot te geven, ten einde voor het welzijn van de gemeenschap te kunnen zorgen. De Schriftgeleerden en Farizeën echter, en de oversten van de Joden waren door hun slechtheid een groot beletsel voor het welzijn van het volk; [De vertaling van “tum quia repugnabant Christi doctrinae” ontbreekt in de uitgave.] te meer, daar zij door hun slecht gedrag, het volksleven bedierven. En daarom leerde de Heer, niettegenstaande zij er aanstoot aan namen, openlijk de waarheid, die ze haatten, en laakte Hij hun ondeugden. En daarom staat er bij Matteüs (15, 12, 14), dat, toen de leerlingen aan de Heer zeiden: “Weet Gij, dat de Farizeën bij het horen van dit woord zich hebben geërgerd?”, Hij ten antwoord gaf: “Laat hen begaan; ze zijn blinde leiders van blinden; maar als de ene blinde de andere leidt, vallen ze allebei in de kuil”.
Ad primum ergo dicendum, quod homo sic debet esse sine offensione omnibus, ut nulli det suo facto, vel dicto minus recto occasionem ruinae. Sed « cum de veritate scandalum oritur, magis est sustinendum scandalum, quam veritas relinquatur », ut Gregorius dicit [hom. 7. in Ezech.].
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dat geen mensch iemand aanstoot mag geven, moet zoo verstaan worden dat hij voor niemand door een minder rechtzinnige daad of een minder rechtzinnig woord, een aanleiding mag worden voor zijn ondergang. « Indien echter ergernis een gevolg is van de waarheid, dan moet veeleer de ergernis verdragen worden, dan dat de waarheid vermeden wordt », zegt Gregorius (7e Homelie op Ezechiel).Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dat geen mens iemand aanstoot mag geven, moet zo verstaan worden dat hij voor niemand door een minder rechtzinnige daad of een minder rechtzinnig woord, een aanleiding mag worden voor zijn ondergang. “Indien echter ergernis een gevolg is van de waarheid, dan moet veeleer de ergernis verdragen worden, dan dat de waarheid vermeden wordt”, zegt Gregorius (7e Homelie op Ezechiël).
Ad secundum dicendum, quod per hoc quod Christus publice scribas 415et pharisaeos arguebat, non impedivit, sed magis promovit effectum suae doctrinae, quia cum eorum vitia populo innotescebant, minus avertebatur a Christo propter verba scribarum et pharisaeorum, qui semper doctrinae Christi obsistebant.
2. Doordat Christus in het openbaar de schriftgeleerden en 415Farizeën laakte verhinderde Hij de uitwerking van zijn leer niet, maar bevorderde ze veeleer. Want daar hun ondeugden aan het volk bekend werden, werd het minder om de woorden der schriftgeleerden en Farizeën, die zich steeds tegen Christus' leer verzetten, van Christus afgekeerd.2. Doordat Christus in het openbaar de schriftgeleerden en 415Farizeën laakte verhinderde Hij de uitwerking van zijn leer niet, maar bevorderde ze veeleer. Want daar hun ondeugden aan het volk bekend werden, werd het minder om de woorden van de schriftgeleerden en Farizeën, die zich steeds tegen Christus' leer verzetten, van Christus afgekeerd.
Ad tertium dicendum, quod illud verbum Apostoli est intelligendum de illis senioribus, qui non solum aetate vel auctoritate, sed etiam honestate sunt senes, secundum illud Num. 11. [v. 16] : « Congrega mihi septuaginta viros de senioribus Israël, quos tu nosti, quod senes populi sint ». Si autem auctoritatem senectutis in instrumentum malitiae vertant publice peccando, sunt manifeste et acriter arguendi, sicut et Daniel dixit, Dan. 13. [v. 52] : « Inveterate dierum malorum », etc.
3. Dit woord des Apostels moet verstaan worden van die oude lieden die niet alleen oud zijn in leeftijd of gezag maar ook in deugd, volgens de woorden uit het Boek der Getallen (11, 16) : « Verzamel Mij zeventig mannen uit de ouden van Israël, van wie gij weet, dat het oudsten des volks zijn ». Als ze echter het gezag, dat de ouderdom hun geeft, maken tot een instrument van slechtheid, door in het openbaar te zondigen, dan moet er openlijk en streng tegen hen opgetreden worden: zooals ook Daniël zeide (Daniël, 13, 52) : « Gij oude booswicht! enz. ».3. Dit woord van de Apostel moet verstaan worden van die oude lieden die niet alleen oud zijn in leeftijd of gezag maar ook in deugd, volgens de woorden uit het Boek van de Getallen (11, 16): “Verzamel Mij zeventig mannen uit de ouden van Israël, van wie gij weet, dat het oudsten van het volk zijn”. Als ze echter het gezag, dat de ouderdom hun geeft, maken tot een instrument van slechtheid, door in het openbaar te zondigen, dan moet er openlijk en streng tegen hen opgetreden worden: zoals ook Daniël zeide (Daniël, 13, 52): “Gij oude booswicht! enz.”.
Utrum Christus omnia publice docere debuerit
Had Christus alles in het openbaar moeten leeren?Had Christus alles in het openbaar moeten leren?
Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod Christus non omnia publice 416docere debuerit. Legitur enim multa seorsum discipulis dixisse, sicut patet in sermone Coenae; unde et Matth. 10. [v. 27] dixit: « Quod in aure audistis in cubilibus, praedicabitur in tectis ». Non ergo omnia publice docuit.
Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet alles in het 416openbaar had moeten leeraren. — 1. Er staat immers te lezen, dat Hij veel aan zijn leerlingen apart gezegd heeft, zooals blijkt uit de Avondmaal-rede. Vandaar zegt ook Mattheus (10, 27) : « Wat ge in de binnenkamer gehoord hebt, zal op de daken verkondigd worden ». Hij heeft dus niet alles in het openbaar geleerd.Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet alles in het 416openbaar had moeten leraren. — 1. Er staat immers te lezen, dat Hij veel aan zijn leerlingen apart gezegd heeft, zoals blijkt uit de Avondmaal-rede. Vandaar zegt ook Matteüs (10, 27): “Wat ge in de binnenkamer gehoord hebt, zal op de daken verkondigd worden”. Hij heeft dus niet alles in het openbaar geleerd.
2. Praeterea, profunda sapientiae non sunt nisi perfectis exponenda, secundum illud 1. ad Corinth. 2. [v. 6] : « Sapientiam loquimur inter perfectos ». Sed doctrina Christi continebat profundissimam sapientiam. Non ergo erat imperfectae multitudini communicanda.
2. De diepten der wijsheid moeten alleen aan volmaakten uitgelegd worden, volgens de woorden uit den Eersten Brief aan de Korinthiërs (2, 6) : « Wij preeken wijsheid onder de volmaakten ». Maar Christus' leer behelsde de diepste wijsheid. Dus behoorde ze niet medegedeeld te worden aan de onvolmaakte menigte.2. De diepten van de wijsheid moeten alleen aan volmaakten uitgelegd worden, volgens de woorden uit de Eerste Brief aan de Korintiërs (2, 6): “Wij preken wijsheid onder de volmaakten”. Maar Christus' leer behelsde de diepste wijsheid. Dus behoorde ze niet medegedeeld te worden aan de onvolmaakte menigte.
3. Praeterea, idem est, veritatem aliquam occultare silentio, et obscuritate verborum. Sed Christus veritatem, quam praedicabat, occultabat turbis obscuritate verborum, quia « sine parabolis non loquebatur ad eos », ut dicitur Matth. 13. [v. 34]. Ergo pari ratione poterat occultare silentio.
3. Een waarheid met stilzwijgenheid omhullen is hetzelfde als ze omhullen met duistere woorden. Maar Christus verborg de waarheid, welke Hij preekte, in duistere woorden, daar « Hij hen niet zonder gelijkenissen toesprak », zooals Mattheus zegt (13, 34). Dus had zij om dezelfde reden verborgen kunnen worden in stilzwijgen.3. Een waarheid met stilzwijgenheid omhullen is hetzelfde als ze omhullen met duistere woorden. Maar Christus verborg de waarheid, welke Hij preekte, in duistere woorden, daar “Hij hen niet zonder gelijkenissen toesprak”, zoals Matteüs zegt (13, 34). Dus had zij om dezelfde reden verborgen kunnen worden in stilzwijgen.
Sed contra est, quod ipse dicit Joan. 18. [v. 20] : « In occulto locutus sum nihil ».
Daartegenover staat echter, wat Hij zelf zegt (Joannes, 18, 20) : « Nooit heb Ik iets in het geheim gezegd ».Daartegenover staat echter, wat Hij zelf zegt (Johannes, 18, 20): “Nooit heb Ik iets in het geheim gezegd”.
Respondeo dicendum, quod doctrina alicujus potest esse in occulto 417tripliciter. Uno modo quantum ad intentionem docentis, qui intendit suam doctrinam non manifestare multis, sed magis occultare. Quod quidem contingit dupliciter; quandoque ex invidia docentis, qui vult per suam scientiam excellere, et ideo scientiam suam non vult aliis communicare, quod in Christo locum non habuit, ex cujus persona dicitur Sap. 7. [v. 13] : « Quam sine fictione didici, et sine invidia communico, et honestatem illius non abscondo ». Quandoque vero hoc contingit propter inhonestatem eorum, quae docentur, sicut Augustinus dicit super Joan. [tract. 96.], quod « quaedam sunt mala, quae portare non potest qualiscumque pudor humanus ». Unde de doctrina haereticorum dicitur Proverb. 9. [v. 17] : « Aquae furtivae dulciores sunt ». Doctrina autem Christi non est neque de errore, neque de immunditia, et ideo Dominus dicit Marci 4. [v. 21] : « Numquid venit lucerna », idest vera et honesta doctrina, « ut sub modio ponatur? »
Leerstelling. — Op drie manieren kan iemands leer 417verborgen zijn. Eerstens wat de bedoeling van den leeraar betreft, wanneer hij nl. de bedoeling heeft, zijn leer niet aan velen openbaar te maken, maar veeleer te verbergen. Wat op twee manieren kan geschieden. Soms uit afgunst van den leeraar, die door zijn wetenschap wil uitblinken, en daarom zijn wetenschap niet aan anderen wil meedeelen. Wat niet het geval is geweest bij Christus, over wiens persoon in het Boek der Wijsheid (7, 13) geschreven staat: « Met oprechtheid leerde ik haar kennen en met mildheid deel ik haar mede; ik verberg haar rijkdom niet ». — Soms echter gebeurt zoo iets, om de slechtheid van wat geleeraard wordt, zooals Augustinus zegt in zijn 96e Verhandeling over Joannes, dat sommige dingen zóó slecht zijn, dat het eergevoel van geen mensch het verdragen kan. Vandaar wordt er van de leer der ketters gezegd in het Boek der Spreuken (9, 17) : « Gestolen wateren zijn de zoetste ». Christus' leer echter heeft niets te maken met dwaling noch met onzuivere bedoeling. (Ie Brief aan de Thess., 2, 3). Vandaar zegt de Heer bij Marcus (4, 21) : « Haalt men soms de lamp d. i. de ware en zuivere leer, om ze onder de korenmaat te zetten? »Leerstelling. — Op drie manieren kan iemands leer 417verborgen zijn. Eerstens wat de bedoeling van de leraar betreft, wanneer hij nl. de bedoeling heeft, zijn leer niet aan velen openbaar te maken, maar veeleer te verbergen. Wat op twee manieren kan geschieden. Soms uit afgunst van de leraar, die door zijn wetenschap wil uitblinken, en daarom zijn wetenschap niet aan anderen wil meedelen. Wat niet het geval is geweest bij Christus, over wiens persoon in het Boek van de Wijsheid (7, 13) geschreven staat: “Met oprechtheid leerde ik haar kennen en met mildheid deel ik haar mede; ik verberg haar rijkdom niet”. — Soms echter gebeurt zo iets, om de slechtheid van wat geleraard wordt, zoals Augustinus zegt in zijn 96e Verhandeling over Johannes, dat sommige dingen zó slecht zijn, dat het eergevoel van geen mens het verdragen kan. Vandaar wordt er van de leer van de ketters gezegd in het Boek van de Spreuken (9, 17): “Gestolen wateren zijn de zoetste”. Christus' leer echter heeft niets te maken met dwaling noch met onzuivere bedoeling. (1e Brief aan de Tess., 2, 3). Vandaar zegt de Heer bij Marcus (4, 21): “Haalt men soms de lamp d.i. de ware en zuivere leer, om ze onder de korenmaat te zetten?”
Alio modo aliqua doctrina est in occulto, quia paucis proponitur, et sic Christus etiam nihil docuit in occulto, quia Christus omnem doctrinam suam 418vel turbae toti proposuit, vel omnibus suis discipulis in communi; unde Augustinus dicit super Joan. [tract. 113.] : « Quis in occulto loquitur, qui coram tot hominibus loquitur, praesertim si hoc loquitur paucis, quod per eos vult innotescere multis? »
Een andere manier, waarop een leer in het verborgen kan zijn is, omdat ze aan weinigen wordt voorgesteld. En ook zóó heeft Christus niets in het verborgen geleerd, omdat Hij al zijn leer, 418ofwel aan het heele volk voorstelde, ofwel aan al zijn leerlingen samen. Vandaar zegt Augustinus in zijn 113e Verhandeling over Joannes: « Spreekt er soms iemand in het verborgen wanneer hij in het bijzijn van zooveel menschen spreekt? Vooral wanneer hij aan weinigen zegt, wat hij door hen aan velen wil doen bekend maken? »Een andere manier, waarop een leer in het verborgen kan zijn is, omdat ze aan weinigen wordt voorgesteld. En ook zó heeft Christus niets in het verborgen geleerd, omdat Hij al zijn leer, 418ofwel aan het hele volk voorstelde, ofwel aan al zijn leerlingen samen. Vandaar zegt Augustinus in zijn 113e Verhandeling over Johannes: “Spreekt er soms iemand in het verborgen wanneer hij in het bijzijn van zoveel mensen spreekt? Vooral wanneer hij aan weinigen zegt, wat hij door hen aan velen wil doen bekend maken?”
Tertio modo aliqua doctrina est in occulto quantum ad modum docendi, et sic Christus quaedam turbis loquebatur in occulto, parabolis utens ad annuntianda spiritualia mysteria, ad quae capienda non erant idonei vel digni. Et tamen melius erat eis vel sic sub tegumento parabolarum spiritualium doctrinam audire, quam omnino ea privari. Harum tamen parabolarum apertam et nudam veritatem Dominus discipulis exponebat, per quos deveniret ad alios, qui essent idonei, secundum illud 2. ad Tim. 2. [v. 2] : « Quae audisti a me per multos testes, haec commenda fidelibus hominibus, qui idonei erunt et alios docere ». Et hoc signatum est Num. 4. [v. 5 sqq.], ubi mandatur, quod filii Aaron involverent vasa sanctuarii, quae Levitae involuta portarent.
Op de derde manier kan een leer om de wijze van leeren in het verborgen zijn. En zoo opgevat sprak Christus sommige dingen in het verborgen tot het volk, wanneer Hij nl. parabels gebruikte om geestelijke geheimen aan te kondigen, daar ze nog niet geschikt of waardig waren om het te begrijpen. En toch was het voor hen beter, dat ze die geestelijke leer zóó, verborgen in parabels, hoorden, dan dat ze er geheel van verstoken bleven. Aan zijn leerlingen legde de Heer echter de waarheid van die parabels open en bloot, en door hen zou ze dan tot de anderen komen, die er geschikt voor waren, volgens het woord uit den Tweeden Brief aan Timotheus (2, 2) : « Wat ge van mij onder vele getuigen gehoord hebt, draagt dat aan betrouwbare mannen over, die geschikt zijn ook anderen te onderrichten ». En dit werd voorbeduid in het Boek der Getallen, waar het bevel gegeven wordt dat de zonen van Aaron de vaten van het heiligdom moeten bedekken, welke de Levieten bedekt moeten dragen.Op de derde manier kan een leer om de wijze van leren in het verborgen zijn. En zo opgevat sprak Christus sommige dingen in het verborgen tot het volk, wanneer Hij nl. parabels gebruikte om geestelijke geheimen aan te kondigen, daar ze nog niet geschikt of waardig waren om het te begrijpen. En toch was het voor hen beter, dat ze die geestelijke leer zó, verborgen in parabels, hoorden, dan dat ze er geheel van verstoken bleven. Aan zijn leerlingen legde de Heer echter de waarheid van die parabels open en bloot, en door hen zou ze dan tot de anderen komen, die er geschikt voor waren, volgens het woord uit de Tweede Brief aan Timoteüs (2, 2): “Wat ge van mij onder vele getuigen gehoord hebt, draagt dat aan betrouwbare mannen over, die geschikt zijn ook anderen te onderrichten”. En dit werd voorbeduid in het Boek van de Getallen, waar het bevel gegeven wordt dat de zonen van Aaron de vaten van het heiligdom moeten bedekken, welke de Levieten bedekt moeten dragen.
419Ad primum ergo dicendum, quod sicut Hilarius dicit super Matth. [cap. 10.], exponens illud verbum inductum, « non legimus Dominum solitum fuisse noctibus sermocinari, et doctrinam tradidisse in tenebris, sed hoc dicit, quia omnis sermo ejus carnalibus tenebrae sunt, et verbum ejus infidelibus nox est, itaque quod a se dictum est, cum libertate fidei et confessionis vult esse loquendum ».
419Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Hierop is te antwoorden, met de woorden uit de commentaar welke Hilarius geeft op de woorden, welke in de bedenking aangevoerd worden: « Wij lezen niet, dat de Heer de gewoonte had 's nachts redevoeringen uit te spreken, noch dat Hij zijn leer in de duisternis verkondigd heeft: maar Hij drukt zich zoo uit, omdat al zijn redevoeringen voor vleeschelijke menschen als duisternis zijn, en zijn woord voor ongeloovigen als nacht. Wat derhalve door Hem gezegd is, moet onder de ongeloovigen gesproken worden met de vrijheid van het geloof en de belijdenis ».419Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Hierop is te antwoorden, met de woorden uit de commentaar welke Hilarius geeft op de woorden, welke in de bedenking aangevoerd worden: “Wij lezen niet, dat de Heer de gewoonte had 's nachts redevoeringen uit te spreken, noch dat Hij zijn leer in de duisternis verkondigd heeft: maar Hij drukt zich zo uit, omdat al zijn redevoeringen voor vleselijke mensen als duisternis zijn, en zijn woord voor ongelovigen als nacht. Wat derhalve door Hem gezegd is, moet onder de ongelovigen gesproken worden met de vrijheid van het geloof en de belijdenis”.
Vel secundum Hieronymum [Comment. in Matth., L. 1, ad loc. cit.] comparative loquitur, quia videlicet erudiebat eos in parvo Judaeae loco respectu totius mundi, in quo erat per Apostolorum praedicationem doctrina Christi publicanda.
Of men zou kunnen zeggen, zooals Hieronymus doet, dat Hij hier vergelijkenderwijs spreekt, omdat Hij hen nl. onderrichtte in een kleine plaats van Judea, klein in vergelijking met de geheele wereld, waarin de leer van Christus door de prediking der Apostelen openlijk moest bekend gemaakt worden.Of men zou kunnen zeggen, zoals Hieronymus doet, dat Hij hier vergelijkenderwijs spreekt, omdat Hij hen nl. onderrichtte in een kleine plaats van Judea, klein in vergelijking met de gehele wereld, waarin de leer van Christus door de prediking van de Apostelen openlijk moest bekend gemaakt worden.
Ad secundum dicendum, quod Dominus non omnia profunda suae sapientiae sua doctrina manifestavit, non solum turbis, sed nec etiam discipulis, quibus dixit Joan. 16. [v. 12] : « Adhuc multa habeo vobis dicere, quae non potestis portare modo ». Sed tamen quodcumque dignum duxit aliis tradere de sua sapientia, non in occulto, sed palam proposuit, licet non 420ab omnibus intelligeretur; unde Augustinus dicit super Joan. [tract. 113.] : « Intelligendum est ita dixisse Dominum: Palam locutus sum mundo, ac si dixisset: Multi me audierunt; et rursus non erat palam, quia non intelligebant ».
2. De Heer heeft niet al de diepten van zijn wijsheid door zijn leer bekend gemaakt, niet alleen niet aan de scharen, maar zelfs niet aan de Apostelen, tot wie Hij zeide (Joannes, 16, 12) : « Nog veel meer heb Ik u te zeggen, doch ge kunt het thans niet dragen ». Wat Hij echter van zijn wijsheid aan anderen waardig achtte mede te deelen, dat heeft Hij hen niet in het verborgen, maar in het openbaar voorgesteld: ook al werd het dan niet door 420allen begrepen. Vandaar zegt Augustinus in zijn 113e Verhandeling over Joannes: « Wat Christus gezegd heeft « Openlijk heb Ik tot de wereld gesproken », moet verstaan worden alsof Hij gezegd had « Velen hebben Mij gehoord ». En van den anderen kant was het weer niet in het openbaar, omdat ze het niet begrepen hadden ».2. De Heer heeft niet al de diepten van zijn wijsheid door zijn leer bekend gemaakt, niet alleen niet aan de scharen, maar zelfs niet aan de Apostelen, tot wie Hij zeide (Johannes, 16, 12): “Nog veel meer heb Ik u te zeggen, doch ge kunt het thans niet dragen”. Wat Hij echter van zijn wijsheid aan anderen waardig achtte mede te delen, dat heeft Hij hen niet in het verborgen, maar in het openbaar voorgesteld: ook al werd het dan niet door 420allen begrepen. Vandaar zegt Augustinus in zijn 113e Verhandeling over Johannes: “Wat Christus gezegd heeft ‘Openlijk heb Ik tot de wereld gesproken’, moet verstaan worden alsof Hij gezegd had ‘Velen hebben Mij gehoord’. En van de andere kant was het weer niet in het openbaar, omdat ze het niet begrepen hadden”.
Ad tertium dicendum, quod turbis Dominus in parabolis loquebatur, sicut dictum est [in corp. art.], quia non erant digni nec idonei nudam veritatem accipere, quam discipulis exponebat;
3. De Heer sprak tot de scharen in parabels, omdat zooals gezegd is in de Leerstelling, ze noch waardig noch in staat waren de onverbloemde waarheid te ontvangen, welke Hij aan de leerlingen uiteenzette.3. De Heer sprak tot de scharen in parabels, omdat zoals gezegd is in de Leerstelling, ze noch waardig noch in staat waren de onverbloemde waarheid te ontvangen, welke Hij aan de leerlingen uiteenzette.
quod autem dicitur, quod « sine parabolis non loquebatur eis » secundum Chrysostomum [hom. 48. in Matth.], intelligendum est quantum ad illum sermonem; quamvis alias sine parabolis multa turbis locutus fuerit, vel secundum Augustinum in lib. de QQ. Evang. [secundum Matth. q. 15.] hoc dicitur, « non quia nihil proprie locutus est, sed quia nullum fere sermonem explicavit, ubi non per parabolam aliquid significaverit, quamvis in eo aliqua propria dixerit ».
Wat er echter gezegd wordt, dat Hij zonder gelijkenissen niet tot hen sprak, dat slaat volgens Chrysostomus op die eene rede: want op andere plaatsen heeft Hij ook veel zonder parabels tot de scharen gezegd. — Men kan het ook uitleggen zooals Augustinus het doet in zijn werk Vraagstukken aangaande het Evangelie (volgens Mattheus, 17e B., 15e Vr.) : « (dit wordt op die manier uitgedrukt) niet omdat Hij niets in eigen woorden gezegd heeft, maar omdat Hij bijna geen rede ontwikkelde, zonder er iets door een parabel in aan te duiden, ofschoon Hij er sommige dingen op de gewone manier in zeide ».Wat er echter gezegd wordt, dat Hij zonder gelijkenissen niet tot hen sprak, dat slaat volgens Chrysostomus op die ene rede: want op andere plaatsen heeft Hij ook veel zonder parabels tot de scharen gezegd. — Men kan het ook uitleggen zoals Augustinus het doet in zijn werk Vraagstukken aangaande het Evangelie (volgens Matteüs, 17e B., 15e Vr.): “(dit wordt op die manier uitgedrukt) niet omdat Hij niets in eigen woorden gezegd heeft, maar omdat Hij bijna geen rede ontwikkelde, zonder er iets door een parabel in aan te duiden, ofschoon Hij er sommige dingen op de gewone manier in zeide”.
Utrum Christus debuerit doctrinam suam scripto tradere
Had Christus zijn leer op schrift moeten stellen?
421Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod Christus doctrinam suam debuerit scripto tradere. Scriptura enim inventa est ad hoc, quod doctrina commendetur memoriae in futurum. Sed doctrina Christi duratura erat in aeternum, secundum illud Luc. 21. [v. 33] : « Coelum et terra transibunt, verba autem mea non transibunt ». Ergo videtur, quod Christus debuerit suam doctrinam scripto mandare.
421Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus zijn leer op schrift had moeten stellen. — 1. Het schrift is immers uitgevonden, opdat wat geleerd wordt voortdurend in herinnering zou kunnen blijven. Maar Christus' leer moest tot in de eeuwigheid voortduren, volgens het woord van Lucas (21, 33) : « Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan ». Dus schijnt het wel, dat Christus zijn leer op schrift had moeten stellen.421Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus zijn leer op schrift had moeten stellen. — 1. Het schrift is immers uitgevonden, opdat wat geleerd wordt voortdurend in herinnering zou kunnen blijven. Maar Christus' leer moest tot in de eeuwigheid voortduren, volgens het woord van Lukas (21, 33): “Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan”. Dus schijnt het wel, dat Christus zijn leer op schrift had moeten stellen.
2. Praeterea, lex vetus in figura Christi praecessit, secundum illud Hebr. 10. [v. 1] : « Umbram habens lex futurorum bonorum »: Sed lex vetus a Deo fuit descripta, secundum illud Exodi 24. [v. 12] : « Dabo tibi duas tabulas lapideas, et legem ac mandata, quae scripsi ». Ergo videtur, quod etiam Christus doctrinam suam scribere debuerit.
2. De oude wet was een voorafbeelding van Christus, volgens het woord uit den Brief aan de Hebreën (10, 1) : « De Wet bezit slechts de schaduw der toekomstige goederen ». Maar de oude Wet was door God opgeschreven, blijkens de woorden uit het Boek van den Uittocht (24, 12) : « Ik zal U twee steenen tafelen geven, en de wet en de geboden welke Ik daarop geschreven heb ». Dus schijnt het wel, dat ook Christus zijn leer had moeten schrijven.2. De oude wet was een voorafbeelding van Christus, volgens het woord uit de Brief aan de Hebreën (10, 1): “De Wet bezit slechts de schaduw van de toekomstige goederen”. Maar de oude Wet was door God opgeschreven, blijkens de woorden uit het Boek van de Uittocht (24, 12): “Ik zal U twee stenen tafelen geven, en de wet en de geboden welke Ik daarop geschreven heb”. Dus schijnt het wel, dat ook Christus zijn leer had moeten schrijven.
3. Praeterea, ad Christum, qui venerat illuminare his, qui in tenebris 422et umbra mortis sedent, ut dicitur Luc. 1. [v. 79], pertinebat erroris occasiones excludere, et viam fidei aperire. Sed hoc fecisset doctrinam suam scribendo; dicit enim Augustinus in 1. de Consensu Evang. [cap. 7.], quod « solet nonnullos movere, cur ipse Dominus nihil scripserit, ut aliis de illo scribentibus necesse sit credere. Hoc enim illi, et maxime pagani quaerunt, qui Christum culpare aut blasphemare non audent, eique tribuunt excellentissimam sapientiam, sed tamen tanquam homini, discipulos vero ejus dicunt magistro suo amplius tribuisse, quam erat, ut eum Filium Dei dicerent et Verbum Dei, per quod facta sunt omnia ». Et postea subdit: « Videntur parati fuisse hoc de illo credere, quod de se ipse scripsisset, non quod alii de illo pro suo arbitrio praedicassent ». Ergo videtur, quod Christus ipse doctrinam suam scripto tradere debuerit.
3. Omdat Christus gekomen was om te verlichten, die in 422duisternis zijn, en in de schaduw van den dood zijn gezeten (Lucas, 1, 79) was het zijn taak iedere aanleiding tot dwalen weg te nemen, en den weg des geloofs open te stellen. Maar dit zou Hij gedaan hebben, als Hij zijn leer had opgeschreven. Want Augustinus zegt in het 1e boek Over de Overeenstemming der Evangeliën (7e H.) dat « het een nog al voorkomend verschijnsel is, dat sommigen verontrust worden door het feit, dat de Heer zelf niets geschreven heeft, zoodat het noodig is geloof te slaan aan anderen, die over Hem schrijven. Want zoo iets missen wel vooral die heidenen, die het niet wagen Christus te beschuldigen en te lasteren en Hem de verhevenste wijsheid toeschrijven, maar toch als aan een mensch. Zij zeggen dan, dat de leerlingen Hem meer toeschrijven, dan Hij was: daar ze Hem nl. Zoon van God noemen, en Woord Gods, waardoor alles gemaakt is ». En verderop voegt hij er aan toe: « Het schijnt wel, dat ze bereid zouden geweest zijn, datgene van Hem te gelooven, wat Hij over zich zelf zou geschreven hebben, en niet wat anderen van Hem op eigen gelegenheid verkondigd hebben ». Het schijnt dus wel, dat Christus zelf zijn leer op schrift had moeten stellen.3. Omdat Christus gekomen was om te verlichten, die in 422duisternis zijn, en in de schaduw van de dood zijn gezeten (Lukas, 1, 79) was het zijn taak iedere aanleiding tot dwalen weg te nemen, en de weg van het geloof open te stellen. Maar dit zou Hij gedaan hebben, als Hij zijn leer had opgeschreven. Want Augustinus zegt in het 1e boek Over de Overeenstemming van de Evangeliën (7e H.) dat “het een nog al voorkomend verschijnsel is, dat sommigen verontrust worden door het feit, dat de Heer zelf niets geschreven heeft, zodat het nodig is geloof te slaan aan anderen, die over Hem schrijven. Want zo iets missen wel vooral die heidenen, die het niet wagen Christus te beschuldigen en te lasteren en Hem de verhevenste wijsheid toeschrijven, maar toch als aan een mens. Zij zeggen dan, dat de leerlingen Hem meer toeschrijven, dan Hij was: daar ze Hem nl. Zoon van God noemen, en Woord Gods, waardoor alles gemaakt is”. En verderop voegt hij er aan toe: “Het schijnt wel, dat ze bereid zouden geweest zijn, datgene van Hem te geloven, wat Hij over zichzelf zou geschreven hebben, en niet wat anderen van Hem op eigen gelegenheid verkondigd hebben”. Het schijnt dus wel, dat Christus zelf zijn leer op schrift had moeten stellen.
Sed contra est, quod nulli libri ab illo scripti habentur in canone Scripturae.
Daartegenover staat echter, dat er geen boeken voorkomen in den Canon der H. Schrift, die door Hem geschreven zijn.Daartegenover staat echter, dat er geen boeken voorkomen in de Canon van de H. Schrift, die door Hem geschreven zijn.
423Respondeo dicendum, conveniens fuisse Christum doctrinam suam non scripsisse. Primo quidem propter dignitatem ipsius: excellentiori enim doctori excellentior modus doctrinae debetur, et ideo Christo, tanquam excellentissimo doctori, hic modus competebat, ut doctrinam suam auditorum cordibus imprimeret. Propter quod dicitur Matth. 7. [v. 29] quod « erat docens eos, sicut potestatem habens ». Unde etiam apud Gentiles Pythagoras et Socrates, qui fuerunt excellentissimi doctores, nihil scribere voluerunt: scriptura enim ordinatur ad impressionem doctrinae in cordibus auditorum, sicut ad finem.
423Leerstelling. — Het is passend geweest, dat Christus zijn leer niet opgeschreven heeft. En wel ten eerste, om zijn waardigheid. Bij den verhevensten leeraar behoort immers de verhevenste wijze van leeraren. En daarom paste bij Christus deze wijze van doen, dat Hij zijn leer in de harten van zijn toehoorders inprentte. Vandaar staat er bij Mattheus (7, 29), dat Hij leerde als een die gezag heeft. Vandaar dan ook, dat bij de heidenen Pythagoras en Socrates, die de uitstekendste leeraren waren, niets hebben willen schrijven. Het geschrevene heeft immers tot doel, een leer in de harten der toehoorders te prenten.423Leerstelling. — Het is passend geweest, dat Christus zijn leer niet opgeschreven heeft. En wel ten eerste, om zijn waardigheid. Bij de verhevenste leraar behoort immers de verhevenste wijze van leraren. En daarom paste bij Christus deze wijze van doen, dat Hij zijn leer in de harten van zijn toehoorders inprentte. Vandaar staat er bij Matteüs (7, 29), dat Hij leerde als een die gezag heeft. Vandaar dan ook, dat bij de heidenen Pythagoras en Socrates, die de uitstekendste leraren waren, niets hebben willen schrijven. Het geschrevene heeft immers tot doel, een leer in de harten van de toehoorders te prenten.
Secundo propter excellentiam doctrinae Christi, quae literis comprehendi non potest, secundum illud Joan. ult. [v. 25] : « Sunt et alia multa, quae fecit Jesus, quae si scribantur per singula, nec ipsum arbitror mundum capere posse eos, qui scribendi sunt, libros ». Quos, sicut Augustinus dicit [tract. in Joan.], « non spatio locorum credendum est mundum capere non posse, sed capacitate legentium comprehendi fortasse non posse ». Si autem Christus scripto doctrinam suam mandasset, nihil aliud de ejus doctrina homines aestimarent, quam quod scriptura 424contineret.
Ten tweede, om de verhevenheid der leer van Christus, die door geen geschrift kan omvat worden: volgens het gezegde van Joannes (20, 25) : « Er is nog veel meer wat Christus gedaan heeft: zoo het stuk voor stuk werd beschreven dan zou zelfs de wereld dunkt me, de boeken niet kunnen bevatten, die er over te schrijven zijn ». Wat volgens Augustinus niet beteekent, « dat de wereld ze niet in haar ruimte kan bevatten, maar het bevattingsvermogen der lezers ze niet kan omvatten ». Indien Christus echter zijn leer op schrift gesteld zou hebben, dan zouden de menschen gaan denken, dat zijn leer niet uitgaat boven wat er van opgeschreven zou staan.Ten tweede, om de verhevenheid van de leer van Christus, die door geen geschrift kan omvat worden: volgens het gezegde van Johannes (20, 25): “Er is nog veel meer wat Christus gedaan heeft: zo het stuk voor stuk werd beschreven dan zou zelfs de wereld dunkt me, de boeken niet kunnen bevatten, die er over te schrijven zijn”. Wat volgens Augustinus niet betekent, “dat de wereld ze niet in haar ruimte kan bevatten, maar het bevattingsvermogen van de lezers ze niet kan omvatten”. Indien Christus echter zijn leer op schrift gesteld zou hebben, dan zouden de mensen gaan denken, dat zijn leer niet uitgaat boven wat er van opgeschreven zou staan.
Tertio, ut ordine quodam ab ipso doctrina ad omnes perveniret, dum ipse scilicet discipulos suos immediate docuit, qui postmodum alios verbo et scripto docuerunt. Si autem ipsemet scripsisset, ejus doctrina immediate ad omnes pervenisset. Unde et de sapientia Dei dicitur Proverb. 9. [v. 3], quod « misit ancillas suas vocare ad arcem ».
424Ten derde, opdat in een bepaalde orde zijn leer van Hem tot allen zou komen: in zoover Hij nl. zelf zijn leerlingen onmiddellijk onderrichtte, die naderhand weer anderen in woord en geschrift onderricht hebben. Indien Hij nu zelf geschreven had, dan zou zijn leer onmiddellijk tot allen gekomen zijn. Vandaar wordt er ook van de wijsheid gezegd in het Boek der Spreuken (9, 3) : « dat zij hare dienstmaagden heeft uitgezonden naar den burg, om hare uitnoodiging te doen ».424Ten derde, opdat in een bepaalde orde zijn leer van Hem tot allen zou komen: in zover Hij nl. zelf zijn leerlingen onmiddellijk onderrichtte, die naderhand weer anderen in woord en geschrift onderricht hebben. Indien Hij nu zelf geschreven had, dan zou zijn leer onmiddellijk tot allen gekomen zijn. Vandaar wordt er ook van de wijsheid gezegd in het Boek van de Spreuken (9, 3): “dat zij haar dienstmaagden heeft uitgezonden naar de burg, om haar uitnodiging te doen”.
Sciendum tamen est, sicut Augustinus dicit in 1. de Consensu Evang. [cap. 9. et 10.], aliquos Gentiles existimasse Christum quosdam libros scripsisse continentes quaedam magica, quibus miracula faciebat, quae disciplina christiana condemnat. « Et illi tamen, qui Christo libros tales se legisse affirmant, nulla talia faciunt, qualia illum libris talibus fecisse mirantur. Divino enim judicio sic errant ut eosdem libros ad Petrum et Paulum dicant tanquam epistolari titulo praenotatos, eo quod in pluribus locis simul eos cum Christo pictos viderunt. Nec mirum, si a pingentibus 425fingentes decepti sunt; toto enim tempore, quo Christus in carne mortali cum suis discipulis vixit, nondum erat Paulus discipulus ejus ».
Men moet er echter wel bij in aanmerking nemen, dat, zooals Augustinus zegt, in het 1e boek van zijn werk Over de Overeenstemming der Evangeliën (9e en 10e H.) sommige heidenen gemeend hebben, dat Christus enkele boeken geschreven heeft, waarin tooverformules voorkwamen, welke Hij gebruikte als Hij wonderen deed; maar dit wordt door de Christelijke leer veroordeeld. « Maar zij, die beweren dergelijke boeken van Christus gelezen te hebben, doen toch zelf die dingen, waarvoor ze dan zoo in bewondering staan, dat Hij ze met die boeken deed, niet. Onder Gods toelating gaat hun dwaling zelfs zóó ver, dat ze dezelfde boeken aan Petrus en Paulus toeschrijven, alsof het er buiten op stond. En ze komen daartoe omdat ze hen op vele plaatsen samen met Christus afgebeeld hebben zien staan. Het zou dan ook niet te verwonderen zijn, als ze in hun fantasie door schilders op een dwaalspoor gebracht zijn. Want al den tijd, dat Christus in 425sterfelijk vleesch met zijn leerlingen geleefd heeft, was Paulus nog geen leerling van Hem ».Men moet er echter wel bij in aanmerking nemen, dat, zoals Augustinus zegt, in het 1e boek van zijn werk Over de Overeenstemming van de Evangeliën (9e en 10e H.) sommige heidenen gemeend hebben, dat Christus enkele boeken geschreven heeft, waarin toverformules voorkwamen, welke Hij gebruikte als Hij wonderen deed; maar dit wordt door de Christelijke leer veroordeeld. “Maar zij, die beweren dergelijke boeken van Christus gelezen te hebben, doen toch zelf die dingen, waarvoor ze dan zo in bewondering staan, dat Hij ze met die boeken deed, niet. Onder Gods toelating gaat hun dwaling zelfs zó ver, dat ze dezelfde boeken aan Petrus en Paulus toeschrijven, alsof het er buiten op stond. En ze komen daartoe omdat ze hen op vele plaatsen samen met Christus afgebeeld hebben zien staan. Het zou dan ook niet te verwonderen zijn, als ze in hun fantasie door schilders op een dwaalspoor gebracht zijn. Want al de tijd, dat Christus in 425sterfelijk vlees met zijn leerlingen geleefd heeft, was Paulus nog geen leerling van Hem”.
Ad primum ergo dicendum, quod, sicut Augustinus dicit in eodem libro [cap. 35], « omnibus discipulis suis tamquam membris sui corporis Christus caput est. Itaque cum illi scripserunt, quae ille ostendit et dixit, nequaquam dicendum est, quod ipse non scripserit. Quandoquidem membra ejus id operata sunt, quod dictante capite cognoverunt. Quidquid enim ille de suis factis et dictis nos legere voluit, hoc scribendum illis, tamquam suis manibus imperavit ».
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Hierop is te antwoorden met de woorden van Augustinus uit hetzelfde werk, geciteerd in de leerstelling: « Christus is het hoofd van al zijn leerlingen, omdat ze ledematen zijn van zijn lichaam. Men mag dus niet zeggen, dat Hij zelf niet geschreven heeft, nu zij hebben opgeschreven, wat Hij geopenbaard en gezegd heeft. Zijn ledematen hebben dan ook datgene tot uitvoering gebracht wat zij wisten door de bevelen van het hoofd. Want alles wat Hij wilde dat wij zouden te lezen krijgen omtrent zijn daden en woorden, dat droeg Hij aan hen, als aan zijn handen, op om het op te schrijven ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Hierop is te antwoorden met de woorden van Augustinus uit hetzelfde werk, geciteerd in de leerstelling: “Christus is het hoofd van al zijn leerlingen, omdat ze ledematen zijn van zijn lichaam. Men mag dus niet zeggen, dat Hij zelf niet geschreven heeft, nu zij hebben opgeschreven, wat Hij geopenbaard en gezegd heeft. Zijn ledematen hebben dan ook datgene tot uitvoering gebracht wat zij wisten door de bevelen van het hoofd. Want alles wat Hij wilde dat wij zouden te lezen krijgen omtrent zijn daden en woorden, dat droeg Hij aan hen, als aan zijn handen, op om het op te schrijven”.
Ad secundum dicendum, quod quia lex vetus in sensibilibus figuris dabatur, ideo etiam convenienter sensibilibus signis scripta fuit. Sed doctrina Christi, quae est lex Spiritus vitae [ad Rom. 8, v. 2], scribi debuit non atramento, sed spiritu Dei vivi; non in tabulis lapideis, sed in tabulis cordis carnalibus, ut Apostolus dicit 2. Corinth. 3. [v. 3].
2. Omdat de oude wet gegeven werd in zichtbare voorstellingen, daarom was het ook passend, dat ze in zichtbare teekenen werd neergeschreven. Maar Christus' leer, die een wet is van den Geest, een wet van leven, behoorde niet met inkt geschreven te worden, maar met den Geest van den levenden God; niet op steenen tafelen, maar op de vleeschelijke tafelen van het hart, zooals de Apostel zegt in zijn Tweeden Brief aan de Korinthiërs (3, 3).2. Omdat de oude wet gegeven werd in zichtbare voorstellingen, daarom was het ook passend, dat ze in zichtbare tekenen werd neergeschreven. Maar Christus' leer, die een wet is van de Geest, een wet van leven, behoorde niet met inkt geschreven te worden, maar met de Geest van de levende God; niet op stenen tafelen, maar op de vleselijke tafelen van het hart, zoals de Apostel zegt in zijn Tweeden Brief aan de Korintiërs (3, 3).
426Ad tertium dicendum, quod illi qui scripturae Apostolorum de Christo credere noluerunt, nec ipsi Christo scribenti credidissent, de quo opinabantur, quod magicis artibus fecisset miracula.
4263. Zij, die geen geloof willen slaan aan de geschriften der Apostelen over Christus, zouden ook aan Christus zelf geen geloof geslagen hebben, van wien ze dachten, dat Hij met duivelskunsten wonderen had gedaan.4263. Zij, die geen geloof willen slaan aan de geschriften van de Apostelen over Christus, zouden ook aan Christus zelf geen geloof geslagen hebben, van wie ze dachten, dat Hij met duivelskunsten wonderen had gedaan.