Theologische Summa · Tertia Pars · Zijn verheffingSumma · III · Zijn verheffingSumma · III · Kw. 53Kw. 53
Quaestio LIII

De resurrectione Christi, in quatuor articulos divisa

Kwestie 53

Over Christus' verrijzenis

(Vier Artikelen)

223Consequenter considerandum est de his quae pertinent ad exaltationem Christi. Et primo, de ejus resurrectione; secundo, de ejus ascensione; tertio, de ejus sessione ad dexteram Patris; quarto, de judiciaria potestate ipsius.

223Vervolgens moeten wij datgene behandelen, wat betrekking heeft op de verheffing van Christus. — En ten eerste over zijn verrijzenis; ten tweede, over zijn hemelvaart (57e Kw.) ; ten derde, over zijn zitten aan de rechterhand van den Vader (58e Kw.) ; ten vierde, over zijn oordeelsmacht (59e Kw.).223Vervolgens moeten wij datgene behandelen, wat betrekking heeft op de verheffing van Christus. — En ten eerste over zijn verrijzenis; ten tweede, over zijn hemelvaart (57e Kw.); ten derde, over zijn zitten aan de rechterhand van de Vader (58e Kw.); ten vierde, over zijn oordeelsmacht (59e Kw.).

Circa primum occurrit quadruplex consideratio: quarum prima est de ipsa Christi resurrectione; secunda, de qualitate resurgentis; tertia, de manifestatione resurrectionis; quarta, de ejus causalitate.

Aangaande het eerste vallen vier punten te beschouwen. Het eerste daarvan gaat over Christus' verrijzenis zelf. Het tweede over de hoedanigheid van den verrijzenden (54e Kw.). Het derde over de openbaring der verrijzenis (55e Kw.). Het vierde over haar oorzakelijkheid (56e Kw.).Aangaande het eerste vallen vier punten te beschouwen. Het eerste daarvan gaat over Christus' verrijzenis zelf. Het tweede over de hoedanigheid van de verrijzenden (54e Kw.). Het derde over de openbaring van de verrijzenis (55e Kw.). Het vierde over haar oorzakelijkheid (56e Kw.).

Circa primum quaeruntur quatuor: 1. De necessitate resurrectionis ejus. — 2. De tempore. — 3. De ordine. — 4. De causa.

Over het eerste stellen wij vier vragen: 1. Over de noodzakelijkheid van zijn verrijzenis. 2. Over den tijd. 3. Over de volgorde. 4. Over de oorzaak.Over het eerste stellen wij vier vragen: 1. Over de noodzakelijkheid van zijn verrijzenis. 2. Over de tijd. 3. Over de volgorde. 4. Over de oorzaak.

Articulus I

Utrum fuerit necessarium Christum resurgere

[3. Dist. 21. q. 2. art. 1.]
Ie Artikel

Was het noodzakelijk dat Christus verrees?

antwoord 1 ↓

224Ad primum sic proceditur. Videtur quod non fuerit necessarium Christum resurgere. Dicit enim Damascenus in lib. 4. [Orth. Fid. cap. 27.] : « Resurrectio est secunda ejus quod dissolutum est et cecidit animalis surrectio ». Sed Christus non cecidit per peccatum nec corpus ejus est dissolutum: ut ex supradictis patet [q. 51. art. 3.]. Non ergo proprie convenit ei resurgere.

224Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet noodzakelijk was, dat Christus verrees. — 1. Damascenus zegt immers: « Herrijzen is een tweede opstanding van iets bezields, dat ontbonden en vervallen was. » Christus is echter niet gevallen door de zonde, en zijn lichaam ging niet tot ontbinding over, zooals boven gezegd is (51e Kw. 3e Art.). Dus kwam het Hem niet in den eigenlijken zin toe, om te herrijzen.224Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet noodzakelijk was, dat Christus verrees. — 1. Damascenus zegt immers: “Herrijzen is een tweede opstanding van iets bezields, dat ontbonden en vervallen was.” Christus is echter niet gevallen door de zonde, en zijn lichaam ging niet tot ontbinding over, zoals boven gezegd is (51e Kw. 3e Art.). Dus kwam het Hem niet in de eigenlijke zin toe, om te herrijzen.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, quicumque resurgit, ad aliquid altius promovetur: quia surgere est sursum moveri. Sed corpus Christi remansit post mortem divinitati unitum, et ita non potuit in aliquid altius promoveri. Ergo non competebat sibi resurgere.

2. Wie verrijst, wordt tot iets hoogers gebracht, daar opstaan beteekent zich naar boven bewegen. Het lichaam van Christus bleef echter na den dood met de Godheid vereenigd; en aldus kan het niet tot iets hoogers gebracht worden. Dus kwam het daaraan niet toe om te herrijzen.2. Wie verrijst, wordt tot iets hogers gebracht, daar opstaan betekent zich naar boven bewegen. Het lichaam van Christus bleef echter na de dood met de Godheid verenigd; en aldus kan het niet tot iets hogers gebracht worden. Dus kwam het daaraan niet toe om te herrijzen.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, ea quae circa humanitatem Christi sunt acta, ad nostram salutem ordinantur. Sed sufficiebat ad salutem nostram passio Christi, per quam sumus liberati a poena et culpa, ut ex supradictis patet [q. 49. art. 1. 225et 3.]. Non ergo fuit necessarium quod Christus a mortuis resurgeret.

3. Alles wat gebeurde met de menschheid van Christus, wordt op ons heil gericht. Voor onze zaligheid echter volstond het lijden van Christus, waardoor wij bevrijd zijn van de straf en van de schuld, zooals blijkt uit het boven gezegde (49e Kw. 1e en 3e Art). 225Het was derhalve niet noodzakelijk, dat Christus verrees uit de dooden.3. Alles wat gebeurde met de mensheid van Christus, wordt op ons heil gericht. Voor onze zaligheid echter volstond het lijden van Christus, waardoor wij bevrijd zijn van de straf en van de schuld, zoals blijkt uit het boven gezegde (49e Kw. 1e en 3e Art). 225Het was derhalve niet noodzakelijk, dat Christus verrees uit de doden.

Sed contra est, quod dicitur Luc. ult. [v. 46] : « Oportebat Christum pati et resurgere a mortuis ».

Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt bij Lucas (24. 46) : « De Christus moest verrijzen en opstaan uit de dooden. »Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt bij Lukas (24, 46): “De Christus moest verrijzen en opstaan uit de doden.”

Respondeo dicendum quod necessarium fuit Christum resurgere, propter quinque. Primo, quidem ad commendationem divinae justitiae, ad quam pertinet exaltare illos qui se propter Deum humiliant: secundum illud Luc. 1. [v. 52] : « Deposuit potentes de sede, et exaltavit humiles ». Quia igitur Christus, propter charitatem et obedientiam Dei, se humiliavit usque ad mortem crucis, oportebat quod exaltaretur a Deo usque ad gloriosam resurrectionem. Unde ex ejus persona dicitur in Ps. 138. [v. 2] : « Tu cognovisti », idest approbasti, « sessionem meam », idest humilitatem et passionem, « et resurrectionem meam », idest glorificationem in resurrectione: sicut Glossa [interl.] exponit. Secundo, ad fidei nostrae instructionem. Quia per ejus resurrectionem confirmata est fides nostra circa 226divinitatem Christi: quia, ut dicitur 2. ad Cor. ult. [v. 4] : « Etsi crucifixus est ex infirmitate, sed vivit ex virtute Dei ». Et ideo 1. ad Cor. 15. [v. 14] dicitur: « Si Christus non resurrexit, inanis est praedicatio nostra, inanis est et fides vestra ». Et in Psal. 29. [v. 10] dicitur: « Quae utilitas in sanguine meo », idest in effusione sanguinis mei, « dum descendo », quasi per quosdam gradus malorum, « in corruptionem? » Quasi dicat: Nulla. « Si enim statim non resurgo, corruptumque fuerit corpus meum, nemini annuntiabo, nullum lucrabor »: ut Glossa [interl. et ordin. August.] exponit. Tertio ad sublevationem nostrae spei. Quia, dum videmus Christum resurgere, qui est caput nostrum, speramus et nos resurrecturos. Unde dicitur 1. ad Cor. 15. [v. 12] : « Si Christus praedicatur quod resurrexit a mortuis, quomodo quidam dicunt in vobis quoniam resurrectio mortuorum non est? » Et Job 19. [v. 25, 27] dicitur: « Scio », scilicet per certitudinem fidei, « quod redemptor meus », idest Christus, « vivit », a mortuis resurgens, et ideo « in novissimo die de terra surrecturus sum: reposita est haec spes mea in sinu meo ». Quarto, ad informationem vitae fidelium: 227secundum illud Rom. 6. [v. 4] : « Quomodo Christus resurrexit a mortuis per gloriam Patris, ita et nos in novitate vitae ambulemus ». Et infra [v. 9, 11] : « Christus resurgens ex mortuis jam non moritur: ita et vos existimate vos mortuos quidem esse peccato, viventes autem Deo ». Quinto, ad complementum nostrae salutis. Quia sicut per hoc quod mala sustinuit « humiliatus est » moriendo ut nos liberaret a malis, ita glorificatus est resurgendo ut nos promoveret ad bona: secundum illud Rom. 4. [v. 25] : « Traditus est propter delicta nostra, et resurrexit propter justificationem nostram ».

Leerstelling. — Om vijf redenen was het noodzakelijk, dat Christus zou verrijzen. — Ten eerste, ter wille van de goddelijke gerechtigheid, waaraan het eigen is, degenen, die zich om God vernederd hebben, te verheffen, overeenkomstig het woord in Lucas (1. 52) : « De machtigen heeft Hij van hun zetels gehaald, en de nederigen daarop verheven. » Daar Christus dus zichzelf om zijn liefde en gehoorzaamheid jegens God vernederd heeft tot den dood aan het kruis, moest Hij door God ook verheven worden tot de glorierijke verrijzenis. Daarom wordt in zijn persoon gezegd in het Boek der Psalmen (138. 2) : « Gij hebt gekend, » d. i. goed gevonden, « mijn neergang, » d. i. mijn vernedering en lijden, « en mijn verrijzenis, » d. i. mijn verheerlijking in de verrijzenis, zooals de Glossa dat verklaart. — Ten tweede, tot onderricht van ons geloof. Want door Christus' verrijzenis is het geloof aangaande zijn Godheid versterkt, daar zooals gezegd wordt in den Tweeden Brief aan 226de Corinthiërs (13. 4) : « Al werd Hij uit zwakheid gekruisigd, toch leeft Hij uit de kracht van God. » En daarom wordt ook in den Eersten Brief aan de Corinthiërs (15. 14) gezegd: « Indien Christus niet verrezen is, dan is onze prediking ijdel, ijdel ook uw geloof; » en in het Boek der Psalmen (29. 10) wordt gezegd: « Welk nut ligt er in mijn bloed, » d. i. in het vergieten van mijn bloed, « als Ik nederdaal » als door verschillende graden van kwaad, « in het verderf »? Alsof Hij zeggen wilde: In 't geheel geen. « Indien Ik immers niet terstond verrijs, en mijn lichaam tot ontbinding is overgegaan, dan zal Ik niemand de boodschap brengen en niemand winnen, » zooals de Glossa verklaart. — Ten derde, om onze hoop te versterken. Want als wij Christus, die ons hoofd is, zien verrijzen, hopen we, dat ook wij zullen opstaan. Daarom wordt gezegd in den Eersten Brief aan de Corinthiërs (15. 12) : « Als er gepredikt wordt, dat Christus van de dooden is verrezen, hoe zeggen sommigen dan, onder u, dat er geen verrijzenis van de dooden bestaat? » En in het Boek Job (19. 25, 27) wordt gezegd: « Ik weet, » nl. met de zekerheid van het geloof, « dat mijn Verlosser leeft, » d. i. Christus, verrijzend uit de dooden, en daarom « zal ik op den jongsten dag verrijzen: deze hoop is mij in mijn schoot gelegd. » — Ten vierde, tot vorming van het leven der geloovigen, 227overeenkomstig het woord in den Brief aan de Romeinen (6. 4) : « Zooals Christus verrezen is van de dooden door de glorie van den Vader, zoo moeten ook wij wandelen in nieuwheid van leven. » En verderop (v. 9, 11) : « Christus, opstaande uit de dooden, sterft niet meer: zoo moet ook gij u zelf beschouwen, als wel gestorven aan de zonde, maar levend voor God. » — Ten vijfde om ons heil volledig te maken. Want, zooals Hij door het kwaad, dat Hij verduurde, « vernederd is » tot den dood, om ons van het kwaad te verlossen, zoo is Hij ook verheerlijkt bij zijn verrijzenis, om ons tot het goede te brengen, naar het woord in den Brief aan de Romeinen (4. 25) : « Hij werd overgeleverd om onze misslagen, en is verrezen ter wille van onze rechtvaardigmaking. »Leerstelling. — Om vijf redenen was het noodzakelijk, dat Christus zou verrijzen. — Ten eerste, ter wille van de goddelijke gerechtigheid, waaraan het eigen is, degenen, die zich om God vernederd hebben, te verheffen, overeenkomstig het woord in Lukas (1, 52): “De machtigen heeft Hij van hun zetels gehaald, en de nederigen daarop verheven.” Daar Christus dus zichzelf om zijn liefde en gehoorzaamheid jegens God vernederd heeft tot de dood aan het kruis, moest Hij door God ook verheven worden tot de glorierijke verrijzenis. Daarom wordt in zijn persoon gezegd in het Boek van de Psalmen (138, 2)a: “Gij hebt gekend,” d.i. goed gevonden, “mijn neergang,” d.i. mijn vernedering en lijden, “en mijn verrijzenis,” d.i. mijn verheerlijking in de verrijzenis, zoals de Glossa dat verklaart. — Ten tweede, tot onderricht van ons geloof. Want door Christus' verrijzenis is het geloof aangaande zijn Godheid versterkt, daar zoals gezegd wordt in de Tweede Brief aan 226de Korintiërs (13, 4): “Al werd Hij uit zwakheid gekruisigd, toch leeft Hij uit de kracht van God.” En daarom wordt ook in de Eerste Brief aan de Korintiërs (15, 14) gezegd: “Indien Christus niet verrezen is, dan is onze prediking ijdel, ijdel ook uw geloof;” en in het Boek van de Psalmen (29, 10)b wordt gezegd: “Welk nut ligt er in mijn bloed,” d.i. in het vergieten van mijn bloed, “als Ik nederdaal” als door verschillende graden van kwaad, “in het verderf”? Alsof Hij zeggen wilde: In 't geheel geen. “Indien Ik immers niet terstond verrijs, en mijn lichaam tot ontbinding is overgegaan, dan zal Ik niemand de boodschap brengen en niemand winnen,” zoals de Glossa verklaart. — Ten derde, om onze hoop te versterken. Want als wij Christus, die ons hoofd is, zien verrijzen, hopen we, dat ook wij zullen opstaan. Daarom wordt gezegd in de Eerste Brief aan de Korintiërs (15, 12): “Als er gepredikt wordt, dat Christus van de doden is verrezen, hoe zeggen sommigen dan, onder u, dat er geen verrijzenis van de doden bestaat?” En in het Boek Job (19, 25, 27) wordt gezegd: “Ik weet,” nl. met de zekerheid van het geloof, “dat mijn Verlosser leeft,” d.i. Christus, verrijzend uit de doden, en daarom “zal ik op de jongste dag verrijzen: deze hoop is mij in mijn schoot gelegd.” — Ten vierde, tot vorming van het leven van de gelovigen, 227overeenkomstig het woord in de Brief aan de Romeinen (6, 4): “Zoals Christus verrezen is van de doden door de glorie van de Vader, zo moeten ook wij wandelen in nieuwheid van leven.” En verderop (v. 9, 11): “Christus, opstaande uit de doden, sterft niet meer: zo moet ook gij uzelf beschouwen, als wel gestorven aan de zonde, maar levend voor God.” — Ten vijfde om ons heil volledig te maken. Want, zoals Hij door het kwaad, dat Hij verduurde, “vernederd is” tot de dood, om ons van het kwaad te verlossen, zo is Hij ook verheerlijkt bij zijn verrijzenis, om ons tot het goede te brengen, naar het woord in de Brief aan de Romeinen (4, 25): “Hij werd overgeleverd om onze misslagen, en is verrezen ter wille van onze rechtvaardigmaking.”

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod, licet Christus non ceciderit per peccatum, cecidit tamen per mortem: quia sicut peccatum est casus a justitia, ita mors est casus a vita. Unde ex persona Christi potest intelligi quod dicitur Mich. 7. [v. 8] : « Ne laeteris, inimica mea, super me, quia cecidi: consurgam ». Similiter etiam, licet corpus Christi non fuerit dissolutum per incinerationem, ipsa tamen separatio animae a corpore dissolutio quaedam fuit.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Ofschoon Christus niet gevallen is door de zonde, ging Hij toch ten onder door den dood, daar de dood is het verlies van het leven, zooals de zonde het verlies van de gerechtigheid is. Wat daarom gezegd wordt bij Micheas (7. 8), kan men verstaan (als gezegd) uit naam van Christus: « Verheug u niet over mij, mijn vijandin, dat ik gevallen ben; ik zal verrijzen. » En ofschoon 't lichaam van Christus niet ontbonden werd door tot stof over te gaan, toch was evenzoo de scheiding der ziel van het lichaam een zekere ontbinding.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Ofschoon Christus niet gevallen is door de zonde, ging Hij toch ten onder door de dood, daar de dood is het verlies van het leven, zoals de zonde het verlies van de gerechtigheid is. Wat daarom gezegd wordt bij Micheas (7, 8), kan men verstaan (als gezegd) uit naam van Christus: “Verheug u niet over mij, mijn vijandin, dat ik gevallen ben; ik zal verrijzen.” En ofschoon 't lichaam van Christus niet ontbonden werd door tot stof over te gaan, toch was evenzo de scheiding van de ziel van het lichaam een zekere ontbinding.

↑ bedenking 2

228Ad secundum dicendum quod divinitas erat carni Christi post mortem unita unione personali: non autem unione naturae, sicut anima unitur corpori ut forma ad constituendam humanam naturam. Et ideo per hoc quod corpus ejus unitum est animae, promotum est in altiorem statum naturae: non autem in altiorem statum personae.

2282. De Godheid was met Christus' vleesch na den dood vereenigd door een vereeniging in de persoon, maar niet door een vereeniging in de natuur, zooals de ziel met het lichaam wordt vereenigd als vorm, om de menschelijke natuur samen te stellen. Doordat derhalve zijn lichaam werd vereenigd met zijn ziel, werd het tot een hoogeren staat van natuur gebracht, maar niet tot een hoogeren staat van persoon.2282. De Godheid was met Christus' vlees na de dood verenigd door een vereniging in de persoon, maar niet door een vereniging in de natuur, zoals de ziel met het lichaam wordt verenigd als vorm, om de menselijke natuur samen te stellen. Doordat derhalve zijn lichaam werd verenigd met zijn ziel, werd het tot een hogeren staat van natuur gebracht, maar niet tot een hogeren staat van persoon.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod passio Christi operata est nostram salutem, proprie loquendo; quantum ad remotionem malorum: resurrectio autem quantum ad inchoationem et exemplar bonorum.

3. In eigenlijken zin gesproken, heeft het lijden van Christus ons heil bewerkt door het kwaad weg te nemen; maar de verrijzenis door tot het goed aan te zetten en er een voorbeeld van te geven.3. In eigenlijke zin gesproken, heeft het lijden van Christus ons heil bewerkt door het kwaad weg te nemen; maar de verrijzenis door tot het goed aan te zetten en er een voorbeeld van te geven.

Articulus II

Utrum fuerit conveniens Christum tertia die resurgere

[Supr. q. 51. art. 4. et 3. Dist. 21. q. 2. art. 2. et Comp. Theol. cap. 236. et in Ps. 15. et in Joan. cap. 2. lect. 3.]
IIe Artikel

Was het passend, dat Christus den derden dag verrees.Was het passend, dat Christus de derde dag verrees.

antwoord 1 ↓

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod non fuerit conveniens Christum tertia die resurgere. Membra enim debent capiti conformari. Sed nos, qui sumus membra Christi, non resurgimus a morte tertia die, sed nostra 229resurrectio differtur usque ad finem mundi. Ergo videtur, quod Christus, qui est caput nostrum, non debuerit tertia die resurgere, sed debuerit ejus resurrectio differri usque ad finem mundi.

Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet passend was, dat Christus den derden dag verrees. — 1. De ledematen moeten immers gelijkvormig worden aan het hoofd. Maar wij, die de ledematen van Christus zijn, wij verrijzen niet den derden dag uit den 229dood, maar onze verrijzenis wordt uitgesteld tot het einde van de wereld. Dus moest ook Christus, die ons hoofd is, niet den derden dag verrijzen, maar moest zijn verrijzenis uitgesteld worden tot het einde van de wereld.Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet passend was, dat Christus de derde dag verrees. — 1. De ledematen moeten immers gelijkvormig worden aan het hoofd. Maar wij, die de ledematen van Christus zijn, wij verrijzen niet de derde dag uit de 229dood, maar onze verrijzenis wordt uitgesteld tot het einde van de wereld. Dus moest ook Christus, die ons hoofd is, niet de derde dag verrijzen, maar moest zijn verrijzenis uitgesteld worden tot het einde van de wereld.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Act. 2. [v. 24] dicit Petrus, quod « impossibile erat Christum detineri ab inferno » et morte. Sed quamdiu aliquis est mortuus, detinetur a morte. Ergo videtur, quod Christi resurrectio non debuerit differri usque ad tertiam diem, sed statim eadem die resurgere: praecipue cum Glossa supra inducta [art. praec.] dicat « nullam esse utilitatem in effusione sanguinis Christi si non statim resurgeret ».

2. In de Handelingen der Apostelen (2. 24) zegt Petrus, dat het « onmogelijk was, dat Christus door de hel en den dood werd vastgehouden. » Zoolang iemand echter dood is, wordt hij door den dood vastgehouden. Dus moest Christus' verrijzenis niet uitgesteld worden tot den derden dag, maar moest Hij denzelfden dag verrijzen; vooral daar de boven aangehaalde Glossa (vorig Art.) zegt, « dat er geen nut ligt in het vergieten van Christus' bloed, als Hij niet terstond verrees. »2. In de Handelingen van de Apostelen (2. 24) zegt Petrus, dat het “onmogelijk was, dat Christus door de hel en de dood werd vastgehouden.” Zolang iemand echter dood is, wordt hij door de dood vastgehouden. Dus moest Christus' verrijzenis niet uitgesteld worden tot de derde dag, maar moest Hij dezelfde dag verrijzen; vooral daar de boven aangehaalde Glossa (vorig Art.) zegt, “dat er geen nut ligt in het vergieten van Christus' bloed, als Hij niet terstond verrees.”

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, dies incipere videtur ab ortu solis, qui sua praesentia diem causat. Sed ante ortum solis Christus resurrexit: dicitur enim Joan. 20. [v. 1], quod « una sabbati Maria Magdalene venit mane, cum adhuc tenebrae essent, ad monumentum »; et tamen Christus jam resurrexerat, quia sequitur: « Et vidit lapidem sublatum a monumento ». Non ergo resurrexit Christus tertia die.

3. De dag begint bij het opgaan van de zon, die door haar verschijnen het dag doet zijn. Christus is echter voor het opgaan van de zon verrezen, want in Joannes (20. 1) wordt gezegd, dat « op den eersten dag van de week Maria Magdalena 's morgens vroeg bij het graf kwam, toen het nog duister was; » en toch was Christus toen al verrezen, wijl er volgt: « En zij zag den steen van het graf weggenomen. » Dus verrees Christus niet den derden dag.3. De dag begint bij het opgaan van de zon, die door haar verschijnen het dag doet zijn. Christus is echter voor het opgaan van de zon verrezen, want in Johannes (20, 1) wordt gezegd, dat “op de eerste dag van de week Maria Magdalena 's morgens vroeg bij het graf kwam, toen het nog duister was;” en toch was Christus toen al verrezen, wijl er volgt: “En zij zag de steen van het graf weggenomen.” Dus verrees Christus niet de derde dag.

Sed contra est quod dicitur Matth. 20. [v. 19] : « Tradent eum 230gentibus ad illudendum et flagellandum et crucifigendum: et tertia die resurget ».

Daartegenover staat echter, dat bij Mattheus (20. 19) gezegd 230wordt: « Zij zullen Hem overleveren aan de heidenen ter bespotting, en ter geeseling en ter kruisiging en den derden dag zal Hij verrijzen. »Daartegenover staat echter, dat bij Matteüs (20, 19) gezegd 230wordt: “Zij zullen Hem overleveren aan de heidenen ter bespotting, en ter geseling en ter kruisiging en de derde dag zal Hij verrijzen.”

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est [art. praec.], resurrectio Christi necessaria fuit ad instructionem fidei nostrae. Est autem fides nostra et de divinitate et humanitate Christi: non enim sufficit alterum sine altero credere, ut ex praedictis patet [2-2. q. 2. art. 7. et 8.]. Et ideo, ad hoc quod confirmaretur fides de veritate divinitatis ipsius, oportuit quod cito resurgeret, et ejus resurrectio non differretur usque ad finem mundi: ad hoc autem quod confirmaretur fides de veritate humanitatis et mortis ejus, oportuit moram esse inter mortem et resurrectionem; si enim statim post mortem resurrexisset, videri posset quod ejus mors vera non fuerit, et per consequens nec resurrectio vera. Ad veritatem autem mortis Christi manifestandam, sufficiebat quod usque ad tertiam diem ejus resurrectio differretur: quia non contingit quin infra hoc tempus, in homine, qui mortuus videtur cum vivat, appareant aliqua indicia vitae. Per hoc etiam quod tertia die 231resurrexit, commendatur perfectio ternarii, qui est « numerus omnis rei », utpote habens « principium, medium et finem », ut dicitur in 1. de Coelo [cap. 1. n. 2. St. Thom. lect. 2.]. Ostenditur etiam, secundum mysterium, quod Christus « una sua morte » corporali quae fuit lux propter justitiam, « duas nostras mortes destruxit », scilicet corporis et animae, quae sunt tenebrosae propter peccatum: et ideo una die integra et duabus noctibus permansit in morte, ut Augustinus dicit in 4. de Trinit. [cap. 6.]. Per hoc etiam significatur quod per resurrectionem Christi tertium tempus incipiebat. Nam primum fuit ante legem; secundum sub lege; tertium sub gratia. Incoepit etiam in Christi resurrectione tertius status sanctorum. Nam primus fuit sub figuris legis; secundus, sub veritate fidei; tertius erit in aeternitate gloriae, quam Christus inchoavit resurgendo.

Leerstelling. — Zooals in het vorige artikel gezegd is, was de verrijzenis van Christus noodzakelijk tot ons geloofsonderricht. Ons geloof gaat echter zoowel over de Godheid als over de menschheid van Christus, want het is niet voldoende, het een zonder het andere te gelooven, zooals uit het vroeger gezegde blijkt (II. II. 2e Kw. 7e en 8e Art.). — En derhalve was het noodig, om ons geloof in de waarachtigheid van zijn Godheid te versterken, dat Hij spoedig verrees, en zijn verrijzenis niet werd uitgesteld tot het einde der wereld. Om het geloof in de waarachtigheid van zijn menschheid en van zijn dood te versterken, was het noodig, dat er een poos verliep tusschen zijn dood en verrijzenis. Als Hij immers terstond na zijn dood verrezen was, dan zou het kunnen lijken, dat zijn dood niet echt was, en bijgevolg ook zijn verrijzenis niet. — Om de echtheid van den dood van Christus echter aan te toonen, was het voldoende, dat zijn verrijzenis tot den derden dag werd uitgesteld, wijl het onmogelijk is, dat bij een mensch, die dood schijnt, hoewel hij leeft, gedurende dezen tijd niet eenige levensteekenen verschijnen. — Ook komt, doordat Hij den derden dag verrees, de 231volmaaktheid van het getal drie tot uiting dat « het getal is van elk ding, » dat immers « een begin, een midden en een einde » heeft, zooals gezegd wordt in De Coelo. Ook wordt in mysterieuzen zin aangegeven, dat Christus « door zijn eenen dood » van het lichaam, die licht was wegens zijn rechtvaardigheid, « onzen dubbelen dood », (nl. van de ziel en van het lichaam), die duisternis was wegens de zonde, « heeft vernietigd »; en derhalve bleef Hij een heelen dag en twee nachten in den dood, zooals Augustinus zegt. — Ook wordt hierdoor beteekend, dat door de verrijzenis van Christus het derde tijdvak begint. Want het eerste viel vóór de Wet; het tweede onder de Wet; het derde onder de genade. Ook begon bij de verrijzenis van Christus de derde staat der heiligen. Want de eerste was onder de voorafbeeldingen der Wet, de tweede onder de werkelijkheid van het geloof, de derde zal zijn in de eeuwige glorie, die Christus inzette met zijn verrijzenis.Leerstelling. — Zoals in het vorige artikel gezegd is, was de verrijzenis van Christus noodzakelijk tot ons geloofsonderricht. Ons geloof gaat echter zowel over de Godheid als over de mensheid van Christus, want het is niet voldoende, het een zonder het andere te geloven, zoals uit het vroeger gezegde blijkt (2-2 2e Kw. 7e en 8e Art.). — En derhalve was het nodig, om ons geloof in de waarachtigheid van zijn Godheid te versterken, dat Hij spoedig verrees, en zijn verrijzenis niet werd uitgesteld tot het einde van de wereld. Om het geloof in de waarachtigheid van zijn mensheid en van zijn dood te versterken, was het nodig, dat er een poos verliep tussen zijn dood en verrijzenis. Als Hij immers terstond na zijn dood verrezen was, dan zou het kunnen lijken, dat zijn dood niet echt was, en bijgevolg ook zijn verrijzenis niet. — Om de echtheid van de dood van Christus echter aan te tonen, was het voldoende, dat zijn verrijzenis tot de derde dag werd uitgesteld, wijl het onmogelijk is, dat bij een mens, die dood schijnt, hoewel hij leeft, gedurende deze tijd niet enige levenstekenen verschijnen. — Ook komt, doordat Hij de derde dag verrees, de 231volmaaktheid van het getal drie tot uiting dat “het getal is van elk ding,” dat immers “een begin, een midden en een einde” heeft, zoals gezegd wordt in De Coelo. Ook wordt in mysterieuze zin aangegeven, dat Christus “door zijn een dood” van het lichaam, die licht was wegens zijn rechtvaardigheid, “onze dubbele dood”, (nl. van de ziel en van het lichaam), die duisternis was wegens de zonde, “heeft vernietigd”; en derhalve bleef Hij een helen dag en twee nachten in de dood, zoals Augustinus zegt. — Ook wordt hierdoor betekend, dat door de verrijzenis van Christus het derde tijdvak begint. Want het eerste viel vóór de Wet; het tweede onder de Wet; het derde onder de genade. Ook begon bij de verrijzenis van Christus de derde staat van de heiligen. Want de eerste was onder de voorafbeeldingen van de Wet, de tweede onder de werkelijkheid van het geloof, de derde zal zijn in de eeuwige glorie, die Christus inzette met zijn verrijzenis.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod caput, et membra conformantur in natura, sed non in virtute: excellentior est enim virtus capitis, quam membrorum. Et ideo, ad demonstrandam excellentiam virtutis Christi, conveniens 232fuit ipsum tertia die resurgere, aliorum resurrectione dilata usque ad finem mundi.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het hoofd en de ledematen komen in natuur overeen, maar niet in kracht. Want de kracht van het hoofd is sterker, dan die der ledematen. En daarom was het goed om de sterkte van Christus' kracht te doen uitkomen, 232dat Hij den derden dag verrees, terwijl de verrijzenis der anderen uitgesteld is tot het einde der wereld.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het hoofd en de ledematen komen in natuur overeen, maar niet in kracht. Want de kracht van het hoofd is sterker, dan die van de ledematen. En daarom was het goed om de sterkte van Christus' kracht te doen uitkomen, 232dat Hij de derde dag verrees, terwijl de verrijzenis van de anderen uitgesteld is tot het einde van de wereld.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod detentio coactionem quandam importat. Christus autem nulla necessitate mortis tenebatur adstrictus, sed erat inter mortuos liber. Et ideo aliquandiu in morte mansit, non quasi detentus, sed propria voluntate: quamdiu judicavit hoc esse necessarium ad instructionem fidei nostrae. Dicitur autem statim fieri quod fit brevi interposito tempore.

2. Vasthouden sluit een zekeren dwang in. Christus werd echter door geen noodzakelijkheid van den dood vastgehouden, maar Hij was « vrij onder de dooden. » En daarom bleef Hij eenigen tijd in den dood, niet als vastgehouden, maar uit eigen vrije verkiezing, zoolang als Hij dit noodzakelijk oordeelde voor ons geloofsonderricht. Men zegt nu, dat terstond geschiedt, datgene wat na korten tijd geschiedt.2. Vasthouden sluit een zekeren dwang in. Christus werd echter door geen noodzakelijkheid van de dood vastgehouden, maar Hij was “vrij onder de doden.” En daarom bleef Hij enigen tijd in de dood, niet als vastgehouden, maar uit eigen vrije verkiezing, zolang als Hij dit noodzakelijk oordeelde voor ons geloofsonderricht. Men zegt nu, dat terstond geschiedt, datgene wat na korten tijd geschiedt.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod, sicut supra dictum est [q. 51. art. 4. ad 1 et 2], Christus resurrexit circa diluculum, illucescente jam die, ad significandum quod per suam resurrectionem nos ad lucem gloriae inducebat: sicut mortuus est advesperascente jam die et recedente in tenebras, ad ostendendum quod per suam mortem destrueret tenebras culpae et poenae. Et tamen dicitur tertia die resurrexisse, accipiendo diem pro die naturali, qui continet spatium vigintiquatuor horarum. Et, sicut dicit Augustinus in 4. de Trin. [cap. 6. ante. med.], « nox usque ad diluculum quo Domini resurrectio declarata est, ad tertium pertinet diem. Quia Deus, qui dixit de tenebris lucem clarescere, ut per gratiam novi Testamenti et 233participationem resurrectionis Christi audiremus: Fuistis aliquando tenebrae, nunc autem lux in Domino, insinuat nobis quodammodo quod a nocte dies sumat initium. Sicut enim primi dies, propter futurum hominis lapsum, a luce in noctem: ita isti, propter hominis reparationem, a tenebris ad lucem computantur ». Et ita patet quod, etiamsi media nocte surrexisset, posset dici eum die tertia surrexisse, intelligendo de die naturali. Nunc autem, cum diluculo surrexerit, potest dici quod die tertia surrexit, etiam accipiendo diem artificialem, quae causatur ex praesentia solis: quia jam sol incipiebat aërem illustrare. Unde et Marci ult. [v. 2] dicitur, quod mulieres venerunt ad monumentum, « orto jam sole ». Quod non est contrarium ei quod Joan. dicit, « Cum adhuc tenebrae essent », ut Augustinus dicit, in lib. 3. de Consensu Evangelist. [cap. 24. n. 65.] : « quia, die surgente, reliquiae tenebrarum tanto magis extenuantur, quanto magis oritur lux »; quod autem dicit Marcus, « orto jam sole », « non sic accipiendum est tanquam jam sol ipse videretur super terram, sed tanquam de proximo adveniente in has partes ».

3. Zooals boven gezegd is (51e Kw. 4e Art. 1e en 2e Antw.) is Christus tegen den dageraad verrezen, toen de dag reeds aanbrak, om aan te geven, dat Hij ons door zijn verrijzenis tot het glorielicht bracht; zooals Hij ook stierf toen het reeds tegen den avond liep en de dag terugweek in de duisternis, om aan te geven, dat Hij door zijn dood de duisternis van schuld en straf te niet deed. En toch zeggen wij, dat Hij den derden dag verrees, den dag nemend als een natuurlijken dag, die een tijdsverloop van vier en twintig uren omvat. En zooals Augustinus zegt: « De nacht tot aan den morgenstond, waarop de verrijzenis van Christus openbaar werd, behoort tot den derden dag. Want God, die zeide, dat het licht uit de duisternis moest te voorschijn komen, opdat wij door 233de genade van het N. Testament en de deelname aan de verrijzenis van Christus zouden vernemen: « Gij waart eens duisternis, nu echter zijt gij licht in den Heer, » geeft ons te kennen, hoe de dag begint met den nacht. Zooals immers de eerste dagen om den toekomstigen val van den mensch werden gerekend van het licht af naar den nacht toe, zoo ook deze dagen, om het herstel van den mensch, van de duisternis af naar het licht. » En aldus blijkt, dat zelfs al was Hij te middernacht verrezen, men toch zou kunnen zeggen, dat Hij den derden dag verrezen is, door dit te verstaan van een natuurlijken dag. Nu Hij echter met den dageraad verrees, kan men zeggen, dat Hij den derden dag opstond, zelfs als men den kunstmatigen dag neemt, die veroorzaakt wordt door de aanwezigheid van de zon, daar de zon reeds begonnen was de lucht te verhelderen. Daarom wordt ook bij Marcus (16. 2) gezegd, dat de vrouwen bij 't graf kwamen, « toen de zon reeds op was. » En dit is niet in strijd met hetgeen Joannes zegt: « Toen het nog duister was » zooals Augustinus zegt, « wijl bij het aanbreken van den dag, de overblijfselen van de duisternis destemeer worden verzwakt, naarmate 't licht sterker komt opzetten. » Wat Marcus echter zegt: « Toen de zon reeds op was, » « moet men niet zoo verstaan, alsof de zon zelf reeds boven de aarde werd gezien, maar dat zij ten naastenbij over deze deelen kwam. »3. Zoals boven gezegd is (51e Kw. 4e Art. 1e en 2e Antw.) is Christus tegen de dageraad verrezen, toen de dag reeds aanbrak, om aan te geven, dat Hij ons door zijn verrijzenis tot het glorielicht bracht; zoals Hij ook stierf toen het reeds tegen de avond liep en de dag terugweek in de duisternis, om aan te geven, dat Hij door zijn dood de duisternis van schuld en straf te niet deed. En toch zeggen wij, dat Hij de derde dag verrees, de dag nemend als een natuurlijken dag, die een tijdsverloop van vier en twintig uren omvat. En zoals Augustinus zegt: “De nacht tot aan de morgenstond, waarop de verrijzenis van Christus openbaar werd, behoort tot de derde dag. Want God, die zeide, dat het licht uit de duisternis moest te voorschijn komen, opdat wij door 233de genade van het N. Testament en de deelname aan de verrijzenis van Christus zouden vernemen: ‘Gij waart eens duisternis, nu echter zijt gij licht in de Heer,’ geeft ons te kennen, hoe de dag begint met de nacht. Zoals immers de eerste dagen om de toekomstige val van de mens werden gerekend van het licht af naar de nacht toe, zo ook deze dagen, om het herstel van de mens, van de duisternis af naar het licht.” En aldus blijkt, dat zelfs al was Hij te middernacht verrezen, men toch zou kunnen zeggen, dat Hij de derde dag verrezen is, door dit te verstaan van een natuurlijken dag. Nu Hij echter met de dageraad verrees, kan men zeggen, dat Hij de derde dag opstond, zelfs als men de kunstmatige dag neemt, die veroorzaakt wordt door de aanwezigheid van de zon, daar de zon reeds begonnen was de lucht te verhelderen. Daarom wordt ook bij Marcus (16, 2) gezegd, dat de vrouwen bij 't graf kwamen, “toen de zon reeds op was.” En dit is niet in strijd met hetgeen Johannes zegt: “Toen het nog duister was” zoals Augustinus zegt, “wijl bij het aanbreken van de dag, de overblijfselen van de duisternis destemeer worden verzwakt, naarmate 't licht sterker komt opzetten.” Wat Marcus echter zegt: “Toen de zon reeds op was,” “moet men niet zo verstaan, alsof de zon zelf reeds boven de aarde werd gezien, maar dat zij ten naastenbij over deze delen kwam.”

Articulus III

Utrum Christus primo resurrexerit

[4. Dist. 43. art. 3. qla. 1. ad 3. et Comp. Theol. cap. 236. et 239. et 1. Cor. cap. 15. lect. 3. et ad Col. cap. 1. lect. 5.]
IIIe Artikel

Is Christus het eerst verrezen?

antwoord 1 ↓

234Ad tertium sic proceditur. Videtur quod Christus non primo resurrexerit. Nam in veteri Testamento per Eliam, et Elisaeum aliqui resuscitati leguntur: secundum illud Heb. 11. [v. 35] : « Acceperunt mulieres de resurrectione mortuos suos ». Similiter et Christus, ante passionem suam, tres mortuos suscitavit. Non ergo Christus fuit primus resurgentium.

234Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet het eerst verrezen is. — 1. Wij lezen immers in het O. Testament, dat eenigen door Elias en Eliseus zijn opgewekt, naar het woord in den Brief aan de Hebreën (11. 35) : « De vrouwen ontvingen hun dooden uit de verrijzenis. » Zoo ook heeft Christus vóór zijn lijden drie dooden opgewekt. Dus was Christus niet de eerste der verrijzenden.234Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet het eerst verrezen is. — 1. Wij lezen immers in het O. Testament, dat enigen door Elias en Eliseus zijn opgewekt, naar het woord in de Brief aan de Hebreën (11, 35): “De vrouwen ontvingen hun doden uit de verrijzenis.” Zo ook heeft Christus vóór zijn lijden drie doden opgewekt. Dus was Christus niet de eerste van de verrijzenden.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Matth. 27. [v. 52], inter alia miracula quae in passione Christi acciderunt, narratur quod « monumenta aperta sunt, et multa corpora sanctorum qui dormierant, surrexerunt ». Non ergo Christus fuit primus resurgentium.

2. In Mattheus (27. 52) wordt onder de mirakelen, die bij het lijden van Christus gebeurden, ook verhaald, dat « de graven geopend werden en dat vele lichamen der heiligen, die ontslapen waren, verrezen. » Dus was Christus niet de eerste der verrijzenden.2. In Matteüs (27, 52) wordt onder de mirakelen, die bij het lijden van Christus gebeurden, ook verhaald, dat “de graven geopend werden en dat vele lichamen van de heiligen, die ontslapen waren, verrezen.” Dus was Christus niet de eerste van de verrijzenden.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, sicut Christus per suam resurrectionem est causa nostrae resurrectionis, ita per suam gratiam est causa nostrae gratiae: secundum illud Joan. 1. [v. 16] : « De plenitudine ejus nos omnes accepimus ». 235Sed alii prius tempore gratiam habuerunt quam Christus: sicut omnes Patres veteris Testamenti. Ergo etiam aliqui prius ad resurrectionem corporalem pervenerunt quam Christus.

3. Zooals Christus door zijn verrijzenis oorzaak is van onze verrijzenis, zoo is Hij door zijn genade oorzaak van onze genade, naar het woord bij Joannes (1. 16) : « Uit zijn volheid hebben 235wij allen ontvangen. » Maar anderen hadden eerder in tijd de genade dan Christus, zooals al de vaders van het O. Testament. Dus kwamen ook anderen eerder dan Christus tot de lichamelijke verrijzenis.3. Zoals Christus door zijn verrijzenis oorzaak is van onze verrijzenis, zo is Hij door zijn genade oorzaak van onze genade, naar het woord bij Johannes (1, 16): “Uit zijn volheid hebben 235wij allen ontvangen.” Maar anderen hadden eerder in tijd de genade dan Christus, zoals al de vaders van het O. Testament. Dus kwamen ook anderen eerder dan Christus tot de lichamelijke verrijzenis.

Sed contra est quod dicitur 1. ad Cor. 15. [v. 20] : « Christus resurrexit a mortuis primitiae dormientium »: Glossa [interl.] : « quia prius tempore, et dignitate surrexit ».

Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt in den Eersten Brief aan de Corinthiërs (15. 20) : « Christus verrees uit de dooden als eersteling uit de ontslapenen; » de Glossa zegt: « daar Hij eerder verrees in tijd en waardigheid. »Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt in de Eerste Brief aan de Korintiërs (15, 20): “Christus verrees uit de doden als eersteling uit de ontslapenen;” de Glossa zegt: “daar Hij eerder verrees in tijd en waardigheid.”

Respondeo dicendum quod resurrectio est reparatio a morte in vitam. Dupliciter autem aliquis eripitur a morte. Uno modo solum a morte in actu; ut scilicet aliquis vivere incipiat qualitercumque postquam mortuus fuerat. Alio modo, ut aliquis liberetur non solum a morte, sed etiam necessitate et, quod plus est, a possibilitate moriendi. Et haec est vera et perfecta resurrectio. Quia quamdiu aliquis vivit subjectus necessitati moriendi, quodammodo mors ei dominatur: secundum illud Rom. 8. [v. 10] : « Corpus quidem mortuum est propter peccatum ». Illud etiam quod possibile est 236esse, secundum quid dicitur esse, idest potentialiter. Et sic patet quod illa resurrectio qua quis eripitur solum ab actuali morte, est resurrectio imperfecta. Loquendo igitur de resurrectione perfecta, Christus est primus resurgentium: quia ipse resurgendo primo pervenit ad vitam penitus immortalem; secundum illud Rom. 6. [v. 9] : « Christus, resurgens ex mortuis, jam non moritur ». Sed resurrectione imperfecta quidam alii resurrexerunt ante Christum: ad praemonstrandum quasi in quodam signo resurrectionem ipsius.

Leerstelling. — De verrijzenis is het herstel van den dood tot het leven. Op tweevoudige wijze kan echter iemand aan den dood ontrukt worden. — Vooreerst alleen van den daadwerkelijken dood, wanneer nl. iemand, nadat hij gestorven is, op een of andere wijze begint te leven. — Vervolgens, doordat iemand niet alleen van den dood verlost worden, maar ook van de noodzakelijkheid om te sterven, en, wat meer is, van de mogelijkheid om te sterven. En dit is de echte en volmaakte verrijzenis. Want zoolang iemand leeft, bedreigd door de noodzakelijkheid van te sterven, wordt hij in zekeren zin door den dood overheerscht, volgens het woord in den Brief aan de Romeinen (8. 10) : « 't Lichaam is wel gestorven vanwege de zonde. » Ook van datgene, waarvoor 236het mogelijk is te zijn, zeggen wij, dat het in zekeren zin is, d. i. mogelijkerwijs. En aldus is het duidelijk, dat de verrijzenis, waardoor iemand alleen van den daadwerkelijken dood bevrijd wordt, een onvolmaakte verrijzenis is. Als wij derhalve spreken van de volmaakte verrijzenis, dan is Christus de eerste onder de verrezenen, daar Hij door te verrijzen 't eerst kwam tot een leven, dat totaal onsterfelijk is, naar het woord in den Brief aan de Romeinen (6. 9) : « Christus verrijzend uit de dooden, sterft niet meer. » Maar sommige anderen zijn vóór Christus opgestaan tot de onvolmaakte verrijzenis, om als door een teeken zijn verrijzenis van te voren aan te duiden.Leerstelling. — De verrijzenis is het herstel van de dood tot het leven. Op tweevoudige wijze kan echter iemand aan de dood ontrukt worden. — Vooreerst alleen van de daadwerkelijke dood, wanneer nl. iemand, nadat hij gestorven is, op een of andere wijze begint te leven. — Vervolgens, doordat iemand niet alleen van de dood verlost worden, maar ook van de noodzakelijkheid om te sterven, en, wat meer is, van de mogelijkheid om te sterven. En dit is de echte en volmaakte verrijzenis. Want zolang iemand leeft, bedreigd door de noodzakelijkheid van te sterven, wordt hij in zekeren zin door de dood overheerst, volgens het woord in de Brief aan de Romeinen (8, 10): “'t Lichaam is wel gestorven vanwege de zonde.” Ook van datgene, waarvoor 236het mogelijk is te zijn, zeggen wij, dat het in zekeren zin is, d.i. mogelijkerwijs. En aldus is het duidelijk, dat de verrijzenis, waardoor iemand alleen van de daadwerkelijke dood bevrijd wordt, een onvolmaakte verrijzenis is. Als wij derhalve spreken van de volmaakte verrijzenis, dan is Christus de eerste onder de verrezenen, daar Hij door te verrijzen 't eerst kwam tot een leven, dat totaal onsterfelijk is, naar het woord in de Brief aan de Romeinen (6, 9): “Christus verrijzend uit de doden, sterft niet meer.” Maar sommige anderen zijn vóór Christus opgestaan tot de onvolmaakte verrijzenis, om als door een teken zijn verrijzenis van te voren aan te duiden.

↑ bedenking 1

Et sic patet responsio ad primum. Quia et illi qui suscitati in veteri Testamento sunt, et illi qui suscitati sunt a Christo, sic redierunt ad vitam ut iterum morerentur.

Antwoord op de Bedenkingen. — En zoo blijkt het antwoord op de eerste bedenking. Want ook zij, die in het O. Testament werden opgewekt en zij, die door Christus werden opgewekt, keerden zoo tot het leven terug, dat zij wederom moesten sterven.Antwoord op de Bedenkingen. — En zo blijkt het antwoord op de eerste bedenking. Want ook zij, die in het O. Testament werden opgewekt en zij, die door Christus werden opgewekt, keerden zo tot het leven terug, dat zij wederom moesten sterven.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod de illis qui resurrexerunt cum Christo, duplex est opinio. Quidam enim asserunt quod redierunt ad vitam tanquam non iterum morituri: quoniam magis illis esset tormentum si iterum morerentur, quam si non resurgerent. Et secundum hoc, intelligendum erit, sicut 237Hieronymus dicit super Matth. [sup. illud. cap. 27.: Et multa corpora sanctorum], quod « non ante resurrexerunt quam resurgeret Dominus ». Unde et Evangelista dicit [v. 53] quod, « exeuntes de monumentis post resurrectionem ejus, venerunt in sanctam civitatem et apparuerunt multis ». Sed Augustinus in Epist. ad Evodium [quae est 99. cap. 3.], hanc opinionem commemorans, dicit: « Scio quibusdam videri morte Domini Christi jam talem resurrectionem praestitam justis, qualis nobis in fine promittitur. Qui si non iterum, repositis corporibus, dormierunt, videndum est quomodo intelligatur Christus primogenitus a mortuis, si eum in illa resurrectione tot praecesserunt. Quod si respondetur hoc esse dictum per anticipationem, ut monumenta illo terrae motu aperta intelligantur cum Christus in cruce penderet, resurrexisse autem justorum corpora non tunc, sed cum ille prior resurrexisset: illud adhuc restat quod moveat quomodo Petrus non de David sed de Christo asseruit fuisse praedictum carnem ejus non vidisse corruptionem, per hoc quod apud eos erat monumentum David; et sic illos non convincebat, si corpus David ibi jam non erat; quia, etsi ante in recenti sua morte resurrexisset, nec caro ejus vidisset corruptionem, posset nihilominus 238illud monumentum manere. Durum autem videtur ut David non fuerit in illa resurrectione justorum, si eis jam aeterna donata est, cujus Christus ex semine commendatur. Periclitabitur etiam illud quod ad Hebraeos de justis antiquis dicitur, ne sine nobis consummarentur, si jam in illa resurrectionis incorruptione constituti sunt quae nobis perficiendis in fine promittitur ». Sic ergo Augustinus sentire videtur quod resurrexerint iterum morituri. Ad quod etiam videtur pertinere, quod Hieronymus dicit, super Matth., [loc. sup. cit.] quod, « sicut Lazarus resurrexit, sic et multa corpora sanctorum resurrexerunt, ut Dominum ostenderent resurgentem ». Quamvis hoc in sermone de Assumptione sub dubio relinquat: rationes tamen Augustini multo efficaciores videntur.

2. Over hen, die met Christus verrezen, heerscht een dubbele opvatting. Sommigen toch beweren, dat zij tot het leven terugkeerden als om niet meer te sterven; daar het voor hen veel meer een beproeving was, als zij wederom moesten sterven, dan wanneer zij niet verrezen waren. En aldus moet men verstaan, zooals 237Hieronymus zegt, dat « zij niet eerder verrezen, dan de Heer verrees. » Daarom zegt ook de evangelist, dat « zij na zijn verrijzenis uitgingen uit de graven en in de heilige stad Jerusalem kwamen en aan velen verschenen. » (Matth. 27. 53). Maar Augustinus zegt met het oog op deze meening: « Ik weet wel, dat sommigen houden, dat door den dood van den Heer Christus aan de rechtvaardigen reeds zulk een verrijzenis geschonken werd, welke ons op het einde beloofd wordt. Maar indien zij niet wederom hunne lichamen afleggend ontslapen zijn, dan staat het te bezien, hoe Christus dan de eerstgeborene van de dooden is, als Hem zoovelen in die verrijzenis zijn voorafgegaan. En als men nu antwoordt, dat dit op vooruitloopende wijze gezegd is, zoodat we moeten verstaan, dat de graven door die aardschudding geopend zijn, toen Christus aan het kruis hing, maar dat de lichamen der rechtvaardigen niet toen verrezen zijn, maar toen Hij het eerst verrezen was, dan blijft nog staan, wat ons bezig houdt, hoe Petrus dan betuigt, dat niet aangaande David, maar aangaande Christus voorzegd werd, dat zijn vleesch het bederf niet zien zou, omdat immers het graf van David bij hen was; en zoo overtuigde hij hen niet, als het lichaam van David reeds niet meer daar was; want ook indien hij vroeger in den eersten tijd van zijn dood verrezen was, en zijn vleesch het 238bederf niet gezien had, dan kon toch dat graf blijven bestaan. Het lijkt immers hard, dat David niet bij die verrijzenis der rechtvaardigen was, indien aan hen reeds de eeuwige gegeven werd, terwijl toch geleerd wordt, dat Christus uit zijn geslacht was. Ook komt dan in gedrang hetgeen gezegd wordt aan de Hebreën over de oude rechtvaardigen: « dat zij niet zonder ons tot de voltooiing zullen komen; » indien zij reeds in die onbederfelijkheid der verrijzenis bevestigd zijn, welke aan ons, die nog tot de voleinding moeten komen, beloofd wordt op 't eind. » Zoo schijnt Augustinus dus van gevoelen te zijn, dat zij verrezen, om wederom te sterven. Dit schijnt ook de zin te zijn van wat Hieronymus zegt, dat « evenals Lazarus verrees, zoo ook vele andere lichamen van heiligen verrezen, om aan te duiden, dat de Heer verrees. » Ofschoon hij dit in een preek over de Hemelopneming in twijfel laat, schijnen toch de argumenten van Augustinus van veel meer kracht te zijn.2. Over hen, die met Christus verrezen, heerst een dubbele opvatting. Sommigen toch beweren, dat zij tot het leven terugkeerden als om niet meer te sterven; daar het voor hen veel meer een beproeving was, als zij wederom moesten sterven, dan wanneer zij niet verrezen waren. En aldus moet men verstaan, zoals 237Hieronymus zegt, dat “zij niet eerder verrezen, dan de Heer verrees.” Daarom zegt ook de evangelist, dat “zij na zijn verrijzenis uitgingen uit de graven en in de heilige stad Jerusalem kwamen en aan velen verschenen.” (Matt. 27. 53). Maar Augustinus zegt met het oog op deze mening: “Ik weet wel, dat sommigen houden, dat door de dood van de Heer Christus aan de rechtvaardigen reeds zulk een verrijzenis geschonken werd, welke ons op het einde beloofd wordt. Maar indien zij niet wederom hun lichamen afleggend ontslapen zijn, dan staat het te bezien, hoe Christus dan de eerstgeborene van de doden is, als Hem zovelen in die verrijzenis zijn voorafgegaan. En als men nu antwoordt, dat dit op vooruitlopende wijze gezegd is, zodat we moeten verstaan, dat de graven door die aardschudding geopend zijn, toen Christus aan het kruis hing, maar dat de lichamen van de rechtvaardigen niet toen verrezen zijn, maar toen Hij het eerst verrezen was, dan blijft nog staan, wat ons bezig houdt, hoe Petrus dan betuigt, dat niet aangaande David, maar aangaande Christus voorzegd werd, dat zijn vlees het bederf niet zien zou, omdat immers het graf van David bij hen was; en zo overtuigde hij hen niet, als het lichaam van David reeds niet meer daar was; want ook indien hij vroeger in de eerste tijd van zijn dood verrezen was, en zijn vlees het 238bederf niet gezien had, dan kon toch dat graf blijven bestaan. Het lijkt immers hard, dat David niet bij die verrijzenis van de rechtvaardigen was, indien aan hen reeds de eeuwige gegeven werd, terwijl toch geleerd wordt, dat Christus uit zijn geslacht was. Ook komt dan in gedrang hetgeen gezegd wordt aan de Hebreën over de oude rechtvaardigen: ‘dat zij niet zonder ons tot de voltooiing zullen komen;’ indien zij reeds in die onbederfelijkheid van de verrijzenis bevestigd zijn, welke aan ons, die nog tot de voleinding moeten komen, beloofd wordt op 't eind.” Zo schijnt Augustinus dus van gevoelen te zijn, dat zij verrezen, om wederom te sterven. Dit schijnt ook de zin te zijn van wat Hieronymus zegt, dat “evenals Lazarus verrees, zo ook vele andere lichamen van heiligen verrezen, om aan te duiden, dat de Heer verrees.” Ofschoon hij dit in een preek over de Hemelopneming in twijfel laat, schijnen toch de argumenten van Augustinus van veel meer kracht te zijn.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod, sicut ea quae praecesserunt Christi adventum, fuerunt praeparatoria ad Christum, ita gratia est dispositio ad gloriam. Et ideo ea quae sunt gloriae, sive quantum ad animam, sicut perfecta Dei fruitio, sive quantum ad corpus, sicut resurrectio gloriosa, prius 239tempore debuerunt esse in Christo, sicut in auctore gloriae. Gratiam vero conveniebat prius esse in his quae ordinabantur ad Christum.

3. Zooals datgene, wat Christus' komst voorafging, een voorbereiding was op Christus, zoo is de genade een voorbereiding op de glorie. En daarom moest datgene, wat tot de glorie behoort, hetzij het betrekking heeft op de ziel, zooals de volmaakte Godsgenieting, of op het lichaam, zooals de glorierijke verrijzenis, in tijd eerder gevonden worden bij Christus, den bewerker der glorie. 239Maar het was passend, dat de genade het eerst gevonden werd bij hen, die tot Christus geordend waren.3. Zoals datgene, wat Christus' komst voorafging, een voorbereiding was op Christus, zo is de genade een voorbereiding op de glorie. En daarom moest datgene, wat tot de glorie behoort, hetzij het betrekking heeft op de ziel, zoals de volmaakte Godsgenieting, of op het lichaam, zoals de glorierijke verrijzenis, in tijd eerder gevonden worden bij Christus, de bewerker van de glorie. 239Maar het was passend, dat de genade het eerst gevonden werd bij hen, die tot Christus geordend waren.

Articulus IV

Utrum Christus fuerit causa suae resurrectionis

[In Psal. 40. et in Joan. cap. 2. lect. 3. et ad Rom. cap. 4. lect. 3.]
IVe Artikel

Was Christus de oorzaak zijner verrijzenis?Was Christus de oorzaak van zijn verrijzenis?

antwoord 1 ↓

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod Christus non fuerit causa suae resurrectionis. Quicumque enim suscitatur ab alio, non est suae resurrectionis causa. Sed Christus suscitatus est ab alio: secundum illud Act. 2. [v. 24] : « Quem Deus suscitavit, solutis doloribus inferni »; et Rom. 8. [v. 11] : « Qui suscitavit Jesum Christum a mortuis, vivificabit et mortalia corpora nostra », etc. Ergo Christus non est causa suae resurrectionis.

Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus geen oorzaak was zijner verrijzenis. — 1. Wie immers door een ander wordt opgewekt, is geen oorzaak zijner verrijzenis. Christus nu werd door een ander opgewekt, volgens het woord in de Handelingen der Apostelen (2. 24) : « Dien God heeft opgewekt, na de smarten der hel te hebben opgeheven; » en in den Brief aan de Romeinen (8. 11) : « Hij, die Jesus Christus uit de dooden heeft opgewekt, zal ook onze sterfelijke lichamen levend maken, » enz. Dus is Christus geen oorzaak van zijne verrijzenis.Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus geen oorzaak was van zijn verrijzenis. — 1. Wie immers door een ander wordt opgewekt, is geen oorzaak van zijn verrijzenis. Christus nu werd door een ander opgewekt, volgens het woord in de Handelingen van de Apostelen (2, 24): “Die God heeft opgewekt, na de smarten van de hel te hebben opgeheven;” en in de Brief aan de Romeinen (8, 11): “Hij, die Jesus Christus uit de doden heeft opgewekt, zal ook onze sterfelijke lichamen levend maken,” enz. Dus is Christus geen oorzaak van zijn verrijzenis.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, nullus dicitur mereri, qui1 ab alio petit aliquid, cujus ipse est causa. Sed Christus sua passione meruit resurrectionem: sicut Augustinus dicit super Joan. [tract. 104.], quod « humilitas passionis 240meritum est gloriae resurrectionis ». Ipse etiam petiit a Patre se resuscitari: secundum illud Psal. 40. [v. 11] : « Tu autem, Domine, miserere mei et resuscita me ». Ergo non fuit causa suae resurrectionis.

2. Niemand verdient, of vraagt van een ander, datgene waar hijzelf oorzaak van is. Christus heeft echter door zijn lijden de verrijzenis verdiend, zooals Augustinus zegt, dat « de vernedering 240van het lijden de glorie der verrijzenis verdiend heeft. » Hij heeft ook aan zijn Vader gevraagd Hem op te wekken, volgens het woord in het Boek der Psalmen (40. 11) : « Gij echter, Heer, ontferm U Mijner en wek Mij op. » Dus was Hij geen oorzaak van zijn verrijzenis.2. Niemand verdient, of vraagt van een ander, datgene waar hijzelf oorzaak van is. Christus heeft echter door zijn lijden de verrijzenis verdiend, zoals Augustinus zegt, dat “de vernedering 240van het lijden de glorie van de verrijzenis verdiend heeft.” Hij heeft ook aan zijn Vader gevraagd Hem op te wekken, volgens het woord in het Boek van de Psalmen (40, 11)a: “Gij echter, Heer, ontferm U Van mijn en wek Mij op.” Dus was Hij geen oorzaak van zijn verrijzenis.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, sicut Damascenus probat, in 4. lib. [Orth. Fid. cap. 27.], resurrectio non est animae, sed corporis, quod per mortem cadit. Corpus autem non potest sibi animam unire, quae est eo nobilior. Ergo id quod resurrexit in Christo, non potuit esse causa suae resurrectionis.

3. Zooals Damascenus aantoont, is de verrijzenis niet iets van de ziel, maar van het lichaam, dat door den dood valt. Het lichaam kan echter niet de ziel met zich vereenigen, daar zij edeler is. Derhalve kon datgene, wat in Christus verrees, geen oorzaak van zijn verrijzenis zijn.3. Zoals Damascenus aantoont, is de verrijzenis niet iets van de ziel, maar van het lichaam, dat door de dood valt. Het lichaam kan echter niet de ziel met zich verenigen, daar zij edeler is. Derhalve kon datgene, wat in Christus verrees, geen oorzaak van zijn verrijzenis zijn.

Sed contra est quod Dominus dicit, Joan. 10. [v. 17, 18] : « Nemo tollit animam meam a me: sed ego pono eam, et iterum sumo eam ». Sed nihil est aliud resurgere quam iterato animam sumere. Ergo videtur quod Christus propria virtute resurrexerit.

Daartegenover staat echter, dat de Heer zegt bij Joannes (10. 18) : « Niemand neemt mijn ziel van Mij weg, maar Ik leg haar af en zal haar weer opnemen. » Verrijzen nu is niets anders, dan wederom zijn ziel aannemen. Dus is Christus uit eigen kracht verrezen.Daartegenover staat echter, dat de Heer zegt bij Johannes (10, 18): “Niemand neemt mijn ziel van Mij weg, maar Ik leg haar af en zal haar weer opnemen.” Verrijzen nu is niets anders, dan wederom zijn ziel aannemen. Dus is Christus uit eigen kracht verrezen.

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est [q. 50. art. 2. et 3.], per mortem non fuit separata divinitas nec ab anima Christi, nec ab ejus carne. Potest igitur tam anima Christi mortui, quam ejus caro, 241considerari dupliciter: uno modo, ratione divinitatis; alio modo, ratione ipsius naturae creatae. Secundum igitur unitae divinitatis virtutem, et corpus resumpsit animam, quam deposuerat; et anima corpus resumpsit, quod dimiserat. Et sic Christus propria virtute resurrexit. Et hoc est quod de Christo dicitur 2. ad Corinth. ult. [v. 4], quod, « etsi crucifixus est ex infirmitate nostra, sed vivit ex virtute Dei ». Si autem consideremus corpus et animam Christi mortui secundum virtutem naturae creatae, sic non potuerunt sibi invicem reuniri, sed oportuit Christum resuscitari a Deo.

Leerstelling. — Zooals boven gezegd is (50e Kw. 2e en 3e Art.) werd door den dood de Godheid noch van Christus' ziel, noch van zijn vleesch gescheiden. Zoowel de ziel van den gestorven Christus, als zijn vleesch kunnen daarom tweevoudig beschouwd 241worden: vooreerst naar de Godheid, vervolgens naar de geschapen natuur zelf. — Derhalve, uit kracht van de vereenigde Godheid nam het lichaam wederom de ziel aan, die het had afgelegd, en nam de ziel weer het lichaam aan, dat zij verlaten had. En aldus verrees Christus uit eigen kracht. En dat beteekent het, wat van Christus gezegd wordt in den Tweeden Brief aan de Corinthiërs (13. 4), dat « hoewel Hij gekruisigd is om onze zwakte, Hij toch leeft uit de kracht Gods. » — Als wij echter het lichaam en de ziel van den gestorven Christus beschouwen naar de kracht van de geschapen natuur, dan konden zij zich niet wederkeerig vereenigen, maar dan moest Christus door God opgewekt worden.Leerstelling. — Zoals boven gezegd is (50e Kw. 2e en 3e Art.) werd door de dood de Godheid noch van Christus' ziel, noch van zijn vlees gescheiden. Zowel de ziel van de gestorven Christus, als zijn vlees kunnen daarom tweevoudig beschouwd 241worden: vooreerst naar de Godheid, vervolgens naar de geschapen natuur zelf. — Derhalve, uit kracht van de verenigde Godheid nam het lichaam wederom de ziel aan, die het had afgelegd, en nam de ziel weer het lichaam aan, dat zij verlaten had. En aldus verrees Christus uit eigen kracht. En dat betekent het, wat van Christus gezegd wordt in de Tweede Brief aan de Korintiërs (13, 4), dat “hoewel Hij gekruisigd is om onze zwakte, Hij toch leeft uit de kracht Gods.” — Als wij echter het lichaam en de ziel van de gestorven Christus beschouwen naar de kracht van de geschapen natuur, dan konden zij zich niet wederkerig verenigen, maar dan moest Christus door God opgewekt worden.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod eadem est divina virtus et operatio Patris, et Filii. Unde haec duo sese consequuntur, quod Christus sit suscitatus divina virtute Patris, et sui ipsius.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De goddelijke kracht en werking van Vader en Zoon zijn dezelfde. Dus deze twee volgen uit elkaar, dat Christus is opgewekt door de goddelijke kracht van den Vader en van zichzelf.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De goddelijke kracht en werking van Vader en Zoon zijn dezelfde. Dus deze twee volgen uit elkaar, dat Christus is opgewekt door de goddelijke kracht van de Vader en van zichzelf.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod Christus orando petiit et meruit suam resurrectionem, inquantum homo: non autem inquantum Deus.

2. Christus heeft biddend zijn verrijzenis gevraagd en verdiend, in zoover Hij mensch was, niet als God.2. Christus heeft biddend zijn verrijzenis gevraagd en verdiend, in zover Hij mens was, niet als God.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod corpus secundum naturam creatam non est potentius anima Christi: est tamen ea potentius secundum virtutem divinam. 242Quae etiam rursus, secundum divinitatem unitam, est potentior corpore secundum naturam creatam. Et ideo secundum virtutem divinam corpus et anima mutuo se resumpserunt: non autem secundum virtutem naturae creatae.

3. Het lichaam is naar zijn geschapen natuur niet sterker dan de ziel van Christus, maar naar de goddelijke kracht is het sterker 242dan haar. En deze is ook op haar beurt, door de met haar vereenigde Godheid, sterker dan het lichaam naar zijn geschapen natuur. En dus namen ziel en lichaam elkaar wederkeerig op uit de goddelijke kracht, maar niet uit de kracht van de geschapen natuur.3. Het lichaam is naar zijn geschapen natuur niet sterker dan de ziel van Christus, maar naar de goddelijke kracht is het sterker 242dan haar. En deze is ook op haar beurt, door de met haar verenigde Godheid, sterker dan het lichaam naar zijn geschapen natuur. En dus namen ziel en lichaam elkaar wederkerig op uit de goddelijke kracht, maar niet uit de kracht van de geschapen natuur.