De qualitate Christi resurgentis, in quatuor articulos divisa
Over de hoedanigheid van den verrijzenden ChristusOver de hoedanigheid van de verrijzende Christus
243Deinde considerandum est de qualitate Christi resurgentis.
243Vervolgens moeten wij handelen over de hoedanigheid van den verrijzenden Christus,243Vervolgens moeten wij handelen over de hoedanigheid van de verrijzende Christus,
Et circa hoc quaeruntur quatuor: 1. Utrum post resurrectionem Christus habuerit verum corpus. — 2. Utrum resurrexerit cum corporis integritate. — 3. Utrum corpus ejus fuerit gloriosum. — 4. De cicatricibus in corpore ejus apparentibus.
en hieromtrent stellen wij vier vragen: 1. Bezat Christus na zijn verrijzenis een echt lichaam? 2. Verrees Hij in lichamelijke ongeschondenheid? 3. Was zijn lichaam glorievol? 4. Over de wonden, die zich in zijn lichaam vertoonden.
Utrum Christus post resurrectionem habuerit verum corpus
Bezat Christus na zijn verrijzenis een echt lichaam?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod Christus post resurrectionem non habuerit verum corpus. Verum enim corpus non potest simul esse cum 244alio corpore in eodem loco. Sed corpus Christi post resurrectionem fuit simul cum alio corpore in eodem loco: intravit enim ad discipulos suos « januis clausis », ut dicitur Joan. 20. [v. 26]. Ergo videtur quod Christus post resurrectionem non habuerit verum corpus.
Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus na zijn verrijzenis geen echt lichaam bezat. — 1. Een echt lichaam kan niet 244met een ander lichaam tegelijk in dezelfde plaats zijn. Maar het lichaam van Christus was na de verrijzenis tegelijk met een ander lichaam in dezelfde plaats; Hij trad immers bij zijn leerlingen binnen « terwijl de deuren gesloten waren, » zooals gezegd wordt bij Joannes (20. 26). Dus had Christus na zijn verrijzenis geen echt lichaam.Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus na zijn verrijzenis geen echt lichaam bezat. — 1. Een echt lichaam kan niet 244met een ander lichaam tegelijk in dezelfde plaats zijn. Maar het lichaam van Christus was na de verrijzenis tegelijk met een ander lichaam in dezelfde plaats; Hij trad immers bij zijn leerlingen binnen “terwijl de deuren gesloten waren,” zoals gezegd wordt bij Johannes (20, 26). Dus had Christus na zijn verrijzenis geen echt lichaam.
2. Praeterea, verum corpus non evanescit ab aspectu intuentium, nisi forte corrumpatur. Sed corpus Christi « evanuit ab oculis » discipulorum eum intuentium, ut dicitur Luc. ult. [v. 31]. Ergo videtur, quod Christus post resurrectionem non habuerit verum corpus.
2. Een echt lichaam verdwijnt niet uit het gezicht der toeschouwers, tenzij het misschien bederft. Maar het lichaam van Christus « verdween uit de oogen, » der leerlingen, die Hem aanzagen, zooals gezegd wordt bij Lucas (24. 31). Dus had Christus na zijn verrijzenis geen echt lichaam.2. Een echt lichaam verdwijnt niet uit het gezicht van de toeschouwers, tenzij het misschien bederft. Maar het lichaam van Christus “verdween uit de ogen,” van de leerlingen, die Hem aanzagen, zoals gezegd wordt bij Lukas (24, 31). Dus had Christus na zijn verrijzenis geen echt lichaam.
3. Praeterea, cujuslibet veri corporis est determinata figura. Sed corpus Christi apparuit discipulis « in alia effigie », ut patet Marci ult. [v. 12]. Ergo videtur, quod Christus post resurrectionem non habuerit verum corpus humanum.
3. Elk echt lichaam heeft een bepaalde figuur. Het lichaam van Christus verscheen echter aan de leerlingen « in een andere gedaante, » zooals blijkt bij Marcus (16. 12). Dus bezat Christus na zijn verrijzenis geen echt menschelijk lichaam.3. Elk echt lichaam heeft een bepaalde figuur. Het lichaam van Christus verscheen echter aan de leerlingen “in een andere gedaante,” zoals blijkt bij Marcus (16, 12). Dus bezat Christus na zijn verrijzenis geen echt menselijk lichaam.
Sed contra est quod dicitur Luc. ult. [v. 37], quod, Christo discipulis apparente, « conturbati et conterriti, existimabant se spiritum videre », ac si non haberet verum corpus, sed phantasticum. Ad quod removendum, ipse postea [v. 39] subdit: « Palpate, et videte: quia spiritus carnem et 245ossa non habet, sicut me videtis habere ». Non ergo habuit corpus phantasticum, sed verum.
Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt bij Lucas (24. 37) dat, terwijl Christus aan de leerlingen verscheen « zij verward en verschrikt waren en meenden een geest te zien, » als had Hij geen echt, maar een schijn-lichaam. En om dit tegen te gaan laat Hij zelf er op volgen (v. 39) : « Voelt en ziet; want een geest heeft 245geen vleesch en beenderen zooals gij ziet, dat Ik heb. » Dus had Hij geen schijn-, maar een echt lichaam.Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt bij Lukas (24, 37) dat, terwijl Christus aan de leerlingen verscheen “zij verward en verschrikt waren en meenden een geest te zien,” als had Hij geen echt, maar een schijn-lichaam. En om dit tegen te gaan laat Hij zelf er op volgen (v. 39): “Voelt en ziet; want een geest heeft 245geen vlees en beenderen zoals gij ziet, dat Ik heb.” Dus had Hij geen schijn-, maar een echt lichaam.
Respondeo dicendum quod, sicut Damascenus dicit, in 4. lib. [Orth. Fid. cap. 27.] « illud resurgere dicitur quod cecidit ». Corpus autem Christi per mortem cecidit: inquantum scilicet fuit ab eo anima separata, quae erat ejus formalis perfectio. Unde oportuit, ad hoc quod esset vera Christi resurrectio, ut idem corpus Christi iterato eidem animae uniretur. Et quia veritas naturae corporis est ex forma, consequens est quod corpus Christi post resurrectionem et verum corpus fuerit, et ejusdem naturae cujus fuerat prius. Si autem ejus corpus fuisset phantasticum, non fuisset vera resurrectio, sed apparens.
Leerstelling. — Zooals Damascenus opmerkt, « spreekt men van opstaan bij iets, wat gevallen is. » Het lichaam van Christus nu viel door den dood, in zoover nl. de ziel daarvan werd afgescheiden, die zijn vormelijke perfectie was. En daarom was het voor een ware verrijzenis van Christus noodig, dat hetzelfde lichaam van Christus wederom met dezelfde ziel vereenigd werd. En aangezien de echtheid van de natuur van een lichaam voortkomt uit den vorm, daarom was bijgevolg na de verrijzenis het lichaam van Christus een echt lichaam en van dezelfde natuur als het eerst was. Als zijn lichaam echter iets fantastisch was geweest, dan zou het ook geen echte, maar een schijnverrijzenis geweest zijn.Leerstelling. — Zoals Damascenus opmerkt, “spreekt men van opstaan bij iets, wat gevallen is.” Het lichaam van Christus nu viel door de dood, in zover nl. de ziel daarvan werd afgescheiden, die zijn vormelijke perfectie was. En daarom was het voor een ware verrijzenis van Christus nodig, dat hetzelfde lichaam van Christus wederom met dezelfde ziel verenigd werd. En aangezien de echtheid van de natuur van een lichaam voortkomt uit de vorm, daarom was bijgevolg na de verrijzenis het lichaam van Christus een echt lichaam en van dezelfde natuur als het eerst was. Als zijn lichaam echter iets fantastisch was geweest, dan zou het ook geen echte, maar een schijnverrijzenis geweest zijn.
Ad primum ergo dicendum quod corpus Christi post resurrectionem, non ex miraculo, sed ex conditione gloriae, sicut quidam dicunt, clausis januis ad discipulos introivit, simul cum alio corpore in eodem loco existens. 246Sed utrum hoc habere possit corpus gloriosum ex aliqua proprietate sibi indita, ut simul cum alio corpore in eodem loco existat, inferius discutietur [in Supplem. q. 83. art. 2.], ubi agetur de resurrectione communi. Nunc autem, quantum ad propositum, sufficit dicendum esse, quod 1 non ex natura corporis, sed potius ex virtute divinitatis unitae, illud corpus ad discipulos, licet verum esset, januis clausis introivit. Unde Augustinus dicit in quodam sermone Paschali [serm. 247.], quod quidam sic disputant: « Si corpus erat, si hoc surrexit de sepulchro quod pependit in ligno, quomodo per ostia clausa intrare potuit? » Et respondet: « Si comprehendis modum, non est miraculum. Ubi deficit ratio, ibi est fidei aedificatio ». Et super Joan. [tract. 121.] dicit: « Moli corporis ubi divinitas erat, ostia clausa non obstiterunt: ille quippe non eis apertis intrare potuit, quo nascente virginitas matris inviolata permansit ». Et idem dicit Gregorius in quadam homil. de octava Paschae [quae est 26. in Evang.].
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zooals sommigen zeggen trad het lichaam van Christus na de verrijzenis niet door een mirakel, maar krachtens den toestand, die voortkomt uit de glorie, bij de leerlingen binnen, terwijl de deuren gesloten waren, zoodat het tegelijk met een ander lichaam op dezelfde plaats was. 246Maar of het voor een verheerlijkt lichaam krachtens een eigenschap, die het ontvangen heeft, mogelijk is tegelijk met een ander lichaam zich op dezelfde plaats te bevinden, dat zal later besproken worden (Suppl. 83e Kw. 2e Art.), waar het gaat over de algemeene verrijzenis. Voor onzen opzet is het op het oogenblik echter voldoende te zeggen, dat dit lichaam niet krachtens de lichamelijke natuur, maar veeleer uit kracht van de Godheid, die er mee vereenigd was, ondanks de gesloten deuren bij de leerlingen binnentrad, ofschoon het een echt lichaam was. Daarom zegt Augustinus, dat sommigen aldus opwerpen: « Indien het een lichaam was, indien dat wat aan het kruis hing, uit het graf verrees, hoe kon het dan door de gesloten deuren binnentreden? » En hij antwoordt: « Als gij de wijze, waarop het gebeurde, zoudt begrijpen, dan is het geen mirakel; waar het verstand te kort schiet, daar groeit het geloof. » En elders zegt hij: « Waar de Godheid aanwezig was, vormden de gesloten deuren geen hindernis voor de massa van het lichaam; zonder dat zij geopend werden, kon Hij binnentreden, die bij zijn geboorte de maagdelijkheid der moeder ongeschonden liet. » Hetzelfde zegt ook Gregorius.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoals sommigen zeggen trad het lichaam van Christus na de verrijzenis niet door een mirakel, maar krachtens de toestand, die voortkomt uit de glorie, bij de leerlingen binnen, terwijl de deuren gesloten waren, zodat het tegelijk met een ander lichaam op dezelfde plaats was. 246Maar of het voor een verheerlijkt lichaam krachtens een eigenschap, die het ontvangen heeft, mogelijk is tegelijk met een ander lichaam zich op dezelfde plaats te bevinden, dat zal later besproken worden (Suppl. 83e Kw. 2e Art.), waar het gaat over de algemene verrijzenis. Voor onze opzet is het op het ogenblik echter voldoende te zeggen, dat dit lichaam niet krachtens de lichamelijke natuur, maar veeleer uit kracht van de Godheid, die er mee verenigd was, ondanks de gesloten deuren bij de leerlingen binnentrad, ofschoon het een echt lichaam was. Daarom zegt Augustinus, dat sommigen aldus opwerpen: “Indien het een lichaam was, indien dat wat aan het kruis hing, uit het graf verrees, hoe kon het dan door de gesloten deuren binnentreden?” En hij antwoordt: “Als gij de wijze, waarop het gebeurde, zoudt begrijpen, dan is het geen mirakel; waar het verstand te kort schiet, daar groeit het geloof.” En elders zegt hij: “Waar de Godheid aanwezig was, vormden de gesloten deuren geen hindernis voor de massa van het lichaam; zonder dat zij geopend werden, kon Hij binnentreden, die bij zijn geboorte de maagdelijkheid van de moeder ongeschonden liet.” Hetzelfde zegt ook Gregorius.
Ad secundum dicendum quod, sicut dictum est [q. praec. art. 3.], 247Christus resurrexit ad immortalem gloriae vitam. Haec est autem dispositio corporis gloriosi, ut sit « spirituale », idest subjectum spiritui, ut Apostolus dicit 1. ad Cor. 15. [v. 44]. Ad hoc autem quod sit omnino corpus subjectum spiritui, requiritur quod omnis actio corporis subdatur spiritus voluntati. Quod autem aliquid videatur, fit per actionem visibilis in visum, ut patet per Philosophum in 2. de Anima [cap. 7. n. 5 et 6. St. Thom. lect. 15.]. Et ideo quicumque habet corpus glorificatum, in potestate sua habet videri quando vult, et, quando non vult, non videri. Hoc tamen habuit Christus non solum ex conditione corporis gloriosi, sed etiam ex virtute divinitatis: per quam fieri potest ut etiam corpora non gloriosa miraculose non videantur; sicut praestitum fuit beato Bartholomaeo miraculose, ut, si vellet, videretur, non autem videretur si non vellet. Dicitur ergo quod Christus ab oculis discipulorum evanuit, non quia corrumperetur aut resolveretur in aliqua invisibilia, sed quia sua voluntate desiit ab eis videri, vel eo praesente, vel etiam eo abscedente velociter per dotem agilitatis.
2. Zooals gezegd is (in de vorige Kw. 3e Art.), verrees Christus 247tot het onsterfelijke leven der glorie. De gesteltenis van een verheerlijkt lichaam is echter deze, dat het « geestelijk » is, d. i. onderworpen aan den geest, zooals de Apostel zegt in den Eersten Brief aan de Corinthiërs (15. 44). Voor het volledig onderworpen zijn van een lichaam aan den geest wordt echter vereischt, dat elke daad van het lichaam onderworpen is aan den wil van den geest. Wanneer nu iets gezien wordt, dan geschiedt dit door een inwerking van het zichtbare op het gezichtsvermogen, zooals blijkt bij den Wijsgeer in De Anima. Bijgevolg heeft hij, die een verheerlijkt lichaam bezit, het in zijn macht, om gezien te worden, wanneer hij het wil, en om niet gezien te worden, wanneer hij het niet wil. Dit nu bezat Christus niet alleen krachtens de gesteltenis van zijn verheerlijkt lichaam, maar ook uit kracht der Godheid, die bewerken kan, dat ook niet verheerlijkte lichamen op mirakeleuze wijze niet gezien worden; zooals het op mirakeleuze wijze aan den H. Bartholomeus gegeven was, om zichtbaar te zijn, wanneer hij dat wilde, en niet gezien te worden, als hij het niet wilde. Van Christus wordt derhalve gezegd, dat Hij uit de oogen der leerlingen verdween, niet doordat Hij tot bederf overging of in iets onzichtbaars werd opgelost, maar doordat Hij door toedoen van zijn eigen wil niet meer door hen gezien werd, hetzij Hij dan daar tegenwoordig bleef, hetzij Hij snel vandaar wegging krachtens de gave der snelle bewegelijkheid.2. Zoals gezegd is (in de vorige Kw. 3e Art.), verrees Christus 247tot het onsterfelijke leven van de glorie. De gesteltenis van een verheerlijkt lichaam is echter deze, dat het “geestelijk” is, d.i. onderworpen aan de geest, zoals de Apostel zegt in de Eerste Brief aan de Korintiërs (15, 44). Voor het volledig onderworpen zijn van een lichaam aan de geest wordt echter vereist, dat elke daad van het lichaam onderworpen is aan de wil van de geest. Wanneer nu iets gezien wordt, dan geschiedt dit door een inwerking van het zichtbare op het gezichtsvermogen, zoals blijkt bij de Wijsgeer in De Anima. Bijgevolg heeft hij, die een verheerlijkt lichaam bezit, het in zijn macht, om gezien te worden, wanneer hij het wil, en om niet gezien te worden, wanneer hij het niet wil. Dit nu bezat Christus niet alleen krachtens de gesteltenis van zijn verheerlijkt lichaam, maar ook uit kracht van de Godheid, die bewerken kan, dat ook niet verheerlijkte lichamen op mirakeleuze wijze niet gezien worden; zoals het op mirakeleuze wijze aan de H. Bartholomeus gegeven was, om zichtbaar te zijn, wanneer hij dat wilde, en niet gezien te worden, als hij het niet wilde. Van Christus wordt derhalve gezegd, dat Hij uit de ogen van de leerlingen verdween, niet doordat Hij tot bederf overging of in iets onzichtbaars werd opgelost, maar doordat Hij door toedoen van zijn eigen wil niet meer door hen gezien werd, hetzij Hij dan daar tegenwoordig bleef, hetzij Hij snel vandaar wegging krachtens de gave van de snelle bewegelijkheid.
248Ad tertium dicendum quod, sicut Severianus dicit, in sermone Paschali [id habet Petrus Chrysologus in serm. 82. ad fin.] : « Nemo putet Christum sua resurrectione sui vultus effigiem commutasse ». Quod est intelligendum quantum ad lineamenta membrorum: quia nihil inordinatum et deforme fuerat in corpore Christi, per Spiritum Sanctum concepto, quod in resurrectione corrigendum esset. Accepit tamen in resurrectione gloriam claritatis. Unde idem ibidem subdit: « Sed mutatur effigies dum efficitur ex mortali immortalis: ut hoc sit acquisivisse vultus gloriam, non vultus substantiam perdidisse ». Nec tamen illis discipulis in specie gloriosa apparuit: sed, sicut in potestate ejus erat ut corpus suum videretur vel non videretur, ita in potestate ejus erat ut ex ejus aspectu formaretur in oculis intuentium vel forma gloriosa, vel non gloriosa, aut etiam commixta, vel qualitercunque se habens. Modica tamen differentia sufficit ad hoc quod aliquis videatur in aliena effigie apparere.
2483. Severianus zegt: « Niemand houdt, dat Christus bij zijn verrijzenis het voorkomen van zijn gelaat veranderd heeft. » Dit moet men echter verstaan van de lijn der ledematen; aangezien aan het lichaam van Christus, dat ontvangen werd van den H. Geest, niets onregelmatig of vervormd was, dat bij de verrijzenis zou moeten hersteld worden. Hij ontving echter wel bij zijn verrijzenis de glorie der heerlijkheid. Daarom laat dezelfde daarop volgen: « Maar zijn voorkomen veranderde, toen Hij van sterfelijk onsterfelijk werd; en dit beteekent dat Hij de glorie van het aanschijn er bij ontving, niet dat Hij het wezen van het voorkomen verloor. » Bovendien verscheen Hij aan die leerlingen niet in zijn glorieuze gedaante; maar evenals het in zijn macht lag om zijn lichaam te laten zien of niet, zoo had Hij het ook in zijn macht, of, wanneer men Hem zag, in de oogen der toeschouwers een glorievol of niet glorievol beeld, of een gemengd of welk beeld dan ook werd gevormd. Een klein verschil echter is voldoende, om den schijn te wekken, dat iemand in een vreemde gedaante verschijnt.2483. Severianus zegt: “Niemand houdt, dat Christus bij zijn verrijzenis het voorkomen van zijn gelaat veranderd heeft.” Dit moet men echter verstaan van de lijn van de ledematen; aangezien aan het lichaam van Christus, dat ontvangen werd van de H. Geest, niets onregelmatig of vervormd was, dat bij de verrijzenis zou moeten hersteld worden. Hij ontving echter wel bij zijn verrijzenis de glorie van de heerlijkheid. Daarom laat dezelfde daarop volgen: “Maar zijn voorkomen veranderde, toen Hij van sterfelijk onsterfelijk werd; en dit betekent dat Hij de glorie van het aanschijn er bij ontving, niet dat Hij het wezen van het voorkomen verloor.” Bovendien verscheen Hij aan die leerlingen niet in zijn glorieuze gedaante; maar evenals het in zijn macht lag om zijn lichaam te laten zien of niet, zo had Hij het ook in zijn macht, of, wanneer men Hem zag, in de ogen van de toeschouwers een glorievol of niet glorievol beeld, of een gemengd of welk beeld dan ook werd gevormd. Een klein verschil echter is voldoende, om de schijn te wekken, dat iemand in een vreemde gedaante verschijnt.
Utrum Christi corpus resurrexerit integrum
Is het lichaam van Christus ongeschonden verrezen?
249Ad secundum sic proceditur. Videtur quod corpus Christi non resurrexerit integrum. Sunt enim de integritate humani corporis caro et sanguis. Quae Christus non videtur habuisse: dicitur enim 1. ad Corinth. 15. [v. 50] : « Caro, et sanguis regnum Dei non possidebunt ». Christus autem resurrexit in gloria regni Dei. Videtur ergo quod non habuerit carnem et sanguinem.
249Bedenkingen. — Men beweert, dat het lichaam van Christus niet ongeschonden verrezen is. — 1. Tot de volkomenheid van het menschelijk lichaam behoort immers vleesch en bloed. En deze schijnt Christus niet te hebben gehad: want in den Eersten Brief aan de Corinthiërs (15. 50) wordt gezegd: « Vleesch en bloed zullen het rijk Gods niet bezitten. » Christus nu verrees in de glorie van het rijk Gods. Dus had Hij geen vleesch en bloed.249Bedenkingen. — Men beweert, dat het lichaam van Christus niet ongeschonden verrezen is. — 1. Tot de volkomenheid van het menselijk lichaam behoort immers vlees en bloed. En deze schijnt Christus niet te hebben gehad: want in de Eerste Brief aan de Korintiërs (15, 50) wordt gezegd: “Vlees en bloed zullen het rijk Gods niet bezitten.” Christus nu verrees in de glorie van het rijk Gods. Dus had Hij geen vlees en bloed.
2. Praeterea, sanguis est unus de quatuor humoribus. Si ergo Christus habuit sanguinem, pari ratione habuit et alios humores, ex quibus causatur corruptio in corporibus animalium. Sic ergo sequeretur quod corpus Christi fuerit corruptibile. Quod est inconveniens. Non igitur Christus habuit carnem, et sanguinem.
2. Het bloed is een van de vier vochten. Als Christus dus bloed had, dan bezat Hij om dezelfde reden ook de andere vochten, waardoor het bederf in de dierlijke lichamen veroorzaakt wordt. Zoo zou dus volgen, dat het lichaam van Christus bederfelijk was. En dit is niet passend. Dus bezat Christus geen vleesch en bloed.2. Het bloed is een van de vier vochten. Als Christus dus bloed had, dan bezat Hij om dezelfde reden ook de andere vochten, waardoor het bederf in de dierlijke lichamen veroorzaakt wordt. Zo zou dus volgen, dat het lichaam van Christus bederfelijk was. En dit is niet passend. Dus bezat Christus geen vlees en bloed.
3. Praeterea, corpus Christi quod resurrexit, in coelum ascendit. Sed aliquid de sanguine ejus in quibusdam Ecclesiis reservatur pro reliquiis. Non 250ergo resurrexit corpus Christi cum integritate omnium suarum partium.
3. Christus' lichaam, dat verrees, steeg op ten hemel. Iets van zijn bloed echter wordt in sommige kerken als relikwie bewaard. 250Dus verrees het lichaam van Christus niet volkomen met al zijn deelen.3. Christus' lichaam, dat verrees, steeg op ten hemel. Iets van zijn bloed echter wordt in sommige kerken als relikwie bewaard. 250Dus verrees het lichaam van Christus niet volkomen met al zijn delen.
Sed contra est quod Dominus dicit Luc. ult. [v. 39], post resurrectionem discipulis loquens: « Spiritus carnem et ossa non habet, sicut me videtis habere ».
Daartegenover staat echter, dat de Heer bij Lucas (24. 39) zegt, sprekende tot zijn leerlingen na zijn verrijzenis: « Een geest heeft geen vleesch en beenderen, zooals gij ziet, dat Ik heb. »Daartegenover staat echter, dat de Heer bij Lukas (24, 39) zegt, sprekende tot zijn leerlingen na zijn verrijzenis: “Een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals gij ziet, dat Ik heb.”
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est [art. praec. 1], corpus Christi in resurrectione fuit ejusdem naturae, sed alterius gloriae. Unde quidquid ad naturam corporis humani pertinet, totum fuit in corpore Christi resurgentis. Manifestum est autem quod ad naturam corporis humani pertinent carnes et ossa et sanguis, et alia hujusmodi. Et ideo omnia ista in corpore Christi resurgentis fuerunt. Et etiam integraliter absque omni diminutione: alioquin non fuisset perfecta resurrectio, si non fuisset redintegratum quidquid per mortem ceciderat. Unde et Dominus fidelibus suis promittit, dicens, Matth. 10. [v. 30] : « Vestri autem capilli capitis omnes 251numerati sunt », et Luc. 21. [v. 18] dicitur: « Capillus de capite vestro non peribit ». Dicere autem quod corpus Christi carnem et ossa non habuerit, et alias hujusmodi partes humano corpori naturales, pertinet ad errorem Eutychii, Constantinopolitanae urbis episcopi, qui dicebat [ut habet Gregorius 14. Moral. cap. 29.] quod « corpus nostrum in illa resurrectionis gloria erit impalpabile, et ventis aëreque subtilius »; et quod Dominus « post confirmata corda discipulorum palpantium, omne illud quod in eo palpari potuit, in subtilitatem aliquam redegit ». Quod ibidem improbat Gregorius, quia corpus Christi post resurrectionem immutatum non fuit: secundum illud Rom. 6. [v. 9] : « Christus resurgens ex mortuis jam non moritur ». Unde et ille quae dixerat, in morte retractavit. Si enim inconveniens est ut Christus alterius naturae corpus in sua conceptione acciperet, puta coeleste, sicut Valentinus [Cfr. Augustinum de Haeres. n. 11.] asseruit; multo magis inconveniens est, quod in resurrectione alterius naturae corpus resumpserit: quia corpus in resurrectione resumpsit ad vitam immortalem, quod in conceptione assumperat ad vitam mortalem.
Leerstelling. — Zooals boven gezegd is (vorig Art.; vgl. 3e Art. 2e Antw.), was het lichaam van Christus bij zijn verrijzenis van dezelfde natuur, maar van hoogere glorie. En wat daarom tot de natuur van het menschelijk lichaam behoort, was geheel aanwezig in het lichaam van den verrijzenden Christus. Het is nu duidelijk, dat tot de natuur van het menschelijk lichaam behooren vleesch, beenderen, bloed en dergelijke. En bijgevolg was dit alles in het lichaam van den verrijzenden Christus. En wel gaaf, zonder eenig tekort: anders zou de verrijzenis niet volmaakt geweest zijn als niet alles, wat door den dood gevallen was, in zijn ongeschondenheid hersteld was. Aldus belooft ook de Heer aan zijn getrouwen, zeggend bij Mattheus (10. 30) : « Uw 251hoofdharen zijn allen geteld; » en bij Lucas (21. 18) wordt gezegd: « Geen haar zal van uw hoofd vallen. » Wanneer men echter zegt, dat het lichaam geen vleesch en geen beenderen en andere dergelijke deelen bezeten heeft, welke behooren tot de natuur van een menschelijk lichaam, vervalt men in de dwaling van Eutyches, bisschop van de stad Constantinopel, die zei, dat « ons lichaam in die glorie der verrijzenis niet tastbaar zal zijn, en fijner dan wind en lucht: » en dat de Heer, « na de harten der leerlingen, die Hem aanraakten te hebben versterkt, al datgene wat tastbaar aan Hem was, in een zekere fijnheid heeft opgelost. » Dit bestrijdt Gregorius echter, aangezien het lichaam van Christus na de verrijzenis onveranderd bleef, overeenkomstig het woord in den Brief aan de Romeinen (6. 9) : « Christus, opstaande uit de dooden, sterft niet meer. » En daarom heeft hij ook zijn woorden bij zijn dood teruggetrokken. Want als het niet passend is, dat Christus bij zijn ontvangenis een lichaam van een andere natuur aannam, b. v. een hemelsch lichaam, zooals Valentinus dat hield, dan is het nog veel minder passend, dat Hij bij zijn verrijzen een lichaam van een andere natuur weer aannam, daar Hij bij zijn verrijzenis voor een onsterfelijk leven weer een lichaam aannam, dat Hij bij zijn ontvangenis tot een sterfelijk leven aangenomen had.Leerstelling. — Zoals boven gezegd is (vorig Art.; vgl. 3e Art. 2e Antw.), was het lichaam van Christus bij zijn verrijzenis van dezelfde natuur, maar van hogere glorie. En wat daarom tot de natuur van het menselijk lichaam behoort, was geheel aanwezig in het lichaam van de verrijzende Christus. Het is nu duidelijk, dat tot de natuur van het menselijk lichaam behoren vlees, beenderen, bloed en dergelijke. En bijgevolg was dit alles in het lichaam van de verrijzende Christus. En wel gaaf, zonder enig tekort: anders zou de verrijzenis niet volmaakt geweest zijn als niet alles, wat door de dood gevallen was, in zijn ongeschondenheid hersteld was. Aldus belooft ook de Heer aan zijn getrouwen, zeggend bij Matteüs (10, 30): “Uw 251hoofdharen zijn allen geteld;” en bij Lukas (21, 18) wordt gezegd: “Geen haar zal van uw hoofd vallen.” Wanneer men echter zegt, dat het lichaam geen vlees en geen beenderen en andere dergelijke delen bezeten heeft, welke behoren tot de natuur van een menselijk lichaam, vervalt men in de dwaling van Eutyches, bisschop van de stad Constantinopel, die zei, dat “ons lichaam in die glorie van de verrijzenis niet tastbaar zal zijn, en fijner dan wind en lucht:” en dat de Heer, “na de harten van de leerlingen, die Hem aanraakten te hebben versterkt, al datgene wat tastbaar aan Hem was, in een zekere fijnheid heeft opgelost.” Dit bestrijdt Gregorius echter, aangezien het lichaam van Christus na de verrijzenis onveranderd bleef, overeenkomstig het woord in de Brief aan de Romeinen (6, 9): “Christus, opstaande uit de doden, sterft niet meer.” En daarom heeft hij ook zijn woorden bij zijn dood teruggetrokken. Want als het niet passend is, dat Christus bij zijn ontvangenis een lichaam van een andere natuur aannam, bv. een hemels lichaam, zoals Valentinus dat hield, dan is het nog veel minder passend, dat Hij bij zijn verrijzen een lichaam van een andere natuur weer aannam, daar Hij bij zijn verrijzenis voor een onsterfelijk leven weer een lichaam aannam, dat Hij bij zijn ontvangenis tot een sterfelijk leven aangenomen had.
252Ad primum ergo dicendum quod « caro et sanguis » ibi non accipitur pro natura carnis et sanguinis: sed vel pro culpa carnis et sanguinis, sicut Gregorius dicit, in 14. Moral. [loc. sup. cit.] ; vel pro corruptione carnis et sanguinis, quia, ut Augustinus dicit, ad Consentium de Resurrect. carnis [epist. 146. cap. 2.], « non ibi erit corruptio et mortalitas carnis et sanguinis ». Caro igitur secundum substantiam possidet regnum Dei: secundum quod dictum est, « Spiritus carnem et ossa non habet, sicut me videtis habere ». [Cfr. Arg. S. Contra]. Caro autem cum secundum corruptionem intelligitur, non possidebit. Unde continuo additum est in verbis Apostoli: « Neque corruptio incorruptelam ».
252Antwoord op de Bedenkingen. — 1. « Vleesch en bloed » wordt daar niet verstaan van de natuur van vleesch en bloed, maar of van de schuld van vleesch en bloed, zooals Gregorius zegt, of van het bederf van vleesch en bloed: aangezien « er daar, » zooals Augustinus zegt, « geen bederf en sterfelijkheid van vleesch en bloed meer zijn zal. » Het vleesch als zelfstandigheid opgevat, bezit dus wel het rijk Gods, zooals gezegd is (vgl. het Tegenargument) : « 'n Geest heeft geen vleesch en beenderen, zooals gij ziet, dat ik heb. » Het vleesch echter genomen voor bederf, zal het niet bezitten. Vandaar wordt onmiddellijk in de woorden van den Apostel toegevoegd: « Noch het bederf de onbederfelijkheid. »252Antwoord op de Bedenkingen. — 1. “Vlees en bloed” wordt daar niet verstaan van de natuur van vlees en bloed, maar of van de schuld van vlees en bloed, zoals Gregorius zegt, of van het bederf van vlees en bloed: aangezien “er daar,” zoals Augustinus zegt, “geen bederf en sterfelijkheid van vlees en bloed meer zijn zal.” Het vlees als zelfstandigheid opgevat, bezit dus wel het rijk Gods, zoals gezegd is (vgl. het Tegenargument): “'n Geest heeft geen vlees en beenderen, zoals gij ziet, dat ik heb.” Het vlees echter genomen voor bederf, zal het niet bezitten. Vandaar wordt onmiddellijk in de woorden van de Apostel toegevoegd: “Noch het bederf de onbederfelijkheid.”
Ad secundum dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in eodem libro [cap. 1.], « fortassis, accepta occasione sanguinis, urgebit nos molestior perscrutator2, et dicet: Si sanguis » in corpore Christi resurgentis « fuit, cur non et pituita », idest phlegma; « cur non et fel flavum », idest cholera, « et fel nigrum », idest melancholia; « quibus quatuor humoribus naturam carnis temperari etiam medicinae disciplina testatur? Sed, quodlibet quisquis addat, corruptionem addere caveat: ne suae fidei sanitatem 253castitatemque corrumpat. Valet enim divina potentia de ista visibili atque tractabili natura corporum, quibusdam manentibus, auferre quas voluerit qualitates: ut absit labes, » scilicet corruptionis, « adsit effigies; adsit motio, absit fatigatio; adsit vescendi potestas, absit esuriendi necessitas ».
2. Augustinus zegt: « Misschien zal naar aanleiding van het bloed een vrij lastige onderzoeker ons in het nauw brengen en zeggen: Als in het lichaam » van den verrijzenden Christus « bloed was, waarom dan geen slijm, » d. i. flegma, « waarom ook geen gele gal, » d. i. cholera, « en zwarte gal, » d. i. melancholie, « door welke vier vochten de natuur van het vleesch beheerscht wordt, zooals ook de medicijn-leer getuigt? Maar wat iemand er ook aan moge toevoegen, hij wachte zich wel er bederf bij te doen, om niet de gezondheid en reinheid van zijn geloof te bederven. De goddelijke 253kracht kan immers van die zichtbare en tastbare lichamelijke natuur, met instandhouding van sommige kwaliteiten, andere wegnemen welke zij wil verwijderen, opdat de ineenstorting » nl. van het bederf, « zou uitblijven, en toch het voorkomen aanwezig zou zijn; de beweging er zijn zou, maar de vermoeienis ontbreken; het vermogen om te eten aanwezig zou zijn; en toch niet de noodzakelijkheid om honger te voelen. »2. Augustinus zegt: “Misschien zal naar aanleiding van het bloed een vrij lastige onderzoeker ons in het nauw brengen en zeggen: Als in het lichaam” van de verrijzende Christus “bloed was, waarom dan geen slijm,” d.i. flegma, “waarom ook geen gele gal,” d.i. cholera, “en zwarte gal,” d.i. melancholie, “door welke vier vochten de natuur van het vlees beheerst wordt, zoals ook de medicijn-leer getuigt? Maar wat iemand er ook aan moge toevoegen, hij wachte zich wel er bederf bij te doen, om niet de gezondheid en reinheid van zijn geloof te bederven. De goddelijke 253kracht kan immers van die zichtbare en tastbare lichamelijke natuur, met instandhouding van sommige kwaliteiten, andere wegnemen welke zij wil verwijderen, opdat de ineenstorting” nl. van het bederf, “zou uitblijven, en toch het voorkomen aanwezig zou zijn; de beweging er zijn zou, maar de vermoeienis ontbreken; het vermogen om te eten aanwezig zou zijn; en toch niet de noodzakelijkheid om honger te voelen.”
Ad tertium dicendum quod totus sanguis qui de corpore Christi fluxit, cum ad veritatem humanae naturae pertineat, in corpore Christi resurrexit. Et eadem ratio est de omnibus particulis ad veritatem et integritatem humanae naturae pertinentibus. Sanguis autem ille qui in quibusdam Ecclesiis pro reliquiis conservatur, non fluxit de latere Christi: sed miraculose dicitur effluxisse de quadam imagine Christi percussa.
3. Al het bloed, dat uit het lichaam van Christus vloeide, verrees in het lichaam van Christus, daar het behoort tot de waarachtige menschelijke natuur. En datzelfde gaat op van alle deeltjes, die door een echte en ongeschonden menschelijke natuur worden geëischt. Het bloed echter, dat in sommige kerken als relikwieën bewaard wordt, vloeide niet uit de zijde van Christus, maar daarvan zegt men, dat het op wonderbare wijze vloeide uit een stukgeslagen beeld van Christus.3. Al het bloed, dat uit het lichaam van Christus vloeide, verrees in het lichaam van Christus, daar het behoort tot de waarachtige menselijke natuur. En datzelfde gaat op van alle deeltjes, die door een echte en ongeschonden menselijke natuur worden geëist. Het bloed echter, dat in sommige kerken als relikwieën bewaard wordt, vloeide niet uit de zijde van Christus, maar daarvan zegt men, dat het op wonderbare wijze vloeide uit een stukgeslagen beeld van Christus.
Utrum Christi corpus resurrexerit gloriosum
Is het lichaam van Christus glorierijk verrezen?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod corpus Christi non resurrexerit 254gloriosum. Corpora enim gloriosa sunt fulgentia: secundum illud Matth. 13. [v. 43] : « Fulgebunt justi, sicut sol in regno Patris eorum ». Sed corpora fulgida videntur secundum rationem lucis, non autem secundum rationem coloris. Cum ergo corpus Christi visum fuerit sub coloris specie, sicut et prius videbatur, videtur quod non fuerit gloriosum.
Bedenkingen. — Men beweert, dat het lichaam van Christus 254niet glorierijk verrezen is. — 1. Glorievolle lichamen immers zijn vol schittering, volgens het woord van Mattheus (13. 43) : « De rechtvaardigen zullen schitteren als de zon, in het rijk van hun Vader. » De stralende lichamen echter worden gezien als verlicht, echter niet als gekleurd. Daar nu het lichaam van Christus werd gezien met een kleur-uiterlijk, zooals het eerst gezien werd, was het niet glorievol.Bedenkingen. — Men beweert, dat het lichaam van Christus 254niet glorierijk verrezen is. — 1. Glorievolle lichamen immers zijn vol schittering, volgens het woord van Matteüs (13, 43): “De rechtvaardigen zullen schitteren als de zon, in het rijk van hun Vader.” De stralende lichamen echter worden gezien als verlicht, echter niet als gekleurd. Daar nu het lichaam van Christus werd gezien met een kleur-uiterlijk, zoals het eerst gezien werd, was het niet glorievol.
2. Praeterea, corpus gloriosum est incorruptibile. Sed corpus Christi non videtur fuisse incorruptibile. Fuit enim palpabile: sicut et ipse dicit Luc. ult. [v. 39] : « Palpate, et videte ». Dicit autem Gregorius in quadam homil. [26. in Evang.], quod « corrumpi necesse est quod palpatur, et palpari non potest quod non corrumpitur ». Non ergo corpus Christi fuit gloriosum.
2. Een verheerlijkt lichaam is onbederfelijk. Maar het lichaam van Christus schijnt niet onbederfelijk geweest te zijn. Het was immers tastbaar, gelijk Hijzelf zegt bij Lucas (24. 39) : « Tast en ziet. » Gregorius echter zegt, dat « wat tastbaar is, noodzakelijk bederft, en wat niet bederft, is niet tastbaar. » Dus was het lichaam van Christus niet glorievol.2. Een verheerlijkt lichaam is onbederfelijk. Maar het lichaam van Christus schijnt niet onbederfelijk geweest te zijn. Het was immers tastbaar, gelijk Hijzelf zegt bij Lukas (24, 39): “Tast en ziet.” Gregorius echter zegt, dat “wat tastbaar is, noodzakelijk bederft, en wat niet bederft, is niet tastbaar.” Dus was het lichaam van Christus niet glorievol.
3. Praeterea, corpus gloriosum non est animale, sed spirituale: ut patet 1. ad Corinth. 15. [v. 35 ss.]. Sed corpus Christi videtur fuisse animale post resurrectionem: quia cum discipulis manducavit et bibit, ut legitur Luc. ult. [v. 41 ss.] et Joan. ult. [v. 9 ss.]. Ergo videtur quod corpus Christi non fuerit gloriosum.
3. Een verheerlijkt lichaam is niet dierlijk, maar geestelijk, zooals blijkt in den Eersten Brief aan de Corinthiërs (15. 35 vlg.). Het lichaam van Christus echter was dierlijk na de verrijzenis, daar Hij met de leerlingen at en dronk, zooals we lezen bij; Lucas (24. 41 vlg.) en Joannes (21. 9 vlg.). Dus was het lichaam van Christus niet glorievol.3. Een verheerlijkt lichaam is niet dierlijk, maar geestelijk, zoals blijkt in de Eerste Brief aan de Korintiërs (15, 35 vlg.). Het lichaam van Christus echter was dierlijk na de verrijzenis, daar Hij met de leerlingen at en dronk, zoals we lezen bij; Lukas (24, 41 vlg.) en Johannes (21, 9 vlg.). Dus was het lichaam van Christus niet glorievol.
Sed contra est quod Apostolus dicit, ad Philip. 3. [v. 21] : « 255Reformabit corpus humilitatis nostrae, configuratum corpori claritatis suae ».
Daartegenover staat echter, dat de Apostel in den Brief aan de 255Philippenssen (3. 21) zegt: « Hij zal ons vernederd lichaam herscheppen, gelijkvormig aan zijn verheerlijkt lichaam. »Daartegenover staat echter, dat de Apostel in de Brief aan de 255Filippenzen (3, 21) zegt: “Hij zal ons vernederd lichaam herscheppen, gelijkvormig aan zijn verheerlijkt lichaam.”
Respondeo dicendum quod corpus Christi in resurrectione fuit gloriosum. Et hoc apparet triplici ratione. Primo quidem, quia resurrectio Christi fuit exemplar et causa nostrae resurrectionis, ut habetur 1. ad Cor. 15. [v. 12 ss.]. Sancti autem in resurrectione habebunt corpora gloriosa: sicut ibidem dicitur [v. 43] : « Seminatur in ignobilitate, surget in gloria ». Unde, cum causa sit potior causato et exemplar exemplato, multo magis corpus Christi resurgentis fuit gloriosum. Secundo, quia per humilitatem passionis meruit gloriam resurrectionis. Unde et ipse dicebat [Joan. 12. v. 27], « Nunc anima mea turbata est », quod pertinet ad passionem: et postea subdit [v. 28], « Pater, clarifica nomen tuum », in quo petit gloriam resurrectionis. Tertio quia, sicut supra habitum est [q. 34. art. 4.], anima Christi a principio suae conceptionis fuit gloriosa per fruitionem divinitatis perfectam. Est autem dispensative factum, sicut supra dictum est [q. 14. art. 1. ad 2.], ut ab anima gloria non redundaret in corpus, ad 256hoc quod mysterium nostrae redemptionis sua passione impleret. Et ideo, peracto hoc mysterio passionis et mortis Christi, statim anima in corpus, in resurrectione resumptum, suam gloriam derivavit. Et ita factum est corpus illud gloriosum.
Leerstelling. — Het lichaam van Christus was bij zijn verrijzenis glorievol. En dit blijkt uit een drievoudige redeneering. — Vooreerst, omdat de verrijzenis van Christus het voorbeeld en de oorzaak van onze verrijzenis was, zooals gezegd wordt in den Eersten Brief aan de Corinthiërs (15. 12 vlg.). De heiligen nu zullen bij de verrijzenis verheerlijkte lichamen dragen, zooals daar gezegd wordt (v. 43) : « Het wordt gezaaid in oneer, het verrijst in heerlijkheid. » En omdat nu de oorzaak sterker is dan het veroorzaakte, en het voorbeeld sterker dan het afgebeelde, was nog veel meer Christus' lichaam vol heerlijkheid. — Ten tweede, omdat Hij door de vernedering van zijn lijden de glorie der verrijzenis verdiend heeft. Daarom zegt Hij ook zelf bij Joannes (12. 27) : « Nu is Mijn ziel in verwarring, » wat sloeg op zijn lijden; en vervolgens laat Hij volgen (v. 28) : « Vader, verheerlijk Uwen naam; » waarmede Hij vroeg om de glorie der verrijzenis. — Ten derde, omdat, zooals boven gezegd is (34e Kw. 4e Art.) de ziel van Christus van het begin zijner ontvangenis af glorievol was vanwege de volmaakte Godsgenieting. Zooals echter boven gezegd is (14e Kw. 1e Art. 2e Antw.), was het zóó beschikt, 256dat de heerlijkheid niet van de ziel op het lichaam overging, ten einde het geheim onzer verlossing door zijn lijden te voltrekken. En daarom liet de ziel, toen dit mysterie van het lijden en den dood van Christus voltrokken was, terstond haar glorie doorstralen in het lichaam, dat zij bij de verrijzenis weer aannam. En zoo werd dat lichaam glorievol.Leerstelling. — Het lichaam van Christus was bij zijn verrijzenis glorievol. En dit blijkt uit een drievoudige redenering. — Vooreerst, omdat de verrijzenis van Christus het voorbeeld en de oorzaak van onze verrijzenis was, zoals gezegd wordt in de Eerste Brief aan de Korintiërs (15, 12 vlg.). De heiligen nu zullen bij de verrijzenis verheerlijkte lichamen dragen, zoals daar gezegd wordt (v. 43): “Het wordt gezaaid in oneer, het verrijst in heerlijkheid.” En omdat nu de oorzaak sterker is dan het veroorzaakte, en het voorbeeld sterker dan het afgebeelde, was nog veel meer Christus' lichaam vol heerlijkheid. — Ten tweede, omdat Hij door de vernedering van zijn lijden de glorie van de verrijzenis verdiend heeft. Daarom zegt Hij ook zelf bij Johannes (12, 27): “Nu is Mijn ziel in verwarring,” wat sloeg op zijn lijden; en vervolgens laat Hij volgen (v. 28): “Vader, verheerlijk Uw naam;” waarmede Hij vroeg om de glorie van de verrijzenis. — Ten derde, omdat, zoals boven gezegd is (34e Kw. 4e Art.) de ziel van Christus van het begin van zijn ontvangenis af glorievol was vanwege de volmaakte Godsgenieting. Zoals echter boven gezegd is (14e Kw. 1e Art. 2e Antw.), was het zó beschikt, 256dat de heerlijkheid niet van de ziel op het lichaam overging, ten einde het geheim van onze verlossing door zijn lijden te voltrekken. En daarom liet de ziel, toen dit mysterie van het lijden en de dood van Christus voltrokken was, terstond haar glorie doorstralen in het lichaam, dat zij bij de verrijzenis weer aannam. En zo werd dat lichaam glorievol.
Ad primum ergo dicendum quod omne quod recipitur in aliquo, recipitur in eo secundum modum recipientis. Quia igitur gloria corporis derivatur ab anima, ut Augustinus dicit, in Epist. ad Dioscorum [quae est 56. cap. 3.], fulgor seu claritas corporis gloriosi est secundum colorem humano corpori naturalem: sicut vitrum diversimode coloratum recipit splendorem ex illustratione solis secundum modum sui coloris. Sicut autem in potestate hominis glorificati est ut corpus ejus videatur vel non videatur, sicut dictum est [art. 1. huj. q. ad 2.] ; ita in potestate ejus est quod claritas ejus videatur vel non videatur. Unde potest in suo colore sine aliqua claritate videri. Et hoc modo Christus suis discipulis post resurrectionem suam apparuit.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Alles wat ergens in opgenomen wordt, wordt naar den aard van den opnemer opgenomen. Aangezien nu de glorie van het lichaam voortvloeit uit de ziel, zooals Augustinus zegt, is de schittering of klaarheid van het verheerlijkt lichaam in den trant van de kleur, die het menschelijk lichaam eigen is; zooals het venster, dat verschillend gekleurd is, de schittering van de stralende zon opneemt naar den aard van zijn kleur. Gelijk de verheerlijkte mensch het echter in zijn macht heeft, dat zijn lichaam gezien of niet gezien wordt, zooals gezegd is (1e Art. van deze Kw. 2e Antw.), zoo heeft hij het ook in zijn macht of zijn heerlijkheid gezien wordt of niet. Vandaar kan Hij in zijn kleur zonder eenige heerlijkheid gezien worden. En op die manier verscheen Christus na zijn verrijzenis aan zijne leerlingen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Alles wat ergens in opgenomen wordt, wordt naar de aard van de opnemer opgenomen. Aangezien nu de glorie van het lichaam voortvloeit uit de ziel, zoals Augustinus zegt, is de schittering of klaarheid van het verheerlijkt lichaam in de trant van de kleur, die het menselijk lichaam eigen is; zoals het venster, dat verschillend gekleurd is, de schittering van de stralende zon opneemt naar de aard van zijn kleur. Gelijk de verheerlijkte mens het echter in zijn macht heeft, dat zijn lichaam gezien of niet gezien wordt, zoals gezegd is (1e Art. van deze Kw. 2e Antw.), zo heeft hij het ook in zijn macht of zijn heerlijkheid gezien wordt of niet. Vandaar kan Hij in zijn kleur zonder enige heerlijkheid gezien worden. En op die manier verscheen Christus na zijn verrijzenis aan zijn leerlingen.
Ad secundum dicendum quod corpus aliquod dicitur esse palpabile, non 257solum ratione resistentiae, sed ratione suae spissitudinis. Ad rarum autem et spissum sequuntur grave et leve, calidum et frigidum, et alia huiusmodi contraria, quae sunt principia corruptionis corporum elementarium. Unde et 1 corpus quod est palpabile humano tactu, est naturaliter corruptibile. Si autem sit aliquod corpus resistens tactui quod non sit dispositum secundum praedictas qualitates, quae sunt propria objecta tactus humani, sicut est corpus coeleste, tale corpus non potest dici palpabile. Corpus autem Christi post resurrectionem vere fuit ex elementis compositum, habens in se tangibiles qualitates, secundum quod requirit natura corporis humani: et ideo naturaliter erat palpabile. Et si nihil aliud habuisset supra corporis humani naturam, fuisset etiam corruptibile. Habuit autem aliquid aliud quod ipsum incorruptibile reddidit: non quidem naturam coelestis corporis, ut quidam dicunt, de quo infra magis inquiretur [vide Supplem. q. 82. art. 1.] ; sed gloriam redundantem ab anima beata; quia, ut Augustinus dicit in Epist. ad Dioscorum [quae est 56. cap. 3.], « tam potenti natura Deus fecit animam ut ex ejus plenissima beatitudine redundet in corpus 258plenitudo sanitatis, idest incorruptionis vigor ». Et ideo, sicut Gregorius dicit, ibidem, [l. c. in argum.], « ostenditur corpus Christi post resurrectionem fuisse ejusdem naturae, sed alterius gloriae ».
2. Een lichaam noemt men tastbaar niet alleen om zijn 257weerstand, maar ook om zijn vastheid. Uit ijlheid en vastheid volgen zwaar en licht gewicht, warm en koud en andere dergelijke tegenstellingen, die het beginsel zijn der corruptie der elementen. Vandaar is een lichaam, dat tastbaar is voor een menschelijke aanraking, van nature bederfelijk. Wanneer echter een lichaam niet vatbaar is voor aanraking, doordat het niet met voornoemde kwaliteiten is uitgerust, die het eigenlijke voorwerp zijn van menschelijke aanraking, zooals een hemelsch lichaam er een is, dan kan men niet zeggen, dat zoo 'n lichaam tastbaar is. Het lichaam van Christus nu was waarlijk na de verrijzenis een samenstelling uit elementen, en bezat in zich tastbare kwaliteiten, zooals dat de natuur van een menschelijk lichaam vereischt, en dus was het natuurlijkerwijze tastbaar. En zoo het niet iets anders bezeten had, dat boven de menschelijke natuur uitgaat, zou het ook bederfelijk geweest zijn. Het bezat echter nog iets anders, dat het onbederfelijk maakte, wel niet de natuur van een hemelsch lichaam, zooals sommigen zeggen, welk punt later breeder onderzocht zal worden (Zie 't Suppl. 82e Kw. 1e Art.) ; maar de glorie, welke voortvloeide uit de gezaligde ziel; aangezien, zooals Augustinus zegt, « God de ziel zulk een sterke natuur gaf, dat uit haar volledigste 258gelukzaligheid, de volledigste gezondheid in het lichaam voortvloeide, d. i. de kracht der onbederfelijkheid. » En aldus « blijkt, » zooals Gregorius zegt, « dat het lichaam van Christus na de verrijzenis van dezelfde natuur was, maar van een hoogere glorie. »2. Een lichaam noemt men tastbaar niet alleen om zijn 257weerstand, maar ook om zijn vastheid. Uit ijlheid en vastheid volgen zwaar en licht gewicht, warm en koud en andere dergelijke tegenstellingen, die het beginsel zijn van de corruptie van de elementen. Vandaar is een lichaam, dat tastbaar is voor een menselijke aanraking, van nature bederfelijk. Wanneer echter een lichaam niet vatbaar is voor aanraking, doordat het niet met voornoemde kwaliteiten is uitgerust, die het eigenlijke voorwerp zijn van menselijke aanraking, zoals een hemels lichaam er een is, dan kan men niet zeggen, dat zo 'n lichaam tastbaar is. Het lichaam van Christus nu was waarlijk na de verrijzenis een samenstelling uit elementen, en bezat in zich tastbare kwaliteiten, zoals dat de natuur van een menselijk lichaam vereist, en dus was het natuurlijkerwijze tastbaar. En zo het niet iets anders bezeten had, dat boven de menselijke natuur uitgaat, zou het ook bederfelijk geweest zijn. Het bezat echter nog iets anders, dat het onbederfelijk maakte, wel niet de natuur van een hemels lichaam, zoals sommigen zeggen, welk punt later breder onderzocht zal worden (Zie 't Suppl. 82e Kw. 1e Art.); maar de glorie, welke voortvloeide uit de gezaligde ziel; aangezien, zoals Augustinus zegt, “God de ziel zulk een sterke natuur gaf, dat uit haar volledigste 258gelukzaligheid, de volledigste gezondheid in het lichaam voortvloeide, d.i. de kracht van de onbederfelijkheid.” En aldus “blijkt,” zoals Gregorius zegt, “dat het lichaam van Christus na de verrijzenis van dezelfde natuur was, maar van een hogere glorie.”
Ad tertium dicendum quod, sicut Augustinus dicit, 13. de Civitate Dei [cap. 22.], « Salvator noster, post resurrectionem, jam quidem in spirituali carne, sed tamen vera, cibum et potum cum discipulis sumpsit, non alimentorum indigentia, sed ea qua hoc poterat potestate ». Ut enim Beda dicit, super Luc. [expos. lib. 6. ad cap. 24. v. 41] : « Aliter absorbet aquam terra sitiens, aliter solis radius calens: illa indigentia, iste potentia ». Manducavit ergo post resurrectionem, « non quasi cibo indigens, sed ut eo modo naturam corporis resurgentis adstrueret ». Et propter hoc non sequitur, quod fuerit ejus corpus animale, quod est indigens cibo.
3. Augustinus zegt: « Onze Zaligmaker gebruikt na zijn verrijzenis in zijn wel geestelijk, maar toch waarachtig vleesch, spijs en drank met zijn leerlingen, niet uit behoefte aan voedsel, maar met die macht, waarmede Hij dit kon. » Want, zooals Beda zegt, « slurpt de dorstige aarde het water anders op dan de warme zonnestraal; de eerste doet dit uit behoeftigheid, de tweede uit kracht. » Hij at derhalve na zijn verrijzenis, « niet alsof Hij spijs behoefde, maar om op die wijze de natuur van zijn verrijzend lichaam duidelijk te toonen. » En daarom volgt daaruit niet, dat zijn lichaam een dierlijk lichaam was, dat behoefte heeft aan spijs.3. Augustinus zegt: “Onze Zaligmaker gebruikt na zijn verrijzenis in zijn wel geestelijk, maar toch waarachtig vlees, spijs en drank met zijn leerlingen, niet uit behoefte aan voedsel, maar met die macht, waarmede Hij dit kon.” Want, zoals Beda zegt, “slurpt de dorstige aarde het water anders op dan de warme zonnestraal; de eerste doet dit uit behoeftigheid, de tweede uit kracht.” Hij at derhalve na zijn verrijzenis, “niet alsof Hij spijs behoefde, maar om op die wijze de natuur van zijn verrijzend lichaam duidelijk te tonen.” En daarom volgt daaruit niet, dat zijn lichaam een dierlijk lichaam was, dat behoefte heeft aan spijs.
Utrum corpus Christi debuerit cum cicatricibus resurgere
Moest het lichaam van Christus met zijn wondeteekenen verrijzen?Moest het lichaam van Christus met zijn wondetekenen verrijzen?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod corpus Christi non debuerit 259cum cicatricibus resurgere. Dicitur enim 1. ad Corinth. 15. [v. 52], quod « mortui resurgent incorrupti ». Sed et cicatrices et vulnera ad quandam corruptionem pertinent et defectum. Non ergo fuit conveniens ut Christus, qui est resurrectionis auctor, cum cicatricibus resurgeret.
Bedenkingen. — Men beweert, dat het lichaam van Christus 259niet met zijn wondeteekenen verrijzen moest. — 1. In den Eersten Brief aan de Corinthiërs (15. 52) immers wordt gezegd, dat « de dooden verrijzen zullen in onbederfelijkheid. » Maar zoowel de wondeteekenen als de wonden wijzen op een zeker bederf en gebrekkigheid. Het was derhalve niet passend, dat Christus, die de bewerker van de verrijzenis is, verrees met de teekenen van de wonden.Bedenkingen. — Men beweert, dat het lichaam van Christus 259niet met zijn wondetekenen verrijzen moest. — 1. In de Eerste Brief aan de Korintiërs (15, 52) immers wordt gezegd, dat “de doden verrijzen zullen in onbederfelijkheid.” Maar zowel de wondetekenen als de wonden wijzen op een zeker bederf en gebrekkigheid. Het was derhalve niet passend, dat Christus, die de bewerker van de verrijzenis is, verrees met de tekenen van de wonden.
2. Praeterea, corpus Christi integrum resurrexit, sicut dictum est [art. 2. huj. q.]. Sed aperturae vulnerum contrariantur integritati corporis: quia per eas discontinuatur corpus. Non ergo videtur fuisse conveniens quod in corpore Christi aperturae vulnerum remanerent: etsi remanerent ibi quaedam vulnerum insignia, quae sufficiebant ad aspectum, ad quem Thomas credidit, cui dictum est: « Quia vidisti me, Thoma, credidisti » [Joan. 20. v. 29].
2. Het lichaam van Christus is ongeschonden verrezen, zooals gezegd werd (1e Art. van deze Kw.). De openingen der wonden echter zijn in strijd met de ongeschondenheid van het lichaam, wijl het lichaam daardoor wordt verscheurd. Het was derhalve niet passend, dat in het lichaam van Christus de openingen der wonden nableven; ook al bleven er eenige teekenen der wonden, die voor het gezicht voldoende waren, op welk gezicht Thomas geloofde, tot wien gezegd werd: « Omdat gij Mij gezien hebt, Thomas, hebt gij geloofd. » (Joan. 20. 29).2. Het lichaam van Christus is ongeschonden verrezen, zoals gezegd werd (1e Art. van deze Kw.). De openingen van de wonden echter zijn in strijd met de ongeschondenheid van het lichaam, wijl het lichaam daardoor wordt verscheurd. Het was derhalve niet passend, dat in het lichaam van Christus de openingen van de wonden nableven; ook al bleven er enige tekenen van de wonden, die voor het gezicht voldoende waren, op welk gezicht Thomas geloofde, tot wie gezegd werd: “Omdat gij Mij gezien hebt, Thomas, hebt gij geloofd.” (Joh. 20. 29).
3. Praeterea, Damascenus dicit in 4. lib. [Orth. Fid. cap. 18.], quod « post resurrectionem de Christo dicuntur quaedam vere, quae non habuit secundum naturam, sed secundum dispensationem, ad certificandum quod ipsum quod passum est corpus resurrexit, ut cicatrices ». Cessante autem causa, cessat effectus. Ergo videtur, quod certificatis discipulis de 260sua resurrectione, cicatrices ulterius non habuerit. Sed non conveniebat immutabilitati gloriae quod aliquid assumeret quod perpetuo in eo non remaneret. Ergo videtur quod non debuerit corpus cum cicatricibus in resurrectione resumere.
3. Damascenus zegt, dat « na de verrijzenis sommige dingen naar waarheid van Christus gezegd worden, die Hij niet van nature had, maar krachtens een beschikking, om aan te toonen, dat hetzelfde lichaam, dat geleden had, ook verrees, zooals de wondeteekenen. » Wanneer de oorzaak echter wordt weggenomen, houdt ook het effect op. Dus schijnt het, dat Hij na de leerlingen 260verzekerd te hebben aangaande zijn verrijzenis, verder geen wondeteekenen meer droeg. Maar het paste niet bij de onveranderlijkheid van zijn glorie, dat Hij iets aannam, wat niet voor altijd bij Hem bleef. Dus moest Hij bij zijn verrijzenis niet weer een lichaam aannemen met de teekenen der wonden.3. Damascenus zegt, dat “na de verrijzenis sommige dingen naar waarheid van Christus gezegd worden, die Hij niet van nature had, maar krachtens een beschikking, om aan te tonen, dat hetzelfde lichaam, dat geleden had, ook verrees, zoals de wondetekenen.” Wanneer de oorzaak echter wordt weggenomen, houdt ook het effect op. Dus schijnt het, dat Hij na de leerlingen 260verzekerd te hebben aangaande zijn verrijzenis, verder geen wondetekenen meer droeg. Maar het paste niet bij de onveranderlijkheid van zijn glorie, dat Hij iets aannam, wat niet voor altijd bij Hem bleef. Dus moest Hij bij zijn verrijzenis niet weer een lichaam aannemen met de tekenen van de wonden.
Sed contra est quod Dominus dicit Thomae, Joan. 20. [v. 27] : « Infer digitum tuum huc, et vide manus meas, et affer manum tuam et mitte in latus meum, et noli esse incredulus, sed fidelis ».
Daartegenover staat echter, dat de Heer bij Joannes (20. 27) tot Thomas zegt: « Leg uw vinger hierin en bezie Mijn handen, en kom met uw hand en leg ze in Mijn zijde, en wees niet ongeloovig, maar geloovig. »Daartegenover staat echter, dat de Heer bij Johannes (20, 27) tot Thomas zegt: “Leg uw vinger hierin en bezie Mijn handen, en kom met uw hand en leg ze in Mijn zijde, en wees niet ongelovig, maar gelovig.”
Respondeo dicendum quod conveniens fuit animam Christi in resurrectione corpus cum cicatricibus resumere. Primo quidem, propter gloriam ipsius Christi. Dicit enim Beda super Lucam [expos. lib. 6. ad cap. 24. v. 40], quod non ex impotentia curandi cicatrices servavit, sed « ut in perpetuum victoriae suae circumferat triumphum ». Unde et Augustinus dicit, in 22. de Civ. Dei [cap. 19.], quod « fortassis in illo regno in corporibus martyrum videbimus vulnerum cicatrices quae pro Christi nomine pertulerunt: non enim deformitas in eis, sed dignitas erit; et quaedam, 261quamvis in corpore, non corporis, sed virtutis pulchritudo fulgebit ». Secundo, ad confirmandum corda discipulorum circa fidem suae resurrectionis. Tertio, ut Patri, pro nobis supplicans, quale genus mortis pro homine pertulerit, semper ostendat. Quarto, ut sua morte redemptis quam misericorditer sint adjuti, propositis ejusdem mortis indiciis, insinuet. Postremo, ut in judicio quam juste damnentur, ibidem denuntiet. Unde, sicut Augustinus dicit in libro 2. de Symbolo [cap. 8.] : « Sciebat Christus quare cicatrices in suo corpore servaret. Sicut enim demonstravit Thomae non credenti nisi tangeret et videret, ita etiam inimicis vulnera demonstraturus est sua, ut convincens eos Veritas dicat: Ecce hominem quem crucifixistis. Videtis vulnera quae inflixistis. Agnoscitis latus quod pupugistis. Quoniam per vos, et propter vos apertum est: nec tamen intrare voluistis ».
Leerstelling. — Het was passend, dat de ziel van Christus bij de verrijzenis het lichaam met zijn wondeteekenen aannam. — Vooreerst om de glorie van Christus zelf. Want Beda zegt, dat Hij de wondeteekenen behield, niet uit onvermogen om ze te genezen, maar « om voor altijd den triomf van zijn overwinning in zich rond te dragen. » Daarom ook zegt Augustinus, dat « wij misschien in dat rijk in de lichamen der martelaren de teekenen der wonden zullen zien, welke zij voor Christus' naam opliepen; dit zal immers geen misvorming voor hen zijn, maar een eer; en er zal 261een schoonheid schitteren, die, hoewel in het lichaam, toch niet van het lichaam, maar van de deugd is. » — Ten tweede, om de harten der leerlingen te bevestigen in het geloof aangaande zijn verrijzenis. — Ten derde, om wanneer Hij den Vader voor ons smeekt, altijd te toonen, wat voor dood Hij voor den mensch verduurde. — Ten vierde, om hen, die door zijn dood verlost zijn, te laten zien, met wat een barmhartigheid zij geholpen zijn, door hen de teekenen van zijn dood voor oogen te stellen. — Ten slotte, om bij het oordeel te laten zien, hoe rechtvaardig er veroordeeld worden. Daarom, gelijk Augustinus zegt, « wist Christus, waarom Hij de wondeteekenen in zijn lichaam bewaarde. Want zooals Hij ze toonde aan Thomas, die niet geloofde, tenzij hij ze aanraakte en zag, zoo zal Hij zijn wonden ook toonen aan zijn vijanden, zoodat de Waarheid, die hen overwint, dan zegt: Ziedaar den mensch, dien gij gekruisigd hebt. Gij ziet de wonden, die gij geslagen hebt. Gij aanschouwt de zijde, die gij doorboord hebt. Want door u en om u is zij geopend; en toch hebt gij niet willen binnentreden. »Leerstelling. — Het was passend, dat de ziel van Christus bij de verrijzenis het lichaam met zijn wondetekenen aannam. — Vooreerst om de glorie van Christus zelf. Want Beda zegt, dat Hij de wondetekenen behield, niet uit onvermogen om ze te genezen, maar “om voor altijd de triomf van zijn overwinning in zich rond te dragen.” Daarom ook zegt Augustinus, dat “wij misschien in dat rijk in de lichamen van de martelaren de tekenen van de wonden zullen zien, welke zij voor Christus' naam opliepen; dit zal immers geen misvorming voor hen zijn, maar een eer; en er zal 261een schoonheid schitteren, die, hoewel in het lichaam, toch niet van het lichaam, maar van de deugd is.” — Ten tweede, om de harten van de leerlingen te bevestigen in het geloof aangaande zijn verrijzenis. — Ten derde, om wanneer Hij de Vader voor ons smeekt, altijd te tonen, wat voor dood Hij voor de mens verduurde. — Ten vierde, om hen, die door zijn dood verlost zijn, te laten zien, met wat een barmhartigheid zij geholpen zijn, door hen de tekenen van zijn dood voor ogen te stellen. — Ten slotte, om bij het oordeel te laten zien, hoe rechtvaardig er veroordeeld worden. Daarom, gelijk Augustinus zegt, “wist Christus, waarom Hij de wondetekenen in zijn lichaam bewaarde. Want zoals Hij ze toonde aan Thomas, die niet geloofde, tenzij hij ze aanraakte en zag, zo zal Hij zijn wonden ook tonen aan zijn vijanden, zodat de Waarheid, die hen overwint, dan zegt: Ziedaar de mens, die gij gekruisigd hebt. Gij ziet de wonden, die gij geslagen hebt. Gij aanschouwt de zijde, die gij doorboord hebt. Want door u en om u is zij geopend; en toch hebt gij niet willen binnentreden.”
Ad primum ergo dicendum quod cicatrices illae quae in corpore Christi permanserunt, non pertinent ad corruptionem vel defectum: sed ad 262majorem cumulum gloriae, inquantum sunt quaedam virtutis insignia. Et in illis locis vulnerum quidam specialis decor apparebit.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Die wondeteekenen, die in het lichaam van Christus bleven, hebben niets uit te staan 262met bederf, of gebreken, maar zij strekken tot grootere overmaat van glorie, in zooverre zij teekenen zijn van deugd. En op die wondeplekken, zal een bijzondere schoonheid stralen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Die wondetekenen, die in het lichaam van Christus bleven, hebben niets uit te staan 262met bederf, of gebreken, maar zij strekken tot grotere overmaat van glorie, in zoverre zij tekenen zijn van deugd. En op die wondeplekken, zal een bijzondere schoonheid stralen.
Ad secundum dicendum quod illa apertura vulnerum, quamvis sit cum quadam solutione continuitatis, totum tamen hoc recompensatur per majorem decorem gloriae: ut corpus non sit minus integrum, sed magis perfectum. Thomas autem non solum vidit, sed etiam vulnera tetigit: quia, ut dicit Leo Papa [id habet Augustinus serm. 56. in append. opp.], « suffecit sibi ad fidem propriam vidisse quod viderat; sed nobis operatus est ut tangeret quem videbat ».
2. Hoewel de opening der wonden in een zekere verscheuring van 't doorloopend geheel bestaat, wordt dit toch geheel en al vergoed door de grootere schittering der glorie, zoodat het lichaam niet minder ongeschonden is, maar meer volmaakt. Thomas echter zag niet alleen de wonden, maar raakte ze ook aan, daar « het voor hem voor zijn eigen geloof voldoende was, te zien wat hij gezien heeft, maar om ons heeft hij het gedaan, dat hij ook aanraakte, wat hij zag, » zooals paus Leo zegt.2. Hoewel de opening van de wonden in een zekere verscheuring van 't doorlopend geheel bestaat, wordt dit toch geheel en al vergoed door de grotere schittering van de glorie, zodat het lichaam niet minder ongeschonden is, maar meer volmaakt. Thomas echter zag niet alleen de wonden, maar raakte ze ook aan, daar “het voor hem voor zijn eigen geloof voldoende was, te zien wat hij gezien heeft, maar om ons heeft hij het gedaan, dat hij ook aanraakte, wat hij zag,” zoals paus Leo zegt.
Ad tertium dicendum quod Christus in suo corpore voluit cicatrices vulnerum remanere. non solum ad certificandum discipulorum fidem, sed etiam propter alias rationes. Ex quibus apparet quod semper in ejus corpore cicatrices illae remanebunt. Quia, ut Augustinus dicit, ad Consentium de Resurrectione carnis [epist. 146. cap. 1.] : « Domini corpus in coelo esse credo ut erat quando ascendit in coelum ». Et Gregorius, 14. Moral. [cap. 29.] dicit, quod, « si quid in corpore Christi post resurrectionem potuit immutari, contra veridicam Pauli sententiam, post resurrectionem 263Dominus rediit in mortem. Quod quis dicere nisi stultus praesumat, qui veram carnis resurrectionem denegat? » Unde patet quod cicatrices quas Christus post resurrectionem in suo corpore ostendit, nunquam postmodum ab illo corpore sunt remotae.
3. Christus wilde, dat in zijn lichaam de teekenen der wonden bleven, niet alleen om het geloof der leerlingen te bevestigen, maar ook om andere redenen. Hieruit blijkt, dat die wondeteekenen ook altijd in zijn lichaam zullen blijven, aangezien, zooals Augustinus zegt « ik geloof, dat 't lichaam van den Heer in den Hemel is, zooals het was, toen Hij ten hemel opsteeg. » En Gregorius zegt, dat « als iets in het lichaam van Christus na de verrijzenis kon veranderen, dan is, tegen de waarachtige leer van Paulus in, de Heer na zijn verrijzenis in den dood weergekeerd. En wie zou dit 263durven zeggen, tenzij de dwaas, die de ware verrijzenis des vleesches ontkent? » En daaruit blijkt, dat de wondeteekenen, die Christus na zijn verrijzenis in zijn lichaam vertoonde, later nooit uit dat lichaam zijn weggenomen.3. Christus wilde, dat in zijn lichaam de tekenen van de wonden bleven, niet alleen om het geloof van de leerlingen te bevestigen, maar ook om andere redenen. Hieruit blijkt, dat die wondetekenen ook altijd in zijn lichaam zullen blijven, aangezien, zoals Augustinus zegt “ik geloof, dat 't lichaam van de Heer in de Hemel is, zoals het was, toen Hij ten hemel opsteeg.” En Gregorius zegt, dat “als iets in het lichaam van Christus na de verrijzenis kon veranderen, dan is, tegen de waarachtige leer van Paulus in, de Heer na zijn verrijzenis in de dood weergekeerd. En wie zou dit 263durven zeggen, tenzij de dwaas, die de ware verrijzenis van het vlees ontkent?” En daaruit blijkt, dat de wondetekenen, die Christus na zijn verrijzenis in zijn lichaam vertoonde, later nooit uit dat lichaam zijn weggenomen.