Theologische Summa · Tertia Pars · Zijn verheffingSumma · III · Zijn verheffingSumma · III · Kw. 56Kw. 56
Quaestio LVI

De resurrectionis Christi causalitate, in duos articulos divisa

Kwestie 56

Over de oorzakelijkheid van Christus' verrijzenis

(Twee Artikelen)

299Deinde considerandum est de causalitate resurrectionis Christi.

299Vervolgens moeten wij handelen over de oorzakelijkheid van Christus' verrijzenis;

Et circa hoc quaeruntur duo: 1. Utrum resurrectio Christi sit causa nostrae resurrectionis. — 2. Utrum resurrectio Christi sit causa nostrae justificationis.

en hieromtrent stellen wij twee vragen: 1. Is de verrijzenis van Christus oorzaak van onze verrijzenis? 2. Is de verrijzenis van Christus oorzaak van onze rechtvaardiging?

Articulus I

Utrum resurrectio Christi sit causa resurrectionis corporum

[4. Dist. 43. art. 2. qla. 1. et lib. 4. Contr. g. cap. 79. et Verit. q. 29. art. 4. ad 1. et Comp. Theol. cap. 239. et 1. Cor. cap. 15. lect. 2.]
Ie Artikel

Is de verrijzenis van Christus oorzaak van de verrijzenis der lichamen?Is de verrijzenis van Christus oorzaak van de verrijzenis van de lichamen?

antwoord 1 ↓

Ad primum sic proceditur. Videtur quod resurrectio Christi non sit 300causa resurrectionis corporum. Posita enim causa sufficienti, necesse est effectum poni. Si ergo resurrectio Christi est causa sufficiens resurrectionis corporum, statim, eo resurgente, omnes mortui resurgere debuerunt.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de verrijzenis van 300Christus geen oorzaak is van de verrijzenis der lichamen. — 1. Immers, eenmaal een voldoende oorzaak gegeven, dan moet ook het effect volgen. Wanneer derhalve de verrijzenis van Christus een voldoende oorzaak is voor de verrijzenis der lichamen, dan moesten ook terstond bij zijn verrijzenis alle dooden verrijzen.Bedenkingen. — Men beweert, dat de verrijzenis van 300Christus geen oorzaak is van de verrijzenis van de lichamen. — 1. Immers, eenmaal een voldoende oorzaak gegeven, dan moet ook het effect volgen. Wanneer derhalve de verrijzenis van Christus een voldoende oorzaak is voor de verrijzenis van de lichamen, dan moesten ook terstond bij zijn verrijzenis alle doden verrijzen.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, causa resurrectionis mortuorum est divina justitia; ut scilicet corpora simul praemientur vel puniantur cum animabus, sicut communicaverunt in merito vel peccato; ut dicit Dionysius ult. cap. Coel. Hierar., et etiam Damascenus dicit in 4. lib. [Orth. Fid. cap. 27.]. Sed justitiam Dei necesse esset impleri, etiamsi Christus non resurrexisset. Ergo etiam Christo non resurgente, mortui resurgerent. Non ergo resurrectio Christi est causa resurrectionis corporum.

2. Oorzaak van de verrijzenis der dooden is de goddelijke gerechtigheid, opdat nl. de lichamen tegelijk met de zielen zouden beloond of gestraft worden, zooals zij deel hebben gehad aan de verdienste of de zonde, zooals Dionysius zegt en ook Damascenus. De gerechtigheid van God echter moest noodzakelijk vervuld worden, ook als Christus niet verrezen was. Dus zouden de dooden ook verrijzen, als Christus niet verrezen was. Dus is Christus' verrijzenis geen oorzaak van de verrijzenis der lichamen.2. Oorzaak van de verrijzenis van de doden is de goddelijke gerechtigheid, opdat nl. de lichamen tegelijk met de zielen zouden beloond of gestraft worden, zoals zij deel hebben gehad aan de verdienste of de zonde, zoals Dionysius zegt en ook Damascenus. De gerechtigheid van God echter moest noodzakelijk vervuld worden, ook als Christus niet verrezen was. Dus zouden de doden ook verrijzen, als Christus niet verrezen was. Dus is Christus' verrijzenis geen oorzaak van de verrijzenis van de lichamen.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, si resurrectio Christi sit causa resurrectionis corporum, aut esset causa exemplaris; aut causa effectiva; aut meritoria. Sed non est causa exemplaris. Quia resurrectionem corporum Deus operabitur: secundum illud Joan. 5. [v. 21] : « Sicut Pater suscitat mortuos ». Deus autem non indiget inspicere ad aliquod exemplar extra se. Similiter etiam non est causa effectiva. Quia causa efficiens non agit nisi per contactum, 301vel spiritualem vel corporalem. Manifestum est autem quod resurrectio Christi non habet contactum corporalem ad mortuos qui resurgent, propter distantiam temporis et loci. Similiter etiam nec contactum spiritualem, qui est per fidem et charitatem: quia etiam infideles et peccatores resurgent. Neque etiam est causa meritoria. Quia Christus resurgens jam non erat viator: et ita non erat in statu merendi. Et ita nullo modo resurrectio Christi videtur esse causa nostrae resurrectionis.

3. Als de verrijzenis van Christus oorzaak is van de verrijzenis der lichamen, dan zou zij ofwel de voorbeeldende oorzaak zijn, ofwel de uitwerkende, ofwel de verdienende oorzaak. Zij is echter geen voorbeeldende oorzaak. Want God zal de verrijzenis der lichamen bewerken, volgens het woord van Joannes (5. 21) : « Zooals de Vader de dooden opwekt. » God nu behoeft niet te zien naar een voorbeeld buiten zich. — Evenzoo is zij ook geen uitwerkende oorzaak. Want de uitwerkende oorzaak werkt alleen 301maar door contact, dat geestelijk of lichamelijk is. Het is echter duidelijk, dat de verrijzenis van Christus geen lichamelijk contact heeft met de dooden, die zullen verrijzen, wegens den afstand van tijd en plaats. Evenmin echter geestelijk contact, dat plaats heeft door geloof en liefde, daar ook de ongeloovigen en de zondaars zullen verrijzen. — Ook is zij geen verdienende oorzaak. Want de verrijzende Christus was geen pelgrim meer, en aldus niet in den toestand om te verdienen. En zoo schijnt de verrijzenis van Christus op geen enkele wijze oorzaak van onze verrijzenis te zijn.3. Als de verrijzenis van Christus oorzaak is van de verrijzenis van de lichamen, dan zou zij ofwel de voorbeeldende oorzaak zijn, ofwel de uitwerkende, ofwel de verdienende oorzaak. Zij is echter geen voorbeeldende oorzaak. Want God zal de verrijzenis van de lichamen bewerken, volgens het woord van Johannes (5, 21): “Zoals de Vader de doden opwekt.” God nu behoeft niet te zien naar een voorbeeld buiten zich. — Evenzo is zij ook geen uitwerkende oorzaak. Want de uitwerkende oorzaak werkt alleen 301maar door contact, dat geestelijk of lichamelijk is. Het is echter duidelijk, dat de verrijzenis van Christus geen lichamelijk contact heeft met de doden, die zullen verrijzen, wegens de afstand van tijd en plaats. Evenmin echter geestelijk contact, dat plaats heeft door geloof en liefde, daar ook de ongelovigen en de zondaars zullen verrijzen. — Ook is zij geen verdienende oorzaak. Want de verrijzende Christus was geen pelgrim meer, en aldus niet in de toestand om te verdienen. En zo schijnt de verrijzenis van Christus op geen enkele wijze oorzaak van onze verrijzenis te zijn.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, cum mors sit privatio vitae, nihil videtur esse aliud destruere mortem quam reducere vitam, quod pertinet ad resurrectionem. Sed Christus moriendo mortem nostram destruxit. Ergo mors Christi est causa nostrae resurrectionis. Non ergo ejus resurrectio.

4. Aangezien de dood het gemis van het leven beteekent, schijnt het vernietigen van den dood niet anders te zijn, als het terugvoeren van het leven, hetgeen behoort tot de verrijzenis. Christus heeft echter door te sterven onzen dood te niet gedaan. Dus is de dood van Christus oorzaak van onze verrijzenis. En dus niet zijn verrijzenis.4. Aangezien de dood het gemis van het leven betekent, schijnt het vernietigen van de dood niet anders te zijn, als het terugvoeren van het leven, hetgeen behoort tot de verrijzenis. Christus heeft echter door te sterven onze dood te niet gedaan. Dus is de dood van Christus oorzaak van onze verrijzenis. En dus niet zijn verrijzenis.

Sed contra est quod, super illud 1. ad Cor. 15. [v. 12] : « Si Christus praedicatur quod resurrexit a mortuis », etc., dicit Glossa [interl.] : « Qui est causa efficiens resurrectionis nostrae ».

Daartegenover staat echter, wat de Glossa zegt aangaande de woorden in den Eersten Brief aan de Corinthiërs (15. 12) : « Indien wij preeken, dat Christus van de dooden is opgestaan, » enz.: « die de uitwerkende oorzaak van onze verrijzenis is. »Daartegenover staat echter, wat de Glossa zegt aangaande de woorden in de Eerste Brief aan de Korintiërs (15, 12): “Indien wij preken, dat Christus van de doden is opgestaan,” enz.: “die de uitwerkende oorzaak van onze verrijzenis is.”

302Respondeo dicendum quod « illud quod est primum in quolibet genere, est causa omnium quae sunt post », ut dicitur in 2. Metaph. [Averr. text. 4; cfr. Did. lib. 1. α. cap. 1. n. 5. St. Thom. lect. 2.]. Primum autem in genere verae resurrectionis fuit resurrectio Christi, sicut ex supradictis patet [q. 53. art. 3.]. Unde oportet quod resurrectio Christi sit causa nostrae resurrectionis. Et hoc est quod Apostolus dicit, 1. Cor. 15. [v. 20 et 21] : « Christus resurrexit a mortuis primitiae dormientium: quoniam quidem per hominem mors, et per hominem resurrectio mortuorum ». Et hoc rationabiliter. Nam principium humanae vivificationis est Verbum Dei, de quo dicitur in Psal. 35. [v. 10] : « Apud te est fons vitae » : unde et ipse dicit Joan. 5. [v. 21] : « Sicut Pater suscitat mortuos et vivificat, sic et Filius, quos vult, vivificat ».

302Leerstelling. — « Wat het eerste is in een bepaalde orde van zaken is oorzaak van allen, die daarop volgen, » staat in de Metaphysica. In de orde nu der ware verrijzenis, was de verrijzenis van Christus het eerste, zooals uit het bovengezegde blijkt (53e Kw. 3e Art.). Dus moet de verrijzenis van Christus oorzaak van onze verrijzenis zijn. En dit wordt bedoeld, als de Apostel zegt in den Eersten Brief aan de Corinthiërs (15. 20, 21) : « Christus is van de dooden verrezen, als eersteling onder hen, die ontslapen zijn; want door één mensch immers is de dood gekomen, en door één mensch de verrijzenis der dooden. » En dit is redelijk ook. Want het beginsel der levendmaking van een mensch is het Woord Gods, waarvan gezegd wordt in het Boek der Psalmen (35. 10) : « Bij U is de bron van het leven; » vandaar dat Hij ook zelf zegt bij Joannes (5. 21) : « Zooals de Vader de dooden opwekt en levend maakt, zoo ook maakt de Zoon levend, wien Hij wil. »302Leerstelling. — “Wat het eerste is in een bepaalde orde van zaken is oorzaak van allen, die daarop volgen,” staat in de Metafysica. In de orde nu van de ware verrijzenis, was de verrijzenis van Christus het eerste, zoals uit het bovengezegde blijkt (53e Kw. 3e Art.). Dus moet de verrijzenis van Christus oorzaak van onze verrijzenis zijn. En dit wordt bedoeld, als de Apostel zegt in de Eerste Brief aan de Korintiërs (15, 20, 21): “Christus is van de doden verrezen, als eersteling onder hen, die ontslapen zijn; want door één mens immers is de dood gekomen, en door één mens de verrijzenis van de doden.” En dit is redelijk ook. Want het beginsel van de levendmaking van een mens is het Woord Gods, waarvan gezegd wordt in het Boek van de Psalmen (35, 10)a: “Bij U is de bron van het leven;” vandaar dat Hij ook zelf zegt bij Johannes (5, 21): “Zoals de Vader de doden opwekt en levend maakt, zo ook maakt de Zoon levend, wie Hij wil.”

Habet autem hoc naturalis ordo rerum divinitus institutus ut quaelibet causa primo operetur in id quod est sibi propinquius, et per illud operetur in alia magis remota: sicut ignis primo calefacit aërem sibi propinquum, per quem calefacit corpora distantia; et ipse Deus primo illuminat substantias sibi magis propinquas, per quas 303illuminat magis remotas, ut Dionysius dicit cap. 13. Coel. Hier. Et ideo Verbum Dei primo tribuit vitam immortalem corpori sibi naturaliter unito, et per ipsum operatur resurrectionem in omnibus aliis.

De natuurlijke ordening der dingen, die van Godswege is ingesteld, is nu van dien aard, dat iedere oorzaak het eerst inwerkt op datgene, wat haar het meest nabij is, en hierdoor weer op datgene wat meer verwijderd is; gelijk het vuur het eerst de lucht warm maakt, die dicht nabij is, waardoor het weer de verder afzijnde lichamen verwarmt; en ook God het eerst de zelfstandigheden, die 303Hem het meest nabij zijn verlicht, en door deze de meer verwijderde, zooals Dionysius zegt. En daarom schenkt het Woord Gods het eerst het onsterfelijke leven aan het lichaam, dat van nature met Hem vereenigd is, en door dit werkt Hij de verrijzenis uit in alle andere.De natuurlijke ordening van de dingen, die van Godswege is ingesteld, is nu van die aard, dat iedere oorzaak het eerst inwerkt op datgene, wat haar het meest nabij is, en hierdoor weer op datgene wat meer verwijderd is; gelijk het vuur het eerst de lucht warm maakt, die dicht nabij is, waardoor het weer de verder afzijnde lichamen verwarmt; en ook God het eerst de zelfstandigheden, die 303Hem het meest nabij zijn verlicht, en door deze de meer verwijderde, zoals Dionysius zegt. En daarom schenkt het Woord Gods het eerst het onsterfelijke leven aan het lichaam, dat van nature met Hem verenigd is, en door dit werkt Hij de verrijzenis uit in alle andere.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod, sicut dictum est [in corp. art.], resurrectio Christi est causa nostrae resurrectionis per virtutem Verbi uniti. Quod quidem operatur secundum voluntatem. Et ideo non oportet quod statim sequatur effectus, sed secundum dispositionem Verbi Dei: ut scilicet primo conformemur Christo patienti et morienti in hac vita passibili et mortali, deinde perveniamus ad participandum similitudinem resurrectionis ipsius.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zooals gezegd is in de leerstelling, is de verrijzenis van Christus oorzaak van onze verrijzenis door de kracht van het Woord, dat ermee vereenigd is. Dit werkt echter, zooals het wil. En daarom is het niet noodig, dat het effect onmiddellijk volgt, maar overeenkomstig de beschikking van het Woord Gods, dat wij nl. eerst gelijkvormig zouden worden aan den lijdenden en stervenden Christus in dit lijdelijk en sterfelijk leven; en vervolgens zouden komen tot deelgenootschap aan de gelijkenis van zijn verrijzenis.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoals gezegd is in de leerstelling, is de verrijzenis van Christus oorzaak van onze verrijzenis door de kracht van het Woord, dat ermee verenigd is. Dit werkt echter, zoals het wil. En daarom is het niet nodig, dat het effect onmiddellijk volgt, maar overeenkomstig de beschikking van het Woord Gods, dat wij nl. eerst gelijkvormig zouden worden aan de lijdenden en stervenden Christus in dit lijdelijk en sterfelijk leven; en vervolgens zouden komen tot deelgenootschap aan de gelijkenis van zijn verrijzenis.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod justitia Dei est causa prima resurrectionis nostrae: resurrectio autem Christi est causa secundaria, et quasi instrumentalis. Licet autem virtus principalis agentis non determinetur ad hoc instrumentum determinate, tamen, ex quo per hoc instrumentum operatur, instrumentum illud est causa efficiens. Sic ergo divina justitia, quantum 304est de se, non est obligata ad resurrectionem nostram causandam per resurrectionem Christi: potuit enim alio modo nos Deus liberare quam per Christi passionem et resurrectionem, ut supra dictum est [q. 46. art. 2.]. Ex quo tamen decrevit hoc modo nos liberare, manifestum est quod resurrectio Christi est causa nostrae resurrectionis.

2. De gerechtigheid van God is de eerste oorzaak van onze verrijzenis, maar de verrijzenis van Christus is een secundaire en a. h. w. werktuigelijke oorzaak. Hoewel nu de kracht van de voornaamste uitwerkende oorzaak niet op dit bepaalde instrument is aangewezen, volgt toch uit het feit, dat met dit instrument gewerkt wordt, dat dit instrument uitwerkende oorzaak is. Zoo is de 304goddelijke gerechtigheid, wat haar zelf aangaat, niet verplicht, om onze verrijzenis te veroorzaken door de verrijzenis van Christus: God kon ons immers op een andere wijze bevrijden, als door het lijden en de verrijzenis van Christus, zooals boven gezegd is (46e Kw. 2e Art.). Omdat Hij echter besloot ons op deze manier te redden, is het duidelijk, dat de verrijzenis van Christus oorzaak is van onze verrijzenis.2. De gerechtigheid van God is de eerste oorzaak van onze verrijzenis, maar de verrijzenis van Christus is een secundaire en a. h. w. werktuigelijke oorzaak. Hoewel nu de kracht van de voornaamste uitwerkende oorzaak niet op dit bepaalde instrument is aangewezen, volgt toch uit het feit, dat met dit instrument gewerkt wordt, dat dit instrument uitwerkende oorzaak is. Zo is de 304goddelijke gerechtigheid, wat haarzelf aangaat, niet verplicht, om onze verrijzenis te veroorzaken door de verrijzenis van Christus: God kon ons immers op een andere wijze bevrijden, als door het lijden en de verrijzenis van Christus, zoals boven gezegd is (46e Kw. 2e Art.). Omdat Hij echter besloot ons op deze manier te redden, is het duidelijk, dat de verrijzenis van Christus oorzaak is van onze verrijzenis.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod resurrectio Christi non est, proprie loquendo, causa meritoria nostrae resurrectionis: sed est causa efficiens et exemplaris. Efficiens quidem, inquantum humanitas Christi, secundum quam resurrexit, est quodammodo instrumentum divinitatis ipsius, et operatur in virtute ejus, ut supra dictum est [q. 13. art. 2. et 3.]. Et ideo, sicut alia quae Christus in sua humanitate fecit vel passus est, ex virtute divinitatis ejus sunt nobis salutaria, ut supra dictum est [q. 48. art. 6.] ; ita et resurrectio Christi est causa efficiens nostrae resurrectionis virtute divina, cujus proprium est mortuos vivificare. Quae quidem virtus praesentialiter attingit omnia loca et tempora. Et talis contactus virtualis sufficit ad rationem hujus efficientiae. Et quia, ut dictum est [in solut. praec.], 305primordialis causa resurrectionis humanae est divina justitia, ex qua Christus habet potestatem judicium facere inquantum Filius hominis est, virtus effectiva resurrectionis ejus se extendit non solum ad bonos, sed etiam ad malos, qui sunt ejus judicio subjecti. Sicut autem resurrectio corporis Christi, ex eo quod corpus illud est personaliter Verbo unitum, est « prima tempore », ita etiam est « prima dignitate et perfectione », ut dicit Glossa [interl.] 1. ad Cor. 15. [v. 20 et 23]. Semper autem id quod est perfectissimum, est exemplar ejus quod est minus perfectum secundum suum modum. Et ideo resurrectio Christi est causa exemplaris nostrae resurrectionis. Quod quidem necessarium est, non ex parte resuscitantis, qui non indiget exemplari: sed ex parte resuscitatorum, quos oportet illi resurrectioni conformari, secundum illud Philip. 3. [v. 21] : « Reformabit corpus humilitatis nostrae, configuratum corpori claritatis suae ». Licet autem efficientia resurrectionis Christi se extendat ad resurrectionem tam bonorum quam malorum, exemplaritas tamen ejus se extendit proprie solum ad bonos, qui sunt facti conformes filiationis ipsius, ut dicitur Rom. 8. [v. 29].

3. De verrijzenis van Christus is in eigenlijken zin geen verdienende oorzaak van onze verrijzenis, maar zij is uitwerkende en voorbeeldende oorzaak. En wel uitwerkend, in zoover de menschheid van Christus, waarin Hij verrezen is, in zekeren zin instrument van de Godheid is en in haar kracht werkt, zooals boven gezegd is (13e Kw. 2e en 3e Art.). En daarom zooals de andere dingen, welke Christus in zijn menschheid deed of leed, uit kracht van zijn Godheid ons heilzaam zijn, zooals boven gezegd werd (48e Kw. 6e Art.), zoo is ook de verrijzenis van Christus de uitwerkende oorzaak van onze verrijzenis, door de goddelijke kracht, waaraan het eigen is dooden levend te maken. En deze kracht omvat alle plaatsen en tijden met haar tegenwoordigheid. En zulk een contact, dat door kracht tot stand komt, is voldoende voor deze uitwerkende oorzakelijkheid. En omdat, zooals gezegd is (in vorig Antw.), de 305goddelijke gerechtigheid, waaraan Christus als Zoon der menschen de macht ontleent om te oordeelen, de eerste oorzaak is van de verrijzenis der menschen, strekt de uitwerkende kracht van zijn verrijzenis zich niet alleen uit tot de goeden, maar ook tot de slechten, die aan zijn oordeel onderworpen zijn. Zooals echter de verrijzenis van Christus' lichaam « in tijd de eerste » is, omdat dit lichaam in persoon met het Woord vereenigd is, zoo is zij ook « de eerste in waardigheid en volmaaktheid, » zooals de Glossa zegt. Altijd echter is wat het volmaaktste is, het voorbeeld van datgene, wat op zijn manier minder volmaakt is. En daarom is de verrijzenis van Christus de voorbeeldende oorzaak van onze verrijzenis. Dit is ook noodzakelijk, niet van den kant van Hem, die opwekt, daar Hij geen voorbeeld noodig heeft, maar van den kant van hen, die opgewekt worden, daar zij gelijkvormig moeten worden aan die verrijzenis, volgens het woord in den Brief aan de Philippensen (3. 21) : « Hij zal het lichaam van onze vernedering hervormen in gelijkvormigheid aan het lichaam van zijn heerlijkheid. » Hoewel nu de uitwerking van Christus' verrijzenis zich uitstrekt tot de verrijzenis van de goeden, zoowel als van de kwaden, strekt zijn voorbeeld-zijn zich in eigenlijken zin alleen uit tot de goeden, die gelijkvormig geworden zijn aan zijn zoonschap, zooals gezegd wordt in den Brief aan de Romeinen (8. 29).3. De verrijzenis van Christus is in eigenlijke zin geen verdienende oorzaak van onze verrijzenis, maar zij is uitwerkende en voorbeeldende oorzaak. En wel uitwerkend, in zover de mensheid van Christus, waarin Hij verrezen is, in zekeren zin instrument van de Godheid is en in haar kracht werkt, zoals boven gezegd is (13e Kw. 2e en 3e Art.). En daarom zoals de andere dingen, welke Christus in zijn mensheid deed of leed, uit kracht van zijn Godheid ons heilzaam zijn, zoals boven gezegd werd (48e Kw. 6e Art.), zo is ook de verrijzenis van Christus de uitwerkende oorzaak van onze verrijzenis, door de goddelijke kracht, waaraan het eigen is doden levend te maken. En deze kracht omvat alle plaatsen en tijden met haar tegenwoordigheid. En zulk een contact, dat door kracht tot stand komt, is voldoende voor deze uitwerkende oorzakelijkheid. En omdat, zoals gezegd is (in vorig Antw.), de 305goddelijke gerechtigheid, waaraan Christus als Zoon van de mensen de macht ontleent om te oordelen, de eerste oorzaak is van de verrijzenis van de mensen, strekt de uitwerkende kracht van zijn verrijzenis zich niet alleen uit tot de goeden, maar ook tot de slechten, die aan zijn oordeel onderworpen zijn. Zoals echter de verrijzenis van Christus' lichaam “in tijd de eerste” is, omdat dit lichaam in persoon met het Woord verenigd is, zo is zij ook “de eerste in waardigheid en volmaaktheid,” zoals de Glossa zegt. Altijd echter is wat het volmaaktste is, het voorbeeld van datgene, wat op zijn manier minder volmaakt is. En daarom is de verrijzenis van Christus de voorbeeldende oorzaak van onze verrijzenis. Dit is ook noodzakelijk, niet van de kant van Hem, die opwekt, daar Hij geen voorbeeld nodig heeft, maar van de kant van hen, die opgewekt worden, daar zij gelijkvormig moeten worden aan die verrijzenis, volgens het woord in de Brief aan de Filippenzen (3, 21): “Hij zal het lichaam van onze vernedering hervormen in gelijkvormigheid aan het lichaam van zijn heerlijkheid.” Hoewel nu de uitwerking van Christus' verrijzenis zich uitstrekt tot de verrijzenis van de goeden, zowel als van de kwaden, strekt zijn voorbeeld-zijn zich in eigenlijke zin alleen uit tot de goeden, die gelijkvormig geworden zijn aan zijn zoonschap, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (8, 29).

↑ bedenking 4

306Ad quartum dicendum quod, secundum rationem efficientiae, quae dependet ex virtute divina, communiter tam mors Christi quam etiam resurrectio est causa tam destructionis mortis quam reparationis vitae. Sed secundum rationem exemplaritatis, mors Christi, per quam recessit a vita mortali, est causa destructionis mortis nostrae: resurrectio vero ejus, per quam inchoavit vitam immortalem, est causa reparationis vitae nostrae. Passio tamen Christi est insuper causa meritoria, ut supra dictum est [q. 48. art. 1.].

3064. Onder het opzicht van uitwerking, welke afhangt van de goddelijke kracht, is in het algemeen zoowel de dood van Christus als zijn verrijzenis, oorzaak, zoowel van de vernietiging van den dood als van het herstel van het leven. Maar onder het opzicht van voorbeeld-zijn is Christus' dood, waardoor Hij heenging uit het sterfelijk leven, oorzaak van de vernietiging van onzen dood; zijn verrijzenis echter, waardoor Hij het onsterfelijke leven begon, oorzaak van het herstel van ons leven. 't Lijden van Christus echter is daarenboven verdienende oorzaak, zooals boven gezegd is (48e Kw. 1e Art.).3064. Onder het opzicht van uitwerking, welke afhangt van de goddelijke kracht, is in het algemeen zowel de dood van Christus als zijn verrijzenis, oorzaak, zowel van de vernietiging van de dood als van het herstel van het leven. Maar onder het opzicht van voorbeeld-zijn is Christus' dood, waardoor Hij heenging uit het sterfelijk leven, oorzaak van de vernietiging van onze dood; zijn verrijzenis echter, waardoor Hij het onsterfelijke leven begon, oorzaak van het herstel van ons leven. 't Lijden van Christus echter is daarenboven verdienende oorzaak, zoals boven gezegd is (48e Kw. 1e Art.).

Articulus II

Utrum resurrectio Christi sit causa resurrectionis animarum

[4. Dist. 49. expos. litt. et lib. 4. Contr. g. cap. 79. et Verit. q. 27. art. 3. ad 7. et q. 29. art. 4. ad 1. et Comp. Theol. cap. 239.]
IIe Artikel

Is de verrijzenis van Christus oorzaak van de verrijzenis der zielen.Is de verrijzenis van Christus oorzaak van de verrijzenis van de zielen.

antwoord 1 ↓

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod resurrectio Christi non sit causa resurrectionis animarum. Dicit enim Augustinus super Joan. [tract. 23. ante med.], quod « corpora resurgunt per dispensationem humanam, 307sed animae resurgunt per substantiam Dei ». Sed resurrectio Christi non pertinet ad substantiam Dei, sed ad dispensationem humanam. Ergo resurrectio Christi, etsi sit causa resurrectionis corporum, non tamen videtur esse causa resurrectionis animarum.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de verrijzenis van Christus geen oorzaak is van de verrijzenis der zielen. — 1. Augustinus immers zegt, dat « de lichamen verrijzen door een 307menschelijke werking, maar de zielen door de zelfstandigheid van God. » Christus' verrijzenis behoort echter niet tot de zelfstandigheid van God, maar bij de menschelijke werking. Dus ofschoon de verrijzenis van Christus oorzaak is van de verrijzenis der lichamen, is zij toch geen oorzaak van de verrijzenis der zielen.Bedenkingen. — Men beweert, dat de verrijzenis van Christus geen oorzaak is van de verrijzenis van de zielen. — 1. Augustinus immers zegt, dat “de lichamen verrijzen door een 307menselijke werking, maar de zielen door de zelfstandigheid van God.” Christus' verrijzenis behoort echter niet tot de zelfstandigheid van God, maar bij de menselijke werking. Dus ofschoon de verrijzenis van Christus oorzaak is van de verrijzenis van de lichamen, is zij toch geen oorzaak van de verrijzenis van de zielen.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, corpus non agit in spiritum. Sed resurrectio Christi pertinet ad corpus ejus, quod cecidit per mortem. Ergo resurrectio Christi non est causa resurrectionis animarum.

2. Een lichaam werkt niet in op een geest. De verrijzenis van Christus nu is iets van zijn lichaam, dat viel door den dood. Dus is Christus' verrijzenis geen oorzaak van de verrijzenis der zielen.2. Een lichaam werkt niet in op een geest. De verrijzenis van Christus nu is iets van zijn lichaam, dat viel door de dood. Dus is Christus' verrijzenis geen oorzaak van de verrijzenis van de zielen.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, quia resurrectio Christi est causa resurrectionis corporum, omnia corpora resurgent: secundum illud 1. ad Cor. 15. [v. 51] : « Omnes quidem resurgemus ». Sed non omnium animae resurgent: quia quidam « ibunt in supplicium aeternum », ut dicitur Matth. 25. [v. 46]. Ergo resurrectio Christi non est causa resurrectionis animarum.

3. Wijl de verrijzenis van Christus oorzaak is van de verrijzenis der lichamen, zullen de lichamen van allen verrijzen, overeenkomstig het woord in den Eersten Brief aan de Corinthiërs (15. 51) : « Allen zullen we wel verrijzen. » Maar niet zullen de zielen van allen verrijzen, daar sommigen « zullen gaan in de eeuwige straf, » zooals gezegd wordt bij Mattheus (25. 46). Dus is de verrijzenis van Christus geen oorzaak van de verrijzenis der zielen.3. Wijl de verrijzenis van Christus oorzaak is van de verrijzenis van de lichamen, zullen de lichamen van allen verrijzen, overeenkomstig het woord in de Eerste Brief aan de Korintiërs (15, 51): “Allen zullen we wel verrijzen.” Maar niet zullen de zielen van allen verrijzen, daar sommigen “zullen gaan in de eeuwige straf,” zoals gezegd wordt bij Matteüs (25, 46). Dus is de verrijzenis van Christus geen oorzaak van de verrijzenis van de zielen.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, resurrectio animarum fit per remissionem peccatorum. Sed hoc factum est per Christi passionem: secundum illud Apoc. 1. [v. 5] : « Lavit nos a peccatis nostris in sanguine suo ». Ergo resurrectionis animarum magis est causa Christi passio quam ejus resurrectio.

4. De verrijzenis der zielen geschiedt door de vergiffenis der zonden. Dit is echter gebeurd door het lijden van Christus, overeenkomstig 't woord in het Boek der Openbaring (1. 5) : « Hij heeft ons in zijn bloed van onze zonden gereinigd. » Dus is meer het lijden van Christus, dan zijn verrijzenis oorzaak van de verrijzenis der zielen.4. De verrijzenis van de zielen geschiedt door de vergiffenis van de zonden. Dit is echter gebeurd door het lijden van Christus, overeenkomstig 't woord in het Boek van de Openbaring (1, 5): “Hij heeft ons in zijn bloed van onze zonden gereinigd.” Dus is meer het lijden van Christus, dan zijn verrijzenis oorzaak van de verrijzenis van de zielen.

308Sed contra est quod Apostolus dicit Rom. 4. [v. 25] : « Resurrexit propter justificationem nostram »: quae nihil aliud est quam resurrectio animarum. Et super illud Ps. 29. [v. 6] : « Ad vesperum demorabitur fletus », dicit Glossa quod « resurrectio Christi est causa resurrectionis nostrae et animae in praesenti, et corporis in futuro ».

308Daartegenover staat echter, dat de Apostel zegt in den Brief aan de Romeinen (4. 25) : « Hij is verrezen tot onze rechtvaardigmaking, » welke niets anders is dan de verrijzenis der zielen. En naar aanleiding van het gezegde in het Boek der Psalmen (29. 6) : « Des avonds zal er geween zijn » zegt de Glossa, dat « de verrijzenis van Christus oorzaak van onze verrijzenis is, zoowel van de ziel in het heden, als van het lichaam in de toekomst. »308Daartegenover staat echter, dat de Apostel zegt in de Brief aan de Romeinen (4, 25): “Hij is verrezen tot onze rechtvaardigmaking,” welke niets anders is dan de verrijzenis van de zielen. En naar aanleiding van het gezegde in het Boek van de Psalmen (29, 6)a: “'s avonds zal er geween zijn” zegt de Glossa, dat “de verrijzenis van Christus oorzaak van onze verrijzenis is, zowel van de ziel in het heden, als van het lichaam in de toekomst.”

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est [art. praec. ad 3.], resurrectio Christi agit in virtute divinitatis. Quae quidem se extendit non solum ad resurrectionem corporum, sed etiam ad resurrectionem animarum: a Deo enim est et quod anima vivat per gratiam, et quod corpus vivat per animam. Et ideo resurrectio Christi habet instrumentaliter virtutem effectivam non solum respectu resurrectionis corporum, sed etiam respectu resurrectionis animarum. Similiter etiam habet rationem exemplaritatis respectu resurrectionis animarum. Quia Christo resurgenti debemus etiam secundum animam conformari: « ut sicut », secundum Apostolum, Rom. 6. [v. 4], « Christus surrexit a mortuis per gloriam Patris, ita et nos in 309novitate vitae ambulemus » ; et sicut ipse « resurgens ex mortuis jam non moritur, ita et nos existimemus nos mortuos esse peccato », ut iterum « vivamus cum illo » [v. 8, 9 et 11].

Leerstelling. — Zooals gezegd werd (in het vorige Art. 3e Antw.), werkt de verrijzenis van Christus uit de kracht der Godheid. Deze strekt zich nu niet alleen uit tot de verrijzenis der lichamen, maar ook tot de verrijzenis der zielen; van God immers komt het voort, zoowel dat de ziel leeft door de genade, als dat het lichaam leeft door de ziel. En daarom heeft de verrijzenis van Christus op werktuigelijke wijze een uitwerkende kracht, niet alleen met betrekking tot de verrijzenis der lichamen, maar ook tot de verrijzenis der zielen. — Evenzoo heeft zij ook de beteekenis van voorbeeld te zijn voor de verrijzenis der zielen. Want ook naar de ziel moeten wij gelijkvormig worden aan den verrezen Christus, volgens den Apostel in den Brief aan de Romeinen (6. 4) : « Opdat zooals Christus uit den dood verrees door de glorie van den Vader, zoo ook wij zouden wandelen in een 309vernieuwd leven; » en zooals Hij, « opstaande uit de dooden niet meer sterft, zoo ook wij ons gestorven zouden achten aan de zonde, » om opnieuw « met Hem te leven. » (v. 8, 9, 11)Leerstelling. — Zoals gezegd werd (in het vorige Art. 3e Antw.), werkt de verrijzenis van Christus uit de kracht van de Godheid. Deze strekt zich nu niet alleen uit tot de verrijzenis van de lichamen, maar ook tot de verrijzenis van de zielen; van God immers komt het voort, zowel dat de ziel leeft door de genade, als dat het lichaam leeft door de ziel. En daarom heeft de verrijzenis van Christus op werktuigelijke wijze een uitwerkende kracht, niet alleen met betrekking tot de verrijzenis van de lichamen, maar ook tot de verrijzenis van de zielen. — Evenzo heeft zij ook de betekenis van voorbeeld te zijn voor de verrijzenis van de zielen. Want ook naar de ziel moeten wij gelijkvormig worden aan de verrezen Christus, volgens de Apostel in de Brief aan de Romeinen (6, 4): “Opdat zoals Christus uit de dood verrees door de glorie van de Vader, zo ook wij zouden wandelen in een 309vernieuwd leven;” en zoals Hij, “opstaande uit de doden niet meer sterft, zo ook wij ons gestorven zouden achten aan de zonde,” om opnieuw “met Hem te leven.” (v. 8, 9, 11)

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod Augustinus dicit resurrectionem animarum fieri per Dei substantiam, quantum ad participationem: quia scilicet participando divinam bonitatem animae fiunt bonae et justae, non autem participando quamcumque creaturam. Unde, cum dixisset: « Animae resurgunt per substantiam Dei », subdit: « Participatione enim Dei fit anima beata, non participatione animae sanctae ». Sed participando gloriam corporis Christi, efficiuntur corpora nostra gloriosa.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Augustinus zegt, dat de verrijzenis der zielen geschiedt door Gods zelfstandigheid, wat het deelhebben betreft, wijl de zielen nl. door deel te hebben aan de goddelijke goedheid goed en rechtvaardig worden, maar niet door deel te hebben aan welk schepsel ook. En als hij daarom zegt: « De zielen verrijzen door Gods zelfstandigheid, » dan voegt hij er aan toe: « Door immers deel te hebben aan God wordt de ziel zalig, niet door deel te hebben aan een heilige ziel. » Door deel te hebben echter aan de glorie van Christus' lichaam, worden onze lichamen glorievol.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Augustinus zegt, dat de verrijzenis van de zielen geschiedt door Gods zelfstandigheid, wat het deelhebben betreft, wijl de zielen nl. door deel te hebben aan de goddelijke goedheid goed en rechtvaardig worden, maar niet door deel te hebben aan welk schepsel ook. En als hij daarom zegt: “De zielen verrijzen door Gods zelfstandigheid,” dan voegt hij er aan toe: “Door immers deel te hebben aan God wordt de ziel zalig, niet door deel te hebben aan een heilige ziel.” Door deel te hebben echter aan de glorie van Christus' lichaam, worden onze lichamen glorievol.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod efficientia resurrectionis Christi pertingit ad animas, non per propriam virtutem ipsius corporis resurgentis, sed per virtutem divinitatis, cui personaliter unitur.

2. De uitwerking van Christus' verrijzenis strekt zich tot de zielen uit, niet door een eigen kracht van het verrezen lichaam, maar door de kracht der Godheid, waarmee het in persoon vereenigd is.2. De uitwerking van Christus' verrijzenis strekt zich tot de zielen uit, niet door een eigen kracht van het verrezen lichaam, maar door de kracht van de Godheid, waarmee het in persoon verenigd is.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod resurrectio animarum pertinet ad meritum, quod est effectus justificationis: sed resurrectio corporum ordinatur ad poenam vel praemium, quae sunt effectus judicantis. Ad Christum autem non 310pertinet justificare omnes, sed judicare. Et ideo omnes resuscitat secundum corpus, sed non omnes secundum animam.

3. De verrijzenis der zielen houdt verband met de verdienste, die een effect is der rechtvaardigmaking; maar de verrijzenis der lichamen is geordend op de straf of de belooning, die effecten zijn van Hem, die oordeelt. Het komt Christus nu niet toe om allen 310rechtvaardig te maken, maar om te oordeelen. Daarom wekt Hij allen op naar het lichaam, maar niet allen naar de ziel.3. De verrijzenis van de zielen houdt verband met de verdienste, die een effect is van de rechtvaardigmaking; maar de verrijzenis van de lichamen is geordend op de straf of de beloning, die effecten zijn van Hem, die oordeelt. Het komt Christus nu niet toe om allen 310rechtvaardig te maken, maar om te oordelen. Daarom wekt Hij allen op naar het lichaam, maar niet allen naar de ziel.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum quod in justificatione animarum duo concurrunt: scilicet remissio culpae, et novitas vitae per gratiam. Quantum ergo ad efficientiam, quae est per virtutem divinam, tam passio Christi quam resurrectio est causa justificationis quoad utrumque. Sed quantum ad exemplaritatem, proprie passio et mors Christi est causa remissionis culpae, per quam morimur peccato: resurrectio autem Christi est causa novitatis vitae, quae est per gratiam sive justitiam. Et ideo Apostolus dicit Rom. 4. [v. 25], quod « traditus est », scilicet in mortem, « propter delicta nostra », scilicet tollenda, « et resurrexit propter justificationem nostram ». Sed passio Christi est etiam causa meritoria, ut dictum est [art. praec. ad 4.].

4. De rechtvaardigmaking der zielen omsluit een dubbel element, nl. de vergiffenis der schuld, en de nieuwheid van leven door de genade. — Wat derhalve de uitwerking betreft, die geschiedt door Gods kracht, is zoowel Christus' lijden als zijn verrijzenis oorzaak der rechtvaardigmaking in beide opzichten. — Maar wat het voorbeeld-zijn aangaat is in eigenlijken zin het lijden en de dood van Christus, oorzaak van de vergiffenis der schuld, waardoor wij sterven aan de zonde; maar de verrijzenis van Christus is oorzaak van de nieuwheid van leven, die door de genade of de gerechtigheid is. Daarom zegt de Apostel in den Brief aan de Romeinen (4. 25), dat « Hij overgeleverd is, » nl. tot den dood « om onze misslagen, » nl. om ze weg te nemen; « en verrezen is om onze rechtvaardigmaking. » Het lijden van Christus echter is ook verdienende oorzaak, zooals gezegd is (vorige Art. 4e Antw.).4. De rechtvaardigmaking van de zielen omsluit een dubbel element, nl. de vergiffenis van de schuld, en de nieuwheid van leven door de genade. — Wat derhalve de uitwerking betreft, die geschiedt door Gods kracht, is zowel Christus' lijden als zijn verrijzenis oorzaak van de rechtvaardigmaking in beide opzichten. — Maar wat het voorbeeld-zijn aangaat is in eigenlijke zin het lijden en de dood van Christus, oorzaak van de vergiffenis van de schuld, waardoor wij sterven aan de zonde; maar de verrijzenis van Christus is oorzaak van de nieuwheid van leven, die door de genade of de gerechtigheid is. Daarom zegt de Apostel in de Brief aan de Romeinen (4, 25), dat “Hij overgeleverd is,” nl. tot de dood “om onze misslagen,” nl. om ze weg te nemen; “en verrezen is om onze rechtvaardigmaking.” Het lijden van Christus echter is ook verdienende oorzaak, zoals gezegd is (vorige Art. 4e Antw.).