Theologische Summa · Tertia Pars · Zijn verheffingSumma · III · Zijn verheffingSumma · III · Kw. 58Kw. 58
Quaestio LVIII

De sessione Christi ad dexteram Patris, in quatuor articulos divisa

Kwestie 58

Over het zitten van Christus aan de rechterhand des VadersOver het zitten van Christus aan de rechterhand van de Vader

(Vier Artikelen)

340Deinde considerandum est de sessione Christi ad dexteram Patris.

340Vervolgens moeten wij handelen over het zitten van Christus aan de rechterhand des Vaders;340Vervolgens moeten wij handelen over het zitten van Christus aan de rechterhand van de Vader;

Et circa hoc quaeruntur quatuor: 1. Utrum Christus sedeat ad dexteram Dei Patris. — 2. Utrum hoc conveniat sibi secundum divinam naturam. — 3. Utrum conveniat sibi secundum humanam naturam. — 4. Utrum hoc sit proprium Christi.

en hieromtrent stellen wij vier vragen: 1. Zit Christus aan de rechterhand van God den Vader? 2. Komt Hem dit toe krachtens zijn goddelijke natuur? 3. Komt Hem dit toe krachtens zijn menschelijke natuur? 4. Is dit iets eigens van Christus ?en hieromtrent stellen wij vier vragen: 1. Zit Christus aan de rechterhand van God de Vader? 2. Komt Hem dit toe krachtens zijn goddelijke natuur? 3. Komt Hem dit toe krachtens zijn menselijke natuur? 4. Is dit iets eigens van Christus?

Articulus I

Utrum Christo conveniat sedere ad dexteram Dei Patris

[3. Dist. 22. q. 3. art. 3. qla. 2. et 2. Comp. Theol. cap. 246. et ad Hebr. 8. lect. 1.]
Ie Artikel

Komt het Christus toe te zitten aan de rechterhand van God den Vader?Komt het Christus toe te zitten aan de rechterhand van God de Vader?

antwoord 1 ↓

Ad primum sic proceditur. Videtur quod Christo non conveniat sedere 341ad dexteram Dei Patris. Dextera enim et sinistra sunt differentiae positionum corporalium. Sed nihil corporale convenit Deo: quia « Deus spiritus est », ut habetur Joan. 4. [v. 24]. Ergo videtur quod Christus non sedeat ad dexteram Patris.

Bedenkingen. — Men beweert, dat het Christus niet toekomt 341te zitten aan de rechterhand van God den Vader. — 1. Rechtsch en linksch zijn verschillen van lichamelijke standen. Aan God echter komt niets lichamelijks toe, daar « God geest is, » zooals staat bij Joannes (4. 24). Dus zit Christus niet aan de rechterhand van den Vader.Bedenkingen. — Men beweert, dat het Christus niet toekomt 341te zitten aan de rechterhand van God de Vader. — 1. Rechts en links zijn verschillen van lichamelijke standen. Aan God echter komt niets lichamelijks toe, daar “God geest is,” zoals staat bij Johannes (4, 24). Dus zit Christus niet aan de rechterhand van de Vader.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, si aliquis sedet ad dexteram alicujus, ille sedet ad sinistram ejus. Si ergo Christus sedet ad dexteram Patris, sequitur quod Pater sedeat ad sinistram Filii. Quod est inconveniens.

2. Als men aan de rechterhand van iemand zit, dan zit die ander aan diens linker. Als Christus derhalve aan de rechterhand des Vaders zit, dan volgt daaruit, dat de Vader zit aan de linkerhand van den Zoon. Dit is echter niet passend.2. Als men aan de rechterhand van iemand zit, dan zit die ander aan diens linker. Als Christus derhalve aan de rechterhand van de Vader zit, dan volgt daaruit, dat de Vader zit aan de linkerhand van de Zoon. Dit is echter niet passend.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, sedere et stare videntur oppositionem habere. Sed Stephanus dicit, Act. 7. [v. 55] : « Ecce, video coelos apertos, et Filium hominis stantem a dextris virtutis Dei ». Ergo videtur quod Christus non sedeat ad dexteram Patris.

3. Zitten en staan zijn tegengesteld aan elkaar. Stephanus nu zegt in de Handelingen der Apostelen (7. 55) : « Zie, ik zie de hemelen geopend, en den Zoon des menschen, staande aan de rechterhand der kracht Gods. » Dus zit Christus niet aan de rechterhand des Vaders.3. Zitten en staan zijn tegengesteld aan elkaar. Stephanus nu zegt in de Handelingen van de Apostelen (7, 55): “Zie, ik zie de hemelen geopend, en de Mensenzoon, staande aan de rechterhand van de kracht Gods.” Dus zit Christus niet aan de rechterhand van de Vader.

Sed contra est quod dicitur Marc. ult. [v. 19] : « Dominus quidem Jesus, postquam locutus est eis, ascendit in coelum, et sedet a dextris Dei ».

Daartegenover staat echter, dat bij Marcus (16. 19) gezegd wordt: « De Heer Jesus nu, is, nadat Hij tot hen gesproken had, ten hemel opgeklommen, en zit aan de rechterhand Gods. »Daartegenover staat echter, dat bij Marcus (16, 19) gezegd wordt: “De Heer Jesus nu, is, nadat Hij tot hen gesproken had, ten hemel opgeklommen, en zit aan de rechterhand Gods.”

Respondeo dicendum quod in nomine sessionis possumus duo considerare: videlicet quietem, secundum illud Luc. ult. [v. 49] : « Sedete hic 342in civitate » ; et etiam regiam vel judiciariam potestatem, secundum illud Proverb. 20. [v. 8] : « Rex qui sedet in solio judicii, dissipat omne malum intuitu suo ». Utroque ergo modo Christo convenit sedere ad dexteram Patris. Uno quidem modo, inquantum aeternaliter manet incorruptibilis in beatitudine Patris, quae ejus dextera dicitur, secundum illud Ps. 15. [v. 11] : « Delectationes in dextera tua usque in finem ». Unde Augustinus dicit in lib. 1. de Symbolo [cap. 4.] : « Sedet ad dexteram Patris: sedere-habitare-intelligite: quomodo dicimus de quocumque homine, in illa patria sedit per tres annos. Sic ergo credite Christum habitare in dextera Dei Patris: beatus enim est, et ipsius beatitudinis nomen est dextera Patris ». Alio modo dicitur Christus sedere in dextera Dei Patris, inquantum Patri conregnat, et ab eo habet judiciariam potestatem: sicut ille qui considet regi ad dexteram, assidet ei in regnando et judicando. Unde Augustinus dicit, in alio serm. de Symbolo [lib. 2. cap. 7.] : « Ipsam dexteram intelligite potestatem, quam accepit ille homo susceptus a Deo, ut veniat judicaturus qui prius venerat judicandus ».

Leerstelling. — In het woord zetelen kan men twee dingen beschouwen, nl. de rust, volgens het gezegde in Lucas (24. 49) : 342« Blijft in de stad, » en ook de koninklijke of rechterlijke macht, overeenkomstig het gezegde in het Boek der Spreuken (20. 8) : « De koning, die zit op zijn rechterstoel, vernietigt alle kwaad door zijn blik ». Op beide wijzen nu komt het Christus toe te zitten aan de rechterhand van den Vader. — En wel vooreerst, in zoover Hij eeuwig ongestoord blijft in de zaliging van den Vader, welke zijn rechterhand genoemd wordt, overeenkomstig het woord in het Boek der Psalmen (15. 11) : « De genietingen in uw rechterhand ten einde toe. » Daarom zegt Augustinus: « Hij zit aan de rechterhand van den Vader. « Zitten, » « wonen, » ziet eens, hoe wij dit zeggen van iedereen: hij heeft drie jaar in dat land gezeten. Gelooft dan, dat Christus zoo huist aan de rechterhand van God den Vader; Hij is immers zalig, en de rechterhand des Vaders is de naam voor zijne zaligheid. » — Vervolgens zeggen wij, dat Christus aan de rechterhand van God den Vader zit, in zoover Hij met den Vader mede regeert, en van Hem de oordeelsmacht heeft; zooals ook hij die naast den koning zit aan zijn rechterhand, hem bijstaat in het besturen en oordeelen. Vandaar zegt Augustinus: « Onder die rechterhand moet gij verstaan de macht, welke die door God aangenomen Mensch ontvangen heeft, opdat Hij zou komen oordeelen, die eerst gekomen was om geoordeeld te worden. »Leerstelling. — In het woord zetelen kan men twee dingen beschouwen, nl. de rust, volgens het gezegde in Lukas (24, 49): 342“Blijft in de stad,” en ook de koninklijke of rechterlijke macht, overeenkomstig het gezegde in het Boek van de Spreuken (20, 8): “De koning, die zit op zijn rechterstoel, vernietigt alle kwaad door zijn blik”. Op beide wijzen nu komt het Christus toe te zitten aan de rechterhand van de Vader. — En wel vooreerst, in zover Hij eeuwig ongestoord blijft in de zaliging van de Vader, welke zijn rechterhand genoemd wordt, overeenkomstig het woord in het Boek van de Psalmen (15, 11)a: “De genietingen in uw rechterhand ten einde toe.” Daarom zegt Augustinus: “Hij zit aan de rechterhand van de Vader. ‘Zitten,’ ‘wonen,’ ziet eens, hoe wij dit zeggen van iedereen: hij heeft drie jaar in dat land gezeten. Gelooft dan, dat Christus zo huist aan de rechterhand van God de Vader; Hij is immers zalig, en de rechterhand van de Vader is de naam voor zijn zaligheid.” — Vervolgens zeggen wij, dat Christus aan de rechterhand van God de Vader zit, in zover Hij met de Vader mede regeert, en van Hem de oordeelsmacht heeft; zoals ook hij die naast de koning zit aan zijn rechterhand, hem bijstaat in het besturen en oordelen. Vandaar zegt Augustinus: “Onder die rechterhand moet gij verstaan de macht, welke die door God aangenomen Mens ontvangen heeft, opdat Hij zou komen oordelen, die eerst gekomen was om geoordeeld te worden.”

↑ bedenking 1

343Ad primum ergo dicendum quod, sicut Damascenus dicit, in 4. lib. [Orth. Fid. cap. 2.], « non localem dexteram Patris dicimus. Qualiter enim qui incircumscriptibilis est, localem adipiscitur dexteram? Dextera enim et sinistra eorum quae circumscribuntur sunt. Dexteram autem Patris dicimus gloriam et honorem divinitatis ».

343Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zooals Damascenus zegt, « verstaan wij de rechterhand des Vaders niet plaatselijk; want hoe zou Hij, die niet omsloten kan worden, een plaats aan zijn rechterhand hebben? Rechtsch en linksch immers is er bij die dingen, die omsloten worden. De rechterhand des Vaders echter noemen wij de glorie en de eer van de Godheid. »343Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoals Damascenus zegt, “verstaan wij de rechterhand van de Vader niet plaatselijk; want hoe zou Hij, die niet omsloten kan worden, een plaats aan zijn rechterhand hebben? Rechts en links immers is er bij die dingen, die omsloten worden. De rechterhand van de Vader echter noemen wij de glorie en de eer van de Godheid.”

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod ratio illa procedit secundum quod sedere ad dexteram intelligitur corporaliter. Unde Augustinus dicit in quodam serm. de Symb. [scilicet lib. 1. cap. 4.] : « Si carnaliter acceperimus quod Christus sedet ad dexteram Patris, ille erit ad sinistram. Ibi autem », scilicet in aeterna beatitudine, « omnis dextera est: quia nulla est ibi miseria ».

2. Die redeneering gaat hiervan uit, dat zitten aan de rechterhand lichamelijk genomen wordt. Daarom zegt Augustinus: « Indien wij dit vleeschelijk opvatten, dat Christus zit aan de rechterhand des Vaders, dan zou deze aan de linkerhand zitten. Daar echter, » nl. in de eeuwige gelukzaligheid, « is alles rechtsch, wijl daar geen ellende is. »2. Die redenering gaat hiervan uit, dat zitten aan de rechterhand lichamelijk genomen wordt. Daarom zegt Augustinus: “Indien wij dit vleselijk opvatten, dat Christus zit aan de rechterhand van de Vader, dan zou deze aan de linkerhand zitten. Daar echter,” nl. in de eeuwige gelukzaligheid, “is alles rechts, wijl daar geen ellende is.”

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod, sicut Gregorius dicit in hom. Ascens. [quae est 29. in Evang.], « sedere judicantis est: stare vero pugnantis vel adjuvantis. Stephanus ergo, in labore certaminis positus, stantem videt quem adjutorem habuit. Sed hunc post ascensionem Marcus sedere describit: quia post ascensionis suae gloriam, judex in fine videbitur ».

3. Zooals Gregorius zegt, « is zitten het eigene van hem, die oordeelt, staan echter van hem, die strijdt of helpt. Stephanus derhalve, in de moeilijkheid van den strijd geplaatst, ziet Hem staande, dien hij als helper had. Maar na zijn hemelvaart wordt Hij door Marcus beschreven als zittend, wijl Hij na de glorie van zijn hemelvaart op het eind als rechter zal verschijnen. »3. Zoals Gregorius zegt, “is zitten het eigene van hem, die oordeelt, staan echter van hem, die strijdt of helpt. Stephanus derhalve, in de moeilijkheid van de strijd geplaatst, ziet Hem staande, die hij als helper had. Maar na zijn hemelvaart wordt Hij door Marcus beschreven als zittend, wijl Hij na de glorie van zijn hemelvaart op het eind als rechter zal verschijnen.”

Articulus II

Utrum sedere ad dexteram patris conveniat Christo secundum quod Deus

[Heb. cap. 1. lect. 2. et 6. et cap. 8. lect. 1. et cap. 10. lect. 1.]
IIe Artikel

Komt het zitten aan Gods rechterhand aan Christus toe in zooverre Hij God is?Komt het zitten aan Gods rechterhand aan Christus toe in zoverre Hij God is?

antwoord 1 ↓

344Ad secundum sic proceditur. Videtur quod sedere ad dexteram Patris non conveniat Christo secundum quod Deus. Christus enim, secundum quod est Deus, est dextera Patris. Sed non videtur idem esse dextera alicujus, et ille qui sedet ad dexteram ejus. Ergo Christus, secundum quod Deus, non sedet ad dexteram Patris.

344Bedenkingen. — Men beweert, dat het zitten aan Gods rechterhand niet aan Christus toekomt in zooverre Hij God is. — 1. Christus is immers, in zoover Hij God is, de rechterhand des Vaders. De rechterhand van iemand nu schijnt niet dezelfde te zijn, als wie zit aan zijn rechterhand. Dus zit Christus niet als God aan de rechterhand van den Vader.344Bedenkingen. — Men beweert, dat het zitten aan Gods rechterhand niet aan Christus toekomt in zoverre Hij God is. — 1. Christus is immers, in zover Hij God is, de rechterhand van de Vader. De rechterhand van iemand nu schijnt niet dezelfde te zijn, als wie zit aan zijn rechterhand. Dus zit Christus niet als God aan de rechterhand van de Vader.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Marc. ult. [v. 19] dicitur quod « Dominus Jesus assumptus est in coelum, et sedet a dextris Dei ». Christus autem non est assumptus in coelum secundum quod Deus. Ergo etiam neque secundum quod Deus, sedet a dextris Dei.

2. Bij Marcus (16. 19) wordt gezegd, dat « de Heer Jesus opgenomen is ten hemel en zit aan de rechterhand van God. » Christus nu is niet ten hemel opgenomen in zoover Hij God is. Dus zit Hij ook niet als God aan de rechterhand van God.2. Bij Marcus (16, 19) wordt gezegd, dat “de Heer Jesus opgenomen is ten hemel en zit aan de rechterhand van God.” Christus nu is niet ten hemel opgenomen in zover Hij God is. Dus zit Hij ook niet als God aan de rechterhand van God.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Christus, secundum quod Deus, est aequalis Patri et Spiritui Sancto. Ergo si Christus, secundum quod Deus, sedet ad dexteram 345Patris, pari ratione et Spiritus Sanctus sedebit ad dexteram Patris et Filii, et ipse Pater ad dexteram Filii et Spiritus Sancti. Quod nusquam invenitur.

3. In zoover Christus God is, is Hij gelijk aan den Vader en den H. Geest. Dus als Christus in zoover Hij God is aan de rechterhand van den Vader zit, dan zal ook om dezelfde reden de H. Geest aan de rechterhand van den Vader en den Zoon 345zitten, en de Vader zelf aan de rechterhand van den Zoon en den H. Geest. Dit wordt echter nergens gevonden.3. In zover Christus God is, is Hij gelijk aan de Vader en de H. Geest. Dus als Christus in zover Hij God is aan de rechterhand van de Vader zit, dan zal ook om dezelfde reden de H. Geest aan de rechterhand van de Vader en de Zoon 345zitten, en de Vader zelf aan de rechterhand van de Zoon en de H. Geest. Dit wordt echter nergens gevonden.

Sed contra est quod Damascenus dicit [lib. 4. Orth. Fid. cap. 2.], quod « dexteram Patris dicimus gloriam et honorem divinitatis, in qua Filius Dei extitit ante saecula ut Deus et Patri consubstantialis ».

Daartegenover staat echter, dat Damascenus zegt, dat « wij de glorie en de eer van de Godheid de rechterhand des Vaders noemen, die de Zoon Gods als God en een van wezen met den Vader, voor alle eeuwen bezat. »Daartegenover staat echter, dat Damascenus zegt, dat “wij de glorie en de eer van de Godheid de rechterhand van de Vader noemen, die de Zoon Gods als God en een van wezen met de Vader, voor alle eeuwen bezat.”

Respondeo dicendum quod, ut ex praedictis patet [art. praec.], nomine dexterae tria intelligi possunt: uno modo, secundum Damascenum « gloria divinitatis » ; alio modo, secundum Augustinum [lib. 1. de Symb. cap. 4.], « beatitudo Patris » ; tertio modo, secundum eumdem [ibid.], « judiciaria potestas ». Sessio autem, ut dictum est [art. praec.], vel habitationem, vel regiam seu judiciariam dignitatem designat. Unde sedere ad dexteram Patris nihil aliud est quam simul cum Patre habere gloriam divinitatis, et beatitudinem, et judiciariam potestatem, et hoc immutabiliter et regaliter. Hoc autem convenit Filio Dei secundum quod est Deus. Unde manifestum est quod Christus, secundum quod Deus, sedet ad dexteram Patris: ita 346tamen quod haec praepositio ad, quae transitiva est, solam distinctionem personalem importat et originis ordinem, non autem gradum naturae vel dignitatis, qui nullus est in divinis personis, ut in 1. habitum est [q. 42. art. 3. et 4.].

Leerstelling. — Zooals uit het bovengezegde blijkt (vorig Art.), kan men onder de uitdrukking « de rechterhand » drie dingen verstaan : vooreerst, met Damascenus, de « glorie der Godheid »; vervolgens, met Augustinus, de « zaligheid van den Vader »; ten derde, met denzelfde, de « oordeelsmacht ». Het zetelen echter beteekent, zooals gezegd is (vorig Art.), ofwel de verblijfplaats, ofwel de koninklijke of rechterlijke waardigheid. Vandaar dat zetelen aan de rechterhand van den Vader niets anders beteekent, dan gelijk met den Vader de glorie der Godheid hebben, en de zaligheid en de oordeelsmacht, en dit onveranderlijk en op koninklijke wijze. Dit komt echter den Zoon Gods toe, in zoover Hij God is. Vandaar is het duidelijk, dat Christus als God zit aan de rechterhand van den Vader, zoo echter, dat dit 346voorzetsel « aan », dat een overdracht aangeeft, alleen maar een persoonlijk onderscheid inhoudt en een oorsprongsordening, maar geen graad in natuur of waardigheid, welke bij de goddelijke personen niet bestaat, zooals gezegd is in het Eerste Deel (I. 42e Kw. 3e en 4e Art.).Leerstelling. — Zoals uit het bovengezegde blijkt (vorig Art.), kan men onder de uitdrukking “de rechterhand” drie dingen verstaan: vooreerst, met Damascenus, de “glorie van de Godheid”; vervolgens, met Augustinus, de “zaligheid van de Vader”; ten derde, met denzelfde, de “oordeelsmacht”. Het zetelen echter betekent, zoals gezegd is (vorig Art.), ofwel de verblijfplaats, ofwel de koninklijke of rechterlijke waardigheid. Vandaar dat zetelen aan de rechterhand van de Vader niets anders betekent, dan gelijk met de Vader de glorie van de Godheid hebben, en de zaligheid en de oordeelsmacht, en dit onveranderlijk en op koninklijke wijze. Dit komt echter de Zoon Gods toe, in zover Hij God is. Vandaar is het duidelijk, dat Christus als God zit aan de rechterhand van de Vader, zo echter, dat dit 346voorzetsel “aan”, dat een overdracht aangeeft, alleen maar een persoonlijk onderscheid inhoudt en een oorsprongsordening, maar geen graad in natuur of waardigheid, welke bij de goddelijke personen niet bestaat, zoals gezegd is in het Eerste Deel (1 42e Kw. 3e en 4e Art.).

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod Filius Dei dicitur dextera Patris appropriate, per modum quo etiam dicitur virtus Patris. Sed dextera Patris secundum tres significationes praedictas est aliquid commune tribus personis.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Zoon Gods wordt de rechterhand des Vaders genoemd bij toeschrijving, op de manier, waarop Hij ook de kracht Gods genoemd wordt. Maar de rechterhand des Vaders, genomen in de drie voornoemde beteekenissen, is iets gemeenschappelijks aan de drie personen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Zoon Gods wordt de rechterhand van de Vader genoemd bij toeschrijving, op de manier, waarop Hij ook de kracht Gods genoemd wordt. Maar de rechterhand van de Vader, genomen in de drie voornoemde betekenissen, is iets gemeenschappelijks aan de drie personen.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod Christus, secundum quod homo, est assumptus ad divinum honorem, qui in praedicta sessione designatur. Sed tamen ille honor divinus convenit Christo, inquantum est Deus, non per aliquam assumptionem, sed per aeternam originem.

2. Christus is als mensch opgenomen tot de goddelijke eer, die met het voornoemde zetelen wordt aangegeven. Maar toch komt die goddelijke eer aan Christus toe, in zoover Hij God is, niet door eenige aanname, maar door eeuwigen oorsprong.2. Christus is als mens opgenomen tot de goddelijke eer, die met het voornoemde zetelen wordt aangegeven. Maar toch komt die goddelijke eer aan Christus toe, in zover Hij God is, niet door enige aanname, maar door eeuwigen oorsprong.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod nullo modo potest dici quod Pater sedeat ad dexteram Filii vel Spiritus Sancti: quia Filius et Spiritus Sanctus trahunt originem a Patre, et non e converso. Sed Spiritus Sanctus proprie potest dici sedere ad dexteram Patris vel Filii secundum sensum praedictum: licet secundum quandam appropriationem attribuatur Filio, cui appropriatur 347aequalitas, sicut dicit Augustinus [lib. 1. de Doctr. Christ. cap. 5.] quod « in Patre est unitas, in Filio aequalitas, in Spiritu Sancto unitatis aequalitatisque connexio ».

3. Men kan op geen enkele wijze zeggen, dat de Vader zit aan de rechterhand van den Zoon of van den H. Geest, daar de Zoon en de H. Geest hun oorsprong ontleenen aan den Vader, en niet omgekeerd. Maar van den H. Geest kan men eigenlijk zeggen, dat Hij zetelt aan de rechterhand van den Vader en den Zoon, in den aangegeven zin, ofschoon dit met een zekere 347toeschrijving wordt toegekend aan den Zoon, aan wie de gelijkheid wordt toegeschreven, zooals Augustinus zegt, dat « in den Vader de eenheid is, in den Zoon de gelijkheid, in den H. Geest de verbinding van de eenheid en de gelijkheid ».3. Men kan op geen enkele wijze zeggen, dat de Vader zit aan de rechterhand van de Zoon of van de H. Geest, daar de Zoon en de H. Geest hun oorsprong ontlenen aan de Vader, en niet omgekeerd. Maar van de H. Geest kan men eigenlijk zeggen, dat Hij zetelt aan de rechterhand van de Vader en de Zoon, in de aangegeven zin, ofschoon dit met een zekere 347toeschrijving wordt toegekend aan de Zoon, aan wie de gelijkheid wordt toegeschreven, zoals Augustinus zegt, dat “in de Vader de eenheid is, in de Zoon de gelijkheid, in de H. Geest de verbinding van de eenheid en de gelijkheid”.

Articulus III

Utrum sedere ad dexteram Patris conveniat Christo secundum quod homo

[Locis sup. inductis]
IIIe Artikel

Komt het zitten aan Gods rechterhand aan Christus toe als mensch?Komt het zitten aan Gods rechterhand aan Christus toe als mens?

antwoord 1 ↓

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod sedere ad dexteram Patris non conveniat Christo secundum quod homo. Ut enim Damascenus dicit [lib. 4. Orth. Fid. cap. 2.], « dexteram Patris dicimus gloriam et honorem divinitatis ». Sed honor et gloria divinitatis non convenit Christo secundum quod est homo. Ergo videtur quod Christus, secundum quod homo, non sedeat ad dexteram Patris.

Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet aan Christus als mensch toekomt te zitten aan de rechterhand van den Vader. — 1. Zooals Damascenus immers zegt, « verstaan wij onder de rechterhand des Vaders de glorie en eer der Godheid. » De eer en de glorie der Godheid echter komen niet toe aan Christus als mensch. Dus zit Christus niet als mensch aan de rechterhand des Vaders.Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet aan Christus als mens toekomt te zitten aan de rechterhand van de Vader. — 1. Zoals Damascenus immers zegt, “verstaan wij onder de rechterhand van de Vader de glorie en eer van de Godheid.” De eer en de glorie van de Godheid echter komen niet toe aan Christus als mens. Dus zit Christus niet als mens aan de rechterhand van de Vader.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, sedere ad dexteram regnantis subjectionem excludere videtur: quia qui sedet ad dexteram regnantis, quodammodo illi conregnat Christus autem, secundum quod homo, « est subjectus Patri », ut dicitur 3481. ad Cor. 15. [v. 28]. Ergo videtur quod Christus, secundum quod homo, non sit ad dexteram Patris.

2. Zitten aan de rechterhand van den regeerenden sluit onderdanigheid uit, wijl hij, die aan de rechterhand van den bestuurder zit, in zekeren zin met hem mederegeert. Christus echter is als mensch « onderworpen aan den Vader, » zooals gezegd wordt 348in den Eersten Brief aan de Corinthiërs (15. 28). Dus zit Christus als mensch niet aan de rechterhand van den Vader.2. Zitten aan de rechterhand van de regerende sluit onderdanigheid uit, wijl hij, die aan de rechterhand van de bestuurder zit, in zekeren zin met hem mederegeert. Christus echter is als mens “onderworpen aan de Vader,” zoals gezegd wordt 348in de Eerste Brief aan de Korintiërs (15, 28). Dus zit Christus als mens niet aan de rechterhand van de Vader.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Rom. 8. [v. 34] super illud, « Qui est ad dexteram Dei », exponit Gloss. [Lomb.] : « idest, aequalis Patri in honore quo Deus Pater est; vel, ad dexteram Patris, idest in potioribus bonis Dei ». Et super illud Heb. 1. [v. 3] : « Sedet ad dexteram majestatis in excelsis », Gloss. [interl.] : « idest, ad aequalitatem Patris, super omnia et loco et dignitate ». Sed esse aequalem Deo non convenit Christo secundum quod homo: nam secundum hoc ipse dicit, Joan. 14. [v. 28] : « Pater major me est ». Ergo videtur quod sedere ad dexteram Patris non conveniat Christo secundum quod homo.

3. Naar aanleiding van het gezegde in den Brief aan de Romeinen (8. 34) : « Die zit aan de rechterhand Gods, » zegt de Glossa: « d. i. gelijk aan den Vader in de eer, waardoor God Vader is; of: aan de rechterhand des Vaders, d. i. in de meer volmaakte goederen van God. » En naar aanleiding van het gezegde in den Brief aan de Hebreën (1. 3) : « Hij zit in den hooge aan de rechterhand der majesteit, » zegt de Glossa: « d. i. in gelijkheid aan den Vader boven alles, in plaats en waardigheid. » Gelijk zijn aan God echter komt Christus niet toe als mensch; want in dit opzicht zegt Hijzelf bij Joannes (14. 28) : « De Vader is grooter dan Ik. » Dus komt het zitten aan de rechterhand des Vaders niet toe aan Christus als mensch.3. Naar aanleiding van het gezegde in de Brief aan de Romeinen (8, 34): “Die zit aan de rechterhand Gods,” zegt de Glossa: “d.i. gelijk aan de Vader in de eer, waardoor God Vader is; of: aan de rechterhand van de Vader, d.i. in de meer volmaakte goederen van God.” En naar aanleiding van het gezegde in de Brief aan de Hebreën (1, 3): “Hij zit in de hoge aan de rechterhand van de majesteit,” zegt de Glossa: “d.i. in gelijkheid aan de Vader boven alles, in plaats en waardigheid.” Gelijk zijn aan God echter komt Christus niet toe als mens; want in dit opzicht zegt Hijzelf bij Johannes (14, 28): “De Vader is groter dan Ik.” Dus komt het zitten aan de rechterhand van de Vader niet toe aan Christus als mens.

Sed contra est quod Augustinus dicit, in sermone de Symbolo [lib. 2. cap. 7.] : « Ipsam dexteram intelligite potestatem quam accepit ille homo susceptus a Deo, ut veniat judicaturus qui prius venerat judicandus ».

Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: « Onder die rechterhand moet men verstaan de macht, welke die door God aangenomen Mensch ontving opdat Hij zou komen oordeelen, die eerst was gekomen, om geoordeeld te worden. »Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: “Onder die rechterhand moet men verstaan de macht, welke die door God aangenomen Mens ontving opdat Hij zou komen oordelen, die eerst was gekomen, om geoordeeld te worden.”

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est [art. praec.], nomine 349dexterae Patris intelligitur vel ipsa gloria deitatis ipsius, vel beatitudo aeterna ejus, vel potestas judiciaria et regalis. Haec autem praepositio ad quendam accessum ad dexteram designat, in quo designatur convenientia cum quadam distinctione, ut supra dictum est [art. praec. cfr. I. q. 93. art. 1.]. Quod quidem potest esse tripliciter. Uno modo, ut sit convenientia in natura et distinctio in persona. Et sic Christus, secundum quod Filius Dei, sedet ad dexteram Patris, quia habet eamdem naturam cum Patre. Unde praedicta conveniunt essentialiter Filio sicut et Patri. Et hoc est esse in aequalitate Patris. Alio modo, secundum gratiam unionis: quae importat e converso distinctionem naturae et unitatem personae. Et secundum hoc Christus, secundum quod homo, est Filius Dei, et per consequens sedens ad dexteram Patris: ita tamen quod ly secundum quod non designet conditionem naturae, sed unitatem suppositi, ut supra expositum est [q. 16. art. 10. et 11.]. Tertio modo potest praedictus accessus intelligi secundum gratiam habitualem, quae abundantior est in Christo prae omnibus aliis creaturis, intantum quod ipsa natura humana in Christo est beatior caeteris creaturis, et super omnes alias creaturas habens regiam et judiciariam 350potestatem.

Leerstelling. — Zooals gezegd is (vorig Art.), wordt onder 349de uitdrukking « de rechterhand des Vaders » verstaan ofwel de glorie zelf van zijn Godheid, of zijn eeuwige gelukzaligheid, of zijn oordeels- en koningsmacht. Het voorzetsel « aan » geeft een zeker nabij-zijn aan bij de rechterhand, waardoor overeenkomst wordt uitgedrukt met een zeker onderscheid, zooals boven gezegd is (vorig Art.). Dit nu is op die manieren mogelijk. — Vooreerst zóó, dat er overeenkomst is in natuur en onderscheid in persoon, en zoo zit Christus als Zoon van God aan de rechterhand des Vaders, daar Hij dezelfde natuur heeft als de Vader. Dus komt het voornoemde bij wezen toe aan den Zoon, zooals aan den Vader: en dit beteekent in gelijkheid zijn aan den Vader. — Vervolgens om de genade der vereeniging, die omgekeerd onderscheid in natuur en eenheid van persoon insluit. En in dit opzicht is Christus als mensch, de Zoon van God, en bijgevolg zetelend aan de rechterhand van den Vader, zoo echter dat met 't woordje « als » niet de natuur wordt aangegeven, maar de eenheid van het suppositum, zooals boven uitgelegd is (16e Kw. 10e en 11e Art.). — Ten derde kan dat nabij-zijn genomen worden naar de heiligmakende genade, die in Christus overvloediger is dan in de andere schepselen, in zulk een mate dat de menschelijke natuur zelf in Christus gelukkiger is dan de andere 350schepselen en in het bezit van bestuurs- en oordeelsmacht over alle schepselen.Leerstelling. — Zoals gezegd is (vorig Art.), wordt onder 349de uitdrukking “de rechterhand van de Vader” verstaan ofwel de glorie zelf van zijn Godheid, of zijn eeuwige gelukzaligheid, of zijn oordeels- en koningsmacht. Het voorzetsel “aan” geeft een zeker nabij-zijn aan bij de rechterhand, waardoor overeenkomst wordt uitgedrukt met een zeker onderscheid, zoals boven gezegd is (vorig Art.). Dit nu is op die manieren mogelijk. — Vooreerst zó, dat er overeenkomst is in natuur en onderscheid in persoon, en zo zit Christus als Zoon van God aan de rechterhand van de Vader, daar Hij dezelfde natuur heeft als de Vader. Dus komt het voornoemde bij wezen toe aan de Zoon, zoals aan de Vader: en dit betekent in gelijkheid zijn aan de Vader. — Vervolgens om de genade van de vereniging, die omgekeerd onderscheid in natuur en eenheid van persoon insluit. En in dit opzicht is Christus als mens, de Zoon van God, en bijgevolg zetelend aan de rechterhand van de Vader, zo echter dat met 't woordje “als” niet de natuur wordt aangegeven, maar de eenheid van het suppositum, zoals boven uitgelegd is (16e Kw. 10e en 11e Art.). — Ten derde kan dat nabij-zijn genomen worden naar de heiligmakende genade, die in Christus overvloediger is dan in de andere schepselen, in zulk een mate dat de menselijke natuur zelf in Christus gelukkiger is dan de andere 350schepselen en in het bezit van bestuurs- en oordeelsmacht over alle schepselen.

Sic igitur, si ly secundum quod designet conditionem naturae, Christus, secundum quod Deus, sedet ad dexteram Patris, idest in aequalitate Patris. Secundum autem quod homo, sedet ad dexteram Patris, idest in bonis paternis potioribus prae caeteris creaturis, idest in majori beatitudine, et habens judiciariam potestatem. Si vero ly secundum quod designet unitatem suppositi, sic etiam, secundum quod homo, sedet ad dexteram Patris secundum aequalitatem honoris: inquantum scilicet eodem honore veneramur ipsum Filium Dei cum natura assumpta, ut supra dictum est [q. 25. art. 1.].

Wanneer derhalve dat woordje « als » de natuur aangeeft, dan zetelt Christus als God aan de rechterhand des Vaders, d. i., in gelijkheid aan den Vader. Als mensch echter zit Hij aan de rechterhand van den Vader, d. i. in grootere goederen van den Vader, dan de andere schepselen, d. i. in een grootere gelukzaligheid en in het bezit van de oordeelsmacht. — Wanneer echter dat woordje « als » de eenheid van suppositum aangeeft, dan zit Hij dus ook als mensch aan de rechterhand des Vaders, in gelijke eer, in zoover wij den Zoon Gods met de aangenomen natuur met een zelfde eer vereeren, zooals boven gezegd is (25e Kw. 1e Art.).Wanneer derhalve dat woordje “als” de natuur aangeeft, dan zetelt Christus als God aan de rechterhand van de Vader, d.i., in gelijkheid aan de Vader. Als mens echter zit Hij aan de rechterhand van de Vader, d.i. in grotere goederen van de Vader, dan de andere schepselen, d.i. in een grotere gelukzaligheid en in het bezit van de oordeelsmacht. — Wanneer echter dat woordje “als” de eenheid van suppositum aangeeft, dan zit Hij dus ook als mens aan de rechterhand van de Vader, in gelijke eer, in zover wij de Zoon Gods met de aangenomen natuur met een zelfde eer vereren, zoals boven gezegd is (25e Kw. 1e Art.).

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod humanitas Christi, secundum conditiones suae naturae, non habet gloriam vel honorem deitatis: quam tamen habet ratione personae cui unitur. Unde ibidem Damascenus subdit: « In qua », scilicet gloria deitatis, « Dei Filius existens ante saecula ut Deus et Patri consubstantialis sedet, conglorificata ei carne ejus. Adoratur enim una hypostasis una adoratione cum carne ejus, ab omni creatura ».

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De menschheid van Christus heeft niet om haar natuur de glorie en de eer der Godheid, welke zij echter heeft om de persoon, waarmee zij vereenigd is. Vandaar voegt Damascenus op diezelfde plaats er aan toe: « Waarin » nl. in de glorie der Godheid, « de Zoon van God, die vóór de eeuwen bestond als God en één van wezen met den Vader, gezeten is, terwijl zijn lichaam medeverheerlijkt wordt. Want de ééne hypostase wordt met zijn vleesch in een en dezelfde aanbidding door elk schepsel aanbeden. »Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De mensheid van Christus heeft niet om haar natuur de glorie en de eer van de Godheid, welke zij echter heeft om de persoon, waarmee zij verenigd is. Vandaar voegt Damascenus op diezelfde plaats er aan toe: “Waarin” nl. in de glorie van de Godheid, “de Zoon van God, die vóór de eeuwen bestond als God en één van wezen met de Vader, gezeten is, terwijl zijn lichaam medeverheerlijkt wordt. Want de éne hypostase wordt met zijn vlees in een en dezelfde aanbidding door elk schepsel aanbeden.”

↑ bedenking 2

351Ad secundum dicendum quod Christus, secundum quod homo, subjectus est Patri prout ly secundum quod designat conditionem naturae. Et secundum hoc, non competit ei sedere ad dexteram Patris secundum rationem aequalitatis, secundum quod est homo. Sic autem competit ei sedere ad dexteram Patris secundum quod per hoc designatur excellentia beatitudinis, et judiciaria potestas super omnem creaturam.

3512. Christus is als mensch onderworpen aan den Vader, voor zoover het woord « als » de natuur aangeeft; en in dit opzicht komt het Hem niet toe om te zitten aan de rechterhand van den Vader, om de gelijkheid, inzoover Hij mensch is. Aldus komt het hem echter toe, om te zitten aan de rechterhand van den Vader, in zoover hierdoor de buitengewone gelukzaligheid wordt aangegeven, en de oordeelsmacht over alle schepselen.3512. Christus is als mens onderworpen aan de Vader, voor zover het woord “als” de natuur aangeeft; en in dit opzicht komt het Hem niet toe om te zitten aan de rechterhand van de Vader, om de gelijkheid, inzover Hij mens is. Aldus komt het hem echter toe, om te zitten aan de rechterhand van de Vader, in zover hierdoor de buitengewone gelukzaligheid wordt aangegeven, en de oordeelsmacht over alle schepselen.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod esse in aequalitate Patris non pertinet ad ipsam naturam humanam Christi, sed solum ad personam assumentem. Sed esse in potioribus bonis Dei, secundum quod importat excessum aliarum creaturarum, convenit etiam ipsi naturae assumptae.

3. In gelijkheid met den Vader zijn komt niet toe aan de menschelijke natuur van Christus, maar alleen aan de persoon, die deze aannam; maar grootere goddelijke goederen bezitten, in zoover dit een overtreffing van de andere schepselen insluit, komt ook toe aan de natuur zelf, die aangenomen werd.3. In gelijkheid met de Vader zijn komt niet toe aan de menselijke natuur van Christus, maar alleen aan de persoon, die deze aannam; maar grotere goddelijke goederen bezitten, in zover dit een overtreffing van de andere schepselen insluit, komt ook toe aan de natuur zelf, die aangenomen werd.

Articulus IV

Utrum sedere ad dexteram Patris sit proprium Christi

[3. Dist. 22. q. 3. art. 3. qla. 3.]
IVe Artikel

Is het zitten aan de rechterhand des Vaders het eigene van Christus?Is het zitten aan de rechterhand van de Vader het eigene van Christus?

antwoord 1 ↓

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod sedere ad dexteram Patris non sit proprium Christi. Dicit enim Apostolus, Ephes. 2. [v. 6], quod 352« Deus conresuscitavit nos, et consedere fecit in coelestibus in Christo Jesu ». Sed resuscitari non est proprium Christi. Ergo etiam pari ratione nec sedere ad dexteram Dei in excelsis.

Bedenkingen. — Men beweert, dat het zitten aan de rechterhand des Vaders niet het eigene van Christus is. — 1. De Apostel zegt immers in den Brief aan de Ephesiërs (2. 6), dat « God ons 352in Christus Jesus heeft mede opgewekt en ons heeft doen medezitten in de hemelsche goederen. » Maar opgewekt worden is niet het eigene van Christus. Dus om dezelfde reden ook niet het zitten aan Gods rechterhand in den hooge.Bedenkingen. — Men beweert, dat het zitten aan de rechterhand van de Vader niet het eigene van Christus is. — 1. De Apostel zegt immers in de Brief aan de Efesiërs (2, 6), dat “God ons 352in Christus Jesus heeft mede opgewekt en ons heeft doen medezitten in de hemelse goederen.” Maar opgewekt worden is niet het eigene van Christus. Dus om dezelfde reden ook niet het zitten aan Gods rechterhand in de hoge.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, sicut Augustinus dicit, in lib. 1. de Symb. [cap. 4.], « Christum sedere ad dexteram Patris, hoc est habitare in ejus beatitudine ». Sed hoc multis aliis convenit. Ergo videtur quod sedere ad dexteram Patris non sit proprium Christi.

2. « Christus zit aan de rechterhand van den Vader, beteekent: » zooals Augustinus zegt, « Hij woont in zijn zaligheid. » Dit echter komt ook toe aan vele anderen. Dus is het zitten aan de rechterhand des Vaders niet het eigene van Christus.2. “Christus zit aan de rechterhand van de Vader, betekent:” zoals Augustinus zegt, “Hij woont in zijn zaligheid.” Dit echter komt ook toe aan vele anderen. Dus is het zitten aan de rechterhand van de Vader niet het eigene van Christus.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, ipse dicit Apoc. 3. [v. 21] : « Qui vicerit, dabo ei sedere mecum in throno meo: sicut et ego vici, et sedi cum Patre meo in throno ejus ». Sed per hoc sedet Christus ad dexteram Patris, quod sedet in throno ejus. Ergo etiam alii qui vincunt, sedent ad dexteram Patris.

3. Hijzelf zegt in het Boek der Openbaring (3. 21) : « Wie overwonnen heeft, aan hem zal Ik geven mede te zitten op Mijn troon, zooals ook Ik overwonnen heb en gezeten ben met Mijn Vader op zijn troon. » Maar Christus zit hierdoor aan de rechterhand van den Vader, doordat Hij zit op zijn troon. Dus zullen ook de anderen, die overwinnen, aan de rechterhand des Vaders zitten.3. Hijzelf zegt in het Boek van de Openbaring (3, 21): “Wie overwonnen heeft, aan hem zal Ik geven mede te zitten op Mijn troon, zoals ook Ik overwonnen heb en gezeten ben met Mijn Vader op zijn troon.” Maar Christus zit hierdoor aan de rechterhand van de Vader, doordat Hij zit op zijn troon. Dus zullen ook de anderen, die overwinnen, aan de rechterhand van de Vader zitten.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, Matth. 20. [v. 23] Dominus dicit: « Sedere ad dexteram meam vel sinistram, non est meum dare vobis, sed quibus paratum est a Patre meo ». Hoc autem frustra diceretur nisi esset aliquibus paratum. Non ergo sedere ad dexteram convenit soli Christo.

4. Bij Mattheus (20. 23) zegt de Heer: « Het zitten aan Mijn rechter- of linkerhand komt Mij niet toe u te geven, maar voor wie het door Mijn Vader bereid is. » Dit zou echter geen zin hebben, als het niet voor sommigen bereid was. Dus komt het zitten aan de rechterhand niet alleen aan Christus toe.4. Bij Matteüs (20, 23) zegt de Heer: “Het zitten aan Mijn rechter- of linkerhand komt Mij niet toe u te geven, maar voor wie het door Mijn Vader bereid is.” Dit zou echter geen zin hebben, als het niet voor sommigen bereid was. Dus komt het zitten aan de rechterhand niet alleen aan Christus toe.

353Sed contra est quod dicitur ad Heb. 1. [v. 13] : « Ad quem angelorum dixit aliquando, Sede a dextris meis » : idest, in meis bonis potioribus, vel mihi secundum divinitatem aequalis? Quasi dicat: ad nullum. Sed angeli sunt superiores aliis creaturis. Ergo multo magis nulli alii convenit sedere ad dexteram Patris quam Christo.

353Daartegenover staat echter, dat in den Brief aan de Hebreën (1. 13) gezegd wordt: « Tot wien van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Zit aan mijn rechterhand; » d. i. in mijn volmaaktere goederen, of gelijk aan Mij naar de Godheid? Alsof Hij zeggen wil: aan niemand. De engelen echter staan hooger dan de andere schepselen. Dus komt nog minder aan een ander dan aan Christus toe om te zitten aan de rechterhand des Vaders.353Daartegenover staat echter, dat in de Brief aan de Hebreën (1, 13) gezegd wordt: “Tot wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Zit aan mijn rechterhand;” d.i. in mijn volmaaktere goederen, of gelijk aan Mij naar de Godheid? Alsof Hij zeggen wil: aan niemand. De engelen echter staan hoger dan de andere schepselen. Dus komt nog minder aan een ander dan aan Christus toe om te zitten aan de rechterhand van de Vader.

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est [art. 1. 2. et 3. praec.], Christus dicitur sedere ad dexteram Patris, inquantum secundum naturam divinam est in aequalitate Patris, secundum autem humanam naturam in excellenti possessione divinorum bonorum prae caeteris aliis creaturis. Utrumque autem soli Christo convenit. Unde nulli alii, nec angelo nec homini, convenit sedere ad dexteram Patris, nisi soli Christo.

Leerstelling. — Zooals boven gezegd is (1e, 2e en 3e Art. van deze Kw.) zeggen wij van Christus, dat Hij aan de rechterhand des Vaders zit, in zoover Hij naar zijn goddelijke natuur in gelijkheid is met den Vader, naar zijn menschelijke natuur in het buitengewone bezit is der goddelijke goederen boven de andere schepselen. Beiden nu komen alleen aan Christus toe. Dus komt het tenzij alleen aan Christus, aan niemand anders, noch aan een engel, noch aan een mensch toe te zitten aan de rechterhand des Vaders.Leerstelling. — Zoals boven gezegd is (1e, 2e en 3e Art. van deze Kw.) zeggen wij van Christus, dat Hij aan de rechterhand van de Vader zit, in zover Hij naar zijn goddelijke natuur in gelijkheid is met de Vader, naar zijn menselijke natuur in het buitengewone bezit is van de goddelijke goederen boven de andere schepselen. Beiden nu komen alleen aan Christus toe. Dus komt het tenzij alleen aan Christus, aan niemand anders, noch aan een engel, noch aan een mens toe te zitten aan de rechterhand van de Vader.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod, quia Christus est caput nostrum, illud quod collatum est Christo, est etiam nobis in ipso collatum. Et propter hoc, quia ipse jam resuscitatus est, dicit Apostolus quod Deus nos 354quodammodo ei conresuscitavit, qui tamen in nobis ipsis nondum sumus resuscitati, sed resuscitandi, secundum illud Rom. 8. [v. 11] : « Qui suscitavit Jesum a mortuis, vivificabit et mortalia corpora nostra ». Et secundum eumdem modum loquendi subdit Apostolus quod « consedere nos fecit in coelestibus » : scilicet in hoc ipso quod caput nostrum, quod est Christus, ibi sedet.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Daar Christus ons hoofd is, is ook datgene wat Christus gegeven is, ook aan ons in Hem geschonken. En omdat Hijzelf reeds opgewekt is, zegt de Apostel, dat God ons eens met Hem heeft mede opgewekt, 354ofschoon wij in ons zelf nog niet opgewekt zijn, maar nog opgewekt moeten worden, zooals gezegd wordt in den Brief aan de Romeinen (8. 11) : « Die Jesus van de dooden heeft opgewekt, zal ook onze sterfelijke lichamen levend maken. » En naar dezelfde wijze van spreken voegt de Apostel er aan toe, dat « Hij ons mede heeft doen zitten in het hemelsche, » nl. in zoover ons Hoofd, dat Christus is, daar zit.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Daar Christus ons hoofd is, is ook datgene wat Christus gegeven is, ook aan ons in Hem geschonken. En omdat Hijzelf reeds opgewekt is, zegt de Apostel, dat God ons eens met Hem heeft mede opgewekt, 354ofschoon wij in onszelf nog niet opgewekt zijn, maar nog opgewekt moeten worden, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (8, 11): “Die Jesus van de doden heeft opgewekt, zal ook onze sterfelijke lichamen levend maken.” En naar dezelfde wijze van spreken voegt de Apostel er aan toe, dat “Hij ons mede heeft doen zitten in het hemelse,” nl. in zover ons Hoofd, dat Christus is, daar zit.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod, quia dextera est divina beatitudo, sedere in dextera non significat simpliciter esse in beatitudine, sed habere beatitudinem cum quadam dominativa potestate, et quasi propriam et naturalem. Quod soli Christo convenit, nulli autem alii creaturae. Potest tamen dici quod omnis sanctus qui est in beatitudine, est ad dexteram Dei constitutus. Unde et dicitur Matth. 25. [v. 33], quod « statuet oves a dextris ».

2. Daar de rechterhand de goddelijke gelukzaligheid is, beteekent het zitten aan de rechterhand niet in de gelukzaligheid zijn zonder meer, maar de zaligheid hebben met een zekere heerschersmacht, en deze als eigen en van nature. En dit komt alleen aan Christus toe; en aan geen enkel ander schepsel. Men kan echter zeggen, dat iedere heilige, die in de zaligheid is, geplaatst is aan de rechterhand Gods: vandaar wordt ook bij Mattheus (25. 33) gezegd, dat « Hij de schapen aan zijn rechterhand zal plaatsen. »2. Daar de rechterhand de goddelijke gelukzaligheid is, betekent het zitten aan de rechterhand niet in de gelukzaligheid zijn zonder meer, maar de zaligheid hebben met een zekere heersersmacht, en deze als eigen en van nature. En dit komt alleen aan Christus toe; en aan geen enkel ander schepsel. Men kan echter zeggen, dat iedere heilige, die in de zaligheid is, geplaatst is aan de rechterhand Gods: vandaar wordt ook bij Matteüs (25, 33) gezegd, dat “Hij de schapen aan zijn rechterhand zal plaatsen.”

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod per thronum significatur judiciaria potestas, quam Christus habet a Patre. Et secundum hoc, dicitur sedere in throno Patris. Alii autem sancti habent eam a Christo. Et secundum hoc, dicuntur 355in throno Christi sedere: secundum illud Matth. 19. [v. 28] : « Sedebitis et vos super sedes duodecim judicantes duodecim tribus Israël ».

3. Door den troon wordt de oordeelsmacht bedoeld, welke Christus van den Vader ontvangen heeft; en zoo wordt van Hem gezegd, dat Hij zit op den troon van den Vader. Andere heiligen echter hebben deze van Christus. En zoo wordt van hen gezegd, 355dat zij op den troon van Christus zitten, volgens het gezegde in Mattheus (19. 28) : « Ook gij zult zitten op twaalf zetels, om de twaalf stammen van Israël te oordeelen. »3. Door de troon wordt de oordeelsmacht bedoeld, welke Christus van de Vader ontvangen heeft; en zo wordt van Hem gezegd, dat Hij zit op de troon van de Vader. Andere heiligen echter hebben deze van Christus. En zo wordt van hen gezegd, 355dat zij op de troon van Christus zitten, volgens het gezegde in Matteüs (19, 28): “Ook gij zult zitten op twaalf zetels, om de twaalf stammen van Israël te oordelen.”

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum quod, sicut Chrysostomus dicit super Matth. [hom. 66.], « locus ille », idest consessus dexterae, « invius est omnibus non solum hominibus, sed etiam angelis. Sicut enim praecipuum unigeniti ponit Paulus, dicens: Ad quem autem angelorum dixit unquam, sede a dextris meis? » Dominus ergo, « non quasi existentibus » quibusdam qui sessuri sunt, « sed condescendens interrogantium supplicationi, respondit. Hoc enim unum solum quaerebant, prae aliis stare apud ipsum ». Potest tamen dici quod petebant filii Zebedaei excellentiam habere prae aliis in participando judiciariam potestatem ejus. Unde non petebant quod sederent ad dexteram vel sinistram Patris, sed ad dexteram vel sinistram Christi.

4. Zooals Chrysostomus zegt, is « die plaats, » d. i. de zitplaats aan de rechterhand, « ontoegankelijk voor allen, niet alleen voor de menschen, maar ook voor de engelen. Want zoo geeft ook Paulus het voornaamste van den Eeniggeborene aan, als hij zegt: « Tot wien van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Zit aan mijn rechterhand? » » De Heer « antwoordde » derhalve, « niet alsof er eenigen waren, » die zouden zetelen, « maar als ingaande op het verzoek van hen, die vroegen; dit alleen immers vroegen zij: boven de anderen bij Hem te mogen staan. » — Men kan echter ook zeggen, dat de zonen van Zebedeus een verheffing boven de anderen vroegen in het deelgenootschap aan zijn oordeelsmacht; vandaar vroegen zij niet om te zitten aan de rechter- of linkerhand des Vaders, maar aan de rechter of linker van Christus.4. Zoals Chrysostomus zegt, is “die plaats,” d.i. de zitplaats aan de rechterhand, “ontoegankelijk voor allen, niet alleen voor de mensen, maar ook voor de engelen. Want zo geeft ook Paulus het voornaamste van de Eniggeborene aan, als hij zegt: ‘Tot wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Zit aan mijn rechterhand?’” De Heer ‘antwoordde’ derhalve, ‘niet alsof er enigen waren,’ die zouden zetelen, ‘maar als ingaande op het verzoek van hen, die vroegen; dit alleen immers vroegen zij: boven de anderen bij Hem te mogen staan.’ — Men kan echter ook zeggen, dat de zonen van Zebedeus een verheffing boven de anderen vroegen in het deelgenootschap aan zijn oordeelsmacht; vandaar vroegen zij niet om te zitten aan de rechter- of linkerhand van de Vader, maar aan de rechter of linker van Christus.