De passione Christi, in duodecim articulos divisa
Over het lijden van Christus
1Consequenter considerandum est de his, quae pertinent ad exitum Christi de mundo. Et primo, de passione ejus; secundo, de morte; tertio, de sepultura; quarto, de descensu ad infernos.
1Vervolgens moet behandeld worden, wat behoort tot het heengaan van Christus uit de wereld, en wel, ten eerste over zijn lijden; ten tweede over zijn dood (50e Kw.) ; ten derde over zijn begrafenis (51e Kw.) ; ten vierde over zijn afdalen naar de onderwereld (52e Kw.).1Vervolgens moet behandeld worden, wat behoort tot het heengaan van Christus uit de wereld, en wel, ten eerste over zijn lijden; ten tweede over zijn dood (50e Kw.); ten derde over zijn begrafenis (51e Kw.); ten vierde over zijn afdalen naar de onderwereld (52e Kw.).
Circa passionem occurrit triplex consideratio; prima, de ipsa passione; secunda, de causa efficiente passionis; tertia, de fructu passionis.
Met betrekking tot het lijden moet een drievoudige behandeling volgen. De eerste handelt over het lijden zelf; de tweede over de uitwerkende oorzaak van het lijden (47e Kw.) ; de derde over de vrucht van het lijden (48e Kw.).Met betrekking tot het lijden moet een drievoudige behandeling volgen. De eerste handelt over het lijden zelf; de tweede over de uitwerkende oorzaak van het lijden (47e Kw.); de derde over de vrucht van het lijden (48e Kw.).
Circa primum quaeruntur duodecim: 1. Utrum necesse fuerit Christum pati pro liberatione hominum. — 2. Utrum fuerit alius modus possibilis liberationis humanae. — 3. Utrum ille modus fuerit convenientior. 24. Utrum fuerit conveniens quod in cruce pateretur. — 5. De generalitate passionis ejus. — 6. Utrum dolor quem in passione sustinuit, fuerit maximus. — 7. Utrum tota anima ejus pateretur. — 8. Utrum passio ejus impediverit gaudium fruitionis. — 9. De tempore passionis. — 10. De loco. — 11. Utrum conveniens fuerit ipsum cum latronibus crucifigi. — 12. Utrum passio ipsius Christi sit divinitati attribuenda.
Aangaande het eerste punt stellen wij twaalf vragen : 1. Was het voor de bevrijding der menschen noodzakelijk, dat Christus leed? 2. Was er een andere wijze mogelijk om de menschen te verlossen ? 3. Was deze wijze ook de meest geschikte? 24. Was het passend, dat Hij leed op een kruis? 5. Over de algemeenheid van zijn lijden. 6. Was de smart, die Hij bij zijn lijden verduurde, de allergrootste ? 7. Heeft geheel zijn ziel geleden? 8. Was zijn lijden een beletsel voor de vreugde der genieting? 9. Over den tijd van het lijden. 10. Over de plaats. 11. Was het passend, dat Hij met moordenaars gekruisigd werd ? 12. Moet het lijden van den Christus toegeschreven worden aan zijn Godheid?Aangaande het eerste punt stellen wij twaalf vragen: 1. Was het voor de bevrijding van de mensen noodzakelijk, dat Christus leed? 2. Was er een andere wijze mogelijk om de mensen te verlossen? 3. Was deze wijze ook de meest geschikte? 24. Was het passend, dat Hij leed op een kruis? 5. Over de algemeenheid van zijn lijden. 6. Was de smart, die Hij bij zijn lijden verduurde, de allergrootste? 7. Heeft geheel zijn ziel geleden? 8. Was zijn lijden een beletsel voor de vreugde van de genieting? 9. Over de tijd van het lijden. 10. Over de plaats. 11. Was het passend, dat Hij met moordenaars gekruisigd werd? 12. Moet het lijden van de Christus toegeschreven worden aan zijn Godheid?
Utrum fuerit necessarium Christum pati pro liberatione humani generis
Was het voor de bevrijding van het menschelijk geslacht noodzakelijk, dat Christus leed?Was het voor de bevrijding van het menselijk geslacht noodzakelijk, dat Christus leed?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod non fuerit necessarium Christum pati pro humani generis liberatione. Humanum enim genus liberari non poterat, nisi a Deo: secundum illud Isa. 45. [v. 21]: 3« Numquid non ego Dominus, et non est ultra Deus absque me? Deus justus, et salvans non est praeter me ». In Deum autem non cadit aliqua necessitas: quia hoc repugnaret omnipotentiae ipsius. Ergo non fuit necessarium Christum pati.
Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet noodzakelijk was voor de bevrijding van het menschelijk geslacht, dat Christus leed. — 1. Het menschelijk geslacht immers kon slechts bevrijd worden door God, zooals gezegd wordt bij Isaïas (45. 21) : « Ben 3Ik soms niet de Heer, en er is toch verder geen God buiten Mij? Een rechtvaardig en zaligmakend God is er niet buiten Mij. » God echter is aan geen noodzaak onderworpen, daar dit in strijd zou komen met zijn almacht. Derhalve was het niet noodzakelijk, dat Christus leed.Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet noodzakelijk was voor de bevrijding van het menselijk geslacht, dat Christus leed. — 1. Het menselijk geslacht immers kon slechts bevrijd worden door God, zoals gezegd wordt bij Jesaja (45, 21): “Ben 3Ik soms niet de Heer, en er is toch verder geen God buiten Mij? Een rechtvaardig en zaligmakend God is er niet buiten Mij.” God echter is aan geen noodzaak onderworpen, daar dit in strijd zou komen met zijn almacht. Derhalve was het niet noodzakelijk, dat Christus leed.
2. Praeterea, necessarium voluntario opponitur. Sed Christus propria voluntate est passus : dicitur enim Isa. 53. [v. 7] : « Oblatus est, quia ipse voluit ». Non ergo necessarium fuit eum pati.
2. Noodzakelijk is het tegenovergestelde van vrijwillig. Christus echter heeft uit eigen wil geleden; want er staat bij Isaïas (53. 7) : « Hij is geofferd, omdat Hij het zelf gewild heeft. » Het was derhalve niet noodzakelijk, dat Hij leed.2. Noodzakelijk is het tegenovergestelde van vrijwillig. Christus echter heeft uit eigen wil geleden; want er staat bij Jesaja (53. 7): “Hij is geofferd, omdat Hij het zelf gewild heeft.” Het was derhalve niet noodzakelijk, dat Hij leed.
3. Praeterea, sicut in Ps. 24. [v. 10] dicitur: « Universae viae Domini misericordia, et veritas ». Sed non videtur necessarium quod pateretur ex parte misericordiae divinae: quae sicut gratis dona tribuit, ita videtur quod gratis debita relaxet, absque satisfactione. Neque etiam ex parte divinae justitiae, secundum quam homo aeternam damnationem meruerat. Ergo videtur non fuisse necessarium quod Christus pro liberatione hominum pateretur.
3. Er wordt gezegd in het Boek der Psalmen (24. 10) : « Al de wegen van God zijn barmhartigheid en waarheid. » Dat Christus leed lijkt echter niet noodzakelijk uit het oogpunt der goddelijke barmhartigheid, want evenals deze gratis gaven uitdeelt, zoo schijnt zij ook gratis, zonder voldoening, schulden te vergeven. Maar ook lijkt het niet noodzakelijk uit het oogpunt der goddelijke rechtvaardigheid, want volgens haar had de mensch de eeuwige verwerping verdiend. Derhalve schijnt het niet noodzakelijk geweest te zijn, dat Christus leed voor de verlossing der menschen.3. Er wordt gezegd in het Boek van de Psalmen (24, 10)a: “Al de wegen van God zijn barmhartigheid en waarheid.” Dat Christus leed lijkt echter niet noodzakelijk uit het oogpunt van de goddelijke barmhartigheid, want evenals deze gratis gaven uitdeelt, zo schijnt zij ook gratis, zonder voldoening, schulden te vergeven. Maar ook lijkt het niet noodzakelijk uit het oogpunt van de goddelijke rechtvaardigheid, want volgens haar had de mens de eeuwige verwerping verdiend. Derhalve schijnt het niet noodzakelijk geweest te zijn, dat Christus leed voor de verlossing van de mensen.
4. Praeterea, angelica natura est excellentior quam humana: ut patet per Dionysium 4. cap. de Div. Nom. [St. Thom. lect. 1.]. Sed pro 4reparatione angelicae naturae, quae peccaverat, Christus non est passus. Ergo videtur quod nec etiam fuerit necessarium eum pati pro salute humani generis.
4. De natuur van een engel is verhevener dan die van een mensch, zooals uit Dionysius blijkt. Maar Christus is niet gestorven 4voor het herstel van de engelen-natuur, die gezondigd had. Derhalve schijnt het ook niet noodzakelijk geweest te zijn, dat Hij leed voor het heil van het menschelijk geslacht.4. De natuur van een engel is verhevener dan die van een mens, zoals uit Dionysius blijkt. Maar Christus is niet gestorven 4voor het herstel van de engelen-natuur, die gezondigd had. Derhalve schijnt het ook niet noodzakelijk geweest te zijn, dat Hij leed voor het heil van het menselijk geslacht.
Sed contra est quod dicitur Joan. 3. [v. 14, 15] : « Sicut Moyses exaltavit serpentem in deserto, sic oportet exaltari Filium hominis, ut omnis qui credit in eum non pereat, sed habeat vitam aeternam ». Quod quidem de exaltatione in cruce intelligitur. Ergo videtur quod Christum oportuerit pati.
Daartegenover staat echter, dat er gezegd wordt bij Joannes (3. 14, 15) : « Zooals Moses de slang ophief in de woestijn, zoo moet ook de Menschenzoon verheven worden, opdat alwie in Hem gelooft, niet verloren ga, maar het eeuwige leven zou bezitten ». Dit nu wordt verstaan van de opheffing aan het kruis. Het heeft er dus wel den schijn van, dat Christus heeft moeten lijden.Daartegenover staat echter, dat er gezegd wordt bij Johannes (3, 14, 15): “Zoals Moses de slang ophief in de woestijn, zo moet ook de Mensenzoon verheven worden, opdat alwie in Hem gelooft, niet verloren ga, maar het eeuwige leven zou bezitten”. Dit nu wordt verstaan van de opheffing aan het kruis. Het heeft er dus wel de schijn van, dat Christus heeft moeten lijden.
Respondeo dicendum, quod, sicut Philosophus docet in 5. Metaph. [S. Th. lect. 6], « necessarium » multipliciter dicitur. Uno quidem modo, quod secundum sui naturam impossibile est aliter se habere. Et sic manifestum est, quod non fuit necessarium Christum pati: neque ex parte Dei, neque ex parte hominis. Alio modo dicitur aliquid necessarium ex aliquo exteriori. Quod quidem si sit causa efficiens vel movens, facit necessitatem coactionis: utpote, cum aliquis non potest ire propter violentiam 5detinentis ipsum. Si vero illud exterius quod necessitatem inducit, sit finis, dicetur aliquid necessarium ex suppositione finis: quando scilicet finis aliquis aut nullo modo potest esse, aut non potest esse convenienter, nisi tali fine praesupposito.
Leerstelling. — Zooals de Wijsgeer zegt, wordt « noodzakelijk » meervoudig gebruikt. Vooreerst, wat volgens zijn natuur onmogelijk anders kan zijn; en zoo opgevat, is het duidelijk, dat het niet noodzakelijk was, dat Christus leed, noch van Gods kant, noch van den kant van den mensch. — Men noemt iets ook anders nog noodzakelijk, en wel om een reden, die van buiten dat ding komt. Is dit een werkende, of bewegende oorzaak, dan veroorzaakt dat dwang-noodzaak; b. v. wanneer iemand niet loopen kan, omdat iemand hem met geweld vasthoudt. Is echter datgene, wat 5van buitenaf noodzaak meebrengt, het doel, dan zal zoo iets noodzakelijk heeten, uit vooropgesteld doel; en dat is dan het geval wanneer zoo 'n doel ofwel op geen enkele wijze kan bereikt worden of althans niet op een behoorlijke wijze, tenzij met vooropstelling van een dergelijk doel*.Leerstelling. — Zoals de Wijsgeer zegt, wordt “noodzakelijk” meervoudig gebruikt. Vooreerst, wat volgens zijn natuur onmogelijk anders kan zijn; en zo opgevat, is het duidelijk, dat het niet noodzakelijk was, dat Christus leed, noch van Gods kant, noch van de kant van de mens. — Men noemt iets ook anders nog noodzakelijk, en wel om een reden, die van buiten dat ding komt. Is dit een werkende, of bewegende oorzaak, dan veroorzaakt dat dwang-noodzaak; bv. wanneer iemand niet lopen kan, omdat iemand hem met geweld vasthoudt. Is echter datgene, wat 5van buitenaf noodzaak meebrengt, het doel, dan zal zo iets noodzakelijk heten, uit vooropgesteld doel; en dat is dan het geval wanneer zo 'n doel ofwel op geen enkele wijze kan bereikt worden of althans niet op een behoorlijke wijze, tenzij met vooropstelling van een dergelijk doel*.
Non ergo fuit necessarium Christum pati necessitate coactionis: neque ex parte Dei, qui Christum definivit pati, neque etiam ex parte ipsius Christi, qui voluntarie passus est.
Het was derhalve niet noodzakelijk uit dwangnoodzakelijkheid dat Christus leed, noch van den kant van God, die bepaalde, dat Christus zou lijden, noch van den kant van Christus zelf, die vrijwillig geleden heeft.Het was derhalve niet noodzakelijk uit dwangnoodzakelijkheid dat Christus leed, noch van de kant van God, die bepaalde, dat Christus zou lijden, noch van de kant van Christus zelf, die vrijwillig geleden heeft.
Fuit autem necessarium necessitate finis: qui quidem potest tripliciter intelligi. Primo quidem, ex parte nostra, qui per ejus passionem liberati sumus: secundum illud Joannis 3. [v. 14, 15]: « Oportet exaltari filium hominis, ut omnis qui credit in eum non pereat, sed habeat vitam aeternam ». Secundo, ex parte ipsius Christi, qui per humilitatem passionis meruit gloriam exaltationis. Et ad hoc pertinet quod dicitur Luc. ult. [v. 26] : « Nonne oportuit Christum pati, et sic intrare in gloriam suam? » Tertio, ex parte Dei, cujus definitionem circa passionem Christi 6praenuntiatam in Scripturis, et praefiguratam in observantia veteris Testamenti, oportebat impleri1. Et hoc est quod dicitur Luc. 22. [v. 22] : « Filius hominis secundum quod definitum est vadit », et Luc. ult. [v. 44 et 46] : « Haec sunt verba quae locutus sum ad vos cum adhuc essem vobiscum: quoniam necesse est impleri omnia, quae scripta sunt in lege Moysi et Prophetis et Psalmis de me; quoniam sic scriptum est et sic oportebat Christum pati et resurgere a mortuis ».
— Het was echter wel noodzakelijk volgens de doel-noodzakelijkheid. Deze kan men van drie zijden bezien. Vooreerst, van onzen kant uit, die verlost zijn door zijn lijden, zooals geschreven staat bij Joannes (3. 14, 15) : « De Menschenzoon moet verheven worden, opdat alwie in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar het eeuwige leven zou hebben ». Ten tweede, van den kant van Christus zelf, die door de vernedering van het lijden, de glorie der verheffing verdiend heeft. Hierop slaat, hetgeen gezegd wordt bij Lucas (24. 26) : « Moest de Christus dan niet lijden, en zoo binnengaan in zijn heerlijkheid? » Ten derde, van den kant van God, wiens besluit aangaande het lijden van Christus, zooals dit voorzegd was in de H. Schrift en 6voorafgebeeld in het O. Testament, vervuld moest worden. Zoo moet ook verstaan worden, hetgeen gezegd wordt bij Lucas (24. 44, 46) : « Dit zijn de woorden, die Ik tot u gesproken heb, toen Ik nog bij u was: alles wat over Mij geschreven staat in de Wet van Moses, in Profeten en Psalmen moet vervuld worden: ... Zoo staat het geschreven en zoo moest de Christus lijden en opstaan uit de dooden ».— Het was echter wel noodzakelijk volgens de doel-noodzakelijkheid. Deze kan men van drie zijden bezien. Vooreerst, van onze kant uit, die verlost zijn door zijn lijden, zoals geschreven staat bij Johannes (3, 14, 15): “De Mensenzoon moet verheven worden, opdat alwie in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar het eeuwige leven zou hebben”. Ten tweede, van de kant van Christus zelf, die door de vernedering van het lijden, de glorie van de verheffing verdiend heeft. Hierop slaat, hetgeen gezegd wordt bij Lukas (24, 26): “Moest de Christus dan niet lijden, en zo binnengaan in zijn heerlijkheid?” Ten derde, van de kant van God, wiens besluit aangaande het lijden van Christus, zoals dit voorzegd was in de H. Schrift en 6voorafgebeeld in het O. Testament, vervuld moest worden. Zo moet ook verstaan worden, hetgeen gezegd wordt bij Lukas (24, 44, 46): “Dit zijn de woorden, die Ik tot u gesproken heb, toen Ik nog bij u was: alles wat over Mij geschreven staat in de Wet van Moses, in Profeten en Psalmen moet vervuld worden: ... Zo staat het geschreven en zo moest de Christus lijden en opstaan uit de doden”.
Ad primum ergo dicendum quod ratio illa procedit de necessitate coactionis ex parte Dei.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Deze redeneering gaat uit van dwang-noodzakelijkheid van Gods kant.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Deze redenering gaat uit van dwang-noodzakelijkheid van Gods kant.
Ad secundum dicendum quod ratio illa procedit de necessitate coactionis ex parte hominis Christi.
2. Deze redeneering gaat uit van dwang-noodzakelijkheid van den kant van den mensch Christus.2. Deze redenering gaat uit van dwang-noodzakelijkheid van de kant van de mens Christus.
Ad tertium dicendum quod hominem liberari per passionem Christi conveniens fuit et misericordiae, et justitiae ejus. Justitiae quidem, quia per passionem suam Christus satisfecit pro peccato humani generis: et ita homo per justitiam Christi liberatus est. Misericordiae vero, quia, cum homo per se satisfacere non posset, pro peccato totius humanae naturae, 7ut supra habitum est [q. 1. art. 2 ad 2.], Deus ei satisfactorem dedit Filium suum: secundum illud Rom. 3. [v. 24 et 25] : « Justificati gratis per gratiam ipsius, per redemptionem quae est in Christo Jesu, quem proposuit Deus propitiatorem per fidem in sanguine ipsius ». Et hoc fuit abundantioris misericordiae quam si peccata absque satisfactione dimisisset. Unde dicitur Ephes. 2. [v. 4, 5] : « Deus. qui dives est in misericordia, propter nimiam charitatem, qua dilexit nos, cum essemus mortui peccatis, convivificavit nos in Christo ».
3. Dat de mensch door het lijden van Christus verlost werd, paste zoowel aan zijn barmhartigheid, als aan zijn rechtvaardigheid. — Aan zijn rechtvaardigheid, omdat Christus door zijn lijden voldoening bracht voor de zonde van het menschelijk geslacht, en zoo is de mensch door de rechtvaardigheid van Christus bevrijd. — Aan zijn barmhartigheid, omdat, nu de mensch door zich zelf niet voldoen kon voor de zonden van geheel de menschelijke natuur, zooals vroeger gezegd is (1e Kw. 72e Art.), God hem zijn Zoon als verlosser gaf, zooals geschreven staat in den Brief aan de Romeinen (3. 24) : « Om niet worden zij gerechtvaardigd door zijn genade uit kracht der verlossing door Christus Jesus, dien God gesteld heeft tot verzoener door het geloof in zijn bloed. » En dit getuigde van grootere barmhartigheid, dan wanneer Hij de zonden had vergeven zonder voldoening. Vandaar staat er in den Brief aan de Ephesiërs (2. 4, 5) : « God, die rijk is aan barmhartigheid, heeft om de groote liefde, die Hij ons toedroeg, ons in Christus mede levend gemaakt, toen wij dood waren door de zonden. »3. Dat de mens door het lijden van Christus verlost werd, paste zowel aan zijn barmhartigheid, als aan zijn rechtvaardigheid. — Aan zijn rechtvaardigheid, omdat Christus door zijn lijden voldoening bracht voor de zonde van het menselijk geslacht, en zo is de mens door de rechtvaardigheid van Christus bevrijd. — Aan zijn barmhartigheid, omdat, nu de mens door zichzelf niet voldoen kon voor de zonden van geheel de menselijke natuur, zoals vroeger gezegd is (1e Kw. 72e Art.), God hem zijn Zoon als verlosser gaf, zoals geschreven staat in de Brief aan de Romeinen (3, 24): “Om niet worden zij gerechtvaardigd door zijn genade uit kracht van de verlossing door Christus Jesus, die God gesteld heeft tot verzoener door het geloof in zijn bloed.” En dit getuigde van grotere barmhartigheid, dan wanneer Hij de zonden had vergeven zonder voldoening. Vandaar staat er in de Brief aan de Efesiërs (2, 4, 5): “God, die rijk is aan barmhartigheid, heeft om de grote liefde, die Hij ons toedroeg, ons in Christus mede levend gemaakt, toen wij dood waren door de zonden.”
Ad quartum dicendum quod peccatum angeli non fuit remediabile, sicut peccatum hominis: ut ex supradictis in 1. patet [q. 64. art. 2.].
4. De zonde van een engel kon niet vergeven worden, zooals de zonde van een mensch, gelijk gezegd is in het Eerste Deel (I. 64e Kw. 2e Art.).4. De zonde van een engel kon niet vergeven worden, zoals de zonde van een mens, gelijk gezegd is in het Eerste Deel (1 64e Kw. 2e Art.).
Utrum fuerit possibilis alius modus liberationis humanae1 quam per passionem Christi
Was er een andere wijze mogelijk, om den mensch te verlossen, dan door het lijden van Christus?Was er een andere wijze mogelijk, om de mens te verlossen, dan door het lijden van Christus?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod non fuerit possibilis alius 8modus liberationis humanae2 quam per passionem Christi. Dicit enim Dominus Joan. 12. [v. 24, 25] : « Nisi granum frumenti cadens in terram mortuum fuerit, ipsum solum manet: si autem mortuum fuerit, multum fructum affert », ubi dicit Augustinus [tract. 51. in Joan.] quod « seipsum granum dicebat ». Nisi ergo mortem passus esset, aliter fructum nostrae liberationis non fecisset.
Bedenkingen. — Men beweert, dat er geen andere wijze 8mogelijk was om de menschelijke natuur te verlossen, dan door het lijden van Christus. — 1. De Heer zegt immers bij Joannes (12. 24, 25) : « Tenzij de graankorrel, die in de aarde valt, sterft, blijft hij alleen; zoo hij echter sterft, brengt hij veel vrucht voort, » waarbij Augustinus opmerkt dat « Hij zichzelf de graankorrel noemde. » Tenzij Hij dus den dood onderging, had Hij op geen enkele andere wijze de vrucht onzer verlossing voortgebracht.Bedenkingen. — Men beweert, dat er geen andere wijze 8mogelijk was om de menselijke natuur te verlossen, dan door het lijden van Christus. — 1. De Heer zegt immers bij Johannes (12, 24, 25): “Tenzij de graankorrel, die in de aarde valt, sterft, blijft hij alleen; zo hij echter sterft, brengt hij veel vrucht voort,” waarbij Augustinus opmerkt dat “Hij zichzelf de graankorrel noemde.” Tenzij Hij dus de dood onderging, had Hij op geen enkele andere wijze de vrucht van onze verlossing voortgebracht.
2. Praeterea, Matth. 26. [v. 42] Dominus dicit ad Patrem: « Pater mi, si non potest hic calix transire, nisi bibam illum, fiat voluntas tua ». Loquitur autem ibi de calice passionis. Ergo passio Christi praeteriri non poterat. Unde et Hilarius dicit [cap. 31. in Matth.] : « Ideo calix transire non potest nisi illum bibat, quia reparari nisi ex ejus passione non possumus ».
2. De Heer zegt tot den Vader bij Mattheus (26. 42) : « Vader, zoo deze kelk niet kan voorbijgaan, tenzij ik hem ledige, Uw wil geschiede. » Hij spreekt daar nu over den kelk van het lijden. Dus kon het lijden aan Christus niet voorbijgaan. Vandaar dat ook Hilarius zegt: « Daarom kan de kelk niet voorbijgaan, tenzij Hij hem ledige, omdat voor ons geen herstel mogelijk is, tenzij door zijn lijden. »2. De Heer zegt tot de Vader bij Matteüs (26, 42): “Vader, zo deze kelk niet kan voorbijgaan, tenzij ik hem ledige, Uw wil geschiede.” Hij spreekt daar nu over de kelk van het lijden. Dus kon het lijden aan Christus niet voorbijgaan. Vandaar dat ook Hilarius zegt: “Daarom kan de kelk niet voorbijgaan, tenzij Hij hem ledige, omdat voor ons geen herstel mogelijk is, tenzij door zijn lijden.”
3. Praeterea, justitia Dei exigebat ut homo a peccato liberaretur, Christo per passionem satisfaciente. Sed Christus suam justitiam non potest praeterire. Dicitur enim 2. ad Timoth. 2. [v. 13] : « Si non credimus, ille fidelis permanet: negare seipsum non potest » ; seipsum autem negaret 9si justitiam suam negaret: cum ipse sit justitia. Ergo videtur quod non fuerit possibile alio modo hominem liberari, quam per passionem Christi.
3. De rechtvaardigheid van God eischte, dat de mensch van de zonde zou verlost worden door de voldoening van Christus' lijden. Christus nu kan zijn rechtvaardigheid niet verloochenen: er staat immers in den Tweeden Brief aan Timotheus (2. 13) : « Ook al gelooven wij niet. Hij blijft getrouw, zichzelf verloochenen kan Hij niet ». Hij zou echter zichzelf verloochenen, als Hij zijn 9rechtvaardigheid zou verloochenen, want Hij is: Gerechtigheid (vgl. 1 Cor. 1. 30). Derhalve schijnt er geen redding te zijn voor den mensch, tenzij door het lijden van Christus.3. De rechtvaardigheid van God eiste, dat de mens van de zonde zou verlost worden door de voldoening van Christus' lijden. Christus nu kan zijn rechtvaardigheid niet verloochenen: er staat immers in de Tweede Brief aan Timoteüs (2, 13): “Ook al geloven wij niet. Hij blijft getrouw, zichzelf verloochenen kan Hij niet”. Hij zou echter zichzelf verloochenen, als Hij zijn 9rechtvaardigheid zou verloochenen, want Hij is: Gerechtigheid (vgl. 1 Kor. 1. 30). Derhalve schijnt er geen redding te zijn voor de mens, tenzij door het lijden van Christus.
4. Praeterea, fidei non potest subesse falsum. Sed antiqui Patres crediderunt Christum passurum. Ergo videtur quod non potuerit esse quin Christus pateretur.
4. Het geloof kan geen valschheid bevatten. De oude Vaders nu geloofden, dat Christus zou lijden. Dus was het onmogelijk, dat Christus niet leed.4. Het geloof kan geen valsheid bevatten. De oude Vaders nu geloofden, dat Christus zou lijden. Dus was het onmogelijk, dat Christus niet leed.
Sed contra est quod Augustinus dicit 13. de Trin. [cap. 10.] : « Istum modum, quo nos per mediatorem Dei, et hominum hominem Christum Jesum Deus liberare dignatur, asserimus bonum, et divinae congruum dignitati: verum etiam ostendamus, non alium modum possibilem Deo defuisse, cujus potestati cuncta aequaliter subjacent ».
Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt : « Wij noemen deze wijze, waarop God zich gewaardigd heeft ons te verlossen door den mensch Christus Jesus, den middelaar tusschen God en de menschen, goed en passend aan Gods waardigheid; echter zullen wij ook aantoonen, dat er een andere wijze mogelijk was bij God, aan wiens macht alles gelijkelijk onderworpen is. »Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt: “Wij noemen deze wijze, waarop God zich gewaardigd heeft ons te verlossen door de mens Christus Jesus, de middelaar tussen God en de mensen, goed en passend aan Gods waardigheid; echter zullen wij ook aantonen, dat er een andere wijze mogelijk was bij God, aan wiens macht alles gelijkelijk onderworpen is.”
Respondeo dicendum quod aliquid potest dici possibile vel impossibile dupliciter: uno modo, simpliciter et absolute; alio modo, ex suppositione. Simpliciter igitur et absolute loquendo, possibile fuit Deo alio modo hominem liberare, quam per passionem Christi: « quia non est impossibile apud Deum omne verbum » ut dicitur Luc. 1. [v. 37]. Sed ex aliqua 10suppositione facta, fuit impossibile. Quia enim impossibile est Dei praescientiam falli et ejus voluntatem seu dispositionem cassari, supposita praescientia et praeordinatione Dei de passione Christi, non erat simul possibile Christum non pati, vel hominem alio modo quam per ejus passionem liberari. Et est eadem ratio de omnibus his quae sunt praescita et praeordinata a Deo: ut in prima parte habitum est [q. 14. art. 13.].
Leerstelling. — Iets kan op dubbele wijze mogelijk en onmogelijk zijn. Vooreerst, zonder meer en absoluut genomen; op de tweede plaats, krachtens een vooropstelling. Zonder meer nu en absoluut gesproken, kon God den mensch ook anders verlossen, dan door het lijden van Christus, daar « bij God niets onmogelijk is », zooals Lucas (1. 37) zegt. Maar in een bepaalde 10veronderstelling was het onmogelijk. Daar Gods voorkennis immers zich niet kan bedriegen en zijn wil of beschikking niet verijdeld kan worden, was het, Gods voorkennis en voorbeschikking omtrent het lijden van Christus eenmaal verondersteld, niet tegelijk mogelijk, dat Christus niet zou lijden of de mensch anders dan door zijn lijden zou verlost worden. Diezelfde redeneering geldt voor alles, wat God vooruit wist en beschikte, zooals uiteengezet werd in het Eerste Deel (I. 14e Kw. 13e Art.).Leerstelling. — Iets kan op dubbele wijze mogelijk en onmogelijk zijn. Vooreerst, zonder meer en absoluut genomen; op de tweede plaats, krachtens een vooropstelling. Zonder meer nu en absoluut gesproken, kon God de mens ook anders verlossen, dan door het lijden van Christus, daar “bij God niets onmogelijk is”, zoals Lukas (1, 37) zegt. Maar in een bepaalde 10veronderstelling was het onmogelijk. Daar Gods voorkennis immers zich niet kan bedriegen en zijn wil of beschikking niet verijdeld kan worden, was het, Gods voorkennis en voorbeschikking omtrent het lijden van Christus eenmaal verondersteld, niet tegelijk mogelijk, dat Christus niet zou lijden of de mens anders dan door zijn lijden zou verlost worden. Diezelfde redenering geldt voor alles, wat God vooruit wist en beschikte, zoals uiteengezet werd in het Eerste Deel (1 14e Kw. 13e Art.).
Ad primum ergo dicendum quod Dominus ibi loquitur supposita praescientia et praeordinatione Dei, secundum quam erat ordinatum ut fructus humanae salutis non sequeretur nisi Christo patiente.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Heer spreekt daar met vooropstelling van Gods voorkennis en voorbeschikking, volgens welke de vrucht van het menschelijk heil slechts zou volgen uit Christus' lijden.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Heer spreekt daar met vooropstelling van Gods voorkennis en voorbeschikking, volgens welke de vrucht van het menselijk heil slechts zou volgen uit Christus' lijden.
Et similiter intelligendum est quod secundo objicitur: « Si non potest hic calix transire, nisi bibam illum », scilicet, « propter hoc quod tu ita disposuisti » ; unde subdit: « Fiat voluntas tua ».
Zoo moet ook de tekst : « Indien deze kelk niet kan voorbijgaan, tenzij Ik hem drinke », welke in de 2e Bed. opgeworpen wordt, verstaan worden, nl. : « omdat Gij het zoo beschikt hebt ». Vandaar voegt Hij er ook aan toe : « Uw wil geschiede ».Zo moet ook de tekst: “Indien deze kelk niet kan voorbijgaan, tenzij Ik hem drinke”, welke in de 2e Bed. opgeworpen wordt, verstaan worden, nl.: “omdat Gij het zo beschikt hebt”. Vandaar voegt Hij er ook aan toe: “Uw wil geschiede”.
Ad tertium dicendum quod haec etiam justitia dependet ex voluntate divina ab humano genere satisfactionem exigente pro peccato. Nam si voluisset absque omni satisfactione hominem a peccato liberare, contra 11justitiam non fecisset. Civilis3 enim judex non potest, salva justitia, culpam sine poena dimittere, qui habet punire culpam in alium commissam, puta vel in alium hominem, vel in totam rempublicam, sive in superiorem principem. Sed Deus non habet aliquem superiorem, sed ipse est supremum et commune bonum totius universi Et ideo, si dimittat peccatum, quod habet rationem culpae ex eo quod contra ipsum committitur, nulli facit injuriam: sicut quicumque homo remittit offensam in se commissam absque satisfactione, misericorditer et non injuste agit. Et ideo David misericordiam petens dicebat [Psal. 50, v. 6] : « Tibi soli peccavi » quasi dicat, « Potes sine injustitia mihi dimittere ».
3. Deze rechtvaardigheid is ook afhankelijk van Gods wil, die van het menschelijk geslacht voldoening eischte voor de zonde. Want als Hij den mensch zonder eenige voldoening had willen verlossen van de zonde, zou Hij niet tegen zijn rechtvaardigheid 11gehandeld hebben. Immers de rechter, die een vergrijp moet straffen, dat tegen een ander werd bedreven, b. v. tegen een ander mensch, tegen de geheele staat, of tegen een hoogeren machthebber, kan die schuld niet straffeloos vergeven, zonder de rechtvaardigheid geweld aan te doen. Boven God echter staat er geen hooger, want zelf is Hij het hoogste en algemeene goed van het heelal. Als Hij derhalve een zonde vergeeft, die straf vraagt, omdat zij tegen Hem bedreven werd, dan doet Hij niemand onrecht: zoo ook handelt een mensch barmhartig en niet onrechtvaardig, als hij zonder voldoening een beleediging vergeeft, die hemzelf is aangedaan. Daarom zeide David in het Boek der Psalmen (50. 6) : « Tegen U alleen heb ik misdaan », alsof hij zeggen wilde : « Gij kunt mij vergeven zonder onrechtvaardig te zijn ».3. Deze rechtvaardigheid is ook afhankelijk van Gods wil, die van het menselijk geslacht voldoening eiste voor de zonde. Want als Hij de mens zonder enige voldoening had willen verlossen van de zonde, zou Hij niet tegen zijn rechtvaardigheid 11gehandeld hebben. Immers de rechter, die een vergrijp moet straffen, dat tegen een ander werd bedreven, bv. tegen een ander mens, tegen de gehele staat, of tegen een hogeren machthebber, kan die schuld niet straffeloos vergeven, zonder de rechtvaardigheid geweld aan te doen. Boven God echter staat er geen hoger, want zelf is Hij het hoogste en algemene goed van het heelal. Als Hij derhalve een zonde vergeeft, die straf vraagt, omdat zij tegen Hem bedreven werd, dan doet Hij niemand onrecht: zo ook handelt een mens barmhartig en niet onrechtvaardig, als hij zonder voldoening een belediging vergeeft, die hemzelf is aangedaan. Daarom zeide David in het Boek van de Psalmen (50, 6)a: “Tegen U alleen heb ik misdaan”, alsof hij zeggen wilde: “Gij kunt mij vergeven zonder onrechtvaardig te zijn”.
Ad quartum dicendum quod fides humana, et etiam Scripturae divinae, quibus fides instruitur, innituntur praescientiae et praeordinationi divinae: et ideo eadem ratio est de necessitate, quae provenit ex suppositione eorum, et de necessitate, quae provenit ex praescientia, et voluntate divina.
4. Het geloof van den mensch, en ook de goddelijke Schriftuur, waaruit het geloof wordt opgebouwd, steunen op Gods voorkennis en voorbeschikking. Derhalve gaat dezelfde redeneering op voor de noodzaak, welke volgt uit de vooropstelling van die beide, als voor de noodzaak, die een gevolg is van Gods voorkennis en van Gods wilsbeschikking.4. Het geloof van de mens, en ook de goddelijke Schriftuur, waaruit het geloof wordt opgebouwd, steunen op Gods voorkennis en voorbeschikking. Derhalve gaat dezelfde redenering op voor de noodzaak, welke volgt uit de vooropstelling van die beide, als voor de noodzaak, die een gevolg is van Gods voorkennis en van Gods wilsbeschikking.
Utrum fuerit aliquis modus convenientior ad liberationem humani generis, quam per passionem Christi
Bestond er een meer passende manier om het menschelijk geslacht te verlossen, dan door het lijden van Christus?Bestond er een meer passende manier om het menselijk geslacht te verlossen, dan door het lijden van Christus?
12Ad tertium sic proceditur. Videtur quod alius modus convenientior fuisset liberationis humanae quam per passionem Christi. Natura enim in sua operatione imitatur opus divinum: utpote a Deo mota et regulata. Sed natura non facit per duo quod per unum potest facere. Cum ergo Deus potuerit hominem liberare sola propria voluntate, non videtur conveniens fuisse quod ad liberationem humani generis Christi passio adderetur.
12Bedenkingen. — Men beweert, dat er een andere, meer passende, wijze was om den mensch te verlossen, dan door het lijden van Christus. — 1. De natuur toch bootst bij haar werken de werking van God na, daar zij immers door God wordt aangezet en geregeld. De natuur echter doet niet door middel van twee, wat zij door een doen kan. Wijl God nu enkel door zijn wil den mensch kon verlossen, lijkt het niet passend, er het lijden van Christus nog aan toe te voegen, om het menschelijk geslacht te verlossen.12Bedenkingen. — Men beweert, dat er een andere, meer passende, wijze was om de mens te verlossen, dan door het lijden van Christus. — 1. De natuur toch bootst bij haar werken de werking van God na, daar zij immers door God wordt aangezet en geregeld. De natuur echter doet niet door middel van twee, wat zij door een doen kan. Wijl God nu enkel door zijn wil de mens kon verlossen, lijkt het niet passend, er het lijden van Christus nog aan toe te voegen, om het menselijk geslacht te verlossen.
2. Praeterea, ea quae fiunt per naturam, convenientius fiunt quam ea quae fiunt per violentiam: quia violentia est « quaedam excisio », seu casus, « ab eo, quod est secundum naturam », ut dicitur in lib. 2. de Coelo [cap. 3, nr 1, S. Thom. lect. 4]. Sed passio Christi mortem violentam induxit. Ergo convenientius fuisset ut Christus naturali morte 13moriendo hominem liberaret, quam quod pateretur.
2. Wat naar eigen aard gebeurt, geschiedt passender, dan wat gewelddadig gebeurt : aangezien geweld « een zeker te niet gaan, » een afwijking is, « van wat volgens de natuur is, » zooals gezegd wordt in de Coelo. Het lijden van Christus nu veroorzaakte een gewelddadigen dood. Daarom was het passender, dat Christus den 13mensch verloste door een natuurlijken dood te sterven, dan door zijn lijden.2. Wat naar eigen aard gebeurt, geschiedt passender, dan wat gewelddadig gebeurt: aangezien geweld “een zeker te niet gaan,” een afwijking is, “van wat volgens de natuur is,” zoals gezegd wordt in de Coelo. Het lijden van Christus nu veroorzaakte een gewelddadigen dood. Daarom was het passender, dat Christus de 13mens verloste door een natuurlijken dood te sterven, dan door zijn lijden.
3. Praeterea, convenientissimum videtur quod ille qui violenter, et injuste detinet aliquid, per superioris potentiam spolietur. Unde Isa. 52. [v. 3] dicitur: « Gratis venumdati estis, et sine argento redimemini ». Sed diabolus nullum jus in homine habebat, quem per fraudem deceperat, et per quamdam violentiam servituti subjectum detinebat. Ergo videtur convenientissimum fuisse quod Christus diabolum per solam potentiam spoliaret absque sua passione.
3. Het lijkt zeer passend, dat hij die iets op gewelddadige en onrechtmatige wijze in bezit houdt, door de macht van de overheid daarvan beroofd wordt. Daarom wordt gezegd in Isaïas (52. 3) : « Om niet zijt gij verkocht en zonder geld wordt gij teruggekocht. » De duivel nu had geen enkel recht op den mensch, dien hij met list had bedrogen, en in zekeren zin gewelddadig in slavernij gebonden hield. Derhalve was het zeer passend, dat Christus den duivel beroofde zonder te lijden, enkel door zijn macht.3. Het lijkt zeer passend, dat hij die iets op gewelddadige en onrechtmatige wijze in bezit houdt, door de macht van de overheid daarvan beroofd wordt. Daarom wordt gezegd in Jesaja (52, 3): “Om niet zijt gij verkocht en zonder geld wordt gij teruggekocht.” De duivel nu had geen enkel recht op de mens, die hij met list had bedrogen, en in zekeren zin gewelddadig in slavernij gebonden hield. Derhalve was het zeer passend, dat Christus de duivel beroofde zonder te lijden, enkel door zijn macht.
Sed contra est quod Augustinus dicit 13. de Trin. [cap. 10.] : « Sanandae nostrae miseriae convenientior modus alius non fuit », quam per Christi passionem.
Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt : « Er was geen passender wijze, om onze ellende te herstellen, » dan door het lijden van Christus.Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: “Er was geen passender wijze, om onze ellende te herstellen,” dan door het lijden van Christus.
Respondeo dicendum quod tanto aliquis modus convenientior est ad assequendum finem, quanto per ipsum plura concurrunt quae sunt expedientia fini. Per hoc autem quod homo per Christi passionem est liberatus, 14multa concurrerunt ad salutem hominis pertinentia, praeter liberationem a peccato.
Leerstelling. — Een bepaalde manier om een doel te bereiken is des te passender, naar mate daardoor meerdere dingen samentreffen, die het doel van voordeel zijn. Doordat nu de mensch door Christus' lijden verlost is, zijn er, behalve dan de 14verlossing van de zonde, vele (resultaten) samen tot stand gekomen, welke allen betrekking hebben op 's menschen heil.Leerstelling. — Een bepaalde manier om een doel te bereiken is des te passender, naar mate daardoor meerdere dingen samentreffen, die het doel van voordeel zijn. Doordat nu de mens door Christus' lijden verlost is, zijn er, behalve dan de 14verlossing van de zonde, vele (resultaten) samen tot stand gekomen, welke allen betrekking hebben op 's mensen heil.
Primo enim, per hoc homo cognoscit quantum Deus hominem diligat, et per hoc provocatur ad eum diligendum: in quo perfectio humanae salutis consistit. Unde Apostolus dicit Rom. 5. [v. 8, 9] : « Commendat suam charitatem Deus in nobis, quoniam, cum inimici essemus, Christus pro nobis mortuus est ».
Ten eerste immers, doet dit den mensch inzien, hoezeer God hem liefheeft, en wordt hij hierdoor aangezet tot liefde voor Hem, in wien het volmaakte heil gelegen is. Daarom zegt de Apostel in den Brief aan de Romeinen (5. 8) : « God bewijst zijn liefde voor ons, doordat Christus voor ons is gestorven, toen wij nog vijanden waren. »Ten eerste immers, doet dit de mens inzien, hoezeer God hem liefheeft, en wordt hij hierdoor aangezet tot liefde voor Hem, in wie het volmaakte heil gelegen is. Daarom zegt de Apostel in de Brief aan de Romeinen (5, 8): “God bewijst zijn liefde voor ons, doordat Christus voor ons is gestorven, toen wij nog vijanden waren.”
Secundo, quia per hoc dedit nobis exemplum obedientiae, humilitatis, constantiae, justitiae, et caeterarum virtutum in passione Christi ostensarum: quae sunt necessariae ad humanam salutem. Unde dicitur 1. Petri 2. [v. 21] : « Christus passus est pro nobis, vobis relinquens exemplum, ut sequamini vestigia ejus ».
— Ten tweede, gaf hij ons hierdoor een voorbeeld van gehoorzaamheid, van nederigheid en van standvastigheid, van rechtvaardigheid en van al die andere deugden, welke in Christus' lijden tot uiting kwamen, welke allen ook noodzakelijk zijn voor de zaliging van den mensch. Daarom wordt er gezegd in den Eersten Brief van Petrus (2. 21) : « Christus heeft voor ons geleden, ons een voorbeeld nalatende, opdat gij zijn voetstappen zoudt drukken. »— Ten tweede, gaf hij ons hierdoor een voorbeeld van gehoorzaamheid, van nederigheid en van standvastigheid, van rechtvaardigheid en van al die andere deugden, welke in Christus' lijden tot uiting kwamen, welke allen ook noodzakelijk zijn voor de zaliging van de mens. Daarom wordt er gezegd in de Eerste Brief van Petrus (2, 21): “Christus heeft voor ons geleden, ons een voorbeeld nalatende, opdat gij zijn voetstappen zoudt drukken.”
Tertio, quia Christus per passionem suam non solum hominem a peccato liberavit, sed etiam gratiam justificantem, et gloriam beatitudinis ei promeruit, ut infra dicitur [q. 48. art. 1. et q. 49. art. 1. et 5.].
— Ten derde, heeft Christus door zijn lijden niet alleen den mensch verlost van de zonde, maar ook voor hem de heiligmakende genade en de zaligende heerlijkheid verdiend, zooals later zal worden uiteengezet (48e Kw. 1e Art.).— Ten derde, heeft Christus door zijn lijden niet alleen de mens verlost van de zonde, maar ook voor hem de heiligmakende genade en de zaligende heerlijkheid verdiend, zoals later zal worden uiteengezet (48e Kw. 1e Art.).
Quarto, quia per hoc est homini inducta major necessitas se immunem a peccato conservandi, qui se sanguine Christi redemptum cogitat a 15peccato1, secundum illud 1. Cor. 6. [v. 20] : « Empti enim estis pretio magno: glorificate, et portate Deum in corpore vestro ».
— Ten vierde, voelt de mensch zich nu des te meer verplicht, zich rein te bewaren van de zonde, als hij bedenkt, dat hij van zijn zonde verlost is door het bloed van Christus, zooals gezegd wordt in den 15Eersten Brief aan de Corinthiërs (6. 20) : « Gij toch zijt vrijgekocht door het bloed van Christus : verheerlijkt en draagt God in uw lichaam. »— Ten vierde, voelt de mens zich nu des te meer verplicht, zich rein te bewaren van de zonde, als hij bedenkt, dat hij van zijn zonde verlost is door het bloed van Christus, zoals gezegd wordt in de 15Eerste Brief aan de Korintiërs (6, 20): “Gij toch zijt vrijgekocht door het bloed van Christus: verheerlijkt en draagt God in uw lichaam.”
Quinto, quia hoc ad majorem dignitatem hominis cessit: ut, sicut homo victus fuerat et deceptus a diabolo, ita etiam homo esset, qui diabolum vinceret; et sicut homo mortem meruit, ita homo moriendo mortem superaret; unde dicitur 1. ad Cor. 15. [v. 57] : « Deo gratia, qui dedit nobis victoriam per Dominum nostrum Jesum Christum ».
— Ten vijfde gaf het den mensch een hoogere waardigheid, want gelijk de duivel den mensch overwon en misleidde, zoo werd ook de duivel door een mensch overwonnen; en zooals de mensch den dood verdiende, zoo heeft ook 'n mensch door te sterven den dood overwonnen. Daarom wordt gezegd in den Eersten Brief aan de Corinthiërs (15. 57) : « Aan God zij dank, die ons de overwinning geschonken heeft door onzen Heer Jesus Christus. »— Ten vijfde gaf het de mens een hogere waardigheid, want gelijk de duivel de mens overwon en misleidde, zo werd ook de duivel door een mens overwonnen; en zoals de mens de dood verdiende, zo heeft ook 'n mens door te sterven de dood overwonnen. Daarom wordt gezegd in de Eerste Brief aan de Korintiërs (15, 57): “Aan God zij dank, die ons de overwinning geschonken heeft door onze Heer Jesus Christus.”
Et ideo convenientius fuit, quod per passionem Christi liberaremur, quam per solam Dei voluntatem.
Zoo was het dus meer passend, dat wij verlost werden door het lijden van Christus, dan enkel door Gods wil.Zo was het dus meer passend, dat wij verlost werden door het lijden van Christus, dan enkel door Gods wil.
Ad primum ergo dicendum quod natura etiam, ut aliquid convenientius faciat, plura ad unum assumit: sicut duos oculos ad videndum. Et idem patet in aliis.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Ook de natuur gebruikt meerdere middelen tot iets, om het daardoor op 'n meer behoorlijke wijze te verrichten, zooals twee oogen om te zien; en ditzelfde blijkt in andere dingen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Ook de natuur gebruikt meerdere middelen tot iets, om het daardoor op 'n meer behoorlijke wijze te verrichten, zoals twee ogen om te zien; en ditzelfde blijkt in andere dingen.
Ad secundum dicendum quod, sicut Chrysostomus dicit, [hab. expres. ex Athanasio in lib. de Incarnat. Verbi (nr 22, 23)], « Christus non sui mortem, quam non habebat, cum sit vita, sed hominum mortem venerat 16consumpturus. Unde non propria morte corpus deposuit, sed ab hominibus illatam sustinuit. Sed et, si aegrotavisset corpus ejus et in conspectu omnium solveretur, inconveniens erat eum qui sanaret aliorum languores, habere proprium corpus affectum languoribus. Sed et, si absque morte2 corpus alicubi seorsum deposuisset ac deinde se offerret, non crederetur ei de resurrectione disserenti. Quomodo enim pateret Christi in morte victoria, nisi, coram omnibus eam patiens, per incorruptionem corporis probasset extinctam? »
2. Chrysostomus zegt: « Christus was gekomen om den dood der menschen te niet te doen, en niet zijn eigen dood, daar Hij 16hieraan niet onderworpen was, omdat Hij het Leven is. Daarom legde Hij zijn lichaam niet af, door uit zichzelf te sterven, maar onderging Hij een dood, die Hem door menschen werd aangedaan. Maar ook: indien zijn lichaam ziek was geworden en ontbonden, ten getuige van allen, dan was het niet passend, dat Hij die de ziekten van anderen genas, zelf een lichaam had, dat aan ziekten leed. En zelfs, al had Hij zonder ziekte zijn lichaam ergens afzonderlijk afgelegd en zich vervolgens vertoond, dan zou men Hem niet gelooven, als Hij van zijn verrijzenis sprak. Hoe kon immers in Christus' dood de overwinning uitschitteren, tenzij Hij openlijk den dood onderging en dan met zijn onbedorven lichaam bewees, dat de dood vernietigd was. »2. Chrysostomus zegt: “Christus was gekomen om de dood van de mensen te niet te doen, en niet zijn eigen dood, daar Hij 16hieraan niet onderworpen was, omdat Hij het Leven is. Daarom legde Hij zijn lichaam niet af, door uit zichzelf te sterven, maar onderging Hij een dood, die Hem door mensen werd aangedaan. Maar ook: indien zijn lichaam ziek was geworden en ontbonden, ten getuige van allen, dan was het niet passend, dat Hij die de ziekten van anderen genas, zelf een lichaam had, dat aan ziekten leed. En zelfs, al had Hij zonder ziekte zijn lichaam ergens afzonderlijk afgelegd en zich vervolgens vertoond, dan zou men Hem niet geloven, als Hij van zijn verrijzenis sprak. Hoe kon immers in Christus' dood de overwinning uitschitteren, tenzij Hij openlijk de dood onderging en dan met zijn onbedorven lichaam bewees, dat de dood vernietigd was.”
Ad tertium dicendum quod, licet diabolus injuste invaserit hominem, tamen homo propter peccatum juste erat sub servitute diaboli derelictus a Deo. Et ideo conveniens fuit ut per justitiam homo a servitute diaboli liberaretur, Christo satisfaciente pro ipso per suam passionem.
3. Hoewel de duivel den mensch onrechtmatig had aangerand, was het toch rechtvaardig, dat God den mensch om zijn zonde liet zuchten onder de slavernij van den duivel. En daarom was het passend, dat de mensch met rechtvaardigheid verlost werd van de slavernij van den duivel nl. doordat Christus voor hem voldoening bracht door zijn lijden.3. Hoewel de duivel de mens onrechtmatig had aangerand, was het toch rechtvaardig, dat God de mens om zijn zonde liet zuchten onder de slavernij van de duivel. En daarom was het passend, dat de mens met rechtvaardigheid verlost werd van de slavernij van de duivel nl. doordat Christus voor hem voldoening bracht door zijn lijden.
Fuit etiam hoc conveniens ad vincendam superbiam diaboli, qui est « desertor justitiae, et amator potentiae », ut Christus « diabolum vinceret, 17et hominem liberaret, non per solam potentiam deitatis, sed etiam per justitiam et humilitatem passionis » : ut Augustinus dicit 13. de Trinit. [cap. 13, 14.].
Ook was het passend om de hoogmoed van den duivel, die « zich om rechtvaardigheid niet bekommert en zoo van macht houdt », te vernederen, dat 17Christus « den duivel overwon en den mensch bevrijdde, niet slechts door zijn goddelijke macht, maar ook door de rechtvaardigheid en de vernedering van zijn lijden, » zooals Augustinus zegt.Ook was het passend om de hoogmoed van de duivel, die “zich om rechtvaardigheid niet bekommert en zo van macht houdt”, te vernederen, dat 17Christus “de duivel overwon en de mens bevrijdde, niet slechts door zijn goddelijke macht, maar ook door de rechtvaardigheid en de vernedering van zijn lijden,” zoals Augustinus zegt.
Utrum Christus pati debuerit in cruce
Moest Christus aan een kruis lijden?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod Christus non debuerit pati in cruce. Veritas enim debet respondere figurae. Sed in figura Christi praecesserunt omnia sacrificia veteris Testamenti, in quibus animalia gladio necabantur, et postmodum igni cremabantur. Ergo videtur quod Christus non debuerit pati in cruce sed magis gladio vel igne.
Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet moest lijden aan een kruis. — 1. De werkelijkheid moet immers beantwoorden aan de voorafbeelding. Al de offers nu van het O. Testament waren een voorafbeelding van Christus : en daarbij werden de dieren met het mes geslacht en daarna verbrand. Derhalve moest Christus niet lijden aan een kruis, maar veeleer met een zwaard of met vuur gedood worden.Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet moest lijden aan een kruis. — 1. De werkelijkheid moet immers beantwoorden aan de voorafbeelding. Al de offers nu van het O. Testament waren een voorafbeelding van Christus: en daarbij werden de dieren met het mes geslacht en daarna verbrand. Derhalve moest Christus niet lijden aan een kruis, maar veeleer met een zwaard of met vuur gedood worden.
2. Praeterea, Damascenus dicit [lib. 3. Orth. Fid. cap. 20.], quod Christus non debuerit assumere « detestabiles1 passiones ». Sed mors crucis videtur fuisse maxime detestabilis2, et ignominiosa. Unde dicitur 18Sap. 2. [v. 20] : « Morte turpissima condemnemus eum ». Ergo videtur, quod Christus non debuerit pati mortem crucis.
2. Damascenus zegt, dat Christus geen « vernederend lijden » mocht ondergaan. De dood aan het kruis echter was allermeest vernederend en onteerend. Daarom wordt gezegd in het Boek der 18Wijsheid (2. 20) : « Laten wij Hem tot den allerschandelijksten dood veroordeelen ». Dus moest Christus niet den kruisdood sterven.2. Damascenus zegt, dat Christus geen “vernederend lijden” mocht ondergaan. De dood aan het kruis echter was allermeest vernederend en onterend. Daarom wordt gezegd in het Boek van de 18Wijsheid (2, 20): “Laten wij Hem tot de allerschandelijksten dood veroordelen”. Dus moest Christus niet de kruisdood sterven.
3. Praeterea, de Christo dicitur: « Benedictus, qui venit in nomine Domini », ut patet Matth. 21. [v. 9]. Sed mors crucis erat mors maledictionis: secundum illud Deuter. 21. [v. 23] : « Maledictus est a Deo, qui pendet in ligno ». Ergo videtur quod non fuerit conveniens Christum crucifigi.
3. Van Christus wordt gezegd: « Gezegend, die komt in den naam des Heeren », zooals blijkt bij Mattheus (21. 9). De kruisdood echter was een dood van vervloeking, zooals staat in het Boek Deuteronomium (21. 23) : « Gevloekt van God is hij, die hangt aan het hout. » Dus was het niet passend, om Christus te kruisigen.3. Van Christus wordt gezegd: “Gezegend, die komt in de naam van de Heer”, zoals blijkt bij Matteüs (21, 9). De kruisdood echter was een dood van vervloeking, zoals staat in het Boek Deuteronomium (21, 23): “Gevloekt van God is hij, die hangt aan het hout.” Dus was het niet passend, om Christus te kruisigen.
Sed contra est quod dicitur Philipp. 2. [v. 8] : « Factus est obediens usque ad mortem, mortem autem crucis ».
Daartegenover staat echter het gezegde in den Brief aan de Philippensen (2. 8) : « Hij is gehoorzaam geworden tot den dood, ja tot den dood aan het kruis. »Daartegenover staat echter het gezegde in de Brief aan de Filippenzen (2, 8): “Hij is gehoorzaam geworden tot de dood, ja tot de dood aan het kruis.”
Respondeo dicendum quod convenientissimum fuit Christum pati mortem crucis. Primo quidem, propter exemplum virtutis. Dicit enim Augustinus in lib. 3. QQ. [q. 25.] : « Sapientia Dei hominem, ad exemplum quo recte viveremus, suscepit. Pertinet autem ad vitam rectam, ea quae non sunt metuenda, non metuere. Sunt autem homines, qui quamvis mortem 19ipsam non timeant, genus tamen mortis horrescunt. Ut ergo nullum genus mortis recte viventi homini metuendum esset, illius hominis cruce ostendendum fuit: nihil enim erat, inter omnia genera mortis, illo genere execrabilius et formidabilius ».
Leerstelling. — Het was zeer passend, dat Christus den kruisdood onderging. — Ten eerste, om zijn voorbeeld van deugd. Augustinus toch zegt : « De goddelijke Wijsheid werd mensch, om een voorbeeld te geven, hoe wij behoorlijk moeten leven. 'n Behoorlijk leven nu sluit in, dat men niet vreest, wat niet gevreesd moet worden. Er zijn echter menschen, die wel niet den dood vreezen, maar toch een afschuw hebben van een bepaalden dood. 19Door den kruisdood nu van dien mensch moest getoond worden, dat iemand, die behoorlijk leeft geen enkelen dood moet vreezen. Er was immers geen andere dood zoo afschuwelijk en vreeswekkend als deze. »Leerstelling. — Het was zeer passend, dat Christus de kruisdood onderging. — Ten eerste, om zijn voorbeeld van deugd. Augustinus toch zegt: “De goddelijke Wijsheid werd mens, om een voorbeeld te geven, hoe wij behoorlijk moeten leven. 'n Behoorlijk leven nu sluit in, dat men niet vreest, wat niet gevreesd moet worden. Er zijn echter mensen, die wel niet de dood vrezen, maar toch een afschuw hebben van een bepaalden dood. 19Door de kruisdood nu van die mens moest getoond worden, dat iemand, die behoorlijk leeft geen enkelen dood moet vrezen. Er was immers geen andere dood zo afschuwelijk en vreeswekkend als deze.”
Secundo, quia hoc genus mortis maxime conveniens erat satisfactioni pro peccato primi parentis, quod fuit ex eo, quod contra mandatum Dei, pomum ligni vetiti sumpsit. Et ideo conveniens fuit, quod Christus, ad satisfaciendum pro illo peccato seipsum pateretur ligno affigi, quasi restituens quod Adam sustulerat: secundum illud Psal. 68. [v. 5] : « Quae non rapui, tunc exolvebam ». Unde Augustinus dicit in quodam sermone de Passione [Serm. 32. de Temp. ante med.] : « Contempsit Adam praeceptum, accipiens ex arbore pomum: sed quidquid Adam perdidit, Christus in cruce invenit ».
— Ten tweede was deze wijze van sterven de meest passende om te voldoen voor de zonden van den stamvader, welke hierin bestond, dat hij, tegen het gebod van God in, den appel at van het verboden hout. Derhalve was het passend, dat Christus, tot voldoening voor die zonde, zichzelf aan het hout liet slaan, a. h. w. teruggevend, wat Adam had weggenomen, volgens het woord uit het Boek der Psalmen (68. 5) : « Wat ik niet geroofd heb, heb ik toen hersteld. » Vandaar dat Augustinus zegt : « Adam verachtte het gebod, door den appel van den boom te nemen; maar wat Adam verloor, heeft Christus op het kruis wedergevonden. »— Ten tweede was deze wijze van sterven de meest passende om te voldoen voor de zonden van de stamvader, welke hierin bestond, dat hij, tegen het gebod van God in, de appel at van het verboden hout. Derhalve was het passend, dat Christus, tot voldoening voor die zonde, zichzelf aan het hout liet slaan, a. h. w. teruggevend, wat Adam had weggenomen, volgens het woord uit het Boek van de Psalmen (68, 5)a: “Wat ik niet geroofd heb, heb ik toen hersteld.” Vandaar dat Augustinus zegt: “Adam verachtte het gebod, door de appel van de boom te nemen; maar wat Adam verloor, heeft Christus op het kruis wedergevonden.”
Tertia ratio est quia, ut Chrysostomus dicit in sermone de Passione [seu homil. de Cruce, et Latrone (nr 1 et 2)], « in excelso ligno, et non sub tecto passus est, ut etiam ipsius aëris natura mundetur. Sed et ipsa terra simile beneficium sentiebat, decurrentis de latere sanguinis stillatione mundata ». Et super illud Joan. 3. [v. 14] ; « Oportet exaltari filium 20hominis » dicit: « Exaltari audiens, suspensionem intelligas in altum: ut sanctificaret aërem qui sanctificaverat terram, ambulando in ea ».
— Ten derde heeft Hij, zooals Chrysostomus zegt, « geleden op een opgericht hout, en niet onder een dak, om zelfs de natuur der lucht te reinigen. En ook de aarde onderging dezelfde weldaad, die door het neerdruppelen van het bloed, dat uit zijn zijde stroomde, werd gereinigd. » En aangaande de woorden van Joannes (3. 14) : « De Menschenzoon moet verheven worden, » zegt hij: « Als gij hoort van verheven worden, moet gij denken 20aan het ophangen in de hoogte, waardoor Hij de lucht reinigde, die de aarde had geheiligd door er op te wandelen. »— Ten derde heeft Hij, zoals Chrysostomus zegt, “geleden op een opgericht hout, en niet onder een dak, om zelfs de natuur van de lucht te reinigen. En ook de aarde onderging dezelfde weldaad, die door het neerdruppelen van het bloed, dat uit zijn zijde stroomde, werd gereinigd.” En aangaande de woorden van Johannes (3, 14): “De Mensenzoon moet verheven worden,” zegt hij: “Als gij hoort van verheven worden, moet gij denken 20aan het ophangen in de hoogte, waardoor Hij de lucht reinigde, die de aarde had geheiligd door er op te wandelen.”
Quarta ratio est, « quia per hoc quod in alto moritur, ascensum nobis parat in coelum », ut Chrysostomus dicit [id hab. expres. Athanas. loc. cit. art. praec. ad 2.]. Et inde est quod ipse dicit, Joan. 12. [v. 32, 33] : « Ego, si exaltatus fuero a terra, omnia traham ad meipsum ».
— Ten vierde, « omdat Hij ons een toegang verschafte naar den hemel door in de hoogte te sterven, » zooals Chrysostomus zegt. Daarom zegt Hij zelf bij Joannes (12. 32, 33) : « Als Ik van de aarde verheven zal zijn, zal Ik alles tot mij trekken. »— Ten vierde, “omdat Hij ons een toegang verschafte naar de hemel door in de hoogte te sterven,” zoals Chrysostomus zegt. Daarom zegt Hij zelf bij Johannes (12, 32, 33): “Als Ik van de aarde verheven zal zijn, zal Ik alles tot mij trekken.”
Quinta ratio est, quia hoc competit universali salvationi totius mundi. Unde Gregorius Nyssenus dicit [serm. 1. de Resurrect.], quod « figura crucis, a medio contactu in quatuor extrema partita, significat virtutem et providentiam ejus qui in ea pependit, ubique diffusam ». Chrysostomus etiam dicit [hoc etiam hab. Athan. loc. cit. art. praec. ad 2.], quod in cruce « expansis manibus, moritur, ut altera manu veterem populum, altera eos qui ex gentibus sunt, trahat ».
— Ten vijfde, omdat dit overeenkwam met de algemeene verlossing van heel de wereld. Daarom zegt Gregorius van Nyssa, dat « de figuur van het kruis, welke vanuit het middelpunt in vier uiteinden vervalt, aantoont, dat de kracht en de voorzienigheid van Hem, die daaraan hing, uitgaat naar alle kanten. » [De vertaling van «Chrysostomus etiam dicit…» ontbreekt in de uitgave.]— Ten vijfde, omdat dit overeenkwam met de algemene verlossing van heel de wereld. Daarom zegt Gregorius van Nyssa, dat “de figuur van het kruis, welke vanuit het middelpunt in vier uiteinden vervalt, aantoont, dat de kracht en de voorzienigheid van Hem, die daaraan hing, uitgaat naar alle kanten.” [De vertaling van “Chrysostomus etiam dicit…” ontbreekt in de uitgave.]
Sexta ratio est quia per hoc genus mortis diversae virtutes designantur. Unde Augustinus dicit in lib. de Gratia veteris, et novi Testamenti [scilicet epist. 140.] : « Non frustra tale genus mortis elegit: ut latitudinis et altitudinis et longitudinis et profunditatis », de quibus Apostolus loquitur, « magister existeret. Nam latitudo, quae3 est in eo ligno, quod transversum desuper figitur; hoc ad bona opera pertinet: quia ibi extenduntur 21manus. Longitudo in eo, quod ab ipso ligno usque ad terram conspicuum est: ibi enim quodammodo statur, idest persistitur, et perseveratur; quod longanimitati tribuitur. Altitudo est in ea ligni parte quae ab illa, quae transversum figitur, sursum versus relinquitur, hoc est, ad caput crucifixi: quia bene sperantium superna expectatio est. Jam vero illud ex ligno quod fixum occultatur, unde totum illud exurgit, profunditatem significat gratuitae gratiae ». Et, sicut Augustinus super Joan. [tract. 119.] dicit: « Lignum, in quo fixa erant membra patientis, etiam cathedra fuit magistri docentis ».
— Ten zesde, omdat door deze manier van sterven verschillende deugden aan het licht traden. Zoo zegt Augustinus: « Niet voor niets koos Hij deze wijze van sterven, om als leermeester te kunnen optreden van die breedte en hoogte, lengte en diepte, » waarover de Apostel spreekt. « Want de breedte wordt uitgemaakt door dat hout, hetwelk boven dwars wordt vastgemaakt; en deze beduidt de goede werken, wijl daar 21de handen worden uitgestrekt. De lengte wordt uitgemaakt door dat stuk, hetwelk zich uitstrekt vanaf dat eerste hout tot aan den grond: daarmede nu staat het in zekeren zin, d. i. heeft het stevigheid en vastheid, hetgeen aan de lankmoedigheid wordt toegeschreven. De hoogte vormt dat deel, hetwelk zich vanaf den dwarsbalk naar boven toe uitstrekt, d. i. bij het hoofd van den gekruisigde, omdat de verwachting van hen, die op de juiste wijze hopen, naar boven is gericht. Ten slotte, dat deel van het hout, hetwelk in den grond vastzit en daardoor verborgen is, en waaruit het geheel oprijst, beteekent de diepte van de onverplichte genade. » Evenzoo zegt Augustinus : « Het hout, waaraan de ledematen van Hem die lijdt gehecht waren, was ook de zetel van den meester, die leeraart. »— Ten zesde, omdat door deze manier van sterven verschillende deugden aan het licht traden. Zo zegt Augustinus: “Niet voor niets koos Hij deze wijze van sterven, om als leermeester te kunnen optreden van die breedte en hoogte, lengte en diepte,” waarover de Apostel spreekt. “Want de breedte wordt uitgemaakt door dat hout, hetwelk boven dwars wordt vastgemaakt; en deze beduidt de goede werken, wijl daar 21de handen worden uitgestrekt. De lengte wordt uitgemaakt door dat stuk, hetwelk zich uitstrekt vanaf dat eerste hout tot aan de grond: daarmede nu staat het in zekeren zin, d.i. heeft het stevigheid en vastheid, hetgeen aan de lankmoedigheid wordt toegeschreven. De hoogte vormt dat deel, hetwelk zich vanaf de dwarsbalk naar boven toe uitstrekt, d.i. bij het hoofd van de gekruisigde, omdat de verwachting van hen, die op de juiste wijze hopen, naar boven is gericht. Ten slotte, dat deel van het hout, hetwelk in de grond vastzit en daardoor verborgen is, en waaruit het geheel oprijst, betekent de diepte van de onverplichte genade.” Evenzo zegt Augustinus: “Het hout, waaraan de ledematen van Hem die lijdt gehecht waren, was ook de zetel van de meester, die leraart.”
Septima ratio est quia hoc genus mortis plurimis figuris respondet. Ut enim Augustinus dicit in sermone de Passione [hab. aliquid serm. 32. de Temp. ante med.], « de diluvio aquarum humanum genus arca lignea liberavit; de Aegypto Dei populo recedente, Moyses mare virga divisit, et Pharaonem prostravit, et populum Dei redemit; idem Moyses lignum in aquam misit et amaram aquam in dulcedinem commutavit; ex lignea virga de spirituali petra salutaris unda profertur; et, ut Amalech vinceretur, circa virgam Moyses expansis manibus extenditur; et lex Dei arcae 22Testamenti creditur ligneae; ut his omnibus ad lignum crucis, quasi per quosdam gradus, veniatur ».
— Ten zevende, omdat deze wijze van sterven aan meerdere voorafbeeldingen beantwoordt. Zoo zegt immers Augustinus: « De ark van hout heeft het menschdom gered uit den zondvloed; toen het volk Gods uit Egypte trok, verdeelde Moses de zee met een staf, bracht Pharao ten onder, en verloste het volk Gods; dezelfde Moses wierp een stuk hout in het water en maakte het bittere water zoet; met den houten staf werd uit de geestelijke rots een heilzame stroom te voorschijn gebracht; en opdat Amalech zou overwonnen worden, strekte Moses om den staf de handen uit; en de Wet Gods werd aan de houten 22ark des Verbonds toevertrouwd, opdat men met dat al a. h. w. trapsgewijs zou komen tot het kruishout. »— Ten zevende, omdat deze wijze van sterven aan meerdere voorafbeeldingen beantwoordt. Zo zegt immers Augustinus: “De ark van hout heeft het mensdom gered uit de zondvloed; toen het volk Gods uit Egypte trok, verdeelde Moses de zee met een staf, bracht Farao ten onder, en verloste het volk Gods; dezelfde Moses wierp een stuk hout in het water en maakte het bittere water zoet; met de houten staf werd uit de geestelijke rots een heilzame stroom te voorschijn gebracht; en opdat Amalech zou overwonnen worden, strekte Moses om de staf de handen uit; en de Wet Gods werd aan de houten 22ark van het Verbond toevertrouwd, opdat men met dat al a. h. w. trapsgewijs zou komen tot het kruishout.”
Ad primum ergo dicendum quod altare holocaustorum, in quo sacrificia animalium offerebantur, erat factum de lignis, ut habetur Exodi 27. [v. 1] : et quantum ad hoc veritas respondet figurae. « Non » autem « oportet quod quantum ad omnia: quia jam non esset similitudo, sed veritas » ut Damascenus dicit in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 26.]. Specialiter tamen, ut Chrysostomus dicit [id etiam hab. Athan. loc. cit. art. praec. ad 2.], « non caput ei amputatur, ut Joanni; neque sectus est, ut Isaias: ut corpus integrum et indivisibile morti servet, et non fiat occasio volentibus Ecclesiam dividere ». Loco autem materialis ignis fuit in holocausto Christi ignis charitatis.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het altaar der slachtoffers, waarop de dier-offers werden opgedragen, was uit hout vervaardigd gelijk we weten uit het Boek van den Uittocht (27. 1) ; en wat dat betreft, beantwoordde de werkelijkheid aan de voorafbeelding. « Het is » echter « niet noodig, dat zij ook in ieder opzicht beantwoordde, want dan zou het geen gelijkenis meer zijn, maar werkelijkheid, » zooals Damascenus zegt. En wat dit speciale geval nog betreft zegt Chrysostomus : « Hem werd het hoofd niet afgeslagen, zooals bij Joannes; ook werd Hij niet doorgezaagd, zooals Isaïas; opdat Hij zijn lichaam geheel en onverdeeld zou bewaren in den dood en er geen kans zou geboden worden aan hen, die de Kerk willen verdeelen. » In de plaats van het stoffelijk vuur echter trad bij het offer van Christus het vuur der liefde.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het altaar van de slachtoffers, waarop de dier-offers werden opgedragen, was uit hout vervaardigd gelijk we weten uit het Boek van de Uittocht (27, 1); en wat dat betreft, beantwoordde de werkelijkheid aan de voorafbeelding. “Het is” echter “niet nodig, dat zij ook in ieder opzicht beantwoordde, want dan zou het geen gelijkenis meer zijn, maar werkelijkheid,” zoals Damascenus zegt. En wat dit speciale geval nog betreft zegt Chrysostomus: “Hem werd het hoofd niet afgeslagen, zoals bij Johannes; ook werd Hij niet doorgezaagd, zoals Jesaja; opdat Hij zijn lichaam geheel en onverdeeld zou bewaren in de dood en er geen kans zou geboden worden aan hen, die de Kerk willen verdelen.” In de plaats van het stoffelijk vuur echter trad bij het offer van Christus het vuur van de liefde.
Ad secundum dicendum quod Christus detestabiles4 passiones assumere renuit, quae pertinebant ad defectum scientiae vel gratiae, aut etiam virtutis. Non autem illas, quae pertinent ad injuriam ab exteriori illatam: 23quinimmo ut dicitur Hebr. 12. [v. 2] : « Sustinuit crucem, confusione contempta ».
2. Christus wilde niet zulk vernederend lijden ondergaan, dat een gemis inhield aan kennis, genade of zelfs deugd. Wel echter zoo 'n lijden, dat ongerechtigheid insloot, die van buiten af werd 23veroorzaakt. Integendeel, zooals staat in den Brief aan de Hebreën (12. 2) : « Hij heeft het kruis op zich genomen en de schande niet geacht. »2. Christus wilde niet zulk vernederend lijden ondergaan, dat een gemis inhield aan kennis, genade of zelfs deugd. Wel echter zo 'n lijden, dat ongerechtigheid insloot, die van buiten af werd 23veroorzaakt. Integendeel, zoals staat in de Brief aan de Hebreën (12, 2): “Hij heeft het kruis op zich genomen en de schande niet geacht.”
Ad tertium dicendum quod, sicut Augustinus dicit 14. contra Faustum [cap. 4.], peccatum maledictum est: et per consequens mors et mortalitas ex peccato proveniens: « Caro autem Christi mortalis fuit, (similitudinem habens carnis peccati) ». Et propter hoc Moyses eam nominat « maledictum » ; sicut et Apostolus nominat eam « peccatum », dicens 2. ad Cor. 5. [v. 21] : « Eum. qui non noverat peccatum, pro nobis peccatum fecit » ; scilicet propter poenam peccati. « Nec ideo major invidia est, quia dixit: « Maledictus est a Deo ». Nisi enim Deus peccatum odisset, et mortem nostram, non ad eam suscipiendam atque tollendam Filium suum mitteret. Confitere ergo maledictum suscepisse pro nobis, quem confiteris mortuum esse pro nobis ». Unde ad Gal. 3. [v. 13] dicitur: « Christus nos redemit de maledicto legis, factus pro nobis maledictum ».
3. Zooals Augustinus zegt, is de zonde een vloek en bijgevolg ook de dood en de sterfelijkheid, die uit de zonde voortkomen. « Het lichaam van Christus nu was sterfelijk, omdat het geleek op het zondige vleesch »: en daarom noemt Moses het een « vloek », zooals ook de Apostel het vleesch « zonde » noemt, waar hij in den Tweeden Brief aan de Corinthiërs (5. 21) zegt: « Die geen zonde gekend heeft, werd voor ons tot zonde gemaakt, » nl. van wege de zondestraf. « En het was ook geen grootere ongenade, dat hij zeide: Hij is vervloekt van God. Want indien God de zonde en onzen dood niet gehaat had, zou Hij ook niet zijn Zoon gezonden hebben, om dien op zich te nemen en te niet te doen. Belijdt derhalve, dat Hij de vloek voor ons op zich genomen heeft, van wien gij ook belijdt, dat Hij voor ons gestorven is. » Daarom wordt gezegd in den Brief aan de Galaten (3. 13) : « Christus heeft ons verlost van de vervloeking der Wet, door voor ons tot vervloeking te worden. »3. Zoals Augustinus zegt, is de zonde een vloek en bijgevolg ook de dood en de sterfelijkheid, die uit de zonde voortkomen. “Het lichaam van Christus nu was sterfelijk, omdat het geleek op het zondige vlees”: en daarom noemt Moses het een “vloek”, zoals ook de Apostel het vlees “zonde” noemt, waar hij in de Tweede Brief aan de Korintiërs (5, 21) zegt: “Die geen zonde gekend heeft, werd voor ons tot zonde gemaakt,” nl. van wege de zondestraf. “En het was ook geen grotere ongenade, dat hij zeide: Hij is vervloekt van God. Want indien God de zonde en onze dood niet gehaat had, zou Hij ook niet zijn Zoon gezonden hebben, om die op zich te nemen en te niet te doen. Belijdt derhalve, dat Hij de vloek voor ons op zich genomen heeft, van wie gij ook belijdt, dat Hij voor ons gestorven is.” Daarom wordt gezegd in de Brief aan de Galaten (3, 13): “Christus heeft ons verlost van de vervloeking van de Wet, door voor ons tot vervloeking te worden.”
Utrum Christus omnes passiones sustinuerit
Heeft Christus alle lijden verduurd?
24Ad quintum sic proceditur. Videtur quod Christus omnes passiones sustinuerit. Dicit enim Hilarius 10. de Trinit. [num. 2] : « Unigenitus Dei, ad peragendum mortis suae sacramentum, consummasse se omne humanarum genus passionum testatur, cum, inclinato capite, emisit spiritum ». Videtur ergo quod omnes passiones humanas sustinuerit.
24Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus alle lijden heeft ondergaan. — 1. Hilarius toch zegt: « De eeniggeboren Zoon van God heeft bij het voltrokken worden van het geheim van zijn dood getuigd, dat Hij alle soorten van menschelijk lijden heeft doorstaan, toen Hij met gebogen hoofd den geest gaf ». Hij schijnt dus alle menschelijk lijden ondergaan te hebben.24Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus alle lijden heeft ondergaan. — 1. Hilarius toch zegt: “De eniggeboren Zoon van God heeft bij het voltrokken worden van het geheim van zijn dood getuigd, dat Hij alle soorten van menselijk lijden heeft doorstaan, toen Hij met gebogen hoofd de geest gaf”. Hij schijnt dus alle menselijk lijden ondergaan te hebben.
2. Praeterea, Isa. 52. [v. 13 et 14] dicitur: « Ecce, intelliget servus meus, et exaltabitur, et elevabitur, et sublimis erit valde. Sicut obstupuerunt super eum multi, sic inglorius erit inter viros aspectus ejus, et forma ejus inter filios hominum ». Sed Christus est exaltatus secundum hoc quod habuit omnem gratiam et omnem scientiam: pro quo super eum multi admirantes obstupuerunt. Ergo videtur quod inglorius fuerit sustinendo omnem passionem humanam.
2. Bij Isaïas (52. 13, 14) wordt gezegd: « Zie, mijn Dienstknecht zal verstandig zijn, Hij zal verhoogd en verheven en zeer verheerlijkt zijn. Zooals velen over Hem verbaasd stonden, zoo zal ook zijn voorkomen ontluisterd zijn onder de menschen, en zijn gedaante onder de menschenkinderen ». Christus echter is verheven, omdat Hij alle genade en kennis had, waarom velen over Hem verbaasd stonden in bewondering. Derhalve schijnt het, dat Hij ontluisterd werd door alle menschelijk lijden te verduren.2. Bij Jesaja (52, 13, 14) wordt gezegd: “Zie, mijn Dienstknecht zal verstandig zijn, Hij zal verhoogd en verheven en zeer verheerlijkt zijn. Zoals velen over Hem verbaasd stonden, zo zal ook zijn voorkomen ontluisterd zijn onder de mensen, en zijn gedaante onder de mensenkinderen”. Christus echter is verheven, omdat Hij alle genade en kennis had, waarom velen over Hem verbaasd stonden in bewondering. Derhalve schijnt het, dat Hij ontluisterd werd door alle menselijk lijden te verduren.
3. Praeterea, passio Christi ordinata est ad liberationem hominis a peccato, ut supra dictum est [art. 1, 2 et 3. huj. q.]. Sed Christus venit 25liberare homines ab omni genere peccatorum. Ergo debuit pati omne genus passionum.
3. Het lijden van Christus was er op gericht, den mensch van de zonden te verlossen, gelijk boven gezegd is (in deze Kw. 254e Art.). Welnu Christus kwam den mensch verlossen van elke soort van zonden. Dus moest Hij ook alle soorten van lijden verduren.3. Het lijden van Christus was er op gericht, de mens van de zonden te verlossen, gelijk boven gezegd is (in deze Kw. 251e, 2e en 3e Art.). Welnu Christus kwam de mens verlossen van elke soort van zonden. Dus moest Hij ook alle soorten van lijden verduren.
Sed contra est quod dicitur Joan. 19. [v. 32, 33] quod « milites primi quidem fregerunt crura et alterius qui crucifixus est cum eo: ad Jesum autem cum venissent, non fregerunt ejus crura ». Non ergo passus est omnem humanam passionem.
Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt bij Joannes (19. 32) dat « de soldaten wel de beenderen braken van den eersten en van den ander, die met Hem gekruisigd werden, maar toen zij bij Jesus kwamen, braken zij zijn beenderen niet. » Dus heeft Hij niet alle menschelijke lijden ondergaan.Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt bij Johannes (19, 32) dat “de soldaten wel de beenderen braken van de eersten en van de ander, die met Hem gekruisigd werden, maar toen zij bij Jesus kwamen, braken zij zijn beenderen niet.” Dus heeft Hij niet alle menselijke lijden ondergaan.
Respondeo dicendum quod passiones humanae possunt considerari dupliciter. Uno modo, quantum ad speciem. Et sic non oportuit Christum pati omnem passionem, quia multae passionum species sibi invicem contrariantur, sicut combustio in igne et submersio in aqua. Loquitur enim nunc de passionibus ab extrinseco illatis: quia passiones ab intrinseco causatas, sicut sunt aegritudines corporales, non decuit eum pati, ut supra dictum est [q. 14. art. 4.].
Leerstelling. — Het menschelijk lijden kunnen we tweevoudig beschouwen. — Vooreerst naar de soort: en zoo opgevat behoefde Christus niet alle lijden te ondergaan, daar vele soorten van lijden elkaar tegengesteld zijn, zooals de vuurdood en de dood door verdrinking. Wij spreken nu immers over lijden, dat van buiten af wordt aangedaan, daar Hij niet het lijden behoorde te ondergaan, dat van binnenuit veroorzaakt wordt, als lichamelijke ziekten, zooals vroeger gezegd is (14e Kw. 4e Art.).Leerstelling. — Het menselijk lijden kunnen we tweevoudig beschouwen. — Vooreerst naar de soort: en zo opgevat behoefde Christus niet alle lijden te ondergaan, daar vele soorten van lijden elkaar tegengesteld zijn, zoals de vuurdood en de dood door verdrinking. Wij spreken nu immers over lijden, dat van buiten af wordt aangedaan, daar Hij niet het lijden behoorde te ondergaan, dat van binnenuit veroorzaakt wordt, als lichamelijke ziekten, zoals vroeger gezegd is (14e Kw. 4e Art.).
Sed secundum genus passus est omnem passionem humanam. Quod quidem potest considerari tripliciter. Uno modo ex parte hominum, a 26quibus passus est1. Passus est enim aliquid et a Gentilibus, et a Judaeis; et a masculis, et a foeminis, ut patet de ancillis accusantibus Petrum. Passus est etiam et a principibus, et a ministris eorum, et popularibus: secundum illud Psal. 2. [v. 1 et 2] : « Quare fremuerunt gentes, et populi meditati sunt inania? Astiterunt reges terrae, et principes convenerunt in unum, adversus Dominum, et adversus Christum ejus ». Passus est etiam a familiaribus et notis: sicut patet de Juda eum prodente, et Petro ipsum negante.
— Maar generiek genomen heeft Hij alle menschelijk lijden ondergaan. Dit kan men echter van drie zijden bezien. Vooreerst van den kant 26der menschen, door wier toedoen Hij leed. Hij heeft immers iets te lijden gehad zoowel van de heidenen als van de Joden, van mannen als van vrouwen, zooals blijkt met de dienstmaagden die Petrus aanklaagden. Hij heeft ook te lijden gehad van de overheden en van hunne dienaren en van het volk, gelijk staat geschreven in het Boek der Psalmen (2. 1, 2) : « Waarom razen de volken, en zinnen de natiën op ijdelheid? Opgekomen zijn de vorsten der aarde en de overheden zijn samengekomen tegen den Heer en tegen zijn Gezalfde. » Hij heeft ook geleden van vrienden en bekenden, zooals blijkt uit Judas, die Hem verraadde; en Petrus, die Hem verloochende.— Maar generiek genomen heeft Hij alle menselijk lijden ondergaan. Dit kan men echter van drie zijden bezien. Vooreerst van de kant 26van de mensen, door wier toedoen Hij leed. Hij heeft immers iets te lijden gehad zowel van de heidenen als van de Joden, van mannen als van vrouwen, zoals blijkt met de dienstmaagden die Petrus aanklaagden. Hij heeft ook te lijden gehad van de overheden en van hun dienaren en van het volk, gelijk staat geschreven in het Boek van de Psalmen (2, 1, 2): “Waarom razen de volken, en zinnen de natiën op ijdelheid? Opgekomen zijn de vorsten van de aarde en de overheden zijn samengekomen tegen de Heer en tegen zijn Gezalfde.” Hij heeft ook geleden van vrienden en bekenden, zoals blijkt uit Judas, die Hem verraadde; en Petrus, die Hem verloochende.
Alio modo patet idem ex parte eorum in quibus homo potest pati. Passus est enim Christus in suis amicis eum deserentibus; in fama per blasphemias contra eum prolatas; in honore et gloria per irrisiones et contumelias ei illatas; in rebus per hoc quod etiam vestibus spoliatus est; in anima per tristitiam, taedium et timorem; in corpore per vulnera, et flagella. Tertio potest considerari quantum ad corporis membra. Passus est enim Christus in capite pungentium spinarum coronam; in manibus et 27pedibus fixionem clavorum; in facie alapas et sputa; et in toto corpore flagella. Fuit etiam passus secundum omnem sensum corporeum: secundum tactum quidem, flagellatus et clavis confixus; secundum gustum, felle et aceto potatus; secundum olfactum, in loco foetido cadaverum mortuorum, qui dicitur calvariae, appensus patibulo; secundum auditum, lacessitus vocibus blasphemantium et irridentium; secundum visum, videns matrem, et discipulum, « quem diligebat », flentes.
Vervolgens blijkt hetzelfde bij datgene, waarin de mensch kan lijden. Christus immers heeft geleden in zijn vrienden, doordat zij Hem verlieten; in zijn goeden naam, door de godslasteringen, die tegen Hem werden geuit, in zijn eer en glorie door de bespotting en schande, die Hem werden aangedaan; in zijn zaken, doordat Hij zelfs van zijn kleederen werd beroofd; in zijn ziel door droefheid, walging en vrees; in zijn lichaam door wonden en geeselstriemen. Ten derde kan men dit beschouwen met betrekking tot zijn lichaamsdeelen. Christus verduurde immers in zijn hoofd de scherpe doornenkroon; in zijn handen en voeten de doorboring met nagelen; 27in zijn gezicht de kaakslagen en de bespuwing; in zijn geheele lichaam de geeselstriemen. Hij heeft ook geleden in elk lichamelijk zintuig; wat zijn gevoel betreft is Hij gegeeseld en met nagelen doorboord; wat zijn smaak betreft, is Hij met gal en azijn gelaafd; wat zijn reuk aangaat, is Hij aan het kruis gehecht op de onwelriekende begraafplaats der gestorvenen, die Calvarië genoemd wordt; wat zijn gehoor betreft, is Hij getergd door het geroep der godslasteraars en spotters; wat betreft zijn gezicht, doordat Hij zijn moeder en den leerling « dien Hij liefhad » zag weenen.Vervolgens blijkt hetzelfde bij datgene, waarin de mens kan lijden. Christus immers heeft geleden in zijn vrienden, doordat zij Hem verlieten; in zijn goeden naam, door de godslasteringen, die tegen Hem werden geuit, in zijn eer en glorie door de bespotting en schande, die Hem werden aangedaan; in zijn zaken, doordat Hij zelfs van zijn klederen werd beroofd; in zijn ziel door droefheid, walging en vrees; in zijn lichaam door wonden en geselstriemen. Ten derde kan men dit beschouwen met betrekking tot zijn lichaamsdelen. Christus verduurde immers in zijn hoofd de scherpe doornenkroon; in zijn handen en voeten de doorboring met nagelen; 27in zijn gezicht de kaakslagen en de bespuwing; in zijn gehele lichaam de geselstriemen. Hij heeft ook geleden in elk lichamelijk zintuig; wat zijn gevoel betreft is Hij gegeseld en met nagelen doorboord; wat zijn smaak betreft, is Hij met gal en azijn gelaafd; wat zijn reuk aangaat, is Hij aan het kruis gehecht op de onwelriekende begraafplaats van de gestorvenen, die Calvarië genoemd wordt; wat zijn gehoor betreft, is Hij getergd door het geroep van de godslasteraars en spotters; wat betreft zijn gezicht, doordat Hij zijn moeder en de leerling “die Hij liefhad” zag wenen.
Ad primum ergo dicendum quod verbum illud Hilarii est intelligendum quantum ad omnia genera passionum: non autem quantum ad omnes species.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het woord van Hilarius moet men verstaan van alle lijden generiek genomen, niet van alle soorten van lijden.
Ad secundum dicendum quod similitudo ibi attenditur, non quantum ad numerum passionum et gratiarum, sed quantum ad magnitudinem utriusque: quia sicut sublimatus est in donis gratiarum super alios, ita dejectus est infra alios per ignominiam passionum.
2. Het punt van vergelijking is hier niet het aantal der verduringen en genaden, maar de grootte van beiden; nl. zooals Hij in genadegaven boven de anderen verheven was, zoo werd Hij ook meer dan de anderen vernederd door de schande van het lijden.2. Het punt van vergelijking is hier niet het aantal van de verduringen en genaden, maar de grootte van beiden; nl. zoals Hij in genadegaven boven de anderen verheven was, zo werd Hij ook meer dan de anderen vernederd door de schande van het lijden.
Ad tertium dicendum quod, secundum sufficientiam, una minima passio Christi suffecisset ad redimendum genus humanum ab omnibus peccatis. 28Sed secundum convenientiam, sufficiens fuit quod pateretur omnia genera passionum, sicut jam dictum est [in corp. art.].
3. Wat betreft zijn uitwerking was het minste lijden van Christus voldoende, om het menschdom van alle zonden te 28verlossen; maar naar passendheid was het eerst voldoende als Hij allerlei lijden onderging, zooals in de leerstelling gezegd is.3. Wat betreft zijn uitwerking was het minste lijden van Christus voldoende, om het mensdom van alle zonden te 28verlossen; maar naar passendheid was het eerst voldoende als Hij allerlei lijden onderging, zoals in de leerstelling gezegd is.
Utrum dolor passionis Christi fuerit major omnibus doloribus
Was het lijden van Christus grooter dan alle lijden?Was het lijden van Christus groter dan alle lijden?
Ad sextum sic proceditur. Videtur quod dolor passionis Christi non fuerit major omnibus aliis doloribus. Dolor enim patientis augetur secundum gravitatem et diuturnitatem passionis. Sed quidam martyres graviores passiones, et diuturniores sustinuerunt, quam Christus: sicut patet de Laurentio, qui est assatus in craticula; et de Vincentio, cujus carnes sunt ungulis ferreis laceratae. Ergo videtur quod dolor Christi patientis non fuerit maximus.
Bedenkingen. — Men beweert, dat het lijden van Christus niet grooter was dan alle lijden. — 1. De smart van den lijder neemt toe met de hevigheid en den duur van het lijden. Sommige martelaren nu ondergingen zwaarder en langduriger lijden dan Christus; zooals blijkt bij Laurentius, die op een rooster gebraden werd; en bij Vincentius, wiens vleesch met ijzere tangen werd verscheurd. Dus was het lijden van Christus niet het grootste.Bedenkingen. — Men beweert, dat het lijden van Christus niet groter was dan alle lijden. — 1. De smart van de lijder neemt toe met de hevigheid en de duur van het lijden. Sommige martelaren nu ondergingen zwaarder en langduriger lijden dan Christus; zoals blijkt bij Laurentius, die op een rooster gebraden werd; en bij Vincentius, wiens vlees met ijzere tangen werd verscheurd. Dus was het lijden van Christus niet het grootste.
2. Praeterea, virtus mentis est mitigativa doloris: intantum quod Stoici posuerunt, tristitiam in animum sapientis non cadere et Aristoteles posuit [lib. 2. Ethic. cap. 6. num. 9. St. Thom. lect. 6. et 7.], quod virtus moralis medium tenet in passionibus. Sed in Christo fuit perfectissima virtus mentis. Ergo videtur quod in Christo non fuerit maximus dolor.
2. Geestesdeugd stilt de smart, zoo zelfs, dat de Stoïcijnen beweerden, dat de ziel van den wijze nooit door droefheid overvallen kan worden; en Aristoteles beweerde, dat de zedelijke deugd het (juiste) midden houdt bij passie. Christus echter bezat de volmaaktste geestesdeugd. Dus onderging Hij niet het grootste lijden.2. Geestesdeugd stilt de smart, zo zelfs, dat de Stoïcijnen beweerden, dat de ziel van de wijze nooit door droefheid overvallen kan worden; en Aristoteles beweerde, dat de zedelijke deugd het (juiste) midden houdt bij passie. Christus echter bezat de volmaaktste geestesdeugd. Dus onderging Hij niet het grootste lijden.
293. Praeterea. quanto aliquod patiens est magis sensibile, tanto major sequitur dolor passionis. Sed anima est sensibilior quam corpus: cum corpus sentiat ex anima. Adam etiam in statu innocentiae videtur corpus sensibilius habuisse quam Christus, qui assumpsit corpus humanum cum naturalibus defectibus. Ergo videtur quod dolor animae patientis in purgatorio vel in inferno, vel etiam dolor Adae si passus fuisset, major fuisset quam dolor passionis Christi.
293. Naar gelang een lijder gevoeliger is, ondergaat hij grootere lijdenssmart. De ziel nu is gevoeliger dan het lichaam, daar het lichaam gevoelt in afhankelijkheid van de ziel. En Adam schijnt ook in de staat van onschuld een fijner voelend lichaam gehad te hebben, dan Christus, die een menschelijk lichaam aannam met natuurlijke gebreken. Dus moet de smart van een ziel in het vagevuur of in de hel, of ook al de smart van Adam, zoo hij geleden heeft, grooter geweest zijn, dan de lijdenssmart van Christus.293. Naar gelang een lijder gevoeliger is, ondergaat hij grotere lijdenssmart. De ziel nu is gevoeliger dan het lichaam, daar het lichaam gevoelt in afhankelijkheid van de ziel. En Adam schijnt ook in de staat van onschuld een fijner voelend lichaam gehad te hebben, dan Christus, die een menselijk lichaam aannam met natuurlijke gebreken. Dus moet de smart van een ziel in het vagevuur of in de hel, of ook al de smart van Adam, zo hij geleden heeft, groter geweest zijn, dan de lijdenssmart van Christus.
4. Praeterea, majoris boni amissio causat majorem dolorem. Sed peccator peccando amittit majus bonum quam Christus patiendo: quia vita gratiae est melior quam vita naturae. Christus etiam, qui amisit vitam post triduum resurrecturus, minus aliquid amisisse videtur, quam illi qui amittunt vitam permansuri in morte. Ergo videtur, quod dolor Christi non fuerit maximus dolorum.
4. Het verlies van een grooter goed, veroorzaakt ook een grootere smart. De zondaar nu verliest door te zondigen een grooter goed, dan Christus door te lijden, daar het genade-leven hooger staat, dan het natuurlijke leven. Ook heeft Christus, die zijn leven verloor, maar na drie dagen zou verrijzen, minder verloren, dan zij die het leven verliezen, om voor altijd dood te blijven. Dus was de smart van Christus niet de grootste.4. Het verlies van een groter goed, veroorzaakt ook een grotere smart. De zondaar nu verliest door te zondigen een groter goed, dan Christus door te lijden, daar het genade-leven hoger staat, dan het natuurlijke leven. Ook heeft Christus, die zijn leven verloor, maar na drie dagen zou verrijzen, minder verloren, dan zij die het leven verliezen, om voor altijd dood te blijven. Dus was de smart van Christus niet de grootste.
5. Praeterea, innocentia patientis diminuit dolorem passionis. Sed Christus innocenter est passus; secundum illud Jerem. 11. [v. 19] : « Ego autem quasi agnus mansuetus qui portatur ad victimam ». Ergo videtur quod dolor passionis Christi non fuerit maximus.
5. De onschuld van den lijder vermindert de lijdenssmart. Christus nu heeft onschuldig geleden, zooals staat bij Jeremias (11. 19) : « Ik echter ben als een zachtmoedig lam, dat ter slachtbank wordt geleid. » Dus was de lijdenssmart van Christus niet het grootst.5. De onschuld van de lijder vermindert de lijdenssmart. Christus nu heeft onschuldig geleden, zoals staat bij Jeremia (11, 19): “Ik echter ben als een zachtmoedig lam, dat ter slachtbank wordt geleid.” Dus was de lijdenssmart van Christus niet het grootst.
306. Praeterea, in his quae Christi sunt, nihil fuit superfluum. Sed minimus dolor Christi suffecisset ad finem salutis humanae: habuisset enim infinitam virtutem ex persona divina. Ergo superfluum fuisset assumere maximum dolorum.
306. Bij al wat aan Christus behoort was niets overtolligs. Het minste lijden echter van Christus was voldoende voor zijn doel: de verlossing van den mensch. Het bezat immers een oneindige waarde krachtens zijn goddelijke persoon. Derhalve zou het ondergaan van het grootste lijden iets overtolligs geweest zijn.306. Bij al wat aan Christus behoort was niets overtolligs. Het minste lijden echter van Christus was voldoende voor zijn doel: de verlossing van de mens. Het bezat immers een oneindige waarde krachtens zijn goddelijke persoon. Derhalve zou het ondergaan van het grootste lijden iets overtolligs geweest zijn.
Sed contra est quod Thren. 1. [v. 12] dicitur ex persona Christi: « Attendite, et videte si est dolor, sicut dolor meus ».
Daartegenover staat echter, dat we lezen in de Klaagliederen (1. 2) : « Aanschouwt en ziet toe, of er een smart is gelijk aan de mijne. »Daartegenover staat echter, dat we lezen in de Klaagliederen (1, 2): “Aanschouwt en ziet toe, of er een smart is gelijk aan de mijne.”
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est cum de defectibus assumptis a Christo ageretur [q. 15. art. 5. et 6.], in Christo patiente fuit verus dolor: et sensibilis, qui causatur ex corporali nocivo; et dolor interior, qui causatur ex apprehensione alicujus nocumenti, qui tristitia dicitur.
Leerstelling. — Zooals boven gezegd is bij de behandeling der gebrekkigheden, welke Christus op zich nam (15e Kw. 5e en 6e Art.), onderging Christus bij zijn lijden een werkelijke smart: zoowel een zintuigelijk waarneembare, die veroorzaakt wordt door lichamelijk letsel, als ook de inwendige smart, die ontstaat bij het ontwaren van iets, dat schadelijk is, en welke smart wij droefheid noemen.Leerstelling. — Zoals boven gezegd is bij de behandeling van de gebrekkigheden, welke Christus op zich nam (15e Kw. 5e en 6e Art.), onderging Christus bij zijn lijden een werkelijke smart: zowel een zintuigelijk waarneembare, die veroorzaakt wordt door lichamelijk letsel, als ook de inwendige smart, die ontstaat bij het ontwaren van iets, dat schadelijk is, en welke smart wij droefheid noemen.
Uterque autem dolor in Christo fuit maximus inter dolores praesentis vitae. Quod quidem contigit propter quatuor.
Beide smarten nu waren bij Christus de grootste onder de smarten van dit leven. En wel om vier redenen.
Primo quidem, propter causas doloris. Nam doloris sensibilis causa fuit laesio corporalis. Quae acerbitatem habuit, tum propter generalitatem 31passionis, de qua dictum est [art. praec.] : tum etiam ex genere passionis. Quia mors confixorum in cruce est acerbissima: quia configuntur in locis nervosis et maxime sensibilibus, scilicet in manibus et pedibus; et ipsum pondus corporis pendentis continue auget dolorem; et cum hoc etiam est doloris diuturnitas, quia non statim moriuntur, sicut hi qui gladio interficiuntur. Doloris autem interioris causa fuit, primo, quidem omnia peccata humani generis, pro quibus satisfaciebat patiendo: unde ea quasi sibi adscribit, dicens in Ps. 21. [v. 2] : « Verba delictorum meorum ». Secundo specialiter casus Judaeorum et aliorum in ejus morte delinquentium: et praecipue discipulorum, qui scandalum passi sunt in Christi passione. Tertio etiam amissio vitae corporalis, quae naturaliter est horribilis humanae naturae.
— Ten eerste van wege de oorzaken dezer smart. De zintuigelijk waarneembare smart had immers tot oorzaak 'n lichamelijke kwetsing. En deze was hevig, zoowel van wege de algemeenheid van het lijden, 31waarover wij spraken (in het vorige Art. en in de 15e Kw.), alsook van wege den aard van dit lijden. Want de dood van hen, die aan het kruis genageld worden is de bitterste. Zij worden immers vastgenageld op zenuwrijke en allergevoeligste plaatsen, nl. in de handen en voeten; en de zwaarte van het afhangende lichaam, vermeerdert nog voortdurend de smart; daarbij komt nog de lange duur van het lijden, daar zij niet terstond sterven, zooals dat wel het geval is met hen, die door 't zwaard omkomen. Oorzaak van de inwendige smart echter waren vooreerst al de zonden van 't menschelijk geslacht, waarvoor Hij door zijn lijden voldoening bracht, en die Hij a. h. w. aan zich zelf toeschreef, als Hij zegt in het Boek der Psalmen (21. 2) : « De woorden mijner zonden » ; ten tweede, bijzonder de val der Joden en van de anderen, die zich bij zijn dood schuldig maakten, en vooral van zijn leerlingen, die geërgerd werden door Christus' lijden; ten slotte, 't verlies van het lichamelijk leven, dat uiteraard iets verschrikkelijks is voor den mensch. —— Ten eerste van wege de oorzaken van deze smart. De zintuigelijk waarneembare smart had immers tot oorzaak 'n lichamelijke kwetsing. En deze was hevig, zowel van wege de algemeenheid van het lijden, 31waarover wij spraken (in het vorige Art. en in de 15e Kw.), alsook van wege de aard van dit lijden. Want de dood van hen, die aan het kruis genageld worden is de bitterste. Zij worden immers vastgenageld op zenuwrijke en allergevoeligste plaatsen, nl. in de handen en voeten; en de zwaarte van het afhangende lichaam, vermeerdert nog voortdurend de smart; daarbij komt nog de lange duur van het lijden, daar zij niet terstond sterven, zoals dat wel het geval is met hen, die door 't zwaard omkomen. Oorzaak van de inwendige smart echter waren vooreerst al de zonden van 't menselijk geslacht, waarvoor Hij door zijn lijden voldoening bracht, en die Hij a. h. w. aan zichzelf toeschreef, als Hij zegt in het Boek van de Psalmen (21, 2)a: “De woorden van mijn zonden”; ten tweede, bijzonder de val van de Joden en van de anderen, die zich bij zijn dood schuldig maakten, en vooral van zijn leerlingen, die geërgerd werden door Christus' lijden; ten slotte, 't verlies van het lichamelijk leven, dat uiteraard iets verschrikkelijks is voor de mens. —
Secundo potest magnitudo doloris ejus considerari ex perceptibilitate patientis et secundum animam, et secundum corpus. Nam et secundum corpus erat optime complexionatus, cum corpus ejus fuerit formatum miraculosa operatione Spiritus Sancti: sicut et alia quae per miracula facta 32sunt, fuerunt aliis potiora, ut Chrysostomus dicit [homil. 22. in Joan.] de vino, in quod Christus aquam convertit in nuptiis. Et ideo in eo maxime viguit sensus tactus, ex cujus perceptione sequitur dolor. Anima etiam, secundum vires interiores efficacissime apprehendit omnes causas tristitiae.
Ten tweede kan de grootheid zijner smart worden afgeleid uit de fijngevoeligheid van den lijder, zoowel naar ziel als naar lichaam. Want lichamelijk had Hij een uitmuntend gestel, daar zijn lichaam op wonderbare wijze gevormd werd door de werking van den H. Geest: zooals dan ook al wat miraculeus geschiedt, 32beter is dan het andere, zooals Chrysostomus zegt van den wijn, waarin Christus bij de bruiloft het water veranderd had. Dus bij Hem was de gevoelszin, uit wiens gewaarwording de smart volgt, zeer sterk ontwikkeld. Ook nam de ziel met haar inwendige vermogens al de oorzaken van droefheid allerfijnst waar.Ten tweede kan de grootheid van zijn smart worden afgeleid uit de fijngevoeligheid van de lijder, zowel naar ziel als naar lichaam. Want lichamelijk had Hij een uitmuntend gestel, daar zijn lichaam op wonderbare wijze gevormd werd door de werking van de H. Geest: zoals dan ook al wat miraculeus geschiedt, 32beter is dan het andere, zoals Chrysostomus zegt van de wijn, waarin Christus bij de bruiloft het water veranderd had. Dus bij Hem was de gevoelszin, uit wiens gewaarwording de smart volgt, zeer sterk ontwikkeld. Ook nam de ziel met haar inwendige vermogens al de oorzaken van droefheid allerfijnst waar.
Tertio magnitudo doloris Christi patientis potest considerari ex doloris, et tristitiae puritate. Nam in aliis patientibus mitigatur tristitia interior, et etiam dolor exterior, ex aliqua consideratione rationis, per quamdam derivationem seu redundantiam a superioribus viribus ad inferiores. Quod in Christo patiente non fuit: quia unicuique virium « permisit agere quod est sibi proprium », sicut Damascenus dicit [lib. 3. Orth. Fid. cap. 19. a med.].
— Ten derde kan de grootte der smart van den lijdenden Christus beschouwd worden naar de zuiverheid dier smart en droefheid. Want bij andere lijders wordt de inwendige droefheid en ook de uitwendige smart tengevolge van een verstandelijke beschouwing getemperd, door een zekere beïnvloeding, een terugslag van de hoogere vermogens op de lagere. Dit was echter bij den lijdenden Christus niet het geval, daar Hij aan alle vermogens « toeliet, te doen wat hun eigen was », gelijk Damascenus zegt.— Ten derde kan de grootte van de smart van de lijdende Christus beschouwd worden naar de zuiverheid van die smart en droefheid. Want bij andere lijders wordt de inwendige droefheid en ook de uitwendige smart tengevolge van een verstandelijke beschouwing getemperd, door een zekere beïnvloeding, een terugslag van de hogere vermogens op de lagere. Dit was echter bij de lijdende Christus niet het geval, daar Hij aan alle vermogens “toeliet, te doen wat hun eigen was”, gelijk Damascenus zegt.
Quarto potest considerari magnitudo doloris Christi patientis ex hoc quod passio illa et dolor a Christo fuerunt assumpta voluntarie, propter finem liberationis hominum a peccato. Et ideo tantam quantitatem doloris assumpsit quae esset proportionata magnitudini fructus qui inde sequebatur.
— Ten vierde kan men de grootte der smart van den lijdenden Christus hiernaar afmeten, dat dit lijden en die smart door Christus vrijwillig waren aanvaard, met het doel den mensch te bevrijden van de zonde. En daarom was het lijden, dat Hij aanvaardde, zoo groot, dat het geproportioneerd was, aan de grootte der vrucht, die er uit voortkwam.— Ten vierde kan men de grootte van de smart van de lijdende Christus hiernaar afmeten, dat dit lijden en die smart door Christus vrijwillig waren aanvaard, met het doel de mens te bevrijden van de zonde. En daarom was het lijden, dat Hij aanvaardde, zo groot, dat het geproportioneerd was, aan de grootte van de vrucht, die er uit voortkwam.
Ex his igitur omnibus causis simul consideratis manifeste apparet, quod dolor Christi fuerit maximus.
Uit deze redenen, allen te samen genomen, blijkt derhalve duidelijk, dat het lijden van Christus het grootst was.
33Ad primum ergo dicendum quod ratio illa procedit ex uno tantum praedictorum, scilicet ex laesione corporali, quae est causa sensibilis doloris. Sed ex aliis causis multo magis dolor Christi patientis augetur, ut dictum est [in corp. art.].
33Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Deze redeneering gaat alleen maar uit van een der voornaamste punten nl. het lichamelijk letsel, dat de voelbare smart veroorzaakt. Maar de andere oorzaken maakten het lijden van Christus nog veel grooter, zooals gezegd is in de leerstelling.33Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Deze redenering gaat alleen maar uit van een van de voornaamste punten nl. het lichamelijk letsel, dat de voelbare smart veroorzaakt. Maar de andere oorzaken maakten het lijden van Christus nog veel groter, zoals gezegd is in de leerstelling.
Ad secundum dicendum quod virtus moralis aliter mitigat tristitiam interiorem, et aliter exteriorem dolorem sensibilem. Tristitiam enim interiorem diminuit directe, in ea medium constituendo sicut in propria materia. Medium autem in passionibus virtus moralis constituit, ut in 2. habitum est [1-2.q. 64. art. 2.], non secundum quantitatem rei, sed secundum quantitatem proportionis: ut scilicet passio non excedat regulam rationis. Et quia Stoici reputabant, quod nulla tristitia esset ad aliquid utilis, ideo credebant quod totaliter a ratione discordaret: et per consequens quod totaliter esset sapienti vitanda. Sed secundum rei veritatem, tristitia aliqua laudabilis est, ut Augustinus probat in 14. de Civit. Dei [cap. 8. et 9.] : quando scilicet procedit ex sancto amore, utpote cum aliquis tristatur de peccatis propriis vel alienis. Assumitur etiam ut utilis ad finem satisfactionis 34pro peccato: secundum illud 2. ad Cor. 7. [v. 10] : « Quae secundum Deum est tristitia, poenitentiam in salutem stabilem operatur ». Et ideo Christus, ut satisfaceret pro peccatis omnium hominum, assumpsit tristitiam maximam quidem quantitate absoluta, non tamen excedentem regulam rationis.
2. De zedelijke deugd tempert de innerlijke droefheid anders dan de uiterlijk voelbare smart. De innerlijke droefheid vermindert zij direct, door daarin als in de haar geëigende materie, het juiste midden te houden. De zedelijke deugd houdt echter het juiste midden in de passie, zooals gezegd werd in het Tweede Deel (I-II. 44e Kw. 1e en 2e Art.), niet precies afgemeten aan de grootte van iets, maar aan de verhoudingsgrootte, nl. zoo, dat de passie de maat, door het verstand aangegeven, niet te buiten gaat. En daar de Stoïcijnen meenden, dat droefheid nergens goed voor is, daarom hielden zij, dat deze absoluut niet in overeenstemming is met de rede, en dat zij bijgevolg dus totaal door den wijze moet worden vermeden. In waarheid echter is een bepaalde droefheid prijzenswaardig, zooals Augustinus bewijst: wanneer zij nl. voortkomt uit een heilige liefde, b. v. wanneer iemand beproefd is over eigen zonden of die van anderen. Zij kan ook nuttig zijn om de zonde uit te boeten, naar het woord van den Apostel uit 34den Tweeden Brief aan de Corinthiërs (7. 10) : « De droefheid, zooals God ze verlangt, brengt bekeering tot blijvende zaligheid voort. » En daarom onderging Christus, tot voldoening voor de zonden van alle menschen, droefheid, en wel absoluut genomen de grootste droefheid, echter niet zoo, dat zij de maat van het verstand te buiten ging.2. De zedelijke deugd tempert de innerlijke droefheid anders dan de uiterlijk voelbare smart. De innerlijke droefheid vermindert zij direct, door daarin als in de haar geëigende materie, het juiste midden te houden. De zedelijke deugd houdt echter het juiste midden in de passie, zoals gezegd werd in het Tweede Deel (1-2 64e Kw. 1e en 2e Art.), niet precies afgemeten aan de grootte van iets, maar aan de verhoudingsgrootte, nl. zo, dat de passie de maat, door het verstand aangegeven, niet te buiten gaat. En daar de Stoïcijnen meenden, dat droefheid nergens goed voor is, daarom hielden zij, dat deze absoluut niet in overeenstemming is met de rede, en dat zij bijgevolg dus totaal door de wijze moet worden vermeden. In waarheid echter is een bepaalde droefheid prijzenswaardig, zoals Augustinus bewijst: wanneer zij nl. voortkomt uit een heilige liefde, bv. wanneer iemand beproefd is over eigen zonden of die van anderen. Zij kan ook nuttig zijn om de zonde uit te boeten, naar het woord van de Apostel uit 34de Tweede Brief aan de Korintiërs (7, 10): “De droefheid, zoals God ze verlangt, brengt bekering tot blijvende zaligheid voort.” En daarom onderging Christus, tot voldoening voor de zonden van alle mensen, droefheid, en wel absoluut genomen de grootste droefheid, echter niet zo, dat zij de maat van het verstand te buiten ging.
Dolorem autem exteriorem sensus virtus moralis directe non minuit: quia talis dolor non obedit rationi, sed sequitur corporis naturam. Diminuit tamen ipsum indirecte per redundantiam a superioribus viribus in inferiores. Quod in Christo non fuit, ut dictum est [in corp. et q. 14. art. 1. ad 2 ; q. 45. art. 2.].
De uiterlijke smart der zinnen tempert de zedelijke deugd echter niet onmiddellijk; wijl deze smart niet onderworpen is aan de rede, maar 't eigene is van de natuur van het lichaam. Zij vermindert deze echter indirect door den terugslag van de hoogere vermogens op de lagere; wat bij Christus echter niet het geval was, zooals in de leerstelling gezegd is en in de 14e kwestie (2e Art.).De uiterlijke smart van de zinnen tempert de zedelijke deugd echter niet onmiddellijk; wijl deze smart niet onderworpen is aan de rede, maar 't eigene is van de natuur van het lichaam. Zij vermindert deze echter indirect door de terugslag van de hogere vermogens op de lagere; wat bij Christus echter niet het geval was, zoals in de leerstelling gezegd is en in de 14e kwestie (1e Art.).
Ad tertium dicendum quod dolor animae separatae patientis pertinet ad statum futurae damnationis, quae excedit omne malum hujus vitae, sicut Sanctorum gloria excedit omne bonum praesentis vitae. Unde, cum dicimus Christi dolorem esse maximum, non comparamus ipsum dolori animae separatae.
3. De smart die de gescheiden ziel ondergaat behoort bij den toekomstigen staat der verdoemenis, die alle kwaad van deze wereld overtreft, zooals de glorie der Zaligen elk goed van dit leven te boven gaat. Als wij dus zeggen, dat de smart van Christus het grootst was, dan vergelijken we haar niet met de smart der gescheiden ziel.3. De smart die de gescheiden ziel ondergaat behoort bij de toekomstige staat van de verdoemenis, die alle kwaad van deze wereld overtreft, zoals de glorie van de Zaligen elk goed van dit leven te boven gaat. Als wij dus zeggen, dat de smart van Christus het grootst was, dan vergelijken we haar niet met de smart van de gescheiden ziel.
Corpus autem Adae pati non poterat, nisi peccaret et sic fieret mortale et passibile. Et minus doleret patiens quam corpus Christi propter rationes 35praedictas. Ex quibus etiam apparet quod etiamsi, per impossibile, ponatur quod Adam in statu innocentiae passus fuisset, minor fuisset dolor ejus quam Christi.
— Het lichaam van Adam echter kon niet lijden, tenzij hij zondigde, en het zoo sterfelijk werd en vatbaar voor lijden. Het zou dan echter toch minder moeten verduren, dan het lichaam van Christus, om boven vermelde redenen. Hieruit 35blijkt ook, dat zelfs indien Adam, om het onmogelijke te veronderstellen, in de staat van onschuld geleden had, zijn smart toch minder zou geweest zijn dan die van Christus.— Het lichaam van Adam echter kon niet lijden, tenzij hij zondigde, en het zo sterfelijk werd en vatbaar voor lijden. Het zou dan echter toch minder moeten verduren, dan het lichaam van Christus, om boven vermelde redenen. Hieruit 35blijkt ook, dat zelfs indien Adam, om het onmogelijke te veronderstellen, in de staat van onschuld geleden had, zijn smart toch minder zou geweest zijn dan die van Christus.
Ad quartum dicendum quod Christus non solum doluit pro amissione vitae corporalis propriae: sed etiam pro peccatis omnium aliorum. Qui dolor in Christo excessit omnem dolorem cujuscumque contriti. Tum quia ex majori sapientia et charitate processit, ex quibus dolor contritionis augetur. Tum etiam quia pro omnibus peccatis simul doluit: secundum illud Isa. 53. [v. 4] : « Vere dolores nostros ipse tulit ».
4. Christus was niet slechts bedroefd over het verlies van zijn eigen lichamelijk leven, maar ook over de zonden van al de anderen. En deze droefheid van Christus overtrof de smart van ieder ander, die leed heeft : zoowel omdat zij voortkwam uit hoogere wijsheid en liefde, die de spijt smartelijker maken, alsook omdat Hij bedroefd was over alle zonden tegelijk, volgens het woord van Isaïas (53. 4) : « Waarlijk, onze smarten heeft Hij zelf gedragen. »4. Christus was niet slechts bedroefd over het verlies van zijn eigen lichamelijk leven, maar ook over de zonden van al de anderen. En deze droefheid van Christus overtrof de smart van ieder ander, die leed heeft: zowel omdat zij voortkwam uit hogere wijsheid en liefde, die de spijt smartelijker maken, alsook omdat Hij bedroefd was over alle zonden tegelijk, volgens het woord van Jesaja (53, 4): “Waarlijk, onze smarten heeft Hij zelf gedragen.”
Vita autem corporalis Christi fuit tantae dignitatis, et praecipue propter divinitatem unitam, quod de ejus amissione etiam ad horam, magis esset dolendum quam de amissione vitae alterius hominis per quantumcumque tempus. Unde et Philosophus dicit 3. Ethic. [cap. 9. nr 4. S. Th. lect. 18.], quod virtuosus plus diligit vitam suam quanto scit eam esse meliorem: et tamen eam exponit propter bonum virtutis. Et similiter Christus vitam suam maxime dilectam exposuit propter bonum charitatis: secundum illud Jerem. 12. [v. 7] : « Dedi dilectam animam meam in manibus inimicorum ejus ».
Daarenboven was het lichamelijk leven van Christus van zulk een waarde, vooral ook om zijn vereeniging met de godheid, dat het verlies hiervan, al was het slechts voor een uur, meer te betreuren viel, dan het verlies van het leven bij een ander mensch, voor hoeveel tijd dan ook. Vandaar dat de Wijsgeer zegt, dat de deugdzame zijn leven méér liefheeft, naarmate hij weet, dat het beter is: en toch waagt hij zijn leven om het deugd-goed. Zoo gaf ook Christus zijn eigen leven, dat Hij het meest liefhad, prijs om de goedheid zijner liefde, volgens het gezegde in Jeremias (12. 7) : « Ik gaf mijn geliefde ziel in de handen harer vijanden. »Daarenboven was het lichamelijk leven van Christus van zulk een waarde, vooral ook om zijn vereniging met de godheid, dat het verlies hiervan, al was het slechts voor een uur, meer te betreuren viel, dan het verlies van het leven bij een ander mens, voor hoeveel tijd dan ook. Vandaar dat de Wijsgeer zegt, dat de deugdzame zijn leven méér liefheeft, naarmate hij weet, dat het beter is: en toch waagt hij zijn leven om het deugd-goed. Zo gaf ook Christus zijn eigen leven, dat Hij het meest liefhad, prijs om de goedheid van zijn liefde, volgens het gezegde in Jeremia (12, 7): “Ik gaf mijn geliefde ziel in de handen van haar vijanden.”
36Ad quintum dicendum quod innocentia patientis minuit dolorem passionis quantum ad numerum: quia, cum nocens patitur, dolet non solum de poena, sed etiam de culpa; innocens autem solum de poena. Qui tamen dolor in eo augetur ex innocentia: inquantum apprehendit nocumentum illatum ut magis indebitum. Unde etiam et alii magis sunt reprehensibiles si ei non compatiuntur: secundum illud Isa. 57. [v. 1] : « Justus autem perit, et non est qui recogitet in corde suo ».
365. De onschuld van den lijder vermindert numeriek de lijdenssmart, daar de schuldige, als hij lijdt, niet alleen bedroefd is over de smart, maar ook over zijn schuld; de onschuldige echter alleen over de straf. Maar bij den laatste wordt die smart door zijn onschuld vermeerderd, in zoover hij het aangedane leed als minder verdiend beschouwt. Vandaar zijn anderen ook des te meer berispelijk, naarmate zij minder met hem te doen hebben, naar het woord van Isaïas (57. 1) : « De rechtvaardige komt om, en niemand gaat het ter harte. »365. De onschuld van de lijder vermindert numeriek de lijdenssmart, daar de schuldige, als hij lijdt, niet alleen bedroefd is over de smart, maar ook over zijn schuld; de onschuldige echter alleen over de straf. Maar bij de laatste wordt die smart door zijn onschuld vermeerderd, in zover hij het aangedane leed als minder verdiend beschouwt. Vandaar zijn anderen ook des te meer berispelijk, naarmate zij minder met hem te doen hebben, naar het woord van Jesaja (57, 1): “De rechtvaardige komt om, en niemand gaat het ter harte.”
Ad sextum dicendum quod Christus voluit genus humanum a peccatis liberare, non sola potestate, sed etiam justitia. Et ideo non solum attendit quantam virtutem dolor ejus haberet ex divinitate unita: sed etiam quantum dolor ejus sufficeret secundum humanam naturam ad tantam satisfactionem.
6. Christus wilde het menschelijk geslacht niet alleen met macht bevrijden, maar ook met rechtvaardigheid. En daarom was Hij er niet alleen op bedacht, welke kracht zijn smart had krachtens de vereeniging met de Godheid: maar ook in hoeverre zijn smart naar zijn menschelijke natuur voldoende was tot zulk een voldoening.6. Christus wilde het menselijk geslacht niet alleen met macht bevrijden, maar ook met rechtvaardigheid. En daarom was Hij er niet alleen op bedacht, welke kracht zijn smart had krachtens de vereniging met de Godheid: maar ook in hoeverre zijn smart naar zijn menselijke natuur voldoende was tot zulk een voldoening.
Utrum Christus passus fuerit secundum totam animam
Heeft Christus geleden met heel zijn ziel?
Ad septimum sic proceditur. Videtur quod Christus non fuerit passus 37secundum totam animam. Anima enim patitur patiente corpore per accidens, inquantum est « corporis actus ». Sed anima non est actus corporis secundum quamlibet partem ejus: nam intellectus nullius corporis actus est, ut dicitur in 3. de Anima [cap. 4. n. 4 et 5. S. Thom. lect. 7.]. Ergo videtur, quod Christus non fuerit passus secundum totam animam.
Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet leed met 37heel zijn ziel. — 1. De ziel lijdt toevallig, als het lichaam lijdt, in zooverre zij « de akt van het lichaam » is. Maar de ziel is niet met ieder deel de akt van het lichaam: want het verstand is van geen enkel lichaam de akt, zooals staat in de Anima. Dus heeft Christus niet met heel zijn ziel geleden.Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet leed met 37heel zijn ziel. — 1. De ziel lijdt toevallig, als het lichaam lijdt, in zoverre zij “de act van het lichaam” is. Maar de ziel is niet met ieder deel de act van het lichaam: want het verstand is van geen enkel lichaam de act, zoals staat in de Anima. Dus heeft Christus niet met heel zijn ziel geleden.
2. Praeterea, quaelibet potentia animae patitur a suo objecto. Sed superioris partis rationis objectum sunt « rationes aeternae », quibus « inspiciendis, et consulendis intendit », ut Augustinus, dicit 12. de Trin. [cap. 7.]. Ex rationibus autem aeternis nullum potuit Christus pati nocumentum: cum in nullo ei contrarientur. Ergo videtur quod non fuerit passus secundum totam animam.
2. Elk vermogen der ziel lijdt* door zijn voorwerp. Maar het voorwerp van het hoogere deel der rede, zijn de « eeuwige normen, » die het « beschouwt en raadpleegt, » zooals Augustinus zegt. Vanwege de eeuwige normen echter kon Christus geen nadeel lijden, daar zij in geen enkel opzicht tegen Hem waren. Dus heeft Hij niet geleden met heel zijn ziel.2. Elk vermogen van de ziel lijdt* door zijn voorwerp. Maar het voorwerp van het hogere deel van de rede, zijn de “eeuwige normen,” die het “beschouwt en raadpleegt,” zoals Augustinus zegt. Vanwege de eeuwige normen echter kon Christus geen nadeel lijden, daar zij in geen enkel opzicht tegen Hem waren. Dus heeft Hij niet geleden met heel zijn ziel.
3. Praeterea, quando passio sensibilis usque ad rationem pertingit, tunc dicitur completa passio. Quae in Christo non fuit, sed solum « propassio » ut Hieronymus dicit [super illud Matth. 26. [v. 37] : Coepit 38contristari]. Unde et Dionysius dicit in Epist. ad Joannem Evangelistam [quae est 10.], quod « passiones sibi illatas patiebatur secundum judicare solum ». Non ergo videtur quod Christus secundum totam animam pateretur.
3. De zintuigelijke hartstocht* wordt dan pas een voltooide hartstocht genoemd, als ze doordringt tot de rede. Hartstochten had Christus echter niet, maar alleen een « begin-hartstocht, » zooals Hieronymus zegt, naar aanleiding van het woord van Mattheus (26. 37) : « Hij begon bedroefd te worden. » Vandaar dat 38Dionysius zegt, dat « Hij het lijden dat Hem werd aangedaan, alleen maar onderging tot aan het oordeelen. » Dus leed Christus niet met heel zijn ziel.3. De zintuigelijke hartstocht* wordt dan pas een voltooide hartstocht genoemd, als ze doordringt tot de rede. Hartstochten had Christus echter niet, maar alleen een “begin-hartstocht,” zoals Hieronymus zegt, naar aanleiding van het woord van Matteüs (26, 37): “Hij begon bedroefd te worden.” Vandaar dat 38Dionysius zegt, dat “Hij het lijden dat Hem werd aangedaan, alleen maar onderging tot aan het oordelen.” Dus leed Christus niet met heel zijn ziel.
4. Praeterea, passio dolorem causat. Sed in intellectu speculativo non est dolor: quia « delectationi quae est ab eo quod est considerare, nulla tristitia opponitur », ut Philosophus dicit in 1. Topic. [cap. 13. nr 5.]. Ergo videtur, quod Christus non pateretur secundum totam animam.
4. Lijden is oorzaak van smart. Maar in het beschouwende verstand is er geen smart, omdat er « tegenover het genot, dat uit de beschouwing volgt, geen droefheid staat, » zooals de Wijsgeer zegt. Dus leed Christus niet met heel zijn ziel.4. Lijden is oorzaak van smart. Maar in het beschouwende verstand is er geen smart, omdat er “tegenover het genot, dat uit de beschouwing volgt, geen droefheid staat,” zoals de Wijsgeer zegt. Dus leed Christus niet met heel zijn ziel.
Sed contra est quod in Ps. 87. [v. 4] dicitur, ex persona Christi: « Repleta est malis anima mea » Glossa [interl. August.] : « Non vitiis, sed doloribus, quibus anima carni compatitur, vel malis, scilicet pereuntis populi, compatiendo ». Non autem fuisset anima ejus his malis repleta, si non secundum totam animam passus esset. Ergo Christus est secundum totam animam passus.
Daartegenover staat echter, dat in het Boek der Psalmen (87. 4) gezegd wordt in den persoon van Christus: « Mijn ziel is met kwalen vervuld; » en de Glossa zegt: « Niet met gebreken maar met smarten, welke de ziel met het lichaam meelijdt; of met deelneming in het kwaad van het voorbijtrekkende volk, dat verloren ging. » Zijn ziel zou echter niet met deze kwalen vervuld zijn, als Hij niet met heel zijn ziel geleden had. Dus leed Hij met heel zijn ziel.Daartegenover staat echter, dat in het Boek van de Psalmen (87, 4)a gezegd wordt in de persoon van Christus: “Mijn ziel is met kwalen vervuld;” en de Glossa zegt: “Niet met gebreken maar met smarten, welke de ziel met het lichaam meelijdt; of met deelneming in het kwaad van het voorbijtrekkende volk, dat verloren ging.” Zijn ziel zou echter niet met deze kwalen vervuld zijn, als Hij niet met heel zijn ziel geleden had. Dus leed Hij met heel zijn ziel.
Respondeo dicendum quod totum dicitur respectu partium. Partes autem animae dicuntur potentiae ejus. Sic ergo dicitur anima tota pati inquantum patitur secundum suam essentiam: vel inquantum secundum 39omnes suas potentias patitur.
Leerstelling. — We spreken van geheel met betrekking tot deelen. De deelen nu der ziel zijn haar vermogens. Men zegt dus dat de geheele ziel lijdt, als zij lijdt in haar wezen, of in al haar 39vermogens.Leerstelling. — We spreken van geheel met betrekking tot delen. De delen nu van de ziel zijn haar vermogens. Men zegt dus dat de gehele ziel lijdt, als zij lijdt in haar wezen, of in al haar 39vermogens.
Sed considerandum est quod aliqua potentia animae potest pati dupliciter. Uno modo passione propria: quae quidem est secundum quod patitur a suo objecto, sicut si visus patiatur ex superabundanti visibili. Alio modo aliqua potentia patitur passione subjecti super quod fundatur: sicut visus patitur patiente sensu tactus in oculo, super quem fundatur visus; puta cum oculus pungitur, aut etiam distemperatur per calorem.
Men moet echter in 't oog houden, dat een vermogen der ziel op twee manieren kan lijden. Vooreerst door zelf iets te ondergaan, hetgeen gebeurt, als het iets ondergaat ten gevolge van zijn eigen voorwerp, evenals wanneer het oog lijdt door iets zichtbaars, dat te sterk is. — Op de tweede plaats lijdt een vermogen, doordat het subject waarin het gefundeerd ligt, lijdt, zooals het gezichtsvermogen lijdt door het lijden van de gevoelszin in het oog, waarin het gezicht gefundeerd ligt; b. v. als het oog geprikt wordt of uit zijn gewone doen geraakt door de warmte.Men moet echter in 't oog houden, dat een vermogen van de ziel op twee manieren kan lijden. Vooreerst door zelf iets te ondergaan, hetgeen gebeurt, als het iets ondergaat ten gevolge van zijn eigen voorwerp, evenals wanneer het oog lijdt door iets zichtbaars, dat te sterk is. — Op de tweede plaats lijdt een vermogen, doordat het subject waarin het gefundeerd ligt, lijdt, zoals het gezichtsvermogen lijdt door het lijden van de gevoelszin in het oog, waarin het gezicht gefundeerd ligt; bv. als het oog geprikt wordt of uit zijn gewone doen geraakt door de warmte.
Sic igitur dicendum est quod, si intelligamus totam animam ratione suae essentiae, sic manifestum est totam animam Christi passam esse. Nam tota essentia animae conjungitur corpori, ita quod tota est in toto, et tota in qualibet parte ejus. Et ideo, corpore patiente et disposito ad separationem ab anima, tota anima patiebatur.
Wij moeten derhalve zeggen, dat duidelijk de geheele ziel van Christus geleden heeft, wanneer wij spreken van de geheele ziel naar hare wezenheid genomen. Want de geheele wezenheid der ziel wordt verbonden met het lichaam, zoodat zij geheel is in het geheel en ook geheel in ieder deel daarvan. En dus leed geheel zijn ziel, toen het lichaam leed en klaar gemaakt werd voor de scheiding van de ziel.Wij moeten derhalve zeggen, dat duidelijk de gehele ziel van Christus geleden heeft, wanneer wij spreken van de gehele ziel naar haar wezenheid genomen. Want de gehele wezenheid van de ziel wordt verbonden met het lichaam, zodat zij geheel is in het geheel en ook geheel in ieder deel daarvan. En dus leed geheel zijn ziel, toen het lichaam leed en klaar gemaakt werd voor de scheiding van de ziel.
Si vero intelligamus totam animam secundum omnes potentias ejus, sic, loquendo de passionibus propriis potentiarum, patiebatur quidem secundum omnes vires inferiores: quia in singulis viribus inferioribus animae, quae circa temporalia operantur, inveniebatur aliquid quod erat causa doloris 40Christi, sicut ex supradictis patet [art. 5.]. Sed secundum hoc superior ratio non patiebatur in Christo ex parte sui objecti, scilicet Dei, qui non erat animae Christi causa doloris, sed delectationis et gaudii. Secundum autem illum modum passionis quo potentia aliqua dicitur pati ex parte sui subjecti, sic omnes potentiae animae Christi patiebantur. Omnes enim potentiae animae radicantur in essentia ejus, ad quam pervenit passio, passo corpore, cujus est actus.
— Als wij echter onder de geheele ziel verstaan: in al haar vermogens, en wij spreken over het eigen ondergaan der vermogens, dan leed Hij wel met al zijn lagere vermogens, daar bij elk der lagere zielsvermogens, wier werking betrekking heeft op tijdelijke dingen, iets gevonden werd, dat voor Christus oorzaak was van smart, zooals uit het bovengezegde 40blijkt (5e Art.) ; maar zoo opgevat leed de hoogere rede in Christus niet van wege haar eigen voorwerp, hetwelk nl. God is, die voor Christus' ziel geen reden tot smart, maar van genot en vreugde was. — Echter van lijden gesproken in dien zin, waarin wij zeggen, dat het een of ander vermogen iets ondergaat van wege zijn subject, zoo leden alle zielsvermogens van Christus. Alle vermogens der ziel wortelen immers in haar wezenheid, tot waar het lijden doordringt, als het lichaam lijdt, waarvan zij de akt is.— Als wij echter onder de gehele ziel verstaan: in al haar vermogens, en wij spreken over het eigen ondergaan van de vermogens, dan leed Hij wel met al zijn lagere vermogens, daar bij elk van de lagere zielsvermogens, wier werking betrekking heeft op tijdelijke dingen, iets gevonden werd, dat voor Christus oorzaak was van smart, zoals uit het bovengezegde 40blijkt (5e Art.); maar zo opgevat leed de hogere rede in Christus niet van wege haar eigen voorwerp, hetwelk nl. God is, die voor Christus' ziel geen reden tot smart, maar van genot en vreugde was. — Echter van lijden gesproken in die zin, waarin wij zeggen, dat het een of ander vermogen iets ondergaat van wege zijn subject, zo leden alle zielsvermogens van Christus. Alle vermogens van de ziel wortelen immers in haar wezenheid, tot waar het lijden doordringt, als het lichaam lijdt, waarvan zij de act is.
Ad primum ergo dicendum quod, licet intellectus, secundum quod est potentia quaedam, non sit corporis actus; essentia tamen animae est corporis actus, in qua radicatur potentia intellectiva, ut in 1. habitum est [q. 77. art. 6. et 8.].
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Ofschoon het verstand, voor zoover het een bepaald vermogen is, niet de akt van het lichaam is, is toch de wezenheid der ziel de akt van het lichaam, en daarin wortelt het verstandelijk vermogen, zooals gezegd is in het Eerste Deel (I. 77e Kw. 6e en 8e Art.).Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Ofschoon het verstand, voor zover het een bepaald vermogen is, niet de act van het lichaam is, is toch de wezenheid van de ziel de act van het lichaam, en daarin wortelt het verstandelijk vermogen, zoals gezegd is in het Eerste Deel (1 77e Kw. 6e en 8e Art.).
Ad secundum dicendum quod illa ratio procedit de passione, quae est ex parte proprii objecti: secundum quam superior ratio in Christo passa non fuit.
2. Deze redeneering gaat uit van lijden, voortkomend uit het eigen voorwerp, en in dien zin heeft de hoogere rede in Christus niet geleden.2. Deze redenering gaat uit van lijden, voortkomend uit het eigen voorwerp, en in die zin heeft de hogere rede in Christus niet geleden.
Ad tertium dicendum quod dolor tunc dicitur esse passio perfecta, per quam anima perturbatur, quando passio sensitivae partis pertingit usque ad 41immutandam rationem a rectitudine sui actus, ut scilicet sequatur passionem, et non habeat liberum arbitrium super eam. Sic autem passio sensitivae partis non pervenit in Christo usque ad rationem, sed ex parte subjecti, sicut dictum est [in corp. art.].
3. De smart wordt dan pas een volledige hartstocht genoemd, waardoor de ziel in verwarring gebracht wordt, als de hartstocht van het zintuigelijke deel zoover gaat, dat zij de rede doet 41afwijken van haar rechte daad, d. i. dat zij de hartstochtsneiging volgt en er geen vrije wilsbeschikking over heeft. Op deze wijze echter drong de hartstocht van het zintuigelijke deel in Christus niet door tot de rede, maar krachtens het subject zooals in de leerstelling gezegd is.3. De smart wordt dan pas een volledige hartstocht genoemd, waardoor de ziel in verwarring gebracht wordt, als de hartstocht van het zintuigelijke deel zover gaat, dat zij de rede doet 41afwijken van haar rechte daad, d.i. dat zij de hartstochtsneiging volgt en er geen vrije wilsbeschikking over heeft. Op deze wijze echter drong de hartstocht van het zintuigelijke deel in Christus niet door tot de rede, maar krachtens het subject zoals in de leerstelling gezegd is.
Ad quartum dicendum quod intellectus speculativus non potest habere dolorem vel tristitiam ex parte sui objecti, quod est verum absolute consideratum, quod est perfectio ejus. Potest tamen ad ipsum pertingere dolor, vel causa doloris per modum jam dictum [in corp. art.].
4. Het beschouwende verstand kan niet in smart of bedroefd zijn van wege zijn voorwerp, dat het ware is op zich zelf genomen: want dit is zijn vervolmaking. De smart of de oorzaak der smart kan daartoe echter doordringen op de wijze in de leerstelling aangegeven.4. Het beschouwende verstand kan niet in smart of bedroefd zijn van wege zijn voorwerp, dat het ware is op zichzelf genomen: want dit is zijn vervolmaking. De smart of de oorzaak van de smart kan daartoe echter doordringen op de wijze in de leerstelling aangegeven.
Utrum tota anima Christi in passione frueretur fruitione beata
Smaakte de geheele ziel van Christus bij zijn lijden de zalige genieting?Smaakte de gehele ziel van Christus bij zijn lijden de zalige genieting?
Ad octavum sic proceditur. Videtur quod anima Christi, in articulo illius passionis, non tota frueretur fruitione beata. Impossibile est enim 42simul dolere et gaudere: cum dolor et gaudium sint contraria. Sed anima Christi tota patiebatur dolorem in tempore passionis, ut supra habitum est [art. praec.]. Non ergo poterat esse, ut tota frueretur.
Bedenkingen. — Men beweert dat niet de geheele ziel van Christus bij zijn lijden de zalige genieting smaakte. — 1. Het is immers onmogelijk om tegelijk bedroefd en verheugd te zijn, daar 42smart en vreugde aan elkaar tegengesteld zijn. Geheel de ziel van Christus nu leed tijdens zijn lijden, zooals boven gezegd is (vorig Art.). Zij kon dus niet in haar geheel de genieting smaken.Bedenkingen. — Men beweert dat niet de gehele ziel van Christus bij zijn lijden de zalige genieting smaakte. — 1. Het is immers onmogelijk om tegelijk bedroefd en verheugd te zijn, daar 42smart en vreugde aan elkaar tegengesteld zijn. Geheel de ziel van Christus nu leed tijdens zijn lijden, zoals boven gezegd is (vorig Art.). Zij kon dus niet in haar geheel de genieting smaken.
2. Praeterea, Philosophus dicit in 7. Ethic. [cap. 14. nr 6. S. Th. lect. 14.], quod tristitia, si sit vehemens, non solum impedit delectationem contrariam, sed quamcumque: et e converso. Dolor autem passionis Christi fuit maximus, ut ostensum est [art. 6. huj. q.] : et similiter delectatio fruitionis est maxima, ut in principio secundae partis habitum est [1-2. q. 36. art. 3.]. Non ergo potuit esse quod anima Christi tota simul pateretur et frueretur.
2. De Wijsgeer zegt, dat droefheid, wanneer ze hevig is, niet alleen de tegenovergestelde genieting verhindert, maar ook elke andere; en omgekeerd. De smart van Christus' lijden nu was allergrootst, zooals aangetoond is (6e Art.) ; evenzoo is ook het genot der aanschouwing het allergrootst, zooals in het begin van het tweede deel is uiteengezet (I-II. 36e Kw. 3e Art.). Derhalve is het onmogelijk, dat geheel de ziel van Christus tegelijk smart en genot ondervond.2. De Wijsgeer zegt, dat droefheid, wanneer ze hevig is, niet alleen de tegenovergestelde genieting verhindert, maar ook elke andere; en omgekeerd. De smart van Christus' lijden nu was allergrootst, zoals aangetoond is (6e Art.); evenzo is ook het genot van de aanschouwing het allergrootst, zoals in het begin van het tweede deel is uiteengezet (1-2 36e Kw. 3e Art.). Derhalve is het onmogelijk, dat geheel de ziel van Christus tegelijk smart en genot ondervond.
3. Praeterea, fruitio beata est secundum cognitionem et amorem divinorum: ut patet per Augustinum in 1. de Doctr. Christ. [ex cap. 4. et 10.]. Sed non omnes vires animae attingunt ad cognoscendum, et amandum Deum. Non ergo tota anima Christi fruebatur.
3. Het zalige genot bestaat in het kennen en beminnen van de goddelijke dingen, zooals blijkt bij Augustinus. Maar niet alle vermogens der ziel geraken tot het kennen en beminnen van God. Dus genoot niet de geheele ziel van Christus.3. Het zalige genot bestaat in het kennen en beminnen van de goddelijke dingen, zoals blijkt bij Augustinus. Maar niet alle vermogens van de ziel geraken tot het kennen en beminnen van God. Dus genoot niet de gehele ziel van Christus.
Sed contra est quod Damascenus dicit in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 19.], quod divinitas Christi « permisit carni agere et pati quae propria ». Ergo, 43pari ratione, cum proprium esset animae Christi, inquantum erat beata, quod frueretur, passio ejus fruitionem non impediebat.
Daartegenover staat echter wat Damascenus zegt, dat de Godheid van Christus « aan het vleesch toestond te doen en te ondergaan, wat hieraan eigen was. » Dus om dezelfde reden heeft het 43lijden zijn genieting niet verhinderd, daar het eigen was aan de ziel van Christus, in zoover zij zalig was, om de genieting te smaken.Daartegenover staat echter wat Damascenus zegt, dat de Godheid van Christus “aan het vlees toestond te doen en te ondergaan, wat hieraan eigen was.” Dus om dezelfde reden heeft het 43lijden zijn genieting niet verhinderd, daar het eigen was aan de ziel van Christus, in zover zij zalig was, om de genieting te smaken.
Respondeo dicendum quod, sicut dictum est prius [art. praec.], tota anima potest intelligi et secundum essentiam, et secundum omnes ejus potentias. Si autem intelligatur secundum essentiam, sic tota anima fruebatur, inquantum est subjectum superioris partis animae, cujus est frui divinitate: ut, sicut passio ratione essentiae attribuitur superiori parti animae, ita e converso fruitio ratione superioris partis animae attribuatur essentiae.
Leerstelling. — Zooals juist gezegd is (vorig Art.), kan het geheel der ziel genomen worden naar haar wezenheid en naar al haar vermogens. — Naar haar wezenheid genomen, genoot de geheele ziel, in zoover zij het subject is van het hoogere deel der ziel, waaraan het eigen is de Godheid te genieten: zoodat, zooals het lijden krachtens de wezenheid wordt toegeschreven aan het hoogere deel der ziel, zoo wordt ook omgekeerd de genieting krachtens het hoogere deel der ziel toegeschreven aan de wezenheid.Leerstelling. — Zoals juist gezegd is (vorig Art.), kan het geheel van de ziel genomen worden naar haar wezenheid en naar al haar vermogens. — Naar haar wezenheid genomen, genoot de gehele ziel, in zover zij het subject is van het hogere deel van de ziel, waaraan het eigen is de Godheid te genieten: zodat, zoals het lijden krachtens de wezenheid wordt toegeschreven aan het hogere deel van de ziel, zo wordt ook omgekeerd de genieting krachtens het hogere deel van de ziel toegeschreven aan de wezenheid.
Si vero accipiamus totam animam ratione omnium potentiarum ejus, sic non tota anima fruebatur. Nec directe quidem, quia fruitio non potest esse actus cujuslibet partis animae; nec per redundantiam gloriae, quia, dum Christus erat viator, non fiebat redundantia gloriae a superiori parte in inferiorem, nec ab anima in corpus. Sed quia nec e converso superior pars animae impediebatur circa id quod est sibi proprium, per inferiorem, consequens est quod superior pars animae perfecte fruebatur, Christo patiente.
— Als wij echter de geheele ziel verstaan in den zin van : al haar vermogens, dan genoot niet de geheele ziel: noch direct, daar de genieting niet een daad van ieder deel der ziel kan zijn; noch door uitvloeiing der glorie, aangezien, zoolang Christus nog « pelgrim » was, er nog geen overvloeiing der glorie plaats had, noch van het hoogere deel naar het lagere, noch van de ziel naar het lichaam. Maar omdat ook omgekeerd het hoogere deel der ziel geen hindernis ondervond van het lagere in die dingen, die dat deel eigen waren, volgt, dat het hoogere deel der ziel volmaakt de genieting smaakte tijdens het lijden van Christus.— Als wij echter de gehele ziel verstaan in de zin van: al haar vermogens, dan genoot niet de gehele ziel: noch direct, daar de genieting niet een daad van ieder deel van de ziel kan zijn; noch door uitvloeiing van de glorie, aangezien, zolang Christus nog “pelgrim” was, er nog geen overvloeiing van de glorie plaats had, noch van het hogere deel naar het lagere, noch van de ziel naar het lichaam. Maar omdat ook omgekeerd het hogere deel van de ziel geen hindernis ondervond van het lagere in die dingen, die dat deel eigen waren, volgt, dat het hogere deel van de ziel volmaakt de genieting smaakte tijdens het lijden van Christus.
44Ad primum ergo dicendum quod gaudium fruitionis non contrariatur directe dolori passionis: quia non sunt de eodem. Nihil autem prohibet, contraria eidem inesse non secundum idem. Et sic gaudium fruitionis potest pertinere ad superiorem partem rationis per proprium actum: dolor autem passionis secundum subjectum. Ad essentiam vero animae pertinet dolor passionis ex parte corporis, cujus est forma: gaudium vero fruitionis ex parte potentiae, cui subjicitur.
44Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De vreugde over de genieting is niet rechtstreeks tegengesteld aan de smart over het lijden, daar zij niet over hetzelfde gaan. Er is echter niets op tegen, dat tegengestelde dingen in hetzelfde zijn, als zij er maar om hetzelfde in zijn. En aldus kan de vreugde der genieting toegekend worden aan het hoogere deel der rede krachtens haar eigen daad; de smart echter over het lijden krachtens het subject. Aan de wezenheid der ziel echter wordt de lijdenssmart toegekend van wege het lichaam, waarvan het de vorm is; de vreugde der genieting echter krachtens het vermogen, waarvan zij het subject is.44Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De vreugde over de genieting is niet rechtstreeks tegengesteld aan de smart over het lijden, daar zij niet over hetzelfde gaan. Er is echter niets op tegen, dat tegengestelde dingen in hetzelfde zijn, als zij er maar om hetzelfde in zijn. En aldus kan de vreugde van de genieting toegekend worden aan het hogere deel van de rede krachtens haar eigen daad; de smart echter over het lijden krachtens het subject. Aan de wezenheid van de ziel echter wordt de lijdenssmart toegekend van wege het lichaam, waarvan het de vorm is; de vreugde van de genieting echter krachtens het vermogen, waarvan zij het subject is.
Ad secundum dicendum quod verbum illud Philosophi habet veritatem ratione redundantiae, quae naturaliter fit ab una potentia animae in aliam. Sed hoc in Christo non fuit, ut supra dictum est [in corp. art. et art. 6.].
2. Het gezegde van den Wijsgeer is waar van wege de overvloeiing, die natuurlijkerwijze plaats heeft van het eene zielsvermogen naar het andere. Maar dit had bij Christus niet plaats, zooals boven gezegd is in de leerstelling.2. Het gezegde van de Wijsgeer is waar van wege de overvloeiing, die natuurlijkerwijze plaats heeft van het ene zielsvermogen naar het andere. Maar dit had bij Christus niet plaats, zoals boven gezegd is in de leerstelling.
Ad tertium dicendum quod ratio illa procedit de totalitate animae quantum ad ejus potentias.
3. Deze redeneering gaat uit van de totaliteit der ziel, genomen naar hare vermogens.3. Deze redenering gaat uit van de totaliteit van de ziel, genomen naar haar vermogens.
Utrum Christus fuerit convenienti tempore passus
Is Christus op een geschikten tijd gestorven?
Ad nonum sic proceditur. Videtur quod Christus non fuerit convenienti 45tempore passus. Passio enim Christi figurabatur per immolationem agni paschalis: unde et Apostolus dicit 1. ad Cor. 5. [v. 7] : « Pascha nostrum immolatus est Christus ». Sed agnus paschalis immolabatur « quartadecima die ad vesperam » ut dicitur Ex. 12. [v. 6]. Ergo videtur, quod Christus tunc debuerit pati. Quod patet esse falsum: nam tunc Pascha cum suis discipulis celebravit, secundum illud Marc. 14. [v. 12] : « Primo die azymorum, quando Pascha immolabant » ; sequenti autem die passus fuit.
Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet op een 45geschikten tijd gestorven is. — 1. Het lijden van Christus werd immers voorafgebeeld door de slachtoffering van het Paaschlam : waarom ook de Apostel zegt in den Eersten Brief aan de Corinthiërs (5. 7) : « Ons Paaschlam Christus is geslacht ». Het Paaschlam echter werd geslacht « op den veertienden dag tegen den avond », zooals staat in het Boek van den Uittocht (12. 6). Dus had Christus toen moeten lijden. Wat niet gebeurd is, daar Hij toen het Paschen met zijn leerlingen vierde, volgens het woord van Marcus (14. 12) : « Op den eersten dag der ongedeesemde brooden, toen het Paaschlam geslacht werd ». Den volgenden dag pas heeft Hij geleden.Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet op een 45geschikten tijd gestorven is. — 1. Het lijden van Christus werd immers voorafgebeeld door de slachtoffering van het Paaslam: waarom ook de Apostel zegt in de Eerste Brief aan de Korintiërs (5, 7): “Ons Paaslam Christus is geslacht”. Het Paaslam echter werd geslacht “op de veertiende dag tegen de avond”, zoals staat in het Boek van de Uittocht (12, 6). Dus had Christus toen moeten lijden. Wat niet gebeurd is, daar Hij toen het Pasen met zijn leerlingen vierde, volgens het woord van Marcus (14, 12): “Op de eerste dag van de ongedesemde broden, toen het Paaslam geslacht werd”. De volgende dag pas heeft Hij geleden.
2. Praeterea, passio Christi dicitur ejus exaltatio: secundum illud Joan. 3. [v. 14] : « Oportet exaltari filium hominis ». Ipse autem Christus dicitur « Sol justitiae », ut patet Malachiae ult. [v. 2]. Ergo videtur quod debuerit pati hora sexta quando sol est in sua maxima exaltatione. Cujus contrarium videtur per id quod dicitur Marc. 15. [v. 25] : « Erat autem hora tertia, et crucifixerunt eum ».
2. Het lijden van Christus wordt zijn verheffing genoemd, volgens het woord van Joannes (3. 14) : « De Zoon des menschen moet verheven worden ». Christus zelf echter wordt genoemd « Zon van gerechtigheid », zooals blijkt bij Malachias (4. 2). Dus moest Christus lijden op het zesde uur, waarop de zon haar grootste hoogte bereikt. Het tegengestelde hiervan lezen wij echter bij Marcus (15. 25) : « Het was nu het derde uur en zij kruisigden Hem ».2. Het lijden van Christus wordt zijn verheffing genoemd, volgens het woord van Johannes (3, 14): “De Mensenzoon moet verheven worden”. Christus zelf echter wordt genoemd “Zon van gerechtigheid”, zoals blijkt bij Maleachi (4, 2)a. Dus moest Christus lijden op het zesde uur, waarop de zon haar grootste hoogte bereikt. Het tegengestelde hiervan lezen wij echter bij Marcus (15, 25): “Het was nu het derde uur en zij kruisigden Hem”.
3. Praeterea, sicut sol in hora sexta maxime exaltatur quolibet die, ita in solstitio aestivali maxime exaltatur quolibet anno. Debuit ergo magis 46pati circa tempus solstitii aestivalis, quam circa tempus aequinoctii vernalis.
3. Zooals de zon elken dag op het zesde uur het hoogst staat, zoo staat zij elk jaar het hoogst bij de Zomer-zonnestilstand. Dus 46moest Hij veeleer lijden omstreeks den tijd van de Zomer-zonnestilstand, dan tegen den tijd van de Lente-nachtsevening.3. Zoals de zon elken dag op het zesde uur het hoogst staat, zo staat zij elk jaar het hoogst bij de Zomer-zonnestilstand. Dus 46moest Hij veeleer lijden omstreeks de tijd van de Zomer-zonnestilstand, dan tegen de tijd van de Lente-nachtsevening.
4. Praeterea, per praesentiam Christi in mundo mundus illuminabatur: secundum illud Joan. 9. [v. 5] : « Quamdiu sum in mundo, lux sum mundi ». Conveniens igitur fuisset humanae saluti, ut diutius in hoc mundo vixisset, ita quod non pateretur in juvenili aetate, sed magis in senili.
4. De wereld werd verlicht door de aanwezigheid van Christus op aarde, volgens het woord van Joannes (9. 5) : « Zoolang Ik op de wereld ben, ben Ik het licht der wereld ». Het zou derhalve passend zijn geweest voor het heil der menschen, als hij langer in deze wereld had geleefd, zoodat Hij niet leed in zijn jongelingsleeftijd, maar veeleer als grijsaard.4. De wereld werd verlicht door de aanwezigheid van Christus op aarde, volgens het woord van Johannes (9, 5): “Zolang Ik op de wereld ben, ben Ik het licht van de wereld”. Het zou derhalve passend zijn geweest voor het heil van de mensen, als hij langer in deze wereld had geleefd, zodat Hij niet leed in zijn jongelingsleeftijd, maar veeleer als grijsaard.
Sed contra est quod dicitur Joan. 13. [v. 1] : « Sciens Jesus, quia venit hora ejus, ut transeat de hoc mundo ad Patrem ». Et Joan. 2. [v. 4] dicit: « Nondum venit hora mea ». Ubi dicit Augustinus [tract. 8. in Joan.] : « Ubi tantum fecit, quantum sufficere judicavit, venit hora ejus: non necessitatis, sed voluntatis ». Convenienti igitur tempore passus est.
Daartegenover staat echter, wat bij Joannes (13. 1) staat : « Jesus, wetend dat zijn uur gekomen was, om over te gaan uit deze wereld naar den Vader », en bij Joannes (2. 4) : « Mijn uur is nog niet gekomen », waarbij Augustinus aanmerkt: « Waar Hij zooveel deed als Hij voldoende oordeelde, kwam zijn uur niet, omdat het noodzakelijk was, maar omdat Hij 't wilde ». Dus leed Hij te geschikter tijd.Daartegenover staat echter, wat bij Johannes (13, 1) staat: “Jesus, wetend dat zijn uur gekomen was, om over te gaan uit deze wereld naar de Vader”, en bij Johannes (2, 4): “Mijn uur is nog niet gekomen”, waarbij Augustinus aanmerkt: “Waar Hij zoveel deed als Hij voldoende oordeelde, kwam zijn uur niet, omdat het noodzakelijk was, maar omdat Hij 't wilde”. Dus leed Hij te geschikter tijd.
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est [art. 1. huj. q.], passio Christi subjecta erat ejus voluntati. Voluntas autem ejus regebatur divina sapientia, quae « omnia » convenienter, et « suaviter disponit » ut dicitur Sap. 8. [v. 1]. Et ideo dicendum est quod convenienti tempore 47passio Christi celebrata est. Unde Augustinus in lib. QQ. veteris et novi Testamenti [q. 55.] dicit: « Omnia propriis locis et temporibus gessit Salvator ».
Leerstelling. — Zooals boven gezegd is (1e Art.), was het lijden van Christus onderworpen aan zijn wil. Zijn wil werd echter geleid door de goddelijke wijsheid, die « alles regelt » zooals het hoort en « met zachte hand ». zooals staat in het Boek der Wijsheid (8. 1). En dus moeten wij zeggen, dat het 47lijden van Christus te geschikter tijd plaats heeft gehad. Vandaar dat Augustinus zegt: « Alles heeft de Zaligmaker op de juiste plaatsen en tijden volbracht. »Leerstelling. — Zoals boven gezegd is (1e Art.), was het lijden van Christus onderworpen aan zijn wil. Zijn wil werd echter geleid door de goddelijke wijsheid, die “alles regelt” zoals het hoort en “met zachte hand”. zoals staat in het Boek van de Wijsheid (8, 1). En dus moeten wij zeggen, dat het 47lijden van Christus te geschikter tijd plaats heeft gehad. Vandaar dat Augustinus zegt: “Alles heeft de Zaligmaker op de juiste plaatsen en tijden volbracht.”
Ad primum ergo dicendum quod quidam dicunt Christum fuisse passum decimaquarta luna, quando Judaei Pascha immolabant. Unde et Joan. 18. [v. 28] dicitur quod Judaei « non introierunt in praetorium » Pilati ipso die passionis, « ut non contaminarentur, sed ut manducarent Pascha ». Ubi Chrysostomus dicit [hom. 83. in Joan.] quod « tunc Judaei faciebant Pascha: ipse vero ante unam diem celebravit Pascha, reservans suam occisionem sextae feriae, quando vetus Pascha fiebat ». Cui videtur consonare quod dicitur Joan. 13. [v. 1-5] quod « ante diem festum Paschae, Christus, facta coena, pedes discipulorum lavit ». Sed contra hoc videtur esse, quod dicitur Matth. 26. [v. 17], quod « prima die azymorum accesserunt discipuli ad Jesum dicentes: Ubi vis paremus tibi comedere Pascha? » Ex quo patet quod « cum primus dies azymorum: dicatur 48decimusquartus dies mensis primi, quando agnus immolabatur et luna plenissima est », ut Hieronymus dicit [sup. illud Matth. 26.: Prima die azymorum accesserunt etc.], constat decimaquarta luna Christum coenam fecisse, et decimaquinta eum esse passum. Et hoc expressius manifestatur per id quod dicitur Marc. 14. [v. 12] : « Primo die azymorum, quando Pascha immolabant » etc.; et Luc. 22. [v. 7] : « Venit dies azymorum, in quo necesse erat occidi Pascha ».
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Sommigen zeggen, dat Christus geleden heeft op den veertienden dag na nieuwe maan, waarop de Joden het Paaschlam offerden. Vandaar dat ook Joannes (18. 28) zegt, dat de Joden op den dag van het lijden zelf « niet binnengingen in het rechthuis » van Pilatus, « opdat zij zich niet zouden verontreinigen, maar het Paaschlam konden eten, » waarbij Chrysostomus opmerkt, dat « de Joden toen hun Paschen vierden; Hij zelf echter vierde een dag eerder Paschen, terwijl Hij de slachtoffering van zichzelf uitstelde tot den zesden dag, waarop het oude Paschen gevierd werd. » Hiermede schijnt in overeenstemming wat Joannes (13. 1-5) zegt, dat « Christus daags voor het Paaschfeest, na het avondmaal gehouden te hebben, de voeten der leerlingen waschte. » — Maar daartegen is wat gezegd wordt in Mattheus (26. 17), dat « op den eersten dag der ongedeesemde brooden de leerlingen tot Jesus kwamen, zeggende: Waar wilt Gij, dat wij met U het Paaschlam eten? » Hieruit blijkt vast te staan, dat Christus op den veertienden dag 48na nieuwe maan het avondmaal gehouden en op den vijftienden geleden heeft, « aangezien de eerste dag der ongedeesemde brooden genoemd wordt de veertiende dag van de eerste maand, waarop het lam geslacht werd en het volle maan was, » zooals Hieronymus aanmerkt bij de woorden van Mattheus (26. 17) : « Op den eersten dag der ongedeesemde brooden, kwamen » enz. En dit blijkt nog meer uit hetgeen gezegd wordt bij Marcus (14. 12) : « Op den eersten dag der ongedeesemde brooden, waarop men het Paschlam offerde, » en bij Lucas (22. 7) : « De dag der ongedeesemde brooden was aangebroken, waarop het Paaschlam moest geslacht worden. »Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Sommigen zeggen, dat Christus geleden heeft op de veertiende dag na nieuwe maan, waarop de Joden het Paaslam offerden. Vandaar dat ook Johannes (18, 28) zegt, dat de Joden op de dag van het lijden zelf “niet binnengingen in het rechthuis” van Pilatus, “opdat zij zich niet zouden verontreinigen, maar het Paaslam konden eten,” waarbij Chrysostomus opmerkt, dat “de Joden toen hun Pasen vierden; Hij zelf echter vierde een dag eerder Pasen, terwijl Hij de slachtoffering van zichzelf uitstelde tot de zesde dag, waarop het oude Pasen gevierd werd.” Hiermede schijnt in overeenstemming wat Johannes (13, 1-5) zegt, dat “Christus daags voor het Paasfeest, na het avondmaal gehouden te hebben, de voeten van de leerlingen waste.” — Maar daartegen is wat gezegd wordt in Matteüs (26, 17), dat “op de eerste dag van de ongedesemde broden de leerlingen tot Jesus kwamen, zeggende: Waar wilt Gij, dat wij met U het Paaslam eten?” Hieruit blijkt vast te staan, dat Christus op de veertiende dag 48na nieuwe maan het avondmaal gehouden en op de vijftiende geleden heeft, “aangezien de eerste dag van de ongedesemde broden genoemd wordt de veertiende dag van de eerste maand, waarop het lam geslacht werd en het volle maan was,” zoals Hieronymus aanmerkt bij de woorden van Matteüs (26, 17): “Op de eerste dag van de ongedesemde broden, kwamen” enz. En dit blijkt nog meer uit hetgeen gezegd wordt bij Marcus (14, 12): “Op de eerste dag van de ongedesemde broden, waarop men het Paaslam offerde,” en bij Lukas (22, 7): “De dag van de ongedesemde broden was aangebroken, waarop het Paaslam moest geslacht worden.”
Et ideo quidam dicunt quod Christus die convenienti, in1 decimaquarta luna, Pascha cum discipulis suis manducavit, « demonstrans quod usque ad ultimum diem non erat contrarius legi », ut Chrysostomus dicit, super Matth. [hom. 81.] : sed Judaei occupati circa procurationem mortis Christi, contra legem, celebrationem Paschae in crastinum distulerunt. Et propter hoc de his dicitur quod in die passionis Christi noluerunt intrare praetorium, « ut non contaminarentur, sed ut manducarent Pascha ».
Derhalve zeggen sommigen, dat Christus op den passenden dag d. i. op den veertienden dag na nieuwe maan, het Paaschlam met zijn leerlingen heeft gegeten, « toonende, dat Hij tot op den laatsten dag toe geen tegenstander der Wet was, » zooals Chrysostomus zegt. De Joden daarentegen zouden tegen de Wet in de Paaschviering tot den volgenden dag hebben uitgesteld, omdat zij het te druk hadden met de voorbereiding van Christus' dood. En daarom wordt van hen gezegd, dat zij op den lijdensdag van Christus het rechthuis niet wilden binnentreden, « opdat zij zich niet zouden verontreinigen, maar het Paaschlam konden eten. »Derhalve zeggen sommigen, dat Christus op de passende dag d.i. op de veertiende dag na nieuwe maan, het Paaslam met zijn leerlingen heeft gegeten, “tonende, dat Hij tot op de laatste dag toe geen tegenstander van de Wet was,” zoals Chrysostomus zegt. De Joden daarentegen zouden tegen de Wet in de Paasviering tot de volgende dag hebben uitgesteld, omdat zij het te druk hadden met de voorbereiding van Christus' dood. En daarom wordt van hen gezegd, dat zij op de lijdensdag van Christus het rechthuis niet wilden binnentreden, “opdat zij zich niet zouden verontreinigen, maar het Paaslam konden eten.”
49Sed nec istud videtur esse consonum verbis Marci dicentis: « Primo die azymorum, quando Pascha immolabant ». Simul ergo Christus et Judaei vetus Pascha celebraverunt. Et, sicut Beda dicit, super Marc. [v. 87. Expos. in Lc. lib. 6 ad cap. 22.], « licet Christus, qui est Pascha nostrum, sit crucifixus sequenti die, hoc est decimaquinta luna; attamen nocte, qua agnus immolabatur, corporis sanguinisque sui discipulis tradens mysteria celebranda, et a Judaeis tentus ac ligatus, ipsius immolationis, hoc est passionis suae, sacravit exordium ».
49Doch ook dit klopt niet met de woorden van Marcus, die zegt: « Op den eersten dag der ongedeesemde brooden, waarop zij het Paaschlam slachtten. » Christus heeft derhalve tegelijk met de Joden het oude Paschen gevierd. En, zooals Beda zegt : « Ofschoon Christus, ons Paaschlam, den volgenden dag, d. i. den vijftienden na nieuwe maan, werd gekruisigd, heeft Hij toch in den nacht, waarin het lam geofferd werd een heilig begin gemaakt aan de slachtoffering van zich zelf, d. i. aan zijn lijden, en wel door toen het mysterie van zijn lichaam en bloed aan de leerlingen ter viering over te geven, en doordat toen de Joden hun handen aan Hem sloegen en Hem bonden. »49Doch ook dit klopt niet met de woorden van Marcus, die zegt: “Op de eerste dag van de ongedesemde broden, waarop zij het Paaslam slachtten.” Christus heeft derhalve tegelijk met de Joden het oude Pasen gevierd. En, zoals Beda zegt: “Ofschoon Christus, ons Paaslam, de volgende dag, d.i. de vijftiende na nieuwe maan, werd gekruisigd, heeft Hij toch in de nacht, waarin het lam geofferd werd een heilig begin gemaakt aan de slachtoffering van zichzelf, d.i. aan zijn lijden, en wel door toen het mysterie van zijn lichaam en bloed aan de leerlingen ter viering over te geven, en doordat toen de Joden hun handen aan Hem sloegen en Hem bonden.”
Cum autem dicitur Joan. 13. [v. 1] : « ante diem festum Paschae » intelligitur hoc fuisse decimaquarta luna, quod tunc evenit quinta feria: nam, luna existente decimaquinta, erat dies solemnissimus Paschae apud Judaeos. Et sic eumdem diem quem Joannes nominat « ante diem festum Paschae », propter distinctionem naturalem dierum, Matthaeus nominat « primum diem azymorum » : quia secundum ritum Judaicae festivitatis, solemnitas incipiebat a vespera praecedentis diei. Quod autem dicitur eos 50comesturos esse Pascha in decimaquinta luna, intelligendum est quod ibi Pascha non dicitur agnus paschalis, qui immolatus fuerat quartadecima luna: sed dicitur cibus paschalis, idest azymi panes, quos oportebat comedi a mundis. Unde Chrysostomus ibidem [Hom. 83. in Joan. sup. cap. 18. v. 28] aliam expositionem ponit: quod « Pascha » potest accipi pro « toto festo » Judaeorum quod septem diebus agebatur.
Wanneer echter bij Joannes (13. 1) gezegd wordt: « Daags voor het Paaschfeest, » dan is dat te verstaan van den veertienden dag na de nieuwe maan, wat toen viel op den vijfden dag (der week), want op den vijftienden dag na de nieuwe maan viel bij de Joden de hoogste feestdag Paschen. En zoo komt het dat dezelfde dag, welke Joannes, om de natuurlijke onderscheiding der dagen « de dag voor het Paaschfeest » noemt, door Mattheus genoemd wordt: « de eerste dag der ongedeesemde brooden, » daar volgens de Joodsche feestritus de plechtigheid begon op den avond van den vorigen dag. En als er nu staat, dat zij het Paaschmaal moesten eten op den vijftienden dag na de nieuwe maan, dan is dit zoo te 50verstaan, dat daar niet bedoeld wordt het Paaschlam, dat geslacht werd op den veertienden dag na de nieuwe maan, maar de Paasch-spijs, d. i. het ongedeesemde brood, hetwelk in reinheid moest gegeten worden. Vandaar dat Chrysostomus een anderen uitleg geeft, dat « Paschen » kan verstaan worden van « het geheele feest » der Joden, dat zeven dagen duurde.Wanneer echter bij Johannes (13, 1) gezegd wordt: “Daags voor het Paasfeest,” dan is dat te verstaan van de veertiende dag na de nieuwe maan, wat toen viel op de vijfde dag (van de week), want op de vijftiende dag na de nieuwe maan viel bij de Joden de hoogste feestdag Pasen. En zo komt het dat dezelfde dag, welke Johannes, om de natuurlijke onderscheiding van de dagen “de dag voor het Paasfeest” noemt, door Matteüs genoemd wordt: “de eerste dag van de ongedesemde broden,” daar volgens de Joodse feestritus de plechtigheid begon op de avond van de vorige dag. En als er nu staat, dat zij het Paasmaal moesten eten op de vijftiende dag na de nieuwe maan, dan is dit zo te 50verstaan, dat daar niet bedoeld wordt het Paaslam, dat geslacht werd op de veertiende dag na de nieuwe maan, maar de Paas-spijs, d.i. het ongedesemde brood, hetwelk in reinheid moest gegeten worden. Vandaar dat Chrysostomus een anderen uitleg geeft, dat “Pasen” kan verstaan worden van “het gehele feest” van de Joden, dat zeven dagen duurde.
Ad secundum dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in libro tertio de Cons. Evang. [cap. 13.], « hora erat quasi sexta, cum traditus est Dominus crucifigendus a Pilato, ut Joannes dicit [cap. 19. v. 14], non enim erat plene sexta, sed « quasi sexta » idest, peracta quinta, et aliquid etiam de sexta esse coeperat, donec, completa sexta, Christo pendente in cruce, tenebrae fierent. Intelligitur autem fuisse hora tertia cum clamaverunt Judaei ut Dominus crucifigeretur: et veracissime demonstratur tunc eos crucifixisse quando clamaverunt. Ergo, ne quisquam cogitationem tanti criminis aversus a Judaeis in milites converteret, « Erat » inquit, « hora tertia, et crucifixerunt eum » [Mc. 15. v. 25] ut illi eum potius crucifixisse inveniantur qui hora tertia ut crucifigeretur clamaverunt.
2. Augustinus zegt: « Het was ongeveer het zesde uur toen de Heer door Pilatus werd overgeleverd ter kruisiging, zooals Joannes zegt (19. 14) ; het was immers niet ten volle het zesde, maar ongeveer het zesde d. i. het vijfde was verstreken en het zesde was al eenigszins begonnen, zoodat bij de voltooiing van het zesde uur, terwijl Christus aan het kruis hing, de duisternis ontstond. Men houdt echter dat het 't derde uur was, toen de Joden schreeuwden, dat de Heer moest gekruisigd worden, en allerjuist wordt er op gewezen, dat zij Hem toen kruisigden, toen zij dit riepen. Opdat derhalve niemand het verwijt van zulk een misdaad van de Joden op de soldaten zou schuiven, zegt hij: 't Was het derde uur en zij kruisigden Hem (Marc. 15. 25), opdat men begrijpen zou, dat zij Hem veeleer kruisigden, die op het derde uur riepen, dat Hij gekruisigd moest worden.2. Augustinus zegt: “Het was ongeveer het zesde uur toen de Heer door Pilatus werd overgeleverd ter kruisiging, zoals Johannes zegt (19, 14); het was immers niet ten volle het zesde, maar ongeveer het zesde d.i. het vijfde was verstreken en het zesde was al enigszins begonnen, zodat bij de voltooiing van het zesde uur, terwijl Christus aan het kruis hing, de duisternis ontstond. Men houdt echter dat het 't derde uur was, toen de Joden schreeuwden, dat de Heer moest gekruisigd worden, en allerjuist wordt er op gewezen, dat zij Hem toen kruisigden, toen zij dit riepen. Opdat derhalve niemand het verwijt van zulk een misdaad van de Joden op de soldaten zou schuiven, zegt hij: 't Was het derde uur en zij kruisigden Hem (Marc. 15. 25), opdat men begrijpen zou, dat zij Hem veeleer kruisigden, die op het derde uur riepen, dat Hij gekruisigd moest worden.
51Quamquam non desunt, qui « Parasceven » quam Joannes commemorat, dicens: « Erat Parasceve hora quasi sexta » horam diei tertiam velint intelligi. Parasceve quippe interpretatur « Praeparatio ». Verum autem Pascha, quod in passione Domini celebratur, incoepit praeparari ab hora noctis nona, quando scilicet omnes principes sacerdotum dixerunt, « Reus est mortis ». Ab illa ergo noctis hora usque ad Christi crucifixionem, occurrit « hora Parasceves sexta » secundum Joannem; et « hora diei tertia » secundum Marcum ».
51Hoewel, er zijn er ook, die Parasceve, waar Joannes van spreekt, als Hij zegt: « Het was nu Parasceve (daags voor Paschen), ongeveer het zesde uur, » willen opvatten als het derde uur van den dag. Parasceve immers beteekent: voorbereiding. Het Paschen nu, dat met Christus' lijden werd gevierd, werd werkelijk voorbereid vanaf het negende uur 's nachts, toen nl. alle opperpriesters zeiden: « Hij is des doods schuldig. » Rekenende nu vanaf dit nachtelijk uur tot aan Christus' kruisiging, komen we tot « het zesde uur van Parasceve » volgens Joannes en tot « het derde uur van den dag » volgens Marcus. »51Hoewel, er zijn er ook, die Parasceve, waar Johannes van spreekt, als Hij zegt: “Het was nu Parasceve (daags voor Pasen), ongeveer het zesde uur,” willen opvatten als het derde uur van de dag. Parasceve immers betekent: voorbereiding. Het Pasen nu, dat met Christus' lijden werd gevierd, werd werkelijk voorbereid vanaf het negende uur 's nachts, toen nl. alle opperpriesters zeiden: “Hij is van de dood schuldig.” Rekenende nu vanaf dit nachtelijk uur tot aan Christus' kruisiging, komen we tot “het zesde uur van Parasceve” volgens Johannes en tot “het derde uur van de dag” volgens Marcus.”
Quidam tamen dicunt, quod haec diversitas ex peccato scriptoris apud Graecos contingit: nam figurae quibus tria et sex repraesentantur, satis sunt propinquae apud eos.
Sommigen echter zeggen, dat dit verschil een gevolg is van een schrijffout in den Griekschen tekst: want de teekens, waarmede drie en zes worden aangegeven, lijken bij hen veel op elkaar.Sommigen echter zeggen, dat dit verschil een gevolg is van een schrijffout in de Griekse tekst: want de tekens, waarmede drie en zes worden aangegeven, lijken bij hen veel op elkaar.
Ad tertium dicendum quod, sicut dicitur in lib. de QQ. vet. et novi Testam. [q. 55. inter op. Aug.], « tunc voluit Dominus passione sua mundum redimere et reformare, quando eum creaverat, idest in aequinoctio. Et tunc dies super noctem increscit: quia per passionem Salvatoris a tenebris ad lucem perducimur ». Et quia perfecta illuminatio erit in secundo adventu 52Christi, ideo tempus secundi adventus aestati comparatur Matth. 24. [v. 32, 33], ubi dicitur: « Cum ramus ejus jam tener fuerit et folia nata, scitis quia prope est aestas. Ita et vos, cum videritis haec omnia, scitote quia prope est et in januis ». Et tunc etiam erit maxima Christi exaltatio.
3. Augustinus zegt: « De Heer wilde door zijn lijden de wereld verlossen en hervormen op dat oogenblik, waarop Hij haar geschapen had d. i. bij de dag- en nachtevening. En toen kreeg de dag de overhand op den nacht: want door het lijden van den Zaligmaker worden wij van de duisternis naar het licht overgebracht. » En aangezien de volkomen verlichting zal plaats hebben bij de tweede komst van Christus, daarom wordt de tijd der 52tweede komst vergeleken met den zomer in Mattheus (24. 32, 33), waar gezegd wordt: « Als zijn tak reeds zacht is en er bladeren aan zitten, dan weet gij, dat de zomer nabij is, zoo ook gij, als gij dit alles ziet, weet dan dat het nabij is en voor de deur staat. » Dan zal ook de hoogste verheffing van Christus plaats hebben.3. Augustinus zegt: “De Heer wilde door zijn lijden de wereld verlossen en hervormen op dat ogenblik, waarop Hij haar geschapen had d.i. bij de dag- en nachtevening. En toen kreeg de dag de overhand op de nacht: want door het lijden van de Zaligmaker worden wij van de duisternis naar het licht overgebracht.” En aangezien de volkomen verlichting zal plaats hebben bij de tweede komst van Christus, daarom wordt de tijd van de 52tweede komst vergeleken met de zomer in Matteüs (24, 32, 33), waar gezegd wordt: “Als zijn tak reeds zacht is en er bladeren aan zitten, dan weet gij, dat de zomer nabij is, zo ook gij, als gij dit alles ziet, weet dan dat het nabij is en voor de deur staat.” Dan zal ook de hoogste verheffing van Christus plaats hebben.
Ad quartum dicendum quod Christus in juvenili aetate pati voluit, propter tria. Primo quidem, ut ex hoc magis suam dilectionem commendaret, quod vitam suam pro nobis dedit quando erat in perfectissimo statu. Secundo, quia non conveniebat ut in eo appareret naturae diminutio, sicut nec morbus ut supra dictum est [q. 14. art. 4.]. Tertio, ut in juvenili aetate moriens et resurgens, futuram resurgentium qualitatem in seipso Christus praemonstraret. Unde dicitur Eph. 4. [v. 13] : « Donec occurramus omnes in unitatem fidei, et agnitionis Filii Dei, in virum perfectum, in mensuram aetatis plenitudinis Christi ».
4. Om drie redenen wilde Christus lijden op den leeftijd van jongeman. — Vooreerst om hierdoor beter zijn liefde te toonen, doordat Hij zijn leven voor ons gaf, toen het juist in zijn volmaaktsten staat was. — Ten tweede, omdat het niet passend was, dat zich bij Hem een achteruitgang van de natuur vertoonde, evenmin als ziekte, zooals boven gezegd is (14e Kw. 4e Art.). — Ten derde, opdat Christus door te sterven en te verrijzen op jonge-mannen-leeftijd, in zichzelf vooruit wilde aangeven, de toekomstige conditie der verrijzenden. Vandaar wordt gezegd in den Brief aan de Ephesiërs (4. 13) : « Totdat wij allen tot de eenheid des geloofs en der kennis van Gods Zoon zijn gekomen, een volwassen man zijn geworden, en de mannenmaat van den volmaakten Christus hebben bereikt. »4. Om drie redenen wilde Christus lijden op de leeftijd van jongeman. — Vooreerst om hierdoor beter zijn liefde te tonen, doordat Hij zijn leven voor ons gaf, toen het juist in zijn volmaaktsten staat was. — Ten tweede, omdat het niet passend was, dat zich bij Hem een achteruitgang van de natuur vertoonde, evenmin als ziekte, zoals boven gezegd is (14e Kw. 4e Art.). — Ten derde, opdat Christus door te sterven en te verrijzen op jonge-mannen-leeftijd, in zichzelf vooruit wilde aangeven, de toekomstige conditie van de verrijzenden. Vandaar wordt gezegd in de Brief aan de Efesiërs (4, 13): “Totdat wij allen tot de eenheid van het geloof en van de kennis van Gods Zoon zijn gekomen, een volwassen man zijn geworden, en de mannenmaat van de volmaakte Christus hebben bereikt.”
Utrum Christus fuerit convenienti loco passus
Heeft Christus op een passende plaats geleden?
53Ad decimum sic proceditur. Videtur quod non convenienti loco Christus passus fuerit. Christus enim passus est secundum carnem humanam, quae quidem concepta fuit ex virgine in Nazareth, et nata in Bethlehem. Ergo videtur, quod non in Jerusalem sed in Nazareth vel in Bethlehem pati debuerit.
53Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet op een passende plaats geleden heeft. — 1. Christus toch heeft geleden met zijn menschelijk lichaam, dat ontvangen werd door de Maagd te Nazareth, en geboren werd te Bethlehem. Dus moest Hij niet te Jerusalem, maar in Nazareth of in Bethlehem lijden.53Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet op een passende plaats geleden heeft. — 1. Christus toch heeft geleden met zijn menselijk lichaam, dat ontvangen werd door de Maagd te Nazareth, en geboren werd te Bethlehem. Dus moest Hij niet te Jerusalem, maar in Nazareth of in Bethlehem lijden.
2. Praeterea, veritas debet respondere figurae. Sed passio Christi figurabatur per sacrificia veteris legis. Sed hujusmodi sacrificia offerebantur in templo. Ergo videtur quod et Christus in templo pati debuerit, et non extra portam civitatis.
2. De werkelijkheid moet beantwoorden aan de voorafbeelding. Het lijden van Christus nu werd voorafgebeeld door de offers van de Oude Wet: en deze offers werden opgedragen in den tempel. Dus moest Christus lijden in den tempel en niet buiten de stadspoorten.2. De werkelijkheid moet beantwoorden aan de voorafbeelding. Het lijden van Christus nu werd voorafgebeeld door de offers van de Oude Wet: en deze offers werden opgedragen in de tempel. Dus moest Christus lijden in de tempel en niet buiten de stadspoorten.
3. Praeterea, medicina debet morbo respondere. Sed passio Christi fuit medicina contra peccatum Adae. Adam autem non fuit sepultus in Jerusalem, sed in Hebron: dicitur enim Josue 14. [v. 15] : « Nomen Hebron ante vocabatur Chariath-Arbe: Adam maximus ibi inter Enacim 54situs est ». Ergo videtur quod Christus in Hebron, et non in Jerusalem pati debuerit.
3. Het geneesmiddel moet aangepast zijn aan de ziekte. Het lijden van Christus nu was het geneesmiddel voor de zonde van Adam. Adam echter werd niet begraven in Jerusalem, maar in Hebron. Er staat immers in het Boek Josuë (14. 15) : « De naam van Hebron werd vroeger geheeten Cariath-Arbe; daar ligt Adam, 54de zeer groote, onder de Enakieten. » Dus moest Christus in Hebron en niet in Jerusalem lijden.3. Het geneesmiddel moet aangepast zijn aan de ziekte. Het lijden van Christus nu was het geneesmiddel voor de zonde van Adam. Adam echter werd niet begraven in Jerusalem, maar in Hebron. Er staat immers in het Boek Josuë (14, 15): “De naam van Hebron werd vroeger geheten Kirjat-Arba; daar ligt Adam, 54de zeer grote, onder de Enakieten.” Dus moest Christus in Hebron en niet in Jerusalem lijden.
Sed contra est, quod dicitur Luc. 13. [v. 33] : « Non capit prophetam perire extra Jerusalem ». Sed Christus fuit propheta. Convenienter ergo passus est in Jerusalem.
Daartegenover staat echter wat gezegd wordt in Lucas (13. 33) : « Het past niet dat een profeet omkomt buiten Jerusalem. » Christus nu was een profeet. Dus was het passend, dat Hij stierf in Jerusalem.Daartegenover staat echter wat gezegd wordt in Lukas (13, 33): “Het past niet dat een profeet omkomt buiten Jerusalem.” Christus nu was een profeet. Dus was het passend, dat Hij stierf in Jerusalem.
Respondeo dicendum quod, sicut dicitur in lib. QQ. vet. et nov. Test. [q. 55. inter op. August.], « omnia propriis locis et temporibus gessit Salvator » : quia sicut omnia tempora1 sunt in manu ejus, ita etiam omnia loca. Et ideo, sicut convenienti tempore Christus passus est, ita etiam convenienti loco.
Leerstelling. — Zooals Augustinus zegt, « heeft de Zaligmaker alles op de geschikte plaats en tijd volbracht; » want, waar alles in zijn hand gegeven is, zijn het ook alle plaatsen. En evenals Christus derhalve te geschikter tijd geleden heeft, zoo ook op de geschikte plaats.Leerstelling. — Zoals Augustinus zegt, “heeft de Zaligmaker alles op de geschikte plaats en tijd volbracht;” want, waar alles in zijn hand gegeven is, zijn het ook alle plaatsen. En evenals Christus derhalve te geschikter tijd geleden heeft, zo ook op de geschikte plaats.
Ad primum ergo dicendum quod Christus convenientissime in Jerusalem passus est. Primo quidem, quia Jerusalem erat locus a Deo electus ad sacrificia sibi offerenda. Quae quidem figuralia sacrificia figurabant Christi passionem, quod est verum sacrificium: secundum illud Ephes. 5. [v. 2] : 55« Tradidit semetipsum hostiam et oblationem in odorem suavitatis ». Unde Beda dicit, in quadam homilia [scilicet in Dominica Palmarum], quod, « appropinquante hora passionis, Dominus appropinquare voluit loco passionis », scilicet in Jerusalem, quo pervenit ante sex dies Paschae, sicut agnus paschalis ante sex dies Paschae, idest decima luna, secundum praeceptum legis, ad locum immolationis ducebatur.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het was zeer passend dat Christus te Jerusalem leed. Vooreerst, omdat Jerusalem de plaats was door God uitgekozen, om Hem de offers op te dragen, welke voorafbeeldende offers het lijden van Christus voorstelden, dat een waar offer is, zooals staat in den Brief aan de Ephesiërs 55(5. 2) : « Hij heeft zich gegeven als gave en offer tot een lieflijken geur. » Daarom ook zegt Beda, dat « bij de nadering van het lijdensuur de Heer naar de plaats van het lijden wilde gaan, » nl. Jerusalem, waar Hij zes dagen voor Paschen aankwam; evenals ook het Paaschlam zes dagen voor Paschen, d. i. op den tienden dag na nieuwe maan volgens het voorschrift der Wet naar de slachtplaats moest geleid worden.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het was zeer passend dat Christus te Jerusalem leed. Vooreerst, omdat Jerusalem de plaats was door God uitgekozen, om Hem de offers op te dragen, welke voorafbeeldende offers het lijden van Christus voorstelden, dat een waar offer is, zoals staat in de Brief aan de Efesiërs 55(5, 2): “Hij heeft zich gegeven als gave en offer tot een lieflijken geur.” Daarom ook zegt Beda, dat “bij de nadering van het lijdensuur de Heer naar de plaats van het lijden wilde gaan,” nl. Jerusalem, waar Hij zes dagen voor Pasen aankwam; evenals ook het Paaslam zes dagen voor Pasen, d.i. op de tiende dag na nieuwe maan volgens het voorschrift van de Wet naar de slachtplaats moest geleid worden.
Secundo, quia virtus passionis ejus ad totum mundum diffundenda erat, in medio terrae habitabilis pati voluit, idest in Jerusalem. Unde dicitur in Ps. 73. [v. 12] : « Deus autem rex noster ante saecula operatus est salutem in medio terrae » : idest in Jerusalem, quae dicitur esse umbilicus terrae.
— Ten tweede, daar de kracht van zijn lijden moest verbreid worden over de geheele wereld, wilde Hij lijden in het midden der bewoonde wereld, d. i. in Jerusalem. Vandaar dat gezegd wordt in het Boek der Psalmen (73. 12) : « God echter, vóór eeuwen onze koning, heeft het heil gewrocht in het midden der aarde, » d. i. in Jerusalem, dat de navel der aarde genoemd wordt.— Ten tweede, daar de kracht van zijn lijden moest verbreid worden over de gehele wereld, wilde Hij lijden in het midden van de bewoonde wereld, d.i. in Jerusalem. Vandaar dat gezegd wordt in het Boek van de Psalmen (73, 12)a: “God echter, vóór eeuwen onze koning, heeft het heil gewrocht in het midden van de aarde,” d.i. in Jerusalem, dat de navel van de aarde genoemd wordt.
Tertio, quia hoc maxime conveniebat humilitati ejus: ut scilicet, sicut turpissimum genus mortis elegit, ita etiam ad ejus humilitatem pertinuit quod in loco tam celebri confusionem pati non recusavit. Unde Leo Papa dicit, in quodam sermone Epiph. [Sermo 31] : « Qui servi susceperat formam, Bethlehem praelegit nativitati, Jerusalem passioni ».
— Ten derde, omdat dit het meest paste aan zijn nederigheid. Zooals Hij nl. den schandelijksten dood verkoos, evenzoo paste het bij zijn nederigheid, dat Hij niet zou weigeren in zulk een beroemde plaats zijn schande te ondergaan. Daarom zegt paus Leo: « Die de gedaante van een slaaf heeft aangenomen, koos Bethlehem uit voor zijn geboorte, Jerusalem voor zijn lijden. »— Ten derde, omdat dit het meest paste aan zijn nederigheid. Zoals Hij nl. de schandelijkste dood verkoos, evenzo paste het bij zijn nederigheid, dat Hij niet zou weigeren in zulk een beroemde plaats zijn schande te ondergaan. Daarom zegt paus Leo: “Die de gedaante van een slaaf heeft aangenomen, koos Bethlehem uit voor zijn geboorte, Jerusalem voor zijn lijden.”
Quarto, ut ostenderet a principibus populi Judaeorum2 exortam esse 56iniquitatem occidentium ipsum. Et ideo in Jerusalem, ubi principes morabantur, voluit pati. Unde dicitur Act. 4. [v. 27] : « Convenerunt in ista civitate adversus sanctum puerum tuum Jesum, quem unxisti, Herodes et Pontius Pilatus cum gentibus, et populis Israël ».
— Ten vierde, om aan te toonen, dat de misdaad van hen, die Hem doodden, uitging van de Joodsche 56volkshoofden; en daarom wilde Hij lijden in Jerusalem, waar de voornaamsten verblijf hielden. Vandaar wordt gezegd in de Handelingen der Apostelen (4. 27) : « In deze stad hebben samengespannen tegen Jesus, Uw heiligen dienaar, dien Gij gezalfd hebt: Herodes en Pontius Pilatus met de heidenen en de stammen Israëls. »— Ten vierde, om aan te tonen, dat de misdaad van hen, die Hem doodden, uitging van de Joodse 56volkshoofden; en daarom wilde Hij lijden in Jerusalem, waar de voornaamsten verblijf hielden. Vandaar wordt gezegd in de Handelingen van de Apostelen (4, 27): “In deze stad hebben samengespannen tegen Jesus, Uw heiligen dienaar, die Gij gezalfd hebt: Herodes en Pontius Pilatus met de heidenen en de stammen Israëls.”
Ad secundum dicendum quod Christus non in templo aut in civitate, sed extra portam passus est, propter tria. Primo quidem, ut veritas responderet figurae. Nam vitulus et hircus, qui solemnissimo sacrificio ad expiationem totius multitudinis offerebantur, extra castra comburebantur: ut praecipitur Levit. 16. [v. 27]. Unde dicitur Heb. 13. [v. 11 et 12] : « Quorum animalium infertur sanguis pro peccato in sancta per Pontificem, horum corpora cremantur extra castra. Propter quod et Jesus, ut sanctificaret per suum sanguinem populum, extra portam passus est ».
2. Christus heeft niet in den tempel of in de stad, maar buiten de poort geleden om drie redenen. — Vooreerst, opdat de werkelijkheid zou beantwoorden aan de voorafbeelding. Want het kalf en de bok, die bij het plechtigste offer werden opgedragen tot verzoening voor de geheele menigte, werden buiten de legerplaats verbrand, zooals voorgeschreven staat in het Boek Leviticus (16. 27). Vandaar dat gezegd wordt in den Brief aan de Hebreeën (13. 11, 12) : « En de lichamen der dieren, wier bloed tot verzoening der zonde door den hoogepriester in het heiligdom is gebracht, worden buiten de legerplaats verbrand. Daarom heeft ook Jesus buiten de poort geleden, om het volk te heiligen door zijn bloed. »2. Christus heeft niet in de tempel of in de stad, maar buiten de poort geleden om drie redenen. — Vooreerst, opdat de werkelijkheid zou beantwoorden aan de voorafbeelding. Want het kalf en de bok, die bij het plechtigste offer werden opgedragen tot verzoening voor de gehele menigte, werden buiten de legerplaats verbrand, zoals voorgeschreven staat in het Boek Leviticus (16, 27). Vandaar dat gezegd wordt in de Brief aan de Hebreeën (13, 11, 12): “En de lichamen van de dieren, wier bloed tot verzoening van de zonde door de hogepriester in het heiligdom is gebracht, worden buiten de legerplaats verbrand. Daarom heeft ook Jesus buiten de poort geleden, om het volk te heiligen door zijn bloed.”
Secundo, ut per hoc daret nobis exemplum exeundi a mundana conversatione. Unde ibidem subditur: « Exeamus igitur ad eum extra castra, improperium ejus portantes ».
— Ten tweede, om ons hierdoor een voorbeeld te geven, dat wij ons verwijderd zouden houden van wereldschen omgang. Daarom werd er t. a. p. aan toegevoegd: « Laat ons derhalve tot Hem buiten de legerplaats gaan, zijn schande dragende. »— Ten tweede, om ons hierdoor een voorbeeld te geven, dat wij ons verwijderd zouden houden van wereldse omgang. Daarom werd er t. a. p. aan toegevoegd: “Laat ons derhalve tot Hem buiten de legerplaats gaan, zijn schande dragende.”
Tertio, ut Chrysostomus in serm. de Pass. [seu de Cruce, et Latrone. 57Hom. 1.] dicit: « Noluit Dominus pati sub tecto, non in templo Judaico, ne Judaei subtraherent sacrificium salutare, ne putares pro illa tantum plebe oblatum. Et ideo foras civitatem, foras muros, ut scias sacrificium esse commune quod totius est terrae oblatio, quod communis est purificatio ».
— Ten derde, « wilde de Heer, » zooals Chrysostomus zegt, « niet 57lijden onder een dak, noch in den Joodschen tempel, opdat de Joden het heilzame offer niet voor zich alleen zouden opeischen, en opdat gij niet zoudt meenen, dat het voor dat volk alleen werd opgedragen. — En daarom buiten de stad, buiten de muren, opdat gij zoudt weten, dat het een offer voor het algemeen is, dat het een opdracht is voor geheel de aarde, dat het een reiniging is voor allen. »— Ten derde, “wilde de Heer,” zoals Chrysostomus zegt, “niet 57lijden onder een dak, noch in de Joodse tempel, opdat de Joden het heilzame offer niet voor zich alleen zouden opeisen, en opdat gij niet zoudt menen, dat het voor dat volk alleen werd opgedragen. — En daarom buiten de stad, buiten de muren, opdat gij zoudt weten, dat het een offer voor het algemeen is, dat het een opdracht is voor geheel de aarde, dat het een reiniging is voor allen.”
Ad tertium dicendum quod, sicut Hieronymus dicit, sup. Matth. [sup. illud cap. 27. [v. 33] : Et venerunt in locum, etc.], « Quidam exposuit « Calvariae locum », in quo sepultus est Adam: ideo sic appellatum quia ibi antiqui hominis sit conditum caput. Favorabilis interpretatio, et mulcens aurem populi: nec tamen vera. Extra urbem enim, et foras portam, loca sunt in quibus truncantur capita damnatorum; et « calvariae » idest « decollatorum », sumpsere nomen. Propterea autem ibi crucifixus est Jesus, ubi prius erat area damnatorum, ut ibi erigerentur vexilla martyrii. Adam vero sepultum juxta Hebron, et Arbee, in Jesu filii Nave volumine legimus ».
3. Zooals Hieronymus zegt bij de woorden van Mattheus (27. 33) : « En zij kwamen op de plaats, » enz.: « Sommigen verklaren, dat de plaats Calvarië, waar Adam begraven werd, daarom zoo genoemd werd, wijl daar het hoofd van den voorvaderlijken mensch begraven werd. 'n Geliefkoosde verklaring, strelend voor het volksgehoor, maar niet waar. Buiten de stad immers en buiten de poort zijn de plaatsen, waar de hoofden der veroordeelden worden afgeslagen, en zij kregen de naam van Calvarië, d. i.: van de onthoofden. Jesus is echter daarom gekruisigd, waar eerst de plaats der veroordeelden was, opdat daar de martelaarsvaandels zouden worden ontplooid. Daarentegen lezen wij in het boek van Jesus, den zoon van Nave, dat Adam begraven werd bij Hebron en Arbe. »3. Zoals Hieronymus zegt bij de woorden van Matteüs (27, 33): “En zij kwamen op de plaats,” enz.: “Sommigen verklaren, dat de plaats Calvarië, waar Adam begraven werd, daarom zo genoemd werd, wijl daar het hoofd van de voorvaderlijke mens begraven werd. 'n Geliefkoosde verklaring, strelend voor het volksgehoor, maar niet waar. Buiten de stad immers en buiten de poort zijn de plaatsen, waar de hoofden van de veroordeelden worden afgeslagen, en zij kregen de naam van Calvarië, d.i.: van de onthoofden. Jesus is echter daarom gekruisigd, waar eerst de plaats van de veroordeelden was, opdat daar de martelaarsvaandels zouden worden ontplooid. Daarentegen lezen wij in het boek van Jesus, de zoon van Nave, dat Adam begraven werd bij Hebron en Arba.”
Magis autem Jesus crucifigendus erat in loco communi damnatorum 58quam juxta sepulcrum Adae, ut ostenderetur quod crux Christi non solum erat in remedium contra peccatum personale ipsius Adae, sed etiam contra peccatum totius mundi.
Christus echter moest gekruisigd worden op de algemeene plaats der veroordeelden, eerder dan bij het graf van 58Adam, om aan te toonen, dat het kruis van Christus niet alleen een geneesmiddel was voor de persoonlijke zonden van Adam zelf, maar ook voor de zonden van de geheele wereld.Christus echter moest gekruisigd worden op de algemene plaats van de veroordeelden, eerder dan bij het graf van 58Adam, om aan te tonen, dat het kruis van Christus niet alleen een geneesmiddel was voor de persoonlijke zonden van Adam zelf, maar ook voor de zonden van de gehele wereld.
Utrum conveniens fuerit Christum cum latronibus crucifigi
Was het passend dat Christus met roovers gekruisigd werd?Was het passend dat Christus met rovers gekruisigd werd?
Ad undecimum sic proceditur. Videtur quod non fuerit conveniens Christum cum latronibus crucifigi. Dicitur enim 2. ad Cor. 6. [v. 14] : « Quae participatio justitiae cum iniquitate? » Sed « Christus factus est nobis justitia a Deo » [1. Cor. 1. v. 30] ; iniquitas autem pertinet ad latrones. Non ergo fuit conveniens ut Christus simul cum latronibus crucifigeretur.
Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet passend was, dat Christus met roovers gekruisigd werd. — 1. Er wordt immers gezegd in den Tweeden Brief aan de Corinthiërs (6. 14) : « Wat hebben gerechtigheid en ongerechtigheid gemeen? » Maar Christus « is voor ons geworden de gerechtigheid uit God » (1 Cor. 1. 30) ; bij de roovers echter behoorde de ongerechtigheid thuis. Het was derhalve niet passend, dat Christus tegelijk met roovers gekruisigd werd.Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet passend was, dat Christus met rovers gekruisigd werd. — 1. Er wordt immers gezegd in de Tweede Brief aan de Korintiërs (6, 14): “Wat hebben gerechtigheid en ongerechtigheid gemeen?” Maar Christus “is voor ons geworden de gerechtigheid uit God” (1 Kor. 1. 30); bij de rovers echter behoorde de ongerechtigheid thuis. Het was derhalve niet passend, dat Christus tegelijk met rovers gekruisigd werd.
2. Praeterea, super illud Matth. 26. [v. 35], « Si oportuerit me mori tecum, non te negabo » dicit Origenes [tract. 35. in Matth.] : « Mori cum Jesu pro omnibus moriente, hominum non erat ». Et Ambrosius super 59illud Luc. 22. [v. 33], « Paratus sum tecum et in carcerem et in mortem ire » : « Passio » inquit, « Domini aemulos habet, pares non habet ». Multo igitur minus conveniens videtur quod Christus simul cum latronibus pateretur.
2. Naar aanleiding van het woord bij Mattheus (26. 35) : « Al zou ik met U moeten sterven, ik zal U niet verloochenen, » zegt Origines: « Het was niemand der menschen gegeven om met Christus te sterven, die voor allen stierf. » En op het woord van 59Lucas (22. 33) : « Ik ben bereid met U in de gevangenis en in den dood te gaan, » zegt Ambrosius: « Het lijden van Christus had navolgers, geen gelijken. » Het was dus veel minder passend, dat Christus met roovers leed.2. Naar aanleiding van het woord bij Matteüs (26, 35): “Al zou ik met U moeten sterven, ik zal U niet verloochenen,” zegt Origines: “Het was niemand van de mensen gegeven om met Christus te sterven, die voor allen stierf.” En op het woord van 59Lukas (22, 33): “Ik ben bereid met U in de gevangenis en in de dood te gaan,” zegt Ambrosius: “Het lijden van Christus had navolgers, geen gelijken.” Het was dus veel minder passend, dat Christus met rovers leed.
3. Praeterea, Matth. 27. [v. 44] dicitur quod « latrones qui crucifixi erant cum eo, improperabant ei ». Sed Luc. 23. [v. 42] dicitur quod unus eorum qui crucifixus erat cum Christo, ei dicebat: « Memento mei, Domine, dum veneris in regnum tuum ». Ergo videtur quod praeter latrones blasphemantes, fuerit cum eo crucifixus alius non blasphemans. Et sic videtur inconvenienter ab Evangelistis narratum quod Christus fuerit cum latronibus crucifixus.
3. Mattheus (27. 44) zegt, dat « de roovers, die met Hem gekruisigd werden, Hem bespotten. » Maar Lucas (23. 42) zegt, dat een van hen, die met Christus was, tot Hem zeide: « Heer gedenk mijner, als Gij in uw rijk gekomen zijt. » Derhalve schijnt er behalve de godslasterende roovers, een ander met Hem gekruisigd te zijn, die niet lasterde; en aldus lijkt het niet juist door den Evangelist verhaald te zijn, dat Christus met roovers gekruisigd werd.3. Matteüs (27, 44) zegt, dat “de rovers, die met Hem gekruisigd werden, Hem bespotten.” Maar Lukas (23, 42) zegt, dat een van hen, die met Christus was, tot Hem zeide: “Heer gedenk van mijn, als Gij in uw rijk gekomen zijt.” Derhalve schijnt er behalve de godslasterende rovers, een ander met Hem gekruisigd te zijn, die niet lasterde; en aldus lijkt het niet juist door de Evangelist verhaald te zijn, dat Christus met rovers gekruisigd werd.
Sed contra est quod Isa. 53. [v. 12] fuerat prophetatum: « Et cum sceleratis reputatus est ».
Daartegenover staat echter, dat Isaïas (53. 12) voorzegd heeft: « Hij is onder de boosdoeners gerekend. »Daartegenover staat echter, dat Jesaja (53, 12) voorzegd heeft: “Hij is onder de boosdoeners gerekend.”
Respondeo dicendum quod Christus inter latrones crucifixus est, alia quidem ratione quantum ad intentionem Judaeorum, alia vero quantum ad Dei ordinationem. Quantum enim ad intentionem Judaeorum, duos latrones 60utrinque crucifixerunt, sicut dicit Chrysostomus [hom. 87. in Matth.], « ut eorum suspicionis fieret particeps. Sed non ita evenit. Nam de illis nihil dicitur: hujus autem ubique crux honoratur. Reges, diademata deponentes, assumunt crucem: in purpuris, in diadematibus, in armis, in mensa sacrata, ubique terrarum crux emicat ».
Leerstelling. — Christus is in de bedoeling der Joden om een andere reden met roovers gekruisigd, dan in de voorbeschikking van God. — Wat de bedoeling immers der Joden aangaat, 60kruisigden zij twee roovers aan beide zijden zooals Chrysostomus zegt, « opdat Hij zou deelen in hun verdenking. Maar zoo is het niet gelukt; van hen immers wordt niets gezegd, het kruis van Hem echter wordt overal geëerd. Koningen nemen hun diademen af, en nemen het kruis: in het purper, op de diademen, op de wapens, op de sacrale tafels, overal ter wereld schittert het kruis. »Leerstelling. — Christus is in de bedoeling van de Joden om een andere reden met rovers gekruisigd, dan in de voorbeschikking van God. — Wat de bedoeling immers van de Joden aangaat, 60kruisigden zij twee rovers aan beide zijden zoals Chrysostomus zegt, “opdat Hij zou delen in hun verdenking. Maar zo is het niet gelukt; van hen immers wordt niets gezegd, het kruis van Hem echter wordt overal geëerd. Koningen nemen hun diademen af, en nemen het kruis: in het purper, op de diademen, op de wapens, op de sacrale tafels, overal ter wereld schittert het kruis.”
Quantum vero ad Dei ordinationem, Christus cum latronibus crucifixus est, quia, ut Hieronymus dicit, super Matth. [sup. illud cap. 27. [v. 33] : Venerunt in locum, qui, etc.], « sicut pro nobis maledictum crucis factus est Christus, sic pro omnium salute inter noxios quasi noxius crucifigitur ».
Naar Gods verordening echter, is Christus met roovers gekruisigd, omdat, zooals bij de woorden van Mattheus (27. 33) : « Zij kwamen op de plaats, die, » enz. Hieronymus opmerkt: « Zooals Christus voor ons tot de vervloeking van het kruis geworden is, zoo is Hij voor ons aller heil als een schuldige onder de schuldigen gekruisigd. »Naar Gods verordening echter, is Christus met rovers gekruisigd, omdat, zoals bij de woorden van Matteüs (27, 33): “Zij kwamen op de plaats, die,” enz. Hieronymus opmerkt: “Zoals Christus voor ons tot de vervloeking van het kruis geworden is, zo is Hij voor ons aller heil als een schuldige onder de schuldigen gekruisigd.”
Secundo, ut dicit Leo Papa, in sermone de Passione [qui est 55.], « duo latrones unus ad dexteram et alius ad sinistram crucifiguntur, ut in ipsa patibuli specie monstraretur illa quae in judicio ipsius omnium hominum facienda est discretio ». Et Augustinus dicit, super Joan. [tract. 31.] : « Ipsa crux, si attendas, tribunal fuit. In medio enim judice constituto, unus, qui credidit, liberatus; alius, qui insultavit, damnatus est. Jam significabat quid facturus est de vivis et mortuis, alios positurus ad dextram, alios vero ad sinistram ».
— Ten tweede, zooals paus Leo zegt: « Er worden twee roovers, een aan de rechter-, de ander aan de linkerzijde gekruisigd, om in het beeld van het kruis zelf de scheiding aan te geven, welke bij zijn oordeel tusschen alle menschen zal gemaakt worden. » En Augustinus zegt: « Als gij het goed beschouwt, dan vormde het kruis zelf een oordeel. In het midden immer bevond zich de rechter; de een, die geloofde, werd verlost, de ander, die lasterde, werd veroordeeld. Hij liet reeds zien, wat Hij doen zal met de levenden en de dooden: sommigen zal Hij aan de rechterzijde plaatsen, anderen aan de linker. »— Ten tweede, zoals paus Leo zegt: “Er worden twee rovers, een aan de rechter-, de ander aan de linkerzijde gekruisigd, om in het beeld van het kruis zelf de scheiding aan te geven, welke bij zijn oordeel tussen alle mensen zal gemaakt worden.” En Augustinus zegt: “Als gij het goed beschouwt, dan vormde het kruis zelf een oordeel. In het midden immer bevond zich de rechter; de een, die geloofde, werd verlost, de ander, die lasterde, werd veroordeeld. Hij liet reeds zien, wat Hij doen zal met de levenden en de doden: sommigen zal Hij aan de rechterzijde plaatsen, anderen aan de linker.”
61Tertio, secundum Hilarium [cap. 33. in Matth.] : « Duo latrones laevae ac dextrae affiguntur, omnem humani generis universitatem vocari ad sacramentum passionis Domini ostendentes. Sed quia per diversitatem fidelium ac infidelium fit omnium secundum dextram sinistramque divisio, unus ex duobus ad dextram ejus situs, fidei justificatione salvatur ».
— Ten derde, 61werden volgens Hilarius « twee roovers links en rechts gekruisigd, om aan te toonen, dat het heele menschelijke geslacht wordt geroepen tot het geheim van het lijden des Heeren. Maar omdat naar het verschil van geloovigen en ongeloovigen, aller verdeeling geschiedt in rechts en links, wordt een der twee, die aan de rechterzijde, gered door de rechtvaardiging uit het geloof. »— Ten derde, 61werden volgens Hilarius “twee rovers links en rechts gekruisigd, om aan te tonen, dat het hele menselijke geslacht wordt geroepen tot het geheim van het lijden van de Heer. Maar omdat naar het verschil van gelovigen en ongelovigen, aller verdeling geschiedt in rechts en links, wordt een van de twee, die aan de rechterzijde, gered door de rechtvaardiging uit het geloof.”
Quarto, quia, ut Beda dicit, super Marc. [lib. 4. ad cap. 15. v. 27], « latrones qui cum Domino crucifixi sunt, significant eos qui, sub fide et confessione Christi, vel agonem martyrii vel quaelibet arctioris disciplinae instituta subeunt. Sed qui hoc pro aeterna gloria gerunt, dextri latronis fide designantur: qui vero humanae laudis intuitu, sinistri latronis mentem imitantur et actus ».
— Ten vierde, omdat zooals Beda zegt, « de roovers die met den Heer gekruisigd werden, diegenen voorstellen, die in het geloof en de belijdenis van Christus, ofwel den marteldood ondergaan, of sommige instellingen met strengere tucht naleven. Maar die dit doen voor de eeuwige glorie worden voorgesteld door den geloovigen roover aan den rechterkant; die het echter doen met het oog op menschelijken lof, volgen de gezindheid en daden na van den moordenaar aan den linkerkant. »— Ten vierde, omdat zoals Beda zegt, “de rovers die met de Heer gekruisigd werden, diegenen voorstellen, die in het geloof en de belijdenis van Christus, ofwel de marteldood ondergaan, of sommige instellingen met strengere tucht naleven. Maar die dit doen voor de eeuwige glorie worden voorgesteld door de gelovige rover aan de rechterkant; die het echter doen met het oog op menselijke lof, volgen de gezindheid en daden na van de moordenaar aan de linkerkant.”
Ad primum ergo dicendum quod, sicut Christus debitum mortis non habuit, sed mortem voluntarie subiit ut sua virtute vinceret mortem, ita etiam non habuit meritum ut cum latronibus poneretur, sed voluit cum iniquis deputari ut sua virtute iniquitatem destrueret. Unde Chrysostomus 62dicit, super Joan. [hom. 85], quod « latronem in cruce convertere et in paradisum inducere, non minus fuit quam concutere petras ».
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zooals Christus niet behoefde te sterven, maar toch den dood vrijwillig onderging, om door zijn kracht den dood te overwinnen, zoo verdiende Hij ook niet onder roovers te worden geplaatst; maar Hij wilde onder de boosdoeners gerekend worden, om met zijn deugd de 62ongerechtigheid te niet te doen. Vandaar zegt Chrysostomus, dat het « niet geringer was den roover op het kruis te bekeeren en naar het paradijs te brengen, dan om rotsen te klieven. »Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoals Christus niet behoefde te sterven, maar toch de dood vrijwillig onderging, om door zijn kracht de dood te overwinnen, zo verdiende Hij ook niet onder rovers te worden geplaatst; maar Hij wilde onder de boosdoeners gerekend worden, om met zijn deugd de 62ongerechtigheid te niet te doen. Vandaar zegt Chrysostomus, dat het “niet geringer was de rover op het kruis te bekeren en naar het paradijs te brengen, dan om rotsen te klieven.”
Ad secundum dicendum quod non conveniebat ut cum Christo aliquis alius pateretur ex eadem causa. Unde Origenes ibidem subdit: « Omnes fuerant in peccatis, et omnes opus habebant ut pro eis alius moreretur non ipsi pro aliis ».
2. Het paste niet dat iemand anders met Christus meeleed om dezelfde reden. Daarom zegt Origines: « Allen waren in zonden, en allen hadden noodig, dat een ander voor hen stierf, niet zij voor anderen. »2. Het paste niet dat iemand anders met Christus meeleed om dezelfde reden. Daarom zegt Origines: “Allen waren in zonden, en allen hadden nodig, dat een ander voor hen stierf, niet zij voor anderen.”
Ad tertium dicendum quod, sicut Augustinus dicit in lib. 3. de Cons. Evangelistarum [cap. 16. in fin.], possumus intelligere Matthaeum « posuisse pluralem numerum pro singulari » cum dixit: « Latrones improperabant ei ».
3. Zooals Augustinus zegt, kunnen wij 't opvatten, « als had Mattheus het meervoud voor het enkelvoud gezet », waar hij zegt: « De roovers hoonden Hem. »3. Zoals Augustinus zegt, kunnen wij 't opvatten, “als had Matteüs het meervoud voor het enkelvoud gezet”, waar hij zegt: “De rovers hoonden Hem.”
Vel potest dici secundum Hieronymum [sup. illud Matth. 27. [v. 44] : Latrones improperabant], quod « primum uterque blasphemaverit; deinde, visis signis, unus eorum crediderit ».
— Of men kan met Hieronymus zeggen, in zijn commentaar op de woorden van Mattheus (27. 44) : « De roovers hoonden Hem, » dat « eerst beiden Hem lasterden; maar dat vervolgens een geloofde, op het zien der teekenen. »— Of men kan met Hieronymus zeggen, in zijn commentaar op de woorden van Matteüs (27, 44): “De rovers hoonden Hem,” dat “eerst beiden Hem lasterden; maar dat vervolgens een geloofde, op het zien van de tekenen.”
Utrum passio Christi sit ejus divinitati attribuenda
Moet het lijden van Christus toegeschreven worden aan zijn Godheid?
63Ad duodecimum sic proceditur. Videtur quod passio Christi sit ejus divinitati attribuenda. Dicitur enim 1. ad Cor. 2. [v. 8] : « Si cognovissent, nunquam Dominum gloriae crucifixissent ». Sed Dominus gloriae est Christus secundum divinitatem. Ergo passio Christi competit ei secundum divinitatem.
63Bedenkingen. — Men beweert, dat het lijden van Christus moet toegeschreven worden aan zijn Godheid. — 1. In den Eersten Brief aan de Corinthiërs (2. 8) wordt immers gezegd: « Als zij Hem gekend hadden, zouden zij den Heer der glorie, nooit gekruisigd hebben. » Heer der glorie nu is Christus naar zijn Godheid. Dus moet Hem het lijden toegeschreven worden naar zijn Godheid.63Bedenkingen. — Men beweert, dat het lijden van Christus moet toegeschreven worden aan zijn Godheid. — 1. In de Eerste Brief aan de Korintiërs (2, 8) wordt immers gezegd: “Als zij Hem gekend hadden, zouden zij de Heer van de glorie, nooit gekruisigd hebben.” Heer van de glorie nu is Christus naar zijn Godheid. Dus moet Hem het lijden toegeschreven worden naar zijn Godheid.
2. Praeterea, principium salutis humanae est ipsa divinitas: secundum illud Ps. 36. [v. 39] : « Salus autem justorum a Domino ». Si ergo passio Christi ad ejus divinitatem non pertineret, videretur quod non posset nobis esse fructifera.
2. Het beginsel van het menschelijk heil is de Godheid zelf, naar het woord van het Boek der Psalmen (36. 39) : « De redding der rechtvaardigen is van den Heer. » Indien dus het lijden van Christus niet toekwam aan zijn Godheid, dan kon het voor ons niet vruchtdragend zijn.2. Het beginsel van het menselijk heil is de Godheid zelf, naar het woord van het Boek van de Psalmen (36, 39)a: “De redding van de rechtvaardigen is van de Heer.” Indien dus het lijden van Christus niet toekwam aan zijn Godheid, dan kon het voor ons niet vruchtdragend zijn.
3. Praeterea, Judaei puniti sunt pro peccato occisionis Christi tanquam homicidae ipsius Dei: quod magnitudo poenae demonstrat. Hoc 64autem non esset, si passio ad divinitatem non pertineret. Ergo passio Christi ad divinitatem ejus pertinuit.
3. De Joden zijn gestraft voor de zonde van den moord op Christus, als voor een moordaanslag op God zelf, hetgeen blijkt uit de grootheid der straf. Dit zou echter niet het geval zijn, als het 64lijden niet was toe te schrijven aan de Godheid. Dus behoorde het lijden van Christus aan zijn Godheid.3. De Joden zijn gestraft voor de zonde van de moord op Christus, als voor een moordaanslag op God zelf, hetgeen blijkt uit de grootheid van de straf. Dit zou echter niet het geval zijn, als het 64lijden niet was toe te schrijven aan de Godheid. Dus behoorde het lijden van Christus aan zijn Godheid.
Sed contra est quod Athanasius dicit, in Epist. ad Epictetem [num. 6] : « Natura Deus manens Verbum est impassibile ». Sed impassibile non potest pati. Passio ergo Christi non pertinebat ad ejus divinitatem.
Daartegenover staat echter, dat Athanasius zegt: « Het Woord, naar zijn natuur God blijvend, is onlijdbaar. » Wat echter onlijdbaar is, kan niet lijden. Dus behoorde het lijden van Christus niet bij zijn Godheid.Daartegenover staat echter, dat Athanasius zegt: “Het Woord, naar zijn natuur God blijvend, is onlijdbaar.” Wat echter onlijdbaar is, kan niet lijden. Dus behoorde het lijden van Christus niet bij zijn Godheid.
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est [q. 2. art. 2, 3 et 6.], unio humanae naturae et divinae facta est in persona et hypostasi et supposito, manente tamen distinctione naturarum: ut scilicet sit eadem persona et hypostasis divinae et humanae naturae, salva tamen utriusque naturae proprietate. Et ideo, sicut supra dictum est [q. 16. art. 4.], supposito divinae naturae attribuenda est passio, non ratione divinae naturae, quae est impassibilis, sed ratione humanae naturae. Unde in epistola Synodali [quae habetur in Conc. Ephes. gener. 3. part. 1. cap. 26.] Cyrillus dicit: « Si quis non confitetur Dei Verbum passum carne et crucifixum carne, anathema sit ». Pertinet ergo passio Christi ad suppositum 65divinae naturae ratione naturae passibilis assumptae, non autem ratione divinae naturae impassibilis.
Leerstelling. — De vereeniging van de menschelijke en goddelijke natuur had, zooals boven gezegd is (2e Kw. 2e, 3e, en 6e Art.), plaats in den persoon, en in de hypostase en het suppositum, met handhaving echter van het onderscheid tusschen beide naturen, zoodat nl. een en dezelfde persoon en hypostase de goddelijke en menschelijke natuur bezat, met behoud van het eigene der beide naturen. En derhalve moet, zooals boven gezegd is (16e Kw. 5e Art.), aan het suppositum van de goddelijke natuur het lijden toegeschreven worden, niet krachtens de goddelijke natuur, die onlijdbaar is, maar krachtens de menschelijke natuur. Vandaar zegt Cyrillus: « Indien iemand niet belijdt, dat het Woord Gods heeft geleden naar het vleesch, en is gekruisigd naar het vleesch, dan zij hij vervloekt. » Derhalve behoorde het lijden van Christus 65tot het suppositum van de goddelijke natuur krachtens de lijdbare natuur, die Hij had aangenomen, en niet krachtens de goddelijke natuur, die niet kan lijden.Leerstelling. — De vereniging van de menselijke en goddelijke natuur had, zoals boven gezegd is (2e Kw. tweede, derde, en 6e Art.), plaats in de persoon, en in de hypostase en het suppositum, met handhaving echter van het onderscheid tussen beide naturen, zodat nl. een en dezelfde persoon en hypostase de goddelijke en menselijke natuur bezat, met behoud van het eigene van de beide naturen. En derhalve moet, zoals boven gezegd is (16e Kw. 5e Art.), aan het suppositum van de goddelijke natuur het lijden toegeschreven worden, niet krachtens de goddelijke natuur, die onlijdbaar is, maar krachtens de menselijke natuur. Vandaar zegt Cyrillus: “Indien iemand niet belijdt, dat het Woord Gods heeft geleden naar het vlees, en is gekruisigd naar het vlees, dan zij hij vervloekt.” Derhalve behoorde het lijden van Christus 65tot het suppositum van de goddelijke natuur krachtens de lijdbare natuur, die Hij had aangenomen, en niet krachtens de goddelijke natuur, die niet kan lijden.
Ad primum ergo dicendum quod Dominus gloriae dicitur crucifixus, non secundum quod est Dominus gloriae, sed secundum quod erat homo passibilis.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wij zeggen, dat de Heer der glorie werd gekruisigd, niet in zoover Hij Heer der glorie is, maar voor zoover Hij een lijdbaar mensch was.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wij zeggen, dat de Heer van de glorie werd gekruisigd, niet in zover Hij Heer van de glorie is, maar voor zover Hij een lijdbaar mens was.
Ad secundum dicendum quod, sicut dicitur in quodam sermone Ephesini Concilii [qui est Theodoti Ancyr. et hab. in eo Concil. part. 3. cap. 10.], « mors Christi, tanquam facta mors Dei », scilicet per unionem in persona, « destruxit mortem: quoniam Deus et homo erat » qui patiebatur. « Non enim natura Dei laesa est, sed humana: neque mutatione sua suscepit passiones ».
2. Zooals gezegd wordt in een toespraak op het Concilie van Ephese, « heeft de dood van Christus, a. h. w. de dood van God geworden, » nl. door de vereeniging in den persoon, « den dood vernietigd, omdat Hij » die leed « God en mensch was. De natuur van God werd immers niet gekweld, maar de menschelijke; en Hij onderging ook niet het lijden door een verandering zijnerzijds. »2. Zoals gezegd wordt in een toespraak op het Concilie van Efeze, “heeft de dood van Christus, a. h. w. de dood van God geworden,” nl. door de vereniging in de persoon, “de dood vernietigd, omdat Hij” die leed “God en mens was. De natuur van God werd immers niet gekweld, maar de menselijke; en Hij onderging ook niet het lijden door een verandering zijnerzijds.”
Ad tertium dicendum quod, sicut subditur ibidem [Cfr. Resp. ad 2.] « non purum hominem crucifixerunt Judaei, sed Deo intulerunt praesumptiones. Pone enim principem loqui per verbum, et hoc formari per literas in charta aliqua, et dirigi civitatibus: ut aliquis inobediens chartam disrumpat. Ad mortis sententiam deducetur, non tanquam chartam disrumpens, sed 66tanquam verbum imperiale disrumpens. Non ergo securus sit Judaeus, tanquam purum hominem crucifigens. Quod enim videbat, quasi charta erat: quod autem in ea celabatur, imperiale Verbum erat, natum ex natura, non prolatum per linguam ».
3. Op dezelfde plaats (vgl. 2e Antw.) wordt gezegd: « De Joden kruisigden geen mensch zonder meer, maar God deden zij hun schelmstuk aan. Want stel eens, dat een vorst met woorden iets uit, en dat dit met letters op papier wordt gebracht, en dat het aan steden wordt toegezonden, en dat iemand uit ongehoorzaamheid het document verscheurt. Zoo iemand zal dan ter dood worden veroordeeld, niet in zoover hij het stuk verscheurd heeft, maar omdat 66hij het woord van den vorst te niet doet. Derhalve kan de Jood niet gerust zijn, alsof hij een gewoon mensch kruisigde. Want wat hij zag, was als een document: wat daarin echter verborgen lag, was het vorstelijk Woord, van nature ontstaan, niet voortgebracht met de tong. »3. Op dezelfde plaats (vgl. 2e Antw.) wordt gezegd: “De Joden kruisigden geen mens zonder meer, maar God deden zij hun schelmstuk aan. Want stel eens, dat een vorst met woorden iets uit, en dat dit met letters op papier wordt gebracht, en dat het aan steden wordt toegezonden, en dat iemand uit ongehoorzaamheid het document verscheurt. Zo iemand zal dan ter dood worden veroordeeld, niet in zover hij het stuk verscheurd heeft, maar omdat 66hij het woord van de vorst te niet doet. Derhalve kan de Jood niet gerust zijn, alsof hij een gewoon mens kruisigde. Want wat hij zag, was als een document: wat daarin echter verborgen lag, was het vorstelijk Woord, van nature ontstaan, niet voortgebracht met de tong.”