De sepultura Christi, in quatuor articulos divisa
Over Christus' begrafenis
170Deinde considerandum est de sepultura Christi. Et circa hoc quaeruntur quatuor: 1. Utrum conveniens fuerit Christum sepeliri. — 2. De modo sepulturae ejus. — 3. Utrum corpus ejus fuerit in sepulchro resolutum. — 4. De tempore, quo jacuit in sepulchro.
170Vervolgens moeten wij handelen over de begrafenis van Christus, en hierover stellen wij vier vragen: 1. Was het passend, dat Christus begraven werd? 2. Over de wijze van begraven. 3. Kwam zijn lichaam in het graf tot ontbinding? 4. Over den tijd, gedurende welken Hij in het graf lag.170Vervolgens moeten wij handelen over de begrafenis van Christus, en hierover stellen wij vier vragen: 1. Was het passend, dat Christus begraven werd? 2. Over de wijze van begraven. 3. Kwam zijn lichaam in het graf tot ontbinding? 4. Over de tijd, gedurende welke Hij in het graf lag.
Utrum fuerit conveniens Christum sepeliri
Was het passend, dat Christus begraven werd.
Ad primum sic proceditur. Videtur quod non fuerit conveniens Christum 171sepeliri. De Christo enim dicitur in Psal. 87. [v. 5, 6] : « Factus est, sicut homo sine adjutorio, inter mortuos liber ». Sed in sepulchro includuntur corpora mortuorum: quod videtur esse contrarium libertati. Ergo non videtur fuisse conveniens quod corpus Christi sepeliretur.
Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet passend was, dat 171Christus begraven werd. — 1. Van Christus toch wordt gezegd in het Boek der Psalmen (87. 6) : « Ik ben geworden als een hulpeloos mensch, een vrije onder de dooden. » In het graf echter worden de lichamen der dooden ingesloten, wat strijdig is met vrijheid. Dus was het niet passend, dat het lichaam van Christus begraven werd.Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet passend was, dat 171Christus begraven werd. — 1. Van Christus toch wordt gezegd in het Boek van de Psalmen (87, 6)a: “Ik ben geworden als een hulpeloos mens, een vrije onder de doden.” In het graf echter worden de lichamen van de doden ingesloten, wat strijdig is met vrijheid. Dus was het niet passend, dat het lichaam van Christus begraven werd.
2. Praeterea, nihil circa Christum fieri debuit quod non esset salutiferum nobis. Sed in nullo videtur ad salutem hominum pertinere quod Christus fuit sepultus. Ergo non fuit conveniens Christum sepeliri.
2. Met Christus moest er niets gebeuren, wat voor ons niet heilbrengend was. Dat Christus begraven werd, schijnt echter in geen enkel opzicht iets te maken te hebben met het heil der menschen. Dus was het niet passend, dat Hij begraven werd.2. Met Christus moest er niets gebeuren, wat voor ons niet heilbrengend was. Dat Christus begraven werd, schijnt echter in geen enkel opzicht iets te maken te hebben met het heil van de mensen. Dus was het niet passend, dat Hij begraven werd.
3. Praeterea, inconveniens esse videtur quod Deus, qui est super coelos excelsus, in terra sepeliretur. Sed illud quod convenit corpori Christi mortuo, attribuitur Deo, ratione unionis. Ergo inconveniens videtur Christum fuisse sepultum.
3. Het past niet, dat God, die boven de hemelen verheven is, in de aarde begraven werd. Wat het lichaam van Christus echter overkomen is, wordt van wege de vereeniging aan God toegeschreven. Dus was het niet passend, dat Christus begraven werd.3. Het past niet, dat God, die boven de hemelen verheven is, in de aarde begraven werd. Wat het lichaam van Christus echter overkomen is, wordt van wege de vereniging aan God toegeschreven. Dus was het niet passend, dat Christus begraven werd.
Sed contra est quod Dominus dicit, Matth. 26. [v. 10] de muliere quae eum inunxerat: « Opus bonum operata est in me »: et postea [v. 12] subdit: « Mittens enim hoc unguentum in corpus meum, ad sepeliendum me fecit ».
Daartegenover staat echter, dat bij Mattheus (26. 10) de Heer aangaande de vrouw, die Hem gezalfd had, zegt: « Zij heeft een goed werk aan Mij gedaan » en vervolgens laat Hij er op volgen: « Want toen zij die balsem over Mij uitgoot, deed ze dat voor mijn begrafenis. »Daartegenover staat echter, dat bij Matteüs (26, 10) de Heer aangaande de vrouw, die Hem gezalfd had, zegt: “Zij heeft een goed werk aan Mij gedaan” en vervolgens laat Hij er op volgen: “Want toen zij die balsem over Mij uitgoot, deed ze dat voor mijn begrafenis.”
172Respondeo dicendum quod conveniens fuit Christum sepeliri. Primo quidem ad comprobandum veritatem mortis: non enim in sepulchro aliquis ponitur, nisi quando jam de veritate mortis constat. Unde et Marc. 15. [v. 44, 45] legitur quod Pilatus, antequam concederet Christum sepeliri, diligenti inquisitione cognovit eum mortuum esse. Secundo, quia per hoc quod Christus de sepulchro resurrexit, datur spes resurgendi per ipsum his qui sunt in sepulchro: secundum illud Joan. 5. [v. 25, 28] : « Omnes, qui in monumentis sunt, audient vocem Filii Dei, et qui audierint, vivent ». Tertio ad exemplum eorum, qui per mortem Christi spiritualiter moriuntur peccatis, qui scilicet absconduntur a conturbatione hominum. Unde dicitur Coloss. 3. [v. 3] : « Mortui estis, et vita vestra abscondita est cum Christo in Deo ». Unde et baptizati, qui per mortem Christi moriuntur peccatis, quasi consepeliuntur Christo per immersionem: secundum illud Rom. 6. [v. 4] : « Consepulti sumus cum Christo per baptismum in mortem ».
172Leerstelling. — Het was passend, dat Christus begraven werd. — Vooreerst, om de echtheid van zijn dood te bewijzen, want niemand wordt in het graf gelegd, tenzij men zeker is van zijn dood. Vandaar dat wij ook lezen bij Marcus (15. 44), dat Pilatus vóór hij tot de begrafenis van Christus toestemming gaf, door een nauwkeurig onderzoek wist, dat Hij gestorven was. — Ten tweede, omdat door de verrijzenis van Christus uit het graf, door Hem de hoop op de verrijzenis geschonken wordt aan hen, die in de graven zijn, naar de woorden bij Joannes (5. 25, 28) : « Allen, die in de grafsteden zijn, zullen de stem van den Zoon Gods hooren, en die haar gehoord hebben zullen leven. » — Ten derde, om een voorbeeld te geven aan hen, die door Christus' dood op geestelijke wijze sterven aan de zonden, die zich nl. verbergen voor de verstrooiingen der menschen. Daarom wordt gezegd in den Brief aan de Colossensen (3. 3) : « Gij zijt gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God. » Vandaar ook, dat de gedoopten, die door Christus' dood sterven aan de zonden, door de indompeling a. h. w. mede begraven worden met Christus, naar het woord in den Brief aan de Romeinen (6. 4) : « Door het doopsel zijn wij met Christus mede begraven in den dood. »172Leerstelling. — Het was passend, dat Christus begraven werd. — Vooreerst, om de echtheid van zijn dood te bewijzen, want niemand wordt in het graf gelegd, tenzij men zeker is van zijn dood. Vandaar dat wij ook lezen bij Marcus (15, 44), dat Pilatus vóór hij tot de begrafenis van Christus toestemming gaf, door een nauwkeurig onderzoek wist, dat Hij gestorven was. — Ten tweede, omdat door de verrijzenis van Christus uit het graf, door Hem de hoop op de verrijzenis geschonken wordt aan hen, die in de graven zijn, naar de woorden bij Johannes (5, 25, 28): “Allen, die in de grafsteden zijn, zullen de stem van de Zoon Gods horen, en die haar gehoord hebben zullen leven.” — Ten derde, om een voorbeeld te geven aan hen, die door Christus' dood op geestelijke wijze sterven aan de zonden, die zich nl. verbergen voor de verstrooiingen van de mensen. Daarom wordt gezegd in de Brief aan de Colossensen (3, 3): “Gij zijt gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God.” Vandaar ook, dat de gedoopten, die door Christus' dood sterven aan de zonden, door de indompeling a. h. w. mede begraven worden met Christus, naar het woord in de Brief aan de Romeinen (6, 4): “Door het doopsel zijn wij met Christus mede begraven in de dood.”
Ad primum ergo dicendum quod Christus sepultus se inter mortuos 173liberum fuisse ostendit, in hoc quod per inclusionem sepulchri non potuit impediri quin ab eo resurgendo exiverit.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De begraven Christus 173toonde hierdoor, dat Hij vrij was te midden der dooden, doordat de insluiting in het graf Hem niet kon beletten, verrijzend er uit op te staan.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De begraven Christus 173toonde hierdoor, dat Hij vrij was te midden van de doden, doordat de insluiting in het graf Hem niet kon beletten, verrijzend er uit op te staan.
Ad secundum dicendum quod, sicut mors Christi efficienter operata est nostram salutem, ita etiam et ejus sepultura. Unde Hieronymus dicit, super Marc. [cap. 14. vers. fin.] : « Sepultura Christi resurgimus » et Isa. 53. [v. 9] sup. illud, « Dabit impios pro sepultura », dicit Glossa [ord.] : « idest gentes, quae sine pietate erant, Deo Patrique dabit, quia mortuus et sepultus eos acquisivit ».
2. Christus' begrafenis heeft evenals zijn dood op uitwerkende wijze ons heil bewerkt. Vandaar dat Hieronymus zegt: « Door de begrafenis van Christus, verrijzen wij; » en bij de woorden in Isaïas (53. 9) : « Hij zal de goddeloozen geven voor zijne begrafenis, » zegt de Glossa: « d. i. Hij zal de heidenen, die zonder vroomheid waren, aan zijn God en Vader geven, daar Hij door zijn dood en begrafenis hen heeft verworven. »2. Christus' begrafenis heeft evenals zijn dood op uitwerkende wijze ons heil bewerkt. Vandaar dat Hieronymus zegt: “Door de begrafenis van Christus, verrijzen wij;” en bij de woorden in Jesaja (53, 9): “Hij zal de goddelozen geven voor zijn begrafenis,” zegt de Glossa: “d.i. Hij zal de heidenen, die zonder vroomheid waren, aan zijn God en Vader geven, daar Hij door zijn dood en begrafenis hen heeft verworven.”
Ad tertium dicendum quod, sicut dicitur in quodam serm. Conc. Ephesini [et hab. part. 3. cap. 9. aliquant. a princ.], « nihil horum quae salvant homines, injuriam Deo facit: quae ostendunt eum, non passibilem, sed clementem ». Et in alio sermone ejusdem Conc. [ib. cap. 10.] legitur « Nihil putat injuriam Deus quod est occasio salutis hominibus. Tu quidem non ita vilem Dei naturam arbitraberis, tanquam quae aliquando subjecta possit esse injuriis ».
3. Zooals gezegd wordt in een preek op het concilie van Ephese: « Niets, wat de menschen zalig maakt, doet onrecht aan God, daar die dingen Hem niet lijdelijk toonen, maar goedertieren; » en in een andere preek van hetzelfde concilie: « Niets, wat de menschen een heilsgelegenheid biedt, beschouwt God als onrecht. En wilt gij nu niet meenen, dat Gods natuur zoo laag staat, dat Hij soms aan onrecht onderworpen zijn kan. »3. Zoals gezegd wordt in een preek op het concilie van Efeze: “Niets, wat de mensen zalig maakt, doet onrecht aan God, daar die dingen Hem niet lijdelijk tonen, maar goedertieren;” en in een andere preek van hetzelfde concilie: “Niets, wat de mensen een heilsgelegenheid biedt, beschouwt God als onrecht. En wilt gij nu niet menen, dat Gods natuur zo laag staat, dat Hij soms aan onrecht onderworpen zijn kan.”
Utrum convenienti modo Christus fuerit sepultus
Is Christus op passende wijze begraven?
174Ad secundum sic proceditur. Videtur non convenienti modo Christum fuisse sepultum. Sepultura enim ejus respondet morti ipsius. Sed Christus fuit passus mortem abjectissimam: secundum illud Sap. 2. [v. 20] : « Morte turpissima condemnemus eum ». Ergo inconveniens videtur esse quod Christo exhibita fuit honorabilis sepultura, inquantum a magnatibus fuit tumulatus, scilicet a Joseph ab Arimathaea, qui erat « nobilis decurio », ut habetur Marc. 15. [v. 43] et a Nicodemo, qui erat « princeps Judaeorum », ut habetur Joan. 3. [v. 1].
174Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet op passende wijze begraven is. — 1. Zijn begrafenis toch beantwoordt aan zijn dood. Christus echter is den schandelijksten dood gestorven naar het woord van het Boek der Wijsheid (2. 20) : « Laten wij hem tot den schandelijksten dood veroordeelen. » Dus was het niet passend, dat Christus een eervolle begrafenis werd geschonken, in zoover Hij door aanzienlijken begraven werd, nl. door Joseph van Arimathea, die « een voornaam raadsheer » was, zooals Marcus (15. 43) zegt, en door Nicodemus, die « een overste der Joden » was, zooals Joannes (3. 1) zegt.174Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet op passende wijze begraven is. — 1. Zijn begrafenis toch beantwoordt aan zijn dood. Christus echter is de schandelijkste dood gestorven naar het woord van het Boek van de Wijsheid (2, 20): “Laten wij hem tot de schandelijkste dood veroordelen.” Dus was het niet passend, dat Christus een eervolle begrafenis werd geschonken, in zover Hij door aanzienlijken begraven werd, nl. door Joseph van Arimatea, die “een voornaam raadsheer” was, zoals Marcus (15, 43) zegt, en door Nikodemus, die “een overste van de Joden” was, zoals Johannes (3, 1) zegt.
2. Praeterea, circa Christum non debuit aliquid fieri quod esset superfluitatis exemplum. Videtur autem superfluitatis fuisse quod ad sepeliendum Christum « Nicodemus venit ferens mixturam myrrhae et aloës quasi libras centum », ut dicitur Joan. 19. [v. 39] : praesertim cum mulier « 175praevenerit corpus ejus ungere in sepulturam », ut dicitur Marc. 14. [v. 8]. Non ergo fuit hoc convenienter circa Christum factum.
2. Met Christus mocht er niets gebeuren, dat een voorbeeld zou kunnen geven van verkwisting. 't Had echter iets weg van verkwisting, dat « Nicodemus » voor Christus' begrafenis « kwam met een mengsel van myrrhe en aloë-bladeren, ongeveer honderd pond, » zooals Joannes (19. 39) zegt, vooral daar een vrouw 175« vooraf reeds zijn lichaam had gezalfd ter begrafenis, » zooals Marcus (14. 8) zegt. Dus is dit niet passend met Christus gebeurd.2. Met Christus mocht er niets gebeuren, dat een voorbeeld zou kunnen geven van verkwisting. 't Had echter iets weg van verkwisting, dat “Nikodemus” voor Christus' begrafenis “kwam met een mengsel van mirre en aloë-bladeren, ongeveer honderd pond,” zoals Johannes (19, 39) zegt, vooral daar een vrouw 175“vooraf reeds zijn lichaam had gezalfd ter begrafenis,” zoals Marcus (14, 8) zegt. Dus is dit niet passend met Christus gebeurd.
3. Praeterea, non est conveniens, ut aliquod factum sibi ipsi sit dissonum. Sed sepultura Christi fuit simplex ex una parte, quia scilicet « Joseph involvit corpus eius in sindone munda », ut dicitur Matth. 27. [v. 59], « non » autem « auro aut gemmis aut serico », ut Hieronymus ibid. dicit: ex alia vero parte videtur fuisse ambitiosa, inquantum eum cum aromatibus sepelierunt. Ergo videtur non fuisse conveniens modus sepulturae Christi.
3. Het is niet behoorlijk, dat een of ander feit met zichzelf een wanklank vormt. De begrafenis nu van Christus was van den eenen kant eenvoudig, daar Joseph nl. « zijn lichaam in een rein lijnwaad wikkelde, » zooals Mattheus (27. 59) zegt, « niet » echter « in goud of edelgesteente of zijde, » zooals Hieronymus daar zegt; van den anderen kant echter heeft ze met praal plaats gehad, in zooverre ze Hem met reukwerken begroeven. Dus was dit geen passende wijze, om Christus te begraven.3. Het is niet behoorlijk, dat een of ander feit met zichzelf een wanklank vormt. De begrafenis nu van Christus was van de ene kant eenvoudig, daar Joseph nl. “zijn lichaam in een rein lijnwaad wikkelde,” zoals Matteüs (27. 59) zegt, “niet” echter “in goud of edelgesteente of zijde,” zoals Hieronymus daar zegt; van de andere kant echter heeft ze met praal plaats gehad, in zoverre ze Hem met reukwerken begroeven. Dus was dit geen passende wijze, om Christus te begraven.
4. Praeterea, « Quaecumque scripta sunt », praecipue de Christo, « ad nostram doctrinam scripta sunt », ut dicitur Rom. 15. [v. 4]. Sed quaedam scribuntur in Evangeliis circa sepulchrum Christi, quae in nullo videntur ad nostram doctrinam pertinere: sicut quod fuit sepultus in horto, quod in monumento alieno, et novo, et exciso in petra. Inconveniens ergo fuit modus sepulturae Christi.
4. « Al wat geschreven is, » vooral met betrekking tot Christus, « is tot onze onderrichting geschreven, » zooals in den Brief aan de Romeinen (15. 4) gezegd wordt. In de evangelieën worden echter sommige dingen over Christus' begrafenis geschreven, die niets met onze onderrichting schijnen uit te staan te hebben; b. v. dat Hij begraven werd in den tuin, in het graf van een ander, in een nieuw graf, in een graf, dat in een rots was uitgehouwen. Dus was het geen passende wijze, om Christus te begraven.4. “Al wat geschreven is,” vooral met betrekking tot Christus, “is tot onze onderrichting geschreven,” zoals in de Brief aan de Romeinen (15, 4) gezegd wordt. In de evangelieën worden echter sommige dingen over Christus' begrafenis geschreven, die niets met onze onderrichting schijnen uit te staan te hebben; bv. dat Hij begraven werd in de tuin, in het graf van een ander, in een nieuw graf, in een graf, dat in een rots was uitgehouwen. Dus was het geen passende wijze, om Christus te begraven.
Sed contra est quod dicitur Isa. 11. [v. 10] : « Et erit sepulchrum ejus gloriosum ».
Daartegenover staat echter, dat bij Isaïas (11. 10) gezegd wordt: « Zijn graf zal glorierijk zijn. »Daartegenover staat echter, dat bij Jesaja (11, 10) gezegd wordt: “Zijn graf zal glorierijk zijn.”
176Respondeo dicendum quod modus sepulturae Christi ostenditur esse conveniens quantum ad tria. Primo quidem, quantum ad confirmandam fidem mortis et resurrectionis ipsius. Secundo ad commendandam pietatem eorum qui eum sepelierunt. Unde Augustinus dicit in 1. de Civ. Dei [cap. 13. cir. med.] : « Laudabiliter commemorantur in Evangelio, qui corpus ejus, de cruce acceptum, diligenter atque honorifice tegendum sepeliendumque curarunt ». Tertio, quantum ad mysterium, per quod informantur illi qui Christo consepeliuntur in mortem.
176Leerstelling. — De wijze, waarop Christus begraven werd, blijkt passend geweest te zijn om drie redenen. — Vooreerst, om het geloof in zijn dood en verrijzenis te versterken. — Ten tweede, ter aanbeveling van de vroomheid dergenen, die Hem begroeven. Vandaar dat Augustinus zegt: « Met lof worden diegenen in het evangelie vermeld, die zijn lichaam van het kruis afnamen, het zorgvuldig en eervol bedekten, en zorgden voor zijne begrafenis. » — Ten derde, ter wille van het mysterie, waardoor zij onderricht worden, die met Christus in den dood begraven worden.176Leerstelling. — De wijze, waarop Christus begraven werd, blijkt passend geweest te zijn om drie redenen. — Vooreerst, om het geloof in zijn dood en verrijzenis te versterken. — Ten tweede, ter aanbeveling van de vroomheid dergenen, die Hem begroeven. Vandaar dat Augustinus zegt: “Met lof worden diegenen in het evangelie vermeld, die zijn lichaam van het kruis afnamen, het zorgvuldig en eervol bedekten, en zorgden voor zijn begrafenis.” — Ten derde, ter wille van het mysterie, waardoor zij onderricht worden, die met Christus in de dood begraven worden.
Ad primum ergo dicendum quod, circa mortem Christi, commendantur patientia et constantia ipsius qui mortem est passus: et tanto magis, quanto mors fuit abjectior. Sed in sepultura honorifica consideratur virtus morientis, qui, contra intentionem occidentium, etiam mortuus honorifice sepelitur: et praefiguratur devotio fidelium, qui erant Christo mortuo servituri.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Met betrekking tot den dood van Christus worden ons het geduld en de standvastigheid onder het oog gebracht van Hem, die den dood onderging, en wel des te levendiger, naarmate die dood meer weerzinwekkend was. In de eervolle begrafenis echter valt de kracht van den stervenden te bewonderen, die nog na zijn dood tegen de bedoeling van zijn moordenaars in, eervol werd begraven; en hierin wordt de godsvrucht der geloovigen voorafgebeeld, die den gestorven Christus zouden dienen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Met betrekking tot de dood van Christus worden ons het geduld en de standvastigheid onder het oog gebracht van Hem, die de dood onderging, en wel des te levendiger, naarmate die dood meer weerzinwekkend was. In de eervolle begrafenis echter valt de kracht van de stervenden te bewonderen, die nog na zijn dood tegen de bedoeling van zijn moordenaars in, eervol werd begraven; en hierin wordt de godsvrucht van de gelovigen voorafgebeeld, die de gestorven Christus zouden dienen.
Ad secundum dicendum quod in hoc quod Evangelista dicit, quod sepelierunt eum, « sicut mos est Judaeis sepelire » sicut Augustinus dicit, 177super Joan. [Tract. 120. cir. med.], « admonuit in hujusmodi officiis quae mortuis exhibentur, morem cujuslibet gentis esse servandum. Erat autem istius gentis consuetudo ut mortuorum corpora variis aromatibus condirentur, ut diutius servarentur illaesa ». Unde et in 3. de Doctr. Christ. [cap. 12. a princ.] dicitur quod « in omnibus talibus non usus rerum, sed libido utentis in culpa est ». Et postea subdit: « Quod in aliis personis plerumque flagitium est, in divina vel prophetica persona maxime1 cujusdam rei signum est ». Myrrha enim et aloës, propter sui amaritudinem, significant poenitentiam, per quam aliquis in seipso Christum conservat absque corruptione peccati. Odor autem aromatum significat bonam famam.
2. Met de woorden: zij begroeven Hem « zooals het bij de Joden gebruikelijk is te begraven » « vermaande » de Evangelist, 177zooals Augustinus zegt, « dat men bij de eerbewijzen, die men aan de dooden brengt, de handelwijze van elk volk in acht moet nemen. Bij dat volk nu was het de gewoonte de lichamen der dooden met verschillende reukwerken te behandelen, om ze langer tegen het bederf te bewaren. » Vandaar wordt ook gezegd, dat « in al dergelijke aangelegenheden niet de gebruikte dingen, maar de willekeur schuldig is. » En hij voegt er vervolgens aan toe: « Wat bij andere personen dikwijls een misdrijf inhoudt, is bij een goddelijke of profetische persoonlijkheid teeken van grootheid. » De myrrhe en aloë-bladeren beteekenen immers om hun bitterheid boetvaardigheid, waardoor iemand in zichzelf den Christus zonder het bederf der zonden bewaart; de geur der reukwerken daarentegen beteekent de goede faam.2. Met de woorden: zij begroeven Hem “zoals het bij de Joden gebruikelijk is te begraven” “vermaande” de Evangelist, 177zoals Augustinus zegt, “dat men bij de eerbewijzen, die men aan de doden brengt, de handelwijze van elk volk in acht moet nemen. Bij dat volk nu was het de gewoonte de lichamen van de doden met verschillende reukwerken te behandelen, om ze langer tegen het bederf te bewaren.” Vandaar wordt ook gezegd, dat “in al dergelijke aangelegenheden niet de gebruikte dingen, maar de willekeur schuldig is.” En hij voegt er vervolgens aan toe: “Wat bij andere personen dikwijls een misdrijf inhoudt, is bij een goddelijke of profetische persoonlijkheid teken van grootheid.” De mirre en aloë-bladeren betekenen immers om hun bitterheid boetvaardigheid, waardoor iemand in zichzelf de Christus zonder het bederf van de zonden bewaart; de geur van de reukwerken daarentegen betekent de goede faam.
Ad tertium dicendum quod myrrha et aloës adhibebantur corpori Christi ut immune a corruptione servaretur: quod videbatur ad quamdam necessitatem pertinere. Unde datur nobis exemplum quod licite possumus aliquibus pretiosis uti medicinaliter pro necessitate nostri corporis conservandi. Sed involutio corporis pertinebat ad solam quamdam decentiam honestatis. Et in 178talibus, simplicibus debemus esse contenti. Per hoc tamen significabatur, ut Hieronymus dicit, [in hunc loc. Matth.] quod « ille in sindone munda involvit Jesum, qui mente pura eum susceperit ». Et hinc, ut Beda dicit, super Marc. [expos. lib. 4. ad cap. 15. v. 46], « ecclesiae mos obtinuit, ut sacrificium altaris non in serico neque in panno tincto, sed in lino terreno celebretur: sicut corpus Domini est in sindone munda sepultum ».
3. Myrrhe en aloë-bladeren werden voor Christus' lichaam gebruikt, om het vrij van bederf te bewaren, wat in zekeren zin noodzakelijk scheen. Hierdoor wordt ons geleerd, dat wij kostbare dingen mogen gebruiken bij wijze van medicijn, als dat noodig is om ons lichaam goed te houden: dat het lichaam ingewikkeld werd, werd alleen vereischt als passend eerbewijs. En in dergelijke aangelegenheden moeten wij met eenvoudige middelen tevreden 178zijn. Hierdoor werd echter beteekend, dat « hij Jesus in een rein lijnwaad wikkelt, die Hem met een reine ziel ontvangt, » zooals Hieronymus zegt. Daarom zegt Beda: « Het is in de Kerk gebruikelijk, het altaar-sacrificie te voltrekken niet op zijde, noch op gekleurde stof, maar op gewoon linnen, gelijk het lichaam van Christus in rein lijnwaad werd begraven. »3. Mirre en aloë-bladeren werden voor Christus' lichaam gebruikt, om het vrij van bederf te bewaren, wat in zekeren zin noodzakelijk scheen. Hierdoor wordt ons geleerd, dat wij kostbare dingen mogen gebruiken bij wijze van medicijn, als dat nodig is om ons lichaam goed te houden: dat het lichaam ingewikkeld werd, werd alleen vereist als passend eerbewijs. En in dergelijke aangelegenheden moeten wij met eenvoudige middelen tevreden 178zijn. Hierdoor werd echter betekend, dat “hij Jesus in een rein lijnwaad wikkelt, die Hem met een reine ziel ontvangt,” zoals Hieronymus zegt. Daarom zegt Beda: “Het is in de Kerk gebruikelijk, het altaar-sacrificie te voltrekken niet op zijde, noch op gekleurde stof, maar op gewoon linnen, gelijk het lichaam van Christus in rein lijnwaad werd begraven.”
Ad quartum dicendum quod Christus sepelitur in horto, ad significandum quod per mortem et sepulturam ipsius liberamur a morte, quam incurrimus per peccatum Adae in horto paradisi commissum. Ideo autem Salvator in aliena ponitur sepultura, ut Augustinus dicit, in quodam sermone [qui est 133. de Temp. a med.], « quia pro aliorum moriebatur salute: sepulchrum autem mortis est habitaculum ». Per hoc etiam considerari potest paupertatis abundantia pro nobis susceptae. Nam qui domum in vita non habuit, post mortem quoque in alieno sepulchro reconditur, et nudus existens a Joseph cooperitur. In novo autem ponitur monumento, ut Hieronymus dicit [in hunc loc. Matth.], « ne, post resurrectionem, caeteris corporibus remanentibus, surrexisse alius fingeretur. Potest autem et novum sepulchrum Mariae virginalem uterum demonstrare ». Per hoc etiam datur 179intelligi quod per Christi sepulturam omnes innovamur, morte et corruptione destructa. In monumento autem exciso in petra conditus est, ut Hieronymus dicit [sup. illud Matth. 27.: Jube ergo custodiri, etc.], « ne, si ex multis lapidibus aedificatum fuisset, tumuli fundamentis suffossis, ablatus furto diceretur ». Unde et saxum magnum, quod appositum fuit, ostendit quod « non absque auxilio plurimorum sepulchrum potuisset reserari ». « Si etiam sepultus fuisset in terra, dicere poterant: suffoderunt terram, et furati sunt eum », sicut Augustinus dicit [cfr. St. Thom. Cat. aur. in Matth. cap. 27. sub nom. Aug.]. Significatur autem mystice per hoc, ut Hilarius dicit [cap. 33. in Matth. ad fin.], quod « per Apostolorum doctrinam in pectus duritiae Gentilis, quodam doctrinae opere excisum, Christus infertur: rude scilicet ac novum, et nullo antea ingressu timori Dei pervium; Et quia nihil praeter eum oportet in pectora nostra penetrare, lapis ostio advolvitur ». Et sicut Origenes dicit [tract. 35. in Matth. ad fin.], « non fortuito scriptum est, quod Joseph involvit corpus Christi sindone munda, et posuit in monumento novo, et quod advolvit lapidem magnum: quia omnia quae sunt circa corpus Jesu, munda sunt, et nova, et valde magna ».
4. Christus wordt begraven in een tuin, om aan te geven, dat wij door zijn dood en begrafenis bevrijd worden van den dood, dien wij opliepen door de zonde, welke Adam bedreef in den tuin van het paradijs. De Zaligmaker wordt echter daarom in een vreemd graf begraven, zooals Augustinus zegt, « wijl Hij stierf voor het heil van anderen; het graf toch is de woonplaats des doods. » Hierdoor ook kunnen wij zien, hoe arm Hij voor ons geworden is. Want Hij, die tijdens zijn leven geen woonplaats had, wordt ook na zijn dood in een vreemd graf bijgezet, en naakt, wordt Hij door Joseph bedekt. Hij wordt echter in een nieuw graf gelegd, « opdat men na de verrijzenis niet zou verzinnen, dat een ander verrezen was, terwijl de andere lichamen achterbleven, » zooals Hieronymus zegt. « Ook kan door de nieuwheid van het graf heengeduid worden op den maagdelijken schoot van Maria. » Ook 179wordt hierdoor te kennen gegeven, dat wij allen door de begrafenis van Christus worden vernieuwd, nadat dood en bederf waren vernietigd. Hij is echter in een graf gelegd, dat in de rots was uitgehouwen, zooals Hieronymus zegt, « opdat men niet zou zeggen, als het gebouwd was geweest uit vele steenen, dat de fundamenten van den grafheuvel ondergraven waren en Hij gestolen was. » Zoo toont, ook de groote steen, die er voor gewenteld was, dat « het graf zonder de hulp van velen niet kon geopend worden. » « Ook indien Hij in de aarde begraven was, kan men zeggen: Zij hebben het graf opgedolven en Hem gestolen, » zooals Augustinus zegt. In mystieken zin echter wordt er door beteekend, zooals Hilarius zegt, dat « door de leer der apostelen Christus gedragen wordt tot het versteende hart van de heidenen, uitgehouwen door het werk der onderrichting, nog ruw en nieuw en nooit te voren toegankelijk voor de vreeze Gods. En omdat niets anders buiten Hem in onze harten mag binnentreden, daarom wordt een steen voor de opening gewenteld. » En zooals Origines zegt « werd niet bij toeval neergeschreven, dat Joseph het lichaam van Christus in een rein lijnwaad wikkelde en het legde in een nieuw graf en dat hij er een groote steen voorwentelde, wijl alles wat betrekking heeft op het lichaam van Jesus, rein is, en nieuw, en zeer groot. »4. Christus wordt begraven in een tuin, om aan te geven, dat wij door zijn dood en begrafenis bevrijd worden van de dood, die wij opliepen door de zonde, welke Adam bedreef in de tuin van het paradijs. De Zaligmaker wordt echter daarom in een vreemd graf begraven, zoals Augustinus zegt, “wijl Hij stierf voor het heil van anderen; het graf toch is de woonplaats van de dood.” Hierdoor ook kunnen wij zien, hoe arm Hij voor ons geworden is. Want Hij, die tijdens zijn leven geen woonplaats had, wordt ook na zijn dood in een vreemd graf bijgezet, en naakt, wordt Hij door Joseph bedekt. Hij wordt echter in een nieuw graf gelegd, “opdat men na de verrijzenis niet zou verzinnen, dat een ander verrezen was, terwijl de andere lichamen achterbleven,” zoals Hieronymus zegt. “Ook kan door de nieuwheid van het graf heengeduid worden op de maagdelijke schoot van Maria.” Ook 179wordt hierdoor te kennen gegeven, dat wij allen door de begrafenis van Christus worden vernieuwd, nadat dood en bederf waren vernietigd. Hij is echter in een graf gelegd, dat in de rots was uitgehouwen, zoals Hieronymus zegt, “opdat men niet zou zeggen, als het gebouwd was geweest uit vele stenen, dat de fundamenten van de grafheuvel ondergraven waren en Hij gestolen was.” Zo toont, ook de grote steen, die er voor gewenteld was, dat “het graf zonder de hulp van velen niet kon geopend worden.” “Ook indien Hij in de aarde begraven was, kan men zeggen: Zij hebben het graf opgedolven en Hem gestolen,” zoals Augustinus zegt. In mystieken zin echter wordt er door betekend, zoals Hilarius zegt, dat “door de leer van de apostelen Christus gedragen wordt tot het versteende hart van de heidenen, uitgehouwen door het werk van de onderrichting, nog ruw en nieuw en nooit te voren toegankelijk voor de vreze Gods. En omdat niets anders buiten Hem in onze harten mag binnentreden, daarom wordt een steen voor de opening gewenteld.” En zoals Origines zegt “werd niet bij toeval neergeschreven, dat Joseph het lichaam van Christus in een rein lijnwaad wikkelde en het legde in een nieuw graf en dat hij er een grote steen voorwentelde, wijl alles wat betrekking heeft op het lichaam van Jesus, rein is, en nieuw, en zeer groot.”
Utrum corpus Christi in sepulchro fuerit incineratum
Is het lichaam van Christus in het graf vergaan tot stof?
180Ad tertium sic proceditur. Videtur quod corpus Christi in sepulchro fuerit incineratum. Sicut enim mors est poena peccati primi parentis, ita etiam et incineratio: dictum est enim primo homini post peccatum: « Pulvis es, et in pulverem reverteris », ut dicitur Gen. 3. [v. 19]. Sed Christus mortem sustinuit, ut nos a morte liberaret. Ergo etiam incinerari debuit corpus ejus, ut nos ab incineratione liberaret.
180Bedenkingen. — Men beweert, dat het lichaam van Christus in het graf vergaan is tot stof. — 1. Zooals immers de dood een straf is voor de zonde van den stamvader, zoo ook het vergaan tot stof. Tot den eersten mensch werd immers na de zonde gezegd : « Gij zijt stof en tot stof zult gij wederkeeren, » zooals staat in het Boek der Schepping (3. 19). Christus heeft echter den dood ondergaan, om ons van den dood te verlossen. Derhalve moest ook zijn lichaam tot stof vergaan, opdat wij zouden bevrijd worden van het vergaan tot stof.180Bedenkingen. — Men beweert, dat het lichaam van Christus in het graf vergaan is tot stof. — 1. Zoals immers de dood een straf is voor de zonde van de stamvader, zo ook het vergaan tot stof. Tot de eerste mens werd immers na de zonde gezegd: “Gij zijt stof en tot stof zult gij wederkeren,” zoals staat in het Boek van de Schepping (3, 19). Christus heeft echter de dood ondergaan, om ons van de dood te verlossen. Derhalve moest ook zijn lichaam tot stof vergaan, opdat wij zouden bevrijd worden van het vergaan tot stof.
2. Praeterea, corpus Christi fuit ejusdem naturae cum corporibus nostris. Sed corpora nostra statim post mortem resolvi incipiunt et ad putredinem disponuntur: quia, exhalante calido naturali, supervenit calor extraneus, qui putrefactionem causat. Ergo videtur quod similiter in corpore Christi acciderit.
2. Het lichaam van Christus was van denzelfden aard als het onze. Onze lichamen echter beginnen terstond na den dood te ontbinden en worden klaar gemaakt voor het bederf, daar bij het uitwasemen der natuurlijke warmte, de warmte van buiten er overheen komt, die het bederf veroorzaakt. Derhalve is het ook zoo bij het lichaam van Christus gebeurd.2. Het lichaam van Christus was van dezelfde aard als het onze. Onze lichamen echter beginnen terstond na de dood te ontbinden en worden klaar gemaakt voor het bederf, daar bij het uitwasemen van de natuurlijke warmte, de warmte van buiten er overheen komt, die het bederf veroorzaakt. Derhalve is het ook zo bij het lichaam van Christus gebeurd.
1813. Praeterea, sicut dictum est [art. 1. huj. q.], Christus sepeliri voluit ut daret hominibus spem resurgendi etiam de sepulchris. Ergo etiam incinerationem pati debuit, ut spem resurgendi incineratis post incinerationem daret.
1813. Zooals gezegd is (1e Art. van deze Kw.), wilde Christus begraven worden om aan de menschen de hoop op verrijzenis te geven, ook uit de graven. Dus moest ook Hij tot stof vergaan, om aan hen, die tot stof vergaan zijn, de hoop op verrijzenis te geven, al zijn ze ook tot stof vergaan.1813. Zoals gezegd is (1e Art. van deze Kw.), wilde Christus begraven worden om aan de mensen de hoop op verrijzenis te geven, ook uit de graven. Dus moest ook Hij tot stof vergaan, om aan hen, die tot stof vergaan zijn, de hoop op verrijzenis te geven, al zijn ze ook tot stof vergaan.
Sed contra est quod in Ps. 15. [v. 10] dicitur: « Non dabis sanctum tuum videre corruptionem »: quod Damascenus exponit in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 28.], de corruptione quae est per resolutionem in elementa.
Daartegenover staat echter, wat gezegd wordt in het Boek der Psalmen (15. 10) : « Gij zult Uw heilige het bederf niet laten zien, » wat Damascenus verstaat van het bederf, dat plaats heeft door de ontbinding tot elementen.Daartegenover staat echter, wat gezegd wordt in het Boek van de Psalmen (15, 10)a: “Gij zult Uw heilige het bederf niet laten zien,” wat Damascenus verstaat van het bederf, dat plaats heeft door de ontbinding tot elementen.
Respondeo dicendum quod non fuit conveniens corpus Christi putrefieri, vel quocumque modo incinerari. Quia putrefactio cujuscumque corporis provenit ex infirmitate naturae illius corporis, quae non potest amplius corpus continere in unum. Mors autem Christi, sicut supra dictum est [q. praec. art. 1. ad 2.], non debuit esse ex naturae infirmitate, ne crederetur non esse voluntaria. Et ideo non ex morbo, sed ex passione illata voluit mori, cui se obtulit sponte. Et ideo Christus, ne mors ejus naturae 182infirmitati adscriberetur, noluit corpus suum qualitercumque putrefieri, aut qualitercumque resolvi: sed, ad ostensionem virtutis divinae, voluit corpus illud incorruptum permanere. Unde Chrysostomus dicit [in demonstrat. quod Deus sit contr. Gentil. parum ante med.], quod « viventibus aliis hominibus, his scilicet qui egerunt strenue, arrident propria gesta: his autem pereuntibus, pereunt. Sed in Christo est totum contrarium: nam ante crucem omnia sunt moesta et infirma; ut autem crucifixus est, omnia clariora sunt facta, ut noscas non purum hominem crucifixum ».
Leerstelling. — Het was niet passend, dat het lichaam van Christus bedierf, of op welke wijze ook tot stof verging. Want het bederf van elk lichaam komt voort uit de zwakheid van de natuur van dat lichaam, welke het lichaam niet langer tot een eenheid kan samenhouden. Zooals echter boven gezegd is (50e Kw. 1e Art. 2e Antw.), mocht de dood van Christus niet voortkomen uit natuurlijke zwakte, opdat men niet zou meenen, dat die dood niet vrijwillig was: en daarom wilde Hij niet door een ziekte, maar door het aangedane lijden sterven, waarvoor Hij zich vrijwillig aanbood. Opdat dus zijn dood niet aan natuurlijke 182zwakte zou worden toegeschreven, wilde Hij niet dat zijn lichaam op eenigerlei wijze zou bederven of op een of andere wijze tot ontbinding zou overgaan; maar Hij wilde dat het onbedorven zou blijven, om zijn goddelijke kracht te toonen. Daarom zegt Chrysostomus, dat « tijdens het leven van andere menschen, van hen nl. die flink hebben gehandeld, lachen hun eigen daden hen toe, en wanneer ze sterven, gaat alles verloren. Maar bij Christus is het geheel tegenovergesteld: want vóór het kruis is alles droevig en hulpeloos; zoodra Hij echter gekruisigd is, verheldert alles; opdat gij zoudt weten, dat het niet enkel een mensch was, die gekruisigd werd. »Leerstelling. — Het was niet passend, dat het lichaam van Christus bedierf, of op welke wijze ook tot stof verging. Want het bederf van elk lichaam komt voort uit de zwakheid van de natuur van dat lichaam, welke het lichaam niet langer tot een eenheid kan samenhouden. Zoals echter boven gezegd is (50e Kw. 1e Art. 2e Antw.), mocht de dood van Christus niet voortkomen uit natuurlijke zwakte, opdat men niet zou menen, dat die dood niet vrijwillig was: en daarom wilde Hij niet door een ziekte, maar door het aangedane lijden sterven, waarvoor Hij zich vrijwillig aanbood. Opdat dus zijn dood niet aan natuurlijke 182zwakte zou worden toegeschreven, wilde Hij niet dat zijn lichaam op enigerlei wijze zou bederven of op een of andere wijze tot ontbinding zou overgaan; maar Hij wilde dat het onbedorven zou blijven, om zijn goddelijke kracht te tonen. Daarom zegt Chrysostomus, dat “tijdens het leven van andere mensen, van hen nl. die flink hebben gehandeld, lachen hun eigen daden hen toe, en wanneer ze sterven, gaat alles verloren. Maar bij Christus is het geheel tegenovergesteld: want vóór het kruis is alles droevig en hulpeloos; zodra Hij echter gekruisigd is, verheldert alles; opdat gij zoudt weten, dat het niet enkel een mens was, die gekruisigd werd.”
Ad primum ergo dicendum quod Christus, cum non esset subjectus peccato, neque morti erat obnoxius neque incinerationi. Voluntarie tamen mortem sustinuit propter nostram salutem, secundum rationes supradictas [q. praec. art. 1.]. Si autem corpus ejus fuisset putrefactum vel resolutum, magis hoc fuisset in detrimentum salutis humanae: dum non crederetur in eo esse virtus divina. Unde ex persona ejus in Ps. 29. [v. 10] dicitur: « Quae utilitas in sanguine meo dum descendo in corruptionem? » quasi 183dicat: « Si corpus meum putrescat, perdetur effusi sanguinis utilitas » [Glossa ord. Augustini].
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Daar Christus niet schuldig was aan zonde, was Hij ook niet blootgesteld aan den dood, noch aan het vergaan tot stof. Hij onderging echter vrijwillig den dood tot ons heil, om de boven aangegeven redenen (vorige Kw. 1e Art.). Wanneer echter zijn lichaam tot bederf of ontbinding was overgegaan, dan zou dit eerder ten nadeele geweest zijn van het menschelijk heil, daar men niet zou gelooven, dat de goddelijke kracht in Hem was. Daarom wordt in het Boek der Psalmen (29. 10) uit zijn naam gezegd: « Wat voor nut ligt er in mijn bloed, als Ik tot bederf overga! » Alsof Hij zeggen wilde: 183« Indien mijn lichaam bederft, dan gaat het nut van mijn bloed, dat Ik vergoten heb, verloren. » Aldus Augustinus.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Daar Christus niet schuldig was aan zonde, was Hij ook niet blootgesteld aan de dood, noch aan het vergaan tot stof. Hij onderging echter vrijwillig de dood tot ons heil, om de boven aangegeven redenen (vorige Kw. 1e Art.). Wanneer echter zijn lichaam tot bederf of ontbinding was overgegaan, dan zou dit eerder ten nadele geweest zijn van het menselijk heil, daar men niet zou geloven, dat de goddelijke kracht in Hem was. Daarom wordt in het Boek van de Psalmen (29, 10)b uit zijn naam gezegd: “Wat voor nut ligt er in mijn bloed, als Ik tot bederf overga!” Alsof Hij zeggen wilde: 183“Indien mijn lichaam bederft, dan gaat het nut van mijn bloed, dat Ik vergoten heb, verloren.” Aldus Augustinus.
Ad secundum dicendum quod corpus Christi, quantum ad conditionem naturae passibilis, putrefactibile fuit: licet non quantum ad meritum putrefactionis, quod est peccatum. Sed virtus divina corpus Christi a putrefactione praeservavit, sicut et resuscitavit a morte.
2. Om zijn lijdelijke natuur was Christus' lichaam bederfelijk, ofschoon niet om datgene, wat het bederf verdient, nl. de zonde. De goddelijke kracht heeft het lichaam van Christus echter bewaard tegen het bederf, gelijk deze het ook opwekte uit den dood.2. Om zijn lijdelijke natuur was Christus' lichaam bederfelijk, ofschoon niet om datgene, wat het bederf verdient, nl. de zonde. De goddelijke kracht heeft het lichaam van Christus echter bewaard tegen het bederf, gelijk deze het ook opwekte uit de dood.
Ad tertium dicendum quod Christus de sepulchro resurrexit virtute divina, quae nullis terminis coarctatur. Et ideo hoc quod a sepulchro surrexit, sufficiens argumentum fuit quod homines erant resuscitandi virtute divina non solum de sepulchris, sed etiam de quibuscumque cineribus.
3. Christus verrees uit het graf door de goddelijke kracht, die geen grenzen kent. En daarom was het feit, dat Hij verrees uit het graf, voldoende bewijs, dat de menschen door de goddelijke kracht zouden opgewekt worden, niet alleen uit de graven, maar ook uit het stof.3. Christus verrees uit het graf door de goddelijke kracht, die geen grenzen kent. En daarom was het feit, dat Hij verrees uit het graf, voldoende bewijs, dat de mensen door de goddelijke kracht zouden opgewekt worden, niet alleen uit de graven, maar ook uit het stof.
Utrum Christus fuerit in sepulchro solum una die et duabus noctibus
Was Christus slechts één dag en twee nachten in het graf?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod Christus non fuerit in sepulchro solum una die, et duabus noctibus. Dicit enim ipse, Matth. 12. [v. 40]: « Sicut fuit Jonas in ventre ceti tribus diebus et tribus noctibus, ita Filius 184hominis erit in corde terrae tribus diebus et tribus noctibus ». Sed in corde terrae fuit in sepulchro existens. Non igitur fuit in sepulchro solum una die et duabus noctibus.
Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet slechts één dag en twee nachten in 't graf was. — 1. Bij Mattheus (12. 40) zegt Hij zelf : « Zooals Jonas drie dagen en drie nachten in den 184buik van het zeemonster verbleef, zoo zal de Zoon des menschen drie dagen en drie nachten in den schoot der aarde zijn. » Hij was echter in den schoot der aarde, toen Hij in het graf was. Dus was Hij niet maar één dag en twee nachten in het graf.Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet slechts één dag en twee nachten in 't graf was. — 1. Bij Matteüs (12, 40) zegt Hij zelf: “Zoals Jonas drie dagen en drie nachten in de 184buik van het zeemonster verbleef, zo zal de Mensenzoon drie dagen en drie nachten in de schoot van de aarde zijn.” Hij was echter in de schoot van de aarde, toen Hij in het graf was. Dus was Hij niet maar één dag en twee nachten in het graf.
2. Praeterea, Gregorius dicit in hom. Paschali [quae est 21. in Evang. ad fin.], quod, « sicut Samson abstulit media nocte portas Gazae, ita Christus media nocte, auferens portas inferni, resurrexit ». Sed postquam resurrexit, non fuit in sepulchro. Ergo non fuit in sepulchro duabus noctibus integris.
2. Gregorius zegt, dat « gelijk Samson te middernacht de poorten van Gaza wegdroeg, zoo is Christus te middernacht verrezen, wegnemend de poorten der hel. » Maar toen Hij verrezen was, verbleef Hij niet meer in 't graf. Dus was Hij geen volle twee nachten in het graf.2. Gregorius zegt, dat “gelijk Samson te middernacht de poorten van Gaza wegdroeg, zo is Christus te middernacht verrezen, wegnemend de poorten van de hel.” Maar toen Hij verrezen was, verbleef Hij niet meer in 't graf. Dus was Hij geen volle twee nachten in het graf.
3. Praeterea, per mortem Christi lux praevaluit tenebris. Sed nox ad tenebras pertinet: dies autem ad lucem. Ergo convenientius fuit quod corpus Christi fuerit in sepulchro duobus diebus et una nocte, quam e converso.
3. Door Christus' dood overwon het licht de duisternis. De nacht nu behoort tot de duisternis, de dag daarentegen bij het licht. Dus paste het eerder, dat het lichaam van Christus twee dagen en één nacht in het graf was, dan omgekeerd.
Sed contra est quod, sicut Augustinus dicit in 4. de Trinit. [cap. 6. a med.], « a vespere sepulturae usque ad diluculum resurrectionis triginta sex horae sunt, idest nox tota cum die tota et nocte tota ».
Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: « Van den avond der begrafenis af tot den morgen der verrijzenis zijn zes en dertig uren, d. i. een geheele nacht met een geheelen dag, en een geheele nacht. »Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: “Van de avond van de begrafenis af tot de morgen van de verrijzenis zijn zes en dertig uren, d.i. een gehele nacht met een gehelen dag, en een gehele nacht.”
Respondeo dicendum quod ipsum tempus quo Christus in sepulchro 185mansit, effectum mortis ejus repraesentat. Dictum est autem supra [q. praec. art. 6.], quod per mortem Christi liberati sumus a duplici morte, scilicet a morte animae et a morte corporis. Et hoc significatur per duas noctes quibus Christus in sepulchro permansit. Mors autem ejus, quia non fuit ex peccato proveniens sed ex charitate suscepta, non habuit rationem noctis, sed diei. Et ideo significatur per diem integrum quo Christus fuit in sepulchro. Et sic conveniens fuit quod Christus una die et duabus noctibus esset in sepulchro.
Leerstelling. — De tijd zelf, gedurende welke Christus in 185het graf verbleef, stelt de uitwerking van zijn dood voor. Er is nu boven gezegd (vorige Kw. 6e Art.), dat wij door den dood van Christus van een dubbelen dood verlost zijn, nl. van den dood naar de ziel en van den dood naar het lichaam. En dit wordt aangeduid door de twee nachten, gedurende welke Christus in het graf verbleef. Daar zijn dood echter niet een gevolg was van zonde, maar ondergaan werd uit liefde, daarom had hij niet de beteekenis van nacht, maar van dag. En daarom wordt hij aangeduid door den vollen dag, gedurende welken Christus in 't graf was. En zoo was het passend, dat Christus één dag en twee nachten in het graf bleef.Leerstelling. — De tijd zelf, gedurende welke Christus in 185het graf verbleef, stelt de uitwerking van zijn dood voor. Er is nu boven gezegd (vorige Kw. 6e Art.), dat wij door de dood van Christus van een dubbelen dood verlost zijn, nl. van de dood naar de ziel en van de dood naar het lichaam. En dit wordt aangeduid door de twee nachten, gedurende welke Christus in het graf verbleef. Daar zijn dood echter niet een gevolg was van zonde, maar ondergaan werd uit liefde, daarom had hij niet de betekenis van nacht, maar van dag. En daarom wordt hij aangeduid door de volle dag, gedurende welke Christus in 't graf was. En zo was het passend, dat Christus één dag en twee nachten in het graf bleef.
Ad primum ergo dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in lib. 3. de Consensu Evangelistarum [cap. 24. in med.], « quidam, modum locutionis Scripturae nescientes, noctem voluerunt annumerare tres illas horas, a sexta usque ad nonam, quibus sol obscuratus est; et diem, tres horas alias quibus iterum terris est redditus, idest a nona usque ad eius occasum. Sequitur enim nox futuri sabbati: qua cum suo die computata, erunt jam duae noctes et duo dies. Porro autem post sabbatum sequitur nox primi sabbati, idest 186illucescentis diei Dominici, in qua tunc Dominus resurrexit. Et ita adhuc non constabit ratio trium dierum et trium noctium. Restat ergo ut hoc inveniatur illo Scripturarum usitato loquendi modo quo a parte totum intelligitur »: ita scilicet quod unam noctem et unum diem accipiamus pro uno die naturali. Et sic primus dies computatur ab extrema parte sui, qua Christus in sexta feria est mortuus et sepultus; secundus autem dies est integer cum vigintiquatuor horis nocturnis et diurnis; nox autem sequens pertinet ad tertium diem. « Sicut enim primi dies propter futurum hominis lapsum a luce in noctem; ita isti, propter hominis reparationem, a tenebris computantur in lucem ». [Augustinus lib. 4. de Trinit. cap. 6.].
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zooals Augustinus zegt, « hebben sommigen, die de spreekwijze der Schriftuur niet kennen, voor één nacht de drie uren willen tellen, van het zesde uur af tot het negende, gedurende welke de zon verduisterd was, en voor één dag de drie andere uren, gedurende welke zij weer aan de aarde werd teruggegeven, d. i. van het negende uur af tot aan haar ondergang. Daarna nu volgt de nacht van den komenden sabbat, die samengerekend met den dag van den sabbat, reeds twee nachten en twee dagen uitmaakt. Doch na den sabbat volgt 186verder de nacht van den eersten dag na sabbat, d. i. van den aanbrekenden dag des Heeren, waarop de Heer dan verrezen is. En zoo komen wij dan nog niet tot een berekening van drie dagen en drie nachten. Er blijft dus over, dit op te lossen volgens dat spraakgebruik der Schriftuur, dat het geheel neemt voor een deel, » zoo nl. dat men een nacht en een dag neemt voor een natuurlijken dag. En zoo wordt voor den eersten dag genomen het laatste gedeelte, waarin Christus op den zesden dag der week is gestorven en begraven; de tweede dag echter is volledig met 24 nacht- en daguren; de volgende nacht echter behoort tot den derden dag: « Want zooals de eerste dagen, om den toekomstigen val van den mensch, van het licht naar den nacht toe worden gerekend, zoo worden deze, om het herstel van den mensch, gerekend van de duisternis naar het licht. » (Augustinus).Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoals Augustinus zegt, “hebben sommigen, die de spreekwijze van de Schriftuur niet kennen, voor één nacht de drie uren willen tellen, van het zesde uur af tot het negende, gedurende welke de zon verduisterd was, en voor één dag de drie andere uren, gedurende welke zij weer aan de aarde werd teruggegeven, d.i. van het negende uur af tot aan haar ondergang. Daarna nu volgt de nacht van de komende sabbat, die samengerekend met de dag van de sabbat, reeds twee nachten en twee dagen uitmaakt. Doch na de sabbat volgt 186verder de nacht van de eerste dag na sabbat, d.i. van de aanbrekenden dag van de Heer, waarop de Heer dan verrezen is. En zo komen wij dan nog niet tot een berekening van drie dagen en drie nachten. Er blijft dus over, dit op te lossen volgens dat spraakgebruik van de Schriftuur, dat het geheel neemt voor een deel,” zo nl. dat men een nacht en een dag neemt voor een natuurlijken dag. En zo wordt voor de eerste dag genomen het laatste gedeelte, waarin Christus op de zesde dag van de week is gestorven en begraven; de tweede dag echter is volledig met 24 nacht- en daguren; de volgende nacht echter behoort tot de derde dag: “Want zoals de eerste dagen, om de toekomstige val van de mens, van het licht naar de nacht toe worden gerekend, zo worden deze, om het herstel van de mens, gerekend van de duisternis naar het licht.” (Augustinus).
Ad secundum dicendum quod, sicut Augustinus dicit in 4. de Trin. [cap. 6. implic.], Christus in diluculo resurrexit, in quo aliquid lucis apparet, et adhuc tamen aliquid remanet tenebrarum noctis: unde de mulieribus dicitur, Joan. 20. [v. 1], quod, « cum adhuc essent tenebrae, venerunt ad monumentum ». Ratione ergo harum tenebrarum, Gregorius dicit [hom. 21. in Evang. vers. fin.], Christum media nocte surrexisse: non quidem divisa nocte in duas partes aequales, sed infra ipsam noctem. 187Illud enim diluculum et pars noctis et pars diei dici potest, propter convenientiam quam cum utroque habet.
2. Christus is verrezen, zooals Augustinus zegt, 's morgens vroeg, als er reeds wat licht opdaagt en nog iets neerhangt van het nachtelijk duister; daarom wordt bij Joannes (20. 1) van de vrouwen gezegd, dat « zij bij het graf kwamen, toen het nog duister was. » Vanwege deze duisternis zegt daarom Gregorius, dat Christus te middernacht verrezen is, niet op 't oogenblik, dat den nacht verdeelt in twee gelijke stukken, maar in den nanacht. 187Deze vroegte immers kan 'n deel van den nacht en 'n deel van den dag genoemd worden, om de overeenkomst met beide.2. Christus is verrezen, zoals Augustinus zegt, 's morgens vroeg, als er reeds wat licht opdaagt en nog iets neerhangt van het nachtelijk duister; daarom wordt bij Johannes (20, 1) van de vrouwen gezegd, dat “zij bij het graf kwamen, toen het nog duister was.” Vanwege deze duisternis zegt daarom Gregorius, dat Christus te middernacht verrezen is, niet op 't ogenblik, dat de nacht verdeelt in twee gelijke stukken, maar in de nanacht. 187Deze vroegte immers kan 'n deel van de nacht en 'n deel van de dag genoemd worden, om de overeenkomst met beide.
Ad tertium dicendum quod intantum lux in morte Christi praevaluit, quae significatur per unam diem, quod tenebras duarum noctium, idest duplicis mortis nostrae, removit, ut dictum est [in corp. art.].
3. Het licht was bij den dood van Christus sterker, in zoover het de duisternis van twee nachten, d. i. van onzen tweevoudigen dood verdreef.3. Het licht was bij de dood van Christus sterker, in zover het de duisternis van twee nachten, d.i. van onze tweevoudige dood verdreef.