De modo passionis Christi quantum ad effectum, in sex articulos divisa
Over de wijze van Christus' lijden, wat zijn uitwerking betreft
94Deinde considerandum est de effectu passionis Christi. Et primo, de modo efficiendi; secundo de ipso effectu.
94Vervolgens moeten wij handelen over de gevolgen van Christus' lijden. En vooreerst over de wijze van uitwerken; — ten tweede over het uitgewerkte zelf.
Circa primum quaeruntur sex: 1. Utrum passio Christi causaverit nostram salutem per modum meriti. — 2. Utrum per modum satisfactionis. — 3. Utrum per modum sacrificii. — 4. Utrum per modum redemptionis. — 5. Utrum esse redemptorem sit proprium Christi. — 6. Utrum causaverit effectum nostrae salutis per modum efficientiae.
Aangaande het eerste punt stellen we zes vragen: 1. Heeft het lijden van Christus ons heil bewerkt bij wijze van verdienste ? 2. Bij wijze van voldoening? 3. Bij wijze van sacrificie? 4. Bij wijze van loskooping? 5. Is het verlosser-zijn het eigene van Christus? 6. Heeft Hij het effect, ons heil, veroorzaakt op uitwerkende wijze?Aangaande het eerste punt stellen we zes vragen: 1. Heeft het lijden van Christus ons heil bewerkt bij wijze van verdienste? 2. Bij wijze van voldoening? 3. Bij wijze van sacrificie? 4. Bij wijze van loskoping? 5. Is het verlosser-zijn het eigene van Christus? 6. Heeft Hij het effect, ons heil, veroorzaakt op uitwerkende wijze?
Utrum passio Christi causaverit nostram salutem per modum meriti
Heeft het lijden van Christus ons heil bewerkt bij wijze van verdienste?
95Ad primum sic proceditur. Videtur quod passio Christi non causaverit nostram salutem per modum meriti. Passionum enim principia non sunt in nobis. Nullus autem meretur, vel laudatur nisi per id cujus principium est in ipso. Ergo passio Christi nihil est operata per modum meriti.
95Bedenkingen. — Men beweert, dat het lijden van Christus niet ons heil heeft bewerkt bij wijze van verdienste. — 1. De princiepen van het ondergaan liggen niet in ons zelf. Niemand echter heeft verdiensten of wordt geprezen, tenzij om iets, waarvan het princiep bij hem zelf gelegen is. Dus heeft het lijden van Christus niets uitgewerkt bij wijze van verdienste.95Bedenkingen. — Men beweert, dat het lijden van Christus niet ons heil heeft bewerkt bij wijze van verdienste. — 1. De princiepen van het ondergaan liggen niet in onszelf. Niemand echter heeft verdiensten of wordt geprezen, tenzij om iets, waarvan het princiep bij hemzelf gelegen is. Dus heeft het lijden van Christus niets uitgewerkt bij wijze van verdienste.
2. Praeterea, Christus ab initio suae conceptionis meruit et sibi et nobis, ut supra dictum est [q. 34. art. 3.]. Sed superfluum est aliquem iterum mereri id quod ante meruerat1. Ergo Christus per suam passionem non meruit nostram salutem.
2. Christus heeft zoowel voor zichzelf als voor ons verdiend van het begin zijner ontvangenis af, zooals boven gezegd is (34e Kw. 3e Art.). Het is echter overbodig, dat iemand weer eens verdient, wat hij anderszins al verdiend heeft. Dus heeft Christus niet door zijn lijden ons heil verdiend.2. Christus heeft zowel voor zichzelf als voor ons verdiend van het begin van zijn ontvangenis af, zoals boven gezegd is (34e Kw. 3e Art.). Het is echter overbodig, dat iemand weer eens verdient, wat hij anderszins al verdiend heeft. Dus heeft Christus niet door zijn lijden ons heil verdiend.
3. Praeterea, radix merendi est charitas. Sed charitas Christi non fuit 96magis augmentata in passione quam ante. Ergo non magis meruit salutem nostram patiendo quam ante fecerat.
3. Grond van verdienste is de liefde. Maar de liefde van Christus was bij zijn lijden niet grooter geworden, dan zij te voren was. Dus 96heeft Christus door te lijden niet meer ons heil verdiend, dan Hij te voren deed.3. Grond van verdienste is de liefde. Maar de liefde van Christus was bij zijn lijden niet groter geworden, dan zij te voren was. Dus 96heeft Christus door te lijden niet meer ons heil verdiend, dan Hij te voren deed.
Sed contra est quod, super illud Philipp. 2. [v. 9] : « Propter quod et Deus exaltavit illum » etc., dicit Augustinus [tract. 104. in Joan.] : « Humilitas passionis claritatis est meritum: claritas humilitatis est praemium ». Sed ipse clarificatus est non solum in seipso, sed etiam in suis fidelibus, ut ipse dicit, Joan. 17. [v. 10]. Ergo videtur quod ipse meruerit salutem suorum fidelium.
Daartegenover staat echter, dat naar aanleiding van het gezegde in den Brief aan de Philippensen (2. 9) : « Daarom heeft God Hem ook verheven, » enz. Augustinus zegt: « De vernedering van het lijden verdient de heerlijkheid; de heerlijkheid is de belooning voor de nederigheid. » Hij is echter verheerlijkt niet alleen in zichzelf, maar ook in zijn getrouwen, zooals Hij zelf zegt bij Joannes (17. 10). Dus heeft Hij het heil voor zijn getrouwen verdiend.Daartegenover staat echter, dat naar aanleiding van het gezegde in de Brief aan de Filippenzen (2, 9): “Daarom heeft God Hem ook verheven,” enz. Augustinus zegt: “De vernedering van het lijden verdient de heerlijkheid; de heerlijkheid is de beloning voor de nederigheid.” Hij is echter verheerlijkt niet alleen in zichzelf, maar ook in zijn getrouwen, zoals Hij zelf zegt bij Johannes (17, 10). Dus heeft Hij het heil voor zijn getrouwen verdiend.
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est [q. 7. art. 1. et 9; q. 8. art. 1. et 5.], Christo data est gratia non solum sicut singulari personae, sed inquantum est caput Ecclesiae, ut scilicet ab ipso redundaret ad membra. Et ideo opera Christi hoc modo se habent tam ad se quam ad sua membra, sicut se habent opera alterius hominis in gratia constituti ad ipsum. Manifestum est autem quod quicumque in gratia constitutus propter justitiam patitur, ex hoc ipso meretur sibi salutem: secundum illud 97Matth. 5. [v. 10] : « Beati, qui persecutionem patiuntur propter justitiam ». Unde Christus per suam passionem non solum sibi, sed etiam omnibus membris suis meruit salutem.
Leerstelling. — Zooals vroeger gezegd is (7e Kw. 1e en 9e Art.; 8e Kw. 1e en 5e Art.), werd aan Christus de genade gegeven niet slechts als enkeling, maar als hoofd der Kerk, opdat zij nl. van Hem zou uitvloeien naar de ledematen. En daarom is de verhouding waarin de werken van Christus staan zoowel tot Hemzelf, als tot zijn ledematen, dezelfde als de verhouding waarin de werken van een ander mensch, die in genade is, staan tot dezen zelf. Het is echter duidelijk, dat alwie in genade is en lijdt terwille der gerechtigheid, daarmee voor zichzelf de zaligheid verdient, 97naar het woord van Mattheus (5. 10) : « Zalig zijn zij, die vervolging lijden om de gerechtigheid. » Daarom heeft Christus door zijn lijden niet alleen voor zichzelf, maar ook voor al zijn ledematen de zaligheid verdiend.Leerstelling. — Zoals vroeger gezegd is (7e Kw. 1e en 9e Art.; 8e Kw. 1e en 5e Art.), werd aan Christus de genade gegeven niet slechts als enkeling, maar als hoofd van de Kerk, opdat zij nl. van Hem zou uitvloeien naar de ledematen. En daarom is de verhouding waarin de werken van Christus staan zowel tot Hemzelf, als tot zijn ledematen, dezelfde als de verhouding waarin de werken van een ander mens, die in genade is, staan tot deze zelf. Het is echter duidelijk, dat alwie in genade is en lijdt terwille van de gerechtigheid, daarmee voor zichzelf de zaligheid verdient, 97naar het woord van Matteüs (5, 10): “Zalig zijn zij, die vervolging lijden om de gerechtigheid.” Daarom heeft Christus door zijn lijden niet alleen voor zichzelf, maar ook voor al zijn ledematen de zaligheid verdiend.
Ad primum ergo dicendum quod passio inquantum hujusmodi, non est meritoria, quia habet principium ab exteriori. Sed secundum quod eam aliquis voluntarie sustinet, sic habet principium ab interiori. Et hoc modo est meritoria.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het ondergaan als zoodanig is niet verdienstelijk, daar het princiep ervan van buiten komt; maar voor zoover iemand dit vrijwillig verdraagt, heeft het een princiep van binnen; en op die wijze is het verdienstelijk.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het ondergaan als zodanig is niet verdienstelijk, daar het princiep ervan van buiten komt; maar voor zover iemand dit vrijwillig verdraagt, heeft het een princiep van binnen; en op die wijze is het verdienstelijk.
Ad secundum dicendum quod Christus a principio suae conceptionis meruit nobis salutem aeternam: sed ex parte nostra erant quaedam impedimenta, quibus impediebamur consequi effectum praecedentium meritorum. Unde, ad removendum illa impedimenta, « oportuit Christum pati », ut supra dictum est [q. 46. art. 3.].
2. Christus heeft van het begin zijner ontvangenis af voor ons het eeuwig heil verdiend; maar van onzen kant waren er eenige hinderpalen, waardoor wij verhinderd werden, de uitwerking der voorafgaande verdiensten deelachtig te worden. En daarom « moest de Christus lijden, » zooals boven gezegd is (46e Kw. 3e Art.), om die hinderpalen uit den weg te ruimen.2. Christus heeft van het begin van zijn ontvangenis af voor ons het eeuwig heil verdiend; maar van onze kant waren er enige hinderpalen, waardoor wij verhinderd werden, de uitwerking van de voorafgaande verdiensten deelachtig te worden. En daarom “moest de Christus lijden,” zoals boven gezegd is (46e Kw. 3e Art.), om die hinderpalen uit de weg te ruimen.
Ad tertium dicendum quod passio Christi habuit aliquem effectum quem non habuerunt praecedentia merita, non propter majorem charitatem, sed propter genus operis, quod erat conveniens tali effectui: ut patet ex rationibus supra inductis de convenientia passionis Christi [q. 46. art. 3.].
3. Het lijden van Christus had een gevolg, dat de voorafgaande verdiensten niet hadden, niet om een grootere liefde, maar om den aard van het werk, dat aangepast was aan zulk een effect, zooals blijkt uit de redenen boven aangegeven, voor de gepastheid van Christus'lijden (46e Kw. 3e Art.).3. Het lijden van Christus had een gevolg, dat de voorafgaande verdiensten niet hadden, niet om een grotere liefde, maar om de aard van het werk, dat aangepast was aan zulk een effect, zoals blijkt uit de redenen boven aangegeven, voor de gepastheid van Christus'lijden (46e Kw. 3e Art.).
Utrum passio Christi causaverit nostram salutem per modum satisfactionis
Heeft het lijden van Christus ons heil bewerkt bij wijze van voldoening ?Heeft het lijden van Christus ons heil bewerkt bij wijze van voldoening?
98Ad secundum sic proceditur. Videtur quod passio Christi non causaverit nostram salutem per modum satisfactionis. Ejusdem enim videtur esse satisfacere cujus est peccare: sicut patet in aliis poenitentiae partibus; ejusdem enim est conteri et confiteri cujus est peccare. Sed Christus non peccavit: secundum illud 1. Pet. 2. [v. 22] : « Qui peccatum non fecit ». Ergo ipse non satisfecit propria passione.
98Bedenkingen. — Men beweert, dat het lijden van Christus niet ons heil bewerkt heeft bij wijze van voldoening. — 1. Dezelfde immers, die gezondigd heeft moet ook voldoening brengen, zooals blijkt uit de andere elementen der biecht: dezelfde immers, die gezondigd heeft, moet ook berouw hebben en belijden. Christus heeft echter niet gezondigd, zooals staat in den Eersten Brief van Petrus (2. 22) : « Die geen zonde bedreven heeft. » Dus heeft Hij ook niet voldaan door zijn eigen lijden.98Bedenkingen. — Men beweert, dat het lijden van Christus niet ons heil bewerkt heeft bij wijze van voldoening. — 1. Dezelfde immers, die gezondigd heeft moet ook voldoening brengen, zoals blijkt uit de andere elementen van de biecht: dezelfde immers, die gezondigd heeft, moet ook berouw hebben en belijden. Christus heeft echter niet gezondigd, zoals staat in de Eerste Brief van Petrus (2, 22): “Die geen zonde bedreven heeft.” Dus heeft Hij ook niet voldaan door zijn eigen lijden.
2. Praeterea, nulli satisfit per majorem offensam. Sed maxima offensa fuit perpetrata in Christi passione: quia gravissime peccaverunt qui eum occiderunt, ut supra dictum est [quaest. praec. art. 6.]. Ergo videtur quod per passionem Christi non potuerit Deo satisfieri.
2. Niemand voldoet door nog meer te beleedigen. De grootste beleediging werd begaan bij het lijden van Christus, daar zij, die Hem kruisigden, de zwaarste zonde bedreven, zooals boven gezegd is (vorige Kw. 6e Art.). Dus kon door het lijden van Christus aan God geen voldoening gebracht worden.2. Niemand voldoet door nog meer te beledigen. De grootste belediging werd begaan bij het lijden van Christus, daar zij, die Hem kruisigden, de zwaarste zonde bedreven, zoals boven gezegd is (vorige Kw. 6e Art.). Dus kon door het lijden van Christus aan God geen voldoening gebracht worden.
3. Praeterea, satisfactio importat aequalitatem quamdam ad culpam: cum sit actus justitiae. Sed passio Christi non videtur esse aequalis omnibus 99peccatis humani generis: quia Christus non est passus secundum divinitatem, sed secundum carnem, secundum illud 1. Pet. 4. [v. 1] : « Christo igitur passo in carne » ; anima autem, in qua est peccatum, potior est quam caro. Non ergo Christus sua passione satisfecit pro peccatis nostris.
3. De voldoening vraagt een zekere evenredigheid met de schuld, daar zij een daad van rechtvaardigheid is. Het lijden van 99Christus echter schijnt niet evenredig te zijn aan al de zonden van het menschelijk geslacht, daar Christus niet leed naar zijn Godheid, waar naar het vleesch, zooals staat in den Eersten Brief van Petrus (4. 1) : « Daar Christus derhalve geleden heeft in zijn vleesch; » de ziel echter, waarin de zonde zich bevindt, is meer dan het vleesch. Dus heeft Christus niet door zijn lijden voor onze zonden voldaan.3. De voldoening vraagt een zekere evenredigheid met de schuld, daar zij een daad van rechtvaardigheid is. Het lijden van 99Christus echter schijnt niet evenredig te zijn aan al de zonden van het menselijk geslacht, daar Christus niet leed naar zijn Godheid, waar naar het vlees, zoals staat in de Eerste Brief van Petrus (4, 1): “Daar Christus derhalve geleden heeft in zijn vlees;” de ziel echter, waarin de zonde zich bevindt, is meer dan het vlees. Dus heeft Christus niet door zijn lijden voor onze zonden voldaan.
Sed contra est quod in persona ejus dicitur in Ps. 68. [v. 5] : « Quae non rapui, tunc exsolvebam ». Non autem exsolvit qui perfecte non satisfecit. Ergo videtur quod Christus patiendo perfecte satisfecerit pro peccatis nostris.
Daartegenover staat echter, dat namens Hem gezegd wordt in het Boek der Psalmen (68. 5) : « Wat Ik niet geroofd heb, heb Ik toen betaald. » Maar hij, die geen volkomen voldoening schenkt, betaalt niet. Dus heeft Christus door zijn lijden volkomen voldoening gebracht voor onze zonden.Daartegenover staat echter, dat namens Hem gezegd wordt in het Boek van de Psalmen (68, 5)a: “Wat Ik niet geroofd heb, heb Ik toen betaald.” Maar hij, die geen volkomen voldoening schenkt, betaalt niet. Dus heeft Christus door zijn lijden volkomen voldoening gebracht voor onze zonden.
Respondeo dicendum quod ille proprie satisfacit pro offensa qui exhibet offenso id quod aeque vel magis diligit quam oderit offensam. Christus autem ex charitate et obedientia patiendo, majus aliquid Deo exhibuit quam exigeret recompensatio totius offensae humani generis. Primo quidem, propter magnitudinem charitatis ex qua patiebatur. Secundo, propter dignitatem vitae suae, quam pro satisfactione ponebat, quae erat vita Dei 100et hominis. Tertio, propter generalitatem passionis et magnitudinem doloris assumpti, ut supra dictum est [q. 46. art. 5. et 6.]. Et ideo passio Christi non solum sufficiens, sed etiam superabundans satisfactio fuit pro peccatis humani generis: secundum illud 1. Joan. 2. [v. 2] : « Ipse est propitiatio pro peccatis nostris: non pro nostris autem tantum, sed etiam pro totius mundi ».
Leerstelling. — In den eigenlijken zin voldoet iemand voor 'n beleediging, als hij aan den beleedigde datgene aanbiedt, wat hij evenzeer of nog meer liefheeft, dan hij de beleediging haat. Christus nu heeft door uit liefde en gehoorzaamheid te lijden aan God iets gegeven, dat grooter was, dan hetgeen tot vereffening van geheel de beleediging van het menschelijk geslacht geëischt werd. — Vooreerst om de grootte der liefde, waaruit zijn lijden voortkwam. — Ten tweede, om de waarde van zijn leven, dat Hij ter 100voldoening aflegde, hetgeen een leven was van een God en mensch. — Ten derde, om de algemeenheid van het lijden en de grootte van de geleden smart, hetgeen boven gezegd is (46e Kw. 5e en 6e Art.). En daarom was het lijden van Christus niet alleen een volwaardige, maar zelfs een overvolwaardige voldoening voor de zonden van het menschelijk geslacht, overeenkomstig het woord in den Eersten Brief van Joannes (2. 2) : « Hij is de verzoening voor onze zonden, echter niet alleen voor de onzen, maar ook voor die van geheel de wereld ».Leerstelling. — In de eigenlijke zin voldoet iemand voor 'n belediging, als hij aan de beledigde datgene aanbiedt, wat hij evenzeer of nog meer liefheeft, dan hij de belediging haat. Christus nu heeft door uit liefde en gehoorzaamheid te lijden aan God iets gegeven, dat groter was, dan hetgeen tot vereffening van geheel de belediging van het menselijk geslacht geëist werd. — Vooreerst om de grootte van de liefde, waaruit zijn lijden voortkwam. — Ten tweede, om de waarde van zijn leven, dat Hij ter 100voldoening aflegde, hetgeen een leven was van een God en mens. — Ten derde, om de algemeenheid van het lijden en de grootte van de geleden smart, hetgeen boven gezegd is (46e Kw. 5e en 6e Art.). En daarom was het lijden van Christus niet alleen een volwaardige, maar zelfs een overvolwaardige voldoening voor de zonden van het menselijk geslacht, overeenkomstig het woord in de Eerste Brief van Johannes (2, 2): “Hij is de verzoening voor onze zonden, echter niet alleen voor de onze, maar ook voor die van geheel de wereld”.
Ad primum ergo dicendum quod caput et membra sunt quasi una persona mystica. Et ideo satisfactio Christi ad omnes fideles pertinet sicut ad sua membra. Inquantum etiam duo homines sunt unum in charitate, unus pro alio satisfacere potest, ut infra patebit [in Supplem. q. 13. art. 2.]. Non autem est similis ratio de confessione et contritione: quia satisfactio consistit in actu exteriori, ad quem assumi possunt instrumenta; inter quae computantur etiam amici.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het hoofd en de ledematen vormen a. h. w. één mystieke persoon. En daarom komt de voldoening van Christus toe aan alle geloovigen, als aan zijn ledematen. In zoover ook twee menschen één zijn in liefde, kan de een voor den ander voldoen, zooals later zal blijken (Suppl. 13e Kw. 2e Art.). Dit zelfde gaat echter niet op voor de belijdenis en het berouw: de voldoening bestaat immers in een uitwendige daad, waarbij men instrumenten kan opnemen; waaronder zelfs de vrienden gerekend worden.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het hoofd en de ledematen vormen a. h. w. één mystieke persoon. En daarom komt de voldoening van Christus toe aan alle gelovigen, als aan zijn ledematen. In zover ook twee mensen één zijn in liefde, kan de een voor de ander voldoen, zoals later zal blijken (Suppl. 13e Kw. 2e Art.). Dit zelfde gaat echter niet op voor de belijdenis en het berouw: de voldoening bestaat immers in een uitwendige daad, waarbij men instrumenten kan opnemen; waaronder zelfs de vrienden gerekend worden.
Ad secundum dicendum quod major fuit charitas Christi patientis quam malitia crucifigentium. Et ideo plus potuit Christus satisfacere sua 101passione quam crucifixores offendere occidendo: intantum quod passio Christi sufficiens fuit, et superabundans, ad satisfaciendum pro peccatis occidentium ipsum.
2. De liefde van den lijdenden Christus was grooter dan de boosheid van die Hem kruisigden: en dus kon Christus door zijn 101lijden meer voldoening schenken, dan de kruisigers konden beleedigen door Hem te dooden. En wel in die mate, dat het lijden van Christus voldoende was en overvloedig om te voldoen voor de zonden van die Hem doodden.2. De liefde van de lijdende Christus was groter dan de boosheid van die Hem kruisigden: en dus kon Christus door zijn 101lijden meer voldoening schenken, dan de kruisigers konden beledigen door Hem te doden. En wel in die mate, dat het lijden van Christus voldoende was en overvloedig om te voldoen voor de zonden van die Hem doodden.
Ad tertium dicendum quod dignitas carnis Christi non est aestimanda solum secundum carnis naturam, sed secundum personam assumentem, inquantum scilicet erat caro Dei: ex quo habebat dignitatem infinitam.
3. De waarde van Christus'vleesch valt niet alleen af te meten naar zijn vleeschelijke natuur, maar ook naar den persoon, die het aannam, in zooverre het nl. 't vleesch was van een God, waardoor het een oneindige waarde bezat.3. De waarde van Christus'vlees valt niet alleen af te meten naar zijn vleselijke natuur, maar ook naar de persoon, die het aannam, in zoverre het nl. 't vlees was van een God, waardoor het een oneindige waarde bezat.
Utrum passio Christi operata sit per modum sacrificii
Werkte het lijden van Christus bij wijze van sacrificie?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod passio Christi non sit operata per modum sacrificii. Veritas enim debet respondere figurae. Sed in sacrificiis veteris legis, quae erant figurae Christi, nunquam offerebatur caro humana: quinimmo haec sacrificia nefanda habebantur, secundum illud Ps. 105. [v. 38] : « Effuderunt sanguinem innocentem, sanguinem filiorum 102suorum, et filiarum suarum, quas sacrificaverunt sculptilibus Chanaan ». Ergo videtur quod passio Christi sacrificium dici non possit.
Bedenkingen. — Men beweert, dat het lijden van Christus niet werkte bij wijze van sacrificie. — 1. De werkelijkheid moet immers beantwoorden aan de voorafbeelding. Bij de offeranden echter der Oude Wet, die voorafbeeldingen waren van Christus, werd nooit menschenvleesch geofferd; integendeel werden deze offers als zondig beschouwd, naar het woord van het Boek der Psalmen (105. 38) : « Zij vergoten onschuldig bloed, 't bloed 102van hun zonen en dochters, die zij offerden aan de afgoden van Chanaän. » Dus moet het lijden van Christus geen sacrificie genoemd worden.Bedenkingen. — Men beweert, dat het lijden van Christus niet werkte bij wijze van sacrificie. — 1. De werkelijkheid moet immers beantwoorden aan de voorafbeelding. Bij de offeranden echter van de Oude Wet, die voorafbeeldingen waren van Christus, werd nooit mensenvlees geofferd; integendeel werden deze offers als zondig beschouwd, naar het woord van het Boek van de Psalmen (105, 38)a: “Zij vergoten onschuldig bloed, 't bloed 102van hun zonen en dochters, die zij offerden aan de afgoden van Chanaän.” Dus moet het lijden van Christus geen sacrificie genoemd worden.
2. Praeterea, Augustinus dicit, in 10. de Civ. Dei [cap. 5.], quod « sacrificium visibile invisibilis sacrificii sacramentum, idest sacrum signum, est ». Sed passio Christi non est signum, sed magis signatum1 per alia signa. Ergo videtur quod passio Christi non sit sacrificium.
2. Augustinus zegt, dat « een zichtbaar sacrificie een sacrament, d. i. een heilig teeken, is van een onzichtbaar sacrificie ». Het lijden van Christus echter is geen teeken, maar veeleer iets dat door andere teekenen beteekend wordt. Dus was het lijden van Christus geen offerande.2. Augustinus zegt, dat “een zichtbaar sacrificie een sacrament, d.i. een heilig teken, is van een onzichtbaar sacrificie”. Het lijden van Christus echter is geen teken, maar veeleer iets dat door andere tekenen betekend wordt. Dus was het lijden van Christus geen offerande.
3. Praeterea, quicumque offert sacrificium, aliquod sacrum facit: ut ipsum nomen « sacrificii » demonstrat. Illi autem qui Christum occiderunt, non fecerunt aliquod sacrum, sed magnam malitiam perpetraverunt. Ergo passio Christi magis fuit maleficium quam sacrificium.
3. Alwie een offer opdraagt, maakt iets heilig, zooals het woord sacrificie zelf zegt*. Zij, die Christus doodden, maakten echter niets heilig, maar bedreven een groote boosheid. Dus was het lijden van Christus eerder een misdaad, dan een sacrificie.3. Alwie een offer opdraagt, maakt iets heilig, zoals het woord sacrificie zelf zegt*. Zij, die Christus doodden, maakten echter niets heilig, maar bedreven een grote boosheid. Dus was het lijden van Christus eerder een misdaad, dan een sacrificie.
Sed contra est quod Apostolus dicit Eph. 5. [v. 2] : « Tradidit semetipsum pro nobis oblationem et hostiam Deo in odorem suavitatis ».
Daartegenover staat echter, dat de Apostel zegt in zijn Brief aan de Ephesiërs (5. 2) : « Hij leverde zichzelf voor ons over als gave en offer, tot een lieflijken geur voor God. »Daartegenover staat echter, dat de Apostel zegt in zijn Brief aan de Efesiërs (5, 2): “Hij leverde zichzelf voor ons over als gave en offer, tot een lieflijken geur voor God.”
Respondeo dicendum quod sacrificium proprie dicitur aliquid factum in honorem proprie Deo debitum, ad eum placandum. Et inde est, quod 103Augustinus dicit in 10. de Civ. Dei [cap. 6.] : « Verum sacrificium est omne opus quod agitur, ut sancta societate inhaereamus Deo, relatum scilicet ad illum finem boni quo veraciter beati esse possumus ». Christus autem, ut ibidem subditur, « seipsum obtulit in passione pro nobis »: et hoc ipsum opus, quod voluntarie passionem sustinuit, Deo maxime acceptum fuit, utpote ex charitate maxime proveniens. Unde manifestum est quod passio Christi fuerit verum sacrificium. Et, sicut ipse postea subdit in eodem libro [cap. 20.], « hujus veri sacrificii multiplicia variaque signa erant sacrificia prisca Sanctorum: cum hoc unum per multa figuraretur, tanquam verbis multis res una diceretur, ut sine fastidio multum commendaretur » ; et, « cum quatuor considerentur in omni sacrificio », ut Augustinus dicit in 4. de Trinitate [cap. 14.], scilicet « cui offeratur, a quo offeratur, quid offeratur, pro quibus offeratur, idem ipse unus verusque Mediator per sacrificium pacis reconcilians nos Deo, unum cum illo maneret cui offerebat, unum in se faceret pro quibus offerebat, unus ipse esset qui offerebat, et quod offerebat ».
Leerstelling. — Een sacrificie in eigenlijken zin is iets, wat men verricht om aan God de Hem alleen verschuldigde eer 103te bewijzen en Hem te verzoenen. En daarom zegt Augustinus : « Een waar sacrificie is elk werk, dat gedaan wordt om in een heilige vereeniging God aan te hangen, met het oog nl. op dat goede doel, waardoor wij werkelijk gelukkig kunnen zijn. » Zooals echter op diezelfde plaats gezegd wordt, heeft Christus « zichzelf voor ons bij zijn lijden opgedragen; » en het feit zelf, dat Hij vrijwillig het lijden verduurde, was God alleraangenaamst, in zoover het nl. volstrekt voortkwam uit liefde. Daarom is het duidelijk, dat het lijden van Christus een waar sacrificie was. En « de oude sacrificies der heiligen waren, » zooals hij later toevoegt in hetzelfde boek, « veelvuldige en verschillende teekenen van dit ware sacrificie; want dit ééne werd door vele afgebeeld, zooals met vele woorden één ding wordt gezegd, om er zonder weerzin te wekken, toch met nadruk de aandacht voor te vragen; » en « aangezien er in elk sacrificie vier zaken te beschouwen vallen, » zooals Augustinus zegt, nl. « hij, aan wien wordt geofferd, hij, door wien wordt geofferd, dat wat geofferd wordt, en zij voor wie geofferd wordt, bleef Hij als een en dezelfde en als eenige en ware Middelaar, die ons door zijn vredeoffer met God verzoende, één met Hem, aan wien Hij offerde; maakte Hij in zich hen één, voor wie Hij offerde; was Hij, die offerde en wat geofferd werd één en dezelfde. »Leerstelling. — Een sacrificie in eigenlijke zin is iets, wat men verricht om aan God de Hem alleen verschuldigde eer 103te bewijzen en Hem te verzoenen. En daarom zegt Augustinus: “Een waar sacrificie is elk werk, dat gedaan wordt om in een heilige vereniging God aan te hangen, met het oog nl. op dat goede doel, waardoor wij werkelijk gelukkig kunnen zijn.” Zoals echter op diezelfde plaats gezegd wordt, heeft Christus “zichzelf voor ons bij zijn lijden opgedragen;” en het feit zelf, dat Hij vrijwillig het lijden verduurde, was God alleraangenaamst, in zover het nl. volstrekt voortkwam uit liefde. Daarom is het duidelijk, dat het lijden van Christus een waar sacrificie was. En “de oude sacrificies van de heiligen waren,” zoals hij later toevoegt in hetzelfde boek, “veelvuldige en verschillende tekenen van dit ware sacrificie; want dit één werd door vele afgebeeld, zoals met vele woorden één ding wordt gezegd, om er zonder weerzin te wekken, toch met nadruk de aandacht voor te vragen;” en “aangezien er in elk sacrificie vier zaken te beschouwen vallen,” zoals Augustinus zegt, nl. “hij, aan wie wordt geofferd, hij, door wie wordt geofferd, dat wat geofferd wordt, en zij voor wie geofferd wordt, bleef Hij als een en dezelfde en als enige en ware Middelaar, die ons door zijn vredeoffer met God verzoende, één met Hem, aan wie Hij offerde; maakte Hij in zich hen één, voor wie Hij offerde; was Hij, die offerde en wat geofferd werd één en dezelfde.”
104Ad primum ergo dicendum quod, licet veritas respondeat figurae quantum ad aliquid, non tamen quantum ad omnia: quia oportet quod veritas figuram excedat. Et ideo convenienter figura hujus sacrificii, quo caro Christi offertur pro nobis, fuit caro, non hominum, sed aliorum animalium significantium carnem Christi. Quae est perfectissimum sacrificium. Primo quidem, quia, ex eo quod est humanae naturae caro, congrue pro hominibus offertur, et ab eis sumitur sub sacramento. Secundo quia, ex eo quod erat passibilis et mortalis, apta erat immolationi. Tertio quia, per hoc quod erat sine peccato, efficax erat ad emundanda peccata. Quarto quia, ex eo quod erat caro ipsius offerentis, erat Deo accepta propter ineffabilem charitatem suam carnem offerentis.
104Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Hoewel de werkelijkheid in een bepaald opzicht aan de voorafbeelding moet beantwoorden, is het toch niet noodig, dat zij in elk opzicht eraan beantwoordt, daar de werkelijkheid de figuur moet overtreffen. Een passende figuur dus van het sacrificie, waarin Christus' vleesch voor ons geofferd wordt, is het vleesch niet van menschen, maar van andere dieren, die het vleesch van Christus beteekenden. Dit is het volmaaktste sacrificie. En wel vooreerst, omdat dit vleesch, daar het vleesch is van de menschelijke natuur passend voor menschen geofferd wordt en door hen genuttigd in het Sacrament. — Ten tweede, omdat het krachtens het feit, dat het lijden kon en sterfelijk was, geschikt was tot slachtoffering. — Ten derde, omdat het krachtdadig was om van de zonden te reinigen, wijl het zelf zonder zonde was. — Ten vierde, omdat het 't vleesch was van den offeraar zelf, en daarom Gode aangenaam om de onuitsprekelijke liefde van Hem, die zijn vleesch offerde.104Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Hoewel de werkelijkheid in een bepaald opzicht aan de voorafbeelding moet beantwoorden, is het toch niet nodig, dat zij in elk opzicht eraan beantwoordt, daar de werkelijkheid de figuur moet overtreffen. Een passende figuur dus van het sacrificie, waarin Christus' vlees voor ons geofferd wordt, is het vlees niet van mensen, maar van andere dieren, die het vlees van Christus betekenden. Dit is het volmaaktste sacrificie. En wel vooreerst, omdat dit vlees, daar het vlees is van de menselijke natuur passend voor mensen geofferd wordt en door hen genuttigd in het Sacrament. — Ten tweede, omdat het krachtens het feit, dat het lijden kon en sterfelijk was, geschikt was tot slachtoffering. — Ten derde, omdat het krachtdadig was om van de zonden te reinigen, wijl het zelf zonder zonde was. — Ten vierde, omdat het 't vlees was van de offeraar zelf, en daarom Gode aangenaam om de onuitsprekelijke liefde van Hem, die zijn vlees offerde.
Unde Augustinus dicit in 4. de Trin. [cap. 14.] : « Quid tam congruenter ab hominibus sumeretur quod pro eis offerretur, quam humana caro? Et quid tam aptum huic immolationi quam caro mortalis? Et quid tam mundum pro mundandis vitiis mortalium quam sine contagione carnalis concupiscentiae caro nata in utero et ex utero virginali? Et quid tam grate 105offerri et suscipi posset quam caro sacrificii nostri, corpus effectum Sacerdotis nostri? »
En daarom zegt Augustinus: « Wat wordt zoo passend door de menschen genuttigd, wat ook voor hen geofferd, als menschelijk vleesch? En wat was zoo geschikt voor deze slachtoffering, als sterfelijk vleesch? En wat zoo rein om de zonden der stervelingen te reinigen, als het vleesch, dat zonder de besmetting der vleeschelijke begeerlijkheid in en uit een maagdelijke schoot 105geboren werd. En wat wordt zoo welgevallig geofferd en genuttigd, als het vleesch van ons sacrificie, het gevormde lichaam van onzen Priester? »En daarom zegt Augustinus: “Wat wordt zo passend door de mensen genuttigd, wat ook voor hen geofferd, als menselijk vlees? En wat was zo geschikt voor deze slachtoffering, als sterfelijk vlees? En wat zo rein om de zonden van de stervelingen te reinigen, als het vlees, dat zonder de besmetting van de vleselijke begeerlijkheid in en uit een maagdelijke schoot 105geboren werd. En wat wordt zo welgevallig geofferd en genuttigd, als het vlees van ons sacrificie, het gevormde lichaam van onze Priester?”
Ad secundum dicendum quod Augustinus ibi loquitur de sacrificiis visibilibus figuralibus. Et etiam ipsa passio Christi, licet sit aliquid signatum per alia sacrificia figuralia, est tamen signum alicujus rei observandae a nobis: secundum illud 1. Pet. 4. [v. 1 et 2] : « Christo igitur passo in carne, et vos eadem cogitatione armamini: quia qui passus est in carne, desiit a peccatis; ut jam non hominum desideriis, sed voluntati Dei, quod reliquum est in carne vivat temporis ».
2. Augustinus spreekt daar over de zichtbare voorafbeeldende sacrificies. En toch is ook het lijden van Christus, ofschoon het datgene is, wat door de andere voorafbeeldende sacrificies werd beteekend, nog het teeken van iets anders, waar wij aan denken moeten, zooals gezegd wordt in den Eersten Brief van Petrus (4. 1, 2) : « Daar Christus dan naar het vleesch heeft geleden, moet ook gij u wapenen met dezelfde gedachte: wie lijdt naar het vleesch, is los van de zonde; zoodat gij niet langer naar de lusten der menschen, maar naar den wil van God den tijd doorleeft, die u rest in het vleesch. »2. Augustinus spreekt daar over de zichtbare voorafbeeldende sacrificies. En toch is ook het lijden van Christus, ofschoon het datgene is, wat door de andere voorafbeeldende sacrificies werd betekend, nog het teken van iets anders, waar wij aan denken moeten, zoals gezegd wordt in de Eerste Brief van Petrus (4, 1, 2): “Daar Christus dan naar het vlees heeft geleden, moet ook gij u wapenen met dezelfde gedachte: wie lijdt naar het vlees, is los van de zonde; zodat gij niet langer naar de lusten van de mensen, maar naar de wil van God de tijd doorleeft, die u rest in het vlees.”
Ad tertium dicendum quod passio Christi ex parte occidentium ipsum fuit maleficium: sed ex parte ipsius ex charitate patientis fuit sacrificium. Unde hoc sacrificium ipse Christus obtulisse dicitur, non autem illi qui eum occiderunt.
3. Het lijden van Christus was een misdaad van den kant der moordenaars, maar een sacrificie van den kant van Hem, die leed uit liefde. Daarom zeggen we ook dat Christus zelf dit sacrificie opdroeg, en niet zij, die Hem doodden.3. Het lijden van Christus was een misdaad van de kant van de moordenaars, maar een sacrificie van de kant van Hem, die leed uit liefde. Daarom zeggen we ook dat Christus zelf dit sacrificie opdroeg, en niet zij, die Hem doodden.
Utrum passio Christi operata sit nostram salutem per modum redemptionis
Heeft Christus' lijden ons heil bewerkt bij wijze van loskooping?Heeft Christus' lijden ons heil bewerkt bij wijze van loskoping?
106Ad quartum sic proceditur. Videtur quod passio Christi non sit operata nostram salutem per modum redemptionis. Nullus enim emit vel redimit quod suum esse non desiit. Sed homines nunquam desierunt esse Dei: secundum illud Ps. 23. [v. 1] : « Domini est terra et plenitudo ejus, orbis terrarum et universi qui habitant in eo ». Ergo videtur quod Christus non redemerit nos sua passione.
106Bedenkingen. — Men beweert, dat het lijden van Christus niet ons heil bewerkt heeft bij wijze van loskooping. — 1. Niemand immers koopt of koopt terug, wat niet heeft opgehouden zijn eigendom te zijn. De menschen nu hebben nooit opgehouden van God te zijn, naar het woord van het Boek der Psalmen (23. 1) : « Van den Heer is de aarde en hare volheid, het aardrijk en al zijn bewoners. » Dus heeft Christus ons niet losgekocht door zijn lijden.106Bedenkingen. — Men beweert, dat het lijden van Christus niet ons heil bewerkt heeft bij wijze van loskoping. — 1. Niemand immers koopt of koopt terug, wat niet heeft opgehouden zijn eigendom te zijn. De mensen nu hebben nooit opgehouden van God te zijn, naar het woord van het Boek van de Psalmen (23, 1)a: “Van de Heer is de aarde en haar volheid, het aardrijk en al zijn bewoners.” Dus heeft Christus ons niet losgekocht door zijn lijden.
2. Praeterea, sicut Augustinus dicit, 13 de Trinitate [cap. 13.], « diabolus a Christo justitia superandus fuit ». Sed hoc exigit justitia, ut ille qui invasit dolose rem alienam, debeat privari ea quia « fraus, et dolus nemini debet patrocinari », ut etiam jura humana dicunt [cap. « Ex tenore, de Rescriptis » etc.]. Cum ergo diabolus creaturam Dei, 107scilicet hominem, dolose deceperit et sibi subjugaverit, videtur quod non debuerit homo per modum redemptionis ab ejus eripi potestate.
2. Zooals Augustinus zegt, « moest de duivel door Christus in rechtvaardigheid overwonnen worden. » De rechtvaardigheid echter eischt, dat hij die bedriegelijk zich vergrijpt aan het bezit van een ander, daarvan moet beroofd worden, wijl « bedrog en list niemand tot voordeel mag zijn », zooals ook het menschelijk recht zegt. Daar derhalve de duivel een schepsel van God, nl. den mensch, 107met list bedrogen en aan zich onderworpen had, moest de mensch niet bij wijze van loskooping uit zijn macht bevrijd worden.2. Zoals Augustinus zegt, “moest de duivel door Christus in rechtvaardigheid overwonnen worden.” De rechtvaardigheid echter eist, dat hij die bedriegelijk zich vergrijpt aan het bezit van een ander, daarvan moet beroofd worden, wijl “bedrog en list niemand tot voordeel mag zijn”, zoals ook het menselijk recht zegt. Daar derhalve de duivel een schepsel van God, nl. de mens, 107met list bedrogen en aan zich onderworpen had, moest de mens niet bij wijze van loskoping uit zijn macht bevrijd worden.
3. Praeterea, quicumque emit aut redimit aliquid, pretium solvit ei qui possidebat. Sed Christus non solvit sanguinem suum, qui dicitur esse pretium redemptionis nostrae, diabolo, qui nos captivos tenebat. Non ergo Christus sua passione nos redemit.
3. Alwie iets koopt of terugkoopt, betaalt den prijs aan hem, aan wien dat ding toekomt. Christus heeft echter zijn bloed, dat wij den prijs onzer verlossing noemen, niet aan den duivel betaald, die ons gevangen hield. Dus heeft Christus ons niet door zijn lijden losgekocht.3. Alwie iets koopt of terugkoopt, betaalt de prijs aan hem, aan wie dat ding toekomt. Christus heeft echter zijn bloed, dat wij de prijs van onze verlossing noemen, niet aan de duivel betaald, die ons gevangen hield. Dus heeft Christus ons niet door zijn lijden losgekocht.
Sed contra est quod dicitur 1. Pet. 1. [v. 18 et 19] : « Non corruptibilibus auro vel argento redempti estis de vana vestra conversatione paternae traditionis: sed pretioso sanguine, quasi agni immaculati et incontaminati, Christi ». Et Gal. 3. [v. 13] dicitur: « Christus nos redemit de maledicto legis, factus pro nobis maledictum ». Dicitur autem pro nobis factus maledictum, inquantum pro nobis passus est in ligno, ut supra dictum est [q. 46. art. 4. ad 3.]. Ergo per passionem suam nos redemit.
Daartegenover staat echter 't gezegde uit den Eersten Brief van Petrus (1. 18, 19) : « Gij zijt niet met vergankelijk zilver of goud losgekocht uit uw ijdele levenswandel, die afkomstig is van uw vaders, maar door het kostbaar bloed van Christus, als van een lam zonder vlek of gebrek; » en in den Brief aan de Galaten (3. 13) : « Christus heeft ons losgekocht van den vloek der Wet, door voor ons tot vloek te worden. » Wij nu zeggen, dat Hij voor ons tot vloek geworden is, in zoover Hij leed aan een kruis, zooals boven gezegd is (46e Kw. 4e Art. 3e Antw.). Dus heeft Hij ons door zijn lijden vrijgekocht.Daartegenover staat echter 't gezegde uit de Eerste Brief van Petrus (1, 18, 19): “Gij zijt niet met vergankelijk zilver of goud losgekocht uit uw ijdele levenswandel, die afkomstig is van uw vaders, maar door het kostbaar bloed van Christus, als van een lam zonder vlek of gebrek;” en in de Brief aan de Galaten (3, 13): “Christus heeft ons losgekocht van de vloek van de Wet, door voor ons tot vloek te worden.” Wij nu zeggen, dat Hij voor ons tot vloek geworden is, in zover Hij leed aan een kruis, zoals boven gezegd is (46e Kw. 4e Art. 3e Antw.). Dus heeft Hij ons door zijn lijden vrijgekocht.
Respondeo dicendum quod per peccatum dupliciter homo obligatus erat. Primo quidem, servitute peccati: quia « qui facit peccatum, servus est 108peccati », ut dicitur Joan. 8. [v. 34] et 2. Pet. 2. [v. 19] : « A quo quis superatus est, hujus et servus est ». Quia igitur diabolus hominem superaverat inducendo eum ad peccatum, homo servituti diaboli addictus erat. Secundo, quantum ad reatum poenae, quo homo erat obligatus secundum Dei justitiam. Et hoc etiam est servitus quaedam: ad servitutem enim pertinet quod aliquis patiatur quod non vult, cum liberi hominis sit uti seipso ut vult.
Leerstelling. — Door de zonde was de mensch op een dubbele wijze belast. Vooreerst door de slavernij der zonde, want « wie zonde doet, is slaaf der zonde, » zooals gezegd wordt in 108Joannes (8. 34), en in den Tweeden Brief van Petrus (2. 19) : « Door wien iemand overwonnen wordt, van hem is hij de slaaf. » Daar dus de duivel den mensch overwonnen had door hem tot zonde te verleiden, was de mensch prijsgegeven aan de slavernij van den duivel. — Ten tweede door de strafschuldigheid, waarmee de mensch belast was krachtens Gods rechtvaardigheid. En ook dit is een zekere slavernij: want het valt onder slavernij als iemand ondergaat wat hij niet wil, daar het eigen is aan een vrij mensch met zichzelf te doen, zooals hij wil.Leerstelling. — Door de zonde was de mens op een dubbele wijze belast. Vooreerst door de slavernij van de zonde, want “wie zonde doet, is slaaf van de zonde,” zoals gezegd wordt in 108Johannes (8, 34), en in de Tweede Brief van Petrus (2, 19): “Door wie iemand overwonnen wordt, van hem is hij de slaaf.” Daar dus de duivel de mens overwonnen had door hem tot zonde te verleiden, was de mens prijsgegeven aan de slavernij van de duivel. — Ten tweede door de strafschuldigheid, waarmee de mens belast was krachtens Gods rechtvaardigheid. En ook dit is een zekere slavernij: want het valt onder slavernij als iemand ondergaat wat hij niet wil, daar het eigen is aan een vrij mens met zichzelf te doen, zoals hij wil.
Quia igitur passio Christi fuit sufficiens et superabundans satisfactio pro peccato et reatu poenae generis humani, ejus passio fuit quasi quoddam pretium, per quod liberati sumus ab utraque obligatione. Nam ipsa satisfactio qua quis satisfacit sive pro se sive pro alio, pretium quoddam dicitur quo seipsum, vel alium1 redimit a peccato, et a poena: secundum illud Dan. 4. [v. 24] : « Peccata tua eleemosynis redime ». Christus autem satisfecit, non quidem pecuniam dando aut aliquid hujusmodi, sed dando id quod fuit maximum, seipsum scilicet pro nobis. Et ideo passio Christi dicitur esse nostra redemptio.
Omdat nu het lijden van Christus een evenwaardige en overvloedige voldoening was voor de zonde en voor de strafschuldigheid van het menschelijk geslacht, was zijn lijden als een prijs, waarmee wij vrijgemaakt zijn van beide lasten. Want de voldoening zelf, waarmede iemand voldoet naar zichzelf of voor een ander, noemen we een prijs, waarvoor hij zichzelf vrijkoopt van zonde en straf; naar het woord van Daniël (4. 24) : « Koop uw zonden af met almoezen. » Christus echter heeft voldaan, niet door geld te geven of iets dergelijks, maar door voor ons te geven, wat het grootste was nl. zichzelf. En daarom wordt het lijden van Christus onze loskooping genoemd.Omdat nu het lijden van Christus een evenwaardige en overvloedige voldoening was voor de zonde en voor de strafschuldigheid van het menselijk geslacht, was zijn lijden als een prijs, waarmee wij vrijgemaakt zijn van beide lasten. Want de voldoening zelf, waarmede iemand voldoet naar zichzelf of voor een ander, noemen we een prijs, waarvoor hij zichzelf vrijkoopt van zonde en straf; naar het woord van Daniël (4, 24): “Koop uw zonden af met almoezen.” Christus echter heeft voldaan, niet door geld te geven of iets dergelijks, maar door voor ons te geven, wat het grootste was nl. zichzelf. En daarom wordt het lijden van Christus onze loskoping genoemd.
109Ad primum ergo dicendum quod homo dicitur esse Dei dupliciter. Uno modo, inquantum subjicitur potestati ejus. Et hoc modo nunquam homo desiit Dei esse: secundum illud Dan. 4. [v. 22 et 29] : « Dominatur excelsus in regno hominum, et cuicumque voluerit, dabit illud ». Alio modo, per unionem charitatis ad eum: secundum quod dicitur Rom. 8. [v. 9] : « Si quis spiritum Christi non habet, hic non est ejus ».
109Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Op een dubbele titel zeggen we, dat de mensch iets van God is. — Vooreerst in zoover hij aan zijn macht onderworpen is. En op deze wijze heeft de mensch nooit opgehouden iets van God te zijn, naar het woord van Daniël (4. 22, 29) : « De Verhevene heerscht over het rijk der menschen, en Hij zal het geven aan wien Hij wil. » — Op de tweede wijze door een liefdesvereeniging met Hem, zooals gezegd wordt in den Brief aan de Romeinen (8. 9) : « Indien iemand niet den geest van Christus heeft, dan is hij niet van Hem. »109Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Op een dubbele titel zeggen we, dat de mens iets van God is. — Vooreerst in zover hij aan zijn macht onderworpen is. En op deze wijze heeft de mens nooit opgehouden iets van God te zijn, naar het woord van Daniël (4, 22, 29): “De Verhevene heerst over het rijk van de mensen, en Hij zal het geven aan wie Hij wil.” — Op de tweede wijze door een liefdesvereniging met Hem, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (8, 9): “Indien iemand niet de geest van Christus heeft, dan is hij niet van Hem.”
Primo ergo modo, nunquam homo desiit esse Dei. Secundo vero modo, desiit esse Dei per peccatum. Et ideo, inquantum fuit a peccato liberatus, Christo passo satisfaciente, dicitur per passionem Christi esse redemptus.
Op de eerste wijze nu heeft de mensch nooit opgehouden iets van God te zijn. Maar hij heeft opgehouden op de tweede wijze aan God te behooren door de zonde. En in zoover hij dus van de zonde bevrijd is door het voldoening-brengend lijden van Christus, zeggen wij dat hij door het lijden van Christus is vrijgekocht.Op de eerste wijze nu heeft de mens nooit opgehouden iets van God te zijn. Maar hij heeft opgehouden op de tweede wijze aan God te behoren door de zonde. En in zover hij dus van de zonde bevrijd is door het voldoening-brengend lijden van Christus, zeggen wij dat hij door het lijden van Christus is vrijgekocht.
Ad secundum dicendum quod homo peccando obligatus erat et Deo et diabolo. Quantum enim ad culpam, Deum offenderat et diabolo se subdiderat, ei consentiens. Unde ratione culpae non erat factus servus Dei: sed potius a Dei servitute recedens, diaboli servitutem incurrerat, Deo juste hoc permittente propter offensam in se commissam. Sed quantum ad 110poenam, principaliter homo erat Deo obligatus, sicut summo judici, diabolo autem tanquam tortori: secundum illud Matth. 5. [v. 25] : « Ne forte tradat te adversarius tuus judici, et judex tradat te ministro », « idest angelo poenarum crudeli », ut Chrysostomus dicit [homil. 11.]. Quamvis igitur diabolus injuste, quantum in ipso erat, hominem, sua fraude deceptum, sub servitute teneret, et quantum ad culpam et quantum ad poenam: justum tamen erat hoc hominem pati, Deo permittente hoc quantum ad culpam, et ordinante quantum ad poenam. Et ideo per respectum ad Deum justitia exigebat quod homo redimeretur: non autem per respectum ad diabolum.
2. Door te zondigen had de mensch zich plichtig gemaakt tegenover God en den duivel. Immers wat de schuld betreft, had hij God beleedigd, en zich aan den duivel ondergeschikt gemaakt door hem toe te stemmen. Daarom was hij door de schuld niet slaaf van God geworden, maar was hij eerder van den dienst van God afgeweken en de slavernij van den duivel ingeloopen, terwijl God dit rechtmatig toeliet om de beleediging Hem aangedaan. Maar wat de straf betreft stond de mensch voornamelijk schuldig tegenover God 110als tegenover den oppersten rechter, tegenover den duivel echter als tegenover zijn kwelgeest naar het woord van Mattheus (5. 25) : « Opdat uw tegenstander u soms niet overlevere aan den rechter en de rechter u overgeve aan den dienaar » d. i. « aan den wreeden strafengel » zooals Chrysostomus zegt. Ofschoon dus de duivel voor zoover het aan hem lag, onrechtmatig den mensch, door zijn list misleid, in slavernij hield, zoowel wat de schuld als wat de straf betreft, was het toch rechtmatig, dat de mensch dit leed, terwijl God dit toeliet wat de schuld betreft en dit verordende wat betreft de straf. En derhalve eischte de rechtvaardigheid, dat de mensch werd vrijgekocht tegenover God, niet echter wat betreft den duivel.2. Door te zondigen had de mens zich plichtig gemaakt tegenover God en de duivel. Immers wat de schuld betreft, had hij God beledigd, en zich aan de duivel ondergeschikt gemaakt door hem toe te stemmen. Daarom was hij door de schuld niet slaaf van God geworden, maar was hij eerder van de dienst van God afgeweken en de slavernij van de duivel ingelopen, terwijl God dit rechtmatig toeliet om de belediging Hem aangedaan. Maar wat de straf betreft stond de mens voornamelijk schuldig tegenover God 110als tegenover de opperste rechter, tegenover de duivel echter als tegenover zijn kwelgeest naar het woord van Matteüs (5, 25): “Opdat uw tegenstander u soms niet overlevere aan de rechter en de rechter u overgeve aan de dienaar” d.i. “aan de wrede strafengel” zoals Chrysostomus zegt. Ofschoon dus de duivel voor zover het aan hem lag, onrechtmatig de mens, door zijn list misleid, in slavernij hield, zowel wat de schuld als wat de straf betreft, was het toch rechtmatig, dat de mens dit leed, terwijl God dit toeliet wat de schuld betreft en dit verordende wat betreft de straf. En derhalve eiste de rechtvaardigheid, dat de mens werd vrijgekocht tegenover God, niet echter wat betreft de duivel.
Ad tertium dicendum quod, quia redemptio requirebatur ad hominis liberationem per respectum ad Deum, non autem per respectum ad diabolum; non erat pretium solvendum diabolo, sed Deo. Et ideo Christus sanguinem suum, qui est pretium nostrae redemptionis, non dicitur obtulisse diabolo, sed Deo.
3. Omdat vrijkooping werd vereischt tot bevrijding van den mensch, tegenover God en niet met betrekking tot den duivel, moest de prijs niet betaald worden aan den duivel, maar aan God. En daarom zeggen wij niet dat Christus zijn bloed, dat de prijs onzer verlossing is, opdroeg aan den duivel, maar aan God.3. Omdat vrijkoping werd vereist tot bevrijding van de mens, tegenover God en niet met betrekking tot de duivel, moest de prijs niet betaald worden aan de duivel, maar aan God. En daarom zeggen wij niet dat Christus zijn bloed, dat de prijs van onze verlossing is, opdroeg aan de duivel, maar aan God.
Utrum esse redemptorem sit proprium Christi
Is het verlosser-zijn het eigene van Christus?
111Ad quintum sic proceditur. Videtur quod esse redemptorem non sit proprium Christi. Dicitur enim Ps. 30. [v. 6] : « Redemisti me, Domine, Deus veritatis ». Sed esse Dominum Deum veritatis convenit toti Trinitati. Non ergo est proprium Christi.
111Bedenkingen. — Men beweert, dat het verlosser-zijn niet het eigene van Christus is. — 1. In het Boek der Psalmen (30. 6) wordt immers gezegd: « Gij hebt mij verlost, Heer, God der waarheid. » Maar aan de geheele Drievuldigheid komt het toe Heer, God der waarheid te zijn. Dus is het niet het eigene van Christus.111Bedenkingen. — Men beweert, dat het verlosser-zijn niet het eigene van Christus is. — 1. In het Boek van de Psalmen (30, 6)a wordt immers gezegd: “Gij hebt mij verlost, Heer, God van de waarheid.” Maar aan de gehele Drievuldigheid komt het toe Heer, God van de waarheid te zijn. Dus is het niet het eigene van Christus.
2. Praeterea, ille dicitur redimere qui dat pretium redemptionis. Sed Deus Pater dedit Filium suum redemptionem pro peccatis nostris: secundum illud Ps. 110. [v. 9] : « Redemptionem misit Dominus populo suo » ; Glossa [interlin. August.] : « idest Christum, qui dat redemptionem captivis ». Ergo non solum Christus, sed etiam Deus Pater nos redemit.
2. Vrijkoopen doet hij, die den prijs betaalt. God de Vader nu gaf zijn Zoon tot verlossing voor onze zonden, zooals er staat in het Boek der Psalmen (110. 9) : « De Heer zond verlossing aan zijn volk. » En de Glossa zegt: « d. i. Christus, die verlossing schenkt aan de gevangenen. » Dus heeft niet alleen Christus, maar ook God de Vader ons verlost.2. Vrijkopen doet hij, die de prijs betaalt. God de Vader nu gaf zijn Zoon tot verlossing voor onze zonden, zoals er staat in het Boek van de Psalmen (110, 9)b: “De Heer zond verlossing aan zijn volk.” En de Glossa zegt: “d.i. Christus, die verlossing schenkt aan de gevangenen.” Dus heeft niet alleen Christus, maar ook God de Vader ons verlost.
3. Praeterea, non solum passio Christi, sed etiam aliorum Sanctorum, proficua fuit ad nostram salutem: secundum illud Coloss. 1. [v. 24] : « Gaudeo in passionibus meis pro vobis, et adimpleo ea quae desunt 112passionum Christi in carne mea pro corpore ejus, quod est Ecclesia ». Ergo non solum Christus debet dici redemptor, sed etiam alii Sancti.
3. Niet alleen het lijden van Christus, maar ook dat der andere heiligen droeg bij tot ons heil : zooals staat in den Brief aan de Colossensen (1. 24) : « Ik verheug mij in mijn lijden voor u en ik 112vul aan in mijn vleesch, wat aan Christus' lijden ontbreekt ten bate van zijn Lichaam, de Kerk. » Dus moet niet alleen Christus verlosser genoemd worden, maar ook de andere heiligen.3. Niet alleen het lijden van Christus, maar ook dat van de andere heiligen droeg bij tot ons heil: zoals staat in de Brief aan de Colossensen (1, 24): “Ik verheug mij in mijn lijden voor u en ik 112vul aan in mijn vlees, wat aan Christus' lijden ontbreekt ten bate van zijn Lichaam, de Kerk.” Dus moet niet alleen Christus verlosser genoemd worden, maar ook de andere heiligen.
Sed contra est quod dicitur Gal. 3. [v. 13] : « Christus nos redemit de maledicto legis, factus pro nobis maledictum ». Sed solus Christus factus est pro nobis maledictum. Ergo solus Christus debet dici noster redemptor.
Daartegenover staat echter het gezegde in den Brief aan de Galaten (3. 13) : « Christus heeft ons verlost van den vloek der Wet, door voor ons tot vloek te worden. » Doch alleen Christus is voor ons tot vloek geworden. Dus moet alleen Christus onze verlosser genoemd worden.Daartegenover staat echter het gezegde in de Brief aan de Galaten (3, 13): “Christus heeft ons verlost van de vloek van de Wet, door voor ons tot vloek te worden.” Doch alleen Christus is voor ons tot vloek geworden. Dus moet alleen Christus onze verlosser genoemd worden.
Respondeo dicendum quod ad hoc quod aliquis redimat, duo requiruntur: scilicet actus solutionis, et pretium solutum. Si enim aliquis solvat pro redemptione alicujus rei pretium, quod non est suum, sed alterius, ipse non dicitur redimere principaliter, sed magis ille cujus est pretium. Pretium autem redemptionis nostrae est sanguis Christi, vel vita ejus corporalis, quae est in sanguine, quam ipse Christus exsolvit. Unde utrumque istorum ad Christum pertinet immediate inquantum est homo: sed ad totam Trinitatem sicut ad causam primam et remotam, cujus erat et ipsa vita Christi 113sicut primi auctoris, et a qua inspiratum fuit ipsi homini Christo ut pateretur pro nobis. Et ideo esse immediate redemptorem proprium est Christi inquantum est homo: quamvis ipsa redemptio possit attribui toti Trinitati sicut primae causae.
Leerstelling. — Opdat iemand iets loskoopt, worden van hem twee dingen gevraagd nl. betalen en de betaalde prijs. Want wanneer iemand voor de vrijkooping van iets een prijs betaalt, die niet van hem is, maar van een ander, dan noemen wij hèm niet op de eerste plaats vrijkooper, maar eerder hem, van wien de prijs is. De prijs nu van onze verlossing is het bloed van Christus, of zijn lichamelijk leven, dat in het bloed is, en dit heeft Christus betaald. Dus ieder van die twee komt onmiddellijk toe aan Christus in zoover hij mensch is; maar aan de geheele Drieëenheid als aan de eerste en verwijderde oorzaak, van wie ook Christus' leven zelf was, als van den eersten veroorzaker, en door wie ook den 113mensch Christus het verlangen was ingestort, om voor ons te lijden. En derhalve is het eigen aan Christus als mensch om onmiddellijk verlosser te zijn; ofschoon de verlossing zelf toegeschreven kan worden aan de geheele Drieëenheid, als aan de eerste oorzaak.Leerstelling. — Opdat iemand iets loskoopt, worden van hem twee dingen gevraagd nl. betalen en de betaalde prijs. Want wanneer iemand voor de vrijkoping van iets een prijs betaalt, die niet van hem is, maar van een ander, dan noemen wij hèm niet op de eerste plaats vrijkoper, maar eerder hem, van wie de prijs is. De prijs nu van onze verlossing is het bloed van Christus, of zijn lichamelijk leven, dat in het bloed is, en dit heeft Christus betaald. Dus ieder van die twee komt onmiddellijk toe aan Christus in zover hij mens is; maar aan de gehele Drieëenheid als aan de eerste en verwijderde oorzaak, van wie ook Christus' leven zelf was, als van de eerste veroorzaker, en door wie ook de 113mens Christus het verlangen was ingestort, om voor ons te lijden. En derhalve is het eigen aan Christus als mens om onmiddellijk verlosser te zijn; ofschoon de verlossing zelf toegeschreven kan worden aan de gehele Drieëenheid, als aan de eerste oorzaak.
Ad primum ergo dicendum quod Glossa hoc sic exponit: « Tu, Domine Deus veritatis, redemisti me in Christo clamante: In manus tuas, Domine, commendo spiritum meum ». Et sic redemptio immediate pertinet ad hominem Christum: principaliter autem ad Deum.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Glossa verklaart dit aldus: « Gij, Heer, God der waarheid, Gij hebt mij vrijgekocht in Christus, die uitriep : In uw handen, Heer, beveel Ik mijn geest. » En zoo behoort de verlossing onmiddellijk aan den mensch Christus, op de eerste plaats echter aan God.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Glossa verklaart dit aldus: “Gij, Heer, God van de waarheid, Gij hebt mij vrijgekocht in Christus, die uitriep: In uw handen, Heer, beveel Ik mijn geest.” En zo behoort de verlossing onmiddellijk aan de mens Christus, op de eerste plaats echter aan God.
Ad secundum dicendum quod pretium redemptionis nostrae homo Christus solvit immediate: sed de mandato Patris sicut primordialis auctoris.
2. De prijs onzer verlossing heeft Christus onmiddellijk betaald, maar in opdracht van den Vader, als den eersten bewerker.2. De prijs van onze verlossing heeft Christus onmiddellijk betaald, maar in opdracht van de Vader, als de eerste bewerker.
Ad tertium dicendum quod passiones Sanctorum proficiunt Ecclesiae, non quidem per modum redemptionis, sed per modum exempli et exhortationis: secundum illud 2. ad Cor. 1. [v. 6] : « Sive tribulamur pro vestra exhortatione et salute ».
3. Het lijden der heiligen komt de Kerk ten goede, niet echter bij wijze van verlossing, maar bij wijze van voorbeeld en aansporing, naar het woord in den Tweeden Brief aan de Corinthiërs (1. 6) : « Hetzij wij worden gekweld, het is tot uw aansporing en heil. »3. Het lijden van de heiligen komt de Kerk ten goede, niet echter bij wijze van verlossing, maar bij wijze van voorbeeld en aansporing, naar het woord in de Tweede Brief aan de Korintiërs (1, 6): “Hetzij wij worden gekweld, het is tot uw aansporing en heil.”
Utrum passio Christi operata sit nostram salutem per modum efficientiae
Heeft het lijden van Christus ons heil veroorzaakt op uitwerkende wijze?
114Ad sextum sic proceditur. Videtur quod passio Christi non sit operata nostram salutem per modum efficientiae. Causa enim efficiens nostrae salutis est magnitudo divinae virtutis: secundum illud Isa. 59. [v. 1] : « Ecce, non est abbreviata manus ejus, ut salvare non possit ». Christus autem « crucifixus est ex infirmitate », ut dicitur 2. ad Cor. 13. [v. 4]. Non ergo passio Christi efficienter operata est nostram salutem.
114Bedenkingen. — Men beweert, dat het lijden van Christus niet ons heil heeft veroorzaakt op uitwerkende wijze. — 1. De uitwerkende oorzaak immers van ons heil is de grootheid der goddelijke kracht, volgens het woord van Isaïas (59. 1) : « Zie, zijn arm is niet verkort, dat Hij niet zou kunnen redden. » Christus echter « is in zwakheid gekruisigd, » zooals gezegd wordt in den Tweeden Brief aan de Corinthiërs (13. 4). Dus heeft het lijden van Christus niet op uitwerkende wijze ons heil bewerkt.114Bedenkingen. — Men beweert, dat het lijden van Christus niet ons heil heeft veroorzaakt op uitwerkende wijze. — 1. De uitwerkende oorzaak immers van ons heil is de grootheid van de goddelijke kracht, volgens het woord van Jesaja (59, 1): “Zie, zijn arm is niet verkort, dat Hij niet zou kunnen redden.” Christus echter “is in zwakheid gekruisigd,” zoals gezegd wordt in de Tweede Brief aan de Korintiërs (13, 4). Dus heeft het lijden van Christus niet op uitwerkende wijze ons heil bewerkt.
2. Praeterea, nullum agens corporale efficienter agit nisi per contactum: unde etiam et Christus tangendo mundavit leprosum, « ut ostenderet carnem suam salutiferam virtutem habere », sicut Chrysostomus dicit [Theophilact. In Luc. Ev. Enarr.]. Sed passio Christi non potuit contingere omnes homines. Ergo non potuit efficienter operari salutem omnium hominum.
2. Niets dat lichamelijk werkt, werkt op uitwerkende wijze, tenzij door contact : vandaar dat ook Christus de melaatschen reinigde door hen aan te raken « om aan te toonen, dat zijn vleesch een heilzame kracht bezat, » zooals Chrysostomus zegt. Maar het lijden van Christus kon niet alle menschen raken. Dus kon 't niet op uitwerkende wijze het heil van alle menschen bewerken.2. Niets dat lichamelijk werkt, werkt op uitwerkende wijze, tenzij door contact: vandaar dat ook Christus de melaatsen reinigde door hen aan te raken “om aan te tonen, dat zijn vlees een heilzame kracht bezat,” zoals Chrysostomus zegt. Maar het lijden van Christus kon niet alle mensen raken. Dus kon 't niet op uitwerkende wijze het heil van alle mensen bewerken.
3. Praeterea, non videtur ejusdem esse operari per modum meriti, et per modum efficientiae:quia ille qui meretur, expectat effectum ab alio. 115Sed passio Christi operata est nostram salutem per modum meriti. Non ergo per modum efficientiae.
3. Een en dezelfde kan niet werken op verdienende en uitwerkende wijze, daar hij, die verdient, het effect verwacht uit 115handen van een ander. Christus' lijden echter bewerkte ons heil bij wijze van verdienste. Dus niet op uitwerkende wijze.3. Een en dezelfde kan niet werken op verdienende en uitwerkende wijze, daar hij, die verdient, het effect verwacht uit 115handen van een ander. Christus' lijden echter bewerkte ons heil bij wijze van verdienste. Dus niet op uitwerkende wijze.
Sed contra est quod dicitur 1. ad Cor. 1. [v. 18], quod « verbum crucis his qui salvi fiunt est virtus Dei ». Sed virtus Dei efficienter operatur nostram salutem. Ergo passio Christi in cruce efficienter operata est nostram salutem.
Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt in den Eersten Brief aan de Corinthiërs (1. 18), dat « de prediking van het kruis voor hen, die behouden worden, een kracht Gods is. » De kracht Gods echter bewerkt op uitwerkende wijze ons heil. Dus heeft het lijden van Christus op het kruis ons heil bewerkt op uitwerkende wijze.Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt in de Eerste Brief aan de Korintiërs (1, 18), dat “de prediking van het kruis voor hen, die behouden worden, een kracht Gods is.” De kracht Gods echter bewerkt op uitwerkende wijze ons heil. Dus heeft het lijden van Christus op het kruis ons heil bewerkt op uitwerkende wijze.
Respondeo dicendum quod duplex est efficiens: principale, et instrumentale. Efficiens quidem principale humanae salutis est Deus. Quia vero humanitas Christi est « divinitatis instrumentum », ut supra dictum est [q. 2. art. 6. arg. 4; q. 13. art. 2. et 3; q. 19. art. 1; q. 43. art. 2.], ideo ex consequenti omnes actiones et passiones Christi instrumentaliter operantur, in virtute divinitatis, ad salutem humanam. Et secundum hoc, passio Christi efficienter causat salutem humanam.
Leerstelling. — Er is een dubbele uitwerkende oorzaak, de hoofdoorzaak en de werktuigelijke oorzaak. De hoofdoorzaak nu van het heil der menschen is God. — Daar echter de menschheid van Christus het « instrument der Godheid » is, zooals boven werd gezegd (43e Kw. 2e Art.) daarom werken bijgevolg alle handelingen en al 't lijden van Christus tot het heil der menschen in de kracht der Godheid. En op deze wijze veroorzaakt het lijden van Christus 't heil der menschen op uitwerkende wijze.Leerstelling. — Er is een dubbele uitwerkende oorzaak, de hoofdoorzaak en de werktuigelijke oorzaak. De hoofdoorzaak nu van het heil van de mensen is God. — Daar echter de mensheid van Christus het “instrument van de Godheid” is, zoals boven werd gezegd (43e Kw. 2e Art.) daarom werken bijgevolg alle handelingen en al 't lijden van Christus tot het heil van de mensen in de kracht van de Godheid. En op deze wijze veroorzaakt het lijden van Christus 't heil van de mensen op uitwerkende wijze.
Ad primum ergo dicendum quod passio Christi, relata ad Christi carnem, congruit infirmitati assumptae: relata vero ad divinitatem, consequitur ex 116ea infinitam virtutem, secundum illud 1. ad Cor. 1. [v. 25] : « Quod infirmum est Dei, fortius est hominibus ». Quia scilicet ipsa infirmitas Christi, inquantum est Dei, habet virtutem excedentem omnem virtutem humanam.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het lijden van Christus, met betrekking tot het vleesch van Christus, was in 116overeenstemming met de zwakheid, die Hij op zich nam; met betrekking tot de Godheid echter volgde daaruit een oneindige kracht, volgens het woord in den Eersten Brief aan de Corinthiërs (1. 25) : « Het zwakke van God is sterker dan de menschen. » Want zelf de zwakte van Christus bezit, in zoover zij van God is, een kracht, die elke menschenkracht overtreft.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het lijden van Christus, met betrekking tot het vlees van Christus, was in 116overeenstemming met de zwakheid, die Hij op zich nam; met betrekking tot de Godheid echter volgde daaruit een oneindige kracht, volgens het woord in de Eerste Brief aan de Korintiërs (1, 25): “Het zwakke van God is sterker dan de mensen.” Want zelf de zwakte van Christus bezit, in zover zij van God is, een kracht, die elke mensenkracht overtreft.
Ad secundum dicendum quod passio Christi, licet sit corporalis, habet tamen spiritualem virtutem ex divinitate unita. Et ideo per spiritualem contactum efficaciam sortitur: scilicet per fidem et fidei sacramenta, secundum illud Apostoli [Rom. 3. v. 25] : « Quem proposuit Deus propitiatorem per fidem in sanguine ipsius ».
2. Ofschoon het lijden van Christus lichamelijk is, heeft het toch een geestelijke kracht van wege de Godheid, waarmee het vereenigd is. En daarom bewerkt het een effect door geestelijk contact nl. door het geloof en de sacramenten van het geloof, naar het woord van den Apostel in den Brief aan de Romeinen (3. 25) : « Dien God heeft gesteld tot Verzoener door het geloof in zijn bloed. »2. Ofschoon het lijden van Christus lichamelijk is, heeft het toch een geestelijke kracht van wege de Godheid, waarmee het verenigd is. En daarom bewerkt het een effect door geestelijk contact nl. door het geloof en de sacramenten van het geloof, naar het woord van de Apostel in de Brief aan de Romeinen (3, 25): “Die God heeft gesteld tot Verzoener door het geloof in zijn bloed.”
Ad tertium dicendum quod passio Christi, secundum quod comparatur ad divinitatem ejus, agit per modum efficientiae; inquantum vero comparatur ad voluntatem animae Christi, agit per modum meriti; secundum vero quod consideratur in ipsa carne Christi, agit per modum satisfactionis, inquantum per eam liberamur a reatu poenae; per modum vero redemptionis, inquantum per eam liberamur a servitute culpae; per modum autem sacrificii, inquantum per eam reconciliamur Deo, ut infra dicetur [q. seq.].
3. Het lijden van Christus in verhouding tot zijn Godheid genomen, werkt op uitwerkende wijze; in zoover het echter genomen wordt in verhouding tot den wil van Christus' ziel, werkt het verdienende wijze; in zoover het echter beschouwd wordt in Christus' vleesch zelf, werkt het op voldoenende wijze, in zoover wij daardoor bevrijd worden van de strafschuldigheid; op verlossende wijze, in zoover wij er door bevrijd worden van de zondeslavernij; bij wijze van sacrificie echter, in zooverre wij er door met God verzoend worden, zooals later gezegd zal worden (vlg. Kw.).3. Het lijden van Christus in verhouding tot zijn Godheid genomen, werkt op uitwerkende wijze; in zover het echter genomen wordt in verhouding tot de wil van Christus' ziel, werkt het verdienende wijze; in zover het echter beschouwd wordt in Christus' vlees zelf, werkt het op voldoenende wijze, in zover wij daardoor bevrijd worden van de strafschuldigheid; op verlossende wijze, in zover wij er door bevrijd worden van de zondeslavernij; bij wijze van sacrificie echter, in zoverre wij er door met God verzoend worden, zoals later gezegd zal worden (vlg. Kw.).