Theologische Summa · Tertia Pars · Zijn heengaan uit de wereldSumma · III · Zijn heengaan uit de wereldSumma · III · Kw. 47Kw. 47
Quaestio XLVII

De causa efficiente passionis Christi, in sex articulos divisa

Kwestie 47

Over de uitwerkende oorzaak van Christus' lijden

(Zes Artikelen)

67Deinde considerandum est de causa efficiente passionis Christi.

67Hierna moet gehandeld worden over de uitwerkende oorzaak van Christus' lijden,

Et circa hoc quaeruntur sex: 1. Utrum Christus fuerit ab aliis occisus, vel a seipso. — 2. Ex quo motivo seipsum passioni tradiderit. — 3. Utrum Pater tradiderit eum ad patiendum. — 4. Utrum fuerit conveniens ut per manus gentium pateretur, vel potius a Judaeis. — 5. Utrum occisores ejus eum cognoverint. — 6. De peccato eorum, qui Christum occiderunt.

en over dit punt stellen we zes vragen : 1. Werd Christus door anderen gedood of door zichzelf? 2. Uit welk motief gaf Hij zich aan het lijden over? 3. Heeft de Vader Hem overgeleverd om te lijden? 4. Was het passend dat Hij leed door toedoen der heidenen of meer door de Joden? 5. Hebben zij, die Hem doodden, Hem gekend? 6. Over de zonde van hen, die Christus gedood hebben.en over dit punt stellen we zes vragen: 1. Werd Christus door anderen gedood of door zichzelf? 2. Uit welk motief gaf Hij zich aan het lijden over? 3. Heeft de Vader Hem overgeleverd om te lijden? 4. Was het passend dat Hij leed door toedoen van de heidenen of meer door de Joden? 5. Hebben zij, die Hem doodden, Hem gekend? 6. Over de zonde van hen, die Christus gedood hebben.

Articulus I

Utrum Christus fuerit ab alio occisus, an a seipso

[Comp. Theol. cap. 230.]
Ie Artikel

Werd Christus door anderen gedood of door zichzelf?

antwoord 1 ↓

68Ad primum sic proceditur. Videtur quod Christus non fuerit ab alio occisus, sed a seipso. Dicit enim ipse, Joan. 10. [v. 18] : « Nemo tollit animam meam a me, sed ego pono eam ». Ille autem dicitur aliquem occidere qui animam ejus tollit. Non est ergo Christus ab aliis occisus, sed a seipso.

68Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet door anderen gedood werd, maar door zichzelf. — 1. Bij Joannes (10. 18) immers zegt Hij zelf: « Niemand neemt het leven van Mij weg, maar Ik leg het zelf af. » Wij nu zeggen, dat hij, die iemands leven wegneemt, hem doodt. Dus is Christus niet door anderen gedood, maar door zichzelf.68Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet door anderen gedood werd, maar door zichzelf. — 1. Bij Johannes (10, 18) immers zegt Hij zelf: “Niemand neemt het leven van Mij weg, maar Ik leg het zelf af.” Wij nu zeggen, dat hij, die iemands leven wegneemt, hem doodt. Dus is Christus niet door anderen gedood, maar door zichzelf.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, illi qui ab aliis occiduntur, paulatim, debilitata natura, deficiunt. Et maxime hoc apparet in crucifixis: ut enim dicit Augustinus in 4. de Trin. [cap. 13.], « longa morte cruciabantur ligno suspensi ». In Christo autem non hoc accidit: nam « clamans voce magna emisit spiritum » ut dicitur Matth. 27. [v. 50]. Non ergo Christus est ab aliis occisus, sed a seipso.

2. Zij, die door anderen gedood worden, begeven het langzamerhand, doordat de natuur zwakker wordt; en dit blijkt het meest bij de gekruisigden; zooals immers Augustinus zegt « wordt de aan het kruis geslagene, door een langzamen dood gekweld. » Dit gebeurde niet bij Christus, want « met luider stemme roepende, gaf Hij den geest, » zooals gezegd wordt bij Mattheus (27. 50). Dus werd Christus niet door anderen gedood, maar door zichzelf.2. Zij, die door anderen gedood worden, begeven het langzamerhand, doordat de natuur zwakker wordt; en dit blijkt het meest bij de gekruisigden; zoals immers Augustinus zegt “wordt de aan het kruis geslagene, door een langzamen dood gekweld.” Dit gebeurde niet bij Christus, want “met luider stemme roepende, gaf Hij de geest,” zoals gezegd wordt bij Matteüs (27, 50). Dus werd Christus niet door anderen gedood, maar door zichzelf.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, illi qui ab aliis occiduntur, per violentiam moriuntur: et 69ita non voluntarie, quia violentum opponitur voluntario. Sed Augustinus dicit in 4. de Trinitate [loc. cit.], quod, « spiritus Christi non deseruit carnem invitus: sed quia voluit, quando voluit, et quomodo voluit ». Non ergo Christus est ab aliis occisus, sed a seipso.

3. Zij, die door anderen worden gedood, sterven een 69gewelddadigen dood, en dus niet vrijwillig, daar het gewelddadige in strijd is met vrijwillig. Augustinus zegt echter, dat « Christus' geest het vleesch niet onvrijwillig verliet, maar omdat Hij het zelf wilde, toen Hij het wilde, en zooals Hij het wilde. » Dus werd Christus niet door anderen den dood aangedaan, maar door zichzelf.3. Zij, die door anderen worden gedood, sterven een 69gewelddadigen dood, en dus niet vrijwillig, daar het gewelddadige in strijd is met vrijwillig. Augustinus zegt echter, dat “Christus' geest het vlees niet onvrijwillig verliet, maar omdat Hij het zelf wilde, toen Hij het wilde, en zoals Hij het wilde.” Dus werd Christus niet door anderen de dood aangedaan, maar door zichzelf.

Sed contra est quod dicitur Luc. 18. [v. 33] : « Postquam flagellaverint, occident eum ».

Daartegenover staat echter, wat Lucas (18. 33) zegt: « Na Hem gegeeseld te hebben zullen zij Hem dooden. »Daartegenover staat echter, wat Lukas (18, 33) zegt: “Na Hem gegeseld te hebben zullen zij Hem doden.”

Respondeo dicendum quod aliquid potest esse causa alicujus effectus dupliciter. Uno modo, directe ad illud agendo. Et hoc modo persecutores Christi eum occiderunt: quia sufficientem causam mortis ei intulerunt, cum intentione occidendi ipsum et effectu subsequente, quia scilicet ex illa causa est mors subsecuta.

Leerstelling. — Iets kan op dubbele wijze een effect veroorzaken. — Vooreerst door het direct uit te werken. En zoo hebben Christus' vervolgers Hem gedood, daar zij Hem een afdoende doodsoorzaak aandeden, met de bedoeling om Hem te dooden, en wel met goed gevolg, wijl nl. deze oorzaak den dood tengevolge had.Leerstelling. — Iets kan op dubbele wijze een effect veroorzaken. — Vooreerst door het direct uit te werken. En zo hebben Christus' vervolgers Hem gedood, daar zij Hem een afdoende doodsoorzaak aandeden, met de bedoeling om Hem te doden, en wel met goed gevolg, wijl nl. deze oorzaak de dood tengevolge had.

Alio modo dicitur aliquid causa alicujus indirecte, scilicet quia non impedit, cum impedire possit: sicut si dicatur aliquis alium perfundere quia non clausit fenestram, per quam imber ingreditur. Et hoc modo ipse Christus fuit causa suae passionis, et mortis. Poterat enim suam passionem et 70mortem impedire. Primo quidem, adversarios reprimendo: ut eum aut non vellent, aut non possent interficere. Secundo, quia spiritus ejus habebat potestatem conservandi naturam carnis suae, ne a quocumque laesivo inflicto opprimeretur. Quod quidem habuit anima Christi quia erat Verbo Dei conjuncta in unitate personae: ut Augustinus dicit, in 4. de Trinitate [cap. 13.]. Quia ergo anima Christi non repulit a proprio corpore nocumentum illatum, sed voluit quod natura corporalis illi nocumento succumberet, dicitur suam animam posuisse, vel voluntarie mortuus esse.

— Vervolgens wordt iemand de oorzaak van iets genoemd op indirecte wijze, nl. omdat hij iets niet verhindert, ofschoon hij het kan: gelijk wanneer men zegt, dat iemand wordt nat gemaakt door hem, die het venster niet sluit, waar de regen door binnenkomt. En op deze wijze was Christus zelf oorzaak van zijn lijden en dood. Hij kon immers zijn lijden en dood 70verhinderen. En wel vooreerst door zijn tegenstanders tegen te houden, zoo, dat zij Hem niet wilden of konden dooden. Tweedens, omdat zijn geest de macht had, de natuur van zijn vleesch te bewaren, zoodat het door geen aangedaan letsel werd overweldigd. Wat de ziel van Christus doen kon, omdat zij met het Woord Gods was vereenigd in één persoon, zooals Augustinus zegt. Omdat dus de ziel van Christus niet het aangedane letsel van het eigen lichaam afweerde, maar wilde, dat de lichamelijke natuur aan dat letsel zou te gronde gaan, zeggen wij, dat Hij zijn ziel heeft afgelegd of vrijwillig gestorven is.— Vervolgens wordt iemand de oorzaak van iets genoemd op indirecte wijze, nl. omdat hij iets niet verhindert, ofschoon hij het kan: gelijk wanneer men zegt, dat iemand wordt nat gemaakt door hem, die het venster niet sluit, waar de regen door binnenkomt. En op deze wijze was Christus zelf oorzaak van zijn lijden en dood. Hij kon immers zijn lijden en dood 70verhinderen. En wel vooreerst door zijn tegenstanders tegen te houden, zo, dat zij Hem niet wilden of konden doden. Tweedens, omdat zijn geest de macht had, de natuur van zijn vlees te bewaren, zodat het door geen aangedaan letsel werd overweldigd. Wat de ziel van Christus doen kon, omdat zij met het Woord Gods was verenigd in één persoon, zoals Augustinus zegt. Omdat dus de ziel van Christus niet het aangedane letsel van het eigen lichaam afweerde, maar wilde, dat de lichamelijke natuur aan dat letsel zou te gronde gaan, zeggen wij, dat Hij zijn ziel heeft afgelegd of vrijwillig gestorven is.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod, cum dicitur, « Nemo tollit animam meam a me », intelligitur, « me invito ». Quod enim aliquis ab invito aufert, qui resistere non potest, illud proprie dicitur « tolli ».

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Als gezegd wordt: « Niemand neemt mijn leven weg, » moet daarbij verstaan worden « tegen mijn wil. » Wat men immers van iemand, die geen weerstand kan bieden tegen zijn wil afneemt, dat wordt in eigenlijken zin « weggenomen. »Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Als gezegd wordt: “Niemand neemt mijn leven weg,” moet daarbij verstaan worden “tegen mijn wil.” Wat men immers van iemand, die geen weerstand kan bieden tegen zijn wil afneemt, dat wordt in eigenlijke zin “weggenomen.”

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod, ut Christus ostenderet quod passio illata per violentiam ejus animam non eripiebat, naturam corporalem in sua fortitudine conservavit, ut etiam in extremis positus voce magna clamaret. Quod inter alia miracula mortis ejus computatur. Unde dicitur Marc. 15. 71[v. 39] : « Videns autem Centurio qui ex adverso stabat, quia sic clamans expirasset, ait: Vere hic homo Filius Dei erat ».

2. Christus heeft zijn lichamelijke natuur krachtig gehouden, om aan te toonen, dat het gewelddadig aangedane lijden zijn leven niet wegnam, zoodat Hij op zijn uiterste nog met luide stem riep, wat dan ook gerekend wordt bij de andere wonderen, die zijn dood begeleidden. Daarom wordt gezegd bij Marcus (15. 39) : 71« Toen de honderdman, die tegenover Hem post had gevat, zag, dat Hij zoo roepende, gestorven was, sprak hij: Waarlijk, deze man was Gods Zoon. »2. Christus heeft zijn lichamelijke natuur krachtig gehouden, om aan te tonen, dat het gewelddadig aangedane lijden zijn leven niet wegnam, zodat Hij op zijn uiterste nog met luide stem riep, wat dan ook gerekend wordt bij de andere wonderen, die zijn dood begeleidden. Daarom wordt gezegd bij Marcus (15, 39): 71“Toen de honderdman, die tegenover Hem post had gevat, zag, dat Hij zo roepende, gestorven was, sprak hij: Waarlijk, deze man was Gods Zoon.”

Fuit etiam et mirabile in Christi morte quod velocius mortuus fuit aliis qui simili poena afficiebantur. Unde dicitur Joan. 19. [v. 32, 33], quod eorum qui cum Christo crucifixi erant, « fregerunt crura », ut cito morerentur: « ad Jesum autem cum venissent, ut viderunt eum jam mortuum, non fregerunt ejus crura ». Et Marc. 15. [v. 44] dicitur quod: « Pilatus mirabatur si jam obiisset ». Sicut enim ejus voluntate natura corporalis conservata est in suo vigore usque ad extremum, sic etiam, quando voluit, subito cessit nocumento illato.

Het was ook wonderbaar in Christus' dood, dat Hij vlugger stierf, dan de anderen, die dezelfde straf ondergingen. Daarom wordt gezegd in Joannes (19. 32, 33) dat « zij » van hen, die met Christus gekruisigd waren, « de beenderen braken, » opdat zij vlugger zouden sterven; « bij Jesus gekomen braken zij Hem de beenderen niet, toen zij zagen, dat Hij reeds gestorven was. » En bij Marcus (15. 44) wordt gezegd, dat « Pilatus er over verwonderd was, dat Hij reeds dood zou zijn. » Gelijk immers door zijn wil de lichamelijke natuur tot 't laatste bij krachten was gehouden, zoo ook begaf zij het, ten gevolge van het aangedane letsel, toen Hij het wilde.Het was ook wonderbaar in Christus' dood, dat Hij vlugger stierf, dan de anderen, die dezelfde straf ondergingen. Daarom wordt gezegd in Johannes (19, 32, 33) dat “zij” van hen, die met Christus gekruisigd waren, “de beenderen braken,” opdat zij vlugger zouden sterven; “bij Jesus gekomen braken zij Hem de beenderen niet, toen zij zagen, dat Hij reeds gestorven was.” En bij Marcus (15, 44) wordt gezegd, dat “Pilatus er over verwonderd was, dat Hij reeds dood zou zijn.” Gelijk immers door zijn wil de lichamelijke natuur tot 't laatste bij krachten was gehouden, zo ook begaf zij het, ten gevolge van het aangedane letsel, toen Hij het wilde.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod Christus simul et violentiam passus est, ut moreretur, et tamen voluntarie mortuus fuit: quia violentia corpori ejus illata est, quae tamen tantum corpori ejus praevaluit quantum ipse voluit.

3. Christus heeft wel geweld geleden, om te sterven, en is tevens toch vrijwillig gestorven, daar dit zijn lichaam aangedane geweld in zooverre op zijn lichaam de overhand kreeg, als Hij het zelf wilde.3. Christus heeft wel geweld geleden, om te sterven, en is tevens toch vrijwillig gestorven, daar dit zijn lichaam aangedane geweld in zoverre op zijn lichaam de overhand kreeg, als Hij het zelf wilde.

Articulus II

Utrum Christus fuerit ex obedientia mortuus

[Lib. 4. Contr. g. cap. 55. ad 14. et 16. et Comp. Theol. cap. 227. et Rom. cap. 5. lect. 5.]
IIe Artikel

Is Christus uit gehoorzaamheid gestorven?

antwoord 1 ↓

72Ad secundum sic proceditur. Videtur quod Christus non fuerit ex obedientia mortuus. Obedientia enim respicit praeceptum. Sed non legitur Christo fuisse praeceptum quod ipse pateretur. Non ergo ex obedientia passus fuit.

72Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet uit gehoorzaamheid is gestorven. — 1. Gehoorzaamheid immers ziet terug op een gebod. Nergens echter lezen we van een gebod, dat Christus lijden moest. Dus leed Hij niet uit gehoorzaamheid.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, illud dicitur aliquis ex obedientia facere quod facit ex necessitate praecepti. Christus autem non ex necessitate, sed voluntarie passus fuit. Non ergo passus est ex obedientia.

2. Iemand doet iets uit gehoorzaamheid, als hij het doet, genoodzaakt door een gebod. Christus leed echter niet uit noodzaak, maar vrijwillig. Dus leed Hij niet uit gehoorzaamheid.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, charitas est excellentior virtus quam obedientia. Sed Christus legitur ex charitate passus: secundum illud Eph. 5. [v. 2] : « Ambulate in dilectione: sicut et Christus dilexit nos, et tradidit semetipsum pro nobis ». Ergo passio Christi magis debet attribui charitati quam obedientiae.

3. De liefde is een hoogere deugd dan de gehoorzaamheid. Van Christus lezen we echter, dat Hij uit liefde stierf, volgens het woord in den Brief aan de Ephesiërs (5. 2) : « Wandelt in de liefde, zooals ook Christus ons heeft liefgehad en zichzelf voor ons heeft overgeleverd. » Dus moet het lijden van Christus meer toegeschreven worden aan zijn liefde, dan aan zijn gehoorzaamheid.3. De liefde is een hogere deugd dan de gehoorzaamheid. Van Christus lezen we echter, dat Hij uit liefde stierf, volgens het woord in de Brief aan de Efesiërs (5, 2): “Wandelt in de liefde, zoals ook Christus ons heeft liefgehad en zichzelf voor ons heeft overgeleverd.” Dus moet het lijden van Christus meer toegeschreven worden aan zijn liefde, dan aan zijn gehoorzaamheid.

73Sed contra est quod dicitur Philipp. 2. [v. 8] : « Factus est obediens Patri usque ad mortem ».

73Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt in den Brief aan de Philippensen (2. 8) : « Aan den Vader is Hij gehoorzaam geworden tot den dood. »73Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt in de Brief aan de Filippenzen (2, 8): “Aan de Vader is Hij gehoorzaam geworden tot de dood.”

Respondeo dicendum quod convenientissimum fuit, quod Christus ex obedientia pateretur. Primo quidem, quia hoc conveniebat justificationi humanae: ut « sicut per unius hominis inobedientiam peccatores constituti sunt multi, ita per unius hominis obedientiam justi constituantur multi ». ut dicitur Rom. 5. [v. 19].

Leerstelling. — Het was zeer passend, dat Christus leed uit gehoorzaamheid. — Vooreerst, omdat dit strookte met de rechtvaardigmaking van den mensch, opdat « zooals door de ongehoorzaamheid van één mensch velen tot zondaars zijn geworden, zoo ook door de gehoorzaamheid van één mensch velen zouden gerechtvaardigd worden, » zooals staat in den Brief aan de Romeinen (5. 19).Leerstelling. — Het was zeer passend, dat Christus leed uit gehoorzaamheid. — Vooreerst, omdat dit strookte met de rechtvaardigmaking van de mens, opdat “zoals door de ongehoorzaamheid van één mens velen tot zondaars zijn geworden, zo ook door de gehoorzaamheid van één mens velen zouden gerechtvaardigd worden,” zoals staat in de Brief aan de Romeinen (5, 19).

Secundo hoc conveniens fuit reconciliationi Dei ad homines, unde dicitur Rom. 5. [v. 10] : « Reconciliati sumus Deo per mortem Filii ejus »: inquantum scilicet ipsa mors Christi fuit quoddam sacrificium acceptissimum Deo, secundum illud Eph. 5. [v. 2] : « Tradidit seipsum pro nobis oblationem et hostiam Deo in odorem suavitatis ». Obedientia vero omnibus sacrificiis antefertur: secundum illud 1. Reg. 15. [v. 22] : « Melior est obedientia quam victimae ». Et ideo conveniens fuit ut sacrificium passionis et mortis Christi ex obedientia procederet.

— Ten tweede was dit aangepast aan de verzoening van God met de menschen. Daarom wordt gezegd in den Brief aan de Romeinen (5. 10) : « Wij zijn met God verzoend door den dood van zijn Zoon, » in zoover nl. Christus' dood zelf een Gode alleraangenaamst offer was, volgens het woord in den Brief aan de Ephesiërs (5. 2) : « Hij heeft zich voor ons gegeven als gave en offer tot een lieflijken geur voor God. » Gehoorzaamheid staat echter hooger dan alle offers, volgens het woord in het Eerste Boek der Koningen (15. 22) : « Gehoorzaamheid is beter dan offers. » En dus was het passend, dat het offer van Christus' lijden en dood voortkwam uit gehoorzaamheid.— Ten tweede was dit aangepast aan de verzoening van God met de mensen. Daarom wordt gezegd in de Brief aan de Romeinen (5, 10): “Wij zijn met God verzoend door de dood van zijn Zoon,” in zover nl. Christus' dood zelf een Gode alleraangenaamst offer was, volgens het woord in de Brief aan de Efesiërs (5, 2): “Hij heeft zich voor ons gegeven als gave en offer tot een lieflijken geur voor God.” Gehoorzaamheid staat echter hoger dan alle offers, volgens het woord in het Eerste Boek van de Koningen (15, 22)a: “Gehoorzaamheid is beter dan offers.” En dus was het passend, dat het offer van Christus' lijden en dood voortkwam uit gehoorzaamheid.

74Tertio, hoc conveniens fuit ejus victoriae, qua de morte et auctore mortis triumphavit. Non enim miles vincere potest nisi duci obediat. Et ita homo Christus victoriam obtinuit per hoc quod Deo obediens fuit: secundum illud Prov. 21. [v. 28] : « Vir obediens loquitur victorias ».

— Ten derde paste dit bij zijn 74overwinning, waarmee Hij over den dood en over den maker van den dood zegevierde. Een soldaat kan immers niet overwinnen, tenzij hij gehoorzaamt aan den veldheer. En zoo behaalde de mensch Christus de overwinning, doordat Hij gehoorzaam was aan God, volgens het woord in het Boek der Spreuken (21. 28) : « De gehoorzame man kan van overwinningen spreken. »— Ten derde paste dit bij zijn 74overwinning, waarmee Hij over de dood en over de maker van de dood zegevierde. Een soldaat kan immers niet overwinnen, tenzij hij gehoorzaamt aan de veldheer. En zo behaalde de mens Christus de overwinning, doordat Hij gehoorzaam was aan God, volgens het woord in het Boek van de Spreuken (21, 28): “De gehoorzame man kan van overwinningen spreken.”

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod Christus mandatum accepit a Patre, ut pateretur: dicitur enim Joan. 10. [v. 18] : « Potestatem habeo ponendi animam meam, et potestatem habeo iterum sumendi eam: et hoc mandatum accepi a Patre meo », scilicet ponendi animam et sumendi eam. Ex quo, ut Chrysostomus dicit, [hom. 59 in Joan.], non est intelligendum quod « prius expectaverit audire, et opus ei fuerit discere: sed voluntarium monstravit processum, et contrarietatis » ad Patrem « suspicionem destruxit ».

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Christus ontving van den Vader opdracht om te lijden. In Joannes (10. 18) immers wordt gezegd: « Ik heb macht om mijn leven af te leggen en Ik heb macht om het weer op te nemen, en dit bevel heb Ik van mijn Vader gekregen, » nl. om het leven af te leggen en weer op te nemen. Hieruit moet men nu niet opmaken, zegt Chrysostomus, dat « Hij eerst wachtte om te hooren, en dat Hij noodig had iets te vernemen, maar Hij toonde, dat de voortgang in overeenstemming was met zijn wil, en de gedachte aan oneenigheid » met den Vader « nam Hij weg. »Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Christus ontving van de Vader opdracht om te lijden. In Johannes (10, 18) immers wordt gezegd: “Ik heb macht om mijn leven af te leggen en Ik heb macht om het weer op te nemen, en dit bevel heb Ik van mijn Vader gekregen,” nl. om het leven af te leggen en weer op te nemen. Hieruit moet men nu niet opmaken, zegt Chrysostomus, dat “Hij eerst wachtte om te horen, en dat Hij nodig had iets te vernemen, maar Hij toonde, dat de voortgang in overeenstemming was met zijn wil, en de gedachte aan onenigheid” met de Vader “nam Hij weg.”

Quia tamen in morte Christi lex vetus consummata est, secundum illud quod ipse moriens dixit, Joan. 19. [v. 30] : « Consummatum est » ; potest intelligi quod patiendo omnia veteris legis praecepta implevit. Moralia quidem, quae in praeceptis charitatis fundantur, implevit inquantum passus 75est et ex dilectione Patris, secundum illud Joan. 14. [v. 31] : « Ut cognoscat mundus, quia diligo Patrem, et sicut mandatum dedit mihi Pater, sic facio, surgite, eamus hinc », scilicet ad locum passionis; et etiam ex dilectione proximi, secundum illud Gal. 2. [v. 20] : « Dilexit me, et tradidit semetipsum pro me ». Ceremonialia vero praecepta legis, quae ad sacrificia et oblationes praecipue ordinantur, implevit Christus sua passione inquantum omnia antiqua sacrificia figurae fuerunt illius veri sacrificii quod Christus obtulit moriendo pro nobis. Unde dicitur Coloss 2. [v. 16, 17] : « Nemo vos judicet in cibo aut in potu, aut in parte diei festi aut neomeniae: quae sunt umbra futurorum, corpus autem Christi », eo scilicet quod Christus comparatur ad illa sicut corpus ad umbram. Praecepta vero judicialia legis, quae praecipue ordinantur ad satisfaciendum injuriam passis, implevit Christus sua passione, quoniam, ut in Psal. 68. [v. 5] dicitur, « quae non rapuit exsolvit » permittens se ligno affigi pro pomo quod de ligno homo rapuerat contra Dei mandatum.

Daar echter met den dood van Christus de Oude Wet in vervulling ging, zooals Hij zelf stervende zeide, bij Joannes (19. 30) : « Het is volbracht, » kan men zien, dat Hij door te lijden, alle voorschriften van de Oude Wet heeft vervuld. De moreele, die steunen op het gebod der liefde, heeft 75Hij vervuld, door te lijden, zoowel uit liefde voor den Vader, naar het woord van Joannes (14. 31) : « Opdat de wereld wete, dat Ik den Vader liefheb, en zooals de Vader het Mij bevolen heeft, zoo doe Ik het ook; staat op, laat ons gaan, » nl. naar de plaats van het lijden; als ook uit liefde tot den naaste, naar het woord in den Brief aan de Galaten (2. 20) : « Hij heeft mij liefgehad, en zich voor mij overgeleverd. » De ceremonieel-voorschriften, welke vooral op de sacrificies en offeranden betrekking hadden, heeft Christus vervuld door zijn lijden, in zoover alle oude sacrificies voorafbeeldingen waren van dat echte sacrificie, dat Christus opdroeg door voor ons te sterven. Daarom wordt gezegd in den Brief aan de Colossensen (2. 16, 17) : « Niemand oordeele u met betrekking tot spijs en drank of feestdag, of nieuwe maan, welke dingen slechts een schaduwbeeld zijn van het toekomstige, maar het lichaam is van Christus, » omdat Christus nl. daarbij wordt vergeleken als een lichaam bij zijn schaduw. De rechtsvoorschriften echter der Wet, die vooral betrekking hadden op de voldoening, te brengen aan hen, die onrecht leden, heeft Christus vervuld door te lijden; daarom wordt in het Boek der Psalmen (68. 5) gezegd: « Wat Hij niet heeft weggeroofd, heeft Hij betaald, » door zich aan het kruis te laten hechten om een appel, welke de mensch tegen het gebod van God in van den boom had weggeroofd.Daar echter met de dood van Christus de Oude Wet in vervulling ging, zoals Hij zelf stervende zeide, bij Johannes (19, 30): “Het is volbracht,” kan men zien, dat Hij door te lijden, alle voorschriften van de Oude Wet heeft vervuld. De morele, die steunen op het gebod van de liefde, heeft 75Hij vervuld, door te lijden, zowel uit liefde voor de Vader, naar het woord van Johannes (14, 31): “Opdat de wereld wete, dat Ik de Vader liefheb, en zoals de Vader het Mij bevolen heeft, zo doe Ik het ook; staat op, laat ons gaan,” nl. naar de plaats van het lijden; als ook uit liefde tot de naaste, naar het woord in de Brief aan de Galaten (2, 20): “Hij heeft mij liefgehad, en zich voor mij overgeleverd.” De ceremonieel-voorschriften, welke vooral op de sacrificies en offeranden betrekking hadden, heeft Christus vervuld door zijn lijden, in zover alle oude sacrificies voorafbeeldingen waren van dat echte sacrificie, dat Christus opdroeg door voor ons te sterven. Daarom wordt gezegd in de Brief aan de Colossensen (2, 16, 17): “Niemand oordele u met betrekking tot spijs en drank of feestdag, of nieuwe maan, welke dingen slechts een schaduwbeeld zijn van het toekomstige, maar het lichaam is van Christus,” omdat Christus nl. daarbij wordt vergeleken als een lichaam bij zijn schaduw. De rechtsvoorschriften echter van de Wet, die vooral betrekking hadden op de voldoening, te brengen aan hen, die onrecht leden, heeft Christus vervuld door te lijden; daarom wordt in het Boek van de Psalmen (68, 5)b gezegd: “Wat Hij niet heeft weggeroofd, heeft Hij betaald,” door zich aan het kruis te laten hechten om een appel, welke de mens tegen het gebod van God in van de boom had weggeroofd.

↑ bedenking 2

76Ad secundum dicendum quod obedientia, etsi importat voluntatem1 respectu ejus quod praecipitur, tamen importat voluntatem respectu impletionis praecepti. Et talis fuit obedientia Christi. Nam ipsa passio et mors, secundum se considerata, naturali voluntati repugnabat: volebat tamen Christus Dei voluntatem circa hoc implere, secundum illud Psal. 39. [v. 9] : « Ut facerem voluntatem tuam, Deus meus, volui ». Unde dicebat, Matth. 26. [v. 42] : « Si non potest transire a me calix iste nisi bibam illum, fiat voluntas tua ».

762. Ofschoon gehoorzaamheid noodzaak insluit met betrekking tot het bevolene, sluit zij toch ook den vrijen wil in, met betrekking tot de vervulling van het gebod. En zoo was het gesteld met de gehoorzaamheid van Christus. Want het lijden zelf en de dood, waren op zich beschouwd in strijd met de natuurlijke wilsstreving; maar Christus wilde Gods wilsbeschikking over dit punt volbrengen, naar het woord van het Boek der Psalmen (39. 9) : « Mijn God, Ik heb gewild uw wil te doen. » Daarom zegt Hij bij Mattheus (26. 42) : « Als deze kelk niet aan Mij kan voorbijgaan, tenzij ik hem drinke, uw wil geschiede. »762. Ofschoon gehoorzaamheid noodzaak insluit met betrekking tot het bevolene, sluit zij toch ook de vrije wil in, met betrekking tot de vervulling van het gebod. En zo was het gesteld met de gehoorzaamheid van Christus. Want het lijden zelf en de dood, waren op zich beschouwd in strijd met de natuurlijke wilsstreving; maar Christus wilde Gods wilsbeschikking over dit punt volbrengen, naar het woord van het Boek van de Psalmen (39, 9)c: “Mijn God, Ik heb gewild uw wil te doen.” Daarom zegt Hij bij Matteüs (26, 42): “Als deze kelk niet aan Mij kan voorbijgaan, tenzij ik hem drinke, uw wil geschiede.”

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod eadem ratione Christus passus est ex charitate, et obedientia: quia et praecepta charitatis2 ex obedientia implevit, et obediens fuit ex dilectione ad Patrem praecipientem.

3. Om dezelfde reden heeft Christus geleden, zoowel uit liefde als uit gehoorzaamheid: daar Hij het gebod der liefde louter uit gehoorzaamheid vervulde, en Hij gehoorzaam was uit liefde tot den Vader, die Hem 't bevel gaf.3. Om dezelfde reden heeft Christus geleden, zowel uit liefde als uit gehoorzaamheid: daar Hij het gebod van de liefde louter uit gehoorzaamheid vervulde, en Hij gehoorzaam was uit liefde tot de Vader, die Hem 't bevel gaf.

Articulus III

Utrum Deus Pater tradiderit Christum passioni

[3. Dist. 20. art. 5. qla 1.]
IIIe Artikel

Leverde God de Vader Christus over aan het lijden?

antwoord 1 ↓

77Ad tertium sic proceditur. Videtur quod Deus Pater non tradiderit Christum passioni. Iniquum enim et crudele videtur esse quod innocens passioni et morti tradatur. Sed, sicut dicitur Deut. 32. [v. 4] : « Deus fidelis et absque ulla iniquitate ». Ergo Christum innocentem non tradidit passioni et morti.

77Bedenkingen. — Men beweert dat God de Vader Christus niet overleverde aan het lijden. — 1. Het is immers onbillijk en wreed iemand onschuldig over te leveren aan lijden en dood. Maar, zoo wordt gezegd in het Boek Deuteronomium (32. 4) : « God is getrouw en zonder eenige onbillijkheid. » Dus gaf Hij den onschuldigen Christus niet over aan lijden en dood.77Bedenkingen. — Men beweert dat God de Vader Christus niet overleverde aan het lijden. — 1. Het is immers onbillijk en wreed iemand onschuldig over te leveren aan lijden en dood. Maar, zo wordt gezegd in het Boek Deuteronomium (32, 4): “God is getrouw en zonder enige onbillijkheid.” Dus gaf Hij de onschuldige Christus niet over aan lijden en dood.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, non videtur quod aliquis a seipso, et ab alio morti tradatur. Sed Christus tradidit semetipsum pro nobis: secundum quod dicitur Isa. 53. [v. 12] : « Tradidit in mortem animam suam ». Non ergo videtur quod Deus Pater eum tradiderit.

2. Iemand kan niet zichzelf aan den dood overleveren en tegelijk door een ander overgeleverd worden. Christus heeft echter zichzelf voor ons overgeleverd, zooals staat in Isaïas (53. 12) : « Hij leverde zijn ziel over aan den dood. » Dus heeft God de Vader Hem niet overgeleverd.2. Iemand kan niet zichzelf aan de dood overleveren en tegelijk door een ander overgeleverd worden. Christus heeft echter zichzelf voor ons overgeleverd, zoals staat in Jesaja (53, 12): “Hij leverde zijn ziel over aan de dood.” Dus heeft God de Vader Hem niet overgeleverd.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Judas vituperatur ex eo quod tradidit Christum Judaeis: secundum illud Joan. 6. [v. 71, 72] : « Unus ex vobis diabolus est: quod dicebat propter Judam, qui eum erat traditurus ». Similiter etiam 78vituperantur Judaei, qui eum tradiderunt Pilato: secundum quod ipse dicit, Joan. 18. [v. 35] : « Gens tua et pontifices tui tradiderunt te mihi ». Pilatus etiam « tradidit ipsum ut crucifigeretur »: ut habetur Joan. 19. [v. 16]. « Non est autem participatio justitiae cum iniquitate », ut dicitur 2. ad Cor. 6. [v. 14]. Ergo videtur quod Deus Pater non tradiderit Christum passioni.

3. Judas wordt gelaakt, omdat hij Christus aan de Joden overleverde, zooals staat in Joannes (6. 71) : « Een onder u is een duivel, » hetgeen Hij zeide met het oog op Judas, die Hem zou overleveren. Evenzoo wordt het den Joden verweten, dat zij Hem 78overleverden aan Pilatus, hetgeen deze zelf zegt bij Joannes (18. 35) : « Uw volk en uw priesters hebben U aan mij overgeleverd. » Ook Pilatus « gaf Hem over ter kruisiging, » zooals gezegd wordt bij Joannes (19. 16). « De gerechtigheid heeft echter geen deel met de ongerechtigheid, » zooals gezegd wordt in den Tweeden Brief aan de Corinthiërs (6. 14). Dus gaf God de Vader Christus niet aan het lijden over.3. Judas wordt gelaakt, omdat hij Christus aan de Joden overleverde, zoals staat in Johannes (6, 71): “Een onder u is een duivel,” hetgeen Hij zeide met het oog op Judas, die Hem zou overleveren. Evenzo wordt het de Joden verweten, dat zij Hem 78overleverden aan Pilatus, hetgeen deze zelf zegt bij Johannes (18, 35): “Uw volk en uw priesters hebben U aan mij overgeleverd.” Ook Pilatus “gaf Hem over ter kruisiging,” zoals gezegd wordt bij Johannes (19, 16). “De gerechtigheid heeft echter geen deel met de ongerechtigheid,” zoals gezegd wordt in de Tweede Brief aan de Korintiërs (6, 14). Dus gaf God de Vader Christus niet aan het lijden over.

Sed contra est quod dicitur Rom. 8. [v. 32] : « Proprio Filio suo non pepercit Deus, sed pro nobis omnibus tradidit illum ».

Daartegenover staat echter, wat gezegd wordt in den Brief aan de Romeinen (8. 32) : « God heeft zijn eigen Zoon niet gespaard, maar Hem voor ons allen overgeleverd. »Daartegenover staat echter, wat gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (8, 32): “God heeft zijn eigen Zoon niet gespaard, maar Hem voor ons allen overgeleverd.”

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est [art. praec.], Christus passus est voluntarie ex obedientia Patris. Unde secundum tria Deus Pater tradidit Christum passioni. Uno quidem modo, secundum quod sua aeterna voluntate praeordinavit passionem Christi ad humani generis liberationem: secundum illud quod dicitur Isa. 53. [v. 6] : « Dominus posuit in eo iniquitatem omnium nostrum »; et iterum [v. 10] : « Dominus voluit conterere eum in infirmitate ». Secundo, inquantum inspiravit ei voluntatem 79patiendi pro nobis, infundendo ei charitatem. Unde ibidem [v. 7] sequitur: « Oblatus est quia ipse voluit ». Tertio, non protegendo eum a passione, sed exponendo persequentibus. Unde et legitur Matth. 27. [v. 46] quod pendens in cruce Christus dicebat: « Deus meus, Deus meus, ut quid dereliquisti me? » quia scilicet potestati persequentium eum exposuit, ut Augustinus dicit de Gratia novi Testamenti1 [scilicet epist. 140. cap. 10.].

Leerstelling. — Zooals in het vorige artikel gezegd is, heeft Christus vrijwillig geleden uit gehoorzaamheid aan den Vader. Daarom heeft God de Vader Christus in drieërlei opzicht aan het lijden overgeleverd. — Vooreerst, in zooverre Hij in zijn eeuwige wilsbeschikking verordend had, dat Christus zou lijden tot verlossing van het menschelijk geslacht, overeenkomstig het gezegde bij Isaïas (53. 6) : « De Heer legde op Hem de ongerechtigheid van ons allen; » en wederom (v. 10) : « De Heer wilde Hem door lijden verbrijzelen. » — Ten tweede, in 79zooverre Hij Hem den wil ingaf, om voor ons te lijden, door Hem de liefde in te storten. Vandaar dat de genoemde plaats voortgaat (v. 7) : « Hij is geslachtofferd, omdat Hij het zelf wilde. » — Ten derde, door Hem niet tegen het lijden te beschermen, maar Hem prijs te geven aan zijn vervolgers. Daarom ook lezen wij bij Mattheus (27. 46), dat Christus, hangend aan het kruis, zeide: « Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? », daar Hij Hem nl. prijs gaf aan de macht zijner vervolgers, zooals Augustinus zegt.Leerstelling. — Zoals in het vorige artikel gezegd is, heeft Christus vrijwillig geleden uit gehoorzaamheid aan de Vader. Daarom heeft God de Vader Christus in drieërlei opzicht aan het lijden overgeleverd. — Vooreerst, in zoverre Hij in zijn eeuwige wilsbeschikking verordend had, dat Christus zou lijden tot verlossing van het menselijk geslacht, overeenkomstig het gezegde bij Jesaja (53, 6): “De Heer legde op Hem de ongerechtigheid van ons allen;” en wederom (v. 10): “De Heer wilde Hem door lijden verbrijzelen.” — Ten tweede, in 79zoverre Hij Hem de wil ingaf, om voor ons te lijden, door Hem de liefde in te storten. Vandaar dat de genoemde plaats voortgaat (v. 7): “Hij is geslachtofferd, omdat Hij het zelf wilde.” — Ten derde, door Hem niet tegen het lijden te beschermen, maar Hem prijs te geven aan zijn vervolgers. Daarom ook lezen wij bij Matteüs (27, 46), dat Christus, hangend aan het kruis, zeide: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?”, daar Hij Hem nl. prijs gaf aan de macht van zijn vervolgers, zoals Augustinus zegt.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod innocentem hominem passioni et morti tradere contra ejus voluntatem, est impium et crudele. Sic autem Deus Pater Christum non tradidit, sed inspirando ei voluntatem patiendi pro nobis. In quo ostenditur et Dei severitas, qui peccatum sine poena dimittere noluit, quod signat Apostolus dicens [Rom. 8. v. 32] : « Proprio Filio suo non pepercit »: et bonitas ejus in eo, quod cum homo sufficienter satisfacere non posset per aliquam poenam quam pateretur, ei satisfactorem 80dedit, quod signavit Apostolus dicens: « Pro nobis omnibus tradidit illum ». Et Rom. 3. [v. 25] dicit: « Quem », scilicet Christum, « proposuit Deus propitiatorem per fidem in sanguine ipsius ».

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het is goddeloos en wreed een onschuldig mensch tegen zijn wil over te leveren aan lijden en dood. Maar zoo heeft God de Vader Christus niet overgeleverd, maar door Hem den wil in te geven om voor ons te lijden. Hierin komt tot uiting zoowel de strengheid van God, die de zonde niet straffeloos wilde vergeven: wat de Apostel aanduidt als hij zegt in den Brief aan de Romeinen (8. 32) : « Zijn eigen Zoon heeft Hij niet gespaard; » als ook zijn goedheid door het feit, dat Hij den mensch, die door eigen lijden niet genoeg voldoening zou kunnen geven, iemand gaf, die voor hem voldeed: 80wat de Apostel aangeeft als hij zegt « Hij heeft Hem voor ons overgeleverd; » en in den Brief aan de Romeinen (3. 25) zegt hij: « En Hem, » nl. Christus, « stelde God tot Verzoener door het geloof in zijn bloed. »Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het is goddeloos en wreed een onschuldig mens tegen zijn wil over te leveren aan lijden en dood. Maar zo heeft God de Vader Christus niet overgeleverd, maar door Hem de wil in te geven om voor ons te lijden. Hierin komt tot uiting zowel de strengheid van God, die de zonde niet straffeloos wilde vergeven: wat de Apostel aanduidt als hij zegt in de Brief aan de Romeinen (8, 32): “Zijn eigen Zoon heeft Hij niet gespaard;” als ook zijn goedheid door het feit, dat Hij de mens, die door eigen lijden niet genoeg voldoening zou kunnen geven, iemand gaf, die voor hem voldeed: 80wat de Apostel aangeeft als hij zegt “Hij heeft Hem voor ons overgeleverd;” en in de Brief aan de Romeinen (3, 25) zegt hij: “En Hem,” nl. Christus, “stelde God tot Verzoener door het geloof in zijn bloed.”

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod Christus, secundum quod Deus, tradidit semetipsum in mortem eadem voluntate et actione qua et Pater tradidit eum. Sed inquantum homo, tradidit seipsum voluntate a Patre inspirata. Unde non est contrarietas in hoc quod Pater tradidit Christum, et ipse tradidit semetipsum.

2. Christus gaf zich in zooverre Hij God was aan den dood over met denzelfden wil en dezelfde daad, waarmede ook de Vader Hem overgaf; maar als mensch gaf Hij zichzelf over met dat wilsverlangen, dat de Vader Hem had ingegeven. Daarom ligt er geen tegenspraak in, dat de Vader Christus overleverde, en dat Hij zichzelf overgaf.2. Christus gaf zich in zoverre Hij God was aan de dood over met dezelfde wil en dezelfde daad, waarmede ook de Vader Hem overgaf; maar als mens gaf Hij zichzelf over met dat wilsverlangen, dat de Vader Hem had ingegeven. Daarom ligt er geen tegenspraak in, dat de Vader Christus overleverde, en dat Hij zichzelf overgaf.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod eadem actio diversimode judicatur in bono vel in malo, secundum quod ex diversa radice procedit. Pater enim tradidit Christum, et ipse semetipsum, ex charitate: et ideo laudantur. Judas autem tradidit ipsum ex cupiditate, Judaei autem2 ex invidia, Pilatus ex timore mundano, quo timuit Caesarem: et ideo ipsi vituperantur.

3. Dezelfde daad wordt verschillend beoordeeld ten goede of ten kwade, in zoover zij uit een verschillenden grond voortkomt. Want de Vader leverde Christus over, en deze zichzelf, uit liefde: en daarom zijn zij te prijzen. Judas echter leverde Hem over uit hebzucht, de Joden uit afgunst, Pilatus uit de wereldsche vrees, waarmee hij den Caesar vreesde: en daarom worden zij berispt.3. Dezelfde daad wordt verschillend beoordeeld ten goede of ten kwade, in zover zij uit een verschillenden grond voortkomt. Want de Vader leverde Christus over, en deze zichzelf, uit liefde: en daarom zijn zij te prijzen. Judas echter leverde Hem over uit hebzucht, de Joden uit afgunst, Pilatus uit de wereldse vrees, waarmee hij de Caesar vreesde: en daarom worden zij berispt.

Articulus IV

Utrum fuerit conveniens Christum pati a Gentilibus

IVe Artikel

Was het passend, dat Christus leed door toedoen der heidenen?Was het passend, dat Christus leed door toedoen van de heidenen?

antwoord 1 ↓

81Ad quartum sic proceditur. Videtur quod non fuerit conveniens Christum pati a Gentilibus. Quia enim per mortem Christi homines erant a peccato liberandi, conveniens videbatur ut paucissimi in morte ejus peccarent. Peccaverunt autem in morte ejus Judaei, ex quorum persona dicitur, Matth. 21. [v. 38] : « Hic est haeres: venite, occidamus eum ». Ergo videtur conveniens fuisse quod in peccato occisionis Christi Gentiles non implicarentur.

81Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet passend was, dat Christus leed door toedoen der heidenen. — 1. Daar immers door Christus' dood de menschen van de zonde moesten verlost worden, scheen het passend, dat zoo weinig mogelijk menschen in zijn dood zouden zondigen. Met zijn dood nu zondigden de Joden, uit wier naam gezegd wordt bij Mattheus (21. 38) : « Dit is de erfgenaam, komt, laten wij hem dooden. » Derhalve was het passend, dat de heidenen niet betrokken werden in de zonde van den moord op Christus.81Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet passend was, dat Christus leed door toedoen van de heidenen. — 1. Daar immers door Christus' dood de mensen van de zonde moesten verlost worden, scheen het passend, dat zo weinig mogelijk mensen in zijn dood zouden zondigen. Met zijn dood nu zondigden de Joden, uit wier naam gezegd wordt bij Matteüs (21, 38): “Dit is de erfgenaam, komt, laten wij hem doden.” Derhalve was het passend, dat de heidenen niet betrokken werden in de zonde van de moord op Christus.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, veritas debet respondere figurae. Sed figuralia sacrificia veteris legis non Gentiles, sed Judaei offerebant. Ergo neque passio Christi, quae fuit verum sacrificium, impleri debuit per manus Gentilium.

2. De werkelijkheid moet beantwoorden aan de voorafbeelding. De voorafbeeldende offers nu van de Oude Wet droegen de Joden op, en niet de heidenen. Dus moest ook het lijden van Christus, dat het waarachtige offer was, niet door de handen van heidenen voltrokken worden.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, sicut dicitur Joan. 5. [v. 18] : « Judaei quaerebant Christum interficere, non solum quia solvebat sabbatum, sed etiam quia 82Patrem suum dicebat Deum, aequalem se Deo faciens ». Sed hoc videbatur esse solum contra legem Judaeorum: unde et ipsi dicunt, Joan. 19. [v. 7] : « Secundum legem debet mori quia filium Dei se fecit ». Videtur ergo conveniens fuisse quod Christus non a Gentilibus, sed a Judaeis pateretur: et falsum esse quod dixerunt, « Nobis non licet interficere quemquam » [Joan. 18. v. 31], cum multa peccata secundum legem morte puniantur, ut patet Levit. 20.

3. Zooals gezegd wordt bij Joannes (5. 18) « zochten de Joden Christus te dooden, niet alleen, omdat Hij den sabbat 82schond, maar ook, omdat Hij God zijn Vader noemde, zichzelf gelijkstellend met God. » Dit echter was alleen in strijd met de Wet der Joden. Daarom ook zeggen zij zelf bij Joannes (19. 7) : « Volgens de Wet moet Hij sterven, omdat Hij zich tot Zoon van God heeft verklaard. » Het schijnt dus behoorlijk geweest te zijn, dat Christus niet door de heidenen, maar door toedoen der Joden leed, en het schijnt dan een valschheid, dat zij zeiden: « Ons is het niet geoorloofd, iemand te dooden » (Joan. 18. 31), daar vele zonden volgens de Wet met den dood werden gestraft, zooals blijkt uit het Boek Leviticus (20).3. Zoals gezegd wordt bij Johannes (5, 18) “zochten de Joden Christus te doden, niet alleen, omdat Hij de sabbat 82schond, maar ook, omdat Hij God zijn Vader noemde, zichzelf gelijkstellend met God.” Dit echter was alleen in strijd met de Wet van de Joden. Daarom ook zeggen zij zelf bij Johannes (19, 7): “Volgens de Wet moet Hij sterven, omdat Hij zich tot Zoon van God heeft verklaard.” Het schijnt dus behoorlijk geweest te zijn, dat Christus niet door de heidenen, maar door toedoen van de Joden leed, en het schijnt dan een valsheid, dat zij zeiden: “Ons is het niet geoorloofd, iemand te doden” (Joh. 18. 31), daar vele zonden volgens de Wet met de dood werden gestraft, zoals blijkt uit het Boek Leviticus (20).

Sed contra est quod ipse Dominus dicit, Matth. 20. [v. 19] : « Tradent eum gentibus ad illudendum et flagellandum et crucifigendum ».

Daartegenover staat echter, dat de Heer zelf bij Mattheus (20. 19) zegt: « Zij zullen Hem overleveren aan de heidenen, om bespot en gegeeseld en gekruisigd te worden. »Daartegenover staat echter, dat de Heer zelf bij Matteüs (20, 19) zegt: “Zij zullen Hem overleveren aan de heidenen, om bespot en gegeseld en gekruisigd te worden.”

Respondeo dicendum quod in ipso modo passionis Christi praefiguratus est effectus ipsius. Primo enim passio Christi effectum salutis habuit in Judaeis, quorum plurimi in morte Christi baptizati sunt, ut patet Act. 2. et 3. [v. 41. et v. 4]. Secundo vero, Judaeis praedicantibus, effectus passionis Christi transivit ad gentes. Et ideo conveniens fuit ut Christus a 83Judaeis pati inciperet, et postea, Judaeis tradentibus, per manus Gentilium ejus passio finiretur.

Leerstelling. — In de wijze van Christus' lijden komt zijn uitwerking vooraf tot uiting. — Want vooreerst had het lijden van Christus een heilzaam gevolg voor de Joden, waarvan de meesten in Christus' dood gedoopt zijn, zooals blijkt uit de Handelingen der Apostelen (2. 41 ; 3. 4). — Vervolgens strekte zich het gevolg van Christus' lijden ook tot de heidenen uit, door de prediking der Joden. En derhalve was het passend, dat Christus' 83lijden begon door toedoen der Joden, en dat vervolgens, toen de Joden Hem overleverden, zijn lijden voltooid werd door de handen der heidenen.Leerstelling. — In de wijze van Christus' lijden komt zijn uitwerking vooraf tot uiting. — Want vooreerst had het lijden van Christus een heilzaam gevolg voor de Joden, waarvan de meesten in Christus' dood gedoopt zijn, zoals blijkt uit de Handelingen van de Apostelen (2, 41; 3. 4). — Vervolgens strekte zich het gevolg van Christus' lijden ook tot de heidenen uit, door de prediking van de Joden. En derhalve was het passend, dat Christus' 83lijden begon door toedoen van de Joden, en dat vervolgens, toen de Joden Hem overleverden, zijn lijden voltooid werd door de handen van de heidenen.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod Christus ad ostendendam abundantiam charitatis suae, ex qua patiebatur, in cruce positus veniam persecutoribus postulavit; et ideo ut hujus petitionis fructus ad Judaeos et Gentiles perveniret, voluit Christus ab utrisque pati.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Om den overvloed zijner liefde te toonen, waaruit zijn lijden voortkwam, heeft Christus op het kruis vergiffenis gevraagd voor zijn vervolgers; en daarom wilde Hij, door toedoen van beiden, lijden, opdat de vrucht van deze smeeking zou toekomen zoowel aan Joden als aan heidenen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Om de overvloed van zijn liefde te tonen, waaruit zijn lijden voortkwam, heeft Christus op het kruis vergiffenis gevraagd voor zijn vervolgers; en daarom wilde Hij, door toedoen van beiden, lijden, opdat de vrucht van deze smeking zou toekomen zowel aan Joden als aan heidenen.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod passio Christi fuit sacrificii oblatio inquantum Christus propria voluntate mortem sustinuit ex charitate. Inquantum autem a persecutoribus est passus, non fuit sacrificium, sed peccatum gravissimum.

2. Het lijden van Christus was een slachtoffering, in zoover Christus met vrijen wil den dood onderging uit liefde. In zoover Hij echter leed door toedoen zijner vervolgers, was het geen offer, maar de zwaarste zonde.2. Het lijden van Christus was een slachtoffering, in zover Christus met vrijen wil de dood onderging uit liefde. In zover Hij echter leed door toedoen van zijn vervolgers, was het geen offer, maar de zwaarste zonde.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod, sicut Augustinus dicit, [tract. 114. in Joan.], Judaei dicentes: « Nobis non licet interficere quemquam », intellexerunt « non sibi licere interficere quemquam propter festi diei sanctitatem, quam celebrare jam coeperant ».

3. Zooals Augustinus zegt, bedoelden de Joden met te zeggen: « Ons is het niet geoorloofd iemand te dooden, » « dat het hun niet vrij stond iemand te dooden om de heiligheid van den feestdag, welken zij juist begonnen waren te vieren. »3. Zoals Augustinus zegt, bedoelden de Joden met te zeggen: “Ons is het niet geoorloofd iemand te doden,” “dat het hun niet vrij stond iemand te doden om de heiligheid van de feestdag, welke zij juist begonnen waren te vieren.”

Vel hoc dicebant, ut Chrysostomus dicit, [hom. 82. in Joan.], quia volebant eum occidi, non tanquam transgressorem legis, sed tanquam 84publicum hostem, quia regem se fecerat: de quo non erat eorum judicare. Vel quia non licebat eis crucifigere, quod cupiebant, sed lapidare: quod in Stephano fecerunt.

— Ofwel zeiden zij dit, zooals Chrysostomus zegt, omdat zij Hem wilden dooden, niet als een overtreder der Wet, maar als een publieken vijand, daar Hij zich voor koning uitgegeven had, waarover het 84hun niet toekwam een veroordeeling uit te spreken. — Ofwel, omdat het hun niet vrij stond iemand te kruisigen, hetgeen zij verlangden, maar enkel te steenigen, hetgeen zij met Stephanus deden.— Ofwel zeiden zij dit, zoals Chrysostomus zegt, omdat zij Hem wilden doden, niet als een overtreder van de Wet, maar als een publieken vijand, daar Hij zich voor koning uitgegeven had, waarover het 84hun niet toekwam een veroordeling uit te spreken. — Ofwel, omdat het hun niet vrij stond iemand te kruisigen, hetgeen zij verlangden, maar enkel te stenigen, hetgeen zij met Stephanus deden.

Vel melius dicendum est quod per Romanos, quibus erant subjecti, erat eis potestas occidendi interdicta.

— Ofwel beter gezegd, omdat hun door de Romeinen, aan wie zij onderworpen waren, de macht ontzegd was, iemand te dooden.— Ofwel beter gezegd, omdat hun door de Romeinen, aan wie zij onderworpen waren, de macht ontzegd was, iemand te doden.

Articulus V

Utrum Christi persecutores eum cognoverint

[1. ad Cor. cap. 2. lect. 2.]
Ve Artikel

Hebben de vervolgers van Christus Hem gekend?

antwoord 1 ↓

84Ad quintum sic proceditur. Videtur quod persecutores Christi eum cognoverint. Dicitur enim Matth. 21. [v. 38], quod « agricolae, videntes filium, dixerunt inter se: Hic est haeres, venite, occidamus eum ». Ubi dicit Hieronymus [comm. lib. 6.] : « Manifeste Dominus probat ex his verbis Judaeorum principes non per ignorantiam, sed per invidiam Dei Filium crucifixisse. Intellexerunt enim eum esse illum cui Pater per 85Prophetam dicit: Postula a me, et dabo tibi gentes haereditatem tuam ». Ergo videtur quod cognoverint eum esse Christum, vel Filium Dei.

84Bedenkingen. — Men beweert, dat de vervolgers van Christus Hem hebben gekend. — 1. Bij Mattheus (21. 38) wordt immers gezegd « dat de landbouwers, toen ze den zoon zagen, tot elkaar zeiden: Dit is de erfgenaam, komt, laten wij hem dooden, » waarop Hieronymus aanmerkt: « De Heer bewijst met deze woorden duidelijk, dat de Joodsche overheden den Zoon van God niet uit ontwetendheid, maar uit afgunst gekruisigd hebben. Zij begrepen immers, dat Hij degene was, van wien de Vader 85door den mond van den Profeet zeide: Vraag van Mij, en Ik zal U de volkeren tot erfdeel geven » (Ps. 2. 8). Zij schijnen dus geweten te hebben, dat Hij de Christus of de Zoon Gods was.84Bedenkingen. — Men beweert, dat de vervolgers van Christus Hem hebben gekend. — 1. Bij Matteüs (21, 38) wordt immers gezegd “dat de landbouwers, toen ze de zoon zagen, tot elkaar zeiden: Dit is de erfgenaam, komt, laten wij hem doden,” waarop Hieronymus aanmerkt: “De Heer bewijst met deze woorden duidelijk, dat de Joodse overheden de Zoon van God niet uit ontwetendheid, maar uit afgunst gekruisigd hebben. Zij begrepen immers, dat Hij degene was, van wie de Vader 85door de mond van de Profeet zeide: Vraag van Mij, en Ik zal U de volkeren tot erfdeel geven” (Ps. 2. 8). Zij schijnen dus geweten te hebben, dat Hij de Christus of de Zoon Gods was.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Joan. 15. [v. 24] Dominus dicit: « Nunc autem et viderunt et oderunt et me et Patrem meum ». Quod autem videtur, manifeste cognoscitur. Ergo Judaei, cognoscentes Christum, ex causa odii ei passionem intulerunt.

2. Bij Joannes (15. 24) zegt de Heer: « Maar nu hebben zij ze gezien en toch én Mij én Mijn Vader gehaat. » Wat men echter ziet, kent men duidelijk. Dus hebben de Joden, terwijl zij Christus kenden, Hem uit haat het lijden aangedaan.2. Bij Johannes (15, 24) zegt de Heer: “Maar nu hebben zij ze gezien en toch én Mij én Mijn Vader gehaat.” Wat men echter ziet, kent men duidelijk. Dus hebben de Joden, terwijl zij Christus kenden, Hem uit haat het lijden aangedaan.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, in quodam serm. Ephesini Conc. [cit. q. praec. art. 12. ad 2.] dicitur: « Sicut qui chartam imperialem discerpserit, tanquam imperatoris disrumpens verbum, ad mortem addicitur: sic crucifigens Judaeus quem viderat, poenas dabit tanquam in ipsum Deum Verbum praesumptiones injiciens ». Hoc autem non esset si eum esse Dei Filium non cognovissent: quia ignorantia eos excusasset. Ergo videtur quod Judaei crucifigentes Christum cognoverunt eum esse Filium Dei.

3. In een preek op het Concilie van Ephese, aangehaald in de vorige kwestie (12e Art. 2e Antw.), wordt gezegd: « Zooals hij, die het keizerlijk document verscheurt, ter dood wordt veroordeeld als verkrachter van het woord van den keizer, zoo zal de Jood, die dengene kruisigde, dien hij zag, moeten boeten als iemand, die vermetelheid begaat tegen het Woord Gods zelf. » Dit zou echter niet het geval zijn, als zij niet hadden geweten, dat Hij de Zoon Gods was, daar hun onwetendheid hen zou verontschuldigd hebben. Dus hebben de Joden, die Christus kruisigden, geweten, dat Hij de Zoon Gods was.3. In een preek op het Concilie van Efeze, aangehaald in de vorige kwestie (12e Art. 2e Antw.), wordt gezegd: “Zoals hij, die het keizerlijk document verscheurt, ter dood wordt veroordeeld als verkrachter van het woord van de keizer, zo zal de Jood, die dengene kruisigde, die hij zag, moeten boeten als iemand, die vermetelheid begaat tegen het Woord Gods zelf.” Dit zou echter niet het geval zijn, als zij niet hadden geweten, dat Hij de Zoon Gods was, daar hun onwetendheid hen zou verontschuldigd hebben. Dus hebben de Joden, die Christus kruisigden, geweten, dat Hij de Zoon Gods was.

Sed contra est quod dicitur 1. ad Cor. 2. [v. 8] : « Si cognovissent, nunquam Dominum gloriae crucifixissent » et Act. 3. [v. 17] dicit Petrus, 86Judaeis loquens: « Scio quia per ignorantiam fecistis, sicut et principes vestri ». Et Dominus, in cruce pendens, dicit: « Pater, dimitte illis: non enim sciunt, quid faciunt » [Luc. 23. v. 34].

Daartegenover staat echter het gezegde in den Eersten Brief aan de Corinthiërs (2. 8) : « Als zij Hem gekend hadden, zouden zij nooit den Heer der glorie gekruisigd hebben »; en in de 86Handelingen der Apostelen (3. 17) zegt Petrus, sprekende tot de Joden: « Ik weet, dat gij uit onwetendheid gehandeld hebt, zooals ook uw overheden »; en de Heer zegt, hangende aan het kruis: « Vader vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doen. » (Luc. 23. 34).Daartegenover staat echter het gezegde in de Eerste Brief aan de Korintiërs (2, 8): “Als zij Hem gekend hadden, zouden zij nooit de Heer van de glorie gekruisigd hebben”; en in de 86Handelingen van de Apostelen (3, 17) zegt Petrus, sprekende tot de Joden: “Ik weet, dat gij uit onwetendheid gehandeld hebt, zoals ook uw overheden”; en de Heer zegt, hangende aan het kruis: “Vader vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doen.” (Luk. 23. 34).

Respondeo dicendum quod apud Judaeos quidam erant majores, et quidam minores. Majores quidem, qui eorum « principes » dicebantur, ut dicitur in lib. QQ. veter., et novi Testam. [q. 66. inter op. Aug.], sicut et daemones cognoverunt, « eum esse Christum promissum in lege: omnia enim signa videbant in eo quae dixerunt futura Prophetae. Mysterium autem divinitatis ejus ignorabant ». Et ideo Apostolus dicit quod « si cognovissent, nunquam Dominum gloriae crucifixissent ».

Leerstelling. — Bij de Joden waren er hoogeren en lageren. De hoogeren nu, die hun « overheden » genoemd worden, wisten, zooals Augustinus zegt, evenals de duivelen, « dat Hij de Christus was, die in de Wet beloofd was: zij zagen immers al de teekenen in Hem verwerkelijkt, die de profeten voorzegd hadden. Het mysterie zijner Godheid kenden zij echter niet. » En daarom zegt de Apostel, dat « zij nooit den Heer der glorie zouden gekruisigd hebben, indien zij Hem gekend hadden. » (1 Cor. 2. 8)Leerstelling. — Bij de Joden waren er hogeren en lageren. De hogeren nu, die hun “overheden” genoemd worden, wisten, zoals Augustinus zegt, evenals de duivelen, “dat Hij de Christus was, die in de Wet beloofd was: zij zagen immers al de tekenen in Hem verwerkelijkt, die de profeten voorzegd hadden. Het mysterie van zijn Godheid kenden zij echter niet.” En daarom zegt de Apostel, dat “zij nooit de Heer van de glorie zouden gekruisigd hebben, indien zij Hem gekend hadden.” (1 Kor. 2. 8)

Sciendum tamen quod eorum ignorantia non eos excusabat a crimine: quia erat quodammodo ignorantia affectata. Videbant enim evidentia signa divinitatis ipsius: sed ex odio et invidia Christi ea pervertebant, et verbis ejus, quibus se Dei Filium fatebatur, credere noluerunt. Unde ipse de eis dicit Joan. 15. [v. 22] : « Si non venissem, et locutus eis non fuissem, 87peccatum non haberent: nunc autem excusationem non habent de peccato suo ». Et postea subdit [v. 24] : « Si opera non fecissem in eis quae nemo alius fecit, peccatum non haberent ». Et sic ex persona eorum accipi potest quod dicitur Job. 21. [v. 14] : « Dixerunt Deo: Recede a nobis, scientiam viarum tuarum nolumus ».

Men moet echter weten, dat hun onwetendheid hen niet van hun misdaad vrijpleitte, daar het in zekeren zin een opzettelijke onwetendheid was. Zij zagen immers de evidente teekenen van zijn Godheid, maar uit haat en afgunst tegen Christus, hebben zij deze ontzenuwd; en zij weigerden geloof te hechten aan zijn woorden, waarmee Hij getuigde, dat Hij de Zoon Gods was. Daarom zegt Hij ook zelf van hen bij Joannes (15. 22) : « Indien ik niet 87gekomen was en niet tot hen gesproken had, zouden zij geen zonden gehad hebben; nu echter hebben zij geen verontschuldiging voor hun zonde. » En Hij voegt er verder aan toe (v. 24) : « Als Ik voor hun oogen de werken niet gedaan had, die geen ander doet, dan zouden zij geen zonde gehad hebben. » En zoo kan men van hen verstaan, wat gezegd wordt in het Boek Job (21. 14) : « Zij zeiden tot God: Ga van ons weg, wij willen uw wegen niet kennen. »Men moet echter weten, dat hun onwetendheid hen niet van hun misdaad vrijpleitte, daar het in zekeren zin een opzettelijke onwetendheid was. Zij zagen immers de evidente tekenen van zijn Godheid, maar uit haat en afgunst tegen Christus, hebben zij deze ontzenuwd; en zij weigerden geloof te hechten aan zijn woorden, waarmee Hij getuigde, dat Hij de Zoon Gods was. Daarom zegt Hij ook zelf van hen bij Johannes (15, 22): “Indien ik niet 87gekomen was en niet tot hen gesproken had, zouden zij geen zonden gehad hebben; nu echter hebben zij geen verontschuldiging voor hun zonde.” En Hij voegt er verder aan toe (v. 24): “Als Ik voor hun ogen de werken niet gedaan had, die geen ander doet, dan zouden zij geen zonde gehad hebben.” En zo kan men van hen verstaan, wat gezegd wordt in het Boek Job (21, 14): “Zij zeiden tot God: Ga van ons weg, wij willen uw wegen niet kennen.”

Minores vero, idest populares, qui mysteria Scripturae non noverant, non plene cognoverunt ipsum esse nec Christum nec Filium Dei: licet enim1 aliqui eorum in eum crediderint. Multitudo tamen non credidit. Et si aliquando dubitaverunt an ipse esset Christus, propter signorum multitudinem et efficaciam doctrinae, ut habetur Joan. 7. [v. 31, 41 et ss.] : tamen postea decepti fuerunt a suis principibus ut eum non crederent neque Filium Dei, neque Christum. Unde et Petrus eis dixit: « Scio quia per ignorantiam fecistis, sicut et principes vestri »: quia scilicet per principes seducti erant.

— De minderen echter, d. i. de volksmenschen, die de geheimen der Schrift niet kenden, hebben niet juist geweten, noch dat Hij de Christus, noch dat Hij de Zoon Gods was, alhoewel sommigen van hen in Hem geloofden. De massa echter geloofde niet. En al hebben zij soms in twijfel gestaan of Hij wel de Christus was, om de vele teekenen en de afdoendheid van zijn leer, zooals staat in Joannes (7. 31, 41 en vlg.), toch zijn zij naderhand door hun overheden misleid, zoodat zij Hem niet geloofden, noch dat Hij de Zoon Gods, noch dat Hij de Christus was. Daarom zegt ook Petrus tot hen: « Ik weet, dat gij uit onwetendheid gehandeld hebt, zooals ook uw overheden » (Handel. 3. 17), omdat zij nl. door hun overheden misleid waren.— De minderen echter, d.i. de volksmensen, die de geheimen van de Schrift niet kenden, hebben niet juist geweten, noch dat Hij de Christus, noch dat Hij de Zoon Gods was, alhoewel sommigen van hen in Hem geloofden. De massa echter geloofde niet. En al hebben zij soms in twijfel gestaan of Hij wel de Christus was, om de vele tekenen en de afdoendheid van zijn leer, zoals staat in Johannes (7, 31, 41 en vlg.), toch zijn zij naderhand door hun overheden misleid, zodat zij Hem niet geloofden, noch dat Hij de Zoon Gods, noch dat Hij de Christus was. Daarom zegt ook Petrus tot hen: “Ik weet, dat gij uit onwetendheid gehandeld hebt, zoals ook uw overheden” (Handel. 3. 17), omdat zij nl. door hun overheden misleid waren.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod illa verba dicuntur ex persona 88colonorum vineae, per quos significantur rectores illius populi, qui eum cognoverunt esse haeredem, inquantum cognoverunt eum esse Christum promissum in lege.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Deze woorden 88worden gesproken uit naam der wijnbouwers, met wie de leiders van het volk worden aangeduid, die wisten dat Hij de erfgenaam was, in zoover zij wisten, dat Hij de Christus was, die in de Wet voorspeld was.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Deze woorden 88worden gesproken uit naam van de wijnbouwers, met wie de leiders van het volk worden aangeduid, die wisten dat Hij de erfgenaam was, in zover zij wisten, dat Hij de Christus was, die in de Wet voorspeld was.

Sed contra hanc responsionem esse videtur, quod illa verba Ps. 2. [v. 8] : « Postula a me, et dabo tibi gentes haereditatem tuam », eidem dicuntur cui dicitur, [ibid. v. 7] : « Filius meus es tu, ego hodie genui te ». Si ergo cognoverunt, eum esse illum, cui dictum est: « Postula a me et dabo tibi gentes haereditatem tuam » sequitur quod cognoverint eum esse Filium Dei. Chrysostomus etiam ibidem [scilicet homil. 40.] dicit quod « cognoverunt eum esse Filium Dei ». Beda etiam super illud Luc. 23. [Expos. lib. 6. v. 34] : « Quia nesciunt, quid faciunt »: « Notandum », inquit, « quod non pro eis orat qui, quem Filium Dei intellexerunt, crucifigere quam confiteri maluerunt ».

Met dit antwoord schijnt echter in strijd, het feit, dat de woorden uit het Boek der Psalmen (2. 8) : « Vraag van Mij, en Ik zal U de volkeren tot erfdeel geven, » gezegd worden tot denzelfde, als tot wien gezegd wordt: « Gij zijt mijn Zoon, Ik heb U heden geteeld. » (v. 7) Als zij dus geweten hadden, dat Hij degene was, tot wien gezegd werd: « Vraag van Mij enz., » dan volgt, dat zij geweten hebben, dat Hij de Zoon Gods was. Chrysostomus zegt, dat « zij Hem gekend hebben als den Zoon van God. » En ook Beda zegt, naar aanleiding van het woord bij Lucas (23. 34) : « Want zij weten niet, wat zij doen »: « Bedenk, dat Hij niet bidt voor hen, die dengene, dien zij kenden als den Zoon van God, liever wilden kruisigen, dan belijden. »Met dit antwoord schijnt echter in strijd, het feit, dat de woorden uit het Boek van de Psalmen (2, 8): “Vraag van Mij, en Ik zal U de volkeren tot erfdeel geven,” gezegd worden tot denzelfde, als tot wie gezegd wordt: “Gij zijt mijn Zoon, Ik heb U heden geteeld.” (v. 7) Als zij dus geweten hadden, dat Hij degene was, tot wie gezegd werd: “Vraag van Mij enz.,” dan volgt, dat zij geweten hebben, dat Hij de Zoon Gods was. Chrysostomus zegt, dat “zij Hem gekend hebben als de Zoon van God.” En ook Beda zegt, naar aanleiding van het woord bij Lukas (23, 34): “Want zij weten niet, wat zij doen”: “Bedenk, dat Hij niet bidt voor hen, die dengene, die zij kenden als de Zoon van God, liever wilden kruisigen, dan belijden.”

Sed ad hoc potest responderi quod cognoverunt eum esse Filium Dei, non per naturam, sed per excellentiam gratiae singularis. Possumus tamen dicere quod etiam verum Dei Filium cognovisse dicuntur, quia evidentia signa hujus rei habebant, quibus tamen assentire propter odium et invidiam 89noluerunt, ut eum cognoscerent esse Filium Dei.

Maar hierop kan men antwoorden, dat zij wisten, dat Hij de Zoon Gods was, niet van nature, maar door zijn uitstekende, buitengewone genade. Wij kunnen echter zeggen, dat van hen beweerd wordt, dat zij den waarachtigen Zoon Gods kenden, omdat zij de evidente bewijzen hiervan hadden; dat zij echter uit haat en afgunst 89weigerden, zich hiervoor gewonnen te geven en Hem te erkennen als Zoon van God.Maar hierop kan men antwoorden, dat zij wisten, dat Hij de Zoon Gods was, niet van nature, maar door zijn uitstekende, buitengewone genade. Wij kunnen echter zeggen, dat van hen beweerd wordt, dat zij de waarachtige Zoon Gods kenden, omdat zij de evidente bewijzen hiervan hadden; dat zij echter uit haat en afgunst 89weigerden, zich hiervoor gewonnen te geven en Hem te erkennen als Zoon van God.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod ante illa verba praemittitur, « Si opera non fecissem in eis, quae nemo alius fecit, peccatum non haberent » ; et postea subditur: « Nunc autem viderunt, et oderunt et me, et Patrem meum ». Per quod ostenditur, quod videntes opera Christi mirifica, ex odio processit quod eum Filium Dei non cognoverunt.

2. Aan die woorden gaat vooraf: « Indien Ik de werken, die geen ander doet, niet voor hun oogen gedaan had, dan zouden zij geen zonde hebben, » en later wordt eraan toegevoegd: « Nu echter hebben zij deze gezien, en Mij en Mijn Vader gehaat. » Waardoor wordt duidelijk gemaakt, dat het uit haat voortkwam, dat zij den Zoon Gods niet kenden, ofschoon zij de wonderwerken van Christus zagen.2. Aan die woorden gaat vooraf: “Indien Ik de werken, die geen ander doet, niet voor hun ogen gedaan had, dan zouden zij geen zonde hebben,” en later wordt eraan toegevoegd: “Nu echter hebben zij deze gezien, en Mij en Mijn Vader gehaat.” Waardoor wordt duidelijk gemaakt, dat het uit haat voortkwam, dat zij de Zoon Gods niet kenden, ofschoon zij de wonderwerken van Christus zagen.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod ignorantia affectata non excusat a culpa, sed magis videtur culpam aggravare: ostendit enim hominem sic vehementer esse affectum ad peccandum quod vult ignorantiam incurrere ne peccatum vitet. Et ideo Judaei peccaverunt, non solum tanquam hominis Christi, sed etiam tanquam Dei crucifixores.

3. Een opzettelijke onwetendheid verontschuldigt de schuld niet, maar schijnt veeleer de schuld te verzwaren: zij toont immers, dat 'n mensch zóó hevig tot zondigen geneigd is, dat hij onwetend wil blijven, om de zonde niet te behoeven vermijden. En daarom hebben de Joden gezondigd als kruisigers, niet alleen van den mensch Christus, maar ook van God.3. Een opzettelijke onwetendheid verontschuldigt de schuld niet, maar schijnt veeleer de schuld te verzwaren: zij toont immers, dat 'n mens zó hevig tot zondigen geneigd is, dat hij onwetend wil blijven, om de zonde niet te behoeven vermijden. En daarom hebben de Joden gezondigd als kruisigers, niet alleen van de mens Christus, maar ook van God.

Articulus VI

Utrum peccatum Christum crucifigentium fuerit gravissimum

VIe Artikel

Was de zonde van hen, die Christus kruisigden, de zwaarste?

antwoord 1 ↓

90Ad sextum sic proceditur. Videtur quod peccatum crucifigentium Christum non fuerit gravissimum. Non enim est gravissimum peccatum quod excusationem habet. Sed ipse Dominus excusavit peccatum crucifigentium eum, dicens [Luc. 23. v. 34] : « Pater, ignosce illis, quia nesciunt quid faciunt ». Non ergo peccatum eorum fuit gravissimum.

90Bedenkingen. — Men beweert, dat de zonde van hen, die Christus kruisigden niet de zwaarste was. — 1. Een zonde, waarvoor een verontschuldiging aan te voeren valt, is niet de zwaarste. God zelf echter verontschuldigde de zonde van zijn kruisigers, zeggend bij Lucas (23. 34) : « Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. » Dus was hun zonde niet de zwaarste.90Bedenkingen. — Men beweert, dat de zonde van hen, die Christus kruisigden niet de zwaarste was. — 1. Een zonde, waarvoor een verontschuldiging aan te voeren valt, is niet de zwaarste. God zelf echter verontschuldigde de zonde van zijn kruisigers, zeggend bij Lukas (23, 34): “Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.” Dus was hun zonde niet de zwaarste.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Dominus dixit Pilato, Joan. 19. [v. 11] : « Qui tradidit me tibi, majus peccatum habet ». Ipse autem Pilatus fecit Christum crucifigi per suos ministros. Ergo videtur fuisse majus peccatum Judae proditoris peccato crucifigentium Christum.

2. De Heer zegt tot Pilatus bij Joannes (19. 11) : « Die Mij aan u overleverde, hij heeft grootere zonde. » Pilatus zelf nu liet Christus door zijn dienaren kruisigen. Dus is de zonde van Judas den verrader grooter, dan de zonde van hen, die Christus gekruisigd hebben.2. De Heer zegt tot Pilatus bij Johannes (19, 11): “Die Mij aan u overleverde, hij heeft grotere zonde.” Pilatus zelf nu liet Christus door zijn dienaren kruisigen. Dus is de zonde van Judas de verrader groter, dan de zonde van hen, die Christus gekruisigd hebben.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, secundum Philosophum in 5. Ethic. [cap. 9. nr 6; cap. 11. nr 3; S. Th. lect. 14. et 17.], « nullus patitur injustum volens »: et, sicut ipse ibidem [S. Th. lect. 14.] dicit, « nullo patiente injustum, nullus facit injustum ». Ergo volenti nullus facit injustum. Sed Christus 91voluntarie est passus, ut supra habitum est [art. 1. huj. q. et art. 2. ad 2.]. Non ergo injustum fecerunt crucifixores Christi. Et ita eorum peccatum non fuit gravissimum.

3. Volgens den Wijsgeer « lijdt niemand willens onrecht; » en zooals hij ook zegt: « als er niemand is, die onrecht lijdt, is er ook niemand, die onrecht doet. » Dus niemand doet onrecht aan iemand, die dit verlangt. Christus nu heeft vrijwillig geleden, 91zooals boven gezegd is (1e Art. van deze Kw. 3e Antw. en 2e Art.). Dus begingen zij, die Christus kruisigden, geen onrecht, en was aldus hun zonde niet de zwaarste.3. Volgens de Wijsgeer “lijdt niemand willens onrecht;” en zoals hij ook zegt: “als er niemand is, die onrecht lijdt, is er ook niemand, die onrecht doet.” Dus niemand doet onrecht aan iemand, die dit verlangt. Christus nu heeft vrijwillig geleden, 91zoals boven gezegd is (1e Art. van deze Kw. 3e Antw. en 2e Art.). Dus begingen zij, die Christus kruisigden, geen onrecht, en was aldus hun zonde niet de zwaarste.

Sed contra est quod super illud Matth. 23. [v. 32] : « Et vos implete mensuram patrum vestrorum », dicit Chrysostomus [homil. 45.] : « Quantum ad veritatem, excesserunt mensuram patrum suorum. Illi enim occiderunt homines: isti Deum crucifixerunt ».

Daartegenover staat echter, dat op het gezegde van Mattheus (23. 32) : « En gij maakt de maat uwer vaderen vol, » Chrysostomus aanmerkt: « In werkelijkheid gingen zij de maat hunner vaderen te boven, want deze doodden menschen, zij echter kruisigden God. »Daartegenover staat echter, dat op het gezegde van Matteüs (23, 32): “En gij maakt de maat van uw vaderen vol,” Chrysostomus aanmerkt: “In werkelijkheid gingen zij de maat van hun vaderen te boven, want deze doodden mensen, zij echter kruisigden God.”

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est [art. praec.], principes Judaeorum cognoverunt Christum: et si aliqua ignorantia fuit in eis, fuit ignorantia affectata, quae eos non poterat excusare. Et ideo peccatum eorum fuit gravissimum: tum ex genere peccati; tum ex malitia voluntatis. Minores autem Judaei gravissime peccaverunt quantum ad genus peccati: in aliquo tamen diminuebatur eorum peccatum propter eorum ignorantiam. Unde super illud Luc. 23. [v. 34], « Nesciunt quid faciunt » dicit Beda [lib. 6. in Luc.] : « Pro illis rogat qui nescierunt quid facerent, zelum Dei habentes, sed non secundum scientiam ».

Leerstelling. — Zooals in het vorige artikel gezegd is, hebben de Joodsche overheden Christus gekend: en zoo er al bij hen eenige onwetendheid was, dan was het een opzettelijke onwetendheid, die hen niet kon verontschuldigen. En daarom was hun zonde het zwaarst, zoowel om de soort van zonde, als om de boosheid van hun wil. — De eenvoudigere Joden begingen echter de zwaarste zonde, wat de soort van zonde betreft, maar in zekeren zin werd hun zonde kleiner door hun onwetendheid. Vandaar dat bij het woord van Lucas (23. 34) : « Zij weten niet wat zij doen, » Beda zegt: « Hij vraagt voor hen, die niet wisten wat zij deden, die wel ijverden voor God, maar niet met het juiste inzicht. »Leerstelling. — Zoals in het vorige artikel gezegd is, hebben de Joodse overheden Christus gekend: en zo er al bij hen enige onwetendheid was, dan was het een opzettelijke onwetendheid, die hen niet kon verontschuldigen. En daarom was hun zonde het zwaarst, zowel om de soort van zonde, als om de boosheid van hun wil. — De eenvoudigere Joden begingen echter de zwaarste zonde, wat de soort van zonde betreft, maar in zekeren zin werd hun zonde kleiner door hun onwetendheid. Vandaar dat bij het woord van Lukas (23, 34): “Zij weten niet wat zij doen,” Beda zegt: “Hij vraagt voor hen, die niet wisten wat zij deden, die wel ijverden voor God, maar niet met het juiste inzicht.”

92Multo autem magis fuit excusabile peccatum Gentilium, per quorum manus crucifixus est, qui legis scientiam non habebant.

Veel 92meer viel de zonde van de heidenen te verontschuldigen, door wier hand Hij gekruisigd werd, omdat zij niet de kennis der Wet bezaten.Veel 92meer viel de zonde van de heidenen te verontschuldigen, door wier hand Hij gekruisigd werd, omdat zij niet de kennis van de Wet bezaten.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod excusatio illa Domini non refertur ad principes Judaeorum, sed ad minores de populo, sicut dictum est [in corp. art.].

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Die verontschuldiging van den Heer heeft geen betrekking op de Joodsche overheden, maar op de minderen van het volk, zooals in de leerstelling gezegd is.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Die verontschuldiging van de Heer heeft geen betrekking op de Joodse overheden, maar op de minderen van het volk, zoals in de leerstelling gezegd is.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod Judas tradidit Christum, non Pilato, sed principibus sacerdotum, qui tradiderunt eum Pilato: secundum illud Joan. 18. [v. 35] : « Gens tua et pontifices tui tradiderunt te mihi ». Horum tamen omnium peccatum fuit majus quam Pilati, qui timore Caesaris Christum occidit; et etiam quam peccatum militum, qui de mandato praesidis Christum crucifixerunt; non ex cupiditate, sicut Judas, nec ex invidia et odio, sicut principes sacerdotum.

2. Judas heeft Christus niet aan Pilatus overgeleverd, maar aan de opperpriesters, die Hem overleverden aan Pilatus, naar het woord van Joannes (18. 35) : « Uw volk en uw opperpriesters hebben U aan mij overgeleverd ». De zonde van deze allen echter was grooter, dan die van Pilatus, die uit vrees voor den Caesar Christus doodde; en ook was zij grooter dan de zonde der soldaten, die in opdracht van den landvoogd Christus kruisigden; niet uit hebzucht, zooals Judas, noch uit afgunst of haat, zooals de Joodsche overheden.2. Judas heeft Christus niet aan Pilatus overgeleverd, maar aan de opperpriesters, die Hem overleverden aan Pilatus, naar het woord van Johannes (18, 35): “Uw volk en uw opperpriesters hebben U aan mij overgeleverd”. De zonde van deze allen echter was groter, dan die van Pilatus, die uit vrees voor de Caesar Christus doodde; en ook was zij groter dan de zonde van de soldaten, die in opdracht van de landvoogd Christus kruisigden; niet uit hebzucht, zoals Judas, noch uit afgunst of haat, zoals de Joodse overheden.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod Christus voluit quidem suam passionem, sicut et Deus eam voluit: iniquam tamen actionem Judaeorum non voluit. Et ideo occisores Christi ab injustitia non excusantur. Et tamen ille qui 93occidit hominem, injuriam facit non solum homini occiso, sed etiam Deo et reipublicae: sicut etiam ille qui occidit seipsum, ut Philosophus dicit in 5. Ethic. [cap. 11. num. 3. S. Th. lect. 1.]. Unde et David damnavit illum ad mortem qui « non timuerat mittere manum ut occideret Christum Domini », quamvis eo petente, ut legitur 2. Reg. 1. v. 6 ss.

3. Christus wilde wel zijn lijden, zooals ook God het wilde, maar de misdadige handeling der Joden wilde Hij niet. En daarom worden de moordenaars van Christus niet van ongerechtigheid vrijgepleit. En toch doet hij, die een mensch doodt, niet alleen onrecht 93aan den mensch, dien hij doodt, maar ook aan God en de staat; zooals ook hij, die zichzelf doodt, zooals de Wijsgeer zegt. Daarom ook veroordeelde David hem ter dood, die « niet geaarzeld had den gezalfde van den Heer te dooden, » ofschoon deze er zelf om gevraagd had, zooals wij lezen in het Tweede Boek der Koningen (1. 6 en vlg.).3. Christus wilde wel zijn lijden, zoals ook God het wilde, maar de misdadige handeling van de Joden wilde Hij niet. En daarom worden de moordenaars van Christus niet van ongerechtigheid vrijgepleit. En toch doet hij, die een mens doodt, niet alleen onrecht 93aan de mens, die hij doodt, maar ook aan God en de staat; zoals ook hij, die zichzelf doodt, zoals de Wijsgeer zegt. Daarom ook veroordeelde David hem ter dood, die “niet geaarzeld had de gezalfde van de Heer te doden,” ofschoon deze er zelf om gevraagd had, zoals wij lezen in het Tweede Boek van de Koningen (1, 6 en vlg.)a.