De morte Christi, in sex articulos divisa
Over den dood van ChristusOver de dood van Christus
144Deinde considerandum est de morte Christi.
144Vervolgens moeten wij handelen over den dood van Christus.144Vervolgens moeten wij handelen over de dood van Christus.
Et circa hoc quaeruntur sex: 1. Utrum conveniens fuerit Christum mori. — 2. Utrum per mortem fuerit separata divinitas a carne. — 3. Utrum fuerit separata divinitas ab anima. — 4. Utrum Christus in triduo mortis fuerit homo. — 5. Utrum corpus ejus fuerit idem numero vivum et mortuum. — 6. Utrum mors ejus sit aliquid operata ad nostram salutem.
En hierover stellen wij zes vragen: 1. Was het passend, dat Christus stierf? 2. Werd door zijn dood de Godheid van zijn lichaam gescheiden? 3. Werd de Godheid van zijn ziel gescheiden? 4. Was Christus mensch in de drie dagen van zijn dood? 5. Was zijn lichaam bij leven en dood numeriek hetzelfde? 6. Heeft zijn dood iets uitgewerkt tot ons heil?En hierover stellen wij zes vragen: 1. Was het passend, dat Christus stierf? 2. Werd door zijn dood de Godheid van zijn lichaam gescheiden? 3. Werd de Godheid van zijn ziel gescheiden? 4. Was Christus mens in de drie dagen van zijn dood? 5. Was zijn lichaam bij leven en dood numeriek hetzelfde? 6. Heeft zijn dood iets uitgewerkt tot ons heil?
Utrum conveniens fuerit Christum mori
Was het passend dat Christus stierf?
145Ad primum sic proceditur. Videtur quod non fuerit conveniens Christum mori. Illud enim quod est primum principium in aliquo genere, non disponitur per illud quod est contrarium illi generi: sicut ignis, qui est principium caloris, nunquam potest esse frigidus. Sed Filius Dei est fons et principium omnis vitae, secundum illud Psal. 35. [v. 10] : « Apud te est fons vitae ». Ergo videtur quod non fuerit conveniens Christum mori.
145Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet passend was dat Christus stierf. — 1. Datgene immers, wat het eerste beginsel is in een bepaalde soort, wordt niet geschikt gemaakt door iets wat met die soort strijdig is, zooals het vuur, dat beginsel der warmte is, nooit koud kan zijn. De Zoon Gods echter is bron en beginsel van alle leven, naar het woord in het Boek der Psalmen (35. 10) : « Bij U is de bron des levens. » Dus was het niet passend, dat Christus stierf.145Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet passend was dat Christus stierf. — 1. Datgene immers, wat het eerste beginsel is in een bepaalde soort, wordt niet geschikt gemaakt door iets wat met die soort strijdig is, zoals het vuur, dat beginsel van de warmte is, nooit koud kan zijn. De Zoon Gods echter is bron en beginsel van alle leven, naar het woord in het Boek van de Psalmen (35, 10)a: “Bij U is de bron van het leven.” Dus was het niet passend, dat Christus stierf.
2. Praeterea, major est defectus mortis, quam morbi: quia per morbum pervenitur ad mortem. Sed non fuit conveniens Christum aliquo morbo languescere, ut Chrysostomus dicit. Ergo etiam non fuit conveniens Christum mori.
2. De dood is een grooter tekort dan ziekte, wijl men door ziekte tot den dood komt. Het was echter niet passend, dat Christus door een of andere ziekte ongesteld was, zooals Chrysostomus zegt. Dus was het ook niet passend, dat Hij stierf.2. De dood is een groter tekort dan ziekte, wijl men door ziekte tot de dood komt. Het was echter niet passend, dat Christus door een of andere ziekte ongesteld was, zoals Chrysostomus zegt. Dus was het ook niet passend, dat Hij stierf.
3. Praeterea, Dominus dicit Joan. 10. [v. 10] : « Ego veni ut vitam 146habeant. et abundantius habeant ». Sed oppositum non perducit ad oppositum. Ergo videtur quod non fuerit conveniens Christum mori.
3. De Heer zegt bij Joannes (10. 10) : « Ik ben gekomen, opdat zij leven zouden hebben en overvloedig leven zouden 146hebben. » Maar iets dat tegengesteld is, brengt niet tot het tegenovergestelde. Dus was het niet passend dat Christus stierf.3. De Heer zegt bij Johannes (10, 10): “Ik ben gekomen, opdat zij leven zouden hebben en overvloedig leven zouden 146hebben.” Maar iets dat tegengesteld is, brengt niet tot het tegenovergestelde. Dus was het niet passend dat Christus stierf.
Sed contra est quod dicitur Joan. 11. [v. 50] : « Expedit vobis, ut unus homo moriatur pro populo, et non tota gens pereat ». Quod quidem Caiphas prophetice dixit, ut Evangelista testatur.
Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt bij Joannes (11. 50) : « Het is U nuttig dat een mensch sterft voor het volk, en niet het geheele volk omkome. » Dit zeide Caïphas profetisch, zooals de Evangelist getuigt.Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt bij Johannes (11, 50): “Het is U nuttig dat een mens sterft voor het volk, en niet het gehele volk omkome.” Dit zeide Kajafas profetisch, zoals de Evangelist getuigt.
Respondeo dicendum quod conveniens fuit Christum mori. Primo quidem, ad satisfaciendum pro humano genere, quod erat morti adjudicatum propter peccatum, secundum illud Gen. 2. [v. 17] : « Quacumque die comederitis, morte moriemini ». Est autem conveniens satisfaciendi pro alio modus cum aliquis se subjicit poenae quam alius meruit. Et ideo Christus mori voluit, ut, moriendo, pro nobis satisfaceret: secundum illud 1. Pet. 3. [v. 18] : « Christus semel pro peccatis nostris mortuus est ». Secundo, ad ostendendum veritatem naturae assumptae. Sicut enim Eusebius dicit [in oratione de Laudibus Constantini, cap. 15.] : « Si aliter, post conversationem cum hominibus, evanescens subito evolaret fugiens mortem, 147ab omnibus compararetur phantasmati ». Tertio, ut moriendo, nos a timore mortis liberaret. Unde dicitur Heb. 2. [v. 14, 15], quod « communicavit carni et sanguini, ut per mortem destrueret eum qui habeat mortis imperium », idest diabolum, « et liberaret eos qui timore mortis per totam vitam obnoxii erant servituti ». Quarto ut, corporaliter moriendo similitudini peccati, idest poenalitati, daret nobis exemplum moriendi spiritualiter peccato. Unde dicitur Rom. 6. [v. 10, 11] : « Quod enim mortuus est peccato, mortuus est semel: quod autem vivit, vivit Deo. Ita et vos existimate mortuos quidem esse peccato, viventes autem Deo ». Quinto ut, a mortuis resurgendo, et virtutem suam ostenderet, qua mortem superavit, et nobis spem resurgendi a mortuis daret. Unde Apostolus dicit, 1. ad Cor. 15. [v. 12] : « Si Christus praedicatur quod resurrexit a mortuis, quomodo quidam in vobis dicunt quod resurrectio mortuorum non est? »
Leerstelling. — Het was passend, dat Christus stierf. — Vooreerst, om te voldoen voor het menschelijk geslacht, dat tot den dood was veroordeeld wegens de zonde, volgens het woord in het Boek der Schepping (2. 17) : « Op den dag waarop gij eten zult, zult gij sterven. » Het is nu een passende wijze, om voor een ander te voldoen, wanneer iemand zich onderwerpt aan de straf, die de ander verdiend heeft. En daarom wilde Christus sterven, om stervende voor ons te voldoen, naar het woord in den Eersten Brief van Petrus (3. 18) : « Christus is eenmaal voor onze zonden gestorven. » — Ten tweede, om te toonen dat zijn aangenomen natuur echt was. Want zooals Eusebius zegt: « Als Hij na zijn omgang met de menschen op een andere wijze verdwenen zou zijn, plotseling heengaande met vermijding van den dood, dan zou Hij 147door allen voor een herschenschim gehouden worden. » — Ten derde, om stervende ons van den vrees voor den dood te verlossen. Daarom wordt gezegd in den Brief aan de Hebreën (2. 14, 15) : dat Hij « deelhad aan vleesch en bloed, om met zijn dood hem machteloos te maken, die macht had over den dood, » d. i. den duivel, « en om allen, die uit vrees voor den dood heel hun leven in slavernij zouden verkeeren, te verlossen. » — Ten vierde, om door lichamelijk te sterven aan iets, dat gelijkt op de zonde, d. i. de strafwaardigheid, ons een voorbeeld te geven om geestelijk aan de zonde te sterven. Daarom wordt gezegd in den Brief aan de Romeinen (6. 10, 11) : « Wat immers stierf aan de zonde, stierf eenmaal; wat echter leeft, leeft voor God. Zoo ook moet gij u beschouwen als dood voor de zonde, maar als levend voor God. » — Ten vijfde, om door zijn verrijzenis uit den dood zoowel zijn kracht te toonen, die den dood overwon, als ons de hoop te geven dat wij zullen opstaan uit de dooden. Vandaar zegt de Apostel in zijn Eersten Brief aan de Corinthiërs (15. 12) : « Als gepredikt wordt, dat Christus uit de dooden is verrezen, hoe zeggen dan sommigen onder u, dat er geen verrijzenis der dooden bestaat? »Leerstelling. — Het was passend, dat Christus stierf. — Vooreerst, om te voldoen voor het menselijk geslacht, dat tot de dood was veroordeeld wegens de zonde, volgens het woord in het Boek van de Schepping (2, 17): “Op de dag waarop gij eten zult, zult gij sterven.” Het is nu een passende wijze, om voor een ander te voldoen, wanneer iemand zich onderwerpt aan de straf, die de ander verdiend heeft. En daarom wilde Christus sterven, om stervende voor ons te voldoen, naar het woord in de Eerste Brief van Petrus (3, 18): “Christus is eenmaal voor onze zonden gestorven.” — Ten tweede, om te tonen dat zijn aangenomen natuur echt was. Want zoals Eusebius zegt: “Als Hij na zijn omgang met de mensen op een andere wijze verdwenen zou zijn, plotseling heengaande met vermijding van de dood, dan zou Hij 147door allen voor een hersenschim gehouden worden.” — Ten derde, om stervende ons van de vrees voor de dood te verlossen. Daarom wordt gezegd in de Brief aan de Hebreën (2, 14, 15): dat Hij “deelhad aan vlees en bloed, om met zijn dood hem machteloos te maken, die macht had over de dood,” d.i. de duivel, “en om allen, die uit vrees voor de dood heel hun leven in slavernij zouden verkeren, te verlossen.” — Ten vierde, om door lichamelijk te sterven aan iets, dat gelijkt op de zonde, d.i. de strafwaardigheid, ons een voorbeeld te geven om geestelijk aan de zonde te sterven. Daarom wordt gezegd in de Brief aan de Romeinen (6, 10, 11): “Wat immers stierf aan de zonde, stierf eenmaal; wat echter leeft, leeft voor God. Zo ook moet gij u beschouwen als dood voor de zonde, maar als levend voor God.” — Ten vijfde, om door zijn verrijzenis uit de dood zowel zijn kracht te tonen, die de dood overwon, als ons de hoop te geven dat wij zullen opstaan uit de doden. Vandaar zegt de Apostel in zijn Eersten Brief aan de Korintiërs (15, 12): “Als gepredikt wordt, dat Christus uit de doden is verrezen, hoe zeggen dan sommigen onder u, dat er geen verrijzenis van de doden bestaat?”
Ad primum ergo dicendum quod Christus est fons vitae secundum quod Deus, non autem secundum quod homo. Mortuus est autem secundum quod 148homo, non secundum quod Deus. Unde Augustinus dicit contra Felicianum [cap. 14. in princ.] : « Absit quod Christus sic senserit mortem ut, quantum in se est vita, vitam perdiderit. Si enim hoc ita esset, vitae fons aruisset. Sensit ergo mortem participatione humani affectus, quem sponte susceperat: non naturae suae perdidit potentiam, per quam cuncta vivificat ».
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Christus is de bron van het leven, in zooverre Hij God is, maar niet als mensch. Hij 148is echter gestorven in zooverre Hij mensch is, maar niet als God. Daarom zegt Augustinus: « Het zij verre, dat Christus den dood zou ondergaan hebben zoo dat Hij het leven zou verloren hebben, in zooverre Hij het leven was. Want als dit zoo was, dan was de bron van het leven uitgedroogd. Hij smaakte derhalve den dood, doordat Hij ook deelde in de menschelijke gevoelens, die Hij uit eigen beweging had aangenomen, doch Hij verloor niet de macht van zijn natuur, waarmede Hij alles levend maakt. »Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Christus is de bron van het leven, in zoverre Hij God is, maar niet als mens. Hij 148is echter gestorven in zoverre Hij mens is, maar niet als God. Daarom zegt Augustinus: “Het zij verre, dat Christus de dood zou ondergaan hebben zo dat Hij het leven zou verloren hebben, in zoverre Hij het leven was. Want als dit zo was, dan was de bron van het leven uitgedroogd. Hij smaakte derhalve de dood, doordat Hij ook deelde in de menselijke gevoelens, die Hij uit eigen beweging had aangenomen, doch Hij verloor niet de macht van zijn natuur, waarmede Hij alles levend maakt.”
Ad secundum dicendum quod Christus non sustinuit mortem ex morbo provenientem, ne videretur ex necessitate mori propter infirmitatem naturae. Sed sustinuit mortem ab exteriori illatam, cui se spontaneum obtulit, ut mors ejus voluntaria ostenderetur.
2. Christus onderging geen dood, die voortkwam uit een ziekte, opdat het niet den schijn zou hebben, dat Hij uit noodzaak stierf wegens de zwakte van zijn natuur. Maar Hij onderging een dood, die Hem van buitenaf werd aangedaan, en waaraan Hij zich uit eigen beweging onderwierp, om te toonen, dat Hij vrijwillig stierf.2. Christus onderging geen dood, die voortkwam uit een ziekte, opdat het niet de schijn zou hebben, dat Hij uit noodzaak stierf wegens de zwakte van zijn natuur. Maar Hij onderging een dood, die Hem van buitenaf werd aangedaan, en waaraan Hij zich uit eigen beweging onderwierp, om te tonen, dat Hij vrijwillig stierf.
Ad tertium dicendum quod unum oppositum per se non ducit ad aliud, sed quandoque per accidens: sicut frigidum quandoque per accidens calefacit. Et hoc modo Christus per suam mortem nos perduxit ad vitam, dum sua morte mortem nostram destruxit: sicut ille qui poenam pro alio sustinet, removet poenam ejus.
3. Het eene tegengestelde voert niet uiteraard tot het andere, maar soms krachtens iets bijkomstigs, zooals het koude krachtens iets bijkomstigs wel eens warm maakt: en op deze manier heeft Christus ons door zijn dood gebracht tot het leven, door met zijn dood onzen dood te niet te doen; zooals ook hij, die de straf voor een ander draagt, diens straf opheft.3. Het ene tegengestelde voert niet uiteraard tot het andere, maar soms krachtens iets bijkomstigs, zoals het koude krachtens iets bijkomstigs wel eens warm maakt: en op deze manier heeft Christus ons door zijn dood gebracht tot het leven, door met zijn dood onze dood te niet te doen; zoals ook hij, die de straf voor een ander draagt, diens straf opheft.
Utrum in morte Christi fuerit separata divinitas a carne
Werd bij den dood van Christus zijn Godheid van zijn vleesch gescheiden?Werd bij de dood van Christus zijn Godheid van zijn vlees gescheiden?
149Ad secundum sic proceditur. Videtur quod in morte Christi fuerit separata divinitas a carne. Ut enim dicitur Matth. 27. [v. 46], Dominus, in cruce pendens, clamabat: « Deus meus, Deus meus, ut quid dereliquisti me? » quod exponens Ambrosius [super illud Luc. 23.: Et haec dicens expiravit], dicit: « Clamabat homo separatione divinitatis moriturus. Nam, cum divinitas a morte libera sit, utique mors ibi esse non poterat nisi vita discederet: quia vita divinitas est ». Et sic videtur quod in morte Christi sit divinitas separata a carne.
149Bedenkingen. — Men beweert, dat bij den dood van Christus zijn Godheid van zijn vleesch gescheiden werd. — 1. Zooals immers gezegd wordt bij Mattheus (27. 46), heeft de Heer, hangende aan het kruis, uitgeroepen: « Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? », en Ambrosius zegt op de woorden van Lucas (23. 41) : « En zoo sprekend, gaf Hij den geest »: « De mensch riep, die op het punt stond door de scheiding van de Godheid te sterven. Want omdat de Godheid vrij is van sterven, was daar voorzeker geen plaats voor den dood, tenzij het leven heenging, daar het leven de Godheid is. » En zoo schijnt het, dat bij den dood van Christus zijn Godheid werd gescheiden van zijn vleesch.149Bedenkingen. — Men beweert, dat bij de dood van Christus zijn Godheid van zijn vlees gescheiden werd. — 1. Zoals immers gezegd wordt bij Matteüs (27, 46), heeft de Heer, hangende aan het kruis, uitgeroepen: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?”, en Ambrosius zegt op de woorden van Lukas (23, 41): “En zo sprekend, gaf Hij de geest”: “De mens riep, die op het punt stond door de scheiding van de Godheid te sterven. Want omdat de Godheid vrij is van sterven, was daar voorzeker geen plaats voor de dood, tenzij het leven heenging, daar het leven de Godheid is.” En zo schijnt het, dat bij de dood van Christus zijn Godheid werd gescheiden van zijn vlees.
2. Praeterea, remoto medio, separantur extrema. Sed divinitas unita est carni mediante anima, ut supra habitum est [q. 6. art. 1.]. Ergo 150videtur quod, cum in morte Christi anima sit separata a carne, per consequens divinitas sit a carne separata.
2. Wanneer het midden-deel wordt weggenomen, worden de uitersten gescheiden. De Godheid nu was vereenigd met het vleesch door middel der ziel, zooals boven gezegd is (6e Kw. 1e Art.). 150Bijgevolg werd de Godheid van het vleesch gescheiden, wijl bij den dood van Christus de ziel gescheiden werd van het vleesch.2. Wanneer het midden-deel wordt weggenomen, worden de uitersten gescheiden. De Godheid nu was verenigd met het vlees door middel van de ziel, zoals boven gezegd is (6e Kw. 1e Art.). 150Bijgevolg werd de Godheid van het vlees gescheiden, wijl bij de dood van Christus de ziel gescheiden werd van het vlees.
3. Praeterea, major est virtus vivificativa Dei quam animae. Sed corpus mori non poterat nisi anima separata. Ergo multo minus mori poterat nisi separata divinitate.
3. De levendmakende kracht van God is grooter dan die der ziel. Het lichaam nu kon niet sterven tenzij door scheiding van de ziel. Dus kon het nog veel minder sterven, als de Godheid niet werd afgescheiden.3. De levendmakende kracht van God is groter dan die van de ziel. Het lichaam nu kon niet sterven tenzij door scheiding van de ziel. Dus kon het nog veel minder sterven, als de Godheid niet werd afgescheiden.
Sed contra est quod ea quae sunt humanae naturae, non dicuntur de Filio Dei nisi ratione unionis, ut supra habitum est [q. 16. art. 4. et 5.]. Sed de Filio Dei dicitur id quod convenit corpori Christi post mortem, scilicet esse sepultum: ut patet in Symbolo fidei, ubi dicitur quod « Filius Dei conceptus est et natus ex Virgine, passus, mortuus et sepultus ». Ergo corpus Christi non fuit in morte a divinitate separatum.
Daartegenover staat echter, dat hetgeen eigen is aan de menschelijke natuur niet van den Zoon Gods kan gezegd worden, tenzij om reden der vereeniging, zooals boven gezegd is (16e Kw. 4e en 5e Art.). Van den Zoon Gods echter wordt gezegd, wat toekomt aan het lichaam van Christus na zijn dood, nl. begraven te zijn, zooals blijkt uit de geloofsbelijdenis, waarin gezegd wordt, dat « de Zoon Gods ontvangen is, en geboren uit de maagd, geleden heeft, gestorven en begraven is. » Dus werd het lichaam van Christus in den dood niet afgescheiden van de Godheid.Daartegenover staat echter, dat hetgeen eigen is aan de menselijke natuur niet van de Zoon Gods kan gezegd worden, tenzij om reden van de vereniging, zoals boven gezegd is (16e Kw. 4e en 5e Art.). Van de Zoon Gods echter wordt gezegd, wat toekomt aan het lichaam van Christus na zijn dood, nl. begraven te zijn, zoals blijkt uit de geloofsbelijdenis, waarin gezegd wordt, dat “de Zoon Gods ontvangen is, en geboren uit de maagd, geleden heeft, gestorven en begraven is.” Dus werd het lichaam van Christus in de dood niet afgescheiden van de Godheid.
Respondeo dicendum quod illud, quod per gratiam Dei conceditur, nunquam absque culpa revocatur: unde dicitur Rom. 11. [v. 29], quod « sine poenitentia sunt dona Dei et vocatio ». Multo autem major est 151gratia unionis, per quam divinitas unita est carni Christi in persona, quam gratia adoptionis, per quam alii sanctificantur: et etiam magis permanens ex sui ratione, quia haec gratia ordinatur ad unionem personalem, gratia autem adoptionis ad quandam unionem affectualem. Et tamen videmus quod gratia adoptionis nunquam perditur sine culpa. Cum igitur in Christo nullum fuerit peccatum, impossibile fuit quod solveretur unio divinitatis a carne ipsius. Et ideo sicut ante mortem caro Christi unita fuit secundum personam et hypostasim Verbo Dei, ita et remansit unita post mortem: ut scilicet non esset alia hypostasis Verbi Dei et carnis Christi post mortem, ut Damascenus dicit in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 27.].
Leerstelling. — Wat Gods genade geeft, wordt nooit zonder schuld ingetrokken. Daarom wordt in den Brief aan de Romeinen (11. 29) gezegd, dat « God nooit berouw heeft over zijn genadegaven en roeping. » De genade der vereeniging echter, 151waardoor de Godheid in persoon met het lichaam van Christus vereenigd is, is veel grooter dan de genade der adoptie, waardoor anderen geheiligd worden: en uiteraard is ze ook meer blijvend, daar deze genade gericht is op een vereeniging in persoon; de adoptie-genade daarentegen op een liefdesvereeniging. En toch zien wij de adoptie-genade niet zonder schuld verloren gaan. Wijl derhalve in Christus geen enkele zonde was, was het ook onmogelijk, dat de eenheid van de Godheid met zijn vleesch werd ontbonden. En zooals derhalve vóór Christus' dood zijn vleesch in persoon en hypostase met het Woord Gods vereenigd was, bleef het ook na zijn dood vereenigd, zoodat er nl. na den dood geen andere hypostase was van het Woord Gods en van het vleesch van Christus, zooals Damascenus zegt.Leerstelling. — Wat Gods genade geeft, wordt nooit zonder schuld ingetrokken. Daarom wordt in de Brief aan de Romeinen (11, 29) gezegd, dat “God nooit berouw heeft over zijn genadegaven en roeping.” De genade van de vereniging echter, 151waardoor de Godheid in persoon met het lichaam van Christus verenigd is, is veel groter dan de genade van de adoptie, waardoor anderen geheiligd worden: en uiteraard is ze ook meer blijvend, daar deze genade gericht is op een vereniging in persoon; de adoptie-genade daarentegen op een liefdesvereniging. En toch zien wij de adoptie-genade niet zonder schuld verloren gaan. Wijl derhalve in Christus geen enkele zonde was, was het ook onmogelijk, dat de eenheid van de Godheid met zijn vlees werd ontbonden. En zoals derhalve vóór Christus' dood zijn vlees in persoon en hypostase met het Woord Gods verenigd was, bleef het ook na zijn dood verenigd, zodat er nl. na de dood geen andere hypostase was van het Woord Gods en van het vlees van Christus, zoals Damascenus zegt.
Ad primum ergo dicendum quod derelictio illa non est referenda ad solutionem unionis personalis: sed ad hoc quod Deus Pater eum exposuit passioni. Unde derelinquere ibi non est aliquid quam non protegere a persequentibus. Vel dicit se derelictum quantum ad illam orationem, qua dixerat: « Pater, si fieri potest, transeat a me calix iste », ut Augustinus exponit in lib. de Grat. novi Testam.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dat verlaten zijn slaat niet op de ontbinding van de persoonlijke vereeniging, maar hierop, dat de Vader Hem bloot gaf voor het lijden. Dus het verlaten heeft daar geen andere beteekenis, dan niet beschermen tegen vervolgers. — Ofwel zegt Hij, dat Hij verlaten is in verband met dit gebed waarin Hij zeide : « Vader, indien het mogelijk is, laat dan deze kelk aan Mij voorbijgaan, » zooals Augustinus het verklaart.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dat verlaten zijn slaat niet op de ontbinding van de persoonlijke vereniging, maar hierop, dat de Vader Hem bloot gaf voor het lijden. Dus het verlaten heeft daar geen andere betekenis, dan niet beschermen tegen vervolgers. — Ofwel zegt Hij, dat Hij verlaten is in verband met dit gebed waarin Hij zeide: “Vader, indien het mogelijk is, laat dan deze kelk aan Mij voorbijgaan,” zoals Augustinus het verklaart.
152Ad secundum dicendum quod Verbum Dei dicitur unitum carni mediante anima, inquantum caro per animam pertinet ad humanam naturam, quam Filius Dei assumere intendebat: non autem ita quod anima sit quasi medium ligans unita. Habet autem caro ab anima quod pertineat ad humanam naturam, etiam postquam anima separatur ab ea: inquantum scilicet in carne mortua remanet, ex divina ordinatione, quidam ordo ad resurrectionem. Et ideo non tollitur unio divinitatis ad carnem.
1522. Wij zeggen, dat het Woord Gods met het vleesch vereenigd is door middel van de ziel, in zooverre het vleesch door de ziel behoort tot de menschelijke natuur, welke de Zoon Gods bedoelde aan te nemen, niet echter in dien zin, dat de ziel een midden zou zijn, dat de vereenigde deelen verbindt. Het vleesch dankt echter aan de ziel, dat het behoort tot de menschelijke natuur, ook nadat de ziel daarvan gescheiden is, in zoover nl. het vleesch, dat gestorven is, krachtens Gods bepaling in zekeren zin geordend blijft op de verrijzenis. En daarom wordt de vereeniging van de Godheid met het vleesch niet weggenomen.1522. Wij zeggen, dat het Woord Gods met het vlees verenigd is door middel van de ziel, in zoverre het vlees door de ziel behoort tot de menselijke natuur, welke de Zoon Gods bedoelde aan te nemen, niet echter in die zin, dat de ziel een midden zou zijn, dat de verenigde delen verbindt. Het vlees dankt echter aan de ziel, dat het behoort tot de menselijke natuur, ook nadat de ziel daarvan gescheiden is, in zover nl. het vlees, dat gestorven is, krachtens Gods bepaling in zekeren zin geordend blijft op de verrijzenis. En daarom wordt de vereniging van de Godheid met het vlees niet weggenomen.
Ad tertium dicendum quod anima habet vim vivificandi formaliter. Et ideo, ea praesente et unita formaliter, necesse est corpus esse vivum. Divinitas autem non habet vim vivificandi formaliter, sed effective: non enim potest esse corporis forma. Et ideo non est necesse quod, manente unione divinitatis ad carnem, caro sit viva: quia Deus non ex necessitate agit sed ex voluntate.
3. De ziel heeft een levendmakende kracht als vorm: en derhalve is het noodzakelijk, dat het lichaam levend is, als zij als vorm aanwezig en er mee vereenigd is. De Godheid echter heeft een levendmakende kracht niet op vormende, maar op uitwerkende wijze: zij kan immers geen vorm van het lichaam zijn. En daarom is het niet noodig, dat het lichaam levend is, wanneer de vereeniging van de Godheid met het vleesch voortduurt, aangezien God niet uit noodzaak handelt, maar uit vrijen wil.3. De ziel heeft een levendmakende kracht als vorm: en derhalve is het noodzakelijk, dat het lichaam levend is, als zij als vorm aanwezig en er mee verenigd is. De Godheid echter heeft een levendmakende kracht niet op vormende, maar op uitwerkende wijze: zij kan immers geen vorm van het lichaam zijn. En daarom is het niet nodig, dat het lichaam levend is, wanneer de vereniging van de Godheid met het vlees voortduurt, aangezien God niet uit noodzaak handelt, maar uit vrijen wil.
Utrum in morte Christi fuerit facta separatio divinitatis ab anima
Werd bij den dood van Christus de Godheid van zijn ziel gescheiden?Werd bij de dood van Christus de Godheid van zijn ziel gescheiden?
153Ad tertium sic proceditur. Videtur quod in morte Christi fuerit facta separatio divinitatis ab anima. Dicit enim Dominus, Joan. 10. [v. 18] : « Nemo tollit animam meam a me: sed ego pono eam, et potestatem habeo iterum sumendi eam ». Non autem videtur quod corpus animam ponere possit, eam a se separando: quia anima non subjicitur potestati corporis, sed potius e converso. Et sic videtur quod Christo secundum quod est Verbum Dei, conveniat animam suam ponere. Hoc autem est eam a se separare. Ergo per mortem anima ejus fuit a divinitate separata.
153Bedenkingen. — Men beweert, dat bij den dood van Christus, de Godheid van zijn ziel gescheiden werd. — 1. De Heer toch zegt bij Joannes (10. 18) : « Niemand neemt mijn ziel van Mij weg, maar Ik leg haar uit Mij zelf af, en Ik heb macht om haar af te leggen en macht om haar wederom op te nemen. » Het lichaam echter kan niet de ziel afleggen, door haar van zich af te scheiden, daar de ziel niet is onderworpen aan de macht van het lichaam, maar veeleer omgekeerd. En dus schijnt het aan Christus, in zoover Hij het Woord Gods is, toe te komen zijn ziel af te leggen. Dit beteekent echter, haar van zich af te scheiden. Dus werd door zijn dood zijn ziel van de Godheid afgescheiden.153Bedenkingen. — Men beweert, dat bij de dood van Christus, de Godheid van zijn ziel gescheiden werd. — 1. De Heer toch zegt bij Johannes (10, 18): “Niemand neemt mijn ziel van Mij weg, maar Ik leg haar uit Mijzelf af, en Ik heb macht om haar af te leggen en macht om haar wederom op te nemen.” Het lichaam echter kan niet de ziel afleggen, door haar van zich af te scheiden, daar de ziel niet is onderworpen aan de macht van het lichaam, maar veeleer omgekeerd. En dus schijnt het aan Christus, in zover Hij het Woord Gods is, toe te komen zijn ziel af te leggen. Dit betekent echter, haar van zich af te scheiden. Dus werd door zijn dood zijn ziel van de Godheid afgescheiden.
2. Praeterea, Athanasius dicit [De Beatitud. Fidei etc. lib. 6.] : « Maledictum qui totum hominem quem assumpsit Dei Filius, denuo assumptum vel liberatum, tertia die a mortuis resurrexisse non confitetur ». 154Sed non potuit totus homo denuo assumi, nisi aliquando fuerit totus homo a Verbo Dei separatus. Totus autem homo componitur ex anima et corpore. Ergo aliquando fuit facta separatio divinitatis et a corpore et ab anima.
2. Athanasius zegt: « Gevloekt hij, die niet belijdt, dat de heele mensch, welke de Zoon Gods heeft aangenomen, op den derden dag uit de dooden verrezen is, nadat hij wederom was aangenomen of bevrijd. » Maar de geheele mensch kon niet ten tweede male 154aangenomen worden, tenzij de heele mensch eens van het Woord Gods afgescheiden was. De geheele mensch nu bestaat uit ziel en lichaam. Dus eens werd de Godheid van het lichaam en van de ziel afgescheiden.2. Athanasius zegt: “Gevloekt hij, die niet belijdt, dat de hele mens, welke de Zoon Gods heeft aangenomen, op de derde dag uit de doden verrezen is, nadat hij wederom was aangenomen of bevrijd.” Maar de gehele mens kon niet ten tweede male 154aangenomen worden, tenzij de hele mens eens van het Woord Gods afgescheiden was. De gehele mens nu bestaat uit ziel en lichaam. Dus eens werd de Godheid van het lichaam en van de ziel afgescheiden.
3. Praeterea propter unionem ad totum hominem Filius Dei vere dicitur homo. Si ergo, soluta unione animae et corporis per mortem, Verbum Dei remansit unitum animae, sequeretur quod vere dici potuisset Filium Dei esse animam. Hoc autem est falsum: quia, cum anima sit forma corporis, sequeretur quod Verbum Dei fuerit corporis forma, quod est impossibile. Ergo in morte Christi anima fuit a Verbo Dei separata.
3. De Zoon Gods wordt waarlijk mensch genoemd wegens zijn vereeniging met den geheelen mensch. Wanneer derhalve het Woord Gods vereenigd bleef met de ziel, toen de vereeniging van de ziel met het lichaam door den dood werd ontbonden, dan zou volgen, dat men naar waarheid kon zeggen, dat de Zoon Gods de ziel was. Dit is echter valsch, wijl zou volgen, dat de Zoon Gods de vorm van het lichaam was, daar de ziel de vorm van het lichaam is; en dit is onmogelijk. Dus werd bij den dood van Christus de ziel van het Woord Gods gescheiden.3. De Zoon Gods wordt waarlijk mens genoemd wegens zijn vereniging met de gehele mens. Wanneer derhalve het Woord Gods verenigd bleef met de ziel, toen de vereniging van de ziel met het lichaam door de dood werd ontbonden, dan zou volgen, dat men naar waarheid kon zeggen, dat de Zoon Gods de ziel was. Dit is echter vals, wijl zou volgen, dat de Zoon Gods de vorm van het lichaam was, daar de ziel de vorm van het lichaam is; en dit is onmogelijk. Dus werd bij de dood van Christus de ziel van het Woord Gods gescheiden.
4. Praeterea, anima et corpus, ab invicem separata, non sunt una hypostasis, sed duae. Si igitur Verbum Dei remansit unitum tam corpori, quam animae Christi, separatis eis ab invicem per mortem Christi, videtur sequi quod Verbum Dei, durante morte Christi, fuerit duae hypostases. Quod est inconveniens. Non ergo post mortem Christi remansit anima Verbo unita.
4. De ziel en het lichaam, onderling gescheiden, maken niet één, maar twee hypostasen uit. Wanneer dus het Woord Gods zoowel met het lichaam als met de ziel van Christus vereenigd bleef, dan schijnt te volgen, dat na hun onderlinge scheiding door den dood van Christus, het Woord Gods tijdens Christus' dood twee hypostasen was. Dit is echter valsch. Dus bleef na den dood van Christus de ziel niet met het Woord vereenigd.4. De ziel en het lichaam, onderling gescheiden, maken niet één, maar twee hypostasen uit. Wanneer dus het Woord Gods zowel met het lichaam als met de ziel van Christus verenigd bleef, dan schijnt te volgen, dat na hun onderlinge scheiding door de dood van Christus, het Woord Gods tijdens Christus' dood twee hypostasen was. Dit is echter vals. Dus bleef na de dood van Christus de ziel niet met het Woord verenigd.
155Sed contra est quod dicit Damascenus, in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 27.] : « Etsi Christus mortuus est ut homo, et sancta ejus anima ab incontaminato divisa est corpore; divinitas tamen inseparabilis ab utrisque permansit, ab anima dico et corpore ».
155Daartegenover staat echter, dat Damascenus zegt: « Hoewel Christus als mensch gestorven is, en zijn heilige ziel gescheiden werd van zijn onbezoedeld lichaam, bleef toch de Godheid van beiden onafgescheiden, van de ziel, zeg ik, en van het lichaam. »155Daartegenover staat echter, dat Damascenus zegt: “Hoewel Christus als mens gestorven is, en zijn heilige ziel gescheiden werd van zijn onbezoedeld lichaam, bleef toch de Godheid van beiden onafgescheiden, van de ziel, zeg ik, en van het lichaam.”
Respondeo dicendum quod anima unita est Verbo Dei immediatius et per prius quam corpus, cum corpus unitum sit Verbo Dei mediante anima, ut supra dictum est [q. 6. art. 1.]. Cum ergo Verbum Dei sit non separatum in morte a corpore, multo minus separatum est ab anima. Unde, sicut de Filio Dei praedicatur id quod convenit corpori ab anima separato, scilicet esse sepultum; ita de eo in Symbolo dicitur, quod « descendit ad inferos », quia anima ejus, a corpore separata, descendit ad inferos.
Leerstelling. — De ziel is meer onmiddellijk en eerder met het Woord Gods vereenigd, dan het lichaam, aangezien het lichaam met het Woord Gods vereenigd is door middel van de ziel, zooals boven gezegd is (6e Kw. 1e Art.). Omdat dus het Woord Gods in den dood niet van het lichaam gescheiden werd, werd het nog veel minder afgescheiden van de ziel. Evenals dus van den Zoon Gods gezegd wordt, wat toekomt aan het van de ziel afgescheiden lichaam, nl. « begraven te zijn », zoo wordt ook van Hem gezegd in de geloofsbelijdenis, dat « Hij nederdaalde ter helle, » aangezien zijn ziel, afgescheiden van het lichaam, ter helle afdaalde.Leerstelling. — De ziel is meer onmiddellijk en eerder met het Woord Gods verenigd, dan het lichaam, aangezien het lichaam met het Woord Gods verenigd is door middel van de ziel, zoals boven gezegd is (6e Kw. 1e Art.). Omdat dus het Woord Gods in de dood niet van het lichaam gescheiden werd, werd het nog veel minder afgescheiden van de ziel. Evenals dus van de Zoon Gods gezegd wordt, wat toekomt aan het van de ziel afgescheiden lichaam, nl. “begraven te zijn”, zo wordt ook van Hem gezegd in de geloofsbelijdenis, dat “Hij nederdaalde ter helle,” aangezien zijn ziel, afgescheiden van het lichaam, ter helle afdaalde.
Ad primum ergo dicendum quod Augustinus [tract. 47. in Joan.] exponens illud verbum Joannis, inquirit, cum Christus sit « Verbum, anima et caro, utrum ex eo quod est Verbum, ponat animam; an ex eo quod est 156anima; an « iterum » ex eo quod est caro ». Et dicit quod, « si dixerimus, quod Verbum Dei animam posuit, sequitur1 quod aliquando anima illa separata est a Verbo. Quod est falsum. Mors enim corpus ab anima separavit: a Verbo autem animam separatam esse non dico. Si vero dixerimus quod ipsa se anima ponat, sequitur quod anima ipsa a se separata sit. Quod est absurdum ». Relinquitur ergo quod « ipsa caro animam suam ponit et iterum eam sumit, non potestate sua, sed potestate Verbi inhabitantis carnem »: quia, sicut supra dictum est [art. praec.], per mortem non est separata divinitas Verbi a carne.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Augustinus vraagt in zijn uitleg van dit woord van Joannes, aangezien Christus is « het Woord, de ziel en 't vleesch, of Hij de ziel aflegt in zooverre Hij het Woord is, of in zooverre Hij de ziel is of weer in 156zooverre Hij het vleesch is. » En Hij zegt dat « indien wij zeggen, dat het Woord Gods de ziel aflegde, volgen zou, dat die ziel eens van het Woord gescheiden was. Dit is echter valsch. De dood heeft immers het lichaam van de ziel gescheiden; maar ik zeg niet, dat de ziel gescheiden was van het Woord. Zeggen wij echter, dat de ziel zichzelf aflegde, dan zou volgen, dat de ziel van zichzelf gescheiden was. Dit is echter een dwaasheid. » Dus blijft over, dat « het vleesch zelf zijn ziel aflegde en haar wederom aannam, niet door eigen kracht, maar door de kracht van het Woord, dat in het vleesch woonde, » aangezien door den dood de Godheid van het Woord niet van het vleesch is afgescheiden, zooals boven gezegd is (in het vorige Art.).Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Augustinus vraagt in zijn uitleg van dit woord van Johannes, aangezien Christus is “het Woord, de ziel en 't vlees, of Hij de ziel aflegt in zoverre Hij het Woord is, of in zoverre Hij de ziel is of weer in 156zoverre Hij het vlees is.” En Hij zegt dat “indien wij zeggen, dat het Woord Gods de ziel aflegde, volgen zou, dat die ziel eens van het Woord gescheiden was. Dit is echter vals. De dood heeft immers het lichaam van de ziel gescheiden; maar ik zeg niet, dat de ziel gescheiden was van het Woord. Zeggen wij echter, dat de ziel zichzelf aflegde, dan zou volgen, dat de ziel van zichzelf gescheiden was. Dit is echter een dwaasheid.” Dus blijft over, dat “het vlees zelf zijn ziel aflegde en haar wederom aannam, niet door eigen kracht, maar door de kracht van het Woord, dat in het vlees woonde,” aangezien door de dood de Godheid van het Woord niet van het vlees is afgescheiden, zoals boven gezegd is (in het vorige Art.).
Ad secundum dicendum quod in verbis illis Athanasius non intellexit quod totus homo denuo sit assumptus, idest, omnes partes ejus: quasi Verbum Dei partes humanae naturae deposuerit per mortem. Sed quod iterato totalitas naturae assumptae sit in resurrectione redintegrata per iteratam unionem animae et corporis.
2. Met die woorden bedoelde Athanasius niet, dat de geheele mensch opnieuw werd aangenomen d. i. al zijn deelen, alsof het Woord Gods de deelen van de menschelijke natuur door den dood had afgelegd. Maar dat wederom het geheel van de aangenomen natuur bij de verrijzenis ongeschonden werd hersteld door de hernieuwde vereeniging van de ziel met het lichaam.2. Met die woorden bedoelde Athanasius niet, dat de gehele mens opnieuw werd aangenomen d.i. al zijn delen, alsof het Woord Gods de delen van de menselijke natuur door de dood had afgelegd. Maar dat wederom het geheel van de aangenomen natuur bij de verrijzenis ongeschonden werd hersteld door de hernieuwde vereniging van de ziel met het lichaam.
Ad tertium dicendum quod Verbum Dei, propter unionem humanae naturae, non dicitur humana natura: sed dicitur homo, quod est habens 157humanam naturam. Anima autem et corpus sunt partes essentiales humanae naturae. Unde propter unionem Verbi ad utrumque eorum non sequitur quod Verbum Dei sit anima vel corpus: sed quod sit habens animam vel corpus.
3. Het Woord Gods wordt om zijn vereeniging met de menschelijke natuur niet de menschelijke natuur genoemd, maar mensch, 157d. i. hebbende de menschelijke natuur. De ziel echter en het lichaam zijn wezensdeelen van de menschelijke natuur. Dus volgt uit de vereeniging van het Woord met hen beide niet, dat het Woord Gods de ziel of het lichaam is, maar dat het ziel en lichaam heeft.3. Het Woord Gods wordt om zijn vereniging met de menselijke natuur niet de menselijke natuur genoemd, maar mens, 157d.i. hebbende de menselijke natuur. De ziel echter en het lichaam zijn wezensdelen van de menselijke natuur. Dus volgt uit de vereniging van het Woord met hen beide niet, dat het Woord Gods de ziel of het lichaam is, maar dat het ziel en lichaam heeft.
Ad quartum dicendum quod, sicut Damascenus dicit in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 27.], « quod in morte Christi est separata anima a carne, non est una hypostasis in duas hypostases divisa. Nam et corpus et anima Christi secundum idem ex principio in Verbi hypostasi habuerunt existentiam: et in morte, invicem divisa, singulum eorum mansit unam hypostasim Verbi habens. Quare una Verbi hypostasis Verbi et animae et corporis extitit hypostasis. Nunquam enim neque anima neque corpus propriam habuerunt hypostasim, praeter Verbi hypostasim. Una enim semper Verbi hypostasis, et nunquam duae ».
4. Hierop moet geantwoord worden met wat Damascenus zegt: « Dat bij den dood van Christus de ziel van het lichaam gescheiden werd, wil niet zeggen, dat één hypostase in twee hypostasen verdeeld werd. Want zoowel het lichaam als de ziel van Christus hadden onder hetzelfde opzicht van den beginne af hun bestaan in de hypostase van het Woord, en bij den dood onderling gescheiden, bleef ieder van hen bestaan, hebbend de ééne hypostase van 't Woord. Daarom was de eene hypostase van het Woord de hypostase van het Woord, en van de ziel en van het lichaam. Nooit toch heeft of de ziel, of het lichaam een eigen hypostase gehad, buiten de hypostase van het Woord. Altijd immers is er maar één hypostase van 't Woord geweest en nooit waren er twee. »4. Hierop moet geantwoord worden met wat Damascenus zegt: “Dat bij de dood van Christus de ziel van het lichaam gescheiden werd, wil niet zeggen, dat één hypostase in twee hypostasen verdeeld werd. Want zowel het lichaam als de ziel van Christus hadden onder hetzelfde opzicht van de beginne af hun bestaan in de hypostase van het Woord, en bij de dood onderling gescheiden, bleef ieder van hen bestaan, hebbend de éne hypostase van 't Woord. Daarom was de ene hypostase van het Woord de hypostase van het Woord, en van de ziel en van het lichaam. Nooit toch heeft of de ziel, of het lichaam een eigen hypostase gehad, buiten de hypostase van het Woord. Altijd immers is er maar één hypostase van 't Woord geweest en nooit waren er twee.”
Utrum Christus in triduo mortis fuerit homo
Was Christus mensch in de drie dagen van zijn dood?Was Christus mens in de drie dagen van zijn dood?
158Ad quartum sic proceditur. Videtur quod Christus in triduo mortis fuerit homo. Dicit enim Augustinus in 1. de Trinit. [cap. 13.] : « Talis erat illa susceptio, quae Deum hominem faceret et hominem Deum ». Sed illa susceptio non cessavit per mortem. Ergo videtur quod per mortem non desierit esse homo.
158Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus in de drie dagen van zijn dood mensch was. — 1. Augustinus immers zegt: « Die aanname was zoo, dat zij God mensch maakte en den mensch God. » Die aanname echter hield niet op met den dood. Dus hield Hij met den dood niet op mensch te zijn.158Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus in de drie dagen van zijn dood mens was. — 1. Augustinus immers zegt: “Die aanname was zo, dat zij God mens maakte en de mens God.” Die aanname echter hield niet op met de dood. Dus hield Hij met de dood niet op mens te zijn.
2. Praeterea, Philosophus dicit, in 9. Ethic. [cap. 4.- n. 3. St. Th. lect. 4.], quod « unusquisque homo est suus intellectus ». Unde et, post mortem animam Petri alloquentes, dicimus: « Sancte Petre, ora pro nobis ». Sed post mortem Filius Dei non fuit separatus ab anima intellectuali. Ergo in illo triduo Filius Dei fuit homo.
2. De Wijsgeer zegt, dat « ieder mensch zijn intellect is. » Vandaar dat wij ook na den dood van Petrus zijn ziel toesprekend zeggen: « Heilige Petrus, bid voor ons. » Maar de Zoon Gods was na den dood niet gescheiden van zijn intellectueele ziel. Dus was de Zoon Gods gedurende die drie dagen mensch.2. De Wijsgeer zegt, dat “ieder mens zijn intellect is.” Vandaar dat wij ook na de dood van Petrus zijn ziel toesprekend zeggen: “Heilige Petrus, bid voor ons.” Maar de Zoon Gods was na de dood niet gescheiden van zijn intellectuele ziel. Dus was de Zoon Gods gedurende die drie dagen mens.
3. Praeterea, omnis sacerdos est homo. Sed in illo triduo mortis Christus fuit sacerdos: aliter enim non verum esset quod dicitur in Psal. 159109. [v. 4] : « Tu es sacerdos in aeternum ». Ergo Christus in illo triduo fuit homo.
3. Ieder priester is mensch. Christus nu was in de drie dagen van zijn dood priester: anders toch zou het niet waar zijn wat 159gezegd wordt in het Boek der Psalmen (109. 4) : « Gij zijt priester in eeuwigheid. » Dus was Christus in die drie dagen mensch.3. Ieder priester is mens. Christus nu was in de drie dagen van zijn dood priester: anders toch zou het niet waar zijn wat 159gezegd wordt in het Boek van de Psalmen (109, 4)a: “Gij zijt priester in eeuwigheid.” Dus was Christus in die drie dagen mens.
Sed contra, remoto superiori, removetur inferius. Sed vivum, sive animatum, est superius ad animal et ad hominem: nam animal est substantia animata sensibilis. Sed in illo triduo mortis corpus Christi non fuit vivum neque animatum. Ergo non fuit homo.
Daartegenover staat echter, dat wanneer het hoogere wordt weggenomen, ook het lagere vervalt. Levend of bezield zijn nu is hooger dan dier of mensch, want een dier is een bezielde zintuigelijke substantie. In de drie dagen van den dood echter was het lichaam van Christus niet levend, noch bezield. Dus was Hij geen mensch.Daartegenover staat echter, dat wanneer het hogere wordt weggenomen, ook het lagere vervalt. Levend of bezield zijn nu is hoger dan dier of mens, want een dier is een bezielde zintuigelijke substantie. In de drie dagen van de dood echter was het lichaam van Christus niet levend, noch bezield. Dus was Hij geen mens.
Respondeo dicendum quod Christum vere fuisse mortuum est articulus fidei. Unde asserere omne illud per quod tollitur veritas mortis Christi, est error contra fidem. Propter quod in Epist. Synodali Cyrilli [Anath. 12. et habetur in Concil. Ephes. gener. 3. part. 1. cap. 26.] dicitur: « Si quis non confitetur Dei Verbum passum carne, et crucifixum carne, et quod mortem gustavit carne, anathema sit ». Pertinet autem ad veritatem mortis hominis vel animalis quod per mortem desinat esse homo vel animal: mors enim hominis vel animalis provenit ex separatione animae, quae complet rationem animalis vel hominis. Et ideo dicere Christum in triduo mortis 160hominem fuisse, simpliciter et absolute loquendo, erroneum est. Potest tamen dici quod Christus in triduo fuit homo mortuus. Quidam tamen confessi sunt Christum in triduo hominem fuisse, dicentes quidem verba erronea, sed sensum erroris non habentes in fide: sicut Hugo de Sancto Victore, qui [lib. 2. de Sacram. part. 1. cap. 11.] ea ratione dixit Christum in triduo mortis fuisse hominem, quia dicebat animam esse hominem. Quod tamen est falsum, ut in 1. ostensum est [q. 75. art. 4.]. Magister etiam Sent. in 22. dist. 3. lib., posuit quod Christus in triduo mortis fuit homo, alia ratione, quia credidit, quod unio animae et carnis non esset de ratione hominis, sed sufficeret ad hoc quod aliquid sit homo, quod habeat animam humanam et corpus, sive conjuncta sive non conjuncta. Quod etiam patet esse falsum ex his quae dicta sunt in 1. [q. 76. art. 1.], et ex his quae supra dicta sunt circa modum unionis [q. 2. art. 5.].
Leerstelling. — Het is een geloofspunt, dat Christus waarlijk gestorven is. Dus is elke bewering, waardoor de waarachtigheid van Christus' dood wordt weggenomen, een dwaling tegen het geloof. Daarom zegt Cyrillus: « Indien iemand niet belijdt, dat het Woord Gods in het vleesch geleden heeft, en in het vleesch gekruisigd is en in het vleesch den dood gesmaakt heeft, dan zij hij gevloekt. » Voor de echtheid van den dood van mensch of dier wordt echter vereischt, dat hij ophoudt mensch of dier te zijn: de dood immers van mensch of dier komt voort uit de scheiding van de ziel, die juist als voornaamste tot het wezen van dier of mensch behoort. En daarom is het, zonder meer en absoluut 160gesproken, een dwaling te beweren, dat Christus in de drie dagen van zijn dood mensch was. Men kan echter wel zeggen, dat Christus in die drie dagen een gestorven mensch was. Sommigen echter hebben beleden, dat Christus in die drie dagen mensch was, waarmede zij wel woorden gebruikten, die een dwaling inhielden, maar in hun geloof hingen zij niet den zin dier dwaling aan; zoo zegt Hugo van S. Victor, dat Christus in de drie dagen van zijn dood mensch was, om deze reden, dat hij hield, dat de ziel de mensch was. Dit is echter valsch, zooals in het Eerste Deel gezegd is (75e Kw. 4e Art.). — Ook de Magister hield, dat Christus in de drie dagen van zijn dood mensch was om een andere reden: hij hield nl., dat de vereeniging van ziel en lichaam niet tot het wezen van den mensch behoorde, maar opdat iets mensch zou zijn, was het voldoende, dat het een menschelijke ziel en 'n lichaam had, hetzij verbonden, hetzij niet verbonden. Ook dit blijkt valsch te zijn uit hetgeen gezegd werd in het Eerste Deel (76e Kw. 1e Art.) en uit hetgeen boven gezegd werd over de wijze der vereeniging (2e Kw. 5e Art.).Leerstelling. — Het is een geloofspunt, dat Christus waarlijk gestorven is. Dus is elke bewering, waardoor de waarachtigheid van Christus' dood wordt weggenomen, een dwaling tegen het geloof. Daarom zegt Cyrillus: “Indien iemand niet belijdt, dat het Woord Gods in het vlees geleden heeft, en in het vlees gekruisigd is en in het vlees de dood gesmaakt heeft, dan zij hij gevloekt.” Voor de echtheid van de dood van mens of dier wordt echter vereist, dat hij ophoudt mens of dier te zijn: de dood immers van mens of dier komt voort uit de scheiding van de ziel, die juist als voornaamste tot het wezen van dier of mens behoort. En daarom is het, zonder meer en absoluut 160gesproken, een dwaling te beweren, dat Christus in de drie dagen van zijn dood mens was. Men kan echter wel zeggen, dat Christus in die drie dagen een gestorven mens was. Sommigen echter hebben beleden, dat Christus in die drie dagen mens was, waarmede zij wel woorden gebruikten, die een dwaling inhielden, maar in hun geloof hingen zij niet de zin van die dwaling aan; zo zegt Hugo van S. Victor, dat Christus in de drie dagen van zijn dood mens was, om deze reden, dat hij hield, dat de ziel de mens was. Dit is echter vals, zoals in het Eerste Deel gezegd is (75e Kw. 4e Art.). — Ook de Magister hield, dat Christus in de drie dagen van zijn dood mens was om een andere reden: hij hield nl., dat de vereniging van ziel en lichaam niet tot het wezen van de mens behoorde, maar opdat iets mens zou zijn, was het voldoende, dat het een menselijke ziel en 'n lichaam had, hetzij verbonden, hetzij niet verbonden. Ook dit blijkt vals te zijn uit hetgeen gezegd werd in het Eerste Deel (76e Kw. 1e Art.) en uit hetgeen boven gezegd werd over de wijze van de vereniging (2e Kw. 5e Art.).
Ad primum ergo dicendum quod Verbum Dei suscepit animam et carnem unitam: et ideo illa susceptio fecit Deum hominem et hominem 161Deum. Non autem cessavit illa susceptio per separationem Verbi ab anima vel a carne: cessavit tamen unio carnis et animae.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het Woord Gods nam ziel en lichaam, samen vereenigd, aan: en daarom maakte die aanname God tot mensch en den mensch tot God. Deze aanname 161hield ook niet op door de scheiding van het Woord van de ziel of van het vleesch; maar de vereeniging van vleesch en ziel hield op.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het Woord Gods nam ziel en lichaam, samen verenigd, aan: en daarom maakte die aanname God tot mens en de mens tot God. Deze aanname 161hield ook niet op door de scheiding van het Woord van de ziel of van het vlees; maar de vereniging van vlees en ziel hield op.
Ad secundum dicendum quod homo dicitur esse suus intellectus, non quia intellectus sit totus homo, sed quia intellectus est principalior pars hominis, in quo virtualiter consistit tota dispositio hominis: sicut si rector civitatis dicatur tota civitas, quia in eo consistit tota dispositio civitatis.
2. We zeggen, dat de mensch zijn intellect is, niet omdat het intellect de geheele mensch is, maar omdat het intellect het voornaamste deel is in den mensch, waarin virtueel de geheele beschikking van den mensch gelegen is; evenals wanneer de bestuurder van een staat, de geheele staat genoemd wordt, wijl van hem de geheele ordening der staat afhankelijk is.2. We zeggen, dat de mens zijn intellect is, niet omdat het intellect de gehele mens is, maar omdat het intellect het voornaamste deel is in de mens, waarin virtueel de gehele beschikking van de mens gelegen is; evenals wanneer de bestuurder van een staat, de gehele staat genoemd wordt, wijl van hem de gehele ordening van de staat afhankelijk is.
Ad tertium dicendum quod esse sacerdotem convenit homini ratione animae, in qua est ordinis character. Unde per mortem homo non perdit ordinem sacerdotalem. Et multo minus Christus, qui est totius sacerdotii origo.
3. Den mensch komt het toe priester te zijn krachtens zijn ziel, waarin het priesterlijk merkteeken zich bevindt: vandaar dat de mensch door den dood niet zijn priesterlijke wijding verliest. En veel minder Christus, die de oorsprong van geheel het priesterschap is.3. De mens komt het toe priester te zijn krachtens zijn ziel, waarin het priesterlijk merkteken zich bevindt: vandaar dat de mens door de dood niet zijn priesterlijke wijding verliest. En veel minder Christus, die de oorsprong van geheel het priesterschap is.
Utrum fuerit idem numero corpus Christi viventis et mortui
Was het lichaam van den levenden en den gestorven Christus numeriek hetzelfde?Was het lichaam van de levenden en de gestorven Christus numeriek hetzelfde?
Ad quintum sic proceditur. Videtur quod non fuerit idem numero 162corpus Christi viventis et mortui. Christus enim vere mortuus fuit, sicut et alii homines moriuntur. Sed corpus cujuscumque alterius hominis non est simpliciter idem numero mortuum et vivum: quia differunt essentiali differentia. Ergo neque corpus Christi est simpliciter idem numero mortuum et vivum.
Bedenkingen. — Men beweert, dat het lichaam van den 162levenden en den gestorven Christus niet numeriek hetzelfde was. — 1. Christus toch is werkelijk gestorven, zooals ook andere menschen sterven. Het lichaam echter van ieder ander mensch is dood en levend niet zonder meer numeriek hetzelfde, daar zij wezenlijk verschillen. Dus is ook het lichaam van Christus bij dood en leven, niet zonder meer numeriek hetzelfde.Bedenkingen. — Men beweert, dat het lichaam van de 162levenden en de gestorven Christus niet numeriek hetzelfde was. — 1. Christus toch is werkelijk gestorven, zoals ook andere mensen sterven. Het lichaam echter van ieder ander mens is dood en levend niet zonder meer numeriek hetzelfde, daar zij wezenlijk verschillen. Dus is ook het lichaam van Christus bij dood en leven, niet zonder meer numeriek hetzelfde.
2. Praeterea, secundum Philosophum in 5. Metaph. [tex. 12. St. Thom. lect. 8.], « quaecumque sunt diversa specie, sunt etiam diversa numero ». Sed corpus Christi vivum et mortuum fuit diversum specie: quia non dicitur oculus aut caro mortui nisi aequivoce, ut patet per Philosophum in 2. de Anima [tex. 9. St. Thom. lect. 2.], et in 7. Metaph. [tex. 35. St. Thom. lect. 10.]. Ergo corpus Christi non fuit simpliciter idem numero vivum et mortuum.
2. Volgens den Wijsgeer « zijn dingen die soortelijk verschillen, ook numeriek verschillend. » Het lichaam van Christus nu was bij leven en dood soortelijk verschillend, daar wij niet spreken van het oog of het vleesch van een doode, tenzij in afgeleiden zin, zooals blijkt bij den Wijsgeer. Derhalve was het lichaam van Christus, bij leven en dood, niet zonder meer numeriek hetzelfde.2. Volgens de Wijsgeer “zijn dingen die soortelijk verschillen, ook numeriek verschillend.” Het lichaam van Christus nu was bij leven en dood soortelijk verschillend, daar wij niet spreken van het oog of het vlees van een dode, tenzij in afgeleiden zin, zoals blijkt bij de Wijsgeer. Derhalve was het lichaam van Christus, bij leven en dood, niet zonder meer numeriek hetzelfde.
3. Praeterea, mors est corruptio quaedam. Sed illud quod corrumpitur corruptione substantiali, postquam corruptum est, jam non est: quia corruptio est mutatio de esse in non esse. Corpus ergo Christi, postquam mortuum fuit, non remansit idem numero: cum mors sit substantialis corruptio.
3. De dood is een zeker bederf. Als iets nu bederft door een bederf in de zelfstandigheid, dan is het na het bederf reeds niet meer, wijl bederf een verandering is van zijn tot niet-zijn. Het lichaam van Christus bleef dus na den dood niet numeriek hetzelfde, wijl de dood een zelfstandigheidsbederf is.3. De dood is een zeker bederf. Als iets nu bederft door een bederf in de zelfstandigheid, dan is het na het bederf reeds niet meer, wijl bederf een verandering is van zijn tot niet-zijn. Het lichaam van Christus bleef dus na de dood niet numeriek hetzelfde, wijl de dood een zelfstandigheidsbederf is.
Sed contra est quod Athanasius dicit in Epistola ad Epictetum [circa med. et incipit: Ego arbitrabar] : « Circumciso corpore, et potato et 163manducante et laborante, et in ligno affixo, erat impassibile et incorporeum Dei Verbum: hoc erat in sepulchro positum ». Sed corpus Christi vivum fuit circumcisum et in ligno affixum: corpus autem Christi mortuum fuit positum in sepulchro. Ergo hoc idem corpus, quod fuit vivum, fuit etiam mortuum.
Daartegenover staat echter dat Athanasius zegt: « Toen het lichaam besneden werd, en toen het dronk, en toen het at, en 163werkte, en toen het aan het kruis gehecht werd, was het 't onlijdelijke en onlichamelijke Woord Gods; dit werd in het graf gelegd. » Maar het levende lichaam van Christus werd besneden en aan het kruis gehecht; het gestorven lichaam echter van Christus werd in het graf gelegd. Dus het was hetzelfde lichaam, dat leefde, en dat dood was.Daartegenover staat echter dat Athanasius zegt: “Toen het lichaam besneden werd, en toen het dronk, en toen het at, en 163werkte, en toen het aan het kruis gehecht werd, was het 't onlijdelijke en onlichamelijke Woord Gods; dit werd in het graf gelegd.” Maar het levende lichaam van Christus werd besneden en aan het kruis gehecht; het gestorven lichaam echter van Christus werd in het graf gelegd. Dus het was hetzelfde lichaam, dat leefde, en dat dood was.
Respondeo dicendum quod hoc quod dico simpliciter potest accipi dupliciter. Uno modo, secundum quod simpliciter idem est quod absolute: sicut « simpliciter dicitur, quod nullo addito dicitur », ut Philos. dicit [in fin. lib. 2. Topic.]. Et hoc modo corpus Christi mortuum et vivum simpliciter fuit idem numero. Dicitur enim aliquid esse idem numero simpliciter, quia est supposito idem. Corpus autem Christi vivum et mortuum fuit supposito idem: quia non habuit aliam hypostasim vivum et mortuum, praeter hypostasim Verbi Dei, ut supra dictum est [art. 2. hujus q.]. Et hoc modo loquitur Athanasius in auctoritate inducta. Alio modo, simpliciter idem est quod omnino, vel totaliter. Et sic corpus Christi mortuum et vivum non fuit simpliciter idem numero. Quia non fuit totaliter idem: cum vita 164sit aliquid de essentia corporis viventis, est enim praedicatum essentiale, non accidentale; unde consequens est quod corpus quod desinit esse vivum non totaliter idem remaneat. Si autem diceretur quod corpus Christi mortuum totaliter idem remaneret, sequeretur quod non esset corruptum, corruptione dico mortis. Quod est haeresis Gajanitarum, ut Isidorus dicit [lib. 8. Etym. cap. 5.], et habetur in Decretis 24. q. 3. [can.: Quidam autem]. Et Damascenus dicit in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 28. in princ.], quod « corruptionis nomen duo significat: uno modo, separationem animae a corpore, et alia hujusmodi; alio modo, perfectam dissolutionem in elementa. Ergo incorruptibile dicere corpus Domini, secundum Julianum et Gajanum, secundum primum corruptionis modum, ante resurrectionem, est impium: quia « corpus Christi » non esset consubstantiale nobis; nec in veritate mortuum esset; nec secundum veritatem salvati essemus. Secundo autem modo, corpus Christi fuit incorruptum ».
Leerstelling. — Als ik zeg: zonder meer, kan dit tweevoudig verstaan worden. — Vooreerst, in zooverre zonder meer hetzelfde is als absoluut; zooals « zonder meer gezegd wordt, wat zonder toevoeging gezegd wordt, » gelijk de Wijsgeer zegt. En op die manier was het lichaam van Christus dood en levend zonder meer numeriek hetzelfde. Iets wordt immers numeriek zonder meer hetzelfde genoemd, omdat het één is van suppositum. Het lichaam van Christus nu was dood en levend één van suppositum, daar het bij leven en dood geen andere hypostase had, als de hypostase van het Woord Gods, zooals boven gezegd is (2e Art. van deze Kw.). En zoo bedoelt het Athanasius in de aangehaalde uitspraak. — Vervolgens is zonder meer hetzelfde als geheel of totaal. En zoo was het lichaam van Christus bij dood en leven niet zonder meer numeriek hetzelfde. Want het was niet totaal 164hetzelfde, daar het leven iets is, dat tot het wezenlijke van een levend lichaam behoort; het is immers een wezens-praedicaat, niet een, dat bijkomstig is; dus volgt, dat het lichaam, dat ophoudt levend te zijn niet totaal hetzelfde blijft. Als men echter zou zeggen, dat het gestorven lichaam van Christus totaal hetzelfde bleef, dan zou daaruit volgen, dat het niet bedorven was, door het bederf van den dood, bedoel ik. Dit is echter de ketterij der Gaianitanen, zooals Isidorus zegt. En Damascenus zegt, dat « het woord bederf een dubbele beteekenis heeft. Vooreerst de scheiding der ziel van het lichaam en dergelijk; ten tweede, de volledige ontbinding tot elementen. Daarom is het goddeloos met Julianus en Gaianus te zeggen, dat het lichaam van Christus vóór de verrijzenis op de eerstgenoemde wijze onbederfelijk was, omdat dan het « lichaam van Christus » niet van dezelfde zelfstandigheid zou zijn als wij, en het niet in waarheid zou gestorven zijn, en wij niet naar waarheid zouden gered zijn. Op de tweede manier echter is het lichaam van Christus niet bedorven. »Leerstelling. — Als ik zeg: zonder meer, kan dit tweevoudig verstaan worden. — Vooreerst, in zoverre zonder meer hetzelfde is als absoluut; zoals “zonder meer gezegd wordt, wat zonder toevoeging gezegd wordt,” gelijk de Wijsgeer zegt. En op die manier was het lichaam van Christus dood en levend zonder meer numeriek hetzelfde. Iets wordt immers numeriek zonder meer hetzelfde genoemd, omdat het één is van suppositum. Het lichaam van Christus nu was dood en levend één van suppositum, daar het bij leven en dood geen andere hypostase had, als de hypostase van het Woord Gods, zoals boven gezegd is (2e Art. van deze Kw.). En zo bedoelt het Athanasius in de aangehaalde uitspraak. — Vervolgens is zonder meer hetzelfde als geheel of totaal. En zo was het lichaam van Christus bij dood en leven niet zonder meer numeriek hetzelfde. Want het was niet totaal 164hetzelfde, daar het leven iets is, dat tot het wezenlijke van een levend lichaam behoort; het is immers een wezens-predicaat, niet een, dat bijkomstig is; dus volgt, dat het lichaam, dat ophoudt levend te zijn niet totaal hetzelfde blijft. Als men echter zou zeggen, dat het gestorven lichaam van Christus totaal hetzelfde bleef, dan zou daaruit volgen, dat het niet bedorven was, door het bederf van de dood, bedoel ik. Dit is echter de ketterij van de Gaianitanen, zoals Isidorus zegt. En Damascenus zegt, dat “het woord bederf een dubbele betekenis heeft. Vooreerst de scheiding van de ziel van het lichaam en dergelijk; ten tweede, de volledige ontbinding tot elementen. Daarom is het goddeloos met Julianus en Gaianus te zeggen, dat het lichaam van Christus vóór de verrijzenis op de eerstgenoemde wijze onbederfelijk was, omdat dan het ‘lichaam van Christus’ niet van dezelfde zelfstandigheid zou zijn als wij, en het niet in waarheid zou gestorven zijn, en wij niet naar waarheid zouden gered zijn. Op de tweede manier echter is het lichaam van Christus niet bedorven.”
Ad primum ergo dicendum quod corpus mortuum cujuscumque alterius hominis non remanet unitum alicui hypostasi permanenti, sicut corpus Christi 165mortuum. Et ideo corpus mortuum cujuscumque alterius hominis non est idem simpliciter, sed secundum quid: quia est idem secundum materiam, non autem idem secundum formam. Corpus autem Christi remanet idem simpliciter, propter identitatem suppositi, ut dictum est [in corp. art.].
Antwoord op de Bedenkingen. — Het gestorven lichaam van ieder ander mensch blijft niet vereenigd met de een of andere blijvende hypostase, zooals het gestorven lichaam van Christus. En 165daarom is het gestorven lichaam van elk ander mensch niet zonder meer eender, maar in een bepaald opzicht: daar het naar de materie hetzelfde is, niet naar den vorm. Het lichaam van Christus echter bleef hetzelfde zonder meer, van wege de identiteit van het suppositum zooals gezegd is (in de Leerstelling).Antwoord op de Bedenkingen. — Het gestorven lichaam van ieder ander mens blijft niet verenigd met de een of andere blijvende hypostase, zoals het gestorven lichaam van Christus. En 165daarom is het gestorven lichaam van elk ander mens niet zonder meer eender, maar in een bepaald opzicht: daar het naar de materie hetzelfde is, niet naar de vorm. Het lichaam van Christus echter bleef hetzelfde zonder meer, van wege de identiteit van het suppositum zoals gezegd is (in de Leerstelling).
Ad secundum dicendum quod, quia idem numero dicitur aliquid secundum suppositum, idem autem specie est idem secundum formam, ubicumque suppositum subsistit in una sola natura, oportet quod, sublata unitate speciei, auferatur unitas numeralis. Sed hypostasis Verbi Dei subsistit in duabus naturis. Et ideo quamvis in Christo non remaneat corpus idem secundum speciem humanae naturae, remanet tamen idem numero secundum suppositum Verbi Dei.
2. Aangezien iets numeriek hetzelfde genoemd wordt om het suppositum, en wat soortelijk hetzelfde is, gelijk is in vorm, daarom moet overal, waar het suppositum zelfstandig staat in slechts eene natuur, de numerieke eenheid opgeheven worden, zoodra de eenheid van soort wordt weggenomen. Maar de hypostase van het Woord Gods bestaat zelfstandig in twee naturen. En ofschoon in Christus het lichaam naar de soort der menschelijke natuur niet hetzelfde bleef, bleef het toch numeriek hetzelfde krachtens het suppositum van 't Woord Gods.2. Aangezien iets numeriek hetzelfde genoemd wordt om het suppositum, en wat soortelijk hetzelfde is, gelijk is in vorm, daarom moet overal, waar het suppositum zelfstandig staat in slechts een natuur, de numerieke eenheid opgeheven worden, zodra de eenheid van soort wordt weggenomen. Maar de hypostase van het Woord Gods bestaat zelfstandig in twee naturen. En ofschoon in Christus het lichaam naar de soort van de menselijke natuur niet hetzelfde bleef, bleef het toch numeriek hetzelfde krachtens het suppositum van 't Woord Gods.
Ad tertium dicendum quod corruptio et mors non competit Christo ratione suppositi, secundum quod attenditur unitas: sed ratione naturae, secundum quam invenitur differentia mortis, et vitae.
3. Christus was niet onderhevig aan bederf en dood krachtens het suppositum, waarnaar de eenheid genomen wordt, maar wegens zijn natuur, krachtens welke er een verschil van dood en leven is.
Utrum mors Christi aliquid operata sit ad nostram salutem
Heeft de dood van Christus iets uitgewerkt tot ons heil?
166Ad sextum sic proceditur. Videtur quod mors Christi nihil operata sit ad nostram salutem. Mors enim est quaedam privatio: est enim privatio vitae. Sed privatio, cum non sit res aliqua, non habet aliquam virtutem agendi. Ergo non potuit aliquid operari ad nostram salutem.
166Bedenkingen. — Men beweert, dat de dood van Christus niets heeft uitgewerkt tot ons heil. — 1. De dood toch is een zeker gemis, het is immers gemis aan leven. Maar een gemis heeft, daar het niet een ding is, geen kracht tot werken. Dus kon hij niets uitwerken tot ons heil.
2. Praeterea, passio Christi operata est nostram salutem per modum meriti. Sic autem non potuit operari mors Christi: nam in morte separatur anima a corpore, quae est merendi principium. Ergo mors Christi non est operata aliquid ad nostram salutem.
2. Het lijden van Christus heeft ons heil bewerkt bij wijze van verdienste. Maar zoo kon de dood van Christus niet werken, want bij den dood wordt de ziel van het lichaam gescheiden, en deze is het beginsel van verdienste. Dus heeft de dood van Christus niets tot ons heil uitgewerkt.2. Het lijden van Christus heeft ons heil bewerkt bij wijze van verdienste. Maar zo kon de dood van Christus niet werken, want bij de dood wordt de ziel van het lichaam gescheiden, en deze is het beginsel van verdienste. Dus heeft de dood van Christus niets tot ons heil uitgewerkt.
3. Praeterea, corporale non est causa spiritualis. Sed mors Christi fuit corporalis. Non ergo potuit esse causa spiritualis nostrae salutis.
3. Het lichamelijke is geen oorzaak van iets geestelijks. De dood van Christus nu was iets lichamelijks. Dus kon hij geen oorzaak zijn van ons geestelijk heil.
167Sed contra est quod Augustinus dicit, in 4. de Trinit. [cap. 3. sub fin.] : « Una mors nostri Salvatoris », scilicet corporalis, « duabus mortibus nostris », idest animae et corporis « saluti fuit ».
167Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: « De ééne dood van onzen Zaligmaker, » de lichamelijke nl., « strekte tot heil van onzen dubbelen dood » d. i. dien van onze ziel en van ons lichaam.167Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: “De éne dood van onze Zaligmaker,” de lichamelijke nl., “strekte tot heil van onze dubbele dood” d.i. die van onze ziel en van ons lichaam.
Respondeo dicendum quod de morte Christi dupliciter loqui possumus: uno modo, secundum quod est in fieri; alio modo, secundum quod est in facto esse. Dicitur autem mors esse in fieri, quando aliquis per aliquam passionem, vel naturalem vel violentam, tendit in mortem. Et hoc modo, idem est loqui de morte Christi et de passione ipsius. Et ita, secundum hunc modum, mors Christi causa est salutis nostrae, secundum id quod de passione supra dictum est [q. 48.]. Sed in facto esse mors Christi consideratur secundum quod jam facta est separatio corporis et animae. Et sic nunc loquimur de morte Christi. Hoc autem modo mors Christi non potest esse causa salutis nostrae per modum meriti, sed solum per modum efficientiae: inquantum scilicet nec per mortem divinitas separata fuit a Christi carne, et ideo quidquid contigit circa carnem Christi, etiam anima 168separata, fuit nobis salutiferum virtute divinitatis unitae. Consideratur autem proprie alicujus causae effectus secundum similitudinem causae. Unde, quia mors est quaedam privatio vitae propriae, effectus mortis Christi attenditur circa remotionem eorum quae contrariantur nostrae saluti, quae quidem sunt mors animae et mors corporis. Et ideo per mortem Christi dicitur esse destructa in nobis et mors animae, quae est per peccatum nostrum, secundum illud Rom. 4. [v. 25] : « Traditus est », scilicet in mortem, « propter delicta nostra »; et mors corporis, quae consistit in separatione animae, secundum illud 1. ad Cor. 15. [v. 54] : « Absorpta est mors in victoria ».
Leerstelling. — Op dubbele wijze kunnen wij over Christus' dood spreken: vooreerst, voor zoover hij nog geschiedt; ten tweede, voor zoover hij reeds gebeurd is. — Men zegt nu, dat de dood geschiedt, wanneer iemand door een of ander lijden, hetzij dit natuurlijk is, hetzij gewelddadig, op weg is naar den dood. En zoo opgevat, komt het op hetzelfde neer om te spreken over den dood van Christus of over zijn lijden. En zoo is volgens deze wijze van spreken, Christus' dood oorzaak van ons heil, naar de wijze waarop dit boven van zijn lijden gezegd is (48e Kw.). — De dood van Christus wordt echter als gebeurd beschouwd, wanneer de scheiding van lichaam en ziel heeft plaats gehad. En zoo spreken wij nu over den dood van Christus. Op deze wijze echter kan de dood van Christus geen oorzaak van ons heil zijn bij wijze van verdienste, maar alleen op uitwerkende wijze, in zoover nl. ook door den dood de Godheid niet van Christus' vleesch gescheiden werd, en daarom al wat er plaats greep met het lichaam van Christus, ook na de scheiding der ziel, voor ons 168heilrijk was uit kracht der Godheid, die er mee vereenigd was. Een effect nu wordt juist als effect eener oorzaak beschouwd, in zoover het gelijkt op die oorzaak. En daar nu de dood een gemis is aan eigen leven, wordt het effect van Christus' dood opgevat in verband met de verwijdering van datgene, wat ons heil in den weg staat, d. i. de geestelijke en lichamelijke dood. En daarom zeggen we, dat door den dood van Christus in ons is te niet gedaan, zoowel de dood der ziel, welke veroorzaakt wordt door onze zonde, naar het woord in den Brief aan de Romeinen (4. 25) : « Hij is overgeleverd, » nl. tot den dood, « om onze misdaden; » alsook de lichamelijke dood, welke bestaat in de afscheiding der ziel; naar het woord in den Eersten Brief aan de Corinthiërs (15. 54) : « De dood is verzwolgen in overwinning. »Leerstelling. — Op dubbele wijze kunnen wij over Christus' dood spreken: vooreerst, voor zover hij nog geschiedt; ten tweede, voor zover hij reeds gebeurd is. — Men zegt nu, dat de dood geschiedt, wanneer iemand door een of ander lijden, hetzij dit natuurlijk is, hetzij gewelddadig, op weg is naar de dood. En zo opgevat, komt het op hetzelfde neer om te spreken over de dood van Christus of over zijn lijden. En zo is volgens deze wijze van spreken, Christus' dood oorzaak van ons heil, naar de wijze waarop dit boven van zijn lijden gezegd is (48e Kw.). — De dood van Christus wordt echter als gebeurd beschouwd, wanneer de scheiding van lichaam en ziel heeft plaats gehad. En zo spreken wij nu over de dood van Christus. Op deze wijze echter kan de dood van Christus geen oorzaak van ons heil zijn bij wijze van verdienste, maar alleen op uitwerkende wijze, in zover nl. ook door de dood de Godheid niet van Christus' vlees gescheiden werd, en daarom al wat er plaats greep met het lichaam van Christus, ook na de scheiding van de ziel, voor ons 168heilrijk was uit kracht van de Godheid, die er mee verenigd was. Een effect nu wordt juist als effect van een oorzaak beschouwd, in zover het gelijkt op die oorzaak. En daar nu de dood een gemis is aan eigen leven, wordt het effect van Christus' dood opgevat in verband met de verwijdering van datgene, wat ons heil in de weg staat, d.i. de geestelijke en lichamelijke dood. En daarom zeggen we, dat door de dood van Christus in ons is te niet gedaan, zowel de dood van de ziel, welke veroorzaakt wordt door onze zonde, naar het woord in de Brief aan de Romeinen (4, 25): “Hij is overgeleverd,” nl. tot de dood, “om onze misdaden;” alsook de lichamelijke dood, welke bestaat in de afscheiding van de ziel; naar het woord in de Eerste Brief aan de Korintiërs (15, 54): “De dood is verzwolgen in overwinning.”
Ad primum ergo dicendum quod mors Christi est operata salutem nostram ex virtute divinitatis unitae, et non ex sola ratione mortis.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De dood van Christus heeft ons heil bewerkt uit kracht der Godheid, die ermee vereenigd was, en niet krachtens den dood alleen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De dood van Christus heeft ons heil bewerkt uit kracht van de Godheid, die ermee verenigd was, en niet krachtens de dood alleen.
Ad secundum dicendum quod mors Christi, secundum quod consideratur in facto esse, etsi non est ad nostram salutem operata per modum meriti, est tamen operata per modum efficientiae, ut dictum est [in corp. art.].
2. Ofschoon de dood van Christus, voor zoover hij beschouwd wordt als gebeurd, niet bij wijze van verdienste ons heil bewerkt heeft, heeft hij toch daartoe meegewerkt op uitwerkende wijze, zooals gezegd is (in de Leerst.).2. Ofschoon de dood van Christus, voor zover hij beschouwd wordt als gebeurd, niet bij wijze van verdienste ons heil bewerkt heeft, heeft hij toch daartoe meegewerkt op uitwerkende wijze, zoals gezegd is (in de Leerst.).
169Ad tertium dicendum quod mors Christi fuit quidem corporalis, sed corpus illud fuit instrumentum divinitatis sibi unitae, operans in virtute ejus etiam mortuum.
1693. Wel was de dood van Christus iets lichamelijks, maar dat lichaam was het werktuig van de Godheid, die er mee vereenigd was, en werkte in haar kracht, ook toen het gestorven was.1693. Wel was de dood van Christus iets lichamelijks, maar dat lichaam was het werktuig van de Godheid, die er mee verenigd was, en werkte in haar kracht, ook toen het gestorven was.