De effectibus passionis Christi, in sex articulos divisa
Over de gevolgen van Christus' lijden
117Deinde considerandum est de ipsis effectibus passionis Christi.
117Hierna moeten de gevolgen van Christus' lijden behandeld worden; en aangaande dit punt stellen we zes vragen:
Et circa hoc quaeruntur sex: 1. Utrum per passionem Christi simus liberati a peccato. — 2. Utrum per eam simus liberati a potestate diaboli. — 3. Utrum per eam simus liberati a reatu poenae. — 4. Utrum per eam simus Deo reconciliati. — 5. Utrum per eam sit nobis aperta janua coeli. — 6. Utrum per eam Christus adeptus sit exaltationem.
1. Zijn wij door het lijden van Christus van de zonde verlost? 2. Zijn wij er door bevrijd uit de macht van den duivel? 3. Zijn wij er door verlost van de strafschuldigheid? 4. Zijn wij er door met God verzoend? 5. Is ons daardoor de deur des hemels geopend? 6. Heeft Christus daardoor zijn verheffing verkregen?1. Zijn wij door het lijden van Christus van de zonde verlost? 2. Zijn wij er door bevrijd uit de macht van de duivel? 3. Zijn wij er door verlost van de strafschuldigheid? 4. Zijn wij er door met God verzoend? 5. Is ons daardoor de deur van de hemel geopend? 6. Heeft Christus daardoor zijn verheffing verkregen?
Utrum per passionem Christi simus liberati a peccato
Zijn wij door het lijden van Christus verlost?
118Ad primum sic proceditur. Videtur quod per passionem Christi non simus liberati a peccato. Liberare enim a peccato est proprium Dei: secundum illud Isa. 43. [v. 25] : « Ego sum qui deleo iniquitates tuas propter me ». Christus autem non est passus secundum quod Deus, sed secundum quod homo. Ergo per passionem Christi non sumus liberati a peccato.
118Bedenkingen. — Men beweert, dat wij niet door het lijden van Christus verlost zijn. — 1. Van zonden verlossen kan alleen God, zooals staat in Isaïas (43. 25) : « Ik ben het, die ter wille van Mijzelf uwe ongerechtigheden wegvaag. » Christus echter heeft niet als God maar als mensch geleden. Dus zijn wij door het lijden van Christus niet van de zonde verlost.118Bedenkingen. — Men beweert, dat wij niet door het lijden van Christus verlost zijn. — 1. Van zonden verlossen kan alleen God, zoals staat in Jesaja (43, 25): “Ik ben het, die ter wille van Mijzelf uw ongerechtigheden wegvaag.” Christus echter heeft niet als God maar als mens geleden. Dus zijn wij door het lijden van Christus niet van de zonde verlost.
2. Praeterea, corporale non agit in spirituale. Sed passio Christi est corporalis: peccatum autem non est nisi in anima, quae est spiritualis creatura. Ergo passio Christi non potuit nos emundare a peccato.
2. Het lichamelijke werkt niet in op het geestelijke. Het lijden van Christus nu is lichamelijk; de zonde daarentegen is enkel in de ziel, die een geestelijk schepsel is. Dus kon het lijden van Christus ons niet zuiveren van de zonde.
3. Praeterea, nullus potest liberari a peccato quod nondum commisit, sed quod in posterum est commissurus. Cum igitur multa peccata post Christi passionem sint commissa, et tota die committantur, videtur quod per passionem Christi non simus liberati a peccato.
3. Niemand kan bevrijd worden van de zonde, die hij nog niet heeft bedreven, maar die hij nog in de toekomst begaan zal. Daar nu vele zonden na het lijden van Christus zijn bedreven en den geheelen dag bedreven worden, zijn wij niet door het lijden van Christus verlost van de zonde.3. Niemand kan bevrijd worden van de zonde, die hij nog niet heeft bedreven, maar die hij nog in de toekomst begaan zal. Daar nu vele zonden na het lijden van Christus zijn bedreven en de gehele dag bedreven worden, zijn wij niet door het lijden van Christus verlost van de zonde.
1194. Praeterea, posita causa sufficienti, nihil aliud requiritur ad effectum inducendum. Requiruntur autem adhuc alia ad remissionem peccatorum: scilicet baptismus et poenitentia. Ergo videtur quod passio Christi non sit sufficiens causa remissionis peccatorum.
1194. Wanneer eenmaal een afdoende oorzaak wordt gesteld, wordt niets anders meer vereischt om het effect voort te brengen. Maar voor de vergiffenis der zonden worden nog andere dingen vereischt: nl. het doopsel en de biecht. Dus is het lijden van Christus geen voldoende oorzaak van de vergiffenis der zonden.1194. Wanneer eenmaal een afdoende oorzaak wordt gesteld, wordt niets anders meer vereist om het effect voort te brengen. Maar voor de vergiffenis van de zonden worden nog andere dingen vereist: nl. het doopsel en de biecht. Dus is het lijden van Christus geen voldoende oorzaak van de vergiffenis van de zonden.
5. Praeterea, Proverb. 10. [v. 12] dicitur: « Universa delicta operit charitas » ; et 15. [v. 27] dicitur: « Per misericordiam et fidem purgantur peccata ». Sed multa sunt alia de quibus habemus fidem, et quae sunt provocativa charitatis. Ergo passio Christi non est propria causa remissionis peccatorum.
5. In het Boek der Spreuken (10. 12) wordt gezegd: « De liefde bedekt alle zonden, » en verderop (15. 27) wordt gezegd: « De zonden worden uitgewischt door barmhartigheid en geloof. » Nu zijn er vele andere dingen, die wij gelooven en die de liefde wakker roepen. Derhalve is het lijden van Christus niet de eigenlijke oorzaak van de vergiffenis der zonden.5. In het Boek van de Spreuken (10, 12) wordt gezegd: “De liefde bedekt alle zonden,” en verderop (15, 27) wordt gezegd: “De zonden worden uitgewist door barmhartigheid en geloof.” Nu zijn er vele andere dingen, die wij geloven en die de liefde wakker roepen. Derhalve is het lijden van Christus niet de eigenlijke oorzaak van de vergiffenis van de zonden.
Sed contra est quod dicitur Apoc. 1. [v. 5] : « Dilexit nos, et lavit nos a peccatis nostris in sanguine suo ».
Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt in het Boek der Openbaring (1. 5) : « Hij heeft ons liefgehad en ons van onze zonden rein gewasschen in zijn bloed. »Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt in het Boek van de Openbaring (1, 5): “Hij heeft ons liefgehad en ons van onze zonden rein gewassen in zijn bloed.”
Respondeo dicendum quod passio Christi est propria causa remissionis peccatorum, tripliciter. Primo quidem, per modum provocantis ad charitatem. Quia, ut Apostolus dicit, Rom. 5. [v. 8 et 9] : « Commendat Deus 120suam charitatem in nobis, quoniam, cum adhuc inimici essemus, Christus pro nobis mortuus est ». Per charitatem autem consequimur veniam peccatorum: secundum illud Luc. 7. [v. 47] : « Dimissa sunt ei peccata multa, quoniam dilexit multum ».
Leerstelling. — Het lijden van Christus is op drievoudige wijze eigenlijke oorzaak van de vergiffenis der zonden. — Vooreerst door aan te sporen tot liefde, want « God bewijst zijn liefde 120voor ons, » zooals de Apostel zegt in zijn Brief aan de Romeinen (5. 8, 9), « doordat Christus voor ons gestorven is, toen wij nog zondaars waren. » Door de liefde nu verkrijgen wij vergiffenis der zonden, zooals staat bij Lucas (7. 47) : « Vele zonden zijn haar vergeven, want zij heeft veel liefgehad. »Leerstelling. — Het lijden van Christus is op drievoudige wijze eigenlijke oorzaak van de vergiffenis van de zonden. — Vooreerst door aan te sporen tot liefde, want “God bewijst zijn liefde 120voor ons,” zoals de Apostel zegt in zijn Brief aan de Romeinen (5, 8, 9), “doordat Christus voor ons gestorven is, toen wij nog zondaars waren.” Door de liefde nu verkrijgen wij vergiffenis van de zonden, zoals staat bij Lukas (7. 47): “Vele zonden zijn haar vergeven, want zij heeft veel liefgehad.”
Secundo, passio Christi causat remissionem peccatorum per modum redemptionis. Quia enim ipse est caput nostrum, per passionem suam, quam ex charitate et obedientia sustinuit, liberavit nos, tanquam membra sua, a peccatis, quasi per pretium suae passionis: sicut si homo per aliquod opus meritorium quod manu exerceret, redimeret se a peccato quod pedibus commisisset. Sicut enim naturale corpus est unum, ex membrorum diversitate consistens, ita tota Ecclesia, quae est mysticum corpus Christi, computatur quasi una persona cum suo capite, quod est Christus.
— Ten tweede veroorzaakt het lijden van Christus de vergiffenis der zonden op verlossende wijze. Want daar Hij het Hoofd is, heeft Hij door zijn lijden uit liefde en gehoorzaamheid te verduren, ons als zijn ledematen van de zonden bevrijd, als door den prijs van zijn lijden; evenals de mensch door een verdienstelijk werk, dat hij met de hand verricht, zich vrij zou maken van de zonde, die hij met zijn voeten bedreven had. Zooals immers het natuurlijk lichaam een eenheid vormt, bestaande uit verscheidene ledematen, zoo wordt ook de Kerk, die het mystieke lichaam van Christus is, als een persoon beschouwd met haar hoofd, dat Christus is.— Ten tweede veroorzaakt het lijden van Christus de vergiffenis van de zonden op verlossende wijze. Want daar Hij het Hoofd is, heeft Hij door zijn lijden uit liefde en gehoorzaamheid te verduren, ons als zijn ledematen van de zonden bevrijd, als door de prijs van zijn lijden; evenals de mens door een verdienstelijk werk, dat hij met de hand verricht, zich vrij zou maken van de zonde, die hij met zijn voeten bedreven had. Zoals immers het natuurlijk lichaam een eenheid vormt, bestaande uit verscheidene ledematen, zo wordt ook de Kerk, die het mystieke lichaam van Christus is, als een persoon beschouwd met haar hoofd, dat Christus is.
Tertio, per modum efficientiae: inquantum caro, secundum quam Christus passionem sustinuit, est instrumentum divinitatis, ex quo ejus passiones et actiones operantur in virtute divina ad expellendum peccatum.
— Ten derde, op uitwerkende wijze, in zoover het vleesch, waarin Christus het lijden onderging, 't werktuig is der Godheid, ten gevolge waarvan het lijden en zijn handelingen werken in de goddelijke kracht, om de zonde te verdrijven.— Ten derde, op uitwerkende wijze, in zover het vlees, waarin Christus het lijden onderging, 't werktuig is van de Godheid, ten gevolge waarvan het lijden en zijn handelingen werken in de goddelijke kracht, om de zonde te verdrijven.
Ad primum ergo dicendum quod, licet Christus non sit passus secundum 121quod Deus, tamen caro ejus est divinitatis instrumentum. Et ex hoc passio ejus habet quandam divinam virtutem dimittendi peccata1 ut dictum est [in corp.].
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Ofschoon Christus 121niet geleden heeft, in zoover Hij God was, is zijn vleesch toch een instrument der Godheid. En hierdoor heeft zijn lijden een goddelijke kracht om de zonden uit te drijven, zooals gezegd werd in de Leerst.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Ofschoon Christus 121niet geleden heeft, in zover Hij God was, is zijn vlees toch een instrument van de Godheid. En hierdoor heeft zijn lijden een goddelijke kracht om de zonden uit te drijven, zoals gezegd werd in de Leerst.
Ad secundum dicendum quod passio Christi, licet sit corporalis, sortitur tamen quandam spiritualem virtutem ex divinitate, cujus caro ei unita est ut instrumentum. Secundum quam quidem virtutem passio Christi est causa remissionis peccatorum.
2. Ofschoon het lijden van Christus lichamelijk is, verkrijgt het toch een geestelijke kracht van de Godheid, daar zijn vleesch met haar als werktuig vereenigd is. In deze kracht is het lijden van Christus oorzaak van zondenvergeving.2. Ofschoon het lijden van Christus lichamelijk is, verkrijgt het toch een geestelijke kracht van de Godheid, daar zijn vlees met haar als werktuig verenigd is. In deze kracht is het lijden van Christus oorzaak van zondenvergeving.
Ad tertium dicendum quod Christus sua passione nos a peccatis liberavit causaliter, idest, instituens causam nostrae liberationis, ex qua possent quaecumque peccata quandocumque remitti, vel praeterita vel praesentia vel futura: sicut si medicus faciat medicinam, ex qua possint quicumque morbi sanari, etiam in futurum.
3. Christus heeft ons door zijn lijden oorzakelijk van de zonde bevrijd, dit is door de oorzaak te stellen van onze bevrijding, krachtens welke alle zonden eens zouden kunnen vergeven worden, hetzij verleden zonden, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomstige, gelijk wanneer een geneesheer een geneesmiddel zou samenstellen, waarmee elke zieke zou kunnen worden genezen, ook in de toekomst.
Ad quartum dicendum quod, quia passio Christi praecessit ut causa quaedam universalis remissionis peccatorum, sicut dictum est [in resp. ad 3.], necesse est quod singulis adhibeatur ad deletionem propriorum 122peccatorum. Hoc autem fit per baptismum et poenitentiam et alia sacramenta, quae habent virtutem ex passione Christi, ut infra patebit [q. 62. art. 5.].
4. Daar het lijden van Christus voorafging als de algemeene oorzaak van zondenvergeving, zooals gezegd werd in het vorig Antw., is het noodzakelijk, dat zij bij ieder afzonderlijk wordt aangewend tot delging van de eigen zonden. Dit gebeurt echter 122door het doopsel en de biecht en de andere sacramenten, die hun kracht ontleenen aan het lijden van Christus, zooals later zal blijken (62e Kw. 5e Art.).4. Daar het lijden van Christus voorafging als de algemene oorzaak van zondenvergeving, zoals gezegd werd in het vorig Antw., is het noodzakelijk, dat zij bij ieder afzonderlijk wordt aangewend tot delging van de eigen zonden. Dit gebeurt echter 122door het doopsel en de biecht en de andere sacramenten, die hun kracht ontlenen aan het lijden van Christus, zoals later zal blijken (62e Kw. 5e Art.).
Ad quintum dicendum quod etiam per fidem applicatur nobis passio Christi ad percipiendum fructum ipsius: secundum illud Rom. 3. [v. 25] : « Quem proposuit Deus propitiatorem per fidem in sanguine ejus ». Fides autem per quam a peccato mundamur, non est fides informis, quae potest esse etiam cum peccato, sed est fides formata per charitatem: ut sic passio Christi nobis applicetur non solum quantum ad intellectum, sed etiam quantum ad affectum. Et per hunc etiam modum peccata dimittuntur ex virtute passionis Christi.
5. Ook door 't geloof wordt het lijden van Christus op ons toegepast, om de vrucht daarvan te genieten, zooals staat in den Brief aan de Romeinen (3. 25) : « Dien God gesteld heeft tot Verzoening door het geloof in zijn bloed. » Het geloof echter, waardoor wij van de zonde gereinigd worden is niet het vormeloos geloof, dat kan samengaan met zonde, maar is het geloof, dat zijn vorm heeft van de liefde, opdat aldus het lijden van Christus niet alleen zoo op ons zou worden toegepast, wat de kennis betreft, maar ook wat de liefde aangaat. En ook op deze wijze worden de zonden vergeven uit kracht van het lijden van Christus.5. Ook door 't geloof wordt het lijden van Christus op ons toegepast, om de vrucht daarvan te genieten, zoals staat in de Brief aan de Romeinen (3, 25): “Die God gesteld heeft tot Verzoening door het geloof in zijn bloed.” Het geloof echter, waardoor wij van de zonde gereinigd worden is niet het vormeloos geloof, dat kan samengaan met zonde, maar is het geloof, dat zijn vorm heeft van de liefde, opdat aldus het lijden van Christus niet alleen zo op ons zou worden toegepast, wat de kennis betreft, maar ook wat de liefde aangaat. En ook op deze wijze worden de zonden vergeven uit kracht van het lijden van Christus.
Utrum per passionem Christi simus liberati a potestate diaboli
Zijn wij door het lijden van Christus verlost uit de macht van den duivel?Zijn wij door het lijden van Christus verlost uit de macht van de duivel?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod per passionem Christi non simus liberati a potestate diaboli. Ille enim non habet potestatem super 123aliquos, in quibus nihil sine permissione alterius facere potest. Sed diabolus nunquam potuit aliquid in nocumentum hominum facere nisi ex permissione divina: sicut patet Job 1. et 2., quod, potestate divinitus accepta, eum primo in rebus, et postea in corpore laesit. Et similiter Matth. 8. [v. 31 et 32] dicitur quod daemones, nisi Christo concedente, non potuerunt in porcos intrare. Ergo diabolus nunquam habuit in hominibus potestatem. Et ita per passionem Christi non sumus liberati a potestate diaboli.
Bedenkingen. — Men beweert, dat wij door het lijden van Christus niet verlost zijn uit de macht van den duivel. — 1. Immers 123hij, die met personen niets doen kan zonder de toestemming van een ander, heeft geen macht over hen. De duivel nu kan nooit iets doen ten nadeele van den mensch, zonder Gods toelaten; zooals blijkt in het Boek Job (hfdst. 1 en 2) waar hij hem eerst in zijn bezittingen en daarna in zijn lichaam benadeelde, na eerst de macht van God ontvangen te hebben. En zoo ook wordt gezegd bij Mattheus (8. 31, 32), dat de duivels niet in de zwijnen konden varen, tenzij Christus het toestond. Dus heeft de duivel nooit macht gehad over de menschen. En zoo zijn wij ook niet door het lijden van Christus verlost uit de macht van den duivel.Bedenkingen. — Men beweert, dat wij door het lijden van Christus niet verlost zijn uit de macht van de duivel. — 1. Immers 123hij, die met personen niets doen kan zonder de toestemming van een ander, heeft geen macht over hen. De duivel nu kan nooit iets doen ten nadele van de mens, zonder Gods toelaten; zoals blijkt in het Boek Job (hfdst. 1 en 2) waar hij hem eerst in zijn bezittingen en daarna in zijn lichaam benadeelde, na eerst de macht van God ontvangen te hebben. En zo ook wordt gezegd bij Matteüs (8, 31, 32), dat de duivels niet in de zwijnen konden varen, tenzij Christus het toestond. Dus heeft de duivel nooit macht gehad over de mensen. En zo zijn wij ook niet door het lijden van Christus verlost uit de macht van de duivel.
2. Praeterea, diabolus potestatem suam in homines exercet tentando et corporaliter vexando. Sed haec adhuc in hominibus operatur, post Christi passionem. Ergo non sumus per passionem Christi ab ejus potestate liberati.
2. De duivel oefent zijn macht over de menschen uit door ze te bekoren en lichamelijk te kwellen. Dat doet hij echter na Christus' lijden nóg. Dus zijn wij door het lijden van Christus niet bevrijd van zijn macht.2. De duivel oefent zijn macht over de mensen uit door ze te bekoren en lichamelijk te kwellen. Dat doet hij echter na Christus' lijden nóg. Dus zijn wij door het lijden van Christus niet bevrijd van zijn macht.
3. Praeterea, virtus passionis Christi in perpetuum durat: secundum illud Hebr. 10. [v. 14] : « Una oblatione consummavit sanctificatos in sempiternum ». Similiter etiam ubique extenditur. Sed liberatio a potestate diaboli nec est ubique, (quia in multis partibus mundi adhuc sunt idololatrae) : nec etiam erit semper, quia tempore Antichristi maxime suam 124potestatem exercebit diabolus in hominum nocumentum, de quo dicitur, 2. ad Thess. 2. [v. 9 et 10], quod « ejus adventus erit secundum operationem Satanae in omni virtute et signis et prodigiis mendacibus, et in omni seductione iniquitatis ». Ergo videtur, quod passio Christi non sit causa liberationis humani generis a potestate diaboli.
3. De kracht van Christus' lijden duurt in eeuwigheid voort volgens het gezegde in den Brief aan de Hebreeën (10. 14) : « Door één enkel offer heeft Hij de geheiligden voor altijd tot volmaaktheid gebracht. » Zoo strekt zij zich ook overal over uit. De bevrijding echter uit de macht van den duivel is niet overal doorgevoerd, daar in vele landen der wereld nog afgodendienaars worden gevonden, en ook zal zij niet standhouden, daar ten tijde van den Antichrist de duivel het meest zijn macht zal aanwenden, 124om de menschen afbreuk te doen, waarover in den Tweeden Brief aan de Thessalonicensen (2. 9, 10) gezegd wordt, dat « zijn verschijning zal geschieden als een werk van den Satan, met allerlei valsche kracht, teekenen en wonderen en met allerlei misdadige verleiding. » Dus is het lijden van Christus niet oorzaak van de bevrijding van het menschelijk geslacht uit de macht van den duivel.3. De kracht van Christus' lijden duurt in eeuwigheid voort volgens het gezegde in de Brief aan de Hebreeën (10, 14): “Door één enkel offer heeft Hij de geheiligden voor altijd tot volmaaktheid gebracht.” Zo strekt zij zich ook overal over uit. De bevrijding echter uit de macht van de duivel is niet overal doorgevoerd, daar in vele landen van de wereld nog afgodendienaars worden gevonden, en ook zal zij niet standhouden, daar ten tijde van de Antichrist de duivel het meest zijn macht zal aanwenden, 124om de mensen afbreuk te doen, waarover in de Tweede Brief aan de Tessalonicenzen (2, 9, 10) gezegd wordt, dat “zijn verschijning zal geschieden als een werk van de Satan, met allerlei valse kracht, tekenen en wonderen en met allerlei misdadige verleiding.” Dus is het lijden van Christus niet oorzaak van de bevrijding van het menselijk geslacht uit de macht van de duivel.
Sed contra est quod Dominus dicit, Joan. 12. [v. 31 et 32], imminente passione: « Nunc princeps hujus mundi ejicietur foras, et ego, si exaltatus fuero a terra, omnia traham ad meipsum ». Est autem exaltatus a terra per crucis passionem. Ergo per eam diabolus est a potestate hominum ejectus.
Daartegenover staat echter, wat de Heer zegt bij Joannes (12. 31, 32), toen zijn lijden nabij was: « Nu wordt de vorst van deze wereld buitengeworpen, en Ik, als Ik verheven zal zijn van de aarde, zal Ik alles tot Mij trekken. » Hij is echter verheven van de aarde door aan het kruis te lijden. Dus is daardoor de duivel zijn macht over de menschen kwijt geraakt.Daartegenover staat echter, wat de Heer zegt bij Johannes (12, 31, 32), toen zijn lijden nabij was: “Nu wordt de vorst van deze wereld buitengeworpen, en Ik, als Ik verheven zal zijn van de aarde, zal Ik alles tot Mij trekken.” Hij is echter verheven van de aarde door aan het kruis te lijden. Dus is daardoor de duivel zijn macht over de mensen kwijt geraakt.
Respondeo dicendum quod circa potestatem quam diabolus in homines exercebat ante Christi passionem, tria sunt consideranda. Primum quidem ex parte hominis, qui suo peccato meruit ut in potestatem traderetur diaboli, per cujus tentationem fuerat separatus. Aliud autem est ex parte Dei, quem homo peccando offenderat, qui, per suam justitiam, hominem reliquerat potestati diaboli.
Leerstelling. — Drie dingen moeten wij in het oog houden met betrekking tot de macht, die de duivel voor Christus' lijden over de menschen uitoefende. — Vooreerst van den kant van den mensch, dat hij door zijn zonde verdiend had om overgeleverd te worden in de macht van den duivel, door wiens misleiding hij overwonnen was. — Ten tweede, van den kant van God, dat Hij door den mensch beleedigd was en in zijn rechtvaardigheid den 125mensch in de macht van den duivel gelaten had.Leerstelling. — Drie dingen moeten wij in het oog houden met betrekking tot de macht, die de duivel voor Christus' lijden over de mensen uitoefende. — Vooreerst van de kant van de mens, dat hij door zijn zonde verdiend had om overgeleverd te worden in de macht van de duivel, door wiens misleiding hij overwonnen was. — Ten tweede, van de kant van God, dat Hij door de mens beledigd was en in zijn rechtvaardigheid de 125mens in de macht van de duivel gelaten had.
125Tertium est ex parte ipsius diaboli: qui sua nequissima voluntate hominem a consecutione salutis impediebat.
— Ten derde, van den kant van den duivel, dat hij door zijn zeer verdorven wil den mensch van het bereiken van zijn heil afhield.— Ten derde, van de kant van de duivel, dat hij door zijn zeer verdorven wil de mens van het bereiken van zijn heil afhield.
Quantum ergo ad primum, homo est a potestate diaboli liberatus per passionem Christi, inquantum passio Christi est causa remissionis peccatorum. Quantum autem ad secundum, dicendum quod passio Christi nos a potestate diaboli liberavit, inquantum nos Deo reconciliavit, ut infra dicetur [art. 4. huj. q.]. Quantum vero ad tertium, passio Christi nos a diabolo liberavit, inquantum in passione Christi excessit modum potestatis sibi traditae a Deo, machinando in mortem Christi, qui non habebat meritum mortis, cum esset absque peccato. Unde Augustinus dicit, in 13. de Trin. [cap. 14.] : « Justitia Christi victus est diabolus: quia, cum in eo nihil morte dignum inveniret, occidit eum tamen; et utique justum est ut debitores quos tenebat, liberi dimittantur, in eum credentes quem sine ullo debito occidit ».
Wat het eerste nu betreft, is de mensch door het lijden van Christus bevrijd uit de macht van den duivel, in zoover het lijden van Christus oorzaak is van de vergiffenis der zonden. — Wat het tweede punt betreft moeten wij zeggen, dat het lijden van Christus ons heeft bevrijd uit de macht van den duivel, in zoover het ons met God verzoende, zooals later zal gezegd worden (4e Art. van deze Kw.). — Wat het derde punt aangaat, heeft het lijden van Christus ons bevrijd van den duivel, in zoover hij bij het lijden van Christus de maat zijner macht, hem door God toegemeten, is te buiten gegaan, door Christus' dood te bewerken, die toch den dood niet verdiend had, daar Hij zonder zonde was. Vandaar dat Augustinus zegt: « De duivel is overwonnen door de gerechtigheid van Christus, daar hij Hem, ofschoon Hij in Hem niets vond, dat den dood verdiende, toch heeft gedood; en het was zeer zeker billijk, dat hij de schuldigen, die gevangen gehouden werden, vrijliet, wanneer zij geloofden in Hem, dien hij zonder schuld gedood had. »Wat het eerste nu betreft, is de mens door het lijden van Christus bevrijd uit de macht van de duivel, in zover het lijden van Christus oorzaak is van de vergiffenis van de zonden. — Wat het tweede punt betreft moeten wij zeggen, dat het lijden van Christus ons heeft bevrijd uit de macht van de duivel, in zover het ons met God verzoende, zoals later zal gezegd worden (4e Art. van deze Kw.). — Wat het derde punt aangaat, heeft het lijden van Christus ons bevrijd van de duivel, in zover hij bij het lijden van Christus de maat van zijn macht, hem door God toegemeten, is te buiten gegaan, door Christus' dood te bewerken, die toch de dood niet verdiend had, daar Hij zonder zonde was. Vandaar dat Augustinus zegt: “De duivel is overwonnen door de gerechtigheid van Christus, daar hij Hem, ofschoon Hij in Hem niets vond, dat de dood verdiende, toch heeft gedood; en het was zeer zeker billijk, dat hij de schuldigen, die gevangen gehouden werden, vrijliet, wanneer zij geloofden in Hem, die hij zonder schuld gedood had.”
Ad primum ergo dicendum quod non dicitur sic diabolus in homines 126potestatem habuisse quasi posset ei nocere Deo non permittente. Sed quia juste permittebatur nocere hominibus, quos tentando ad suum consensum perduxerat.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wij beweren niet, 126dat de duivel macht bezat over de menschen in die mate, dat hij hen schade kan toebrengen zonder Gods toelaten. Maar dat hij terecht toestemming bezat, om de menschen te benadeelen, die hij door hen te bekoren er toe gebracht had, hem ter wille te zijn.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wij beweren niet, 126dat de duivel macht bezat over de mensen in die mate, dat hij hen schade kan toebrengen zonder Gods toelaten. Maar dat hij terecht toestemming bezat, om de mensen te benadelen, die hij door hen te bekoren er toe gebracht had, hem ter wille te zijn.
Ad secundum dicendum quod diabolus etiam nunc potest quidem, Deo permittente, homines tentare quantum ad animam, et vexare quantum ad corpus: sed tamen praeparatum est homini remedium ex passione Christi, quo se potest tueri contra hostis impugnationes, ne deducatur in interitum mortis aeternae. Et quicumque ante passionem Christi diabolo resistebant, per fidem passionis Christi hoc facere poterant: licet, passione Christi nondum peracta, quantum autem ad aliquid nullus poterat1 diaboli manus evadere, ut scilicet non descenderet in infernum. A quo, post passionem Christi, se possunt homines ejus virtute tueri.
2. De duivel kan ook nu wel met Gods toelaten de menschen naar de ziel bekoren en hen kwellen naar het lichaam; maar toch is uit het lijden van Christus den mensch een geneesmiddel bereid, waarmee hij zich kan beveiligen tegen de aanvechtingen van den duivel, om niet gebracht te worden tot den ondergang van den eeuwigen dood. En alwie vóór het lijden van Christus den duivel weerstond, was daartoe in staat door het geloof in het lijden van Christus; ofschoon niemand, toen dat lijden nog niet doorleden was, in een bepaald opzicht aan den greep van den duivel heeft kunnen ontkomen, zoodat hij nl. niet zou behoeven af te dalen naar de onderwereld. Hiertegen kunnen zich de menschen na het lijden van Christus door de kracht ervan beveiligen.2. De duivel kan ook nu wel met Gods toelaten de mensen naar de ziel bekoren en hen kwellen naar het lichaam; maar toch is uit het lijden van Christus de mens een geneesmiddel bereid, waarmee hij zich kan beveiligen tegen de aanvechtingen van de duivel, om niet gebracht te worden tot de ondergang van de eeuwige dood. En alwie vóór het lijden van Christus de duivel weerstond, was daartoe in staat door het geloof in het lijden van Christus; ofschoon niemand, toen dat lijden nog niet doorleden was, in een bepaald opzicht aan de greep van de duivel heeft kunnen ontkomen, zodat hij nl. niet zou behoeven af te dalen naar de onderwereld. Hiertegen kunnen zich de mensen na het lijden van Christus door de kracht ervan beveiligen.
Ad tertium dicendum quod Deus permittit diabolo posse decipere homines in certis personis, temporibus et locis, secundum occultam rationem judiciorum suorum. Semper tamen per passionem Christi est paratum 127hominibus remedium se tuendi contra nequitias daemonum, etiam tempore Antichristi. Sed si aliqui hoc remedio uti negligant, nil deperit efficaciae passionis Christi.
3. God laat toe, dat de duivel bepaalde personen onder de menschen op bepaalde tijden en plaatsen misleiden kan, volgens het verborgen plan zijner raadsbesluiten. Maar ten allen tijde is voor de menschen door het lijden van Christus het geneesmiddel 127bereid om zich te beveiligen tegen de boosheid van den duivel, ook ten tijde van den Antichrist. Doch indien iemand verwaarloost van dit geneesmiddel gebruik te maken, dan doet dit geen afbreuk aan de krachtdadigheid van Christus' lijden.3. God laat toe, dat de duivel bepaalde personen onder de mensen op bepaalde tijden en plaatsen misleiden kan, volgens het verborgen plan van zijn raadsbesluiten. Maar ten allen tijde is voor de mensen door het lijden van Christus het geneesmiddel 127bereid om zich te beveiligen tegen de boosheid van de duivel, ook ten tijde van de Antichrist. Doch indien iemand verwaarloost van dit geneesmiddel gebruik te maken, dan doet dit geen afbreuk aan de krachtdadigheid van Christus' lijden.
Utrum per passionem Christi homines sint liberati a poena peccati
Zijn de menschen door het lijden van Christus bevrijd van de zondestraf?Zijn de mensen door het lijden van Christus bevrijd van de zondestraf?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod per passionem Christi non sint homines liberati a poena peccati. Praecipua enim poena peccati est aeterna damnatio. Sed illi qui damnati erant in inferno pro suis peccatis, non sunt per Christi passionem liberati: quia « in inferno nulla est redemptio » [cfr. Off. Defunct. R. 7.]. Ergo videtur quod passio Christi non liberavit homines a poena peccati.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de menschen door het lijden van Christus niet bevrijd zijn van de zondestraf. — 1. De voornaamste straf der zonde immers is de eeuwige verdoeming. Maar zij, die om hunne zonden tot de hel veroordeeld waren, zijn door het lijden van Christus niet daaruit bevrijd, wijl « er in de hel geen verlossing is. » Dus heeft het lijden van Christus de menschen niet van de straf der zonde bevrijd.Bedenkingen. — Men beweert, dat de mensen door het lijden van Christus niet bevrijd zijn van de zondestraf. — 1. De voornaamste straf van de zonde immers is de eeuwige verdoeming. Maar zij, die om hun zonden tot de hel veroordeeld waren, zijn door het lijden van Christus niet daaruit bevrijd, wijl “er in de hel geen verlossing is.” Dus heeft het lijden van Christus de mensen niet van de straf van de zonde bevrijd.
2. Praeterea, illis qui sunt liberati a reatu poenae, non est aliqua poena injungenda. Sed poenitentibus injungitur poena satisfactoria. Non ergo per passionem Christi sunt homines liberati a reatu poenae.
2. Aan hen, die ontslagen zijn van hun strafschuldigheid, moet geen straf meer opgelegd worden. Den berouwhebbenden echter wordt een straf ter voldoening opgelegd. Dus zijn de menschen door het lijden van Christus niet bevrijd van de strafschuldigheid.2. Aan hen, die ontslagen zijn van hun strafschuldigheid, moet geen straf meer opgelegd worden. De berouwhebbenden echter wordt een straf ter voldoening opgelegd. Dus zijn de mensen door het lijden van Christus niet bevrijd van de strafschuldigheid.
1283. Praeterea, mors est poena peccati: secundum illud Rom. 6. [v. 23] : « Stipendia peccati mors ». Sed adhuc post passionem Christi homines moriuntur. Ergo per passionem Christi non sunt homines liberati a reatu poenae.
1283. De dood is de straf voor de zonde, volgens het woord in den Brief aan de Romeinen (6. 23) : « De soldij der zonde is de dood. » Na het lijden van Christus echter sterven de menschen nog. Dus zijn de menschen door het lijden van Christus niet verlost van de strafschuldigheid.1283. De dood is de straf voor de zonde, volgens het woord in de Brief aan de Romeinen (6, 23): “De soldij van de zonde is de dood.” Na het lijden van Christus echter sterven de mensen nog. Dus zijn de mensen door het lijden van Christus niet verlost van de strafschuldigheid.
Sed contra est quod dicitur Isa. 53. [v. 4] : « Vere languores nostros ipse tulit, et dolores nostros ipse portavit ».
Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt bij Isaïas (53. 4) : « Waarlijk, onze krankheden heeft Hij op zich genomen en onze smarten zelf gedragen. »Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt bij Jesaja (53, 4): “Waarlijk, onze krankheden heeft Hij op zich genomen en onze smarten zelf gedragen.”
Respondeo dicendum quod per passionem Christi liberati sumus a reatu poenae dupliciter. Uno modo, directe: inquantum scilicet passio Christi fuit sufficiens et superabundans satisfactio pro peccatis totius humani generis. Exhibita autem satisfactione sufficienti, tollitur reatus poenae. Alio modo, indirecte: inquantum scilicet passio Christi est causa remissionis peccati, in quo fundatur reatus poenae.
Leerstelling. — Door het lijden van Christus zijn wij van de strafschuldigheid verlost op een dubbele wijze. — Vooreerst, onmiddellijk, in zoover nl. 't lijden van Christus een voldoende en overvloedige voldoening was voor de zonden van geheel het menschelijk geslacht. Wordt er echter een volwaardige voldoening gebracht, dan wordt de strafschuldigheid opgeheven. — Vervolgens indirect, in zoover nl. het lijden van Christus oorzaak is van de vergiffenis der zonde, die de grond is der strafschuldigheid.Leerstelling. — Door het lijden van Christus zijn wij van de strafschuldigheid verlost op een dubbele wijze. — Vooreerst, onmiddellijk, in zover nl. 't lijden van Christus een voldoende en overvloedige voldoening was voor de zonden van geheel het menselijk geslacht. Wordt er echter een volwaardige voldoening gebracht, dan wordt de strafschuldigheid opgeheven. — Vervolgens indirect, in zover nl. het lijden van Christus oorzaak is van de vergiffenis van de zonde, die de grond is van de strafschuldigheid.
Ad primum ergo dicendum quod passio Christi sortitur effectum suum in illis quibus applicatur per fidem et charitatem, et per fidei sacramenta. 129Et ideo damnati in inferno, qui praedicto modo passioni Christi non conjunguntur, effectum ejus percipere non possunt.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het lijden van Christus vindt zijn uitwerking bij hen, op wie het wordt toegepast door het geloof en de liefde, en door de geloofssacramenten. 129En daarom kunnen de veroordeelden in de hel, die niet op genoemde wijze met het lijden van Christus verbonden worden, de uitwerking daarvan niet deelachtig worden.
Ad secundum dicendum quod, sicut supra dictum est [art. 1. huj. q. ad 4.], ad hoc quod consequamur effectum passionis Christi, oportet nos ei configurari. Configuramur autem ei in baptismo sacramentaliter: secundum illud Rom. 6. [v. 4] : « Consepulti sumus ei per baptismum in mortem ». Unde baptizatis nulla poena satisfactoria imponitur: quia sunt totaliter liberati per satisfactionem Christi. Quia vero « Christus semel tantum pro peccatis nostris mortuus est », ut dicitur 1. Petr. 3. [v. 18], ideo non potest homo secundario configurari morti Christi per sacramentum baptismi. Unde oportet, quod illi qui post baptismum peccant, configurentur Christo patienti per aliquid poenalitatis vel passionis quam in seipsis sustineant. Quae tamen multo minor sufficit quam esset condigna peccato, cooperante satisfactione Christi.
2. Zooals boven gezegd is (4e Art. van deze Kw. 4e Antw.), moeten wij, om de uitwerking van Christus' lijden deelachtig te worden, naar Hem gevormd worden. Wij worden Hem nu gelijkvormig op sacramenteele wijze in het doopsel volgens het woord in den Brief aan de Romeinen (6. 4) : « Wij zijn door het doopsel met Hem begraven tot den dood. » Daarom wordt den gedoopten geen straf ter voldoening opgelegd, daar zij geheel bevrijd zijn door de voldoening van Christus. Daar Christus echter slechts « eenmaal voor onze zonden gestorven is, » zooals gezegd wordt in den Eersten Brief van Petrus (3. 18), daarom kan de mensch niet ten tweede male door het sacrament van het doopsel gelijkvormig worden aan den dood van Christus. Daarom moeten zij, die na het doopsel zondigen, gelijkvormig worden aan den lijdenden Christus door eenige straf of lijden, dat zij in zichzelf doorstaan. Maar er volstaat een veel geringere, dan die volwaardig zou zijn aan de zonde, omdat Christus' voldoening meewerkt.2. Zoals boven gezegd is (1e Art. van deze Kw. 4e Antw.), moeten wij, om de uitwerking van Christus' lijden deelachtig te worden, naar Hem gevormd worden. Wij worden Hem nu gelijkvormig op sacramentele wijze in het doopsel volgens het woord in de Brief aan de Romeinen (6, 4): “Wij zijn door het doopsel met Hem begraven tot de dood.” Daarom wordt de gedoopte geen straf ter voldoening opgelegd, daar zij geheel bevrijd zijn door de voldoening van Christus. Daar Christus echter slechts “eenmaal voor onze zonden gestorven is,” zoals gezegd wordt in de Eerste Brief van Petrus (3, 18), daarom kan de mens niet ten tweede male door het sacrament van het doopsel gelijkvormig worden aan de dood van Christus. Daarom moeten zij, die na het doopsel zondigen, gelijkvormig worden aan de lijdende Christus door enige straf of lijden, dat zij in zichzelf doorstaan. Maar er volstaat een veel geringere, dan die volwaardig zou zijn aan de zonde, omdat Christus' voldoening meewerkt.
Ad tertium dicendum quod satisfactio Christi habet effectum in nobis inquantum incorporamur ei ut membra suo capiti, sicut supra dictum est 130[art. 1. huj. q.]. Membra autem oportet capiti conformari1. Et ideo, sicut Christus primo quidem habuit gratiam in anima cum passibilitate corporis, et per passionem ad gloriam immortalitatis pervenit; ita et nos, qui sumus membra ejus, per passionem ipsius liberamur quidem a reatu cujuslibet poenae, ita tamen quod primo recipimus in anima spiritum adoptionis filiorum, quo adscribimur ad haereditatem gloriae immortalis2, adhuc corpus passibile et mortale habentes; postmodum vero, configurati passionibus et morti Christi, in gloriam immortalem perducimur; secundum illud Apostoli Rom. 8. [v. 17] : « Si filii et haeredes, haeredes quidem Dei, cohaeredes autem Christi: si tamen compatimur, ut et conglorificemur ».
3. De voldoening van Christus heeft in ons haar uitwerking, in zooverre wij bij Hem worden ingelijfd, als ledematen bij het 130hoofd, zooals boven gezegd is (1e Art. van deze Kw.). De ledematen echter moeten gelijkvormig zijn aan het hoofd. En zooals derhalve Christus eerst wel de genade in zijn ziel bezat verbonden met lichamelijke lijdbaarheid, en door het lijden kwam tot de glorie der onsterfelijkheid, zoo worden ook wij, die zijn ledematen zijn, door zijn lijden wel bevrijd van elke strafschuldigheid, zoo echter, dat wij eerst in de ziel den geest ontvangen van aanneming tot kinderen, waardoor wij worden bestemd tot erfgenaam van de glorie der onsterfelijkheid, terwijl wij nog een lijdbaar en sterfelijk lichaam hebben; later echter als wij met Christus in zijn lijden en dood gelijkvormig zijn geworden, worden wij gebracht tot de onsterfelijke glorie, naar het woord van den Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (8. 17) : « Indien zonen, dan ook erfgenamen, en wel erfgenamen van God, en medeërfgenamen van Christus, als wij tenminste met Hem lijden, om ook met Hem verheerlijkt te worden. »3. De voldoening van Christus heeft in ons haar uitwerking, in zoverre wij bij Hem worden ingelijfd, als ledematen bij het 130hoofd, zoals boven gezegd is (1e Art. van deze Kw.). De ledematen echter moeten gelijkvormig zijn aan het hoofd. En zoals derhalve Christus eerst wel de genade in zijn ziel bezat verbonden met lichamelijke lijdbaarheid, en door het lijden kwam tot de glorie van de onsterfelijkheid, zo worden ook wij, die zijn ledematen zijn, door zijn lijden wel bevrijd van elke strafschuldigheid, zo echter, dat wij eerst in de ziel de geest ontvangen van aanneming tot kinderen, waardoor wij worden bestemd tot erfgenaam van de glorie van de onsterfelijkheid, terwijl wij nog een lijdbaar en sterfelijk lichaam hebben; later echter als wij met Christus in zijn lijden en dood gelijkvormig zijn geworden, worden wij gebracht tot de onsterfelijke glorie, naar het woord van de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (8, 17): “Indien zonen, dan ook erfgenamen, en wel erfgenamen van God, en medeërfgenamen van Christus, als wij tenminste met Hem lijden, om ook met Hem verheerlijkt te worden.”
Utrum per passionem Christi simus Deo reconciliati
Zijn wij door het lijden van Christus met God verzoend?
131Ad quartum sic proceditur. Videtur quod per passionem Christi non simus Deo reconciliati. Reconciliatio enim non habet locum inter amicos. Sed Deus semper dilexit nos: secundum illud Sap. 11. [v. 25] : « Diligis omnia quae sunt et nihil odisti eorum quae fecisti ». Ergo passio Christi non reconciliavit nos Deo.
131Bedenkingen. — Men beweert, dat wij door het lijden van Christus niet met God verzoend zijn. — 1. Verzoening heeft niet plaats tusschen vrienden. God nu heeft ons altijd bemind, naar het woord van het Boek der Wijsheid (11. 25) : « Gij bemint alles wat is, en Gij hebt niets gehaat van alles wat Gij gemaakt hebt. » Dus heeft het lijden van Christus ons niet met God verzoend.131Bedenkingen. — Men beweert, dat wij door het lijden van Christus niet met God verzoend zijn. — 1. Verzoening heeft niet plaats tussen vrienden. God nu heeft ons altijd bemind, naar het woord van het Boek van de Wijsheid (11, 25): “Gij bemint alles wat is, en Gij hebt niets gehaat van alles wat Gij gemaakt hebt.” Dus heeft het lijden van Christus ons niet met God verzoend.
2. Praeterea, non potest idem esse principium et effectus: unde gratia, quae est principium merendi, non cadit sub merito. Sed dilectio Dei est principium passionis Christi: secundum illud Joan. 3. [v. 16] : « Sic Deus dilexit mundum, ut Filium suum unigenitum daret ». Non ergo videtur quod per passionem Christi simus reconciliati Deo, ita quod de novo nos amare inciperet.
2. Een en hetzelfde kan niet tegelijk beginsel en uitwerksel zijn. Daarom valt de genade, die beginsel van verdienste is, niet onder het verdiende. De liefde van God echter is het beginsel geweest van Christus' lijden naar het woord van Joannes (3. 16) : « Zoozeer heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eenigen Zoon gegeven heeft. » Dus zijn wij door het lijden van Christus niet met God verzoend, zoo, dat Hij zou beginnen ons opnieuw lief te hebben.2. Een en hetzelfde kan niet tegelijk beginsel en uitwerksel zijn. Daarom valt de genade, die beginsel van verdienste is, niet onder het verdiende. De liefde van God echter is het beginsel geweest van Christus' lijden naar het woord van Johannes (3, 16): “Zozeer heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn enigen Zoon gegeven heeft.” Dus zijn wij door het lijden van Christus niet met God verzoend, zo, dat Hij zou beginnen ons opnieuw lief te hebben.
1323. Praeterea, passio Christi impleta est per homines Christum occidentes, qui ex hoc graviter Deum offenderunt. Ergo passio Christi est magis causa indignationis quam reconciliationis Dei.
1323. Het lijden van Christus is voltrokken door de menschen, die Christus doodden, en die daardoor God zwaar beleedigd hebben. Dus is het lijden van Christus meer oorzaak, dat God vergramd, dan dat Hij verzoend werd.1323. Het lijden van Christus is voltrokken door de mensen, die Christus doodden, en die daardoor God zwaar beledigd hebben. Dus is het lijden van Christus meer oorzaak, dat God vergramd, dan dat Hij verzoend werd.
Sed contra est quod Apostolus dicit Rom. 5. [v. 10] : « Reconciliati sumus Deo per mortem Filii ejus ».
Daartegenover staat echter, dat de Apostel zegt in zijn Brief aan de Romeinen (5. 10) : « Wij zijn met God verzoend door den dood van zijn Zoon. »Daartegenover staat echter, dat de Apostel zegt in zijn Brief aan de Romeinen (5, 10): “Wij zijn met God verzoend door de dood van zijn Zoon.”
Respondeo dicendum quod passio Christi est causa reconciliationis nostrae ad Deum dupliciter. Uno modo, inquantum removet peccatum, per quod homines constituuntur inimici Dei, secundum illud Sap. 14. [v. 9] : « Similiter odio sunt Deo impius et impietas ejus » ; et in Psal. 5. [v. 7] : « Odisti omnes, qui operantur iniquitatem ». Alio modo, inquantum est sacrificium Deo acceptissimum. Est enim hoc proprie sacrificii effectus, ut per ipsum placetur Deus: sicut cum homo offensam in se commissam remittit propter aliquod obsequium acceptum quod ei exhibetur. Unde dicitur 1. Reg. 26. [v. 19] : « Si Dominus incitat te adversum me, 133odoretur sacrificium ». Et similiter tantum bonum fuit quod Christus voluntarie passus est, quod propter hoc bonum in natura humana inventum, Deus placatus est super omni offensa generis humani, quantum ad eos qui Christo passo conjunguntur secundum modum praemissum.
Leerstelling. — Het lijden van Christus is op dubbele wijze oorzaak van onze verzoening met God. — Vooreerst in zoover het de zonde wegneemt, waardoor de menschen vijanden van God waren naar het woord in het Boek der Wijsheid (14. 9) : « De goddelooze en zijn goddeloosheid zijn gelijkelijk gehaat in het oog van God, » en in het Boek der Psalmen (5. 7) : « Gij haat allen, die onrecht doen. » — Vervolgens, in zooverre het een Gode alleraangenaamst sacrificie was. Dit immers is het eigen uitwerksel van een sacrificie, dat het God verzoent, zooals wanneer een mensch een beleediging, die hem is aangedaan, vergeeft, om een welgevallig dienstbetoon, dat men hem bewijst. Daarom wordt gezegd in het Eerste Boek der Koningen (26. 19) : « Als de Heer 133u tegen mij opzet, moge Hij een slachtoffer ruiken. » En evenzoo was het zulk een groot goed, dat Christus vrijwillig geleden heeft, dat God om dit goed in de menschelijke natuur gevonden, verzoening ontving voor elke beleediging van het menschelijk geslacht, wat hen betreft, die op voornoemde wijze verbonden zijn met Christus, die geleden heeft.Leerstelling. — Het lijden van Christus is op dubbele wijze oorzaak van onze verzoening met God. — Vooreerst in zover het de zonde wegneemt, waardoor de mensen vijanden van God waren naar het woord in het Boek van de Wijsheid (14, 9): “De goddeloze en zijn goddeloosheid zijn gelijkelijk gehaat in het oog van God,” en in het Boek van de Psalmen (5, 7): “Gij haat allen, die onrecht doen.” — Vervolgens, in zoverre het een Gode alleraangenaamst sacrificie was. Dit immers is het eigen uitwerksel van een sacrificie, dat het God verzoent, zoals wanneer een mens een belediging, die hem is aangedaan, vergeeft, om een welgevallig dienstbetoon, dat men hem bewijst. Daarom wordt gezegd in het Eerste Boek van de Koningen (26, 19)a: “Als de Heer 133u tegen mij opzet, moge Hij een slachtoffer ruiken.” En evenzo was het zulk een groot goed, dat Christus vrijwillig geleden heeft, dat God om dit goed in de menselijke natuur gevonden, verzoening ontving voor elke belediging van het menselijk geslacht, wat hen betreft, die op voornoemde wijze verbonden zijn met Christus, die geleden heeft.
Ad primum ergo dicendum quod Deus diligit omnes homines quantum ad naturam, quam ipse fecit. Sed odit omnes1 quantum ad culpam, quam contra eum homines committunt: secundum illud Eccli. 12. [v. 3] : « Altissimus odio habet peccatores ».
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. God bemint alle menschen met het oog op de natuur, die Hij zelf schiep; Hij haat de menschen echter, omdat zij zich schuldig maken tegenover Hem, naar het woord van het Boek Ecclesiasticus (12. 3) : « De Verhevene haat de zondaars. »Antwoord op de Bedenkingen. — 1. God bemint alle mensen met het oog op de natuur, die Hij zelf schiep; Hij haat de mensen echter, omdat zij zich schuldig maken tegenover Hem, naar het woord van het Boek Sirach (12, 3): “De Verhevene haat de zondaars.”
Ad secundum dicendum quod passio Christi non dicitur quantum ad hoc Deo nos reconciliasse, quod de novo nos amare inciperet: cum scriptum sit, Jerem. 31. [v. 3] : « In charitate perpetua dilexi te ». Sed quia per passionem Christi sublata est odii causa: tum per ablutionem peccati; tum per recompensationem acceptabilioris boni.
2. Het lijden van Christus heeft ons niet in dien zin met God verzoend, dat Hij begon ons opnieuw lief te hebben, daar er geschreven staat in Jeremias (31. 3) : « Met een eeuwige liefde heb Ik u bemind. » Maar in dien zin, dat door het lijden van Christus de oorzaak van zijn haat is weggenomen, zoowel doordat de zonde werd afgewasschen, als doordat Hij de vergoeding ontving van een meer welgevallig goed.2. Het lijden van Christus heeft ons niet in die zin met God verzoend, dat Hij begon ons opnieuw lief te hebben, daar er geschreven staat in Jeremia (31, 3): “Met een eeuwige liefde heb Ik u bemind.” Maar in die zin, dat door het lijden van Christus de oorzaak van zijn haat is weggenomen, zowel doordat de zonde werd afgewassen, als doordat Hij de vergoeding ontving van een meer welgevallig goed.
Ad tertium dicendum quod, sicut occisores Christi homines fuerunt, 134ita et Christus occisus. Major autem fuit charitas Christi patientis quam iniquitas occisorum. Et ideo passio Christi magis valuit ad reconciliandum Deum toti humano generi, quam ad provocandum ad iram.
3. Christus, die gedood werd, was evengoed mensch als de 134moordenaars van Christus. Maar de liefde van den lijdenden Christus was grooter, dan de boosheid der moordenaars. En daarom was het lijden van Christus meer in staat om God met geheel het menschelijk geslacht te verzoenen, dan om Hem tot toorn op te wekken.3. Christus, die gedood werd, was evengoed mens als de 134moordenaars van Christus. Maar de liefde van de lijdende Christus was groter, dan de boosheid van de moordenaars. En daarom was het lijden van Christus meer in staat om God met geheel het menselijk geslacht te verzoenen, dan om Hem tot toorn op te wekken.
Utrum Christus sua passione aperuerit nobis januam coeli
Heeft Christus door zijn lijden ons de deur van den hemel geopend?Heeft Christus door zijn lijden ons de deur van de hemel geopend?
Ad quintum sic proceditur. Videtur quod Christus sua passione non aperuerit nobis januam coeli. Dicitur enim Proverb. 11. [v. 18] : « Seminanti justitiam merces fidelis ». Sed merces justitiae est introitus regni coelestis. Ergo videtur quod sancti Patres, qui operati sunt opera justitiae, fide consecuti essent introitum regni coelestis, etiam absque Christi passione. Non ergo passio Christi est causa apertionis januae regni coelestis.
Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus ons door zijn lijden niet de deur van den hemel heeft geopend. — 1. In het Boek der Spreuken (11. 18) toch wordt gezegd: « Die gerechtigheid zaait, is van zijn loon verzekerd. » Nu is het loon der gerechtigheid de intrede in het rijk der hemelen. Dus verkregen de heilige vaders, die werken van gerechtigheid verrichtten, door hun geloof de intrede in het rijk der hemelen, ook zonder het lijden van Christus. Dus is het lijden van Christus niet de oorzaak, dat de deur des hemels geopend werd.Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus ons door zijn lijden niet de deur van de hemel heeft geopend. — 1. In het Boek van de Spreuken (11, 18) toch wordt gezegd: “Die gerechtigheid zaait, is van zijn loon verzekerd.” Nu is het loon van de gerechtigheid de intrede in het rijk van de hemelen. Dus verkregen de heilige vaders, die werken van gerechtigheid verrichtten, door hun geloof de intrede in het rijk van de hemelen, ook zonder het lijden van Christus. Dus is het lijden van Christus niet de oorzaak, dat de deur van de hemel geopend werd.
2. Praeterea, ante passionem Christi, Elias raptus est in coelum, ut 135dicitur 4. Reg. 2. [v. 11]. Sed effectus non praecedit causam. Ergo videtur, quod apertio januae coelestis non sit effectus passionis Christi.
2. Vóór het lijden van Christus werd Elias opgevoerd ten hemel, zooals verhaald wordt in het Vierde Boek der Koningen (2. 13511). Het uitwerksel echter gaat niet aan de oorzaak vooraf. Dus het opengaan van de deur des hemels is geen uitwerksel van Christus' lijden.2. Vóór het lijden van Christus werd Elias opgevoerd ten hemel, zoals verhaald wordt in het Vierde Boek van de Koningen (2. 13511)a. Het uitwerksel echter gaat niet aan de oorzaak vooraf. Dus het opengaan van de deur van de hemel is geen uitwerksel van Christus' lijden.
3. Praeterea, sicut legitur Matth. 3. [v. 16], Christo baptizato aperti sunt ei1 coeli. Sed baptismus praecessit passionem. Ergo apertio coeli non est effectus passionis Christi.
3. Zooals wij lezen bij Mattheus (3. 16) werd bij den doop van Christus de hemel geopend. Het doopsel echter ging aan het lijden vooraf. Dus is de opening van den hemel geen uitwerksel van Christus' lijden.3. Zoals wij lezen bij Matteüs (3, 16) werd bij de doop van Christus de hemel geopend. Het doopsel echter ging aan het lijden vooraf. Dus is de opening van de hemel geen uitwerksel van Christus' lijden.
4. Praeterea, Mich. 2. [v. 13] dicitur: « Ascendit pandens iter ante eos ». Sed nihil aliud videtur esse pandere iter coeli, quam ejus januam aperire. Ergo videtur quod janua coeli sit nobis aperta, non per passionem Christi, sed per ascensionem ejus.
4. In Micheäs (2. 13) wordt gezegd: « Hij steeg op, terwijl Hij een weg voor hen bereidde. » Maar de weg naar den hemel bereiden is niets anders, dan de deur ervan openen. Dus is de deur van den hemel ons niet door Christus' lijden geopend, maar door zijn hemelvaart.4. In Micheäs (2, 13) wordt gezegd: “Hij steeg op, terwijl Hij een weg voor hen bereidde.” Maar de weg naar de hemel bereiden is niets anders, dan de deur ervan openen. Dus is de deur van de hemel ons niet door Christus' lijden geopend, maar door zijn hemelvaart.
Sed contra est quod Apostolus dicit, Heb. 10. [v. 19] : « Habemus fiduciam in introitu sanctorum », scilicet coelestium, « in sanguine Christi ».
Daartegenover staat echter, dat de Apostel in den Brief aan de Hebreeën (10. 19) zegt: « Door het bloed van Christus zijn wij zeker van onze intrede bij de heiligen, » nl. de hemelingen.Daartegenover staat echter, dat de Apostel in de Brief aan de Hebreeën (10, 19) zegt: “Door het bloed van Christus zijn wij zeker van onze intrede bij de heiligen,” nl. de hemelingen.
Respondeo dicendum quod clausio januae est obstaculum quoddam prohibens homines ab ingressu. Prohibebantur autem homines ab ingressu 136regni coelestis propter peccatum: quia, sicut dicitur Isa. 35. [v. 8] : « Via illa sancta vocabitur, et non transibit per eam pollutus ». Est autem duplex peccatum impediens ab ingressu regni coelestis. Unum quidem commune totius humanae naturae, quod est peccatum primi parentis. Et per hoc peccatum praecludebatur homini aditus regni coelestis: unde legitur Gen. 3. [v. 24] quod, post peccatum primi parentis « collocavit Deus Cherubim, et flammeum gladium atque versatilem, ad custodiendam viam ligni vitae ». Aliud autem est peccatum speciale uniuscujusque personae, quod per proprium actum committitur uniuscujusque hominis.
Leerstelling. — Het gesloten zijn van een deur is een zeker obstakel, dat de menschen belet om binnen te gaan. De menschen nu werden verhinderd om het rijk der hemelen binnen te gaan 136door de zonde, want, zooals gezegd wordt bij Isaïas (35. 8) : « Die weg zal heilig genoemd worden, en niemand, die besmet is zal daarlangs gaan. » Er is echter een tweevoudige zonde, die de intrede in het rijk der hemelen verhindert. Eene nl. die de geheele menschelijke natuur gemeen heeft: de zonde van den stamvader. En door deze zonde is de toegang tot het rijk der hemelen voor den mensch gesloten. Vandaar lezen wij in het Boek der Schepping (3. 24), dat na de zonde van den stamvader « God een cherubijn aanstelde en een vlammend en flikkerend zwaard, om den weg te bewaken naar den boom des levens. » — De andere is de bijzondere zonde van iedere persoon afzonderlijk, die bedreven wordt door ieders eigen daad.Leerstelling. — Het gesloten zijn van een deur is een zeker obstakel, dat de mensen belet om binnen te gaan. De mensen nu werden verhinderd om het rijk van de hemelen binnen te gaan 136door de zonde, want, zoals gezegd wordt bij Jesaja (35, 8): “Die weg zal heilig genoemd worden, en niemand, die besmet is zal daarlangs gaan.” Er is echter een tweevoudige zonde, die de intrede in het rijk van de hemelen verhindert. Een nl. die de gehele menselijke natuur gemeen heeft: de zonde van de stamvader. En door deze zonde is de toegang tot het rijk van de hemelen voor de mens gesloten. Vandaar lezen wij in het Boek van de Schepping (3, 24), dat na de zonde van de stamvader “God een cherubijn aanstelde en een vlammend en flikkerend zwaard, om de weg te bewaken naar de boom van het leven.” — De andere is de bijzondere zonde van iedere persoon afzonderlijk, die bedreven wordt door ieders eigen daad.
Per passionem autem Christi liberati sumus non solum a peccato communi totius humanae naturae, et quantum ad culpam et quantum ad reatum poenae, ipso solvente pretium pro nobis: sed etiam a peccatis propriis singulorum qui communicant eius passioni per fidem et charitatem et fidei sacramenta. Et ideo per passionem Christi aperta est nobis janua regni coelestis. Et hoc est quod Apostolus dicit, Heb. 9. [v. 11, 12], quod « Christus, assistens Pontifex futurorum bonorum, per proprium sanguinem introivit semel in sancta, aeterna 137redemptione inventa ». Et hoc figuratur Num. 35. [v. 25, sq.], ubi dicitur, quod homicida « manebit ibi », scilicet in civitate refugii, « donec Sacerdos magnus, qui oleo sancto unctus est, moriatur »: quo mortuo, poterit in domum suam redire.
Door het lijden van Christus nu zijn wij verlost, niet alleen van de zonde, die geheel de menschelijke natuur gemeen heeft, zoowel wat de zondigheid als wat de strafschuldigheid betreft, doordat Hij zelf den prijs voor ons betaald heeft, maar ook zijn allen die gemeenschap hebben met zijn lijden door het geloof, de liefde en de geloofssacramenten, van hun eigen zonden verlost. En dus is ons door het lijden van Christus de deur van het rijk der hemelen geopend. En dit bedoelt de Apostel, als hij zegt in zijn Brief aan de Hebreeën (9. 11, 12), dat « Christus, optredend als Hoogepriester der toekomende goederen, door zijn eigen bloed eenmaal het 137heiligdom is binnengegaan, na een eeuwige verlossing bewerkt te hebben. » En dit werd vooraf aangeduid in het Boek der Getallen (35. 25), waar gezegd wordt, dat de moordenaar « daar zal blijven, » nl. in de stad zijner toevlucht, « totdat de Hoogepriester, die met heilige olie gezalfd is, sterven zal; » na wiens dood hij in zijn huis zal kunnen terugkeeren.Door het lijden van Christus nu zijn wij verlost, niet alleen van de zonde, die geheel de menselijke natuur gemeen heeft, zowel wat de zondigheid als wat de strafschuldigheid betreft, doordat Hij zelf de prijs voor ons betaald heeft, maar ook zijn allen die gemeenschap hebben met zijn lijden door het geloof, de liefde en de geloofssacramenten, van hun eigen zonden verlost. En dus is ons door het lijden van Christus de deur van het rijk van de hemelen geopend. En dit bedoelt de Apostel, als hij zegt in zijn Brief aan de Hebreeën (9, 11, 12), dat “Christus, optredend als Hogepriester van de toekomende goederen, door zijn eigen bloed eenmaal het 137heiligdom is binnengegaan, na een eeuwige verlossing bewerkt te hebben.” En dit werd vooraf aangeduid in het Boek van de Getallen (35. 25), waar gezegd wordt, dat de moordenaar “daar zal blijven,” nl. in de stad van zijn toevlucht, “totdat de Hogepriester, die met heilige olie gezalfd is, sterven zal;” na wiens dood hij in zijn huis zal kunnen terugkeren.
Ad primum ergo dicendum quod sancti Patres operando opera justitiae, meruerunt introitum regni coelestis per fidem passionis Christi, secundum illud Heb. 11. [v. 33] : « Sancti per fidem vicerunt regna, operati sunt justitiam »: per quam etiam unusquisque a peccato purgabatur quantum pertinet ad emundationem propriae personae. Non tamen alicujus fides vel justitia sufficiebat ad removendum impedimentum quod erat per reatum totius humanae creaturae. Quod quidem remotum est pretio sanguinis Christi. Et ideo ante passionem Christi nullus intrare poterat regnum coeleste, adipiscendo scilicet beatitudinem aeternam, quae consistit in plena Dei fruitione.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De heilige vaders hebben door werken van gerechtigheid te doen, de intrede in het hemelsche rijk verdiend door hun geloof in het lijden van Christus, naar het woord in den Brief aan de Hebreeën (11. 33) : « Door het geloof hebben de heiligen koninkrijken overweldigd, hebben zij gerechtigheid uitgeoefend: » en door dit geloof werd ook iedereen gereinigd van zijn zonde, wat de reiniging van zijn eigen persoon aangaat. Maar het geloof of de gerechtigheid van één was niet voldoende om het beletsel, dat bestond in de schuldigheid van geheel het menschelijk geslacht, uit den weg te ruimen. Dit is echter weggenomen door den prijs van Christus' bloed. En daarom kon vóór het lijden van Christus niemand binnengaan in het hemelrijk, door nl. de eeuwige zaligheid te verkrijgen, die gelegen is in de volle genieting van God.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De heilige vaders hebben door werken van gerechtigheid te doen, de intrede in het hemelse rijk verdiend door hun geloof in het lijden van Christus, naar het woord in de Brief aan de Hebreeën (11, 33): “Door het geloof hebben de heiligen koninkrijken overweldigd, hebben zij gerechtigheid uitgeoefend:” en door dit geloof werd ook iedereen gereinigd van zijn zonde, wat de reiniging van zijn eigen persoon aangaat. Maar het geloof of de gerechtigheid van één was niet voldoende om het beletsel, dat bestond in de schuldigheid van geheel het menselijk geslacht, uit de weg te ruimen. Dit is echter weggenomen door de prijs van Christus' bloed. En daarom kon vóór het lijden van Christus niemand binnengaan in het hemelrijk, door nl. de eeuwige zaligheid te verkrijgen, die gelegen is in de volle genieting van God.
Ad secundum dicendum quod Elias sublevatus est in coelum aëreum: 138non autem in coelum empyreum, qui est locus Sanctorum. Et similiter etiam Enoch raptus est ad paradisum terrestrem, ubi cum Elia simul creditur vivere usque ad adventum Antichristi.
2. Elias is opgenomen in den luchthemel, echter niet in den 138vuurhemel, die de plaats der heiligen is. Zoo ook is Enoch meegevoerd naar het aardsch paradijs, waar hij, zooals men gelooft, met Elias leeft tot aan de komst van den Antichrist.2. Elias is opgenomen in de luchthemel, echter niet in de 138vuurhemel, die de plaats van de heiligen is. Zo ook is Enoch meegevoerd naar het aards paradijs, waar hij, zoals men gelooft, met Elias leeft tot aan de komst van de Antichrist.
Ad tertium dicendum quod, sicut supra dictum est [q. 39. art. 5.], Christo baptizato aperti sunt coeli, non propter ipsum Christum, cui semper coelum patuit: sed ad significandum quod coelum aperitur baptizatis baptismo Christi, qui habet efficaciam ex passione ipsius.
3. Zooals boven gezegd is (39e Kw. 5e Art.) werd bij den doop van Christus de hemel geopend, niet voor Christus zelf, voor wien de hemel altijd openstond, maar om aan te geven, dat de hemel geopend wordt voor hen, die gedoopt zijn met het doopsel van Christus, dat zijn uitwerking ontleent aan zijn lijden.3. Zoals boven gezegd is (39e Kw. 5e Art.) werd bij de doop van Christus de hemel geopend, niet voor Christus zelf, voor wie de hemel altijd openstond, maar om aan te geven, dat de hemel geopend wordt voor hen, die gedoopt zijn met het doopsel van Christus, dat zijn uitwerking ontleent aan zijn lijden.
Ad quartum dicendum quod Christus sua passione meruit nobis introitum regni coelestis, et impedimentum removit: sed per suam ascensionem nos quasi in possessionem regni coelestis introduxit. Et ideo dicitur quod ascendit pandens iter ante eos.
4. Christus heeft door zijn lijden voor ons het binnentreden in den hemel verdiend, en het beletsel weggenomen, maar door zijn hemelvaart zijn wij als het ware in het bezit gebracht van het hemelsche rijk. En daarom wordt gezegd, dat Hij opsteeg, een weg voor hen bereidend.4. Christus heeft door zijn lijden voor ons het binnentreden in de hemel verdiend, en het beletsel weggenomen, maar door zijn hemelvaart zijn wij als het ware in het bezit gebracht van het hemelse rijk. En daarom wordt gezegd, dat Hij opsteeg, een weg voor hen bereidend.
Utrum Christus per suam passionem meruerit exaltari
Verdiende Christus door zijn lijden verheven te worden?
Ad sextum sic proceditur. Videtur quod Christus per suam passionem 139non meruerit exaltari. Sicut enim cognitio veritatis est proprium Deo, ita et sublimitas: secundum illud Psal. 112. [v. 4] : « Excelsus super omnes gentes Dominus, et super coelos gloria ejus ». Sed Christus, secundum quod homo, habuit cognitionem omnis veritatis non ex aliquo merito praecedente, sed ex ipsa unione Dei et hominis: secundum illud Joan. 1. [v. 14] : « Vidimus gloriam ejus, gloriam quasi Unigeniti a Patre, plenum gratiae et veritatis ». Ergo neque exaltationem habuit ex merito passionis, sed ex sola unione.
Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus door zijn lijden 139niet verdiend heeft verheven te worden. — 1. Zooals de kennis der waarheid het eigene is van God, zoo ook de verhevenheid, naar het woord in het Boek der Psalmen (112. 4) : « De Heer is verheven boven alle volken, en zijn glorie boven de hemelen. » Christus echter had als mensch de kennis van alle waarheid, niet krachtens een voorafgaande verdienste, maar krachtens de vereeniging zelf van God en mensch naar het woord bij Joannes (1. 14) : « Wij hebben zijn heerlijkheid gezien, een heerlijkheid welke de eeniggeborene van den Vader past, vol van genade en waarheid. » Dus kreeg Hij ook zijn verheffing niet om de verdienste van zijn lijden, maar alleen krachtens de vereeniging.Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus door zijn lijden 139niet verdiend heeft verheven te worden. — 1. Zoals de kennis van de waarheid het eigene is van God, zo ook de verhevenheid, naar het woord in het Boek van de Psalmen (112, 4)a: “De Heer is verheven boven alle volken, en zijn glorie boven de hemelen.” Christus echter had als mens de kennis van alle waarheid, niet krachtens een voorafgaande verdienste, maar krachtens de vereniging zelf van God en mens naar het woord bij Johannes (1, 14): “Wij hebben zijn heerlijkheid gezien, een heerlijkheid welke de eniggeborene van de Vader past, vol van genade en waarheid.” Dus kreeg Hij ook zijn verheffing niet om de verdienste van zijn lijden, maar alleen krachtens de vereniging.
2. Praeterea, Christus meruit sibi a primo instanti suae conceptionis, ut supra habitum est [q. 34. art. 3.]. Non autem major charitas fuit in eo tempore passionis quam ante. Cum ergo charitas sit merendi principium, videtur quod non magis meruerit per passionem suam exaltationem quam ante.
2. Christus heeft voor zich verdiend van het eerste oogenblik zijner ontvangenis af, zooals boven gezegd is (34e Kw. 3e Art.). Maar ten tijde van zijn lijden was zijn liefde niet grooter dan te voren. Aangezien nu de liefde het beginsel van verdienste is, heeft Hij dus door zijn lijden niet meer zijn verheffing verdiend, dan te voren.2. Christus heeft voor zich verdiend van het eerste ogenblik van zijn ontvangenis af, zoals boven gezegd is (34e Kw. 3e Art.). Maar ten tijde van zijn lijden was zijn liefde niet groter dan te voren. Aangezien nu de liefde het beginsel van verdienste is, heeft Hij dus door zijn lijden niet meer zijn verheffing verdiend, dan te voren.
3. Praeterea, gloria corporis resultat ex gloria animae: ut Augustinus dicit in Epist. ad Dioscorum. Sed Christus per passionem suam non meruit exaltationem quantum ad gloriam animae: quia anima ejus fuit beata a 140primo instanti suae conceptionis. Ergo neque etiam per passionem meruit exaltationem quantum ad gloriam corporis.
3. De heerlijkheid van het lichaam komt voort uit de heerlijkheid der ziel, zooals Augustinus zegt. Christus heeft echter door zijn lijden niet de verheffing verdiend, wat zijn ziele-heerlijkheid betreft, daar zijn ziel zalig was van het eerste oogenblik zijner 140ontvangenis af. Dus verdiende Hij door zijn lijden ook niet de verheffing wat zijn lichamelijke heerlijkheid betreft.3. De heerlijkheid van het lichaam komt voort uit de heerlijkheid van de ziel, zoals Augustinus zegt. Christus heeft echter door zijn lijden niet de verheffing verdiend, wat zijn ziele-heerlijkheid betreft, daar zijn ziel zalig was van het eerste ogenblik van zijn 140ontvangenis af. Dus verdiende Hij door zijn lijden ook niet de verheffing wat zijn lichamelijke heerlijkheid betreft.
Sed contra est quod dicitur Philip. 2. [v. 8, 9] : « Factus est obediens usque ad mortem, mortem autem crucis: propter quod et Deus exaltavit illum ».
Daartegenover staat echter, wat gezegd wordt in den Brief aan de Philippensen (2. 8, 9) : « Hij is gehoorzaam geworden tot den dood, ja, tot den dood aan het kruis: daarom heeft God Hem ook verheven. »Daartegenover staat echter, wat gezegd wordt in de Brief aan de Filippenzen (2, 8, 9): “Hij is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood aan het kruis: daarom heeft God Hem ook verheven.”
Respondeo dicendum quod meritum importat quandam aequalitatem justitiae: unde et Apostolus dicit Rom. 4. [v. 4] quod « ei qui operatur, merces imputatur secundum debitum ». Cum autem aliquis ex sua injusta voluntate sibi attribuit plus quam sibi debeatur, justum est ut diminuatur etiam quantum ad id quod sibi debebatur: sicut, « cum furatur quis unam ovem, reddet quatuor », ut dicitur Ex. 22. [v. 1]. Et hoc dicitur mereri, inquantum per hoc punitur ejus iniqua voluntas. Ita etiam, cum aliquis sibi ex justa voluntate subtrahit quod debebat habere, meretur ut sibi amplius1 superaddatur, quasi merces justae voluntatis. Et inde est quod, 141sicut dicitur Luc. 14. [v. 11] : « Qui se humiliat, exaltabitur ».
Leerstelling. — Verdienste sluit in zekere mate de gelijkheid van de rechtvaardigheid in: daarom zegt de Apostel in den Brief aan de Romeinen (4. 4), dat « hij, die werkt, loon ontvangt naar behooren. » Wanneer echter iemand uit zijn onrechtvaardige wilsgesteltenis, zich iets meer toeëigent, dan hem toekomt, dan is het rechtvaardig, dat hem ook iets wordt afgehouden van datgene, wat hem wel toekomt; zooals « wanneer iemand één schaap steelt, hij er vier moet teruggeven, » zooals het Boek van den Uittocht (22. 1) zegt. En wij zeggen, dat dit verdiend is, in zooverre hierdoor zijn slechte wil gestraft wordt. Zoo ook, wanneer iemand met een rechtzinnige wilsgesteldheid zich iets onthoudt van wat hem toekwam, dan verdient hij, dat hem iets wordt toegevoegd, als loon voor zijn rechtzinnigen wil. Daarvandaan komt het, dat, 141zooals gezegd wordt bij Lucas (14. 11), « Hij, die zich vernedert, verheven zal worden. »Leerstelling. — Verdienste sluit in zekere mate de gelijkheid van de rechtvaardigheid in: daarom zegt de Apostel in de Brief aan de Romeinen (4, 4), dat “hij, die werkt, loon ontvangt naar behoren.” Wanneer echter iemand uit zijn onrechtvaardige wilsgesteltenis, zich iets meer toeëigent, dan hem toekomt, dan is het rechtvaardig, dat hem ook iets wordt afgehouden van datgene, wat hem wel toekomt; zoals “wanneer iemand één schaap steelt, hij er vier moet teruggeven,” zoals het Boek van de Uittocht (22, 1) zegt. En wij zeggen, dat dit verdiend is, in zoverre hierdoor zijn slechte wil gestraft wordt. Zo ook, wanneer iemand met een rechtzinnige wilsgesteldheid zich iets onthoudt van wat hem toekwam, dan verdient hij, dat hem iets wordt toegevoegd, als loon voor zijn rechtzinnigen wil. Daarvandaan komt het, dat, 141zoals gezegd wordt bij Lukas (14, 11), “Hij, die zich vernedert, verheven zal worden.”
Christus autem in sua passione seipsum humiliavit infra suam dignitatem, quantum ad quatuor. Primo quidem, quantum ad passionem et mortem, cujus debitor non erat. Secundo, quantum ad locum: quia corpus ejus positum est in sepulchro, et anima in inferno. Tertio, quantum ad confusionem et opprobria quae sustinuit. Quarto, quantum ad hoc quod est traditus humanae potestati: secundum quod ipse dicit Pilato, Joan. 19. [v. 11] : « Non haberes in me potestatem, nisi datum tibi esset desuper ». Et ideo per suam passionem meruit exaltationem quantum ad quatuor. Primo quidem, quantum ad resurrectionem gloriosam. Unde dicitur in Psal. 138. [v. 2] : « Tu cognovisti sessionem meam », idest humilitatem meae passionis, « et resurrectionem meam ». Secundo, quantum ad ascensionem in coelum. Unde dicitur Ephes. 4. [v. 9, 10] : « Descendit primum in inferiores partes terrae: qui autem descendit, ipse est et qui ascendit super omnes coelos ». Tertio, quantum ad consessum paternae dexterae, et manifestationem divinitatis ipsius: secundum illud Isa. 52. [v. 13, 14] : 142« Exaltabitur et elevabitur, et sublimis erit valde: sicut obstupuerunt super te multi, sic inglorius erit inter viros aspectus ejus ». Et Philip. 2. [v. 8, 9] dicitur: « Factus est obediens usque ad mortem, mortem autem crucis: propter quod et Deus exaltavit illum, et dedit illi nomen quod est super omne nomen », ut scilicet ab omnibus nominetur Deus, et omnes ei reverentiam exhibeant sicut Deo. Et hoc est quod subditur [v. 10] : « Ut in nomine Jesu omne genu flectatur, coelestium, terrestrium et infernorum ». Quarto, quantum ad judiciariam potestatem. Dicitur enim Job 36. [v. 17] : « Causa tua quasi impii judicata est: causam judiciumque recipies ».
Christus nu heeft zich door zijn lijden in vier opzichten beneden zijn waardigheid vernederd. — Ten eerste, wat betreft zijn lijden en dood, welke Hij niet verplicht was te ondergaan; — ten tweede, wat betreft de plaats, daar zijn lichaam in een graf werd gelegd en zijn ziel naar de onderwereld ging; — ten derde, met het oog op de smaad en beschimpingen, die Hij verduurde; — ten vierde hierin, dat Hij werd overgeleverd aan de macht der menschen, zooals Hij zelf tegen Pilatus zegt bij Joannes (19. 11) : « Gij zoudt geen macht over Mij hebben, als zij u niet van boven gegeven was. » En daarom verdiende Hij door zijn lijden de verheffing in vier opzichten. — Ten eerste, dat Hij glorierijk verrees: daarom wordt gezegd in het Boek der Psalmen (138. 2) : « Gij kent mijn nederzitten, » d. i. de vernedering van mijn lijden, « en mijn verrijzen. » — Ten tweede, dat Hij opsteeg ten hemel: daarom wordt gezegd in den Brief aan de Ephesiërs (4. 9, 10) : « Eerst daalde Hij af tot de onderste deelen der aarde: die echter afdaalde, deze is het ook, die opsteeg boven alle hemelen. » — Ten derde, dat Hij zit aan de rechterhand des Vaders en zijn Godheid geopenbaard wordt, naar het woord van Isaïas (52. 13, 14) : « Verhoogd en verheven en verheerlijkt zal Hij 142worden boven mate: zooals velen over U verbaasd stonden, zoo zal zijn voorkomen zonder luister zijn onder de mannen. » En in den Brief aan de Philippensen (2. 8, 9) wordt gezegd: « Hij is gehoorzaam geworden tot den dood, ja tot den dood aan het kruis: daarom ook heeft God Hem verheven en Hem een naam gegeven, die boven alle naam is, » dat nl. allen Hem God noemen, en allen Hem vereeren als God. Daarom ook wordt er aan toegevoegd: « Dat in den naam van Jesus alle knie zich buige, van al wat in den hemel, op de aarde en onder de aarde is. » (v. 10) — Ten vierde, dat Hij de macht bezit om te oordeelen. In het Boek Job (36. 17) immers wordt gezegd: « Uw geding is berecht als van een goddelooze, en daarom zult gij geding en oordeel ontvangen. »Christus nu heeft zich door zijn lijden in vier opzichten beneden zijn waardigheid vernederd. — Ten eerste, wat betreft zijn lijden en dood, welke Hij niet verplicht was te ondergaan; — ten tweede, wat betreft de plaats, daar zijn lichaam in een graf werd gelegd en zijn ziel naar de onderwereld ging; — ten derde, met het oog op de smaad en beschimpingen, die Hij verduurde; — ten vierde hierin, dat Hij werd overgeleverd aan de macht van de mensen, zoals Hij zelf tegen Pilatus zegt bij Johannes (19, 11): “Gij zoudt geen macht over Mij hebben, als zij u niet van boven gegeven was.” En daarom verdiende Hij door zijn lijden de verheffing in vier opzichten. — Ten eerste, dat Hij glorierijk verrees: daarom wordt gezegd in het Boek van de Psalmen (138, 2)b: “Gij kent mijn nederzitten,” d.i. de vernedering van mijn lijden, “en mijn verrijzen.” — Ten tweede, dat Hij opsteeg ten hemel: daarom wordt gezegd in de Brief aan de Efesiërs (4, 9, 10): “Eerst daalde Hij af tot de onderste delen van de aarde: die echter afdaalde, deze is het ook, die opsteeg boven alle hemelen.” — Ten derde, dat Hij zit aan de rechterhand van de Vader en zijn Godheid geopenbaard wordt, naar het woord van Jesaja (52, 13, 14): “Verhoogd en verheven en verheerlijkt zal Hij 142worden boven mate: zoals velen over U verbaasd stonden, zo zal zijn voorkomen zonder luister zijn onder de mannen.” En in de Brief aan de Filippenzen (2, 8, 9) wordt gezegd: “Hij is gehoorzaam geworden tot de dood, ja tot de dood aan het kruis: daarom ook heeft God Hem verheven en Hem een naam gegeven, die boven alle naam is,” dat nl. allen Hem God noemen, en allen Hem vereren als God. Daarom ook wordt er aan toegevoegd: “Dat in de naam van Jesus alle knie zich buige, van al wat in de hemel, op de aarde en onder de aarde is.” (v. 10) — Ten vierde, dat Hij de macht bezit om te oordelen. In het Boek Job (36, 17) immers wordt gezegd: “Uw geding is berecht als van een goddeloze, en daarom zult gij geding en oordeel ontvangen.”
Ad primum ergo dicendum quod principium merendi est ex parte animae: corpus autem est instrumentum meritorii actus. Et ideo perfectio animae Christi, quae fuit merendi principium, non debuit in eo acquiri per meritum, sicut perfectio corporis, quod fuit passionis subjectum, et per hoc fuit ipsius meriti instrumentum.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het princiep van verdienste is aan den kant van de ziel; het lichaam echter is het werktuig van de verdienstelijke daad. En daarom moest de volmaaktheid van Christus' ziel, die beginsel der verdienste was, niet door verdienste verworven worden, zooals de volmaaktheid van het lichaam, dat onderworpen was aan het lijden, en daardoor werktuig der verdienste zelf was.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het princiep van verdienste is aan de kant van de ziel; het lichaam echter is het werktuig van de verdienstelijke daad. En daarom moest de volmaaktheid van Christus' ziel, die beginsel van de verdienste was, niet door verdienste verworven worden, zoals de volmaaktheid van het lichaam, dat onderworpen was aan het lijden, en daardoor werktuig van de verdienste zelf was.
Ad secundum dicendum quod per priora merita Christus meruit 143exaltationem ex parte ipsius animae, cujus voluntas charitate et aliis virtutibus informabatur. Sed in passione meruit suam exaltationem, per modum cujusdam recompensationis, etiam ex parte corporis: justum est enim, ut corpus, quod fuerat ex charitate passionis2 subjectum, acciperet recompensationem in gloria.
2. Door de voorafgaande verdiensten heeft Christus de 143verheffing verdiend wat zijn ziel aangaat, wier wil de liefde en de andere deugden bezat; maar in zijn lijden verdiende Hij zijn verheffing ook van den kant van het lichaam bij wijze van een zeker evenwichts-herstel: het is immers billijk dat het lichaam, hetwelk uit liefde onderworpen was aan het lijden, daarvoor vergoeding ontving in de glorie.2. Door de voorafgaande verdiensten heeft Christus de 143verheffing verdiend wat zijn ziel aangaat, wier wil de liefde en de andere deugden bezat; maar in zijn lijden verdiende Hij zijn verheffing ook van de kant van het lichaam bij wijze van een zeker evenwichts-herstel: het is immers billijk dat het lichaam, hetwelk uit liefde onderworpen was aan het lijden, daarvoor vergoeding ontving in de glorie.
Ad tertium dicendum quod dispensatione quadam factum est in Christo ut gloria animae, ante passionem, non redundaret ad corpus, ad hoc quod gloriam corporis honorabilius obtineret, quando eam per passionem meruisset. Gloriam autem animae differri non conveniebat: quia anima immediate uniebatur Verbo, unde decens erat ut gloria repleretur ab ipso Verbo. Sed corpus uniebatur Verbo mediante anima.
3. Door een zekere opheffing geschiedde het in Christus, dat de heerlijkheid der ziel zich vóór zijn lijden niet meedeelde aan zijn lichaam, opdat Hij de glorie in zijn lichaam eervoller zou ontvangen, zoo Hij deze verkreeg door zijn lijden. Dat de heerlijkheid zijner ziel werd opgeschort, was niet passend, daar zijn ziel onmiddellijk verbonden werd met het Woord; daarom was het passend dat zij met heerlijkheid werd vervuld door het Woord zelf. Het lichaam echter was door middel van de ziel met het Woord vereenigd.3. Door een zekere opheffing geschiedde het in Christus, dat de heerlijkheid van de ziel zich vóór zijn lijden niet meedeelde aan zijn lichaam, opdat Hij de glorie in zijn lichaam eervoller zou ontvangen, zo Hij deze verkreeg door zijn lijden. Dat de heerlijkheid van zijn ziel werd opgeschort, was niet passend, daar zijn ziel onmiddellijk verbonden werd met het Woord; daarom was het passend dat zij met heerlijkheid werd vervuld door het Woord zelf. Het lichaam echter was door middel van de ziel met het Woord verenigd.