De judiciaria potestate Christi, in sex articulos divisa
Over de oordeelsmacht van Christus
356Deinde considerandum est de judiciaria potestate Christi.
356Vervolgens moeten wij handelen over de oordeelsmacht van Christus;
Et circa hoc quaeruntur sex: 1. Utrum judiciaria potestas sit attribuenda Christo. — 2. Utrum conveniat sibi, secundum quod est homo. — 3. Utrum eam fuerit ex meritis adeptus. — 4. Utrum ejus potestas judiciaria sit universalis respectu omnium hominum. — 5. Utrum, praeter judicium quod agit in hoc tempore, sit expectandum aliud universale judicium futurum per ipsum. — 6. Utrum ejus judiciaria potestas etiam ad angelos se extendat.
en hierover stellen wij zes vragen: 1. Moet de oordeelsmacht aan Christus worden toegekend? 2. Komt deze aan Hem toe, in zoover Hij mensch is? 3. Heeft Hij deze verkregen om verdiensten? 4. Is zijn oordeelsmacht algemeen ten opzichte van alle menschen? 5. Moet er behalve het oordeel, dat Hij in dezen tijd uitspreekt, nog een algemeen oordeel verwacht worden, dat door Hem geschieden zal? 6. Strekt zijn oordeelsmacht zich ook uit tot de engelen?en hierover stellen wij zes vragen: 1. Moet de oordeelsmacht aan Christus worden toegekend? 2. Komt deze aan Hem toe, in zover Hij mens is? 3. Heeft Hij deze verkregen om verdiensten? 4. Is zijn oordeelsmacht algemeen ten opzichte van alle mensen? 5. Moet er behalve het oordeel, dat Hij in deze tijd uitspreekt, nog een algemeen oordeel verwacht worden, dat door Hem geschieden zal? 6. Strekt zijn oordeelsmacht zich ook uit tot de engelen?
De executione autem finalis judicii convenientius agetur cum 357considerabimus de his quae pertinent ad finem mundi [in Supplem. q. 88. ss.]. Nunc autem sufficit ea sola tangere quae pertinent ad Christi dignitatem.
Over de uitoefening van het eindoordeel kan beter gehandeld worden, als wij datgene behandelen, wat behoort tot het einde 357van de wereld (Suppl. 88e Kw. en vlg.). Nu is het echter voldoende alleen datgene aan te raken, wat behoort tot de waardigheid van Christus.Over de uitoefening van het eindoordeel kan beter gehandeld worden, als wij datgene behandelen, wat behoort tot het einde 357van de wereld (Suppl. 88. Kw. en vlg.). Nu is het echter voldoende alleen datgene aan te raken, wat behoort tot de waardigheid van Christus.
Utrum judiciaria potestas specialiter Christo sit attribuenda
Moet de oordeelsmacht in het bijzonder aan Christus worden toegekend?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod judiciaria potestas non sit specialiter attribuenda Christo. Judicium enim aliquorum videtur pertinere ad dominum: unde dicitur Rom. 14. [v. 4] : « Tu quis es, qui judicas alienum servum? » Sed esse dominum creaturarum est commune toti Trinitati. Non ergo specialiter debet attribui Christo judiciaria potestas.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de oordeelsmacht niet in het bijzonder aan Christus moet worden toegeschreven. — 1. Het oordeel immers over anderen komt toe aan den heer; vandaar wordt in den Brief aan de Romeinen (14. 4) gezegd : « Wie zijt gij, dat gij durft oordeelen over een vreemden knecht? » Maar de heerschappij over de schepselen komt gemeenschappelijk toe aan geheel de Drievuldigheid. Dus moet de oordeelsmacht niet bijzonder aan Christus worden toegekend.Bedenkingen. — Men beweert, dat de oordeelsmacht niet in het bijzonder aan Christus moet worden toegeschreven. — 1. Het oordeel immers over anderen komt toe aan de heer; vandaar wordt in de Brief aan de Romeinen (14, 4) gezegd: “Wie zijt gij, dat gij durft oordelen over een vreemden knecht?” Maar de heerschappij over de schepselen komt gemeenschappelijk toe aan geheel de Drievuldigheid. Dus moet de oordeelsmacht niet bijzonder aan Christus worden toegekend.
2. Praeterea, Danielis 7. [v. 9] dicitur: « Antiquus dierum sedit »; et postea subditur [v. 10]: « Judicium sedit et libri aperti sunt ». Sed antiquus dierum intelligitur Pater: quia, ut Hilarius dicit, [lib. 2. de 358Trin. n. 1], « in Patre est aeternitas ». Ergo judiciaria potestas magis est attribuenda Patri quam Christo.
2. Bij Daniël (7. 9) wordt gezegd: « De Hoogbejaarde zette zich neer, » en daarna volgt (v. 10) : « Het gerechtshof zette zich neer, en de boeken werden geopend. » Maar onder den Hoogbejaarden wordt de Vader verstaan, daar, zooals Hilarius zegt, 358« in den Vader de eeuwigheid is. » Dus moet de oordeelsmacht meer aan den Vader, dan aan Christus worden toegeschreven.2. Bij Daniël (7, 9) wordt gezegd: “De Hoogbejaarde zette zich neer,” en daarna volgt (v. 10): “Het gerechtshof zette zich neer, en de boeken werden geopend.” Maar onder de Hoogbejaarden wordt de Vader verstaan, daar, zoals Hilarius zegt, 358“in de Vader de eeuwigheid is.” Dus moet de oordeelsmacht meer aan de Vader, dan aan Christus worden toegeschreven.
3. Praeterea, ejusdem videtur esse judicare cujus est arguere. Sed arguere pertinet ad Spiritum Sanctum: dicit enim Dominus, Joan. 16. [v. 8] : « Cum autem venerit ille », scilicet Spiritus Sanctus, « arguet mundum de peccato et de justitia et de judicio ». Ergo judiciaria potestas magis debet attribui Spiritui Sancto quam Christo.
3. Het oordeelen komt aan denzelfde toe, aan wien ook het overtuigen toekomt. Het overtuigen nu komt toe aan den H. Geest. De Heer zegt immers bij Joannes (16.8) : « Wanneer Hij echter zal gekomen zijn, » nl. de H. Geest, « dan zal Hij de wereld overtuigen van zonde, en van gerechtigheid en van oordeel. » Dus moet de oordeelsmacht meer aan den H. Geest, dan aan Christus worden toegekend.3. Het oordelen komt aan denzelfde toe, aan wie ook het overtuigen toekomt. Het overtuigen nu komt toe aan de H. Geest. De Heer zegt immers bij Johannes (16.8): “Wanneer Hij echter zal gekomen zijn,” nl. de H. Geest, “dan zal Hij de wereld overtuigen van zonde, en van gerechtigheid en van oordeel.” Dus moet de oordeelsmacht meer aan de H. Geest, dan aan Christus worden toegekend.
Sed contra est quod dicitur Act. 10. [v. 42] de Christo: « Hic est qui constitutus est a Deo judex vivorum et mortuorum ».
Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt in de Handelingen der Apostelen (10. 42) aangaande Christus: « Deze is het, die door God is aangesteld tot rechter over levenden en dooden. »Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt in de Handelingen van de Apostelen (10, 42) aangaande Christus: “Deze is het, die door God is aangesteld tot rechter over levenden en doden.”
Respondeo dicendum quod ad judicium faciendum tria requiruntur. Primo quidem potestas subditos coërcendi: unde dicitur Eccli. 7. [v. 6]: « Noli quaerere fieri judex, nisi valeas virtute irrumpere iniquitates ». Secundo, requiritur rectitudinis zelus, ut scilicet aliquis non ex odio vel livore, sed ex amore justitiae judicium proferat: secundum illud Proverb. 3. 359[v. 12]: « Quem enim diligit Dominus, corripit: et quasi pater in filio complacet sibi ». Tertio, requiritur sapientia, secundum quam formatur judicium: unde dicitur Eccli. 10. [v. 1]: « Judex sapiens judicabit populum suum ». Primo autem duo praeexiguntur ad judicium: sed proprie tertium est secundum quod accipitur forma judicii, quia ipsa ratio judicii est lex sapientiae vel veritatis, secundum quam judicatur. Et quia Filius est sapientia genita, et veritas a Patre procedens et ipsum perfecte repraesentans, ideo proprie judiciaria potestas attribuitur Filio Dei. Unde Augustinus dicit, in lib. de Vera Religione [cap. 31.] : « Haec est incommutabilis illa veritas quae lex omnium artium recte dicitur, et ars omnipotentis artificis. Ut autem nos, et omnes animae rationales secundum veritatem de inferioribus recte judicamus, sic de nobis, quando eidem cohaeremus, sola ipsa veritas judicat. De ipsa vero nec Pater: non enim minor est quam ipse. Et ideo quae Pater judicat, per ipsam judicat ». Et postea concludit: « Pater » ergo « non judicat quemquam, sed omne judicium dedit Filio ».
Leerstelling. — Om een oordeel uit te spreken worden drie dingen vereischt. — Vooreerst de macht om de onderdanen te bedwingen; vandaar wordt gezegd in het Boek Ecclesiasticus (7. 6) : « Zoek niet rechter te worden, tenzij gij in staat zijt met kracht de ongerechtigheden tegen te gaan. » — Vervolgens wordt vereischt ijver voor de gerechtigheid, zoodat iemand nl. niet uit haat of nijd, maar uit liefde tot de rechtvaardigheid een oordeel velt, overeenkomstig het woord in het Boek der Spreuken (3. 12) : 359« Want wien de Heer liefheeft, kastijdt Hij, en als een vader in zijn zoon heeft Hij in hem zijn welbehagen. » — Ten derde wordt wijsheid vereischt, waarmee het oordeel gevormd wordt; vandaar wordt gezegd in het Boek Ecclesiasticus (10. 1) : « Een wijze rechter zal zijn volk oordeelen. » — De eerste twee moeten noodzakelijk aan het oordeel voorafgaan; maar het derde is het eigenlijk, waarnaar het oordeel gevormd wordt: want het wezen zelf van het oordeel is de wet der wijsheid of der waarheid, waarnaar het oordeel gevormd wordt. En aangezien de Zoon de voortgebrachte Wijsheid is, en de Waarheid, die van den Vader uitgaat, en Hem volmaakt weergeeft, daarom wordt in eigenlijken zin de oordeelsmacht aan den Zoon Gods toegekend. Daarom zegt Augustinus: « Dit is die onveranderlijke Waarheid, die met recht de wet van alle kunsten genoemd wordt en de kunst van den almachtigen kunstenaar. Zooals wij echter en alle redelijke zielen naar waarheid over de lagere dingen juist oordeelen, zoo oordeelt ook alleen de Waarheid zelf over ons, als wij met haar nauw verbonden zijn. Over haar echter oordeelt zelfs de Vader niet; zij is immers niet minder dan Hij. En wat de Vader derhalve oordeelt, oordeelt Hij door haar. » En vervolgens besluit hij: « De Vader oordeelt derhalve niemand, maar Hij gaf alle oordeel over aan den Zoon. »Leerstelling. — Om een oordeel uit te spreken worden drie dingen vereist. — Vooreerst de macht om de onderdanen te bedwingen; vandaar wordt gezegd in het Boek Sirach (7, 6): “Zoek niet rechter te worden, tenzij gij in staat zijt met kracht de ongerechtigheden tegen te gaan.” — Vervolgens wordt vereist ijver voor de gerechtigheid, zodat iemand nl. niet uit haat of nijd, maar uit liefde tot de rechtvaardigheid een oordeel velt, overeenkomstig het woord in het Boek van de Spreuken (3, 12): 359“Want wie de Heer liefheeft, kastijdt Hij, en als een vader in zijn zoon heeft Hij in hem zijn welbehagen.” — Ten derde wordt wijsheid vereist, waarmee het oordeel gevormd wordt; vandaar wordt gezegd in het Boek Sirach (10, 1): “Een wijze rechter zal zijn volk oordelen.” — De eerste twee moeten noodzakelijk aan het oordeel voorafgaan; maar het derde is het eigenlijk, waarnaar het oordeel gevormd wordt: want het wezen zelf van het oordeel is de wet van de wijsheid of van de waarheid, waarnaar het oordeel gevormd wordt. En aangezien de Zoon de voortgebrachte Wijsheid is, en de Waarheid, die van de Vader uitgaat, en Hem volmaakt weergeeft, daarom wordt in eigenlijke zin de oordeelsmacht aan de Zoon Gods toegekend. Daarom zegt Augustinus: “Dit is die onveranderlijke Waarheid, die met recht de wet van alle kunsten genoemd wordt en de kunst van de almachtige kunstenaar. Zoals wij echter en alle redelijke zielen naar waarheid over de lagere dingen juist oordelen, zo oordeelt ook alleen de Waarheid zelf over ons, als wij met haar nauw verbonden zijn. Over haar echter oordeelt zelfs de Vader niet; zij is immers niet minder dan Hij. En wat de Vader derhalve oordeelt, oordeelt Hij door haar.” En vervolgens besluit hij: “De Vader oordeelt derhalve niemand, maar Hij gaf alle oordeel over aan de Zoon.”
360Ad primum ergo dicendum quod ex illa ratione probatur quod judiciaria potestas sit communis toti Trinitati: quod verum est. Sed tamen per quandam appropriationem judiciaria potestas attribuitur Filio, ut dictum est [in corp.].
360Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Door deze redeneering wordt aangetoond, dat de oordeelsmacht gemeenschappelijk toekomt aan de geheele Drievuldigheid, wat waar is. Maar met een zekere toeëigening wordt de oordeelsmacht toegeschreven aan den Zoon, zooals gezegd is (in de Leerst.).360Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Door deze redenering wordt aangetoond, dat de oordeelsmacht gemeenschappelijk toekomt aan de gehele Drievuldigheid, wat waar is. Maar met een zekere toeëigening wordt de oordeelsmacht toegeschreven aan de Zoon, zoals gezegd is (in de Leerst.).
Ad secundum dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in 6. de Trinit. [cap. 10.], Patri attribuitur aeternitas propter commendationem principii, quod importatur in ratione aeternitatis. Ibidem etiam Augustinus dicit quod Filius est « ars Patris ». Sic igitur auctoritas judicandi attribuitur Patri inquantum est principium Filii; sed ipsa ratio judicii attribuitur Filio, qui est ars et sapientia Patris: ut scilicet, sicut Pater facit omnia per Filium inquantum est ars ejus, ita etiam judicet omnia per Filium inquantum est sapientia et veritas ejus. Et hoc significatur in Daniele, ubi primo dicitur, quod « Antiquus dierum sedit », et postea subditur [v. 13 et 14], quod « Filius hominis pervenit usque ad Antiquum dierum, et dedit ei potestatem et honorem et regnum » : per quod datur intelligi quod auctoritas judicandi est apud Patrem, a quo Filius accepit potestatem judicandi.
2. Zooals Augustinus zegt, wordt aan den Vader de eeuwigheid toegeschreven om te doen uitkomen, dat Hij beginsel is, wat in het begrip eeuwigheid ligt opgesloten. Op dezelfde plaats zegt Augustinus ook, dat de Zoon « de kunst » is « van den Vader ». Zoo wordt derhalve het gezag om te oordeelen toegeschreven aan den Vader, in zoover Hij het beginsel is van den Zoon, maar het eigen wezen van het oordeel wordt toegekend aan den Zoon, die de kunst en de wijsheid van den Vader is, zoodat nl. evenals de Vader alles maakt door den Zoon, in zoover Hij zijn kunst is, Hij ook zoo over alles oordeelt door zijn Zoon, in zoover Hij Zijn Wijsheid en Waarheid is. En dit wordt aangeduid in Daniël, waar eerst gezegd wordt, dat « de Hoogbejaarde zich neerzette », en verderop gezegd wordt (v. 13, 14), dat « de Menschenzoon tot den Hoogbejaarden kwam, die Hem de macht gaf en de eer en het rijk; » waardoor te verstaan gegeven wordt, dat het gezag om te oordeelen bij den Vader gelegen is, van wien de Zoon de macht om te oordeelen ontvangen heeft.2. Zoals Augustinus zegt, wordt aan de Vader de eeuwigheid toegeschreven om te doen uitkomen, dat Hij beginsel is, wat in het begrip eeuwigheid ligt opgesloten. Op dezelfde plaats zegt Augustinus ook, dat de Zoon “de kunst” is “van de Vader”. Zo wordt derhalve het gezag om te oordelen toegeschreven aan de Vader, in zover Hij het beginsel is van de Zoon, maar het eigen wezen van het oordeel wordt toegekend aan de Zoon, die de kunst en de wijsheid van de Vader is, zodat nl. evenals de Vader alles maakt door de Zoon, in zover Hij zijn kunst is, Hij ook zo over alles oordeelt door zijn Zoon, in zover Hij Zijn Wijsheid en Waarheid is. En dit wordt aangeduid in Daniël, waar eerst gezegd wordt, dat “de Hoogbejaarde zich neerzette”, en verderop gezegd wordt (v. 13, 14), dat “de Mensenzoon tot de Hoogbejaarde kwam, die Hem de macht gaf en de eer en het rijk;” waardoor te verstaan gegeven wordt, dat het gezag om te oordelen bij de Vader gelegen is, van wie de Zoon de macht om te oordelen ontvangen heeft.
361Ad tertium dicendum quod, sicut Augustinus dicit, super Joan. [tract. 95. n. 1.], ita dixit Christus quod Spiritus Sanctus « arguet mundum de peccato, tanquam diceret: Ille diffundet in cordibus vestris charitatem. Sic enim, timore depulso, arguendi habebitis libertatem ». Sic ergo Spiritui Sancto attribuitur judicium, non quantum ad judicii rationem, sed quantum ad affectum judicandi quem homines habent.
3613. Zooals Augustinus zegt, heeft Christus aldus gezegd, dat « de H. Geest de wereld zal overtuigen van zonde, als wilde Hij zeggen: Hij zal in uw harten de liefde uitstorten. Want zoo zult gij, als de vrees is uitgedreven, de vrijheid hebben om te overtuigen. » Zoo wordt dus aan den H. Geest het oordeel toegeschreven, niet met het oog op het wezen van het oordeel, maar op de geneigdheid tot oordeelen, die de menschen bezitten.3613. Zoals Augustinus zegt, heeft Christus aldus gezegd, dat “de H. Geest de wereld zal overtuigen van zonde, als wilde Hij zeggen: Hij zal in uw harten de liefde uitstorten. Want zo zult gij, als de vrees is uitgedreven, de vrijheid hebben om te overtuigen.” Zo wordt dus aan de H. Geest het oordeel toegeschreven, niet met het oog op het wezen van het oordeel, maar op de geneigdheid tot oordelen, die de mensen bezitten.
Utrum judiciaria potestas conveniat Christo secundum quod est homo
Komt de oordeelsmacht aan Christus toe, in zoover Hij mensch is?Komt de oordeelsmacht aan Christus toe, in zover Hij mens is?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod judiciaria potestas non conveniat Christo secundum quod est homo. Dicit enim Augustinus in lib. de Vera Religione [cap. 31.], quod judicium attribuitur Filio inquantum est ipsa lex primae veritatis. Sed hoc pertinet ad Christum secundum quod est Deus. Ergo judiciaria potestas non convenit Christo secundum quod est homo, sed secundum quod est Deus.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de oordeelsmacht niet aan Christus toekomt, in zoover Hij mensch is. — 1. Augustinus immers zegt, dat het oordeel aan den Zoon wordt toegeschreven, in zoover Hij de Wet zelf der eerste Waarheid is. Dit komt Christus echter toe, in zoover Hij God is. Derhalve komt de oordeelsmacht niet toe aan Christus, in zoover Hij mensch is, maar in zoover Hij God is.Bedenkingen. — Men beweert, dat de oordeelsmacht niet aan Christus toekomt, in zover Hij mens is. — 1. Augustinus immers zegt, dat het oordeel aan de Zoon wordt toegeschreven, in zover Hij de Wet zelf van de eerste Waarheid is. Dit komt Christus echter toe, in zover Hij God is. Derhalve komt de oordeelsmacht niet toe aan Christus, in zover Hij mens is, maar in zover Hij God is.
2. Praeterea, ad judiciariam potestatem pertinet praemiare bene agentes, 362sicut et punire malos. Sed praemium bonorum operum est beatitudo aeterna, quae non datur nisi a Deo: dicit enim Augustinus, super Joan. [tract. 23. n. 5.], quod « participatione Dei fit anima beata, non autem participatione animae sanctae ». Ergo videtur quod judiciaria potestas non conveniat Christo secundum quod est homo, sed secundum quod est Deus.
2. Tot de oordeelsmacht behoort het beloonen van hen, die goed 362doen, zooals ook het straffen van de slechten. De belooning voor de goede werken echter is de eeuwige zaligheid, die alleen door God verleend wordt: Augustinus zegt immers, dat « de ziel zalig wordt door deel te hebben aan God, niet door deel te hebben aan een heilige ziel. » Dus komt de oordeelsmacht niet toe aan Christus, in zoover Hij mensch is, maar in zoover Hij God is.2. Tot de oordeelsmacht behoort het belonen van hen, die goed 362doen, zoals ook het straffen van de slechten. De beloning voor de goede werken echter is de eeuwige zaligheid, die alleen door God verleend wordt: Augustinus zegt immers, dat “de ziel zalig wordt door deel te hebben aan God, niet door deel te hebben aan een heilige ziel.” Dus komt de oordeelsmacht niet toe aan Christus, in zover Hij mens is, maar in zover Hij God is.
3. Praeterea, ad judiciariam Christi potestatem pertinet judicare occulta cordium: secundum illud 1. ad Cor. 4. [v. 5]: « Nolite ante tempus judicare, quoadusque veniat Dominus, qui et illuminabit abscondita tenebrarum et manifestabit consilia cordium ». Sed hoc pertinet ad solam virtutem divinam: secundum illud Jer. 17. [v. 9 et 10]: « Pravum est cor hominis et inscrutabile: quis cognoscet illud? Ego Dominus, scrutans corda et probans renes, qui do unicuique juxta viam suam ». Ergo judiciaria potestas non convenit Christo secundum quod est homo, sed secundum quod est Deus.
3. Tot de oordeelsmacht van Christus behoort ook het oordeelen over de geheimen der harten, volgens het woord in den Eersten Brief aan de Corinthiërs (4. 5) : « Wilt niet oordeelen voor den tijd, totdat de Heer komt, die ook de verborgenheden der duisternis zal verlichten, en de plannen der harten zal bekend maken. » Dit komt echter alleen toe aan de goddelijke kracht, volgens het woord van Jeremias (17. 9, 10) : « Slecht is het hart van den mensch en ondoorgrondelijk : wie zal het kennen? Ik, de Heer, die de harten doorgrond, en de nieren doorzoek, en die aan ieder geef volgens zijn gang. » Dus komt de oordeelsmacht niet toe aan Christus, in zoover Hij mensch is, maar in zoover Hij God is.3. Tot de oordeelsmacht van Christus behoort ook het oordelen over de geheimen van de harten, volgens het woord in de Eerste Brief aan de Korintiërs (4, 5): “Wilt niet oordelen voor de tijd, totdat de Heer komt, die ook de verborgenheden van de duisternis zal verlichten, en de plannen van de harten zal bekend maken.” Dit komt echter alleen toe aan de goddelijke kracht, volgens het woord van Jeremia (17, 9, 10): “Slecht is het hart van de mens en ondoorgrondelijk: wie zal het kennen? Ik, de Heer, die de harten doorgrond, en de nieren doorzoek, en die aan ieder geef volgens zijn gang.” Dus komt de oordeelsmacht niet toe aan Christus, in zover Hij mens is, maar in zover Hij God is.
Sed contra est quod dicitur Joan. 5. [v. 27] : « Potestatem dedit ei judicium facere, quia Filius hominis est ».
Daartegenover staat echter, dat bij Joannes (5. 27) gezegd wordt: « Hij gaf Hem de macht om te oordeelen, wijl Hij de Menschenzoon is. »Daartegenover staat echter, dat bij Johannes (5, 27) gezegd wordt: “Hij gaf Hem de macht om te oordelen, wijl Hij de Mensenzoon is.”
363Respondeo dicendum quod Chrysostomus super Joan. [hom. 38. n. 3.], sentire videtur quod judiciaria potestas non conveniat Christo secundum quod est homo sed solum secundum quod est Deus. Unde auctoritatem Joannis inductam [in arg. s. c.] sic exponit: « Potestatem dedit ei judicium facere ». Et postea subditur: « Quia Filius hominis est, nolite mirari hoc. Non enim propterea suscepit judicium quoniam homo est: sed quia ineffabilis Dei Filius est, propterea judex est. Quia vero ea quae dicebantur erant majora quam secundum hominem, ideo, hanc opinionem solvens, dixit: Ne miremini quia Filius hominis est: etenim ipse est etiam Filius Dei ». Quod quidem probat per resurrectionis effectum: unde subdit: « Quia venit hora in qua omnes qui in monumentis sunt, audient vocem Filii Dei ». Sciendum tamen quod, quamvis apud Deum remaneat primaeva auctoritas judicandi, hominibus tamen committitur a Deo judiciaria potestas respectu eorum qui eorum jurisdictioni subjiciuntur. Unde dicitur Deuter. 1. [v. 16]: « Quod justum est judicate »: et postea subditur [v. 17]: « Quia Dei est judicium », cujus scilicet auctoritate vos judicatis. Dictum est autem supra 364[q. 8. art. 1. et 4.] quod Christus, etiam in natura humana, est caput totius Ecclesiae, et quod sub pedibus ejus Deus omnia subjecit. Unde ad eum pertinet, etiam secundum naturam humanam, habere judiciariam potestatem. Propter quod1 Augustinus [tract. 19. in Joan.] auctoritatem praedictam Evangelii sic dicit esse intelligendam: « Potestatem dedit ei judicium facere quia Filius hominis est », non quidem propter conditionem naturae, quia omnes homines hujusmodi potestatem haberent, ut Chrysostomus objicit [loc. cit.] : sed hoc pertinet ad gratiam capitis, quam Christus in humana natura accepit. Competit autem Christo hoc modo secundum humanam naturam judiciaria potestas, propter tria. Primo quidem, propter convenientiam et affinitatem ipsius ad homines. Sicut enim Deus per causas medias, tanquam propinquiores effectibus, operatur; ita judicat per hominem Christum homines, ut sit suavius judicium hominibus. Unde Apostolus dicit, Heb. 4. [v. 15 et 16] : « Non habemus pontificem qui non possit compati infirmitatibus nostris, tentatum per omnia pro similitudine, absque peccato. 365Adeamus ergo cum fiducia ad thronum gratiae ejus ». Secundo, « quia in finali judicio », ut Augustinus dicit, super Joan. [tract. 23. n. 6.], « erit resurrectio corporum mortuorum, quae suscitat Deus per Filium hominis », sicut « per eumdem Christum suscitat animas », inquantum est « Filius Dei ». Tertio quia, ut Augustinus dicit, in lib. de Verbis Domini [serm. 64. cap. 7.], « rectum erat ut judicandi viderent judicem: Judicandi autem erant boni et mali. Restabat ut in judicio forma servi et bonis et malis ostenderetur, forma Dei solis bonis servaretur ».
363Leerstelling. — Chrysostomus schijnt van gevoelen te zijn, dat de oordeelsmacht niet aan Christus toekomt, in zoover Hij mensch is, maar alleen in zoover Hij God is. Vandaar verklaart hij den aangehaalden tekst van Joannes (in het Tegenarg.) aldus: « Hij gaf Hem macht om oordeel te vellen. » En vervolgens voegt hij er aan toe: « Daar Hij de Menschenzoon is, wilt u daarover niet verwonderen: want Hij ontving het oordeel niet hierom, omdat Hij mensch is, maar omdat Hij de onuitsprekelijk Zoon van God is, daarom is Hij rechter. Wijl echter, wat gezegd werd, grooter was dan Hem als mensch toekwam, daarom zeide Hij, aan deze meening haar grond ontnemend: « Verwondert u niet, omdat Hij de Menschenzoon is; Hij is immers ook de Zoon van God. » » Dit echter bewijst Hij door het effect der verrijzenis; vandaar laat Hij volgen: « Wijl het uur komt, waarop allen die in de graven zijn, de stem van den Zoon Gods zullen vernemen. » — Men moet echter weten, dat ofschoon het opperste oordeelsgezag bij God blijft, toch aan de menschen door God een oordeelsmacht wordt toegekend over die dingen, die aan hun rechtsmacht onderworpen zijn. Vandaar wordt gezegd in het Boek Deuteronomium (1. 16) : « Oordeelt wat rechtvaardig is; » en daarna volgt (v. 17) : « Daar het oordeel Godes is, » door wiens gezag gij namelijk 364oordeelt. Boven echter werd gezegd (8e Kw. 1e en 4e Art.), dat Christus ook in zijn menschelijke natuur het hoofd is van de geheele Kerk, en dat God alles aan zijn voeten neergelegd heeft. Vandaar komt het Hem toe, ook naar zijn menschelijke natuur, de oordeelsmacht te bezitten. Daarom schijnt de tot bewijs aangehaalde tekst uit het Evangelie aldus begrepen te moeten worden: « Hij gaf Hem de macht om te oordeelen, daar Hij de Menschenzoon is, » evenwel niet om zijn natuur, daar op die manier, alle menschen deze macht zouden hebben, zooals Chrysostomus opwerpt; maar dit behoort tot de genadegave, die Christus als hoofd in de menschelijke natuur ontving. Op deze manier nu komt Christus de oordeelsmacht toe naar zijn menschelijke natuur om drie redenen. — En wel vooreerst om zijn overeenkomst en verwantschap met de menschen. Want zooals God door middenoorzaken werkt, omdat deze dichter staan bij de effecten, zoo ook oordeelt Hij de menschen door den mensch Christus, opdat het oordeel voor de menschen zachter zou zijn. Daarom zegt de Apostel in den Brief aan de Hebreën (4. 15, 16) : « Wij hebben geen Hoogepriester, die niet zou kunnen medelijden met onze zwakheden, maar een die op dezelfde wijze beproefd werd in alles, 365uitgenomen de zonde. Laten wij daarom met vertrouwen naderen tot den troon van zijn genade. » — Ten tweede, « omdat bij het eindoordeel, » zooals Augustinus zegt, « de verrijzenis zal plaats hebben der gestorven lichamen, welke God door den Menschenzoon opwekt »; zooals « Hij ook door denzelfden Christus de zielen opwekt, » in zoover Hij « de Zoon Gods » is. — Ten derde, omdat, zooals Augustinus zegt, « het recht is, dat zij die geoordeeld moeten worden, den rechter kunnen zien. Zij die geoordeeld moeten worden, waren echter goed en kwaad. Er bleef dus over, dat bij het oordeel de gestalte van een slaaf vertoond zou worden aan de goeden en aan de slechten, maar de Gods-gestalte alleen aan de goeden zou blijven voorbehouden. »363Leerstelling. — Chrysostomus schijnt van gevoelen te zijn, dat de oordeelsmacht niet aan Christus toekomt, in zover Hij mens is, maar alleen in zover Hij God is. Vandaar verklaart hij de aangehaalde tekst van Johannes (in het Tegenarg.) aldus: “Hij gaf Hem macht om oordeel te vellen.” En vervolgens voegt hij er aan toe: “Daar Hij de Mensenzoon is, wilt u daarover niet verwonderen: want Hij ontving het oordeel niet hierom, omdat Hij mens is, maar omdat Hij de onuitsprekelijk Zoon van God is, daarom is Hij rechter. Wijl echter, wat gezegd werd, groter was dan Hem als mens toekwam, daarom zeide Hij, aan deze mening haar grond ontnemend: ‘Verwondert u niet, omdat Hij de Mensenzoon is; Hij is immers ook de Zoon van God.’” Dit echter bewijst Hij door het effect van de verrijzenis; vandaar laat Hij volgen: ‘Wijl het uur komt, waarop allen die in de graven zijn, de stem van de Zoon Gods zullen vernemen.’ — Men moet echter weten, dat ofschoon het opperste oordeelsgezag bij God blijft, toch aan de mensen door God een oordeelsmacht wordt toegekend over die dingen, die aan hun rechtsmacht onderworpen zijn. Vandaar wordt gezegd in het Boek Deuteronomium (1, 16): ‘Oordeelt wat rechtvaardig is;’ en daarna volgt (v. 17): ‘Daar het oordeel Godes is,’ door wiens gezag gij namelijk 364oordeelt. Boven echter werd gezegd (8e Kw. 1e en 4e Art.), dat Christus ook in zijn menselijke natuur het hoofd is van de gehele Kerk, en dat God alles aan zijn voeten neergelegd heeft. Vandaar komt het Hem toe, ook naar zijn menselijke natuur, de oordeelsmacht te bezitten. Daarom schijnt de tot bewijs aangehaalde tekst uit het Evangelie aldus begrepen te moeten worden: ‘Hij gaf Hem de macht om te oordelen, daar Hij de Mensenzoon is,’ evenwel niet om zijn natuur, daar op die manier, alle mensen deze macht zouden hebben, zoals Chrysostomus opwerpt; maar dit behoort tot de genadegave, die Christus als hoofd in de menselijke natuur ontving. Op deze manier nu komt Christus de oordeelsmacht toe naar zijn menselijke natuur om drie redenen. — En wel vooreerst om zijn overeenkomst en verwantschap met de mensen. Want zoals God door middenoorzaken werkt, omdat deze dichter staan bij de effecten, zo ook oordeelt Hij de mensen door de mens Christus, opdat het oordeel voor de mensen zachter zou zijn. Daarom zegt de Apostel in de Brief aan de Hebreën (4, 15, 16): ‘Wij hebben geen Hogepriester, die niet zou kunnen medelijden met onze zwakheden, maar een die op dezelfde wijze beproefd werd in alles, 365uitgenomen de zonde. Laten wij daarom met vertrouwen naderen tot de troon van zijn genade.’ — Ten tweede, ‘omdat bij het eindoordeel,’ zoals Augustinus zegt, ‘de verrijzenis zal plaats hebben van de gestorven lichamen, welke God door de Mensenzoon opwekt’; zoals ‘Hij ook door dezelfde Christus de zielen opwekt,’ in zover Hij ‘de Zoon Gods’ is. — Ten derde, omdat, zoals Augustinus zegt, ‘het recht is, dat zij die geoordeeld moeten worden, de rechter kunnen zien. Zij die geoordeeld moeten worden, waren echter goed en kwaad. Er bleef dus over, dat bij het oordeel de gestalte van een slaaf vertoond zou worden aan de goeden en aan de slechten, maar de Gods-gestalte alleen aan de goeden zou blijven voorbehouden.’
Ad primum ergo dicendum quod judicium pertinet ad veritatem sicut ad regulam judicii: sed ad hominem qui est veritate imbutus pertinet secundum quod est unum quodammodo cum ipsa veritate, quasi quaedam lex et quaedam justitia animata. Unde et ibidem Augustinus introducit quod dicitur 1. Cor. 2. [v. 15] : « Spiritualis judicat omnia ». Anima autem Christi prae caeteris creaturis magis fuit unita veritati et magis ea repleta: 366secundum illud Joan. 1. [v. 14]: « Vidimus eum plenum gratiae et veritatis ». Et secundum hoc, ad animam Christi maxime pertinet omnia judicare.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het oordeel is afhankelijk van de waarheid, als van zijn norm, maar van den mensch, die van de waarheid doordrongen is, is het afhankelijk, omdat zoo iemand in zekeren zin een eenheid vormt met de waarheid zelf, en daardoor om zoo te zeggen een soort wet wordt en bezielde rechtvaardigheid. Vandaar haalt ook Augustinus daar aan, wat gezegd wordt in den Eersten Brief aan de Corinthiërs (2. 15) : « De geestelijke mensch oordeelt over alles. » De ziel van Christus nu was meer dan de andere schepselen verbonden met de waarheid, 366en meer van haar vervuld, overeenkomstig het woord van Joannes (1. 14) : « Wij hebben Hem gezien vol van genade en waarheid. » En zoo beschouwd, komt het allermeest aan Christus' ziel toe, alles te oordeelen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het oordeel is afhankelijk van de waarheid, als van zijn norm, maar van de mens, die van de waarheid doordrongen is, is het afhankelijk, omdat zo iemand in zekeren zin een eenheid vormt met de waarheid zelf, en daardoor om zo te zeggen een soort wet wordt en bezielde rechtvaardigheid. Vandaar haalt ook Augustinus daar aan, wat gezegd wordt in de Eerste Brief aan de Korintiërs (2, 15): “De geestelijke mens oordeelt over alles.” De ziel van Christus nu was meer dan de andere schepselen verbonden met de waarheid, 366en meer van haar vervuld, overeenkomstig het woord van Johannes (1, 14): “Wij hebben Hem gezien vol van genade en waarheid.” En zo beschouwd, komt het allermeest aan Christus' ziel toe, alles te oordelen.
Ad secundum dicendum quod solius Dei est sui participatione animas beatas facere. Sed adducere homines ad beatitudinem convenit Christo, inquantum est caput et auctor salutis eorum: secundum illud Heb. 2. [v. 10] : « Qui multos filios in gloriam adduxerat, auctorem salutis eorum per passionem consummari ».
2. Het is alleen aan God eigen door een deelname aan zichzelf de zielen zalig te maken. Maar de menschen tot de zaligheid te brengen komt toe aan Christus, in zoover Hij het hoofd is en de bewerker van hun heil, overeenkomstig het gezegde in den Brief aan de Hebreën (2. 10) : « Die vele kinderen tot de glorie had gebracht, bracht ook de bewerker van hun heil door lijden tot de heerlijkheid. »2. Het is alleen aan God eigen door een deelname aan zichzelf de zielen zalig te maken. Maar de mensen tot de zaligheid te brengen komt toe aan Christus, in zover Hij het hoofd is en de bewerker van hun heil, overeenkomstig het gezegde in de Brief aan de Hebreën (2, 10): “Die vele kinderen tot de glorie had gebracht, bracht ook de bewerker van hun heil door lijden tot de heerlijkheid.”
Ad tertium dicendum quod cognoscere occulta cordium et dijudicare per se quidem pertinet ad solum Deum: sed ex refluentia divinitatis ad animam Christi, convenit etiam ei cognoscere et judicare occulta cordium, ut supra dictum est, cum de scientia Christi ageretur [q. 10. art. 2.]. Et ideo dicitur Rom. 2. [v. 16]: « In die cum judicabit Deus occulta hominum per Jesum Christum ».
3. De geheimen der harten te kennen, en deze te beoordeelen komt op zichzelf alleen aan God toe; maar door den invloed van de Godheid op Christus' ziel, komt het ook aan haar toe de geheimen der harten te kennen en te beoordeelen, zooals boven gezegd is, toen wij handelden over de kennis van Christus (10e Kw. 2e Art.). En daarom wordt in den Brief aan de Romeinen (2. 16) gezegd: « Op den dag, waarop God de geheimen der menschen zal oordeelen door Jesus Christus. »3. De geheimen van de harten te kennen, en deze te beoordelen komt op zichzelf alleen aan God toe; maar door de invloed van de Godheid op Christus' ziel, komt het ook aan haar toe de geheimen van de harten te kennen en te beoordelen, zoals boven gezegd is, toen wij handelden over de kennis van Christus (10e Kw. 2e Art.). En daarom wordt in de Brief aan de Romeinen (2, 16) gezegd: “Op de dag, waarop God de geheimen van de mensen zal oordelen door Jesus Christus.”
Utrum Christus ex meritis adeptus fuerit judiciariam potestatem
Heeft Christus de oordeelsmacht ontvangen uit verdienste?
367Ad tertium sic proceditur. Videtur quod Christus non ex meritis fuerit adeptus judiciariam potestatem. Judiciaria enim potestas consequitur regiam dignitatem: secundum illud Proverb. 20. [v. 8] : « Rex qui sedet in solio judicii, dissipat omne malum intuitu suo ». Sed regiam dignitatem Christus obtinuit absque meritis: competit enim ei ex hoc ipso quod est unigenitus Dei; dicitur enim Luc. 1. [v. 32] : « Dabit ei Dominus Deus sedem David, patris ejus et regnabit in domo Jacob in aeternum ». Ergo Christus judiciariam potestatem non obtinuit ex meritis.
367Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet uit verdienste de oordeelsmacht heeft ontvangen. — 1. De oordeelsmacht immers vloeit voort uit de koninklijke waardigheid, overeenkomstig het woord in het Boek der Spreuken (20. 8) : « De koning, die zit op zijn rechterstoel, zal met zijn blik alle kwaad vernietigen. » De koninklijke waardigheid heeft Christus echter zonder verdienste verkregen. Deze komt Hem immers hierom toe, omdat Hij Gods Eeniggeborene is. Bij Lucas (1. 32) immers wordt gezegd: « Aan Hem zal de Heer God den zetel van zijn Vader David geven, en Hij zal regeeren over het huis van Jacob in eeuwigheid. » Dus heeft Christus zijn oordeelsmacht niet verkregen om verdienste.367Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet uit verdienste de oordeelsmacht heeft ontvangen. — 1. De oordeelsmacht immers vloeit voort uit de koninklijke waardigheid, overeenkomstig het woord in het Boek van de Spreuken (20, 8): “De koning, die zit op zijn rechterstoel, zal met zijn blik alle kwaad vernietigen.” De koninklijke waardigheid heeft Christus echter zonder verdienste verkregen. Deze komt Hem immers hierom toe, omdat Hij Gods Eniggeborene is. Bij Lukas (1, 32) immers wordt gezegd: “Aan Hem zal de Heer God de zetel van zijn Vader David geven, en Hij zal regeren over het huis van Jacob in eeuwigheid.” Dus heeft Christus zijn oordeelsmacht niet verkregen om verdienste.
2. Praeterea, sicut dictum est [art. praec.], judiciaria potestas competit Christo inquantum est caput nostrum. Sed gratia capitis non competit Christo 368ex meritis: sed consequitur personalem unionem divinae et humanae naturae, secundum illud [Joan. 1. v. 14 et 16]: « Vidimus gloriam ejus, quasi unigeniti a Patre, plenum gratiae et veritatis, et de plenitudine ejus nos omnes accepimus », quod pertinet ad rationem capitis. Ergo videtur quod Christus non habuerit ex meritis judiciariam potestatem.
2. Zooals gezegd is (vorig Art.) komt Christus de oordeelsmacht toe, in zoover Hij ons hoofd is. Maar de genade, waardoor Hij hoofd is, komt Christus niet toe om verdienste, maar volgt uit 368de persoonlijke vereeniging van de goddelijke en menschelijke natuur, overeenkomstig 't woord bij Joannes (1. 14, 16) : « Wij hebben zijn glorie gezien, als van den Eeniggeborene van den Vader, vol van genade en waarheid, en uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen; » en dit behoort tot het wezen van het hoofd. Dus heeft Christus niet om verdienste de oordeelsmacht.2. Zoals gezegd is (vorig Art.) komt Christus de oordeelsmacht toe, in zover Hij ons hoofd is. Maar de genade, waardoor Hij hoofd is, komt Christus niet toe om verdienste, maar volgt uit 368de persoonlijke vereniging van de goddelijke en menselijke natuur, overeenkomstig 't woord bij Johannes (1, 14, 16): “Wij hebben zijn glorie gezien, als van de Eniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid, en uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen;” en dit behoort tot het wezen van het hoofd. Dus heeft Christus niet om verdienste de oordeelsmacht.
3. Praeterea, Apostolus dicit, 1. ad Cor. 2. [v. 15]: « Spiritualis judicat omnia ». Sed homo efficitur spiritualis per gratiam: quae non est ex meritis, « alioquin jam non esset gratia », ut dicitur Rom. 11. [v. 6]. Ergo videtur quod judiciaria potestas non conveniat nec Christo nec aliis ex meritis, sed ex sola gratia.
3. De Apostel zegt in den Eersten Brief aan de Corinthiërs (2. 15) : « Een geestelijk mensch oordeelt over alles. » De mensch wordt echter geestelijk door de genade, die niet uit verdienste voortkomt, « anders was het geen genade meer, » zooals gezegd wordt in den Brief aan de Romeinen (11. 6). Dus komt de oordeelsmacht noch aan Christus, noch aan iemand anders toe uit verdienste, maar enkel uit genade.3. De Apostel zegt in de Eerste Brief aan de Korintiërs (2, 15): “Een geestelijk mens oordeelt over alles.” De mens wordt echter geestelijk door de genade, die niet uit verdienste voortkomt, “anders was het geen genade meer,” zoals gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (11, 6). Dus komt de oordeelsmacht noch aan Christus, noch aan iemand anders toe uit verdienste, maar enkel uit genade.
Sed contra est quod dicitur Job 36. [v. 17]: « Causa tua quasi impii judicata est: causam judiciumque recipies ». Et Augustinus dicit, in lib. de Verbis Domini [64. cap. 7.] : « Sedebit judex qui stetit sub judice: damnabit vero1 reos qui falso factus est reus ».
Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt in het Boek Job (36. 17) : « Uw geding is als dat van een goddelooze geoordeeld; gij zult geding en oordeel ontvangen. » En Augustinus zegt: « Hij, die onder een rechter stond, zal als rechter zetelen; Hij zal de ware schuldigen oordeelen, die op valsche wijze beschuldigd is. »Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt in het Boek Job (36, 17): “Uw geding is als dat van een goddeloze geoordeeld; gij zult geding en oordeel ontvangen.” En Augustinus zegt: “Hij, die onder een rechter stond, zal als rechter zetelen; Hij zal de ware schuldigen oordelen, die op valse wijze beschuldigd is.”
369Respondeo dicendum quod nihil prohibet unum et idem deberi alicui ex causis diversis: sicut gloria corporis resurgentis debita fuit Christo non solum propter congruentiam divinitatis et propter gloriam animae, sed etiam ex merito humilitatis passionis. Et similiter dicendum est quod judiciaria potestas homini Christo competit et propter divinam personam, et propter capitis dignitatem, et propter plenitudinem gratiae habitualis, et tamen etiam ex merito eam obtinuit: ut scilicet, secundum Dei justitiam, judex esset qui pro Dei justitia pugnavit et vicit, et injuste judicatus est. Unde ipse dicit, Apoc. 3. [v. 21] : « Ego vici, et sedi in throno Patris mei ». In throno autem intelligitur judiciaria potestas: secundum illud Ps. 9. [v. 5] : « Sedisti super thronum, qui judicas justitiam ».
369Leerstelling. — Er is niets op tegen, dat een en hetzelfde aan iemand toekomt om verschillende redenen; zooals de heerlijkheid van het verrezen lichaam aan Christus toekwam, niet alleen, omdat dit passend was aan zijn Godheid, en om de glorie van zijn ziel, maar omdat de vernedering van zijn lijden het verdiende. En zoo ook moeten wij zeggen, dat de oordeelsmacht aan den mensch Christus toekomt, zoowel om zijn goddelijke persoon, als om zijn waardigheid van hoofd, en om de volheid van zijn heiligmakende genade, en dat Hij haar toch ook uit verdienste verkreeg, opdat nl. overeenkomstig Gods gerechtigheid Hij, die voor Gods gerechtigheid gestreden en overwonnen heeft en onrechtmatig veroordeeld is, rechter zou zijn. Vandaar zegt Hij zelf in het Boek der Openbaring (3. 21) : « Ik heb overwonnen, en Ik ben op den troon van mijn Vader gezeten. » Met den troon nu wordt bedoeld de oordeelsmacht, overeenkomstig het gezegde in het Boek der Psalmen (9. 5) : « Gij zetelt op uw troon, die oordeelt met gerechtigheid. »369Leerstelling. — Er is niets op tegen, dat een en hetzelfde aan iemand toekomt om verschillende redenen; zoals de heerlijkheid van het verrezen lichaam aan Christus toekwam, niet alleen, omdat dit passend was aan zijn Godheid, en om de glorie van zijn ziel, maar omdat de vernedering van zijn lijden het verdiende. En zo ook moeten wij zeggen, dat de oordeelsmacht aan de mens Christus toekomt, zowel om zijn goddelijke persoon, als om zijn waardigheid van hoofd, en om de volheid van zijn heiligmakende genade, en dat Hij haar toch ook uit verdienste verkreeg, opdat nl. overeenkomstig Gods gerechtigheid Hij, die voor Gods gerechtigheid gestreden en overwonnen heeft en onrechtmatig veroordeeld is, rechter zou zijn. Vandaar zegt Hij zelf in het Boek van de Openbaring (3, 21): “Ik heb overwonnen, en Ik ben op de troon van mijn Vader gezeten.” Met de troon nu wordt bedoeld de oordeelsmacht, overeenkomstig het gezegde in het Boek van de Psalmen (9, 5)a: “Gij zetelt op uw troon, die oordeelt met gerechtigheid.”
Ad primum ergo dicendum quod ratio illa procedit de judiciaria potestate secundum quod debetur Christo ex ipsa unione ad Verbum Dei.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Die redeneering gaat uit van de oordeelsmacht voor zoover die aan Christus toekomt om de vereeniging met het woord Gods zelf.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Die redenering gaat uit van de oordeelsmacht voor zover die aan Christus toekomt om de vereniging met het woord Gods zelf.
Ad secundum dicendum quod ratio illa procedit ex parte gratiae capitis.
2. Die redeneering gaat uit van de genade waardoor Christus hoofd is.2. Die redenering gaat uit van de genade waardoor Christus hoofd is.
370Ad tertium dicendum quod ratio illa procedit ex parte gratiae habitualis, quae est perfectiva animae Christi. Per hoc tamen quod his modis debetur Christo judiciaria potestas, non excluditur quin debeatur ei ex merito.
3703. Die redeneering gaat uit van de heiligmakende genade, die de ziel van Christus vervolmaakt. Omdat echter de oordeelsmacht op deze wijzen aan Christus toekomt, wordt niet uitgesloten, dat zij Hem om verdienste toekomt.3703. Die redenering gaat uit van de heiligmakende genade, die de ziel van Christus vervolmaakt. Omdat echter de oordeelsmacht op deze wijzen aan Christus toekomt, wordt niet uitgesloten, dat zij Hem om verdienste toekomt.
Utrum Christo conveniat judiciaria potestas quantum ad omnes res humanas
Komt aan Christus de oordeelsmacht toe met betrekking tot alle menschelijke dingen?Komt aan Christus de oordeelsmacht toe met betrekking tot alle menselijke dingen?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod ad Christum non pertineat judiciaria potestas quantum ad omnes res humanas. Ut enim legitur Luc. 12. [v. 13 et 14], cum quidam de turba Christo diceret, « Dic fratri meo ut dividat mecum haereditatem », ille respondit: « Homo, quis me constituit judicem aut divisorem super vos? » Non ergo habet judicium super omnes res humanas.
Bedenkingen. — Men beweert, dat aan Christus niet de oordeelsmacht toekomt met betrekking tot alle menschelijke dingen. — 1. Zooals immers staat bij Lucas (12. 13), antwoordde Christus, toen iemand uit de menigte tot Hem zeide: « Zeg aan mijn broeder, dat hij met mij de erfenis deelt »: « Mensch, wie heeft Mij tot rechter of verdeeler over u aangesteld? » Dus heeft Hij niet de oordeelsmacht over alle menschelijke dingen.Bedenkingen. — Men beweert, dat aan Christus niet de oordeelsmacht toekomt met betrekking tot alle menselijke dingen. — 1. Zoals immers staat bij Lukas (12, 13), antwoordde Christus, toen iemand uit de menigte tot Hem zeide: “Zeg aan mijn broeder, dat hij met mij de erfenis deelt”: “Mens, wie heeft Mij tot rechter of verdeler over u aangesteld?” Dus heeft Hij niet de oordeelsmacht over alle menselijke dingen.
2. Praeterea, nullus habet judicium nisi super ea quae sunt sibi subjecta. Sed Christo « nondum videmus omnia esse subjecta », ut dicitur 371Heb. 2. [v. 8]. Ergo videtur quod Christus non habeat super omnes res humanas judicium.
2. Niemand velt een oordeel, tenzij over die dingen, die hem onderworpen zijn. Maar « wij zien nog niet alles aan Christus 371onderworpen, » zooals staat in den Brief aan de Hebreën (2. 8). Dus heeft Christus niet het oordeel over alle menschelijke dingen.2. Niemand velt een oordeel, tenzij over die dingen, die hem onderworpen zijn. Maar “wij zien nog niet alles aan Christus 371onderworpen,” zoals staat in de Brief aan de Hebreën (2, 8). Dus heeft Christus niet het oordeel over alle menselijke dingen.
3. Praeterea, Augustinus dicit, 20. de Civ. Dei [cap. 2.], quod « ad judicium divinum pertinet hoc quod interdum boni affliguntur in hoc mundo et interdum prosperantur, et similiter mali ». Sed hoc fuit etiam ante Christi incarnationem. Ergo non omnia judicia Dei circa res humanas pertinent ad judiciariam potestatem Christi.
3. Augustinus zegt, dat « het tot Gods oordeel behoort, dat soms de goeden lijden in deze wereld, en het hun soms goed gaat, en evenzoo de slechten. » Dit was echter ook het geval vóór de menschwording van Christus. Dus komen niet alle oordeelen over de menschelijke aangelegenheden toe aan de oordeelsmacht van Christus.3. Augustinus zegt, dat “het tot Gods oordeel behoort, dat soms de goeden lijden in deze wereld, en het hun soms goed gaat, en evenzo de slechten.” Dit was echter ook het geval vóór de menswording van Christus. Dus komen niet alle oordelen over de menselijke aangelegenheden toe aan de oordeelsmacht van Christus.
Sed contra est quod dicitur Joan. 5. [v. 22] : « Pater omne judicium dedit Filio ».
Daartegenover staat echter, dat bij Joannes (5. 22) gezegd wordt: « De Vader heeft alle oordeel aan den Zoon gegeven. »Daartegenover staat echter, dat bij Johannes (5, 22) gezegd wordt: “De Vader heeft alle oordeel aan de Zoon gegeven.”
Respondeo dicendum quod, si de Christo loquamur secundum divinam naturam, manifestum est quod omne judicium Patris pertinet ad Filium: sicut enim Pater facit omnia Verbo suo, ita et omnia judicat Verbo suo. Si vero loquamur de Christo secundum naturam humanam, sic etiam manifestum est quod omnes res humanae subduntur ejus judicio. Et hoc manifestum est, primo quidem, si consideremus habitudinem animae Christi 372ad Verbum Dei. Si enim « spiritualis judicat omnia », ut dicitur 1. ad Cor. 2. [v. 15], inquantum mens ejus Verbo Dei inhaeret; multo magis anima Christi, quae est plena veritate Verbi Dei, super omnia judicium habet. Secundo, apparet idem ex merito mortis ejus. Quia, ut dicitur Rom. 14. [v. 9]: « In hoc Christus mortuus est et resurrexit ut vivorum et mortuorum dominetur ». Et ideo super omnes habet judicium. Propter quod et Apostolus ibi subdit [v. 10] quod « omnes stabimus ante tribunal Christi » : et Dan. 7. [v. 14] dicitur, quod « dedit ei potestatem et honorem et regnum, et omnes populi, tribus et linguae servient ei ». Tertio, apparet idem ex comparatione rerum humanarum ad finem humanae salutis. Cuicumque enim committitur principale, committitur et accessorium. Omnes autem res humanae ordinantur in finem beatitudinis, quae est salus aeterna, ad quam homines admittuntur, vel etiam repelluntur, judicio Christi, ut patet Matth. 25. [v. 31 ss.]. Et ideo manifestum est quod ad judiciariam potestatem Christi pertinent omnes res humanae.
Leerstelling. — Als wij over Christus spreken naar zijn goddelijke natuur, dan is het duidelijk, dat het geheele oordeel van den Vader toekomt aan den Zoon; zooals immers de Vader alles maakt door zijn Woord, zoo oordeelt Hij ook alles door zijn Woord. Indien wij echter spreken van Christus naar zijn menschelijke natuur, dan is het ook duidelijk, dat alle menschelijke aangelegenheden aan zijn oordeel onderworpen zijn. — En dit is duidelijk, vooreerst als wij de verhouding beschouwen van Christus' ziel tot het Woord Gods. Wanneer immers « een 372geestelijk mensch alles oordeelt, » zooals gezegd wordt in den Eersten Brief aan de Corinthiërs (2. 15), in zoover zijn geest het Woord Gods aanhangt, dan bezit nog veel meer de ziel van Christus, die vol is van de waarheid van het Woord Gods, over alles het oordeel. — Ten tweede blijkt hetzelfde uit de verdienste van zijn dood: aangezien, zooals gezegd wordt in den Brief aan de Romeinen (14. 9), « Christus hiertoe gestorven en verrezen is, om de levenden en de dooden te beheerschen. » En derhalve heeft Hij over allen 't oordeel. Daarom laat ook de Apostel ter plaatse volgen (v. 10), dat « wij allen zullen staan voor den rechterstoel van Christus; » en bij Daniël (7. 14) wordt gezegd, dat « Hij Hem de macht gaf, en de eer en het rijk; en dat alle volken, stammen en talen Hem zullen dienen. » — Ten derde blijkt ook hetzelfde uit de vergelijking van de menschelijke dingen, met het doel, dat in het menschelijk heil bestaat. Aan wie immers het voornamere gegeven wordt, wordt ook het bijkomstige toevertrouwd. Alle menschelijke dingen nu leiden tot het doel der zaligheid, dat het eeuwig geluk is, waartoe de menschen worden toegelaten of waarvan zij ook worden uitgesloten volgens het oordeel van Christus, zooals blijkt bij Mattheus (25. 31 vlg.). En dus is het duidelijk, dat alle menschelijke dingen vallen onder Christus' oordeelsmacht.Leerstelling. — Als wij over Christus spreken naar zijn goddelijke natuur, dan is het duidelijk, dat het gehele oordeel van de Vader toekomt aan de Zoon; zoals immers de Vader alles maakt door zijn Woord, zo oordeelt Hij ook alles door zijn Woord. Indien wij echter spreken van Christus naar zijn menselijke natuur, dan is het ook duidelijk, dat alle menselijke aangelegenheden aan zijn oordeel onderworpen zijn. — En dit is duidelijk, vooreerst als wij de verhouding beschouwen van Christus' ziel tot het Woord Gods. Wanneer immers “een 372geestelijk mens alles oordeelt,” zoals gezegd wordt in de Eerste Brief aan de Korintiërs (2, 15), in zover zijn geest het Woord Gods aanhangt, dan bezit nog veel meer de ziel van Christus, die vol is van de waarheid van het Woord Gods, over alles het oordeel. — Ten tweede blijkt hetzelfde uit de verdienste van zijn dood: aangezien, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (14, 9), “Christus hiertoe gestorven en verrezen is, om de levenden en de doden te beheersen.” En derhalve heeft Hij over allen 't oordeel. Daarom laat ook de Apostel ter plaatse volgen (v. 10), dat “wij allen zullen staan voor de rechterstoel van Christus;” en bij Daniël (7, 14) wordt gezegd, dat “Hij Hem de macht gaf, en de eer en het rijk; en dat alle volken, stammen en talen Hem zullen dienen.” — Ten derde blijkt ook hetzelfde uit de vergelijking van de menselijke dingen, met het doel, dat in het menselijk heil bestaat. Aan wie immers het voornamere gegeven wordt, wordt ook het bijkomstige toevertrouwd. Alle menselijke dingen nu leiden tot het doel van de zaligheid, dat het eeuwig geluk is, waartoe de mensen worden toegelaten of waarvan zij ook worden uitgesloten volgens het oordeel van Christus, zoals blijkt bij Matteüs (25, 31 vlg.). En dus is het duidelijk, dat alle menselijke dingen vallen onder Christus' oordeelsmacht.
373Ad primum ergo dicendum quod, sicut dictum est [art. praec. arg. 1.], judiciaria potestas consequitur regiam dignitatem. Christus autem, quamvis esset rex constitutus a Deo, non tamen in terris vivens terrenum regnum temporaliter administrare voluit: unde ipse dicit, Joan. 18. [v. 36]: « Regnum meum non est de hoc mundo ». Similiter etiam judiciariam potestatem exercere noluit super res temporales, qui venerat homines ad divina transferre. Unde Ambrosius, [Expos. super Luc. lib. 7.] ibidem, dicit: « Bene terrena declinat qui propter divina descenderat: nec judex dignatur esse litium et arbiter facultatum, vivorum habens mortuorumque judicium, arbitriumque meritorum ».
373Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zooals gezegd is (vorig Art. 1e Bed.), volgt de oordeelsmacht uit de koninklijke waardigheid. Hoewel Christus nu door God tot koning was aangesteld, wilde Hij toch tijdens zijn leven op aarde niet het aardsche rijk tijdelijk besturen; vandaar zegt Hijzelf bij Joannes (18. 36) : « Mijn rijk is niet van deze wereld. » Zoo ook wilde Hij, die gekomen was om de menschen tot het goddelijke op te voeren, zijn oordeelsmacht niet uitoefenen over de tijdelijke dingen. Daarom zegt Ambrosius: « Wel mocht Hij de aardsche dingen afwijzen, die om de goddelijke dingen was neergedaald; en Hij verwaardigde zich niet om rechter te zijn in twistgedingen, en toewijzer bij vermogens, die het oordeel bezat over de levenden en de dooden, en de uitspraak over de verdiensten. »373Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoals gezegd is (vorig Art. 1e Bed.), volgt de oordeelsmacht uit de koninklijke waardigheid. Hoewel Christus nu door God tot koning was aangesteld, wilde Hij toch tijdens zijn leven op aarde niet het aardse rijk tijdelijk besturen; vandaar zegt Hijzelf bij Johannes (18, 36): “Mijn rijk is niet van deze wereld.” Zo ook wilde Hij, die gekomen was om de mensen tot het goddelijke op te voeren, zijn oordeelsmacht niet uitoefenen over de tijdelijke dingen. Daarom zegt Ambrosius: “Wel mocht Hij de aardse dingen afwijzen, die om de goddelijke dingen was neergedaald; en Hij verwaardigde zich niet om rechter te zijn in twistgedingen, en toewijzer bij vermogens, die het oordeel bezat over de levenden en de doden, en de uitspraak over de verdiensten.”
Ad secundum dicendum quod Christo sunt omnia subjecta quantum ad potestatem, quam a Patre super omnia accepit: secundum illud Matth. ult. [v. 18] : « Data est mihi omnis potestas in coelo et in terra ». Nondum tamen sunt omnia ei subjecta quantum ad executionem suae potestatis. Quod quidem erit in futuro, quando de omnibus voluntatem suam adimplebit, quosdam quidem salvando, quosdam autem puniendo.
2. Aan Christus is alles onderworpen, in zoover Hij de macht erover heeft, die Hij van zijn Vader over alles ontving, overeenkomstig het gezegde bij Mattheus (28. 18) : « Mij is alle macht gegeven in den hemel en op aarde. » Maar nog niet is alles aan Hem onderworpen, wat betreft de uitoefening van zijn macht. Dit zal echter in de toekomst plaats hebben, als Hij over allen zijn wil zal doorvoeren, door sommigen nl. te redden, anderen echter te straffen.2. Aan Christus is alles onderworpen, in zover Hij de macht erover heeft, die Hij van zijn Vader over alles ontving, overeenkomstig het gezegde bij Matteüs (28, 18): “Mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde.” Maar nog niet is alles aan Hem onderworpen, wat betreft de uitoefening van zijn macht. Dit zal echter in de toekomst plaats hebben, als Hij over allen zijn wil zal doorvoeren, door sommigen nl. te redden, anderen echter te straffen.
374Ad tertium dicendum quod ante incarnationem hujusmodi judicia exercebantur per Christum inquantum Dei Verbum est: cujus potestatis facta est particeps per incarnationem anima ei personaliter unita.
3743. Vóór de menschwording werden deze oordeelen door Christus geveld in zoover Hij het Woord Gods is, aan wiens macht de ziel, die met Hem in persoon vereenigd is door de menschwording, deelachtig is geworden.3743. Vóór de menswording werden deze oordelen door Christus geveld in zover Hij het Woord Gods is, aan wiens macht de ziel, die met Hem in persoon verenigd is door de menswording, deelachtig is geworden.
Utrum post judicium quod agitur in praesenti tempore restet aliud judicium
Is er na het oordeel, dat in dezen tijd wordt uitgeoefend nog een ander te wachten?Is er na het oordeel, dat in deze tijd wordt uitgeoefend nog een ander te wachten?
Ad quintum sic proceditur. Videtur quod post judicium quod in praesenti tempore agitur, non restet aliud judicium generale. Post ultimam enim retributionem praemiorum et poenarum, frustra adhibetur judicium. Sed in hoc praesenti tempore fit retributio praemiorum et poenarum: dixit enim Dominus latroni in cruce, Luc. 23. [v. 43] : « Hodie mecum eris in paradiso »; et Luc. 16. [v. 22] dicitur quod « mortuus est dives et sepultus est in inferno ». Ergo frustra expectatur finale judicium.
Bedenkingen. — Men beweert, dat er na het oordeel, dat in dezen tijd wordt uitgeoefend, geen ander algemeen oordeel meer te wachten is. — 1. Na de laatste vergelding van belooningen en straffen heeft een oordeel immers geen zin meer. In dezen tegenwoordigen tijd nu heeft de vergelding plaats door belooningen en straffen. De Heer heeft immers tot den roover op het kruis gezegd (Luc. 23. 43) : « Heden zult gij met Mij zijn in het paradijs; » en bij Lucas (16. 22) wordt gezegd, dat « de rijke stierf, en begraven werd in de hel. » Dus heeft het geen zin, om nog een eindoordeel te verwachten.Bedenkingen. — Men beweert, dat er na het oordeel, dat in deze tijd wordt uitgeoefend, geen ander algemeen oordeel meer te wachten is. — 1. Na de laatste vergelding van beloningen en straffen heeft een oordeel immers geen zin meer. In deze tegenwoordige tijd nu heeft de vergelding plaats door beloningen en straffen. De Heer heeft immers tot de rover op het kruis gezegd (Luk. 23. 43): “Heden zult gij met Mij zijn in het paradijs;” en bij Lukas (16, 22) wordt gezegd, dat “de rijke stierf, en begraven werd in de hel.” Dus heeft het geen zin, om nog een eindoordeel te verwachten.
3752. Praeterea, Nahum 1. [v. 9] dicitur, secundum aliam literam [LXX. interp.] : « Non judicabit Deus bis in idipsum ». Sed in hoc tempore Dei judicium exercetur et quantum ad temporalia et quantum ad spiritualia. Ergo videtur quod non sit expectandum aliud finale judicium.
3752. Volgens een andere tekstlezing wordt bij Nahum (1. 9) gezegd: « De Heer zal geen tweede maal over hetzelfde oordeelen. » In dezen tijd echter wordt Gods oordeel uitgesproken zoowel over het tijdelijke, als over het geestelijke. Dus moet geen ander eindoordeel meer verwacht worden.3752. Volgens een andere tekstlezing wordt bij Nahum (1, 9) gezegd: “De Heer zal geen tweede maal over hetzelfde oordelen.” In deze tijd echter wordt Gods oordeel uitgesproken zowel over het tijdelijke, als over het geestelijke. Dus moet geen ander eindoordeel meer verwacht worden.
3. Praeterea, praemium et poena respondent merito et demerito. Sed meritum et demeritum non pertinent ad corpus nisi inquantum est animae instrumentum. Ergo nec praemium seu poena debetur corpori nisi propter animam. Non ergo requiritur aliud judicium in fine, ad hoc quod homo praemietur aut puniatur in corpore, praeter illud quo nunc puniuntur aut praemiantur animae.
3. Belooning en straf zien terug op verdienste en onverdienste. Verdienste en onverdienste echter hebben geen betrekking op het lichaam, tenzij voor zoover dit het instrument der ziel is. Dus verdient ook het lichaam geen belooning of straf, tenzij om de ziel. Dus wordt op het eind geen ander oordeel geëischt, om den mensch in het lichaam te beloonen of te straffen, buiten dat, waardoor nu de zielen gestraft of beloond worden.3. Beloning en straf zien terug op verdienste en onverdienste. Verdienste en onverdienste echter hebben geen betrekking op het lichaam, tenzij voor zover dit het instrument van de ziel is. Dus verdient ook het lichaam geen beloning of straf, tenzij om de ziel. Dus wordt op het eind geen ander oordeel geëist, om de mens in het lichaam te belonen of te straffen, buiten dat, waardoor nu de zielen gestraft of beloond worden.
Sed contra est quod dicitur Joan. 12. [v. 48] : « Sermo quem locutus sum, ille judicabit eum in novissimo die ». Erit ergo quoddam judicium in novissimo die, praeter judicium quod nunc agitur.
Daartegenover staat echter, dat bij Joannes (12. 48) gezegd wordt: « Het woord dat Ik gesproken heb, dat zal hen oordeelen op den jongsten dag. » Er zal dus buiten het oordeel, dat nu uitgesproken wordt, nog een ander oordeel zijn op den jongsten dag.Daartegenover staat echter, dat bij Johannes (12, 48) gezegd wordt: “Het woord dat Ik gesproken heb, dat zal hen oordelen op de jongste dag.” Er zal dus buiten het oordeel, dat nu uitgesproken wordt, nog een ander oordeel zijn op de jongste dag.
Respondeo dicendum quod judicium de aliqua re mutabili perfecte dari non potest ante ejus consummationem. Sicut judicium de aliqua actione 376qualis sit, perfecte dari non potest antequam sit consummata et in se et in suis effectibus: quia multae actiones videntur esse utiles, quae ex effectibus demonstrantur nocivae. Et similiter de homine aliquo judicium perfecte dari non potest quoad ejus vita terminetur: eo quod multipliciter potest mutari de bono in malum aut e converso, vel de bono in melius, aut de malo in pejus. Unde Apostolus dicit, Heb. 9. [v. 27], quod « hominibus statutum est semel mori: post hoc autem, judicium ». Sciendum tamen quod, licet per mortem vita hominis temporalis terminetur secundum se, remanet tamen ex futuris secundum quid dependens. Uno quidem modo, secundum quod adhuc vivit in memoriis hominum: in quibus quandoque contra veritatem remanet bonae famae vel malae. Alio modo in filiis, qui sunt quasi aliquid patris: secundum illud Eccli. 30. [v. 4] : « Mortuus est pater ejus, et quasi non est mortuus: similem enim reliquit sibi post se ». Et tamen multorum bonorum sunt mali filii, et e contrario. Tertio modo, quantum ad effectum suorum operum: sicut ex deceptione Arii et aliorum seductorum: 377pullulat infidelitas usque ad finem mundi; et usque tunc proficit fides ex praedicatione Apostolorum. Quarto modo, quantum ad corpus: quod quandoque honorifice traditur sepulturae, quandoque vero relinquitur insepultum, et tandem incineratum omnino resolvitur. Quinto modo, quantum ad ea in quibus homo suum affectum defixit, puta in quibuscumque temporalibus rebus: quarum quaedam citius finiuntur, quaedam diutius durant. Omnia autem haec subduntur existimationi judicii divini. Et ideo de his omnibus perfectum et manifestum judicium haberi non potest quamdiu hujus temporis cursus durat. Et propter hoc oportet esse finale judicium in novissimo die, in quo perfecte id quod ad unumquemque hominem pertinet quocunque modo, perfecte et manifeste judicetur.
Leerstelling. — Over een veranderlijk ding kan niet volmaakt een oordeel gegeven worden vóór zijn voltooiing. Zooals 376over een of andere handeling, welke die dan ook zijn moge, niet volmaakt een oordeel kan gegeven worden, voordat zij af is, in zich en in haar gevolgen: aangezien vele handelingen nuttig schijnen, die in hun gevolgen schadelijk blijken. En zoo ook kan over een mensch niet volmaakt een oordeel gevormd worden, voordat zijn leven geëindigd is; wijl hij veelvuldig van goed naar kwaad kan veranderen of omgekeerd, of van goed tot beter, of van kwaad tot slechter. Vandaar zegt de Apostel in den Brief aan de Hebreën (9. 27), dat « het voor de menschen is vastgesteld om eens te sterven; daarna echter volgt het oordeel. » Men moet echter weten, dat ofschoon door den dood het tijdelijk leven van den mensch op zich zelf eindigt, het toch nog blijft, daar het in zeker opzicht afhankelijk is, van wat nog zal gebeuren. — Vooreerst nl., doordat hij nog leeft in de herinnering der menschen, bij wie hij soms tegen de waarheid in, te goeder of kwader faam bekend blijft. — Vervolgens door de kinderen, die a. h. w. iets van den vader zijn, overeenkomstig het woord in het Boek Ecclesiasticus (30. 4) : « Zijn vader is gestorven, en het is toch alsof hij niet gestorven was, hij liet immers een gelijken achter. » En toch hebben vele goeden slechte kinderen en omgekeerd. — Ten derde door de uitwerking van zijn werken; zooals ook door het bedrog van Arius en van andere verleiders het 377ongeloof voortwoekert tot aan het einde van de wereld; tot dan toe neemt ook het geloof toe tengevolge van de prediking der apostelen. — Ten vierde door het lichaam, dat soms een eervolle begrafenis ontvangt, soms ook onbegraven blijft, en ten slotte tot stof vergaan, geheel wordt ontbonden. — Ten vijfde, door die dingen waarop de mensch zijn liefde gevestigd had, bv. in sommige tijdelijke dingen, van welke sommige vlugger een einde nemen, sommige langer duren. Al deze dingen nu zijn onderworpen aan de schatting van Gods oordeel. En daarom kan men van dit alles geen volmaakt en duidelijk oordeel vormen, zoolang de wenteling van dezen tijd duurt. En daarom moet er een eindoordeel zijn op den jongsten dag, waarop volmaakt hetgeen bij ieder mensch hoe dan ook behoort, volkomen en openbaar wordt geoordeeld.Leerstelling. — Over een veranderlijk ding kan niet volmaakt een oordeel gegeven worden vóór zijn voltooiing. Zoals 376over een of andere handeling, welke die dan ook zijn moge, niet volmaakt een oordeel kan gegeven worden, voordat zij af is, in zich en in haar gevolgen: aangezien vele handelingen nuttig schijnen, die in hun gevolgen schadelijk blijken. En zo ook kan over een mens niet volmaakt een oordeel gevormd worden, voordat zijn leven geëindigd is; wijl hij veelvuldig van goed naar kwaad kan veranderen of omgekeerd, of van goed tot beter, of van kwaad tot slechter. Vandaar zegt de Apostel in de Brief aan de Hebreën (9, 27), dat “het voor de mensen is vastgesteld om eens te sterven; daarna echter volgt het oordeel.” Men moet echter weten, dat ofschoon door de dood het tijdelijk leven van de mens op zichzelf eindigt, het toch nog blijft, daar het in zeker opzicht afhankelijk is, van wat nog zal gebeuren. — Vooreerst nl., doordat hij nog leeft in de herinnering van de mensen, bij wie hij soms tegen de waarheid in, te goeder of kwader faam bekend blijft. — Vervolgens door de kinderen, die a. h. w. iets van de vader zijn, overeenkomstig het woord in het Boek Sirach (30, 4): “Zijn vader is gestorven, en het is toch alsof hij niet gestorven was, hij liet immers een gelijken achter.” En toch hebben vele goeden slechte kinderen en omgekeerd. — Ten derde door de uitwerking van zijn werken; zoals ook door het bedrog van Arius en van andere verleiders het 377ongeloof voortwoekert tot aan het einde van de wereld; tot dan toe neemt ook het geloof toe tengevolge van de prediking van de apostelen. — Ten vierde door het lichaam, dat soms een eervolle begrafenis ontvangt, soms ook onbegraven blijft, en ten slotte tot stof vergaan, geheel wordt ontbonden. — Ten vijfde, door die dingen waarop de mens zijn liefde gevestigd had, bv. in sommige tijdelijke dingen, van welke sommige vlugger een einde nemen, sommige langer duren. Al deze dingen nu zijn onderworpen aan de schatting van Gods oordeel. En daarom kan men van dit alles geen volmaakt en duidelijk oordeel vormen, zolang de wenteling van deze tijd duurt. En daarom moet er een eindoordeel zijn op de jongste dag, waarop volmaakt hetgeen bij ieder mens hoe dan ook behoort, volkomen en openbaar wordt geoordeeld.
Ad primum ergo dicendum quod opinio quorumdam fuit quod animae sanctorum non praemiantur in coelo nec animae damnatorum puniantur in inferno, usque ad diem judicii. Quod quidem apparet falsum ex hoc quod Apostolus, 2. ad Cor. 5. [v. 8 ss.], dicit: « Audemus, et bonam voluntatem habemus, magis peregrinari a corpore et praesentes esse ad 378Dominum », quod est jam « non ambulare per fidem », sed « per speciem », ut patet ex his quae subsequuntur. Hoc autem est videre Deum per essentiam, « in quo consistit vita aeterna », ut patet Joan. 17. [v. 3]. Unde manifestum est animas a corporibus separatas esse in vita aeterna. Et ideo dicendum est quod post mortem, quantum ad ea quae sunt animae, homo sortitur quendam immutabilem statum. Et ideo, quantum ad praemium animae, non oportet ulterius differri judicium. Sed quia quaedam alia sunt ad hominem pertinentia quae toto temporis cursu aguntur, quae non sunt aliena a divino judicio, oportet iterum in fine temporis omnia haec in judicium adduci. Licet enim homo secundum haec non mereatur neque demereatur, tamen pertinent ad aliquod ejus praemium vel poenam. Unde oportet haec omnia aestimari in finali judicio.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Sommigen waren van meening, dat de zielen der heiligen niet beloond worden in den hemel, noch de zielen der verdoemden gestraft worden in de hel tot aan den dag van het oordeel; dit echter blijkt valsch te zijn uit hetgeen de Apostel zegt in den Tweeden Brief aan de Corinthiërs (5. 8 vlg.) : « Goeden moed houden wij en wij geven er de voorkeur aan uit het lichaam te verhuizen en aanwezig te zijn 378bij den Heer; » dit is voortaan « niet wandelen in het geloof, » maar « in de aanschouwing, » zooals blijkt uit hetgeen volgt. Dit is God zien in zijn wezenheid, « waarin het eeuwige leven gelegen is, » zooals blijkt uit Joannes (17. 3). Vandaar is het duidelijk, dat de zielen van de lichamen gescheiden zijn in het eeuwige leven. En daarom moeten wij zeggen, dat na den dood de mensch met betrekking tot de dingen der ziel, een zekeren onveranderlijken toestand krijgt; en daarom behoeft voor de belooning der ziel het oordeel niet verder uitgesteld te worden. Maar omdat er nog andere dingen zijn, die bij den mensch behooren, en die in den loop der tijden voorvallen, en die niet vreemd zijn aan het goddelijk oordeel, moet wederom op het eind der tijden dit alles ter beoordeeling naar voren gebracht worden. Want ofschoon de mensch hierdoor niet verdient of schuldig staat, draagt dit toch eenigszins bij tot zijn belooning of straf. Dus moet dit alles bij het eindoordeel in schatting gebracht worden.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Sommigen waren van mening, dat de zielen van de heiligen niet beloond worden in de hemel, noch de zielen van de verdoemden gestraft worden in de hel tot aan de dag van het oordeel; dit echter blijkt vals te zijn uit hetgeen de Apostel zegt in de Tweede Brief aan de Korintiërs (5. 8 vlg.): “Goeden moed houden wij en wij geven er de voorkeur aan uit het lichaam te verhuizen en aanwezig te zijn 378bij de Heer;” dit is voortaan “niet wandelen in het geloof,” maar “in de aanschouwing,” zoals blijkt uit hetgeen volgt. Dit is God zien in zijn wezenheid, “waarin het eeuwige leven gelegen is,” zoals blijkt uit Johannes (17, 3). Vandaar is het duidelijk, dat de zielen van de lichamen gescheiden zijn in het eeuwige leven. En daarom moeten wij zeggen, dat na de dood de mens met betrekking tot de dingen van de ziel, een zekeren onveranderlijken toestand krijgt; en daarom behoeft voor de beloning van de ziel het oordeel niet verder uitgesteld te worden. Maar omdat er nog andere dingen zijn, die bij de mens behoren, en die in de loop van de tijden voorvallen, en die niet vreemd zijn aan het goddelijk oordeel, moet wederom op het eind van de tijden dit alles ter beoordeling naar voren gebracht worden. Want ofschoon de mens hierdoor niet verdient of schuldig staat, draagt dit toch enigszins bij tot zijn beloning of straf. Dus moet dit alles bij het eindoordeel in schatting gebracht worden.
Ad secundum dicendum quod « Deus non judicabit bis in idipsum », idest secundum idem. Sed secundum diversa non est inconveniens Deum bis judicare.
2. « God zal niet tweemaal over hetzelfde oordeelen » d. i. onder hetzelfde opzicht. Maar er is niets tegen, dat God onder verschillend opzicht tweemaal oordeelt.2. “God zal niet tweemaal over hetzelfde oordelen” d.i. onder hetzelfde opzicht. Maar er is niets tegen, dat God onder verschillend opzicht tweemaal oordeelt.
Ad tertium dicendum quod, licet praemium vel poena corporis dependeat ex praemio vel poena animae, tamen, quia anima non est mutabilis nisi 379per accidens propter corpus, statim separata a corpore habet statum immutabilem, et accipit suum judicium. Sed corpus remanet mutabilitati subjectum usque ad finem temporis. Et ideo oportet quod tunc recipiat suum praemium vel poenam in finali judicio.
3. Hoewel de belooning of straf van het lichaam afhankelijk is van de belooning of straf van de ziel, heeft toch de ziel, 379aangezien zij niet veranderlijk is, tenzij om iets bijkomstigs: van wege het lichaam, terstond na de scheiding van het lichaam haar onveranderlijken toestand, en ontvangt zij haar oordeel. Maar het lichaam blijft onderworpen aan verandering tot aan het einde der tijden. En daarom moet het dan zijn belooning of straf ontvangen bij het eindoordeel.3. Hoewel de beloning of straf van het lichaam afhankelijk is van de beloning of straf van de ziel, heeft toch de ziel, 379aangezien zij niet veranderlijk is, tenzij om iets bijkomstigs: van wege het lichaam, terstond na de scheiding van het lichaam haar onveranderlijken toestand, en ontvangt zij haar oordeel. Maar het lichaam blijft onderworpen aan verandering tot aan het einde van de tijden. En daarom moet het dan zijn beloning of straf ontvangen bij het eindoordeel.
Utrum judiciaria potestas Christi se extendat ad angelos
Strekt de oordeelsmacht van Christus zich uit tot de engelen?
Ad sextum sic proceditur. Videtur quod potestas Christi judiciaria non se extendat ad angelos. Angeli enim, tam boni quam mali, judicati sunt a principio mundi, quando, quibusdam cadentibus per peccatum, alii sunt in beatitudine confirmati. Sed illi qui judicati sunt, non indigent iterum judicari. Ergo potestas judiciaria Christi non se extendit ad angelos.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de oordeelsmacht van Christus zich niet uitstrekt tot de engelen. — 1. De engelen immers, zoowel de goede als de kwade zijn geoordeeld van het begin van de wereld af, toen sommigen door de zonde vielen, en de anderen in de gelukzaligheid werden bevestigd. Maar zij, die geoordeeld zijn, behoeven niet opnieuw geoordeeld te worden. Dus strekt zich de oordeelsmacht van Christus niet uit tot de engelen.Bedenkingen. — Men beweert, dat de oordeelsmacht van Christus zich niet uitstrekt tot de engelen. — 1. De engelen immers, zowel de goede als de kwade zijn geoordeeld van het begin van de wereld af, toen sommigen door de zonde vielen, en de anderen in de gelukzaligheid werden bevestigd. Maar zij, die geoordeeld zijn, behoeven niet opnieuw geoordeeld te worden. Dus strekt zich de oordeelsmacht van Christus niet uit tot de engelen.
2. Praeterea, non est ejusdem judicare et judicari. Sed angeli venient cum Christo judicaturi: secundum illud Matth. 25. [v. 31]: « Cum 380venerit Filius hominis in majestate sua, et omnes angeli cum eo ». Ergo videtur quod angeli non sint judicandi a Christo.
2. Het is niet dezelfde, die oordeelt en geoordeeld wordt. De engelen echter zullen komen om met Christus te oordeelen, volgens het woord van Mattheus (25. 31) : « Als de Zoon des 380menschen zal gekomen zijn in zijn heerlijkheid, en al de engelen met Hem. » Dus zullen de engelen niet door Christus geoordeeld worden.2. Het is niet dezelfde, die oordeelt en geoordeeld wordt. De engelen echter zullen komen om met Christus te oordelen, volgens het woord van Matteüs (25, 31): “Als de 380Mensenzoon zal gekomen zijn in zijn heerlijkheid, en al de engelen met Hem.” Dus zullen de engelen niet door Christus geoordeeld worden.
3. Praeterea, angeli sunt superiores aliis creaturis. Si ergo Christus est judex non solum hominum, sed etiam angelorum, pari ratione erit judex omnium creaturarum. Quod videtur esse falsum, cum hoc sit proprium providentiae Dei: unde dicitur Job 34. [v. 13] : « Quem constituit alium super terram? Aut quem posuit super orbem quem fabricatus est? » Non ergo Christus est judex angelorum.
3. De engelen staan boven de andere schepselen. Indien Christus dus de rechter is niet alleen van de menschen, maar ook van de engelen, dan zal Hij ook om dezelfde reden rechter zijn van alle schepselen. En dit schijnt valsch te zijn, daar dit het eigene is van Gods voorzienigheid: vandaar wordt gezegd in het Boek Job (34. 13) : « Wien anders heeft Hij gesteld over de aarde, of wien heeft Hij geplaatst over de wereld, die Hij gemaakt heeft? » Dus is Christus niet de rechter der engelen.3. De engelen staan boven de andere schepselen. Indien Christus dus de rechter is niet alleen van de mensen, maar ook van de engelen, dan zal Hij ook om dezelfde reden rechter zijn van alle schepselen. En dit schijnt vals te zijn, daar dit het eigene is van Gods voorzienigheid: vandaar wordt gezegd in het Boek Job (34, 13): “Wie anders heeft Hij gesteld over de aarde, of wie heeft Hij geplaatst over de wereld, die Hij gemaakt heeft?” Dus is Christus niet de rechter van de engelen.
Sed contra est quod Apostolus dicit, 1. Cor. 6. [v. 3] : « An nescitis quoniam angelos judicabimus? » Sed sancti non judicabunt nisi auctoritate Christi. Ergo multo magis Christus habet judiciariam potestatem super angelos.
Daartegenover staat echter, dat de Apostel zegt in den Eersten Brief aan de Corinthiërs (6. 3) : « Of weet gij niet, dat wij de engelen zullen oordeelen? » De heiligen echter oordeelen niet tenzij op gezag van Christus. Dus veeleer nog heeft Christus de oordeelsmacht over de engelen.Daartegenover staat echter, dat de Apostel zegt in de Eerste Brief aan de Korintiërs (6, 3): “Of weet gij niet, dat wij de engelen zullen oordelen?” De heiligen echter oordelen niet tenzij op gezag van Christus. Dus veeleer nog heeft Christus de oordeelsmacht over de engelen.
Respondeo dicendum quod angeli subsunt judiciariae potestati Christi, non solum quantum ad divinam naturam, prout est Verbum Dei, sed etiam ratione humanae naturae. Quod patet ex tribus. Primo quidem, ex 381propinquitate naturae assumptae ad Deum: quia, ut dicitur Heb. 2. [v. 16]: « Nusquam angelos apprehendit, sed semen Abrahae apprehendit ». Et ideo anima Christi magis est repleta virtute Verbi Dei quam aliquis angelorum. Unde et angelos illuminat: sicut Dionysius dicit, 7. cap. Coel. Hier. Unde de eis habet judicare. Secundo, quia per humilitatem passionis humana natura in Christo meruit exaltari super angelos: ita sicut dicitur Philip. 2. [v. 10] : « Ut in nomine Jesu omne genu flectatur, coelestium, terrestrium et infernorum ». Et ideo Christus habet judiciariam potestatem etiam super omnes angelos et bonos et malos. In cujus signum dicitur, Apoc. 7. [v. 11], quod « omnes angeli stabant in circuitu throni ». Tertio, ratione eorum quae circa homines operantur, quorum Christus speciali quodam modo est caput. Unde dicitur Heb. 1. [v. 14]: « Omnes sunt administratorii spiritus, in ministerium missi propter eos qui haereditatem capiunt salutis ». Subsunt autem judicio Christi, uno quidem modo, 382quantum ad dispensationem eorum quae per ipsos aguntur. Quae quidem dispensatio fit etiam per hominem Christum: cui « angeli ministrabant », ut dicitur Matth. 4. [v. 11]; et a quo daemones petebant ut in porcos mitterentur, ut dicitur Matth. 8. [v. 31]. Secundo, quantum ad alia accidentalia praemia bonorum angelorum, quae sunt gaudia quae habent de salute hominum, secundum illud Luc. 15. [v. 10]: « Gaudium erit coram angelis Dei super uno peccatore poenitentiam agente ». Et etiam quantum ad poenas accidentales daemonum, quibus torquentur vel hic, vel recluduntur in inferno. Et hoc etiam pertinet ad hominem Christum. Unde Marc. 1. [v. 24] dicitur quod daemon clamavit: « Quid nobis et tibi, Jesu. Nazarene? Venisti ante tempus perdere nos? » Tertio quantum ad praemium essentiale bonorum angelorum, quod est beatitudo aeterna: et quantum ad poenam essentialem angelorum malorum, quae est damnatio aeterna. Sed hoc factum est per Christum inquantum est Verbum Dei, a principio mundi.
Leerstelling. — De engelen zijn onderworpen aan de oordeelsmacht van Christus, niet alleen omdat Hij God is, in zoover Hij het Woord Gods is, maar ook omdat Hij mensch is. En dit blijkt uit drie punten. — Vooreerst uit de nauwe 381verbondenheid van de aangenomen natuur met God, aangezien Hij, zooals gezegd wordt in den Brief aan de Hebreën (2. 16), « nooit engelen heeft aangenomen, maar het zaad van Abraham heeft aanvaard. » En daarom is de ziel van Christus meer van de kracht van het Woord Gods vervuld, dan een der engelen. Vandaar dat zij ook de engelen verlicht, zooals Dionysius zegt. Dus heeft Hij ook over hen macht om te oordeelen. — Ten tweede, omdat door de vernedering van het lijden de menschelijke natuur in Christus verdiende verheven te worden boven de engelen; zóó, dat, zooals gezegd wordt in den Brief aan de Philippensen (2. 10), « in den naam van Jesus alle knie zich buige, van hen, die in den hemel, op de aarde en onder de aarde zijn. » En derhalve heeft Christus de oordeelsmacht ook over alle engelen, de goede en de kwade. En als teeken hiervan wordt in het Boek der Openbaring (7. 11) gezegd, dat « alle engelen rondom zijn troon stonden. » — Ten derde, om die dingen, welke zij met betrekking tot de menschen verrichten, van wie Christus op bijzondere wijze het hoofd is. Daarom wordt in den Brief aan de Hebreën (1. 14) gezegd: « Allen zijn dienende geesten, gezonden ten dienste van hen, die de erfenis des heils ontvangen. » Zij zijn nu onderworpen aan het oordeel van Christus, vooreerst wat betreft de schikking van 382wat door hen gedaan wordt. Hierover beschikt ook de mensch Christus, wien de engelen dienen, zooals staat bij Mattheus (4. 11); en aan wien de duivelen vroegen, om in de zwijnen gezonden te worden, zooals gezegd wordt bij Mattheus (8. 31). Op de tweede plaats met betrekking tot de andere bijkomstige belooningen der goede engelen, als daar zijn de vreugden, die zij hebben over het heil der menschen, volgens het gezegde in Lucas (15. 10) : « Er zal vreugde heerschen bij de engelen Gods over een zondaar, die boete doet. » En ook met betrekking tot de bijkomstige straffen des duivels, waarmee zij hier gekweld worden, ofwel in de hel worden opgesloten. En ook dit komt toe aan den mensch Christus. Vandaar wordt bij Marcus (1. 24) gezegd, dat de duivel riep: « Wat is er tusschen ons en U, Jesus van Nazareth? Zijt Gij gekomen om ons vóór den tijd te verderven? » — Op de derde plaats met betrekking tot de wezenlijke belooning der goede engelen, welke de eeuwige gelukzaligheid is, en tot de wezenlijke straf der slechte engelen, welke de eeuwige verwerping is. Maar dit is gebeurd door Christus, in zoover Hij het Woord Gods is, bij het begin van de wereld.Leerstelling. — De engelen zijn onderworpen aan de oordeelsmacht van Christus, niet alleen omdat Hij God is, in zover Hij het Woord Gods is, maar ook omdat Hij mens is. En dit blijkt uit drie punten. — Vooreerst uit de nauwe 381verbondenheid van de aangenomen natuur met God, aangezien Hij, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Hebreën (2, 16), “nooit engelen heeft aangenomen, maar het zaad van Abraham heeft aanvaard.” En daarom is de ziel van Christus meer van de kracht van het Woord Gods vervuld, dan een van de engelen. Vandaar dat zij ook de engelen verlicht, zoals Dionysius zegt. Dus heeft Hij ook over hen macht om te oordelen. — Ten tweede, omdat door de vernedering van het lijden de menselijke natuur in Christus verdiende verheven te worden boven de engelen; zó, dat, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Filippenzen (2, 10), “in de naam van Jesus alle knie zich buige, van hen, die in de hemel, op de aarde en onder de aarde zijn.” En derhalve heeft Christus de oordeelsmacht ook over alle engelen, de goede en de kwade. En als teken hiervan wordt in het Boek van de Openbaring (7, 11) gezegd, dat “alle engelen rondom zijn troon stonden.” — Ten derde, om die dingen, welke zij met betrekking tot de mensen verrichten, van wie Christus op bijzondere wijze het hoofd is. Daarom wordt in de Brief aan de Hebreën (1, 14) gezegd: “Allen zijn dienende geesten, gezonden ten dienste van hen, die de erfenis van het heil ontvangen.” Zij zijn nu onderworpen aan het oordeel van Christus, vooreerst wat betreft de schikking van 382wat door hen gedaan wordt. Hierover beschikt ook de mens Christus, wie de engelen dienen, zoals staat bij Matteüs (4, 11); en aan wie de duivelen vroegen, om in de zwijnen gezonden te worden, zoals gezegd wordt bij Matteüs (8, 31). Op de tweede plaats met betrekking tot de andere bijkomstige beloningen van de goede engelen, als daar zijn de vreugden, die zij hebben over het heil van de mensen, volgens het gezegde in Lukas (15, 10): “Er zal vreugde heersen bij de engelen Gods over een zondaar, die boete doet.” En ook met betrekking tot de bijkomstige straffen van de duivel, waarmee zij hier gekweld worden, ofwel in de hel worden opgesloten. En ook dit komt toe aan de mens Christus. Vandaar wordt bij Marcus (1, 24) gezegd, dat de duivel riep: “Wat is er tussen ons en U, Jesus van Nazareth? Zijt Gij gekomen om ons vóór de tijd te verderven?” — Op de derde plaats met betrekking tot de wezenlijke beloning van de goede engelen, welke de eeuwige gelukzaligheid is, en tot de wezenlijke straf van de slechte engelen, welke de eeuwige verwerping is. Maar dit is gebeurd door Christus, in zover Hij het Woord Gods is, bij het begin van de wereld.
383Ad primum ergo dicendum quod ratio illa procedit de judicio quantum ad praemium essentiale et poenam principalem.
383Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Die redeneering gaat uit van het oordeel, dat de wezenlijke belooning en de voornaamste straf betreft.383Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Die redenering gaat uit van het oordeel, dat de wezenlijke beloning en de voornaamste straf betreft.
Ad secundum dicendum quod, sicut dicit Augustinus in lib. de Vera Relig. [cap. 31.], licet « spiritualis judicet omnia », tamen judicatur ab ipsa veritate. Et ideo, licet angeli, ex eo quod sunt spirituales, judicent, judicantur tamen a Christo, inquantum est Veritas.
2. Zooals Augustinus zegt, wordt de geestelijke mensch, ofschoon « hij over alles oordeelt, » toch geoordeeld door de Waarheid zelf. En daarom worden de engelen, ofschoon zij om het feit, dat zij geestelijk zijn, oordeelen, toch door Christus geoordeeld, in zoover Hij de Waarheid is.2. Zoals Augustinus zegt, wordt de geestelijke mens, ofschoon “hij over alles oordeelt,” toch geoordeeld door de Waarheid zelf. En daarom worden de engelen, ofschoon zij om het feit, dat zij geestelijk zijn, oordelen, toch door Christus geoordeeld, in zover Hij de Waarheid is.
Ad tertium dicendum quod Christus habet judicium non solum super angelos, sed etiam super administrationem totius creaturae. Si enim, ut Augustinus dicit, in 3. de Trin. [cap. 4.], inferiora quodam ordine reguntur a Deo per superiora, oportet dicere quod omnia reguntur per animam Christi, quae est supra omnem creaturam. Unde et Apostolus dicit, Heb. 2. [v. 5] : « Non enim angelis subjecit Deus orbem terrae futurum », scilicet « subjectum ei de quo loquimur, idest Christo ». Nec tamen propter hoc alium constituit Deus super terram. Quia unus et idem est Deus et homo Dominus Jesus Christus. De cujus incarnationis mysterio ad praesens dicta sufficiant.
3. Christus heeft niet alleen het oordeel over de engelen, maar ook over het bestel van geheel de schepping. Want indien, zooals Augustinus zegt, het lagere volgens een zekere orde door God bestuurd wordt door middel van het hoogere, dan moet men zeggen, dat alles wordt bestuurd door de ziel van Christus, die boven alle schepsel staat. Vandaar zegt de Apostel in den Brief aan de Hebreën (2. 5) : « God heeft immers niet aan de engelen de toekomstige wereld onderworpen, die nl. onderworpen is aan Hem, over wien wij spreken, d. i. aan Christus. » En toch heeft God daarom geen ander aangesteld over de aarde, daar een en dezelfde God is en mensch, de Heer Jesus Christus. Over het mysterie van zijn menschwording is voor het oogenblik voldoende gezegd.3. Christus heeft niet alleen het oordeel over de engelen, maar ook over het bestel van geheel de schepping. Want indien, zoals Augustinus zegt, het lagere volgens een zekere orde door God bestuurd wordt door middel van het hogere, dan moet men zeggen, dat alles wordt bestuurd door de ziel van Christus, die boven alle schepsel staat. Vandaar zegt de Apostel in de Brief aan de Hebreën (2, 5): “God heeft immers niet aan de engelen de toekomstige wereld onderworpen, die nl. onderworpen is aan Hem, over wie wij spreken, d.i. aan Christus.” En toch heeft God daarom geen ander aangesteld over de aarde, daar een en dezelfde God is en mens, de Heer Jesus Christus. Over het mysterie van zijn menswording is voor het ogenblik voldoende gezegd.