De ascensione Christi, in sex articulos divisa
Over de hemelvaart van Christus
311Deinde considerandum est de ascensione Christi. Et circa hoc quaeruntur sex: 1. Utrum fuerit conveniens Christum ascendere. — 2. Secundum quam naturam conveniat sibi ascensio. — 3. Utrum propria virtute ascenderit. — 4. Utrum ascenderit super omnes coelos corporeos. — 5. Utrum ascenderit super omnes spirituales creaturas. — 6. De effectu ascensionis.
311Vervolgens moeten wij de hemelvaart van Christus beschouwen, en hieromtrent stellen wij zes vragen : 1. Was het passend, dat Christus opsteeg? 2. Volgens welke natuur kwam het Hem toe, om op te stijgen? 3. Steeg Hij op uit eigen kracht? 4. Steeg Hij op boven alle stoffelijke hemelen? 5. Steeg Hij op boven alle geestelijke schepselen? 6. Over het effect van de hemelvaart.311Vervolgens moeten wij de hemelvaart van Christus beschouwen, en hieromtrent stellen wij zes vragen: 1. Was het passend, dat Christus opsteeg? 2. Volgens welke natuur kwam het Hem toe, om op te stijgen? 3. Steeg Hij op uit eigen kracht? 4. Steeg Hij op boven alle stoffelijke hemelen? 5. Steeg Hij op boven alle geestelijke schepselen? 6. Over het effect van de hemelvaart.
Utrum fuerit conveniens Christum ascendere
Was het passend, dat Christus opsteeg?
312Ad primum sic proceditur. Videtur quod non fuerit conveniens Christum ascendere. Dicit enim Philosophus, in 2. de Coelo [cap. 12. n. 4. ss. St. Thom. lect. 18.], quod « illa quae optimo modo se habent, possident suum bonum sine motu ». Sed Christus optime se habuit: quia et secundum divinam naturam est summum bonum; et secundum humanam naturam est summe glorificatus. Ergo suum bonum habet sine motu. Sed ascensio est quidem motus. Ergo non fuit conveniens, quod Christus ascenderet.
312Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet passend was, dat Christus opsteeg. — 1. De Wijsgeer immers zegt, dat « in hun besten toestand, de dingen hun goed bezitten zonder beweging. » Christus nu was in den besten toestand, daar Hij volgens zijn goddelijke natuur het hoogste goed is en naar zijn menschelijke natuur het hoogst verheerlijkt was. Dus bezit Hij zijn goed zonder beweging. De opstijging echter is een beweging. Dus was het niet passend, dat Christus opsteeg.312Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet passend was, dat Christus opsteeg. — 1. De Wijsgeer immers zegt, dat “in hun besten toestand, de dingen hun goed bezitten zonder beweging.” Christus nu was in de beste toestand, daar Hij volgens zijn goddelijke natuur het hoogste goed is en naar zijn menselijke natuur het hoogst verheerlijkt was. Dus bezit Hij zijn goed zonder beweging. De opstijging echter is een beweging. Dus was het niet passend, dat Christus opsteeg.
2. Praeterea, omne quod movetur, movetur propter aliquid melius. Sed Christo non fuit melius esse in coelo quam in terra: nihil enim accrevit sibi per hoc quod fuit in coelo, neque quantum ad animam neque quantum ad corpus. Ergo videtur quod Christus non debuerit in coelum ascendere.
2. Alles, wat bewogen wordt, wordt om iets beters bewogen. Maar in den hemel te zijn, was voor Christus niet beter, dan op de aarde te zijn: Hij won er immers niets bij door het feit, dat Hij in den hemel was, noch naar ziel, noch naar lichaam. Dus moest Christus niet opstijgen ten hemel.2. Alles, wat bewogen wordt, wordt om iets beters bewogen. Maar in de hemel te zijn, was voor Christus niet beter, dan op de aarde te zijn: Hij won er immers niets bij door het feit, dat Hij in de hemel was, noch naar ziel, noch naar lichaam. Dus moest Christus niet opstijgen ten hemel.
3. Praeterea, Filius Dei humanam naturam assumpsit ad nostram salutem. Sed magis fuisset salutare hominibus quod semper conversaretur 313nobiscum in terris: unde ipse dixit discipulis suis Luc. 17. [v. 22] : « Venient dies quando desideratis videre unum diem Filii hominis, et non videbitis ». Videtur ergo quod non fuerit conveniens Christum ascendere in coelum.
3. De Zoon Gods nam de menschelijke natuur aan tot ons heil. Het zou echter heilzamer voor de menschen geweest zijn, als 313Hij altijd met ons omging op aarde; daarom zeide Hij ook tot zijn leerlingen bij Lucas (17. 22) : « Er zullen dagen komen, dat gij verlangt één dag van den Zoon des menschen te zien, en gij zult Hem niet zien ». Het was dus niet behoorlijk, dat Christus ten hemel opsteeg.3. De Zoon Gods nam de menselijke natuur aan tot ons heil. Het zou echter heilzamer voor de mensen geweest zijn, als 313Hij altijd met ons omging op aarde; daarom zeide Hij ook tot zijn leerlingen bij Lukas (17, 22): “Er zullen dagen komen, dat gij verlangt één dag van de Mensenzoon te zien, en gij zult Hem niet zien”. Het was dus niet behoorlijk, dat Christus ten hemel opsteeg.
4. Praeterea, sicut Gregorius dicit 14. Moral. [cap. 29.], corpus Christi in nullo mutatum fuit post resurrectionem. Sed non immediate post resurrectionem ascendit in coelum: quia ipse dicit post resurrectionem Joan. 20. [v. 17] : « Nondum ascendi ad Patrem meum ». Ergo videtur quod nec post quadraginta dies ascendere debuerit.
4. Zooals Gregorius zegt, was het lichaam van Christus na zijn verrijzenis in geen enkel opzicht veranderd. Hij steeg echter niet onmiddellijk na zijn verrijzenis op ten hemel, daar Hij zelf zegt na zijn verrijzenis bij Joannes (20. 17) : « Ik ben nog niet tot Mijn Vader opgestegen ». Dus moest Hij ook niet na veertig dagen opstijgen.4. Zoals Gregorius zegt, was het lichaam van Christus na zijn verrijzenis in geen enkel opzicht veranderd. Hij steeg echter niet onmiddellijk na zijn verrijzenis op ten hemel, daar Hij zelf zegt na zijn verrijzenis bij Johannes (20, 17): “Ik ben nog niet tot Mijn Vader opgestegen”. Dus moest Hij ook niet na veertig dagen opstijgen.
Sed contra est quod Dominus dicit Joan. 20. [v. 17] : « Ascendo ad Patrem meum, et Patrem vestrum ».
Daartegenover staat echter, dat de Heer bij Joannes (20. 17) zegt: « Ik stijg op tot Mijn Vader en tot uw Vader. »Daartegenover staat echter, dat de Heer bij Johannes (20, 17) zegt: “Ik stijg op tot Mijn Vader en tot uw Vader.”
Respondeo dicendum quod locus debet esse proportionatus locato. Christus autem post1 resurrectionem vitam immortalem et incorruptibilem inchoavit. Locus autem in quo nos habitamus, est locus generationis et corruptionis: sed locus coelestis est locus incorruptionis. Et ideo non fuit 314conveniens quod Christus post resurrectionem remaneret in terris, sed conveniens fuit quod ascenderet in coelum.
Leerstelling. — De plaats moet aangepast zijn aan het geplaatste. Door zijn verrijzenis nu begon Christus een onsterfelijk en onbederfelijk leven. De plaats echter, waarin wij wonen is een plaats van voortbrenging en van bederf; maar de hemelplaats is een plaats van onbederfelijkheid. En daarom was het niet passend, 314dat Christus na zijn verrijzenis op aarde bleef; maar het was passend, dat Hij ten hemel opsteeg.
Ad primum ergo dicendum quod illud optime se habens quod sine motu possidet suum bonum, est ipse Deus, quia est omnino immutabilis, secundum illud Malach. 3. [v. 6] : « Ego Dominus, et non mutor ». Quaelibet autem creatura est mutabilis aliquo modo: ut patet per Augustinum 8. super Gen. ad literam [cap. 14.]. Et quia natura assumpta a Filio Dei remansit creatura, ut patet ex his quae supra dicta sunt [q. 2. art. 7.], non est inconveniens si ei aliquis motus attribuatur.
Antwoord op de Bedenkingen. — Datgene, wat in den besten toestand, zonder beweging zijn goed bezit, is God zelf, daar Hij totaal onveranderlijk is, volgens het woord van Malachias (3. 6) : « Ik ben de Heer, en Ik verander niet ». Ieder schepsel echter is op een of andere wijze veranderlijk, zooals uit Augustinus blijkt. En daar de door Gods Zoon aangenomen natuur een schepsel bleef, zooals blijkt uit het bovengezegde (2e Kw. 7e Art.), is het niet onbehoorlijk, daaraan een of andere beweging toe te kennen.Antwoord op de Bedenkingen. — Datgene, wat in de beste toestand, zonder beweging zijn goed bezit, is God zelf, daar Hij totaal onveranderlijk is, volgens het woord van Maleachi (3, 6): “Ik ben de Heer, en Ik verander niet”. Ieder schepsel echter is op een of andere wijze veranderlijk, zoals uit Augustinus blijkt. En daar de door Gods Zoon aangenomen natuur een schepsel bleef, zoals blijkt uit het bovengezegde (2e Kw. 7e Art.), is het niet onbehoorlijk, daaraan een of andere beweging toe te kennen.
Ad secundum dicendum quod per hoc quod Christus ascendit in coelum, nihil ei accrevit quantum ad ea quae sunt de essentia gloriae, sive secundum corpus sive secundum animam: tamen accrevit ei aliquid quantum ad loci decentiam, quod est ad bene esse gloriae. Non quod corpus ejus aliquid aut perfectionis aut conservationis acquireret ex corpore coelesti: sed solummodo propter quandam decentiam. Hoc autem aliquo modo pertinebat ad ejus gloriam. Et de hac decentia gaudium quoddam habuit: non quidem quod tunc de novo de hoc gaudere inciperet quando in coelum ascendit; 315sed quia novo modo de hoc gavisus est, sicut de re impleta. Unde super illud Ps. 15. [v. 10] : « Delectationes in dextera tua usque in finem », dicit Glossa [ord. implic.] : « Delectatio et laetitia erit mihi in consessu tuo humanis obtutibus subtracto ».
2. Doordat Christus naar den hemel steeg, kreeg Hij er niets bij, van wat tot het wezen der glorie behoort, noch naar het lichaam, noch naar de ziel; maar Hij kreeg er iets bij wat betreft de passende plaats, wat betrekking heeft op het goed-zijn der glorie. Niet dat zijn lichaam door een hemellichaam op een of andere wijze werd vervolmaakt of bestendigd: maar alleen, omdat het zoo paste. Dit nu behoorde in zekeren zin bij zijn glorie. En over dit passende had Hij een zekere vreugde; niet, alsof Hij er zich toen voor het eerst over begon te verheugen, toen Hij naar 315den hemel opsteeg. Maar Hij verheugde er zich over op een nieuwe wijze, als over iets, dat in vervulling gegaan is. Vandaar dat bij het gezegde in het Boek der Psalmen (15. 10) : « Het vermaak ligt in uw rechterhand tot aan het einde, » de Glossa zegt: « Vermaak en vreugde zullen mij gegeven worden, wanneer ik samen zit met u, onttrokken aan de blikken der menschen. »2. Doordat Christus naar de hemel steeg, kreeg Hij er niets bij, van wat tot het wezen van de glorie behoort, noch naar het lichaam, noch naar de ziel; maar Hij kreeg er iets bij wat betreft de passende plaats, wat betrekking heeft op het goed-zijn van de glorie. Niet dat zijn lichaam door een hemellichaam op een of andere wijze werd vervolmaakt of bestendigd: maar alleen, omdat het zo paste. Dit nu behoorde in zekeren zin bij zijn glorie. En over dit passende had Hij een zekere vreugde; niet, alsof Hij er zich toen voor het eerst over begon te verheugen, toen Hij naar 315de hemel opsteeg. Maar Hij verheugde er zich over op een nieuwe wijze, als over iets, dat in vervulling gegaan is. Vandaar dat bij het gezegde in het Boek van de Psalmen (15, 10)a: “Het vermaak ligt in uw rechterhand tot aan het einde,” de Glossa zegt: “Vermaak en vreugde zullen mij gegeven worden, wanneer ik samen zit met u, onttrokken aan de blikken van de mensen.”
Ad tertium dicendum quod, licet praesentia corporalis Christi fuerit subtracta fidelibus per ascensionem, praesentia tamen divinitatis ipsius semper adest fidelibus: secundum quod ipse dicit Matth. ult. [v. 20] : « Ecce, ego vobiscum sum omnibus diebus usque ad consummationem saeculi ». Qui enim « ascendit in coelos, non deserit adoptatos », ut Leo Papa dicit [serm. 2. de Resurrect. cap. 3.]. Sed ipsa ascensio Christi in coelum, qua corporalem suam praesentiam nobis subtraxit, magis fuit utilis nobis quam praesentia corporalis fuisset. Primo quidem propter fidei augmentum, quae est de non visis. Unde ipse Dominus dicit discipulis suis, Joan. 16. [v. 8], quod Spiritus Sanctus adveniens « arguet mundum de justitia », scilicet « eorum qui credunt », ut Augustinus dicit super Joan. [tract. 95.] : « ipsa quippe fidelium comparatio infidelium est 316vituperatio ». Unde subdit [v. 10] : « Quia ad Patrem vado, et jam non videbitis me: beati enim qui non vident, et credunt. Erit igitur vestra justitia de qua mundus arguetur: quoniam in me, quem non videbitis, credetis ». Secundo, ad spei sublevationem. Unde ipse dicit Joan. 14. [v. 3] : « Si abiero et praeparavero vobis locum, iterum veniam, et accipiam vos ad meipsum, ut ubi ego sum, et vos sitis ». Per hoc enim quod Christus humanam naturam assumptam in coelo collocavit, dedit nobis spem illuc perveniendi: quia « ubi fuerit corpus, illuc congregabuntur et aquilae », ut dicitur Matth. 24. [v. 28]. Unde et Mich. 2. [v. 13] dicitur: « Ascendit pandens iter ante vos ». Tertio, ad erigendum charitatis affectum in coelestia. Unde dicit Apostolus, Coloss. 3. [v. 1 et 2] : « Quae sursum sunt quaerite, ubi Christus est in dextera Dei sedens: quae sursum sunt sapite, non quae super terram ». Ut enim dicitur Matth. 6. [v. 21] : « Ubi est thesaurus, ibi est et cor tuum ». Et quia Spiritus Sanctus est amor nos in coelestia rapiens, ideo Dominus dicit discipulis, Joan. 16. [v. 7] : « Expedit vobis ut ego vadam. Si enim non abiero, Paracletus 317non veniet ad vos: si autem abiero, mittam eum ad vos ». Quod exponens Augustinus, super Joan. [tract. 94.] dicit: « Non potestis capere Spiritum quamdiu secundum carnem persistitis nosse Christum. Christo autem discedente corporaliter, non solum Spiritus Sanctus, sed et Pater et Filius illis affuit spiritaliter ».
3. Ofschoon de lichamelijke tegenwoordigheid van Christus door de hemelvaart aan de geloovigen werd onttrokken, is Hij toch door de tegenwoordigheid van zijn Godheid altijd bij de geloovigen aanwezig, zooals Hijzelf zegt bij Mattheus (28. 20) : « Ziet Ik ben met u al de dagen tot aan het einde der wereld. » Hij immers, die « naar den hemel opsteeg, verliet de aangenomenen niet, » zooals paus Leo zegt. Maar Christus' opstijging zelf naar den hemel, waardoor Hij ons zijn lichamelijke tegenwoordigheid onttrok, was ons meer nuttig, dan zijn lichamelijke tegenwoordigheid zou geweest zijn. — Vooreerst nl. tot vermeerdering van het geloof, dat gaat over het ongeziene. Vandaar dat bij Joannes (16. 8) de Heer zelf tot zijn leerlingen zegt, dat de H. Geest bij zijn komst « de wereld zal overtuigen van gerechtigheid », nl. « van hen, die gelooven, » zooals Augustinus zegt, « want de vergelijking zelf van de geloovigen met de ongeloovigen houdt een berisping in ». 316Daarom laat Hij volgen (v. 10) : « Want Ik ga tot den Vader en gij zult Mij niet meer zien; zalig immers, die niet zien en toch gelooven. Het zal derhalve uwe gerechtigheid zijn, waarvan de wereld overtuigd zal worden, daar gij in Mij zult gelooven, dien gij niet zien zult. » — Ten tweede, tot opwekking van de hoop. Daarom zegt Hij zelf bij Joannes (14. 3) : « Als Ik zal zijn heengegaan en u een plaats zal hebben bereid, zal Ik weer komen en u bij Mij nemen, opdat waar Ik ben, ook gij zijn moogt. » Want doordat Christus zijn aangenomen menschelijke natuur in den hemel bracht, stortte Hij ons de hoop in, om daar te komen; aangezien « daar waar het lichaam was, zich ook de arenden zullen verzamelen, » zooals gezegd wordt bij Mattheus (24. 28). Vandaar dat ook Micheas (2. 13) zegt: « Hij steeg op, een weg voor u bereidend. » — Ten derde, om onze liefde op het hemelsche te richten. Daarom zegt de Apostel in den Brief aan de Colossensen (3. 1, 2) : « Zoekt wat boven u is, waar Christus is, zittend aan Gods rechterhand; hebt smaak in de dingen, die boven u zijn, niet in die op aarde zijn. » Zooals immers gezegd wordt bij Mattheus (6. 21), « is uw hart daar, waar ook uw schat is. » En daar de H. Geest de liefde is, die ons naar het hemelsche trekt, daarom zegt de Heer aan zijn leerlingen bij Joannes (16. 7) : « Het is u nuttig, dat Ik heenga. Want indien Ik niet heenga dan zal de Vertrooster 317niet tot u komen; als Ik echter zal heengegaan zijn, zal Ik Hem tot u zenden. » En in zijn uitleg hiervan zegt Augustinus : « Gij kunt den Geest niet ontvangen, zoolang gij er bij blijft Christus naar het vleesch te kennen. Toen Christus hen echter lichamelijk verliet, was niet alleen de H. Geest, maar ook de Vader en de Zoon op geestelijke wijze hun nabij. »3. Ofschoon de lichamelijke tegenwoordigheid van Christus door de hemelvaart aan de gelovigen werd onttrokken, is Hij toch door de tegenwoordigheid van zijn Godheid altijd bij de gelovigen aanwezig, zoals Hijzelf zegt bij Matteüs (28, 20): “Ziet Ik ben met u al de dagen tot aan het einde van de wereld.” Hij immers, die “naar de hemel opsteeg, verliet de aangenomenen niet,” zoals paus Leo zegt. Maar Christus' opstijging zelf naar de hemel, waardoor Hij ons zijn lichamelijke tegenwoordigheid onttrok, was ons meer nuttig, dan zijn lichamelijke tegenwoordigheid zou geweest zijn. — Vooreerst nl. tot vermeerdering van het geloof, dat gaat over het ongeziene. Vandaar dat bij Johannes (16, 8) de Heer zelf tot zijn leerlingen zegt, dat de H. Geest bij zijn komst “de wereld zal overtuigen van gerechtigheid”, nl. “van hen, die geloven,” zoals Augustinus zegt, “want de vergelijking zelf van de gelovigen met de ongelovigen houdt een berisping in”. 316Daarom laat Hij volgen (v. 10): “Want Ik ga tot de Vader en gij zult Mij niet meer zien; zalig immers, die niet zien en toch geloven. Het zal derhalve uw gerechtigheid zijn, waarvan de wereld overtuigd zal worden, daar gij in Mij zult geloven, die gij niet zien zult.” — Ten tweede, tot opwekking van de hoop. Daarom zegt Hij zelf bij Johannes (14, 3): “Als Ik zal zijn heengegaan en u een plaats zal hebben bereid, zal Ik weer komen en u bij Mij nemen, opdat waar Ik ben, ook gij zijn moogt.” Want doordat Christus zijn aangenomen menselijke natuur in de hemel bracht, stortte Hij ons de hoop in, om daar te komen; aangezien “daar waar het lichaam was, zich ook de arenden zullen verzamelen,” zoals gezegd wordt bij Matteüs (24, 28). Vandaar dat ook Micheas (2, 13) zegt: “Hij steeg op, een weg voor u bereidend.” — Ten derde, om onze liefde op het hemelse te richten. Daarom zegt de Apostel in de Brief aan de Colossensen (3, 1, 2): “Zoekt wat boven u is, waar Christus is, zittend aan Gods rechterhand; hebt smaak in de dingen, die boven u zijn, niet in die op aarde zijn.” Zoals immers gezegd wordt bij Matteüs (6, 21), “is uw hart daar, waar ook uw schat is.” En daar de H. Geest de liefde is, die ons naar het hemelse trekt, daarom zegt de Heer aan zijn leerlingen bij Johannes (16, 7): “Het is u nuttig, dat Ik heenga. Want indien Ik niet heenga dan zal de Vertrooster 317niet tot u komen; als Ik echter zal heengegaan zijn, zal Ik Hem tot u zenden.” En in zijn uitleg hiervan zegt Augustinus: “Gij kunt de Geest niet ontvangen, zolang gij er bij blijft Christus naar het vlees te kennen. Toen Christus hen echter lichamelijk verliet, was niet alleen de H. Geest, maar ook de Vader en de Zoon op geestelijke wijze hun nabij.”
Ad quartum dicendum quod, licet Christo resurgenti in vitam immortalem congrueret locus coelestis, tamen ascensionem distulit, ut veritas resurrectionis comprobaretur. Unde dicitur Act. 1. [v. 3] quod « post passionem suam praebuit seipsum vivum discipulis in multis argumentis per dies quadraginta », ubi dicit quaedam Glossa [ordin.], quod, « quia per quadraginta horas mortuus fuerat, quadraginta diebus se vivere confirmat. Vel per quadraginta dies tempus praesentis saeculi, quo Christus in Ecclesia conversatur, potest intelligi: quia homo constat ex quatuor elementis, et eruditur contra transgressionem decalogi ».
4. Ofschoon de hemel-plaats Christus, die tot een onsterfelijk leven verrees, zou passen, stelde Hij toch zijn hemelvaart uit, om de echtheid van zijn verrijzenis te bewijzen. Daarom wordt gezegd in de Handelingen der Apostelen (1. 3), dat « Hij na zijn lijden zich door vele bewijzen levend toonde aan zijn leerlingen, gedurende veertig dagen », waarbij de Glossa zegt, « dat Hij gedurende veertig dagen bevestigt, dat Hij leeft, wijl Hij veertig uur lang dood was. Of ook kan men in de veertig dagen een beeld zien van dezen tegenwoordigen tijd, waarin Christus in de Kerk verblijft: omdat de mensch bestaat uit vier elementen en opgevoed wordt tegen de overtreding van de tien geboden. »4. Ofschoon de hemel-plaats Christus, die tot een onsterfelijk leven verrees, zou passen, stelde Hij toch zijn hemelvaart uit, om de echtheid van zijn verrijzenis te bewijzen. Daarom wordt gezegd in de Handelingen van de Apostelen (1, 3), dat “Hij na zijn lijden zich door vele bewijzen levend toonde aan zijn leerlingen, gedurende veertig dagen”, waarbij de Glossa zegt, “dat Hij gedurende veertig dagen bevestigt, dat Hij leeft, wijl Hij veertig uur lang dood was. Of ook kan men in de veertig dagen een beeld zien van deze tegenwoordige tijd, waarin Christus in de Kerk verblijft: omdat de mens bestaat uit vier elementen en opgevoed wordt tegen de overtreding van de tien geboden.”
Utrum convenerit Christo ascendere in coelum secundum divinam naturam
Kwam het Christus naar zijn goddelijke natuur toe ten hemel op te stijgen?
318Ad secundum sic proceditur. Videtur quod ascendere in coelum convenerit Christo secundum divinam naturam. Dicitur enim Psal. 46. [v. 6] : « Ascendit Deus in jubilatione » ; et Deuter. 33. [v. 26] : « Ascensor coeli, auxiliator tuus ». Sed ista dicuntur de Deo etiam ante Christi incarnationem. Ergo Christo convenit ascendere in coelum secundum quod Deus.
318Bedenkingen. — Men beweert, dat het Christus naar zijn goddelijke natuur toekwam ten hemel op te stijgen. — 1. In het Boek der Psalmen (46. 6) immers wordt gezegd: « God stijgt ten troon met jubelzang; » en in het Boek Deuteronomium (33. 26) : « Die opstijgt ten hemel, is uw helper ». Deze dingen echter worden van God gezegd ook vóór de menschwording van Christus. Dus aan Christus komt het toe ten hemel op te stijgen, in zoover Hij God is.318Bedenkingen. — Men beweert, dat het Christus naar zijn goddelijke natuur toekwam ten hemel op te stijgen. — 1. In het Boek van de Psalmen (46, 6)a immers wordt gezegd: “God stijgt ten troon met jubelzang;” en in het Boek Deuteronomium (33, 26): “Die opstijgt ten hemel, is uw helper”. Deze dingen echter worden van God gezegd ook vóór de menswording van Christus. Dus aan Christus komt het toe ten hemel op te stijgen, in zover Hij God is.
2. Praeterea, ejusdem est ascendere in coelum cujus est descendere de coelo: secundum illud Joan. 3. [v. 13] : « Nemo ascendit in coelum nisi qui de coelo descendit » ; et Ephes. 4. [v. 10] : « Qui descendit, ipse est et qui ascendit ». Sed Christus descendit de coelo, non secundum quod homo, sed secundum quod Deus: non enim humana ejus natura 319ante in coelo fuerat, sed divina. Ergo videtur, quod Christus ascenderit in coelum secundum quod Deus.
2. Aan Hem komt het toe ten hemel op te stijgen, wien het toekomt van den hemel neer te dalen, volgens het gezegde bij Joannes (3. 13) : « Niemand stijgt op ten hemel tenzij, die van den hemel nederdaalt, » en in den Brief aan de Ephesiërs (4. 10) : « Die nederdaalt, dat is ook Hij, die opstijgt. » Christus nu daalde af van den hemel, niet in zoover Hij mensch is, maar 319als God; zijn menschelijke natuur immers was te voren niet in den hemel, maar zijn goddelijke. Dus steeg Christus op ten hemel in zooverre Hij God is.2. Aan Hem komt het toe ten hemel op te stijgen, wie het toekomt van de hemel neer te dalen, volgens het gezegde bij Johannes (3, 13): “Niemand stijgt op ten hemel tenzij, die van de hemel nederdaalt,” en in de Brief aan de Efesiërs (4, 10): “Die nederdaalt, dat is ook Hij, die opstijgt.” Christus nu daalde af van de hemel, niet in zover Hij mens is, maar 319als God; zijn menselijke natuur immers was te voren niet in de hemel, maar zijn goddelijke. Dus steeg Christus op ten hemel in zoverre Hij God is.
3. Praeterea, Christus sua ascensione ascendit ad Patrem. Sed ad Patris aequalitatem non pervenit secundum quod homo: sic enim dicit, « Pater major me est », ut habetur Joan. 14. [v. 28]. Ergo videtur quod Christus ascenderit secundum quod Deus.
3. Bij zijn hemelvaart steeg Christus op naar zijn Vader. Maar tot gelijkheid met den Vader kwam Hij niet, in zoover Hij mensch is; zoo immers zegt Hij: « De Vader is grooter dan Ik », zooals wij vinden bij Joannes (14. 28). Dus steeg Christus op, in zooverre Hij God was.3. Bij zijn hemelvaart steeg Christus op naar zijn Vader. Maar tot gelijkheid met de Vader kwam Hij niet, in zover Hij mens is; zo immers zegt Hij: “De Vader is groter dan Ik”, zoals wij vinden bij Johannes (14, 28). Dus steeg Christus op, in zoverre Hij God was.
Sed contra est quod, Ephes. 4. [v. 9], super illud, « Quod autem ascendit, quid est, nisi quia et descendit », dicit Glossa [ordin. Petri Lomb.] : « Constat quod secundum humanitatem Christus descendit et ascendit ».
Daartegenover staat echter, dat de Glossa aangaande het gezegde in den Brief aan de Ephesiërs (4. 9) : « Dat Hij opgestegen is, wat wil dat anders zeggen, dan dat Hij ook is neergedaald? » aanmerkt: « Het staat vast, dat Christus naar zijn menschheid is neergedaald en opgestegen. »Daartegenover staat echter, dat de Glossa aangaande het gezegde in de Brief aan de Efesiërs (4, 9): “Dat Hij opgestegen is, wat wil dat anders zeggen, dan dat Hij ook is neergedaald?” aanmerkt: “Het staat vast, dat Christus naar zijn mensheid is neergedaald en opgestegen.”
Respondeo dicendum quod ly secundum duo potest notare: scilicet conditionem ascendentis, et causam ascensionis. Et si quidem designet conditionem ascendentis, tunc ascendere non potest convenire Christo secundum conditionem divinae naturae. Tum quia nihil est divinitate altius, quo possit ascendere. Tum etiam quia ascensio est motus localis, qui divinae naturae 320non competit, quae est immobilis et inlocalis. Sed per hunc modum ascensio competit Christo secundum humanam naturam, quae continetur loco et motui subjici potest. Unde sub hoc sensu poterimus dicere quod Christus ascendit in coelum secundum quod homo, non secundum quod Deus. Si vero ly secundum designet causam ascensionis, cum Christus ex virtute divinitatis in coelum ascenderit, non autem ex virtute humanae naturae, dicendum est quod Christus ascendit in coelum non secundum quod homo, sed secundum quod Deus. Unde Augustinus dicit, in serm. de Ascens. [qui est 176.] : « De nostro fuit quod Filius Dei pependit in cruce: sed de suo quod ascendit ».
Leerstelling. — Het woord: « naar » kan twee dingen aangeven, nl. de hoedanigheid van Hem, die opstijgt, en de oorzaak van het opstijgen. — Als het nu de hoedanigheid van Hem, die opstijgt aangeeft dan komt het opstijgen niet toe aan Christus in zijn hoedanigheid van God. Zoowel omdat er niets hoogers is dan de Godheid, waardoor Hij zou kunnen opstijgen. Alsook 320omdat opstijgen een plaatselijke beweging is, welke aan de goddelijke natuur niet toekomt, daar zij onbewegelijk is en niet in een plaats. Op deze manier echter komt 't opstijgen toe aan Christus naar zijn menschelijke natuur, die aan plaats gebonden is en aan beweging onderworpen kan worden. En in dezen zin kunnen wij dus zeggen, dat Christus opsteeg ten hemel, als mensch, en niet als God. — Wanneer echter het woord « naar » de oorzaak der opstijging aangeeft, dan moeten wij zeggen, aangezien Christus uit kracht van zijn Godheid naar den hemel steeg, en niet uit kracht van zijn menschelijke natuur, dat Christus ten hemel steeg, niet als mensch, maar als God. Daarom zegt Augustinus: « Het kwam van ons, dat de Zoon Gods aan het kruis gehangen heeft, maar van Hemzelf, dat Hij opsteeg. »Leerstelling. — Het woord: “naar” kan twee dingen aangeven, nl. de hoedanigheid van Hem, die opstijgt, en de oorzaak van het opstijgen. — Als het nu de hoedanigheid van Hem, die opstijgt aangeeft dan komt het opstijgen niet toe aan Christus in zijn hoedanigheid van God. Zowel omdat er niets hogers is dan de Godheid, waardoor Hij zou kunnen opstijgen. Alsook 320omdat opstijgen een plaatselijke beweging is, welke aan de goddelijke natuur niet toekomt, daar zij onbewegelijk is en niet in een plaats. Op deze manier echter komt 't opstijgen toe aan Christus naar zijn menselijke natuur, die aan plaats gebonden is en aan beweging onderworpen kan worden. En in deze zin kunnen wij dus zeggen, dat Christus opsteeg ten hemel, als mens, en niet als God. — Wanneer echter het woord “naar” de oorzaak van de opstijging aangeeft, dan moeten wij zeggen, aangezien Christus uit kracht van zijn Godheid naar de hemel steeg, en niet uit kracht van zijn menselijke natuur, dat Christus ten hemel steeg, niet als mens, maar als God. Daarom zegt Augustinus: “Het kwam van ons, dat de Zoon Gods aan het kruis gehangen heeft, maar van Hemzelf, dat Hij opsteeg.”
Ad primum ergo dicendum quod auctoritates illae prophetice dicuntur de Deo secundum quod erat incarnandus. Potest tamen dici quod ascendere, etsi non proprie conveniat divinae naturae, potest tamen ei metaphorice convenire: prout scilicet dicitur in cor hominis ascendere, quando cor 321hominis se subjicit et humiliat Deo. Et eodem modo metaphorice dicitur ascendere respectu cujuslibet creaturae, ex eo quod eam subjicit sibi.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Die aanhalingen worden profetisch van God gezegd in zooverre Hij vleesch moest worden. — Men kan echter zeggen, dat ofschoon het opstijgen niet in den eigenlijken zin toekomt aan de goddelijke natuur, dit toch in overdrachtelijken zin aan haar kan toekomen, zooals men nl. zegt, dat Hij in het hart van den mensch opstijgt wanneer het 321menschenhart zich aan God onderwerpt en zich voor Hem vernedert. En op dezelfde wijze zeggen wij in overdrachtelijken zin, dat Hij opstijgt ten opzichte van elk schepsel, doordat Hij dit aan zich onderwerpt.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Die aanhalingen worden profetisch van God gezegd in zoverre Hij vlees moest worden. — Men kan echter zeggen, dat ofschoon het opstijgen niet in de eigenlijke zin toekomt aan de goddelijke natuur, dit toch in overdrachtelijke zin aan haar kan toekomen, zoals men nl. zegt, dat Hij in het hart van de mens opstijgt wanneer het 321mensenhart zich aan God onderwerpt en zich voor Hem vernedert. En op dezelfde wijze zeggen wij in overdrachtelijke zin, dat Hij opstijgt ten opzichte van elk schepsel, doordat Hij dit aan zich onderwerpt.
Ad secundum dicendum quod ipse idem est qui ascendit et qui descendit. Dicit enim Augustinus in lib. 4. de Symbolo: « Quis est qui descendit? Deus homo. Quis est qui ascendit? Idem ipse Deus homo ». Descensus tamen duplex attribuitur Christo. Unus quidem, quo dicitur descendisse de coelo. Qui quidem attribuitur Deo homini secundum quod Deus. Non enim est iste descensus intelligendus secundum motum localem: sed secundum exinanitionem, qua, cum in forma Dei esset, servi formam suscepit. Sicut enim dicitur exinanitus, non ex eo quod suam plenitudinem amiserit, sed ex eo quod nostram parvitatem suscepit; ita dicitur descendisse de coelo, non quod coelum deseruerit, sed quia naturam terrenam assumpsit in unitatem personae. Alius autem est descensus quo « descendit in inferiores partes terrae », ut dicitur Ephes. 4. [v. 9]. Qui quidem est descensus 322localis. Unde competit Christo secundum conditionem humanae naturae.
2. Het is dezelfde, die opstijgt en die nederdaalt. Augustinus immers zegt: « Wie is het, die neerdaalt? De Godmensch. Wie is het die opstijgt? Dezelfde Godmensch. » Het nederdalen echter wordt op dubbele wijze aan Christus toegeschreven. — Vooreerst wanneer wij zeggen, dat Hij van den hemel is neergedaald. En deze nederdaling wordt aan den Godmensch toegeschreven, in zoover Hij God is. Dit nederdalen moet men immers niet verstaan als een plaatselijke beweging, maar als een vernietiging, daarin bestaande, dat Hij de gestalte van een slaaf aannam, ofschoon Hij in de gestalte van God was. Want gelijk men van Hem zegt, dat Hij vernietigd is, niet omdat Hij zijn volheid verloor, maar omdat Hij onze geringheid aannam, zoo zeggen wij ook, dat Hij van den hemel nederdaalde, niet omdat Hij den hemel verliet, maar omdat Hij in eenheid van persoon een aardsche natuur aannam. — Er is echter een ander nederdalen, waardoor « Hij afdaalde tot de lagere deelen der aarde », zooals in den Brief aan de Ephesiërs (4. 9) gezegd wordt. En dit is een plaatselijke 322beweging. Daarom komt deze aan Christus toe naar zijn menschelijke natuur.2. Het is dezelfde, die opstijgt en die nederdaalt. Augustinus immers zegt: “Wie is het, die neerdaalt? De Godmens. Wie is het die opstijgt? Dezelfde Godmens.” Het nederdalen echter wordt op dubbele wijze aan Christus toegeschreven. — Vooreerst wanneer wij zeggen, dat Hij van de hemel is neergedaald. En deze nederdaling wordt aan de Godmens toegeschreven, in zover Hij God is. Dit nederdalen moet men immers niet verstaan als een plaatselijke beweging, maar als een vernietiging, daarin bestaande, dat Hij de gestalte van een slaaf aannam, ofschoon Hij in de gestalte van God was. Want gelijk men van Hem zegt, dat Hij vernietigd is, niet omdat Hij zijn volheid verloor, maar omdat Hij onze geringheid aannam, zo zeggen wij ook, dat Hij van de hemel nederdaalde, niet omdat Hij de hemel verliet, maar omdat Hij in eenheid van persoon een aardse natuur aannam. — Er is echter een ander nederdalen, waardoor “Hij afdaalde tot de lagere delen van de aarde”, zoals in de Brief aan de Efesiërs (4, 9) gezegd wordt. En dit is een plaatselijke 322beweging. Daarom komt deze aan Christus toe naar zijn menselijke natuur.
Ad tertium dicendum quod Christus dicitur ad Patrem ascendere, inquantum ascendit ad consessum paternae dexterae. Quod quidem convenit Christo aliqualiter secundum divinam naturam, aliqualiter autem secundum humanam, secundum quod infra dicetur [q. seq. art. 3.].
3. Wij zeggen van Christus, dat Hij naar den Vader opsteeg, in zoover Hij opsteeg om te gaan zetelen aan de rechterhand des Vaders. En dit komt Christus eenigszins toe naar zijn goddelijke natuur, en eenigszins naar zijn menschelijke, zooals later gezegd zal worden (volgende Kw. 3e Art.).3. Wij zeggen van Christus, dat Hij naar de Vader opsteeg, in zover Hij opsteeg om te gaan zetelen aan de rechterhand van de Vader. En dit komt Christus enigszins toe naar zijn goddelijke natuur, en enigszins naar zijn menselijke, zoals later gezegd zal worden (volgende Kw. 3e Art.).
Utrum Christus ascenderit propria virtute
Steeg Christus op uit eigen kracht?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod Christus non ascenderit propria virtute. Dicitur enim Marc. ult. [v. 19] quod « Dominus Jesus, postquam locutus est discipulis, assumptus est in coelum ». Et Act. 1. [v. 9] dicitur: « Videntibus illis, elevatus est, et nubes suscepit eum ab oculis eorum ». Sed illud quod assumitur et elevatur ab alio videtur moveri. Ergo Christus non propria virtute, sed aliena, ferebatur in coelum.
Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet opsteeg uit eigen kracht. — 1. Bij Marcus (16. 19) immers wordt gezegd, dat « de Heer Jesus in den hemel werd opgenomen, nadat Hij tot zijne leerlingen gesproken had. » En in de Handelingen der Apostelen (1. 9) wordt gezegd: « Terwijl zij toekeken werd Hij opgenomen en een wolk nam Hem weg uit hun oogen. » Maar wat opgenomen wordt en verheven, schijnt door iets anders bewogen te worden. Dus werd Christus niet door eigen, maar door vreemde kracht naar den hemel gebracht.Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet opsteeg uit eigen kracht. — 1. Bij Marcus (16, 19) immers wordt gezegd, dat “de Heer Jesus in de hemel werd opgenomen, nadat Hij tot zijn leerlingen gesproken had.” En in de Handelingen van de Apostelen (1, 9) wordt gezegd: “Terwijl zij toekeken werd Hij opgenomen en een wolk nam Hem weg uit hun ogen.” Maar wat opgenomen wordt en verheven, schijnt door iets anders bewogen te worden. Dus werd Christus niet door eigen, maar door vreemde kracht naar de hemel gebracht.
3232. Praeterea, corpus Christi fuit terrenum: sicut et corpora nostra. Corpori autem terreno contra naturam est ferri sursum. Nullus autem motus est ex propria virtute ejus quod contra naturam movetur. Ergo Christus non ascendit propria virtute in coelum.
3232. Het lichaam van Christus was van deze aarde, zooals ook onze lichamen. Het is echter tegen de natuur van een aardsch lichaam om naar boven gebracht te worden. Geen enkele beweging echter komt voort uit de eigen kracht van datgene, wat tegen zijn natuur bewogen wordt. Dus steeg Christus niet uit eigen kracht naar den hemel.3232. Het lichaam van Christus was van deze aarde, zoals ook onze lichamen. Het is echter tegen de natuur van een aards lichaam om naar boven gebracht te worden. Geen enkele beweging echter komt voort uit de eigen kracht van datgene, wat tegen zijn natuur bewogen wordt. Dus steeg Christus niet uit eigen kracht naar de hemel.
3. Praeterea, propria virtus Christi est virtus divina. Sed motus ille non videtur fuisse ex virtute divina: quia, cum virtus divina sit infinita, motus ille fuisset in instanti; et sic non potuisset « videntibus discipulis elevari in coelum », ut dicitur Act. 1. [v. 9]. Ergo videtur quod Christus non ascenderit propria virtute.
3. De eigen kracht van Christus is een goddelijke kracht. Die beweging echter scheen niet uit goddelijke kracht voort te komen; want dan zou die beweging oogenblikkelijk geweest zijn, aangezien de goddelijke kracht oneindig is; en op die manier kon Hij niet « in den hemel verheven worden onder het toezien der leerlingen, » zooals gezegd wordt in de Handelingen der Apostelen (1. 9). Dus is Christus niet uit eigen kracht opgestegen.3. De eigen kracht van Christus is een goddelijke kracht. Die beweging echter scheen niet uit goddelijke kracht voort te komen; want dan zou die beweging ogenblikkelijk geweest zijn, aangezien de goddelijke kracht oneindig is; en op die manier kon Hij niet “in de hemel verheven worden onder het toezien van de leerlingen,” zoals gezegd wordt in de Handelingen van de Apostelen (1, 9). Dus is Christus niet uit eigen kracht opgestegen.
Sed contra est quod dicitur Isa. 63. [v. 1] : « Iste formosus in stola sua, gradiens in multitudine fortitudinis suae ». Et Gregorius dicit, in hom. Ascensionis [quae est 29. in Evang.] : « Notandum est, quod Elias in curru legitur ascendisse: ut videlicet aperte demonstraretur quia homo purus adjutorio indigebat alieno. Redemptor autem noster non curru, non angelis sublevatus legitur: quia qui fecerat omnia, super omnia virtute sua ferebatur ».
Daartegenover staat echter, dat bij Isaïas (63. 1) gezegd wordt: « Hij is schoon in zijn gewaad, voortschrijdend in de volheid zijner kracht. » En Gregorius zegt: « Men moet er op letten, dat wij van Elias lezen, dat hij opsteeg in een wagen, opdat nl. duidelijk zou worden aangetoond, dat een gewoon mensch de hulp van een ander noodig had. Van onzen Verlosser echter lezen wij, dat Hij niet door een wagen, niet door engelen werd omhoog verheven, wijl Hij, die alles gemaakt had, uit eigen kracht boven alles uitsteeg. »Daartegenover staat echter, dat bij Jesaja (63, 1) gezegd wordt: “Hij is schoon in zijn gewaad, voortschrijdend in de volheid van zijn kracht.” En Gregorius zegt: “Men moet er op letten, dat wij van Elias lezen, dat hij opsteeg in een wagen, opdat nl. duidelijk zou worden aangetoond, dat een gewoon mens de hulp van een ander nodig had. Van onze Verlosser echter lezen wij, dat Hij niet door een wagen, niet door engelen werd omhoog verheven, wijl Hij, die alles gemaakt had, uit eigen kracht boven alles uitsteeg.”
324Respondeo dicendum quod in Christo est duplex natura, divina scilicet et humana. Unde secundum utramque naturam potest accipi propria virtus ejus. Sed secundum humanam naturam potest accipi duplex virtus Christi. Una quidem naturalis, quae procedit ex principiis naturae. Et tali virtute manifestum est quod Christus in coelum non ascendit. Alia autem virtus in humana natura Christi est virtus gloriae. Secundum quam Christus in coelum ascendit. Cujus quidem virtutis rationem quidam accipiunt ex natura quintae essentiae, quae est lux, ut dicunt, quam ponunt esse de compositione humani corporis, et per eam elementa contraria conciliari in unum. Ita quod in statu hujus mortalitatis natura elementaris in corporibus humanis dominatur: et ideo, secundum naturam elementi praedominantis, corpus humanum naturali virtute deorsum fertur. In statu autem gloriae praedominabitur natura coelestis: per cujus inclinationem et virtutem corpus Christi, et alia sanctorum corpora, feruntur in coelum. Sed de hac opinione et in 1. parte dictum est [q. 76. art. 7.]; et infra magis agetur, in 325tractatu de resurrectione communi [in Suppl. q. 84. art. 1.]. Hac autem opinione praetermissa, alii assignant rationem praedictae virtutis ex parte animae glorificatae, ex cujus redundantia glorificabitur corpus, ut Augustinus dicit ad Dioscorum [epist. 56. cap. 3.]. Erit enim tanta obedientia corporis gloriosi ad animam beatam ut, sicut Augustinus dicit, 22. de Civit. Dei [cap. 30.], « ubi volet spiritus, ibi protinus erit corpus: nec volet aliquid spiritus, quod nec spiritum possit decere nec corpus ». Decet autem corpus gloriosum et immortale esse in loco coelesti, sicut dictum est [art. 1. huj. q.]. Et ideo ex virtute animae volentis corpus Christi ascendit in coelum. Sicut autem corpus efficitur gloriosum, participatione animae, ita, ut Augustinus dicit, super Joan. [tract. 23.], « participatione Dei fit anima beata ». Unde prima origo ascensionis in coelum est virtus divina. Sic igitur Christus ascendit in coelum propria virtute: primo quidem, virtute divina; secundo virtute animae glorificatae moventis corpus prout vult.
324Leerstelling. — Christus heeft een tweevoudige natuur nl. 'n goddelijke en een menschelijke. Vandaar kan men van een eigen kracht bij Hem spreken naar beide naturen. Naar de menschelijke natuur kan men echter een dubbele kracht in Christus onderscheiden. Een natuurlijke nl., die voortkomt uit de princiepen van de natuur. En het is duidelijk, dat Christus niet uit zulk een kracht naar den hemel is opgestegen. De andere kracht in de menschelijke natuur van Christus is de kracht der glorie. In deze kracht is Christus ten hemel opgestegen. Den grond van deze kracht zien sommigen in de natuur van de vijfde wezenheid, die, naar men zegt, het licht is; ze beweren dan, dat deze tot de samenstelling van het menschelijk lichaam behoort, en dat hierdoor de tegenstrijdige elementen tot een eenheid worden verzoend. Op zulk een wijze, dat in dezen staat van sterfelijkheid de natuur der elementen in de menschelijke lichamen overheerscht; en daarom het menschelijk lichaam overeenkomstig de natuur van het overheerschend element uit natuurlijke kracht naar beneden neigt. In den toestand der glorie echter zal de hemelsche natuur overheerschen, en door haar neiging en kracht stijgen het lichaam van Christus en de andere lichamen der heiligen naar den hemel. Maar over deze opinie is gehandeld in het Eerste Deel (I. 76e Kw. 7e Art.) en zal later nog breeder gehandeld worden in het tractaat over de algemeene 325verrijzenis (Suppl. 84e Kw. 1e Art.). Met voorbijzien van deze opinie echter, zoeken anderen den grond der voornoemde kracht in de verheerlijkte ziel, die haar heerlijkheid aan het lichaam meedeelt, zooals Augustinus zegt. Want het verheerlijkte lichaam zal zoozeer gehoorzamen aan de zalige ziel, dat « waar de geest wil, » zooals Augustinus zegt, « ook terstond het lichaam zijn zal, terwijl de geest niets zal willen, wat den geest en ook het lichaam niet passen kan. » Het is nu passend, dat het verheerlijkte en onsterfelijke lichaam in de hemel-plaats is, zooals gezegd is (1e Art. van deze Kw.). En derhalve steeg het lichaam van Christus naar den hemel uit kracht van de ziel, die dit wilde. Zooals echter 't lichaam glorievol wordt uit meedeeling door de ziel, zoo « wordt de ziel zalig door deelhebbing aan God, » zooals Augustinus zegt. En daarom is de eerste oorsprong van de hemelvaart de goddelijke kracht. Zoo steeg Christus derhalve ten hemel uit eigen kracht, vooreerst nl. uit zijn goddelijke kracht, vervolgens uit kracht van de verheerlijkte ziel, die het lichaam beweegt, zooals het wil.324Leerstelling. — Christus heeft een tweevoudige natuur nl. 'n goddelijke en een menselijke. Vandaar kan men van een eigen kracht bij Hem spreken naar beide naturen. Naar de menselijke natuur kan men echter een dubbele kracht in Christus onderscheiden. Een natuurlijke nl., die voortkomt uit de princiepen van de natuur. En het is duidelijk, dat Christus niet uit zulk een kracht naar de hemel is opgestegen. De andere kracht in de menselijke natuur van Christus is de kracht van de glorie. In deze kracht is Christus ten hemel opgestegen. De grond van deze kracht zien sommigen in de natuur van de vijfde wezenheid, die, naar men zegt, het licht is; ze beweren dan, dat deze tot de samenstelling van het menselijk lichaam behoort, en dat hierdoor de tegenstrijdige elementen tot een eenheid worden verzoend. Op zulk een wijze, dat in deze staat van sterfelijkheid de natuur van de elementen in de menselijke lichamen overheerst; en daarom het menselijk lichaam overeenkomstig de natuur van het overheersend element uit natuurlijke kracht naar beneden neigt. In de toestand van de glorie echter zal de hemelse natuur overheersen, en door haar neiging en kracht stijgen het lichaam van Christus en de andere lichamen van de heiligen naar de hemel. Maar over deze opinie is gehandeld in het Eerste Deel (1 76e Kw. 7e Art.) en zal later nog breder gehandeld worden in het traktaat over de algemene 325verrijzenis (Suppl. 84e Kw. 1e Art.). Met voorbijzien van deze opinie echter, zoeken anderen de grond van de voornoemde kracht in de verheerlijkte ziel, die haar heerlijkheid aan het lichaam meedeelt, zoals Augustinus zegt. Want het verheerlijkte lichaam zal zozeer gehoorzamen aan de zalige ziel, dat “waar de geest wil,” zoals Augustinus zegt, “ook terstond het lichaam zijn zal, terwijl de geest niets zal willen, wat de geest en ook het lichaam niet passen kan.” Het is nu passend, dat het verheerlijkte en onsterfelijke lichaam in de hemel-plaats is, zoals gezegd is (1e Art. van deze Kw.). En derhalve steeg het lichaam van Christus naar de hemel uit kracht van de ziel, die dit wilde. Zoals echter 't lichaam glorievol wordt uit meedeling door de ziel, zo “wordt de ziel zalig door deelhebbing aan God,” zoals Augustinus zegt. En daarom is de eerste oorsprong van de hemelvaart de goddelijke kracht. Zo steeg Christus derhalve ten hemel uit eigen kracht, vooreerst nl. uit zijn goddelijke kracht, vervolgens uit kracht van de verheerlijkte ziel, die het lichaam beweegt, zoals het wil.
Ad primum ergo dicendum quod, sicut Christus dicitur propria virtute surrexisse, et tamen est suscitatus a Patre, eo quod eadem est virtus Patris 326et Filii; ita etiam Christus ex propria virtute ascendit in coelum, et tamen a Patre est elevatus et assumptus.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zooals wij van Christus zeggen, dat Hij verrezen is uit eigen kracht, en toch is opgewekt door den Vader, doordat de kracht van den Vader 326dezelfde is als van den Zoon, zoo ook steeg Christus uit eigen kracht naar den hemel, en is Hij toch door den Vader verheven en opgenomen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoals wij van Christus zeggen, dat Hij verrezen is uit eigen kracht, en toch is opgewekt door de Vader, doordat de kracht van de Vader 326dezelfde is als van de Zoon, zo ook steeg Christus uit eigen kracht naar de hemel, en is Hij toch door de Vader verheven en opgenomen.
Ad secundum dicendum quod ratio illa probat quod Christus non ascendit in coelum propria virtute quae est naturae humanae naturalis. Ascendit tamen in coelum propria virtute quae est virtus divina; et propria virtute quae est animae beatae. Et licet ascendere sursum sit contra naturam humani corporis secundum statum praesentem, in quo corpus non est omnino subjectum spiritui; tamen non erit contra naturam neque violentum corpori glorioso, cujus tota natura est omnino subjecta spiritui.
2. Die redeneering bewijst, dat Christus niet ten hemel steeg uit de eigen kracht, die de natuurlijke is van de menschelijke natuur. Hij steeg echter uit de eigen kracht naar den hemel, die de goddelijke kracht is en uit een eigen kracht, die van de zalige ziel is. En hoewel het omhoog gaan tegen de natuur van het menschelijk lichaam is, genomen in zijn tegenwoordigen staat, waarin het lichaam niet geheel aan den geest onderworpen is, zal het toch niet tegennatuurlijk en ook niet gewelddadig zijn voor een verheerlijkt lichaam, waarvan de natuur geheel aan den geest onderworpen is.2. Die redenering bewijst, dat Christus niet ten hemel steeg uit de eigen kracht, die de natuurlijke is van de menselijke natuur. Hij steeg echter uit de eigen kracht naar de hemel, die de goddelijke kracht is en uit een eigen kracht, die van de zalige ziel is. En hoewel het omhoog gaan tegen de natuur van het menselijk lichaam is, genomen in zijn tegenwoordigen staat, waarin het lichaam niet geheel aan de geest onderworpen is, zal het toch niet tegennatuurlijk en ook niet gewelddadig zijn voor een verheerlijkt lichaam, waarvan de natuur geheel aan de geest onderworpen is.
Ad tertium dicendum quod, etsi virtus divina sit infinita, et infinite operetur quantum est ex parte operantis, tamen effectus virtutis ejus recipitur in rebus secundum earum capacitatem, et secundum Dei dispositionem. Corpus autem non est capax ut in instanti localiter moveatur: quia oportet quod commetiatur se spatio, secundum cujus divisionem dividitur tempus, ut dicitur 6. Phys. [cap. 4. n. 6. et 8. St. Thom. lect. 6.]. Et ideo non oportet quod corpus motum a Deo moveatur in instanti: sed moveatur ea velocitate qua Deus disponit
3. Hoewel de goddelijke kracht oneindig is en in haar werking oneindig is, van den kant van den werker beschouwd, wordt toch het effect van zijn kracht in de dingen ontvangen naar hun bevattingsvermogen, en Gods beschikking. Een lichaam echter kan niet in een oogenblik plaatselijk bewogen worden, daar het zich moet meten aan de ruimte, naar wier verdeeling de tijd verdeeld wordt, zooals staat in de Physica. En daarom is het niet noodig, dat een lichaam, dat door God bewogen wordt in een oogenblik wordt bewogen, maar dat het bewogen wordt met die snelheid, welke God beschikt.3. Hoewel de goddelijke kracht oneindig is en in haar werking oneindig is, van de kant van de werker beschouwd, wordt toch het effect van zijn kracht in de dingen ontvangen naar hun bevattingsvermogen, en Gods beschikking. Een lichaam echter kan niet in een ogenblik plaatselijk bewogen worden, daar het zich moet meten aan de ruimte, naar wier verdeling de tijd verdeeld wordt, zoals staat in de Fysica. En daarom is het niet nodig, dat een lichaam, dat door God bewogen wordt in een ogenblik wordt bewogen, maar dat het bewogen wordt met die snelheid, welke God beschikt.
Utrum Christus ascenderit super omnes coelos
Steeg Christus op boven alle hemelen?
327Ad quartum sic proceditur. Videtur quod Christus non ascenderit super omnes coelos. Dicitur enim in Psal. 10. [v. 5] : « Dominus in templo sancto suo: Dominus, in coelo sedes ejus ». Quod autem est in coelo, non est supra coelum. Ergo Christus non ascendit super omnes coelos.
327Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet opsteeg boven alle hemelen. — 1. In het Boek der Psalmen (10. 5) immers wordt gezegd: « De Heer is in zijn heiligen tempel, de Heer heeft zijn zetel in den hemel. » Wat echter in den hemel is, is niet boven den hemel. Dus steeg Christus niet boven alle hemelen.327Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet opsteeg boven alle hemelen. — 1. In het Boek van de Psalmen (10, 5)a immers wordt gezegd: “De Heer is in zijn heiligen tempel, de Heer heeft zijn zetel in de hemel.” Wat echter in de hemel is, is niet boven de hemel. Dus steeg Christus niet boven alle hemelen.
2. Praeterea, super omnes coelos non est aliquis locus, ut probatur in 1. de Coelo. Sed omne corpus oportet esse in loco. Ergo corpus Christi non ascendit super omnes coelos.
2. Boven alle hemelen is geen plaats meer, zooals bewezen wordt in de Coelo. Elk lichaam echter moet in een plaats zijn. Dus steeg het lichaam van Christus niet boven alle hemelen.2. Boven alle hemelen is geen plaats meer, zoals bewezen wordt in de Coelo. Elk lichaam echter moet in een plaats zijn. Dus steeg het lichaam van Christus niet boven alle hemelen.
3. Praeterea, duo corpora non possunt esse in eodem loco. Cum igitur non sit transitus de extremo in extremum nisi per medium, videtur quod Christus non potuisset ascendere super omnes coelos nisi coelum divideretur. Quod est impossibile.
3. Twee lichamen kunnen niet in dezelfde plaats zijn. Daar er echter geen overgang is van het eene uiterste naar het andere, tenzij door het midden, kon Christus niet boven alle hemelen opstijgen, tenzij de hemel verdeeld werd, wat onmogelijk is.3. Twee lichamen kunnen niet in dezelfde plaats zijn. Daar er echter geen overgang is van het ene uiterste naar het andere, tenzij door het midden, kon Christus niet boven alle hemelen opstijgen, tenzij de hemel verdeeld werd, wat onmogelijk is.
4. Praeterea, Act. 1. [v. 9] dicitur, quod: « Nubes suscepit eum 328ab oculis eorum ». Sed nubes non possunt elevari supra coelum. Ergo Christus non ascendit super omnes coelos.
4. In de Handelingen der Apostelen (1. 9) wordt gezegd, dat « de wolk Hem aan hun oogen onttrok. » Wolken echter kunnen 328niet boven den hemel verheven worden. Dus steeg Christus niet boven alle hemelen.4. In de Handelingen van de Apostelen (1, 9) wordt gezegd, dat “de wolk Hem aan hun ogen onttrok.” Wolken echter kunnen 328niet boven de hemel verheven worden. Dus steeg Christus niet boven alle hemelen.
5. Praeterea, ibi credimus Christum in perpetuum permansurum quo ascendit. Sed quod contra naturam est non potest esse sempiternum: quia id quod est secundum naturam, est ut in pluribus et ut frequentius. Cum ergo contra naturam sit corpori terreno esse super coelum, videtur quod corpus Christi supra coelum non ascenderit.
5. Wij gelooven, dat Christus in eeuwigheid daar zal blijven, waar Hij opsteeg. Maar wat tegennatuurlijk is kan niet eeuwig zijn, daar datgene wat volgens de natuur is, het meest en het vaakst voorkomt. Daar het derhalve tegen de natuur is van een aardsch lichaam om boven den hemel te zijn, schijnt het lichaam van Christus niet boven den hemel gestegen te zijn.5. Wij geloven, dat Christus in eeuwigheid daar zal blijven, waar Hij opsteeg. Maar wat tegennatuurlijk is kan niet eeuwig zijn, daar datgene wat volgens de natuur is, het meest en het vaakst voorkomt. Daar het derhalve tegen de natuur is van een aards lichaam om boven de hemel te zijn, schijnt het lichaam van Christus niet boven de hemel gestegen te zijn.
Sed contra est quod dicitur Ephes. 4. [v. 10] : « Ascendit super omnes coelos, ut adimpleret omnia ».
Daartegenover staat echter, dat in den Brief aan de Ephesiërs (4. 10) gezegd wordt: « Hij steeg op boven alle hemelen, om alles te vervullen. »Daartegenover staat echter, dat in de Brief aan de Efesiërs (4, 10) gezegd wordt: “Hij steeg op boven alle hemelen, om alles te vervullen.”
Respondeo dicendum quod, quanto aliqua corpora perfectius participant bonitatem divinam, tanto sunt superiora corporali ordine, qui est ordo localis. Unde videmus quod corpora quae sunt magis formalia, sunt naturaliter superiora, ut patet per Philosophum, in 4. Phys. [cfr. cap 5. n. 3. et 6. St. Thom. lect. 7. et 8.], et in 2. de Coelo [cap. 4. n. 9. et cap. 13. n. 3. St. Thom. lect. 6. et 20.] : per formam enim unumquodque corpus participat divinum esse, ut patet in 1. Phys. [cap. 9. n. 3. St. Thom. 329lect. 15.]. Plus autem participat de divina bonitate corpus per gloriam quam quodcumque corpus naturale per formam suae naturae. Et inter caetera corpora gloriosa, manifestum est quod corpus Christi majori refulget gloria. Unde convenientissimum est ei quod sit supra omnia corpora constitutum in alto. Et ideo super illud Ephes. 4. [v. 8] : « Ascendens in altum », dicit Glossa [interl.] : « Loco et dignitate ».
Leerstelling. — Hoe volmaakter sommige lichamen aan de goddelijke goedheid deelhebben, des te hooger zijn zij verheven in de lichamelijke orde, welke de orde der plaats is. Vandaar zien wij, dat de lichamen, die een volmaakteren vorm bezitten, van nature ook hooger zijn, zooals blijkt uit den Wijsgeer: door zijn vorm immers heeft elk ding deel aan het goddelijke zijn, zooals blijkt uit de Physica. Een lichaam echter heeft meer deel aan de 329goddelijke goedheid door de glorie, dan welk natuurlijk lichaam ook door zijn natuurlijken vorm. Het is nu duidelijk, dat onder de andere verheerlijkte lichamen het lichaam van Christus van grootere heerlijkheid straalt. Vandaar komt het zeer passend er aan toe, dat het boven alle lichamen in de hoogte geplaatst werd. En daarom zegt de Glossa bij het gezegde in den Brief aan de Ephesiërs (4. 8) : « Opstijgend in de hoogte » : « in plaats en waardigheid. »Leerstelling. — Hoe volmaakter sommige lichamen aan de goddelijke goedheid deelhebben, des te hoger zijn zij verheven in de lichamelijke orde, welke de orde van de plaats is. Vandaar zien wij, dat de lichamen, die een volmaakteren vorm bezitten, van nature ook hoger zijn, zoals blijkt uit de Wijsgeer: door zijn vorm immers heeft elk ding deel aan het goddelijke zijn, zoals blijkt uit de Fysica. Een lichaam echter heeft meer deel aan de 329goddelijke goedheid door de glorie, dan welk natuurlijk lichaam ook door zijn natuurlijken vorm. Het is nu duidelijk, dat onder de andere verheerlijkte lichamen het lichaam van Christus van grotere heerlijkheid straalt. Vandaar komt het zeer passend er aan toe, dat het boven alle lichamen in de hoogte geplaatst werd. En daarom zegt de Glossa bij het gezegde in de Brief aan de Efesiërs (4, 8): “Opstijgend in de hoogte”: “in plaats en waardigheid.”
Ad primum ergo dicendum quod sedes Dei dicitur esse in coelo, non sicut in continente, sed magis sicut in contento. Unde non oportet aliquam partem coeli eo superiorem esse, sed ipsum esse super omnes coelos: sicut et in Ps. 8. [v. 2] dicitur: « Elevata est magnificentia tua super coelos, Deus ».
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Van Gods zetel wordt gezegd, dat hij in den hemel staat, niet als in iets, waardoor hij omsloten wordt, maar veeleer als in iets, dat omsloten wordt. Daarom is het niet noodzakelijk, dat een deel van den hemel hooger dan deze is, maar dat Hijzelf boven alle hemelen is; zooals ook gezegd wordt in het Boek der Psalmen (8. 2) : « Uwe heerlijkheid, o God, is boven alle hemelen ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Van Gods zetel wordt gezegd, dat hij in de hemel staat, niet als in iets, waardoor hij omsloten wordt, maar veeleer als in iets, dat omsloten wordt. Daarom is het niet noodzakelijk, dat een deel van de hemel hoger dan deze is, maar dat Hijzelf boven alle hemelen is; zoals ook gezegd wordt in het Boek van de Psalmen (8, 2): “Uw heerlijkheid, o God, is boven alle hemelen”.
Ad secundum dicendum quod locus habet rationem continentis. Unde primum continens habet rationem primi locantis, quod est primum coelum. Intantum igitur corpora indigent esse in loco per se inquantum indigent contineri a corpore coelesti. Corpora autem gloriosa, et maxime corpus 330Christi, non indiget tali continentia, quia nihil recipit a corporibus coelestibus sed a Deo mediante anima. Unde nihil prohibet corpus Christi esse extra totam continentiam coelestium corporum et non esse in loco continente. Nec tamen oportet quod extra coelum sit vacuum, quia non est ibi locus. Nec est ibi aliqua potentia susceptiva alicujus corporis, sed potentia illuc perveniendi est in Christo. Quod autem Aristoteles probat 1. de Coelo quod extra coelum non est corpus, intelligendum est de corporibus in solis naturalibus constitutis, ut per probationes apparet.
2. Plaats heeft de beteekenis van : omsluiten. Vandaar heeft datgene, wat allereerst omsluit, het karakter van het eerst-plaatsende, wat de eerste hemel is. De lichamen hebben dus in zooverre uiteraard een plaats noodig, als zij omgeven moeten worden door een hemellichaam. De verheerlijkte lichamen echter, 330en vooral het lichaam van Christus, heeft zulk een omsluiting niet noodig, daar het niets van de hemellichamen ontvangt, maar van God, middellijk door de ziel. Vandaar is er in het geheel geen bezwaar tegen, dat het lichaam van Christus buiten de geheele omsluiting der hemellichamen is, en dat het niet in een plaats is, waardoor het omsloten wordt. En toch is het niet noodig dat buiten den hemel een luchtledig is, wijl daar geen plaats is. Ook is daar niets, wat een lichaam vermag op te nemen, maar in Christus is het vermogen om daar te komen. Wat Aristoteles echter bewijst in de Coelo, dat er buiten den hemel geen lichaam is, moet men verstaan van de lichamen, die enkel in hun natuurlijke gesteltenis zijn, zooals uit de bewijsvoering blijkt.2. Plaats heeft de betekenis van: omsluiten. Vandaar heeft datgene, wat allereerst omsluit, het karakter van het eerst-plaatsende, wat de eerste hemel is. De lichamen hebben dus in zoverre uiteraard een plaats nodig, als zij omgeven moeten worden door een hemellichaam. De verheerlijkte lichamen echter, 330en vooral het lichaam van Christus, heeft zulk een omsluiting niet nodig, daar het niets van de hemellichamen ontvangt, maar van God, middellijk door de ziel. Vandaar is er in het geheel geen bezwaar tegen, dat het lichaam van Christus buiten de gehele omsluiting van de hemellichamen is, en dat het niet in een plaats is, waardoor het omsloten wordt. En toch is het niet nodig dat buiten de hemel een luchtledig is, wijl daar geen plaats is. Ook is daar niets, wat een lichaam vermag op te nemen, maar in Christus is het vermogen om daar te komen. Wat Aristoteles echter bewijst in de Coelo, dat er buiten de hemel geen lichaam is, moet men verstaan van de lichamen, die enkel in hun natuurlijke gesteltenis zijn, zoals uit de bewijsvoering blijkt.
Ad tertium dicendum quod, quamvis de natura corporis non sit quod possit esse in eodem loco cum alio corpore, tamen potest hoc Deus facere per miraculum quod in eodem loco possit esse simul cum alio corpore: sicut et fecit ut « corpus Christi de clauso utero B. Virginis exiret », et quod « intravit januis clausis ad discipulos », sicut dicit B. Gregorius [hom. 26. in Evang.]. Corpus ergo Christi simul potest esse cum alio 331corpore in eodem loco, non ex proprietate corporis, sed per virtutem divinam assistentem et hoc operantem.
3. Ofschoon het niet tot den aard van een lichaam behoort, om met een ander lichaam in dezelfde plaats te zijn, kan God toch door een mirakel bewerken, dat het tegelijk met een ander lichaam op dezelfde plaats kan zijn, zooals Hij ook bewerkte, dat « het lichaam van Christus uit den schoot van de H. Maagd trad, terwijl deze gesloten bleef, » en dat « Hij bij zijn leerlingen binnentrad, terwijl de deuren gesloten waren, » zooals de H. Gregorius zegt. Het lichaam van Christus kan derhalve tegelijk met een ander lichaam in eenzelfde plaats zijn, niet krachtens een 331eigenschap van dat lichaam, maar door de helpende kracht van God, die dit uitwerkt.3. Ofschoon het niet tot de aard van een lichaam behoort, om met een ander lichaam in dezelfde plaats te zijn, kan God toch door een mirakel bewerken, dat het tegelijk met een ander lichaam op dezelfde plaats kan zijn, zoals Hij ook bewerkte, dat “het lichaam van Christus uit de schoot van de H. Maagd trad, terwijl deze gesloten bleef,” en dat “Hij bij zijn leerlingen binnentrad, terwijl de deuren gesloten waren,” zoals de H. Gregorius zegt. Het lichaam van Christus kan derhalve tegelijk met een ander lichaam in eenzelfde plaats zijn, niet krachtens een 331eigenschap van dat lichaam, maar door de helpende kracht van God, die dit uitwerkt.
Ad quartum dicendum quod nubes illa non praebuit adminiculum Christo ascendenti per modum vehiculi: sed apparuit in signum divinitatis, secundum quod gloria Dei Israël apparebat super tabernaculum in nube.
4. Die wolk verleende Christus geen hulp om op te stijgen bij wijze van voertuig; maar zij verscheen als teeken van de Godheid, zooals de glorie van Israëls God in een wolk verscheen boven den tabernakel.4. Die wolk verleende Christus geen hulp om op te stijgen bij wijze van voertuig; maar zij verscheen als teken van de Godheid, zoals de glorie van Israëls God in een wolk verscheen boven de tabernakel.
Ad quintum dicendum quod corpus gloriosum non habet ex principiis suae naturae quod possit in coelo aut supra coelum esse: sed habet hoc ex anima beata, ex qua recipit gloriam. Et sicut motus gloriosi corporis sursum non est violentus, ita nec quies est violenta. Unde nihil prohibet eam esse sempiternam.
5. Het verheerlijkte lichaam heeft het niet uit de princiepen van zijn eigen natuur, dat het in den hemel of boven den hemel zijn kan; maar dit heeft het van de zalige ziel, waarvan het de heerlijkheid ontvangt. En zooals de beweging van een verheerlijkt lichaam naar boven niet gewelddadig is, zoo is ook zijn rust niet gewelddadig; dus is er geen enkel bezwaar tegen, dat zij eeuwig zijn zou.5. Het verheerlijkte lichaam heeft het niet uit de princiepen van zijn eigen natuur, dat het in de hemel of boven de hemel zijn kan; maar dit heeft het van de zalige ziel, waarvan het de heerlijkheid ontvangt. En zoals de beweging van een verheerlijkt lichaam naar boven niet gewelddadig is, zo is ook zijn rust niet gewelddadig; dus is er geen enkel bezwaar tegen, dat zij eeuwig zijn zou.
Utrum corpus Christi ascenderit super omnem creaturam spiritualem
Steeg het lichaam van Christus boven elk geestelijk schepsel?
Ad quintum sic proceditur. Videtur quod corpus Christi non ascenderit super omnem creaturam spiritualem. Eorum enim quae non dicuntur 332secundum unam rationem, non potest convenienter fieri comparatio. Sed locus non eadem ratione attribuitur corporibus et spiritualibus creaturis: ut patet ex his quae dicta sunt in 1. parte [q. 52. art. 1.]. Ergo videtur quod non possit dici corpus Christi ascendisse super omnem creaturam spiritualem.
Bedenkingen. — Men beweert, dat het lichaam van Christus niet boven elk geestelijk schepsel steeg. — 1. Tusschen dingen immers welke niet onder hetzelfde opzicht worden genomen, kan 332men slecht een vergelijking maken. Plaats nu wordt niet om dezelfde reden toegekend aan de lichamelijke en geestelijke schepselen, zooals blijkt uit het gezegde in het Eerste Deel (I. 52e Kw. 1e Art.). Dus kan men niet zeggen, dat het lichaam van Christus boven elk geestelijk schepsel uitsteeg.Bedenkingen. — Men beweert, dat het lichaam van Christus niet boven elk geestelijk schepsel steeg. — 1. Tussen dingen immers welke niet onder hetzelfde opzicht worden genomen, kan 332men slecht een vergelijking maken. Plaats nu wordt niet om dezelfde reden toegekend aan de lichamelijke en geestelijke schepselen, zoals blijkt uit het gezegde in het Eerste Deel (1 52e Kw. 1e Art.). Dus kan men niet zeggen, dat het lichaam van Christus boven elk geestelijk schepsel uitsteeg.
2. Praeterea, Augustinus dicit, in lib. de Vera Relig. [cap. 55.], quod « omni corpori spiritus praefertur ». Sed nobiliori rei sublimior debetur locus. Ergo videtur quod Christus non ascenderit super omnem spiritualem creaturam.
2. Augustinus zegt, dat « een geest het wint van elk lichaam. » Een edeler ding nu komt ook een hoogere plaats toe. Dus steeg Christus niet uit boven elk geestelijk schepsel.2. Augustinus zegt, dat “een geest het wint van elk lichaam.” Een edeler ding nu komt ook een hogere plaats toe. Dus steeg Christus niet uit boven elk geestelijk schepsel.
3. Praeterea, in omni loco est aliquod corpus: cum nihil sit vacuum in natura. Si ergo nullum corpus obtinet altiorem locum quam spiritus in ordine naturalium corporum, nullus locus erit super omnem spiritualem creaturam. Non ergo corpus Christi potuit ascendere super omnem spiritualem creaturam.
3. In iedere plaats is een of ander lichaam, daar in de natuur geen luchtledig is. Als derhalve in de orde der natuurlijke lichamen geen enkel lichaam een hoogere plaats verkrijgt, dan een geest, dan is er geen plaats boven elk geestelijk schepsel. Dus kon het lichaam van Christus niet boven elk geestelijk schepsel uitstijgen.3. In iedere plaats is een of ander lichaam, daar in de natuur geen luchtledig is. Als derhalve in de orde van de natuurlijke lichamen geen enkel lichaam een hogere plaats verkrijgt, dan een geest, dan is er geen plaats boven elk geestelijk schepsel. Dus kon het lichaam van Christus niet boven elk geestelijk schepsel uitstijgen.
Sed contra est quod dicitur Ephes. 1. [v. 20 et 21] : « Constituit illum supra omnem principatum et potestatem, et supra omne nomen quod nominatur sive in hoc saeculo sive in futuro ».
Daartegenover staat echter, dat in den Brief aan de Ephesiërs (1. 20, 21) gezegd wordt: « Hij stelde Hem boven alle vorstendommen en machten, en boven elken naam, die genoemd wordt hetzij in deze wereld, hetzij in de toekomstige. »Daartegenover staat echter, dat in de Brief aan de Efesiërs (1, 20, 21) gezegd wordt: “Hij stelde Hem boven alle vorstendommen en machten, en boven elke naam, die genoemd wordt hetzij in deze wereld, hetzij in de toekomstige.”
Respondeo dicendum quod tanto alicui rei debetur altior locus, quanto 333est nobilior: sive debeatur ei locus per modum contactus corporalis, sicut corporibus; sive per modum contactus spiritualis, sicut spiritualibus substantiis. Exinde enim spiritualibus substantiis debetur secundum quandam congruentiam locus coelestis, qui est supremus locorum, quia illae substantiae sunt supremae in ordine substantiarum. Corpus autem Christi, licet, considerando conditiones naturae corporeae, sit infra spirituales substantias; considerando tamen dignitatem unionis qua est personaliter Deo conjunctum, excellit dignitatem omnium spiritualium substantiarum. Et ideo, secundum praedictae congruentiae rationem, debetur ei locus altior ultra omnem creaturam etiam spiritualem. Unde et Gregorius dicit, in Hom. Ascensionis [quae est 29. in Evang.], quod « qui fecerat omnia, super omnia sua virtute ferebatur ».
Leerstelling. — Naarmate iets edeler is, komt er een 333hoogere plaats aan toe; hetzij het een plaats moet hebben bij wijze van lichamelijk contact, zooals de lichamen; hetzij bij wijze van geestelijk contact, zooals de geestelijke substanties. Aan de geestelijke substanties komt immers hierom uit een zekere gepastheid de hemelsche plaats toe, die de hoogste van alle plaatsen is- omdat deze substanties de hoogste zijn in de orde der substanties. Ofschoon het lichaam van Christus nu lager staat dan de geestelijke substanties, in aanmerking genomen de eigenschappen der lichamelijke natuur, overtreft het toch in waardigheid alle geestelijke substanties, wanneer men de verhevenheid der vereeniging in aanmerking neemt, waardoor het met God in persoon vereenigd is. En daarom komt om de voornoemde passende reden daaraan een plaats toe, die hooger is boven elk schepsel, ook boven het geestelijke. Daarom ook zegt Gregorius dat « Hij, die alles gemaakt had, door zijn kracht boven alles gevoerd werd. »Leerstelling. — Naarmate iets edeler is, komt er een 333hogere plaats aan toe; hetzij het een plaats moet hebben bij wijze van lichamelijk contact, zoals de lichamen; hetzij bij wijze van geestelijk contact, zoals de geestelijke substanties. Aan de geestelijke substanties komt immers hierom uit een zekere gepastheid de hemelse plaats toe, die de hoogste van alle plaatsen is- omdat deze substanties de hoogste zijn in de orde van de substanties. Ofschoon het lichaam van Christus nu lager staat dan de geestelijke substanties, in aanmerking genomen de eigenschappen van de lichamelijke natuur, overtreft het toch in waardigheid alle geestelijke substanties, wanneer men de verhevenheid van de vereniging in aanmerking neemt, waardoor het met God in persoon verenigd is. En daarom komt om de voornoemde passende reden daaraan een plaats toe, die hoger is boven elk schepsel, ook boven het geestelijke. Daarom ook zegt Gregorius dat “Hij, die alles gemaakt had, door zijn kracht boven alles gevoerd werd.”
Ad primum ergo dicendum quod, licet alia ratione attribuatur locus corporali et spirituali substantiae, tamen hoc est in utraque ratione commune, quod digniori rei attribuitur superior locus.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Ofschoon een plaats om een andere reden aan een lichamelijke, als aan een geestelijke substantie wordt toegekend, hebben beide beschouwingen toch dit gemeen, dat aan iets van meer waardigheid een hoogere plaats wordt toegekend.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Ofschoon een plaats om een andere reden aan een lichamelijke, als aan een geestelijke substantie wordt toegekend, hebben beide beschouwingen toch dit gemeen, dat aan iets van meer waardigheid een hogere plaats wordt toegekend.
Ad secundum dicendum quod ratio illa procedit de corpore Christi 334secundum conditionem naturae corporeae, non autem secundum relationem unionis.
2. Die redeneering neemt als uitgangspunt Christus' lichaam, 334beschouwd naar de eigenschappen van zijn lichamelijke natuur, en niet naar de vereeniging.2. Die redenering neemt als uitgangspunt Christus' lichaam, 334beschouwd naar de eigenschappen van zijn lichamelijke natuur, en niet naar de vereniging.
Ad tertium dicendum quod comparatio ista potest attendi vel secundum rationem locorum: et sic nullus locus est tam altus qui excedat dignitatem spiritualis substantiae; secundum quod procedit objectio. Vel secundum dignitatem eorum quibus attribuitur locus. Et sic corpori Christi debetur ut sit supra spirituales creaturas.
3. Men kan die vergelijking nemen ofwel onder het opzicht van plaatsen; en zoo opgevat is er geen plaats, die zoo hoog is, dat zij de waardigheid van een geestelijke substantie overtreft, en hier gaat de bedenking van uit. Ofwel naar de waardigheid van de dingen, waaraan de plaats wordt toegeschreven. En zoo komt het aan het lichaam van Christus toe, om boven de geestelijke schepselen te staan.3. Men kan die vergelijking nemen ofwel onder het opzicht van plaatsen; en zo opgevat is er geen plaats, die zo hoog is, dat zij de waardigheid van een geestelijke substantie overtreft, en hier gaat de bedenking van uit. Ofwel naar de waardigheid van de dingen, waaraan de plaats wordt toegeschreven. En zo komt het aan het lichaam van Christus toe, om boven de geestelijke schepselen te staan.
Utrum ascensio Christi sit causa nostrae salutis
Is de hemelvaart van Christus oorzaak van ons heil?
Ad sextum sic proceditur. Videtur quod ascensio Christi non sit causa nostrae salutis. Christus enim fuit causa nostrae salutis inquantum salutem nostram meruit. Sed per ascensionem nihil nobis meruit: quia ascensio pertinet ad praemium exaltationis ejus; non est autem idem meritum et 335praemium, sicut nec via et terminus. Ergo videtur quod ascensio Christi non sit causa nostrae salutis.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de hemelvaart van Christus geen oorzaak van ons heil is. — 1. Christus was immers oorzaak van ons heil, doordat Hij ons heil verdiend heeft. Door zijn hemelvaart echter heeft Hij niets voor ons verdiend, daar zijn hemelvaart behoort bij de belooning van zijn verheffing; de verdienste is niet hetzelfde als de belooning, zooals de weg ook niet 335hetzelfde is als het eindpunt. Dus is de hemelvaart van Christus geen oorzaak van ons heil.Bedenkingen. — Men beweert, dat de hemelvaart van Christus geen oorzaak van ons heil is. — 1. Christus was immers oorzaak van ons heil, doordat Hij ons heil verdiend heeft. Door zijn hemelvaart echter heeft Hij niets voor ons verdiend, daar zijn hemelvaart behoort bij de beloning van zijn verheffing; de verdienste is niet hetzelfde als de beloning, zoals de weg ook niet 335hetzelfde is als het eindpunt. Dus is de hemelvaart van Christus geen oorzaak van ons heil.
2. Praeterea, si ascensio Christi est causa nostrae salutis, maxime hoc videtur quantum ad hoc quod ascensio ejus sit causa nostrae ascensionis. Sed hoc collatum est nobis per ejus passionem: quia, ut dicitur Heb. 10. [v. 19], « habemus fiduciam in introitu sanctorum per sanguinem ipsius ». Ergo videtur quod ascensio Christi non fuerit causa nostrae salutis.
2. Als de hemelvaart van Christus oorzaak van ons heil is, dan zal dit allermeest hierin bestaan, dat zijn hemelvaart oorzaak is van onze hemelvaart. Deze is ons echter geschonken door zijn lijden, aangezien, zooals gezegd wordt in den Brief aan de Hebreën (10. 19) « wij hoop hebben op onze intrede bij de heiligen door zijn bloed ». Dus was de hemelvaart van Christus geen oorzaak van ons heil.2. Als de hemelvaart van Christus oorzaak van ons heil is, dan zal dit allermeest hierin bestaan, dat zijn hemelvaart oorzaak is van onze hemelvaart. Deze is ons echter geschonken door zijn lijden, aangezien, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Hebreën (10, 19) “wij hoop hebben op onze intrede bij de heiligen door zijn bloed”. Dus was de hemelvaart van Christus geen oorzaak van ons heil.
3. Praeterea, salus nobis per Christum collata est sempiterna: secundum illud Isa. 51. [v. 6] : « Salus autem mea in sempiternum erit ». Sed Christus non ascendit in coelum ut ibi in sempiternum esset: dicitur enim Act. 1. [v. 11] : « Quemadmodum vidistis eum ascendentem in coelum, ita veniet ». Legitur etiam multis sanctis se demonstrasse in terris post suam ascensionem: sicut de Paulo legitur Act. 9. Ergo videtur quod ejus ascensio non sit causa nostrae salutis.
3. Het heil, door Christus ons geschonken, is eeuwig, zooals gezegd wordt bij Isaïas (51. 6) : « Mijn heil zal in eeuwigheid duren ». Christus echter steeg niet ten hemel, om daar voor altijd te zijn; want in de Handelingen der Apostelen (1. 11) wordt gezegd: « Zooals gij Hem hebt zien opstijgen in den hemel, zoo zal Hij wederkeeren ». Wij lezen ook van Hem, dat Hij aan vele heiligen zich op aarde vertoond heeft na zijn hemelvaart, zooals wij lezen van Paulus in de Handelingen der Apostelen (hfdst. 9). Dus is zijn hemelvaart geen oorzaak van ons heil.3. Het heil, door Christus ons geschonken, is eeuwig, zoals gezegd wordt bij Jesaja (51, 6): “Mijn heil zal in eeuwigheid duren”. Christus echter steeg niet ten hemel, om daar voor altijd te zijn; want in de Handelingen van de Apostelen (1, 11) wordt gezegd: “Zoals gij Hem hebt zien opstijgen in de hemel, zo zal Hij wederkeren”. Wij lezen ook van Hem, dat Hij aan vele heiligen zich op aarde vertoond heeft na zijn hemelvaart, zoals wij lezen van Paulus in de Handelingen van de Apostelen (hfdst. 9). Dus is zijn hemelvaart geen oorzaak van ons heil.
Sed contra est quod ipse dicit, Joan. 16. [v. 7] : « Expedit vobis ut ego vadam » : idest, « ut recedam a vobis per ascensionem ».
Daartegenover staat echter, dat Hijzelf bij Joannes (16. 7) zegt: « Het is nuttig voor u, dat Ik heenga, » d. i. « dat Ik van u wegga door op te stijgen ».Daartegenover staat echter, dat Hijzelf bij Johannes (16, 7) zegt: “Het is nuttig voor u, dat Ik heenga,” d.i. “dat Ik van u wegga door op te stijgen”.
336Respondeo dicendum quod ascensio Christi est causa nostrae salutis dupliciter: uno modo, ex parte nostra; alio modo, ex parte ipsius. Ex parte quidem nostra, inquantum per Christi ascensionem mens nostra movetur in ipsum. Quia per ejus ascensionem, sicut supra dictum est [art. 1. huj. q. ad 3.], primo quidem datur locus fidei; secundo, spei; tertio, charitati. Quarto etiam, per hoc reverentia nostra augetur ad ipsum, dum jam non existimamus eum sicut hominem terrenum, sed sicut Deum coelestem: sicut et Apostolus dicit 2. ad Cor. 5. [v. 16] : « Et si cognovimus secundum carnem Christum », « idest, mortalem per quod putavimus eum tantum hominem », ut Gloss. [Lomb.] exponit: « sed nunc jam non novimus ». Ex parte autem sua, quantum ad ea quae ipse fecit ascendens propter nostram salutem. Primo quidem viam nobis praeparavit ascendendi in coelum: secundum quod ipse dicit, Joan. 14. [v. 2] : « Vado parare vobis locum » ; et Mich. 2. [v. 13] : « Ascendit pandens iter ante eos ». Quia enim ipse est caput nostrum, oportet illuc sequi membra quo caput praecessit: unde dicitur Joan. 14. [v. 3] : « Ut ubi ego sum, et vos sitis ». Et in 337hujus signum, animas sanctorum quas de inferno eduxerat, in coelum traduxit, secundum illud Ps. 67. [v. 19] : « Ascendens Christus in altum captivam duxit captivitatem » : quia scilicet eos qui fuerant a diabolo captivati, secum duxit in coelum, quasi in locum peregrinum humanae naturae, bona captione captivos, utpote per victoriam acquisitos. Secundo quia, sicut pontifex in veteri Testamento intrabat sanctuarium ut assisteret Deo pro populo, ita et Christus intravit coelum « ad interpellandum pro nobis », ut dicitur Heb. 7. [v. 25]. Ipsa enim repraesentatio sui ex natura humana, quam in coelum intulit, est quaedam interpellatio pro nobis: ut, ex quo Deus humanam naturam sic exaltavit in Christo, etiam eorum misereatur pro quibus Filius Dei humanam naturam assumpsit. Tertio ut, in coelorum sede quasi Deus et Dominus constitutus, exinde divina dona hominibus mitteret: secundum illud Ephes. 4. [v. 10] : « Ascendit super omnes coelos ut adimpleret omnia », scilicet « donis suis », secundum Glossam [interl.].
336Leerstelling. — De hemelvaart van Christus is op dubbele wijze oorzaak van ons heil: vooreerst van onzen kant; vervolgens van zijn kant. — En wel van onzen kant in zoover door Christus' hemelvaart onze geest tot Hem wordt gevoerd. Want door zijn hemelvaart wordt, zooals boven gezegd is (1e Art. van deze Kw. 3e Antw.) vooreerst plaats geboden voor 't geloof, ten tweede voor de hoop, ten derde voor de liefde. Op de vierde plaats wordt ook hierdoor onze eerbied voor Hem grooter, doordat wij Hem niet meer beschouwen als een mensch dezer aarde, maar als den God van den hemel; zooals ook de Apostel zegt in den Tweeden Brief aan de Corinthiërs (5. 16) : « Al hebben wij Christus ook leeren kennen naar zijn vleesch », « d. i. als sterfelijk, waardoor wij Hem slechts beschouwen als mensch, » zooals de Glossa uitlegt, « toch kennen wij Hem nu nog niet. » — Vervolgens van zijn kant: om de dingen, die Hijzelf deed, toen Hij tot ons heil ten hemel steeg. Vooreerst heeft Hij ons een weg bereid om naar den hemel op te stijgen, zooals Hijzelf bij Joannes (14. 2) zegt: « Ik ga u een plaats bereiden; » en Micheas (2. 13) : « Hij steeg op, een weg voor hen bereidend. » Want daar Hij zelf ons hoofd is, moeten de ledematen volgen, daar waar het hoofd is voorgegaan; vandaar wordt bij Joannes (14. 3) gezegd: « Opdat waar Ik ben, 337ook zij mogen zijn. » En tot teeken hiervan bracht Hij de zielen der heiligen, die Hij uit het voorgeborchte der hel gevoerd had, over naar den hemel, naar het woord in het Boek der Psalmen (67. 19) : « Christus opstijgend in de hoogte, voerde de gevangenschap gevangen » (Eph. 4. 8), daar Hij nl. degenen, die door den duivel gevangen waren, met zich mede voerde naar den hemel, als naar een plaats, die uitheemsch is voor de menschelijke natuur, hen nl., die bij een goede vangst gevangen waren, want ze werden buitgemaakt door zijn overwinning. Ten tweede, omdat Christus, evenals de hoogepriester in het O. Testament in het heiligdom binnentrad, om te staan voor God in het belang van het volk, zoo ook in den hemel binnenging « om voor ons te smeeken, » zooals gezegd wordt in den Brief aan de Hebreën (7. 25). Want zijn verschijning zelf in zijn menschelijke natuur, welke Hij in den hemel binnenbracht, is een tusschenkomst voor ons, opdat God, nu Hij de menschelijke natuur zoo in Christus verheven heeft, ook zich ontfermen zou over hen, voor wie de Zoon Gods de menschelijke natuur heeft aangenomen. Ten derde, om, nu Hij als God en Heer geplaatst is op zijn hemeltroon, van daaruit goddelijke gaven aan de menschen te zenden, overeenkomstig het woord in den Brief aan de Ephesiërs (4. 10) : « Hij steeg op boven alle hemelen, om alles te vervullen, » nl. « met zijn gaven », zooals de Glossa zegt.336Leerstelling. — De hemelvaart van Christus is op dubbele wijze oorzaak van ons heil: vooreerst van onze kant; vervolgens van zijn kant. — En wel van onze kant in zover door Christus' hemelvaart onze geest tot Hem wordt gevoerd. Want door zijn hemelvaart wordt, zoals boven gezegd is (1e Art. van deze Kw. 3e Antw.) vooreerst plaats geboden voor 't geloof, ten tweede voor de hoop, ten derde voor de liefde. Op de vierde plaats wordt ook hierdoor onze eerbied voor Hem groter, doordat wij Hem niet meer beschouwen als een mens van deze aarde, maar als de God van de hemel; zoals ook de Apostel zegt in de Tweede Brief aan de Korintiërs (5, 16): “Al hebben wij Christus ook leren kennen naar zijn vlees”, “d.i. als sterfelijk, waardoor wij Hem slechts beschouwen als mens,” zoals de Glossa uitlegt, “toch kennen wij Hem nu nog niet.” — Vervolgens van zijn kant: om de dingen, die Hijzelf deed, toen Hij tot ons heil ten hemel steeg. Vooreerst heeft Hij ons een weg bereid om naar de hemel op te stijgen, zoals Hijzelf bij Johannes (14, 2) zegt: “Ik ga u een plaats bereiden;” en Micheas (2, 13): “Hij steeg op, een weg voor hen bereidend.” Want daar Hij zelf ons hoofd is, moeten de ledematen volgen, daar waar het hoofd is voorgegaan; vandaar wordt bij Johannes (14, 3) gezegd: “Opdat waar Ik ben, 337ook zij mogen zijn.” En tot teken hiervan bracht Hij de zielen van de heiligen, die Hij uit het voorgeborchte van de hel gevoerd had, over naar de hemel, naar het woord in het Boek van de Psalmen (67, 19)a: “Christus opstijgend in de hoogte, voerde de gevangenschap gevangen” (Ef. 4. 8), daar Hij nl. degenen, die door de duivel gevangen waren, met zich mede voerde naar de hemel, als naar een plaats, die uitheems is voor de menselijke natuur, hen nl., die bij een goede vangst gevangen waren, want ze werden buitgemaakt door zijn overwinning. Ten tweede, omdat Christus, evenals de hogepriester in het O. Testament in het heiligdom binnentrad, om te staan voor God in het belang van het volk, zo ook in de hemel binnenging “om voor ons te smeken,” zoals gezegd wordt in de Brief aan de Hebreën (7, 25). Want zijn verschijning zelf in zijn menselijke natuur, welke Hij in de hemel binnenbracht, is een tussenkomst voor ons, opdat God, nu Hij de menselijke natuur zo in Christus verheven heeft, ook zich ontfermen zou over hen, voor wie de Zoon Gods de menselijke natuur heeft aangenomen. Ten derde, om, nu Hij als God en Heer geplaatst is op zijn hemeltroon, van daaruit goddelijke gaven aan de mensen te zenden, overeenkomstig het woord in de Brief aan de Efesiërs (4, 10): “Hij steeg op boven alle hemelen, om alles te vervullen,” nl. “met zijn gaven”, zoals de Glossa zegt.
338Ad primum ergo dicendum quod ascensio Christi est causa nostrae salutis, non per modum meriti, sed per modum efficientiae: sicut supra de resurrectione dictum est [q. praec. art. 1. ad 3. et 4.].
338Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De hemelvaart van Christus is oorzaak van ons heil, niet bij wijze van verdienste maar op uitwerkende wijze, zooals boven van zijn verrijzenis gezegd is (vorige Kw. 1e Art. 3e en 4e Antw.).338Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De hemelvaart van Christus is oorzaak van ons heil, niet bij wijze van verdienste maar op uitwerkende wijze, zoals boven van zijn verrijzenis gezegd is (vorige Kw. 1e Art. 3e en 4e Antw.).
Ad secundum dicendum quod passio Christi est causa nostrae ascensionis in coelum, proprie loquendo, per remotionem peccati prohibentis, et per modum meriti. Ascensio autem Christi est directe causa ascensionis nostrae, quasi inchoando ipsam in capite nostro, cui oportet membra conjungi.
2. Het lijden van Christus is eigenlijk gezegd oorzaak van onze hemelvaart door de zonde weg te nemen, die ons tegenhoudt, en bij wijze van verdienste. De hemelvaart van Christus echter is direkt oorzaak van onze hemelvaart, daar zij deze om zoo te zeggen al laat beginnen met ons hoofd, waarmede de ledematen moeten verbonden worden.2. Het lijden van Christus is eigenlijk gezegd oorzaak van onze hemelvaart door de zonde weg te nemen, die ons tegenhoudt, en bij wijze van verdienste. De hemelvaart van Christus echter is direct oorzaak van onze hemelvaart, daar zij deze om zo te zeggen al laat beginnen met ons hoofd, waarmede de ledematen moeten verbonden worden.
Ad tertium dicendum quod Christus, semel ascendens in coelum, adeptus est sibi et nobis in perpetuum jus et dignitatem mansionis coelestis. Cui tamen dignitati non derogat si ex aliqua dispensatione Christus quandoque corporaliter ad terram descendat: vel ut ostendat se omnibus, sicut in judicio; vel ut ostendat se alicui specialiter, sicut Paulo, ut habetur Act. 9. Et ne quis credat hoc factum fuisse, non Christo ibi corporaliter praesente, sed aliqualiter apparente, contrarium apparet per hoc quod 339ipse Apostolus dicit, 1. ad Cor. 15. [v. 8], ad confirmandam resurrectionis fidem: « Novissime omnium, tanquam abortivo, visus est et mihi ». Quae quidem visio veritatem resurrectionis non probaret nisi verum Christi corpus visum fuisset ab eo.
3. Door eenmaal ten hemel op te stijgen, heeft Christus voor zichzelf en voor ons voor altijd het recht op het verblijf in den hemel gekregen en de waardigheid daarvan. Deze waardigheid wordt echter niet verkleind, als om een of andere beschikking Christus soms lichamelijk naar de aarde afdaalt, hetzij om zich aan allen te vertoonen, zooals bij het oordeel; hetzij om zich aan iemand afzonderlijk te vertoonen, zooals aan Paulus, gelijk wij lezen in de Handelingen der Apostelen (9). En opdat nu niet iemand meenen zou, dat dit niet gebeurd is door de lichamelijke tegenwoordigheid van Christus aldaar, maar door een of andere verschijning, blijkt het tegengestelde uit hetgeen de Apostel zegt in den Eersten 339Brief aan de Corinthiërs (15. 8), om het geloof in de verrijzenis te versterken: « Ten laatste van allen is Hij ook aan mij verschenen, als aan een misgeborene. » Deze verschijning zou immers de echtheid zijner verrijzenis niet bewijzen, tenzij het werkelijke lichaam van Christus door hem gezien was.3. Door eenmaal ten hemel op te stijgen, heeft Christus voor zichzelf en voor ons voor altijd het recht op het verblijf in de hemel gekregen en de waardigheid daarvan. Deze waardigheid wordt echter niet verkleind, als om een of andere beschikking Christus soms lichamelijk naar de aarde afdaalt, hetzij om zich aan allen te vertonen, zoals bij het oordeel; hetzij om zich aan iemand afzonderlijk te vertonen, zoals aan Paulus, gelijk wij lezen in de Handelingen van de Apostelen (9). En opdat nu niet iemand menen zou, dat dit niet gebeurd is door de lichamelijke tegenwoordigheid van Christus aldaar, maar door een of andere verschijning, blijkt het tegengestelde uit hetgeen de Apostel zegt in de Eerste 339Brief aan de Korintiërs (15, 8), om het geloof in de verrijzenis te versterken: “Ten laatste van allen is Hij ook aan mij verschenen, als aan een misgeborene.” Deze verschijning zou immers de echtheid van zijn verrijzenis niet bewijzen, tenzij het werkelijke lichaam van Christus door hem gezien was.