Theologische Summa · Tertia Pars · Zijn levensloopSumma · III · Zijn levensloopSumma · III · Kw. 43Kw. 43
Quaestio XLIII

De miraculis a Christo factis in generali

Kwestie 43

Over de wonderen welke door Christus verricht zijn in het algemeen

(Vier Artikelen.)

427Deinde considerandum est de miraculis a Christo factis, et primo in generali; secundo in speciali de singulis miraculorum generibus; tertio in particulari de transfiguratione ipsius.

427Daarna behandelen we de wonderen welke door Christus verricht zijn. En eerst in het algemeen; vervolgens over de soorten van wonderen in het bizonder; ten derde speciaal over zijn gedaanteverwisseling.

Circa primum quaeruntur quatuor: 1. Utrum Christus debuerit miracula facere. — 2. Utrum fecerit ea virtute divina. — 3. Quo tempore inceperit miracula facere. — 4. Utrum per miracula fuerit sufficienter ostensa ejus divinitas.

Omtrent het eerste stellen we ons vier vragen. 1. Had Christus wel wonderen moeten verrichten? 2. Heeft Hij ze gedaan met goddelijke kracht? 3. Wanneer is Hij begonnen wonderen te doen? 4. Is door zijn wonderen zijn Godheid voldoende aangetoond?

Articulus I

Utrum Christus debuerit facere miracula

[Opusc. 2. cap. 7. et opusc. 3. cap. 135, et opusc. 11. cap. 17. et opusc. 60. cap. 65. princ.]
Ie Artikel

Had Christus wel wonderen moeten doen?

antwoord 1 ↓

428Ad primum sic proceditur. Videtur, quod Christus miracula facere non debuerit. Factum enim Christi verbo ipsius debuit concordare. Sed ipse dicit Matth. 16. [v. 4] : « Generatio mala et adultera signum quaerit, et signum non dabitur ei, nisi signum Jonae Prophetae ». Non ergo debuit miracula facere.

428Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus geen wonderen had moeten doen. — 1. Christus' daden moesten immers met zijn woorden in overeenstemming zijn. Maar zelf zegt Hij bij Mattheus (16, 4) : « Een boos en overspelig geslacht vraagt een teeken; en geen teeken zal het gegeven worden, dan het teeken van Jonas den profeet ». Dus moest Hij geen wonderen doen.428Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus geen wonderen had moeten doen. — 1. Christus' daden moesten immers met zijn woorden in overeenstemming zijn. Maar zelf zegt Hij bij Matteüs (16, 4): “Een boos en overspelig geslacht vraagt een teken; en geen teken zal het gegeven worden, dan het teken van Jonas de profeet”. Dus moest Hij geen wonderen doen.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, sicut Christus in secundo adventu venturus est « in virtute magna et majestate », ut dicitur Matth. 24. [v. 30], ita in primo adventu venit in infirmitate, secundum illud Isa. 53. [v. 3] : « Virum dolorum et scientem infirmitatem ». Sed operatio miraculorum magis pertinet ad virtutem, quam ad infirmitatem. Ergo non fuit conveniens, quod in primo adventu miracula faceret.

2. Gelijk Christus bij zijn tweede komst zal komen met groote macht en majesteit, zooals geschreven staat bij Mattheus (24, 30), zoo kwam Hij bij zijn eerste komst in zwakheid, volgens het woord van Isaïas (53, 3) : « Den man van smarten, in lijden ervaren ». Maar wonderen werken is meer een teeken van kracht dan wel van zwakte. Dus was het niet passend, dat Hij bij zijn eerste komst wonderen deed.2. Gelijk Christus bij zijn tweede komst zal komen met grote macht en majesteit, zoals geschreven staat bij Matteüs (24, 30), zo kwam Hij bij zijn eerste komst in zwakheid, volgens het woord van Jesaja (53, 3): “De man van smarten, in lijden ervaren”. Maar wonderen werken is meer een teken van kracht dan wel van zwakte. Dus was het niet passend, dat Hij bij zijn eerste komst wonderen deed.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Christus venit ad hoc, ut homines salvaret per fidem, secundum illud Heb. 12. [v. 2] : « Aspicientes in auctorem fidei et 429consummatorem Jesum ». Sed miracula diminuunt meritum fidei. Unde Dominus Joan. 4. [v. 48] dicit: « Nisi signa et prodigia videritis, non creditis ». Ergo non videtur, quod Christus debuerit miracula facere.

3. Christus is gekomen om de menschen door het geloof zalig te maken: volgens den tekst uit den Brief aan de Hebreeën (12, 2) : 429« Het oog gevestigd op den Jesus, aanvang en einde van het geloof ». Maar wonderen verminderen de verdienste van het geloof: vandaar zegt de Heer bij Joannes (4, 48) : « Zoo ge geen teekenen en wonderen ziet, gelooft ge niet ». Dus schijnt het wel, dat Christus geen wonderen had moeten doen.3. Christus is gekomen om de mensen door het geloof zalig te maken: volgens de tekst uit de Brief aan de Hebreeën (12, 2): 429“Het oog gevestigd op de Jesus, aanvang en einde van het geloof”. Maar wonderen verminderen de verdienste van het geloof: vandaar zegt de Heer bij Johannes (4, 48): “Zo ge geen tekenen en wonderen ziet, gelooft ge niet”. Dus schijnt het wel, dat Christus geen wonderen had moeten doen.

Sed contra est, quod ex persona adversariorum Dei dicitur Joan. 11. [v. 47] : « Quid facimus, quia hic homo multa signa facit? »

Daartegenover staat echter dat de tegenstanders zeggen (Joannes, 11, 47) : « Wat gedaan? Want die man doet veel wonderteekenen ».Daartegenover staat echter dat de tegenstanders zeggen (Johannes, 11, 47): “Wat gedaan? Want die man doet veel wondertekenen”.

Respondeo dicendum, quod divinitus conceditur homini miracula facere, propter duo. Primo quidem et principaliter ad confirmandam veritatem, quam aliquis docet. Quia enim ea quae sunt fidei, humanam rationem excedunt, non possunt per rationes humanas probari, sed oportet quod probentur per argumentum divinae virtutis, ut dum aliquis facit opera, quae solus Deus facere potest, credantur ea quae dicuntur esse a Deo, sicut cum aliquis defert literas annulo regis signatas, creditur ex voluntate regis processisse, quod in illis continetur. Secundo ad ostendendam praesentiam 430Dei in homine per gratiam Spiritus Sancti, ut dum scilicet homo facit opera Dei, credatur Deus habitare in eo per gratiam. Unde dicitur Galat. 3. [v. 5] : « Qui tribuit vobis Spiritum, operatur virtutes in vobis ».

Leerstelling. — Van Godswege wordt het aan den mensch toegestaan wonderen te doen, om twee redenen. En wel ten eerste en voornamelijk, om de waarheid te bevestigen, welke iemand leert. Omdat immers het voorwerp van het geloof, het menschelijk verstand te boven gaat, is het niet te bewijzen uit menschelijke inzichten, maar wel uit het bewijs van Gods kracht: en zoo zal, wanneer iemand de werken doet, welke alleen God kan verrichten, datgene wat gezegd wordt, geloofd worden van God te komen; zooals ook, wanneer iemand een brief overbrengt, vergezeld met den ring des konings, geloofd wordt dat datgene wat er in staat, de wil des konings is. — Ten tweede, om aan te toonen dat God door de genade van den Heiligen Geest in den mensch 430tegenwoordig is: opdat, wanneer nl. de mensch Gods werken verricht, geloofd worde, dat God in hem door de genade woont. Vandaar wordt er gezegd in den Brief aan de Galaten (3, 5) : « Hij die u den Geest verleent en wonderen onder u werkt ».Leerstelling. — Van Godswege wordt het aan de mens toegestaan wonderen te doen, om twee redenen. En wel ten eerste en voornamelijk, om de waarheid te bevestigen, welke iemand leert. Omdat immers het voorwerp van het geloof, het menselijk verstand te boven gaat, is het niet te bewijzen uit menselijke inzichten, maar wel uit het bewijs van Gods kracht: en zo zal, wanneer iemand de werken doet, welke alleen God kan verrichten, datgene wat gezegd wordt, geloofd worden van God te komen; zoals ook, wanneer iemand een brief overbrengt, vergezeld met de ring van de koning, geloofd wordt dat datgene wat er in staat, de wil van de koning is. — Ten tweede, om aan te tonen dat God door de genade van de Heilige Geest in de mens 430tegenwoordig is: opdat, wanneer nl. de mens Gods werken verricht, geloofd worde, dat God in hem door de genade woont. Vandaar wordt er gezegd in de Brief aan de Galaten (3, 5): “Hij die u de Geest verleent en wonderen onder u werkt”.

Utrumque autem circa Christum erat hominibus manifestandum, scilicet quod Deus esset in eo per gratiam, non adoptionis, sed unionis, et quod ejus supernaturalis doctrina esset a Deo. Et ideo convenientissimum fuit, ut miracula faceret. Unde ipse dicit Joan. 10. [v. 38] : « Si mihi non vultis credere, operibus credite », et Joan. 5. [v. 36] : « Opera, quae dedit mihi Pater ut faciam, ipsa sunt, quae testimonium perhibent de me ».

Wat nu Christus betreft, moesten beide dingen aan de menschen duidelijk gemaakt worden: en wel dat God in Hem was door de genade, niet die van aanneming, maar der vereeniging; en dat zijn bovennatuurlijke leer van God kwam. En dus was het zeer passend, dat Hij wonderen deed. Vandaar zegt Hij zelf bij Joannes (10, 38) : « Zoo ge Mij niet wilt gelooven, gelooft dan de werken ». En Joannes (5, 36) : « De werken die de Vader Mij te volbrengen gaf, de werken juist die Ik doe, zij getuigen van Mij ».Wat nu Christus betreft, moesten beide dingen aan de mensen duidelijk gemaakt worden: en wel dat God in Hem was door de genade, niet die van aanneming, maar van de vereniging; en dat zijn bovennatuurlijke leer van God kwam. En dus was het zeer passend, dat Hij wonderen deed. Vandaar zegt Hij zelf bij Johannes (10, 38): “Zo ge Mij niet wilt geloven, gelooft dan de werken”. En Johannes (5, 36): “De werken die de Vader Mij te volbrengen gaf, de werken juist die Ik doe, zij getuigen van Mij”.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod hoc quod dicit: « Signum non dabitur ei, nisi signum Jonae Prophetae » intelligendum est, ut Chrysostomus dicit [hom. 44. in Matth.], quod tunc « non acceperunt tale signum, quale petebant, scilicet de coelo, non quod nullum signum eis dederit; vel quia signa faciebat non propter eos, quos sciebat lapideas esse, sed ut alios emendaret, et ideo non eis, sed aliis illa signa dabantur ».

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Die tekst: « Geen teeken zal het gegeven worden, dan het teeken van Jonas den Profeet », moet, zooals Chrysostomus zegt, zóó verstaan worden, dat zij toen niet het teeken ontvingen waarom ze vroegen, nl. (een teeken) uit den hemel: niet, dat Hij hun in het geheel geen teeken gaf. — Of zóó, dat Hij teekenen deed, niet om hen, van wie Hij wist dat ze van steen waren, maar ten einde anderen te verbeteren. En daarom dus werden die teekenen niet aan hen gegeven, maar aan anderen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Die tekst: “Geen teken zal het gegeven worden, dan het teken van Jonas de Profeet”, moet, zoals Chrysostomus zegt, zó verstaan worden, dat zij toen niet het teken ontvingen waarom ze vroegen, nl. (een teken) uit de hemel: niet, dat Hij hun in het geheel geen teken gaf. — Of zó, dat Hij tekenen deed, niet om hen, van wie Hij wist dat ze van steen waren, maar ten einde anderen te verbeteren. En daarom dus werden die tekenen niet aan hen gegeven, maar aan anderen.

↑ bedenking 2

431Ad secundum dicendum, quod licet Christus venerit in infirmitate carnis (quod manifestatur per passiones), venit tamen in virtute Dei, quod erat manifestandum per miracula.

4312. Ook al kwam Christus dan in het zwakke vleesch, wat blijkt uit zijn lijden, toch kwam Hij in de kracht van God. Wat juist aangetoond moest worden door de wonderen.4312. Ook al kwam Christus dan in het zwakke vlees, wat blijkt uit zijn lijden, toch kwam Hij in de kracht van God. Wat juist aangetoond moest worden door de wonderen.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod miracula intantum diminuunt meritum fidei, inquantum per hoc ostenditur duritia eorum, qui nolunt credere ea quae Scripturis divinis probantur, nisi per miracula. Et tamen melius est eis, ut vel per miracula convertantur ad fidem, quam quod omnino in infidelitate permaneant; dicitur enim 1. ad Corinth 14. [v. 22], quod « signa data sunt infidelibus », ut scilicet convertantur ad fidem.

3. In zooverre kan men zeggen, dat wonderen de verdienste van het geloof verminderen, in zooverre daardoor de hardheid tot uiting komt van hen, die niet dan door wonderen willen gelooven wat bewezen wordt in Gods Schriften. En toch is het voor hen beter, dat ze dan maar door wonderen tot het geloof bekeerd worden, dan dat ze heelemaal in ongeloof blijven. Want in den Eersten Brief aan de Korinthiërs staat geschreven (14, 22) dat aan de ongeloovigen teekenen werden gegeven, opdat ze nl. tot het geloof zouden bekeerd worden.3. In zoverre kan men zeggen, dat wonderen de verdienste van het geloof verminderen, in zoverre daardoor de hardheid tot uiting komt van hen, die niet dan door wonderen willen geloven wat bewezen wordt in Gods Schriften. En toch is het voor hen beter, dat ze dan maar door wonderen tot het geloof bekeerd worden, dan dat ze helemaal in ongeloof blijven. Want in de Eerste Brief aan de Korintiërs staat geschreven (14, 22) dat aan de ongelovigen tekenen werden gegeven, opdat ze nl. tot het geloof zouden bekeerd worden.

Articulus II

Utrum Christus fecerit miracula divina virtute

[3. Dist. 15. q. 1. art. 3. corp. et Dist. 16. q. 1. art. 3. corp. et ad 4. et 4. Dist. 5. q. 1. art. 1. et opusc. 11. cap. 17.]
IIe Artikel

Heeft Christus wonderen gedaan door goddelijke kracht?

antwoord 1 ↓

Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod Christus non fecerit miracula divina virtute. Virtus enim divina est omnipotens. Sed videtur, quod 432Christus non fuerit omnipotens in miraculis faciendis: dicitur enim Marci 6. [v. 5], quod « non poterat ibi, scilicet in patria sua, virtutem ullam facere ». Ergo videtur, quod non fecerit miracula virtute divina.

Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus geen wonderen heeft gedaan door goddelijke kracht. — 1. Gods kracht immers is almachtig. Het schijnt echter, dat Christus niet almachtig 432geweest is bij het doen van wonderen; want bij Marcus staat (6, 5), dat Hij daar nl. in zijn vaderland geen een wonder kon doen. Dus schijnt het wel, dat Hij geen wonderen deed door goddelijke kracht.Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus geen wonderen heeft gedaan door goddelijke kracht. — 1. Gods kracht immers is almachtig. Het schijnt echter, dat Christus niet almachtig 432geweest is bij het doen van wonderen; want bij Marcus staat (6, 5), dat Hij daar nl. in zijn vaderland geen een wonder kon doen. Dus schijnt het wel, dat Hij geen wonderen deed door goddelijke kracht.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Dei non est orare. Sed Christus aliquando in miraculis faciendis orabat, ut patet in suscitatione Lazari, Joan. 11. [v. 41-42], et in multiplicatione panum ut patet Matth. 14. [v. 19]. Ergo videtur, quod non fecerit miracula virtute divina.

2. God bidt niet. Maar Christus bad wel eens, als Hij wonderen deed, zooals blijkt bij de opwekking van Lazarus, waarover Joannes (11, 41, 42) ; en bij de vermenigvuldiging der brooden, zooals blijkt uit Mattheus (14, 19). Dus schijnt het wel, dat Hij geen wonderen deed in goddelijke kracht.2. God bidt niet. Maar Christus bad wel eens, als Hij wonderen deed, zoals blijkt bij de opwekking van Lazarus, waarover Johannes (11, 41, 42); en bij de vermenigvuldiging van de broden, zoals blijkt uit Matteüs (14, 19). Dus schijnt het wel, dat Hij geen wonderen deed in goddelijke kracht.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, ea quae virtute divina fiunt, non possunt virtute alicujus creaturae fieri. Sed ea quae Christus faciebat, poterant etiam fieri in virtute alicujus creaturae; unde et pharisaei ei dicebant, quod « in Beelzebub principe daemoniorum ejiciebat daemonia », Lucae 11. [v. 15]. Ergo videtur, quod Christus non fecerit miracula virtute divina.

3. Wat tot stand komt door goddelijke macht, kan niet tot stand komen door kracht van een schepsel. Maar wat Christus deed kon ook gedaan worden met de kracht van een schepsel: vandaar zeiden ook de Farizeën, dat Hij door Beëlzebub den vorst der duivels, de duivels uitdreef. (Lucas, 11, 15). Dus schijnt het wel, dat Christus geen wonderen verrichtte in goddelijke kracht.3. Wat tot stand komt door goddelijke macht, kan niet tot stand komen door kracht van een schepsel. Maar wat Christus deed kon ook gedaan worden met de kracht van een schepsel: vandaar zeiden ook de Farizeën, dat Hij door Beëlzebub de vorst van de duivels, de duivels uitdreef. (Lukas, 11, 15). Dus schijnt het wel, dat Christus geen wonderen verrichtte in goddelijke kracht.

Sed contra est, quod Dominus dicit Joan. 14. [v. 10] : « Pater in me manens ipse facit opera ».

Daartegenover staat echter, dat de Heer zegt (Joannes, 14, 10) : « Het is de Vader, die in Mij blijft, die zelf de werken verricht ».Daartegenover staat echter, dat de Heer zegt (Johannes, 14, 10): “Het is de Vader, die in Mij blijft, die zelf de werken verricht”.

Respondeo dicendum, quod, sicut in prima parte habitum est [q. 110. 433art. 4.], vera miracula sola virtute divina fieri possunt quia solus Deus potest mutare naturae ordinem, quod pertinet ad rationem miraculi. Unde Leo Papa dicit in epist. ad Flavianum [Ep. 10. cap. 4.], quod cum in Christo sint duae naturae, una earum est divina, quae fulget miraculis, altera, scilicet humana, quae succumbit injuriis. Et tamen una earum agit cum communicatione alterius, inquantum scilicet humana natura est instrumentum divinae actionis, et actio humana virtutem accipit a natura divina, sicut supra habitum est [q. 13. art. 3.].

Leerstelling. — Zooals in het eerste deel gezegd is (110e 433Kw., 4e A.) kunnen wonderen alleen door goddelijke kracht verricht worden, omdat alleen God de orde in de natuur kan veranderen, wat tot het wezen van het wonder behoort. Vandaar zegt Paus Leo in zijn Brief Aan Flavianus (28e Br., 4e H.) dat, wijl er in Christus twee naturen zijn, een van die twee, en wel de goddelijke door wonderen schittert; de andere, nl. de menschelijke, onder mishandelingen bezwijkt; en toch werkt de een in vereeniging met de andere: inzoover nl. de menschelijke natuur het werktuig is der goddelijke werking, en de menschelijke werking kracht ontvangt van de goddelijke natuur, zooals boven behandeld is (19e Kw., 1e A.).Leerstelling. — Zoals in het eerste deel gezegd is (110e 433Kw., 4e A.) kunnen wonderen alleen door goddelijke kracht verricht worden, omdat alleen God de orde in de natuur kan veranderen, wat tot het wezen van het wonder behoort. Vandaar zegt Paus Leo in zijn Brief Aan Flavianus (28e Br., 4e H.) dat, wijl er in Christus twee naturen zijn, een van die twee, en wel de goddelijke door wonderen schittert; de andere, nl. de menselijke, onder mishandelingen bezwijkt; en toch werkt de een in vereniging met de andere: inzover nl. de menselijke natuur het werktuig is van de goddelijke werking, en de menselijke werking kracht ontvangt van de goddelijke natuur, zoals boven behandeld is (19e Kw., 1e A.).

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod hoc quod dicitur: « Non poterat ibi ullam virtutem facere » non est referendum ad potentiam absolutam, sed ad id quod potest fieri congruenter. Non enim congruum erat, ut inter incredulos operaretur miracula; unde subditur: « Et mirabatur propter incredulitatem eorum » [v. 6]. Secundum quem modum dicitur Gen. 18. [v. 17] : « Num celare potero Abraham quae gesturus sum? », et 19. [v. 22] : « Non potero facere quidquam, donec ingrediaris illuc ».

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Die tekst: « Hij kon daar geen een wonder doen », slaat niet op zijn almacht zonder meer, maar op wat er hier gevoegelijk kon gebeuren: want het kwam niet te pas, dat er onder ongeloovigen wonderen gedaan werden. Vandaar volgt er op: « En Hij verwonderde zich over hun ongeloof ». In dienzelfden zin staat er in Genesis (18, 17) : « Voor Abraham kan Ik niet verborgen houden, wat Ik ga doen ». en (19, 22) : « Ik zal niets kunnen uitrichten voordat gij daar binnen zult zijn getreden ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Die tekst: “Hij kon daar geen een wonder doen”, slaat niet op zijn almacht zonder meer, maar op wat er hier gevoegelijk kon gebeuren: want het kwam niet te pas, dat er onder ongelovigen wonderen gedaan werden. Vandaar volgt er op: “En Hij verwonderde zich over hun ongeloof”. In dienzelfden zin staat er in Genesis (18, 17): “Voor Abraham kan Ik niet verborgen houden, wat Ik ga doen”. en (19, 22): “Ik zal niets kunnen uitrichten voordat gij daar binnen zult zijn getreden”.

↑ bedenking 2

434Ad secundum dicendum, quod, sicut Chrysostomus dicit super illud Matth. 14. [v. 19] : « Acceptis quinque panibus et duobus piscibus, aspiciens in coelum benedixit, et fregit » [hom. 50. in Matth.], « oportebat credi de Christo, quoniam a Patre est, et quod ei aequalis est. Et ideo ut utrumque ostendat, nunc quidem cum potestate, nunc autem orans miracula facit. Et in minoribus quidem respicit in coelum, puta in multiplicatione panum; in majoribus autem, quae sunt solius Dei, cum potestate a seipso agit, puta quando peccata dimisit, mortuos suscitavit ».

4342. Hierop is te antwoorden met den uitleg welke Chrysostomus geeft aan den tekst van Mattheus (14, 19) : « Na de vijf brooden en de twee visschen genomen te hebben zag Hij op ten hemel en sprak den zegen uit ». — « Het was noodig, dat er van Christus geloofd werd, zoowel dat Hij van den Vader gekomen was, als dat Hij Hem gelijk was. En om dat nu allebei aan te toonen, verrichtte Hij nu eens zijn wonderen met macht, dan weer op gebed. En bij de kleinere zag Hij op ten hemel, zooals b. v. bij de broodvermenigvuldiging: bij de grootere echter, welke alleen God kan verrichten, handelde Hij met macht, zooals b. v. toen Hij zonden vergaf of dooden ten leven wekte ».4342. Hierop is te antwoorden met de uitleg welke Chrysostomus geeft aan de tekst van Matteüs (14, 19): “Na de vijf broden en de twee vissen genomen te hebben zag Hij op ten hemel en sprak de zegen uit”. — “Het was nodig, dat er van Christus geloofd werd, zowel dat Hij van de Vader gekomen was, als dat Hij Hem gelijk was. En om dat nu allebei aan te tonen, verrichtte Hij nu eens zijn wonderen met macht, dan weer op gebed. En bij de kleinere zag Hij op ten hemel, zoals bv. bij de broodvermenigvuldiging: bij de grotere echter, welke alleen God kan verrichten, handelde Hij met macht, zoals bv. toen Hij zonden vergaf of doden ten leven wekte”.

Quod autem dicitur, Joan. 11, quod in suscitatione Lazari oculos sursum levavit, non propter necessitatem suffragii, sed propter exemplum hoc fecit; unde dicit: « Propter populum, qui circumstat, dixi, ut credant, quia tu me misisti ».

Dat Hij echter, zooals bij Joannes (11) te lezen staat, bij de opwekking van Lazarus de oogen naar boven sloeg, dat deed Hij niet, omdat Hij het noodig had te bidden, maar om ons een voorbeeld te geven. Vandaar zegt Hij: « Ik zeg het terwille van de omstaande menigte, opdat ze mogen gelooven, dat Gij Mij gezonden hebt ».Dat Hij echter, zoals bij Johannes (11) te lezen staat, bij de opwekking van Lazarus de ogen naar boven sloeg, dat deed Hij niet, omdat Hij het nodig had te bidden, maar om ons een voorbeeld te geven. Vandaar zegt Hij: “Ik zeg het terwille van de omstaande menigte, opdat ze mogen geloven, dat Gij Mij gezonden hebt”.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod Christus alio modo expellebat daemones, scilicet quam virtute daemonum expellantur, nam virtute superiorum daemonum ita daemones a corporibus hominum expelluntur, quod tamen remanet dominium eorum quantum ad animam: non enim contra regnum suum 435diabolus agit. Sed Christus daemones expellebat non solum a corpore, sed multo magis ab anima, et ideo Dominus blasphemiam Pharisaeorum dicentium eum in virtute daemoniorum daemonia ejicere, reprobavit, primo quidem per hoc, quod Satanas contra seipsum non dividitur; secundo exemplo aliorum, qui daemonia ejiciebant per spiritum Dei; tertio, quia daemonium expellere non posset, nisi ipsum vicisset virtute divina; quarto, quia nulla convenientia in operibus nec in effectu erat sibi et Satanae, cum Satanas dispergere cuperet, quos Christus colligebat.

3. Christus dreef op een andere manier de duivelen uit, dan ze worden uitgedreven door de kracht der duivelen. Want door de kracht der hoogere duivelen worden de duivelen zóó uit het lichaam verdreven, dat toch nog hun macht over de ziel blijft bestaan: want de duivel gaat niet in tegen zijn eigen rijk. Maar 435Christus verdreef de duivelen niet alleen uit het lichaam, maar veeleer uit de ziel. En daarom weerlegde Hij de godslastering der Joden, die zeiden, dat Hij in de kracht van den duivel de duivelen uitdreef, met er eerstens op te wijzen, dat Satan niet tegen zich zelf verdeeld kan zijn. En ten tweede door het voorbeeld van anderen, die door den Geest Gods de duivelen uitwierpen. Ten derde, dat Hij den duivel niet zou kunnen uitdrijven, als Hij hem eerst niet zelf overwonnen had, door goddelijke kracht. Ten vierde, met er op te wijzen, dat er geen enkele overeenkomst bestaat, tusschen zijn werken en hun gevolgen, en die van Satan: want Satan verlangde te verstrooien wat Christus bijeenbracht.3. Christus dreef op een andere manier de duivelen uit, dan ze worden uitgedreven door de kracht van de duivelen. Want door de kracht van de hogere duivelen worden de duivelen zó uit het lichaam verdreven, dat toch nog hun macht over de ziel blijft bestaan: want de duivel gaat niet in tegen zijn eigen rijk. Maar 435Christus verdreef de duivelen niet alleen uit het lichaam, maar veeleer uit de ziel. En daarom weerlegde Hij de godslastering van de Joden, die zeiden, dat Hij in de kracht van de duivel de duivelen uitdreef, met er eerstens op te wijzen, dat Satan niet tegen zichzelf verdeeld kan zijn. En ten tweede door het voorbeeld van anderen, die door de Geest Gods de duivelen uitwierpen. Ten derde, dat Hij de duivel niet zou kunnen uitdrijven, als Hij hem eerst niet zelf overwonnen had, door goddelijke kracht. Ten vierde, met er op te wijzen, dat er geen enkele overeenkomst bestaat, tussen zijn werken en hun gevolgen, en die van Satan: want Satan verlangde te verstrooien wat Christus bijeenbracht.

Articulus III

Utrum Christus inceperit facere miracula in nuptiis

[1. Dist. 44. in exp. lit. et opusc. 11. cap. 18. et Joan. 1. lect. 21. fin. et cap. 15. lect. 5. fin.]
IIIe Artikel

Is Christus begonnen wonderen te doen, toen Hij bij de bruiloft water in wijn veranderde?

antwoord 1 ↓

Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod Christus non inceperit miracula facere in nuptiis, mutando aquam in vinum. Legitur enim in lib. de 436Infantia Salvatoris, quod Christus in sua pueritia multa miracula fecit. Sed miraculum de conversione aquae in vinum fecit in nuptiis trigesimo vel trigesimo primo anno suae aetatis. Ergo videtur, quod non inceperit tunc miracula facere.

Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet begonnen is wonderen te doen, toen Hij bij de bruiloft water in wijn veranderde. — 1. Want in het boek Over de Kindsheid des 436Zaligmakers staat te lezen, dat Christus in zijn jeugd vele wonderen gedaan heeft. Maar het wonder der verandering van water in wijn deed Hij bij de bruiloft toen Hij dertig of een en dertig jaar oud was. Dus schijnt het wel, dat Hij niet toen is begonnen met wonderen te doen.Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet begonnen is wonderen te doen, toen Hij bij de bruiloft water in wijn veranderde. — 1. Want in het boek Over de Kindsheid des 436Zaligmakers staat te lezen, dat Christus in zijn jeugd vele wonderen gedaan heeft. Maar het wonder van de verandering van water in wijn deed Hij bij de bruiloft toen Hij dertig of een en dertig jaar oud was. Dus schijnt het wel, dat Hij niet toen is begonnen met wonderen te doen.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Christus faciebat miracula secundum virtutem divinam. Sed virtus divina in eo a principio suae conceptionis erat: ex tunc enim fuit Deus et homo. Ergo videtur, quod a principio miracula fecerit.

2. Christus deed wonderen met goddelijke macht. Maar de goddelijke macht was van het begin zijner ontvangenis af al in Hem : want van dat oogenblik af was Hij God en mensch. Dus schijnt het wel, dat Hij van het begin af aan wonderen gedaan heeft.2. Christus deed wonderen met goddelijke macht. Maar de goddelijke macht was van het begin van zijn ontvangenis af al in Hem: want van dat ogenblik af was Hij God en mens. Dus schijnt het wel, dat Hij van het begin af aan wonderen gedaan heeft.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Christus post baptismum et tentationem coepit discipulos congregare, ut legitur Matth. 4. [v. 18 sqq.] et Joan. 1. [v. 35 sqq.]. Sed discipuli praecipue congregati sunt ad ipsum propter miracula, sicut dicitur Luc. 5. [v. 4 sqq.], quod Petrum vocavit obstupescentem propter miraculum, quod fecerat in captura piscium. Ergo videtur, quod ante miraculum, quod fecit in nuptiis, fecerit alia miracula.

3. Christus is nà zijn doopsel en bekoring begonnen leerlingen om zich heen te verzamelen, zooals te lezen staat bij Mattheus (4, 18) en Joannes (1, 35). Maar de leerlingen zijn voornamelijk naar Hem toe gekomen van wege de wonderen: zooals Lucas zegt (5, 4), dat Hij Petrus riep toen deze stom van verbazing was om het wonder, dat Hij verricht had bij de vischvangst. Dus schijnt het wel dat Hij vóór het wonder, dat Hij bij de bruiloft gedaan heeft, nog andere wonderen verricht heeft.3. Christus is nà zijn doopsel en bekoring begonnen leerlingen om zich heen te verzamelen, zoals te lezen staat bij Matteüs (4, 18) en Johannes (1, 35). Maar de leerlingen zijn voornamelijk naar Hem toe gekomen van wege de wonderen: zoals Lukas zegt (5, 4), dat Hij Petrus riep toen deze stom van verbazing was om het wonder, dat Hij verricht had bij de visvangst. Dus schijnt het wel dat Hij vóór het wonder, dat Hij bij de bruiloft gedaan heeft, nog andere wonderen verricht heeft.

Sed contra est, quod dicitur Joan. 2. [v. 11] : « Hoc fecit initium signorum Jesus in Cana Galilaeae ».

Daartegenover staat echter, dat Joannes zegt (2, 11) : « Zoo deed Jesus zijn eerste wonder te Cana van Galilea ».Daartegenover staat echter, dat Johannes zegt (2, 11): “Zo deed Jesus zijn eerste wonder te Kana van Galilea”.

437Respondeo dicendum, quod miracula facta sunt a Christo propter confirmationem doctrinae ejus, et ad ostendendam virtutem divinam in ipso. Et ideo, quantum ad primum, non debuit ante miracula facere, quam docere inciperet. Non autem debuit incipere docere ante perfectam aetatem, ut supra habitum est [q. 39. art. 3.], cum de baptismo ejus ageretur.

437Leerstelling. — De redenen waarom Christus wonderen gedaan heeft, waren dat Hij zijn leer wilde bevestigen en de goddelijke macht in Hem wilde toonen. Wat nu het eerste aangaat moest Hij dus niet eerder wonderen doen dan toen Hij begon te leeraren. Hij behoorde echter niet met leeraren te beginnen vóór den volmaakten leeftijd, zooals boven gezegd is (39e Kw., 3e Art.) toen over zijn doopsel gehandeld werd.437Leerstelling. — De redenen waarom Christus wonderen gedaan heeft, waren dat Hij zijn leer wilde bevestigen en de goddelijke macht in Hem wilde tonen. Wat nu het eerste aangaat moest Hij dus niet eerder wonderen doen dan toen Hij begon te leraren. Hij behoorde echter niet met leraren te beginnen vóór de volmaakte leeftijd, zoals boven gezegd is (39e Kw., 3e Art.) toen over zijn doopsel gehandeld werd.

Quantum autem ad secundum, sic debuit per miracula deitatem ostendere, ut crederetur veritas humanitatis ipsius. Et ideo, sicut dicit Chrysostomus super Joan. [hom. 20.], « decenter non incipit signa facere in prima aetate; existimassent enim phantasma esse incarnationem, et ante opportunum tempus cruci tradidissent ».

En wat het tweede betreft, moest Hij door wonderen zóó zijn Godheid bewijzen, dat toch nog de waarachtigheid van zijn menschheid zou geloofd worden. En daarom zegt Chrysostomus, « begon Hij gevoegelijk geen wonderen te doen van zijn eerste jaar af: men zou immers gemeend hebben, dat de vleeschwording maar fantasie was en nog vóór den juisten tijd zou zijn aangebroken, zouden ze Hem aan den kruisdood hebben overgeleverd ».En wat het tweede betreft, moest Hij door wonderen zó zijn Godheid bewijzen, dat toch nog de waarachtigheid van zijn mensheid zou geloofd worden. En daarom zegt Chrysostomus, “begon Hij gevoegelijk geen wonderen te doen van zijn eerste jaar af: men zou immers gemeend hebben, dat de vleeswording maar fantasie was en nog vóór de juiste tijd zou zijn aangebroken, zouden ze Hem aan de kruisdood hebben overgeleverd”.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod, sicut Chrysostomus dicit super Joan. [c. 1, v. 31] ex verbo Joannis Baptistae dicentis: « Ut manifestetur in Israël, propterea veni ego in aqua baptizans » [hom. 16.], manifestum est, quod « illa signa, quae quidam dicunt in pueritia a Christo facta, 438mendacia et fictiones sunt. Si enim a prima aetate miracula fecisset Christus, nequaquam Joannes eum ignorasset, neque reliqua multitudo indiguisset magistro ad manifestandum eum ».

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Hierop is te antwoorden met de woorden van Chrysostomus (in zijn 17e Homelie) op Joannes (1, 31), naar aanleiding van het gezegde van Joannes den Dooper: « Maar juist daarom kwam ik doopen met water, om Hem aan Israël bekend te maken ». — « Het is wel duidelijk, dat die teekenen, welke ze dan zeggen, dat door Christus in zijn jeugd verricht zijn, leugens en verzinsels zijn. Want als Christus van 438zijn jeugd af aan wonderen had gedaan, dan zou het uitgesloten zijn geweest, dat Joannes Hem niet had gekend, en dan zou ook de overige menigte geen leermeester noodig hebben gehad om Hem bekend te maken ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Hierop is te antwoorden met de woorden van Chrysostomus (in zijn 17e Homelie) op Johannes (1, 31), naar aanleiding van het gezegde van Johannes de Doper: “Maar juist daarom kwam ik dopen met water, om Hem aan Israël bekend te maken”. — “Het is wel duidelijk, dat die tekenen, welke ze dan zeggen, dat door Christus in zijn jeugd verricht zijn, leugens en verzinsels zijn. Want als Christus van 438zijn jeugd af aan wonderen had gedaan, dan zou het uitgesloten zijn geweest, dat Johannes Hem niet had gekend, en dan zou ook de overige menigte geen leermeester nodig hebben gehad om Hem bekend te maken”.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod Dei virtus operabatur in Christo, secundum quod erat necessarium ad salutem humanam, propter quam carnem assumpserat; et ideo sic miracula fecit virtute divina, ut fidei de veritate carnis ejus praejudicium non fieret.

2. De goddelijke kracht werkte in Christus naar gelang het noodig was voor het heil der menschen, ter wille waarvan Hij het vleesch had aangenomen. En daarom verrichtte Hij de wonderen, welke hij door goddelijke macht werkte, zóó, dat er geen beletsel kon gesteld worden voor het geloof aan de waarachtigheid van zijn lichaam.2. De goddelijke kracht werkte in Christus naar gelang het nodig was voor het heil van de mensen, ter wille waarvan Hij het vlees had aangenomen. En daarom verrichtte Hij de wonderen, welke hij door goddelijke macht werkte, zó, dat er geen beletsel kon gesteld worden voor het geloof aan de waarachtigheid van zijn lichaam.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod hoc ipsum ad laudem discipulorum pertinet, quod Christum secuti sunt, cum nulla eum miracula facere vidissent; sicut Gregorius dicit in quadam homil. [hom. 5. in Evang.] ; et Chrysostomus dicit [hom. 22. in Joan.] : « Tunc signa maxime necessarium erat facere, quando discipuli jam congregati erant, et devoti, et attendentes his, quae fiebant ». Unde subditur Joan. 2. [v. 11] : « Et crediderunt in eum discipuli ejus », non quia tunc primum crediderunt, sed quia tunc diligentius et perfectius crediderunt; vel discipulos vocat eos, qui futuri erant discipuli, sicut Augustinus in lib. 2. de Consens. Evang. [cap. 17.].

3. Het strekt juist de leerlingen tot lof, dat ze Christus gevolgd zijn ofschoon ze Hem geen wonderen hadden zien doen, zooals Gregorius zegt, in een Homelie. En, zooals Chrysostomus zegt was het vooral toen noodig dat Hij teekens verrichtte, toen de leerlingen Hem al gevolgd waren en Hem waren toegewijd en opgingen in wat er gebeurde. Vandaar staat er aan toegevoegd: « En zijn leerlingen geloofden in Hem ». Niet omdat ze toen pas voor het eerst geloofden; maar omdat hun geloof toen stipter en volmaakter was. — Ofwel noemt Hij leerlingen, wat in de toekomst leerlingen zouden zijn, zooals Augustinus uitlegt in zijn werk Over de Overeenstemming der Evangeliën (2e B., 17e H.).3. Het strekt juist de leerlingen tot lof, dat ze Christus gevolgd zijn ofschoon ze Hem geen wonderen hadden zien doen, zoals Gregorius zegt, in een Homelie. En, zoals Chrysostomus zegt was het vooral toen nodig dat Hij tekens verrichtte, toen de leerlingen Hem al gevolgd waren en Hem waren toegewijd en opgingen in wat er gebeurde. Vandaar staat er aan toegevoegd: “En zijn leerlingen geloofden in Hem”. Niet omdat ze toen pas voor het eerst geloofden; maar omdat hun geloof toen stipter en volmaakter was. — Ofwel noemt Hij leerlingen, wat in de toekomst leerlingen zouden zijn, zoals Augustinus uitlegt in zijn werk Over de Overeenstemming van de Evangeliën (2e B., 17e H.).

Articulus IV

Utrum miracula per Christum facta sufficienter ejus divinitatem ostenderint

[3. Dist. 15. q. 1. art. 1. et Dist. 16. q. 1. art. 3 corp. et lib. 1. Contr. g. cap. 6. et lib. 4. cap. 55. ad 8. et Quodl. 2. art. 6. ad 4. et Joan. 15. lect. 5.]
IVe Artikel

Waren de wonderen welke Christus gedaan heeft voldoende om zijn Godheid te bewijzen?

antwoord 1 ↓

439Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod miracula, quae Christus fecit, non fuerint sufficientia ad ostendendam divinitatem ipsius. Esse enim Deum et hominem, proprium est Christo. Sed miracula, quae Christus fecit, etiam ab aliis sunt facta. Ergo videtur, quod non fuerint sufficientia ad ostendendam divinitatem ipsius.

439Bedenkingen. — Men beweert, dat de wonderen welke Christus verricht heeft niet voldoende geweest zijn, om zijn Godheid te bewijzen. — 1. God en mensch te zijn is alleen eigen aan Christus. Maar de wonderen welke Hij verricht heeft hebben ook anderen gedaan. Dus schijnt het wel, dat ze niet konden volstaan om zijn Godheid te bewijzen.439Bedenkingen. — Men beweert, dat de wonderen welke Christus verricht heeft niet voldoende geweest zijn, om zijn Godheid te bewijzen. — 1. God en mens te zijn is alleen eigen aan Christus. Maar de wonderen welke Hij verricht heeft hebben ook anderen gedaan. Dus schijnt het wel, dat ze niet konden volstaan om zijn Godheid te bewijzen.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, virtute divina nihil est majus. Sed aliqui fecerunt majora miracula, quam Christus: dicitur enim Joan. 14. [v. 12] : « Qui credit in me, opera quae ego facio, et ipse faciet, et majora horum faciet ». Ergo videtur, quod miracula, quae Christus fecit, non fuerint sufficientia ad ostendendam divinitatem ipsius.

2. Niets gaat Gods kracht te boven. Maar sommigen hebben grootere wonderen gedaan dan Christus: want bij Joannes staat te lezen (14, 12) : « Wie in Mij gelooft ook Hij zal de werken doen die Ik zelf verricht; en zelfs grootere zal hij doen ». Het schijnt dus wel, dat de wonderen, welke Christus gedaan heeft, niet bij machte waren om zijn Godheid te bewijzen.2. Niets gaat Gods kracht te boven. Maar sommigen hebben grotere wonderen gedaan dan Christus: want bij Johannes staat te lezen (14, 12): “Wie in Mij gelooft ook Hij zal de werken doen die Ik zelf verricht; en zelfs grotere zal hij doen”. Het schijnt dus wel, dat de wonderen, welke Christus gedaan heeft, niet bij machte waren om zijn Godheid te bewijzen.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, ex particulari non sufficienter ostenditur universale. Sed 440quodlibet miraculorum Christi fuit quoddam particulare opus. Ergo ex nullo eorum potuit manifestari sufficienter divinitas Christi, ad quam pertinet universalem virtutem habere de omnibus.

3. Het algemeene bewijst men niet voldoende uit het 440particuliere. Maar ieder wonder van Christus was een op zich zelf staand werk. Dus kon uit geen enkel er van voldoende Christus' Godheid aangetoond worden, waaraan het eigen is een macht te bezitten, welke zich over alles uitstrekt.3. Het algemene bewijst men niet voldoende uit het 440particuliere. Maar ieder wonder van Christus was een op zichzelf staand werk. Dus kon uit geen enkel er van voldoende Christus' Godheid aangetoond worden, waaraan het eigen is een macht te bezitten, welke zich over alles uitstrekt.

Sed contra est, quod Dominus dicit Joan. 5. [v. 36] : « Opera, quae dedit mihi Pater ut faciam, ipsa testimonium perhibent de me ».

Daartegenover staat echter, dat de Heer zegt (Joannes, 5, 36) : « De werken die de Vader Mij te volbrengen gaf, de werken juist die Ik doe, zij getuigen van Mij ».Daartegenover staat echter, dat de Heer zegt (Johannes, 5, 36): “De werken die de Vader Mij te volbrengen gaf, de werken juist die Ik doe, zij getuigen van Mij”.

Respondeo dicendum, quod miracula, quae Christus fecit, sufficientia erant ad manifestandam divinitatem ipsius, secundum tria. Primo quidem secundum ipsam speciem operum, quae transcendebant omnem potestatem creatae virtutis; et ideo non poterant fieri, nisi virtute divina. Et propter hoc caecus illuminatus dicebat Joan. 9. [v. 32-33] : « A saeculo non est auditum, quia aperuit quis oculos caeci nati; nisi esset hic a Deo, non poterat facere quidquam ».

Leerstelling. — De wonderen die Christus gedaan heeft, volstaan om zijn Godheid te bewijzen, om hun drievoudig karakter. En wel ten eerste, om den eigen aard dier werken, daar ze alle kracht eener geschapen macht te boven gingen, en dus konden ze niet geschieden, dan alleen door goddelijke kracht. En vandaar zeide de blinde, toen hij het licht had teruggekregen (Joannes, 9, 32, 33) : « Nooit in der eeuwigheid is het gehoord, dat iemand de oogen van een blindgeborene heeft geopend. Als Hij niet van God kwam, zou Hij niets kunnen doen ».Leerstelling. — De wonderen die Christus gedaan heeft, volstaan om zijn Godheid te bewijzen, om hun drievoudig karakter. En wel ten eerste, om de eigen aard van die werken, daar ze alle kracht van een geschapen macht te boven gingen, en dus konden ze niet geschieden, dan alleen door goddelijke kracht. En vandaar zeide de blinde, toen hij het licht had teruggekregen (Johannes, 9, 32, 33): “Nooit in de eeuwigheid is het gehoord, dat iemand de ogen van een blindgeborene heeft geopend. Als Hij niet van God kwam, zou Hij niets kunnen doen”.

Secundo propter modum miracula faciendi, quia scilicet quasi ex propria potestate miracula faciebat, non autem orando, sicut alii; unde dicitur Luc. 6. [v. 19] quod « virtus de illo exibat, et 441sanabat omnes », per quod ostenditur, sicut Cyrillus dicit [Comm. in Luc.], quod « non accipiebat alienam virtutem; sed cum esset naturaliter Deus, propriam virtutem super infirmos ostendebat; et propter hoc innumerabilia miracula faciebat ». Unde super illud Matth. 8. [v. 16] : « Ejiciebat spiritus verbo, et omnes mala habentes curavit » dicit Chrysostomus [hom. 28. in Matth.] : « Intende, quantam multitudinem hominum curatam transcurrunt Evangelistae, non unumquemque curatum enarrantes, sed uno verbo pelagus ineffabile miraculorum inducentes ». Et ex hoc ostendebatur, quod haberet virtutem coaequalem Deo Patri, secundum illud Joan. 5. [v. 19] : « Quaecumque Pater facit, haec et Filius similiter facit », et ibidem [v. 21] : « Sicut Pater suscitat mortuos, et vivificat, sic et Filius hominis, quos vult vivificat ».

Ten tweede, om de wijze van wonderen doen: want Hij deed nl. wonderen als uit eigen macht, en niet door te bidden, zooals de anderen. Vandaar zegt Lucas (6, 19) dat er een kracht van Hem uitging, die allen genas. Waardoor bewezen 441wordt, zooals Cyrillus zegt (in zijn Commentaar op Lucas) dat Hij de kracht niet van een ander ontving: maar omdat Hij van nature God was toonde Hij zijn eigen kracht over de zieken. En daarom deed Hij ook ontelbare wonderen. Vandaar zegt Chrysostomus in zijn verklaring der woorden van Mattheus (8, 16) : « En met een woord dreef Hij de geesten uit, en genas Hij alle zieken ». — « Let eens op wat een groote menigte van genezenen de Evangelisten opsommen: zij verhalen wel niet iedere genezing, maar met één woord voeren ze een onnoemelijk aantal wonderen op ». En hieruit werd aangetoond, dat zijn kracht die van den Vader evenaardde, volgens het woord van Joannes (5, 19) : « Al wat de Vader doet, dat doet ook de Zoon eveneens »; en even verder (v. 21) : « Want zooals de Vader de dooden opwekt en levend maakt, zoo maakt ook de Zoon levend al wie Hij wil ».Ten tweede, om de wijze van wonderen doen: want Hij deed nl. wonderen als uit eigen macht, en niet door te bidden, zoals de anderen. Vandaar zegt Lukas (6, 19) dat er een kracht van Hem uitging, die allen genas. Waardoor bewezen 441wordt, zoals Cyrillus zegt (in zijn Commentaar op Lukas) dat Hij de kracht niet van een ander ontving: maar omdat Hij van nature God was toonde Hij zijn eigen kracht over de zieken. En daarom deed Hij ook ontelbare wonderen. Vandaar zegt Chrysostomus in zijn verklaring van de woorden van Matteüs (8, 16): “En met een woord dreef Hij de geesten uit, en genas Hij alle zieken”. — “Let eens op wat een grote menigte van genezenen de Evangelisten opsommen: zij verhalen wel niet iedere genezing, maar met één woord voeren ze een onnoemelijk aantal wonderen op”. En hieruit werd aangetoond, dat zijn kracht die van de Vader evenaardde, volgens het woord van Johannes (5, 19): “Al wat de Vader doet, dat doet ook de Zoon eveneens”; en even verder (v. 21): “Want zoals de Vader de doden opwekt en levend maakt, zo maakt ook de Zoon levend al wie Hij wil”.

Tertio ex ipsa doctrina, qua se Deum dicebat, quae nisi vera esset, non confirmaretur miraculis divina virtute factis. Et ideo dicitur Marci 1. [v. 27] : « Quaenam doctrina haec nova, quia in potestate spiritibus immundis imperat, et obediunt ei ?».

Ten derde om de leer zelf waarin Hij zeide dat Hij God was: want als die leer niet waar zou geweest zijn, dan zou ze niet bevestigd zijn geworden door wonderen, door goddelijke kracht tot stand gebracht. En daarom staat er bij Marcus (1, 27) : « Wat is dat voor een nieuwe leer, daar Hij met gezag de onreine geesten gebiedt en ze Hem gehoorzamen? »Ten derde om de leer zelf waarin Hij zeide dat Hij God was: want als die leer niet waar zou geweest zijn, dan zou ze niet bevestigd zijn geworden door wonderen, door goddelijke kracht tot stand gebracht. En daarom staat er bij Marcus (1, 27): “Wat is dat voor een nieuwe leer, daar Hij met gezag de onreine geesten gebiedt en ze Hem gehoorzamen?”

↑ bedenking 1

442Ad primum ergo dicendum, quod haec erat objectio Gentilium. Unde Augustinus dicit in Epist. ad Volusianum [Ep. 137, c. 4] : « Nullis, inquiunt, competentibus signis tantae majestatis indicia claruerunt, quia larvalis illa purgatio, qua scilicet daemones effugabat, debilium cura, reddita vita defunctis, si et alia considerentur, Deo parva sunt ». Et ad hoc respondet Augustinus [ibid.] : « Fatemur et nos talia quaedam fecisse Prophetas. Sed et ipse Moyses et caeteri Prophetae Dominum Jesum prophetaverunt et ei gloriam magnam dederunt. Qui propterea talia et ipse facere voluit, ne esset absurdum, quae per illos fecerat, si ipse etiam non faceret. Sed tamen et aliquid proprium facere debuit, nasci de virgine, resurgere a mortuis, coelum ascendere. Hoc Deo qui parum putat, quid plus expectet ignoro. Num homine assumpto alium mundum facere debuit, ut eum esse crederemus, per quem factus est mundus? Sed nec major mundus, nec isti aequalis in hoc mundo fieri posset. Si autem minorem faceret infra 443istum, similiter hoc quoque parum putaretur ».

442Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dit was een opwerping der heidenen. Vandaar zegt Augustinus in zijn Brief Aan Volusianus (137e Br., 4e H.) : « Er hebben, zoo zeggen zij, geen aanwijzingen door evenredige teekenen voor zulk een majesteit geschitterd. Want die nietszeggende zuivering, waardoor Hij nl. de duivelen uitdreef, die genezing van gebrekkigen, dat leven, teruggegeven aan gestorvenen, en al die andere dingen, hebben, als men ze goed beschouwd, voor een God weinig te beteekenen ». En hierop antwoordt Augustinus: « Ook wij geven toe, dat de profeten ook wel van die dingen hebben gedaan. Maar én Moses juist én de overige profeten hebben den Heer Jesus voorspeld, en hebben Hem groote glorie gebracht. En daarom wilde Hij ook zelf die dingen doen, want het zou toch te dwaas zijn, als Hij zelf niet zou doen, wat Hij wèl door anderen had gedaan. Maar Hij moest toch ook iets eigens doen: geboren worden uit een Maagd, van de dooden opstaan, ten hemel opklimmen. Ik zou niet weten, wat iemand, die dat andere te min voor God vindt, nog meer van Hem zou kunnen verwachten! Had Hij dan soms, na mensch geworden te zijn, een andere wereld moeten maken, opdat wij zouden gelooven, dat Hij het was, door wien de wereld gemaakt is? Maar hier kan toch geen grootere wereld of een zelfde gemaakt worden: en als Hij een kleinere dan deze gemaakt had, dan zou ook dàt weer voor te weinig gehouden worden ».442Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dit was een opwerping van de heidenen. Vandaar zegt Augustinus in zijn Brief Aan Volusianus (137e Br., 4e H.): “Er hebben, zo zeggen zij, geen aanwijzingen door evenredige tekenen voor zulk een majesteit geschitterd. Want die nietszeggende zuivering, waardoor Hij nl. de duivelen uitdreef, die genezing van gebrekkigen, dat leven, teruggegeven aan gestorvenen, en al die andere dingen, hebben, als men ze goed beschouwd, voor een God weinig te betekenen”. En hierop antwoordt Augustinus: “Ook wij geven toe, dat de profeten ook wel van die dingen hebben gedaan. Maar én Moses juist én de overige profeten hebben de Heer Jesus voorspeld, en hebben Hem grote glorie gebracht. En daarom wilde Hij ook zelf die dingen doen, want het zou toch te dwaas zijn, als Hij zelf niet zou doen, wat Hij wèl door anderen had gedaan. Maar Hij moest toch ook iets eigens doen: geboren worden uit een Maagd, van de doden opstaan, ten hemel opklimmen. Ik zou niet weten, wat iemand, die dat andere te min voor God vindt, nog meer van Hem zou kunnen verwachten! Had Hij dan soms, na mens geworden te zijn, een andere wereld moeten maken, opdat wij zouden geloven, dat Hij het was, door wie de wereld gemaakt is? Maar hier kan toch geen grotere wereld of een zelfde gemaakt worden: en als Hij een kleinere dan deze gemaakt had, dan zou ook dàt weer voor te weinig gehouden worden”.

Quae tamen alii fecerunt, Christus excellentius fecit. Unde super illud Joan. 15. [v. 24] : « Si opera non fecissem in eis, quae nemo alius fecit » etc. dicit Augustinus [tract. 91.] : « Nulla in operibus Christi videntur esse majora, quam suscitatio mortuorum, quod scimus etiam antiquos fecisse Prophetas. Fecit tamen aliqua Christus, quae nemo alius fecit. Sed respondetur nobis, et alios fecisse, quae nec ipse, nec alius fecit. Sed qui tam multa vitia et malas valetudines vexationesque mortalium tanta potestate sanaret, nullus omnino legitur antiquorum. Ut enim taceam, quos jubendo, sicut occurrebant, salvos singulos fecit, Marcus dicit [c. 6, v. 56], quod quocumque loco introibat in vicos, aut in villas, aut in civitates, in plateis ponebant infirmos, et deprecabantur eum, ut vel fimbriam vestimenti ejus tangerent, et quotquot tangebant eum, salvi fiebant. Haec nemo alius fecit in eis. Sic enim intelligendum est, quod ait in eis, non inter eos, aut coram eis, sed prorsus in eis, quia sanavit eos. Nec tamen alius quicumque in eis talia 444opera fecit, quoniam quisquis alius homo aliquid eorum fecit, ipso faciente fecit; hoc autem ipse non illis facientibus fecit ».

443Christus heeft wel gedaan wat anderen deden, maar Hij deed het op een verhevener wijze. Vandaar zegt Augustinus op den tekst van Joannes (15, 24) : « Had Ik onder hen de werken niet gedaan, die niemand anders gedaan heeft, enz. » — « Onder de werken van Christus schijnt er geen een grooter te zijn, dan de opwekking der dooden : wat, gelijk we weten, ook de oude profeten gedaan hebben. Christus heeft echter sommige dingen gedaan, die niemand anders gedaan heeft. Maar men geeft ons ten antwoord, dat ook anderen gedaan hebben wat noch Hij, noch een ander gedaan heeft. Maar er staat toch van geen der ouden te lezen, dat ze zóóveel gebreken en ongesteldheden en kwellingen van stervelingen met zoo een macht genezen hebben. Want (om er nu maar over te zwijgen, dat Hij door te bevelen de menschen één voor één genas, zooals ze aan kwamen loopen) Marcus zegt (6, 56) : « En waar Hij ook kwam, in dorpen en steden of gehuchten, daar legden ze de zieken neer op de pleinen, en baden Hem, dat ze slechts den zoom van zijn kleed mochten aanraken. En allen die Hem aanraakten, werden genezen ». Dat heeft toch niemand anders in hen uitgewerkt. Zoo immers moeten we het « in hen » verstaan: hij zegt niet « onder hen » of « in tegenwoordigheid van hen », maar nadrukkelijk « in hen », omdat Hij hen genas. Toch was het niet iemand anders, die in hen dergelijke werken verrichtte: want welke 444andere mensch ook iets dergelijks deed, die deed het door zijn toedoen; maar die andere dingen verrichtte Hij zelf, zonder dat zij er toe medewerkten ».443Christus heeft wel gedaan wat anderen deden, maar Hij deed het op een verhevener wijze. Vandaar zegt Augustinus op de tekst van Johannes (15, 24): “Had Ik onder hen de werken niet gedaan, die niemand anders gedaan heeft, enz.” — “Onder de werken van Christus schijnt er geen een groter te zijn, dan de opwekking van de doden: wat, gelijk we weten, ook de oude profeten gedaan hebben. Christus heeft echter sommige dingen gedaan, die niemand anders gedaan heeft. Maar men geeft ons ten antwoord, dat ook anderen gedaan hebben wat noch Hij, noch een ander gedaan heeft. Maar er staat toch van geen van de ouden te lezen, dat ze zóveel gebreken en ongesteldheden en kwellingen van stervelingen met zo een macht genezen hebben. Want (om er nu maar over te zwijgen, dat Hij door te bevelen de mensen één voor één genas, zoals ze aan kwamen lopen) Marcus zegt (6, 56): ‘En waar Hij ook kwam, in dorpen en steden of gehuchten, daar legden ze de zieken neer op de pleinen, en baden Hem, dat ze slechts de zoom van zijn kleed mochten aanraken. En allen die Hem aanraakten, werden genezen’. Dat heeft toch niemand anders in hen uitgewerkt. Zo immers moeten we het ‘in hen’ verstaan: hij zegt niet ‘onder hen’ of ‘in tegenwoordigheid van hen’, maar nadrukkelijk ‘in hen’, omdat Hij hen genas. Toch was het niet iemand anders, die in hen dergelijke werken verrichtte: want welke 444andere mens ook iets dergelijks deed, die deed het door zijn toedoen; maar die andere dingen verrichtte Hij zelf, zonder dat zij er toe medewerkten”.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod Augustinus [tract. 71. in Joan.] exponens illud verbum Joannis, inquirit, quae sint ista opera majora, quae credentes in eum erant facturi: « An forte quod aegros ipsis transeuntibus etiam eorum umbra sanabat? majus est enim, quod sanet umbra, quam fimbria. Verumtamen quando ista Christus dicebat, verborum suorum facta et opera commendabat. Cum enim dixit: « Pater in me manens ipse facit opera », quae opera tunc dicebat, nisi verba quae loquebatur? et eorumdem verborum fructus erat fides illorum. Verumtamen, evangelizantibus discipulis, non tam pauci, quam illi erant, sed gentes etiam crediderunt. Nonne ab ore ipsius dives ille tristis abscessit? et tamen postea quod ab illo auditum non fecit unus, fecerunt multi, cum per discipulos loqueretur. Ecce majora fecit praedicatus a credentibus, quam locutus audientibus.

2. Augustinus stelt zich, waar hij deze woorden van Joannes uitlegt, de vraag (71e Traktaat op Joannes) : « Wat zijn die grootere werken, welke degenen, die in Hem zullen gelooven, zullen verrichten? Misschien is dit er wel een, dat zelfs hun schaduw, waar ze voorbijgingen de zieken genas, waar ze langs kwamen? Want het is toch veel sterker, dat de schaduw geneest, dan de zoom van het kleed. Maar, toen Christus dit zeide, beval hij de handelingen en werken van zijn eigen woorden aan. Want toen Hij zeide: « het is de Vader die in Mij blijft, die zelf de werken verricht », op welke werken doelde Hij toen anders, dan op de woorden, die Hij sprak? En van diezelfde woorden was hun geloof de vrucht. Toen echter de leerlingen het Evangelie verkondigden, toen geloofden er niet alleen zoo weinig, als zij zelf in aantal waren, maar zelfs ook de heidenen. Ging niet die rijke (jongeling) bedroefd heen, bij het hooren van zijn woorden: en hebben toch niet velen naderhand, toen het door de leerlingen gezegd werd, wèl gedaan, wat die eene niet deed, ofschoon hij het nog wel van Hemzelf gehoord had? Ziet, grootere dingen heeft Hij gedaan bij de prediking van die geloofden, dan toen Hij zelf de toehoorders aansprak.2. Augustinus stelt zich, waar hij deze woorden van Johannes uitlegt, de vraag (71e Traktaat op Johannes): “Wat zijn die grotere werken, welke degenen, die in Hem zullen geloven, zullen verrichten? Misschien is dit er wel een, dat zelfs hun schaduw, waar ze voorbijgingen de zieken genas, waar ze langs kwamen? Want het is toch veel sterker, dat de schaduw geneest, dan de zoom van het kleed. Maar, toen Christus dit zeide, beval hij de handelingen en werken van zijn eigen woorden aan. Want toen Hij zeide: ‘het is de Vader die in Mij blijft, die zelf de werken verricht’, op welke werken doelde Hij toen anders, dan op de woorden, die Hij sprak? En van diezelfde woorden was hun geloof de vrucht. Toen echter de leerlingen het Evangelie verkondigden, toen geloofden er niet alleen zo weinig, als zij zelf in aantal waren, maar zelfs ook de heidenen. Ging niet die rijke (jongeling) bedroefd heen, bij het horen van zijn woorden: en hebben toch niet velen naderhand, toen het door de leerlingen gezegd werd, wèl gedaan, wat die ene niet deed, ofschoon hij het nog wel van Hemzelf gehoord had? Ziet, grotere dingen heeft Hij gedaan bij de prediking van die geloofden, dan toen Hij zelf de toehoorders aansprak.

445Verum hoc adhuc movet, quod haec majora per Apostolos fecit. Non autem ipsos tantum significans ait: Qui credit in me, opera quae ego facio, et ipse faciet. Audi ergo, et intellige: Qui credit in me, opera quae ego facio, et ipse faciet. Prius ego facio, deinde et ipse faciet, quia facio, ut faciat. Quae opera, nisi ut ex impio justus fiat? Quod utique in illo, sed non sine illo Christus operatur. Prorsus majus hoc esse dixerim, quam creare coelum et terram: coelum enim et terra transibunt, praedestinatorum autem salus et justificatio permanebit. Sed et in coelis angeli sunt opera Christi. Numquid etiam his operibus majora facit, qui cooperatur Christo ad suam justificationem? judicet, qui potest, utrum majus sit justos creare, quam impios justificare. Certe si aequalis est utrumque potentiae, hoc majoris est misericordiae.

445En ook dit valt nog op, dat Hij die grootere werken door de Apostelen verrichtte; en toch heeft Hij hen niet alleen bedoeld, toen Hij zeide: « Wie in Mij gelooft ». Luistert dus: « Wie in Mij gelooft, ook hij zal de werken doen die Ik zelf verricht ». Eerst zal Ik ze doen, daarna zal ook hij ze doen: want Ik doe ze, opdat hij ze zou kunnen verrichten. Welke werken? Wat anders, dan de rechtvaardigmaking van den zondaar? Wat Christus wel in hem, maar toch niet zonder hem bewerkt. En ik zou willen zeggen, dat zoo iets veel grooter is, dan een hemel en een aarde scheppen: « want de hemel en de aarde zullen voorbijgaan », het heil en de rechtvaardigmaking der gepraedestineerden zullen echter blijven. — Maar in den hemel zijn de werken der engelen Christus' werken. Doet soms hij, die met Christus aan zijn rechtvaardigmaking meewerkt, grootere dingen, dan die werken? Oordeele wie er toe in staat is of het meer is rechtvaardigen te scheppen, dan zondaars rechtvaardig te maken. Voorzeker, als voor beide een even groote macht vereischt wordt, dan is toch zeker het eene een uiting van grootere barmhartigheid.445En ook dit valt nog op, dat Hij die grotere werken door de Apostelen verrichtte; en toch heeft Hij hen niet alleen bedoeld, toen Hij zeide: “Wie in Mij gelooft”. Luistert dus: “Wie in Mij gelooft, ook hij zal de werken doen die Ik zelf verricht”. Eerst zal Ik ze doen, daarna zal ook hij ze doen: want Ik doe ze, opdat hij ze zou kunnen verrichten. Welke werken? Wat anders, dan de rechtvaardigmaking van de zondaar? Wat Christus wel in hem, maar toch niet zonder hem bewerkt. En ik zou willen zeggen, dat zo iets veel groter is, dan een hemel en een aarde scheppen: “want de hemel en de aarde zullen voorbijgaan”, het heil en de rechtvaardigmaking van de gepredestineerden zullen echter blijven. — Maar in de hemel zijn de werken van de engelen Christus' werken. Doet soms hij, die met Christus aan zijn rechtvaardigmaking meewerkt, grotere dingen, dan die werken? Oordele wie er toe in staat is of het meer is rechtvaardigen te scheppen, dan zondaars rechtvaardig te maken. Voorzeker, als voor beide een even grote macht vereist wordt, dan is toch zeker het ene een uiting van grotere barmhartigheid.

Sed omnia opera Christi intelligere, ubi ait: Majora horum faciet, nulla nos necessitas cogit. Horum enim forsitan dixit, quae illa hora faciebat. Tunc autem verba fidei faciebat, et utique minus est verba justitiae praedicare, quod fecit praeter nos, 446quam impios justificare, quod ita facit in nobis, ut faciamus et nos ». [Tract. 72].

Maar om al de werken van Christus te begrijpen, waar Hij zegt « grootere dan deze zal hij doen », daartoe dwingt ons geen enkele noodzakelijkheid. Want wellicht bedoelde Hij die, welke Hij op dat oogenblik verrichtte. Toen echter, verkondigde Hij geloofswaarheden; en inderdaad is het van minder waarde woorden van 446gerechtigheid te prediken, wat Hij buiten ons om deed, dan een zondaar rechtvaardig te maken, wat Hij zoo in ons uitwerkt, dat wij er zelf aan medewerken ».Maar om al de werken van Christus te begrijpen, waar Hij zegt “grotere dan deze zal hij doen”, daartoe dwingt ons geen enkele noodzakelijkheid. Want wellicht bedoelde Hij die, welke Hij op dat ogenblik verrichtte. Toen echter, verkondigde Hij geloofswaarheden; en inderdaad is het van minder waarde woorden van 446gerechtigheid te prediken, wat Hij buiten ons om deed, dan een zondaar rechtvaardig te maken, wat Hij zo in ons uitwerkt, dat wij er zelf aan medewerken”.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod quando aliquod particulare opus proprium est alicujus agentis, tunc per illud particulare opus probatur tota virtus agentis, sicut cum ratiocinari sit proprium hominis, ostenditur aliquis esse homo ex hoc ipso, quod ratiocinatur circa quodcumque particulare propositum. Et similiter cum propria virtute miracula facere sit solius Dei, sufficienter ostensum est Christum esse Deum, ex quocumque miraculo, quod propria virtute fecit.

3. Wanneer een of ander bizonder werk, iets geheel eigens is van wie het verricht, dan kan men door dat bizondere werk de geheele kracht van den bewerker bewijzen: even goed als dat men aantoonen kan, dat iemand mensch is, uit het feit, dat hij redeneert met betrekking tot onverschillig welke bizondere stelling ook. Want redeneeren is iets eigens van den mensch. En op gelijke wijze is, daar het alleen aan God toekomt uit eigen kracht wonderen te doen, voldoende aangetoond, dat Christus God is uit ieder wonder, dat Hij uit eigen kracht verricht heeft.3. Wanneer een of ander bizonder werk, iets geheel eigens is van wie het verricht, dan kan men door dat bizondere werk de gehele kracht van de bewerker bewijzen: even goed als dat men aantonen kan, dat iemand mens is, uit het feit, dat hij redeneert met betrekking tot onverschillig welke bizondere stelling ook. Want redeneren is iets eigens van de mens. En op gelijke wijze is, daar het alleen aan God toekomt uit eigen kracht wonderen te doen, voldoende aangetoond, dat Christus God is uit ieder wonder, dat Hij uit eigen kracht verricht heeft.