Theologische Summa · Tertia Pars · Zijn levensloopSumma · III · Zijn levensloopSumma · III · Kw. 41Kw. 41
Quaestio XLI

De tentatione Christi

Kwestie 41

Over de bekoring van Christus

(Vier Artikelen)

382Deinde considerandum est de tentatione Christi.

382Daarna beschouwen we de bekoring van Christus.

Et circa hoc quaeruntur quatuor: 1. Utrum fuerit conveniens, Christum tentari. — 2. De loco tentationis. — 3. De tempore. — 4. De modo, et ordine tentationis.

Daaromtrent stellen we vier vragen. 1. Was het wel passend dat Christus bekoord werd? 2. Over de plaats van de bekoring. 3. Over den tijd waarop Hij bekoord werd. 4. Over de wijze waarop Hij bekoord werd en de volgorde der bekoringen.Daaromtrent stellen we vier vragen. 1. Was het wel passend dat Christus bekoord werd? 2. Over de plaats van de bekoring. 3. Over de tijd waarop Hij bekoord werd. 4. Over de wijze waarop Hij bekoord werd en de volgorde van de bekoringen.

Articulus I

Utrum conveniens fuerit, Christum tentari

[Opusc. 60. cap. 11. in princ.]
Ie Artikel

Was het wel passend dat Christus bekoord werd?

antwoord 1 ↓

Ad primum sic proceditur. Videtur, quod Christum tentari non conveniebat. Tentare enim est experimentum sumere, quod quidem non fit nisi 383de re ignota. Sed virtus Christi erat nota etiam daemonibus: dicitur enim Luc. 4. [v. 41], quod non sinebat daemones loqui, quia sciebant eum esse Christum. Ergo videtur, quod non decuerit Christum tentari.

Bedenkingen. — Men beweert, dat het Christus niet betaamde bekoord te worden. — 1. Bekoren immers beteekent: op de 383proef stellen. Dit doet men echter alleen een onbekende zaak. Maar Christus' kracht was ook aan de duivelen bekend. Bij Lucas staat immers (4, 41), dat Hij de duivelen niet toeliet te spreken, omdat ze wisten, dat Hij de Christus was. Dus schijnt het wel, dat het niet passend was, dat Christus bekoord werd.Bedenkingen. — Men beweert, dat het Christus niet betaamde bekoord te worden. — 1. Bekoren immers betekent: op de 383proef stellen. Dit doet men echter alleen een onbekende zaak. Maar Christus' kracht was ook aan de duivelen bekend. Bij Lukas staat immers (4, 41), dat Hij de duivelen niet toeliet te spreken, omdat ze wisten, dat Hij de Christus was. Dus schijnt het wel, dat het niet passend was, dat Christus bekoord werd.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Christus ad hoc venerat, ut opera diaboli dissolveret, secundum illud 1. Joan. 3. [v. 8] : « In hoc apparuit Filius Dei, ut dissolvat opera diaboli ». Sed non est ejusdem dissolvere opera alicujus, et ea pati, et ita videtur inconveniens fuisse, quod Christus pateretur se tentari a diabolo.

2. Daartoe is Christus gekomen, om de werken van den duivel te vernietigen, volgens het woord uit den Eersten Brief van Joannes (3, 8) : « Daartoe juist is Gods Zoon verschenen, om de werken van den duivel te vernietigen ». Maar wie iemands werken wil vernietigen, mag er zelf niet door getroffen worden. En daarom schijnt het niet passend te zijn geweest, dat Christus het zich liet welgevallen, door den duivel bekoord te worden.2. Daartoe is Christus gekomen, om de werken van de duivel te vernietigen, volgens het woord uit de Eerste Brief van Johannes (3, 8): “Daartoe juist is Gods Zoon verschenen, om de werken van de duivel te vernietigen”. Maar wie iemands werken wil vernietigen, mag er zelf niet door getroffen worden. En daarom schijnt het niet passend te zijn geweest, dat Christus het zich liet welgevallen, door de duivel bekoord te worden.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, triplex est tentatio, scilicet a carne, a mundo, et a diabolo: sed Christus non fuit tentatus nec a carne, nec a mundo. Ergo nec etiam debuit tentari a diabolo.

3. Er is een drievoudige bekoring die nl. van het vleesch, van de wereld en van den duivel. Maar Christus is noch door het vleesch, noch door de wereld bekoord geworden. Dus moest Hij evenmin door den duivel bekoord worden.3. Er is een drievoudige bekoring die nl. van het vlees, van de wereld en van de duivel. Maar Christus is noch door het vlees, noch door de wereld bekoord geworden. Dus moest Hij evenmin door de duivel bekoord worden.

Sed contra est, quod dicitur Matth. 4. [v. 1] : « Ductus est Jesus a spiritu in desertum, ut tentaretur a diabolo ».

Daartegenover staat echter dat Mattheus zegt (4, 1) : « Toen werd Jesus door den Geest naar de woestijn geleid, om door den duivel bekoord te worden ».Daartegenover staat echter dat Matteüs zegt (4, 1): “Toen werd Jesus door de Geest naar de woestijn geleid, om door de duivel bekoord te worden”.

Respondeo dicendum, quod Christus tentari voluit, primo quidem, ut 384nobis contra tentationes auxilium ferret; unde Gregorius dicit in Hom. [16. in Evang.] : « Non erat indignum Redemptori nostro, quod tentari voluit, qui venerat occidi; justum quippe erat, ut sic tentationes nostras suis tentationibus vinceret, sicut mortem nostram venerat sua morte superare ».

Leerstelling. — Christus wilde bekoord worden; en wel 384ten eerste om ons bijstand te verleenen tegen de bekoringen. Vandaar zegt Gregorius in zijn 16e Homelie op het Evangelie: « Het was met de waardigheid van onzen Verlosser niet in strijd, dat Hij wilde bekoord worden, Hij die zelfs gekomen was om gedood te worden: want zoo zou Hij onze bekoringen dóór zijn eigen bekoringen overwinnen, zooals Hij ook door zijn eigen dood over onzen dood heeft gezegevierd ».Leerstelling. — Christus wilde bekoord worden; en wel 384ten eerste om ons bijstand te verlenen tegen de bekoringen. Vandaar zegt Gregorius in zijn 16e Homelie op het Evangelie: “Het was met de waardigheid van onze Verlosser niet in strijd, dat Hij wilde bekoord worden, Hij die zelfs gekomen was om gedood te worden: want zo zou Hij onze bekoringen dóór zijn eigen bekoringen overwinnen, zoals Hij ook door zijn eigen dood over onze dood heeft gezegevierd”.

Secundo propter nostram cautelam, ut nullus quantumcumque sanctus, se aestimet securum et immunem a tentatione; unde et post baptismum tentari voluit, quia, sicut Hilarius dicit super Matth. [cap. 3.], « in sanctificatis nobis maxime diaboli tentamenta grassantur, quia victoria magis est ei exoptata de sanctis »; unde et Eccli. 2. [v. 1] dicitur: « Fili, accedens ad servitutem Dei, sta in justitia et timore, et praepara animam tuam ad tentationem ».

Ten tweede, om ons voorzichtig te maken: opdat nl. niemand, hoe heilig hij ook is, zou meenen, dat hij beveiligd is tegen en vrij van de bekoringen. Daarom wilde Hij ook nà het doopsel bekoord worden, omdat, zooals Hilarius zegt in zijn Verklaring van Mattheus (3e H.) : de verleidingen van den duivel vooral woeden onder de geheiligden, omdat hij het liefst over de heiligen de overwinning wil behalen. Daarom ook wordt er in Ecclesiasticus gezegd (2, 1) : « Mijn zoon als gij in den dienst van God treedt, sta dan vast in de gerechtigheid en in de vrees, en bereid uw ziel tot de beproeving ».Ten tweede, om ons voorzichtig te maken: opdat nl. niemand, hoe heilig hij ook is, zou menen, dat hij beveiligd is tegen en vrij van de bekoringen. Daarom wilde Hij ook nà het doopsel bekoord worden, omdat, zoals Hilarius zegt in zijn Verklaring van Matteüs (3e H.): de verleidingen van de duivel vooral woeden onder de geheiligden, omdat hij het liefst over de heiligen de overwinning wil behalen. Daarom ook wordt er in Sirach gezegd (2, 1): “Mijn zoon als gij in de dienst van God treedt, sta dan vast in de gerechtigheid en in de vrees, en bereid uw ziel tot de beproeving”.

Tertio propter exemplum, ut scilicet nos instrueret, qualiter diaboli tentationes vincamus; unde Augustinus dicit in 4. de Trin. [cap. 13.], quod « Christus diabolo se tentandum praebuit, ut ad superandas tentationes ejus mediator esset, non solum per adjutorium, verum etiam per 385exemplum ».

Ten derde, ter wille van het voorbeeld: om ons nl. te leeren, hoe we de bekoringen van den duivel moeten overwinnen. Vandaar zegt Augustinus in het 4e boek van zijn werk Over de Drievuldigheid dat Christus zich aan den duivel aanbood om bekoord te worden, ten einde bij het overwinnen van diens bekoringen een 385middelaar te kunnen zijn, niet alleen door te helpen, maar ook door het voorbeeld.Ten derde, ter wille van het voorbeeld: om ons nl. te leren, hoe we de bekoringen van de duivel moeten overwinnen. Vandaar zegt Augustinus in het 4e boek van zijn werk Over de Drievuldigheid dat Christus zich aan de duivel aanbood om bekoord te worden, ten einde bij het overwinnen van diens bekoringen een 385middelaar te kunnen zijn, niet alleen door te helpen, maar ook door het voorbeeld.

Quarto, ut nobis fiduciam de sua misericordia largiretur; unde dicitur Heb. 4. [v. 15] : « Non habemus Pontificem, qui non possit compati infirmitatibus nostris; tentatum autem per omnia pro similitudine absque peccato ».

Ten vierde, om ons vertrouwen te schenken in zijn barmhartigheid. Vandaar wordt er in den Brief aan de Hebreën gezegd (4, 15) : « Want we hebben geen Hoogepriester, die onze zwakheden niet meevoelen kan, maar Eén, die bekoord werd geheel op dezelfde wijze als wij behoudens de zonde ».Ten vierde, om ons vertrouwen te schenken in zijn barmhartigheid. Vandaar wordt er in de Brief aan de Hebreën gezegd (4, 15): “Want we hebben geen Hogepriester, die onze zwakheden niet meevoelen kan, maar Eén, die bekoord werd geheel op dezelfde wijze als wij behoudens de zonde”.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod, sicut Augustinus dicit in 9. de Civ. Dei [cap. 21.], « Christus tantum innotuit daemonibus, quantum voluit, non per id quod est vita aeterna, sed per quaedam temporalia suae virtutis effecta », ex quibus quamdam conjecturam habebant Christum esse filium Dei. Sed quia rursus in eo quaedam signa humanae infirmitatis videbant, non pro certo cognoscebant eum esse filium Dei, et ideo eum tentare voluit. Et hoc signatur Matth. 4. [v. 2-3], ubi dicitur, quod postquam esuriit, accessit tentator ad eum, quia, ut Hilarius dicit [loc. sup. cit.], « tentare Christum diabolus non fuisset ausus, nisi in eo per esuritionis infirmitatem, quae sunt hominis recognosceret ». Et hoc etiam patet ex 386ipso modo tentandi, cum dixit: Si filius Dei es, quod exponens Ambrosius dicit [Luc. 4.] : « Quid sibi vult talis sermonis exorsus, nisi quia cognoverat Dei Filium esse venturum, sed venisse per hanc infirmitatem corporis non putabat? »

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Hierop is te antwoorden met de woorden van Augustinus uit zijn werk de Stad Gods (9e B., 21e H.) dat Christus maar voor zooveel aan de duivelen bekend werd, als Hij zelf wilde: niet door dat wat het eeuwige leven is, maar door enkele tijdelijke uitwerkselen van zijn kracht, waaruit ze met een zekere gissing konden besluiten, dat Christus de Zoon Gods was. Maar omdat ze van den anderen kant toch ook weer in Hem sommige kenteekenen van menschelijke zwakheid zagen, wisten ze niet zeker, dat Hij de Zoon Gods was. En daarom wilde hij Hem op de proef stellen. En hierop duidt wat Mattheus zegt (4, 2, 3) dat, de bekoorder tot Hem naderde, toen Hij honger voelde, omdat, zooals Hilarius zegt (t. a. p.) de duivel het niet gewaagd zou hebben Christus te bekoren, als hij niet in Hem, door de zwakte als gevolg van het hongerlijden, iets menschelijks zou erkend hebben. En dit blijkt 386ook uit de wijze waarop hij Hem bekoord heeft, daar hij zegt: Als Gij de Zoon Gods zijt. Wat Gregorius aldus uitlegt: (Ambrosius Verklaring van Lucas, 4e B., op 4e H., vers 3) : « Wat wil die aanhef anders zeggen, dan dat hij wist, dat de Zoon Gods komen zou, maar dat hij niet van meening was, dat Hij gekomen was in een zwak lichaam? »Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Hierop is te antwoorden met de woorden van Augustinus uit zijn werk de Stad Gods (9e B., 21e H.) dat Christus maar voor zoveel aan de duivelen bekend werd, als Hij zelf wilde: niet door dat wat het eeuwige leven is, maar door enkele tijdelijke uitwerkselen van zijn kracht, waaruit ze met een zekere gissing konden besluiten, dat Christus de Zoon Gods was. Maar omdat ze van de andere kant toch ook weer in Hem sommige kentekenen van menselijke zwakheid zagen, wisten ze niet zeker, dat Hij de Zoon Gods was. En daarom wilde hij Hem op de proef stellen. En hierop duidt wat Matteüs zegt (4, 2, 3) dat, de bekoorder tot Hem naderde, toen Hij honger voelde, omdat, zoals Hilarius zegt (t. a. p.) de duivel het niet gewaagd zou hebben Christus te bekoren, als hij niet in Hem, door de zwakte als gevolg van het hongerlijden, iets menselijks zou erkend hebben. En dit blijkt 386ook uit de wijze waarop hij Hem bekoord heeft, daar hij zegt: Als Gij de Zoon Gods zijt. Wat Gregorius aldus uitlegt: (Ambrosius Verklaring van Lukas, 4e B., op 4e H., vers 3): “Wat wil die aanhef anders zeggen, dan dat hij wist, dat de Zoon Gods komen zou, maar dat hij niet van mening was, dat Hij gekomen was in een zwak lichaam?”

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod Christus venerat dissolvere opera diaboli, non potestative agendo, sed magis ab eo et ejus membris patiendo, ut sic diabolum vinceret justitia, non potestate, sicut Augustinus dicit 13. de Trinit. [cap. 13.], quod « diabolus non potentia Dei, sed justitia superandus fuit ». Et ideo circa tentationem Christi considerandum est, quid propria voluntate fecit, et quid a diabolo passus fuit; quod enim tentatori se offerret, fuit propriae voluntatis; unde dicitur Matth. 4. [v. 1] : « Ductus est Jesus in desertum a spiritu, ut tentaretur a diabolo », quod Gregorius [hom. 16. in Evang.] intelligendum dicit de Spiritu Sancto, ut scilicet « illuc eum spiritus suus duceret, ubi eum ad tentandum spiritus malignus inveniret ». Sed a diabolo passus est, ut assumeretur vel supra pinnaculum 387templi, vel etiam in montem excelsum valde; nec est mirum, ut Gregorius dicit [ibid.], « si se ab illo permisit in montem duci, qui se permisit a membris ipsius crucifigi ». Intelligitur autem a diabolo assumptus, non quasi ex necessitate, sed quia, ut Origenes dicit super Luc. [hom. 31.], « sequebatur eum ad tentationem, quasi athleta sponte procedens ».

2. De bedoeling van Christus' komst was om de werken van den duivel te vernietigen, niet door met kracht op te treden, maar veeleer door zich door hem en zijn ledematen te laten pijnigen. En zóó zou Hij den duivel overwinnen door de gerechtigheid, en niet door kracht, zooals Augustinus zegt in zijn 13e boek van zijn werk Over de Drievuldigheid (13e H.) : « De duivel moest niet door Gods kracht, maar door gerechtigheid overwonnen worden ». En dus moeten we bij de bekoring van Christus voor oogen houden èn wat Hij uit eigen beweging deed, èn wat Hij van den duivel te lijden heeft gehad. Want dat Hij zich aan den duivel aanbood, was vrije keuze. Vandaar zegt Mattheus (4, 1) : « Toen werd Jesus door den Geest naar de woestijn geleid, om door den duivel te worden bekoord »: wat volgens Gregorius (16e Homelie op het Evangelie) verstaan moet worden van den Heiligen Geest, dat Hem nl. zijn Geest daarheen zou leiden, waar Hem de booze geest zou vinden om Hem te bekoren. Maar Hij liet het zich van den duivel welgevallen, meegenomen 387te worden, ofwel op het dakterras van den Tempel, of ook wel naar een zeer hoogen berg. En het is niet te verwonderen, zooals Gregorius zegt (t. a. p.), dat Hij zich door hem naar een berg liet voeren, daar Hij zich door zijn ledematen heeft laten kruisigen. Dat Hij nu door den duivel meegevoerd werd, moet niet verstaan worden, alsof dat uit noodzaak geschiedde, maar omdat, zooals Origenes zegt (31e Homelie op Lucas) Hij hem volgde naar de bekoring als een athleet, die uit eigen beweging naar voren treedt.2. De bedoeling van Christus' komst was om de werken van de duivel te vernietigen, niet door met kracht op te treden, maar veeleer door zich door hem en zijn ledematen te laten pijnigen. En zó zou Hij de duivel overwinnen door de gerechtigheid, en niet door kracht, zoals Augustinus zegt in zijn 13e boek van zijn werk Over de Drievuldigheid (13e H.): “De duivel moest niet door Gods kracht, maar door gerechtigheid overwonnen worden”. En dus moeten we bij de bekoring van Christus voor ogen houden èn wat Hij uit eigen beweging deed, èn wat Hij van de duivel te lijden heeft gehad. Want dat Hij zich aan de duivel aanbood, was vrije keuze. Vandaar zegt Matteüs (4, 1): “Toen werd Jesus door de Geest naar de woestijn geleid, om door de duivel te worden bekoord”: wat volgens Gregorius (16e Homelie op het Evangelie) verstaan moet worden van de Heilige Geest, dat Hem nl. zijn Geest daarheen zou leiden, waar Hem de boze geest zou vinden om Hem te bekoren. Maar Hij liet het zich van de duivel welgevallen, meegenomen 387te worden, ofwel op het dakterras van de Tempel, of ook wel naar een zeer hogen berg. En het is niet te verwonderen, zoals Gregorius zegt (t. a. p.), dat Hij zich door hem naar een berg liet voeren, daar Hij zich door zijn ledematen heeft laten kruisigen. Dat Hij nu door de duivel meegevoerd werd, moet niet verstaan worden, alsof dat uit noodzaak geschiedde, maar omdat, zoals Origenes zegt (31e Homelie op Lukas) Hij hem volgde naar de bekoring als een atleet, die uit eigen beweging naar voren treedt.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod, sicut Apostolus dicit [Heb. 4, v. 15], « Christus in omnibus tentari voluit absque peccato ». Tentatio autem, quae est ab hoste, potest esse sine peccato, quia fit per solam exteriorem suggestionem; tentatio autem, quae est a carne, non potest esse sine peccato, quia hujusmodi tentatio fit per delectationem et concupiscentiam, et sicut Augustinus dicit [lib. 19. de Civ. Dei, cap. 4.], « nonnullum peccatum est, quando caro concupiscit adversus spiritum », et ideo Christus tentari voluit ab hoste, sed non a carne.

3. Volgens den Apostel wilde Christus in alles bekoord worden, behoudens de zonde (Hebr., 4, 15). Een bekoring nu van den vijand, kan aanwezig zijn zonder zonde, omdat die alleen door influistering van buiten af plaats heeft. Maar de bekoring van het vleesch kan niet zonder zonde zijn, daar deze bekoring opkomt door genot en begeerte: en, zooals Augustinus zegt (De Stad Gods, 19e B., 4e H.) is het een tamelijk groote zonde, als « het vleesch tegen den geest begeert ». En dus wilde Christus wel bekoord worden door den vijand, maar niet door het vleesch.3. Volgens de Apostel wilde Christus in alles bekoord worden, behoudens de zonde (Hebr., 4, 15). Een bekoring nu van de vijand, kan aanwezig zijn zonder zonde, omdat die alleen door influistering van buiten af plaats heeft. Maar de bekoring van het vlees kan niet zonder zonde zijn, daar deze bekoring opkomt door genot en begeerte: en, zoals Augustinus zegt (De Stad Gods, 19e B., 4e H.) is het een tamelijk grote zonde, als “het vlees tegen de geest begeert”. En dus wilde Christus wel bekoord worden door de vijand, maar niet door het vlees.

Articulus II

Utrum Christus in deserto tentari debuerit

IIe Artikel

Moest Christus in de woestijn bekoord worden?

antwoord 1 ↓

388Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod Christus non debuerit tentari in deserto. Christus enim tentari voluit propter exemplum nostrum, ut dictum est [art. praec.]. Sed exemplum debet manifeste proponi illis, qui sunt per exemplum informandi. Non ergo debuit in deserto tentari.

388Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet in de woestijn is moeten bekoord worden. — 1. Christus immers wilde, zooals in het vorige artikel gezegd is, bekoord worden, om ons ten voorbeeld te zijn. Maar een voorbeeld moet duidelijk zichtbaar voorgesteld worden aan hen, die er van moeten leeren. Dus moest Christus niet in de woestijn bekoord worden.388Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet in de woestijn is moeten bekoord worden. — 1. Christus immers wilde, zoals in het vorige artikel gezegd is, bekoord worden, om ons ten voorbeeld te zijn. Maar een voorbeeld moet duidelijk zichtbaar voorgesteld worden aan hen, die er van moeten leren. Dus moest Christus niet in de woestijn bekoord worden.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Chrysostomus dicit super Matth. [hom. 13.], quod « tunc maxime instat diabolus ad tentandum, cum viderit solitarios. Unde et in principio mulierem tentavit, sine viro eam inveniens ». Et sic videtur, per hoc quod in desertum ivit, ut tentaretur, quod tentationi se exposuit. Cum ergo ejus tentatio sit nostrum exemplum, videtur quod etiam alii debeant se ingerere ad tentationes suscipiendas, quod tamen videtur esse periculosum, cum magis tentationum occasiones vitare debeamus.

2. Chrysostomus zegt in zijn Verklaring van Mattheus (13e Homelie) dat dan vooral de duivel niet ophoudt met de menschen te bekoren, wanneer hij ze in eenzaamheid vindt. Vandaar dan ook, dat hij in den beginne de vrouw bekoorde toen hij haar zonder den man vond. En zoo schijnt het wel, dat Hij zich, door de woestijn in te gaan om bekoord te worden, aan de bekoring heeft blootgesteld. En omdat nu zijn bekoring ons ten voorbeeld is, schijnt het, dat ook de anderen zich als het ware moeten opdringen om bekoringen te krijgen. Wat echter gevaarlijk schijnt te zijn : daar we veeleer de gelegenheden tot bekoringen moeten vermijden.2. Chrysostomus zegt in zijn Verklaring van Matteüs (13e Homelie) dat dan vooral de duivel niet ophoudt met de mensen te bekoren, wanneer hij ze in eenzaamheid vindt. Vandaar dan ook, dat hij in de beginne de vrouw bekoorde toen hij haar zonder de man vond. En zo schijnt het wel, dat Hij zich, door de woestijn in te gaan om bekoord te worden, aan de bekoring heeft blootgesteld. En omdat nu zijn bekoring ons ten voorbeeld is, schijnt het, dat ook de anderen zich als het ware moeten opdringen om bekoringen te krijgen. Wat echter gevaarlijk schijnt te zijn: daar we veeleer de gelegenheden tot bekoringen moeten vermijden.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Matth. 4. [v. 5] ponitur secunda Christi tentatio, qua diabolus Christum assumpsit in sanctam civitatem, et statuit eum super 389pinnaculum templi. Quod quidem non erat in deserto. Non ergo tentatus est solum in deserto.

3. Bij Mattheus (4. 5) staat de tweede bekoring beschreven als volgt: « Toen voerde de duivel Hem naar de heilige stad en 389plaatste Hem op het dakterras van den tempel »: deze nu lag niet in de woestijn. Dus werd Hij niet alleen in de woestijn bekoord.3. Bij Matteüs (4, 5) staat de tweede bekoring beschreven als volgt: “Toen voerde de duivel Hem naar de heilige stad en 389plaatste Hem op het dakterras van de tempel”: deze nu lag niet in de woestijn. Dus werd Hij niet alleen in de woestijn bekoord.

Sed contra est, quod dicitur Marci 1. [v. 13], quod « erat Jesus in deserto quadraginta diebus, et quadraginta noctibus, et tentabatur a Satana ».

Daartegenover staat echter dat Marcus zegt (1, 13) dat Jesus veertig dagen en veertig nachten in de woestijn bleef, en door den duivel bekoord werd.Daartegenover staat echter dat Marcus zegt (1, 13) dat Jesus veertig dagen en veertig nachten in de woestijn bleef, en door de duivel bekoord werd.

Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est [art. praec. ad 2.], Christus propria voluntate se diabolo exhibuit ad tentandum, sicut etiam propria voluntate membris ejus se exhibuit ad occidendum; alioquin diabolus venire ad eum non auderet. Diabolus autem magis attentat aliquem, cum est solitarius, quia, ut dicitur Eccl. 4. [v. 12], « si quispiam praevaluerit contra unum, duo resistunt ei ». Et inde est, quod Christus in desertum exivit, quasi ad campum certaminis, ut ibi a diabolo tentaretur. Unde Ambrosius dicit super Lucam [L. 4, c. 4, v. 1], quod « Christus agebatur in desertum consilio, ut diabolum provocaret. Nam nisi ille 390certasset, scilicet diabolus, non iste mihi vicisset, idest Christus. Addit autem et alias rationes, dicens, hoc Christum fecisse mysterio, ut Adam de exilio liberaret, qui scilicet de paradiso in desertum ejectus est; et exemplo, ut ostenderet nobis diabolum ad meliora tendentibus invidere.

Leerstelling. — Zooals gezegd is (vorig art. antw. op de 2e bedenking) heeft Christus zich uit eigen beweging aan den duivel aangeboden om bekoord te worden, zooals Hij zich ook uit eigen beweging aan zijn ledematen aanbood om gedood te worden : anders immers zou de duivel het niet gewaagd hebben Hem te naderen. De duivel belaagt iemand echter het hevigst, wanneer hij alleen is, zooals gezegd wordt in het boek de Prediker (4, 12) : « Mocht iemand één enkele kunnen overweldigen, tegen twee zal hij niet bestand zijn ». En daarom trok Christus de woestijn in, als naar een strijdperk, om daar door den duivel bekoord te worden. Vandaar zegt Ambrosius in zijn Verklaring van Lucas (4e B., op 4, 1) dat Christus met opzet naar de woestijn gevoerd werd, om den duivel uit te dagen. Want als deze, d. i. de duivel niet had gestreden, dan zou gene, d. i. Christus niet overwonnen hebben. — Hij voegt er echter nog andere gronden aan toe, zeggende, dat 390Christus dit gedaan heeft om den mystischen zin, ten einde Adam uit de ballingschap te verlossen, die nl. uit het paradijs verdreven was naar de woestijn; « om het voorbeeld, ten einde ons aan te toonen, dat de duivel hen benijdt, die naar betere dingen streven ».Leerstelling. — Zoals gezegd is (vorig art. antw. op de 2e bedenking) heeft Christus zich uit eigen beweging aan de duivel aangeboden om bekoord te worden, zoals Hij zich ook uit eigen beweging aan zijn ledematen aanbood om gedood te worden: anders immers zou de duivel het niet gewaagd hebben Hem te naderen. De duivel belaagt iemand echter het hevigst, wanneer hij alleen is, zoals gezegd wordt in het boek de Prediker (4, 12): “Mocht iemand één enkele kunnen overweldigen, tegen twee zal hij niet bestand zijn”. En daarom trok Christus de woestijn in, als naar een strijdperk, om daar door de duivel bekoord te worden. Vandaar zegt Ambrosius in zijn Verklaring van Lukas (4e B., op 4, 1) dat Christus met opzet naar de woestijn gevoerd werd, om de duivel uit te dagen. Want als deze, d.i. de duivel niet had gestreden, dan zou gene, d.i. Christus niet overwonnen hebben. — Hij voegt er echter nog andere gronden aan toe, zeggende, dat 390Christus dit gedaan heeft om de mystieke zin, ten einde Adam uit de ballingschap te verlossen, die nl. uit het paradijs verdreven was naar de woestijn; “om het voorbeeld, ten einde ons aan te tonen, dat de duivel hen benijdt, die naar betere dingen streven”.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod Christus proponitur omnibus in exemplum per fidem, secundum illud Hebr. 12. [v. 2] : « Aspicientes in auctorem fidei et consummatorem Jesum ». Fides autem, ut dicitur Rom. 10. [v. 17], est ex auditu, non autem ex visu. Quinimmo Joan. 20. [v. 29] dicitur: « Beati, qui non viderunt, et crediderunt ». Et ideo ad hoc quod tentatio Christi esset nobis in exemplum, non oportuit quod ab hominibus videretur, sed sufficiens fuit, quod hominibus narraretur.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Christus wordt aan allen ten voorbeeld gesteld door het geloof: volgens het woord Aan de Hebreën (12, 2) : « Het oog gevestigd op Jesus, aanvang en einde van het geloof ». Het geloof ontstaat echter, zooals gezegd wordt in den Brief aan de Romeinen (10, 17), door het gehoor, en niet door het gezicht: zooals geschreven staat bij Joannes, 20, 29: « Zalig zij, die niet zien, en toch gelooven ». Wil Christus' bekoring ons dus ten voorbeeld zijn, dan is het niet noodig, dat ze door de menschen gezien werd, maar was het voldoende, dat ze aan de menschen verhaald zou worden.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Christus wordt aan allen ten voorbeeld gesteld door het geloof: volgens het woord Aan de Hebreën (12, 2): “Het oog gevestigd op Jesus, aanvang en einde van het geloof”. Het geloof ontstaat echter, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (10, 17), door het gehoor, en niet door het gezicht: zoals geschreven staat bij Johannes, 20, 29: “Zalig zij, die niet zien, en toch geloven”. Wil Christus' bekoring ons dus ten voorbeeld zijn, dan is het niet nodig, dat ze door de mensen gezien werd, maar was het voldoende, dat ze aan de mensen verhaald zou worden.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod duplex est tentationis occasio: una quidem ex parte hominis, puta cum aliquis se peccato propinquum facit, occasiones peccandi non evitans, et talis occasio tentationis est vitanda, sicut dictum est Loth [Genes. 19, v. 17] : « Ne steteris in omni regione circa Sodomam ».

2. Er is een tweevoudige gelegenheid tot bekoring. De eene komt van den mensch zelf: zoo b. v. als iemand zich in de nabijheid der zonde begeeft, door de gelegenheden tot zondigen niet te vermijden. En deze gelegenheid tot zondigen moet vermeden worden, zooals tot Lot gezegd werd, in het Boek Genesis (19, 17) : « Sta niet stil in den geheelen omtrek van Sodoma ».2. Er is een tweevoudige gelegenheid tot bekoring. De ene komt van de mens zelf: zo bv. als iemand zich in de nabijheid van de zonde begeeft, door de gelegenheden tot zondigen niet te vermijden. En deze gelegenheid tot zondigen moet vermeden worden, zoals tot Lot gezegd werd, in het Boek Genesis (19, 17): “Sta niet stil in de gehele omtrek van Sodoma”.

Alia vero tentationis occasio est ex parte diaboli, qui « 391semper invidet ad meliora tendentibus », ut Ambrosius dicit [loc. sup. cit.], et talis tentationis occasio non est vitanda; unde dicit Chrysostomus super Matth. [hom. 5. in op. imperf.] quod non solum Christus ductus est in desertum a Spiritu, sed « omnes filii Dei habentes Spiritum Sanctum; non enim sunt contenti sedere otiosi, sed Spiritus Sanctus urget eos aliquod magnum apprehendere opus, quod est esse in deserto, quantum ad diabolum, quia non est ibi injustitia, in qua diabolus delectatur. Omne etiam bonum opus est desertum, quantum ad carnem et mundum, quia non est secundum voluntatem carnis et mundi ». Talem autem occasionem tentationis dare diabolo non est periculosum, quia magis est auxilium Spiritus Sancti, qui est perfecti operis auctor, quam impugnatio diaboli invidentis.

391Een andere gelegenheid tot zondigen komt van den duivel, die altijd afgunstig is op hen, die naar het betere streven, zooals Ambrosius zegt (zie de leerstelling). En deze gelegenheid tot zondigen is niet te vermijden. Vandaar zegt Chrysostomus in zijn Verklaring van Mattheus (5e Homelie) : « Niet alleen werd Christus door den Geest naar de woestijn geleid, maar alle zonen Gods, die den Heiligen Geest bezitten. Want deze zijn niet tevreden met werkeloos daar neer te zitten, maar de Heilige Geest dringt hen een of ander groot werk aan te vatten: en dit beteekent, met betrekking tot den duivel, hetzelfde als in de woestijn zijn, want in zoo 'n geval is er geen ongerechtigheid, waarin de duivel behagen neemt. Ook is ieder goed werk een woestijn voor het vleesch en voor de wereld, omdat zoo iets niet in overeenstemming is met den wil van het vleesch en der wereld ». Het is echter niet gevaarlijk aan den duivel deze gelegenheid tot bekoren te geven: want de hulp van den Heiligen Geest, die de bewerker is der volmaakte werken, is grooter, dan de aanvechting van een afgunstigen duivel.391Een andere gelegenheid tot zondigen komt van de duivel, die altijd afgunstig is op hen, die naar het betere streven, zoals Ambrosius zegt (zie de leerstelling). En deze gelegenheid tot zondigen is niet te vermijden. Vandaar zegt Chrysostomus in zijn Verklaring van Matteüs (5e Homelie): “Niet alleen werd Christus door de Geest naar de woestijn geleid, maar alle zonen Gods, die de Heilige Geest bezitten. Want deze zijn niet tevreden met werkeloos daar neer te zitten, maar de Heilige Geest dringt hen een of ander groot werk aan te vatten: en dit betekent, met betrekking tot de duivel, hetzelfde als in de woestijn zijn, want in zo 'n geval is er geen ongerechtigheid, waarin de duivel behagen neemt. Ook is ieder goed werk een woestijn voor het vlees en voor de wereld, omdat zo iets niet in overeenstemming is met de wil van het vlees en van de wereld”. Het is echter niet gevaarlijk aan de duivel deze gelegenheid tot bekoren te geven: want de hulp van de Heilige Geest, die de bewerker is van de volmaakte werken, is groter, dan de aanvechting van een afgunstigen duivel.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod quidam dicunt omnes tentationes factas fuisse in deserto. Quorum quidam dicunt, quod Christus ductus est in sanctam civitatem, non realiter, sed secundum imaginariam visionem; quidam autem dicunt, quod etiam ipsa civitas sancta, idest Jerusalem, desertum dicitur, quia erat derelicta a Deo. Sed hoc non est necessarium, quia Marcus 392dicit, quod in deserto tentabatur a diabolo, non autem dicit, quod solum in deserto.

3. Sommigen zeggen, dat alle bekoringen in de woestijn hebben plaats gehad. En daaronder zijn er weer die dan zeggen, dat Christus niet werkelijk, maar alleen maar in den geest naar de heilige Stad is gevoerd. Anderen daarentegen zeggen, dat ook de heilige Stad, d. i. Jerusalem, woestijn genoemd wordt, omdat ze 392door God was verlaten. — Maar dat alles is niet noodig. Want Marcus zegt, dat Hij in de woestijn door den duivel werd bekoord en niet, dat het uitsluitend in de woestijn gebeurd is.3. Sommigen zeggen, dat alle bekoringen in de woestijn hebben plaats gehad. En daaronder zijn er weer die dan zeggen, dat Christus niet werkelijk, maar alleen maar in de geest naar de heilige Stad is gevoerd. Anderen daarentegen zeggen, dat ook de heilige Stad, d.i. Jerusalem, woestijn genoemd wordt, omdat ze 392door God was verlaten. — Maar dat alles is niet nodig. Want Marcus zegt, dat Hij in de woestijn door de duivel werd bekoord en niet, dat het uitsluitend in de woestijn gebeurd is.

Articulus III

Utrum Christi tentatio debuerit esse post jejunium

IIIe Artikel

Had de bekoring van Christus plaats moeten hebben nà zijn vasten?

antwoord 1 ↓

Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod Christi tentatio non debuerit esse post jejunium. Dictum est enim supra [q. praec. art. 2.], quod Christum non decebat conversationis austeritas. Sed maximae austeritatis fuisse videtur, quod quadraginta diebus et quadraginta noctibus nihil comederit; sic enim intelligitur quadraginta diebus et noctibus jejunasse, quia scilicet « in illis diebus nullum omnino cibum sumpsit », ut Gregorius dicit [hom. 16. in Evang.]. Ergo non videtur, quod debuerit hujusmodi jejunium tentationi praemittere.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de bekoring van Christus niet had moeten plaats hebben nà zijn vasten. — 1. Vroeger is immers gezegd (40e Kw., 2e A.), dat het niet passend was, dat Christus streng leefde. Maar dat is dan toch wel de grootste gestrengheid geweest, dat Hij veertig dagen en veertig nachten niets gegeten heeft: want de woorden: Hij vastte veertig dagen en veertig nachten, moeten zoo verstaan worden, dat Hij in die dagen in het geheel geen voedsel tot zich genomen heeft, zooals Gregorius zegt (16e Homelie op het Evangelie). Dus schijnt het wel, dat Hij aan de bekoring niet zoo 'n vasten had moeten vooraf laten gaan.Bedenkingen. — Men beweert, dat de bekoring van Christus niet had moeten plaats hebben nà zijn vasten. — 1. Vroeger is immers gezegd (40e Kw., 2e A.), dat het niet passend was, dat Christus streng leefde. Maar dat is dan toch wel de grootste gestrengheid geweest, dat Hij veertig dagen en veertig nachten niets gegeten heeft: want de woorden: Hij vastte veertig dagen en veertig nachten, moeten zo verstaan worden, dat Hij in die dagen in het geheel geen voedsel tot zich genomen heeft, zoals Gregorius zegt (16e Homelie op het Evangelie). Dus schijnt het wel, dat Hij aan de bekoring niet zo 'n vasten had moeten vooraf laten gaan.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Marci 1. [v. 13] dicitur, quod « erat in deserto quadraginta diebus et quadraginta noctibus, et tentabatur a Satana ». Sed 393quadraginta diebus et quadraginta noctibus jejunavit. Ergo videtur, quod non post jejunium, sed simul dum jejunaret, sit tentatus a diabolo.

2. Bij Marcus wordt gezegd (1, 13) dat Hij veertig dagen en veertig nachten in de woestijn verbleef, waar Hij door den satan 393werd bekoord. Maar Hij vastte veertig dagen en veertig nachten. Dus heeft het er den schijn van, dat Hij niet nà, maar gedurende het vasten door den duivel bekoord werd.2. Bij Marcus wordt gezegd (1, 13) dat Hij veertig dagen en veertig nachten in de woestijn verbleef, waar Hij door de satan 393werd bekoord. Maar Hij vastte veertig dagen en veertig nachten. Dus heeft het er de schijn van, dat Hij niet nà, maar gedurende het vasten door de duivel bekoord werd.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Christus non legitur nisi semel jejunasse. Sed non solum semel fuit tentatus a diabolo: dicitur enim Luc. 4. [v. 13] quod « consummata omni tentatione, diabolus recessit ab illo usque ad tempus ». Sicut ergo secundae tentationi non praemisit jejunium, ita nec primae praemittere debuit.

3. Christus heeft, naar wat er te lezen staat, maar één keer gevast. Maar Hij is meer dan eens door den duivel bekoord geworden; want Lucas zegt (4, 13) dat, toen de duivel al zijn bekoringen had uitgeput, Hij Hem voor 'n tijd verliet. Zooals Hij dus aan die tweede bekoring geen vasten vooraf heeft laten gaan, zoo heeft Hij dat evenmin aan de eerste moeten doen.3. Christus heeft, naar wat er te lezen staat, maar één keer gevast. Maar Hij is meer dan eens door de duivel bekoord geworden; want Lukas zegt (4, 13) dat, toen de duivel al zijn bekoringen had uitgeput, Hij Hem voor 'n tijd verliet. Zoals Hij dus aan die tweede bekoring geen vasten vooraf heeft laten gaan, zo heeft Hij dat evenmin aan de eerste moeten doen.

Sed contra est, quod dicitur Matth. 4. [v. 2-3] : « Cum jejunasset quadraginta diebus et quadraginta noctibus, postea esuriit, et tunc accessit ad eum tentator ».

Daartegenover staat echter, dat Mattheus zegt (4, 2, 3) : « En nadat Hij veertig dagen en veertig nachten gevast had, voelde Hij honger: en toen naderde de bekoorder Hem ».Daartegenover staat echter, dat Matteüs zegt (4, 2, 3): “En nadat Hij veertig dagen en veertig nachten gevast had, voelde Hij honger: en toen naderde de bekoorder Hem”.

Respondeo dicendum, quod convenienter Christus post jejunium tentari voluit. Primo quidem propter exemplum, quia cum omnibus, sicut dictum est [art. 1. huj. q.], immineat se contra tentationes tueri, per hoc quod ipse ante tentationem futuram jejunavit, docuit quod per jejunium nos oportet contra tentationes armari. Unde inter arma justitiae Apostolus 394jejunia connumerat 2. ad Cor. 6. [v. 5, 7].

Leerstelling. — Het was heel passend, dat Christus wilde bekoord worden, nà gevast te hebben. En wel ten eerste, om het voorbeeld. Want daar het ons allen, zooals gezegd is in het eerste artikel, te wachten staat, dat we ons tegen de bekoringen moeten verdedigen, daarom leerde Hij ons, door zelf vóór de op handen zijnde bekoring te vasten, dat ook wij ons door het vasten moeten wapenen tegen de bekoringen. Vandaar dat de Apostel onder de 394wapenen der gerechtigheid ook het vasten meetelt (2e Brief aan de Korinthiërs, 6, 5, 7).Leerstelling. — Het was heel passend, dat Christus wilde bekoord worden, nà gevast te hebben. En wel ten eerste, om het voorbeeld. Want daar het ons allen, zoals gezegd is in het eerste artikel, te wachten staat, dat we ons tegen de bekoringen moeten verdedigen, daarom leerde Hij ons, door zelf vóór de op handen zijnde bekoring te vasten, dat ook wij ons door het vasten moeten wapenen tegen de bekoringen. Vandaar dat de Apostel onder de 394wapenen van de gerechtigheid ook het vasten meetelt (2e Brief aan de Korintiërs, 6, 5, 7).

Secundo, ut ostenderet quod etiam jejunantes diabolus aggreditur ad tentandum, sicut alios qui bonis operibus vacant. Et ideo sicut post baptismum, ita post jejunium Christus tentatur. Unde Chrysostomus dicit super Matthaeum [hom. 13.] : « Ut discas, quam magnum bonum est jejunium, et qualiter scutum est adversus diabolum, et quoniam post baptismum non lasciviae, sed jejunio intendere oportet, ideo Christus jejunavit, non jejunio indigens, sed nos instruens ».

Ten tweede, om te laten zien, dat de duivel ook op hen die vasten afgaat, om ze te bekoren, zooals ook op de anderen, die zich met goede werken bezighouden. En daarom wordt Christus bekoord én na het doopsel, én na het vasten. Vandaar zegt Chrysostomus in zijn 13e Homelie op Mattheus: « Opdat ge leeren zoudt wat voor een groot goed het vasten is, en hoe het een schild is tegen den duivel; en dat men zich nà het doopsel niet aan losbandigheid moet overgeven, maar zich op het vasten moet toeleggen, dààrom vastte Christus — niet (dus) omdat Hij zelf het vasten noodig had, maar om ons te onderrichten ».Ten tweede, om te laten zien, dat de duivel ook op hen die vasten afgaat, om ze te bekoren, zoals ook op de anderen, die zich met goede werken bezighouden. En daarom wordt Christus bekoord én na het doopsel, én na het vasten. Vandaar zegt Chrysostomus in zijn 13e Homelie op Matteüs: “Opdat ge leren zoudt wat voor een groot goed het vasten is, en hoe het een schild is tegen de duivel; en dat men zich nà het doopsel niet aan losbandigheid moet overgeven, maar zich op het vasten moet toeleggen, dààrom vastte Christus — niet (dus) omdat Hij zelf het vasten nodig had, maar om ons te onderrichten”.

Tertio, quia post jejunium secuta est esuries, quae dedit diabolo audaciam eum aggrediendi, sicut dictum est [art. 1. huj. q. ad 1.]. « Cum autem esuriit Dominus », ut Hilarius dicit super Matth. [cap. 3.] « non fuit ex surreptione inediae, sed naturae suae hominem dereliquit; non enim erat a Deo diabolus, sed a carne vincendus ». Unde etiam, ut Chrysostomus dicit [hom. 13. in Matth. in op. imperf.], « non ultra processit in jejunando, quam Moyses, et Elias, ne incredibilis videretur carnis assumptio ».

Ten derde, omdat op het vasten honger volgde, welke den duivel den moed gaf Hem aan te vallen, zooals gezegd is (1e Art., antw. op de 1e Bed.). Hilarius zegt dan ook (Verklaring van Mattheus, 3e H.) : « Dat de Heer honger had, kwam niet hiervandaan, dat het vasten Hem overrompelde: maar Hij liet den mensch (in Hem) aan zijn eigen natuur over. De duivel immers, moest niet door God, maar door het vleesch overwonnen worden ». Vandaar dan ook ging Hij, zooals Gregorius zegt (13e Homelie op Mattheus) niet verder in het vasten, dan Moses en Elias gegaan waren, opdat zijn aanname van het vleesch, geen schijn van ongeloofwaardigheid zou hebben.Ten derde, omdat op het vasten honger volgde, welke de duivel de moed gaf Hem aan te vallen, zoals gezegd is (1e Art., antw. op de 1e Bed.). Hilarius zegt dan ook (Verklaring van Matteüs, 3e H.): “Dat de Heer honger had, kwam niet hiervandaan, dat het vasten Hem overrompelde: maar Hij liet de mens (in Hem) aan zijn eigen natuur over. De duivel immers, moest niet door God, maar door het vlees overwonnen worden”. Vandaar dan ook ging Hij, zoals Gregorius zegt (13e Homelie op Matteüs) niet verder in het vasten, dan Moses en Elias gegaan waren, opdat zijn aanname van het vlees, geen schijn van ongeloofwaardigheid zou hebben.

↑ bedenking 1

395Ad primum ergo dicendum, quod Christum non decuit conversatio austerioris vitae, ut se communem exhiberet illis, quibus praedicavit. Nullus autem debet assumere praedicationis officium, nisi prius fuerit purgatus et in virtute perfectus, sicut et de Christo dicitur Actuum 1. [v. 1] quod « coepit Jesus facere et docere ». Et ideo Christus statim post baptismum austeritatem vitae assumpsit, ut doceret, post carnem edomitam oportere alios ad praedicationis officium transire, secundum illud Apostoli 1. Cor. 9. [v. 27] : « Castigo corpus meum, et in servitutem redigo, ne forte cum aliis praedicavero, ipse reprobus efficiar ».

395Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het betaamde niet, dat Christus een streng leven leidde, omdat Hij de gewone levenswijze wilde volgen van de menschen voor wie Hij moest prediken. Maar niemand moet het predikambt op zich nemen, zonder eerst gezuiverd te zijn en volmaakt te wezen in de deugd; zooals ook van Christus in de Handelingen der Apostelen gezegd wordt (1, 1) dat Jesus begon te doen en te leeren. En daarom is Christus, onmiddellijk na zijn doopsel, begonnen met een streng leven te leiden, om te leeren, dat anderen eerst als ze het vleesch onderworpen hebben, tot het predikambt moeten overgaan, volgens de woorden van den Apostel (1e Brief aan de Korinthiërs, 9, 27) : « Maar het is mijn eigen lichaam, dat ik beuk en er onder houd, om na heraut geweest te zijn, voor anderen, zelf niet afgewezen te worden ».395Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het betaamde niet, dat Christus een streng leven leidde, omdat Hij de gewone levenswijze wilde volgen van de mensen voor wie Hij moest prediken. Maar niemand moet het predikambt op zich nemen, zonder eerst gezuiverd te zijn en volmaakt te wezen in de deugd; zoals ook van Christus in de Handelingen van de Apostelen gezegd wordt (1, 1) dat Jesus begon te doen en te leren. En daarom is Christus, onmiddellijk na zijn doopsel, begonnen met een streng leven te leiden, om te leren, dat anderen eerst als ze het vlees onderworpen hebben, tot het predikambt moeten overgaan, volgens de woorden van de Apostel (1e Brief aan de Korintiërs, 9, 27): “Maar het is mijn eigen lichaam, dat ik beuk en er onder houd, om na heraut geweest te zijn, voor anderen, zelf niet afgewezen te worden”.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod verbum illud Marci potest sic intelligi, quod erat in deserto quadraginta diebus et quadraginta noctibus, quibus scilicet jejunavit. Quod autem dicitur: et tentabatur a Satana, intelligendum est non in illis quadraginta diebus et quadraginta noctibus, quibus jejunavit, sed post illos, eo quod Matthaeus dicit, quod « cum jejunasset quadraginta 396diebus et quadraginta noctibus, postea esuriit », ex quo sumpsit tentator occasionem accedendi ad ipsum. Unde et quod subditur: « et Angeli ministrabant ei » consecutive intelligendum esse ostenditur ex hoc, quod Matthaei 4. [v. 11] dicitur: « Tunc reliquit eum diabolus, scilicet post tentationem, et ecce Angeli accesserunt, et ministrabant ei ». Quod vero interponit Marcus [cap. 1.] : « Eratque cum bestiis », inducitur, secundum Chrysostomum [hom. 13. in Matth.], ad ostendendum, quale erat invium hominibus, et bestiis plenum;

2. Die woorden van Marcus moeten zoo verstaan worden, dat Hij veertig dagen en veertig nachten in de woestijn bleef, gedurende welke dagen nl. Hij vastte. Als er nu gezegd wordt: en Hij werd door den duivel bekoord, dan moet dat verstaan worden: nà deze dagen, en niet: gedurende die veertig dagen en veertig nachten, en wel, omdat Mattheus zegt, dat « toen Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, Hij daarna honger voelde », waarin de verleider een aanleiding vond om naar Hem toe te komen. 396Zoodat dan wat er volgt op de woorden van Marcus: en de engelen bedienden Hem, consecutief moet genomen worden, wat bewezen wordt uit wat Mattheus zegt (4, 11) : « Toen verliet de duivel Hem, nl., nà de bekoring, en zie, de engelen naderden, en dienden Hem ». Wat Marcus er echter tusschen voegt: « Hij vertoefde onder de wilde dieren », staat er bij, volgens Chrysostomus (Verklaring van Marcus, 1, 12, 13; 1e B.) om aan te geven wat voor een woestijn het was: dat ze nl. ontoegankelijk was voor menschen en vol dieren.2. Die woorden van Marcus moeten zo verstaan worden, dat Hij veertig dagen en veertig nachten in de woestijn bleef, gedurende welke dagen nl. Hij vastte. Als er nu gezegd wordt: en Hij werd door de duivel bekoord, dan moet dat verstaan worden: nà deze dagen, en niet: gedurende die veertig dagen en veertig nachten, en wel, omdat Matteüs zegt, dat “toen Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, Hij daarna honger voelde”, waarin de verleider een aanleiding vond om naar Hem toe te komen. 396Zodat dan wat er volgt op de woorden van Marcus: en de engelen bedienden Hem, consecutief moet genomen worden, wat bewezen wordt uit wat Matteüs zegt (4, 11): “Toen verliet de duivel Hem, nl., nà de bekoring, en zie, de engelen naderden, en dienden Hem”. Wat Marcus er echter tussen voegt: “Hij vertoefde onder de wilde dieren”, staat er bij, volgens Chrysostomus (Verklaring van Marcus, 1, 12, 13; 1e B.) om aan te geven wat voor een woestijn het was: dat ze nl. ontoegankelijk was voor mensen en vol dieren.

tamen, secundum expositionem Bedae [cap. 1. in Marc.], Dominus tentabatur quadraginta diebus et quadraginta noctibus, sed hoc intelligendum est non de illis tentationibus visibilibus, quas narrant Matthaeus et Lucas quae manifeste factae sunt post jejunium, sed de quibusdam aliis impugnationibus, quas forte illo jejunii tempore Christus est a diabolo passus.

Volgens de verklaring van Beda echter (op Marcus, 1, 13; 1e B.) wordt de Heer veertig dagen en veertig nachten lang bekoord. Maar dat moet niet verstaan worden van die zichtbare bekoringen, welke Mattheus en Lucas verhalen, en welke plaats hebben gehad nà het vasten, maar van sommige andere aanvechtingen, welke Christus misschien wel tijdens het vasten van den duivel heeft te verduren gehad.Volgens de verklaring van Beda echter (op Marcus, 1, 13; 1e B.) wordt de Heer veertig dagen en veertig nachten lang bekoord. Maar dat moet niet verstaan worden van die zichtbare bekoringen, welke Matteüs en Lukas verhalen, en welke plaats hebben gehad nà het vasten, maar van sommige andere aanvechtingen, welke Christus misschien wel tijdens het vasten van de duivel heeft te verduren gehad.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod, sicut Ambrosius dicit super Lucam [cap. 4, v. 13], « recessit diabolus a Christo usque ad tempus, quia postea non tentaturus, sed aperte pugnaturus advenit », tempore scilicet passionis. Et tamen per illam impugnationem videbatur Christum tentare de tristitia et 397odio proximorum, sicut in deserto de delectatione gulae et contemptu Dei per idololatriam.

3. Volgens Ambrosius (Verklaring van Lucas, 4, 13; 4e B.) verliet de duivel Christus voor 'n tijd, omdat hij later terug gekomen is, niet om Hem te bekoren, maar om openlijk te strijden, nl. tijdens zijn lijden. — Maar toch schijnt het wel, dat hij Christus door die aanvechtingen bekoord heeft tot droefheid en haat tegen 397de naasten; zooals hij het in de woestijn heeft gedaan tot gulzig genot en verachting van God door afgoderij.3. Volgens Ambrosius (Verklaring van Lukas, 4, 13; 4e B.) verliet de duivel Christus voor 'n tijd, omdat hij later terug gekomen is, niet om Hem te bekoren, maar om openlijk te strijden, nl. tijdens zijn lijden. — Maar toch schijnt het wel, dat hij Christus door die aanvechtingen bekoord heeft tot droefheid en haat tegen 397de naasten; zoals hij het in de woestijn heeft gedaan tot gulzig genot en verachting van God door afgoderij.

Articulus IV

Utrum fuerit conveniens ordo et modus tentationis Christi

[Opusc. 60. cap. 11. circa med.]
IVe Artikel

Is de wijze en de volgorde der bekoringen wel goed geweest?Is de wijze en de volgorde van de bekoringen wel goed geweest?

antwoord 1 ↓

Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod Christi non fuerit conveniens tentationis modus et ordo. Tentatio enim diaboli ad peccandum inducit. Sed si Christus subvenisset corporali fami convertendo lapides in panem, non peccasset, sicut non peccavit, cum panes multiplicavit, quod non fuit minus miraculum, ut turbae esurienti subveniret. Ergo videtur, quod nulla fuerit illa tentatio.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de wijze en volgorde der bekoringen geen goede is geweest. — 1. De duivel bekoort immers tot zonde. Maar als Christus zijn lichamelijken honger verholpen zou hebben, met steenen in brood te veranderen, dan zou Hij niet gezondigd hebben: zooals Hij evenmin gezondigd heeft, toen Hij brood vermenigvuldigde, wat geen minder groot wonder was, om het hongerige volk te hulp te komen. Dus schijnt het wel, dat dat geen bekoring geweest is.Bedenkingen. — Men beweert, dat de wijze en volgorde van de bekoringen geen goede is geweest. — 1. De duivel bekoort immers tot zonde. Maar als Christus zijn lichamelijken honger verholpen zou hebben, met stenen in brood te veranderen, dan zou Hij niet gezondigd hebben: zoals Hij evenmin gezondigd heeft, toen Hij brood vermenigvuldigde, wat geen minder groot wonder was, om het hongerige volk te hulp te komen. Dus schijnt het wel, dat dat geen bekoring geweest is.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, nullus persuasor convenienter suadet contrarium ejus, quod intendit. Sed diabolus statuens Christum supra pinnaculum templi, intendebat eum de superbia seu vana gloria tentare. Ergo inconvenienter 398persuadet ei, ut se mittat deorsum, quod est contrarium superbiae vel vanae gloriae, quae semper quaerit ascendere.

2. Iemand, die een ander tot iets wil overhalen, doet verkeerd, met het tegendeel van wat hij bedoelt, aan te raden. Maar met Christus op het dakterras van den Tempel te plaatsen, bedoelde de duivel Hem tot hoogmoed of ijdele glorie te verleiden. Dus deed hij verkeerd, met Hem over te halen, zich naar beneden te werpen: 398wat het tegenovergestelde is van hoogmoed of ijdele glorie, die altijd omhoog zoeken te komen.2. Iemand, die een ander tot iets wil overhalen, doet verkeerd, met het tegendeel van wat hij bedoelt, aan te raden. Maar met Christus op het dakterras van de Tempel te plaatsen, bedoelde de duivel Hem tot hoogmoed of ijdele glorie te verleiden. Dus deed hij verkeerd, met Hem over te halen, zich naar beneden te werpen: 398wat het tegenovergestelde is van hoogmoed of ijdele glorie, die altijd omhoog zoeken te komen.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, una tentatio conveniens est ut sit de uno peccato. Sed in tentatione, quae fuit in monte, duo peccata persuasit, scilicet cupiditatem et idololatriam. Non ergo conveniens videtur fuisse tentationis modus.

3. Eén bekoring behoort over één zonde te gaan. Maar bij de bekoring op den berg, haalde hij tot twee zonden over: begeerte nl. en afgoderij. De wijze van bekoren schijnt dus niet goed geweest te zijn.3. Eén bekoring behoort over één zonde te gaan. Maar bij de bekoring op de berg, haalde hij tot twee zonden over: begeerte nl. en afgoderij. De wijze van bekoren schijnt dus niet goed geweest te zijn.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, tentationes ad peccata ordinantur. Sed septem sunt vitia capitalia, ut in secunda parte habitum est [1-2. q. 84. art. 4.]. Non autem tentavit nisi de tribus, scilicet gula, vana gloria, et cupiditate. Non ergo videtur sufficiens tentationis modus fuisse.

4. De bekoringen zijn gericht op de zonden. Maar er zijn zeven hoofdzonden zooals in het tweede deel gezegd is (I-II, 84e Kw., 4e Art.). De duivel echter bekoorde slechts tot drie zonden, en wel tot gulzigheid, ijdele glorie en begeerlijkheid. De bekoring was dus niet volledig.4. De bekoringen zijn gericht op de zonden. Maar er zijn zeven hoofdzonden zoals in het tweede deel gezegd is (1-2, 84e Kw., 4e Art.). De duivel echter bekoorde slechts tot drie zonden, en wel tot gulzigheid, ijdele glorie en begeerlijkheid. De bekoring was dus niet volledig.

antwoord 5 ↓

5. Praeterea, post victoriam omnium vitiorum remanet homini tentatio superbiae vel vanae gloriae, quia « superbia etiam bonis operibus insidiatur, ut pereant », sicut dicit Augustinus [epist. 209.]. Inconvenienter ergo Matthaeus ultimam ponit tentationem cupiditatis in monte, mediam autem inanis gloriae in templo, praesertim cum Lucas ordinet e converso.

5. Nà de overwinning op alle ondeugden, blijft den mensch nog de bekoring tot hoogmoed of ijdele glorie, daar de hoogmoed zelfs de goede werken belaagt, om er doode werken van te maken, zooals Augustinus zegt in zijn Regel. Mattheus doet dus niet goed, met de bekoring tot begeerlijkheid op den berg het laatst te plaatsen, en als middelste die tot ijdele glorie in den Tempel: te meer, daar Lucas ze andersom plaatst.5. Nà de overwinning op alle ondeugden, blijft de mens nog de bekoring tot hoogmoed of ijdele glorie, daar de hoogmoed zelfs de goede werken belaagt, om er dode werken van te maken, zoals Augustinus zegt in zijn Regel. Matteüs doet dus niet goed, met de bekoring tot begeerlijkheid op de berg het laatst te plaatsen, en als middelste die tot ijdele glorie in de Tempel: te meer, daar Lukas ze andersom plaatst.

antwoord 6 ↓

6. Praeterea, Hieronymus dicit super Matth. [Comm., L. 2, ad c. 4, v. 4], quod « propositum Christi fuit diabolum humilitate vincere, non 399potestate ». Ergo non imperiose et objurgando eum repellere debuit, dicens: « Vade retro, Satana ».

6. Hieronymus zegt in zijn Verklaring van Mattheus (4, 4; 2e B.), dat het in Christus voornemen gelegen heeft, den duivel door nederigheid en niet door kracht te overwinnen. Dus had Hij 399hem niet moeten verdrijven, met hem gebiedend te bestraffen : « Ga heen, Satan ».6. Hieronymus zegt in zijn Verklaring van Matteüs (4, 4; 2e B.), dat het in Christus voornemen gelegen heeft, de duivel door nederigheid en niet door kracht te overwinnen. Dus had Hij 399hem niet moeten verdrijven, met hem gebiedend te bestraffen: “Ga heen, Satan”.

antwoord 7 ↓

7. Praeterea, narratio Evangelii videtur falsum continere. Non enim videtur possibile, quod Christus supra pinnaculum templi statui potuerit, quin ab aliis videretur; neque aliquis mons tam altus invenitur, ut inde totus mundus inspici possit, ut sic ex eo potuerint Christo omnia regna mundi ostendi. Inconvenienter ergo videtur descripta Christi tentatio.

7. Het schijnt wel, dat het Evangelieverhaal een onwaarheid bevat. Want het schijnt niet mogelijk te zijn, dat Christus, zonder door anderen gezien te worden, op het dakterras van den Tempel had geplaatst kunnen worden. En er is ook geen enkele berg te vinden, zoo hoog, dat men daar vandaan de heele wereld kan overzien, zoodat van daar aan Christus alle rijken der wereld hadden kunnen getoond worden. De bekoring van Christus staat dus niet goed beschreven.7. Het schijnt wel, dat het Evangelieverhaal een onwaarheid bevat. Want het schijnt niet mogelijk te zijn, dat Christus, zonder door anderen gezien te worden, op het dakterras van de Tempel had geplaatst kunnen worden. En er is ook geen enkele berg te vinden, zo hoog, dat men daar vandaan de hele wereld kan overzien, zodat van daar aan Christus alle rijken van de wereld hadden kunnen getoond worden. De bekoring van Christus staat dus niet goed beschreven.

Sed contra est Scripturae Sacrae auctoritas [Matth. 4. et Luc. 4.].

Daartegenover staat echter het gezag der Schrift.Daartegenover staat echter het gezag van de Schrift.

Respondeo dicendum, quod tentatio, quae est ab hoste, fit per modum suggestionis, ut Gregorius dicit [hom. 16. in Evang.]. Non autem eodem modo potest aliquid omnibus suggeri, sed unicuique suggeritur aliquid ex his, circa quae est affectus, et ideo diabolus hominem spiritualem non statim tentat de gravibus peccatis, sed paulatim a levioribus incipit, ut postmodum ad graviora perducat; unde Gregorius 31. Moral. [cap. 45], 400exponens illud Job 39. [v. 25] : Procul odoratur bellum, exhortationem ducum, et ululatum exercitus, dicit: « Bene duces exhortari dicti sunt, exercitus ululare, quia prima vitia deceptae menti quasi sub quadam ratione se ingerunt; sed innumera, quae sequuntur, dum hanc ad omnem insaniam pertrahunt, quasi bestiali clamore confundunt ».

Leerstelling. — De bekoring, die van den vijand afkomt, geschiedt bij wijze van influistering, zooals Gregorius zegt (16e Homelie op het Evangelie). Maar nu kan iets niet aan allen op dezelfde wijze ingegeven worden, maar aan eenieder wordt iets ingeblazen van datgene, waarvoor hij neiging gevoelt. En daarom bekoort de duivel den geestelijken mensch niet aanstonds tot zware zonden, maar langzaam aan begint hij met de lichtere, om hem daarna tot zwaardere te brengen. Vandaar zegt Gregorius in het 31e boek van de Zedekundige Verhandelingen waar hij de 400woorden van Job uitlegt (39, 25) : « Van verre ruikt het den strijd, de aanwakkering der legeraanvoerders en het gehuil van het leger ». — « Het is zoo juist wat gezegd wordt, dat de legeroversten aanwakkeren en het leger huilt. Want de eerste slechte gewoonten, dringen zich, als onder een zeker voorwendsel, aan den teleurgestelden geest op: maar de ontelbaar vele die volgen, brengen hem, als door een beestachtig gehuil, in de war, terwijl ze hem naar allerlei dwaasheid heen sleuren ».Leerstelling. — De bekoring, die van de vijand afkomt, geschiedt bij wijze van influistering, zoals Gregorius zegt (16e Homelie op het Evangelie). Maar nu kan iets niet aan allen op dezelfde wijze ingegeven worden, maar aan eenieder wordt iets ingeblazen van datgene, waarvoor hij neiging gevoelt. En daarom bekoort de duivel de geestelijke mens niet aanstonds tot zware zonden, maar langzaam aan begint hij met de lichtere, om hem daarna tot zwaardere te brengen. Vandaar zegt Gregorius in het 31e boek van de Zedekundige Verhandelingen waar hij de 400woorden van Job uitlegt (39, 25): “Van verre ruikt het de strijd, de aanwakkering van de legeraanvoerders en het gehuil van het leger”. — “Het is zo juist wat gezegd wordt, dat de legeroversten aanwakkeren en het leger huilt. Want de eerste slechte gewoonten, dringen zich, als onder een zeker voorwendsel, aan de teleurgestelde geest op: maar de ontelbaar vele die volgen, brengen hem, als door een beestachtig gehuil, in de war, terwijl ze hem naar allerlei dwaasheid heen sleuren”.

Et hoc idem diabolus observavit in tentatione primi hominis, nam primo sollicitavit mentem primi hominis de ligni vetiti esu, dicens Genes. 3. [v. 1] : « Cur praecepit vobis Deus, ut non comederetis de omni ligno paradisi? » Secundo de inani gloria, cum dixit: « Aperientur oculi vestri ». Tertio perduxit tentationem ad extremam superbiam, cum dixit: « Eritis sicut Dii, scientes bonum et malum ».

En ditzelfde heeft de duivel in acht genomen, toen hij den eersten mensch bekoorde. Want eerst verleidde hij den geest van den eersten mensch, tot het eten van den verboden boom, zeggende (Genesis, 3, 1) : « Waarom heeft God u geboden, dat ge niet zoudt eten van al de boomen van het paradijs? » Daarna tot ijdele glorie, toen hij zeide: « Uw oogen zullen opengaan ». En op de derde plaats voerde hij de bekoring op tot den uitersten hoogmoed, toen hij zeide: « Gij zult zijn als goden, kennende goed en kwaad ».En ditzelfde heeft de duivel in acht genomen, toen hij de eerste mens bekoorde. Want eerst verleidde hij de geest van de eerste mens, tot het eten van de verboden boom, zeggende (Genesis, 3, 1): “Waarom heeft God u geboden, dat ge niet zoudt eten van al de boomen van het paradijs?” Daarna tot ijdele glorie, toen hij zeide: “Uw ogen zullen opengaan”. En op de derde plaats voerde hij de bekoring op tot de uiterste hoogmoed, toen hij zeide: “Gij zult zijn als goden, kennende goed en kwaad”.

Et hunc etiam tentandi ordinem servavit in Christo, nam primo tentavit ipsum de eo, quod appetunt quantumcumque spirituales viri, scilicet de sustentatione corporalis naturae per cibum. Secundo processit ad id, in quo spirituales viri quandoque deficiunt, ut scilicet aliqua ad ostentationem operentur, quod pertinet ad inanem gloriam. Tertio perduxit tentationem 401ad id, quod jam non est spiritualium virorum, sed carnalium, scilicet ut divitias et gloriam mundi concupiscant usque ad contemptum Dei. Et ideo in primis duabus tentationibus dixit: « Si Filius Dei es », non autem in tertia, quae non potest convenire spiritualibus viris, qui sunt per adoptionem filii Dei, sicut duae primae.

En deze orde heeft hij ook in acht genomen bij Christus. Want eerst bekoorde hij Hem daarin, wat zelfs de grootste onder de geestelijke mannen begeeren: nl. in de instandhouding van de lichamelijke natuur door voedsel. Daarna ging hij over tot datgene, waarin geestelijke mannen soms te kort schieten, dat ze nl. iets doen om gezien te worden. En op de derde plaats kwam, dat hij de 401bekoring opvoerde tot dat, wat geen geestelijke mannen meer doen, maar wel vleeschelijke en dat is, dat ze de rijkdommen en de eer der wereld begeeren, tot Godsverachting toe. En daarom zeide hij bij de twee eerste bekoringen: indien Gij de Zoon Gods zijt; wat hij niet meer deed bij de derde, daar deze bij geestelijke mannen, die door aanneming zonen Gods zijn, niet te pas kan komen, zooals wèl de twee eersten.En deze orde heeft hij ook in acht genomen bij Christus. Want eerst bekoorde hij Hem daarin, wat zelfs de grootste onder de geestelijke mannen begeren: nl. in de instandhouding van de lichamelijke natuur door voedsel. Daarna ging hij over tot datgene, waarin geestelijke mannen soms te kort schieten, dat ze nl. iets doen om gezien te worden. En op de derde plaats kwam, dat hij de 401bekoring opvoerde tot dat, wat geen geestelijke mannen meer doen, maar wel vleselijke en dat is, dat ze de rijkdommen en de eer van de wereld begeren, tot Godsverachting toe. En daarom zeide hij bij de twee eerste bekoringen: indien Gij de Zoon Gods zijt; wat hij niet meer deed bij de derde, daar deze bij geestelijke mannen, die door aanneming zonen Gods zijn, niet te pas kan komen, zoals wèl de twee eersten.

His autem tentationibus Christus restitit testimoniis legis, non potestate virtutis, « ut hoc ipso et plus hominem honoraret, et adversarium plus puniret, cum hostis generis humani non quasi a Deo, sed quasi ab homine vinceretur », sicut dicit Leo Papa [serm. 1. de Quadrag. cap. 3.].

Christus verzette zich echter tegen die bekoringen, door de getuigenissen der wet en niet door macht en kracht, « om daardoor zoowel den mensch meer te verheerlijken, als den tegenstander zwaarder te straffen, daar nu de vijand van het menschdom, niet als door God, maar als door den mensch werd overwonnen », zooals Paus Leo zegt (1e Preek Over den Vastentijd, 3e H.).Christus verzette zich echter tegen die bekoringen, door de getuigenissen van de wet en niet door macht en kracht, “om daardoor zowel de mens meer te verheerlijken, als de tegenstander zwaarder te straffen, daar nu de vijand van het mensdom, niet als door God, maar als door de mens werd overwonnen”, zoals Paus Leo zegt (1e Preek Over de Vastentijd, 3e H.).

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod uti necessariis ad sustentationem non est peccatum gulae, sed quod ex desiderio hujus sustentationis homo aliquid inordinatum faciat, ad vitium gulae pertinere potest. Est autem inordinatum, quod aliquis, ubi potest recursus haberi ad humana subsidia, pro solo corpore sustentando, miraculosa sibi cibum quaerere velit. Unde et Dominus 402filiis Israël miraculosa manna praebuit in deserto, ubi aliunde cibus haberi non poterat. Et similiter Christus in deserto turbas pavit miraculose, ubi aliter cibi haberi non poterant. Sed Christus ad subveniendum fami poterat aliter sibi providere, quam miracula faciendo, sicut et Joannes Baptista fecit, ut legitur Matth. 3. [v. 4], vel etiam ad loca proxima properando, et ideo reputabat diabolus, quod Christus peccaret, si ad subveniendum fami miracula facere attentaret, si esset purus homo.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Gebruiken wat noodig is voor het levensonderhoud, is geen zonde van gulzigheid: maar als de mensch uit verlangen naar dit levensonderhoud iets ongeregelds doet, dàt kan tot de ondeugd van gulzigheid hooren. Het is echter iets ongeregelds, dat iemand, waar hij zijn toevlucht kan nemen tot menschelijke hulpmiddelen, zich alleen maar voor de instandhouding van zijn lichaam, op een wonderdadige wijze voedsel wil verschaffen. Vandaar dan ook, dat de Heer aan de 402kinderen Israëls in de woestijn door een wonder manna verstrekte, waar op een andere manier geen voedsel kon verkregen worden (Exodus, 16). En evenzoo spijzigde Christus de scharen in de woestijn op een wonderdadige wijze, daar er anders geen voedsel had kunnen verkregen worden. Maar Christus had zich om zijn honger te stillen ook wel op een andere manier eten kunnen verschaffen, dan door wonderen te doen: zooals ook Joannes de Dooper deed, gelijk te lezen staat bij Mattheus (3, 4) ; of ook met naar de naastbij gelegen plaatsen toe te gaan. En daarom meende de duivel, dat Christus zou zondigen, als Hij, voor het geval Hij alleen maar mensch was, het zou wagen wonderen te doen, om zijn honger te stillen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Gebruiken wat nodig is voor het levensonderhoud, is geen zonde van gulzigheid: maar als de mens uit verlangen naar dit levensonderhoud iets ongeregelds doet, dàt kan tot de ondeugd van gulzigheid horen. Het is echter iets ongeregelds, dat iemand, waar hij zijn toevlucht kan nemen tot menselijke hulpmiddelen, zich alleen maar voor de instandhouding van zijn lichaam, op een wonderdadige wijze voedsel wil verschaffen. Vandaar dan ook, dat de Heer aan de 402kinderen Israëls in de woestijn door een wonder manna verstrekte, waar op een andere manier geen voedsel kon verkregen worden (Exodus, 16). En evenzo spijzigde Christus de scharen in de woestijn op een wonderdadige wijze, daar er anders geen voedsel had kunnen verkregen worden. Maar Christus had zich om zijn honger te stillen ook wel op een andere manier eten kunnen verschaffen, dan door wonderen te doen: zoals ook Johannes de Doper deed, gelijk te lezen staat bij Matteüs (3, 4); of ook met naar de naastbij gelegen plaatsen toe te gaan. En daarom meende de duivel, dat Christus zou zondigen, als Hij, voor het geval Hij alleen maar mens was, het zou wagen wonderen te doen, om zijn honger te stillen.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod per humiliationem exteriorem frequenter quaerit aliquis gloriam, qua exaltetur circa spiritualia bona; unde Augustinus dicit in lib. 2. de Sermone Domini in monte [cap. 12.] : « Animadvertendum est, non in solo rerum corporearum nitore atque pompa, sed etiam in ipsis sordibus luctuosis esse posse jactantiam », et ad hoc significandum diabolus Christo suasit, ut ad quaerendum gloriam spiritualem corporaliter mitteret se deorsum.

2. Iemand zoekt heel dikwijls door zich uitwendig te vernederen de glorie die hem in het geestelijke zal verheffen. Vandaar zegt Augustinus in zijn werk Over de bergrede des Heeren (2e B., 12e H.) : «Het verdient de aandacht, dat er niet alleèn praalzucht kan gelegen liggen in den glans en den luister der dingen van het lichaam, maar ook zelfs in vuile kleeren ». En om dit aan te duiden, overreedde de duivel Christus zich, ten einde geestelijke glorie te zoeken, lichamelijk naar beneden te werpen.2. Iemand zoekt heel dikwijls door zich uitwendig te vernederen de glorie die hem in het geestelijke zal verheffen. Vandaar zegt Augustinus in zijn werk Over de bergrede van de Heer (2e B., 12e H.): “Het verdient de aandacht, dat er niet alleèn praalzucht kan gelegen liggen in de glans en de luister van de dingen van het lichaam, maar ook zelfs in vuile kleren”. En om dit aan te duiden, overreedde de duivel Christus zich, ten einde geestelijke glorie te zoeken, lichamelijk naar beneden te werpen.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod divitias et honores mundi appetere 403peccatum est, quando hujusmodi inordinate appetuntur. Hoc autem praecipue manifestatur ex hoc, quod pro hujusmodi adipiscendis homo aliquid inhonestum facit; et ideo non fuit contentus diabolus persuadere cupiditatem divitiarum et honorum, sed induxit ad hoc, quod propter hujusmodi adipiscenda Christus eum adoraret, quod est maximum scelus, et contra Deum. Nec solum dixit: « Si adoraveris me », sed addidit: « Si cadens », quia, ut dicit Ambrosius [Expositio in Luc., L. 4, c. 4, v. 5], « habet ambitio domesticum periculum: ut enim dominetur aliis, prius servit et curvatur obsequio, ut honore donetur; et dum vult esse sublimior, fit remissior ».

3. De rijkdommen en de eerbewijzen der wereld zoeken is 403zonde, wanneer die dingen ongeregeld begeerd worden. En dit komt vooral hierin tot uiting, dat de mensch, om die dingen te kunnen krijgen, iets onedels verricht. En dus was de duivel er niet tevreden mee, met te trachten (Christus) over te halen tot begeerte naar rijkdommen en eerbewijzen, maar hij trachtte Hem er toe te brengen om, ten einde die dingen te kunnen krijgen, hem te aanbidden: wat de grootste misdaad is, en (zonde) tegen God. — En hij zeide niet alleen: als Gij mij aanbidt, maar hij voegde er aan toe : zoo Gij neervalt; omdat, zooals Ambrosius zegt (in zijn Verklaring van Lucas, 4, 5; 4e B.) « het gevaarlijke van de eerzucht, in het inwendige gelegen is: want om over anderen te kunnen heerschen, zal ze eerst dienen; en om geëerd te worden, buigt ze zich in onderdanigheid neer; en terwijl ze veel hooger wil komen, wordt ze geringer ».3. De rijkdommen en de eerbewijzen van de wereld zoeken is 403zonde, wanneer die dingen ongeregeld begeerd worden. En dit komt vooral hierin tot uiting, dat de mens, om die dingen te kunnen krijgen, iets onedels verricht. En dus was de duivel er niet tevreden mee, met te trachten (Christus) over te halen tot begeerte naar rijkdommen en eerbewijzen, maar hij trachtte Hem er toe te brengen om, ten einde die dingen te kunnen krijgen, hem te aanbidden: wat de grootste misdaad is, en (zonde) tegen God. — En hij zeide niet alleen: als Gij mij aanbidt, maar hij voegde er aan toe: zo Gij neervalt; omdat, zoals Ambrosius zegt (in zijn Verklaring van Lukas, 4, 5; 4e B.) “het gevaarlijke van de eerzucht, in het inwendige gelegen is: want om over anderen te kunnen heersen, zal ze eerst dienen; en om geëerd te worden, buigt ze zich in onderdanigheid neer; en terwijl ze veel hoger wil komen, wordt ze geringer”.

Et similiter etiam in praecedentibus tentationibus ex appetitu unius peccati in aliud peccatum inducere est conatus, sicut ex desiderio cibi conatus est inducere in vanitatem sine causa miracula faciendi, et ex cupiditate gloriae conatus est inducere ad tentandum Deum per praecipitium.

En evenzoo heeft hij ook bij de voorafgaande bekoringen getracht, van de eene begeerte tot de andere te brengen. Zoo trachtte hij van de begeerte naar spijs over te halen tot ijdelheid van nl. zonder reden wonderen te doen; en van de begeerte naar glorie trachtte hij (Hem) er toe te brengen God op de proef te stellen, met zich naar beneden te werpen.En evenzo heeft hij ook bij de voorafgaande bekoringen getracht, van de ene begeerte tot de andere te brengen. Zo trachtte hij van de begeerte naar spijs over te halen tot ijdelheid van nl. zonder reden wonderen te doen; en van de begeerte naar glorie trachtte hij (Hem) er toe te brengen God op de proef te stellen, met zich naar beneden te werpen.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod, sicut dicit Ambrosius super Luc. [ibid., ad c. 4, v. 13], « non dixisset Scriptura, quod consummata omni tentatione, 404diabolus recessit ab illo, nisi in tribus praemissis esset omnium materia delictorum, quia causae tentationum causae sunt cupiditatum, scilicet « carnis oblectatio, spes gloriae, et aviditas potentiae » ».

4. Hierop is te antwoorden met de woorden van Ambrosius (t. a. p. Lucas, 4, 13) : « De Schrift zou niet gezegd hebben, dat de duivel van Hem heenging, nadat alle bekoringen waren 404uitgeput, als niet in die drie opgenoemden het voorwerp gevonden wordt van alle zonden. Want de oorzaken der bekoringen zijn de oorzaken der begeerten: en wel de lust des vleesches, de hoop op glorie en de zucht naar macht ».4. Hierop is te antwoorden met de woorden van Ambrosius (t. a. p. Lukas, 4, 13): “De Schrift zou niet gezegd hebben, dat de duivel van Hem heenging, nadat alle bekoringen waren 404uitgeput, als niet in die drie opgenoemden het voorwerp gevonden wordt van alle zonden. Want de oorzaken van de bekoringen zijn de oorzaken van de begeerten: en wel de lust van het vlees, de hoop op glorie en de zucht naar macht”.

↑ bedenking 5

Ad quintum dicendum, quod, sicut Augustinus dicit in lib. 2. de Consensu Evangel. [cap. 16.], « incertum est, quid prius factum sit, utrum regna terrae prius demonstrata sint ei, et postea in pinnaculum templi locatus sit, an hoc prius, et illud postea. Nihil tamen ad rem, dum omnia facta esse manifestum sit ». Videntur autem Evangelistae diversum ordinem tenuisse, quia quandoque ex inani gloria venitur ad cupiditatem, quandoque e converso.

5. Hierop is te antwoorden met de woorden van Augustinus uit het boek Over de Overeenstemming der Evangeliën (2e B., 16e H.) : « Het is niet zeker, wat het eerst heeft plaats gehad: of Hem eerst de koninkrijken der aarde getoond zijn, en Hij daarna op het dakterras van den Tempel is geplaatst geworden; ofwel dit het eerst en daarna het andere. Maar het doet niets ter zake. Want het is wel duidelijk, dat dit alles geschied is ». Het schijnt echter, dat de Evangelisten er een verschillende volgorde op na gehouden hebben, omdat men somtijds van ijdele glorie tot begeerlijkheid komt, dan weer andersom.5. Hierop is te antwoorden met de woorden van Augustinus uit het boek Over de Overeenstemming van de Evangeliën (2e B., 16e H.): “Het is niet zeker, wat het eerst heeft plaats gehad: of Hem eerst de koninkrijken van de aarde getoond zijn, en Hij daarna op het dakterras van de Tempel is geplaatst geworden; ofwel dit het eerst en daarna het andere. Maar het doet niets ter zake. Want het is wel duidelijk, dat dit alles geschied is”. Het schijnt echter, dat de Evangelisten er een verschillende volgorde op na gehouden hebben, omdat men somtijds van ijdele glorie tot begeerlijkheid komt, dan weer andersom.

↑ bedenking 6

Ad sextum dicendum, quod Christus, cum passus fuisset tentationis injuriam, dicente sibi diabolo: « Si Filius Dei es, mitte te deorsum » non est turbatus, nec diabolum increpavit. Quando vero diabolus Dei sibi usurpavit honorem, dicens: « Haec omnia tibi dabo, si cadens adoraveris me », exasperatus est, et repulit eum dicens: « Vade, Satana », ut nos illius 405discamus exemplo, nostras quidem injurias aequanimiter sustinere, Dei autem injurias nec usque ad auditum sufferre.

6. Toen Christus, doordat de duivel tegen Hem zeide: « Indien Gij Gods Zoon zijt, werp U dan naar beneden », het onrecht, dat in die bekoring gelegen was, ondergaan had, ontstelde Hij niet en viel evenmin tegen den duivel uit. Maar toen de duivel zich wederrechtelijk Goddelijke eer aanmatigde, toen Hij zeide : « Dit alles zal ik U geven, zoo Gij neervalt en mij aanbidt », werd Hij verbitterd en verdreef hem, zeggende : « Ga heen, Satan! », opdat wij, door zijn voorbeeld zouden leeren, het 405onrecht, dat ons aangedaan wordt, grootmoedig te verdragen, maar het onrecht, dat God aangedaan wordt, zelfs niet te willen hooren.6. Toen Christus, doordat de duivel tegen Hem zeide: “Indien Gij Gods Zoon zijt, werp U dan naar beneden”, het onrecht, dat in die bekoring gelegen was, ondergaan had, ontstelde Hij niet en viel evenmin tegen de duivel uit. Maar toen de duivel zich wederrechtelijk Goddelijke eer aanmatigde, toen Hij zeide: “Dit alles zal ik U geven, zo Gij neervalt en mij aanbidt”, werd Hij verbitterd en verdreef hem, zeggende: “Ga heen, Satan!”, opdat wij, door zijn voorbeeld zouden leren, het 405onrecht, dat ons aangedaan wordt, grootmoedig te verdragen, maar het onrecht, dat God aangedaan wordt, zelfs niet te willen horen.

↑ bedenking 7

Ad septimum dicendum, quod, sicut Chrysostomus dicit [hom. 5. in op. imperf.], « forsitan diabolus quantum ad se sic Christum assumebat in pinnaculum templi, ut ab omnibus videretur, ipse autem, nesciente diabolo, sic agebat, ut a nemine videretur ».

7. Hierop is te antwoorden met de woorden van Chrysostomus: « De duivel nam Christus zoo mee (naar het dakterras van den Tempel) dat Hij door allen gezien zou worden; Hij echter bewerkte het zoo, dat hij zonder dat de duivel het wist, door niemand gezien werd ».7. Hierop is te antwoorden met de woorden van Chrysostomus: “De duivel nam Christus zo mee (naar het dakterras van de Tempel) dat Hij door allen gezien zou worden; Hij echter bewerkte het zo, dat hij zonder dat de duivel het wist, door niemand gezien werd”.

Quod autem dicit: « Et ostendit ei omnia regna mundi et gloriam eorum » non est intelligendum, quod videret ipsa regna vel civitates eorum, vel populos, vel aurum, vel argentum, sed partes terrae, in quibus unumquodque regnum vel civitas posita est, diabolus Christo digito demonstrabat, et uniuscujusque regni honores et statum verbis exponebat, vel secundum Origenem [hom. 30. in Luc.] ostendit ei, quomodo ipse per diversa vitia regnabat in mundo.

Wat hij nu zegt: « Hij toonde Hem alle koninkrijken der wereld en hun heerlijkheid », moet niet zóó verstaan worden, dat Hij die rijken, steden of volkeren, het goud of het zilver, zag; maar de duivel toonde met zijn vinger Christus de streken aan waarin elk rijk of iedere stad gelegen was, en van ieder rijk beschreef hij in woorden de waardigheden en den staat ». — Of zóó, met Origenes: « Hij liet Hem zien, hoe hij door de verschillende ondeugden heerschappij voerde over de wereld ».Wat hij nu zegt: “Hij toonde Hem alle koninkrijken van de wereld en hun heerlijkheid”, moet niet zó verstaan worden, dat Hij die rijken, steden of volkeren, het goud of het zilver, zag; maar de duivel toonde met zijn vinger Christus de streken aan waarin elk rijk of iedere stad gelegen was, en van ieder rijk beschreef hij in woorden de waardigheden en de staat”. — Of zó, met Origenes: “Hij liet Hem zien, hoe hij door de verschillende ondeugden heerschappij voerde over de wereld”.