De singulis miraculorum speciebus
Over de verschillende soorten van wonderen in het bizonder
447Deinde considerandum est de singulis miraculorum speciebus.
447Daarna moeten we de verschillende wondersoorten afzonderlijk behandelen.
1. De miraculis, quae fecit circa spirituales substantias. — 2. De miraculis, quae fecit circa coelestia corpora. — 3. De miraculis, quae fecit circa homines. — 4. De miraculis, quae fecit circa creaturas irrationales.
En wel : 1. Over de wonderen die Hij verrichtte met betrekking tot de geestelijke wezens. 2. Over de wonderen, die Hij deed aan den hemel. 3. Over de wonderen, die Hij in de menschen uitwerkte. 4. Over de wonderen, die Hij in de redelooze schepselen deed.En wel: 1. Over de wonderen die Hij verrichtte met betrekking tot de geestelijke wezens. 2. Over de wonderen, die Hij deed aan de hemel. 3. Over de wonderen, die Hij in de mensen uitwerkte. 4. Over de wonderen, die Hij in de redeloze schepselen deed.
Utrum miracula facta per Christum circa spirituales substantias fuerint convenientia
Waren de wonderen, die Christus in de geestenwereld verricht heeft wel gepast?
Ad primum sic proceditur. Videtur, quod miracula, quae fecit Christus 448circa spirituales substantias, non fuerint convenientia. Inter spirituales enim substantias sancti angeli praepollent daemonibus, quia, ut Augustinus dicit in 3. de Trinitate [cap. 4.], « spiritus vitae rationalis desertor, atque peccator regitur per spiritum vitae rationalem pium et justum ». Sed Christus non legitur aliqua miracula fecisse circa angelos bonos. Ergo nec etiam circa daemones aliqua miracula facere debuit.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de wonderen, die Christus 448in de geestenwereld verricht heeft, niet gepast waren. — 1. De heilige engelen immers bekleeden in de geestenwereld den voorrang boven de duivelen, want, zooals Augustinus zegt in het 3e boek Over de Drievuldigheid (4e H.) de geest, die de oorzaak is geweest van den val en de zonde der redelijke wezens, wordt beheerscht door den redelijken, goeden en rechtvaardigen geest des levens. Maar er staat nergens te lezen, dat Christus wonderen heeft gedaan onder de goede engelen. Dus behoorde Hij ook geen wonderen te doen onder de duivelen.Bedenkingen. — Men beweert, dat de wonderen, die Christus 448in de geestenwereld verricht heeft, niet gepast waren. — 1. De heilige engelen immers bekleden in de geestenwereld de voorrang boven de duivelen, want, zoals Augustinus zegt in het 3e boek Over de Drievuldigheid (4e H.) de geest, die de oorzaak is geweest van de val en de zonde van de redelijke wezens, wordt beheerst door de redelijken, goeden en rechtvaardigen geest van het leven. Maar er staat nergens te lezen, dat Christus wonderen heeft gedaan onder de goede engelen. Dus behoorde Hij ook geen wonderen te doen onder de duivelen.
2. Praeterea, miracula Christi ordinabantur ad manifestandum divinitatem ipsius. Sed divinitas Christi non erat daemonibus manifestanda, quia per hoc impeditum fuisset mysterium passionis ejus, secundum illud 1 Cor. 2. [v. 8] : « Si cognovissent, nunquam Dominum gloriae crucifixissent ». Ergo non debuit circa daemones aliqua miracula facere.
2. Christus' wonderen hadden tot doel zijn Godheid te openbaren. Maar Christus' Godheid moest niet aan de duivelen geopenbaard worden, omdat daardoor het mysterie van zijn lijden zou verhinderd zijn geworden, volgens de woorden van Paulus uit den Eersten brief aan de Korinthiërs (2, 8) : « Zoo ze haar gekend hadden, zouden ze den Heer der glorie niet hebben gekruisigd ». Dus moest Hij in de duivelen geen wonderen verrichten.2. Christus' wonderen hadden tot doel zijn Godheid te openbaren. Maar Christus' Godheid moest niet aan de duivelen geopenbaard worden, omdat daardoor het mysterie van zijn lijden zou verhinderd zijn geworden, volgens de woorden van Paulus uit de Eerste brief aan de Korintiërs (2, 8): “Zo ze haar gekend hadden, zouden ze de Heer van de glorie niet hebben gekruisigd”. Dus moest Hij in de duivelen geen wonderen verrichten.
3. Praeterea, miracula Christi ad gloriam Dei ordinabantur; unde dicitur Matth. 9. [v. 8] quod videntes turbae paralyticum sanatum a Christo, « timuerunt, et glorificaverunt Deum, qui dedit potestatem talem hominibus ». Sed ad daemones non pertinet glorificare Deum, « quia non 449est speciosa laus in ore peccatoris », ut dicitur Eccli. 15. [v. 9] ; unde et sicut dicitur Marci 1. [v. 34] et Lucae 4. [v. 41], non sinebat daemonia loqui ea, quae ad gloriam ipsius pertinebant. Ergo videtur non fuisse conveniens, quod circa daemones aliqua miracula faceret.
3. De wonderen van Christus dienden ter verheerlijking Gods. Vandaar zegt Mattheus (9, 8) dat, toen de menigte den lamme zag, die door Christus was genezen, zij door vrees bevangen werden en God verheerlijkten, die zulk een macht gaf aan de menschen. Maar de duivelen mogen God niet verheerlijken, want « niet schoon is lofspraak in den mond des zondaars » staat er 449geschreven in het Boek Ecclesiasticus (15, 9). Vandaar staat er ook bij Marcus (1, 34) en Lucas (4, 41) : « Hij liet niet toe, dat de duivelen dingen zeiden », die tot zijn verheerlijking strekten. Dus schijnt het niet passend te zijn geweest, dat Hij eenige wonderen verrichtte in de duivelen.3. De wonderen van Christus dienden ter verheerlijking Gods. Vandaar zegt Matteüs (9, 8) dat, toen de menigte de lamme zag, die door Christus was genezen, zij door vrees bevangen werden en God verheerlijkten, die zulk een macht gaf aan de mensen. Maar de duivelen mogen God niet verheerlijken, want “niet schoon is lofspraak in de mond van de zondaar” staat er 449geschreven in het Boek Sirach (15, 9). Vandaar staat er ook bij Marcus (1, 34) en Lukas (4, 41): “Hij liet niet toe, dat de duivelen dingen zeiden”, die tot zijn verheerlijking strekten. Dus schijnt het niet passend te zijn geweest, dat Hij enige wonderen verrichtte in de duivelen.
4. Praeterea, miracula a Christo facta ad salutem hominum ordinantur. Sed quaedam daemonia ab hominibus ejecta fuerunt cum hominum detrimento: quandoque quidem corporali, sicut dicitur Marci 9. [v. 24-25] quod daemon ad praeceptum Christi « exclamans, et multum discerpens hominem, exiit ab eo, et factus est sicut mortuus, ita ut multi dicerent, quia mortuus est » ; quandoque etiam cum damno rerum, sicut quando daemones ad eorum preces misit in porcos, quos praecipitaverunt in mare; unde cives illius regionis rogaverunt eum, ut transiret a finibus eorum, ut legitur Matth. 8. [v. 31 sqq.]. Ergo videtur inconvenienter fecisse hujusmodi miracula.
4. De wonderen, die Christus gedaan heeft, waren gericht op het welzijn der menschen. Maar sommige duivelen werden uit de menschen gedreven tot hun nadeel. Soms bracht het lichamelijk letsel, zooals bij Marcus geschreven staat (9, 24, 25) dat de duivel, op bevel van Christus « schreeuwend en onder hevige stuiptrekkingen van dien mensch, uitging en dat (de knaap) er uitzag als een lijk, zoodat velen zeiden, dat hij gestorven was ». Soms ook tot nadeel in zaken: zooals toen Hij de duivelen, op hun verzoek, in (een kudde) zwijnen zond, die ze toen in de zee wierpen; vandaar dat de inwoners van die streek Hem verzochten heen te gaan uit hun gebied, zooals te lezen staat bij Mattheus (8, 31). Dus schijnt het wel, dat het niet passend was, zulke wonderen te verrichten.4. De wonderen, die Christus gedaan heeft, waren gericht op het welzijn van de mensen. Maar sommige duivelen werden uit de mensen gedreven tot hun nadeel. Soms bracht het lichamelijk letsel, zoals bij Marcus geschreven staat (9, 24, 25) dat de duivel, op bevel van Christus “schreeuwend en onder hevige stuiptrekkingen van die mens, uitging en dat (de knaap) er uitzag als een lijk, zodat velen zeiden, dat hij gestorven was”. Soms ook tot nadeel in zaken: zoals toen Hij de duivelen, op hun verzoek, in (een kudde) zwijnen zond, die ze toen in de zee wierpen; vandaar dat de inwoners van die streek Hem verzochten heen te gaan uit hun gebied, zoals te lezen staat bij Matteüs (8, 31). Dus schijnt het wel, dat het niet passend was, zulke wonderen te verrichten.
Sed contra est, quod Zach. 13. [v. 2] hoc praenuntiatum fuerat, ubi dicitur: « Spiritum immundum auferam de terra ».
Daartegenover staat echter, dat Zacharias dit voorspeld had, waar hij nl. zegt (13, 2) : « Den onzuiveren geest zal ik wegruimen uit het land ».Daartegenover staat echter, dat Zacharias dit voorspeld had, waar hij nl. zegt (13, 2): “De onzuivere geest zal ik wegruimen uit het land”.
450Respondeo dicendum, quod miracula, quae Christus fecit, argumenta quaedam fuerunt fidei, quam ipse docebat. Futurum autem erat, ut per virtutem divinitas ejus excluderet daemonum potestatem ab hominibus credituris in eum, secundum illud Joan. 12. [v. 31] : « Nunc princeps hujus mundi ejicietur foras ». Et ideo conveniens fuit, quod inter alia miracula etiam obsessos a daemonibus liberaret.
450Leerstelling. — De wonderen, die Christus deed, waren bewijzen voor het geloof, dat Hij leerde. Volgens Joannes nu (12, 31) : « Nu zal de vorst dezer wereld worden buitengeworpen », zou Hij door de kracht van zijn Godheid later aan de duivelen de macht ontnemen over de menschen, die in Hem zouden gelooven. En dus was het wel passend, dat Hij, onder andere wonderen, ook de bezetenen van den duivel bevrijdde.450Leerstelling. — De wonderen, die Christus deed, waren bewijzen voor het geloof, dat Hij leerde. Volgens Johannes nu (12, 31): “Nu zal de vorst van deze wereld worden buitengeworpen”, zou Hij door de kracht van zijn Godheid later aan de duivelen de macht ontnemen over de mensen, die in Hem zouden geloven. En dus was het wel passend, dat Hij, onder andere wonderen, ook de bezetenen van de duivel bevrijdde.
Ad primum ergo dicendum, quod homines sicut per Christum erant a potestate daemonum liberandi, ita per eum erant angelis consociandi, secundum illud Colossens. 1. [v. 20] : « Pacificans per sanguinem crucis ejus, quae in coelis et quae in terris sunt ». Et ideo circa angelos alia miracula hominibus demonstrare non conveniebat, nisi ut angeli hominibus apparerent, quod quidem factum est in nativitate ipsius, et in resurrectione, et ascensione ejus.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Evenals de menschen door Christus van de macht der duivelen moesten verlost worden, zoo moesten ze ook door Hem in gemeenschap gebracht worden met de engelen, volgens het woord uit den Brief aan de Colossenzen (1, 20) : « Door het bloed van zijn kruis, heeft Hij alles wat op aarde is en in den hemel, tot vrede gebracht ». En dus behoefde Hij m. b. t. de engelen geen andere wonderen aan de menschen te toonen, dan alleen, dat de engelen aan de menschen verschenen: wat dan ook gebeurd is bij zijn geboorte, zijn verrijzenis en hemelvaart.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Evenals de mensen door Christus van de macht van de duivelen moesten verlost worden, zo moesten ze ook door Hem in gemeenschap gebracht worden met de engelen, volgens het woord uit de Brief aan de Colossenzen (1, 20): “Door het bloed van zijn kruis, heeft Hij alles wat op aarde is en in de hemel, tot vrede gebracht”. En dus behoefde Hij m. b. t. de engelen geen andere wonderen aan de mensen te tonen, dan alleen, dat de engelen aan de mensen verschenen: wat dan ook gebeurd is bij zijn geboorte, zijn verrijzenis en hemelvaart.
Ad secundum dicendum, quod, sicut Augustinus dicit 9. de Civitate Dei [cap. 21.], « Christus tantum innotuit daemonibus, quantum voluit; 451tantum autem voluit, quantum oportuit. Sed innotuit eis, non sicut angelis sanctis per id quod est vita aeterna, sed per quaedam temporalia suae virtutis effecta ». Et primo quidem videntes Christum esurire post jejunium, aestimaverunt eum non esse Filium Dei; unde super illud Luc. 4. [v. 3] ; Si filius Dei es, etc., dicit Ambrosius [Expos. in Luc., L. 4] : « Quid sibi vult talis sermonis exorsus, nisi quia cognoverat Dei Filium esse venturum, sed venisse per infirmitatem corporis non putavit? » Sed postmodum visis miraculis, ex quadam suspicatione conjecturavit, eum esse Filium Dei. Unde super illud Marci 1. [v. 24] : Scio, quod sis Sanctus Dei, dicit Chrysostomus [Victor. Antioch., Comm. in Marc.], quod « non certam aut firmam adventus Dei habebat notitiam. Sciebat tamen ipsum esse Christum in lege promissum ». Unde dicitur Luc. 4. [v. 41] : « Quia sciebant ipsum esse Christum ». Quod autem ipsum confitebantur esse Filium Dei, magis erat ex quadam suspicione, quam ex certitudine. Unde Beda 452dicit super Luc. [Expos. L. 2, ad c. 4, v. 41] : « Et daemonia Filium Dei confitebantur ». Et, sicut postea dicitur, « sciebant eum esse Christum, quia cum jejunio fatigatum eum diabolus videret, verum hominem intellexit. Sed quia tentando non praevaluit, utrum Filius Dei esset, dubitabat. Nunc autem per signorum potentiam vel intellexit, vel potius suspicatus est esse Filium Dei. Non ideo igitur Judaeis eum crucifigere persuasit, quia Christum Dei Filium non esse putavit, sed quia se morte illius non praevidit esse damnandum. De hoc enim mysterio a saeculis abscondito dicit Apostolus, 1. Cor. 2. [v. 8], quod « nemo principum hujus saeculi cognovit. Si enim cognovissent, nunquam Dominum gloriae crucifixissent » ».
2. Hierop is te antwoorden met de woorden van Augustinus uit zijn werk De Stad Gods (9e B., 21e H.) : « Christus maakte zich slechts in die mate aan de duivelen bekend, als Hij zelf wilde; 451dat nu wilde Hij, wat noodig was. Maar Hij maakte zich aan hen niet bekend, zooals aan de engelen, door dingen, die betrekking hadden op het eeuwig leven, maar door sommige tijdelijke uitvloeisels van zijn macht ». Aanvankelijk nu waren ze van meening, toen ze zagen dat Christus nà zijn vasten honger had, dat Hij niet de Zoon van God was. Vandaar zegt Ambrosius in zijn commentaar op Lucas (4, 3) : « Indien ge de Zoon Gods zijt etc... »: « Waartoe dit begin, dan alleen, omdat hij te weten was gekomen, dat de Zoon Gods zou komen, maar niet gedacht had, dat Hij in een zwak lichaam zou komen? » Naderhand echter vermoedde hij, toen hij de wonderen gezien had, dat Hij de Zoon Gods was. Vandaar zegt Chrysostomus bij de woorden van Marcus (1, 24) : « Ik weet dat Gij de heilige Gods zijt » — « dat hij geen zekere of hechte kennis had, van de komst van God. Hij wist echter dat het Christus was, die in de wet was beloofd. » Vandaar zegt Lucas (4, 41) : « Ze wisten, dat Hij de Christus was ». Dat ze echter beleden, dat Hij de Zoon Gods was, kwam meer voort uit een zeker vermoeden dan wel uit zekerheid. Vandaar zegt Beda in het 2e boek van zijn commentaar op Lucas (4, 41) : « De duivelen beleden Hem als den Zoon van God », en « wisten », zooals verderop gezegd wordt, « dat Hij de Christus was ». Want toen de duivel zag, dat Hij door het vasten afgemat was, begreep hij, dat Hij een echt mensch was: maar hij twijfelde er aan of Hij 452de Zoon van God was, omdat hij met zijn bekoringen geen macht over Hem had. Nu daarentegen kwam hij door de macht der teekenen tot het inzicht of beter, begon hij te vermoeden, dat Hij de Zoon van God was. En daarom haalde hij de Joden over Hem te kruisigen, niet omdat hij niet meende dat Hij de Christus of de Zoon Gods was: maar omdat Hij niet voorzag, dat hij veroordeeld zou worden door zijn dood. Want van dit mysterie, dat sinds den aanvang der eeuwen verborgen is geweest, zegt de Apostel, dat « geen der machten dezer wereld het gekend heeft: want zoo ze het gekend hadden, zouden ze den Heer der glorie niet hebben gekruisigd ».2. Hierop is te antwoorden met de woorden van Augustinus uit zijn werk De Stad Gods (9e B., 21e H.): “Christus maakte zich slechts in die mate aan de duivelen bekend, als Hij zelf wilde; 451dat nu wilde Hij, wat nodig was. Maar Hij maakte zich aan hen niet bekend, zoals aan de engelen, door dingen, die betrekking hadden op het eeuwig leven, maar door sommige tijdelijke uitvloeisels van zijn macht”. Aanvankelijk nu waren ze van mening, toen ze zagen dat Christus nà zijn vasten honger had, dat Hij niet de Zoon van God was. Vandaar zegt Ambrosius in zijn commentaar op Lukas (4, 3): “Indien ge de Zoon Gods zijt etc...”: “Waartoe dit begin, dan alleen, omdat hij te weten was gekomen, dat de Zoon Gods zou komen, maar niet gedacht had, dat Hij in een zwak lichaam zou komen?” Naderhand echter vermoedde hij, toen hij de wonderen gezien had, dat Hij de Zoon Gods was. Vandaar zegt Chrysostomus bij de woorden van Marcus (1, 24): “Ik weet dat Gij de heilige Gods zijt” — “dat hij geen zekere of hechte kennis had, van de komst van God. Hij wist echter dat het Christus was, die in de wet was beloofd.” Vandaar zegt Lukas (4, 41): ‘Ze wisten, dat Hij de Christus was’. Dat ze echter beleden, dat Hij de Zoon Gods was, kwam meer voort uit een zeker vermoeden dan wel uit zekerheid. Vandaar zegt Beda in het 2e boek van zijn commentaar op Lukas (4, 41): ‘De duivelen beleden Hem als de Zoon van God”, en “wisten”, zoals verderop gezegd wordt, “dat Hij de Christus was”. Want toen de duivel zag, dat Hij door het vasten afgemat was, begreep hij, dat Hij een echt mens was: maar hij twijfelde er aan of Hij 452de Zoon van God was, omdat hij met zijn bekoringen geen macht over Hem had. Nu daarentegen kwam hij door de macht van de tekenen tot het inzicht of beter, begon hij te vermoeden, dat Hij de Zoon van God was. En daarom haalde hij de Joden over Hem te kruisigen, niet omdat hij niet meende dat Hij de Christus of de Zoon Gods was: maar omdat Hij niet voorzag, dat hij veroordeeld zou worden door zijn dood. Want van dit mysterie, dat sinds de aanvang van de eeuwen verborgen is geweest, zegt de Apostel, dat “geen van de machten van deze wereld het gekend heeft: want zo ze het gekend hadden, zouden ze de Heer van de glorie niet hebben gekruisigd”.
Ad tertium dicendum, quod miracula in expulsione daemonum non fecit Christus propter utilitatem daemonum, sed propter utilitatem hominum, ut ipsi eum glorificarent. Et ideo prohibuit eos loqui ea, quae ad laudem ipsius pertinebant. Primo quidem propter exemplum, quia ut dicit Athanasius [Fragm. in Luc.], « compescebat diaboli sermonem, quamvis vera fateretur, ut nos etiam assuefaciat ne curemus de talibus, etiamsi vera 453loqui videantur; nefas est enim, ut cum adsit nobis Scriptura divina, instruamur a diabolo ». Est enim hoc periculosum, quia veritati frequenter daemones immiscent mendacia. Secundo quia, sicut Chrysostomus dicit [Cyrill. Alex., Comm. in Luc., ad c. 4, v. 41], « non oportebat, eos surripere officii Apostolici gloriam, nec decebat Christi mysterium lingua foetida publicari, quia non est speciosa laus in ore peccatorum ». Tertio, quia, ut Beda dicit [loc. sup. cit. et Theophyl. in hunc loc.], « nolebat ex hoc invidiam accendere Judaeorum; unde etiam ipsi Apostoli jubentur reticere de ipso, ne divina majestate praedicata, passionis dispensatio differretur ».
3. De wonderen bij de duiveluitdrijvingen, heeft Christus niet gedaan ten bate van de duivelen, maar ten bate der menschen, opdat ze Hem zouden verheerlijken. En daarom verbood Hij hen dingen te zeggen, die Hem zouden verheerlijken. En wel ten eerste om het voorbeeld. Want, zooals Athanasius zegt (in een uittreksel van 'n commentaar op Lucas) : « Hij dwong hem niet te spreken, ofschoon hij ware dingen zou uiten, om ons er aan te gewennen om op dergelijke dingen niet te letten, ook al schijnt het dan, dat er ware dingen gezegd worden. Want het is verkeerd om 453door den duivel onderricht te worden, waar ons de Goddelijke Schrift ten dienste staat ». Zoo iets is immers gevaarlijk, omdat de duivelen maar al te dikwijls leugens vermengen met de waarheid. — Ofwel, zooals Chrysostomus zegt (Cyrillus van Alexandrie, Commentaar op Lucas, 4, 41) : « Zij mochten zich niet meester maken van de eer van het apostelambt. En evenmin kwam het te pas, dat het Christus-mysterie verkondigd zou worden door een stinkenden mond: want « niet schoon is lofspraak in den mond des zondaars » ». — En ten derde, omdat, zooals Beda zegt, « Hij niet op die manier de afgunst der Joden wilde doen ontvlammen ». Vandaar « krijgen ook de Apostelen de opdracht over Hem te zwijgen: opdat nl. door de prediking van de Goddelijke majesteit, de volvoering, van het lijden niet zou uitgesteld worden ».3. De wonderen bij de duiveluitdrijvingen, heeft Christus niet gedaan ten bate van de duivelen, maar ten bate van de mensen, opdat ze Hem zouden verheerlijken. En daarom verbood Hij hen dingen te zeggen, die Hem zouden verheerlijken. En wel ten eerste om het voorbeeld. Want, zoals Athanasius zegt (in een uittreksel van 'n commentaar op Lukas): “Hij dwong hem niet te spreken, ofschoon hij ware dingen zou uiten, om ons er aan te gewennen om op dergelijke dingen niet te letten, ook al schijnt het dan, dat er ware dingen gezegd worden. Want het is verkeerd om 453door de duivel onderricht te worden, waar ons de Goddelijke Schrift ten dienste staat”. Zo iets is immers gevaarlijk, omdat de duivelen maar al te dikwijls leugens vermengen met de waarheid. — Ofwel, zoals Chrysostomus zegt (Cyrillus van Alexandrie, Commentaar op Lukas, 4, 41): “Zij mochten zich niet meester maken van de eer van het apostelambt. En evenmin kwam het te pas, dat het Christus-mysterie verkondigd zou worden door een stinkenden mond: want ‘niet schoon is lofspraak in de mond van de zondaar’”. — En ten derde, omdat, zoals Beda zegt, ‘Hij niet op die manier de afgunst van de Joden wilde doen ontvlammen’. Vandaar ‘krijgen ook de Apostelen de opdracht over Hem te zwijgen: opdat nl. door de prediking van de Goddelijke majesteit, de volvoering, van het lijden niet zou uitgesteld worden’.
Ad quartum dicendum, quod Christus specialiter venerat docere et miracula facere propter utilitatem hominum principaliter quantum ad animae salutem. Et ideo permisit daemones, quod ejiciebat, hominibus aliquod nocumentum inferre, vel in corpore, vel in rebus, propter animae humanae salutem, ad hominum scilicet instructionem. Unde Chrysostomus dicit super Matth. [hom. 29.], quod Christus « permisit daemonibus in porcos ire, 454non quasi a daemonibus persuasus, sed primo quidem ut instruat magnitudinem nocumenti daemonum, qui hominibus insidiantur; secundo, ut omnes discerent, quoniam nec adversus porcos audeant aliquid facere, nisi ipse consentiat; tertio, ut ostenderet, quod graviora in illos homines operati essent, quam in illos porcos, nisi essent divina providentia adjuti ».
4. Christus was vooral komen leeren en wonderen doen ten bate van de menschen, en wel hoofdzakelijk voor hun zieleheil. En daarom liet Hij toe, dat de duivelen, die Hij uitdreef, de menschen eenige schade toebrachten, ofwel in hun lichaam, ofwel in zaken, terwille van het zieleheil der menschen; en wel om ze te onderrichten. Vandaar zegt Chrysostomus (in zijn 28e Homelie) op Mattheus dat Christus « aan de duivelen toestond in de zwijnen te varen, niet alsof Hij door de duivelen overtuigd was, maar ten 454eerste om te laten zien, hoe groot de schade is, die de duivelen aanrichten, die de menschen belagen; ten tweede, opdat allen zouden leeren, dat ze zelfs niets durven te ondernemen tegen zwijnen, zonder zijn toestemming; ten derde om aan te toonen, dat ze nog wel ergere dingen zouden gedaan hebben met die menschen, als met die zwijnen, zoo de goddelijke Voorzienigheid hen niet te hulp was gekomen ».4. Christus was vooral komen leren en wonderen doen ten bate van de mensen, en wel hoofdzakelijk voor hun zieleheil. En daarom liet Hij toe, dat de duivelen, die Hij uitdreef, de mensen enige schade toebrachten, ofwel in hun lichaam, ofwel in zaken, terwille van het zieleheil van de mensen; en wel om ze te onderrichten. Vandaar zegt Chrysostomus (in zijn 28e Homelie) op Matteüs dat Christus “aan de duivelen toestond in de zwijnen te varen, niet alsof Hij door de duivelen overtuigd was, maar ten 454eerste om te laten zien, hoe groot de schade is, die de duivelen aanrichten, die de mensen belagen; ten tweede, opdat allen zouden leren, dat ze zelfs niets durven te ondernemen tegen zwijnen, zonder zijn toestemming; ten derde om aan te tonen, dat ze nog wel ergere dingen zouden gedaan hebben met die mensen, als met die zwijnen, zo de goddelijke Voorzienigheid hen niet te hulp was gekomen”.
Et propter easdem etiam causas permisit, eum, qui a daemonibus liberabatur, ad horam gravius affligi, a qua tamen afflictione eum continuo liberavit. Per hoc etiam ostenditur, ut Beda dicit [Expos. in Marc., L. 3, ad c. 9, v. 25], quod « saepe, dum converti ad Deum post peccata conamur, majoribus novisque antiqui hostis pulsamur insidiis; quod facit, vel ut odium virtutis incutiat, vel expulsionis suae vindicet injuriam ». Factus est etiam homo sanatus velut mortuus, ut Hieronymus dicit [Expos. in Marc., ibid.; inter opp. Hieron.], quia sanatis dicitur Coloss. 3. [v. 3] : « Mortui estis, et vita vestra abscondita est cum Christo in Deo ».
En om diezelfde redenen liet Hij toe dat hij, die van de duivelen bevrijd werd, er voor eenigen tijd nog al erg aan toe was: Hij verloste hem echter terstond van die kwelling. Daardoor wordt ook, zooals Beda zegt (in het 3e boek van zijn Commentaar op Marcus, 9, 25) aangetoond, dat wij dikwijls, als wij ons na de zonde trachten tot God te wenden, door grootere en nieuwe hinderlagen van den ouden vijand worden verontrust. Wat hij doet, ofwel om ons haat tegen de deugd in te boezemen, ofwel zich te wreken over het onrecht hem door de uitdrijving aangedaan. Die mensch scheen wel gestorven, nadat hij genezen was, omdat, zooals Hieronymus zegt (in zijn Commentaar op Marcus) tot de genezenen gezegd wordt: « Gij zijt gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God ».En om diezelfde redenen liet Hij toe dat hij, die van de duivelen bevrijd werd, er voor enigen tijd nog al erg aan toe was: Hij verloste hem echter terstond van die kwelling. Daardoor wordt ook, zoals Beda zegt (in het 3e boek van zijn Commentaar op Marcus, 9, 25) aangetoond, dat wij dikwijls, als wij ons na de zonde trachten tot God te wenden, door grotere en nieuwe hinderlagen van de oude vijand worden verontrust. Wat hij doet, ofwel om ons haat tegen de deugd in te boezemen, ofwel zich te wreken over het onrecht hem door de uitdrijving aangedaan. Die mens scheen wel gestorven, nadat hij genezen was, omdat, zoals Hieronymus zegt (in zijn Commentaar op Marcus) tot de genezenen gezegd wordt: “Gij zijt gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God”.
Utrum convenienter facta fuerint miracula per Christum circa caelestia corpora
Was het wel passend, dat Christus wonderen voortbracht in de hemellichamen?
455Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod inconvenienter fuerint a Christo facta miracula circa coelestia corpora. Ut enim Dionysius dicit 4. cap. de Div. Nom., « divinae providentia non est naturam corrumpere, sed salvare ». Corpora autem coelestia secundum suam naturam sunt incorruptibilia et inalterabilia, ut probatur in 1. de Coelo [c. 4, n. 4 sqq.]. Ergo non fuit conveniens, ut per Christum fieret aliqua immutatio circa ordinem coelestium corporum.
455Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet passend is geweest, dat Christus wonderen heeft voortgebracht in de hemellichamen. — 1. Want zooals Dionysius zegt in het 4e hoofdstuk van zijn boek Over de Namen van God, « is het de taak der goddelijke Voorzienigheid niet om de natuur te verkrachten, maar om haar te behouden ». De hemellichamen zijn echter wat hun natuur betreft onvergankelijk en onveranderlijk, zooals bewezen wordt in het 1e boek Over den Hemel (3e H. n. 4). Dus was het niet passend, dat door Christus iets veranderd werd in de orde der hemellichamen.455Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet passend is geweest, dat Christus wonderen heeft voortgebracht in de hemellichamen. — 1. Want zoals Dionysius zegt in het 4e hoofdstuk van zijn boek Over de Namen van God, “is het de taak van de goddelijke Voorzienigheid niet om de natuur te verkrachten, maar om haar te behouden”. De hemellichamen zijn echter wat hun natuur betreft onvergankelijk en onveranderlijk, zoals bewezen wordt in het 1e boek Over de Hemel (3e H. n. 4). Dus was het niet passend, dat door Christus iets veranderd werd in de orde van de hemellichamen.
2. Praeterea, secundum motum coelestium corporum temporum cursus designantur, secundum illud Genes. 1. [v. 14] : « Fiant luminaria in firmamento coeli, et sint in signa, et tempora, et dies, et annos ». Sic ergo, mutato cursu coelestium corporum, mutatur temporum distinctio et 456ordo. Sed non legitur hoc esse perceptum ab astrologis, qui « contemplantur sidera, et computant menses », ut dicitur Isa. 47. [v. 13]. Ergo videtur, quod per Christum non fuerit aliqua mutatio facta circa cursum coelestium corporum.
2. Het tijdsverloop wordt aangeduid door de beweging der hemellichamen, volgens Genesis (1, 14) : « Dat er lichten worden in het uitspansel des hemels en dat zij tot teekenen zijn en tijden en dagen en jaren ». Zoo wordt dus door een verandering aan te brengen in den loop der hemellichamen, het onderscheid en het verloop der tijden veranderd. Maar er staat nergens te lezen, dat 456dit waargenomen is geworden door de astronomen, « die », zooals Isaïas zegt (47, 13) « de sterren beschouwen en de maanden berekenen ». Dus schijnt het wel, dat door Christus geen verandering is aangebracht in den loop der hemellichamen.2. Het tijdsverloop wordt aangeduid door de beweging van de hemellichamen, volgens Genesis (1, 14): “Dat er lichten worden in het uitspansel van de hemel en dat zij tot tekenen zijn en tijden en dagen en jaren”. Zo wordt dus door een verandering aan te brengen in de loop van de hemellichamen, het onderscheid en het verloop van de tijden veranderd. Maar er staat nergens te lezen, dat 456dit waargenomen is geworden door de astronomen, “die”, zoals Jesaja zegt (47, 13) “de sterren beschouwen en de maanden berekenen”. Dus schijnt het wel, dat door Christus geen verandering is aangebracht in de loop van de hemellichamen.
3. Praeterea, magis competebat Christo facere miracula vivens et docens, quam moriens, tum quia, ut dicitur 2. ad Cor. ult. [v. 4] : « Crucifixus est ex infirmitate, sed vivit ex virtute Dei », secundum quam miracula faciebat; tum etiam quia ejus miracula confirmativa erant doctrinae ipsius. Sed in vita sua non legitur Christum aliquod miraculum circa coelestia corpora fecisse; quinimmo pharisaeis petentibus ab eo signum de coelo, eis dare renuit, ut habetur Matth. 12. [38-39] et 16. [v. 1-4]. Ergo videtur, quod nec in morte circa coelestia corpora aliquod miraculum facere debuerit.
3. Het was passender voor Christus bij zijn leven en gedurende zijn onderrichtingen wonderen te doen, dan bij zijn sterven: niet alleen omdat Hij, zooals geschreven staat in den Tweeden Brief aan de Korinthiërs (13, 4) uit zwakheid werd gekruisigd, maar leeft door de kracht Gods, welke Hem de wonderen deed verrichten; maar ook, omdat zijn wonderen de bevestiging waren van zijn leer. Maar we lezen nergens, dat Christus gedurende zijn leven wonderen gedaan heeft in de hemellichamen. Integendeel: toen de Farizeeën van Hem een teeken vroegen van den hemel, weigerde Hij dit te geven, zooals blijkt uit Mattheus (12, 38, 39 en 16, 1-4). Dus schijnt het wel, dat Hij ook niet bij zijn sterven een wonder had behooren te doen in de hemellichamen.3. Het was passender voor Christus bij zijn leven en gedurende zijn onderrichtingen wonderen te doen, dan bij zijn sterven: niet alleen omdat Hij, zoals geschreven staat in de Tweede Brief aan de Korintiërs (13, 4) uit zwakheid werd gekruisigd, maar leeft door de kracht Gods, welke Hem de wonderen deed verrichten; maar ook, omdat zijn wonderen de bevestiging waren van zijn leer. Maar we lezen nergens, dat Christus gedurende zijn leven wonderen gedaan heeft in de hemellichamen. Integendeel: toen de Farizeeën van Hem een teken vroegen van de hemel, weigerde Hij dit te geven, zoals blijkt uit Matteüs (12, 38, 39 en 16, 1-4). Dus schijnt het wel, dat Hij ook niet bij zijn sterven een wonder had behoren te doen in de hemellichamen.
Sed contra est, quod dicitur Luc. 23. [v. 44-45] : « Tenebrae factae sunt in universa terra usque ad horam nonam, et obscuratus est sol ».
Daartegenover staat echter, dat Lucas zegt (23, 44, 45) : « Tot het negende uur toe werd het donker over heel het land, want de zon werd verduisterd ».Daartegenover staat echter, dat Lukas zegt (23, 44, 45): “Tot het negende uur toe werd het donker over heel het land, want de zon werd verduisterd”.
457Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [q. praec. art. 4.], miracula Christi talia esse debebant, ut sufficienter eum esse Deum ostenderent. Hoc autem non ita evidenter ostenditur per transmutationes corporum inferiorum, quae etiam ab aliis causis moveri possunt, sicut per transmutationem cursus coelestium corporum, quae a solo Deo sunt immobiliter ordinata. Et hoc est quod Dionysius dicit in epistola ad Polycarpum [Ep. 7] : « Cognoscere oportet non aliter aliquando posse aliquid perverti coelestis ordinationis et motus, nisi causam haberet ad hoc moventem, quae facit omnia et mutat secundum suum sermonem ». Et ideo conveniens fuit, ut Christus miracula faceret etiam circa coelestia corpora.
457Leerstelling. — Zooals boven gezegd is (43e Kw., 4e Art.) behoorden Christus' wonderen van dien aard te zijn, dat ze voldoende aantoonden, dat Hij God was. Dit wordt echter niet zoo duidelijk aangetoond door veranderingen in lagere lichamen, die ook door andere oorzaken veranderd kunnen worden, als wel door een verandering in den loop der hemellichamen, die alleen van God hun onveranderlijke baan hebben. En dit is het, wat Dionysius zegt in zijn Brief Aan Polycarpus: « Men diene te weten, dat er soms op geen andere manier iets veranderd kan worden in de orde en den loop van den hemel, dan door Hem die alles maakt en verandert op zijn woord ». En dus was het passend, dat Christus ook wonderen deed in de hemellichamen.457Leerstelling. — Zoals boven gezegd is (43e Kw., 4e Art.) behoorden Christus' wonderen van die aard te zijn, dat ze voldoende aantoonden, dat Hij God was. Dit wordt echter niet zo duidelijk aangetoond door veranderingen in lagere lichamen, die ook door andere oorzaken veranderd kunnen worden, als wel door een verandering in de loop van de hemellichamen, die alleen van God hun onveranderlijke baan hebben. En dit is het, wat Dionysius zegt in zijn Brief Aan Polycarpus: “Men diene te weten, dat er soms op geen andere manier iets veranderd kan worden in de orde en de loop van de hemel, dan door Hem die alles maakt en verandert op zijn woord”. En dus was het passend, dat Christus ook wonderen deed in de hemellichamen.
Ad primum ergo dicendum, quod sicut inferioribus corporibus naturale est moveri a coelestibus corporibus, quae sunt superiora secundum naturae ordinem, ita etiam naturale est cuilibet creaturae, ut transmutetur a Deo secundum ejus voluntatem; unde Augustinus dicit 26. contra Faustum [cap. 3.] et habetur in Gloss. [Lomb., Rom. 11, super illud, v. 24] : Contra naturam insertus es, etc.: « Deus creator et conditor omnium 458naturarum nihil contra naturam facit, quia id est cuique rei natura, quod Deus facit », et ita non corrumpitur natura coelestium corporum, cum eorum cursus immutatur a Deo; corrumperetur autem, si ab aliqua alia causa immutaretur.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zooals het natuurlijk is voor de lagere lichamen bewogen te worden door de hemellichamen, die hooger staan wat hun natuurordening betreft, zoo is het ook voor ieder schepsel natuurlijk veranderd te worden door God volgens diens wil. Vandaar dat Augustinus zegt in het 26e boek Tegen Faustus (3e H.) (men vindt dit in de Glossa bij dezen tekst uit den Brief aan de Romeinen (11, 22) : « Gij zijt ingeënt tegen de natuur in... ») : « God, de Schepper en Maker van 458alle dingen, doet niets tegen de natuur in: want dat wat Hij maakt is juist voor ieder ding zijn natuur ». En derhalve wordt de natuur der hemellichamen niet verkracht, als door God hun loop veranderd wordt; zij zou verkracht worden, als ze veranderd zou worden door eenige andere oorzaak.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoals het natuurlijk is voor de lagere lichamen bewogen te worden door de hemellichamen, die hoger staan wat hun natuurordening betreft, zo is het ook voor ieder schepsel natuurlijk veranderd te worden door God volgens diens wil. Vandaar dat Augustinus zegt in het 26e boek Tegen Faustus (3e H.) (men vindt dit in de Glossa bij deze tekst uit de Brief aan de Romeinen (11, 22): “Gij zijt ingeënt tegen de natuur in...”): “God, de Schepper en Maker van 458alle dingen, doet niets tegen de natuur in: want dat wat Hij maakt is juist voor ieder ding zijn natuur”. En derhalve wordt de natuur van de hemellichamen niet verkracht, als door God hun loop veranderd wordt; zij zou verkracht worden, als ze veranderd zou worden door enige andere oorzaak.
Ad secundum dicendum, quod per miraculum a Christo factum non est perversus ordo temporum, nam secundum quosdam illae tenebrae, vel solis obscuratio, quae in passione Christi accidit, fuit propter hoc, quod sol suos radios retraxit, nulla immutatione facta circa motum coelestium corporum, secundum quem tempora mensurantur. Unde Hieronymus dicit super Matthaeum [Comm., L. 4, ad c. 27, v. 45] : « Videtur luminare majus retraxisse radios suos, ne aut pendentem videret Dominum, aut impii blasphemantes sua luce fruerentur ». Talis autem retractio radiorum non est sic intelligenda, quasi sol in sua potestate habeat radios emittere, vel retrahere; non enim ex electione, sed ex natura radios emittit, ut dicit Dionysius 4. cap. de Div. Nom., sed sol dicitur retraxisse radios, inquantum divina virtute factum est, ut solis radii ad terram non pervenirent.
2. Door het wonder, dat Christus deed, is geen wanorde gebracht in den loop der tijden. Want volgens sommigen, kwamen die duisternissen of die zonsverduistering, die gedurende Christus' lijden plaats had, hiervandaan, dat de zon haar stralen terugtrok, zonder dat er eenige verandering plaats had in den loop der hemellichamen, waarnaar de tijd afgemeten wordt. Vandaar zegt Hieronymus (in het 4e boek van zijn Commentaar op Mattheus, 27, 45) : « Het schijnt dat het groote licht zijn stralen heeft teruggetrokken, ofwel opdat het niet den Heer zou kunnen zien hangen, ofwel opdat die godslasterende zondaars van zijn licht niet zouden genieten ». — Dit terugtrekken van haar stralen moet echter niet zoo verstaan worden, alsof de zon het in haar macht zou hebben haar stralen uit te zenden of terug te houden: want zij zendt haar stralen niet uit vrije keuze, maar van nature, zooals Dionysius zegt in het 4e hoofdstuk van zijn werk Over de Namen van God. Maar men kan zeggen, dat de zon haar stralen terugtrok, in zoover Gods kracht maakte, dat de zonnestralen de aarde niet bereikten.2. Door het wonder, dat Christus deed, is geen wanorde gebracht in de loop van de tijden. Want volgens sommigen, kwamen die duisternissen of die zonsverduistering, die gedurende Christus' lijden plaats had, hiervandaan, dat de zon haar stralen terugtrok, zonder dat er enige verandering plaats had in de loop van de hemellichamen, waarnaar de tijd afgemeten wordt. Vandaar zegt Hieronymus (in het 4e boek van zijn Commentaar op Matteüs, 27, 45): “Het schijnt dat het grote licht zijn stralen heeft teruggetrokken, ofwel opdat het niet de Heer zou kunnen zien hangen, ofwel opdat die godslasterende zondaars van zijn licht niet zouden genieten”. — Dit terugtrekken van haar stralen moet echter niet zo verstaan worden, alsof de zon het in haar macht zou hebben haar stralen uit te zenden of terug te houden: want zij zendt haar stralen niet uit vrije keuze, maar van nature, zoals Dionysius zegt in het 4e hoofdstuk van zijn werk Over de Namen van God. Maar men kan zeggen, dat de zon haar stralen terugtrok, in zover Gods kracht maakte, dat de zonnestralen de aarde niet bereikten.
459Origenes autem dicit, hoc accidisse per interpositionem nubium; unde super Matth. dicit [tract. 35.] : « Conveniens est intelligere quasdam tenebrosissimas nubes multas et magnas concurrisse super Jerusalem et terram Judaeae; et ideo factae sunt tenebrae profundae a sexta hora usque ad nonam. Arbitror enim, sicut caetera signa, quae facta sunt in passione, scilicet quod velum templi est scissum, quod terra tremuit, etc. in Jerusalem tantummodo facta sunt, ita et hoc. Aut si latius voluerit quis extendere ad terram Judaeae, propter hoc quod dicitur: Tenebrae factae sunt in universa terra, quod intelligitur de terra Judaeae, sicut in 3. lib. Reg. [cap. 18, v. 10] dixit Abdias ad Eliam: « Vivit Dominus Deus tuus, quia non est gens, aut regnum, ubi non miserit dominus meus quaerere te », ostendens quod eum quaesierat in gentibus, quae sunt circa Judaeam ».
459Origenes echter zegt, dat het geschiedde, doordat de wolken er zich tusschen plaatsten. Vandaar zegt hij in (het 35e Traktaat) op Mattheus: « Bijgevolg moet men het zoo verstaan, dat er vele en groote zeer duistere wolken samenkwamen boven Jerusalem en het land van Judea; en daardoor ontstonden er diepe duisternissen vanaf het zesde uur tot het negende. Ik ben dus van gevoelen, dat, evenals de overige teekenen, die plaats hadden bij het lijden, nl. dat het voorhangsel scheurde, de aarde beefde, etc., alleen maar in Jerusalem plaats grepen, zoo ook dit teeken: of, als iemand ze nog verder zou willen uitstrekken, dan ook nog tot het land van Judea, en wel hierom, omdat er geschreven staat dat « het donker werd over het geheele land »; wat verstaan wordt van het land van Judea, zooals in het derde Boek der Koningen Abdias tot Elias zegt: « Uw God moge leven, zoo er een volk of een rijk is waarheen mijn heer me niet gezonden heeft om u te zoeken », waarmee hij aanduidde, dat ze hem gezocht hebben onder de volkeren die rond Judea woonden ».459Origenes echter zegt, dat het geschiedde, doordat de wolken er zich tussen plaatsten. Vandaar zegt hij in (het 35e Traktaat) op Matteüs: “Bijgevolg moet men het zo verstaan, dat er vele en grote zeer duistere wolken samenkwamen boven Jerusalem en het land van Judea; en daardoor ontstonden er diepe duisternissen vanaf het zesde uur tot het negende. Ik ben dus van gevoelen, dat, evenals de overige tekenen, die plaats hadden bij het lijden, nl. dat het voorhangsel scheurde, de aarde beefde, etc., alleen maar in Jerusalem plaats grepen, zo ook dit teken: of, als iemand ze nog verder zou willen uitstrekken, dan ook nog tot het land van Judea, en wel hierom, omdat er geschreven staat dat ‘het donker werd over het gehele land’; wat verstaan wordt van het land van Judea, zoals in het derde Boek van de Koningena Obadja tot Elias zegt: ‘Uw God moge leven, zo er een volk of een rijk is waarheen mijn heer me niet gezonden heeft om u te zoeken’, waarmee hij aanduidde, dat ze hem gezocht hebben onder de volkeren die rond Judea woonden”.
Sed circa hoc magis credendum est Dionysio, qui oculata fide inspexit hoc accidisse per interpositionem lunae inter nos et solem; dicit enim in epist. ad Polycarpum 460[Ep. 7.] : « Inopinabiliter soli lunam incidentem videbamus », in Aegypto scilicet existentes, ut ibidem dicitur, et designat ibi quatuor miracula.
Maar in deze kwestie moet meer geloof geslagen worden aan de woorden van Dionysius, die met de oogen des geloofs keek en gezien heeft, dat dat wonder geschied was, doordat de maan zich tusschen ons en de zon plaatste. Want hij zegt in zijn Brief Aan Polycarpus: « Geheel onverwachts zagen wij dat de maan voor 460de zon kwam te staan », toen ze nl., zooals hij in dienzelfden brief zegt, in Egypte waren. Hij geeft daar nl. vier wonderen aan.Maar in deze kwestie moet meer geloof geslagen worden aan de woorden van Dionysius, die met de ogen van het geloof keek en gezien heeft, dat dat wonder geschied was, doordat de maan zich tussen ons en de zon plaatste. Want hij zegt in zijn Brief Aan Polycarpus: “Geheel onverwachts zagen wij dat de maan voor 460de zon kwam te staan”, toen ze nl., zoals hij in dienzelfden brief zegt, in Egypte waren. Hij geeft daar nl. vier wonderen aan.
Quorum primum est, quod naturalis eclipsis solis per interpositionem lunae nunquam accidit, nisi tempore conjunctionis solis et lunae. Tunc autem erat luna in oppositione ad solem, decima quinta existens, quia erat Pascha Judaeorum; unde dicit: « Non enim erat conjunctionis tempus ».
Het eerste is, dat een natuurlijke zonsverduistering, door tusschenplaatsing van de maan, nooit plaats heeft dan alleen in den tijd, dat de zon en de maan in dezelfde richting staan. Toen stond de maan echter tegenover de zon, daar het de vijftiende maan was. Want het was het Paschen der Joden. Vandaar zegt hij : « Want het was er de geschikte tijd niet voor ».Het eerste is, dat een natuurlijke zonsverduistering, door tussenplaatsing van de maan, nooit plaats heeft dan alleen in de tijd, dat de zon en de maan in dezelfde richting staan. Toen stond de maan echter tegenover de zon, daar het de vijftiende maan was. Want het was het Pasen van de Joden. Vandaar zegt hij: “Want het was er de geschikte tijd niet voor”.
Secundum miraculum est, quod cum circa horam sextam luna visa fuisset simul cum sole in medio coeli, in vesperis apparuit suo loco, idest in oriente opposita soli; unde dicit: « Rursus ipsam vidimus », scilicet lunam « a nona hora », in qua scilicet recessit a sole cessantibus tenebris, « usque ad vesperam supernaturaliter constitutam ad diametrum solis », idest ut diametraliter esset soli opposita. Et sic patet, quod non est turbatus consuetus temporum cursus, quia divina virtute factum est, et quod ad solem supernaturaliter accederet praeter tempus debitum, et quod a sole recedens in locum proprium restitueretur tempore debito.
— Het tweede wonder bestaat hierin dat, ofschoon de maan omstreeks het zesde uur gezien was samen met de zon in het midden van den hemel, ze tegen den avond op haar plaats stond d. i. in het oosten, tegenover de zon. Vandaar zegt hij: « En wederom zagen we haar, nl. de maan, vanaf het negende uur, waarin zij nl. van de zon terugweek, toen de duisternissen ophielden, tot aan den avond, op een bovennatuurlijke wijze weer recht tegenover de zon geplaatst », d. i. zoo, dat ze recht tegenover de zon stond. En zoo blijkt, dat de gewone loop van den tijd niet in de war is gebracht. Want door goddelijke macht is geschied, én dat ze (d. i. de maan) buiten den gewonen tijd op een bovennatuurlijke wijze tot de zon naderde, én ook dat ze zich van de zon verwijderde, zoodat ze op haar gewonen tijd weer naar haar eigen plaats teruggebracht werd.— Het tweede wonder bestaat hierin dat, ofschoon de maan omstreeks het zesde uur gezien was samen met de zon in het midden van de hemel, ze tegen de avond op haar plaats stond d.i. in het oosten, tegenover de zon. Vandaar zegt hij: “En wederom zagen we haar, nl. de maan, vanaf het negende uur, waarin zij nl. van de zon terugweek, toen de duisternissen ophielden, tot aan de avond, op een bovennatuurlijke wijze weer recht tegenover de zon geplaatst”, d.i. zo, dat ze recht tegenover de zon stond. En zo blijkt, dat de gewone loop van de tijd niet in de war is gebracht. Want door goddelijke macht is geschied, én dat ze (d.i. de maan) buiten de gewone tijd op een bovennatuurlijke wijze tot de zon naderde, én ook dat ze zich van de zon verwijderde, zodat ze op haar gewonen tijd weer naar haar eigen plaats teruggebracht werd.
Tertium miraculum est, quod naturalis eclipsis semper incipit ab 461occidentali parte solis, et pervenit usque ad orientalem. Et hoc ideo, quia luna secundum proprium motum, quo movetur ab occidente in orientem, est velocior sole in suo proprio motu; et ideo luna ab occidente veniens attingit solem, et pertransit ipsum, ad orientem tendens. Sed tunc luna jam pertransiverat solem, et distabat ab eo quasi per medietatem circuli, in oppositione existens. Unde oportuit, quod reverteretur ad orientem versus solem, et attingeret ipsum primo ex parte orientali, procedens versus occidentem. Et hoc est quod dicit: « Eclipsim etiam ipsam ex oriente vidimus inchoatam, et usque ad solarem terminum venientem (quia totum solem eclipsavit), postea regredientem ».
— Het derde wonder 461bestaat hierin, dat een natuurlijke zonsverduistering altijd begint bij het westelijk gedeelte (nl. van de zon) en ten slotte komt tot het oostelijk gedeelte: en dat komt hiervandaan dat de maan in haar eigen beweging waardoor ze van het westen naar het oosten gaat, sneller is dan de zon; en dus raakt de maan als ze van het westen komt, de zon, en gaat langs haar heen, al naar het oosten toe. Maar toentertijd was de maan de zon al gepasseerd en stond een halve cirkel van haar af in tegenovergestelde richting. Dus moest ze aan den oostkant naar de zon terugkeeren en haar het eerst in het oosten raken, al voortgaande naar het westen. En dit bedoelt hij als hij zegt: « Wij zagen ook, dat de zonsverduistering zelf in het oosten begonnen was en tot aan den rand van de zon kwam, want ze verduisterde de geheele zon, en dat ze later weer vandaar terugkeerde ».— Het derde wonder 461bestaat hierin, dat een natuurlijke zonsverduistering altijd begint bij het westelijk gedeelte (nl. van de zon) en ten slotte komt tot het oostelijk gedeelte: en dat komt hiervandaan dat de maan in haar eigen beweging waardoor ze van het westen naar het oosten gaat, sneller is dan de zon; en dus raakt de maan als ze van het westen komt, de zon, en gaat langs haar heen, al naar het oosten toe. Maar toentertijd was de maan de zon al gepasseerd en stond een halve cirkel van haar af in tegenovergestelde richting. Dus moest ze aan de oostkant naar de zon terugkeren en haar het eerst in het oosten raken, al voortgaande naar het westen. En dit bedoelt hij als hij zegt: “Wij zagen ook, dat de zonsverduistering zelf in het oosten begonnen was en tot aan de rand van de zon kwam, want ze verduisterde de gehele zon, en dat ze later weer vandaar terugkeerde”.
Quartum miraculum fuit, quod in naturali eclipsi ex eadem parte incipit sol prius reapparere, ex qua parte incepit prius obscurari, quia scilicet luna se soli subjiciens, naturali suo motu solem pertransit versus orientem, et ita partem occidentalem solis, quam primo occupat, primo etiam derelinquit. Sed tunc luna miraculose ab oriente versus occidentem rediens, non 462pertransivit solem, ut esset eo orientalior1. Sed postquam pervenit ad terminum solis, reversa est versus orientem, et ita partem solis, quam ultimo occupavit, primo etiam derelinquit. Et sic ex parte orientali inchoata fuit eclipsis, sed in parte occidentali prius incepit claritas apparere. Et hoc est quod dicit: « Et rursus vidimus non ex eodem », idest non ex eadem parte solis, « et defectum, et purgationem, sed e converso secundum diametrum factam ».
— Het vierde wonder bestond daarin dat bij een natuurlijke zonsverduistering de zon het eerst weer daar voor den dag komt, waar ze het eerst begon te verduisteren: want als de maan zich voor de zon plaatst, dan zal ze door haar natuurlijken loop de zon naar het oosten toe voorbijgaan en zoo zal ze dus het westelijk gedeelte der zon, dat ze het eerst bedekt heeft, ook weer het eerst verlaten. Toentertijd echter, toen de maan op wonderdadige 462wijze van het oosten naar het westen terugkeerde, ging ze niet eerst aan de zon voorbij, om meer westelijker te gaan staan; maar toen ze aan den rand van de zon was gekomen keerde ze weer naar het oosten terug, en zoo verliet ze dus het eerst dat gedeelte van de zon, wat ze het laatst bezet had. En zoo ving dus de zonsverduistering in het oosten aan, maar begon ze voor het eerst weer in het westen te schijnen. En dit zegt hij zoo: « En vervolgens zagen we het niet aan denzelfden kant, d. i. van de zon, duister worden en dan weer licht, maar we zagen het tegendeel gebeuren ».— Het vierde wonder bestond daarin dat bij een natuurlijke zonsverduistering de zon het eerst weer daar voor de dag komt, waar ze het eerst begon te verduisteren: want als de maan zich voor de zon plaatst, dan zal ze door haar natuurlijken loop de zon naar het oosten toe voorbijgaan en zo zal ze dus het westelijk gedeelte van de zon, dat ze het eerst bedekt heeft, ook weer het eerst verlaten. Toentertijd echter, toen de maan op wonderdadige 462wijze van het oosten naar het westen terugkeerde, ging ze niet eerst aan de zon voorbij, om meer westelijker te gaan staan; maar toen ze aan de rand van de zon was gekomen keerde ze weer naar het oosten terug, en zo verliet ze dus het eerst dat gedeelte van de zon, wat ze het laatst bezet had. En zo ving dus de zonsverduistering in het oosten aan, maar begon ze voor het eerst weer in het westen te schijnen. En dit zegt hij zo: “En vervolgens zagen we het niet aan dezelfde kant, d.i. van de zon, duister worden en dan weer licht, maar we zagen het tegendeel gebeuren”.
Quintum miraculum addit Chrysostomus super Matth. [hom. 89.] dicens, quod « tribus horis tunc tenebrae permanserunt, cum eclipsis solis in momento pertranseat; non enim habet moram, ut sciunt illi qui consideraverunt ». Unde datur intelligi, quod luna quieverit sub sole, nisi forte velimus dicere, quod tempus tenebrarum computatur ab instanti, quo sol incepit obscurari, usque ad instans, in quo totaliter fuit repurgatus.
Chrysostomus voegt er een vijfde wonder aan toe waar hij in zijn (88e Homelie) op Mattheus zegt, dat « de duisternissen toen drie uur lang aanhielden, alhoewel de zonsverduistering zelf in een oogenblik voorbij was: want ze duurt niet lang, zooals zij weten, die haar hebben waargenomen ». Zoodoende geeft hij te verstaan, dat de maan stil gestaan heeft onder de zon. Of we zouden moeten zeggen dat de tijd der duisternissen berekend wordt vanaf het oogenblik waarop de zon begon te verduisteren, tot het oogenblik waarop de zon weer geheel en al vrij was.Chrysostomus voegt er een vijfde wonder aan toe waar hij in zijn (88e Homelie) op Matteüs zegt, dat “de duisternissen toen drie uur lang aanhielden, alhoewel de zonsverduistering zelf in een ogenblik voorbij was: want ze duurt niet lang, zoals zij weten, die haar hebben waargenomen”. Zodoende geeft hij te verstaan, dat de maan stil gestaan heeft onder de zon. Of we zouden moeten zeggen dat de tijd van de duisternissen berekend wordt vanaf het ogenblik waarop de zon begon te verduisteren, tot het ogenblik waarop de zon weer geheel en al vrij was.
Sed, sicut Origenes dicit super Matth. [loc. cit.], « adversus hoc filii saeculi hujus dicunt: quomodo hoc factum tam mirabile nemo Graecorum aut 463Barbarorum scripsit? » Et dicit, quod quidam, nomine Phlegon, in Chronicis suis scripsit, hoc in principatu Tiberii Caesaris factum, sed non signavit, quod fuerit in luna plena; potuit ergo hoc contingere, quia astrologi ubique terrarum tunc temporis existentes non solicitabantur de observanda eclipsi, quia tunc tempus non erat. Sed illam obscuritatem ex aliqua passione aëris accidere putaverunt. Sed in Aegypto, ubi raro nubes apparent propter aëris serenitatem, permotus est Dionysius et socii ejus, ut praedicta circa illam obscuritatem observarent.
Maar, zooals Origenes zegt in zijn Commentaar op Mattheus (t. a. p.) : « Hiertegen zeggen de kinderen dezer wereld: Hoe is 463het mogelijk, dat geen enkele Griek of barbaar zoo 'n wonderbaar feit beschreven heeft? » En hij zegt, dat een zeker iemand, met name Phlegon, « in zijn Kronieken geschreven heeft, dat dit heeft plaats gehad onder het bestuur van Keizer Tiberius: maar hij heeft er niet bij gezegd, dat het toen volle maan was ». Dit kon derhalve gebeuren, omdat de astronomen, die toen op de aarde leefden, er niet op bedacht waren een zonsverduistering na te gaan, omdat het er de tijd niet voor was: ze waren dan ook van meening, dat die duisternis een gevolg was van een of andere atmosferische storing. Maar in Egypte, waar ten gevolge van de zuiverheid der lucht zelden wolken voorkomen, zijn Dionysius en zijn gezellen er toe gekomen, om, wat we in het voorgaande over die duisternissen gezegd hebben, waar te nemen.Maar, zoals Origenes zegt in zijn Commentaar op Matteüs (t. a. p.): “Hiertegen zeggen de kinderen van deze wereld: Hoe is 463het mogelijk, dat geen enkele Griek of barbaar zo 'n wonderbaar feit beschreven heeft?” En hij zegt, dat een zeker iemand, met name Phlegon, “in zijn Kronieken geschreven heeft, dat dit heeft plaats gehad onder het bestuur van Keizer Tiberius: maar hij heeft er niet bij gezegd, dat het toen volle maan was”. Dit kon derhalve gebeuren, omdat de astronomen, die toen op de aarde leefden, er niet op bedacht waren een zonsverduistering na te gaan, omdat het er de tijd niet voor was: ze waren dan ook van mening, dat die duisternis een gevolg was van een of andere atmosferische storing. Maar in Egypte, waar ten gevolge van de zuiverheid van de lucht zelden wolken voorkomen, zijn Dionysius en zijn gezellen er toe gekomen, om, wat we in het voorgaande over die duisternissen gezegd hebben, waar te nemen.
Ad tertium dicendum, quod tunc praecipue oportebat in Christo divinitatem per miracula ostendere, quando in eo maxime apparebat infirmitas secundum humanam naturam; et ideo in Christi nativitate stella nova in coelo apparuit. Unde Maximus dicit in serm. Nativit. [Hom. 13] : « Si praesepe despicis, erige parumper oculos, et novam in coelo stellam protestantem mundo nativitatem Dominicam contuere ».
3. Toen vooral behoorde Christus' Godheid door wonderen bekend gemaakt te worden, toen in Hem het meest de zwakheid zijner menschelijke natuur uitkwam. En dus verscheen er bij Christus' geboorte een nieuwe ster aan den hemel. Vandaar zegt Maximus in een Preek Over Kerstmis: « Indien ge geringschatting in u gevoelt voor de kribbe, heft dan uw oogen een weinig omhoog en zie een nieuwe ster aan den hemel, die daar voor de wereld getuigenis aflegt van de geboorte van den Heer ».3. Toen vooral behoorde Christus' Godheid door wonderen bekend gemaakt te worden, toen in Hem het meest de zwakheid van zijn menselijke natuur uitkwam. En dus verscheen er bij Christus' geboorte een nieuwe ster aan de hemel. Vandaar zegt Maximus in een Preek Over Kerstmis: “Indien ge geringschatting in u gevoelt voor de kribbe, heft dan uw ogen een weinig omhoog en zie een nieuwe ster aan de hemel, die daar voor de wereld getuigenis aflegt van de geboorte van de Heer”.
In passione autem 464adhuc major infirmitas circa humanitatem Christi apparuit. Et ideo oportuit, ut majora miracula ostenderentur circa principalia mundi luminaria, et, sicut Chrysostomus dicit super Matth. [hom. 89.] : « Hoc est signum, quod petentibus promittebat dare, dicens: Generatio prava et adultera signum quaerit, et signum non dabitur ei, nisi signum Jonae prophetae, crucem significans et resurrectionem. Etenim multo mirabilius est in eo qui crucifixus erat, hoc fieri, quam ambulante eo super terram ».
In het lijden echter kwam nog duidelijker Christus' zwakheid 464naar zijn menschelijke natuur uit. En dus behoorden er toen grootere wonderen getoond te worden in de lichten der wereld. En, zegt Chrysostomus (in zijn Commentaar op Mattheus) : « Dit is het teeken dat Hij beloofde te geven aan hen die er om vroegen toen Hij zeide: « Een slecht en overspelig geslacht vraagt een teeken: maar geen teeken zal hun gegeven worden, dan het teeken van Jonas den profeet », waarbij hij zijn kruis en verrijzenis op het oog had. Want het is veel wonderbaarder dat zoo iets gebeurt bij iemand die gekruisigd is, dan bij iemand, die op aarde rondwandelt ».In het lijden echter kwam nog duidelijker Christus' zwakheid 464naar zijn menselijke natuur uit. En dus behoorden er toen grotere wonderen getoond te worden in de lichten van de wereld. En, zegt Chrysostomus (in zijn Commentaar op Matteüs): “Dit is het teken dat Hij beloofde te geven aan hen die er om vroegen toen Hij zeide: ‘Een slecht en overspelig geslacht vraagt een teken: maar geen teken zal hun gegeven worden, dan het teken van Jonas de profeet’, waarbij hij zijn kruis en verrijzenis op het oog had. Want het is veel wonderbaarder dat zo iets gebeurt bij iemand die gekruisigd is, dan bij iemand, die op aarde rondwandelt”.
Utrum convenienter Christus circa homines miracula fecerit
Was het wel passend, dat Christus in de menschen wonderen gedaan heeft?Was het wel passend, dat Christus in de mensen wonderen gedaan heeft?
Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod inconvenienter Christus circa homines miracula fecerit. In homine enim potior est anima, quam corpus. Sed circa corpora multa miracula Christus fecit, circa animas vero nulla miracula legitur fecisse, nam neque aliquos incredulos ad fidem virtuose 465convertit, sed admonendo et exteriora miracula ostendendo, neque etiam aliquos fatuos sapientes legitur fecisse. Ergo videtur, quod non convenienter sit circa homines miracula operatus.
Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet passend is, dat Christus wonderen in de menschen gedaan heeft. — 1. In den mensch immers is de ziel van meer waarde dan het lichaam. Maar in de lichamen heeft Christus vele wonderen uitgewerkt, maar er staat niet te lezen, dat hij wonderen in de zielen heeft verricht. 465Want geen enkele ongeloovige heeft Hij op wonderdadige wijze tot het geloof bekeerd, maar alleen door te vermanen en uiterlijke wonderteekenen te laten zien; evenmin staat er te lezen, dat Hij sommige dwazen wijs heeft gemaakt. Dus schijnt het wel, dat Hij niet op de juiste wijze wonderen in de menschen heeft gewerkt.Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet passend is, dat Christus wonderen in de mensen gedaan heeft. — 1. In de mens immers is de ziel van meer waarde dan het lichaam. Maar in de lichamen heeft Christus vele wonderen uitgewerkt, maar er staat niet te lezen, dat hij wonderen in de zielen heeft verricht. 465Want geen enkele ongelovige heeft Hij op wonderdadige wijze tot het geloof bekeerd, maar alleen door te vermanen en uiterlijke wondertekenen te laten zien; evenmin staat er te lezen, dat Hij sommige dwazen wijs heeft gemaakt. Dus schijnt het wel, dat Hij niet op de juiste wijze wonderen in de mensen heeft gewerkt.
2. Praeterea, sicut supra dictum est [q. praec. art. 2.], Christus faciebat miracula virtute divina, cujus proprium est subito operari et perfecte absque adminiculo alicujus. Sed Christus non semper subito homines curavit, quantum ad corpus; dicitur enim Marc. 8, [v. 22 sqq.], quod « apprehensa manu caeci, eduxit eum extra vicum, et expuens in oculos ejus, impositis manibus, interrogavit eum, si quid videret. Et aspiciens, ait: Video homines velut arbores ambulantes. Deinde iterum imposuit manus super oculos ejus, et coepit videre, et restitutus est ei visus, ita ut clare videret omnia ». Et sic patet, quod non subito eum curavit, sed primo quidem imperfecte, et per sputum. Ergo videtur non convenienter circa homines miracula fecisse.
2. Zooals boven gezegd is (43e Kw., 2e Art.) deed Christus wonderen door goddelijke kracht; daaraan nu is het eigen ineens te werken en volmaakt en zonder hulp van iets anders. Maar Christus heeft niet altijd het lichaam der menschen ineens genezen. Want bij Marcus staat geschreven (8, 22 en volg.) dat Hij den blinde bij de hand vatte en hem buiten het dorp leidde; Hij deed speeksel op zijn oogen, legde hem de handen op en vroeg hem: Ziet ge iets? Hij sloeg de oogen op en sprak: Ik zie menschen; als boomen zie ik ze gaan. Toen legde Hij opnieuw de handen op zijn oogen; nu zag hij scherper toe en was genezen, zoodat hij alles duidelijk zag. En zoo blijkt wel dat Hij hem niet ineens genezen heeft maar eerst onvolmaakt en door middel van speeksel. Dus schijnt het wel, dat Hij de wonderen in de menschen niet op passende wijze heeft verricht.2. Zoals boven gezegd is (43e Kw., 2e Art.) deed Christus wonderen door goddelijke kracht; daaraan nu is het eigen ineens te werken en volmaakt en zonder hulp van iets anders. Maar Christus heeft niet altijd het lichaam van de mensen ineens genezen. Want bij Marcus staat geschreven (8, 22 en volg.) dat Hij de blinde bij de hand vatte en hem buiten het dorp leidde; Hij deed speeksel op zijn ogen, legde hem de handen op en vroeg hem: Ziet ge iets? Hij sloeg de ogen op en sprak: Ik zie mensen; als boomen zie ik ze gaan. Toen legde Hij opnieuw de handen op zijn ogen; nu zag hij scherper toe en was genezen, zodat hij alles duidelijk zag. En zo blijkt wel dat Hij hem niet ineens genezen heeft maar eerst onvolmaakt en door middel van speeksel. Dus schijnt het wel, dat Hij de wonderen in de mensen niet op passende wijze heeft verricht.
3. Praeterea, quae se invicem non consequuntur, non oportet quod simul tollantur. Sed aegritudo corporalis non semper ex peccato causatur, 466ut patet per illud quod Dominus dixit, Joan. 9. [v. 2-3] : « Neque hic peccavit, neque parentes ejus, ut caecus nasceretur ». Non ergo oportuit, ut hominibus corporum curationem quaerentibus peccata dimitteret, sicut legitur fecisse circa paralyticum, Matth. 9. [v. 2], praesertim quia sanatio corporalis, cum sit minus quam remissio peccatorum, non videtur esse sufficiens argumentum, quod possit peccata dimittere.
3. Wat niet op elkaar volgt, behoeft ook niet tegelijk weggenomen te worden. Een ziekte in het lichaam wordt echter niet altijd door zonde veroorzaakt, zooals blijkt uit wat de Heer zegt 466bij Joannes (9, 2, 3) : « Noch hij noch zijn ouders hebben gezondigd, dat hij blind werd geboren ». Het was dus niet noodig, dat Hij de menschen, die om genezing voor hun lichaam kwamen vragen, de zonden vergaf, zooals te lezen staat, dat Hij deed bij den lamme (Mattheus, 9, 2) ; vooral ook hierom, omdat een lichamelijke genezing, daar ze minder is dan de vergiffenis van de zonden, geen voldoende bewijs schijnt te zijn, dat Hij nu ook de zonden kan vergeven.3. Wat niet op elkaar volgt, behoeft ook niet tegelijk weggenomen te worden. Een ziekte in het lichaam wordt echter niet altijd door zonde veroorzaakt, zoals blijkt uit wat de Heer zegt 466bij Johannes (9, 2, 3): “Noch hij noch zijn ouders hebben gezondigd, dat hij blind werd geboren”. Het was dus niet nodig, dat Hij de mensen, die om genezing voor hun lichaam kwamen vragen, de zonden vergaf, zoals te lezen staat, dat Hij deed bij de lamme (Matteüs, 9, 2); vooral ook hierom, omdat een lichamelijke genezing, daar ze minder is dan de vergiffenis van de zonden, geen voldoende bewijs schijnt te zijn, dat Hij nu ook de zonden kan vergeven.
4. Praeterea, miracula Christi facta sunt ad confirmationem doctrinae ipsius et testimonium divinitatis ejus, ut supra dictum est [q. praec. art. 4.]. Sed nullus debet impedire finem operis sui. Ergo videtur inconvenienter Christus quibusdam miraculose curatis praecepisse, ut nemini dicerent, ut patet Matth. 9. [v. 30] et Marc. 8. [v. 26], praesertim quia quibusdam aliis mandavit, ut miracula circa se facta publicarent, sicut Marci 5. [v. 19] legitur, quod dixit ei, quem a daemonibus liberaverat: « Vade in domum tuam ad tuos, et annuntia eis, quanta tibi Dominus fecerit ».
4. Zooals boven gezegd is (43e Kw., 4e Art.) zijn Christus' wonderen geschied om zijn leer te bevestigen en zijn Godheid te betuigen. Niemand mag echter het doel van zijn handeling verhinderen. Dus schijnt het wel niet passend geweest te zijn, dat Christus aan sommigen, die op wonderdadige wijze genezen waren, het bevel gaf het aan niemand te zeggen, zooals blijkt uit Mattheus, (9, 30) en Marcus (8, 26) ; en vooral ook hierom, omdat Hij sommige anderen de opdracht gaf de wonderen, die in hen hadden plaats gehad, openbaar te maken, zooals bij Marcus (5, 19) te lezen staat, dat Hij aan hem, die Hij van de duivelen verlost had, zeide: « Ga naar huis, naar de uwen en meld hun alwat de Heer u gedaan heeft ».4. Zoals boven gezegd is (43e Kw., 4e Art.) zijn Christus' wonderen geschied om zijn leer te bevestigen en zijn Godheid te betuigen. Niemand mag echter het doel van zijn handeling verhinderen. Dus schijnt het wel niet passend geweest te zijn, dat Christus aan sommigen, die op wonderdadige wijze genezen waren, het bevel gaf het aan niemand te zeggen, zoals blijkt uit Matteüs, (9, 30) en Marcus (8, 26); en vooral ook hierom, omdat Hij sommige anderen de opdracht gaf de wonderen, die in hen hadden plaats gehad, openbaar te maken, zoals bij Marcus (5, 19) te lezen staat, dat Hij aan hem, die Hij van de duivelen verlost had, zeide: “Ga naar huis, naar de uwen en meld hun alwat de Heer u gedaan heeft”.
467Sed contra est, quod dicitur Marci 7. [v. 37] : « Bene omnia fecit, et surdos fecit audire, et mutos loqui ».
467Daartegenover staat echter dat bij Marcus geschreven staat (7, 37) : « Hij heeft alles wèl gedaan: de dooven doet Hij hooren, en de stommen doet Hij spreken ».467Daartegenover staat echter dat bij Marcus geschreven staat (7, 37): “Hij heeft alles wèl gedaan: de doven doet Hij horen, en de stommen doet Hij spreken”.
Respondeo dicendum, quod ea quae sunt ad finem, debent fini esse proportionata. Christus autem ad hoc in mundum venerat et docebat, ut homines salvos faceret, secundum illud Joan. 3. [v. 17] : « Non enim misit Deus Filium suum in mundum, ut judicet mundum, sed ut salvetur mundus per ipsum ». Et ideo conveniens fuit, ut Christus particulariter homines miraculose curando, ostenderet se esse universalem et spiritualem hominum salvatorem.
Leerstelling. — Wat op een doel gericht is, moet aan dat doel zijn aangepast. Christus is echter in de wereld gekomen en leerde, om de menschen zalig te maken, volgens het woord van Joannes (3, 17) : « Want God heeft zijn Zoon in de wereld gezonden, niet om de wereld te oordeelen, maar opdat de wereld door Hem zou worden gered ». En daarom was het passend, dat Christus, door in het bizonder de menschen op wonderdadige wijze te genezen, aantoonde, dat Hij de algemeene en geestelijke Redder der menschen is.Leerstelling. — Wat op een doel gericht is, moet aan dat doel zijn aangepast. Christus is echter in de wereld gekomen en leerde, om de mensen zalig te maken, volgens het woord van Johannes (3, 17): “Want God heeft zijn Zoon in de wereld gezonden, niet om de wereld te oordelen, maar opdat de wereld door Hem zou worden gered”. En daarom was het passend, dat Christus, door in het bizonder de mensen op wonderdadige wijze te genezen, aantoonde, dat Hij de algemene en geestelijke Redder van de mensen is.
Ad primum ergo dicendum, quod ea quae sunt ad finem, distinguuntur ab ipso fine; miracula autem a Christo facta ordinabantur, sicut ad finem, ad rationalis partis salutem, quae consistit in sapientiae illustratione et hominum justificatione. Quorum primum praesupponit secundum, quia, ut dicitur Sap. 1. [v. 4] : « In malevolam animam non introibit sapientia, nec 468habitabit in corpore subdito peccatis ». Justificare autem homines, non conveniebat, nisi eis volentibus. Hoc enim esset et contra rationem justitiae, quae rectitudinem voluntatis importat, et etiam contra rationem humanae naturae, quae libero arbitrio ad bonum ducenda est, non autem per coactionem. Christus ergo virtute divina interius homines justificavit, non tamen eis invitis; nec hoc ad miracula pertinet, sed ad miraculorum finem. Et similiter etiam virtute divina simplicibus discipulis divinam sapientiam infudit: unde dicit eis Lucae 21. [v. 15] : « Ego dabo vobis os et sapientiam, cui non poterunt resistere et contradicere omnes adversarii vestri ». Quod quidem, quantum ad interiorem illuminationem, inter visibilia miracula non numeratur, sed solum quantum ad exteriorem actum; inquantum scilicet videbant homines, eos qui fuerant illiterati et simplices, tam sapienter et constanter loqui: unde dicitur Act. 4. [v. 13]. « Videntes Judaei Petri constantiam et Joannis, comperto quod homines essent sine literis et idiotae, admirabantur ». Et tamen hujusmodi spirituales effectus, etsi a miraculis visibilibus distinguantur, sunt tamen quaedam testimonia doctrinae et 469virtutis Christi, secundum illud Hebr. 2. [v. 4] : « Contestante Deo signis, et portentis, et variis virtutibus, et Spiritus Sancti distributionibus ».
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wat op een doel gericht is, is daarvan onderscheiden. De wonderen nu, door Christus gedaan, hadden tot doel het heil van het redelijke deel, welk heil bestaat in de verlichting door de wijsheid en de rechtvaardigmaking der menschen. En van deze beide veronderstelt het eerste het tweede, omdat, zooals geschreven staat in het Boek der Wijsheid (1, 4) : « In een arglistige ziel zal de wijsheid niet ingaan, en 468zij zal niet wonen in een lichaam dienstbaar aan de zonden ». De rechtvaardigmaking komt echter alleen aan die menschen toe, die ze willen: (het tegendeel) immers zou zoowel tegen het wezen der rechtvaardigheid zijn, die een rechtzinnige wil veronderstelt, en zou tevens indruischen tegen het wezen der menschelijke natuur, die uit eigen beweging tot het goede moet gebracht worden, en niet door geweld. Christus maakte derhalve door goddelijke kracht den mensch inwendig rechtvaardig: niet echter tegen hun zin. En dit behoort dan ook niet tot de wonderen, maar is het doel der wonderen. — Evenzoo stortte Hij ook door goddelijke kracht de wijsheid in de eenvoudige leerlingen: vandaar zegt Hij hen (Lucas, 21, 15) : « Want Ik zal u een taal en wijsheid geven, die geen uwer tegenstanders zal kunnen weerstaan of weerspreken ». Dit nu wordt, wat de inwendige verlichting betreft, niet onder de zichtbare wonderen gerekend: maar alleen wat de uitwendige daad betreft, in zooverre nl. de menschen zagen, dat zij, die toch zoo ongeletterd en eenvoudig waren, zoo wijs en standvastig spraken. Vandaar staat er in de Handelingen der Apostelen (4, 13) : « Toen nu de Joden de vrijmoedigheid van Petrus en Joannes zagen, en vernamen, dat het ongeletterde en eenvoudige menschen waren, stonden ze verbaasd ». — En toch zijn dergelijke geestelijke uitwerkingen, ofschoon ze onderscheiden zijn van de 469zichtbare wonderen, eenig getuigenis voor Christus' leer en kracht: volgens het woord van Paulus uit den Brief aan de Hebreën (2, 4) : « ... en welke ook door God is betuigd door teekenen en wonderen en velerlei krachten, door gaven ook van den Heiligen Geest ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wat op een doel gericht is, is daarvan onderscheiden. De wonderen nu, door Christus gedaan, hadden tot doel het heil van het redelijke deel, welk heil bestaat in de verlichting door de wijsheid en de rechtvaardigmaking van de mensen. En van deze beide veronderstelt het eerste het tweede, omdat, zoals geschreven staat in het Boek van de Wijsheid (1, 4): “In een arglistige ziel zal de wijsheid niet ingaan, en 468zij zal niet wonen in een lichaam dienstbaar aan de zonden”. De rechtvaardigmaking komt echter alleen aan die mensen toe, die ze willen: (het tegendeel) immers zou zowel tegen het wezen van de rechtvaardigheid zijn, die een rechtzinnige wil veronderstelt, en zou tevens indruisen tegen het wezen van de menselijke natuur, die uit eigen beweging tot het goede moet gebracht worden, en niet door geweld. Christus maakte derhalve door goddelijke kracht de mens inwendig rechtvaardig: niet echter tegen hun zin. En dit behoort dan ook niet tot de wonderen, maar is het doel van de wonderen. — Evenzo stortte Hij ook door goddelijke kracht de wijsheid in de eenvoudige leerlingen: vandaar zegt Hij hen (Lukas, 21, 15): “Want Ik zal u een taal en wijsheid geven, die geen van uw tegenstanders zal kunnen weerstaan of weerspreken”. Dit nu wordt, wat de inwendige verlichting betreft, niet onder de zichtbare wonderen gerekend: maar alleen wat de uitwendige daad betreft, in zoverre nl. de mensen zagen, dat zij, die toch zo ongeletterd en eenvoudig waren, zo wijs en standvastig spraken. Vandaar staat er in de Handelingen van de Apostelen (4, 13): “Toen nu de Joden de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes zagen, en vernamen, dat het ongeletterde en eenvoudige mensen waren, stonden ze verbaasd”. — En toch zijn dergelijke geestelijke uitwerkingen, ofschoon ze onderscheiden zijn van de 469zichtbare wonderen, enig getuigenis voor Christus' leer en kracht: volgens het woord van Paulus uit de Brief aan de Hebreën (2, 4): “... en welke ook door God is betuigd door tekenen en wonderen en velerlei krachten, door gaven ook van de Heilige Geest”.
Sed tamen circa animas hominum, maxime quantum ad immutandas inferiores vires, Christus aliqua miracula fecit; unde Hieronymus super illud Matth. 9. [v. 9] : Surgens secutus est eum dicit [Comm. L. 1] : « Fulgor ipse et majestas divinitatis occultae, quae etiam in facie relucebat humana, videntes ad se trahere poterat ex primo aspectu ». Et super illud Matth. 21. [v. 12] : Ejiciebat omnes vendentes et ementes, etc., dicit idem Hieronymus [Comm., L. 3, ad c. 21, v. 15] : « Mihi inter omnia signa, quae fecit Dominus, hoc videtur esse mirabilius, quod unus homo et illo tempore contemptibilis potuerit ad unius flagelli verbera tantam ejicere multitudinem. Igneum enim quiddam atque sidereum radiabat ex oculis ejus, et divinitatis majestas lucebat in facie ejus ». Et Origenes dicit super Joan. [Homil. 11] hoc esse majus miraculum eo, quo aqua conversa est 470in vinum, eo quod « illic inanimata subsistit materia; hic vero tot millium hominum domantur ingenia ». Et super illud Joan. 18. [v. 6] : Abierunt retrorsum et ceciderunt in terram, dicit Augustinus [tractat. 112. in Joan.] : « Una vox tantam turbam odiis ferocem, armisque terribilem sine telo ullo percussit, repulit, stravit. Deus enim latebat in carne ». Et ad idem pertinet, quod dicitur Lucae 4. [v. 30] quod « Jesus transiens per medium illorum ibat ». Ubi dicit Chrysostomus [homilia 47. in Joan.], quod « stare in medio insidiantium ,et non apprehendi, divinitatis eminentiam ostendebat ». Et quod dicitur Joannis 8. [v. 59] : « Jesus abscondit se, et exivit de templo », ubi Augustinus dicit [Theophylactus, in Ev. Joan. Enarr. ,c. 8] : « Non abscondit se in angulo templi quasi timens, vel post murum, aut columnam divertens; sed divina potestate se invisibilem insidiantibus constituens, per medium illorum exivit ».
Maar Christus heeft toch ook in de zielen der menschen, vooral wat betreft het omzetten van de inwendige krachten, een enkel wonder gedaan. Vandaar zegt Hieronymus in zijn commentaar op de woorden van Mattheus (9, 9) : « En hij stond op en volgde Hem » — « De glans en de majesteit van zijn verborgen Godheid, die zelfs haar glans verspreidde op zijn menschelijk gelaat, waren in staat hen die het zagen, op het eerste gezicht er van tot Hem te trekken ». — En op de woorden van Mattheus (21, 12) : « Hij dreef allen uit, die er verkochten en kochten » zegt dezelfde Hieronymus (in het 3e boek van zijn Commentaar op Mattheus, 21, 15) : « Onder al de teekenen die de Heer gedaan heeft, lijkt mij dit het wonderlijkste, dat een mensch, en dan nog wel iemand die toentertijd veracht werd, in staat was zoo 'n groote menigte met zweepslagen uit te werpen. Er straalde dan ook iets brandends en iets schitterends uit zijn oogen, en de majesteit van zijn Godheid lichtte op zijn aangezicht ». En Origenes zegt (in de 11e Homelie op Joannes) : « Dit is een grooter wonder, dan dat, waarbij water in wijn veranderd werd: want hier is alleen maar sprake van 470onbezielde stof, daar echter worden zooveel duizende menschen bedwongen ». — En op den tekst van Joannes (18, 6) : « Ze deinsden terug, en vielen ter aarde » zegt Augustinus (112e Traktaat op het Evangelie van Joannes) : « Een bende, wild van haat, en verschrikkelijk door haar wapenen : een enkel woord, zonder eenig wapen, treft haar, doet haar terugdeinzen, velt haar neer: want God ging daar schuil in het vleesch ». — En hierop heeft ook betrekking wat Lucas zegt (4, 30), dat Jesus midden door hen heen ging en vertrok: bij welke plaats Chrysostomus zegt, dat in het midden van belagers staan en niet gegrepen worden, de verhevenheid van de Godheid aanduidde. En evenzoo wat Joannes zegt (8, 59) : « Jesus verborg zich en verliet den Tempel ». Waarbij Augustinus (Theophylactus) zegt: « Hij verborg zich niet in een hoek van den Tempel, alsof Hij vrees had, en Hij ging ook niet achter een muur of een kolom staan: maar na zich door hemelsche macht voor zijn belagers onzichtbaar gemaakt te hebben ging Hij, midden tusschen hen door, heen ».Maar Christus heeft toch ook in de zielen van de mensen, vooral wat betreft het omzetten van de inwendige krachten, een enkel wonder gedaan. Vandaar zegt Hieronymus in zijn commentaar op de woorden van Matteüs (9, 9): “En hij stond op en volgde Hem” — “De glans en de majesteit van zijn verborgen Godheid, die zelfs haar glans verspreidde op zijn menselijk gelaat, waren in staat hen die het zagen, op het eerste gezicht er van tot Hem te trekken”. — En op de woorden van Matteüs (21, 12): “Hij dreef allen uit, die er verkochten en kochten” zegt dezelfde Hieronymus (in het 3e boek van zijn Commentaar op Matteüs, 21, 15): “Onder al de tekenen die de Heer gedaan heeft, lijkt mij dit het wonderlijkste, dat een mens, en dan nog wel iemand die toentertijd veracht werd, in staat was zo 'n grote menigte met zweepslagen uit te werpen. Er straalde dan ook iets brandends en iets schitterends uit zijn ogen, en de majesteit van zijn Godheid lichtte op zijn aangezicht”. En Origenes zegt (in de 11e Homelie op Johannes): “Dit is een groter wonder, dan dat, waarbij water in wijn veranderd werd: want hier is alleen maar sprake van 470onbezielde stof, daar echter worden zoveel duizende mensen bedwongen”. — En op de tekst van Johannes (18, 6): “Ze deinsden terug, en vielen ter aarde” zegt Augustinus (112e Traktaat op het Evangelie van Johannes): “Een bende, wild van haat, en verschrikkelijk door haar wapenen: een enkel woord, zonder enig wapen, treft haar, doet haar terugdeinzen, velt haar neer: want God ging daar schuil in het vlees”. — En hierop heeft ook betrekking wat Lukas zegt (4, 30), dat Jesus midden door hen heen ging en vertrok: bij welke plaats Chrysostomus zegt, dat in het midden van belagers staan en niet gegrepen worden, de verhevenheid van de Godheid aanduidde. En evenzo wat Johannes zegt (8, 59): “Jesus verborg zich en verliet de Tempel”. Waarbij Augustinus (Theophylactus) zegt: “Hij verborg zich niet in een hoek van de Tempel, alsof Hij vrees had, en Hij ging ook niet achter een muur of een kolom staan: maar na zich door hemelse macht voor zijn belagers onzichtbaar gemaakt te hebben ging Hij, midden tussen hen door, heen”.
Ex quibus omnibus patet, quod Christus, quando voluit, virtute divina animas hominum immutavit, non solum justificando et sapientiam infundendo (quod pertinet ad 471miraculorum finem), sed etiam exterius alliciendo ,vel terrendo, vel stupefaciendo, quod pertinet ad ipsa miracula.
Uit dit alles blijkt, dat Christus, als Hij wilde, door goddelijke macht de zielen der menschen veranderde, niet alleen door ze te rechtvaardigen, en wijsheid in te storten, wat tot het doel der wonderen behoort, maar ook door ze van buiten af aan te trekken, of 471te verschrikken of in verbazing te brengen, wat tot de wonderen zelf behoort.Uit dit alles blijkt, dat Christus, als Hij wilde, door goddelijke macht de zielen van de mensen veranderde, niet alleen door ze te rechtvaardigen, en wijsheid in te storten, wat tot het doel van de wonderen behoort, maar ook door ze van buiten af aan te trekken, of 471te verschrikken of in verbazing te brengen, wat tot de wonderen zelf behoort.
Ad secundum dicendum, quod Christus venerat salvare mundum, non solum virtute divina, sed per mysterium Incarnationis ipsius. Et ideo frequenter in sanatione infirmorum non sola potestate divina utebatur, curando per modum imperii, sed etiam aliquid ad humanitatem ipsius pertinens apponendo; unde super illud Luc. 4. [v. 40] : Singulis manus imponens, curabat omnes, dicit Cyrillus [Comm. in Luc.] « Quamvis ut Deus potuisset omnes verbo pellere morbos, tangit tamen omnes, ostendens propriam carnem efficacem ad praestanda remedia » ; et super illud Marci 8 [v. 23 sqq.] : Expuens in oculos ejus, impositis manibus, etc., dicit Chrysostomus [Victor Antiochenus in hunc locum] : « Spuit quidem, et manus imponit caeco, volens ostendere, quod verbum divinum operationi adjunctum miracula perficit; manus enim operationis est ostensiva, sputus sermonis ex ore prolati ». Et super illud Joan. 9. [v. 6] : Fecit lutum ex sputo, et linivit lutum super oculos caeci, dicit Augustinus [tract. 44. in Joan.] : 472« De saliva sua lutum fecit, quia Verbum caro factum est », vel etiam ad significandum, quod ipse erat, qui ex limo terrae hominem formaverat, ut Chrysostomus dicit [hom. 55. in Joan.].
2. Christus was niet alleen gekomen om de wereld te redden door zijn goddelijke kracht, maar door het mysterie van zijn menschwording. En daarom gebeurde het meerdere malen, dat Hij, bij het genezen van zieken, niet uitsluitend van zijn goddelijke macht gebruik maakte, door ze op bevel te genezen, maar er ook zijn menschheid op een of andere wijze in betrok. Vandaar zegt Cyrillus, bij de woorden van Lucas (4, 40) : « Hij legde hun één voor één de handen op en genas ze ». — « Ofschoon Hij, als God, alle ziekten door zijn woord had kunnen verdrijven, raakte Hij hen toch aan, daardoor aantoonende, dat zijn eigen vleesch als geneesmiddel dienst kon doen ». En op de woorden van Marcus (8, 23 en volg.) : « Hij deed speeksel op zijn oogen, legde hem de handen op, etc. », zegt Chrysostomus : « Hij spuwde en legde den blinde de handen op, daarmee willende aantoonen dat het goddelijk woord, verbonden met een handeling, wondere dingen uitwerkt: want de hand duidt op de handeling; het speeksel op de woorden door den mond voortgebracht ». — En op de woorden van Joannes (9, 6) : « Hij maakte slijk van het speeksel en streek hem het slijk op de oogen », zegt Augustinus (44e 472Traktaat op het Evangelie van Joannes) : « Hij maakte met behulp van zijn speeksel slijk: omdat « Het Woord is Vleesch geworden » ». Of ook om aan te duiden, dat Hij het was, die van het slijk der aarde den mensch gemaakt had, zooals Chrysostomus zegt (56e Homelie op Joannes).2. Christus was niet alleen gekomen om de wereld te redden door zijn goddelijke kracht, maar door het mysterie van zijn menswording. En daarom gebeurde het meerdere malen, dat Hij, bij het genezen van zieken, niet uitsluitend van zijn goddelijke macht gebruik maakte, door ze op bevel te genezen, maar er ook zijn mensheid op een of andere wijze in betrok. Vandaar zegt Cyrillus, bij de woorden van Lukas (4, 40): “Hij legde hun één voor één de handen op en genas ze”. — “Ofschoon Hij, als God, alle ziekten door zijn woord had kunnen verdrijven, raakte Hij hen toch aan, daardoor aantonende, dat zijn eigen vlees als geneesmiddel dienst kon doen”. En op de woorden van Marcus (8, 23 en volg.): “Hij deed speeksel op zijn ogen, legde hem de handen op, etc.”, zegt Chrysostomus: “Hij spuwde en legde de blinde de handen op, daarmee willende aantonen dat het goddelijk woord, verbonden met een handeling, wondere dingen uitwerkt: want de hand duidt op de handeling; het speeksel op de woorden door de mond voortgebracht”. — En op de woorden van Johannes (9, 6): “Hij maakte slijk van het speeksel en streek hem het slijk op de ogen”, zegt Augustinus (44e 472Traktaat op het Evangelie van Johannes): “Hij maakte met behulp van zijn speeksel slijk: omdat ‘Het Woord is Vlees geworden’”. Of ook om aan te duiden, dat Hij het was, die van het slijk van de aarde de mens gemaakt had, zoals Chrysostomus zegt (56e Homelie op Johannes).
Est autem circa miracula Christi considerandum, quod communiter perfectissima opera faciebat; unde super illud Joan. 2. [v. 10] : Omnis homo primum bonum vinum ponit, dicit Chrysostomus [hom. 21. in Joan.] : « Talia sunt Christi miracula, ut multo his, quae per naturam fiunt, speciosiora et utiliora fiant ». Et similiter in instanti infirmis perfectam sanitatem conferebat; unde super illud Matth. 8. [v. 15] : Et surrexit, et ministrabat illis, dicit Hieronymus [Comm., L. 1] : « Sanitas, quae confertur a Domino, tota simul redit ».
Men moet echter bij de wonderen van Christus ook dit in overweging nemen, dat in het algemeen wat Hij deed zeer volmaakt was. Vandaar zegt Chrysostomus op de woorden van Joannes (2, 10) : « Iedereen schenkt eerst den goeden wijn ». — « Christus' wonderen zijn van dien aard, dat er veel schoonere en nuttiger dingen door tot standkomen, dan de natuur maakt ». — En eveneens gaf Hij aan zieken in één oogenblik een volmaakte gezondheid. Vandaar dat bij de woorden van Mattheus (8, 15) : « Ze stond op, en diende hen », Hieronymus zegt: « De gezondheid, die door den Heer gegeven wordt, keert ineens en heelemaal terug ».Men moet echter bij de wonderen van Christus ook dit in overweging nemen, dat in het algemeen wat Hij deed zeer volmaakt was. Vandaar zegt Chrysostomus op de woorden van Johannes (2, 10): “Iedereen schenkt eerst de goede wijn”. — “Christus' wonderen zijn van die aard, dat er veel schonere en nuttiger dingen door tot standkomen, dan de natuur maakt”. — En eveneens gaf Hij aan zieken in één ogenblik een volmaakte gezondheid. Vandaar dat bij de woorden van Matteüs (8, 15): “Ze stond op, en diende hen”, Hieronymus zegt: “De gezondheid, die door de Heer gegeven wordt, keert ineens en helemaal terug”.
Specialiter autem in illo caeco contrarium fuit propter infidelitatem ipsius, ut Chrysostomus dicit [Victor Antioch., Comm. in Marc., ad c. 8, v. 23 sqq.]. Vel, sicut Beda dicit [Expos., in Marc., in hunc loc.], « quem uno verbo totum simul curare poterat, paulatim curat, ut magnitudinem humanae caecitatis ostendat, quae vix et quasi per gradus 473ad lucem redeat, et gratiam suam nobis indicet, per quam singula perfectionis incrementa adjuvat ».
Dat echter in het bijzonder bij dien blinde het tegendeel plaats had, geschiedde, zooals Chrysostomus zegt, om zijn ongeloof. — Ofwel, zooals Beda zegt (in het 2e boek van zijn Commentaar op Marcus, 8, 23) : « Dien Hij met één woord ineens heelemaal had kunnen genezen, geneest Hij nu langzamerhand, om de grootheid van de menschelijke blindheid aan te toonen, die slechts 473nauwelijks, en als 't ware trapsgewijze, tot het licht weerkeert : en Hij wijst ons daardoor op zijn genade waardoor Hij iederen vooruitgang in de volmaaktheid te hulp komt ».Dat echter in het bijzonder bij die blinde het tegendeel plaats had, geschiedde, zoals Chrysostomus zegt, om zijn ongeloof. — Ofwel, zoals Beda zegt (in het 2e boek van zijn Commentaar op Marcus, 8, 23): “Die Hij met één woord ineens helemaal had kunnen genezen, geneest Hij nu langzamerhand, om de grootheid van de menselijke blindheid aan te tonen, die slechts 473nauwelijks, en als 't ware trapsgewijze, tot het licht weerkeert: en Hij wijst ons daardoor op zijn genade waardoor Hij iederen vooruitgang in de volmaaktheid te hulp komt”.
Ad tertium dicendum, quod, sicut supra dictum est [q. praec. art. 2.], Christus miracula faciebat virtute divina; « Dei autem perfecta sunt opera », ut dicitur Deuter. 32. [v. 4]. Non est autem aliquid perfectum, si finem non consequatur; finis autem exterioris curationis per Christum factae est curatio animae, et ideo non conveniebat Christo, ut alicujus corpus curaret, nisi ejus curaret animam. Unde super illud Joan. 7. [v. 23] : Totum hominem sanum fecit in sabbato, dicit Augustinus [tract. 30 in Joan.], quod « curatus est, ut sanus esset in corpore; et credidit, ut sanus esset in anima ».
3. Christus verrichtte zijn wonderen, zooals boven gezegd is (43e Kw., 2e Art.) met goddelijke kracht. Gods werken zijn echter volmaakt, zooals geschreven staat in het Boek Deuteronomium (32, 4). Nu is echter iets niet volmaakt, als het zijn doel niet bereikt. Het doel echter van een uiterlijke genezing door Christus verricht, is de genezing der ziel. En dus paste het Christus niet iemands lichaam te genezen, zonder zijn ziel gezond te maken. Vandaar zegt Augustinus (30e Traktaat op het Evangelie van Joannes) op de woorden van Joannes (7, 23) : « Ik heb op den Sabbat een mensch geheel en al gezond gemaakt ». — « Hij werd genezen, om lichamelijk gezond te zijn; en hij geloofde, opdat zijn ziel gezond zou zijn ».3. Christus verrichtte zijn wonderen, zoals boven gezegd is (43e Kw., 2e Art.) met goddelijke kracht. Gods werken zijn echter volmaakt, zoals geschreven staat in het Boek Deuteronomium (32, 4). Nu is echter iets niet volmaakt, als het zijn doel niet bereikt. Het doel echter van een uiterlijke genezing door Christus verricht, is de genezing van de ziel. En dus paste het Christus niet iemands lichaam te genezen, zonder zijn ziel gezond te maken. Vandaar zegt Augustinus (30e Traktaat op het Evangelie van Johannes) op de woorden van Johannes (7, 23): “Ik heb op de Sabbat een mens geheel en al gezond gemaakt”. — “Hij werd genezen, om lichamelijk gezond te zijn; en hij geloofde, opdat zijn ziel gezond zou zijn”.
Specialiter autem paralytico dicitur: « Dimittuntur tibi peccata », quia, ut Hieronymus dicit super Matth. [Comm., L. 1, ad c. 9, v. 5-6], « datur ex hoc nobis intelligentia, propter peccata plerasque evenire corporum debilitates, et ideo forsitan prius dimittuntur peccata, 474ut causis debilitatis ablatis, sanitas restituatur ». Unde et Joan. 5. [v. 14] dicitur: « Jam noli amplius peccare, ne deterius tibi aliquid contingat », ubi Chrysostomus [hom. 37. in Joan.] : « Discimus, quod ex peccatis nata erat ei aegritudo ».
Tot den lamme echter wordt er meer in het bizonder bij gezegd: « Uw zonden worden u vergeven », omdat, zooals Hieronymus zegt (in het 1e boek van zijn Commentaar op Mattheus, 9, 5 en 6) hierdoor ons te verstaan wordt gegeven, dat veel lichamelijke kwalen in de zonden hun oorzaak hebben: en daarom misschien worden wel eerst de zonden vergeven, opdat, nu de oorzaken van de kwaal zijn weggenomen, de gezondheid kan hersteld worden. 474— Vandaar wordt er ook bij Joannes gezegd (5, 14) : « Zondig niet meer, opdat u niet ergers overkomt ». Waaruit wij leeren kunnen, zooals Chrysostomus zegt (38e Homelie op Joannes), dat hem zijn ziekte uit de zonde voortgekomen was.Tot de lamme echter wordt er meer in het bizonder bij gezegd: “Uw zonden worden u vergeven”, omdat, zoals Hieronymus zegt (in het 1e boek van zijn Commentaar op Matteüs, 9, 5 en 6) hierdoor ons te verstaan wordt gegeven, dat veel lichamelijke kwalen in de zonden hun oorzaak hebben: en daarom misschien worden wel eerst de zonden vergeven, opdat, nu de oorzaken van de kwaal zijn weggenomen, de gezondheid kan hersteld worden. 474— Vandaar wordt er ook bij Johannes gezegd (5, 14): “Zondig niet meer, opdat u niet ergers overkomt”. Waaruit wij leren kunnen, zoals Chrysostomus zegt (38e Homelie op Johannes), dat hem zijn ziekte uit de zonde voortgekomen was.
Quamvis autem, ut Chrysostomus dicit super Matth. [hom. 30.], « quanto anima est potior corpore, tanto peccatum dimittere majus sit, quam corpus sanare. Quia tamen illud non est manifestum, facit minus, quod est manifestius, ut demonstraret majus et non manifestum ».
Ofschoon toch ook, zooals Chrysostomus zegt (29e Homelie op Mattheus) : « het vergeven van zonden zooveel meer is als het gezond maken van een lichaam, als de ziel voornamer is dan het lichaam : omdat dat echter niet zoo duidelijk is, doet hij het mindere wat het duidelijkste is, om zoo het grootere te toonen en wat niet zoo duidelijk is ».Ofschoon toch ook, zoals Chrysostomus zegt (29e Homelie op Matteüs): “het vergeven van zonden zoveel meer is als het gezond maken van een lichaam, als de ziel voornamer is dan het lichaam: omdat dat echter niet zo duidelijk is, doet hij het mindere wat het duidelijkste is, om zo het grotere te tonen en wat niet zo duidelijk is”.
Ad quartum dicendum, quod super illud Matth. 9.: Videte, ne quis sciat, dicit Chrysostomus [hom. 33. in Matth.] : « Non est hoc contrarium, quod hic dicitur, ei quod alteri dicit: Vade et annuntia gloriam Dei; erudit enim nos prohibere eos, qui volunt nos propter nos laudare; si autem ad Deum gloria refertur, non debemus prohibere, sed magis injungere ut hoc fiat ».
4. Op de woorden van Mattheus (9, 30) : « Let er op, dat niemand het te weten komt » zegt Chrysostomus: « Wat hier gezegd wordt is niet in tegenspraak met wat Hij aan een ander zegt: « Ga heen en verkondig Gods glorie ». Want Hij leert ons hen te beletten, die ons om ons zelf willen prijzen. Indien echter de eer tot God teruggebracht wordt, dan moeten we het niet beletten maar zoo iets veeleer opleggen ».4. Op de woorden van Matteüs (9, 30): “Let er op, dat niemand het te weten komt” zegt Chrysostomus: “Wat hier gezegd wordt is niet in tegenspraak met wat Hij aan een ander zegt: ‘Ga heen en verkondig Gods glorie’. Want Hij leert ons hen te beletten, die ons om onszelf willen prijzen. Indien echter de eer tot God teruggebracht wordt, dan moeten we het niet beletten maar zo iets veeleer opleggen”.
Utrum convenienter Christus fecerit miracula circa creaturas irrationales
Of de wonderen, die Christus in de redelooze schepselen gedaan heeft wel goed zijn geweest.Of de wonderen, die Christus in de redeloze schepselen gedaan heeft wel goed zijn geweest.
475Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod inconvenienter fecerit Christus miracula circa creaturas irrationales. Bruta enim animalia sunt nobiliora plantis. Sed Christus fecit aliquod miraculum circa plantas, puta cum ad verbum ejus est siccata ficulnea, ut dicitur Matth. 21. [v. 19]. Ergo videtur, quod etiam circa animalia bruta miracula facere debuisset.
475Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus geen passende wonderen heeft verricht m. b. t. de onredelijke schepselen. — 1. De dieren zijn immers edeler dan de planten. Maar Christus heeft in de planten een enkel wonder gedaan, b. v. toen op zijn woord de vijgeboom verdorde, zooals te lezen staat bij Mattheus (21, 19). Dus schijnt het wel, dat Christus ook in de dieren een wonder had moeten doen.475Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus geen passende wonderen heeft verricht m. b. t. de onredelijke schepselen. — 1. De dieren zijn immers edeler dan de planten. Maar Christus heeft in de planten een enkel wonder gedaan, bv. toen op zijn woord de vijgeboom verdorde, zoals te lezen staat bij Matteüs (21, 19). Dus schijnt het wel, dat Christus ook in de dieren een wonder had moeten doen.
2. Praeterea, poena non juste infertur, nisi pro culpa. Sed non fuit culpa ficulneae, quod in ea Christus fructum non invenit, quando non erat tempus fructuum. Ergo videtur, quod inconvenienter eam siccaverit.
2. Een straf wordt alleen rechtvaardig opgelegd als er schuld tegenover staat. Maar het was niet de schuld van den vijgeboom, dat Christus er geen vrucht aan vond, toen het de tijd voor de vruchten niet was. Dus schijnt het wel niet passend te zijn geweest, dat Hij hem deed verdorren.2. Een straf wordt alleen rechtvaardig opgelegd als er schuld tegenover staat. Maar het was niet de schuld van de vijgeboom, dat Christus er geen vrucht aan vond, toen het de tijd voor de vruchten niet was. Dus schijnt het wel niet passend te zijn geweest, dat Hij hem deed verdorren.
3. Praeterea, aqua et aër sunt in medio coeli et terrae. Sed Christus aliqua miracula fecit in coelo, sicut supra dictum est [art. 2 huj. q.]. Similiter etiam in terra, quando in ejus passione terra mota est. Ergo 476videtur, quod etiam in aëre et aqua aliqua miracula facere debuerit, ut mare dividere, sicut fecit Moyses, vel etiam flumen, sicut fecerunt Josue et Elias, et ut fierent in aëre tonitrua, sicut factum est in monte Sinai, quando lex dabatur, et sicut Elias fecit, 3. Reg. 18 [v. 45].
3. Lucht en water nemen het midden in tusschen den hemel en de aarde. Maar Christus verrichtte sommige wonderen in den hemel, zooals boven gezegd is (2e Art.). Zoo ook in de aarde : toen nl. bij zijn lijden de aarde bewogen werd. Dus had Hij ook in de lucht en het water sommige wonderen moeten doen: zooals 476b. v. een zee vaneen scheiden, zooals Moses gedaan heeft; of een rivier, zooals Josue en Elias gedaan hebben; en een onweer in de lucht laten plaats hebben zooals geschied is op den berg Sinaï, toen de wet gegeven werd, en zooals Elias gedaan heeft, zooals blijkt uit het 3e Boek der Koningen (18, 45).3. Lucht en water nemen het midden in tussen de hemel en de aarde. Maar Christus verrichtte sommige wonderen in de hemel, zoals boven gezegd is (2e Art.). Zo ook in de aarde: toen nl. bij zijn lijden de aarde bewogen werd. Dus had Hij ook in de lucht en het water sommige wonderen moeten doen: zoals 476bv. een zee vaneen scheiden, zoals Moses gedaan heeft; of een rivier, zoals Josue en Elias gedaan hebben; en een onweer in de lucht laten plaats hebben zoals geschied is op de berg Sinaï, toen de wet gegeven werd, en zoals Elias gedaan heeft, zoals blijkt uit het 3e Boek van de Koningen (18, 45)a.
4. Praeterea, opera miraculosa pertinent ad opus gubernationis mundi per divinam providentiam. Hoc autem opus praesupponit creationem. Inconveniens ergo videtur, quod Christus in suis miraculis usus est creatione, quando scilicet multiplicavit panes. Non ergo convenientia videntur fuisse ejus miracula circa irrationales creaturas.
4. Wonderen doen, is taak van wereldbestuur door de goddelijke voorzienigheid. Deze taak veronderstelt echter de schepping. Het schijnt dus niet passend te zijn geweest, dat Christus bij zijn wonderen gebruik gemaakt heeft van de schepping, zooals bv., toen Hij brood vermenigvuldigde. Zijn wonderen in de redelooze schepselen schijnen dus wel niet passend te zijn geweest.4. Wonderen doen, is taak van wereldbestuur door de goddelijke voorzienigheid. Deze taak veronderstelt echter de schepping. Het schijnt dus niet passend te zijn geweest, dat Christus bij zijn wonderen gebruik gemaakt heeft van de schepping, zoals bv., toen Hij brood vermenigvuldigde. Zijn wonderen in de redeloze schepselen schijnen dus wel niet passend te zijn geweest.
Sed contra est, quod Christus est Dei sapientia, de qua dicitur Sap. 8. [v. 1], quod « disponit omnia suaviter ».
Daartegenover staat echter, dat Christus Gods Wijsheid is, waarvan geschreven staat in het Boek der Wijsheid (8, 1) : « Zij bestuurt alles met zachtheid ».Daartegenover staat echter, dat Christus Gods Wijsheid is, waarvan geschreven staat in het Boek van de Wijsheid (8, 1): “Zij bestuurt alles met zachtheid”.
Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [art. praec.], miracula Christi ad hoc ordinabantur, quod virtus divinitatis cognosceretur in ipso ad hominum salutem. Pertinet autem ad virtutem divinitatis, ut omnis creatura sit ei subjecta. Et ideo in omnibus creaturarum generibus 477miracula eum facere oportuit, et non solum in hominibus, sed etiam in irrationabilibus creaturis.
Leerstelling. — Zooals boven gezegd is (Vorig Art). hadden de wonderen van Christus tot doel, dat, tot heil der menschen, de kracht der Godheid in Hem gekend zou worden. Het is echter eigen aan de goddelijke kracht, dat alle schepselen haar onderworpen zijn. En dus behoorde Christus zijn wonderen te 477verrichten in alle soorten van schepselen, en niet alleen in de menschen, maar ook in de redelooze schepselen.Leerstelling. — Zoals boven gezegd is (Vorig Art). hadden de wonderen van Christus tot doel, dat, tot heil van de mensen, de kracht van de Godheid in Hem gekend zou worden. Het is echter eigen aan de goddelijke kracht, dat alle schepselen haar onderworpen zijn. En dus behoorde Christus zijn wonderen te 477verrichten in alle soorten van schepselen, en niet alleen in de mensen, maar ook in de redeloze schepselen.
Ad primum ergo dicendum, quod animalia bruta propinque se habent secundum genus ad hominem, unde et in eodem die cum homine facta sunt; et quia circa corpora humana multa miracula faceret, non oportebat quod circa corpora brutorum animalium aliqua miracula faceret, praesertim quia quantum ad naturam sensibilem et corporalem, eadem ratio est de hominibus et de aliis animalibus, praecipue terrestribus. Pisces autem cum vivant in aqua, magis a natura hominum differunt, unde et alio die sunt facti; in quibus miraculum Christus fecit in copiosa piscium captura, ut legitur Luc. 5. [v. 4 sqq.], et Joan. ult. [v. 6], et etiam in pisce, quem Petrus cepit, et in eo invenit staterem. Quod autem porci in mare praecipitati sunt, non fuit operatio divini miraculi, sed operatio daemonum ex permissione divina.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De dieren staan, wat hun geslacht betreft, dicht bij de menschen: vandaar zijn ze ook op denzelfden dag tegelijk met de menschen gemaakt. En omdat Hij nu in de lichamen der menschen vele wonderen verricht had, behoefde Hij geen wonderen meer te doen in de lichamen der dieren, vooral omdat, wat hun zintuigelijke en lichamelijke natuur betreft, de menschen en de dieren, in het bizonder die op de aarde leven, op een lijn staan. De visschen echter staan verder af van de natuur der menschen, omdat ze in het water leven: vandaar werden ze ook op een anderen dag geschapen. In hen heeft Christus een wonder gedaan bij de wonderbare vischvangst, zooals te lezen staat bij Lucas (5, 4 en volg.) en Joannes (21, 6) ; en evenzoo in den visch dien Petrus ving en waarin hij een stater vond. — Dat echter de zwijnen in de zee neerstortten, was geen goddelijke wonderwerking, maar een werking van de duivelen met toelating van God.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De dieren staan, wat hun geslacht betreft, dicht bij de mensen: vandaar zijn ze ook op dezelfde dag tegelijk met de mensen gemaakt. En omdat Hij nu in de lichamen van de mensen vele wonderen verricht had, behoefde Hij geen wonderen meer te doen in de lichamen van de dieren, vooral omdat, wat hun zintuigelijke en lichamelijke natuur betreft, de mensen en de dieren, in het bizonder die op de aarde leven, op een lijn staan. De vissen echter staan verder af van de natuur van de mensen, omdat ze in het water leven: vandaar werden ze ook op een anderen dag geschapen. In hen heeft Christus een wonder gedaan bij de wonderbare visvangst, zoals te lezen staat bij Lukas (5, 4 en volg.) en Johannes (21, 6); en evenzo in de vis die Petrus ving en waarin hij een stater vond. — Dat echter de zwijnen in de zee neerstortten, was geen goddelijke wonderwerking, maar een werking van de duivelen met toelating van God.
Ad secundum dicendum, quod, sicut Chrysostomus dicit super Matth. [hom. 68], « cum in plantis vel brutis aliquid tale Dominus operatur, non 478quaerere est ultimae dementiae, quia scilicet in talibus non invenitur culpa et poena. Sed miraculum inspice, et admirare miraculi factorem ». Nec facit creator injuriam possidenti, si creatura suo arbitrio utatur ad aliorum salutem, sed magis, ut Hilarius dicit super Matth. [Comm., c. 21, N. 6], « in hoc bonitatis Dominicae argumentum reperimus, nam ubi afferre voluit procuratae per se salutis exemplum, virtutis suae potestatem in humanis corporibus exercuit; ubi vero in contumaces formam severitatis constituebat, futuri speciem damno arboris indicavit », et praecipue, ut Chrysostomus dicit [loc. cit.], in ficulnea, « quae est humidissima, ut miraculum majus appareat ».
2. Hierop is te antwoorden met de woorden van Chrysostomus (67e Homelie op Mattheus) : « Als de Heer iets dergelijks doet 478in planten of dieren, moet ge niet navragen hoe het mogelijk is, dat die vijgeboom op een rechtvaardige wijze verdorde, als het er de tijd niet voor was: want zoo iets vragen is een bewijs van uiterste dwaasheid, want bij dergelijke wezens wordt geen schuld en straf gevonden : maar bezie het wonder, en bewonder Hem die het verrichtte ». Ook doet de Schepper den bezitter geen onrecht aan, als Hij van zijn schepsel naar eigen goedvinden tot heil van anderen gebruik maakt: maar veel meer « vinden we hierin ». zooals Hilarius zegt (in zijn Commentaar op Mattheus, 21e H. nº 6) : « een bewijs voor Gods goedheid. Want als Hij een voorbeeld wilde bijbrengen van het door Hem veroorzaakte heil, oefende Hij de macht van zijn vermogen uit in menschelijke lichamen; maar als Hij tegenover hardnekkigen den omvang van zijn gestrengheid liet gelden, gaf Hij een beeld van het toekomstige te kennen door de verwerping van een boom ». En om een bizondere reden in den vijgeboom, die, zooals Chrysostomus zegt (t. a. p.) buitengewoon vochtig is, opdat het wonder nog klaarblijkender zijn zou.2. Hierop is te antwoorden met de woorden van Chrysostomus (67e Homelie op Matteüs): “Als de Heer iets dergelijks doet 478in planten of dieren, moet ge niet navragen hoe het mogelijk is, dat die vijgeboom op een rechtvaardige wijze verdorde, als het er de tijd niet voor was: want zo iets vragen is een bewijs van uiterste dwaasheid, want bij dergelijke wezens wordt geen schuld en straf gevonden: maar bezie het wonder, en bewonder Hem die het verrichtte”. Ook doet de Schepper de bezitter geen onrecht aan, als Hij van zijn schepsel naar eigen goedvinden tot heil van anderen gebruik maakt: maar veel meer “vinden we hierin”. zoals Hilarius zegt (in zijn Commentaar op Matteüs, 21e H. nº 6): “een bewijs voor Gods goedheid. Want als Hij een voorbeeld wilde bijbrengen van het door Hem veroorzaakte heil, oefende Hij de macht van zijn vermogen uit in menselijke lichamen; maar als Hij tegenover hardnekkigen de omvang van zijn gestrengheid liet gelden, gaf Hij een beeld van het toekomstige te kennen door de verwerping van een boom”. En om een bizondere reden in de vijgeboom, die, zoals Chrysostomus zegt (t. a. p.) buitengewoon vochtig is, opdat het wonder nog klaarblijkender zijn zou.
Ad tertium dicendum, quod Christus etiam in aqua et in aëre fecit miracula, quae sibi conveniebant, quando scilicet, ut legitur Matth. 8. [v. 26], « imperavit ventis et mari, et facta est tranquillitas magna ». Non autem conveniebat ei, qui omnia in statum pacis et tranquillitatis revocare 479venerat, ut vel turbationem aëris, vel divisionem aquarum faceret. Unde Apostolus dicit Heb. 12. [v. 18] : « Non accessistis ad tractabilem et accensibilem ignem, et turbinem, et caliginem, et procellam ».
3. Christus heeft ook wonderen verricht in het water en de lucht zooals Hem goed dacht : toen hij nl., zooals te lezen staat bij Mattheus (8, 26), de winden en het meer gebood, en er een groote kalmte ontstond. Het paste Hem echter niet, Hem, die alles tot vrede en rust was komen brengen, om ofwel de lucht in beweging 479te brengen of de wateren te verdeelen. Vandaar zegt de Apostel in den Brief aan de Hebreën (12, 18) : « Ge zijt niet toegetreden tot een tastbaren berg, niet tot brandend vuur, duisternis, donkere wolk, storm ».3. Christus heeft ook wonderen verricht in het water en de lucht zoals Hem goed dacht: toen hij nl., zoals te lezen staat bij Matteüs (8, 26), de winden en het meer gebood, en er een grote kalmte ontstond. Het paste Hem echter niet, Hem, die alles tot vrede en rust was komen brengen, om ofwel de lucht in beweging 479te brengen of de wateren te verdelen. Vandaar zegt de Apostel in de Brief aan de Hebreën (12, 18): “Ge zijt niet toegetreden tot een tastbaren berg, niet tot brandend vuur, duisternis, donkere wolk, storm”.
Circa passionem tamen divisum est velum, ad ostendendum reserationem mysteriorum legis, aperta sunt monumenta, ad ostendendum quod per ejus mortem mortuis vita daretur, terra mota est et petrae scissae sunt, ad ostendendum quod lapidea hominum corda per ejus passionem emollirentur, et quod totus mundus virtute passionis ejus erat in melius commutandus.
Bij zijn lijden echter, scheurde het voorhangsel, om aan te toonen dat de mysteries der wet nu toegankelijk waren geworden; gingen de graven open, om aan te toonen, dat door zijn dood aan de dooden het leven zou gegeven worden; beefde de aarde en spleten de steenrotsen vaneen, om aan te toonen, dat de steenen harten der menschen door zijn lijden week zouden worden, en dat de geheele wereld door de kracht van zijn lijden er beter op moest worden.Bij zijn lijden echter, scheurde het voorhangsel, om aan te tonen dat de mysteries van de wet nu toegankelijk waren geworden; gingen de graven open, om aan te tonen, dat door zijn dood aan de doden het leven zou gegeven worden; beefde de aarde en spleten de steenrotsen vaneen, om aan te tonen, dat de stenen harten van de mensen door zijn lijden week zouden worden, en dat de gehele wereld door de kracht van zijn lijden er beter op moest worden.
Ad quartum dicendum, quod multiplicatio panum non est facta per modum creationis, sed per additionem extraneae materiae in panes conversae. Unde Augustinus super Joan. [tract. 24.] dicit: « Unde multiplicat de paucis granis segetes, inde in manibus suis multiplicavit quinque panes ». Manifestatum est autem, quod per conversionem grana multiplicantur in segetes.
4. De vermenigvuldiging der brooden is niet door schepping tot stand gekomen, maar door toevoeging van andere stof in brooden omgezet. Vandaar zegt Augustinus (24e Traktaat op het Evangelie van Joannes) : « Waarmee Hij uit weinig zaadkorrels het graan vermenigvuldigde, daarmee vermenigvuldigde Hij in zijn handen vijf brooden ». [De vertaling van «Manifestatum est autem, quod per conversionem grana multiplicantur in segetes» ontbreekt in de uitgave.]4. De vermenigvuldiging van de broden is niet door schepping tot stand gekomen, maar door toevoeging van andere stof in broden omgezet. Vandaar zegt Augustinus (24e Traktaat op het Evangelie van Johannes): “Waarmee Hij uit weinig zaadkorrels het graan vermenigvuldigde, daarmee vermenigvuldigde Hij in zijn handen vijf broden”. [De vertaling van “Manifestatum est autem, quod per conversionem grana multiplicantur in segetes” ontbreekt in de uitgave.]