De baptismo Joannis
Over het doopsel van JoannesOver het doopsel van Johannes
297Deinde considerandum est de baptismo, quo Christus baptizatus est. Et quia Christus baptizatus est baptismo Joannis, primo considerandum est de baptismo Joannis in communi; secundo de baptizatione Christi.
297Vervolgens moeten we het doopsel beschouwen waarmee Christus gedoopt is. En omdat Christus gedoopt is geworden met het doopsel van Joannes, moeten we eerst in het algemeen spreken over het doopsel van Joannes, en vervolgens over den doop van Christus.297Vervolgens moeten we het doopsel beschouwen waarmee Christus gedoopt is. En omdat Christus gedoopt is geworden met het doopsel van Johannes, moeten we eerst in het algemeen spreken over het doopsel van Johannes, en vervolgens over de doop van Christus.
Circa primum quaeruntur sex: 1. Utrum conveniens fuerit, quod Joannes baptizaret. — 2. Utrum ille baptismus fuerit a Deo. — 3. Utrum contulerit gratiam. — 4. Utrum alii, praeter Christum, illo baptismo debuerint baptizari. — 5. Utrum baptismus ille cessare debuerit Christo baptizato. — 6. Utrum baptizati baptismo Joannis essent postea baptizandi baptismo Christi.
Aangaande het eerste stellen we zes vragen : 1. Was het wel passend, dat Joannes een doopsel toediende? 2. Kwam dat doopsel van God? 3. Deelde het genade mede? 4. Hadden er, behalve Christus, nog anderen met dat doopsel gedoopt moeten worden? 5. Had dat doopsel op moeten houden na den doop van Christus ? 6. Moesten degenen, die met het doopsel van Joannes gedoopt waren, later gedoopt worden met het doopsel van Christus ?Aangaande het eerste stellen we zes vragen: 1. Was het wel passend, dat Johannes een doopsel toediende? 2. Kwam dat doopsel van God? 3. Deelde het genade mede? 4. Hadden er, behalve Christus, nog anderen met dat doopsel gedoopt moeten worden? 5. Had dat doopsel op moeten houden na de doop van Christus? 6. Moesten degenen, die met het doopsel van Johannes gedoopt waren, later gedoopt worden met het doopsel van Christus?
Utrum fuerit conveniens Joannem baptizare
Was het wel passend, dat Joannes doopte?Was het wel passend, dat Johannes doopte?
298Ad primum sic proceditur. Videtur, quod non fuerit conveniens, Joannem baptizare: omnis enim ritus sacramentalis ad aliquam pertinet legem. Sed Joannes non introduxit novam legem. Ergo inconveniens fuit, quod novum ritum baptizandi introduceret.
298Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet passend was, dat Joannes doopte. — 1. De sacramenteele eeredienst behoort bij de een of andere wet. Nu voerde Joannes geen nieuwe wet in. Dus was het niet passend, dat hij een nieuwen doop invoerde.298Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet passend was, dat Johannes doopte. — 1. De sacramentele eredienst behoort bij de een of andere wet. Nu voerde Johannes geen nieuwe wet in. Dus was het niet passend, dat hij een nieuwen doop invoerde.
2. Praeterea, Joannes fuit missus a Deo in testimonium, tanquam Propheta, secundum illud Luc. 1. [v. 76] : « Tu puer Propheta Altissimi vocaberis ». Sed Prophetae, qui fuerunt ante Christum, non introduxerunt novum ritum, sed ad observantiam legalium rituum inducebant, ut patet Malach. ult. [v. 4] : « Mementote legis Moysi, servi mei ». Ergo nec Joannes novum ritum baptizandi introducere debuit.
2. Joannes was, gelijk een profeet, gezonden om getuigenis af te leggen, volgens Lucas (1, 76) : « En gij zelf nu, kleine knaap, Profeet van den Allerhoogste zult ge genoemd worden ». Maar de profeten vóór Christus hebben geen nieuwen eeredienst ingevoerd, maar spoorden aan om den wettelijken eeredienst te onderhouden zooals blijkt uit Malachias (4, 4) : « Zijt de wet van Moses, mijn dienaar, indachtig ». Dus moest ook Joannes geen nieuwe doopriten invoeren.2. Johannes was, gelijk een profeet, gezonden om getuigenis af te leggen, volgens Lukas (1, 76): “En gij zelf nu, kleine knaap, Profeet van de Allerhoogste zult ge genoemd worden”. Maar de profeten vóór Christus hebben geen nieuwen eredienst ingevoerd, maar spoorden aan om de wettelijke eredienst te onderhouden zoals blijkt uit Maleachi (4, 4)a: “Zijt de wet van Moses, mijn dienaar, indachtig”. Dus moest ook Johannes geen nieuwe doopriten invoeren.
3. Praeterea, ubi est alicujus rei superfluitas, non est ad illud aliquid addendum. Sed Judaei excedebant in superfluitate baptismatum: dicitur enim Marci 7. [v. 3 et 4], quod « Pharisaei et omnes Judaei, nisi crebro 299laverint manus, non manducant; et a foro venientes, nisi baptizentur, non comedunt; et alia multa sunt, quae tradita sunt illis servare, baptismata calicum, et urceorum, et aeramentorum, et lectorum ». Ergo inconveniens fuit, quod Joannes baptizaret.
3. Als er van iets al te veel is, moet men er niets meer bij doen. Maar de Joden hadden al meer dan genoeg wasschingen : we lezen immers bij Marcus (7, 3, 4) : « De Farizeën en alle Joden, 299eten niet, zonder zich de vingertoppen te hebben gewasschen; en ze eten niets van de markt, zonder het eerst te besprenkelen; en vele andere dingen zijn er, die ze krachtens overlevering te onderhouden hebben, zooals het wasschen van drinkbekers en kannen en koperen vaten en aanligbedden ». Het was dus niet zooals het behoorde, dat Joannes doopte.3. Als er van iets al te veel is, moet men er niets meer bij doen. Maar de Joden hadden al meer dan genoeg wassingen: we lezen immers bij Marcus (7, 3, 4): “De Farizeën en alle Joden, 299eten niet, zonder zich de vingertoppen te hebben gewassen; en ze eten niets van de markt, zonder het eerst te besprenkelen; en vele andere dingen zijn er, die ze krachtens overlevering te onderhouden hebben, zoals het wassen van drinkbekers en kannen en koperen vaten en aanligbedden”. Het was dus niet zoals het behoorde, dat Johannes doopte.
Sed contra est auctoritas Scripturae, Matth. 3. [v. 5 et 6], ubi, praemissa sanctitate Joannis, subditur, quod « exibant ad eum multi, et baptizabantur ab eo in Jordane ».
Daartegenover staat echter het gezag der Schrift (Mattheus, 3, 5, 6) waar, nadat melding is gemaakt van Joannes' heiligheid, volgt, dat velen tot hem uitliepen, en zich door hem lieten doopen in den Jordaan.Daartegenover staat echter het gezag van de Schrift (Matteüs, 3, 5, 6) waar, nadat melding is gemaakt van Johannes' heiligheid, volgt, dat velen tot hem uitliepen, en zich door hem lieten dopen in de Jordaan.
Respondeo dicendum, quod conveniens fuit Joannem baptizare, propter quatuor: primo quidem, quia oportebat Christum a Joanne baptizari, ut baptismum consecraret, ut Augustinus dicit super Joan. [Tract. 13; S. Max. Tanzin., Hom. 34; inter opp. Aug., append.]. Secundo, ut Christus manifestaretur: unde ipse Joannes Baptista dicit Joan. 1. [v. 31] : « Ut manifestetur, scilicet Christus, in Israël, propterea veni ego in aqua baptizans ». Concurrentibus enim turbis ad baptismum, annuntiabat Christum; 300quod quidem facilius sic factum est, quam si per singulos discurrisset, ut Chrysostomus dicit super Joan. [hom. 10.]. Tertio, ut suo baptismo assuefaceret homines ad baptismum Christi: unde Gregorius dicit in quadam hom. [7. in Evang.], quod « ideo Joannes baptizavit, ut praecursionis suae ordinem servans, qui nasciturum Dominum nascendo praevenerat, baptizando quoque baptizaturum Dominum praeveniret ». Quarto, ut ad poenitentiam homines inducens, homines praepararet ad digne suscipiendum baptismum Christi; unde ibidem Beda dicit [Scot. Eriug., Comm. in Ev. Joan., ad c. 3, v. 24], quod « quantum cathecumenis nondum baptizatis prodest doctrina fidei, tantum profuit baptisma Joannis ante baptisma Christi », quia sicut ille praedicabat poenitentiam et baptismum Christi praenuntiabat, et in cognitionem veritatis, quae mundo apparuit, attrahebat, sic ministri Ecclesiae primo erudiunt, post peccata eorum redarguunt, demum in baptismo Christi remissionem peccatorum promittunt.
Leerstelling. — Om vier redenen was het passend dat Joannes een doopsel toediende. En wel ten eerste, omdat Christus door Joannes moest gedoopt worden, ten einde het doopsel te heiligen, zooals Augustinus zegt in zijn 13e Verhandeling over Joannes. Ten tweede, opdat Christus geopenbaard zou worden. Vandaar zegt Joannes de Dooper zelf (Joannes, 1, 31) : « Om Hem nl. Christus, aan Israël bekend te maken, daarom ben ik komen doopen met water ». Want toen de menigte samenstroomde, 300verkondigde hij Christus : dit kon zoo gemakkelijker gebeuren, dan wanneer hij de menschen één voor één was afgeloopen, zooals Chrysostomus zegt in zijn 10e Homelie op Mattheus. Ten derde, om door zijn doopsel de menschen met het doopsel van Christus vertrouwd te maken. Vandaar zegt Gregorius in zijn 7e Homelie op het Evangelie, dat Joannes doopte « om, gelijk hij de geboorte des Heeren in geboorte was voorafgegaan, geheel in de lijn van zijn voorlooperschap ook diens toekomstig doopsel met te doopen voor te gaan ». Ten vierde om, door de menschen tot boetvaardigheid aan te sporen, ze voor te bereiden op een waardig ontvangen van het doopsel van Christus. Vandaar zegt Beda (Scotus Erigena, Verklaring van het Evangelie van Joannes, 3, 24) dat « zoo voordeelig als de geloofsleer was voor de nog niet gedoopte catechumenen even zoo voordeelig was het doopsel van Joannes, dat toegediend werd vóór het doopsel van Christus. Want evenals hij boetvaardigheid predikte, Christus' doopsel aankondigde en de menschen trok tot de kennis der waarheid, die aan de wereld verschenen was, zoo doen ook de bedienaren der Kerk. Want eerst onderrichten ze; daarna zorgen ze er voor, dat ze hun zonden niet meer goedachten en ten slotte beloven ze de vergiffenis in het doopsel van Christus ».Leerstelling. — Om vier redenen was het passend dat Johannes een doopsel toediende. En wel ten eerste, omdat Christus door Johannes moest gedoopt worden, ten einde het doopsel te heiligen, zoals Augustinus zegt in zijn 13e Verhandeling over Johannes. Ten tweede, opdat Christus geopenbaard zou worden. Vandaar zegt Johannes de Doper zelf (Johannes, 1, 31): “Om Hem nl. Christus, aan Israël bekend te maken, daarom ben ik komen dopen met water”. Want toen de menigte samenstroomde, 300verkondigde hij Christus: dit kon zo gemakkelijker gebeuren, dan wanneer hij de mensen één voor één was afgelopen, zoals Chrysostomus zegt in zijn 10e Homelie op Matteüs. Ten derde, om door zijn doopsel de mensen met het doopsel van Christus vertrouwd te maken. Vandaar zegt Gregorius in zijn 7e Homelie op het Evangelie, dat Johannes doopte “om, gelijk hij de geboorte van de Heer in geboorte was voorafgegaan, geheel in de lijn van zijn voorloperschap ook diens toekomstig doopsel met te dopen voor te gaan”. Ten vierde om, door de mensen tot boetvaardigheid aan te sporen, ze voor te bereiden op een waardig ontvangen van het doopsel van Christus. Vandaar zegt Beda (Scotus Erigena, Verklaring van het Evangelie van Johannes, 3, 24) dat “zo voordelig als de geloofsleer was voor de nog niet gedoopte catechumenen even zo voordelig was het doopsel van Johannes, dat toegediend werd vóór het doopsel van Christus. Want evenals hij boetvaardigheid predikte, Christus' doopsel aankondigde en de mensen trok tot de kennis van de waarheid, die aan de wereld verschenen was, zo doen ook de bedienaren van de Kerk. Want eerst onderrichten ze; daarna zorgen ze er voor, dat ze hun zonden niet meer goedachten en ten slotte beloven ze de vergiffenis in het doopsel van Christus”.
301Ad primum ergo dicendum, quod baptismus Joannis non erat per se sacramentum, sed quasi quoddam sacramentale disponens ad baptismum Christi; et ideo aliqualiter pertinebat ad legem Christi, non autem ad legem Moysi.
301Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het doopsel van Joannes was, op zich genomen, geen sacrament, maar het werkte als een sacramentale, door op het doopsel van Christus voor te bereiden. En dus behoorde het in zeker opzicht tot de wet van Christus : maar niet tot de wet van Moses.301Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het doopsel van Johannes was, op zich genomen, geen sacrament, maar het werkte als een sacramentale, door op het doopsel van Christus voor te bereiden. En dus behoorde het in zeker opzicht tot de wet van Christus: maar niet tot de wet van Moses.
Ad secundum dicendum, quod Joannes non solum fuit Propheta, sed plus quam Propheta, ut dicitur Matth. 11. [v. 9] : fuit enim terminus legis, et initium Evangelii; et ideo magis pertinebat ad eum verbo et opere inducere homines ad legem Christi, quam ad observantiam veteris legis.
2. Joannes was niet alleen een profeet, maar, zooals bij Mattheus gezegd wordt (11, 9), meer dan een profeet : hij was immers het einde der wet en het begin des Evangelies. En dus kwam het hem meer toe de menschen door woord en daad aan te sporen tot de wet van Christus, dan tot het onderhouden der oude wet.2. Johannes was niet alleen een profeet, maar, zoals bij Matteüs gezegd wordt (11, 9), meer dan een profeet: hij was immers het einde van de wet en het begin van het Evangelie. En dus kwam het hem meer toe de mensen door woord en daad aan te sporen tot de wet van Christus, dan tot het onderhouden van de oude wet.
Ad tertium dicendum, quod baptismata illa Pharisaeorum erant inania, utpote ad solam munditiam carnis ordinata; sed baptismus Joannis ordinabatur ad munditiam spiritualem; inducebat enim homines ad poenitentiam, ut dictum est [in corp.].
3. Die wasschingen der Farizeën waren ijdel, omdat ze alleen maar de reinheid des vleesches bedoelden. Maar het doopsel van Joannes beoogde geestelijke reinheid : want hij spoorde de menschen aan tot boetvaardigheid, zooals in de leerstelling gezegd is.3. Die wassingen van de Farizeën waren ijdel, omdat ze alleen maar de reinheid van het vlees bedoelden. Maar het doopsel van Johannes beoogde geestelijke reinheid: want hij spoorde de mensen aan tot boetvaardigheid, zoals in de leerstelling gezegd is.
Utrum baptismus Joannis fuerit a Deo
Kwam Joannes' doopsel van God?Kwam Johannes' doopsel van God?
Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod baptismus Joannis non 302fuerit a Deo: nihil enim sacramentale, quod est a Deo, denominatur ab homine puro, sicut baptismus novae legis non dicitur Petri, vel Pauli, sed Christi. Sed ille baptismus denominatur a Joanne, secundum illud Matth. 21. [v. 25] : « Baptismus Joannis unde erat, e coelo, an ex hominibus? » Ergo baptismus Joannis non fuit a Deo.
Bedenkingen. — Men beweert, dat het doopsel van Joannes 302niet van God was. — 1. Geen enkel sacramentale immers, dat van God komt, wordt genoemd naar iemand die louter mensch is; zoo wordt het doopsel der nieuwe wet niet genoemd naar Petrus of Paulus, maar naar Christus. Maar dit doopsel wordt genoemd naar Joannes volgens Mattheus (21, 25) : « Het doopsel van Joannes, was dat van den hemel of van de menschen? » Dus was het doopsel van Joannes niet van God.Bedenkingen. — Men beweert, dat het doopsel van Johannes 302niet van God was. — 1. Geen enkel sacramentale immers, dat van God komt, wordt genoemd naar iemand die louter mens is; zo wordt het doopsel van de nieuwe wet niet genoemd naar Petrus of Paulus, maar naar Christus. Maar dit doopsel wordt genoemd naar Johannes volgens Matteüs (21, 25): “Het doopsel van Johannes, was dat van de hemel of van de mensen?” Dus was het doopsel van Johannes niet van God.
2. Praeterea, omnis doctrina de novo a Deo procedens aliquibus signis confirmatur; unde et Dominus, Exodi 4., dedit Moysi potestatem signa faciendi; et Heb. 2. [v. 3 et 4] dicitur: « Cum fides nostra principium accepisset enarrari a Deo per eos, qui audierunt, in nos confirmata est, contestante Deo signis et portentis ». Sed de Joanne Baptista dicitur Joan. 10. [v. 41] : « Joannes signum fecit nullum ». Ergo videtur, quod baptismus, quo baptizavit, non esset a Deo.
2. Iedere leer die nieuw van God komt, wordt door enkele teekenen bevestigd: daarom gaf ook de Heer aan Moses de macht om teekenen te verrichten (Exodus, 4) en lezen we in den Brief aan de Hebreën, (2, 3, 4) : « Daar ons geloof het eerst door den Heer is gepreekt, onder ons werd bevestigd door hen die Hem hoorden en ook door God is betuigd door teekenen en wonderen ». Maar van Joannes staat geschreven (Joannes, 10, 41) : « Joannes heeft geen enkel teeken verricht ». Dus schijnt het doopsel, waarmee hij doopte, ook niet van God te zijn.2. Iedere leer die nieuw van God komt, wordt door enkele tekenen bevestigd: daarom gaf ook de Heer aan Moses de macht om tekenen te verrichten (Exodus, 4) en lezen we in de Brief aan de Hebreën, (2, 3, 4): “Daar ons geloof het eerst door de Heer is gepreekt, onder ons werd bevestigd door hen die Hem hoorden en ook door God is betuigd door tekenen en wonderen”. Maar van Johannes staat geschreven (Johannes, 10, 41): “Johannes heeft geen enkel teken verricht”. Dus schijnt het doopsel, waarmee hij doopte, ook niet van God te zijn.
3. Praeterea, sacramenta, quae sunt divinitus instituta, aliquibus sacrae Scripturae praeceptis continentur. Sed baptismus Joannis non praecipitur aliquo praecepto sacrae Scripturae. Ergo videtur, quod non fuerit a Deo.
3. De sacramenten die door God zijn ingesteld, liggen vervat in enkele voorschriften der H. Schrift. Maar het doopsel van Joannes wordt door geen enkel voorschrift der H. Schrift voorgeschreven. Het schijnt dus wel, dat het niet van God gekomen is.3. De sacramenten die door God zijn ingesteld, liggen vervat in enkele voorschriften van de H. Schrift. Maar het doopsel van Johannes wordt door geen enkel voorschrift van de H. Schrift voorgeschreven. Het schijnt dus wel, dat het niet van God gekomen is.
303Sed contra est, quod dicitur Joan. 1. [v. 33] : « Qui me misit baptizare in aqua, ille mihi dixit: Super quem videris Spiritum » etc.
303Daartegenover staat echter wat geschreven staat bij Joannes (1, 33) : « Hij die mij zond om in water te doopen, Hij sprak tot mij : Op wien ge den Geest ziet... » enz.303Daartegenover staat echter wat geschreven staat bij Johannes (1, 33): “Hij die mij zond om in water te dopen, Hij sprak tot mij: Op wie ge de Geest ziet...” enz.
Respondeo dicendum, quod in baptismo Joannis duo possunt considerari, scilicet ipse ritus baptizandi, et effectus baptismi. Ritus quidem baptizandi non fuit ex hominibus, sed a Deo, qui familiari Spiritus Sancti revelatione Joannem ad baptizandum misit. Effectus autem illius baptismi fuit ab homine, quia nihil in illo baptismo efficiebatur, quod homo facere non posset. Unde non fuit a solo Deo, nisi inquantum Deus in homine operatur.
Leerstelling. — In het doopsel van Joannes kunnen twee dingen beschouwd worden en wel de wijze van doopen en de uitwerking van het doopsel. De wijze van doopen nu kwam niet van de menschen maar van God, die door een vertrouwelijke openbaring van den Heiligen Geest Joannes had uitgezonden om te doopen. De uitwerking daarentegen van dat doopsel kwam van de menschen: want niets werd in dat doopsel uitgewerkt wat ook de mensch niet kan doen. Dus was het niet van God alleen, behalve dan in zoover God in den mensch werkt.Leerstelling. — In het doopsel van Johannes kunnen twee dingen beschouwd worden en wel de wijze van dopen en de uitwerking van het doopsel. De wijze van dopen nu kwam niet van de mensen maar van God, die door een vertrouwelijke openbaring van de Heilige Geest Johannes had uitgezonden om te dopen. De uitwerking daarentegen van dat doopsel kwam van de mensen: want niets werd in dat doopsel uitgewerkt wat ook de mens niet kan doen. Dus was het niet van God alleen, behalve dan in zover God in de mens werkt.
Ad primum ergo dicendum, quod per baptismum novae legis homines interius per Spiritum Sanctum baptizantur, quod facit solus Deus; per baptismum autem Joannis solum corpus mundabatur aqua: unde dicitur Matth. 3. [v. 11] : « Ego baptizo vos in aqua, ille vos baptizabit in Spiritu Sancto ». Et ideo baptismus Joannis denominatur ab ipso, quia scilicet nihil in eo agebatur, quod ipse non ageret. Baptismus autem novae 304legis non denominatur a ministro, qui principalem baptismi effectum non agit, scilicet interiorem emundationem.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Door het doopsel van de nieuwe wet worden de menschen inwendig door den H. Geest gedoopt, wat alleen God doet. Door den doop van Joannes echter werd alleen het lichaam door water gereinigd. Vandaar lezen we bij Mattheus (3, 11) : « Ik doop u met water: Hij zal u doopen met den Heiligen Geest ». Het doopsel van Joannes wordt dus naar hem genoemd, omdat er niets in uitgewerkt werd, wat hij zelf niet deed. Het doopsel der nieuwe wet 304echter wordt niet naar den bedienaar genoemd, daar deze de voornaamste uitwerking van het doopsel nl. de inwendige reiniging, niet bewerkt.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Door het doopsel van de nieuwe wet worden de mensen inwendig door de H. Geest gedoopt, wat alleen God doet. Door de doop van Johannes echter werd alleen het lichaam door water gereinigd. Vandaar lezen we bij Matteüs (3, 11): “Ik doop u met water: Hij zal u dopen met de Heilige Geest”. Het doopsel van Johannes wordt dus naar hem genoemd, omdat er niets in uitgewerkt werd, wat hij zelf niet deed. Het doopsel van de nieuwe wet 304echter wordt niet naar de bedienaar genoemd, daar deze de voornaamste uitwerking van het doopsel nl. de inwendige reiniging, niet bewerkt.
Ad secundum dicendum, quod tota doctrina et operatio Joannis ordinabatur ad Christum, qui multitudine signorum et suam, et Joannis doctrinam conformavit. Si autem Joannes signa fecisset, homines ex aequo Joanni et Christo attendissent; et ideo ut homines principaliter Christo intenderent, non est datum Joanni, ut faceret signum. Judaeis tamen quaerentibus, quare baptizaret, confirmavit suum officium auctoritate Scripturae, dicens: « Ego vox clamantis in deserto » etc., ut dicitur Joan. 1. [v. 23, sqq.]. Ipsa etiam austeritas vitae ejus officium commendabat, quia, ut Chrysostomus dicit super Matth. [hom. 10.], « mirabile erat in humano corpore tantam patientiam videre ».
2. De geheele leer en werkzaamheid van Joannes was gericht op Christus, die door vele teekenen, niet alleen zijn eigen leer, maar ook die van Joannes bekrachtigde. Indien nu Joannes teekenen verricht had, dan zouden de menschen Joannes en Christus op een lijn gesteld hebben. Opdat dus de menschen zich hoofdzakelijk tot Christus zouden wenden, daarom werd het aan Joannes niet gegeven een teeken te verrichten. Toen echter de Joden vroegen, waarom hij doopte, bevestigde hij zijn zending met het gezag der Schrift door te zeggen: « Ik ben de stem van een roepende in de woestijn... enz. », zooals geschreven staat bij Joannes (1, 23). Zijn strenge levenswijze was ook een aanbeveling voor zijn zending, omdat, zooals Chrysostomus zegt (10e Homelie op Mattheus) : « Het was iets wonderlijks in een menschelijk lichaam zoo 'n geduld te zien ».2. De gehele leer en werkzaamheid van Johannes was gericht op Christus, die door vele tekenen, niet alleen zijn eigen leer, maar ook die van Johannes bekrachtigde. Indien nu Johannes tekenen verricht had, dan zouden de mensen Johannes en Christus op een lijn gesteld hebben. Opdat dus de mensen zich hoofdzakelijk tot Christus zouden wenden, daarom werd het aan Johannes niet gegeven een teken te verrichten. Toen echter de Joden vroegen, waarom hij doopte, bevestigde hij zijn zending met het gezag van de Schrift door te zeggen: “Ik ben de stem van een roepende in de woestijn... enz.”, zoals geschreven staat bij Johannes (1, 23). Zijn strenge levenswijze was ook een aanbeveling voor zijn zending, omdat, zoals Chrysostomus zegt (10e Homelie op Matteüs): “Het was iets wonderlijks in een menselijk lichaam zo 'n geduld te zien”.
Ad tertium dicendum, quod baptismus Joannis non fuit ordinatus a Deo, nisi ut modico tempore duraret, propter causas praedictas; et ideo non fuit commendatus aliquo praecepto communiter edito in sacra Scriptura, sed familiari quadam revelatione Spiritus Sancti, ut dictum est [in corp.].
3. Om de redenen, in het vorig artikel uiteengezet, zou het doopsel van Joannes, in Gods bestel, maar van korten duur zijn. En daarom werd het niet door een algemeen voorschrift in de heilige Schrift aanbevolen, maar alleen door een vertrouwelijke openbaring van den H. Geest.3. Om de redenen, in het vorig artikel uiteengezet, zou het doopsel van Johannes, in Gods bestel, maar van korten duur zijn. En daarom werd het niet door een algemeen voorschrift in de heilige Schrift aanbevolen, maar alleen door een vertrouwelijke openbaring van de H. Geest.
Utrum in baptismo Joannis gratia daretur
Werd in het doopsel van Joannes genade medegedeeld ?Werd in het doopsel van Johannes genade medegedeeld?
305Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod in baptismo Joannis gratia daretur: dicitur enim Marci 1. [v. 4] : « Fuit Joannes in deserto baptizans, et praedicans baptismum poenitentiae in remissionem peccatorum ». Sed poenitentia et remissio peccatorum est per gratiam. Ergo baptismus Joannis gratiam conferebat.
305Bedenkingen. — Men beweert, dat in het doopsel van Joannes genade werd medegedeeld. — 1. Bij Marcus lezen we immers (1, 4) : « Joannes de Dooper trad op in de woestijn, en preekte een doopsel van boetvaardigheid tot vergiffenis der zonden ». Boetvaardigheid nu en vergiffenis van zonden komen van de genade. Dus deelde het doopsel van Joannes genade mede.305Bedenkingen. — Men beweert, dat in het doopsel van Johannes genade werd medegedeeld. — 1. Bij Marcus lezen we immers (1, 4): “Johannes de Doper trad op in de woestijn, en preekte een doopsel van boetvaardigheid tot vergiffenis van de zonden”. Boetvaardigheid nu en vergiffenis van zonden komen van de genade. Dus deelde het doopsel van Johannes genade mede.
2. Praeterea, baptizandi a Joanne confitebantur peccata sua, ut habetur Matth. 3. et Marci 1. Sed confessio peccatorum ordinatur ad peccatorum remissionem, quae fit per gratiam. Ergo in baptismo Joannis gratia conferebatur.
2. Zooals uit Mattheus (3, 6) en Marcus (1, 5) blijkt, beleden degenen die door Joannes gedoopt werden hun zonden. Maar de belijdenis der zonden is gericht op de vergiffenis der zonden, en deze komt van de genade. Dus werd in het doopsel van Joannes genade medegedeeld.2. Zoals uit Matteüs (3, 6) en Marcus (1, 5) blijkt, beleden degenen die door Johannes gedoopt werden hun zonden. Maar de belijdenis van de zonden is gericht op de vergiffenis van de zonden, en deze komt van de genade. Dus werd in het doopsel van Johannes genade medegedeeld.
3. Praeterea, baptismus Joannis propinquior erat baptismo Christi, quam circumcisio. Sed per circumcisionem remittebatur peccatum originale, quia, ut Beda dicit [in hom. 10. Circumcis.], « idem salutiferae curationis 306auxilium circumcisio in lege contra originalis peccati vulnus agebat, quod nunc baptismus agere revelata gratiae tempore consuevit ». Ergo multo magis baptismus Joannis remissionem peccatorum operabatur, quod sine gratia fieri non potest.
3. Het doopsel van Joannes stond dichter bij het doopsel van Christus dan de besnijdenis. Door de besnijdenis echter werd de erfzonde vergeven, omdat, zooals Beda zegt (10e Homelie op het feest der Besnijdenis) « in de wet de besnijdenis, tot een heilzame genezing, dezelfde hulp verleende tegen de wonde der 306erfzonde, als nu, in den tijd der geopenbaarde genade, het doopsel gewoon is te geven ». Dus bewerkte veeleer het doopsel van Joannes de vergiffenis der zonden. Wat zonder genade niet kan geschieden.3. Het doopsel van Johannes stond dichter bij het doopsel van Christus dan de besnijdenis. Door de besnijdenis echter werd de erfzonde vergeven, omdat, zoals Beda zegt (10e Homelie op het feest van de Besnijdenis) “in de wet de besnijdenis, tot een heilzame genezing, dezelfde hulp verleende tegen de wonde van de 306erfzonde, als nu, in de tijd van de geopenbaarde genade, het doopsel gewoon is te geven”. Dus bewerkte veeleer het doopsel van Johannes de vergiffenis van de zonden. Wat zonder genade niet kan geschieden.
Sed contra est, quod Matth. 3. [v. 11] dicitur: « Ego quidem baptizo vos in aqua in poenitentiam », quod exponens Gregorius in quadam homil. [scilicet 7. in Evang.], dicit: « Joannes non in spiritu, sed in aqua baptizat, quia peccata solvere non valet ». Sed gratia est a Spiritu Sancto, et per eam peccata tolluntur. Ergo baptismus Joannis gratiam non conferebat.
Daartegenover staat echter wat Mattheus zegt (3, 11) : « Ik doop u met water ter bekeering ». En waar Gregorius dit uitlegt (7e Homelie op het Evangelie) zegt hij : « Joannes doopte niet met den Geest, maar met water, omdat hij niet in staat was van de zonden te ontbinden ». Maar de genade komt van den H. Geest, en door de genade worden de zonden weggenomen. Dus deelde het doopsel van Joannes geen genade mede.Daartegenover staat echter wat Matteüs zegt (3, 11): “Ik doop u met water ter bekering”. En waar Gregorius dit uitlegt (7e Homelie op het Evangelie) zegt hij: “Johannes doopte niet met de Geest, maar met water, omdat hij niet in staat was van de zonden te ontbinden”. Maar de genade komt van de H. Geest, en door de genade worden de zonden weggenomen. Dus deelde het doopsel van Johannes geen genade mede.
Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est [art. 1. huj. q. et art. 2. ad 2.], tota doctrina et operatio Joannis praeparatoria erat ad Christum, sicut ministri et inferioris artificis est praeparare materiam ad formam, quam inducit principalis artifex; gratia autem conferenda erat hominibus per Christum, secundum illud Joan. 1. [v. 17] : « Gratia et veritas 307per Jesum Christum facta est ». Et ideo baptismus Joannis gratiam non conferebat, sed solum ad gratiam praeparabat tripliciter: uno quidem modo per doctrinam Joannis inducentem homines ad fidem Christi; alio modo assuefaciendo homines ad ritum baptismi Christi; tertio modo per poenitentiam, praeparando homines ad suscipiendum effectum baptismi Christi.
Leerstelling. — Zooals gezegd is (het vorige Art., Antw. op de 2e Bed.) diende de geheele leer en werkzaamheid van Joannes als voorbereiding tot Christus, op dezelfde wijze als het de taak van een knecht en van een minderen kunstenaar is, om de stof klaar te maken voor den vorm, die de hoofdkunstenaar er inbrengt. Nu moest de genade aan de menschen gegeven worden door Christus volgens het woord van Joannes (1, 17) : « De 307genade en waarheid zijn door Jesus Christus gekomen ». En dit is de reden, dat het doopsel van Joannes de genade niet mededeelde, maar er slechts op voorbereidde. En dat op drie manieren. En wel op de eerste manier door de leer van Joannes, die de menschen tot het geloof in Christus geleidde. Op de tweede manier door de menschen te gewennen aan het ritueel van het doopsel van Christus. Op de derde manier door de boetvaardigheid, die de menschen voorbereidde om de uitwerking van Christus' doopsel te ontvangen.Leerstelling. — Zoals gezegd is (het vorige Art., Antw. op de 2e Bed.) diende de gehele leer en werkzaamheid van Johannes als voorbereiding tot Christus, op dezelfde wijze als het de taak van een knecht en van een minderen kunstenaar is, om de stof klaar te maken voor de vorm, die de hoofdkunstenaar er inbrengt. Nu moest de genade aan de mensen gegeven worden door Christus volgens het woord van Johannes (1, 17): “De 307genade en waarheid zijn door Jesus Christus gekomen”. En dit is de reden, dat het doopsel van Johannes de genade niet mededeelde, maar er slechts op voorbereidde. En dat op drie manieren. En wel op de eerste manier door de leer van Johannes, die de mensen tot het geloof in Christus geleidde. Op de tweede manier door de mensen te gewennen aan het ritueel van het doopsel van Christus. Op de derde manier door de boetvaardigheid, die de mensen voorbereidde om de uitwerking van Christus' doopsel te ontvangen.
Ad primum ergo dicendum, quod in illis verbis, ut Beda dicit [Expos. in Marc., L. 1, ad c. 1, v. 4], potest intelligi duplex baptismus: unus quidem, quem Joannes baptizando conferebat, qui dicitur baptismus poenitentiae, quia scilicet ille baptismus erat quoddam inductivum ad poenitentiam, et quasi quaedam protestatio, qua profitebantur homines se poenitentiam acturos; alius autem est baptismus Christi, per quem peccata remittuntur, quem Joannes dare non poterat, sed solum praedicabat dicens: « Ille vos baptizabit in Spiritu Sancto ».
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Met deze woorden kan, zooals Beda zegt (Verklaring van Marcus, 1e B., op 1, 4) een tweevoudig doopsel bedoeld zijn. En wel ten eerste het doopsel dat Joannes toediende. En dit doopsel wordt een doopsel van boetvaardigheid genoemd, omdat het een soort aansporing tot boetvaardigheid was, en als 't ware een soort openlijke verklaring, waardoor de menschen zich verbonden boetvaardigheid te zullen doen. Ten tweede het doopsel van Christus, waardoor de zonden vergeven worden : en dit kon Joannes niet toedienen, maar slechts prediken, wat hij deed, toen hij zeide : « Hij zal u doopen met den Heiligen Geest ». (Marcus, 1, 8; Mattheus, 11).Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Met deze woorden kan, zoals Beda zegt (Verklaring van Marcus, 1e B., op 1, 4) een tweevoudig doopsel bedoeld zijn. En wel ten eerste het doopsel dat Johannes toediende. En dit doopsel wordt een doopsel van boetvaardigheid genoemd, omdat het een soort aansporing tot boetvaardigheid was, en als 't ware een soort openlijke verklaring, waardoor de mensen zich verbonden boetvaardigheid te zullen doen. Ten tweede het doopsel van Christus, waardoor de zonden vergeven worden: en dit kon Johannes niet toedienen, maar slechts prediken, wat hij deed, toen hij zeide: “Hij zal u dopen met de Heilige Geest”. (Marcus, 1, 8; Matteüs, 11).
Vel potest dici, quod praedicabat baptismum poenitentiae, idest inducentem ad poenitentiam, quae quidem poenitentia ducit homines in remissionem peccatorum.
308Men kan ook zeggen dat hij een doopsel van boetvaardigheid d. i. voerende tot boetvaardigheid, preekte : en het is deze boetvaardigheid die de menschen tot de vergiffenis der zonden brengt.308Men kan ook zeggen dat hij een doopsel van boetvaardigheid d.i. voerende tot boetvaardigheid, preekte: en het is deze boetvaardigheid die de mensen tot de vergiffenis van de zonden brengt.
Vel potest dici, quod per baptismum Christi, ut Hieronymus dicit [Expos. in Marc., ad c. 1, 308v. 4], « gratia datur, qua peccata gratis dimittuntur; quod autem consummatur per sponsum initiatur per paranymphum » scilicet Joannem. Unde dicitur, quod baptizabat et praedicabat baptismum poenitentiae in remissionem peccatorum, non ideo quia hoc ipse perficeret, sed quia praeparando ad hoc homines disponebat.
Men kan ook nog zeggen, dat, zooals Hieronymus zegt (Verklaring van Marcus, 1, 4) : « door het doopsel van Christus de genade gegeven wordt, waardoor de zonden om niet kwijtgescholden worden : wat nu door den Bruidegom voleind wordt, wordt ingezet door den bruidsjonker » d. i. door Joannes. Als er dus staat dat hij doopte en een doopsel van boetvaardigheid preekte tot vergiffenis der zonden, wil dat niet zeggen, dat hij die zelf uitwerkte, maar dat hij er, door er op voor te bereiden een aanvang mee maakte.Men kan ook nog zeggen, dat, zoals Hieronymus zegt (Verklaring van Marcus, 1, 4): “door het doopsel van Christus de genade gegeven wordt, waardoor de zonden om niet kwijtgescholden worden: wat nu door de Bruidegom voleind wordt, wordt ingezet door de bruidsjonker” d.i. door Johannes. Als er dus staat dat hij doopte en een doopsel van boetvaardigheid preekte tot vergiffenis van de zonden, wil dat niet zeggen, dat hij die zelf uitwerkte, maar dat hij er, door er op voor te bereiden een aanvang mee maakte.
Ad secundum dicendum, quod illa confessio peccatorum non fiebat ad remissionem peccatorum statim per baptismum Joannis exhibendam, sed consequendam per poenitentiam consequentem et per baptismum Christi, ad quem poenitentia illa praeparabat.
2. Die zondenbelijdenis vond niet plaats ten einde de vergiffenis der zonden te verkrijgen, terstond door het doopsel van Joannes te verleenen; maar om ze te verkrijgen door de daarop volgende boetvaardigheid en het doopsel van Christus, waartoe die boetvaardigheid een voorbereiding was.2. Die zondenbelijdenis vond niet plaats ten einde de vergiffenis van de zonden te verkrijgen, terstond door het doopsel van Johannes te verlenen; maar om ze te verkrijgen door de daarop volgende boetvaardigheid en het doopsel van Christus, waartoe die boetvaardigheid een voorbereiding was.
Ad tertium dicendum, quod circumcisio instituta erat ad remedium originalis peccati. Sed baptismus Joannis ad hoc non erat institutus, sed solum erat praeparatorius ad baptismum Christi, ut dictum est [in corp. et art. 1.] ; sacramenta autem ex vi institutionis suum habent effectum.
3. De besnijdenis was ingesteld als een geneesmiddel tegen de erfzonde. Het doopsel van Joannes was echter niet daarvoor ingesteld, maar was alleen een voorbereiding op het doopsel van Christus, zooals gezegd is (in de leerstelling en in het 1e Art.). De sacramenten hebben echter krachtens hun instelling hun uitwerking.3. De besnijdenis was ingesteld als een geneesmiddel tegen de erfzonde. Het doopsel van Johannes was echter niet daarvoor ingesteld, maar was alleen een voorbereiding op het doopsel van Christus, zoals gezegd is (in de leerstelling en in het 1e Art.). De sacramenten hebben echter krachtens hun instelling hun uitwerking.
Utrum alii, praeter Christum, baptismo Joannis baptizari debuerint
Had alleen Christus met het doopsel van Joannes moeten gedoopt worden ?Had alleen Christus met het doopsel van Johannes moeten gedoopt worden?
309Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod baptismo Joannis solus Christus debuerit baptizari, quia, sicut dictum est [art. 1. huj. q.], ad hoc Joannes baptizavit, ut Christus baptizaretur, sicut Augustinus dicit super Joannem [tract. 13.]. Sed quod est proprium Christo, non debet aliis convenire. Ergo nulli alii debuerunt illo baptismo baptizari.
309Bedenkingen. — Men beweert, dat alleen Christus met het doopsel van Joannes had moeten gedoopt worden. — 1. Zooals immers gezegd is (1e Art.) Joannes doopte met het doel, dat Christus zou gedoopt worden, zooals Augustinus zegt in zijn 13e Verhandeling over Joannes. Maar wat Christus eigen is, komt niet aan anderen toe. Dus moest niemand anders met dien doop gedoopt worden.309Bedenkingen. — Men beweert, dat alleen Christus met het doopsel van Johannes had moeten gedoopt worden. — 1. Zoals immers gezegd is (1e Art.) Johannes doopte met het doel, dat Christus zou gedoopt worden, zoals Augustinus zegt in zijn 13e Verhandeling over Johannes. Maar wat Christus eigen is, komt niet aan anderen toe. Dus moest niemand anders met die doop gedoopt worden.
2. Praeterea, quicumque baptizatur, aut accipit aliquid a baptismo, aut baptismo aliquid confert. Sed a baptismo Joannis nullus aliquid accipere poterat, quia in eo gratia non conferebatur, ut dictum est [art. praec.] ; nec aliquis baptismo aliquid conferre poterat, nisi Christus, qui tactu mundissimae suae carnis aquas sanctificavit. Ergo videtur, quod solus Christus baptismo Joannis debuerit baptizari.
2. Alwie gedoopt wordt, ontvangt iets van het doopsel, of deelt er iets aan mee. Maar van het doopsel van Joannes kon niemand iets ontvangen, omdat er geen genade in meegedeeld werd, zooals gezegd is (3e Art.). Ook kon niemand, behalve Christus, iets aan het doopsel mededeelen, die « door de aanraking van zijn allerzuiverst vleesch, de wateren heiligde ». (Petrus Lombardus, 4e B. der Sententies 3e Afd. H. « Indien nu... »). Het schijnt dus wel, dat alleen Christus met het doopsel van Joannes had moeten gedoopt worden.2. Alwie gedoopt wordt, ontvangt iets van het doopsel, of deelt er iets aan mee. Maar van het doopsel van Johannes kon niemand iets ontvangen, omdat er geen genade in meegedeeld werd, zoals gezegd is (3e Art.). Ook kon niemand, behalve Christus, iets aan het doopsel mededelen, die “door de aanraking van zijn allerzuiverst vlees, de wateren heiligde”. (Petrus Lombardus, 4e B. van de Sententies 3e Afd. H. “Indien nu...”). Het schijnt dus wel, dat alleen Christus met het doopsel van Johannes had moeten gedoopt worden.
3103. Praeterea, si alii illo baptismo baptizabantur, hoc non erat, nisi ut praeparentur ad baptismum Christi; et sic conveniens videbatur, quod sicut baptismus Christi omnibus confertur, et magnis et parvis, et Gentilibus et Judaeis, ita etiam et baptismus Joannis conferretur. Sed non legitur; quod ab eo pueri baptizarentur, nec etiam Gentiles: dicitur enim Marci 1. [v. 5], quod « egrediebantur ad illum Israelitae1 universi, et baptizabantur ab illo ». Ergo videtur, quod solus Christus a Joanne debuerit baptizari.
3103. Als anderen met dat doopsel gedoopt werden, geschiedde dit alleen, om ze voor te bereiden op het doopsel van Christus: en zoo scheen het passend, dat, evenals het doopsel van Christus aan eenieder toegediend wordt — aan grooten en kleinen, heidenen en Joden — het doopsel van Joannes ook zoo zou toegediend worden. Maar er staat nergens te lezen, dat er kinderen mee gedoopt werden, evenmin als heidenen. Want Marcus zegt (1, 5) : « Allen uit Jerusalem liepen naar hem uit, en werden door hem gedoopt ». Dus schijnt het wel, dat alleen Christus door Joannes had moeten gedoopt worden.3103. Als anderen met dat doopsel gedoopt werden, geschiedde dit alleen, om ze voor te bereiden op het doopsel van Christus: en zo scheen het passend, dat, evenals het doopsel van Christus aan eenieder toegediend wordt — aan groten en kleinen, heidenen en Joden — het doopsel van Johannes ook zo zou toegediend worden. Maar er staat nergens te lezen, dat er kinderen mee gedoopt werden, evenmin als heidenen. Want Marcus zegt (1, 5): “Allen uit Jerusalem liepen naar hem uit, en werden door hem gedoopt”. Dus schijnt het wel, dat alleen Christus door Johannes had moeten gedoopt worden.
Sed contra est, quod dicitur Luc. 3. [v. 21] : « Factum est, cum baptizaretur omnis populus, et Jesu baptizato et orante, aperti sunt coeli ».
Daartegenover staat echter, dat Lucas zegt (3, 21) : « Toen nu al het volk zich liet doopen, en ook Jesus gedoopt was, ging eensklaps, terwijl hij aan 't bidden was, de hemel open ».Daartegenover staat echter, dat Lukas zegt (3, 21): “Toen nu al het volk zich liet dopen, en ook Jesus gedoopt was, ging eensklaps, terwijl hij aan 't bidden was, de hemel open”.
Respondeo dicendum, quod duplici de causa oportuit alios a Christo baptizari baptismo Joannis; primo quidem, ut Augustinus dicit super Joann. [tract. 4. et 5.], « quia si solus Christus baptismo Joannis baptizatus esset, non deessent qui dicerent, baptismum Joannis, quo Christus est 311baptizatus, digniorem esse baptismo Christi, quo alii baptizantur ». Secundo, quia oportebat per baptismum Joannis alios ad baptismum Christi praeparari, sicut dictum est [art. 1. et 3. huj. q.].
Leerstelling. — Om een tweevoudige reden betaamde het, dat er ook anderen dan alleen Christus, met het doopsel van Joannes gedoopt werden. En wel ten eerste omdat, zooals Augustinus zegt (4e en 5e Verhandeling over Joannes) : « als alleen Christus met het doopsel van Joannes zou gedoopt zijn, dan zou het niet 311aan menschen ontbroken hebben, die zouden zeggen, dat het doopsel van Joannes, waarmee Christus gedoopt werd, van hooger waarde was, dan het doopsel van Christus, waarmee anderen gedoopt worden ». En ten tweede, omdat, zooals gezegd is (1e en 3e Art.), anderen door het doopsel van Joannes op het doopsel van Christus moesten voorbereid worden.Leerstelling. — Om een tweevoudige reden betaamde het, dat er ook anderen dan alleen Christus, met het doopsel van Johannes gedoopt werden. En wel ten eerste omdat, zoals Augustinus zegt (4e en 5e Verhandeling over Johannes): “als alleen Christus met het doopsel van Johannes zou gedoopt zijn, dan zou het niet 311aan mensen ontbroken hebben, die zouden zeggen, dat het doopsel van Johannes, waarmee Christus gedoopt werd, van hoger waarde was, dan het doopsel van Christus, waarmee anderen gedoopt worden”. En ten tweede, omdat, zoals gezegd is (1e en 3e Art.), anderen door het doopsel van Johannes op het doopsel van Christus moesten voorbereid worden.
Ad primum ergo dicendum, quod non propter hoc solum fuit Joannis baptismus institutus, ut Christus baptizaretur, sed etiam propter alias causas, ut dictum est [art. 1. huj. q.]. Et tamen si ad hoc solum esset institutus, ut Christus eo baptizaretur, oportebat praedictum inconveniens vitari, aliis hoc baptismo baptizatis.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Niet daarom alleen was het doopsel van Joannes ingesteld, opdat Christus zich zou kunnen laten doopen, maar ook nog om andere redenen, zooals gezegd is (1e Art.). Maar ook al zou het alleen daarom ingesteld zijn, dat Christus er mee zou kunnen gedoopt worden, toch betaamde het, dat er ook nog anderen mee gedoopt werden, ten einde het bezwaar te vermijden, dat we in de leerstelling hebben uiteengezet.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Niet daarom alleen was het doopsel van Johannes ingesteld, opdat Christus zich zou kunnen laten dopen, maar ook nog om andere redenen, zoals gezegd is (1e Art.). Maar ook al zou het alleen daarom ingesteld zijn, dat Christus er mee zou kunnen gedoopt worden, toch betaamde het, dat er ook nog anderen mee gedoopt werden, ten einde het bezwaar te vermijden, dat we in de leerstelling hebben uiteengezet.
Ad secundum dicendum, quod alii, qui ad baptismum Joannis accedebant, non poterant quidem baptismo aliquid conferre, nec tamen a baptismo gratiam accipiebant, sed solum poenitentiae signum.
2. Als anderen tot het doopsel van Joannes naderden, hebben ze er wel niets aan kunnen mededeelen en ontvingen er evenmin genade door, maar alleen een teeken van boetvaardigheid.2. Als anderen tot het doopsel van Johannes naderden, hebben ze er wel niets aan kunnen mededelen en ontvingen er evenmin genade door, maar alleen een teken van boetvaardigheid.
Ad tertium dicendum, quod quia ille baptismus erat poenitentiae, quae pueris non convenit, ideo baptismo illo pueri non baptizabantur; conferre autem gentibus viam salutis soli Christo reservabatur, qui est expectatio 312gentium, ut dicitur Gen. penult. [v. 10]. Sed et ipse Christus Apostolis inhibuit Gentilibus Evangelium praedicare ante passionem et resurrectionem; unde multo minus conveniebat per Joannem Gentiles ad baptismum admitti.
3. Dat doopsel was een doopsel van boetvaardigheid, waartoe kinderen nog niet verplicht zijn; en daarom werden er geen kinderen met dit doopsel gedoopt. — Den heidenen echter den weg des heils mede te deelen, was aan Christus voorbehouden, die, zooals 312in het Boek Genesis staat (49, 10), de Verwachting der Heidenen is. Maar nu verbood zelfs Christus aan zijn Apostelen den heidenen, vóór zijn lijden en verrijzenis, het Evangelie te prediken (Matth. 10, 5). En dus paste het nog veel minder dat door Joannes de heidenen tot het doopsel toegelaten werden.3. Dat doopsel was een doopsel van boetvaardigheid, waartoe kinderen nog niet verplicht zijn; en daarom werden er geen kinderen met dit doopsel gedoopt. — De heidenen echter de weg van het heil mede te delen, was aan Christus voorbehouden, die, zoals 312in het Boek Genesis staat (49, 10), de Verwachting van de Heidenen is. Maar nu verbood zelfs Christus aan zijn Apostelen de heidenen, vóór zijn lijden en verrijzenis, het Evangelie te prediken (Matt. 10, 5). En dus paste het nog veel minder dat door Johannes de heidenen tot het doopsel toegelaten werden.
Utrum baptismus Joannis debuerit cessare, Christo baptizato
Had het doopsel van Joannes niet moeten ophouden, nadat Christus er mee gedoopt was?Had het doopsel van Johannes niet moeten ophouden, nadat Christus er mee gedoopt was?
Ad quintum sic proceditur. Videtur, quod baptismus Joannis cessare debuerit, postquam Christus fuit baptizatus, dicitur enim Joan. 1. [v. 31] : « Ut manifestetur in Israël, propterea veni in aqua baptizans ». Sed in Christo baptizato sufficienter fuit manifestatus, tum per testimonium Joannis, tum per descensum columbae, tum etiam testimonio paternae vocis. Ergo videtur, quod non debuerit postea baptismus Joannis durare.
Bedenkingen. — Men beweert, dat het doopsel van Joannes had moeten ophouden, nadat Christus gedoopt was. — 1. Joannes zegt immers (1, 31) : « Maar juist daarom kwam ik doopen met water, om Hem aan Israël bekend te maken ». Maar toen Christus gedoopt was, was Hij voldoende bekend gemaakt: zoowel door het getuigenis van Joannes, als door de nederdaling van een duif en ook door het getuigenis van de stem des Vaders. Dus schijnt het zoo, dat het doopsel van Joannes daarna niet had moeten voortduren.Bedenkingen. — Men beweert, dat het doopsel van Johannes had moeten ophouden, nadat Christus gedoopt was. — 1. Johannes zegt immers (1, 31): “Maar juist daarom kwam ik dopen met water, om Hem aan Israël bekend te maken”. Maar toen Christus gedoopt was, was Hij voldoende bekend gemaakt: zowel door het getuigenis van Johannes, als door de nederdaling van een duif en ook door het getuigenis van de stem van de Vader. Dus schijnt het zo, dat het doopsel van Johannes daarna niet had moeten voortduren.
2. Praeterea, Augustinus dicit sup. Joan. [tract. 4.] : « Baptizatus 313est Christus, et cessavit Joannis baptismus ». Ergo videtur, quod Joannes post Christum baptizatum non debuerit baptizare.
2. Augustinus zegt in zijn 4e Verhandeling op Joannes: 313« Christus werd gedoopt en het doopsel van Joannes hield op ». Dus had Joannes na Christus' doop niet meer moeten doopen.2. Augustinus zegt in zijn 4e Verhandeling op Johannes: 313“Christus werd gedoopt en het doopsel van Johannes hield op”. Dus had Johannes na Christus' doop niet meer moeten dopen.
3. Praeterea, baptismus Joannis erat praeparatorius ad baptismum Christi. Sed baptismus Christi incepit statim Christo baptizato, quia « tactu suae mundissimae carnis vim regenerativam contulit aquis », ut Beda dicit [cap. 10. in Luc., ad cap. 3, v. 21]. Ergo videtur, quod baptismus Joannis cessaverit, Christo baptizato.
3. Het doopsel van Joannes was een voorbereiding op het doopsel van Christus. Maar Christus' doopsel begon onmiddellijk nà den doop van Christus: want zooals Beda zegt (Verklaring van Lucas, 3, 21) : « gaf Hij door de aanraking van zijn allerzuiverst vleesch, aan het water de kracht ter wedergeboorte ». Dus had het doopsel van Joannes, na Christus' doop, op moeten houden.3. Het doopsel van Johannes was een voorbereiding op het doopsel van Christus. Maar Christus' doopsel begon onmiddellijk nà de doop van Christus: want zoals Beda zegt (Verklaring van Lukas, 3, 21): “gaf Hij door de aanraking van zijn allerzuiverst vlees, aan het water de kracht ter wedergeboorte”. Dus had het doopsel van Johannes, na Christus' doop, op moeten houden.
Sed contra est, quod dicitur Joan. 13. [v. 22 et 23], quod venit Jesus in Judaeam terram, et baptizabat; erat autem et Joannes baptizans. Sed Christus non baptizavit, nisi postquam fuit baptizatus. Ergo videtur, quod postquam Christus fuit baptizatus, adhuc Joannes baptizabat.
Daartegenover staat echter wat Joannes zegt (3, 22, 23) : « Daarna ging Jesus naar het platteland van Judea en doopte: maar ook Joannes diende het doopsel toe ». Maar Christus doopte niet, dan toen Hij zelf gedoopt was. Dus schijnt het wel, dat ook nadat Christus al gedoopt was, Joannes nog doopte.Daartegenover staat echter wat Johannes zegt (3, 22, 23): “Daarna ging Jesus naar het platteland van Judea en doopte: maar ook Johannes diende het doopsel toe”. Maar Christus doopte niet, dan toen Hij zelf gedoopt was. Dus schijnt het wel, dat ook nadat Christus al gedoopt was, Johannes nog doopte.
Respondeo dicendum, quod baptismus Joannis cessare non debuit, Christo baptizato: primo quidem, quia, ut Chrysostomus dicit [hom. 28. in Joan.], « si cessasset Joannes baptizare, Christo baptizato, existimaretur, quod zelo, vel ira hoc faceret » ; secundo, quia si cessasset a 314baptizando, Christo baptizante, discipulos suos in majorem zelum immisisset; tertio, quia persistens in baptizando, suos auditores mittebat ad Christum; quarto, quia, ut Beda dicit [gloss. ord. sup. Joan. 3, v. 23, ex Scot. Eriug., Comment. in Joan., ibid.], « adhuc permanebat umbra veteris legis; nec debuit praecursor cessare, donec veritas manifestaretur ».
Leerstelling. — Het doopsel van Joannes behoefde nà den doop van Christus niet op te houden. En wel ten eerste, omdat, zooals Chrysostomus zegt (29e Homelie op Joannes) : « Als Joannes, nà den doop van Christus, met doopen had opgehouden, dan zou men gedacht hebben, dat hij er uit naijver of toorn mee ophield ». — Ten tweede, omdat, als hij nà den doop van Christus 314met doopen had opgehouden, hij zijn leerlingen tot nog grooteren naijver zou gebracht hebben. (Chrysostomus t. a. p.) — Ten derde, omdat hij, door met doopen door te gaan, zijn toehoorders tot Christus zond. (Chrys. t. a. p.) — En ten vierde, om wat Beda zegt (Gewone Glossa, op Joannes, 3, 23) : « nog duurde de schaduw der oude wet : en dus behoorde de voorlooper pas op te houden, toen de waarheid bekend werd ».Leerstelling. — Het doopsel van Johannes behoefde nà de doop van Christus niet op te houden. En wel ten eerste, omdat, zoals Chrysostomus zegt (29e Homelie op Johannes): “Als Johannes, nà de doop van Christus, met dopen had opgehouden, dan zou men gedacht hebben, dat hij er uit naijver of toorn mee ophield”. — Ten tweede, omdat, als hij nà de doop van Christus 314met dopen had opgehouden, hij zijn leerlingen tot nog groteren naijver zou gebracht hebben. (Chrysostomus t. a. p.) — Ten derde, omdat hij, door met dopen door te gaan, zijn toehoorders tot Christus zond. (Chrys. t. a. p.) — En ten vierde, om wat Beda zegt (Gewone Glossa, op Johannes, 3, 23): “nog duurde de schaduw van de oude wet: en dus behoorde de voorloper pas op te houden, toen de waarheid bekend werd”.
Ad primum ergo dicendum, quod nondum Christus erat plene manifestatus eo baptizato, et ideo adhuc necessarium erat, quod Joannes baptizaret.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Christus was nog niet volkomen bekend, nadat Hij gedoopt was. En dus bleef het noodig, dat Joannes doopte.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Christus was nog niet volkomen bekend, nadat Hij gedoopt was. En dus bleef het nodig, dat Johannes doopte.
Ad secundum dicendum, quod, baptizato Christo, cessavit baptismus Joannis, non tamen statim, sed eo incarcerato; unde Chrysostomus dicit super Joannem [loc. cit.] : « Aestimo, propter hoc permissam esse mortem Joannis, et eo sublato de medio, Christum maxime praedicare coepisse, ut omnis multitudinis affectio ad Christum transiret, et non ultra his, quae de utroque erant, sententiis scinderetur ».
2. Het doopsel van Joannes hield wel op, toen Christus gedoopt was, maar niet oogenblikkelijk, doch toen hij gevangen gezet was. Vandaar zegt Chrysostomus (t. a. p.) : « De reden, waarom de dood van Joannes is toegelaten geworden, en Christus het meest begon te preeken, toen hij uit den weg geruimd was, is volgens mijn meening deze, dat het in de bedoeling lag, dat de genegenheid van het heele volk op Christus zou overgaan, en het niet verder meer verdeeld zou worden door de opinies die er over beiden bestonden ».2. Het doopsel van Johannes hield wel op, toen Christus gedoopt was, maar niet ogenblikkelijk, doch toen hij gevangen gezet was. Vandaar zegt Chrysostomus (t. a. p.): “De reden, waarom de dood van Johannes is toegelaten geworden, en Christus het meest begon te preken, toen hij uit de weg geruimd was, is volgens mijn mening deze, dat het in de bedoeling lag, dat de genegenheid van het hele volk op Christus zou overgaan, en het niet verder meer verdeeld zou worden door de opinies die er over beiden bestonden”.
Ad tertium dicendum, quod baptismus Joannis praeparatorius erat, non solum ad hoc quod Christus baptizaretur, sed etiam ad hoc quod alii ad 315Christi baptismum accederent, quod nondum fuit impletum, Christo baptizato.
3. Het doopsel van Joannes was niet alleen een voorbereiding tot den doop van Christus, maar ook daartoe dat anderen tot het 315doopsel van Christus zouden naderen. En dit was nog niet vervuld toen Christus eenmaal gedoopt was.3. Het doopsel van Johannes was niet alleen een voorbereiding tot de doop van Christus, maar ook daartoe dat anderen tot het 315doopsel van Christus zouden naderen. En dit was nog niet vervuld toen Christus eenmaal gedoopt was.
Utrum baptizati baptismo Joannis essent postea baptismo Christi baptizandi
Moesten degenen die gedoopt waren met het doopsel van Joannes, gedoopt worden met het doopsel van Christus?Moesten degenen die gedoopt waren met het doopsel van Johannes, gedoopt worden met het doopsel van Christus?
Ad sextum sic proceditur. Videtur, quod baptizati baptismo Joannis non fuerint baptizandi baptismo Christi: Joannes enim non fuit minor Apostolis, cum de eo scriptum sit Matth. 11. [v. 11] : « Inter natos mulierum non surrexit major Joanne Baptista ». Sed illi qui baptizabantur ab Apostolis, non iterum baptizabantur, sed solummodo addebatur eis impositio manuum: dicitur enim Act. 8. [v. 16 et 17] quod aliqui baptizati tantum erant a Philippo in nomine Domini Jesu; tunc Apostoli, scilicet Petrus, et Joannes, imponebant manus super illos, et accipiebant 316Spiritum Sanctum. Ergo videtur, quod baptizati a Joanne non debuerint baptizari baptismo Christi.
Bedenkingen. — Men beweert, dat degenen die gedoopt waren met het doopsel van Joannes, niet moesten gedoopt worden met het doopsel van Christus. — 1. Joannes stond niet beneden de Apostelen, daar van hem geschreven staat (Mattheus, 11; 11) : « Onder de kinderen der vrouwen is er geen opgestaan, die grooter was dan Joannes de Dooper ». Maar alwie door de Apostelen gedoopt was, werd niet meer overgedoopt, doch ontving er alleen de oplegging der handen bij. Want in de Handelingen der Apostelen staat te lezen (8. 16, 17) : « sommigen waren alleen maar door Philippus gedoopt in den naam van den Heer Jesus : nu legden de Apostelen, nl. Petrus en Joannes hun de handen op, en ze ontvingen den Heiligen Geest ». Het schijnt dus wel, dat 316degenen die gedoopt waren door Joannes niet meer met het doopsel van Christus behoefden gedoopt te worden.Bedenkingen. — Men beweert, dat degenen die gedoopt waren met het doopsel van Johannes, niet moesten gedoopt worden met het doopsel van Christus. — 1. Johannes stond niet beneden de Apostelen, daar van hem geschreven staat (Matteüs, 11; 11): “Onder de kinderen van de vrouwen is er geen opgestaan, die groter was dan Johannes de Doper”. Maar alwie door de Apostelen gedoopt was, werd niet meer overgedoopt, doch ontving er alleen de oplegging van de handen bij. Want in de Handelingen van de Apostelen staat te lezen (8, 16, 17): “sommigen waren alleen maar door Philippus gedoopt in de naam van de Heer Jesus: nu legden de Apostelen, nl. Petrus en Johannes hun de handen op, en ze ontvingen de Heilige Geest”. Het schijnt dus wel, dat 316degenen die gedoopt waren door Johannes niet meer met het doopsel van Christus behoefden gedoopt te worden.
2. Praeterea, Apostoli fuerunt baptizati baptismo Joannis: fuerunt enim quidam eorum discipuli Joannis, ut patet Joan. 1. [v. 37]. Sed Apostoli non videntur esse baptizati baptismo Christi: dicitur enim Joan. 4. [v. 2], quod Jesus non baptizabat, sed discipuli ejus. Ergo videtur, quod baptizati baptismo Joannis non erant baptizandi baptismo Christi.
2. De Apostelen waren gedoopt met het doopsel van Joannes : sommigen immers van hen waren leerlingen van Joannes, zooals blijkt uit Joannes (1, 37). Maar de Apostelen schijnen niet gedoopt te zijn met het doopsel van Christus. Want Joannes zegt (4, 2) : « Jesus zelf doopte niet, maar zijn leerlingen ». Die dus gedoopt waren met het doopsel van Joannes moesten niet meer gedoopt worden met het doopsel van Christus.2. De Apostelen waren gedoopt met het doopsel van Johannes: sommigen immers van hen waren leerlingen van Johannes, zoals blijkt uit Johannes (1, 37). Maar de Apostelen schijnen niet gedoopt te zijn met het doopsel van Christus. Want Johannes zegt (4, 2): “Jesus zelf doopte niet, maar zijn leerlingen”. Die dus gedoopt waren met het doopsel van Johannes moesten niet meer gedoopt worden met het doopsel van Christus.
3. Praeterea, minor est, qui baptizatur, quam qui baptizat. Sed ipse Joannes non legitur baptizatus baptismo Christi. Ergo multo minus illi qui a Joanne baptizabantur, indigebant baptismo Christi.
3. Hij die gedoopt wordt, is minder dan hij die doopt. Maar er staat nergens te lezen, dat Joannes zelf gedoopt is met het doopsel van Christus. Dus behoefden nog veel minder zij, die door Joannes gedoopt werden, gedoopt te worden met het doopsel van Christus.3. Hij die gedoopt wordt, is minder dan hij die doopt. Maar er staat nergens te lezen, dat Johannes zelf gedoopt is met het doopsel van Christus. Dus behoefden nog veel minder zij, die door Johannes gedoopt werden, gedoopt te worden met het doopsel van Christus.
4. Praeterea, Act. 19. [v. 1-5] dicitur, quod « Paulus invenit quosdam de discipulis, dixitque ad eos: Si Spiritum Sanctum accepistis credentes? At illi dixerunt ad eum: Sed neque si Spiritus Sanctus est, audivimus. Ille vero ait: In quo ergo baptizati estis? Qui dixerunt: In Joannis baptismate », et sequitur, quod « baptizati sunt iterum in nomine Domini nostri Jesu Christi ». Sic ergo videtur, quod quia esse Spiritum 317Sanctum nesciebant, oportuit eos iterum baptizari, sicut Hieronymus dicit super Joelem [ad c. 2, v. 28], et in epist. de viro unius uxoris [83. ad Ocean. cap. 3.], et Ambrosius dicit in lib. 1. de Spiritu Sancto [cap. 3.]. Sed quidam fuerunt baptizati baptismo Joannis, qui habebant plenam notitiam Trinitatis. Ergo non erat baptizandi iterum baptismo Christi.
4. In de Handelingen der Apostelen wordt gezegd (19, 1-5) : « Paulus trof zekere leerlingen aan, tot wie hij zeide: Hebt ge den Heiligen Geest ontvangen, toen ge geloovig werdt? Maar ze antwoordden hem : Neen; we hebben zelfs niet eens gehoord, dat er een Heilige Geest bestaat. Hij zeide: Met welk doopsel zijt ge dan gedoopt? Ze antwoordden : Met het doopsel van Joannes. En daarom werden ze overgedoopt in den naam van onzen Heer Jesus Christus ». Het schijnt dus dat ze overgedoopt moesten worden, 317omdat ze den Heiligen Geest niet kenden, zooals dan ook Hieronymus zegt in zijn Verklaring van Joël (2, 28) en in zijn Brief Over den man van de eene vrouw; en Ambrosius in zijn Werk Over den Heiligen Geest (3e H.). Maar sommigen waren gedoopt met het doopsel van Joannes, die de volledige kennis der Drievuldigheid bezaten. Dus moesten ze niet overgedoopt worden met het doopsel van Christus.4. In de Handelingen van de Apostelen wordt gezegd (19, 1-5): “Paulus trof zekere leerlingen aan, tot wie hij zeide: Hebt ge de Heilige Geest ontvangen, toen ge gelovig werdt? Maar ze antwoordden hem: Neen; we hebben zelfs niet eens gehoord, dat er een Heilige Geest bestaat. Hij zeide: Met welk doopsel zijt ge dan gedoopt? Ze antwoordden: Met het doopsel van Johannes. En daarom werden ze overgedoopt in de naam van onze Heer Jesus Christus”. Het schijnt dus dat ze overgedoopt moesten worden, 317omdat ze de Heilige Geest niet kenden, zoals dan ook Hieronymus zegt in zijn Verklaring van Joël (2, 28)a en in zijn Brief Over de man van de ene vrouw; en Ambrosius in zijn Werk Over de Heilige Geest (3e H.). Maar sommigen waren gedoopt met het doopsel van Johannes, die de volledige kennis van de Drievuldigheid bezaten. Dus moesten ze niet overgedoopt worden met het doopsel van Christus.
5. Praeterea, Roman. 10. [v. 8] super illud: « Hoc est verbum fidei, quod praedicamus », dicit Gloss. Augustini [ord. tract. 80. in Joan.] : « Unde est ista tanta virtus aquae, ut corpus tangat, et cor abluat, nisi faciente verbo, non quia dicitur, sed quia creditur? » Ex quo patet, quod virtus baptismi dependet ex fide. Sed forma baptismi Joannis significavit fidem Christi, in qua nos baptizamur: dicit enim Paulus Act. 19. [v. 4] : « Joannes baptizabat baptismo poenitentiae populum, dicens: In eum qui venturus est post ipsum, ut crederent, hoc est in Jesum ». Ergo videtur, quod non oportebat, baptizatos baptismo Joannis iterum baptizari baptismo Christi.
5. In zijn verklaring op de woorden : « Dit is het woord des geloofs dat wij preeken », (Rom., 10, 8), zegt de Glossa van Augustinus : « Vanwaar heeft het water de kracht, dat het 't hart zuivert, ofschoon het 't lichaam slechts aanraakt? Doet het woord het eigenlijk niet, niet omdat het uitgesproken wordt, maar omdat er aan geloofd wordt? » Hieruit blijkt, dat de werking van het doopsel afhankelijk is van het geloof. Nu beteekende de vorm van het doopsel van Joannes het geloof, waarin wij gedoopt worden. Want Paulus zegt (Handelingen, 19, 4) : « Joannes doopte met een doopsel van bekeering, maar hij sprak daarbij tot het volk, dat ze moesten gelooven in Hem, die na hem komen zou, dat is in Jesus ». Het schijnt dus wel, dat degenen die gedoopt waren met het doopsel van Joannes, niet behoorden overgedoopt te worden met het doopsel van Christus.5. In zijn verklaring op de woorden: “Dit is het woord van het geloof dat wij preken”, (Rom., 10, 8), zegt de Glossa van Augustinus: “Vanwaar heeft het water de kracht, dat het 't hart zuivert, ofschoon het 't lichaam slechts aanraakt? Doet het woord het eigenlijk niet, niet omdat het uitgesproken wordt, maar omdat er aan geloofd wordt?” Hieruit blijkt, dat de werking van het doopsel afhankelijk is van het geloof. Nu betekende de vorm van het doopsel van Johannes het geloof, waarin wij gedoopt worden. Want Paulus zegt (Handelingen, 19, 4): “Johannes doopte met een doopsel van bekering, maar hij sprak daarbij tot het volk, dat ze moesten geloven in Hem, die na hem komen zou, dat is in Jesus”. Het schijnt dus wel, dat degenen die gedoopt waren met het doopsel van Johannes, niet behoorden overgedoopt te worden met het doopsel van Christus.
318Sed contra est, quod Augustinus dicit super Joan. [tract. 5.] : « Qui baptizati sunt baptismate Joannis, oportebat, ut baptizarentur baptismate Christi ».
318Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt (5e Verhandeling op Joannes, Nr 5) : « Die met Joannes' doopsel gedoopt waren, moesten gedoopt worden met het doopsel des Heeren ».318Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt (5e Verhandeling op Johannes, Nr 5): “Die met Johannes' doopsel gedoopt waren, moesten gedoopt worden met het doopsel van de Heer”.
Respondeo dicendum, quod secundum opinionem Magistri in lib. 4. Sententiarum, illi, qui baptizati sunt a Joanne, nescientes Spiritum Sanctum esse, ac spem ponentes in illius baptismo, postea baptizati sunt baptismo Christi; illi vero qui spem non posuerunt in baptismo Joannis, et Patrem et Filium et Spiritum Sanctum credebant, non fuerunt postea baptizati, sed impositione manuum ab Apostolis super eos facta, Spiritum Sanctum receperunt. Et hoc quidem verum est, quantum ad primam partem, quod multis auctoritatibus confirmatur; sed quantum ad secundam partem est penitus irrationabile, quod dicitur: primo quidem, quia baptismus Joannis neque gratiam conferebat, neque characterem imprimebat; sed erat solum in aqua, ut ipsemet dicit Matth. 3. [v. 11] ; unde baptizatis fides vel spes, quam habebant in Christum, non poterant hunc defectum supplere; secundo, quia quando in sacramento omittitur aliquid, quod est de 319necessitate sacramenti, non solum oportet suppleri, quod fuerat omissum, sed oportet totaliter innovari; est autem de necessitate baptismi Christi, quod fiat non solum in aqua, sed etiam in Spiritu Sancto, secundum illud Joan. 3. [v. 5] : « Nisi quis renatus fuerit ex aqua, sed etiam in Spiritu Sancto, non potest introire in regnum Dei ». Unde illis, qui tantum in aqua baptizati erant baptismo Joannis, non solum erat supplendum, quod deerat (ut scilicet daretur eis Spiritus Sanctus per impositionem manuum), sed erant iterato totaliter baptizandi in aqua et Spiritu.
Leerstelling. — Volgens de meening van Petrus Lombardus (4e B. der Sententies) zijn « zij, die door Joannes gedoopt zijn, zonder te weten dat er een Heilige Geest bestond, en in zijn doopsel hun hoop stelden, later met het doopsel van Christus gedoopt : zij daarentegen, die hun hoop niet gesteld hebben op het doopsel van Joannes en in een Vader en een Zoon en een Heiligen Geest geloofden, werden later niet gedoopt, maar ontvingen den Heiligen Geest doordat de Apostelen hun de handen oplegden ». Deze opinie nu, is, wat het eerste deel aangaat, waar : wat met behulp van vele gezaghebbende teksten bevestigd kan worden. Maar wat in het tweede deel er van gezegd wordt, is ten eene male absoluut onredelijk. En wel ten eerste, omdat het doopsel van Joannes geen genade mededeelde, noch een karakter indrukte, maar alleen met water gebeurde, zooals hij zelf zegt (Matth., 3, 11). En dus konden het geloof en de hoop die de gedoopte had op Christus, dit gemis niet aanvullen. Ten tweede, omdat, wanneer er in een sacrament iets ontbreekt, 319wat tot de noodzakelijkheid van het sacrament behoort, dan moet het ontbrekende niet alleen aangevuld worden, maar dan moet het heelemaal opnieuw toegediend worden. Nu behoort echter tot de noodzakelijkheid van Christus' doopsel, niet alleen, dat het met water, maar ook dat het met den Heiligen Geest wordt toegediend, volgens het woord van Joannes (3, 5) : « Zoo iemand niet geboren wordt uit water en den Heiligen Geest, kan hij niet ingaan in het koninkrijk Gods ». Voor hen dus, die door het doopsel van Joannes alleen met water gedoopt waren, moest niet alleen aangevuld worden, wat ontbroken had, zoo nl. dat hun door de oplegging der handen de Heilige Geest geschonken werd, maar zij moesten heelemaal opnieuw gedoopt worden met water en den Heiligen Geest.Leerstelling. — Volgens de mening van Petrus Lombardus (4e B. van de Sententies) zijn “zij, die door Johannes gedoopt zijn, zonder te weten dat er een Heilige Geest bestond, en in zijn doopsel hun hoop stelden, later met het doopsel van Christus gedoopt: zij daarentegen, die hun hoop niet gesteld hebben op het doopsel van Johannes en in een Vader en een Zoon en een Heiligen Geest geloofden, werden later niet gedoopt, maar ontvingen de Heilige Geest doordat de Apostelen hun de handen oplegden”. Deze opinie nu, is, wat het eerste deel aangaat, waar: wat met behulp van vele gezaghebbende teksten bevestigd kan worden. Maar wat in het tweede deel er van gezegd wordt, is ten een male absoluut onredelijk. En wel ten eerste, omdat het doopsel van Johannes geen genade mededeelde, noch een karakter indrukte, maar alleen met water gebeurde, zoals hij zelf zegt (Matt., 3, 11). En dus konden het geloof en de hoop die de gedoopte had op Christus, dit gemis niet aanvullen. Ten tweede, omdat, wanneer er in een sacrament iets ontbreekt, 319wat tot de noodzakelijkheid van het sacrament behoort, dan moet het ontbrekende niet alleen aangevuld worden, maar dan moet het helemaal opnieuw toegediend worden. Nu behoort echter tot de noodzakelijkheid van Christus' doopsel, niet alleen, dat het met water, maar ook dat het met de Heilige Geest wordt toegediend, volgens het woord van Johannes (3, 5): “Zo iemand niet geboren wordt uit water en de Heilige Geest, kan hij niet ingaan in het koninkrijk Gods”. Voor hen dus, die door het doopsel van Johannes alleen met water gedoopt waren, moest niet alleen aangevuld worden, wat ontbroken had, zo nl. dat hun door de oplegging van de handen de Heilige Geest geschonken werd, maar zij moesten helemaal opnieuw gedoopt worden met water en de Heilige Geest.
Ad primum ergo dicendum, quod, sicut Augustinus dicit super Joan. [tract. 5.], « ideo post Joannem baptizatus est, quia non dabat baptisma Christi, sed suum; quod autem dabatur a Petro, et si quod datum est a Juda, Christi erat. Et ideo si quos baptizavit Judas, non sunt iterum baptizandi; baptisma enim tale est, qualis est ille, in cujus potestate datur, non qualis ille, cujus ministerio datur ». Et inde est etiam, quod baptizati 320a Philippo diacono, qui baptismum Christi dabat, non sunt iterum baptizati, sed acceperunt manuum impositionem per Apostolos, sicut baptizati per sacerdotes confirmantur per Episcopos.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Augustinus zegt in zijn 5e Verhandeling op Joannes (Nr 18) : « De reden, waarom er nà Joannes nog gedoopt werd, was deze, dat hij niet Christus' doopsel, maar zijn eigen doopsel toediende. Wat Petrus echter en zoo Judas gedoopt heeft, ook Judas, toediende, was het doopsel van Christus. Indien dus Judas menschen gedoopt heeft, dan behoefden deze niet overgedoopt te worden: want (t. a. p. Nr 6) de hoedanigheid van het doopsel hangt af van hem, op wiens gezag het toegediend wordt en niet van hem die bij de toediening er van maar bedienaar is ». En daarom ook zijn zij, die door den Diaken 320Philippus gedoopt werden, die het doopsel van Christus toediende, niet overgedoopt, maar ontvingen de handoplegging van de Apostelen : zooals ook zij, die door de priesters gedoopt zijn, door de bisschoppen gevormd worden.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Augustinus zegt in zijn 5e Verhandeling op Johannes (Nr 18): “De reden, waarom er nà Johannes nog gedoopt werd, was deze, dat hij niet Christus' doopsel, maar zijn eigen doopsel toediende. Wat Petrus echter en zo Judas gedoopt heeft, ook Judas, toediende, was het doopsel van Christus. Indien dus Judas mensen gedoopt heeft, dan behoefden deze niet overgedoopt te worden: want (t. a. p. Nr 6) de hoedanigheid van het doopsel hangt af van hem, op wiens gezag het toegediend wordt en niet van hem die bij de toediening er van maar bedienaar is”. En daarom ook zijn zij, die door de Diaken 320Philippus gedoopt werden, die het doopsel van Christus toediende, niet overgedoopt, maar ontvingen de handoplegging van de Apostelen: zoals ook zij, die door de priesters gedoopt zijn, door de bisschoppen gevormd worden.
Ad secundum dicendum, quod, sicut Augustinus dicit ad Seleucianum [epist. 108.], « intelligimus discipulos Christi fuisse baptizatos, sive baptismo Joannis, sicut nonnulli arbitrantur, sive, quod magis credibile est, baptismo Christi; neque enim ministerio baptizandi defuit ut haberet baptizatos servos, per quos caeteros baptizaret, qui non defuit memorabilis illius humilitatis ministerio, quando eis pedes lavit ».
2. Augustinus zegt in zijn Brief Aan Seleucianus (65e Brief) : « We weten dat de leerlingen van Christus gedoopt zijn, hetzij met het doopsel van Joannes, hetzij — en dit is aannemelijker — met het doopsel van Christus. Want Hij, die in nederigheid wilde, dienstbaar zijn, toen Hij hun de voeten waschte, zal toch ook wel den dienst van doopen hebben willen verrichten, ten einde gedoopte dienaren te hebben, door wie Hij anderen zou kunnen laten doopen ».2. Augustinus zegt in zijn Brief Aan Seleucianus (65e Brief): “We weten dat de leerlingen van Christus gedoopt zijn, hetzij met het doopsel van Johannes, hetzij — en dit is aannemelijker — met het doopsel van Christus. Want Hij, die in nederigheid wilde, dienstbaar zijn, toen Hij hun de voeten waste, zal toch ook wel de dienst van dopen hebben willen verrichten, ten einde gedoopte dienaren te hebben, door wie Hij anderen zou kunnen laten dopen”.
Ad tertium dicendum, quod, sicut Chrysostomus dicit super Matth. [imperf., Homil. 4; inter opp. Chrys.], per hoc quod Christus Joanni dicenti: « Ego a te debeo baptizari », respondit: « Sine modo », ostenditur, quod postea Christus baptizavit Joannem, et hoc dicit in quibusdam libris apocryphis manifeste scriptum esse. Certum tamen est, ut Hieronymus dicit super Matth. [sup. cap. 3, v. 13] quod « sicut Christus fuit baptizatus in aqua a Joanne, ita Joannes a Christo erat in Spiritu baptizandus ».
3. Chrysostomus zegt (4e Homelie van een onvoltooid gebleven Verklaring van Mattheus) : « Uit het antwoord, dat Christus aan Joannes gaf: « Laat het nu toe », toen hij zeide: « Ik moet door U gedoopt worden », blijkt, dat Christus Joannes later gedoopt heeft ». En hij zegt, dat dit in verschillende apocriefe geschriften met evenveel woorden gezegd wordt. — Zeker is echter, dat, zooals Hieronymus zegt (in zijn Verklaring op Mattheus, 3, 13) : « evenals Christus door Joannes met water gedoopt werd, zoo ook Joannes door Christus gedoopt moest worden met den Geest ».3. Chrysostomus zegt (4e Homelie van een onvoltooid gebleven Verklaring van Matteüs): “Uit het antwoord, dat Christus aan Johannes gaf: ‘Laat het nu toe’, toen hij zeide: ‘Ik moet door U gedoopt worden’, blijkt, dat Christus Johannes later gedoopt heeft”. En hij zegt, dat dit in verschillende apocriefe geschriften met evenveel woorden gezegd wordt. — Zeker is echter, dat, zoals Hieronymus zegt (in zijn Verklaring op Matteüs, 3, 13): “evenals Christus door Johannes met water gedoopt werd, zo ook Johannes door Christus gedoopt moest worden met de Geest”.
321Ad quartum dicendum, quod non est tota causa, quare illi fuerunt baptizati post baptismum Joannis, quia Spiritum Sanctum non cognoverant, sed quia non erant baptismo Christi baptizati.
3214. Dat ze den Heiligen Geest niet kenden, was niet de heele reden waarom die menschen na het doopsel van Joannes moesten gedoopt worden, maar omdat ze niet met Christus' doopsel gedoopt waren.3214. Dat ze de Heilige Geest niet kenden, was niet de hele reden waarom die mensen na het doopsel van Johannes moesten gedoopt worden, maar omdat ze niet met Christus' doopsel gedoopt waren.
Ad quintum dicendum, quod, sicut dicit Augustinus contra Faustum [lib. 19. cap. 13.], sacramenta nostra sunt signa praesentis gratiae; sacramenta vero veteris legis fuerunt signa gratiae futurae; unde ex hoc ipso quod Joannes baptizavit in nomine venturi, datur intelligi, quod non dabat baptismum Christi, qui est sacramentum novae legis.
5. Volgens Augustinus (in zijn Werk Tegen Faustus, 19e B., 13e en 18e H.), zijn onze sacramenten een teeken van de tegenwoordige genade, terwijl de sacramenten daarentegen der oude wet een teeken waren der toekomstige genade. Uit het feit dus, dat Joannes doopte in naam van Hem die komen moest, valt op te maken, dat hij niet het doopsel van Christus toediende, wat een sacrament is der nieuwe wet.5. Volgens Augustinus (in zijn Werk Tegen Faustus, 19e B., 13e en 18e H.), zijn onze sacramenten een teken van de tegenwoordige genade, terwijl de sacramenten daarentegen van de oude wet een teken waren van de toekomstige genade. Uit het feit dus, dat Johannes doopte in naam van Hem die komen moest, valt op te maken, dat hij niet het doopsel van Christus toediende, wat een sacrament is van de nieuwe wet.