Theologische Summa · Tertia Pars · Christus' komst in de wereldSumma · III · Christus' komst in de wereldSumma · III · Kw. 32Kw. 32
Quaestio XXXII

De conceptione Christi quoad activum principium

Kwestie 32

Over het actieve beginsel, dat Christus' ontvangenis bewerkte

(Vier Artikelen)

145Deinde considerandum est de principio activo in conceptione Christi.

145Vervolgens moeten we spreken over het actieve beginsel, dat Christus' ontvangenis tot stand deed komen. (Vgl. de Inleiding op de een en dertigste Kwestie.)

Et circa hoc quaeruntur quatuor: 1. Utrum Spiritus Sanctus fuerit principium activum conceptionis Christi. — 2. Utrum possit dici, quod Christus sit conceptus de Spiritu Sancto. — 3. Utrum possit dici, quod Spiritus Sanctus sit pater Christi secundum carnem. — 4. Utrum beata Virgo aliquid active egerit in conceptione Christi.

Hieromtrent worden vier vragen gesteld : 1. Was de H. Geest het bewerkend beginsel van Christus' ontvangenis ? 2. Kan men zeggen, dat Christus ontvangen is van den H. Geest? 3. Kan men zeggen, dat de H. Geest de Vader is van Christus naar het vleesch? 4. Heeft de H. Maagd zelf actief iets bewerkt bij de ontvangenis van Christus?Hieromtrent worden vier vragen gesteld: 1. Was de H. Geest het bewerkend beginsel van Christus' ontvangenis? 2. Kan men zeggen, dat Christus ontvangen is van de H. Geest? 3. Kan men zeggen, dat de H. Geest de Vader is van Christus naar het vlees? 4. Heeft de H. Maagd zelf actief iets bewerkt bij de ontvangenis van Christus?

Articulus I

Utrum Spiritus Sanctus fuerit principium activum conceptionis Christi

[2. Dist. 2. q. 2. art. 2. q. 2. et lib. 4. Contr. g. cap. 43. et 46. et opusc. 2. cap. 223. et Joan. 12. lect. 4.]
Ie Artikel

Moet het tot stand doen komen van Christus' ontvangenis worden toegeschreven aan den H. Geest ?Moet het tot stand doen komen van Christus' ontvangenis worden toegeschreven aan de H. Geest?

antwoord 1 ↓

146Ad primum sic proceditur. Videtur, quod efficere conceptionem Christi non debeat attribui Spiritui Sancto, quia, ut Augustinus dicit in 1. de Trin. [cap. 4. et 5.]. Indivisa sunt opera Trinitatis, sicut et indivisa est Trinitatis essentia. Sed efficere conceptionem Christi, est quoddam opus divinum. Ergo videtur, quod non magis sit attribuendum Spiritui Sancto, quam Patri vel Filio.

146Bedenkingen. — Men beweert, dat het tot stand doen komen van Christus' ontvangenis niet aan den H. Geest moet worden toegeschreven. — 1. Want, zooals Augustinus zegt in zijn werk Over de Drievuldigheid (1e B., 4e H.; 4e B., 21e H.) zijn de werken der Drievuldigheid onverdeeld, gelijk ook het wezen der Drievuldigheid onverdeeld is. Welnu, het tot stand komen van Christus' ontvangenis is het werk van God. Derhalve moet het niet méér worden toegeschreven aan den H. Geest dan aan den Vader of aan den Zoon.146Bedenkingen. — Men beweert, dat het tot stand doen komen van Christus' ontvangenis niet aan de H. Geest moet worden toegeschreven. — 1. Want, zoals Augustinus zegt in zijn werk Over de Drievuldigheid (1e B., 4e H.; 4e B., 21e H.) zijn de werken van de Drievuldigheid onverdeeld, gelijk ook het wezen van de Drievuldigheid onverdeeld is. Welnu, het tot stand komen van Christus' ontvangenis is het werk van God. Derhalve moet het niet méér worden toegeschreven aan de H. Geest dan aan de Vader of aan de Zoon.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Apostolus dicit Gal. 4. [v. 4]: « Cum venit plenitudo temporis, misit Deus Filium suum factum ex muliere », quod exponens Augustinus in 4. de Trin. [cap. 19.] dicit: « Eo utique missum, quo factum ex muliere ». Sed missio Filii attribuitur praecipue Patri, ut in prima 147parte habitum est [q. 43. art. 8.]. Ergo et conceptio, secundum quam factus est ex muliere, debet praecipue Patri attribui.

2. De Apostel zegt in zijn Brief aan de Galaten (4, 4) : « Toen de volheid van den tijd gekomen was, heeft God zijn eigen Zoon gezonden, die geboren werd uit een vrouw »; in zijn verklaring dezer woorden schrijft Augustinus in zijn werk Over de Drievuldigheid (4e B., 19e H.) : « Vanzelfsprekend door dengene gezonden, door wien Hij uit de vrouw geboren werd ». De zending nu van den Zoon wordt in het bijzonder toegeschreven aan den 147Vader, zooals in het eerste deel (43e Kw., 8e Art.) werd aangetoond. Bijgevolg moet ook de ontvangenis, krachtens welke Hij uit de vrouw geboren werd, in het bijzonder aan den Vader worden toegeschreven.2. De Apostel zegt in zijn Brief aan de Galaten (4, 4): “Toen de volheid van de tijd gekomen was, heeft God zijn eigen Zoon gezonden, die geboren werd uit een vrouw”; in zijn verklaring van deze woorden schrijft Augustinus in zijn werk Over de Drievuldigheid (4e B., 19e H.): “Vanzelfsprekend door dengene gezonden, door wie Hij uit de vrouw geboren werd”. De zending nu van de Zoon wordt in het bijzonder toegeschreven aan de 147Vader, zoals in het eerste deel (43e Kw., 8e Art.) werd aangetoond. Bijgevolg moet ook de ontvangenis, krachtens welke Hij uit de vrouw geboren werd, in het bijzonder aan de Vader worden toegeschreven.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Prov. 9. [v, 1] dicitur: « Sapientia aedificavit sibi domum ». Est autem sapientia Dei ipse Christus, secundum illud 1. ad Corinth. 1. [v. 24]: « Christum Dei virtutem et Dei sapientiam ». Domus autem hujus sapientiae est corpus Christi, quod etiam dicitur templum ejus, secundum illud Joan. 2. [21]: « Hoc autem dicebat de templo corporis sui ». Ergo videtur, quod efficere conceptionem corporis Christi debet praecipue attribui Filio. Non ergo Spiritui Sancto.

3. In het Boek der Spreuken (9, 1) wordt gezegd : « De wijsheid heeft zich een huis gebouwd ». Gods Wijsheid nu is Christus, volgens het woord van den Eersten Brief aan de Korinthiërs (1, 24) : « Christus, Gods kracht en Gods wijsheid ». Het huis echter dezer Wijsheid is het lichaam van Christus, dat blijkens Joannes (2, 21) ook zijn tempel wordt genoemd: « Dit nu zeide Hij over den tempel van zijn lichaam ». Derhalve moet het tot stand doen komen van de ontvangenis van Christus' lichaam bijzonderlijk aan den Zoon worden toegeschreven. En dus niet aan den H. Geest.3. In het Boek van de Spreuken (9, 1) wordt gezegd: “De wijsheid heeft zich een huis gebouwd”. Gods Wijsheid nu is Christus, volgens het woord van de Eerste Brief aan de Korintiërs (1, 24): “Christus, Gods kracht en Gods wijsheid”. Het huis echter van deze Wijsheid is het lichaam van Christus, dat blijkens Johannes (2, 21) ook zijn tempel wordt genoemd: “Dit nu zeide Hij over de tempel van zijn lichaam”. Derhalve moet het tot stand doen komen van de ontvangenis van Christus' lichaam bijzonderlijk aan de Zoon worden toegeschreven. En dus niet aan de H. Geest.

Sed contra est, quod dicitur Luc. 1. [v. 35]: « Spiritus Sanctus superveniet in te » etc.

Daartegenover staat echter hetgeen we lezen bij Lucas (1, 35) : « De H. Geest zal op u nederdalen, enz. ».Daartegenover staat echter hetgeen we lezen bij Lukas (1, 35): “De H. Geest zal op u nederdalen, enz.”.

Respondeo dicendum, quod conceptionem corporis Christi tota Trinitas est operata. Attribuitur tamen hoc Spiritui Sancto, triplici ratione: primo quidem, quia hoc congruit causae incarnationis, quae consideratur 148ex parte Dei: Spiritus enim sanctus est amor Patris et Filii, ut in prima parte habitum est [q. 37. art. 1.]; hoc autem ex maximo Dei amore provenit, ut Filius Dei carnem sibi assumeret in utero virginali: unde dicitur Joan. 3. [v. 16]: « Sic Deus dilexit mundum, ut Filium suum unigenitum daret ». Secundo, quia hoc congruit causae incarnationis ex parte naturae assumptae; per hoc enim datur intelligi, quod humana natura assumpta est a Filio Dei in unitatem personae, non ex aliquibus meritis, sed ex sola gratia, quae Spiritui Sancto attribuitur, secundum illud 1. ad Cor. 12. [v. 4]: « Divisiones gratiarum sunt, idem autem Spiritus ». Unde Augustinus dicit in Enchirid. [cap. 40.]: « Iste modus, quo est natus Christus de Spiritu Sancto, insinuat nobis gratiam Dei, qua homo nullis praecedentibus meritis, in ipso primo exordio naturae suae, quo esse coepit, Verbo Dei copularetur in tantam personae unitatem, ut idem ipse esset filius Dei, qui filius hominis, et filius hominis, qui filius Dei ». Tertio, quia hoc congruit termino incarnationis: ad hoc enim terminata est incarnatio, ut 149homo ille qui concipiebatur, esset sanctus, et filius Dei: utrumque autem horum attribuitur Spiritui Sancto: nam per ipsum efficiuntur homines filii Dei, secundum illud Galat. 4. [v. 6]: « Quoniam estis filii Dei, misit Deus Spiritum filii sui in corda vestra, clamantem: abba pater ». Ipse est etiam Spiritus sanctificationis, ut dicitur Rom. 1. [v. 4]. Sicut ergo alii per Spiritum Sanctum sanctificantur spiritualiter, ut sint filii Dei adoptivi, ita Christus per Spiritum Sanctum est in sanctitate conceptus, ut esset filius Dei naturalis; unde Rom. 1. [v. 4] secundum unam Gloss. [interlin.], quod praemittitur, scilicet: « Qui praedestinatus est filius Dei in virtute » manifestatur per id quod immediate sequitur, « secundum spiritum sanctificationis », idest per hoc quod est conceptus de Spiritu Sancto; et Angelus annuncians ex hoc quod praemiserat: « Spiritus Sanctus superveniet in te » concludit: « Ideoque et quod nascetur ex te sanctum, vocabitur Filius Dei ».

Leerstelling. — Geheel de H. Drievuldigheid heeft de ontvangenis van Christus' lichaam bewerkt; maar om een drievoudige reden wordt zij in het bijzonder aan den H. Geest toegeschreven. 1e, wijl dit overeenstemt met de oorzaak der menschwording, 148wanneer men die oorzaak beziet van den kant van God. De H. Geest toch is de Liefde van den Vader en den Zoon, gelijk in het eerste deel (37e Kw., 1e Art.) werd aangetoond. Dat nu Gods Zoon zich het vleesch aannam in den maagdelijken schoot, kwam juist uit Gods grootste Liefde voort; daarom dan ook heet het in Joannes (3, 16) : « Zoozeer heeft God de wereld lief gehad, dat Hij zijn eengeboren Zoon heeft gegeven ». 2e, wijl dit overeenstemt met de oorzaak die de menschwording heeft van den kant der aangenomen natuur. Want hierdoor wordt te verstaan gegeven, dat de menschelijke natuur door Gods Zoon is aangenomen tot de eenheid van zijn persoon, niet krachtens eenige verdiensten, maar uitsluitend krachtens de genade : en deze genade wordt aan den H. Geest toegeschreven, overeenkomstig den Eersten Brief aan de Korinthiërs (12, 4) : « Er is verscheidenheid van genadegaven, de Geest echter is dezelfde ». Vandaar zegt Augustinus in zijn Enchiridion (40e H.) : « Deze wijze, waarop Christus van den H. Geest geboren werd, is voor ons een zinspeling op Gods genade, waardoor de mensch, zonder dat eenige verdiensten er aan voorafgingen, vanaf het allereerste oogenblik, waarop zijn (menschelijke) natuur begon te bestaan, met het Woord Gods werd vereenigd in een dusdanige eenheid van persoon, dat diezelfde mensch Gods Zoon zelf was ». 3e, wijl dit overeenstemt met het eindpunt der menschwording. 149Het eindpunt der menschwording toch lag hierin, dat deze mensch, die ontvangen werd, heilig zou wezen en de Zoon van God zou zijn. Welnu, (het tot stand brengen van) elk dezer beide punten wordt aan den H. Geest toegeschreven. Want door Hem worden de menschen gemaakt tot kinderen Gods, zooals blijkt uit den Brief aan de Galaten (4, 6) : « En (het bewijs), dat ge kinderen Gods zijt: « God heeft den Geest van zijn Zoon in onze harten gezonden, en deze roept: Abba, Vader! » » Hij is dan ook « de Geest van heiligmaking », zooals gezegd wordt in den Brief aan de Romeinen (1, 4). Gelijk dus de anderen geestelijk worden geheiligd door den H. Geest, om aangenomen kinderen Gods te wezen, zoo ook werd Christus door de inwerking des H. Geestes in heiligheid ontvangen, om de natuurlijke Zoon van God te zijn. Vandaar ook, dat in den Brief aan de Romeinen (1, 4) de woorden die voorafgaan : « Die te voren bestemd is als Zoon Gods in kracht », volgens een der glossen, worden verduidelijkt door datgene wat er onmiddellijk op volgt : « naar den Geest der Heiligmaking », d. w. z. doordat Hij van den H. Geest ontvangen werd. Zoo ook de engel, die de boodschap overbracht: nadat hij eerst had aangekondigd : « De H. Geest zal op u nederdalen », besluit hij : « Daarom ook zal het heilige, dat uit u wordt geboren, de Zoon van God worden genoemd ».Leerstelling. — Geheel de H. Drievuldigheid heeft de ontvangenis van Christus' lichaam bewerkt; maar om een drievoudige reden wordt zij in het bijzonder aan de H. Geest toegeschreven. eerste, wijl dit overeenstemt met de oorzaak van de menswording, 148wanneer men die oorzaak beziet van de kant van God. De H. Geest toch is de Liefde van de Vader en de Zoon, gelijk in het eerste deel (37e Kw., 1e Art.) werd aangetoond. Dat nu Gods Zoon zich het vlees aannam in de maagdelijke schoot, kwam juist uit Gods grootste Liefde voort; daarom dan ook heet het in Johannes (3, 16): “Zozeer heeft God de wereld lief gehad, dat Hij zijn eengeboren Zoon heeft gegeven”. tweede, wijl dit overeenstemt met de oorzaak die de menswording heeft van de kant van de aangenomen natuur. Want hierdoor wordt te verstaan gegeven, dat de menselijke natuur door Gods Zoon is aangenomen tot de eenheid van zijn persoon, niet krachtens enige verdiensten, maar uitsluitend krachtens de genade: en deze genade wordt aan de H. Geest toegeschreven, overeenkomstig de Eerste Brief aan de Korintiërs (12, 4): “Er is verscheidenheid van genadegaven, de Geest echter is dezelfde”. Vandaar zegt Augustinus in zijn Enchiridion (40e H.): “Deze wijze, waarop Christus van de H. Geest geboren werd, is voor ons een zinspeling op Gods genade, waardoor de mens, zonder dat enige verdiensten er aan voorafgingen, vanaf het allereerste ogenblik, waarop zijn (menselijke) natuur begon te bestaan, met het Woord Gods werd verenigd in een dusdanige eenheid van persoon, dat diezelfde mens Gods Zoon zelf was”. derde, wijl dit overeenstemt met het eindpunt van de menswording. 149Het eindpunt van de menswording toch lag hierin, dat deze mens, die ontvangen werd, heilig zou wezen en de Zoon van God zou zijn. Welnu, (het tot stand brengen van) elk van deze beide punten wordt aan de H. Geest toegeschreven. Want door Hem worden de mensen gemaakt tot kinderen Gods, zoals blijkt uit de Brief aan de Galaten (4, 6): “En (het bewijs), dat ge kinderen Gods zijt: ‘God heeft de Geest van zijn Zoon in onze harten gezonden, en deze roept: Abba, Vader!’” Hij is dan ook ‘de Geest van heiligmaking’, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (1, 4). Gelijk dus de anderen geestelijk worden geheiligd door de H. Geest, om aangenomen kinderen Gods te wezen, zo ook werd Christus door de inwerking van de H. Geest in heiligheid ontvangen, om de natuurlijke Zoon van God te zijn. Vandaar ook, dat in de Brief aan de Romeinen (1, 4) de woorden die voorafgaan: ‘Die te voren bestemd is als Zoon Gods in kracht’, volgens een van de glossen, worden verduidelijkt door datgene wat er onmiddellijk op volgt: ‘naar de Geest van de Heiligmaking’, d. w. z. doordat Hij van de H. Geest ontvangen werd. Zo ook de engel, die de boodschap overbracht: nadat hij eerst had aangekondigd: ‘De H. Geest zal op u nederdalen’, besluit hij: ‘Daarom ook zal het heilige, dat uit u wordt geboren, de Zoon van God worden genoemd’.

↑ bedenking 1

150Ad primum ergo dicendum, quod opus conceptionis commune quidem est toti Trinitati; secundum tamen modum aliquem attribuitur singulis personis; nam Patri attribuitur auctoritas respectu personae Filii, qui per hujusmodi conceptionem sibi assumpsit humanam naturam; Filio autem attribuitur ipsa carnis assumptio; sed Spiritui Sancto attribuitur formatio corporis, quod assumitur a Filio: nam ipse Spiritus Sanctus est spiritus Filii, secundum illud Galat. 4. [v. 6]: « Misit Deus Spiritum Filii sui ». Sicut autem virtus animae, quae est in semine, per spiritum, qui in semine includitur, format corpus in generatione aliorum hominum, ita virtus Dei, quae est ipse Filius, secundum illud 1. ad Corinth. 1. [v. 24]: « Christum Dei virtutem », per Spiritum Sanctum corpus formavit, quod assumpsit. Et hoc etiam verba Angeli demonstrant dicentis: « Spiritus Sanctus superveniet in te », quasi ad praeparandam et formandam materiam corporis Christi, « et virtus Altissimi », idest Christus, « obumbrabit tibi », idest 151corpus in te humanitatis accipiet incorporeum lumen divinitatis. « Umbra enim a lumine formatur, et corpore », ut Gregorius dicit 18. Moral. [cap. 20]. Altissimus autem intelligitur Pater, cujus virtus est Filius.

150Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het tot stand doen komen van de ontvangenis is inderdaad een gemeenschappelijk werk van de geheele Drievuldigheid; maar in een bepaalden zin wordt het aan de afzonderlijke Personen toegeschreven. Want den Vader schrijft men gezag toe aangaande den Persoon des Zoons, die door deze ontvangenis zich (de menschelijke natuur) heeft aangenomen; den Zoon schrijft men de aanneming zelf van het vleesch toe; maar aan den H. Geest schrijft men toe de vorming van het lichaam, dat door den Zoon wordt aangenomen. Want de H. Geest is de Geest van den Zoon, naar het woord van den Brief aan de Galaten (4, 6) : « God heeft den Geest van zijn Zoon gezonden ». Zooals nu de kracht der ziel, die in het zaad aanwezig is bij de voortbrenging van andere menschen, door middel van den geest, welke in het zaad bevat is, het lichaam vormt, zoo ook vormde de Kracht-Gods — deze nu is de Zoon zelf, volgens den Eersten Brief aan de Korinthiërs (1, 24) : « Christus, de Kracht Gods » — door middel van den H. Geest het lichaam, dat Hij heeft aangenomen. Dit wordt eveneens aangetoond door de woorden van den engel, waar deze zegt: « De H. Geest zal over u nederdalen », als het ware om de materie voor Christus' lichaam klaar te maken en te vormen; « en de Kracht des Allerhoogsten (d. w. z. Christus) zal u overschaduwen »; « d. w. z. — gelijk Gregorius in zijn Zedenleer schrijft (18e B., 20e H.) — het onlichamelijke 151licht der Godheid zal in u het menschelijk lichaam doen ontvangen; de schaduw toch wordt èn door het licht èn door het lichaam gevormd ». Onder den « Allerhoogste » heeft men den Vader te verstaan, wiens Kracht de Zoon is.150Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het tot stand doen komen van de ontvangenis is inderdaad een gemeenschappelijk werk van de gehele Drievuldigheid; maar in een bepaalden zin wordt het aan de afzonderlijke Personen toegeschreven. Want de Vader schrijft men gezag toe aangaande de Persoon van de Zoon, die door deze ontvangenis zich (de menselijke natuur) heeft aangenomen; de Zoon schrijft men de aanneming zelf van het vlees toe; maar aan de H. Geest schrijft men toe de vorming van het lichaam, dat door de Zoon wordt aangenomen. Want de H. Geest is de Geest van de Zoon, naar het woord van de Brief aan de Galaten (4, 6): “God heeft de Geest van zijn Zoon gezonden”. Zoals nu de kracht van de ziel, die in het zaad aanwezig is bij de voortbrenging van andere mensen, door middel van de geest, welke in het zaad bevat is, het lichaam vormt, zo ook vormde de Kracht-Gods — deze nu is de Zoon zelf, volgens de Eerste Brief aan de Korintiërs (1, 24): “Christus, de Kracht Gods” — door middel van de H. Geest het lichaam, dat Hij heeft aangenomen. Dit wordt eveneens aangetoond door de woorden van de engel, waar deze zegt: “De H. Geest zal over u nederdalen”, als het ware om de materie voor Christus' lichaam klaar te maken en te vormen; “en de Kracht van de Allerhoogste (d. w. z. Christus) zal u overschaduwen”; “d. w. z. — gelijk Gregorius in zijn Zedenleer schrijft (18e B., 20e H.) — het onlichamelijke 151licht van de Godheid zal in u het menselijk lichaam doen ontvangen; de schaduw toch wordt èn door het licht èn door het lichaam gevormd”. Onder de “Allerhoogste” heeft men de Vader te verstaan, wiens Kracht de Zoon is.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod missio refertur ad personam assumentem, quae a Patre mittitur, sed conceptio refertur ad corpus assumptum, quod operatione Spiritus Sancti formatur. Et ideo, licet missio et conceptio sint idem subjecto, quia tamen differunt ratione, missio attribuitur Patri, efficere autem conceptionem Spiritui Sancto, sed carnem assumere attribuitur Filio.

2. Het gezonden-worden heeft betrekking op den Persoon, die het lichaam aannam; en deze Persoon wordt gezonden door den Vader. Maar de ontvangenis heeft betrekking op het lichaam, dat aangenomen werd, en dit lichaam werd gevormd door de inwerking des H. Geestes. En derhalve, hoewel het gezonden worden en het ontvangen-worden één zijn in den Persoon, die gezonden en ontvangen werd, toch wordt het zenden toegeschreven aan den Vader, het tot stand doen komen der ontvangenis echter aan den H. Geest, omdat voor het verstand het zenden iets anders is dan het tot stand brengen der ontvangenis. Doch het aannemen van het vleesch wordt den Zoon toegeschreven.2. Het gezonden-worden heeft betrekking op de Persoon, die het lichaam aannam; en deze Persoon wordt gezonden door de Vader. Maar de ontvangenis heeft betrekking op het lichaam, dat aangenomen werd, en dit lichaam werd gevormd door de inwerking van de H. Geest. En derhalve, hoewel het gezonden worden en het ontvangen-worden één zijn in de Persoon, die gezonden en ontvangen werd, toch wordt het zenden toegeschreven aan de Vader, het tot stand doen komen van de ontvangenis echter aan de H. Geest, omdat voor het verstand het zenden iets anders is dan het tot stand brengen van de ontvangenis. Doch het aannemen van het vlees wordt de Zoon toegeschreven.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod, sicut Augustinus dicit in lib. de Quaestionibus veteris et novi Testamenti [q. 52.], « quaestio ista gemina ratione potest intelligi. Primum enim domus Christi Ecclesia est, quam aedificavit sibi sanguine suo. Deinde potest et corpus ejus dici domus ipsius, sicut dicitur templum ejus. Factum autem Spiritus Sancti opus Filii Dei est propter naturae et voluntatis unitatem ».

3. In zijn werk Over de Vraagstukken van het Oude en Nieuwe Verbond (52e Vr.) schrijft Augustinus : « Dit kan in dubbelen zin worden verstaan. Op de eerste plaats toch is het huis van Christus de Kerk, die Hij zich gebouwd heeft door zijn bloed. Vervolgens kan ook zijn lichaam zijn huis worden genoemd, gelijk het ook zijn tempel heet. Dit nu, gemaakt door den H. Geest, is een werk van den Zoon Gods krachtens de eenheid van (hun) natuur en wil ».3. In zijn werk Over de Vraagstukken van het Oude en Nieuwe Verbond (52e Vr.) schrijft Augustinus: “Dit kan in dubbelen zin worden verstaan. Op de eerste plaats toch is het huis van Christus de Kerk, die Hij zich gebouwd heeft door zijn bloed. Vervolgens kan ook zijn lichaam zijn huis worden genoemd, gelijk het ook zijn tempel heet. Dit nu, gemaakt door de H. Geest, is een werk van de Zoon Gods krachtens de eenheid van (hun) natuur en wil”.

Articulus II

Utrum Christus debeat dici conceptus de Spiritu Sancto

[3. Dist. 4. q. 1. art. 1. q. 4. et lib. 4. Contr. g. cap. 46. et opusc. 3. cap. 223.]
IIe Artikel

Moet men zeggen, dat Christus ontvangen is van den H. Geest ?Moet men zeggen, dat Christus ontvangen is van de H. Geest?

antwoord 1 ↓

152Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod Christus non debeat dici conceptus de Spiritu Sancto. Quia super illud Rom. 11. [v. 36]: « Ex ipso, et per ipsum, et in ipso sunt omnia » dicit Gloss. Augustini [ord. lib. de Nat. Boni, cap. 27.]: « Attendendum, quod non ait: de ipso, sed: ex ipso enim coeli sunt et terra, quia ipse fecit ea; non autem de ipso, quia non de substantia sua ». Sed Spiritus Sanctus non formavit corpus Christi de substantia sua. Ergo Christus non debet dici conceptus de Spiritu Sancto.

152Bedenkingen. — Men beweert, dat men niet moet zeggen, dat Christus ontvangen is van den H. Geest. — 1. Want aangaande de woorden van den Brief aan de Romeinen (11, 36) : « Uit Hem en door Hem en in Hem is alles », schrijft een Glosse van Augustinus: « Men moet er wel op letten, dat de Apostel niet zegt : « van Hem », maar « uit Hem ». Uit Hem toch zijn hemel en aarde, omdat Hij ze gemaakt heeft. Maar zij zijn niet van Hem, omdat zij niet van zijn eigen zelfstandigheid zijn ». Welnu, ook de H. Geest vormde Christus' lichaam niet van zijn eigen zelfstandigheid. Derhalve moet men niet zeggen, dat Christus ontvangen is van den H. Geest.152Bedenkingen. — Men beweert, dat men niet moet zeggen, dat Christus ontvangen is van de H. Geest. — 1. Want aangaande de woorden van de Brief aan de Romeinen (11, 36): “Uit Hem en door Hem en in Hem is alles”, schrijft een Glosse van Augustinus: “Men moet er wel op letten, dat de Apostel niet zegt: ‘van Hem’, maar ‘uit Hem’. Uit Hem toch zijn hemel en aarde, omdat Hij ze gemaakt heeft. Maar zij zijn niet van Hem, omdat zij niet van zijn eigen zelfstandigheid zijn”. Welnu, ook de H. Geest vormde Christus' lichaam niet van zijn eigen zelfstandigheid. Derhalve moet men niet zeggen, dat Christus ontvangen is van de H. Geest.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, principium activum, de quo aliquid concipitur, se habet sicut semen in generatione. Sed Spiritus Sanctus non se habuit sicut semen in conceptione Christi: dicit enim Hieronymus in expositione Catholicae fidei [epist. 17. ad Damas. inter opp. Hier.]: « Non, sicut quidam 153sceleratissime opinantur, Spiritum Sanctum dicimus fuisse pro semine; sed potentia ac virtute Creatoris dicimus esse operatum, idest formatum, corpus Christi ». Non ergo debet dici, quod Christus sit conceptus de Spiritu Sancto.

2. Het tot stand brengend beginsel, van hetwelk iets wordt ontvangen, verhoudt zich gelijk het zaad bij de voortbrenging. Maar de H. Geest verhield zich niet als zaad bij Christus' ontvangenis. Hieronymus toch zegt in zijn werk Uiteenzetting van het Katholiek Geloof : « Wij houden niet, gelijk sommigen zeer dwaas meenen, 153dat de H. Geest als zaad gediend heeft, maar dat Hij in de kracht en macht van Schepper Christus' lichaam heeft doen ontstaan », d. w. z. heeft gevormd. Men moet dus niet zeggen, dat Christus ontvangen is van den H. Geest.2. Het tot stand brengend beginsel, van hetwelk iets wordt ontvangen, verhoudt zich gelijk het zaad bij de voortbrenging. Maar de H. Geest verhield zich niet als zaad bij Christus' ontvangenis. Hieronymus toch zegt in zijn werk Uiteenzetting van het Katholiek Geloof: “Wij houden niet, gelijk sommigen zeer dwaas menen, 153dat de H. Geest als zaad gediend heeft, maar dat Hij in de kracht en macht van Schepper Christus' lichaam heeft doen ontstaan”, d. w. z. heeft gevormd. Men moet dus niet zeggen, dat Christus ontvangen is van de H. Geest.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, nihil unum de duobus formatur, nisi aliquo modo commixtis. Sed corpus Christi formatum est de Virgine Maria. Si ergo Christus dicatur conceptus de Spiritu Sancto, videtur quod facta sit commixtio quaedam Spiritus Sancti, et materiae, quam Virgo ministravit, quod patet esse falsum. Non ergo Christus debet dici conceptus de Spiritu Sancto.

3. Van twee zijnden wordt niet iets eens gemaakt, tenzij ze op eenigerlei wijze verbonden worden. Maar Christus' lichaam is gevormd uit de Maagd Maria. Indien men derhalve zegt, dat Christus ontvangen is van den H. Geest, dan, zoo beweert men, zou er een verbinding hebben plaats gehad van den H. Geest met de materie, die door de H. Maagd geleverd werd. Dit is echter blijkbaar onwaar. Derhalve moet men niet zeggen, dat Christus ontvangen is van den H. Geest.3. Van twee zijnden wordt niet iets eens gemaakt, tenzij ze op enigerlei wijze verbonden worden. Maar Christus' lichaam is gevormd uit de Maagd Maria. Indien men derhalve zegt, dat Christus ontvangen is van de H. Geest, dan, zo beweert men, zou er een verbinding hebben plaats gehad van de H. Geest met de materie, die door de H. Maagd geleverd werd. Dit is echter blijkbaar onwaar. Derhalve moet men niet zeggen, dat Christus ontvangen is van de H. Geest.

Sed contra est, quod dicitur Matth. 1. [v. 18]: « Antequam convenirent, inventa est in utero habens de Spiritu Sancto ».

Daartegenover echter staat hetgeen we lezen in Mattheus (1, 18) : « Voordat zij gingen samenwonen, werd zij zwanger bevonden van den H. Geest ».Daartegenover echter staat hetgeen we lezen in Matteüs (1, 18): “Voordat zij gingen samenwonen, werd zij zwanger bevonden van de H. Geest”.

Respondeo dicendum, quod conceptio non attribuitur soli corpori Christi, sed etiam ipsi Christo ratione ipsius corporis. In Spiritu autem Sancto duplex habitudo consideratur respectu Christi: nam ad ipsum Filium Dei, 154qui dicitur esse conceptus, habet habitudinem consubstantialitatis, ad corpus autem ejus habet habitudinem causae efficientis. Haec autem praepositio de utramque habitudinem designat, sicut cum dicimus hominem aliquem esse de suo patre; et ideo convenienter dicere possumus, Christum esse conceptum de Spiritu Sancto, hoc modo quod efficientia Spiritus Sancti referatur ad corpus assumptum, consubstantialitas vero ad personam assumentem.

Leerstelling. — De ontvangenis wordt niet alleen toegeschreven aan Christus' lichaam, maar ook aan Christus zelf, juist om reden van dit lichaam. In den H. Geest echter heeft men een tweevoudige verhouding te bezien ten opzichte van Christus. Want ten opzichte van den Zoon Gods, van wien gezegd wordt, dat 154Hij ontvangen is, staat Hij in de verhouding van mede-zelfstandigheid; ten opzichte echter van diens lichaam verhoudt Hij zich als de tot stand brengende oorzaak. Dit voorzetsel « van » nu geeft beide verhoudingen aan, gelijk wanneer we zeggen, dat iemand van zijn vader is. En bijgevolg kunnen we passend zeggen, dat Christus ontvangen is van den H. Geest in dien zin nl. dat de werkdadigheid van den H. Geest betrekking heeft op het aangenomen lichaam, en de mede-zelfstandigheid betrekking heeft op den Persoon, die heeft aangenomen.Leerstelling. — De ontvangenis wordt niet alleen toegeschreven aan Christus' lichaam, maar ook aan Christus zelf, juist om reden van dit lichaam. In de H. Geest echter heeft men een tweevoudige verhouding te bezien ten opzichte van Christus. Want ten opzichte van de Zoon Gods, van wie gezegd wordt, dat 154Hij ontvangen is, staat Hij in de verhouding van mede-zelfstandigheid; ten opzichte echter van diens lichaam verhoudt Hij zich als de tot stand brengende oorzaak. Dit voorzetsel “van” nu geeft beide verhoudingen aan, gelijk wanneer we zeggen, dat iemand van zijn vader is. En bijgevolg kunnen we passend zeggen, dat Christus ontvangen is van de H. Geest in die zin nl. dat de werkdadigheid van de H. Geest betrekking heeft op het aangenomen lichaam, en de mede-zelfstandigheid betrekking heeft op de Persoon, die heeft aangenomen.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod corpus Christi, quia non est consubstantiale Spiritui Sancto, non proprie potest dici de Spiritu Sancto conceptum, sed magis ex Spiritu Sancto; sicut Ambrosius dicit in lib. 2. de Spiritu Sancto [cap. 5.]: « Quod ex aliquo est, aut ex substantia, aut ex potestate ejus est; ex substantia, sicut Filius, qui a Patre est; ex potestate, sicut ex Deo omnia, quomodo et in utero habuit Maria ex Spiritu Sancto ».

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Omdat Christus' lichaam niet mede-zelfstandig is met den H. Geest, kan men niet in eigenlijken zin zeggen, dat het van den H. Geest ontvangen is maar beter : uit den H. Geest, gelijk Ambrosius leert in zijn werk Over den H. Geest (2e B., 5e H.) : « Wat uit iemand is, is ófwel uit zijn zelfstandigheid ófwel uit zijn macht : uit de zelfstandigheid, zooals de Zoon, die uit den Vader is; uit de macht, zooals alles uit God is, zooals ook Maria zwanger was uit den H. Geest ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Omdat Christus' lichaam niet mede-zelfstandig is met de H. Geest, kan men niet in eigenlijke zin zeggen, dat het van de H. Geest ontvangen is maar beter: uit de H. Geest, gelijk Ambrosius leert in zijn werk Over de H. Geest (2e B., 5e H.): “Wat uit iemand is, is ófwel uit zijn zelfstandigheid ófwel uit zijn macht: uit de zelfstandigheid, zoals de Zoon, die uit de Vader is; uit de macht, zoals alles uit God is, zoals ook Maria zwanger was uit de H. Geest”.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod super hoc videtur esse quaedam diversitas Hieronymi ad quosdam alios Doctores, qui asserunt, Spiritum Sanctum 155in conceptione Christi fuisse pro semine: dicit enim Chrysostomus super Matth. [hom. 1. in op. imperf. inter opp. Chrysost.]: « Unigenito Dei in Virginem ingressuro, praecessit Spiritus Sanctus, ut praecedente Spiritu Sancto in sanctificationem, nascatur scilicet Christus secundum corpus, divinitate ingrediente pro semine ». Et Damascenus dicit in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 2.]: « Obumbravit super ipsam Dei sapientia et virtus, velut divinum semen ». Sed hoc de facili solvitur, quia secundum quod in semine intelligitur virtus activa, sic Chrysostomus et Damascenus comparant semini Spiritum Sanctum, vel etiam Filium, qui est virtus Altissimi; secundum autem quod in semine intelligitur substantia corporalis, quae in conceptione transmutatur, negat Hieronymus Spiritum Sanctum fuisse pro semine.

2. Naar het schijnt, bestaat hieromtrent eenig verschil tusschen Hieronymus en sommige andere Leeraars, die houden, dat de H. Geest bij de ontvangenis de plaats heeft ingenomen van het 155zaad. Chrysostomus toch zegt in zijn Uitleg op Mattheus : « Aan den ééngeboren Zoon van God, die zou intreden in de Maagd, ging de H. Geest vooraf; opdat, door dit vóórgaan des H. Geestes, Christus naar het lichaam zou worden geboren tot heiliging, daar de Godheid tot haar inging in plaats van het zaad ». En Damascenus schrijft in zijn werk Over het Waarachtig Geloof (3e B., 2e H.) : « Haar overschaduwden Gods Wijsheid en Gods Kracht als een Goddelijk zaad ». Maar dit verschil wordt gemakkelijk overbrugd. Want Chrysostomus en Damascenus vergelijken den H. Geest of ook wel den Zoon die « de Kracht des Allerhoogsten » is bij het zaad, in zoover men zich in het zaad een tot stand brengende kracht denkt. Voor zoover men echter onder het zaad een lichamelijke zelfstandigheid verstaat, die bij de ontvangenis wezenlijk veranderd wordt, ontkent Hieronymus, dat de H. Geest de plaats van het zaad heeft ingenomen.2. Naar het schijnt, bestaat hieromtrent enig verschil tussen Hieronymus en sommige andere Leraars, die houden, dat de H. Geest bij de ontvangenis de plaats heeft ingenomen van het 155zaad. Chrysostomus toch zegt in zijn Uitleg op Matteüs: “Aan de ééngeboren Zoon van God, die zou intreden in de Maagd, ging de H. Geest vooraf; opdat, door dit vóórgaan van de H. Geest, Christus naar het lichaam zou worden geboren tot heiliging, daar de Godheid tot haar inging in plaats van het zaad”. En Damascenus schrijft in zijn werk Over het Waarachtig Geloof (3e B., 2e H.): “Haar overschaduwden Gods Wijsheid en Gods Kracht als een Goddelijk zaad”. Maar dit verschil wordt gemakkelijk overbrugd. Want Chrysostomus en Damascenus vergelijken de H. Geest of ook wel de Zoon die “de Kracht van de Allerhoogste” is bij het zaad, in zover men zich in het zaad een tot stand brengende kracht denkt. Voor zover men echter onder het zaad een lichamelijke zelfstandigheid verstaat, die bij de ontvangenis wezenlijk veranderd wordt, ontkent Hieronymus, dat de H. Geest de plaats van het zaad heeft ingenomen.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod, sicut Augustinus dicit in Enchirid. [cap. 40.], non eodem modo dicitur Christus conceptus aut natus de Spiritu Sancto et de Maria Virgine, nam de Maria Virgine materialiter, de Spiritu Sancto vero effective; et ideo non habuit hic locum commixtio.

3. Zooals Augustinus in zijn Enchiridion (40e H.) schrijft, zegt men niet in denzelfden zin, dat Christus ontvangen of geboren is van den H. Geest, en dat Hij ontvangen of geboren is van de Maagd Maria. Want van Maria werd Hij ontvangen of geboren als van de materiaal-oorzaak, van den H. Geest echter als van dengene, die tot stand deed komen. En bijgevolg was er hier geen plaats voor een verbinding.3. Zoals Augustinus in zijn Enchiridion (40e H.) schrijft, zegt men niet in dezelfde zin, dat Christus ontvangen of geboren is van de H. Geest, en dat Hij ontvangen of geboren is van de Maagd Maria. Want van Maria werd Hij ontvangen of geboren als van de materiaal-oorzaak, van de H. Geest echter als van dengene, die tot stand deed komen. En bijgevolg was er hier geen plaats voor een verbinding.

Articulus III

Utrum Spiritus Sanctus dici debeat pater Christi secundum carnem

[3. Dist. 4. q. 1. art. 2. q. 1. et q. 2. ad 1. et 4. et in expos. lit. ad 2. et lib. 4. Contr. g. cap. 47. et opusc. 3. cap. 223.]
IIIe Artikel

Moet men zeggen, dat de H. Geest de Vader was van Christus naar zijn menschheid?Moet men zeggen, dat de H. Geest de Vader was van Christus naar zijn mensheid?

antwoord 1 ↓

156Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod Spiritus Sanctus debeat dici pater Christi secundum humanitatem; quia secundum Philosophum in lib. 1. de Generatione Animalium [cap. 20. et 21.] pater dat principium activum in generatione, mater vero ministrat materiam. Sed B. Virgo dicitur mater Christi, propter materiam quam in conceptione ejus ministravit. Ergo videtur, quod etiam Spiritus Sanctus possit dici pater ejus, propter hoc quod fuit principium activum in conceptione ipsius.

156Bedenkingen. — Men beweert, dat men moet zeggen, dat de H. Geest de vader was van Christus naar zijn menschheid. — 1. Want volgens den Wijsgeer in zijn werk Over de Voortbrenging der Dieren (1e B., 20e en 21e H.; 2e B., 4e H.) geeft de vader het tot stand brengend beginsel bij de voortbrenging, en verschaft de moeder de materie. Welnu de H. Maagd wordt moeder van Christus genoemd om de materie, die zij bij zijn ontvangenis verschafte. Derhalve kan men ook zeggen, dat de H. Geest zijn vader was, omdat Hij het tot stand brengend beginsel was bij zijn ontvangenis.156Bedenkingen. — Men beweert, dat men moet zeggen, dat de H. Geest de vader was van Christus naar zijn mensheid. — 1. Want volgens de Wijsgeer in zijn werk Over de Voortbrenging van de Dieren (1e B., 20e en 21e H.; 2e B., 4e H.) geeft de vader het tot stand brengend beginsel bij de voortbrenging, en verschaft de moeder de materie. Welnu de H. Maagd wordt moeder van Christus genoemd om de materie, die zij bij zijn ontvangenis verschafte. Derhalve kan men ook zeggen, dat de H. Geest zijn vader was, omdat Hij het tot stand brengend beginsel was bij zijn ontvangenis.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, sicut mentes aliorum Sanctorum formantur per Spiritum Sanctum, ita etiam corpus Christi est per Spiritum Sanctum formatum. Sed alii Sancti propter praedictam formationem dicuntur filii totius Trinitatis, 157et per consequens Spiritus Sancti. Videtur ergo, quod Christus debeat dici filius Spiritus Sancti, inquantum corpus ejus est a Spiritu Sancto formatum.

2. Zooals de geest van andere heiligen door den H. Geest wordt gevormd, zoo is ook Christus' lichaam door den H. Geest gevormd. Om voornoemde vorming nu worden de andere heiligen kinderen der geheele Drievuldigheid genoemd, en bijgevolg (kinderen) van den H. Geest. Derhalve moet Christus zoon des 157H. Geestes worden genoemd, juist in zoover zijn lichaam door den H. Geest gevormd is.2. Zoals de geest van andere heiligen door de H. Geest wordt gevormd, zo is ook Christus' lichaam door de H. Geest gevormd. Om voornoemde vorming nu worden de andere heiligen kinderen van de gehele Drievuldigheid genoemd, en bijgevolg (kinderen) van de H. Geest. Derhalve moet Christus zoon van de 157H. Geest worden genoemd, juist in zover zijn lichaam door de H. Geest gevormd is.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Deus dicitur pater noster secundum hoc quod nos fecit, secundum illud Deuter. 32. [v. 6]: « Nonne ipse est pater tuus, qui possedit te et fecit, et creavit te? » Sed Spiritus Sanctus fecit corpus Christi, ut dictum est [art. 1. huj. q.]. Ergo Spiritus Sanctus debet dici pater Christi secundum corpus ab ipso formatum.

3. God heet onze Vader om reden, dat Hij ons heeft gemaakt, blijkens Deuteronomium (32, 6) : « Is Hij uw vader niet, die u ten bezit genomen en u gemaakt en geschapen heeft ? » Welnu, de H. Geest heeft Christus' lichaam gemaakt, gelijk (in het 1e en 2e Art.) werd aangetoond. Derhalve moet de H. Geest de vader worden genoemd van Christus op grond van het door Hem gemaakte lichaam.3. God heet onze Vader om reden, dat Hij ons heeft gemaakt, blijkens Deuteronomium (32, 6): “Is Hij uw vader niet, die u ten bezit genomen en u gemaakt en geschapen heeft?” Welnu, de H. Geest heeft Christus' lichaam gemaakt, gelijk (in het 1e en 2e Art.) werd aangetoond. Derhalve moet de H. Geest de vader worden genoemd van Christus op grond van het door Hem gemaakte lichaam.

Sed contra est, quod Augustinus dicit in Enchir. [cap. 40.]: « Natus est Christus de Spiritu Sancto non sicut filius, et de Maria Virgine sicut filius ».

Daartegenover staat echter hetgeen Augustinus in zijn Enchiridion (40e H.) schrijft : « Christus werd geboren van den H. Geest niet als zijn Zoon en van de Maagd Maria wel als haar Zoon ».Daartegenover staat echter hetgeen Augustinus in zijn Enchiridion (40e H.) schrijft: “Christus werd geboren van de H. Geest niet als zijn Zoon en van de Maagd Maria wel als haar Zoon”.

Respondeo dicendum, quod nomina paternitatis et maternitatis et filiationis generationem consequuntur, non tamen quamlibet, sed proprie generationem viventium, et praecipue animalium: non enim dicimus, quod ignis generatus sit filius ignis generantis, nisi forte secundum metaphoram; 158sed hoc solum dicimus in animalibus, quorum generatio est magis perfecta. Nec tamen omne quod in animalibus generatur, filiationis accipit nomen, sed solum illud, quod generatur in similitudinem generantis; unde, sicut Augustinus dicit [in Enchir. cap. 39.], non dicimus, quod capillus qui nascitur ex homine, sit filius hominis; nec etiam dicimus, quod homo qui nascitur sit filius seminis; quia nec capillus habet similitudinem hominis, nec homo qui nascitur ex semine, habet similitudinem seminis, sed hominis generantis. Et si quidem perfecta sit similitudo, erit perfecta filiatio tam in divinis, quam in humanis; si autem sit similitudo imperfecta, erit etiam filiatio imperfecta, sicut in homine est quaedam similitudo Dei imperfecta, et inquantum creatus est ad imaginem Dei, et inquantum recreatus est secundum similitudinem gratiae. Et ideo utroque modo potest homo dici filius Dei, et quia scilicet est creatus ad imaginem ejus, et quia est ei assimilatus per gratiam.

Leerstelling. — De benamingen vaderschap en moederschap en kindschap hangen samen met de voortbrenging, echter niet met iedere voortbrenging, doch eigenlijk met de voortbrenging van levende wezens, en voornamelijk van dieren. Het voortgebrachte vuur toch noemen we niet den zoon van het voortbrengende vuur, tenzij misschien in overdrachtelijken zin; doch deze benaming 158gebruiken we alleen bij die dieren, wier voortbrenging meer volmaakt is. Toch krijgt niet alles, wat bij de dieren wordt voortgebracht den naam van kindschap, maar uitsluitend datgene wat in gelijkheid met den voortbrenger wordt voortgebracht. Vandaar, zooals Augustinus in zijn Enchiridion (39e H.) opmerkt, noemen wij het haar, dat uit den mensch geboren wordt, geen zoon des menschen; evenmin noemen wij den mensch, die geboren wordt, den zoon van het zaad, omdat noch het haar gelijkheid heeft met den mensch, noch de mensch, die geboren wordt, gelijkheid heeft met het zaad, maar met den mensch, die hem voortbrengt. En wanneer het nu een volledige gelijkheid is, dan zal het ook een volmaakt kindschap zijn, zoowel in God als bij de menschen. Indien die gelijkheid echter onvolledig is, is ook het kindschap onvolmaakt. Zooals er in den mensch een onvolledige gelijkheid met God is, èn in zoover hij naar Gods beeld is geschapen, èn in zoover hij werd herschapen naar de gelijkheid der genade. En derhalve kan de mensch op beide manieren kind Gods worden genoemd: nl. èn omdat hij naar zijn beeld is geschapen, èn omdat hij door de genade aan Hem werd gelijk gemaakt.Leerstelling. — De benamingen vaderschap en moederschap en kindschap hangen samen met de voortbrenging, echter niet met iedere voortbrenging, doch eigenlijk met de voortbrenging van levende wezens, en voornamelijk van dieren. Het voortgebrachte vuur toch noemen we niet de zoon van het voortbrengende vuur, tenzij misschien in overdrachtelijke zin; doch deze benaming 158gebruiken we alleen bij die dieren, wier voortbrenging meer volmaakt is. Toch krijgt niet alles, wat bij de dieren wordt voortgebracht de naam van kindschap, maar uitsluitend datgene wat in gelijkheid met de voortbrenger wordt voortgebracht. Vandaar, zoals Augustinus in zijn Enchiridion (39e H.) opmerkt, noemen wij het haar, dat uit de mens geboren wordt, geen mensenzoon; evenmin noemen wij de mens, die geboren wordt, de zoon van het zaad, omdat noch het haar gelijkheid heeft met de mens, noch de mens, die geboren wordt, gelijkheid heeft met het zaad, maar met de mens, die hem voortbrengt. En wanneer het nu een volledige gelijkheid is, dan zal het ook een volmaakt kindschap zijn, zowel in God als bij de mensen. Indien die gelijkheid echter onvolledig is, is ook het kindschap onvolmaakt. Zoals er in de mens een onvolledige gelijkheid met God is, èn in zover hij naar Gods beeld is geschapen, èn in zover hij werd herschapen naar de gelijkheid van de genade. En derhalve kan de mens op beide manieren kind Gods worden genoemd: nl. èn omdat hij naar zijn beeld is geschapen, èn omdat hij door de genade aan Hem werd gelijk gemaakt.

Est autem considerandum, quod illud quod de aliquo dicitur secundum perfectam rationem, non est dicendum de eo secundum rationem 159imperfectam, sicut quia Sortes dicitur naturaliter homo secundum propriam rationem hominis, numquam dicitur homo secundum illam significationem qua pictura hominis dicitur homo, licet forte ipse assimiletur alteri homini. Christus autem est filius Dei secundum perfectam rationem filiationis; unde quamvis secundum humanam naturam sit creatus et justificatus, non tamen debet dici filius Dei neque ratione creationis, neque ratione justificationis, sed solum ratione generationis aeternae, secundum quam est filius Patris solius; et ideo nullo modo debet dici Christus filius Spiritus Sancti, nec etiam totius Trinitatis.

Men diene echter te bedenken, dat hetgeen van iemand gezegd wordt in volmaakten zin, van hem niet in onvolmaakten zin gezegd moet worden; zooals men, omdat Socrates natuurlijk mensch 159wordt genoemd in den eigenlijken zin van mensch, hem nooit mensch noemt in die beteekenis, waarin men 's menschen afbeelding mensch noemt, ook al gelijkt hij misschien op een anderen mensch. Christus nu is Zoon van God in den volmaakten zin van zoonschap. Vandaar moet men Hem, hoewel Hij naar zijn menschelijke natuur geschapen en gerechtvaardigd werd, toch niet Zoon van God noemen noch om reden, dat Hij geschapen, noch om reden dat Hij gerechtvaardigd werd : maar alleen om reden van zijn eeuwige voortkomst, waarnaar Hij de Zoon is alleen van den Vader. En derhalve moet men op geen enkele wijze zeggen, dat Christus de Zoon des H. Geestes is, noch ook de Zoon van de geheele Drievuldigheid.Men diene echter te bedenken, dat hetgeen van iemand gezegd wordt in volmaakten zin, van hem niet in onvolmaakte zin gezegd moet worden; zoals men, omdat Socrates natuurlijk mens 159wordt genoemd in de eigenlijke zin van mens, hem nooit mens noemt in die betekenis, waarin men 's mensen afbeelding mens noemt, ook al gelijkt hij misschien op een anderen mens. Christus nu is Zoon van God in de volmaakte zin van zoonschap. Vandaar moet men Hem, hoewel Hij naar zijn menselijke natuur geschapen en gerechtvaardigd werd, toch niet Zoon van God noemen noch om reden, dat Hij geschapen, noch om reden dat Hij gerechtvaardigd werd: maar alleen om reden van zijn eeuwige voortkomst, waarnaar Hij de Zoon is alleen van de Vader. En derhalve moet men op geen enkele wijze zeggen, dat Christus de Zoon van de H. Geest is, noch ook de Zoon van de gehele Drievuldigheid.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod Christus conceptus est de Maria Virgine materiam ministrante in similitudinem speciei, et ideo dicitur filius ejus; Christus autem, secundum quod homo, conceptus est de Spiritu Sancto, sicut de activo principio; non tamen secundum similitudinem speciei, sicut homo nascitur de patre suo, et ideo Christus non dicitur filius Spiritus Sancti.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Christus is ontvangen van de Maagd Maria, die de materie verschafte voor de soortgelijkheid. En daarom heet Hij haar zoon. Van den H. Geest echter is Christus, voor zoover Hij mensch werd, ontvangen als van het tot stand brengend beginsel, echter niet naar de soortgelijkheid, zooals een mensch geboren wordt van zijn vader. En daarom heet Christus niet de zoon des H. Geestes.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Christus is ontvangen van de Maagd Maria, die de materie verschafte voor de soortgelijkheid. En daarom heet Hij haar zoon. Van de H. Geest echter is Christus, voor zover Hij mens werd, ontvangen als van het tot stand brengend beginsel, echter niet naar de soortgelijkheid, zoals een mens geboren wordt van zijn vader. En daarom heet Christus niet de zoon van de H. Geest.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod homines, qui spiritualiter formantur a 160Spiritu Sancto, non possunt dici filii Dei secundum perfectam rationem filiationis; et ideo dicuntur filii Dei secundum filiationem imperfectam, quae est secundum similitudinem gratiae, quae est a tota Trinitate; sed de Christo est alia ratio, ut dictum est [in corp. art.].

2. De menschen, die geestelijk door den H. Geest gevormd 160worden, kunnen niet in den volmaakten zin van zoonschap, zonen Gods worden genoemd. En daarom heeten zij zonen Gods op grond van het onvolmaakte kindschap, hetwelk is naar de gelijkenis der genade, en deze is van de geheele Drievuldigheid. Maar bij Christus is dit een ander geval, zooals werd aangetoond (in de leerstelling).2. De mensen, die geestelijk door de H. Geest gevormd 160worden, kunnen niet in de volmaakte zin van zoonschap, zonen Gods worden genoemd. En daarom heten zij zonen Gods op grond van het onvolmaakte kindschap, hetwelk is naar de gelijkenis van de genade, en deze is van de gehele Drievuldigheid. Maar bij Christus is dit een ander geval, zoals werd aangetoond (in de leerstelling).

↑ bedenking 3

Et similiter dicendum est ad tertium.

Zoo blijkt eveneens het antwoord op de derde bedenking.Zo blijkt eveneens het antwoord op de derde bedenking.

Articulus IV

Utrum B. Virgo aliquid active egerit in conceptione corporis Christi

[Infr. q. 33. art. 4. ad 2. et 3. Dist. 3. q. 2. art. 1.]
IVe Artikel

Heeft de H. Maagd actief iets verricht bij de ontvangenis van Christus' lichaam?

antwoord 1 ↓

Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod B. Virgo aliquid active egerit in conceptione corporis Christi. Dicit enim Damascenus in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 2.] « quod Spiritus Sanctus supervenit Virgini, purgans ipsam, et virtutem susceptivam Verbi Dei tribuens, simul autem et generativam ». Sed virtutem generativam passivam habebat a natura, sicut et 161quaelibet foemina. Ergo dedit ei virtutem generativam activam, et sic aliquid active egit in conceptione Christi.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de H. Maagd actief iets heeft verricht bij de ontvangenis van Christus' lichaam. — 1. Damascenus toch schrijft in zijn werk Over het Waarachtig Geloof (3e B., 2e H.) : « De Geest kwam over de Maagd, haar zuiverend, en het vermogen schenkend, om het Woord Gods te ontvangen en tevens om het voort te brengen ». Welnu het passief vermogen, om voort te brengen, bezat zij, gelijk ook iedere vrouw, van nature. 161Derhalve schonk Hij haar een actief voortbrengingsvermogen. En zoo heeft zij bij Christus' ontvangenis actief iets verricht.Bedenkingen. — Men beweert, dat de H. Maagd actief iets heeft verricht bij de ontvangenis van Christus' lichaam. — 1. Damascenus toch schrijft in zijn werk Over het Waarachtig Geloof (3e B., 2e H.): “De Geest kwam over de Maagd, haar zuiverend, en het vermogen schenkend, om het Woord Gods te ontvangen en tevens om het voort te brengen”. Welnu het passief vermogen, om voort te brengen, bezat zij, gelijk ook iedere vrouw, van nature. 161Derhalve schonk Hij haar een actief voortbrengingsvermogen. En zo heeft zij bij Christus' ontvangenis actief iets verricht.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, omnes virtutes animae vegetabilis sunt virtutes activae, sicut Commentator dicit in 2. de Anima. Sed potentia generativa tam in mare, quam in foemina pertinet ad animam vegetabilem. Ergo tam in mare, quam in foemina active operatur ad conceptionem prolis.

2. Alle vermogens der plantaardige ziel zijn actieve vermogens, zooals de Commentator leert in zijn werk Over de Ziel (2e B.). Welnu, het voortbrengingsvermogen behoort, zoowel in den man als in de vrouw, tot de plantaardige ziel. Derhalve werkt het zoowel in den man als in de vrouw actief bij de ontvangenis van het kind.2. Alle vermogens van de plantaardige ziel zijn actieve vermogens, zoals de Commentator leert in zijn werk Over de Ziel (2e B.). Welnu, het voortbrengingsvermogen behoort, zowel in de man als in de vrouw, tot de plantaardige ziel. Derhalve werkt het zowel in de man als in de vrouw actief bij de ontvangenis van het kind.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, foemina ad conceptionem prolis materiam ministrat, ex qua naturaliter corpus prolis formatur. Sed natura est principium motus intrinsecum. Ergo videtur, quod in ipsa materia, quam Beata Virgo ministravit ad conceptum Christi, fuerit aliquod principium activum.

3. De vrouw verschaft voor de ontvangenis van het kind de materie, waaruit het lichaam van het kind natuurlijkerwijze wordt gevormd. De natuur nu is het innerlijk beginsel van werking. Derhalve, zoo beweert men, was er in de materie, die de H. Maagd verschafte tot ontvangenis van Christus, een actief beginsel aanwezig.3. De vrouw verschaft voor de ontvangenis van het kind de materie, waaruit het lichaam van het kind natuurlijkerwijze wordt gevormd. De natuur nu is het innerlijk beginsel van werking. Derhalve, zo beweert men, was er in de materie, die de H. Maagd verschafte tot ontvangenis van Christus, een actief beginsel aanwezig.

Sed contra est, quod principium activum in generatione dicitur ratio seminalis; sed, sicut Augustinus dicit 10. super Gen. ad literam [cap. 20.], « corpus Christi in sola materia corporali per divinam conceptionis formationisque rationem de Virgine assumptum est, non autem secundum 162aliquam rationem seminalem humanam ». Ergo Beata Virgo nihil active fecit in conceptione corporis Christi.

Daartegenover staat echter, dat men bij de voortbrenging datgene het actief beginsel noemt, wat de beteekenis van zaad heeft. Welnu, zooals Augustinus in zijn Letterlijke Verklaring van het Boek der Schepping (10e B., 20e H.) leert, is Christus' lichaam aangenomen van de Maagd uitsluitend in lichamelijke materie, doordat God ontvangenis en vorming bewerkte, maar niet 162krachtens de oorzakelijkheid van eenig menschelijk zaad. Derhalve heeft de H. Maagd actief niets verricht bij de ontvangenis van Christus.Daartegenover staat echter, dat men bij de voortbrenging datgene het actief beginsel noemt, wat de betekenis van zaad heeft. Welnu, zoals Augustinus in zijn Letterlijke Verklaring van het Boek van de Schepping (10e B., 20e H.) leert, is Christus' lichaam aangenomen van de Maagd uitsluitend in lichamelijke materie, doordat God ontvangenis en vorming bewerkte, maar niet 162krachtens de oorzakelijkheid van enig menselijk zaad. Derhalve heeft de H. Maagd actief niets verricht bij de ontvangenis van Christus.

Respondeo dicendum, quod quidam dicunt, Beatam Virginem aliquid active operatam esse in conceptione Christi et naturali virtute, et supernaturali; naturali quidem virtute, quia ponunt, quod in qualibet materia naturali est aliquod activum principium, alioquin credunt, quod non esset transmutatio naturalis. In quo decipiuntur, quia transmutatio dicitur naturalis propter principium intrinsecum, non solum activum, sed etiam passivum: expresse enim dicit Philosophus in 8. Physicor. [c. 4, N. 6] quod in gravibus et levibus est principium passivum motus naturalis, et non activum; nec est possibile, quod materia agat ad sui formationem, quia non est actu; nec est etiam possibile, quod aliquid moveat seipsum, nisi dividatur in duas partes, quarum una sit movens, et alia sit mota, quod in solis animatis contingit, ut probatur 8. Physic. [c. 4, N. 3-4]. Supernaturali autem virtute, quia dicunt ad matrem requiri, quod non solum 163materiam ministret (quae est sanguis menstruus), sed etiam semen, quod commixtum virili semini habet virtutem activam in generatione, et quia in Beata Virgine nulla fuit facta resolutio seminis propter integerrimam ejus virginitatem, dicunt quod Spiritus Sanctus supernaturaliter ei tribuit virtutem activam in conceptione corporis Christi, quam aliae matres habent per semen resolutum. Sed hoc non potest stare, quia cum quaelibet res sit propter suam operationem, ut dicitur 2. de Coelo [c. 3, N. 1], natura non distingueret ad opus generationis sexum maris et foeminae, nisi esset distincta operatio maris ab operatione foeminae. In generatione autem distinguitur operatio agentis et patientis. Unde relinquitur, quod tota virtus activa sit ex parte maris, passio autem ex parte foeminae, propter quod in plantis, in quibus utraque vis commiscetur, non est distinctio maris et foeminae. Quia igitur Beata Virgo non hoc accepit, ut esset pater Christi, sed mater, consequens est, quod non acceperit potentiam activam in conceptione Christi, sive aliquid egerit, ex quo sequitur ipsam fuisse patrem 164Christi, sive nihil egerit, ut quidam dicunt, ex quo sequitur hujusmodi potentiam activam sibi frustra fuisse collatam. Et ideo dicendum est, quod in ipsa conceptione Christi B. Virgo nihil active operata est, sed solam materiam ministravit; operata tamen est ante conceptionem aliquid active, praeparando materiam, ut esset apta conceptui.

Leerstelling. — Sommigen houden, dat de H. Maagd bij de ontvangenis van Christus actief iets heeft bewerkt, zoowel door natuurlijke als door bovennatuurlijke kracht. Door natuurlijke kracht, omdat er volgens hen in iedere natuurlijke materie een actief beginsel aanwezig is. Anders toch, zoo meenen zij, zou er geen natuurlijke zelfstandigheidsverandering bestaan. — Doch hierin vergissen zij zich. Want een zelfstandigheidsverandering heet natuurlijk, niet slechts wegens het innerlijk beginsel, dat die verandering bewerkt, maar ook wegens het innerlijk beginsel, dat die verandering ondergaat. Uitdrukkelijk toch zegt de Wijsgeer in zijn Natuurleer (8e B.) dat in de zware en lichte stoffen een passief beginsel is harer natuurlijke beweging en geen actief beginsel. Het is trouwens niet mogelijk, dat de materie iets doet tot haar eigen vorming, omdat zij niet daadwerkelijk is. Evenmin is het mogelijk, dat iets zichzelf beweegt, tenzij het verdeeld wordt in twee bestanddeelen, waarvan het eene bewegend en het andere het bewogene is; maar dit komt uitsluitend bij de bezielde wezens voor, gelijk in de Natuurleer (8e B.) bewezen wordt. Door een bovennatuurlijke kracht (zou de H. Maagd actief 163hebben meegewerkt), omdat volgens hen voor een moeder vereischt wordt, dat zij niet alleen de materie verschaft, d. i. het maandstonden-bloed, maar ook een zaad, hetwelk, na vermengd te zijn met het mannelijk zaad, de actieve kracht heeft bij de voortbrenging. En daar er bij de H. Maagd, om reden harer geheel ongerepte maagdelijkheid, geen enkel zaad is vrijgekomen, houden zij, dat de H. Geest haar bij de ontvangenis van Christus' lichaam op bovennatuurlijke wijze die actieve kracht heeft geschonken, welke de andere moeders bezitten door het vrijgekomen zaad. — Doch deze opvatting kan geen stand houden. Want, daar elk ding omwille van zijn werking is, gelijk in het werk Over den Hemel (2e B.) gezegd wordt, zou de natuur voor het werk der voortbrenging geen onderscheid maken tusschen mannelijk en vrouwelijk geslacht, indien de werking van den man niet onderscheiden was van de werking der vrouw. Bij de voortbrenging nu is de werking van den tot stand brenger onderscheiden van hetgeen het passieve beginsel doet. Daaruit volgt dus, dat geheel de actieve kracht komt van den kant van den man, het ondergaan echter van den kant der vrouw. Wijl dus aan de H. Maagd niet verleend werd de vader van Christus te zijn, maar wel zijn moeder, ontving zij bijgevolg ook geen actief vermogen bij Christus' ontvangenis: noch in dien zin, dat dit werkvermogen wel iets verrichte, want daaruit volgt, dat 164zij de vader van Christus zou geweest zijn, noch in dien zin, dat het niets verrichtte, zooals sommigen houden, want daaruit volgt, dat zulk een actief vermogen haar doelloos verleend was. Derhalve moet men zeggen, dat de H. Maagd actief niets bewerkt heeft bij Christus' ontvangenis, maar dat zij uitsluitend de materie verschafte. Wel heeft zij vóór de ontvangenis actief iets bewerkt nl. door de materie klaar te maken, opdat deze geschikt zou wezen voor de ontvangenis.Leerstelling. — Sommigen houden, dat de H. Maagd bij de ontvangenis van Christus actief iets heeft bewerkt, zowel door natuurlijke als door bovennatuurlijke kracht. Door natuurlijke kracht, omdat er volgens hen in iedere natuurlijke materie een actief beginsel aanwezig is. Anders toch, zo menen zij, zou er geen natuurlijke zelfstandigheidsverandering bestaan. — Doch hierin vergissen zij zich. Want een zelfstandigheidsverandering heet natuurlijk, niet slechts wegens het innerlijk beginsel, dat die verandering bewerkt, maar ook wegens het innerlijk beginsel, dat die verandering ondergaat. Uitdrukkelijk toch zegt de Wijsgeer in zijn Natuurleer (8e B.) dat in de zware en lichte stoffen een passief beginsel is van haar natuurlijke beweging en geen actief beginsel. Het is trouwens niet mogelijk, dat de materie iets doet tot haar eigen vorming, omdat zij niet daadwerkelijk is. Evenmin is het mogelijk, dat iets zichzelf beweegt, tenzij het verdeeld wordt in twee bestanddelen, waarvan het ene bewegend en het andere het bewogene is; maar dit komt uitsluitend bij de bezielde wezens voor, gelijk in de Natuurleer (8e B.) bewezen wordt. Door een bovennatuurlijke kracht (zou de H. Maagd actief 163hebben meegewerkt), omdat volgens hen voor een moeder vereist wordt, dat zij niet alleen de materie verschaft, d.i. het maandstonden-bloed, maar ook een zaad, hetwelk, na vermengd te zijn met het mannelijk zaad, de actieve kracht heeft bij de voortbrenging. En daar er bij de H. Maagd, om reden van haar geheel ongerepte maagdelijkheid, geen enkel zaad is vrijgekomen, houden zij, dat de H. Geest haar bij de ontvangenis van Christus' lichaam op bovennatuurlijke wijze die actieve kracht heeft geschonken, welke de andere moeders bezitten door het vrijgekomen zaad. — Doch deze opvatting kan geen stand houden. Want, daar elk ding omwille van zijn werking is, gelijk in het werk Over de Hemel (2e B.) gezegd wordt, zou de natuur voor het werk van de voortbrenging geen onderscheid maken tussen mannelijk en vrouwelijk geslacht, indien de werking van de man niet onderscheiden was van de werking van de vrouw. Bij de voortbrenging nu is de werking van de tot stand brenger onderscheiden van hetgeen het passieve beginsel doet. Daaruit volgt dus, dat geheel de actieve kracht komt van de kant van de man, het ondergaan echter van de kant van de vrouw. Wijl dus aan de H. Maagd niet verleend werd de vader van Christus te zijn, maar wel zijn moeder, ontving zij bijgevolg ook geen actief vermogen bij Christus' ontvangenis: noch in die zin, dat dit werkvermogen wel iets verrichte, want daaruit volgt, dat 164zij de vader van Christus zou geweest zijn, noch in die zin, dat het niets verrichtte, zoals sommigen houden, want daaruit volgt, dat zulk een actief vermogen haar doelloos verleend was. Derhalve moet men zeggen, dat de H. Maagd actief niets bewerkt heeft bij Christus' ontvangenis, maar dat zij uitsluitend de materie verschafte. Wel heeft zij vóór de ontvangenis actief iets bewerkt nl. door de materie klaar te maken, opdat deze geschikt zou wezen voor de ontvangenis.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod illa conceptio tria privilegia habuit, scilicet quod esset sine peccato originali, quod esset non puri hominis, sed Dei et hominis, item quod esset conceptio virginis. Et haec tria habuit a Spiritu Sancto, et ideo dicit Damascenus quantum ad primum, quod Spiritus Sanctus supervenit Virgini purgans ipsam, idest praeservans, ne cum peccato originali conciperet; quantum ad secundum dicit: et virtutem susceptivam Verbi Dei tribuens, idest ut conciperet Verbum Dei; quantum autem ad tertium, dicit: simul autem et generativam, ut scilicet manens virgo posset generare, non quidem active, sed passive, sicut aliae matres hoc consequuntur ex semine viri.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Deze ontvangenis telde drie voorrechten: nl. dat zij zonder erfzonde was; dat zij niet een louter mensch gold, maar den God-mensch; tenslotte, dat een maagd ontving. Deze drie voorrechten nu dankte zij aan den H. Geest. En daarom zegt Damascenus betreffende het eerste, dat de H. Geest zuiverend over de Maagd kwam, d. w. z. voorkomend, dat zij in de erfzonde zou ontvangen. Aangaande het tweede zegt hij : het vermogen schenkend, om het Woord Gods op te nemen, d. w. z. om het Woord Gods te ontvangen. Aangaande het derde zegt hij : en Hem tevens voort te brengen, opdat zij nl. maagd blijvend, Hem zou kunnen voortbrengen, en wel: niet actief, maar passief, zooals de andere moeders dit bereiken krachtens het zaad van den man.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Deze ontvangenis telde drie voorrechten: nl. dat zij zonder erfzonde was; dat zij niet een louter mens gold, maar de God-mens; tenslotte, dat een maagd ontving. Deze drie voorrechten nu dankte zij aan de H. Geest. En daarom zegt Damascenus betreffende het eerste, dat de H. Geest zuiverend over de Maagd kwam, d. w. z. voorkomend, dat zij in de erfzonde zou ontvangen. Aangaande het tweede zegt hij: het vermogen schenkend, om het Woord Gods op te nemen, d. w. z. om het Woord Gods te ontvangen. Aangaande het derde zegt hij: en Hem tevens voort te brengen, opdat zij nl. maagd blijvend, Hem zou kunnen voortbrengen, en wel: niet actief, maar passief, zoals de andere moeders dit bereiken krachtens het zaad van de man.

↑ bedenking 2

165Ad secundum dicendum, quod potentia generativa in foemina est imperfecta respectu potentiae generativae, quae est in mare, et ideo sicut in artibus ars inferior disponit materiam, ars autem superior inducit formam, ut dicitur in 2. Physic. [c. 2, N. 10], ita etiam virtus generativa foeminae praeparat materiam; virtus autem activa maris format materiam praeparatam.

1652. Het voortbrengingsvermogen in de vrouw is onvolmaakt vergeleken bij het voortbrengingsvermogen, dat in den man aanwezig is. En derhalve, zooals bij de ambachten een lager ambacht de materie alleen geschikt maakt, maar een hooger ambacht den vorm in de materie brengt (gelijk in de Natuurleer (2e B.) geleerd wordt) zoo ook maakt het op de voortbrenging gerichte vermogen der vrouw de materie klaar, doch het actieve vermogen van den man formeert die klaar gemaakte materie.1652. Het voortbrengingsvermogen in de vrouw is onvolmaakt vergeleken bij het voortbrengingsvermogen, dat in de man aanwezig is. En derhalve, zoals bij de ambachten een lager ambacht de materie alleen geschikt maakt, maar een hoger ambacht de vorm in de materie brengt (gelijk in de Natuurleer (2e B.) geleerd wordt) zo ook maakt het op de voortbrenging gerichte vermogen van de vrouw de materie klaar, doch het actieve vermogen van de man formeert die klaar gemaakte materie.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod ad hoc quod transmutatio sit naturalis, non requiritur quod in materia sit principium activum, sed solum passivum, ut dictum est [in corp. art.].

3. Opdat een zelfstandigheidsverandering natuurlijk zij, wordt niet vereischt dat er in de materie een werkzaam beginsel aanwezig is maar alleen dat er een passief beginsel is, zooals in de leerstelling werd aangetoond.3. Opdat een zelfstandigheidsverandering natuurlijk zij, wordt niet vereist dat er in de materie een werkzaam beginsel aanwezig is maar alleen dat er een passief beginsel is, zoals in de leerstelling werd aangetoond.