Theologische Summa · Tertia Pars · Christus' komst in de wereldSumma · III · Christus' komst in de wereldSumma · III · Kw. 37Kw. 37
Quaestio XXXVII

De legalibus circa puerum Jesum servatis

Kwestie 37

Over de besnijdenis van Christus en over de andere wettelijke voorschriften, die men het kind Christus liet nakomen

(Vier Artikelen)

277Deinde considerandum est de circumcisione Christi; et quia circumcisio est quaedam professio legis observandae, secundum illud Galat. 5. [v. 3] : « Testificor omni homini circumcidenti, se, quoniam debitor est universae legis faciendae », simul cum hoc quaerendum est de aliis legalibus circa puerum Jesum observatis.

277Daarna moeten we handelen over de besnijdenis van Christus. En daar de besnijdenis een soort belofte is voor het onderhouden der wet, volgens het woord van den Apostel Aan de Galaten (5, 3) : « Ik verklaar aan iedereen, die zich besnijden laat, dat hij dan verplicht is de geheele wet te onderhouden », daarom moeten we tegelijkertijd handelen over de andere wettelijke voorschriften, die men het kind Christus heeft na laten komen.277Daarna moeten we handelen over de besnijdenis van Christus. En daar de besnijdenis een soort belofte is voor het onderhouden van de wet, volgens het woord van de Apostel Aan de Galaten (5, 3): “Ik verklaar aan iedereen, die zich besnijden laat, dat hij dan verplicht is de gehele wet te onderhouden”, daarom moeten we tegelijkertijd handelen over de andere wettelijke voorschriften, die men het kind Christus heeft na laten komen.

Unde quaeruntur quatuor: 1. De ejus circumcisione. — 2. De nominis impositione. — 3. De ejus oblatione. — 4. De matris purgatione.

En daarom stellen we vier vragen. 1. Over zijn besnijdenis. 2. Over den naam, die men aan Christus gegeven heeft. 3. Over zijn opdracht. 4. Over de zuivering der moeder.En daarom stellen we vier vragen. 1. Over zijn besnijdenis. 2. Over de naam, die men aan Christus gegeven heeft. 3. Over zijn opdracht. 4. Over de zuivering van de moeder.

Articulus I

Utrum Christus debuerit circumcidi

[Infr. q. 40. art. 4. corp. et 4. Dist. 1. q. 2. art. 2. q. 3. et opusc. 60. cap. 5.]
Ie Artikel

Had Christus besneden moeten worden?

antwoord 1 ↓

278Ad primum sic proceditur. Videtur, quod Christus non debuerit circumcidi; veniente enim veritate, cessat figura. Sed circumcisio fuit Abrahae praecepta in signum foederis, quod erat de semine nascituro, ut patet Gen. 17; hoc autem foedus fuit in Christi nativitate completum. Ergo circumcisio statim cessare debuit.

278Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet besneden had moeten worden. — 1. Bij de komst der waarheid immers, houdt de voorafbeelding op. Nu was de besnijdenis aan Abraham voorgeschreven ten teeken van het verbond over een toekomstig nageslacht, zooals blijkt uit het Boek Genesis (17e H.). Dat verbond echter is vervuld geworden bij de geboorte van Christus. Dus had de besnijdenis onmiddellijk op moeten houden.278Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet besneden had moeten worden. — 1. Bij de komst van de waarheid immers, houdt de voorafbeelding op. Nu was de besnijdenis aan Abraham voorgeschreven ten teken van het verbond over een toekomstig nageslacht, zoals blijkt uit het Boek Genesis (17e H.). Dat verbond echter is vervuld geworden bij de geboorte van Christus. Dus had de besnijdenis onmiddellijk op moeten houden.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, omnis Christi actio nostra est instructio, unde dicitur Joan. 13. [v. 15] : « Exemplum dedi vobis, ut quemadmodum ego feci, ita et vos faciatis ». Sed nos non debemus circumcidi, secundum illud Gal. 5. [v. 2] : « Si circumcidimini, Christus vobis nihil proderit ». Ergo videtur, quod nec Christus debuerit circumcidi.

2. Iedere daad van Christus dient ons tot onderrichting. Vandaar lezen we ook bij Joannes (13, 15) : « Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook gij zoudt doen, zooals Ik u heb gedaan ». Maar wij behoeven niet besneden te worden naar het woord van den Apostel Aan de Galaten (5, 2) : « Als ge u besnijden laat, zal Christus u niets baten ». Dus had ook Christus niet besneden moeten worden.2. Iedere daad van Christus dient ons tot onderrichting. Vandaar lezen we ook bij Johannes (13, 15): “Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook gij zoudt doen, zoals Ik u heb gedaan”. Maar wij behoeven niet besneden te worden naar het woord van de Apostel Aan de Galaten (5, 2): “Als ge u besnijden laat, zal Christus u niets baten”. Dus had ook Christus niet besneden moeten worden.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, circumcisio est ordinata in remedium originalis peccati. 279Sed Christus non contraxit originale peccatum, ut ex supra dictis patet [q. 15. art. 1. et 2.]. Ergo Christus non debuit circumcidi.

3. De besnijdenis bedoelt een redmiddel te zijn van de 279erfzonde. Nu heeft Christus de erfzonde niet gecontraheerd*, zooals blijkt uit wat boven gezegd is (4e Kw., 6e Art., Antw. op de 1e Bed.; 14e Kw., 3e Art.; 15e Kw., 1e Art.). Dus moest Christus ook niet besneden worden.3. De besnijdenis bedoelt een redmiddel te zijn van de 279erfzonde. Nu heeft Christus de erfzonde niet gecontraheerd*, zoals blijkt uit wat boven gezegd is (4e Kw., 6e Art., Antw. op de 1e Bed.; 14e Kw., 3e Art.; 15e Kw., 1e Art.). Dus moest Christus ook niet besneden worden.

Sed contra est, quod dicitur Luc. 2. [v. 21] : « Postquam consummati sunt dies octo, ut circumcideretur puer ».

Daartegenover staat echter wat Lucas zegt (2, 21) : « En toen de acht dagen voorbij waren, die zijn besnijdenis vooraf moesten gaan... »Daartegenover staat echter wat Lukas zegt (2, 21): “En toen de acht dagen voorbij waren, die zijn besnijdenis vooraf moesten gaan...”

Respondeo dicendum, quod pluribus de causis Christus debuit circumcidi. Primo quidem, ut ostendat veritatem carnis humanae, contra Manichaeum, qui dixit eum habuisse corpus phantasticum; et contra Apollinarium, qui dixit corpus Christi esse divinitati consubstantiale; et contra Valentinum, qui dixit Christum de coelo corpus attulisse. Secundo, ut approbaret circumcisionem, quam olim Deus instituerat. Tertio, ut comprobaret se esse de genere Abrahae, qui circumcisionis mandatum acceperat in signum fidei, 280quam de ipso habuerat. Quarto, ut Judaeis excusationem tolleret, ne eum reciperent, si esset incircumcisus. Quinto, ut obediendi virtutem nobis suo commendaret exemplo; unde et octava die circumcisus est, sicut in lege erat praeceptum. Sexto, ut, quia in similitudinem carnis peccati advenerat. remedium, quo caro peccati consueverat mundari, non respueret. Septimo, ut legis onus in se sustinens, alios a legis onere liberaret, secundum illud Gal. 4. [v. 4-5] : « Misit Deus Filium suum factum sub lege, ut eos qui sub lege erant, redimeret ».

Leerstelling. — Om velerlei redenen moest Christus besneden worden. En wel ten eerste, om de waarachtigheid van zijn menschelijk vleesch aan te toonen: tegen Manichaeus, die zeide dat Hij een schijnlichaam gehad heeft; en tegen Apollinarius, die beweerde, dat Christus' lichaam medezelfstandig was met de godheid; en tegen Valentinus, die zeide, dat Christus een lichaam van den hemel had medegebracht. Ten tweede, om de besnijdenis goed te keuren, welke God eertijds had ingevoerd. Ten derde, om te bevestigen, dat Hij van Abrahams geslacht was, die het bevel der besnijdenis ontvangen had, ten teeken van het geloof, dat hij in Hem bezat. 280Ten vierde, om aan de Joden een goede reden te ontnemen, om Hem, als onbesnedene, af te wijzen. Ten vijfde « om ons door zijn voorbeeld de kracht der gehoorzaamheid in te prenten » (vgl. Beda, 10e Homelie op het feest van de Besnijdenis). Vandaar werd Hij ook, zooals in de wet voorgeschreven was, op den achtsten dag besneden. Ten zesde, opdat Hij die in de gedaante van het zondige vleesch hier gekomen was, zelf het geneesmiddel niet zou versmaden, waardoor Hij het zondige vleesch gewoon was te zuiveren. Ten zevende, opdat Hij, na zelf de last der wet gedragen te hebben, anderen er van zou bevrijden, naar het woord van den Apostel Aan de Galaten (4, 4, 5) : « God heeft zijn eigen Zoon gezonden, opdat Hij hen loskoopen zou, die onder de wet stonden ».Leerstelling. — Om velerlei redenen moest Christus besneden worden. En wel ten eerste, om de waarachtigheid van zijn menselijk vlees aan te tonen: tegen Manichaeus, die zeide dat Hij een schijnlichaam gehad heeft; en tegen Apollinarius, die beweerde, dat Christus' lichaam medezelfstandig was met de godheid; en tegen Valentinus, die zeide, dat Christus een lichaam van de hemel had medegebracht. Ten tweede, om de besnijdenis goed te keuren, welke God eertijds had ingevoerd. Ten derde, om te bevestigen, dat Hij van Abrahams geslacht was, die het bevel van de besnijdenis ontvangen had, ten teken van het geloof, dat hij in Hem bezat. 280Ten vierde, om aan de Joden een goede reden te ontnemen, om Hem, als onbesnedene, af te wijzen. Ten vijfde “om ons door zijn voorbeeld de kracht van de gehoorzaamheid in te prenten” (vgl. Beda, 10e Homelie op het feest van de Besnijdenis). Vandaar werd Hij ook, zoals in de wet voorgeschreven was, op de achtste dag besneden. Ten zesde, opdat Hij die in de gedaante van het zondige vlees hier gekomen was, zelf het geneesmiddel niet zou versmaden, waardoor Hij het zondige vlees gewoon was te zuiveren. Ten zevende, opdat Hij, na zelf de last van de wet gedragen te hebben, anderen er van zou bevrijden, naar het woord van de Apostel Aan de Galaten (4, 4, 5): “God heeft zijn eigen Zoon gezonden, opdat Hij hen loskopen zou, die onder de wet stonden”.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod circumcisio per remotionem carnalis pelliculae in membro generationis facta significabat spoliationem vetustae generationis, a qua quidem vetustate liberamur per passionem Christi; et ideo veritas hujus figurae non fuit plene impleta in Christi nativitate, sed in ejus passione: antequam circumcisio suam virtutem et statum habebat. Et 281ideo decuit Christum ante suam passionem, tamquam filium Abrahae, circumcidi.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De besnijdenis, die uitgevoerd werd, door de voorhuid van het geslachtslid weg te nemen, verzinnebeelde de berooving van de verouderde leefwijze. Nu worden we van dat oude verlost door Christus' lijden. En dus was de waarheid van dit zinnebeeld niet volledig in vervulling gegaan bij Christus' geboorte, maar pas bij zijn lijden : daarvóór behield de besnijdenis haar kracht en plaats. En dus 281behoorde Christus vóór zijn lijden, als zijnde een zoon van Abraham, besneden te worden.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De besnijdenis, die uitgevoerd werd, door de voorhuid van het geslachtslid weg te nemen, verzinnebeelde de beroving van de verouderde leefwijze. Nu worden we van dat oude verlost door Christus' lijden. En dus was de waarheid van dit zinnebeeld niet volledig in vervulling gegaan bij Christus' geboorte, maar pas bij zijn lijden: daarvóór behield de besnijdenis haar kracht en plaats. En dus 281behoorde Christus vóór zijn lijden, als zijnde een zoon van Abraham, besneden te worden.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod Christus circumcisionem suscepit eo tempore, quo erat sub praecepto; et ideo sua actio in hoc est nobis imitanda, ut observemus ea, quae sunt nostro tempore in praecepto, quia « unicuique negotio est tempus et opportunitas » ut dicitur Eccle. 8. [v. 6].

2. Christus ontving de besnijdenis in den tijd, dat Hij nog onder het gebod viel. Zijn handeling moet dus door ons in zooverre nagevolgd worden, dat ook wij datgene doen, waartoe wij nù verplicht zijn. Want de Prediker zegt (8, 6) : « Alles heeft zijn tijd en gelegenheid ».2. Christus ontving de besnijdenis in de tijd, dat Hij nog onder het gebod viel. Zijn handeling moet dus door ons in zoverre nagevolgd worden, dat ook wij datgene doen, waartoe wij nù verplicht zijn. Want de Prediker zegt (8, 6): “Alles heeft zijn tijd en gelegenheid”.

Et praeterea ut Origenes dicit [hom. 14. in Luc.], « sicut mortui sumus cum illo moriente, et consurreximus Christo resurgenti, ita circumcisi sumus spirituali circumcisione per Christum; et ideo carnali circumcisione non indigemus »; et hoc est quod Apostolus dicit Colos. 2. [v. 11] : « In quo, scilicet Christo, circumcisi estis circumcisione non manufacta, in expoliatione corporis carnis, sed in circumcisione Domini nostri Jesu Christi ».

Origenes (14e Homelie op Lucas) zegt daarenboven nog : « Evenals wij met Hem gestorven zijn, toen Hij stierf, en wij met den verrezen Christus medeverrezen zijn, zoo zijn we ook door Christus besneden met een geestelijke besnijdenis. En dus hebben wij de vleeschelijke besnijdenis niet noodig ». En dat is ook wat de Apostel zegt in zijn Brief aan de Colossenzen (2, 11) : « In Hem (d. i. Christus) zijt ge besneden met een besnijdenis, die niet met de handen verricht wordt door de verwijdering van het vleeschelijk lichaam, maar door de besnijdenis van onzen Heer Jesus Christus ».Origenes (14e Homelie op Lukas) zegt daarenboven nog: “Evenals wij met Hem gestorven zijn, toen Hij stierf, en wij met de verrezen Christus medeverrezen zijn, zo zijn we ook door Christus besneden met een geestelijke besnijdenis. En dus hebben wij de vleselijke besnijdenis niet nodig”. En dat is ook wat de Apostel zegt in zijn Brief aan de Colossenzen (2, 11): “In Hem (d.i. Christus) zijt ge besneden met een besnijdenis, die niet met de handen verricht wordt door de verwijdering van het vleselijk lichaam, maar door de besnijdenis van onze Heer Jesus Christus”.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod sicut Christus propria voluntate mortem nostram suscepit, quae est effectus peccati, nullum in se habens peccatum, ut nos a morte liberaret, et spiritualiter nos faceret mori peccato, ita etiam 282circumcisionem, quae est remedium originalis peccati, suscepit, absque hoc quod haberet originale peccatum, ut nos a legis jugo liberaret, et ut in nobis spiritualem circumcisionem efficeret, ut scilicet suscipiendo figuram, impleret veritatem.

3. Gelijk Christus uit eigen beweging onzen dood op zich nam, die een gevolg is der zonde, ofschoon Hij in zich zelf geen zonde had, om ons van den dood te verlossen en ons op een geestelijke wijze aan de zonde te doen sterven; zoo ontving Hij ook de besnijdenis, het geneesmiddel voor de erfzonde, zonder 282dat Hij zelf de erfzonde bezat, om ons van het juk der wet te bevrijden en in ons een geestelijke besnijdenis uit te werken; en dit alles, om door de aanname van het zinnebeeld, de waarheid in vervulling te doen gaan.3. Gelijk Christus uit eigen beweging onze dood op zich nam, die een gevolg is van de zonde, ofschoon Hij in zichzelf geen zonde had, om ons van de dood te verlossen en ons op een geestelijke wijze aan de zonde te doen sterven; zo ontving Hij ook de besnijdenis, het geneesmiddel voor de erfzonde, zonder 282dat Hij zelf de erfzonde bezat, om ons van het juk van de wet te bevrijden en in ons een geestelijke besnijdenis uit te werken; en dit alles, om door de aanname van het zinnebeeld, de waarheid in vervulling te doen gaan.

Articulus II

Utrum convenienter fuerit Christo nomen impositum

[Opusc. 60. cap. 6.]
IIe Artikel

Was het wel passend, dat men Christus een naam gegeven heeft?

antwoord 1 ↓

Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod inconvenienter fuerit Christo nomen impositum: veritas enim evangelica debet praenuntiationi propheticae respondere. Sed Prophetae aliud nomen de Christo praenuntiaverunt; dicitur enim Isa. 7. [v. 14] : « Ecce virgo concipiet, et pariet filium, et vocabitur nomen ejus Emmanuel », et cap. 8. [v. 3] : « Voca nomen ejus, accelera, spolia detrahe, festina praedari », et cap. 9. [v. 6] : « Vocabitur nomen ejus admirabilis, consiliarius, Deus, fortis, pater futuri 283saeculi, princeps pacis », et Zach. 6. [v. 12] dicitur: « Ecce vir, Oriens nomen ejus ». Ergo inconvenienter vocatum est nomen ejus Jesus.

Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet passend is geweest, dat men Christus een naam gegeven heeft. — 1. De waarheid immers van het Evangelie, moet aan de voorzeggingen der Profeten beantwoorden. Nu hebben de Profeten een anderen naam van Christus voorzegd : want bij Isaïas lezen we (7, 14) : « Zie, de Maagd zal ontvangen en een Zoon baren, en zijn naam zal genoemd worden Emmanuel »; en verder (8, 3) : « Noem zijn naam: Ras neem buit, ijl naar roof »; en dan nog (9, 6) : « Zijn naam zal genoemd worden Wonderbare, Raadgever, God, Machtige, Vader der toekomst, Vredevorst »; en bij Zacharias 283(6, 12) : « Zie een man, de Oprijzende is zijn naam ». Dus behoorde Hij niet Jesus genoemd te worden.Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet passend is geweest, dat men Christus een naam gegeven heeft. — 1. De waarheid immers van het Evangelie, moet aan de voorzeggingen van de Profeten beantwoorden. Nu hebben de Profeten een anderen naam van Christus voorzegd: want bij Jesaja lezen we (7, 14): “Zie, de Maagd zal ontvangen en een Zoon baren, en zijn naam zal genoemd worden Emmanuel”; en verder (8, 3): “Noem zijn naam: Ras neem buit, ijl naar roof”; en dan nog (9, 6): “Zijn naam zal genoemd worden Wonderbare, Raadgever, God, Machtige, Vader van de toekomst, Vredevorst”; en bij Zacharias 283(6, 12): “Zie een man, de Oprijzende is zijn naam”. Dus behoorde Hij niet Jesus genoemd te worden.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Isa. 62. [v. 2] dicitur: « Vocabitur tibi nomen novum, quod os Domini nominavit ». Sed hoc nomen Jesus non est nomen novum, sed pluribus fuit in veteri Testamento impositum, ut patet etiam ex ipsa genealogia Christi, Luc. 3. [v. 29]. Ergo videtur, quod inconvenienter vocatum est nomen ejus Jesus.

2. Bij Isaïas lezen we (62, 2) : « U zal een nieuwe naam toekomen, dien 's Heeren mond noemen zal ». Maar deze naam Jesus is geen nieuwe naam; velen in het oude Testament heetten zoo, zooals zelfs blijkt uit den geslachtsboom van Christus bij Lucas (3, 29). Dus behoorde zijn naam niet Jesus genoemd te worden.2. Bij Jesaja lezen we (62, 2): “U zal een nieuwe naam toekomen, die 's Heren mond noemen zal”. Maar deze naam Jesus is geen nieuwe naam; velen in het oude Testament heetten zo, zoals zelfs blijkt uit de geslachtsboom van Christus bij Lukas (3, 29). Dus behoorde zijn naam niet Jesus genoemd te worden.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, hoc nomen Jesus salutem significat, ut patet per id quod dicitur Matth. 1. [v. 21] : « Pariet filium, et vocabis nomen ejus Jesum: ipse enim salvum faciet populum suum a peccatis eorum ». Sed salus per Christum non est facta solum in circumcisione, sed etiam in praeputio, ut patet per Apostolum Rom. 4. [v. 11-12]. Inconvenienter ergo hoc nomen fuit Christo impositum in sua circumcisione.

3. Deze naam Jesus beteekent heil, zooals blijkt uit wat Mattheus zegt (1, 21) : « Ze zal een zoon baren, en ge zult zijn naam Jesus noemen; want Hij zal zijn volk verlossen van hun zonden ». Het heil door Christus was echter niet alleen bestemd voor de besnedenen, maar ook voor de onbesnedenen, zooals blijkt uit den Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (4, 11, 12). Het was dus niet passend, dat Christus bij zijn besnijdenis zoo genoemd werd.3. Deze naam Jesus betekent heil, zoals blijkt uit wat Matteüs zegt (1, 21): “Ze zal een zoon baren, en ge zult zijn naam Jesus noemen; want Hij zal zijn volk verlossen van hun zonden”. Het heil door Christus was echter niet alleen bestemd voor de besnedenen, maar ook voor de onbesnedenen, zoals blijkt uit de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (4, 11, 12). Het was dus niet passend, dat Christus bij zijn besnijdenis zo genoemd werd.

Sed contra est auctoritas Scripturae, in qua dicitur Luc. 2. [v. 21], quod « postquam consummati sunt dies octo, ut circumcideretur puer, vocatum est nomen ejus Jesus ».

Daartegenover staat echter het gezag der H. Schrift, waarin bij Lucas gezegd wordt (2, 21) : « En toen de acht dagen voorbij waren, die zijn besnijdenis vooraf moesten gaan, gaven ze Hem den naam Jesus ».Daartegenover staat echter het gezag van de H. Schrift, waarin bij Lukas gezegd wordt (2, 21): “En toen de acht dagen voorbij waren, die zijn besnijdenis vooraf moesten gaan, gaven ze Hem de naam Jesus”.

284Respondeo dicendum, quod nomina debent proprietatibus rerum respondere; et hoc patet in nominibus generum et specierum, quia, ut dicitur 4. Metaph. [L. III, C. 7, N. 9] « ratio, quam significat nomen, est definitio », quae designat propriam rei naturam. Nomina autem singularium hominum semper imponuntur ab aliqua proprietate ejus, cui nomen imponitur: vel a tempore, sicut imponuntur nomina aliquorum Sanctorum his, qui in eorum festis nascuntur; vel a cognatione, sicut cum filio imponitur nomen patris, vel alicujus de cognatione ejus, sicut propinqui Joannis Baptistae volebant eum vocare nomine patris sui Zachariam, non autem Joannem, quia nullus erat in cognatione ejus, qui vocaretur hoc nomine, ut dicitur Luc. 1. [v. 59 sqq.]; vel etiam ab eventu, sicut Joseph vocavit primogenitum suum Manassen dicens: « Oblivisci fecit me Deus omnium laborum meorum », Genes. 41. [v. 51]; vel etiam ex aliqua qualitate ejus, cui nomen imponitur, sicut Genes. 25. [v. 25] dicitur, quod quia qui primus egressus est de utero matris, rufus erat, et totus in morem pellis hispidus, vocatum est nomen ejus Esau, quod interpretatur rubeus. Nomina 285autem, quae imponuntur aliquibus divinitus, semper significant aliquod gratuitum donum eis divinitus datum, sicut Gen. 17. [v. 5] dictum est Abrahae: « Apellaberis Abraham, quia patrem multarum gentium constitui te », et Matth. 16. [v. 18] dictum est Petro: « Tu es Petrus, et super hanc Petram aedificabo Ecclesiam meam ».

284Leerstelling. — De namen moeten aan de eigenschappen der dingen beantwoorden. En dit blijkt uit de namen der geslachten en soorten, zooals gezegd wordt in het 4e Boek der Metaphysica (3e B., 7e H.) : « Het begrip, waarvan de naam het teeken is, is de definitie », die het eigen wezen eener zaak aanduidt. De namen nu der afzonderlijke menschen worden altijd gegeven om een eigenschap van hem, wien men een naam geeft. En die eigenschap kan zijn, ofwel de tijd : zoo worden de namen van Heiligen gegeven aan hen, die op hun feest geboren worden. Ofwel de familie : zoo wanneer men aan den zoon den naam van den vader geeft, of van iemand uit zijn familie; zoo wilden de bloedverwanten van Joannes den Dooper hem noemen naar den naam van zijn vader Zacharias en niet Joannes, daar er niemand in zijn familie was, die dezen naam had, zooals we lezen bij Lucas (1, 59). Of ook wel naar een gebeurtenis : zoo noemde Joseph zijn eerstgeborene Manasses, zeggende : God heeft mij al mijn arbeid doen vergeten. (Boek der Schepping, 41, 51). Of ook naar een hoedanigheid van hem, wien men een naam geeft; zoo wordt in het Boek der Schepping (25, 25) gezegd: « Die het eerst uit den schoot der moeder kwam, was ros, en geheel rouw gelijk een vel, en daarom werd zijn naam genoemd Esau », wat beteekent rossig. De namen echter, die God geeft, duiden altijd op een of 285andere door God om niet geschonken gave : zoo wordt in het Boek der Schepping (17, 5) tot Abraham gezegd: « Gij zult genoemd worden Abraham : want Ik heb u tot vader van vele volkeren gesteld »; en bij Mattheus wordt tot Petrus gezegd (16, 18) : « Gij zijt Petrus: en op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen ».284Leerstelling. — De namen moeten aan de eigenschappen van de dingen beantwoorden. En dit blijkt uit de namen van de geslachten en soorten, zoals gezegd wordt in het 4e Boek van de Metafysica (3e B., 7e H.): “Het begrip, waarvan de naam het teken is, is de definitie”, die het eigen wezen van een zaak aanduidt. De namen nu van de afzonderlijke mensen worden altijd gegeven om een eigenschap van hem, wie men een naam geeft. En die eigenschap kan zijn, ofwel de tijd: zo worden de namen van Heiligen gegeven aan hen, die op hun feest geboren worden. Ofwel de familie: zo wanneer men aan de zoon de naam van de vader geeft, of van iemand uit zijn familie; zo wilden de bloedverwanten van Johannes de Doper hem noemen naar de naam van zijn vader Zacharias en niet Johannes, daar er niemand in zijn familie was, die deze naam had, zoals we lezen bij Lukas (1, 59). Of ook wel naar een gebeurtenis: zo noemde Joseph zijn eerstgeborene Manasses, zeggende: God heeft mij al mijn arbeid doen vergeten. (Boek van de Schepping, 41, 51). Of ook naar een hoedanigheid van hem, wie men een naam geeft; zo wordt in het Boek van de Schepping (25, 25) gezegd: “Die het eerst uit de schoot van de moeder kwam, was ros, en geheel rouw gelijk een vel, en daarom werd zijn naam genoemd Esau”, wat betekent rossig. De namen echter, die God geeft, duiden altijd op een of 285andere door God om niet geschonken gave: zo wordt in het Boek van de Schepping (17, 5) tot Abraham gezegd: “Gij zult genoemd worden Abraham: want Ik heb u tot vader van vele volkeren gesteld”; en bij Matteüs wordt tot Petrus gezegd (16, 18): “Gij zijt Petrus: en op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen”.

Quia igitur Christo hoc munus gratiae collatum erat, ut per ipsum omnes salvarentur, ideo convenienter vocatum est nomen ejus Jesus, idest Salvator, angelo hoc nomen praenuntiante, non solum matri, sed etiam Joseph, qui erat futurus ejus nutritius.

[De vertaling van deze zinnen ontbreekt in de uitgave.]

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod in omnibus illis nominibus quodammodo significatur hoc nomen Jesus, quod est significativum salutis; nam in hoc quod dicitur Emmanuel, quod interpretatur nobiscum Deus, designatur causa salutis, quae est unio divinae et humanae naturae in persona Filii Dei, per quam factum est, ut Deus esset nobiscum, quasi particeps nostrae naturae. Per hoc autem quod dicitur: « Voca nomen ejus, accelera, spolia detrahe » etc., designatur, a quo nos salvavit, quia a diabolo, cujus spolia abstulit, secundum illud Colos. 2. [v. 15] : « Expolians principatus et potestates, traduxit confidenter ». In hoc autem quod dicitur: « Vocabitur 286nomen ejus admirabilis » etc., designatur via et terminus nostrae salutis, inquantum scilicet admirabili divinitatis consilio et virtute ad haereditatem futuri saeculi perducimur, in quo erit pax perfecta filiorum Dei sub ipso principe Deo. Quod vero dicitur: « Ecce vir, Oriens nomen ejus » ad idem refertur, ad quod primum, scilicet ad Incarnationis mysterium, secundum quod « exortum est in tenebris lumen rectis corde » [Psal. 111, v. 4].

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. In al die namen wordt op de een of andere manier, de naam Jesus aangeduid, welke heil beteekent. Want met den naam Emmanuel, dat is vertaald : God met ons (Mattheus, 1, 23), wordt de oorzaak van het heil aangegeven, nl. de vereeniging der goddelijke en menschelijke natuur in den persoon van den Zoon van God, door welke vereeniging geschieden kon, dat God met ons was. Als echter gezegd wordt: « Noem zijn naam, Ras neem buit, enz. » wordt aangegeven, waarvan Hij ons zal redden: nl. den duivel, wien Hij zijn buit heeft afgenomen, volgens den Brief aan de Colossenzen (2, 15) : « Hij heeft de heerschappijen en machten van hun buit beroofd, en openlijk ten toon gesteld ». 286Wanneer daarentegen gezegd wordt: « Zijn naam zal genoemd worden Wonderbare » enz., wordt de weg en het eindpunt van ons heil aangeduid, in zooverre wij nl. door een wonderbaren raad en kracht der godheid, tot het erfdeel der toekomstige tijden gebracht worden, waar een volmaakte vrede zal zijn tusschen de zonen Gods, onder de Heerschappij van God zelf. De tekst: « Zie een man, Oprijzende is zijn naam », heeft op hetzelfde als de eerste betrekking, nl. op het geheim der vleeschwording : in zooverre er in de duisternis voor de vromen een licht is opgegaan (Psalm 111, 4).Antwoord op de Bedenkingen. — 1. In al die namen wordt op de een of andere manier, de naam Jesus aangeduid, welke heil betekent. Want met de naam Emmanuel, dat is vertaald: God met ons (Matteüs, 1, 23), wordt de oorzaak van het heil aangegeven, nl. de vereniging van de goddelijke en menselijke natuur in de persoon van de Zoon van God, door welke vereniging geschieden kon, dat God met ons was. Als echter gezegd wordt: “Noem zijn naam, Ras neem buit, enz.” wordt aangegeven, waarvan Hij ons zal redden: nl. de duivel, wie Hij zijn buit heeft afgenomen, volgens de Brief aan de Colossenzen (2, 15): “Hij heeft de heerschappijen en machten van hun buit beroofd, en openlijk ten toon gesteld”. 286Wanneer daarentegen gezegd wordt: “Zijn naam zal genoemd worden Wonderbare” enz., wordt de weg en het eindpunt van ons heil aangeduid, in zoverre wij nl. door een wonderbaren raad en kracht van de godheid, tot het erfdeel van de toekomstige tijden gebracht worden, waar een volmaakte vrede zal zijn tussen de zonen Gods, onder de Heerschappij van God zelf. De tekst: “Zie een man, Oprijzende is zijn naam”, heeft op hetzelfde als de eerste betrekking, nl. op het geheim van de vleeswording: in zoverre er in de duisternis voor de vromen een licht is opgegaan (Psalm 111, 4)a.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod his, qui fuerunt ante Christum, potuit convenire hoc nomen Jesus secundum aliquam aliam rationem, puta quia aliquam particularem et temporalem salutem attulerunt; sed secundum rationem spiritualis et universalis salutis, hoc nomen proprium est Christo; et secundum hoc dicitur esse nomen novum.

2. Aan hen die vóór Christus leefden, kon deze naam Jesus om een andere reden toekomen : zoo b. v. omdat ze in een bijzonder geval slechts een tijdelijke uitkomst brachten. Maar in de beteekenis van een geestelijk en algemeen heil, is het een eigennaam voor Christus. En in zooverre kan gezegd worden, dat het een nieuwe naam is.2. Aan hen die vóór Christus leefden, kon deze naam Jesus om een andere reden toekomen: zo bv. omdat ze in een bijzonder geval slechts een tijdelijke uitkomst brachten. Maar in de betekenis van een geestelijk en algemeen heil, is het een eigennaam voor Christus. En in zoverre kan gezegd worden, dat het een nieuwe naam is.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod, sicut Gen. 17. legitur, simul Abraham suscepit nominis impositionem a Deo, et circumcisionis mandatum; et ideo apud Judaeos consuetum erat, ut ipso die circumcisionis nomina pueris imponerentur, quasi ante circumcisionem perfectum esse non habuerint, sicut 287etiam nunc pueris in baptismo nomina imponuntur. Unde super illud Prov. 4. [v. 3] : « Ego filius fui patris mei, tenellus, et unigenitus coram matre mea » dicit Gloss. [ordin.] : « Quare Salomon se unigenitum coram matre nominat, quem fratrem uterinum praecessisse Scriptura testatur, nisi quia ille mox natus sine nomine, quasi nunquam esset, de vita decessit? » Et ideo Christus simul cum fuit circumcisus, nominis impositionem accepit.

3. Zooals in het Boek der Schepping te lezen staat (17e H.), ontving Abraham toen hem door God een naam gegeven werd, tegelijkertijd ook het gebod der besnijdenis. En daarom ook bestond bij de Joden de gewoonte om op den dag zelf der besnijdenis aan de kinderen een naam te geven, alsof ze hielden, dat ze vóór de besnijdenis nog niet volmaakt waren. Zoo krijgen ook 287nù de kinderen bij het doopsel hun naam. Vandaar zegt de Glossa op de woorden uit het Boek der Spreuken (4, 3) : « Ik was mijns vaders teergeliefde zoon, en het eenigste kind mijner moeder » : « Waarom anders noemt Salomon zich het eenigste kind zijner moeder, ofschoon de Schrift toch getuigt, dat hem al een broeder was voorafgegaan, dan omdat deze, nauwelijks geboren, zonder naam uit het leven gegaan is, alsof hij nooit bestaan had? » En daarom ontving Christus dus bij zijn besnijdenis zijn naam.3. Zoals in het Boek van de Schepping te lezen staat (17e H.), ontving Abraham toen hem door God een naam gegeven werd, tegelijkertijd ook het gebod van de besnijdenis. En daarom ook bestond bij de Joden de gewoonte om op de dag zelf van de besnijdenis aan de kinderen een naam te geven, alsof ze hielden, dat ze vóór de besnijdenis nog niet volmaakt waren. Zo krijgen ook 287nù de kinderen bij het doopsel hun naam. Vandaar zegt de Glossa op de woorden uit het Boek van de Spreuken (4, 3): “Ik was mijns vaders teergeliefde zoon, en het enigste kind van mijn moeder”: “Waarom anders noemt Salomon zich het enigste kind van zijn moeder, ofschoon de Schrift toch getuigt, dat hem al een broeder was voorafgegaan, dan omdat deze, nauwelijks geboren, zonder naam uit het leven gegaan is, alsof hij nooit bestaan had?” En daarom ontving Christus dus bij zijn besnijdenis zijn naam.

Articulus III

Utrum Christus convenienter fuerit in templo oblatus

[Opusc. 60. cap. 6.]
IIIe Artikel

Paste het wel, dat Christus in den tempel werd opgedragen?Paste het wel, dat Christus in de tempel werd opgedragen?

antwoord 1 ↓

Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod inconvenienter fuerit Christus in templo oblatus: dicitur enim Exod. 13. [v. 2] : « Sanctifica mihi omne primogenitum, quod aperit vulvam in filiis Israël ». Sed Christus exivit de clauso virginis utero, et ita matris vulvam non aperuit. Ergo Christus ex hac lege non debuit in templo offerri.

Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet passend is geweest dat Christus in den tempel werd opgedragen. — 1. In het Boek van den Uittocht wordt immers gezegd (13, 2) : « Heilig mij al het eerstgeborene dat de baarmoeder opent onder de kinderen van Israël ». Maar Christus kwam ter wereld, zonder dat de schoot der Maagd zich opende : en zoo opende Hij de baarmoeder der moeder niet. Dus Christus moest om die wet niet in den tempel opgedragen worden.Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet passend is geweest dat Christus in de tempel werd opgedragen. — 1. In het Boek van de Uittocht wordt immers gezegd (13, 2): “Heilig mij al het eerstgeborene dat de baarmoeder opent onder de kinderen van Israël”. Maar Christus kwam ter wereld, zonder dat de schoot van de Maagd zich opende: en zo opende Hij de baarmoeder van de moeder niet. Dus Christus moest om die wet niet in de tempel opgedragen worden.

antwoord 2 ↓

2882. Praeterea, illud quod est semper praesens alicui, non potest ei praesentari. Sed Christi humanitas semper fuit Deo maxime praesens utpote ei semper conjuncta in unitate personae. Ergo non oportuit, quod coram Domino sisteretur.

2882. Wat iemand altijd nabij is, behoeft hem niet tegenwoordig gesteld te worden. Nu was de menschheid van Christus altijd zoo dicht mogelijk bij God, daar ze in de eenheid van den persoon steeds met Hem verbonden was. Dus was het niet noodig dat Hij aan God werd opgedragen.2882. Wat iemand altijd nabij is, behoeft hem niet tegenwoordig gesteld te worden. Nu was de mensheid van Christus altijd zo dicht mogelijk bij God, daar ze in de eenheid van de persoon steeds met Hem verbonden was. Dus was het niet nodig dat Hij aan God werd opgedragen.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Christus est hostia principalis, ad quam omnes hostiae veteris legis referuntur, sicut figura ad veritatem. Sed hostiae non debet esse alia hostia. Ergo non fuit conveniens, ut pro Christo alia hostia offerretur.

3. Christus is de voornaamste offerande, waartoe al de offeranden van het oude testament in verhouding staan, als voorafbeelding tot werkelijkheid. Maar voor een offerande behoeft geen andere offerande opgedragen te worden. Het was bijgevolg niet passend, dat er voor Christus een andere offerande werd opgedragen.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, inter legales hostias praecipua fuit agnus, qui erat juge sacrificium, ut habetur Numer. 28. [v. 3 et 6]; unde etiam Christus dicitur agnus, Joan. 1. [v. 29] : « Ecce agnus Dei ». Magis ergo fuit conveniens, quod pro Christo offerretur agnus, quam par turturum, vel duo pulli columbarum.

4. Onder de offers der wet was het lam het voornaamste, dat, zooals blijkt uit het Boek der Getallen (28, 3, 6) een gedurige offerande was. Vandaar wordt Christus ook het Lam genoemd bij Joannes (1, 29) : « Zie het Lam Gods ». Het zou dus betamelijker geweest zijn, als voor Christus een lam geofferd was, in plaats van een paar tortels of twee jonge duiven.4. Onder de offers van de wet was het lam het voornaamste, dat, zoals blijkt uit het Boek van de Getallen (28, 3, 6) een gedurige offerande was. Vandaar wordt Christus ook het Lam genoemd bij Johannes (1, 29): “Zie het Lam Gods”. Het zou dus betamelijker geweest zijn, als voor Christus een lam geofferd was, in plaats van een paar tortels of twee jonge duiven.

Sed in contrarium est auctoritas Scripturae, quae hoc factum esse testatur, Luc. 2. [v 22 sqq.].

Daartegenover staat echter het gezag der Schrift, die getuigt, dat het zoo geschied is (Lucas, 2, 22).Daartegenover staat echter het gezag van de Schrift, die getuigt, dat het zo geschied is (Lukas, 2, 22).

Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est [art. 1. huj. q.], 289Christus voluit sub lege fieri, ut eos, qui sub lege erant, redimeret, et ut justificatio legis in suis membris spiritualiter impleretur. De prole autem nata duplex praeceptum in lege traditur: unum quidem generale quoad omnes, ut scilicet completis diebus purificationis matris, offerretur sacrificium pro filio, sive pro filia, ut habetur Levit. 12. [v. 6 sqq.], et hoc quidem sacrificium erat et ad expiationem peccati, in quo proles erat concepta et nata, et etiam ad consecrationem quamdam ipsius, quia tunc primo praesentabatur in templo. Et ideo aliquid offerebatur in holocaustum, et aliquid pro peccato. Aliud autem praeceptum erat speciale in lege de primogenitis tam in hominibus, quam in jumentis: sibi enim Dominus deputaverat omne primogenitum filiorum in Israël, pro eo quod ad liberationem populi Israël percusserat primogenita Aegypti ab homine usque ad pecus, primogenitis filiorum Israël reservatis; et hoc mandatum ponitur Exodi 13. [v. 2, 12 sqq.], in quo etiam praefigurabatur Christus, qui est primogenitus in multis fratribus, ut dicitur Rom. 8. [v. 29]. Quia igitur Christus ex muliere 290natus erat quasi primogenitus, et voluit fieri sub lege, haec duo Evangelista Lucas circa eum fuisse observata ostendit: primo quidem id quod pertinet ad primogenitos, cum dicit: « Tulerunt illum in Hierusalem, ut sisterent eum Domino, sicut scriptum est in lege Domini, quia omne masculinum adaperiens vulvam, sanctum Domino vocabitur ». Secundo illud quod pertinet communiter ad omnes, cum dicit: « Ut darent hostiam, secundum quod dictum erat in lege Domini, par turturum, aut duos pullos columbarum ».

Leerstelling. — Zooals gezegd is (1e Art.) wilde Christus 289onder de wet geboren worden, opdat Hij hen, die onder de wet stonden zou loskoopen, en opdat de gerechtigheid der wet in zijn ledematen op een geestelijke wijze zou vervuld worden. Nu wordt er aangaande een geboren kind een tweevoudig voorschrift in de wet gegeven. Het eerste is van algemeenen aard en heeft op allen betrekking, en het luidt, dat, als de dagen van de zuivering der moeder voleind zijn, een offerande opgedragen worde voor een zoon of voor een dochter, zooals blijkt uit Leviticus (12, 6 vlg.). Deze offerande nu, had tot doel, zoowel de verzoening voor de zonde, waarin het kind ontvangen en geboren was, als ook een zekere heiliging, daar het toen voor het eerst in den tempel werd opgedragen. En daarom werd er iets ten brandoffer opgedragen en iets voor de zonde. Het andere voorschrift der wet, was van bijzonderen aard en had zoowel op de menschen als op de dieren betrekking : want God had zich al de eerstgeborenen in Israël toegeëigend, daar Hij, om het volk van Israël te redden, met behoud van de eerstgeborenen der zonen Israëls, de eerstgeborenen van Egypte, van de menschen tot de dieren toe, geslagen had. (Uittocht, 12, 12, 13, 29) En dit bevel staat in het Boek van den Uittocht (13, 2, 12). Ook hierin werd Christus voorafgebeeld, die de eerstgeborene is onder vele broeders, zooals gezegd wordt in den Brief aan de Romeinen (8, 19). 290Omdat dus Christus, geboren uit een vrouw, een eerstgeborene was, en onder de wet wilde geboren worden (vgl. Galaten, 4, 4), daarom laat de Evangelist Lucas zien, dat die twee voorschriften, ook met betrekking tot Hem, in acht genomen zijn. En ten eerste, datgene wat de eerstgeborenen betreft, als hij zegt (2, 22, 23) : « Ze brachten Hem naar Jerusalem, om Hem op te dragen aan den Heer, omdat ieder kind van het mannelijk geslacht, dat den moederschoot opent, den Heer moet worden toegewijd ». En het tweede, dat op allen in het algemeen betrekking heeft, daar, waar hij zegt: « En om een offer te brengen, naar het bevel van 's Heeren wet, een paar tortels of twee jonge duiven ». (v. 24).Leerstelling. — Zoals gezegd is (1e Art.) wilde Christus 289onder de wet geboren worden, opdat Hij hen, die onder de wet stonden zou loskopen, en opdat de gerechtigheid van de wet in zijn ledematen op een geestelijke wijze zou vervuld worden. Nu wordt er aangaande een geboren kind een tweevoudig voorschrift in de wet gegeven. Het eerste is van algemenen aard en heeft op allen betrekking, en het luidt, dat, als de dagen van de zuivering van de moeder voleind zijn, een offerande opgedragen worde voor een zoon of voor een dochter, zoals blijkt uit Leviticus (12, 6 vlg.). Deze offerande nu, had tot doel, zowel de verzoening voor de zonde, waarin het kind ontvangen en geboren was, als ook een zekere heiliging, daar het toen voor het eerst in de tempel werd opgedragen. En daarom werd er iets ten brandoffer opgedragen en iets voor de zonde. Het andere voorschrift van de wet, was van bijzondere aard en had zowel op de mensen als op de dieren betrekking: want God had zich al de eerstgeborenen in Israël toegeëigend, daar Hij, om het volk van Israël te redden, met behoud van de eerstgeborenen van de zonen Israëls, de eerstgeborenen van Egypte, van de mensen tot de dieren toe, geslagen had. (Uittocht, 12, 12, 13, 29) En dit bevel staat in het Boek van de Uittocht (13, 2, 12). Ook hierin werd Christus voorafgebeeld, die de eerstgeborene is onder vele broeders, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (8, 19). 290Omdat dus Christus, geboren uit een vrouw, een eerstgeborene was, en onder de wet wilde geboren worden (vgl. Galaten, 4, 4), daarom laat de Evangelist Lukas zien, dat die twee voorschriften, ook met betrekking tot Hem, in acht genomen zijn. En ten eerste, datgene wat de eerstgeborenen betreft, als hij zegt (2, 22, 23): “Ze brachten Hem naar Jerusalem, om Hem op te dragen aan de Heer, omdat ieder kind van het mannelijk geslacht, dat de moederschoot opent, de Heer moet worden toegewijd”. En het tweede, dat op allen in het algemeen betrekking heeft, daar, waar hij zegt: “En om een offer te brengen, naar het bevel van 's Heren wet, een paar tortels of twee jonge duiven”. (v. 24).

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod, sicut Gregorius Nyssenus dicit [De Occursu Dom.], « illud legis praeceptum in solo incarnato Deo singulariter et ab aliis differenter impleri videtur: ipse namque solus ineffabiliter conceptus ac incomprehensibiliter editus, virginalem uterum aperuit, non antea connubio reseratum, servans et post partum inviolabiliter signaculum castitatis »; unde quod dicit, adaperiens vulvam, designat, quod nihil 291antea inde intraverat vel exiverat. Et per hoc etiam specialiter dicitur masculinus, quia nihil de foemineitate culpae portavit; singulariter etiam « sanctus, quia terrenae contagia corruptelae immaculati partus novitate non sensit » [Ambr. Epos. in Luc., L. II, ad c. 2, v. 23].

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Gregorius van Nyssa zegt in zijn werk Over de komst des Heeren : « Dit voorschrift der wet schijnt in den vleeschgeworden God alleen, op een bijzondere en van alle andere verschillende wijze, nagekomen te worden. Want Hij alleen, op een onuitsprekelijke manier ontvangen en op onbegrijpelijke wijze gebaard, opende een maagdelijken schoot, die niet van te voren door echtelijken omgang al geopend was en die ook nà de baring het zegel der kuischheid ongeschonden wist te bewaren ». Met derhalve te zeggen : den moederschoot openend, duidt hij aan dat van te voren er niets in- of uitgegaan was. En daarom ook wordt Hij in het bijzonder « van het mannelijk geslacht » 291genoemd: omdat Hij niets van de schuld der vrouw droeg. (Gregorius van Nyssa t. a. p.) Bij uitstek ook « heilig »: « Hij die, dank zij iets geheel nieuws: een onbevlekte baring, de besmetting van het aardsch bederf niet gevoeld heeft ». (Ambrosius, Uitleg van Lucas, 2e B., op 2, 23).Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Gregorius van Nyssa zegt in zijn werk Over de komst van de Heer: “Dit voorschrift van de wet schijnt in de vleesgeworden God alleen, op een bijzondere en van alle andere verschillende wijze, nagekomen te worden. Want Hij alleen, op een onuitsprekelijke manier ontvangen en op onbegrijpelijke wijze gebaard, opende een maagdelijken schoot, die niet van te voren door echtelijke omgang al geopend was en die ook nà de baring het zegel van de kuisheid ongeschonden wist te bewaren”. Met derhalve te zeggen: de moederschoot openend, duidt hij aan dat van te voren er niets in- of uitgegaan was. En daarom ook wordt Hij in het bijzonder “van het mannelijk geslacht” 291genoemd: omdat Hij niets van de schuld van de vrouw droeg. (Gregorius van Nyssa t. a. p.) Bij uitstek ook “heilig”: “Hij die, dank zij iets geheel nieuws: een onbevlekte baring, de besmetting van het aards bederf niet gevoeld heeft”. (Ambrosius, Uitleg van Lukas, 2e B., op 2, 23).

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod sicut Filius Dei non propter seipsum factus est homo, et circumcisus in carne, sed ut nos per gratiam faceret Deos, et ut spiritualiter circumcidamur, sic propter nos sistitur Domino, ut discamus Deo praesentare nosmetipsos. Et hoc post circumcisionem ejus factum est, ut ostendat, neminem, nisi circumcisum vitiis, dignum esse divinis conspectibus.

2. Gelijk de Zoon Gods niet om zich zelf mensch geworden is en in het vleesch besneden werd, maar om ons door de genade tot Goden te maken en opdat wij op een geestelijke wijze zouden besneden worden; zoo wordt Hij ook om ons aan den Heer opgedragen, opdat wij zouden leeren onszelf aan God aan te bieden. (Athanasius in Lucas, 2, 23). En dit had plaats nà zijn besnijdenis, om aan te toonen dat alleen hij die van zijn ondeugden is besneden, de goddelijke blikken waardig is. (Beda, Uitleg van Lucas op 2, 23).2. Gelijk de Zoon Gods niet om zichzelf mens geworden is en in het vlees besneden werd, maar om ons door de genade tot Goden te maken en opdat wij op een geestelijke wijze zouden besneden worden; zo wordt Hij ook om ons aan de Heer opgedragen, opdat wij zouden leren onszelf aan God aan te bieden. (Athanasius in Lukas, 2, 23). En dit had plaats nà zijn besnijdenis, om aan te tonen dat alleen hij die van zijn ondeugden is besneden, de goddelijke blikken waardig is. (Beda, Uitleg van Lukas op 2, 23).

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod, propter hoc ipsum voluit hostias legales pro se offerri, qui erat vera hostia, ut figura veritati conjungeretur, et per veritatem figura approbaretur, contra illos qui Deum legis negant a Christo fuisse in Evangelio praedicatum: « Non enim putandum est », ut Origenes 292dicit [hom. 14. in Luc.], « quod filium suum bonus Deus sub lege fecerit, quam ipse non dederat ».

3. De eigenlijke reden, waarom Hij, die het waarachtige offer is, voor zich zelf de wettelijke offeranden liet opdragen, was om de voorafbeelding met de werkelijkheid te verbinden en door de werkelijkheid de voorafbeelding te bevestigen : waardoor Hij een bewijs leverde tegen hen, die zeggen, dat de God der wet door Christus in het Evangelie niet is gepredikt. « Want het is niet aan te nemen zooals Origenes zegt (14e Homelie op Lucas), dat de 292goede God zijn Zoon onder de wet van een vijand, welke Hij dus zelf niet gegeven had, zou hebben laten geboren worden ».3. De eigenlijke reden, waarom Hij, die het waarachtige offer is, voor zichzelf de wettelijke offeranden liet opdragen, was om de voorafbeelding met de werkelijkheid te verbinden en door de werkelijkheid de voorafbeelding te bevestigen: waardoor Hij een bewijs leverde tegen hen, die zeggen, dat de God van de wet door Christus in het Evangelie niet is gepredikt. “Want het is niet aan te nemen zoals Origenes zegt (14e Homelie op Lukas), dat de 292goede God zijn Zoon onder de wet van een vijand, welke Hij dus zelf niet gegeven had, zou hebben laten geboren worden”.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod Levit. 12. [v. 6 et 8] praecipitur, ut qui possent, agnum pro filio aut filia, simul et turturem sive columbam offerrent; qui vero non sufficerent ad offerendum agnum, duos turtures vel duos columbarum pullos offerrent. Dominus ergo, qui « cum dives esset, propter nos egenus factus est, ut illius inopia divites essemus », ut dicitur 2. ad Cor. 8. [v. 9], pro se pauperum hostiam voluit offerri, sicut et in ipsa nativitate pannis involvitur, et reclinatur in praesepio.

4. In het Boek der Levieten (12, 6, 8) wordt voorgeschreven dat zij, die het kunnen doen voor een zoon of een dochter een lam met een tortelduif of een duif offeren: die echter niet voldoende bezitten om een lam te offeren, moeten een offer brengen van twee tortelduiven of twee jonge duiven. (Beda, 15e Homelie op het feest van Maria Lichtmis). De Heer echter, die naar het woord van den Tweeden Korinthiërbrief (8, 9) « om onzentwil arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat wij rijk zouden worden door zijn armoede », wilde dat voor Hem het offer der armen gebracht zou worden (Beda, Verklaring van Lucas, 1e B.) : evenals Hij bij zijn geboorte in doeken gewikkeld wordt en in een kribbe wordt neergelegd. (Lucas, 2, 7).4. In het Boek van de Levieten (12, 6, 8) wordt voorgeschreven dat zij, die het kunnen doen voor een zoon of een dochter een lam met een tortelduif of een duif offeren: die echter niet voldoende bezitten om een lam te offeren, moeten een offer brengen van twee tortelduiven of twee jonge duiven. (Beda, 15e Homelie op het feest van Maria Lichtmis). De Heer echter, die naar het woord van de Tweede Korintiërbrief (8, 9) “om onzentwil arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat wij rijk zouden worden door zijn armoede”, wilde dat voor Hem het offer van de armen gebracht zou worden (Beda, Verklaring van Lukas, 1e B.): evenals Hij bij zijn geboorte in doeken gewikkeld wordt en in een kribbe wordt neergelegd. (Lukas, 2, 7).

Nihilominus tamen hujusmodi aves figurae congruunt: turtur enim, quia est avis loquax, praedicationem et confessionem fidei significat; quia vero est animal castum, significat castitatem; quia vero est animal solitarium, significat contemplationem. Columba vero est animal mansuetum et simplex, mansuetudinem 293et simplicitatem significans; est etiam animal gregale, unde significat vitam activam. Et ideo hujusmodi hostia figurabat perfectionem Christi et membrorum ejus. Utrumque etiam animal propter consuetudinem gemendi praesentes Sanctorum luctus designat: sed turtur, quae est solitaria, significat secretas orationum lacrymas, columba vero, quae est gregalis, significat publicas orationes Ecclesiae. Utrumque vero animal duplicatum offertur, ut sanctitas sit non solum in anima, sed etiam in corpore.

Maar toch kunnen deze vogels wel als voorafbeelding dienst doen. De tortelduif beteekent immers, omdat zij een vogel is die nog al graag praat, de prediking en de belijdenis van het geloof; en omdat ze een kuisch dier is, beteekent ze de kuischheid; en wijl ze een dier is, dat op zich zelf leeft, beteekent ze de beschouwing. De duif daarentegen is een zachtmoedig en eenvoudig dier en duidt daarom de zachtmoedigheid en den eenvoud aan. Zij is echter een dier, dat in zwermen leeft en vandaar beteekent zij het aktieve leven. En dus beteekende dit soort offerande de volmaaktheid van Christus en van zijn ledematen. — Om hun gewoonte van 293te kirren, duiden beide dieren echter de tegenwoordige weeklachten der heiligen aan : maar de tortelduif beteekent, omdat zij op zich zelf leeft, de tranen die onder het bidden gestort worden; de duif daarentegen beteekent, omdat zij in zwermen leeft, de openbare gebeden der Kerk. (Beda, 15e Homelie, op het feest van Maria Lichtmis). — Beide dieren worden echter in paren geofferd als om aan te duiden, dat niet alleen de ziel, maar ook het lichaam heilig moet zijn.Maar toch kunnen deze vogels wel als voorafbeelding dienst doen. De tortelduif betekent immers, omdat zij een vogel is die nog al graag praat, de prediking en de belijdenis van het geloof; en omdat ze een kuis dier is, betekent ze de kuisheid; en wijl ze een dier is, dat op zichzelf leeft, betekent ze de beschouwing. De duif daarentegen is een zachtmoedig en eenvoudig dier en duidt daarom de zachtmoedigheid en de eenvoud aan. Zij is echter een dier, dat in zwermen leeft en vandaar betekent zij het actieve leven. En dus betekende dit soort offerande de volmaaktheid van Christus en van zijn ledematen. — Om hun gewoonte van 293te kirren, duiden beide dieren echter de tegenwoordige weeklachten van de heiligen aan: maar de tortelduif betekent, omdat zij op zichzelf leeft, de tranen die onder het bidden gestort worden; de duif daarentegen betekent, omdat zij in zwermen leeft, de openbare gebeden van de Kerk. (Beda, 15e Homelie, op het feest van Maria Lichtmis). — Beide dieren worden echter in paren geofferd als om aan te duiden, dat niet alleen de ziel, maar ook het lichaam heilig moet zijn.

Articulus IV

Utrum Mater Dei convenienter ad templum purganda accesserit

[Opusc. 60. cap. 3.]
IVe Artikel

Behoorde de Moeder Gods wel op te gaan naar den tempel om gezuiverd te worden ?Behoorde de Moeder Gods wel op te gaan naar de tempel om gezuiverd te worden?

antwoord 1 ↓

Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod inconvenienter mater Dei purganda ad templum accesserit: purgatio enim non videtur esse nisi ab immunditia. Sed in B. Virgine nulla fuit immunditia, ut ex supradictis patet [art. praec. ad 1., et q. 27., art. 4. et 5.; q. 28.]. Ergo non debuit ut purganda ad templum accedere.

Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet passend was, dat Gods Moeder op is gegaan naar den tempel om gezuiverd te worden. — 1. Men laat zich immers alleen maar van onreinheid zuiveren. Maar, zooals uit het voorafgaande blijkt (het vorige Art., Antw. op de 1e Bed.; 27e Kw., 3e en 4e Art.), was in de Heilige Maagd geen enkele onreinheid. Zij behoefde dus niet op te-gaan naar den tempel om gezuiverd te worden.Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet passend was, dat Gods Moeder op is gegaan naar de tempel om gezuiverd te worden. — 1. Men laat zich immers alleen maar van onreinheid zuiveren. Maar, zoals uit het voorafgaande blijkt (het vorige Art., Antw. op de 1e Bed.; 27e Kw., 3e en 4e Art.), was in de Heilige Maagd geen enkele onreinheid. Zij behoefde dus niet op te-gaan naar de tempel om gezuiverd te worden.

antwoord 2 ↓

2942. Praeterea, Levit. 12. [v. 2] dicitur: « Mulier, quae suscepto semine pepererit masculum, immunda erit septem diebus », et ideo ei praecipitur, quod non ingrediatur sanctuarium, donec impleantur dies purgationis ejus. Sed B. Virgo peperit masculum sine virili semine. Non ergo debuit ad templum venire purganda.

2942. In het Boek der Levieten wordt gezegd (12, 2) : « Een bevruchte vrouw, die een kind baart van het mannelijk geslacht, zal zeven dagen onrein zijn »; en daarom wordt haar voorgeschreven dat zij het heiligdom niet mag binnengaan, totdat de dagen harer zuivering volbracht zijn. (t. a. p. 4). De Heilige Maagd nu, baarde een kind van het mannelijk geslacht zonder door een man bevrucht te zijn. Zij moest dus niet tot den tempel komen om gezuiverd te worden.2942. In het Boek van de Levieten wordt gezegd (12, 2): “Een bevruchte vrouw, die een kind baart van het mannelijk geslacht, zal zeven dagen onrein zijn”; en daarom wordt haar voorgeschreven dat zij het heiligdom niet mag binnengaan, totdat de dagen van haar zuivering volbracht zijn. (t. a. p. 4). De Heilige Maagd nu, baarde een kind van het mannelijk geslacht zonder door een man bevrucht te zijn. Zij moest dus niet tot de tempel komen om gezuiverd te worden.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, purgatio ab immunditia non fit nisi per gratiam. Sed sacramenta veteris legis gratiam non conferebant, sed ipsa potius secum gratiae auctorem habebat. Non ergo conveniens fuit, ut ei ad templum purganda veniret.

3. Alleen door de genade kan men van zijn onreinheid gezuiverd worden. Maar de sacramenten der oude wet schonken geen genade, terwijl zij zelf den Bewerker der genade droeg. De Heilige Maagd behoorde derhalve niet naar den tempel te gaan om gezuiverd te worden.3. Alleen door de genade kan men van zijn onreinheid gezuiverd worden. Maar de sacramenten van de oude wet schonken geen genade, terwijl zij zelf de Bewerker van de genade droeg. De Heilige Maagd behoorde derhalve niet naar de tempel te gaan om gezuiverd te worden.

Sed contra est auctoritas Scripturae, qua dicitur Luc. 2. [v. 22] quod « impleti sunt dies purgationis Mariae secundum legem Moysi ».

Daartegenover staat echter het gezag der Schrift, waarin gezegd wordt (Lucas, 2, 22) dat de dagen vervuld waren der reiniging van Maria volgens de wet van Moses.Daartegenover staat echter het gezag van de Schrift, waarin gezegd wordt (Lukas, 2, 22) dat de dagen vervuld waren van de reiniging van Maria volgens de wet van Moses.

Respondeo dicendum, quod sicut plenitudo gratiae a Christo derivatur in matrem, ita decuit, ut mater humilitati filii conformaretur. « Humilibus enim Deus dat gratiam », ut dicitur Jacobi 4. [v. 6]; et ideo sicut Christus, 295licet non esset legi obnoxius, voluit tamen circumcisionem et alia legis onera subire, ad demonstrandum humilitatis et obedientiae exemplum, et ut approbaret legem, et ut calumniae occasionem Judaeis tolleret, propter easdem rationes voluit et matrem suam implere legis observantias, quibus tamen non erat obnoxia.

Leerstelling. — Evenals de volheid der genade van Christus overgevloeid is op de moeder, zoo diende ook de moeder zich aan te passen aan de nederigheid van den zoon : want zooals Jacobus zegt (4, 6) : « aan de nederigen geeft God genade ». En evenals 295dus Christus, ofschoon Hij niet aan de wet gebonden was, de besnijdenis en de andere lasten der wet op zich wilde nemen, ten einde een voorbeeld te geven van nederigheid en gehoorzaamheid, de wet te bekrachtigen en den Joden een aanleiding tot laster te ontnemen, zoo wilde Hij om dezelfde redenen, dat ook zijn moeder de voorschriften der wet zou nakomen, ofschoon ze er niet aan gebonden was.Leerstelling. — Evenals de volheid van de genade van Christus overgevloeid is op de moeder, zo diende ook de moeder zich aan te passen aan de nederigheid van de zoon: want zoals Jacobus zegt (4, 6): “aan de nederigen geeft God genade”. En evenals 295dus Christus, ofschoon Hij niet aan de wet gebonden was, de besnijdenis en de andere lasten van de wet op zich wilde nemen, ten einde een voorbeeld te geven van nederigheid en gehoorzaamheid, de wet te bekrachtigen en de Joden een aanleiding tot laster te ontnemen, zo wilde Hij om dezelfde redenen, dat ook zijn moeder de voorschriften van de wet zou nakomen, ofschoon ze er niet aan gebonden was.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod licet B. Virgo nullam haberet immunditiam, voluit tamen purgationis observantiam implere, non propter indigentiam, sed propter legis praeceptum; et ideo signanter Evangelista dicit, quod « impleti sunt dies purgationis ejus secundum legem », ipsa enim secundum se purgatione non indigebat.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Ofschoon de Heilige Maagd geheel rein was, wilde ze toch het voorschrift der zuivering nakomen, niet alsof ze er behoefte aan had, maar omdat de wet het voorschreef. En daarom zegt de Evangelist uitdrukkelijk dat de dagen vervuld waren harer reiniging volgens de wet : want zij zelf had als zoodanig geen reiniging noodig.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Ofschoon de Heilige Maagd geheel rein was, wilde ze toch het voorschrift van de zuivering nakomen, niet alsof ze er behoefte aan had, maar omdat de wet het voorschreef. En daarom zegt de Evangelist uitdrukkelijk dat de dagen vervuld waren van haar reiniging volgens de wet: want zij zelf had als zodanig geen reiniging nodig.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod signanter Moyses videtur fuisse locutus ad excipiendam ab immunditia Matrem Dei, quae non peperit suscepto semine; et ideo patet, quod non obligabatur ad impletionem illius praecepti, sed voluntarie purgationis observantiam adimplevit, ut dictum est [in corp. art.].

2. Mozes schijnt zich met opzet zoo uitgedrukt te hebben, als om de Moeder Gods van de onreinheid uit te zonderen, die niet baarde na bevrucht te zijn. Derhalve blijkt wel, dat zij niet verplicht was dat voorschrift na te komen, maar dat zij, zooals gezegd (Antw. op de 1e Bed.), vrijwillig het voorschrift der zuivering nagekomen is.2. Mozes schijnt zich met opzet zo uitgedrukt te hebben, als om de Moeder Gods van de onreinheid uit te zonderen, die niet baarde na bevrucht te zijn. Derhalve blijkt wel, dat zij niet verplicht was dat voorschrift na te komen, maar dat zij, zoals gezegd (Antw. op de 1e Bed.), vrijwillig het voorschrift van de zuivering nagekomen is.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod legalia sacramenta non purgabant ab 296immunditia culpae, quod fit per gratiam, sed hanc purgationem praefigurabant; purgabant autem purgatione quadam carnali ab immunditia irregularitatis cujusdam, sicut in 2. parte dictum est [1-2. q. 102. art. 5.]; neutram tamen immunditiam Beata Virgo contraxerat, et ideo non indigebat purgari.

3. De sacramenten der wet reinigden niet van de onreinheid der 296schuld — wat de genade wèl doet — maar zij waren van deze reiniging een voorafbeelding : ze zuiverden immers, door een soort lichamelijke reiniging, van een zekere wettelijke onreinheid (irregularitas), zooals gezegd is in het 2e Deel (Ia-IIae, 102e Kw., 5e Art.; 103e Kw., 2e Art.). De Heilige Maagd had echter geen van beide soorten van onreinheid gecontraheerd*. En dus behoefde zij niet gezuiverd te worden.3. De sacramenten van de wet reinigden niet van de onreinheid van de 296schuld — wat de genade wèl doet — maar zij waren van deze reiniging een voorafbeelding: ze zuiverden immers, door een soort lichamelijke reiniging, van een zekere wettelijke onreinheid (irregularitas), zoals gezegd is in het 2e Deel (1-2, 102e Kw., 5e Art.; 103e Kw., 2e Art.). De Heilige Maagd had echter geen van beide soorten van onreinheid gecontraheerd*. En dus behoefde zij niet gezuiverd te worden.