Theologische Summa · Tertia Pars · Christus' komst in de wereldSumma · III · Christus' komst in de wereldSumma · III · Kw. 28Kw. 28
Quaestio XXVIII

De virginitate Beatae Mariae

Kwestie 28

Over de maagdelijkheid der Moeder GodsOver de maagdelijkheid van de Moeder Gods

(Vier Artikelen)

37Deinde considerandum est de virginitate Matris Dei.

37Vervolgens moeten we handelen over de maagdelijkheid der Moeder Gods.37Vervolgens moeten we handelen over de maagdelijkheid van de Moeder Gods.

Et circa hoc quaeruntur quatuor: 1. Utrum fuerit virgo in concipiendo. — 2. Utrum fuerit virgo in partu. — 3. Utrum permanserit virgo post partum. — 4. Utrum votum virginitatis emiserit.

Hieromtrent worden vier vragen gesteld: 1. Was zij maagd bij het ontvangen? 2. Was zij maagd bij Christus' geboorte? 3. Is zij na Christus' geboorte maagd gebleven? 4. Heeft zij de gelofte van maagdelijkheid afgelegd?

Articulus I

Utrum beata Maria fuerit virgo in concipiendo

[Lib. 4. Contr. g. cap. 45. et opusc. 2. cap. 225. et opusc. 60. cap. 4.]
Ie Artikel

Was de Moeder Gods Maagd, toen zij Christus ontving?

antwoord 1 ↓

37Ad primum sic proceditur. Videtur, quod Mater Dei non fuerit virgo in concipiendo Christum: nulla enim proles, quae habet patrem et matrem, 38ex Virgine matre concipitur. Sed Christus non solum dicitur habere matrem, sed etiam patrem: dicitur enim Luc. 2 [v. 33]: « Erant pater ejus et mater mirantes super his, quae dicebantur de illo », et infra [v. 48] eadem mater dicit: « Ecce pater tuus et ego dolentes quaerebamus te ». Ergo Christus non est conceptus ex virgine matre.

37Bedenkingen. — Men beweert, dat de Moeder Gods geen maagd was, toen zij Christus ontving. — 1. Geen enkel kind toch, dat vader en moeder heeft, wordt uit een maagdelijke 38moeder ontvangen. Welnu aangaande Christus wordt geleerd, dat Hij niet slechts een moeder maar ook een vader had; want bij Lucas (2, 33) lezen we: « Zijn vader en moeder stonden verbaasd over hetgeen van Hem werd gezegd ». En kort daarop (Lucas, 2, 48): « Zie, ik en uw vader zochten U met smart ». Derhalve is Christus niet ontvangen uit een maagdelijke moeder.37Bedenkingen. — Men beweert, dat de Moeder Gods geen maagd was, toen zij Christus ontving. — 1. Geen enkel kind toch, dat vader en moeder heeft, wordt uit een maagdelijke 38moeder ontvangen. Welnu aangaande Christus wordt geleerd, dat Hij niet slechts een moeder maar ook een vader had; want bij Lukas (2, 33) lezen we: “Zijn vader en moeder stonden verbaasd over hetgeen van Hem werd gezegd”. En kort daarop (Lukas, 2, 48): “Zie, ik en uw vader zochten U met smart”. Derhalve is Christus niet ontvangen uit een maagdelijke moeder.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Matth. 1 [v. 1 sqq.] probatur, quod Christus fuerit filius Abrahae et David per hoc, quod Joseph ex David descendit; quae quidem probatio nulla esset, si Joseph pater Christi non fuisset. Ergo videtur, quod mater Christi eum ex semine Joseph conceperit; et ita non videtur fuisse virgo in concipiendo.

2. In Mattheus (1, 1 en vlgd.) wordt bewezen, dat Christus de zoon was van Abraham en van David door het feit, dat Joseph afstamt van David. Deze redeneering nu bewijst niets, naar men beweert, indien Joseph niet de vader van Christus is geweest. Derhalve schijnt het dat de Moeder van Christus Hem uit Joseph's zaad heeft ontvangen, en zoo schijnt zij geen maagd geweest te zijn, toen zij Christus ontving.2. In Matteüs (1, 1 en vlgd.) wordt bewezen, dat Christus de zoon was van Abraham en van David door het feit, dat Joseph afstamt van David. Deze redenering nu bewijst niets, naar men beweert, indien Joseph niet de vader van Christus is geweest. Derhalve schijnt het dat de Moeder van Christus Hem uit Joseph's zaad heeft ontvangen, en zo schijnt zij geen maagd geweest te zijn, toen zij Christus ontving.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Galat. 4 [v. 4] dicitur: « Misit Deus filium suum factum ex muliere ». Mulier autem consueto modo loquendi dicitur, quae est viro cognita. Ergo Christus non fuit conceptus ex virgine matre.

3. In den Brief aan de Galaten (4, 4) wordt gezegd: « God heeft Zijn eigen Zoon gezonden, die geboren werd uit een vrouw ». Naar de gewone wijze van spreken nu wordt iemand « vrouw » genoemd, die door een man bekend werd. Derhalve werd Christus niet ontvangen uit een maagdelijke moeder.3. In de Brief aan de Galaten (4, 4) wordt gezegd: “God heeft Zijn eigen Zoon gezonden, die geboren werd uit een vrouw”. Naar de gewone wijze van spreken nu wordt iemand “vrouw” genoemd, die door een man bekend werd. Derhalve werd Christus niet ontvangen uit een maagdelijke moeder.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, eorum quae sunt ejusdem speciei, est idem modus generationis, quia generatio recipit speciem a termino, sicut et caeteri motus. Sed Christus fuit ejusdem speciei cum aliis hominibus, secundum illud Philip. 2 39[v. 7]: « In similitudinem hominum factus, et habitu inventus ut homo ». Cum ergo alii homines generentur ex commixtione maris et foeminae, videtur quod etiam Christus simili modo fuerit generatus; et ita non videtur fuisse conceptus ex virgine matre.

4. Gelijksoortigen worden allen op een zelfde wijze voortgebracht, want de voortbrenging wordt, gelijk dat bij de overige veranderingen eveneens het geval is, in haar eigen aard bepaald door het eindpunt der voortbrenging. Welnu, Christus behoorde tot 39dezelfde soort als de overige menschen, volgens den Brief aan de Philippenzen (2, 7): « Hij is gelijk geworden aan de menschen en uiterlijk bevonden als mensch ». Daar dus de overige menschen worden voortgebracht krachtens de vereeniging van man en vrouw, werd ook Christus, naar men beweert, op gelijke wijze voortgebracht. En derhalve werd Hij niet ontvangen uit een maagdelijke moeder.4. Gelijksoortigen worden allen op een zelfde wijze voortgebracht, want de voortbrenging wordt, gelijk dat bij de overige veranderingen eveneens het geval is, in haar eigen aard bepaald door het eindpunt van de voortbrenging. Welnu, Christus behoorde tot 39dezelfde soort als de overige mensen, volgens de Brief aan de Filippenzen (2, 7): “Hij is gelijk geworden aan de mensen en uiterlijk bevonden als mens”. Daar dus de overige mensen worden voortgebracht krachtens de vereniging van man en vrouw, werd ook Christus, naar men beweert, op gelijke wijze voortgebracht. En derhalve werd Hij niet ontvangen uit een maagdelijke moeder.

antwoord 5 ↓

5. Praeterea, quaelibet forma naturalis habet materiam sibi determinatam, extra quam esse non potest. Materia autem formae humanae videtur esse semen maris et foeminae. Si ergo corpus Christi non fuerit conceptum ex semine maris et foeminae, non vere fuit corpus humanum, quod est inconveniens. Videtur igitur non fuisse conceptus ex virgine matre.

5. Iedere natuurlijke wezensvorm heeft een aan hem aangepaste materie. De materie nu van 's menschen wezensvorm is, naar men beweert, het zaad van man en vrouw. Indien dus Christus' lichaam niet ontvangen werd uit het zaad van man en vrouw, zou het geen waarachtig menschelijk lichaam geweest zijn; dit echter is onjuist. Derhalve werd Hij niet ontvangen uit een maagdelijke moeder.5. Iedere natuurlijke wezensvorm heeft een aan hem aangepaste materie. De materie nu van 's mensen wezensvorm is, naar men beweert, het zaad van man en vrouw. Indien dus Christus' lichaam niet ontvangen werd uit het zaad van man en vrouw, zou het geen waarachtig menselijk lichaam geweest zijn; dit echter is onjuist. Derhalve werd Hij niet ontvangen uit een maagdelijke moeder.

Sed contra est, quod dicitur Isaiae 7 [v. 14]: « Ecce virgo concipiet ».

Daartegenover echter staat hetgeen we lezen bij Isaias (7, 14): « Zie, de maagd zal ontvangen ».Daartegenover echter staat hetgeen we lezen bij Jesaja (7, 14): “Zie, de maagd zal ontvangen”.

Respondeo dicendum, quod simpliciter confitendum est, matrem Christi virginem concepisse; contrarium enim pertinet ad haeresim Ebionitarum et Cerinthi, qui Christum purum hominem arbitrabantur, et de utroque sexu 40eum natum putaverunt. Quod enim Christus sit conceptus ex virgine, conveniens est propter quatuor: primo propter mittentis Patris dignitatem conservandam: cum enim Christus sit verus et naturalis Dei Filius, non fuit conveniens, quod alium patrem haberet, quam Deum, ne dignitas Dei Patris transferretur ad alium.

Leerstelling. — Onvoorwaardelijk moet men erkennen, dat Christus' moeder als maagd ontvangen heeft; de tegenovergestelde meening toch behoort tot de dwaling der Ebionieten en van Cerinthus; dezen hielden, dat Christus mensch was zonder meer, en dachten, dat Hij uit man en vrouw geboren was. 40Dat Christus uit een maagd ontvangen werd, is passend om de vier volgende redenen, — 1e, om geen afbreuk te doen aan de waardigheid des Vaders, Die Hem zond. Want, daar Christus de ware en de natuurlijke Zoon Gods is, was het niet passend, dat Hij een anderen vader zou hebben dan God, opdat de waardigheid van God niet op een ander zou overgaan.Leerstelling. — Onvoorwaardelijk moet men erkennen, dat Christus' moeder als maagd ontvangen heeft; de tegenovergestelde mening toch behoort tot de dwaling van de Ebionieten en van Cerinthus; deze hielden, dat Christus mens was zonder meer, en dachten, dat Hij uit man en vrouw geboren was. 40Dat Christus uit een maagd ontvangen werd, is passend om de vier volgende redenen, — eerste, om geen afbreuk te doen aan de waardigheid van de Vader, Die Hem zond. Want, daar Christus de ware en de natuurlijke Zoon Gods is, was het niet passend, dat Hij een anderen vader zou hebben dan God, opdat de waardigheid van God niet op een ander zou overgaan.

Secundo hoc fuit conveniens proprietati ipsius Filii, qui mittitur, qui quidem est Verbum Dei: verbum autem absque omni corruptione cordis concipitur; quinimmo cordis corruptio perfecti verbi conceptionem non patitur. Quia ergo caro sic fuit a Verbo Dei assumpta, ut esset caro Verbi Dei, conveniens fuit, quod etiam ipsa sine corruptione matris conciperetur.

2e, was dit passend juist om het persoons-eigene van den Zoon, Die gezonden wordt. Hij toch is het Woord Gods. Het woord nu wordt zonder eenige schending des geestes ontvangen; ja zelfs is de geschondenheid des geestes een beletsel voor de ontvangenis van een volmaakt woord. Daar nu het lichaam zóó door het Woord Gods werd aangenomen, dat het het lichaam van het Woord Gods zou zijn, was het passend, dat ook dit lichaam zonder eenige schending der moeder ontvangen werd.tweede, was dit passend juist om het persoons-eigene van de Zoon, Die gezonden wordt. Hij toch is het Woord Gods. Het woord nu wordt zonder enige schending van de geest ontvangen; ja zelfs is de geschondenheid van de geest een beletsel voor de ontvangenis van een volmaakt woord. Daar nu het lichaam zó door het Woord Gods werd aangenomen, dat het het lichaam van het Woord Gods zou zijn, was het passend, dat ook dit lichaam zonder enige schending van de moeder ontvangen werd.

Tertio hoc fuit conveniens dignitati humanitatis Christi, in qua locum peccatum habere non debuit, per quam peccatum mundi tollebatur, secundum illud Joan. 1 [v. 29]: « Ecce agnus Dei », scilicet innocens, « qui tollit peccatum mundi ». Non poterat autem esse, quod in natura jam corrupta ex concubitu caro nasceretur sine infectione originalis peccati: unde 41Augustinus dicit in lib. 1. de Nuptiis et Concupiscentia [cap. 12.]: « Solus nuptialis concubitus ibi non fuit », scilicet in matrimonio Mariae et Joseph, « quia in carne peccati fieri non poterat sine ulla carnis concupiscentia, quae accidit ex peccato, sine qua concipi voluit, qui futurus erat sine peccato ».

3e, was dit passend aan Christus' menschheid, waarin geen plaats mocht wezen voor de zonde, doch waardoor de zonde der wereld werd weggenomen, overeenkomstig het woord van Joannes (1, 29): « Zie het Lam Gods, nl. het onschuldige, dat de zonde der wereld wegneemt ». Nu was het onmogelijk, dat in de reeds geschonden natuur, krachtens de gemeenschap tusschen man en vrouw een lichaam zou worden geboren, hetwelk niet door de erfzonde besmet was. Vandaar schrijft Augustinus in zijn werk Over het 41Huwelijk en de Begeerlijkheid (1e Boek, 12e H.): « Daar, d. w. z. in het huwelijk van Maria en Joseph, bestond alleen de echtelijke gemeenschap niet, omdat deze in het vleesch der zonde niet kon plaats hebben zonder eenige verfoeilijke begeerlijkheid des vleesches, en deze komt er bij krachtens de zonde; maar Hij, die zonder zonde zou zijn, wilde zonder die begeerlijkheid ontvangen worden ».derde, was dit passend aan Christus' mensheid, waarin geen plaats mocht wezen voor de zonde, doch waardoor de zonde van de wereld werd weggenomen, overeenkomstig het woord van Johannes (1, 29): “Zie het Lam Gods, nl. het onschuldige, dat de zonde van de wereld wegneemt”. Nu was het onmogelijk, dat in de reeds geschonden natuur, krachtens de gemeenschap tussen man en vrouw een lichaam zou worden geboren, hetwelk niet door de erfzonde besmet was. Vandaar schrijft Augustinus in zijn werk Over het 41Huwelijk en de Begeerlijkheid (1e Boek, 12e H.): “Daar, d. w. z. in het huwelijk van Maria en Joseph, bestond alleen de echtelijke gemeenschap niet, omdat deze in het vlees van de zonde niet kon plaats hebben zonder enige verfoeilijke begeerlijkheid van het vlees, en deze komt er bij krachtens de zonde; maar Hij, die zonder zonde zou zijn, wilde zonder die begeerlijkheid ontvangen worden”.

Quarto propter ipsum finem Incarnationis Christi, quae ad hoc fuit, ut homines renascerentur in filios Dei, non ex voluntate carnis, neque ex voluntate viri, sed ex Deo, idest ex ipsa Dei virtute. Cujus rei exemplar apparere debuit in ipsa conceptione Christi; unde Augustinus dicit in lib. de Sancta Virginitate [cap. 6.]: « Oportebat caput nostrum insigni miraculo secundum carnem nasci de virgine, quo significaret membra sua de Virgine Ecclesia secundum spiritum nascitura ».

4e, juist omwille van het doel van Christus' menschwording. Hij toch is mensch geworden, opdat de menschen zouden herboren worden tot kinderen Gods « niet uit den wil van het vleesch of uit den wil van den man, maar uit God » (Joannes, 13), d. w. z. uit de kracht Gods. Het oerbeeld dezer wedergeboorte nu moest ons tegenstralen in Christus' eigen ontvangenis. Vandaar, dat Augustinus in zijn werk Over de Heilige Maagdelijkheid (6e H.) zegt: « Door een verheven wonder moest ons Hoofd, naar het lichaam geboren worden uit een maagd, om daarmede te kennen te geven, dat zijn ledematen naar den geest zouden geboren worden uit de maagd, de Kerk ».vierde, juist omwille van het doel van Christus' menswording. Hij toch is mens geworden, opdat de mensen zouden herboren worden tot kinderen Gods “niet uit de wil van het vlees of uit de wil van de man, maar uit God” (Johannes, 13), d. w. z. uit de kracht Gods. Het oerbeeld van deze wedergeboorte nu moest ons tegenstralen in Christus' eigen ontvangenis. Vandaar, dat Augustinus in zijn werk Over de Heilige Maagdelijkheid (6e H.) zegt: “Door een verheven wonder moest ons Hoofd, naar het lichaam geboren worden uit een maagd, om daarmede te kennen te geven, dat zijn ledematen naar de geest zouden geboren worden uit de maagd, de Kerk”.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod, sicut Beda dicit super Lucam [lib. 1. cap. 7], « pater Salvatoris appellatur Joseph, non quod vere juxta Photinianos pater fuerit ei, sed quod ad famam Mariae conservandam pater 42sit ab omnibus aestimatus ». Unde et Luc. 3 [v. 23] dicitur: « Ut putabatur filius Joseph », vel, sicut Augustinus dicit in lib. 2. de Bono Conjugali [De Consensu Evangelistarum, Lib. II, Cap. 1]: « Eo modo pater Christi dicitur Joseph, quo et vir Mariae intelligitur sine commixtione carnis, ipsa copulatione conjugii, multo videlicet conjunctius, quam si esset aliunde adoptatus; neque enim propterea non erat appellandus Joseph pater Christi, quia non eum genuerat concumbendo; quandoquidem pater esset etiam ei, quem non ex sua conjuge procreatum aliunde adoptasset ».

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Gelijk Beda in zijn Uitleg op Lucas (op 2e H., 33e vers) zegt, « heette Joseph de vader des Zaligmakers, niet, omdat hij werkelijk diens vader was, zooals 42de volgelingen van Photinus beweren, maar omdat hij, ter bestendiging van Maria's goeden naam, door de menschen voor zijn vader werd gehouden ». Daarom ook lezen we bij Lucas (3, 23): « Naar men meende, de zoon van Joseph ». Of, zooals Augustinus schrijft in zijn werk Over het Huwelijksgoed (2e Boek, 1e H.), wordt Joseph in denzelfden zin de vader van Christus genoemd, als « hij de man van Maria heet, zonder gemeenschap des vleesches, maar krachtens den huwelijksband zelf, méér met Hem vereenigd, dan zoo Hij een van elders aangenomen zoon was. Men moet ook niet beweren, dat Joseph daarom niet de vader van Christus moet worden genoemd, omdat hij Hem niet krachtens de huwelijksgemeenschap heeft voortgebracht. Want hij zou toch ook zijn vader zijn geweest, indien Hij niet uit zijn echtgenoote geboren was geweest, maar zoo hij Hem van elders als zijn zoon had aangenomen ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Gelijk Beda in zijn Uitleg op Lukas (op 2e H., 33e vers) zegt, “heette Joseph de vader van de Zaligmaker, niet, omdat hij werkelijk diens vader was, zoals 42de volgelingen van Photinus beweren, maar omdat hij, ter bestendiging van Maria's goeden naam, door de mensen voor zijn vader werd gehouden”. Daarom ook lezen we bij Lukas (3, 23): “Naar men meende, de zoon van Joseph”. Of, zoals Augustinus schrijft in zijn werk Over het Huwelijksgoed (2e Boek, 1e H.), wordt Joseph in dezelfde zin de vader van Christus genoemd, als “hij de man van Maria heet, zonder gemeenschap van het vlees, maar krachtens de huwelijksband zelf, méér met Hem verenigd, dan zo Hij een van elders aangenomen zoon was. Men moet ook niet beweren, dat Joseph daarom niet de vader van Christus moet worden genoemd, omdat hij Hem niet krachtens de huwelijksgemeenschap heeft voortgebracht. Want hij zou toch ook zijn vader zijn geweest, indien Hij niet uit zijn echtgenote geboren was geweest, maar zo hij Hem van elders als zijn zoon had aangenomen”.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod, sicut Hieronymus dicit super Matth. [cap. 1, v. 18; comment., Lib. I], « cum Joseph non sit pater Domini Salvatoris, ordo generationis ejus usque ad Joseph deducitur »: primo quidem, quia « non est consuetudinis Scripturarum, ut mulierum in generationibus ordo texatur; deinde ex una tribu fuit Joseph et Maria, unde et ex lege eam accipere cogebatur ut propinquam »; et, ut Augustinus dicit 43in lib. 1. de Nuptiis et Concupiscentia [cap. 11.], « fuit generationum series usque ad Joseph perducenda, ne in illo conjugio virili sexui utique potiori fieret injuria, cum veritati nihil periret, quia ex semine David et Joseph erat et Maria ».

2. Gelijk Hieronymus in zijn Uitleg op Mattheus (1e Boek, op 1e H., 18e vers) schrijft, « hoewel Joseph niet de vader is des Heeren, onzen Zaligmaker, wordt toch zijn stamboom tot op Joseph doorgetrokken, ten eerste nl., omdat het de gewoonte der H. Schrift niet is, de geslachtslijst der vrouwen in een stamboom op te nemen. — Bovendien, Maria en Joseph waren van een en denzelfden stam. Daarom ook was hij volgens de wet verplicht, haar als zijn verwante tot vrouw te nemen ». En zooals Augustinus 43zegt in zijn werk Over het Huwelijk en de Begeerlijkheid (1e B., 11e H ) « moest de stamboom tot op Joseph worden doorgetrokken, om in dat huwelijk aan de mannelijke partij, die toch het voornaamste is, geen onrecht aan te doen; toch deed men volstrekt geen afbreuk aan de waarheid, daar zoowel Joseph als Maria uit Davids geslacht waren ».2. Gelijk Hieronymus in zijn Uitleg op Matteüs (1e Boek, op 1e H., 18e vers) schrijft, “hoewel Joseph niet de vader is van de Heer, onze Zaligmaker, wordt toch zijn stamboom tot op Joseph doorgetrokken, ten eerste nl., omdat het de gewoonte van de H. Schrift niet is, de geslachtslijst van de vrouwen in een stamboom op te nemen. — Bovendien, Maria en Joseph waren van een en dezelfde stam. Daarom ook was hij volgens de wet verplicht, haar als zijn verwante tot vrouw te nemen”. En zoals Augustinus 43zegt in zijn werk Over het Huwelijk en de Begeerlijkheid (1e B., 11e H ) “moest de stamboom tot op Joseph worden doorgetrokken, om in dat huwelijk aan de mannelijke partij, die toch het voornaamste is, geen onrecht aan te doen; toch deed men volstrekt geen afbreuk aan de waarheid, daar zowel Joseph als Maria uit Davids geslacht waren”.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod, sicut Glossa [ord. Aug. lib. 23. contr. Faust. cap. 7.] dicit ibidem, « mulierem pro foemina posuit, more locutionis Hebraeorum, usus enim hebraeae locutionis mulieres dicit non virginitate corruptas, sed foeminas ».

3. Zooals de Glosse bij dien tekst opmerkt schreef de Apostel overeenkomstig de Hebreeuwsche wijze van spreken « vrouw » en niet « een persoon van het vrouwelijk geslacht »; volgens de Hebreeuwsche spraakgewoonte toch beteekent « vrouw » niet slechts degene, wier maagdelijkheid geschonden is, maar in het algemeen een persoon van het vrouwelijk geslacht.3. Zoals de Glosse bij die tekst opmerkt schreef de Apostel overeenkomstig de Hebreeuwse wijze van spreken “vrouw” en niet “een persoon van het vrouwelijk geslacht”; volgens de Hebreeuwse spraakgewoonte toch betekent “vrouw” niet slechts degene, wier maagdelijkheid geschonden is, maar in het algemeen een persoon van het vrouwelijk geslacht.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod ratio illa habet locum in his, quae procedunt in esse per viam naturae, eo quod natura sicut est determinata ad unum effectum, ita etiam est determinata ad modum producendi quemcumque effectum. Et ideo sicut virtute divina fieri potuit, ut primus homo de limo terrae formaretur, ita etiam fieri potuit, ut divina virtute corpus Christi formaretur de virgine absque virili semine.

4. Deze redeneering gaat op voor datgene, wat langs natuurlijken weg wordt voortgebracht; omdat, gelijk de natuur beperkt is tot slechts één voortbrengsel, zoo ook is zij beperkt tot slechts één wijze van dit voort te brengen. Maar, wijl Gods bovennatuurlijke kracht zich tot in het oneindige uitstrekt, daarom, evenmin als zij beperkt is tot het voortbrengen van slechts één maaksel, evenmin is zij beperkt in de wijze, waarop zij welk maaksel ook wil voortbrengen. Bijgevolg, zooals het door Gods kracht mogelijk was, dat de eerste mensch uit het slijk der aarde gevormd werd, zoo was het door Gods kracht ook mogelijk, dat het lichaam van Christus zonder mannelijk zaad gevormd werd uit een maagd.4. Deze redenering gaat op voor datgene, wat langs natuurlijke weg wordt voortgebracht; omdat, gelijk de natuur beperkt is tot slechts één voortbrengsel, zo ook is zij beperkt tot slechts één wijze van dit voort te brengen. Maar, wijl Gods bovennatuurlijke kracht zich tot in het oneindige uitstrekt, daarom, evenmin als zij beperkt is tot het voortbrengen van slechts één maaksel, evenmin is zij beperkt in de wijze, waarop zij welk maaksel ook wil voortbrengen. Bijgevolg, zoals het door Gods kracht mogelijk was, dat de eerste mens uit het slijk van de aarde gevormd werd, zo was het door Gods kracht ook mogelijk, dat het lichaam van Christus zonder mannelijk zaad gevormd werd uit een maagd.

↑ bedenking 5

44Ad quintum dicendum, quod secundum Philosophum in lib. 1. de Generatione Animal. [cap. 2, 10 et 20], semen maris non est sicut materia in conceptione animalis, sed solum sicut agens; sola autem foemina materiam subministrat conceptui. Unde per hoc quod semen maris defuit in conceptione corporis Christi, non sequitur quod defuerit ei debita materia. Si tamen semen maris esset materia foetus concepti in animalibus, manifestum est, quod non est materia permanens in eadem forma, sed materia transmutata. Et quamvis virtus naturalis non possit transmutare ad certam formam nisi determinatam materiam, virtus tamen divina, quae est infinita, potest transmutare omnem materiam in quamcumque formam. Unde sicut transmutavit limum terrae in corpus Adae, ita in corpus Christi transmutare potuit materiam a matre ministratam, etiamsi non esset sufficiens materia ad naturalem conceptum.

445. Volgens den Wijsgeer in zijn werk Over het voortbrengen der Dieren (1e B., 2e H. en 20e H.; 2e B., 4e H.; 4e B., 1e H.) verhoudt het mannelijk zaad zich bij de ontvangenis van het dier niet als materiaal-oorzaak, doch uitsluitend als tot-stand-brenger; alleen de vrouw verschaft de materie bij het ontvangen. Uit het feit, dat er bij de ontvangenis van Christus' lichaam geen mannelijk zaad aanwezig was, volgt dus geenszins, dat de daarvoor vereischte materie ontbrak. Maar ook al zou bij de dieren het mannelijk zaad als materie dienen voor de ontvangen vrucht, toch is dit van zelf sprekend geen materie, die onder denzelfden wezenvorm blijft, maar veranderde materie. En hoewel de natuurlijke kracht alleen maar bepaalde materie kan wijzigen naar een bepaalden wezensvorm, toch kan Gods kracht, die oneindig is, iedere materie wijzigen naar welken wezensvorm dan ook. Derhalve, even goed als Hij het slijk der aarde omvormde tot lichaam van Adam, evengoed kon Hij de door de moeder verschafte materie omvormen tot lichaam van Christus, ook al zou deze materie niet hebben volstaan voor een ontvangen op de natuurlijke wijze.445. Volgens de Wijsgeer in zijn werk Over het voortbrengen van de Dieren (1e B., 2e H. en 20e H.; 2e B., 4e H.; 4e B., 1e H.) verhoudt het mannelijk zaad zich bij de ontvangenis van het dier niet als materiaal-oorzaak, doch uitsluitend als tot-stand-brenger; alleen de vrouw verschaft de materie bij het ontvangen. Uit het feit, dat er bij de ontvangenis van Christus' lichaam geen mannelijk zaad aanwezig was, volgt dus geenszins, dat de daarvoor vereiste materie ontbrak. Maar ook al zou bij de dieren het mannelijk zaad als materie dienen voor de ontvangen vrucht, toch is dit van zelf sprekend geen materie, die onder dezelfde wezenvorm blijft, maar veranderde materie. En hoewel de natuurlijke kracht alleen maar bepaalde materie kan wijzigen naar een bepaalden wezensvorm, toch kan Gods kracht, die oneindig is, iedere materie wijzigen naar welke wezensvorm dan ook. Derhalve, even goed als Hij het slijk van de aarde omvormde tot lichaam van Adam, evengoed kon Hij de door de moeder verschafte materie omvormen tot lichaam van Christus, ook al zou deze materie niet hebben volstaan voor een ontvangen op de natuurlijke wijze.

Articulus II

Utrum Mater Dei fuerit virgo in partu

[Opusc. 2. cap. 225.]
IIe Artikel

Was de Moeder van Christus maagd bij zijn geboorte?

antwoord 1 ↓

45Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod mater Christi non fuerit virgo in partu: dicit enim Ambrosius super Luc. [cap. 2, v. 23, Expos., Lib. 2]: « Qui vulvam sanctificavit alienam, ut nasceretur propheta, hic est qui aperuit matri suae vulvam, ut immaculatus exiret ». Sed aperitio vulvae virginitatem excludit. Ergo mater Christi non fuit virgo in partu.

45Bedenkingen. — Men beweert, dat de moeder van Christus geen maagd was bij zijn geboorte. — 1. In zijn Uitleg toch op Lucas (2e B., op 2e H., 23e vers) schrijft Ambrosius: « Hij, die eens anders moederschoot heiligde, opdat een profeet zou worden geboren, Hij opende den schoot zijner eigen moeder, om onbevlekt te voorschijn te treden ». Welnu, het openen van den moederschoot sluit de maagdelijkheid uit. Derhalve was de moeder van Christus geen maagd bij zijn geboorte.45Bedenkingen. — Men beweert, dat de moeder van Christus geen maagd was bij zijn geboorte. — 1. In zijn Uitleg toch op Lukas (2e B., op 2e H., 23e vers) schrijft Ambrosius: “Hij, die eens anders moederschoot heiligde, opdat een profeet zou worden geboren, Hij opende de schoot van zijn eigen moeder, om onbevlekt te voorschijn te treden”. Welnu, het openen van de moederschoot sluit de maagdelijkheid uit. Derhalve was de moeder van Christus geen maagd bij zijn geboorte.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, nihil in mysterio Christi esse debuit, per quod corpus ejus phantasticum appareret. Sed hoc non videtur vero corpori, sed phantastico convenire, ut possit per clausa transire, eo quod duo corpora simul esse non possunt. Non igitur debuit ex matris utero clauso corpus Christi prodire, et ita non decuit, quod esset virgo in partu.

2. Er moest niets voorkomen in het geheim van Christus' Menschwording, waardoor zijn lichaam een schijnlichaam kon lijken. Welnu, zoo beweert men, niet aan een werkelijk lichaam komt het toe, door iets geslotens heen te gaan, doch wel aan een schijnlichaam. Derhalve moest Hij niet uit de moeder te voorschijn treden, terwijl de baarmoeder gesloten bleef. Bijgevolg paste het niet, dat zij bij zijn geboorte maagd was.2. Er moest niets voorkomen in het geheim van Christus' Menswording, waardoor zijn lichaam een schijnlichaam kon lijken. Welnu, zo beweert men, niet aan een werkelijk lichaam komt het toe, door iets geslotens heen te gaan, doch wel aan een schijnlichaam. Derhalve moest Hij niet uit de moeder te voorschijn treden, terwijl de baarmoeder gesloten bleef. Bijgevolg paste het niet, dat zij bij zijn geboorte maagd was.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, sicut Gregorius dicit in Homil. octavarum Paschae 46[Homil. 26. in Evang.], per hoc quod januis clausis ad discipulos post resurrectionem intravit Dominus, ostendit corpus suum esse ejusdem naturae et alterius gloriae, et sic per clausa transire videtur ad gloriam corporis pertinere. Sed corpus Christi in sua conceptione non fuit gloriosum, sed passibile, habens similitudinem carnis peccati, ut Apostolus dicit ad Rom. 8 [v. 3]. Non ergo exivit per Virginis uterum clausum.

3. Zooals Gregorius in zijn Homelie de Octaven van Paschen 46zegt, « door na zijn verrijzenis bij zijn leerlingen binnen te treden, terwijl de deuren van het vertrek gesloten bleven, toonde de Heer, dat zijn lichaam gelijksoortig was met het hunne, maar in een anderen toestand van verheerlijking ». Bij zijn ontvangenis echter was Christus' lichaam nog niet verheerlijkt, doch lijdelijk, en had het « gelijkheid met het vleesch der zonde », volgens den Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (8, 3). Derhalve trad het niet uit de H. Maagd te voorschijn, terwijl de baarmoeder toch gesloten bleef.3. Zoals Gregorius in zijn Homelie de Octaven van Pasen 46zegt, “door na zijn verrijzenis bij zijn leerlingen binnen te treden, terwijl de deuren van het vertrek gesloten bleven, toonde de Heer, dat zijn lichaam gelijksoortig was met het hunne, maar in een anderen toestand van verheerlijking”. Bij zijn ontvangenis echter was Christus' lichaam nog niet verheerlijkt, doch lijdelijk, en had het “gelijkheid met het vlees van de zonde”, volgens de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (8, 3). Derhalve trad het niet uit de H. Maagd te voorschijn, terwijl de baarmoeder toch gesloten bleef.

Sed contra est, quod in quodam sermone Ephesini Concilii [3. part. 3. cap. 9.] dicitur: « Natura post partum nescit ulterius virginem; gratia vero et parientem ostendit, et matrem fecit, et virginitati non nocuit ». Fuit ergo Mater Christi virgo in partu.

Daartegenover staat hetgeen we lezen in een toespraak, die op het Concilie van Ephese (3e Deel, 9e H.) gehouden werd: « Na het baren kent de natuur geen maagdelijkheid meer. De genade echter toont ons een barende, en maakte haar moeder en schond haar maagdelijkheid niet ». Derhalve was de moeder van Christus maagd bij diens geboorte.Daartegenover staat hetgeen we lezen in een toespraak, die op het Concilie van Efeze (3e Deel, 9e H.) gehouden werd: “Na het baren kent de natuur geen maagdelijkheid meer. De genade echter toont ons een barende, en maakte haar moeder en schond haar maagdelijkheid niet”. Derhalve was de moeder van Christus maagd bij diens geboorte.

Respondeo dicendum, quod absque omni dubio asserendum est, matrem Christi etiam in partu virginem fuisse. Nam Propheta non solum dicit: « Ecce virgo concipiet », sed etiam addit: « Et pariet filium » [Isaiae 7. v. 14]; et hoc quidem conveniens fuit propter tria: primo quidem, quia 47hoc competebat proprietati ejus, qui nascebatur, qui est Verbum Dei, nam Verbum non solum in corde absque corruptione concipitur, sed etiam absque corruptione ex corde procedit; unde ut ostenderetur, quod illud esset corpus ipsius Verbi Dei, conveniens fuit, ut de incorrupto virginis utero nasceretur. Unde in sermone quodam Ephesini Concilii [loc. cit.] legitur: « Quae parit carnem puram, a virginitate cessat: sed quia natum est in carne Verbum, Deus custodit virginitatem, seipsum ostendens per hoc Verbum; neque enim nostrum verbum, cum paritur, corrumpit mentem, neque Deus Verbum, substantialem partem eligens1 peremit virginitatem ».

Leerstelling. — Zonder eenigen twijfel moet men houden, dat de moeder van Christus ook bij diens geboorte maagd was; want de Profeet zegt niet slechts: « Zie, de maagd zal ontvangen », doch voegt er tevens aan toe: « en zij zal een zoon baren ». Dit nu behoorde ook zoo, en wel om drie redenen. 1e nl. om het persoons-eigene van dengene, die geboren werd, d. w. z. het 47Woord Gods. Want het woord wordt niet slechts zonder eenige schending in het hart ontvangen, maar ook komt het zonder eenige schending uit het hart voort. Om derhalve aan te toonen, dat dit lichaam juist het lichaam van het Woord Gods was, was het passend, dat het geboren werd zonder de baarmoeder der maagd te schenden. Daarom lezen we dan ook in een toespraak van het Concilie van Ephese (t. a. p.): « Zij, die baart, wat louter mensch is, houdt op maagd te zijn. Maar wijl in dit vleesch het Woord geboren werd, beschermt God haar maagdelijkheid, daardoor toonend, dat Hij het Woord is. Want ook ons woord schendt onzen geest niet, wanneer het geboren wordt; evenmin ontnam God, het zelfstandig Woord, toen het verkoos geboren te worden, de maagdelijkheid ».Leerstelling. — Zonder enigen twijfel moet men houden, dat de moeder van Christus ook bij diens geboorte maagd was; want de Profeet zegt niet slechts: “Zie, de maagd zal ontvangen”, doch voegt er tevens aan toe: “en zij zal een zoon baren”. Dit nu behoorde ook zo, en wel om drie redenen. eerste nl. om het persoons-eigene van dengene, die geboren werd, d. w. z. het 47Woord Gods. Want het woord wordt niet slechts zonder enige schending in het hart ontvangen, maar ook komt het zonder enige schending uit het hart voort. Om derhalve aan te tonen, dat dit lichaam juist het lichaam van het Woord Gods was, was het passend, dat het geboren werd zonder de baarmoeder van de maagd te schenden. Daarom lezen we dan ook in een toespraak van het Concilie van Efeze (t. a. p.): “Zij, die baart, wat louter mens is, houdt op maagd te zijn. Maar wijl in dit vlees het Woord geboren werd, beschermt God haar maagdelijkheid, daardoor tonend, dat Hij het Woord is. Want ook ons woord schendt onze geest niet, wanneer het geboren wordt; evenmin ontnam God, het zelfstandig Woord, toen het verkoos geboren te worden, de maagdelijkheid”.

Secundo hoc est conveniens quantum ad effectum Incarnationis Christi, nam ad hoc venit, ut nostram corruptionem tolleret; unde non fuit conveniens, ut virginitatem matris nascendo corrumperet. Unde Augustinus dicit in quodam serm. de Nativ. Dom [10. de Temp.]: « Fas non erat, ut per ejus adventum violaretur integritas, qui venerat sanare corrupta ».

2e, was dit passend met betrekking tot de uitwerking van Christus' Menschwording. Want daartoe is Hij in de wereld gekomen, om onze geschondenheid weg te nemen. Derhalve was het niet passend, dat Hij door zijn geboorte de maagdelijkheid zijner moeder zou schenden. Daarom dan ook zegt Augustinus in een toespraak op de Geboorte des Heeren: « Het was niet behoorlijk, dat door de komst van Hem, die gekomen was, om het geschondene te herstellen, aan de ongereptheid geweld zou worden aangedaan ».tweede, was dit passend met betrekking tot de uitwerking van Christus' Menswording. Want daartoe is Hij in de wereld gekomen, om onze geschondenheid weg te nemen. Derhalve was het niet passend, dat Hij door zijn geboorte de maagdelijkheid van zijn moeder zou schenden. Daarom dan ook zegt Augustinus in een toespraak op de Geboorte van de Heer: “Het was niet behoorlijk, dat door de komst van Hem, die gekomen was, om het geschondene te herstellen, aan de ongereptheid geweld zou worden aangedaan”.

48Tertio fuit conveniens, ne matris honorem nascendo diminueret, qui parentes praeceperat honorandos.

483e, was het behoorlijk, dat Hij, die bevolen had de ouders te eeren, door zijn geboorte de eer van zijn eigen moeder niet zou verkleinen.48derde, was het behoorlijk, dat Hij, die bevolen had de ouders te eren, door zijn geboorte de eer van zijn eigen moeder niet zou verkleinen.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod Ambrosius dicit hoc exponens illud, quod Evangelista [Luc. 2.] de lege induxit: « Omne masculinum adaperiens vulvam sanctum Domino vocabitur ». Quod quidem, ut Beda dicit [cap. 8. in Luc.], consuetae nativitatis more loquitur, non quod Dominus sacri ventris hospitium, quod ingressus sanctificaverat, egressus devirginasse credendus sit. Unde illa adapertio non significat reserationem communem claustri pudoris virginei, sed solum exitum prolis de utero matris.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Ambrosius schrijft dit, waar hij de door den Evangelist aangehaalde woorden uit de Wet verklaart: « Ieder kind van het mannelijk geslacht, dat den moederschoot opent, moet den Heer worden toegewijd ». Dit nu, zegt hij — gelijk Beda opmerkt (in zijn Uitleg op Lucas, 1e Boek op het 2e H., 23e vers) — « sprekend over de gewone wijze van geboren te worden; maar hij bedoelt niet dat men gelooven moet, dat de Heer de verblijfplaats der gewijde baarmoeder, die Hij bij zijn intreden geheiligd had, bij zijn uittreden ontmaagd zou hebben ». Dit « openen » beteekent dus niet, dat Hij het maagdelijk schaamtevlies ontsloten heeft, maar beteekent alleen het uittreden van het kind uit den schoot zijner moeder.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Ambrosius schrijft dit, waar hij de door de Evangelist aangehaalde woorden uit de Wet verklaart: “Ieder kind van het mannelijk geslacht, dat de moederschoot opent, moet de Heer worden toegewijd”. Dit nu, zegt hij — gelijk Beda opmerkt (in zijn Uitleg op Lukas, 1e Boek op het 2e H., 23e vers) — “sprekend over de gewone wijze van geboren te worden; maar hij bedoelt niet dat men geloven moet, dat de Heer de verblijfplaats van de gewijde baarmoeder, die Hij bij zijn intreden geheiligd had, bij zijn uittreden ontmaagd zou hebben”. Dit “openen” betekent dus niet, dat Hij het maagdelijk schaamtevlies ontsloten heeft, maar betekent alleen het uittreden van het kind uit de schoot van zijn moeder.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod ita Christus voluit veritatem sui corporis demonstrare, quod etiam simul ejus divinitas declararetur, et ideo permiscuit mira humilibus; unde ut corpus verum ostenderetur, nascitur ex 49foemina. Sed ut ostenderetur ejus deitas, nascitur ex virgine. Talis enim partus decet Deum, ut Ambrosius dicit in hymno Nativitatis.

2. Christus wilde de waarachtigheid van zijn lichaam op een zoodanige wijze aantoonen, dat toch tegelijkertijd ook zijn Godheid zou blijken. Daarom liet Hij dan ook het wonderbare met het gewone samengaan. Om zijn lichaam dus een werkelijk lichaam te doen blijken, werd Hij geboren uit een vrouw. Maar om zijn Godheid te toonen, werd Hij geboren uit een maagd; zulk een geboorte 49toch past God, gelijk Ambrosius in den lofzang van het Kerstfeest (in de Vespers) zingt.2. Christus wilde de waarachtigheid van zijn lichaam op een zodanige wijze aantonen, dat toch tegelijkertijd ook zijn Godheid zou blijken. Daarom liet Hij dan ook het wonderbare met het gewone samengaan. Om zijn lichaam dus een werkelijk lichaam te doen blijken, werd Hij geboren uit een vrouw. Maar om zijn Godheid te tonen, werd Hij geboren uit een maagd; zulk een geboorte 49toch past God, gelijk Ambrosius in de lofzang van het Kerstfeest (in de Vespers) zingt.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod quidam dixerunt Christum in sua nativitate dotem subtilitatis assumpsisse, sicut quando ambulavit siccis pedibus super mare dicunt eum assumpsisse dotem agilitatis. Sed hoc non convenit his, quae supra determinata sunt [q. 14]. Hujusmodi enim dotes corporis gloriosi proveniunt ex redundantia gloriae animae ad corpus, ut infra dicetur, cum tractabitur de corporibus gloriosis [in supplem. q. 82 et sqq.]. Dictum est autem supra [q. 13, art. 3, ad 1.], quod Christus ante passionem permittebat carni suae agere et pati quae propria, nec fiebat talis redundantia gloriae ab anima ad corpus. Et ideo dicendum est, quod omnia ista facta sunt miraculose per virtutem divinam. Unde Augustinus dicit super Joan. [tract. 121]: « Moli corporis, ubi divinitas erat, ostia clausa non obstiterunt; ille quippe non eis apertis intrare potuit, quo nascente virginitas matris inviolata permansit ». Et Dionysius dicit in 50quadam epist. [Ep. 4, ad Cajum], quod « Christus super hominem operabatur ea quae sunt hominis; et hoc monstrat virgo supernaturaliter concipiens, et aqua instabilis terrenorum pedum sustinens gravitatem ».

3. Sommigen hielden, dat Christus bij zijn geboorte de verheerlijkingsgave der vergeestelijking aannam, toen Hij uit den gesloten schoot zijner moeder uitging, en dat Hij de gave der gezwindheid heeft aangenomen, toen Hij droogvoets over het meer wandelde. — Maar dit komt niet overeen met het vroeger (14e Kw.) behandelde. Deze gaven toch van het verheerlijkte lichaam komen voort uit de heerlijkheid der ziel, die zich in het lichaam weerkaatst, gelijk we later zullen zien bij het bespreken der verheerlijkte lichamen (Vgl. het Supplement of Aanvullende Deel; 82e Kw. en vlgd.). Nu werd boven (13e Kw., Art. 3, Antw. op de 1e B., 16e Kw., Art. 1, Antw. op de 2e B.) aangetoond, dat Christus toeliet, dat zijn lichaam vóór zijn lijden datgene deed en onderging, wat aan het lichaam uiteraard eigen is; een dergelijke weerkaatsing van de heerlijkheid der ziel in het lichaam had toen dan ook niet plaats. Derhalve moet men zeggen, dat al deze voorvallen door Gods kracht wonderdadig zijn geschied. Daarom dan ook schrijft Augustinus in zijn Verhandeling op Joannes (121e Verh.): « Waar de Godheid was, waren gesloten deuren geen beletsel voor zijn stoffelijk lichaam. Zonder dat zij geopend werden toch kon Hij binnentreden, bij wiens geboorte de maagdelijkheid der moeder ongerept behouden bleef ». En Dionysius schrijft in een brief 50(4e Brief, Aan Caius): « Christus bewerkte boven-menschelijk datgene wat des menschen is. Dit toont zoowel de maagd, die op een bovennatuurlijke wijze ontvangt, als het onvaste water, dat het gewicht zijner aardsche voeten draagt ».3. Sommigen hielden, dat Christus bij zijn geboorte de verheerlijkingsgave van de vergeestelijking aannam, toen Hij uit de gesloten schoot van zijn moeder uitging, en dat Hij de gave van de gezwindheid heeft aangenomen, toen Hij droogvoets over het meer wandelde. — Maar dit komt niet overeen met het vroeger (14e Kw.) behandelde. Deze gaven toch van het verheerlijkte lichaam komen voort uit de heerlijkheid van de ziel, die zich in het lichaam weerkaatst, gelijk we later zullen zien bij het bespreken van de verheerlijkte lichamen (Vgl. het Supplement of Aanvullende Deel; 82e Kw. en vlgd.). Nu werd boven (13e Kw., Art. 3, Antw. op de 1e B., 16e Kw., Art. 1, Antw. op de 2e B.) aangetoond, dat Christus toeliet, dat zijn lichaam vóór zijn lijden datgene deed en onderging, wat aan het lichaam uiteraard eigen is; een dergelijke weerkaatsing van de heerlijkheid van de ziel in het lichaam had toen dan ook niet plaats. Derhalve moet men zeggen, dat al deze voorvallen door Gods kracht wonderdadig zijn geschied. Daarom dan ook schrijft Augustinus in zijn Verhandeling op Johannes (121e Verh.): “Waar de Godheid was, waren gesloten deuren geen beletsel voor zijn stoffelijk lichaam. Zonder dat zij geopend werden toch kon Hij binnentreden, bij wiens geboorte de maagdelijkheid van de moeder ongerept behouden bleef”. En Dionysius schrijft in een brief 50(4e Brief, Aan Caius): “Christus bewerkte boven-menselijk datgene wat van de mens is. Dit toont zowel de maagd, die op een bovennatuurlijke wijze ontvangt, als het onvaste water, dat het gewicht van zijn aardse voeten draagt”.

Articulus III

Utrum Mater Dei permanserit virgo post partum

[Opusc. 2. cap. 225.]
IIIe Artikel

Is de moeder van Christus na diens geboorte maagd gebleven?

antwoord 1 ↓

Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod Mater Christi non permanserit virgo post partum; dicitur enim Matth. 1 [v. 18]: « Antequam convenirent Joseph et Maria, inventa est in utero habens de Spiritu Sancto ». Non autem Evangelista diceret: antequam convenirent, nisi de conventuris, quia nemo dicit de non pransuro, antequam pranderet. Ergo videtur, quod beata Virgo quandoque convenerit carnali copula cum Joseph, et ita non permanserit virgo post partum.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de moeder van Christus na diens geboorte geen maagd is gebleven. — 1. Want in Mattheus (1, 18) wordt verhaald: « Voordat Joseph en Maria bij elkander kwamen, werd zij zwanger bevonden van den H. Geest ». Dit « vóórdat zij bij elkander kwamen » nu, schrijft Hieronymus in zijn werk Tegen Helvidius (N. 3), zou de Evangelist niet hebben gezegd, indien hij er niet zeker van was, dat zij bij elkaar zouden komen; want niemand zegt van een persoon, die niet zal eten: « voordat hij ging eten ». Derhalve, zoo beweert men, is de H. Maagd ooit met Joseph in vleeschelijke gemeenschap samengekomen. Bijgevolg is zij na Christus' geboorte geen maagd gebleven.Bedenkingen. — Men beweert, dat de moeder van Christus na diens geboorte geen maagd is gebleven. — 1. Want in Matteüs (1, 18) wordt verhaald: “Voordat Joseph en Maria bij elkander kwamen, werd zij zwanger bevonden van de H. Geest”. Dit “vóórdat zij bij elkander kwamen” nu, schrijft Hieronymus in zijn werk Tegen Helvidius (N. 3), zou de Evangelist niet hebben gezegd, indien hij er niet zeker van was, dat zij bij elkaar zouden komen; want niemand zegt van een persoon, die niet zal eten: “voordat hij ging eten”. Derhalve, zo beweert men, is de H. Maagd ooit met Joseph in vleselijke gemeenschap samengekomen. Bijgevolg is zij na Christus' geboorte geen maagd gebleven.

antwoord 2 ↓

512. Praeterea, ibidem [v. 20] subditur ex verbis Angeli loquentis ad Joseph: « Noli timere accipere Mariam conjugem tuam ». Conjugium autem consummatur per carnalem copulam. Ergo videtur, quod quandoque carnalis copula intervenerit inter Mariam et Joseph. Et ita videtur, quod non permanserit virgo post partum.

512. T. a. p. (Mattheus, 1, 20) wordt er nog aan toegevoegd, dat de engel tot Joseph sprak: « Vrees niet, Maria uw echtgenoote tot u te nemen ». Het echtgenootschap nu wordt voltrokken door de vleeschelijke gemeenschap. Derhalve, zoo beweert men, heeft er toch ooit een vleeschelijk gemeenschap tusschen Maria en Joseph plaats gehad. Bijgevolg is zij na Christus' geboorte geen maagd gebleven.512. T. a. p. (Matteüs, 1, 20) wordt er nog aan toegevoegd, dat de engel tot Joseph sprak: “Vrees niet, Maria uw echtgenote tot u te nemen”. Het echtgenootschap nu wordt voltrokken door de vleselijke gemeenschap. Derhalve, zo beweert men, heeft er toch ooit een vleselijk gemeenschap tussen Maria en Joseph plaats gehad. Bijgevolg is zij na Christus' geboorte geen maagd gebleven.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, ibidem post pauca subditur [v. 24-25]: « Et accepit conjugem suam, et non cognoscebat eam, donec peperit filium suum primogenitum ». Hoc autem adverbium donec consuevit determinatum tempus signare, quo impleto fiat id, quod usque ad illud tempus non fiebat; verbum autem cognoscendi ibi ad coitum refertur, sicut et Genes. 4 [v. 1] dicitur, quod Adam cognovit uxorem suam. Ergo videtur, quod post partum Beata Virgo fuerit carnaliter a Joseph cognita. Ergo videtur, quod non permanserit virgo post partum.

3. Kort na het voorgaande (Mattheus, 1, 24, 25) lezen we: « En hij nam zijn echtgenoote tot zich. Maar hij bekende haar niet, totdat zij een zoon had gebaard: den eerstgeborene ». Dit bijwoord nu « totdat », lezen we bij Hieronymus (t. a. p. N° 5), geeft gewoonlijk niet alleen een bepaalden tijd aan, maar ook, dat na het verstrijken van dien tijd datgene gebeurt, wat tot aan dien tijd niet gebeurde. Het werkwoord « bekennen » echter heeft hier betrekking op de huwelijksgemeenschap, zooals ook in het Boek der Schepping (4, 1) staat: « Adam bekende zijn echtgenoote ». Derhalve, zoo beweert men, werd de H. Maagd na Christus' geboorte wèl door Joseph bekend. Bijgevolg is zij na diens geboorte geen maagd gebleven.3. Kort na het voorgaande (Matteüs, 1, 24, 25) lezen we: “En hij nam zijn echtgenote tot zich. Maar hij bekende haar niet, totdat zij een zoon had gebaard: de eerstgeborene”. Dit bijwoord nu “totdat”, lezen we bij Hieronymus (t. a. p. N° 5), geeft gewoonlijk niet alleen een bepaalden tijd aan, maar ook, dat na het verstrijken van die tijd datgene gebeurt, wat tot aan die tijd niet gebeurde. Het werkwoord “bekennen” echter heeft hier betrekking op de huwelijksgemeenschap, zoals ook in het Boek van de Schepping (4, 1) staat: “Adam bekende zijn echtgenote”. Derhalve, zo beweert men, werd de H. Maagd na Christus' geboorte wèl door Joseph bekend. Bijgevolg is zij na diens geboorte geen maagd gebleven.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, primogenitus non potest dici, nisi qui habeat fratres subsequentes; unde et Rom. 8 [v. 29] dicitur: « Quos praescivit, et 52praedestinavit conformes fieri imaginis Filii sui, ut sit ipse primogenitus in multis fratribus ». Sed Evangelista nominat Christum primogenitum matris ejus. Ergo habuit alios filios post Christum, et ita videtur, quod mater Christi non manserit virgo post partum.

4. « Eerstgeborene » kan slechts hij worden genoemd op wien een of meer broeders volgen; daarvandaan lezen we dan ook in den Brief aan de Romeinen (8, 29): « Die Hij vooruit heeft 52gekend, heeft Hij ook voorbestemd, om gelijkvormig te worden aan het beeld van zijn Zoon, opdat deze de Eerstgeborene onder vele broeders zou zijn ». De Evangelist (Mattheus, 1, 25; Lucas, 2, 7) nu noemt Christus den eerstgeborene zijner moeder. Derhalve had zij na Christus nog andere kinderen. Bijgevolg, zoo beweert men, is Christus' moeder na diens geboorte geen maagd gebleven.4. “Eerstgeborene” kan slechts hij worden genoemd op wie een of meer broeders volgen; daarvandaan lezen we dan ook in de Brief aan de Romeinen (8, 29): “Die Hij vooruit heeft 52gekend, heeft Hij ook voorbestemd, om gelijkvormig te worden aan het beeld van zijn Zoon, opdat deze de Eerstgeborene onder vele broeders zou zijn”. De Evangelist (Matteüs, 1, 25; Lukas, 2, 7) nu noemt Christus de eerstgeborene van zijn moeder. Derhalve had zij na Christus nog andere kinderen. Bijgevolg, zo beweert men, is Christus' moeder na diens geboorte geen maagd gebleven.

antwoord 5 ↓

5. Praeterea, Joan. 2 [v. 12] dicitur: « Post haec descendit Capharnaum ipse, scilicet Christus, et mater et fratres ejus ». Sed fratres dicuntur, qui ex eodem parente geniti sunt. Ergo videtur, quod Beata Virgo habuerit alios filios post Christum.

5. In Joannes (2, 12) lezen we: « Daarna vertrok Hij naar Capharnaüm: Hijzelf, d. w. z. Christus met zijn moeder en broeders ». « Broeders » nu heeten zij, die uit dezelfde ouders zijn voortgekomen. Bijgevolg, zoo beweert men, had de H. Maagd behalve Christus nog andere kinderen.5. In Johannes (2, 12) lezen we: “Daarna vertrok Hij naar Kafarnaüm: Hijzelf, d. w. z. Christus met zijn moeder en broeders”. “Broeders” nu heten zij, die uit dezelfde ouders zijn voortgekomen. Bijgevolg, zo beweert men, had de H. Maagd behalve Christus nog andere kinderen.

antwoord 6 ↓

6. Praeterea, Matth. 27 [v. 55-56] dicitur: « Erant ibi, scilicet juxta crucem Christi, mulieres multae a longe, quae secutae erant Jesum a Galilaea, ministrantes ei, inter quas erat Maria Magdalena, et Maria Jacobi et Joseph mater, et mater filiorum Zebedaei ». Videtur autem haec Maria, quae hic dicitur Jacobi et Joseph mater, esse etiam mater Christi; dicitur enim Joan. 19 [v. 25], quod stabat juxta crucem Jesu Maria mater ejus. Ergo videtur, quod mater Christi non permanserit virgo post partum.

6. In Mattheus (27, 55, 56) lezen we: « En vele vrouwen, die Jezus van Galilea af gevolgd waren, om Hem te dienen, stonden daar nl. bij het kruis van Christus van verre toe te zien; onder anderen, Maria Magdalena, Maria de moeder van Jacobus en Joseph, en de moeder van de zonen van Zebedeüs ». Nu beweert men, dat deze Maria, die hier de moeder van Jacobus en Joseph wordt genoemd, tevens ook de moeder van Christus zou wezen. Want in Joannes (19, 25) staat: « Bij het kruis van Jezus stond Maria, Zijn moeder ». Derhalve, zoo beweert men, is de moeder van Christus na diens geboorte geen maagd gebleven.6. In Matteüs (27, 55, 56) lezen we: “En vele vrouwen, die Jezus van Galilea af gevolgd waren, om Hem te dienen, stonden daar nl. bij het kruis van Christus van verre toe te zien; onder anderen, Maria Magdalena, Maria de moeder van Jacobus en Joseph, en de moeder van de zonen van Zebedeüs”. Nu beweert men, dat deze Maria, die hier de moeder van Jacobus en Joseph wordt genoemd, tevens ook de moeder van Christus zou wezen. Want in Johannes (19, 25) staat: “Bij het kruis van Jezus stond Maria, Zijn moeder”. Derhalve, zo beweert men, is de moeder van Christus na diens geboorte geen maagd gebleven.

53Sed contra est, quod dicitur Ezech. 44 [v. 2]: « Porta haec clausa erit, et non aperietur, et vir non transibit per eam, quoniam Dominus Deus Israël ingressus est per eam ». Quod exponens Augustinus in quodam sermone [18. de Temp.] dicit: « Quid est porta in domo Domini clausa, nisi quod Maria semper erit intacta? Et quid est, homo non transibit per eam, nisi quod Joseph non cognoscet eam? Et quid est, Dominus solus intrat et egreditur per eam, nisi quod Spiritus Sanctus impraegnabit eam, et angelorum dominus nascetur per eam? Et quid est, clausa erit in aeternum, nisi quod Maria virgo est ante partum, et virgo in partu, et virgo post partum? »

53Daartegenover staat echter hetgeen we lezen bij Ezechiël (44, 2, 3): « Deze poort zal gesloten blijven, zij zal niet geopend worden, en geen man zal daardoor ingaan, omdat de Heer, de God van Israël, daardoor is ingetreden ». Waar Augustinus deze woorden in een toespraak verklaart, zegt hij: « Wat beteekenen deze woorden « de poort in het huis des Heeren zal gesloten blijven », anders dan dat Maria steeds ongerept zal blijven? En wat beteekent « geen man zal daardoor ingaan », anders dan dat Joseph haar niet zal bekennen? En wat beteekent « Alleen de Heer gaat daardoor in en treedt daardoor uit », anders dan dat de H. Geest haar zwanger zal doen worden en dat de Heer der engelen door haar zal worden geboren? En wat beteekent « tot in eeuwigheid zal zij gesloten blijven », anders dan dat Maria maagd was vóór Christus' geboorte, en maagd bij zijn geboorte, en maagd na zijn geboorte? »53Daartegenover staat echter hetgeen we lezen bij Ezechiël (44, 2, 3): “Deze poort zal gesloten blijven, zij zal niet geopend worden, en geen man zal daardoor ingaan, omdat de Heer, de God van Israël, daardoor is ingetreden”. Waar Augustinus deze woorden in een toespraak verklaart, zegt hij: “Wat betekenen deze woorden ‘de poort in het huis van de Heer zal gesloten blijven’, anders dan dat Maria steeds ongerept zal blijven? En wat betekent ‘geen man zal daardoor ingaan’, anders dan dat Joseph haar niet zal bekennen? En wat betekent ‘Alleen de Heer gaat daardoor in en treedt daardoor uit’, anders dan dat de H. Geest haar zwanger zal doen worden en dat de Heer van de engelen door haar zal worden geboren? En wat betekent ‘tot in eeuwigheid zal zij gesloten blijven’, anders dan dat Maria maagd was vóór Christus' geboorte, en maagd bij zijn geboorte, en maagd na zijn geboorte?”

Respondeo dicendum, quod absque omni dubio detestandus est error Helvidii, qui dicere praesumpsit, Matrem Christi post partum a Joseph esse carnaliter cognitam, et alios filios genuisse. Hoc enim primo derogat Christi perfectioni, qui sicut secundum divinam naturam unigenitus est Patris, tamquam perfectus per omnia filius ejus, ita decuit ut esset 54unigenitus matris, tamquam perfectissimum germen ejus. Secundo hic error injuriam facit Spiritui Sancto, cujus sacrarium fuit uterus virginalis, in quo carnem Christi formavit; unde non decebat, quod de caetero violaretur per commixtionem virilem. Tertio derogat dignitati et sanctitati Matris Dei, quae ingratissima videretur, si tanto Filio contenta non esset, et si virginitatem, quae in ea miraculose conservata fuerat, sponte perdere vellet per carnis concubitum. Quarto etiam ipsi Joseph esset ad maximam praesumptionem imputandum, si eam, quam revelante Angelo de Spiritu Sancto Deum concepisse cognoverat, polluere attentaret. Et simpliciter est asserendum, quod Mater Dei sicut virgo concepit et virgo peperit, ita etiam et virgo post partum in sempiternum permansit.

Leerstelling. — Zonder eenigen twijfel moet de dwaling verworpen worden van Helvidius, die durfde te beweren, dat de moeder van Christus na diens Geboorte door Joseph bekend werd en nog andere kinderen ter wereld bracht. Want 1e doet deze dwaling afbreuk aan Christus' volmaaktheid, die, gelijk Hij naar zijn goddelijke natuur de Eéngeborene des Vaders is (Joannes, 1, 14) als zijnde diens in alles volmaakte Zoon (Hebreeënbrief, 5428), zoo ook paste het, dat Hij de ééngeborene zijner moeder was, als zijnde haar allervolmaakst kind. 2e, doet deze dwaling den H. Geest onrecht aan; de maagdelijke schoot was zijn heiligdom, daarin toch had Hij het lichaam van Christus gevormd; het paste dan ook niet, dat dit heiligdom naderhand door de gemeenschap met een man zou worden geschonden. 3e, doet zij afbreuk aan de waardigheid en heiligheid der moeder Gods; zij toch zou allerondankbaarst schijnen, indien zij niet tevreden zou zijn met zulk een Zoon, en indien zij haar maagdelijkheid, die in haar op wonderdadige wijze voor schending was gevrijwaard, vrijwillig had willen te niet doen door gemeenschap des vleesches. 4e, ook aan Joseph zelf zou het als een zeer groote aanmatiging moeten worden toegerekend, wanneer hij het gewaagd zou hebben, haar te bevlekken, van wie hij door de openbaring eens engels wist, dat zij God zelf ontvangen had van den H. Geest. Bijgevolg moet men onvoorwaardelijk erkennen, dat de Moeder Gods na Christus' geboorte eeuwig maagd is gebleven, gelijk zij ook als maagd ontvangen en als maagd gebaard heeft.Leerstelling. — Zonder enigen twijfel moet de dwaling verworpen worden van Helvidius, die durfde te beweren, dat de moeder van Christus na diens Geboorte door Joseph bekend werd en nog andere kinderen ter wereld bracht. Want eerste doet deze dwaling afbreuk aan Christus' volmaaktheid, die, gelijk Hij naar zijn goddelijke natuur de Eéngeborene van de Vader is (Johannes, 1, 14) als zijnde diens in alles volmaakte Zoon (Hebreeënbrief, 5428), zo ook paste het, dat Hij de eengeborene van zijn moeder was, als zijnde haar allervolmaakst kind. tweede, doet deze dwaling de H. Geest onrecht aan; de maagdelijke schoot was zijn heiligdom, daarin toch had Hij het lichaam van Christus gevormd; het paste dan ook niet, dat dit heiligdom naderhand door de gemeenschap met een man zou worden geschonden. derde, doet zij afbreuk aan de waardigheid en heiligheid van de moeder Gods; zij toch zou allerondankbaarst schijnen, indien zij niet tevreden zou zijn met zulk een Zoon, en indien zij haar maagdelijkheid, die in haar op wonderdadige wijze voor schending was gevrijwaard, vrijwillig had willen te niet doen door gemeenschap van het vlees. vierde, ook aan Joseph zelf zou het als een zeer grote aanmatiging moeten worden toegerekend, wanneer hij het gewaagd zou hebben, haar te bevlekken, van wie hij door de openbaring eens engels wist, dat zij God zelf ontvangen had van de H. Geest. Bijgevolg moet men onvoorwaardelijk erkennen, dat de Moeder Gods na Christus' geboorte eeuwig maagd is gebleven, gelijk zij ook als maagd ontvangen en als maagd gebaard heeft.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod, sicut Hieronymus dicit in lib. Contra Helvidium [cap. 1.], « intelligendum est, quod haec praepositio ante, licet saepe consequentia indicet, tamen nonnunquam ea tantum, quae prius 55cogitabantur, ostendit; nec necesse est, ut cogitata fiant. Cum ideo aliud intervenerit, ne ea, quae cogitata sunt, fierent, sicut si aliquis dicat: Antequam in portu pranderem, navigavi, non intelligitur quod in portu prandeat, postquam navigaverit, sed quia cogitabatur in portu pransurus ». Et similiter Evangelista dicit: « Antequam convenirent, inventa est in utero habens de Spiritu Sancto », non quia postea convenerint, sed quia dum viderentur conventuri, praevenit conceptio per Spiritum Sanctum, ex quo factum est, ut ulterius non convenirent.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zooals Hieronymus in zijn werk Tegen Helvidius antwoordt (No. 4): « moet men bedenken, dat het voorzetsel « vóór », hoewel dit dikwijls wijst op 55datgene, wat daarna gebeurt, soms toch uitsluitend datgene aangeeft, waarvan men vooraf dacht, dat het zou gebeuren. Maar het is niet noodzakelijk, dat nu ook feitelijk datgene gebeurt, wat men gedacht heeft; wijl juist daarom iets anders tusschen beide kan komen, opdat hetgeen men dacht, niet zou gebeuren. Zoo b. v. wanneer iemand zegt « vóórdat ik in de haven ontbeet, heb ik gevaren », dan beteekent dit niet, dat hij na gevaren te hebben in de haven ontbijt, maar, dat hij dacht in de haven te zullen ontbijten. » Eveneens zegt de Evangelist « Vóórdat zij bij elkander kwamen, werd Maria zwanger bevonden van den H. Geest », daarmede niet bewerend, dat zij later wèl bij elkaar kwamen, maar dat, terwijl het scheen, dat zij bij elkander zouden komen, het ontvangen uit den H. Geest tusschen beide kwam, hetgeen maakte, dat zij later niet bij elkander kwamen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoals Hieronymus in zijn werk Tegen Helvidius antwoordt (No. 4): “moet men bedenken, dat het voorzetsel ‘vóór’, hoewel dit dikwijls wijst op 55datgene, wat daarna gebeurt, soms toch uitsluitend datgene aangeeft, waarvan men vooraf dacht, dat het zou gebeuren. Maar het is niet noodzakelijk, dat nu ook feitelijk datgene gebeurt, wat men gedacht heeft; wijl juist daarom iets anders tussen beide kan komen, opdat hetgeen men dacht, niet zou gebeuren. Zo bv. wanneer iemand zegt ‘vóórdat ik in de haven ontbeet, heb ik gevaren’, dan betekent dit niet, dat hij na gevaren te hebben in de haven ontbijt, maar, dat hij dacht in de haven te zullen ontbijten.” Eveneens zegt de Evangelist ‘Vóórdat zij bij elkander kwamen, werd Maria zwanger bevonden van de H. Geest’, daarmede niet bewerend, dat zij later wèl bij elkaar kwamen, maar dat, terwijl het scheen, dat zij bij elkander zouden komen, het ontvangen uit de H. Geest tussen beide kwam, hetgeen maakte, dat zij later niet bij elkander kwamen.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod, sicut Augustinus dicit in lib. 1. de Nuptiis et Concupiscentia [cap. 11.], « conjux Joseph vocatur Mater Dei ex prima desponsationis fide, quam per concubitum non cognoverat, nec fuerat cogniturus ». Ut enim Ambrosius dicit super Lucam [cap. 1. sup. cap. 1, v. 27]: « Non virginitatis ereptio, sed conjugii testificatio nuptiarum celebratio declaratur ».

2. Zooals Augustinus in zijn werk Over het Huwelijk en de Begeerlijkheid (1e B., 11e H.) zegt, « heet de Moeder Gods zijn echtgenoote, krachtens de eerste verlovingstrouw; toch heeft hij haar niet bekend en zou hij haar ook niet bekennen. » Want gelijk Ambrosius in zijn Uitleg op Lucas schrijft (2e B., op Lucas, 1, 27) « niet het verlies der maagdelijkheid wordt hier aangegeven, maar de betuiging van hun gehuwd-zijn, het vieren der verloving ».2. Zoals Augustinus in zijn werk Over het Huwelijk en de Begeerlijkheid (1e B., 11e H.) zegt, “heet de Moeder Gods zijn echtgenote, krachtens de eerste verlovingstrouw; toch heeft hij haar niet bekend en zou hij haar ook niet bekennen.” Want gelijk Ambrosius in zijn Uitleg op Lukas schrijft (2e B., op Lukas, 1, 27) ‘niet het verlies van de maagdelijkheid wordt hier aangegeven, maar de betuiging van hun gehuwd-zijn, het vieren van de verloving’.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod quidam dixerunt, hoc non esse 56intelligendum de cognitione coitus, sed de cognitione notitiae; dicit enim Chrysostomus [hom. 1. in op. imperf. ad fin.], quod, « non cognovit eam Joseph, antequam pareret, cujus fuerit dignitatis; sed postquam peperit, tunc cognovit, quia per ipsius prolem speciosior et dignior facta fuerat, quam totus mundus, quia quem totus mundus capere non poterat, in angusto cubiculo uteri sui sola suscepit ». Quidam vero hoc referunt ad notitiam visus: sicut enim Moysi cum Deo colloquentis glorificata est facies, ut non possent intendere in eum filii Israël, sic Maria claritate virtutis Altissimi obumbrata cognosci non poterat a Joseph, donec pareret; post partum autem a Joseph agnita invenitur specie faciei, non tactu libidinis; Hieronymus autem [lib. advers. Helvid. cap. 3.] concedit hoc esse intelligendum de cognitione coitus, sed dicit, quod usque, vel donec in Scripturis dupliciter potest intelligi: quandoque enim designat certum tempus, secundum illud Gal. 3. [v. 19]: « Propter transgressionem lex posita est, donec veniret semen, cui promiserat »; quandoque vero signat infinitum tempus, secundum 57illud Psalm. 122 [v. 2]: « Oculi nostri ad Dominum Deum nostrum, donec misereatur nostri », ex quo non est intelligendum, quod post impetratam misericordiam oculi avertantur a Deo; et secundum hunc modum loquendi significantur ea, de quibus posset dubitari, si scripta non fuissent; caetera vero nostrae intelligentiae derelinquuntur. Et secundum hoc Evangelista dicit, Matrem Dei non esse cognitam a viro usque ad partum, ut multo magis intelligamus cognitam non fuisse post partum.

3. Sommigen hielden, dat men dit niet moet verstaan in den zin 56van een vleeschelijk bekennen, doch van een verstandelijk kennen. Zoo schrijft Chrysostomus (in zijn 1e Homelie op Mattheus): « Joseph kende haar niet, vóórdat zij baarde, hij wist haar waardigheid niet; maar nadat zij gebaard had, toen kende hij haar. Want door haar kind was zij schooner en waardiger geworden dan geheel de wereld, omdat alléén zij Dengene, dien de geheele wereld niet kan omvatten, in de beperktheid van haar schoot heeft gedragen ». Anderen laten dit slaan op het kennen door het gezichtsvermogen. Want gelijk het aangezicht van den met God sprekenden Mozes verheerlijkt werd, zoodat de kinderen Israëls hem niet konden aankijken (2e Korinthiërbrief, 3, 7), zoo ook kon Maria, die door de schittering van de kracht des Allerhoogsten overschaduwd was, niet worden aangestaard door Joseph, totdat zij zou baren. Na het baren echter blijkt zij wel door Joseph gekend te zijn, door het zien van haar gelaat, maar niet door de aanraking, waar het zingenot naar streeft. Hieronymus echter geeft toe, dat men deze woorden moet verstaan in den zin van het bekennen door de vleeschelijke gemeenschap. Maar, zegt hij, « tot » of « totdat » kan in de H. Schrift tweevoudig worden opgevat. Soms toch geeft het een bepaalden tijd aan, blijkens den Brief aan de Galaten (3, 19): « Om wille der overtredingen is de Wet gesteld, totdat het Zaad zou zijn 57gekomen, aan wien de Belofte gericht was ». Soms echter beteekent het een onbepaalden tijd blijkens het Psalmwoord (Ps. 122, 2): « Onze oogen zijn gericht op den Heer, onzen God, totdat Hij zich onzer ontferme », waaruit men niet moet besluiten, dat na het verkrijgen van zijn ontferming de oogen werden afgewend van God. Deze eerste wijze van spreken wordt gebruikt, om datgene uit te drukken, waarover men nog zou kunnen twijfelen indien het niet uitdrukkelijk beschreven was; in het andere geval echter wordt de gevolgtrekking aan ons eigen denken overgelaten. En aldus zegt de Evangelist, dat de Moeder Gods door geen man bekend werd, totdat zij baarde, opdat wij des te beter zouden begrijpen, dat zij na die geboorte niet bekend werd.3. Sommigen hielden, dat men dit niet moet verstaan in de zin 56van een vleselijk bekennen, doch van een verstandelijk kennen. Zo schrijft Chrysostomus (in zijn 1e Homelie op Matteüs): “Joseph kende haar niet, vóórdat zij baarde, hij wist haar waardigheid niet; maar nadat zij gebaard had, toen kende hij haar. Want door haar kind was zij schoner en waardiger geworden dan geheel de wereld, omdat alléén zij Dengene, die de gehele wereld niet kan omvatten, in de beperktheid van haar schoot heeft gedragen”. Anderen laten dit slaan op het kennen door het gezichtsvermogen. Want gelijk het aangezicht van de met God sprekenden Mozes verheerlijkt werd, zodat de kinderen Israëls hem niet konden aankijken (2e Korintiërbrief, 3, 7), zo ook kon Maria, die door de schittering van de kracht van de Allerhoogste overschaduwd was, niet worden aangestaard door Joseph, totdat zij zou baren. Na het baren echter blijkt zij wel door Joseph gekend te zijn, door het zien van haar gelaat, maar niet door de aanraking, waar het zingenot naar streeft. Hieronymus echter geeft toe, dat men deze woorden moet verstaan in de zin van het bekennen door de vleselijke gemeenschap. Maar, zegt hij, “tot” of “totdat” kan in de H. Schrift tweevoudig worden opgevat. Soms toch geeft het een bepaalden tijd aan, blijkens de Brief aan de Galaten (3, 19): “Om wille van de overtredingen is de Wet gesteld, totdat het Zaad zou zijn 57gekomen, aan wie de Belofte gericht was”. Soms echter betekent het een onbepaalden tijd blijkens het Psalmwoord (Ps. 122, 2)a: “Onze ogen zijn gericht op de Heer, onze God, totdat Hij zich van onze ontferme”, waaruit men niet moet besluiten, dat na het verkrijgen van zijn ontferming de ogen werden afgewend van God. Deze eerste wijze van spreken wordt gebruikt, om datgene uit te drukken, waarover men nog zou kunnen twijfelen indien het niet uitdrukkelijk beschreven was; in het andere geval echter wordt de gevolgtrekking aan ons eigen denken overgelaten. En aldus zegt de Evangelist, dat de Moeder Gods door geen man bekend werd, totdat zij baarde, opdat wij des te beter zouden begrijpen, dat zij na die geboorte niet bekend werd.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod mos divinarum Scripturarum est, ut primogenitum vocent non solum eum, quem fratres sequuntur, sed eum qui primus natus sit; alioquin si non est primogenitus, nisi quem sequuntur fratres, tamdiu secundum legem primogenita non debentur, quamdiu et alia non fuerint procreata; quod patet esse falsum, cum intra unum mensem primogenita redimi mandentur secundum legem.

4. Het is de gewoonte der H. Schrift, om niet alleen dengene, op wien een of meer broeders volgen, eerstgeborene te noemen, maar in het algemeen den eerste, die geboren is. « Want anders, zoo slechts hij eerstgeborene is, op wien een of meer broeders volgen, dan zou hetgeen volgens de Wet aangaande de eerstgeborenen is voorgeschreven, niet verplichten », zoolang er nog geen andere kinderen waren bijgekomen. (Hieronymus, t. a. p., N° 10). Dit nu is klaarblijkelijk onwaar, wijl de eerstgeborene volgens de Wet binnen één maand moet worden vrijgekocht.4. Het is de gewoonte van de H. Schrift, om niet alleen dengene, op wie een of meer broeders volgen, eerstgeborene te noemen, maar in het algemeen de eerste, die geboren is. “Want anders, zo slechts hij eerstgeborene is, op wie een of meer broeders volgen, dan zou hetgeen volgens de Wet aangaande de eerstgeborenen is voorgeschreven, niet verplichten”, zolang er nog geen andere kinderen waren bijgekomen. (Hieronymus, t. a. p., N° 10). Dit nu is klaarblijkelijk onwaar, wijl de eerstgeborene volgens de Wet binnen één maand moet worden vrijgekocht.

↑ bedenking 5

Ad quintum dicendum, quod « quidam » sicut Hieronymus dicit super Matth. [Comm., Lib. 2, ad cap. 12, v. 49-50] « fratres Domini de alia 58uxore Joseph filios suspicantur; nos autem fratres Domini, non filios Joseph, sed consobrinos Salvatoris Mariae materterae Domini filios intelligimus ». Quatuor enim modis in Scripturis fratres dicuntur, scilicet natura, gente, cognatione, et affectu. Unde fratres Domini dicti sunt, non secundum naturam, quasi ab eadem matre nati, sed secundum cognationem, quasi consanguinei ejus existentes. Joseph autem, sicut Hieronymus dicit contra Helvidium [cap. 9.], « magis credendus est virgo permansisse, quia aliam uxorem habuisse non scribitur, et fornicatio in sanctum virum non cadit ».

5. Zooals Hieronymus in zijn Uitleg op Mattheus (2e B., op Matth. 12, 49, 50) verklaart, « verstaan sommigen onder de 58broeders des Heeren kinderen uit een andere echtgenoote van Joseph. Wij echter verstaan onder de broeders des Heeren geen zonen van Joseph, maar kinderen van de zuster zijner moeder Maria. Op vier verschillende manieren toch spreekt de H. Schrift van broeders, nl. op grond van geboorte, van het volk, van verwantschap en van toegenegenheid » (Hieronymus in zijn werk Tegen Helvidius; N° 14). Zij heeten dus geen broeders des Heeren krachtens hun geboorte, als waren zij uit dezelfde moeder geboren, maar krachtens verwantschap, als zijnde zijn bloedverwanten. Van Joseph echter moet men eerder aannemen, zooals Hieronymus in zijn werk Tegen Helvidius (N° 19) opmerkt, dat hij maagd is gebleven, wijl « nergens geschreven staat, dat hij nog een andere vrouw gehuwd heeft, en overspel gebeurt niet in het leven van een heilige ».5. Zoals Hieronymus in zijn Uitleg op Matteüs (2e B., op Matt. 12, 49, 50) verklaart, “verstaan sommigen onder de 58broeders van de Heer kinderen uit een andere echtgenote van Joseph. Wij echter verstaan onder de broeders van de Heer geen zonen van Joseph, maar kinderen van de zuster van zijn moeder Maria. Op vier verschillende manieren toch spreekt de H. Schrift van broeders, nl. op grond van geboorte, van het volk, van verwantschap en van toegenegenheid” (Hieronymus in zijn werk Tegen Helvidius; N° 14). Zij heten dus geen broeders van de Heer krachtens hun geboorte, als waren zij uit dezelfde moeder geboren, maar krachtens verwantschap, als zijnde zijn bloedverwanten. Van Joseph echter moet men eerder aannemen, zoals Hieronymus in zijn werk Tegen Helvidius (N° 19) opmerkt, dat hij maagd is gebleven, wijl “nergens geschreven staat, dat hij nog een andere vrouw gehuwd heeft, en overspel gebeurt niet in het leven van een heilige”.

↑ bedenking 6

Ad sextum dicendum, quod Maria, quae dicitur Jacobi et Joseph mater, non intelligitur esse mater Domini, quae in Evangelio non consuevit nominari nisi cum cognominatione hujus dignitatis, quod sit mater Jesu; haec autem Maria intelligitur esse uxor Alphaei, cujus filius est Jacobus minor, qui dictus est frater Domini.

6. Onder Maria, die hier de moeder van Jacobus en Joseph genoemd wordt, moet men niet de Moeder des Heeren verstaan, daar zij in het Evangelie niet anders vernoemd wordt dan met de bijvermelding harer waardigheid, dat zij de moeder van Jezus is. Met deze Maria wordt de vrouw van Alphaeus bedoeld, wier zoon Jacobus de Mindere is, die dan ook broeder des Heeren heet (Brief aan de Galaten, 1, 19).6. Onder Maria, die hier de moeder van Jacobus en Joseph genoemd wordt, moet men niet de Moeder van de Heer verstaan, daar zij in het Evangelie niet anders vernoemd wordt dan met de bijvermelding van haar waardigheid, dat zij de moeder van Jezus is. Met deze Maria wordt de vrouw van Alfeüs bedoeld, wier zoon Jacobus de Mindere is, die dan ook broeder van de Heer heet (Brief aan de Galaten, 1, 19).

Articulus IV

Utrum Mater Dei virginitatem voverit

[4. Dist. 30. q. 2. art. 1. q. 1. et Matth. 1.]
IVe Artikel

Heeft de Moeder Gods de gelofte van zuiverheid afgelegd?

antwoord 1 ↓

59Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod Mater Dei virginitatem non voverit: dicitur enim Deuter. 7 [v. 14]: « Non erit apud te sterilis utriusque sexus ». Sterilitas autem sequitur virginitatem. Ergo servatio virginitatis erat contra praeceptum veteris legis. Sed adhuc lex vetus habebat statum, antequam Christus nasceretur. Ergo non potuit licite Beata Virgo vovere virginitatem pro tempore illo.

59Bedenkingen. — Men beweert, dat de Moeder Gods geen gelofte van zuiverheid heeft afgelegd. — 1. In het boek Deuteronomium (7, 14) toch lezen we: « In geen van beide geslachten zal er een onvruchtbare bij u zijn ». Op de maagdelijkheid echter volgt de onvruchtbaarheid. Behoud der maagdelijkheid was dus tegen het voorschrift der Oude Wet. Welnu, vóór Christus' geboorte bleef de Oude Wet nog van kracht. Derhalve kon de H. Maagd voor wat dien tijd betreft niet geoorloofd de gelofte van zuiverheid afleggen.59Bedenkingen. — Men beweert, dat de Moeder Gods geen gelofte van zuiverheid heeft afgelegd. — 1. In het boek Deuteronomium (7, 14) toch lezen we: “In geen van beide geslachten zal er een onvruchtbare bij u zijn”. Op de maagdelijkheid echter volgt de onvruchtbaarheid. Behoud van de maagdelijkheid was dus tegen het voorschrift van de Oude Wet. Welnu, vóór Christus' geboorte bleef de Oude Wet nog van kracht. Derhalve kon de H. Maagd voor wat die tijd betreft niet geoorloofd de gelofte van zuiverheid afleggen.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Apostolus 1. ad Corinth. 7. [v. 25] dicit: « De virginibus autem praeceptum Domini non habeo, consilium autem do ». Sed perfectio consilii a Christo debuit inchoari, qui est finis legis, ut Apostolus dicit Roman. 10 [v. 4]. Non ergo conveniens fuit quod Beata Virgo votum virginitatis emitteret.

2. De Apostel schrijft in zijn Eersten Brief aan de Korinthiërs (7, 25): « Wat de maagden betreft, heb ik geen gebod des Heeren, maar ik geef een raad ». Welnu, de volmaaktheid der raden moest bij Christus beginnen, omdat Hij het eind der Wet is, zooals de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (10, 4) schrijft. Het was dus niet passend, dat de H. Maagd de gelofte van zuiverheid aflegde.2. De Apostel schrijft in zijn Eersten Brief aan de Korintiërs (7, 25): “Wat de maagden betreft, heb ik geen gebod van de Heer, maar ik geef een raad”. Welnu, de volmaaktheid van de raden moest bij Christus beginnen, omdat Hij het eind van de Wet is, zoals de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (10, 4) schrijft. Het was dus niet passend, dat de H. Maagd de gelofte van zuiverheid aflegde.

antwoord 3 ↓

603. Praeterea, Apostolus1 dicit 1. ad Timoth. 5. [v. 12], quod « voventibus castitatem non solum nubere, sed etiam velle nubere damnabile est ». Sed mater Christi nullum peccatum damnabile commisit, ut supra habitum est [q. 27. art. 4.]. Cum ergo desponsata fuerit, ut habetur Luc. 1. [v. 27], videtur, quod ipsa virginitatis votum non emiserit.

603. Een glosse van Hieronymus op den Eersten Brief aan Timotheus (5, 12) leert: « in degenen, die de gelofte van zuiverheid hebben afgelegd is niet alleen het trouwen veroordeelenswaardig, maar ook het willen trouwen ». Christus' moeder echter heeft geen enkel veroordeelenswaardig vergrijp bedreven, zooals boven (27e Kw., 4e Art.) werd aangetoond. Daar zij dus verloofd was, gelijk we lezen bij Lucas (1, 27), heeft zij, naar men beweert, geen gelofte van zuiverheid afgelegd.603. Een glosse van Hieronymus op de Eerste Brief aan Timoteüs (5, 12) leert: “in degenen, die de gelofte van zuiverheid hebben afgelegd is niet alleen het trouwen veroordeelenswaardig, maar ook het willen trouwen”. Christus' moeder echter heeft geen enkel veroordeelenswaardig vergrijp bedreven, zoals boven (27e Kw., 4e Art.) werd aangetoond. Daar zij dus verloofd was, gelijk we lezen bij Lukas (1, 27), heeft zij, naar men beweert, geen gelofte van zuiverheid afgelegd.

Sed contra est, quod Augustinus dicit in libro de Sancta Virginitate [cap. 4]: « Annuntianti Angelo Maria respondit: Quomodo fiet istud, quoniam virum non cognosco? quod profecto non diceret, nisi prius se virginem Deo vovisset ».

Daartegenover echter staat hetgeen Augustinus zegt in zijn werk Over de Heilige Maagdelijkheid (4e H.): « Aan den engel, die haar Gods boodschap overbracht, antwoordde zij: « Hoe zal dit geschieden, daar ik geen man beken? » Dit zou zij zeker niet gezegd hebben, zoo zij zich tevoren niet als maagd aan God had toegewijd ».Daartegenover echter staat hetgeen Augustinus zegt in zijn werk Over de Heilige Maagdelijkheid (4e H.): “Aan de engel, die haar Gods boodschap overbracht, antwoordde zij: ‘Hoe zal dit geschieden, daar ik geen man beken?’ Dit zou zij zeker niet gezegd hebben, zo zij zich tevoren niet als maagd aan God had toegewijd”.

Respondeo dicendum, quod, sicut in 2. habitum est [2-2. q. 88. art. 6.], perfectionis opera magis sunt laudabilia, si ex voto celebrentur; virginitas autem in Matre Dei praecipue debuit pollere, ut ex supra dictis rationibus patet [art. 1. huj. q.]; et ideo conveniens fuit, ut virginitas ejus 61ex voto esset Deo consecrata. Verum quia tempore legis oportebat generationi insistere tam mulieres, quam viros, quia secundum carnis originem cultus Dei propagabatur, antequam ex illo populo Christus nasceretur, Mater Dei non creditur, antequam desponsaretur Joseph, absolute virginitatem vovisse, sed licet eam in desiderio habuerit, super hoc tamen voluntatem suam divino commissit arbitrio; postmodum vero accepto sponso, secundum quod mores illius temporis exigebant, simul cum eo votum virginitatis emisit.

Leerstelling. — Zooals we in het Tweede Deel (IIa-IIae, 88e Kw., 6e Art.) gezien hebben, zijn de werken der volmaaktheid lofwaardiger, zoo zij krachtens een gelofte geschieden. In de Moeder Gods nu moest de maagdelijkheid heel bijzonder uitschitteren, gelijk uit de boven aangegeven (vgl. Art. 1, 2, 3) 61redenen blijkt. Derhalve was het passend, dat haar maagdelijkheid krachtens een gelofte aan God was toegewijd. Daar echter ten tijde der Wet zoowel vrouwen als mannen verplicht waren nakomelingen te verwekken (omdat de dienst van God, vóórdat Christus uit dit volk geboren werd, krachtens de lichamelijke afstamming moest worden voortgeplant), gelooft men niet, dat de Moeder Gods vóór haar verloving met Joseph een gelofte van zuiverheid onvoorwaardelijk heeft afgelegd; maar ofschoon zij er wel naar verlangde dit te doen, heeft zij toch haar eigen wil dienaangaande, aan Gods vrije beschikking overgelaten. Later echter toen zij, zooals de gebruiken dier tijden dit eischten, een bruidegom gekregen had, heeft zij tegelijk met hem de gelofte van zuiverheid afgelegd.Leerstelling. — Zoals we in het Tweede Deel (2-2, 88e Kw., 6e Art.) gezien hebben, zijn de werken van de volmaaktheid lofwaardiger, zo zij krachtens een gelofte geschieden. In de Moeder Gods nu moest de maagdelijkheid heel bijzonder uitschitteren, gelijk uit de boven aangegeven (vgl. Art. 1, 2, 3) 61redenen blijkt. Derhalve was het passend, dat haar maagdelijkheid krachtens een gelofte aan God was toegewijd. Daar echter ten tijde van de Wet zowel vrouwen als mannen verplicht waren nakomelingen te verwekken (omdat de dienst van God, vóórdat Christus uit dit volk geboren werd, krachtens de lichamelijke afstamming moest worden voortgeplant), gelooft men niet, dat de Moeder Gods vóór haar verloving met Joseph een gelofte van zuiverheid onvoorwaardelijk heeft afgelegd; maar ofschoon zij er wel naar verlangde dit te doen, heeft zij toch haar eigen wil dienaangaande, aan Gods vrije beschikking overgelaten. Later echter toen zij, zoals de gebruiken van die tijden dit eisten, een bruidegom gekregen had, heeft zij tegelijk met hem de gelofte van zuiverheid afgelegd.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod quia videbatur esse lege prohibitum non dare operam ad relinquendum semen super terram, ideo non simpliciter virginitatem vovit Dei Genitrix, sed sub conditione, si Deo placeret; postquam autem ei innotuit hoc esse Deo acceptum, absolute vovit, antequam ab Angelo annuntiaretur.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Daar het door de Wet verboden scheen, zich geen moeite te getroosten, om een nakomelingschap op aarde achter te laten, daarom juist heeft de Moeder Gods haar maagdelijkheid niet zonder meer aan God toegewijd, maar voorwaardelijk: indien het God behaagt. Nadat haar echter gebleken was, dat dit Gode aangenaam was, heeft zij zich volstrekt aan Hem toegewijd nog vóór de Boodschap des engels.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Daar het door de Wet verboden scheen, zich geen moeite te getroosten, om een nakomelingschap op aarde achter te laten, daarom juist heeft de Moeder Gods haar maagdelijkheid niet zonder meer aan God toegewijd, maar voorwaardelijk: indien het God behaagt. Nadat haar echter gebleken was, dat dit Gode aangenaam was, heeft zij zich volstrekt aan Hem toegewijd nog vóór de Boodschap van de engel.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod sicut gratiae plenitudo perfecte quidem 62fuit in Christo, et tamen aliqua ejus inchoatio praecessit in matre, ita etiam observatio consiliorum, quae per gratiam Dei fit, perfecte quidem incepit in Christo, sed aliquo modo fuit inchoata in Virgine matre ejus.

2. Gelijk de volheid van genade op volmaakte wijze in Christus 62was en toch reeds een begin daarvan Hem voorafging in zijn moeder, zoo ook begon het onderhouden der raden (hetgeen door Gods genade geschiedt) wel op volmaakte wijze in Christus, maar werd toch reeds eenigszins ingezet in de H. Maagd, zijn moeder.2. Gelijk de volheid van genade op volmaakte wijze in Christus 62was en toch reeds een begin daarvan Hem voorafging in zijn moeder, zo ook begon het onderhouden van de raden (hetgeen door Gods genade geschiedt) wel op volmaakte wijze in Christus, maar werd toch reeds enigszins ingezet in de H. Maagd, zijn moeder.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod verbum illud Apostoli est intelligendum de illis, quae absolute castitatem vovent; quod quidem Mater Dei non fecit, antequam Joseph desponsaretur, sed post desponsationem ex communi voluntate simul cum sponso suo votum virginitatis emisit.

3. Dit woord van den Apostel moet men laten slaan op hen, die onvoorwaardelijk zuiverheid beloven. Dit echter deed de Moeder Gods niet, vóórdat zij met Joseph verloofd was. Doch na haar verloving heeft zij tegelijk met haar bruidegom, met elkaars goedvinden, de gelofte van zuiverheid afgelegd.3. Dit woord van de Apostel moet men laten slaan op hen, die onvoorwaardelijk zuiverheid beloven. Dit echter deed de Moeder Gods niet, vóórdat zij met Joseph verloofd was. Doch na haar verloving heeft zij tegelijk met haar bruidegom, met elkaars goedvinden, de gelofte van zuiverheid afgelegd.