De sacerdotio Christi, in sex articulos divisa
Over het priesterschap van Christus
611Deinde considerandum est de sacerdotio Christi.
611Vervolgens moeten wij over het priesterschap van Christus spreken.
Et circa hoc quaeruntur sex: 1. Utrum conveniat Christo esse sacerdotem. — 2. De hostia hujus sacerdotii. — 3. De effectu hujus sacerdotii. — 4. Utrum effectus sacerdotii ejus pertineat ad ipsum, vel solum ad alios. — 5. De aeternitate sacerdotii ejus. — 6. Utrum debeat dici sacerdos secundum ordinem Melchisedech.
En daarover stellen wij ons zes vragen: 1. Kwam het Christus toe priester te zijn? 2. Over het offer van dezen priester. 3. Over de vruchten van dit priesterschap. 4. Betreffen de vruchten van Zijn priesterschap Hemzelf of alleen anderen? 5. Over de eeuwigheid van Zijn priesterschap. 6. Moet Hij « priester naar de orde van Melchisedech » worden genoemd?En daarover stellen wij ons zes vragen: 1. Kwam het Christus toe priester te zijn? 2. Over het offer van deze priester. 3. Over de vruchten van dit priesterschap. 4. Betreffen de vruchten van Zijn priesterschap Hemzelf of alleen anderen? 5. Over de eeuwigheid van Zijn priesterschap. 6. Moet Hij “priester naar de orde van Melchisedech” worden genoemd?
Utrum Christo conveniat esse sacerdotem
Kwam het Christus toe priester te zijn?
612Ad primum sic proceditur. Videtur, quod Christo non conveniat esse sacerdotem. Sacerdos enim est minor angelo: unde dicitur Zach. 3. [v. 1]: « Ostendit mihi Deus sacerdotem magnum stantem coram angelo Domini ». Sed Christus est major angelis, secundum illud Hebr. 1. [v. 4]: « Tanto melior angelis effectus, quanto differentius prae illis nomen haereditavit ». Ergo Christo non convenit esse sacerdotem.
612Bedenkingen. — Men beweert dat het Christus niet toekomt priester te zijn. — 1. Want een priester staat lager dan een Engel, zoodat bij Zacharias (3, 1) wordt gezegd: « God toonde mij den hoogepriester staande voor Gods Engel ». Nu is Christus boven de Engelen volgens den Hebreeënbrief (1, 4): « Even hoog staat Hij boven de Engelen, als de naam dien Hij ontving voortreffelijker is dan de hunne ». Dus komt het Christus niet toe priester te zijn.612Bedenkingen. — Men beweert dat het Christus niet toekomt priester te zijn. — 1. Want een priester staat lager dan een Engel, zodat bij Zacharias (3, 1) wordt gezegd: “God toonde mij de hogepriester staande voor Gods Engel”. Nu is Christus boven de Engelen volgens de Hebreeënbrief (1, 4): “Even hoog staat Hij boven de Engelen, als de naam die Hij ontving voortreffelijker is dan de hunne”. Dus komt het Christus niet toe priester te zijn.
2. Praeterea, ea quae fuerunt in veteri Testamento, fuerunt figurae Christi, secundum illud Colos. 2. [v. 17]: « Quae sunt umbra futurorum, corpus autem Christi ». Sed Christus non traxit carnis originem ex sacerdotibus veteris legis: dicit enim Apostolus ad Hebr. 7. [v. 14]: « Manifestum est, quod ex Juda ortus sit Dominus noster; in qua tribu nihil de 613sacerdotibus Moyses locutus est ». Ergo Christo non convenit esse sacerdotem.
2. Wat onder het oude Verbond bestond was een voorafbeelding van Christus volgens den Brief aan de Colossensen (2, 17): « Zij zijn een schaduwbeeld van de toekomstige dingen, maar de werkelijkheid is van Christus ». Nu werd Christus naar het vleesch niet uit de priesters van het Oude verbond geboren, want de Apostel zegt in den Hebreeënbrief (7, 14): « Het is duidelijk, dat de Heer uit den stam van Juda geboren is, terwijl 613Moses niets over priesters uit dezen stam gezegd heeft ». Dus komt het Christus niet toe priester te zijn.2. Wat onder het oude Verbond bestond was een voorafbeelding van Christus volgens de Brief aan de Colossensen (2, 17): “Zij zijn een schaduwbeeld van de toekomstige dingen, maar de werkelijkheid is van Christus”. Nu werd Christus naar het vlees niet uit de priesters van het Oude verbond geboren, want de Apostel zegt in de Hebreeënbrief (7, 14): “Het is duidelijk, dat de Heer uit de stam van Juda geboren is, terwijl 613Moses niets over priesters uit deze stam gezegd heeft”. Dus komt het Christus niet toe priester te zijn.
3. Praeterea, in veteri lege, quae est figura Christi, non fuit idem legislator, et sacerdos, unde dicit Dominus ad Moysem legislatorem, Exod. 28. [v. 1]: « Applica Aaron fratrem tuum, ut sacerdotio fungatur mihi ». Christus autem est lator novae legis, secundum illud Jerem. 31. [v. 33]: « Dabo legem meam in cordibus eorum ». Ergo Christo non convenit esse sacerdotem.
3. Onder het Oude Verbond, dat een voorafbeelding van Christus is, waren priester en wetgever niet dezelfde; en daarom zegt de Heer tot den wetgever Moses in Exodus (28, 1): « Breng Uw broeder Aaron naar voren, dat hij Mij als priester diene ». Nu is Christus de gever van de nieuwe wet naar het woord van Jeremias (31, 33): « Ik zal Mijn wet in hun harten geven ». Dus komt het Christus niet toe priester te zijn.3. Onder het Oude Verbond, dat een voorafbeelding van Christus is, waren priester en wetgever niet dezelfde; en daarom zegt de Heer tot de wetgever Moses in Exodus (28, 1): “Breng Uw broeder Aaron naar voren, dat hij Mij als priester diene”. Nu is Christus de gever van de nieuwe wet naar het woord van Jeremia (31, 33): “Ik zal Mijn wet in hun harten geven”. Dus komt het Christus niet toe priester te zijn.
Sed contra est, quod dicitur Hebr. 4. [v. 14]: « Habemus Pontificem, qui penetravit coelos, Jesum filium Dei ».
Maar daartegenover staat dat in den Hebreeënbrief (4, 14) wordt gezegd: « Wij hebben een hoogepriester, die den hemel is binnengegaan, Jesus den Zoon van God ».Maar daartegenover staat dat in de Hebreeënbrief (4, 14) wordt gezegd: “Wij hebben een hogepriester, die de hemel is binnengegaan, Jesus de Zoon van God”.
Respondeo dicendum, quod proprie1 officium sacerdotis est esse mediatorem inter Deum, et populum; inquantum scilicet divina populo tradit: unde dicitur « sacerdos » quasi « sacra dans » secundum illud Malach. 2. [v. 7]: « Legem requirent ex ore ejus », scilicet sacerdotis; 614et iterum inquantum preces populi Deo offert, et pro eorum peccatis Deo aliqualiter satisfacit; unde Apost. dicit ad Hebr. 5. [v. 1]: « Omnis Pontifex ex hominibus assumptus pro hominibus constituitur in his quae sunt ad Deum, ut offerat dona, et sacrificia pro peccatis ». Hoc autem maxime convenit Christo. Nam per ipsum divina dona2 hominibus sunt collata, secundum illud 2. Petr. 1. [v. 4]: « Per quem », scilicet Christum, « maxima, et pretiosa nobis promissa donavit, ut per hoc efficiamini divinae consortes naturae ». Ipse etiam humanum genus Deo reconciliavit, secundum illud Coloss. 1. [v. 19, 20]: « In ipso », scilicet Christo, « complacuit omnem plenitudinem inhabitare, et per eum reconciliare omnia ». Unde Christo maxime convenit esse sacerdotem.
Leerstelling. — De eigenlijke taak van een priester is middelaar te zijn tusschen God en de menschen, in zoover hij nl. goddelijke dingen aan de menschen geeft; en daarom wordt hij sacerdos genoemd als sacra dans, (het heilige gevend) volgens Malachias (2, 7): « Zij zullen de Wet verwachten (te hooren) uit den mond van den priester »; en ook in zoover hij de gebeden, 614van het volk aan God opdraagt en eenigszins tegenover God voor hun zonden voldoet; en daarom zegt de Apostel in den Hebreeënbrief (5, 1): « Iedere hoogepriester wordt uit het midden der menschen gekozen en ten bate der menschen aangesteld voor hun betrekkingen tot God om gaven en offers te brengen voor hun zonden ». Dit nu komt in de hoogste mate aan Christus toe. Want door Hem zijn er gaven aan de menschen geschonken volgens den Tweeden Brief van Petrus (1, 4): « door Hem, nl. Christus, heeft Hij ons de meest kostelijke en heerlijke beloften gedaan, dat gij hierdoor deelachtig zoudt worden aan Gods natuur ». Hij heeft ook het menschengeslacht met God verzoend volgens den Colossensenbrief (1, 19 en 20): « In Hem (nl. Christus) heeft de geheele volheid van God willen wonen en door Hem alles met Zich verzoenen ». Daarom komt het in hoogste maat aan Christus toe priester te zijn.Leerstelling. — De eigenlijke taak van een priester is middelaar te zijn tussen God en de mensen, in zover hij nl. goddelijke dingen aan de mensen geeft; en daarom wordt hij sacerdos genoemd als sacra dans, (het heilige gevend) volgens Maleachi (2, 7): “Zij zullen de Wet verwachten (te horen) uit de mond van de priester”; en ook in zover hij de gebeden, 614van het volk aan God opdraagt en enigszins tegenover God voor hun zonden voldoet; en daarom zegt de Apostel in de Hebreeënbrief (5, 1): “Iedere hogepriester wordt uit het midden van de mensen gekozen en ten bate van de mensen aangesteld voor hun betrekkingen tot God om gaven en offers te brengen voor hun zonden”. Dit nu komt in de hoogste mate aan Christus toe. Want door Hem zijn er gaven aan de mensen geschonken volgens de Tweede Brief van Petrus (1, 4): “door Hem, nl. Christus, heeft Hij ons de meest kostelijke en heerlijke beloften gedaan, dat gij hierdoor deelachtig zoudt worden aan Gods natuur”. Hij heeft ook het mensengeslacht met God verzoend volgens de Kolossenzenbrief (1, 19 en 20): “In Hem (nl. Christus) heeft de gehele volheid van God willen wonen en door Hem alles met Zich verzoenen”. Daarom komt het in hoogste maat aan Christus toe priester te zijn.
Ad primum ergo dicendum, quod potestas hierarchica convenit quidem angelis, inquantum et ipsi sunt medii inter Deum, et hominem, ut patet per Dionysium in lib. Coel. Hierarch. [cap. 9. ad fin.], ita quod ipse sacerdos, inquantum est medius inter Deum, et populum, angeli nomen habet, 615secundum illud Malach. 2. [v. 7]: « Angelus Domini exercituum est ». Christus autem major angelis fuit, non solum secundum divinitatem, sed etiam secundum humanitatem; inquantum habuit plenitudinem gratiae, et gloriae. Unde etiam excellentiori modo hierarchicam, seu sacerdotalem potestatem prae angelis habuit, ita etiam quod ipsi angeli fuerunt ministri sacerdotii ejus, secundum illud Matth. 4. [v. 11]: « Accesserunt angeli, et ministrabant ei ». Secundum tamen passibilitatem carnis3 « modico ab angelis minoratus est », ut Apost. dicit Hebr. 2. [v. 9]. Et secundum hoc conformis fuit hominibus viatoribus in sacerdotio constitutis.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Hierarchische macht hebben de engelen in zoover zij tusschen God en de menschen in staan, zooals Dionysius in het boek Over de Hemelsche Hierarchiën (9e H.) bewijst; zoodat de priester als staand tusschen God en mensch den naam Engel draagt naar Malachias 615(2, 7): « Hij is de Engel van den Heer der heerscharen ». Maar Christus stond boven de Engelen, niet alleen naar Zijn goddelijke, maar ook naar Zijn menschelijke natuur, in zoover Hij de volheid van glorie en genade bezat. Dus had Hij op een boven de Engelen verheven manier hierarchische of priesterlijke macht, zoodat de Engelen zelfs dienaars waren van Zijn priesterschap naar Matthaeus (4, 11): « Engelen kwamen Hem dienen ». Maar door Zijn vermogen om te lijden « is Hij een korten tijd beneden hen gesteld », zooals de Apostel zegt, Hebreeënbrief (2, 9). En hierin was Hij aan de andere pelgrims naar den hemel die priester zijn gelijk.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Hiërarchische macht hebben de engelen in zover zij tussen God en de mensen in staan, zoals Dionysius in het boek Over de Hemelse Hierarchiën (9e H.) bewijst; zodat de priester als staand tussen God en mens de naam Engel draagt naar Maleachi 615(2, 7): “Hij is de Engel van de Heer van de heerscharen”. Maar Christus stond boven de Engelen, niet alleen naar Zijn goddelijke, maar ook naar Zijn menselijke natuur, in zover Hij de volheid van glorie en genade bezat. Dus had Hij op een boven de Engelen verheven manier hiërarchische of priesterlijke macht, zodat de Engelen zelfs dienaars waren van Zijn priesterschap naar Matteüs (4, 11): “Engelen kwamen Hem dienen”. Maar door Zijn vermogen om te lijden “is Hij een korten tijd beneden hen gesteld”, zoals de Apostel zegt, Hebreeënbrief (2, 9). En hierin was Hij aan de andere pelgrims naar de hemel die priester zijn gelijk.
Ad secundum dicendum, quod, sicut Damascenus dicit in 3. libro [Orth. Fid. cap. 26. in fin.], « quod in omnibus est simile, idem utique erit, et non exemplum ». Quia igitur sacerdotium veteris legis erat figura sacerdotii Christi, noluit Christus nasci de stirpe figuralium sacerdotum; ut ostenderetur non esse omnino idem sacerdotium, sed differre, sicut verum a figurali.
2. Zooals Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 26e H.) zegt, « is wat in alles gelijkt, precies hetzelfde en geen voorbeeld ». Omdat nu het priesterschap der Oude Wet een beeld van dat van Christus was, wilde Christus niet uit het geslacht van die voorafbeeldende priesters geboren worden, om te toonen, dat het niet hetzelfde priesterschap was maar verschilde, als de werkelijkheid van het beeld.2. Zoals Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 26e H.) zegt, “is wat in alles gelijkt, precies hetzelfde en geen voorbeeld”. Omdat nu het priesterschap van de Oude Wet een beeld van dat van Christus was, wilde Christus niet uit het geslacht van die voorafbeeldende priesters geboren worden, om te tonen, dat het niet hetzelfde priesterschap was maar verschilde, als de werkelijkheid van het beeld.
Ad tertium dicendum, quod, sicut supra dictum est [q. 7. art. 7. ad 6161. et art. 10.], alii homines particulatim habent quasdam gratias: sed Christus, tanquam omnium caput, habet perfectionem omnium gratiarum. Et ideo quantum ad alios pertinet, alius est legislator, et alius sacerdos, et alius rex: sed haec omnia concurrunt in Christo, tanquam in fonte omnium gratiarum. Unde dicitur Isa. 33. [v. 22]: « Dominus judex noster, Dominus legifer noster, Dominus rex noster, ipse veniet, et salvabit nos ».
3. Alle menschen hebben zooals boven gezegd is (7e Kw., 6167e Art., Antw. op de 1e B.; 10e Art.) afzonderlijk genaden, maar Christus als het hoofd van allen de volheid van alle genade. Wat anderen daarom betreft is de een wetgever en de ander priester en een derde koning, maar in Christus is dat alles tegelijk als in de bron van alle genaden. Daarom zegt Isaias (33, 22) « God onze rechter, God onze wetgever, God onze koning, Hij komt ons redden ».3. Alle mensen hebben zoals boven gezegd is (7e Kw., 6167e Art., Antw. op de 1e B.; 10e Art.) afzonderlijk genaden, maar Christus als het hoofd van allen de volheid van alle genade. Wat anderen daarom betreft is de een wetgever en de ander priester en een derde koning, maar in Christus is dat alles tegelijk als in de bron van alle genaden. Daarom zegt Jesaja (33, 22) “God onze rechter, God onze wetgever, God onze koning, Hij komt ons redden”.
Utrum Christus simul fuerit sacerdos, et hostia
Was Christus zelf tegelijk priester en offer?
616Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod ipse Christus non fuerit simul sacerdos, et hostia. Sacerdos enim est hostiam occidere. Sed Christus non seipsum occidit. Ergo ipse non fuit simul sacerdos, et hostia.
616Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus zelf niet tegelijk priester en offer was. — 1. Want aan den priester komt het toe het offer te dooden, maar Christus heeft zichzelf niet gedood. Dus was Hij geen priester en offer tegelijk.616Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus zelf niet tegelijk priester en offer was. — 1. Want aan de priester komt het toe het offer te doden, maar Christus heeft zichzelf niet gedood. Dus was Hij geen priester en offer tegelijk.
2. Praeterea, sacerdotium Christi magis est simile sacerdotii Judaeorum, quod erat a Deo institutum, quam sacerdotio Gentilium, quo daemones colebantur. In veteri autem lege nunquam homo in sacrificium offerebatur; quod maxime reprehenditur in sacrificiis Gentilium, secundum 617illud Ps. 105. [v. 38]: « Effuderunt sanguinem innocentem, sanguinem filiorum suorum, et filiarum suarum, quas sacrificaverunt sculptilibus Chanaan ». Ergo in sacerdotio Christi non debuit esse ipse homo Christus hostia.
2. Christus' priesterschap geleek meer op dat der Joden dat door God was ingesteld dan op dat der heidenen waardoor de duivelen werden vereerd. Nu werd echter onder de Oude Wet nooit een mensch als offer opgedragen; maar dat juist wordt vooral 617in de offers der heidenen veroordeeld naar het Psalmwoord (Ps. 105, 38): « Het onschuldige bloed hebben zij vergoten van hun zonen en dochters, die zij aan Canaans afgoden offerden ». Dus moest bij Christus' offer de mensch Christus niet zelf het offer zijn.2. Christus' priesterschap geleek meer op dat van de Joden dat door God was ingesteld dan op dat van de heidenen waardoor de duivelen werden vereerd. Nu werd echter onder de Oude Wet nooit een mens als offer opgedragen; maar dat juist wordt vooral 617in de offers van de heidenen veroordeeld naar het Psalmwoord (Ps. 105, 38)a: “Het onschuldige bloed hebben zij vergoten van hun zonen en dochters, die zij aan Kanaäns afgoden offerden”. Dus moest bij Christus' offer de mens Christus niet zelf het offer zijn.
3. Praeterea, omnis hostia, ex hoc quod Deo offertur, Deo sanctificatur. Sed ipsa Christi humanitas a principio fuit sanctificata, et Deo conjuncta. Ergo non convenienter potest dici, quod Christus, secundum quod homo, fuerit hostia.
3. Ieder offer wordt omdat het aan God wordt opgedragen aan Hem toegeheiligd. Nu was echter Christus' menschheid van het begin af geheiligd en met God vereenigd. Dus is het niet mogelijk op gepaste manier te zeggen, dat Christus als mensch het offer was.3. Ieder offer wordt omdat het aan God wordt opgedragen aan Hem toegeheiligd. Nu was echter Christus' mensheid van het begin af geheiligd en met God verenigd. Dus is het niet mogelijk op gepaste manier te zeggen, dat Christus als mens het offer was.
Sed contra est, quod Apost. dicit ad Eph. 5. [v. 2]: « Christus dilexit nos, et tradidit semetipsum pro nobis oblationem, et hostiam Deo in odorem suavitatis ».
Maar daartegenover staat, dat de Apostel in den Ephesiërsbrief (5, 2) zegt: « Hij heeft ons liefgehad en Zich voor ons gegeven als gave en offer, tot een lieflijken geur voor God ».Maar daartegenover staat, dat de Apostel in de Efesiërsbrief (5, 2) zegt: “Hij heeft ons liefgehad en Zich voor ons gegeven als gave en offer, tot een lieflijken geur voor God”.
Respondeo dicendum, quod, sicut Augustinus dicit in 10. de Civit. Dei [cap. 5.], « omne sacrificium visibile invisibilis sacrificii sacramentum, idest sacrum signum est ». Invisibile autem sacrificium est, quo homo Deo spiritum suum offert, secundum illud Ps. 50. [v. 19]: « Sacrificium 618Deo spiritus contribulatus ». Et ideo omne illud quod Deo exhibetur, ad hoc quod spiritus hominis feratur in Deum, potest dici sacrificium.
Leerstelling. — Zooals Augustinus in De Stad Gods (10e B., 5e H.) zegt, « is ieder zichtbaar offer het sacrament of heilig teeken van een onzichtbaar offer ». Het onzichtbare offer nu is dit, dat de mensch zijn ziel aan God opdraagt naar het Psalmwoord (Ps. 50, 19): « Een offer voor God is een boetvaardige ziel ». En daarom kan alles wat hiertoe aan God wordt opgedragen, dat de 618geest van den mensch naar Hem omhoog stijgt, een offer worden genoemd.Leerstelling. — Zoals Augustinus in De Stad Gods (10e B., 5e H.) zegt, “is ieder zichtbaar offer het sacrament of heilig teken van een onzichtbaar offer”. Het onzichtbare offer nu is dit, dat de mens zijn ziel aan God opdraagt naar het Psalmwoord (Ps. 50, 19)b: “Een offer voor God is een boetvaardige ziel”. En daarom kan alles wat hiertoe aan God wordt opgedragen, dat de 618geest van de mens naar Hem omhoog stijgt, een offer worden genoemd.
Indiget igitur homo sacrificio propter tria. Uno quidem modo ad remissionem peccati, per quod a Deo avertitur. Et ideo Apost, dicit in Hebr. 5. [v. 1], quod ad sacerdotem pertinet, « ut offerat dona, et sacrificia pro peccatis ». Secundo, ut homo in statu gratiae conservetur, semper Deo inhaerens; in quo ejus pax, et salus consistit. Unde et in veteri lege immolabatur hostia pacifica pro offerentium salute, ut habetur Levit. 3. Tertio ad hoc quod spiritus hominis perfecte Deo uniatur; quod maxime erit in gloria. Unde et in veteri lege offerebatur holocaustum, quasi « totum incensum » ut dicitur Levit. 1.
Om drie redenen heeft nu de mensch een offer noodig. Ten eerste tot vergeving van de zonde, waardoor hij zich van God afwendt. En daarom zegt de Apostel in den Hebreeënbrief (5, 1), dat het de taak van den priester is « offers en gaven voor de zonden op te dragen ». Ten tweede om in de staat van genade te blijven en altijd met God verbonden te zijn, in Wien zijn vrede en heil gelegen is. Daarom werden onder de Oude Wet vredeoffers opgedragen voor het heil van hen die offerden, zooals in Leviticus (3) staat. Ten derde, opdat de menschenziel volmaakt met God wordt vereenigd, wat vooral in den hemel plaats zal grijpen. Daarom werden onder de Oude Wet zg. holocausta of offers die geheel verteerd werden opgedragen, zooals wij in Leviticus (1) lezen.Om drie redenen heeft nu de mens een offer nodig. Ten eerste tot vergeving van de zonde, waardoor hij zich van God afwendt. En daarom zegt de Apostel in de Hebreeënbrief (5, 1), dat het de taak van de priester is “offers en gaven voor de zonden op te dragen”. Ten tweede om in de staat van genade te blijven en altijd met God verbonden te zijn, in Wie zijn vrede en heil gelegen is. Daarom werden onder de Oude Wet vredeoffers opgedragen voor het heil van hen die offerden, zoals in Leviticus (3) staat. Ten derde, opdat de mensenziel volmaakt met God wordt verenigd, wat vooral in de hemel plaats zal grijpen. Daarom werden onder de Oude Wet zg. holocausta of offers die geheel verteerd werden opgedragen, zoals wij in Leviticus (1) lezen.
Haec autem per humanitatem Christi nobis provenerunt. Nam primo quidem nostra peccata deleta sunt, secundum illud Rom. 4. [v. 25]: « Traditus est propter delicta nostra ». Secundo gratiam nos salvantem per ipsum accepimus, secundum illud Hebr. 5. [v. 9]: « Factus est omnibus obtemperantibus sibi causa salutis aeternae ». Tertio per ipsum 619perfectionem gloriae adepti sumus1. Hebr. 10. [v. 19]: « Habemus fiduciam per sanguinem ejus in introitum sanctorum » scilicet in gloriam coelestem. Et ideo ipse Christus, inquantum homo, non solum fuit sacerdos, sed etiam hostia perfecta, simul existens hostia pro peccato, et hostia pacifica2, et holocaustum.
Door Christus' menschheid nu krijgen wij deze dingen. Want vooreerst zijn onze zonden weggenomen naar den Romeinenbrief (4, 25): « Hij is overgeleverd om onze zonden ». Dan krijgen wij door Hem de genade, die ons redt volgens den Hebreeënbrief (5, 9): « Allen die Hem gehoorzamen is Hij oorzaak der redding geworden ». Ten derde krijgen wij door Hem de hemelsche 619volmaaktheid naar den Hebreeënbrief (10, 19): « Wij hebben de zekerheid, dat door Zijn bloed de weg naar het Heiligdom, dwz. naar de hemelsche heerlijkheid, open staat ». En daarom was Christus als mensch niet alleen priester, maar ook offer en tegelijk een offer voor de zonden en een vredeoffer en een holocaustum.Door Christus' mensheid nu krijgen wij deze dingen. Want vooreerst zijn onze zonden weggenomen naar de Romeinenbrief (4, 25): “Hij is overgeleverd om onze zonden”. Dan krijgen wij door Hem de genade, die ons redt volgens de Hebreeënbrief (5, 9): “Allen die Hem gehoorzamen is Hij oorzaak van de redding geworden”. Ten derde krijgen wij door Hem de hemelse 619volmaaktheid naar de Hebreeënbrief (10, 19): “Wij hebben de zekerheid, dat door Zijn bloed de weg naar het Heiligdom, dwz. naar de hemelse heerlijkheid, open staat”. En daarom was Christus als mens niet alleen priester, maar ook offer en tegelijk een offer voor de zonden en een vredeoffer en een holocaustum.
Ad primum ergo dicendum, quod Christus non se occidit, sed seipsum voluntarie morti exposuit, secundum illud Isa. 53. [v. 7]: « Oblatus est, quia ipse voluit ». Et ideo dicitur seipsum obtulisse.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Christus doodde zichzelf wel niet, maar gaf Zich vrijwillig prijs aan den dood volgens Isaias (53, 7): « Hij werd geofferd, omdat Hij het zelf wilde ». En daarom zegt men, dat Hij Zichzelf heeft opgedragen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Christus doodde zichzelf wel niet, maar gaf Zich vrijwillig prijs aan de dood volgens Jesaja (53, 7): “Hij werd geofferd, omdat Hij het zelf wilde”. En daarom zegt men, dat Hij Zichzelf heeft opgedragen.
Ad secundum dicendum, quod hominis Christi occisio potest ad duplicem voluntatem comparari. Uno modo ad voluntatem occidentium. Et sic non habet rationem hostiae; non enim dicuntur occisores Christi hostiam Deo obtulisse, sed graviter deliquisse. Et hujus peccati similitudinem gerebant impia Gentilium sacrificia, quibus homines idolis immolabant. Alio modo potest considerari occisio Christi per comparationem ad voluntatem 620patientis, qui voluntarie se obtulit passioni. Et ex hac parte habet rationem hostiae. In quo non convenit cum sacrificiis Gentilium.
2. Het dooden van den mensch Christus kan men met een tweevoudigen wil in verband brengen. Ten eerste met dien van hen die Hem doodden. En zoo heeft dit het karakter van een offer niet, want men kan niet zeggen dat zij God een offer opdroegen, maar zij begingen een zware misdaad. En de goddelooze offers der heidenen geleken op deze zonde, omdat zij menschen aan de afgoden offerden. Men kan het dooden van Christus ook met een anderen wil in verband brengen, nl. dien van den Lijder, die zich 620vrijwillig aan het lijden overgaf. En zoo had het het karakter van een offer en komt het niet met de offers der heidenen overeen.2. Het doden van de mens Christus kan men met een tweevoudigen wil in verband brengen. Ten eerste met die van hen die Hem doodden. En zo heeft dit het karakter van een offer niet, want men kan niet zeggen dat zij God een offer opdroegen, maar zij begingen een zware misdaad. En de goddeloze offers van de heidenen geleken op deze zonde, omdat zij mensen aan de afgoden offerden. Men kan het doden van Christus ook met een anderen wil in verband brengen, nl. die van de Lijder, die zich 620vrijwillig aan het lijden overgaf. En zo had het het karakter van een offer en komt het niet met de offers van de heidenen overeen.
Ad tertium dicendum3, quod sanctitas humanitatis Christi a principio non impedit, quin ipsamet humana natura, cum in passione oblata est Deo, sanctificata novo modo fuerit, scilicet ut hostia actualiter tunc exhibita. Acquisivit enim actualem hostiae sanctificationem tunc ex antiqua charitate, et gratia unionis sanctificante eamdem absolute.
3. De heiligheid die van het begin af aan de menschheid van Christus toekwam, belette niet dat diezelfde menschelijke natuur, toen zij tijdens het lijden aan God werd opgeofferd, op 'n nieuwe wijze geheiligd werd, nl. voor zoover ze op dat oogenblik metterdaad als offer opgedragen werd. Ze verkreeg immers op dat oogenblik de daadwerkelijke heiliging van offer, uit kracht van de voorafbestaande liefde, en van de genade van vereeniging die haar zonder meer heilig maakt*.3. De heiligheid die van het begin af aan de mensheid van Christus toekwam, belette niet dat diezelfde menselijke natuur, toen zij tijdens het lijden aan God werd opgeofferd, op 'n nieuwe wijze geheiligd werd, nl. voor zover ze op dat ogenblik metterdaad als offer opgedragen werd. Ze verkreeg immers op dat ogenblik de daadwerkelijke heiliging van offer, uit kracht van de voorafbestaande liefde, en van de genade van vereniging die haar zonder meer heilig maakt*.
Utrum effectus sacerdotii Christi sit expiatio peccatorum
Is het uitboeten der zonden de vrucht van Christus' priesterschap?Is het uitboeten van de zonden de vrucht van Christus' priesterschap?
620Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod effectus sacerdotii Christi non sit expiatio peccatorum. Solius enim Dei est peccata delere, secundum illud Isa. 43. [v. 25]: « Ego sum, qui deleo iniquitates tuas propter 621me ». Sed Christus non est sacerdos, secundum quod Deus, sed secundum quod homo. Ergo sacerdotium Christi non est expiativum peccatorum.
620Bedenkingen. — Men beweert, dat de vrucht van Christus' priesterschap het uitboeten der zonden niet is. — 1. Want alleen God kan de zonden wegnemen volgens Isaias (43, 25): « Ik ben het, die om Mijzelf uw zonden verdelg ». Nu is Christus niet als 621God, maar als mensch priester. Dus boet Zijn priesterschap geen zonden uit.620Bedenkingen. — Men beweert, dat de vrucht van Christus' priesterschap het uitboeten van de zonden niet is. — 1. Want alleen God kan de zonden wegnemen volgens Jesaja (43, 25): “Ik ben het, die om Mijzelf uw zonden verdelg”. Nu is Christus niet als 621God, maar als mens priester. Dus boet Zijn priesterschap geen zonden uit.
2. Praeterea, Apost. dicit Hebr. 10. [v. 1, 2, 3], quod hostiae veteris testamenti « non poterant perfectos facere; alioquin cessassent offerri; eo quod nullam haberent conscientiam peccati cultores sufficienter semel mundati; sed in ipsis commemoratio peccatorum per singulos annos fit ». Sed similiter sub sacerdotio Christi fit commemoratio peccatorum, cum dicitur: « Dimitte nobis debita nostra » Matth. 6. [v. 12], offertur etiam continue sacrificium in Ecclesia, unde et ibidem [v. 11] dicitur: « Panem nostrum quotidianum da nobis hodie ». Ergo per sacerdotium Christi non expiantur peccata.
2. De Apostel zegt in den Hebreeënbrief (10, 1, 2, 3), dat de offers van het Oude Verbond « niemand volmaakt konden maken; anders had het offeren opgehouden, omdat de offeraars eens en voor al gereinigd zich van geen zonden meer waren bewust geweest; maar ieder jaar wordt de gedachte aan zonde opnieuw erdoor opgewekt ». Nu worden wij echter ook onder Christus' priesterschap opnieuw aan de zonden herinnerd als wij zeggen: « Vergeef ons onze schulden ». (Matthaeus, 6, 12). Ook wordt er voortdurend in de Kerk een offer opgedragen zoodat wij zeggen: (t. a pl. v. 11) « Geef ons heden ons dagelijksch brood ». Dus worden door Christus' priesterschap de zonden niet uitgeboet.2. De Apostel zegt in de Hebreeënbrief (10, 1, 2, 3), dat de offers van het Oude Verbond “niemand volmaakt konden maken; anders had het offeren opgehouden, omdat de offeraars eens en voor al gereinigd zich van geen zonden meer waren bewust geweest; maar ieder jaar wordt de gedachte aan zonde opnieuw erdoor opgewekt”. Nu worden wij echter ook onder Christus' priesterschap opnieuw aan de zonden herinnerd als wij zeggen: “Vergeef ons onze schulden”. (Matteüs, 6, 12). Ook wordt er voortdurend in de Kerk een offer opgedragen zodat wij zeggen: (t. a pl. v. 11) “Geef ons heden ons dagelijks brood”. Dus worden door Christus' priesterschap de zonden niet uitgeboet.
3. Praeterea1, in veteri lege maxime immolabatur hircus pro peccato principis, vel capra pro peccato alicujus de populo, vel vitulus pro peccato sacerdotis, ut patet Levit. 4. [v. 3, 23 et 28]. Sed Christus nulli horum comparatur, sed agno, secundum illud Jerem. 11. [v. 19]: « Ego quasi agnus mansuetus, qui portatur ad victimam ». Ergo videtur, quod ejus sacerdotium non sit expiativum peccatorum.
3. Voor de zonden werden onder de Oude Wet vooral een bok geofferd voor de zonden van een vorst of een geit voor die van een uit het volk of een kalf voor die van een priester, naar Leviticus (4, 3, 23, 28). Nu wordt Christus met geen van deze dieren vergeleken, maar met een lam naar Jeremias (11, 19): « Ik ben als een zachtmoedig lam, dat ten offer wordt gedragen ». Dus schijnt Zijn priesterschap geen zonden uit te boeten.3. Voor de zonden werden onder de Oude Wet vooral een bok geofferd voor de zonden van een vorst of een geit voor die van een uit het volk of een kalf voor die van een priester, naar Leviticus (4, 3, 23, 28). Nu wordt Christus met geen van deze dieren vergeleken, maar met een lam naar Jeremia (11, 19): “Ik ben als een zachtmoedig lam, dat ten offer wordt gedragen”. Dus schijnt Zijn priesterschap geen zonden uit te boeten.
622Sed contra est, quod Apostolus dicit Hebr. 9. [v. 14]: « Sanguis Christi, qui per Spiritum Sanctum seipsum obtulit immaculatum Deo, emundabit conscientiam nostram ab operibus mortuis, ad serviendum Deo viventi ». Opera autem mortua dicuntur peccata. Ergo sacerdotium Christi habet virtutem emundandi peccata.
622Maar daartegenover staat, dat de Apostel in den Hebreeënbrief (9, 14) zegt: « Het Bloed van Christus, die door den Heiligen Geest zich als een smetteloos offer opdroeg aan God, zal ons geweten reinigen van doode werken om den levenden God te dienen ». Nu worden de zonden doode werken genoemd. Dus heeft Christus' priesterschap de kracht om van zonden te reinigen.622Maar daartegenover staat, dat de Apostel in de Hebreeënbrief (9, 14) zegt: “Het Bloed van Christus, die door de Heilige Geest zich als een smetteloos offer opdroeg aan God, zal ons geweten reinigen van dode werken om de levende God te dienen”. Nu worden de zonden dode werken genoemd. Dus heeft Christus' priesterschap de kracht om van zonden te reinigen.
Respondeo dicendum, quod ad peccatorum perfectam emundationem duo requiruntur, secundum quod duo sunt in peccato, scilicet macula culpae, et reatus poenae. Macula quidem culpae deletur per gratiam, qua cor peccatoris convertitur in Deum: reatus autem poenae totaliter tollitur per hoc, quod homo Deo satisfacit. Utrumque autem horum efficit sacerdotium Christi. Nam virtute ipsius gratia nobis datur, qua corda nostra convertuntur ad Deum, secundum illud Rom. 3. [v. 24 et 25]: « Justificati gratis per gratiam ipsius per redemptionem, quae est in Christo Jesu, quem proposuit Deus propitiatorem per fidem in sanguine ipsius ». Ipse etiam pro nobis plenarie satisfecit, inquantum, « ipse languores nostros tulit, et 623dolores nostros ipse portavit » [Is. 53. v. 4. Mt. 8. v. 17]. Unde patet, quod Christi sacerdotium habet plenam vim expiandi peccata.
Leerstelling. — Twee dingen zijn noodig voor het volmaakte uitboeten der zonden in zoover er twee dingen in de zonde zijn, de smet der schuld en de plicht een straf te ondergaan. Nu wordt de schuldsmet weggenomen door de genade, waardoor het hart van den zondaar tot God wordt bekeerd; maar het moeten ondergaan van een straf wordt hierdoor weggenomen, dat de mensch aan God voldoening geeft. Nu heeft Christus' priesterschap beiden bewerkt. Want door de kracht daarvan wordt ons de genade gegeven, waardoor onze harten tot God worden bekeerd naar den Romeinenbrief (3, 24, 25): « Om niet gerechtvaardigd door Zijn genade uit de kracht der verlossing door Christus Jesus, Dien God heeft aangewezen als zoenoffer door het geloof in Zijn bloed ». Ook heeft Hij ten volle voor ons voldaan in zoover Hij onze zwakten torschte en 623onze smarten droeg. Dus blijkt Zijn priesterschap volledig kracht te hebben om van zonden te reinigen.Leerstelling. — Twee dingen zijn nodig voor het volmaakte uitboeten van de zonden in zover er twee dingen in de zonde zijn, de smet van de schuld en de plicht een straf te ondergaan. Nu wordt de schuldsmet weggenomen door de genade, waardoor het hart van de zondaar tot God wordt bekeerd; maar het moeten ondergaan van een straf wordt hierdoor weggenomen, dat de mens aan God voldoening geeft. Nu heeft Christus' priesterschap beiden bewerkt. Want door de kracht daarvan wordt ons de genade gegeven, waardoor onze harten tot God worden bekeerd naar de Romeinenbrief (3, 24, 25): “Om niet gerechtvaardigd door Zijn genade uit de kracht van de verlossing door Christus Jesus, Die God heeft aangewezen als zoenoffer door het geloof in Zijn bloed”. Ook heeft Hij ten volle voor ons voldaan in zover Hij onze zwakten torste en 623onze smarten droeg. Dus blijkt Zijn priesterschap volledig kracht te hebben om van zonden te reinigen.
Ad primum ergo dicendum, quod licet Christus non fuerit sacerdos, secundum quod Deus, sed secundum quod homo; unus tamen et idem fuit sacerdos, et Deus. Unde in Synodo Ephesina [part. 3. cap. 1. can. 10.] legitur: « Si quis Pontificem, et Apostolum nostrum factum dicit, non ipsum ex Deo Verbum quando factum est caro, et secundum nos homo, sed tanquam alterum praeter eum seorsum hominem ex muliere, anathema sit2 ». Et ideo, inquantum ejus humanitas operabatur in virtute divinitatis, illud sacrificium erat efficacissimum ad delenda peccata. Propter quod Augustinus dicit in 4. de Trin. [cap. 14. in fin.]: « Ut, quoniam quatuor considerantur in omni sacrificio, cui offeratur, a quo offeratur, quid offeratur, pro quibus offeratur, idem ipse unus verusque mediator, per sacrificium pacis reconcilians nos Deo, unum cum illo maneret, cui offerebat; unum in se faceret, pro quibus offerebat; unus ipse esset, qui offerebat, et quod offerebat ».
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Al was Christus niet als God, maar als mensch priester, toch was een en dezelfde persoon priester en God. Daarom lezen wij bij de Kerkvergadering van Ephese: « Als iemand zegt, dat niet Gods Woord zelf onze Priester en Apostel is geworden, maar naast Hem een uit de vrouw geboren mensch, hij zij gebannen ». In zoover daarom Zijn menschheid met de kracht der godheid werkte, was het offer in hoogste mate in staat de zonden weg te nemen. Daarom zegt Augustinus in het 4e boek Over de Drievuldigheid (14e H.): « Omdat er vier dingen bij een offer van belang zijn, aan Wien, door wien, wat en voor wie het opgedragen wordt, moest de eene ware Middelaar, die ons door het offer van vrede met God verzoende, een blijven met Hem, aan Wien en een worden met hen, voor wie Hij het opdroeg; en zelf de eene zijn, die opdroeg en opgedragen werd ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Al was Christus niet als God, maar als mens priester, toch was een en dezelfde persoon priester en God. Daarom lezen wij bij de Kerkvergadering van Efeze: “Als iemand zegt, dat niet Gods Woord zelf onze Priester en Apostel is geworden, maar naast Hem een uit de vrouw geboren mens, hij zij gebannen”. In zover daarom Zijn mensheid met de kracht van de godheid werkte, was het offer in hoogste mate in staat de zonden weg te nemen. Daarom zegt Augustinus in het 4e boek Over de Drievuldigheid (14e H.): “Omdat er vier dingen bij een offer van belang zijn, aan Wie, door wie, wat en voor wie het opgedragen wordt, moest de ene ware Middelaar, die ons door het offer van vrede met God verzoende, een blijven met Hem, aan Wie en een worden met hen, voor wie Hij het opdroeg; en zelf de ene zijn, die opdroeg en opgedragen werd”.
Ad secundum dicendum, quod peccata non commemorantur in nova 624lege propter inefficaciam sacerdotii Christi, quasi per ipsum non sufficienter expientur peccata. Sed commemorantur quantum ad illos, qui vel ejus sacrificii nolunt esse participes, sicut sunt infideles, pro quorum peccatis oramus, ut convertantur; vel etiam quantum ad illos, qui post participationem hujus sacrificii ab eo deviant qualitercumque peccando.
2. Wij worden onder de Nieuwe Wet niet aan de zonden 624herinnerd, omdat Christus' priesterschap onvoldoende zou zijn en de zonden er niet voldoende door zouden worden uitgeboet; maar er wordt aan herinnerd ter wille van hen, die ofwel geen deel aan het offer willen hebben als de ongeloovigen, voor wier bekeering wij bidden ofwel die na aan het offer deel te hebben gehad zich ervan losmaken door welke zonde ook.2. Wij worden onder de Nieuwe Wet niet aan de zonden 624herinnerd, omdat Christus' priesterschap onvoldoende zou zijn en de zonden er niet voldoende door zouden worden uitgeboet; maar er wordt aan herinnerd ter wille van hen, die ofwel geen deel aan het offer willen hebben als de ongelovigen, voor wier bekering wij bidden ofwel die na aan het offer deel te hebben gehad zich ervan losmaken door welke zonde ook.
Sacrificium autem, quod quotidie in Ecclesia offertur, non est aliud a sacrificio, quod ipse Christus obtulit, sed ejus commemoratio. Unde August. dicit in 10. de Civ. Dei [cap. 20. in med.]: « Sacerdos ipse Christus offerens, ipse et oblatio: cujus rei Sacramentum quotidianum esse voluit Ecclesiae sacrificium ».
Het offer echter, dat dagelijks in de Kerk wordt opgedragen, is geen ander offer dan wat Christus zelf opdroeg, maar de herinnering eraan. Daarom zegt Augustinus in de Stad Gods (10e B., 20e H.): « De offerende priester en de offerande is Christus zelf; en Hij wilde dat de dagelijksche herinnering eraan het offer der Kerk zou zijn ».Het offer echter, dat dagelijks in de Kerk wordt opgedragen, is geen ander offer dan wat Christus zelf opdroeg, maar de herinnering eraan. Daarom zegt Augustinus in de Stad Gods (10e B., 20e H.): “De offerende priester en de offerande is Christus zelf; en Hij wilde dat de dagelijkse herinnering eraan het offer van de Kerk zou zijn”.
Ad tertium dicendum, quod, sicut Origines dicit super Joan. [tom. 9. secundum ejus ordinem sup. illud Joan. 1. v. 29. Ecce Agnus Dei], licet diversa animalia in veteri lege offerrentur; quotidianum tamen sacrificium, quod offerebatur mane, et vespere, erat agnus, ut habetur Num. 28. [v. 3 et 4]. Unde significabatur, quod oblatio agni veri, idest Christi, esset sacrificium consummativum omnium aliorum. Et ideo Joan. 1. [v. 29] dicitur: « Ecce Agnus Dei, qui tollit peccata mundi ».
3. Zooals Origenes in het Commentaar op Joannes zegt, was het dagelijks 's morgens en 's avonds opgedragen offer, al werden er verschillende dieren onder de Oude Wet geofferd, altijd een lam, zooals blijkt uit Numeri (28, 3, 4). Hierdoor werd aangeduid, dat het opdragen van een lam, nl. Christus, het offer zou zijn, dat alle anderen vervolmaken zou. En daarom wordt bij Joannes (1, 29) gezegd: « Ziet het Lam Gods, ziet Hem, die de zonden der wereld wegneemt ».3. Zoals Origenes in het Commentaar op Johannes zegt, was het dagelijks 's morgens en 's avonds opgedragen offer, al werden er verschillende dieren onder de Oude Wet geofferd, altijd een lam, zoals blijkt uit Numeri (28, 3, 4). Hierdoor werd aangeduid, dat het opdragen van een lam, nl. Christus, het offer zou zijn, dat alle anderen vervolmaken zou. En daarom wordt bij Johannes (1, 29) gezegd: “Ziet het Lam Gods, ziet Hem, die de zonden van de wereld wegneemt”.
Utrum effectus sacerdotii Christi non solum ad alios pertinuerit, sed etiam ad ipsum
Betrokken de vruchten van Christus' priesterschap zich niet alleen op anderen, maar ook op Hemzelf?
625Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod effectus sacerdotii Christi non solum pertinuerit ad alios, sed etiam ad ipsum: ad officium enim sacerdotis pertinet pro populo orare, secundum illud 2. Machab. 1. [v. 23]: « Orationem faciebant sacerdotes, dum consummaretur sacrificium ». Sed Christus non solum pro aliis oravit, sed etiam pro seipso, secundum quod supra dictum est [q. praec. art. 3.]: sicut expresse dicitur Heb. 5. [v. 7] quod « in diebus carnis suae preces, supplicationesque ad Deum, qui possit illud salvum facere a morte, cum clamore valido, et lacrymis obtulit ». Ergo sacerdotium Christi effectum habuit non solum in aliis, sed etiam in seipso.
625Bedenkingen. — Men beweert, dat de vruchten van Christus' priesterschap zich niet alleen op anderen betrokken, maar ook op Hem zelf. — 1. Want het behoort tot de taak van een priester voor het volk te bidden volgens het 2e boek der Machabaeën (1, 23): « De priesters baden terwijl het offer werd voltrokken ». Nu bad Christus zooals boven is gezegd (21e Kw., 3e Art.), niet alleen voor anderen, maar ook voor Zichzelf, en dat wordt ook uitdrukkelijk in den Hebreeënbrief (5, 7) gezegd: « in de dagen van Zijn Vleesch stierde Hij onder luid geroep en tranen gebeden en verzuchtingen op tot Hem, die Hem van den dood kon redden ». Dus droeg Christus' priesterschap niet alleen in anderen, maar ook in Hemzelf vruchten.625Bedenkingen. — Men beweert, dat de vruchten van Christus' priesterschap zich niet alleen op anderen betrokken, maar ook op Hemzelf. — 1. Want het behoort tot de taak van een priester voor het volk te bidden volgens het 2e boek van de Makkabeeën (1, 23): “De priesters baden terwijl het offer werd voltrokken”. Nu bad Christus zoals boven is gezegd (21e Kw., 3e Art.), niet alleen voor anderen, maar ook voor Zichzelf, en dat wordt ook uitdrukkelijk in de Hebreeënbrief (5, 7) gezegd: “in de dagen van Zijn Vlees stierde Hij onder luid geroep en tranen gebeden en verzuchtingen op tot Hem, die Hem van de dood kon redden”. Dus droeg Christus' priesterschap niet alleen in anderen, maar ook in Hemzelf vruchten.
2. Praeterea, Christus sacrificium obtulit seipsum in sua passione. Sed per passionem suam non solum aliis meruit, sed etiam sibi, ut supra habitum 626est [q. 19. art. 3. et 4.]. Ergo sacerdotium Christi non solum habuit effectum in aliis, sed etiam in seipso.
2. Christus droeg Zichzelf in Zijn lijden als offer op. Nu verdiende Hij door Zijn lijden niet alleen voor anderen, maar ook voor Zichzelf zooals boven is gezegd (19e Kw., 3e en 4e Art.). 626Dus droeg Zijn priesterschap niet alleen voor anderen, maar ook voor Hemzelf vruchten.2. Christus droeg Zichzelf in Zijn lijden als offer op. Nu verdiende Hij door Zijn lijden niet alleen voor anderen, maar ook voor Zichzelf zoals boven is gezegd (19e Kw., 3e en 4e Art.). 626Dus droeg Zijn priesterschap niet alleen voor anderen, maar ook voor Hemzelf vruchten.
3. Praeterea, sacerdotium veteris legis fuit figura sacerdotii Christi. Sed sacerdos veteris legis non solum pro aliis, sed etiam pro seipso sacrificium offerebat: dicitur enim Levit. 16. [v. 17] quod « Pontifex ingreditur sanctuarium, ut roget pro se, et pro domo sua, et pro universo coetu filiorum Israël ». Ergo etiam sacerdotium Christi non solum in aliis, sed in seipso effectum habuit.
3. Het priesterschap der Oude Wet was een voorafbeelding van dat van Christus. Nu offerde een priester van de Oude Wet niet alleen voor anderen maar ook voor zichzelf, want in Leviticus (16, 17) wordt gezegd, dat « de priester het heiligdom binnengaat om te bidden voor zichzelf en zijn huis en de geheele vergadering van de kinderen van Israël ». Dus droeg Zijn priesterschap niet alleen vruchten in anderen, maar ook in Hemzelf.3. Het priesterschap van de Oude Wet was een voorafbeelding van dat van Christus. Nu offerde een priester van de Oude Wet niet alleen voor anderen maar ook voor zichzelf, want in Leviticus (16, 17) wordt gezegd, dat “de priester het heiligdom binnengaat om te bidden voor zichzelf en zijn huis en de gehele vergadering van de kinderen van Israël”. Dus droeg Zijn priesterschap niet alleen vruchten in anderen, maar ook in Hemzelf.
Sed contra est, quod in Ephesina Synodo [gener. 3. part. 3. cap. 1. can. 10.] legitur: « Si quis dicit, Christum pro se obtulisse oblationem, et non magis pro nobis solum (non enim indiguit sacrificio, qui peccatum nescit), anathema sit ». Sed in sacrificio offerendo potissime sacerdotis consistit officium. Ergo sacerdotium Christo non habuit effectum in ipso Christo.
Maar daartegenover staat de tekst van de Kerkvergadering van Ephese: « Als iemand zegt, dat Christus voor Zichzelf offerde en niet alleen voor ons, (want Hij, die geen zonde kende, had geen offer noodig) die zij gebannen ». Nu ligt het ambt van een priester vooral in het opdragen van offers. Dus waren er geen vruchten van Christus' priesterschap in Hem zelf.Maar daartegenover staat de tekst van de Kerkvergadering van Efeze: “Als iemand zegt, dat Christus voor Zichzelf offerde en niet alleen voor ons, (want Hij, die geen zonde kende, had geen offer nodig) die zij gebannen”. Nu ligt het ambt van een priester vooral in het opdragen van offers. Dus waren er geen vruchten van Christus' priesterschap in Hemzelf.
Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est [art. 1. huj. q.], sacerdos constituitur medius inter Deum, et populum. Ille autem indiget medio 627ad Deum, qui per seipsum accedere ad Deum non potest: et talis sacerdotio subjicitur, effectum sacerdotii participans. Hoc autem Christo non competit: dicit enim Apostolus ad Heb. 7. [v. 25]: « Accedens per semetipsum ad Deum, semper vivens ad interpellandum pro nobis ». Et ideo Christo non convenit effectum sacerdotii in se suscipere, sed potius ipsum aliis communicare. Primum enim agens in quolibet genere ita est influens, quod non est recipiens in genere illo: sicut sol illuminat, sed non illuminatur, et ignis calefacit, sed non calefit. Christus autem est fons totius sacerdotii: nam sacerdos legalis erat figura ipsius; sacerdos autem novae legis in persona ipsius operatur, secundum illud 2. ad Cor. 2. [v. 10]: « Nam et ego quod donavi, si quid donavi, propter vos in persona Christi ». Et ideo non competit Christo effectum sacerdotii recipere1.
Leerstelling. — Zooals werd gezegd (1e Art.), is een priester midden tusschen God en de menschen in geplaatst. Nu heeft 627wie zelf niet tot God kan naderen een middelaar noodig; en zoo iemand valt onder het bereik van het priesterschap door zijn vruchten te ontvangen. Maar dat kwam Christus niet toe, want de Apostel zegt in den Hebreeënbrief (7, 25): « Door Zichzelf nadert Hij tot God, altijd levend om voor ons te bidden ». Dus ontving Christus de vruchten van Zijn priesterschap niet in Zichzelf, maar deelt ze aan anderen mee. Want de eerste, die in een bepaalde orde werkt, is zoo machtig, dat hij in die orde zelf niets ontvangt, zooals de zon verlicht maar geen licht ontvangt en het vuur verwarmt maar geen warmte krijgt. Nu is Christus de bron van elk priesterschap, want het priesterschap der wet was een voorafbeelding van Hem en de priester van het nieuwe Verbond werkt in Zijn plaats volgens den Tweeden Brief aan de Korinthiërs (2, 10): « Ik eveneens, als ik iets vergeef, indien ik om uwentwil iets vergeef, doe ik dat in Christus' naam ». En daarom kwam het Christus niet toe de vruchten van Zijn priesterschap zelf te ontvangen.Leerstelling. — Zoals werd gezegd (1e Art.), is een priester midden tussen God en de mensen in geplaatst. Nu heeft 627wie zelf niet tot God kan naderen een middelaar nodig; en zo iemand valt onder het bereik van het priesterschap door zijn vruchten te ontvangen. Maar dat kwam Christus niet toe, want de Apostel zegt in de Hebreeënbrief (7, 25): “Door Zichzelf nadert Hij tot God, altijd levend om voor ons te bidden”. Dus ontving Christus de vruchten van Zijn priesterschap niet in Zichzelf, maar deelt ze aan anderen mee. Want de eerste, die in een bepaalde orde werkt, is zo machtig, dat hij in die orde zelf niets ontvangt, zoals de zon verlicht maar geen licht ontvangt en het vuur verwarmt maar geen warmte krijgt. Nu is Christus de bron van elk priesterschap, want het priesterschap van de wet was een voorafbeelding van Hem en de priester van het nieuwe Verbond werkt in Zijn plaats volgens de Tweede Brief aan de Korintiërs (2, 10): “Ik eveneens, als ik iets vergeef, indien ik om uwentwil iets vergeef, doe ik dat in Christus' naam”. En daarom kwam het Christus niet toe de vruchten van Zijn priesterschap zelf te ontvangen.
Ad primum ergo dicendum, quod oratio etsi conveniat sacerdotibus, non tamen est eorum officio propria: cuilibet enim convenit et pro se, et pro 628aliis orare, secundum illud Jacobi ult. [v. 16]: « Orate pro invicem, ut salvemini ». Et sic posset dici, quod oratio, qua Christus pro se oravit, non erat actus sacerdotii ejus.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Al komt het bidden den priesters toe, toch is het niet hun eigenlijke taak, want aan 628ieder komt het toe voor zichzelf en anderen te bidden naar Jacobus (5, 16): « Bidt voor elkaar, dat gij gered moogt worden ». En zoo kan men zeggen, dat Christus gebed voor Zichzelf geen daad was van Zijn priesterschap.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Al komt het bidden de priesters toe, toch is het niet hun eigenlijke taak, want aan 628ieder komt het toe voor zichzelf en anderen te bidden naar Jacobus (5, 16): “Bidt voor elkaar, dat gij gered moogt worden”. En zo kan men zeggen, dat Christus gebed voor Zichzelf geen daad was van Zijn priesterschap.
Sed haec responsio videtur excludi per hoc, quod Apost. Hebr. 5. [v. 6] cum dixisset: « Tu es sacerdos in aeternum secundum ordinem Melchisedech » subdit: « Qui in diebus carnis suae preces » etc., ut supra [in arg. 1.]: et ita videtur, quod oratio, qua Christus oravit, ad ejus sacerdotium pertineat. Et ideo oportet dicere, quod alii sacerdotes effectum sacerdotii sui participant, non inquantum sacerdotes, sed inquantum peccatores, ut infra dicetur [cfr. Resp. ad 3.]. Christus autem simpliciter loquendo peccatum non habuit: habuit tamen « similitudinem peccati in carne » ut dicitur Rom. 8. [v. 3]; et ideo non simpliciter dicendum est, quod ipse effectum sacerdotii participaverit, sed secundum quid, scilicet secundum passibilitatem carnis. Unde signanter dicit: « Qui possit illum salvum facere a morte ».
Maar dit antwoord schijnt uitgesloten te zijn, omdat de Apostel in den Hebreeënbrief (5, 6) aan de woorden: « Gij zijt priester in eeuwigheid volgens de orde van Melchisedech », toevoegt: « die in de dagen van Zijn vleesch gebeden », enz.; en zoo schijnt Christus' gebed tot Zijn priesterschap te behooren. Daarom moeten wij zeggen, dat andere priesters niet als priesters, maar als zondaars de vruchten van hun ambt in zich ontvangen, zooals beneden zal worden gezegd (Antw. op de 3e B.). Maar zonder meer gezegd had Christus geen zonden, maar had Hij « in Zijn vleesch de gelijkenis der zonde », zooals in den Romeinenbrief (8, 3) wordt gezegd. Daarom wordt er uitdrukkelijk gezegd: die Hem van den dood kon redden.Maar dit antwoord schijnt uitgesloten te zijn, omdat de Apostel in de Hebreeënbrief (5, 6) aan de woorden: “Gij zijt priester in eeuwigheid volgens de orde van Melchisedech”, toevoegt: “die in de dagen van Zijn vlees gebeden”, enz.; en zo schijnt Christus' gebed tot Zijn priesterschap te behoren. Daarom moeten wij zeggen, dat andere priesters niet als priesters, maar als zondaars de vruchten van hun ambt in zich ontvangen, zoals beneden zal worden gezegd (Antw. op de 3e B.). Maar zonder meer gezegd had Christus geen zonden, maar had Hij “in Zijn vlees de gelijkenis van de zonde”, zoals in de Romeinenbrief (8, 3) wordt gezegd. Daarom wordt er uitdrukkelijk gezegd: die Hem van de dood kon redden.
Ad secundum dicendum, quod in oblatione sacrificii cujuscumque sacerdotis duo possunt considerari, scilicet ipsum sacrificium oblatum, et devotio offerentis. Proprius autem effectus sacerdotii est id, quod sequitur ex ipso 629sacrificio. Christus autem consecutus est per suam passionem gloriam resurrectionis2, non quasi ex vi sacrificii, quod offertur per modum satisfactionis, sed ex ipsa devotione, qua secundum charitatem humiliter passionem sustinuit.
2. Bij ieder offer van een priester kan men twee dingen beschouwen: nl. het offer zelf en de godsvrucht van den offeraar. De eigenlijke vrucht nu van het priesterschap is, wat volgt uit het 629offer zelf. Nu verkreeg Christus iets door Zijn lijden, maar niet door de kracht van het als voldoening opgedragen offer, doch door de godsvrucht, waarmee Hij door de liefde het lijden nederig verdroeg.2. Bij ieder offer van een priester kan men twee dingen beschouwen: nl. het offer zelf en de godsvrucht van de offeraar. De eigenlijke vrucht nu van het priesterschap is, wat volgt uit het 629offer zelf. Nu verkreeg Christus iets door Zijn lijden, maar niet door de kracht van het als voldoening opgedragen offer, doch door de godsvrucht, waarmee Hij door de liefde het lijden nederig verdroeg.
Ad tertium dicendum, quod figura non potest adaequare veritatem. Unde sacerdos figuralis veteris legis non poterat ad hanc perfectionem pertingere, ut sacrificio satisfactorio non indigeret. Sed Christus non indiguit. Unde non est similis ratio de utroque. Et hoc est Apostolus dicit [Heb. 7. v. 28]: « Lex homines constituit sacerdotes, infirmitatem habentes; sermo autem jurisjurandi. qui post legem est, filium in aeternum perfectum ».
3. Het beeld kan niet aan de waarheid gelijk zijn. Daarom kon de afbeeldende priester van de Oude Wet niet die volmaaktheid bereiken, waarop hij geen zoenoffer noodig had. Maar Christus had er geen behoefte aan, en dus gaat dezelfde redeneering niet in beide gevallen op. Daarom zegt de Apostel (Hebreeënbrief, 7, 28): « De Wet stelde menschen met zwakheid behept tot hoogepriesters aan, maar de eeduitspraak, die na de Wet kwam, den in eeuwigheid volmaakten Zoon ».3. Het beeld kan niet aan de waarheid gelijk zijn. Daarom kon de afbeeldende priester van de Oude Wet niet die volmaaktheid bereiken, waarop hij geen zoenoffer nodig had. Maar Christus had er geen behoefte aan, en dus gaat dezelfde redenering niet in beide gevallen op. Daarom zegt de Apostel (Hebreeënbrief, 7, 28): “De Wet stelde mensen met zwakheid behept tot hogepriesters aan, maar de eeduitspraak, die na de Wet kwam, de in eeuwigheid volmaakten Zoon”.
Utrum sacerdotium Christi permaneat in aeternum
Blijft Christus' priesterschap in eeuwigheid?
629Ad quintum sic proceditur. Videtur, quod sacerdotium Christi non 630permaneat in aeternum. Quia, ut dictum est [art. praec.], illi soli effectu sacerdotii indigent, qui habent infirmitatem peccati, quae per sacerdotis sacrificium expiari potest. Sed hoc non erit in aeternum. Quia in sanctis nulla erit infirmitas, secundum illud Isaiae 60. [v. 21]: « Populus tuus omnes justi »; peccatorum autem infirmitas inexpiabilis erit; quia « in inferno nulla est redemptio ». Ergo sacerdotium Christi frustra remaneret in aeternum.
629Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus' priesterschap 630niet in eeuwigheid blijft. — 1. Want zooals werd gezegd (Vorig Art., Antw. op 1e en 3e B.), hebben alleen zij de vruchten ervan noodig, die de zwakte der zonde hebben, die door het offer van den priester kan worden uitgewischt. Maar dat zal niet eeuwig duren. Want in de heiligen is geen zwakheid volgens Isaias (60, 21): « Geheel Uw volk is rechtvaardig », en de zwakheid der zondaars zal ongeneeslijk zijn, omdat er in de hel geen verlossing is. Dus blijft Christus' priesterschap niet in eeuwigheid.629Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus' priesterschap 630niet in eeuwigheid blijft. — 1. Want zoals werd gezegd (Vorig Art., Antw. op 1e en 3e B.), hebben alleen zij de vruchten ervan nodig, die de zwakte van de zonde hebben, die door het offer van de priester kan worden uitgewist. Maar dat zal niet eeuwig duren. Want in de heiligen is geen zwakheid volgens Jesaja (60, 21): “Geheel Uw volk is rechtvaardig”, en de zwakheid van de zondaars zal ongeneeslijk zijn, omdat er in de hel geen verlossing is. Dus blijft Christus' priesterschap niet in eeuwigheid.
2. Praeterea, sacerdotium Christi praecipue manifestatum est in ejus passione, et morte, quando « per proprium sanguinem introivit in sancta » ut dicitur Hebr. 9. [v. 12]. Sed passio, et mors Christi non erit in aeternum, secundum illud Rom. 6. [v. 9]: « Christus resurgens a mortuis jam non moritur ». Ergo sacerdotium Christi non est in aeternum.
2. Christus' priesterschap werd vooral in Zijn lijden en dood geopenbaard, toen Hij « door Zijn eigen bloed het heiligdom binnenging », zooals in den Hebreeënbrief (9, 12) wordt gezegd. Maar Zijn lijden en dood blijven niet in eeuwigheid zooals in den Romeinenbrief (6, 9) wordt gezegd: « De verrezen Christus sterft niet meer ». Dus blijft Zijn priesterschap niet in eeuwigheid.2. Christus' priesterschap werd vooral in Zijn lijden en dood geopenbaard, toen Hij “door Zijn eigen bloed het heiligdom binnenging”, zoals in de Hebreeënbrief (9, 12) wordt gezegd. Maar Zijn lijden en dood blijven niet in eeuwigheid zoals in de Romeinenbrief (6, 9) wordt gezegd: “De verrezen Christus sterft niet meer”. Dus blijft Zijn priesterschap niet in eeuwigheid.
3. Praeterea, Christus est sacerdos, non secundum quod Deus, sed secundum quod homo. Sed Christus quandoque non fuit homo, scilicet in triduo mortis. Ergo sacerdotium Christi non est in aeternum.
3. Niet als God, maar als mensch is Christus priester. Nu was Christus eens geen mensch, nl. in de drie dagen, dat Hij dood was. Dus is Zijn priesterschap niet eeuwig.3. Niet als God, maar als mens is Christus priester. Nu was Christus eens geen mens, nl. in de drie dagen, dat Hij dood was. Dus is Zijn priesterschap niet eeuwig.
Sed contra est, quod dicitur in Psal. 109. [v. 4]: « Tu es sacerdos in aeternum ».
Maar daartegenover staat het Psalmwoord (Ps. 109, 4): « Gij zijt priester in eeuwigheid ».Maar daartegenover staat het Psalmwoord (Ps. 109, 4)a: “Gij zijt priester in eeuwigheid”.
631Respondeo dicendum, quod in officio sacerdotis duo possunt considerari: primo quidem ipsa oblatio sacrificii: secundo ipsa sacrificii consummatio: quae quidem consistit in hoc, quod illi, pro quibus sacrificium offertur, finem sacrificii consequuntur. Finis autem sacrificii, quod Christus obtulit, non fuerunt bona temporalia, sed aeterna, quae per ejus mortem adipiscimur: unde dicitur Hebr. 9. [v. 11] quod « Christus est assistens Pontifex futurorum bonorum », ratione cujus Christi sacerdotium dicitur esse aeternum. Et haec quidem consummatio sacrificii Christi praefigurabatur in hoc ipso, quod Pontifex legalis semel in anno cum sanguine hirci, et vituli intrabat in sancta sanctorum, ut dicitur Levit. 16. [v. 11 sq.], cum tamen hircum, et vitulum non immolaret in sanctis sanctorum, sed extra. Et similiter Christus in « sancta sanctorum », idest in ipsum coelum intravit, et nobis viam paravit intrandi per virtutem sanguinis sui, quem pro nobis in terra effudit.
631Leerstelling. — Twee dingen kan men in het priesterambt beschouwen: en wel ten eerste het opdragen zelf van het offer, en ten tweede de voleinding van het offer, die hierin bestaat dat zij voor wie het offer wordt opgedragen aan het doel ervan deelachtig worden. Nu was het doel van het offer, dat Christus opdroeg geen tijdelijk maar een eeuwig goed wat wij door Zijn dood verkrijgen, zoodat in den Hebreeënbrief (9, 11) wordt gezegd, dat « Christus optreedt als hoogepriester der toekomstige goederen ». En hierom wordt Zijn priesterschap eeuwig genoemd. Deze vervulling van Christus' offer werd hierdoor voorbeduid, dat de hoogepriester der Wet eenmaal in het jaar met het bloed van een bok en een kalf het allerheiligste binnenging, zooals in Leviticus (16, 11) staat, ofschoon hij kalf en bok niet in het allerheiligste offerde, maar buiten. Evenzoo ging Christus het allerheiligste, dwz., den hemel binnen en opende ons den weg om binnen te gaan door de kracht van Zijn bloed, dat Hij voor ons op aarde vergoot.631Leerstelling. — Twee dingen kan men in het priesterambt beschouwen: en wel ten eerste het opdragen zelf van het offer, en ten tweede de voleinding van het offer, die hierin bestaat dat zij voor wie het offer wordt opgedragen aan het doel ervan deelachtig worden. Nu was het doel van het offer, dat Christus opdroeg geen tijdelijk maar een eeuwig goed wat wij door Zijn dood verkrijgen, zodat in de Hebreeënbrief (9, 11) wordt gezegd, dat “Christus optreedt als hogepriester van de toekomstige goederen”. En hierom wordt Zijn priesterschap eeuwig genoemd. Deze vervulling van Christus' offer werd hierdoor voorbeduid, dat de hogepriester van de Wet eenmaal in het jaar met het bloed van een bok en een kalf het allerheiligste binnenging, zoals in Leviticus (16, 11) staat, ofschoon hij kalf en bok niet in het allerheiligste offerde, maar buiten. Evenzo ging Christus het allerheiligste, dwz., de hemel binnen en opende ons de weg om binnen te gaan door de kracht van Zijn bloed, dat Hij voor ons op aarde vergoot.
Ad primum ergo dicendum, quod sancti, qui erunt in patria, non indigebunt ulterius expiari per sacerdotium Christi. Sed expiati jam 632indigebunt consummari per ipsum Christum, a quo gloria eorum dependet. Unde dicitur Apocal. 21. [v. 23] quod « claritas Dei illuminat illam », scilicet civitatem sanctorum. « et lucerna ejus est Agnus ».
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De heiligen in den hemel zullen geen behoefte meer hebben aan reiniging door Christus' priesterschap, maar na die reiniging moeten zij nog door Christus 632zelf, van Wien hun verheerlijking afhangt, de voleindiging krijgen; en daarom wordt in de Apocalyps (21, 23) gezegd, dat « Gods heerlijkheid haar verlicht, nl. de stad der heiligen, en haar licht is het Lam ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De heiligen in de hemel zullen geen behoefte meer hebben aan reiniging door Christus' priesterschap, maar na die reiniging moeten zij nog door Christus 632zelf, van Wie hun verheerlijking afhangt, de voleindiging krijgen; en daarom wordt in de Apocalyps (21, 23) gezegd, dat “Gods heerlijkheid haar verlicht, nl. de stad van de heiligen, en haar licht is het Lam”.
Ad secundum dicendum, quod licet passio, et mors Christi de caetero non sint iteranda; tamen virtus illius, hostiae semel oblatae1 permanet in aeternum2. Et per hoc patet responsio ad tertium. Quia, ut dicitur ad Hebr. 10. [v. 14]: « Una oblatione consummavit in aeternum sanctificatos ».
2. Al moeten Christus' lijden en dood niet meer herhaald worden, toch blijft de kracht van dit offer in eeuwigheid, omdat Hij zooals in den Hebreeënbrief (10, 14) wordt gezegd, « door een enkel offer de geheiligden voor eeuwigheid tot volmaaktheid heeft gebracht ». — Hieruit blijkt ook, wat het derde antwoord is.2. Al moeten Christus' lijden en dood niet meer herhaald worden, toch blijft de kracht van dit offer in eeuwigheid, omdat Hij zoals in de Hebreeënbrief (10, 14) wordt gezegd, “door een enkel offer de geheiligden voor eeuwigheid tot volmaaktheid heeft gebracht”. — Hieruit blijkt ook, wat het derde antwoord is.
Unitas autem hujus oblationis figurabatur in lege per hoc, quod semel in anno legalis Pontifex cum solemni oblatione sanguinis intrabat in sancta, ut dicitur Levit. 16. [cfr. corp. art.]; sed deficiebat figura a virtute3 in hoc, quod illa hostia non habebat sempiternam virtutem, et ideo annuatim illae hostiae reiterabantur.
De eenheid van dit offer echter werd onder de Wet hierdoor afgebeeld, dat de hoogepriester der Wet eenmaal in het jaar met een plechtig bloedoffer het allerheiligste binnenging, zooals in Leviticus (16) wordt gezegd. Maar het beeld stond hierin bij de werkelijkheid achter, dat dit offer geen eeuwige kracht bezat en die offers dus jaarlijks werden herhaald.De eenheid van dit offer echter werd onder de Wet hierdoor afgebeeld, dat de hogepriester van de Wet eenmaal in het jaar met een plechtig bloedoffer het allerheiligste binnenging, zoals in Leviticus (16) wordt gezegd. Maar het beeld stond hierin bij de werkelijkheid achter, dat dit offer geen eeuwige kracht bezat en die offers dus jaarlijks werden herhaald.
Utrum sacerdotium Christi fuerit secundum ordinem Melchisedech
Was Christus' priesterschap volgens de orde van Melchisedech?
633Ad sextum sic proceditur. Videtur, quod sacerdotium Christi non fuerit secundum ordinem Melchisedech. Christus enim est fons totius sacerdotii, tamquam principalis sacerdos. Sed illud quod est principale, non sequitur ordinem alterius, sed alia sequuntur ordinem ipsius. Ergo Christus non debet dici sacerdos secundum ordinem Melchisedech.
633Bedenkingen. — Men beweert, dat het priesterschap van Christus niet was volgens de orde van Melchisedech. — 1. Want Christus is als de voornaamste priester de bron van elk priesterschap. Wat nu het voornaamste is, is niet volgens de orde van anderen, maar anderen zijn naar zijn orde. Dus moet men Christus geen priester noemen naar de orde van Melchisedech.
2. Praeterea, sacerdotium veteris legis propinquius fuit sacerdotio Christi, quam sacerdotium quod fuit ante legem. Sed sacramenta tanto expressius significabant Christum, quanto propinquiora fuerunt Christi, ut patet ex his quae in 2. parte dicta sunt [implic. 2-2. q. 2. art. 7.]. Ergo sacerdotium Christi magis debet denominari secundum sacerdotium legale, quam secundum sacerdotium Melchisedech, quod fuit ante legem.
2. Het priesterschap der oude Wet stond dichter bij Christus dan het priesterschap van voor de Wet. Nu duidden de sacramenten Christus zooveel te nauwkeuriger aan, naarmate zij dichter bij Hem stonden, zooals volgt uit het gezegde in het tweede deel (IIa-IIae, 2e Kw., 7e Art.). Dus moet men Christus' priesterschap eerder naar het wettelijke noemen dan naar dat van Melchisedech, dat voor de Wet was.2. Het priesterschap van de oude Wet stond dichter bij Christus dan het priesterschap van voor de Wet. Nu duidden de sacramenten Christus zoveel te nauwkeuriger aan, naarmate zij dichter bij Hem stonden, zoals volgt uit het gezegde in het tweede deel (2-2, 2e Kw., 7e Art.). Dus moet men Christus' priesterschap eerder naar het wettelijke noemen dan naar dat van Melchisedech, dat voor de Wet was.
3. Praeterea, Heb. 7. [v. 2, 3] dicitur, « quod est Rex pacis, sine patre, sine matre, sine genealogia, neque initium dierum, neque finem vitae 634habens ». Quae quidem conveniunt soli Filio Dei. Ergo non debet dici Christus sacerdos secundum ordinem Melchisedech, tamquam cujusdam alterius, sed secundum ordinem sui ipsius.
3. In den Hebreeënbrief (7, 2) staat: « Dit beteekent: koning van vrede, zonder vader, zonder moeder, zonder stamboom, en 634heeft begin noch einde van zijn dagen ». Dat komt alleen toe aan Gods Zoon. Dus moet men Christus geen priester naar de orde van Melchisedech als van een ander noemen, maar naar Zijn eigen orde.3. In de Hebreeënbrief (7, 2) staat: “Dit betekent: koning van vrede, zonder vader, zonder moeder, zonder stamboom, en 634heeft begin noch einde van zijn dagen”. Dat komt alleen toe aan Gods Zoon. Dus moet men Christus geen priester naar de orde van Melchisedech als van een ander noemen, maar naar Zijn eigen orde.
Sed contra est, quod dicitur in Ps. 109. [v. 4]: « Tu es sacerdos in aeternum secundum ordinem Melchisedech ».
Maar hiertegenover staat het Psalmwoord (Ps. 109, 4): « Gij zijt priester in eeuwigheid naar de orde van Melchisedech ».Maar hiertegenover staat het Psalmwoord (Ps. 109, 4)a: “Gij zijt priester in eeuwigheid naar de orde van Melchisedech”.
Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [art. 4. huj. q. arg. 3.], legale sacerdotium fuit figura sacerdotii Christi, non quidem quasi adaequans veritatem, sed multum ab ea deficiens: tum quia sacerdotium legale non mundabat peccata; tum etiam quia non erat aeternum, sicut sacerdotium Christi. Ipsa autem excellentia sacerdotii Christi ad sacerdotium leviticum fuit figurata in sacerdotio Melchisedech, qui ab Abraham decimas sumpsit, in cujus lumbis decimatus est quodammodo ipse sacerdos legalis [Gen. 14. v. 20]. Et ideo sacerdotium Christi dicitur esse « secundum ordinem Melchisedech » propter excellentiam veri sacerdotii ad figurale sacerdotium legis.
Leerstelling. — Zooals vroeger werd gezegd (4e Art. Antw. op de 3e B.), was het priesterschap der Wet een voorafbeelding van dat van Christus, maar niet een die aan de waarheid gelijk kwam, doch op vele punten daarbij achterbleef, zoowel omdat het de zonden niet wegnam als omdat het niet zooals Christus' priesterschap eeuwig was. Maar juist dit uitsteken van Christus' priesterschap boven het Levitische werd door dat van Melchisedech voorafgebeeld, omdat deze van Abraham, in wiens lendenen in zekeren zin van het priesterschap der wet schatting werd geheven, de tienden ontving. En daarom noemt men Christus' priesterschap naar de orde van Melchisedech, omdat het ware priesterschap boven het voorafbeeldende wettelijke uitsteekt.Leerstelling. — Zoals vroeger werd gezegd (4e Art. Antw. op de 3e B.), was het priesterschap van de Wet een voorafbeelding van dat van Christus, maar niet een die aan de waarheid gelijk kwam, doch op vele punten daarbij achterbleef, zowel omdat het de zonden niet wegnam als omdat het niet zoals Christus' priesterschap eeuwig was. Maar juist dit uitsteken van Christus' priesterschap boven het Levitische werd door dat van Melchisedech voorafgebeeld, omdat deze van Abraham, in wiens lendenen in zekeren zin van het priesterschap van de wet schatting werd geheven, de tienden ontving. En daarom noemt men Christus' priesterschap naar de orde van Melchisedech, omdat het ware priesterschap boven het voorafbeeldende wettelijke uitsteekt.
635Ad primum ergo dicendum, quod Christus non dicitur esse secundum ordinem Melchisedech, quasi principalioris sacerdotis, sed quasi praefigurantis excellentiam sacerdotii Christi ad sacerdotium leviticum.
635Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Men noemt Christus niet « naar de orde van Melchisedech », alsof deze een voornamer priester was, maar omdat hij de voorrang van Christus' priesterschap boven het Levitische voorafbeeldde.635Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Men noemt Christus niet “naar de orde van Melchisedech”, alsof deze een voornamer priester was, maar omdat hij de voorrang van Christus' priesterschap boven het Levitische voorafbeeldde.
Ad secundum dicendum, quod in sacerdotio Christi duo possunt considerari; scilicet ipsa oblatio Christi, et participatio ejus. Quantum ad ipsam oblationem, expressius figurabat sacerdotium Christi sacerdotium legale per sanguinis effusionem, quam sacerdotium Melchisedech, in quo sanguis non effundebatur. Sed quantum ad participationem hujus sacrificii, et ejus effectum, in quo praecipue attenditur excellentia sacerdotii Christi ad sacerdotium legale, expressius praefigurabatur per sacerdotium Melchisedech, qui offerebat panem, et vinum [Gen. 14. v. 18] significantia, ut August. dicit [tract. 26. in Joan. a med.; vid. etiam cap.: Quia passus, de Consecrat. epist. 2.]: « Ecclesiasticam unitatem, quam constituit participatio sacrificii Christi ». Unde etiam in nova lege verum Christi sacrificium communicatur fidelibus sub specie panis, et vini.
2. Twee dingen kan men in Christus' priesterschap beschouwen; ten eerste het offer zelf van Christus en het deelhebben daaraan. Wat het offer zelf betreft, beeldde het wettelijke priesterschap door het uitstorten van bloed meer uitdrukkelijk dat van Christus af dan dat van Melchisedech waarbij geen bloed vloeide het deed. Maar wat het deelen in het offer en de vruchten ervan, waarin de voorrang van Christus' priesterschap boven het wettelijke vooral bestaat, werd het uitdrukkelijker door dat van Melchisedech afgebeeld, omdat deze brood en wijn offerde, die zooals Augustinus zegt de eenheid der Kerk verzinnebeelden, die door het deelhebben in Christus' offer wordt gevormd. Daarom ook wordt onder de nieuwe Wet, het offer van Christus aan de geloovigen meegedeeld onder de gedaante van brood en wijn.2. Twee dingen kan men in Christus' priesterschap beschouwen; ten eerste het offer zelf van Christus en het deelhebben daaraan. Wat het offer zelf betreft, beeldde het wettelijke priesterschap door het uitstorten van bloed meer uitdrukkelijk dat van Christus af dan dat van Melchisedech waarbij geen bloed vloeide het deed. Maar wat het delen in het offer en de vruchten ervan, waarin de voorrang van Christus' priesterschap boven het wettelijke vooral bestaat, werd het uitdrukkelijker door dat van Melchisedech afgebeeld, omdat deze brood en wijn offerde, die zoals Augustinus zegt de eenheid van de Kerk verzinnebeelden, die door het deelhebben in Christus' offer wordt gevormd. Daarom ook wordt onder de nieuwe Wet, het offer van Christus aan de gelovigen meegedeeld onder de gedaante van brood en wijn.
Ad tertium dicendum, quod Melchisedech dictus est « sine patre, et sine matre, et sine genealogia » et quod « non habet initium dierum, neque 636finem » non quia ista non habuerit, sed quia in Scriptura Sacra ista de eo non leguntur. Et per hoc ipsum. ut Apostolus ibidem dicit, « assimilatus est Filio Dei » qui in terris est sine patre. et in coelis sine matre, et sine genealogia, secundum illud Isa. 53. [v. 8]: « Generationem ejus quis enarrabit? » et secundum divinitatem neque principium, neque finem dierum habet.
3. Melchisedech wordt « zonder vader en zonder moeder en zonder stamboom » genoemd, en van hem wordt gezegd, dat « hij begin noch einde van dagen heeft », niet alsof hij dat niet had, 636maar omdat daarover niets in de H. Schrift te lezen staat. En hierdoor is hij, zooals de Apostel op dezelfde plaats zegt, « aan Gods Zoon gelijk geworden », die op aarde zonder Vader en in den hemel zonder moeder is; en die geen stamboom heeft naar Isaias (53, 8): « Wie zal Zijn afkomst vermelden? »; en die naar Zijn godheid begin noch einde van dagen heeft.3. Melchisedech wordt “zonder vader en zonder moeder en zonder stamboom” genoemd, en van hem wordt gezegd, dat “hij begin noch einde van dagen heeft”, niet alsof hij dat niet had, 636maar omdat daarover niets in de H. Schrift te lezen staat. En hierdoor is hij, zoals de Apostel op dezelfde plaats zegt, “aan Gods Zoon gelijk geworden”, die op aarde zonder Vader en in de hemel zonder moeder is; en die geen stamboom heeft naar Jesaja (53, 8): “Wie zal Zijn afkomst vermelden?”; en die naar Zijn godheid begin noch einde van dagen heeft.