Theologische Summa · Tertia Pars · Wat uit de vereeniging volgtWat uit de vereniging volgtSumma · III · Wat uit de vereeniging volgtWat uit de vereniging volgtSumma · III · Kw. 20Kw. 20
Quaestio XX

De convenientibus Christo, secundum quod Patri fuit subjectus1, in duos articulos divisa

Kwestie 20

Over Christus' onderworpenheid aan den VaderOver Christus' onderworpenheid aan de Vader

(Twee Artikelen)

582Deinde considerandum est de his quae conveniunt Christo per comparationem ad Patrem [Cfr. q. 16. introd.]. Quorum quaedam dicuntur de ipso secundum habitudinem ipsius ad Patrem; puta quod est ei subjectus, quod ipsum oravit, quod ei in sacerdotio ministravit. Quaedam vero dicuntur, vel dici possunt secundum habitudinem Patris ad ipsum; puta si Pater eum adoptasset, et quod eum praedestinavit. Primo igitur considerandum est de subjectione Christi ad Patrem; secundo, de ejus oratione [q. 21.]: 583tertio, de ipsius sacerdotio [q. 22.]; quarto, de adoptione, an ei conveniat [q. 23.]; quinto, de ejus praedestinatione [q. 24.].

582Vervolgens moeten wij datgene bespreken, wat aan Christus toekomt krachtens de verhouding tusschen Hem en den Vader. Sommige van deze dingen worden van Hem gezegd om een verhouding van Hem tot den Vader, bv. dat Hij aan Hem onderworpen is, dat Hij tot Hem bad en dat Hij Hem in het priesterschap diende. Maar andere dingen worden of kunnen van Hem worden gezegd krachtens een verhouding van den Vader tot Hem, bv. als de Vader Hem had aangenomen als kind of omdat Hij Hem voorbestemd heeft. Ten eerste moeten wij dus spreken over Christus' onderworpenheid aan den Vader, ten tweede over Zijn gebed, ten derde over Zijn priesterschap, ten vierde over de aanneming 583als kind, of Hem dat toekomt, ten vijfde over Zijn voorbestemming.582Vervolgens moeten wij datgene bespreken, wat aan Christus toekomt krachtens de verhouding tussen Hem en de Vader. Sommige van deze dingen worden van Hem gezegd om een verhouding van Hem tot de Vader, bv. dat Hij aan Hem onderworpen is, dat Hij tot Hem bad en dat Hij Hem in het priesterschap diende. Maar andere dingen worden of kunnen van Hem worden gezegd krachtens een verhouding van de Vader tot Hem, bv. als de Vader Hem had aangenomen als kind of omdat Hij Hem voorbestemd heeft. Ten eerste moeten wij dus spreken over Christus' onderworpenheid aan de Vader, ten tweede over Zijn gebed, ten derde over Zijn priesterschap, ten vierde over de aanneming 583als kind, of Hem dat toekomt, ten vijfde over Zijn voorbestemming.

Circa primum quaeruntur duo: 1. Utrum Christus sit subjectus Patri. — 2. Utrum sit subjectus sibi ipsi.

Over het eerste punt stellen wij ons twee vragen: 1. Was Christus aan den Vader onderworpen? 2. Was Hij onderworpen aan Zichzelf?Over het eerste punt stellen wij ons twee vragen: 1. Was Christus aan de Vader onderworpen? 2. Was Hij onderworpen aan Zichzelf?

Articulus I

Utrum dicendum sit, Christum esse subjectum Patri

[Part. 1. q. 42. art. 4. ad 1. et 3. Dist. 11. art. 1. ad 2. et 1. Cor. 15. lect. 3. fin.]
Ie Artikel

Moet men zeggen, dat Christus aan den Vader onderworpen is?Moet men zeggen, dat Christus aan de Vader onderworpen is?

antwoord 1 ↓

583Ad primum sic proceditur. Videtur, quod non sit dicendum, Christum esse subjectum Patri. Omne enim quod subjicitur Deo Patri, est creatura: quia, ut dicitur in lib. de Ecclesiasticis dogmatibus [cap. 4. inter op August.], « in Trinitate nihil est serviens, neque subjectum ». Sed non est simpliciter dicendum, quod Christus sit creatura, ut supra dictum est [q. 16. art. 8.]. Ergo etiam non est simpliciter dicendum, quod Christus sit Deo Patri subjectus.

583Bedenkingen. — Men beweert, dat er niet gesproken moet worden over Christus' onderworpenheid aan den Vader. — 1. Want alles wat aan God den Vader onderworpen wordt genoemd is een schepsel, want zooals in het boek Over de Leerstukken der Kerk wordt gezegd, « is er in de Drievuldigheid niets, dat dient of onderworpen is ». Nu mag men niet zonder meer zeggen, dat Christus een schepsel is, zooals boven werd aangetoond (16e Kw., 8e Art.). Dus moet men ook niet zonder meer zeggen, dat Hij aan God den Vader onderworpen is.583Bedenkingen. — Men beweert, dat er niet gesproken moet worden over Christus' onderworpenheid aan de Vader. — 1. Want alles wat aan God de Vader onderworpen wordt genoemd is een schepsel, want zoals in het boek Over de Leerstukken van de Kerk wordt gezegd, “is er in de Drievuldigheid niets, dat dient of onderworpen is”. Nu mag men niet zonder meer zeggen, dat Christus een schepsel is, zoals boven werd aangetoond (16e Kw., 8e Art.). Dus moet men ook niet zonder meer zeggen, dat Hij aan God de Vader onderworpen is.

antwoord 2 ↓

5842. Praeterea, ex hoc dicitur aliquid Deo subjectum, quod est ejus domino serviens. Sed humanae naturae in Christo non potest attribui servitus: dicit enim Damascenus in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 21. cir. med.]: « Sciendum est, quod neque servam ipsam », scilicet humanam naturam Christi, « dicere possumus: servitutis enim, et dominationis nomina non naturae sunt nomina, cognitionisque signa, sed eorum quae ad aliquid, quemadmodum paternitatis, et filiationis nomina ». Ergo Christus secundum humanam naturam non est subjectus Deo Patri.

5842. Men noemt iets hierom aan God onderworpen, dat het Zijn heerschappij dient. Nu kan men het dienen niet aan Christus' menschelijke natuur toeschrijven, want Damascenus zegt in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 21e H.): « Men moet weten, dat wij haar, nl. de menschelijke natuur van Christus geen slavin kunnen noemen. Want de namen slavernij en heerschappij doen ons geen naturen kennen, maar verhoudingen als vaderschap en zoonschap ». Dus is Christus naar de menschelijke natuur niet aan God den Vader onderworpen.5842. Men noemt iets hierom aan God onderworpen, dat het Zijn heerschappij dient. Nu kan men het dienen niet aan Christus' menselijke natuur toeschrijven, want Damascenus zegt in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 21e H.): “Men moet weten, dat wij haar, nl. de menselijke natuur van Christus geen slavin kunnen noemen. Want de namen slavernij en heerschappij doen ons geen naturen kennen, maar verhoudingen als vaderschap en zoonschap”. Dus is Christus naar de menselijke natuur niet aan God de Vader onderworpen.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, prioris ad Corinth. 15. [v. 28] dicitur: « Cum autem subjecta illi fuerint omnia, tunc ipse filius subjectus erit illi, qui sibi subjecit omnia ». Sed, sicut dicitur Hebr. 2. [v. 8], « nunc necdum videmus omnia subjecta ei ». Ergo nondum ipse est subjectus Patri, qui ei subjecit omnia.

3. In den Eersten Korinthiërsbrief (15, 28) wordt gezegd: « Zoodra dus alles aan Hem onderworpen zal zijn, zal ook de Zoon zichzelf onderwerpen aan Hem die alles aan Hem onderwierp ». Maar zooals in den Hebreeënbrief (2, 8) staat, « zien wij nog niet, dat alles aan Hem onderworpen is ». Dus is Hij nog niet aan den Vader, die alles Hem onderworpen heeft gemaakt, onderworpen.3. In de Eerste Korintiërsbrief (15, 28) wordt gezegd: “Zodra dus alles aan Hem onderworpen zal zijn, zal ook de Zoon zichzelf onderwerpen aan Hem die alles aan Hem onderwierp”. Maar zoals in de Hebreeënbrief (2, 8) staat, “zien wij nog niet, dat alles aan Hem onderworpen is”. Dus is Hij nog niet aan de Vader, die alles Hem onderworpen heeft gemaakt, onderworpen.

Sed contra est, quod Dominus dicit Joan. 14. [v. 28]: « Pater major me est ». Et Augustinus dicit in 1. de Trinit. [cap. 7. ante med.]: « Non immerito Scriptura utrumque dicit, et aequalem Patri Filium, et 585Patrem Filio majorem; illud enim propter formam Dei; hoc autem propter formam servi sine ulla confusione intelligitur ». Sed minor est subjectus majori. Ergo Christus secundum formam servi est Patri subjectus.

Maar daartegenover staat, dat bij Joannes (14, 28) wordt gezegd: « De Vader is grooter dan Ik ». En Augustinus zegt in het 1e boek Over de Drievuldigheid (7e H.): « Terecht zegt de Schrift beide dingen: dat de Zoon aan den Vader gelijk en dat de Vader 585grooter dan de Zoon is. Want het eerste kan men krachtens de gestalte van God, het tweede krachtens die van een slaaf zonder beiden te verwarren begrijpen ». Nu is de mindere aan den meerdere onderworpen. Dus is Christus krachtens de gestalte van een slaaf aan den Vader onderworpen.Maar daartegenover staat, dat bij Johannes (14, 28) wordt gezegd: “De Vader is groter dan Ik”. En Augustinus zegt in het 1e boek Over de Drievuldigheid (7e H.): “Terecht zegt de Schrift beide dingen: dat de Zoon aan de Vader gelijk en dat de Vader 585groter dan de Zoon is. Want het eerste kan men krachtens de gestalte van God, het tweede krachtens die van een slaaf zonder beiden te verwarren begrijpen”. Nu is de mindere aan de meerdere onderworpen. Dus is Christus krachtens de gestalte van een slaaf aan de Vader onderworpen.

Respondeo dicendum, quod cuilibet habenti aliquam naturam conveniunt ea, quae sunt propria illi1 naturae. Natura autem humana ex sui conditione habet triplicem subjectionem ad Deum. Unam quidem secundum gradum bonitatis: prout scilicet divina natura est ipsa essentia bonitatis, ut patet per Dionysium 1. cap. de Div. Nom. [a med. lect. 3.]. Natura autem creata habet quamdam participationem divinae bonitatis, quasi radiis illius bonitatis subjecta. Secundo humana natura subjicitur Deo quantum ad Dei potestatem: prout scilicet natura humana, sicut et quaelibet creatura, subjacet operationi divinae dispositionis. Tertio modo specialiter humana natura Deo subjicitur quantum ad proprium suum actum: inquantum scilicet propria voluntate obedit mandatis ejus.

Leerstelling. — Aan ieder die een bepaalde natuur bezit, komt datgene toe, wat aan die natuur eigen is. Nu heeft de menschelijke natuur krachtens haar aard een drievoudige onderworpenheid aan God. En wel een krachtens haar graad van goedheid, want de goddelijke natuur is het wezen zelf der goedheid, gelijk Dionysius in het 1e hoofdstuk Over de Namen van God bewijst, maar de menschelijke natuur deelt eenigszins in de goddelijke goedheid als onderging zij de uitstraling ervan. — Ten tweede wordt de menschelijke natuur wat Gods macht betreft aan Hem onderworpen genoemd, in zoover zij als ieder schepsel zich moet schikken in de uitwerking van Gods bepalingen. Ten derde is zij nog bijzonder aan God onderworpen door haar eigenlijke daden, in zoover zij met haar eigen wil gehoorzaamt aan Zijn geboden.Leerstelling. — Aan ieder die een bepaalde natuur bezit, komt datgene toe, wat aan die natuur eigen is. Nu heeft de menselijke natuur krachtens haar aard een drievoudige onderworpenheid aan God. En wel een krachtens haar graad van goedheid, want de goddelijke natuur is het wezen zelf van de goedheid, gelijk Dionysius in het 1e hoofdstuk Over de Namen van God bewijst, maar de menselijke natuur deelt enigszins in de goddelijke goedheid als onderging zij de uitstraling ervan. — Ten tweede wordt de menselijke natuur wat Gods macht betreft aan Hem onderworpen genoemd, in zover zij als ieder schepsel zich moet schikken in de uitwerking van Gods bepalingen. Ten derde is zij nog bijzonder aan God onderworpen door haar eigenlijke daden, in zover zij met haar eigen wil gehoorzaamt aan Zijn geboden.

Et hanc triplicem subjectionem ad Patrem Christus de seipso confitetur. 586Primam quidem Matth. 19. [v. 17]: « Quid me interrogas de bono? Unus est bonus Deus ». Ubi Hieronymus [Comm. lib. 3.] dicit, quod « quia magistrum vocaverat bonum, et non Deum, vel Dei Filium confessus erat, dixit, hominem, quamvis sanctum, comparatione Dei non esse bonum »: per quod dedit intelligere, quod ipse secundum humanam naturam non pertingebat ad gradum bonitatis divinae. Et quia « in his quae non mole magna sunt, idem est esse majus, quod melius », ut Augustinus dicit in 6. de Trinit. [cap. 8. cir. med.]; ex hac ratione Pater dicitur « major Christo » secundum humanam naturam.

Nu beleed Christus van Zichzelf, dat Hij op die drie manieren 586aan den Vader onderworpen was. De eerste bij Matthaeus (19, 17): « Wat vraagt gij Mij naar het goede? Een is er goed, God ». Hierbij zegt Hieronymus, « dat Hij, omdat (de jongeling) Hem goede meester en niet God of Gods Zoon had genoemd, zeide, dat toch met God vergeleken een heilig mensch niet goed was ». Hiermee gaf Hij te begrijpen, dat Hij naar de menschelijke natuur niet tot den graad der goddelijke goedheid reikte. En omdat « bij dingen, die niet door hun massa groot zijn, grooter hetzelfde als beter is », zooals Augustinus in het 6e boek Over de Drievuldigheid (8e H.) zegt, volgt hieruit dat de Vader grooter dan Christus naar de menschelijke natuur wordt genoemd.Nu beleed Christus van Zichzelf, dat Hij op die drie manieren 586aan de Vader onderworpen was. De eerste bij Matteüs (19, 17): “Wat vraagt gij Mij naar het goede? Een is er goed, God”. Hierbij zegt Hieronymus, “dat Hij, omdat (de jongeling) Hem goede meester en niet God of Gods Zoon had genoemd, zeide, dat toch met God vergeleken een heilig mens niet goed was”. Hiermee gaf Hij te begrijpen, dat Hij naar de menselijke natuur niet tot de graad van de goddelijke goedheid reikte. En omdat “bij dingen, die niet door hun massa groot zijn, groter hetzelfde als beter is”, zoals Augustinus in het 6e boek Over de Drievuldigheid (8e H.) zegt, volgt hieruit dat de Vader groter dan Christus naar de menselijke natuur wordt genoemd.

Secunda etiam2 subjectio Christo attribuitur, inquantum omnia quae circa humanitatem Christi acta sunt, divina dispositione gesta creduntur. Unde Dionysius dicit 4. cap. Coel. Hierar, quod Christus « subjicitur Dei Patris ordinationibus ». Et haec est subjectio servitutis, secundum quod « omnis creatura Deo servit » [Judith. cap. 16, v. 17] ejus ordinationi subjecta: secundum illud Sap. 16. [v. 24]: « Creatura tibi 587factori deserviens ». Et secundum hoc etiam Filius Dei Philip. 2. [v. 7] dicitur « formam servi accepisse ».

De tweede soort onderwerping wordt aan Christus toegeschreven, in zoover wij gelooven, dat alles wat met Christus' menschheid gebeurde, door goddelijke beschikking zoo geschiedde. Daarom zegt Dionysius in het 4e hoofdstuk Over de Hemelreien, dat Christus « aan de bepalingen van den Vader onderworpen was ». En dat is de onderworpenheid van het dienen, krachtens welke men zegt, dat « ieder schepsel God dient », in zoover het aan Zijn bevelen onderworpen is volgens het boek der Wijsheid (16, 24): « Het schepsel dient U, zijn maker ». En zoo ook wordt 587in den Philippensenbrief (2, 7) van Gods Zoon gezegd, « dat Hij de gestalte van een slaaf aannam ».De tweede soort onderwerping wordt aan Christus toegeschreven, in zover wij geloven, dat alles wat met Christus' mensheid gebeurde, door goddelijke beschikking zo geschiedde. Daarom zegt Dionysius in het 4e hoofdstuk Over de Hemelreien, dat Christus “aan de bepalingen van de Vader onderworpen was”. En dat is de onderworpenheid van het dienen, krachtens welke men zegt, dat “ieder schepsel God dient”, in zover het aan Zijn bevelen onderworpen is volgens het boek van de Wijsheid (16, 24): “Het schepsel dient U, zijn maker”. En zo ook wordt 587in de Filippenzenbrief (2, 7) van Gods Zoon gezegd, “dat Hij de gestalte van een slaaf aannam”.

Tertiam etiam subjectionem attribuit sibi ipsi Joan. 8. [v. 29] dicens: « Quae placita sunt ei, facio semper ». Et haec est subjectio obedientiae Patris usque ad mortem3: unde dicitur Philip. 2. [v. 8] quod « factus est obediens Patri usque ad mortem ».

Ook de derde soort onderworpenheid schrijft Hij aan Zichzelf toe, als Hij bij Joannes (8, 29) zegt: « Wat Hem behaagt, doe Ik altijd ». Dat is de onderworpenheid van het gehoorzamen, en daarom wordt in den Philippensenbrief (2, 8) gezegd, dat « Hij tot den dood toe aan den Vader gehoorzaam is geworden ».Ook de derde soort onderworpenheid schrijft Hij aan Zichzelf toe, als Hij bij Johannes (8, 29) zegt: “Wat Hem behaagt, doe Ik altijd”. Dat is de onderworpenheid van het gehoorzamen, en daarom wordt in de Filippenzenbrief (2, 8) gezegd, dat “Hij tot de dood toe aan de Vader gehoorzaam is geworden”.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod sicut non est simpliciter intelligendum, quod Christus sit creatura, sed solum secundum humanam naturam, sive apponatur ei determinatio, sive non, ut supra dictum est [q. 16. art. 8.], ita etiam non est simpliciter intelligendum, quod Christus sit subjectus Patri, sed solum secundum humanam naturam, etiamsi haec determinatio non apponatur. Quam tamen convenientius est apponere, ad evitandum errorem Arii, qui posuit Filium minorem Patre.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Men mag niet zonder meer, maar alleen naar de menschelijke natuur zeggen, dat Christus een schepsel is, of men er nu al dan niet een nadere bepaling bijvoegt, zooals boven is gezegd (16e Kw., 8e Art.). En zoo mag men ook niet meenen dat Christus zonder meer aan den Vader onderworpen is, maar alleen naar de menschelijke natuur, ook als men er deze beperking niet aan toevoegt. En het is beter deze erbij te voegen om de dwaling van Arius, die den Zoon lager stelde dan den Vader, te vermijden.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Men mag niet zonder meer, maar alleen naar de menselijke natuur zeggen, dat Christus een schepsel is, of men er nu al dan niet een nadere bepaling bijvoegt, zoals boven is gezegd (16e Kw., 8e Art.). En zo mag men ook niet menen dat Christus zonder meer aan de Vader onderworpen is, maar alleen naar de menselijke natuur, ook als men er deze beperking niet aan toevoegt. En het is beter deze erbij te voegen om de dwaling van Arius, die de Zoon lager stelde dan de Vader, te vermijden.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod relatio servitutis, et dominii fundatur super actione, et passione; inquantum scilicet servi est moveri a domino 588secundum imperium. Agere autem non attribuitur naturae, sicut agenti, sed personae: « actus » enim « suppositorum sunt, et singularium » secundum Philos. [lib. 1. Met. cap. 1. n. 6. S. Th. lect. 6.]; attribuitur tamen actio naturae, sicut ei, secundum quam persona, vel hypostasis agit. Et ideo quamvis non proprie dicatur, quod natura sit domina, vel serva secundum hanc, vel illam naturam. Et secundum hoc nihil prohibet Christum dicere Patri subjectum, vel servum secundum humanam naturam.

2. De verhouding van heerschen en dienen berust op handelen en iets ondergaan, in zoover het nl. een slaaf toekomt door het gebod van den heer bewogen te worden. Maar nu wordt handelen niet 588aan de natuur, maar aan den persoon toegeschreven als aan wie werkt, want de handelingen zijn volgens den Philosoof (Metaphysica, 1e B., 1e H., n. 6) « van de dragers en de eenlingen ». Maar een handeling wordt aan de natuur toegeschreven als aan datgene, waardoor de hypostase of persoon handelt. Al zegt men daarom niet in eigenlijken zin, dat de natuur heer of slaaf is, dan kan men toch in eigenlijken zin wel zeggen, dat een hypostase of persoon volgens deze of die natuur heer is of slaaf. En zoo is er niets tegen Christus naar de menschelijke natuur den Vader onderworpen of slaaf te noemen.2. De verhouding van heersen en dienen berust op handelen en iets ondergaan, in zover het nl. een slaaf toekomt door het gebod van de heer bewogen te worden. Maar nu wordt handelen niet 588aan de natuur, maar aan de persoon toegeschreven als aan wie werkt, want de handelingen zijn volgens de Filosoof (Metafysica, 1e B., 1e H., n. 6) “van de dragers en de eenlingen”. Maar een handeling wordt aan de natuur toegeschreven als aan datgene, waardoor de hypostase of persoon handelt. Al zegt men daarom niet in eigenlijke zin, dat de natuur heer of slaaf is, dan kan men toch in eigenlijke zin wel zeggen, dat een hypostase of persoon volgens deze of die natuur heer is of slaaf. En zo is er niets tegen Christus naar de menselijke natuur de Vader onderworpen of slaaf te noemen.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod, sicut Augustinus dicit in 1. de Trin. [cap. 8. ante med.], « tunc Christus tradet regnum Deo, et Patri, quando justos, in quibus nunc regnat per fidem, perducturus est ad speciem », ut scilicet videant ipsam essentiam communem Patri, et Filio. Et tunc totaliter erit Patri subjectus non solum in se, sed etiam in membris suis, per plenam participationem divinae bonitatis. Tunc etiam erunt plene ei subjecta per finalem impletionem suae voluntatis de eis. Licet etiam modo sint omnia ei subjecta quantum ad potestatem: secundum illud Matth. ult. [v. 18]: « Data est mihi omnis potestas in coelo, et in terra ».

3. Zooals Augustinus in het 1e boek Over de Drievuldigheid (8e H.) zegt, « zal Christus dan de heerschappij aan God den Vader overgeven, als Hij de rechtvaardigen waarin Hij nu door het geloof heerscht tot het aanschouwen zal brengen », dat zij nl. het gemeenschappelijke wezen van den Vader en den Zoon zullen zien. En dan zal Hij niet alleen in Zichzelf, maar ook in Zijn ledematen door het deelen in de goddelijke goedheid volledig aan den Vader onderworpen zijn. Dan zal ook alles volledig aan Hem onderworpen zijn door het eindelijk vervullen van Zijn wil omtrent hen. Nu is echter alles aan Hem onderworpen wat de macht erover betreft, volgens Matthaeus (Laatste H., 18): « Mij is alle macht gegeven in den hemel en op aarde ».3. Zoals Augustinus in het 1e boek Over de Drievuldigheid (8e H.) zegt, “zal Christus dan de heerschappij aan God de Vader overgeven, als Hij de rechtvaardigen waarin Hij nu door het geloof heerst tot het aanschouwen zal brengen”, dat zij nl. het gemeenschappelijke wezen van de Vader en de Zoon zullen zien. En dan zal Hij niet alleen in Zichzelf, maar ook in Zijn ledematen door het delen in de goddelijke goedheid volledig aan de Vader onderworpen zijn. Dan zal ook alles volledig aan Hem onderworpen zijn door het eindelijk vervullen van Zijn wil omtrent hen. Nu is echter alles aan Hem onderworpen wat de macht erover betreft, volgens Matteüs (Laatste H., 18): “Mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde”.

Articulus II

Utrum Christus sit subjectus sibi ipsi

IIe Artikel

Is Christus aan Zichzelf onderworpen?

antwoord 1 ↓

589Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod Christus non sit subjectus sibi ipsi. Dicit enim Cyrillus in Epistola synodica, quam scilicet Synodus Ephesina [gener. 3. part. 1. cap. 26.] recepit: « Neque ipse Christus sibi servus est, neque dominus: fatuum enim est, magis autem et impium ita dicere, et sapere ». Et hoc etiam asserit Damascenus in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 21. a med.] dicens: « Unum enim ens Christus non potest servus esse sui ipsius, et dominus ». Sed intantum Christus dicitur servus Patris, inquantum est ei subjectus. Ergo Christus non est subjectus sibi ipsi.

589Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet aan Zichzelf onderworpen is. — 1. Want Cyrillus zegt in den Synodalen Brief, nl. die door de Kerkvergadering van Ephese is aanvaard: « Ook is Christus Zichzelf geen slaaf of heer. Het is redeloos en zelfs goddeloos dat te zeggen of te denken ». Dat beweert ook Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 21e H.): « Christus, die één zijnde is, kan Zichzelf geen slaaf of heer zijn ». Maar Christus wordt dienaar van den Vader genoemd in zoover Hij Hem onderworpen is. Dus is Hij niet aan Zichzelf onderworpen.589Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet aan Zichzelf onderworpen is. — 1. Want Cyrillus zegt in de Synodale Brief, nl. die door de Kerkvergadering van Efeze is aanvaard: “Ook is Christus Zichzelf geen slaaf of heer. Het is redeloos en zelfs goddeloos dat te zeggen of te denken”. Dat beweert ook Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 21e H.): “Christus, die één zijnde is, kan Zichzelf geen slaaf of heer zijn”. Maar Christus wordt dienaar van de Vader genoemd in zover Hij Hem onderworpen is. Dus is Hij niet aan Zichzelf onderworpen.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, servus refertur ad dominum. Sed relatio non est alicujus ad seipsum: unde et Hilarius dicit in lib. 3. de Trinit. [lib. 7. n. 15.], quod « nihil est sibi simile, aut aequale ». Ergo Christus non potest dici servus sui ipsius. Et per consequens nec sibi esse subjectus.

2. Een dienaar staat in een verhouding tot den heer. Nu bestaat er geen verhouding van iets tot zichzelf, zoodat Hilarius in het boek Over de Drievuldigheid (7e B., n. 15) zegt, dat « niets even groot is als zichzelf of zich gelijk ». Dus kan Christus geen dienaar van Zichzelf worden genoemd. En is dus niet aan Zichzelf onderworpen.2. Een dienaar staat in een verhouding tot de heer. Nu bestaat er geen verhouding van iets tot zichzelf, zodat Hilarius in het boek Over de Drievuldigheid (7e B., n. 15) zegt, dat “niets even groot is als zichzelf of zich gelijk”. Dus kan Christus geen dienaar van Zichzelf worden genoemd. En is dus niet aan Zichzelf onderworpen.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, « sicut anima rationalis, et caro unus est homo; ita 590Deus, et homo unus est Christus »; ut Athanasius dicit [in suo Symb. Fid.]. Sed homo non dicitur subjectus sibi ipsi, vel servus sui ipsius, aut major seipso, propter hoc, quod corpus ejus subjectum est animae. Ergo neque Christus dicitur subjectus sibi ipsi propter hoc quod ejus humanitas subjecta est divinitati ipsius.

3. « Zooals de redelijke ziel en het vleesch een lichaam zijn, 590zoo zijn God en mensch samen een Christus », zooals Athanasius zegt (in het Symbolum). Nu wordt een mensch niet aan zichzelf onderworpen of dienaar van zichzelf genoemd of grooter dan zichzelf, omdat zijn lichaam aan de ziel onderworpen is. Dus moet Christus ook niet aan Zichzelf onderworpen worden genoemd, omdat Zijn menschheid aan Zijn godheid onderworpen is.3. “Zoals de redelijke ziel en het vlees een lichaam zijn, 590zo zijn God en mens samen een Christus”, zoals Athanasius zegt (in het Symbolum). Nu wordt een mens niet aan zichzelf onderworpen of dienaar van zichzelf genoemd of groter dan zichzelf, omdat zijn lichaam aan de ziel onderworpen is. Dus moet Christus ook niet aan Zichzelf onderworpen worden genoemd, omdat Zijn mensheid aan Zijn godheid onderworpen is.

antwoord ↓

Sed contra est, quod Augustinus dicit in 1. de Trinit. [cap. 7. ante med.]: « Veritas ostendit secundum istum modum », quo scilicet Pater major est Christo secundum humanam naturam, « etiam seipso minorem Filium ».

Maar daartegenover staat, dat Augustinus in het 1e boek Over de Drievuldigheid (7e H.) zegt, dat « de Waarheid aantoont, dat de Zoon op dezelfde manier, (waarop nl. de Vader grooter dan Christus is naar de menschelijke natuur), ook minder is dan Zichzelf ».Maar daartegenover staat, dat Augustinus in het 1e boek Over de Drievuldigheid (7e H.) zegt, dat “de Waarheid aantoont, dat de Zoon op dezelfde manier, (waarop nl. de Vader groter dan Christus is naar de menselijke natuur), ook minder is dan Zichzelf”.

2. Praeterea, sicut ipse argumentatur ibidem, sic accepta est a Filio Dei forma servi, ut non amitteretur forma Dei. Sed secundum formam Dei, quae est communis Patri, et Filio, Pater est Filio major secundum humanam naturam. Ergo etiam Filius est major seipso secundum humanam naturam.

2. Zooals hij op dezelfde plaats redeneert, is de gestalte van een slaaf zoo door Gods Zoon aangenomen, dat Hij de gestalte van God niet verloor. Nu is de Vader naar de gestalte Gods, die Vader en Zoon gemeenschappelijk bezitten, grooter dan de Zoon naar de menschelijke natuur. Dus is ook de Zoon grooter dan Zichzelf naar de menschelijke natuur.2. Zoals hij op dezelfde plaats redeneert, is de gestalte van een slaaf zo door Gods Zoon aangenomen, dat Hij de gestalte van God niet verloor. Nu is de Vader naar de gestalte Gods, die Vader en Zoon gemeenschappelijk bezitten, groter dan de Zoon naar de menselijke natuur. Dus is ook de Zoon groter dan Zichzelf naar de menselijke natuur.

3. Praeterea, Christus secundum humanam naturam est servus Dei Patris, secundum illud Joan. 20. [v. 17]: « Ascendo ad Patrem meum, et Patrem vestrum, Deum meum, et Deum vestrum ». Sed quicumque est 591servus Filii: alioquin non omnia, quae sunt Patris, essent Filii. Ergo Christus est servus sui ipsius, et sibi subditus.

3. Naar de menschelijke natuur is Christus dienaar van God den Vader naar Joannes (20, 17): « Ik stijg op naar Uw en Mijn Vader, naar Uw en Mijn God ». Maar wie slaaf is van den Vader 591is ook dienaar van den Zoon; want anders zou niet alles wat van den Vader is ook van den Zoon zijn. En dus is Christus dienaar van Zichzelf en aan Zichzelf onderworpen.3. Naar de menselijke natuur is Christus dienaar van God de Vader naar Johannes (20, 17): “Ik stijg op naar Uw en Mijn Vader, naar Uw en Mijn God”. Maar wie slaaf is van de Vader 591is ook dienaar van de Zoon; want anders zou niet alles wat van de Vader is ook van de Zoon zijn. En dus is Christus dienaar van Zichzelf en aan Zichzelf onderworpen.

Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est [art. praec. ad 2.], esse dominum, et servum attribuitur personae, vel hypostasi secundum aliquam naturam. Cum ergo dicitur Christus esse « dominus vel servus sui ipsius » vel quod « Verbum Dei est dominus Christi » hoc potest intelligi dupliciter. Uno modo, ut intelligatur hoc esse dictum ratione alterius hypostasis, vel personae, quasi alia sit persona Verbi Dei dominantis, et alia hominis servientis: quod pertinet ad haeresim Nestorii. Unde in condemnatione Nestorii dicitur in Synodo Ephesina [part. 3. cap. 1. anathematis. 6.]: « Si quis dicit, Deum, vel Dominum esse Christi ex Deo Patre Verbum, et non magis eumdem ipsum confitetur, simul Deum, et hominem, utpote Verbum factum carnem, secundum Scripturas, anathema sit ». Et sub eodem sensu negandum est, Christum esse « minorem seipso » vel esse « sibi subjectum »1.

Leerstelling. — Zooals werd gezegd (Vorig Art. Antw. op de 2e B.) wordt aan een persoon of hypostase naar een bepaalde natuur toegeschreven heer of slaaf te zijn. Wordt dus van Christus gezegd, dat Hij heer of dienaar van Zichzelf is, of dat Gods Woord de Heer is van den mensch Christus, dan kan men dat op twee manieren opvatten. Ten eerste zoo, dat het gezegd zou worden om een verschil in hypostase of persoon, alsof de persoon van Gods Woord dat heer is en die van den mensch die dient een andere zou zijn; en dat behoort tot de ketterij van Nestorius. Daarom lezen wij in zijn veroordeeling op de Kerkvergadering van Ephese: « Als iemand zegt, dat de God of Heer van Christus het uit God den Vader voortgekomen Woord is, en niet liever belijdt, dat Hij tegelijk God en mensch is omdat Het Woord mensch werd naar de Schriften, die zij gebannen ». Dat nu ontkenden Cyrillus en Damascenus en in dezen zin moet men ontkennen, dat Christus minder dan Zichzelf of Zichzelf onderworpen is.Leerstelling. — Zoals werd gezegd (Vorig Art. Antw. op de 2e B.) wordt aan een persoon of hypostase naar een bepaalde natuur toegeschreven heer of slaaf te zijn. Wordt dus van Christus gezegd, dat Hij heer of dienaar van Zichzelf is, of dat Gods Woord de Heer is van de mens Christus, dan kan men dat op twee manieren opvatten. Ten eerste zo, dat het gezegd zou worden om een verschil in hypostase of persoon, alsof de persoon van Gods Woord dat heer is en die van de mens die dient een andere zou zijn; en dat behoort tot de ketterij van Nestorius. Daarom lezen wij in zijn veroordeling op de Kerkvergadering van Efeze: “Als iemand zegt, dat de God of Heer van Christus het uit God de Vader voortgekomen Woord is, en niet liever belijdt, dat Hij tegelijk God en mens is omdat Het Woord mens werd naar de Schriften, die zij gebannen”. Dat nu ontkenden Cyrillus en Damascenus en in deze zin moet men ontkennen, dat Christus minder dan Zichzelf of Zichzelf onderworpen is.

592Alio modo potest intelligi secundum diversitatem naturarum in una persona, vel hypostasi. Et sic dicere possumus secundum unam earum, in qua cum Patre convenit, simul eum cum Patre praeesse, et dominari: secundum vero naturam, in qua nobiscum convenit, ipsum subesse, et servire. Et per hunc modum dicit Augustinus [loc. sup. cit.] Filium esse « seipso minorem ».

592Maar men kan het ook anders opvatten naar het verschil tusschen de naturen in een hypostase of persoon. En zoo kunnen wij zeggen, dat Hij naar een ervan, die Hij samen met den Vader heeft, samen met den Vader heerscht en boven alles staat, en dat Hij naar de andere, die Hij met ons deelt, dient en onderworpen is. En zoo zegt Augustinus, dat de Zoon lager dan Zichzelf is.592Maar men kan het ook anders opvatten naar het verschil tussen de naturen in een hypostase of persoon. En zo kunnen wij zeggen, dat Hij naar een ervan, die Hij samen met de Vader heeft, samen met de Vader heerst en boven alles staat, en dat Hij naar de andere, die Hij met ons deelt, dient en onderworpen is. En zo zegt Augustinus, dat de Zoon lager dan Zichzelf is.

Sciendum tamen, quod cum hoc nomen « Christus » sit nomen personae, sicut et hoc nomen « Filius », illa per se, et absolute possunt dici de Christo, quae conveniunt ei ratione suae personae, quae est aeterna: et maxime hujusmodi relationes, quae magis proprie videntur ad personam, vel hypostasim pertinere. Sed ea quae conveniunt sibi secundum humanam naturam, sunt ei potius attribuenda cum determinatione. Ut videlicet dicamus, Christum esse simpliciter Maximum, et Dominum, et Praesidentem: quod autem sit subjectus, vel servus, vel minor, est ei attribuendum cum determinatione, scilicet « secundum humanam naturam ».

Men moet echter weten, dat wij omdat de naam Christus zoowel als die van Zoon de naam van een persoon is, alles wat Christus om Zijn persoon, die eeuwig is toekomt, krachtens hen zelf en onvoorwaardelijk van Hem kunnen zeggen; en vooral deze verhoudingen, die meer eigenlijk tot den persoon schijnen te behooren. Maar wat Hem krachtens de menschelijke natuur toekomt, moeten wij Hem meer met een nadere bepaling toeschrijven. Zoo zeggen wij dus zonder meer, dat Christus de Hoogste en de Heerscher en de Bestuurder is; maar dat Hij onderworpen of dienaar of lager staand is, moeten wij Hem met een nadere bepaling toeschrijven, nl. volgens de menschelijke natuur.Men moet echter weten, dat wij omdat de naam Christus zowel als die van Zoon de naam van een persoon is, alles wat Christus om Zijn persoon, die eeuwig is toekomt, krachtens henzelf en onvoorwaardelijk van Hem kunnen zeggen; en vooral deze verhoudingen, die meer eigenlijk tot de persoon schijnen te behoren. Maar wat Hem krachtens de menselijke natuur toekomt, moeten wij Hem meer met een nadere bepaling toeschrijven. Zo zeggen wij dus zonder meer, dat Christus de Hoogste en de Heerser en de Bestuurder is; maar dat Hij onderworpen of dienaar of lager staand is, moeten wij Hem met een nadere bepaling toeschrijven, nl. volgens de menselijke natuur.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod Cyrillus, et Damascenus negant Christum esse dominum sui ipsius, secundum quod per hoc importatur 593pluralitas suppositorum, quae requiritur ad hoc quod aliquis simpliciter sit dominus alicujus.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Cyrillus en Damascenus ontkennen, dat Christus Heer is van Zichzelf, in zoover dat 593een meervoudigheid van dragers zou insluiten, wat noodig is om iemand zonder beperking Heer van een ander te noemen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Cyrillus en Damascenus ontkennen, dat Christus Heer is van Zichzelf, in zover dat 593een meervoudigheid van dragers zou insluiten, wat nodig is om iemand zonder beperking Heer van een ander te noemen.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod simpliciter quidem oportet esse alium dominum, et alium servum: potest tamen aliqua ratio dominii, et servitutis servari, prout idem est dominus, et servus2 sui ipsius secundum aliud, et aliud.

2. Zonder meer genomen moet er verschil zijn tusschen den persoon van heer en dienaar, maar het begrip van dienen en heerschen kan eenigszins bewaard blijven als dezelfde persoon om verschillende redenen heer van zichzelf is.2. Zonder meer genomen moet er verschil zijn tussen de persoon van heer en dienaar, maar het begrip van dienen en heersen kan enigszins bewaard blijven als dezelfde persoon om verschillende redenen heer van zichzelf is.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod propter diversas partes hominis, quarum una est superior, et alia inferior, dicit etiam Philos. in 5. Ethic. [cap. 11. n. 9. S. Th. lect. 17.], quod « est hominis ad seipsum justitia » inquantum irascibilis, et concupiscibilis obediunt rationi. Unde per hunc modum etiam unus homo potest dici sibi subjectus, et serviens secundum diversas sui partes.

3. Om verschillende deelen van den mensch, waarvan het eene hooger en het andere lager is, zegt de Philosoof zelfs in het 5e boek Over de Zedeleer (11e H., n. 9), dat « er rechtvaardigheid bestaat van den mensch tegenover zichzelf », in zoover het begeerend en tegenstrevend vermogen aan het verstand gehoorzamen. Op deze manier kan een mensch ook om verschil tusschen zijn deelen aan zichzelf onderworpen zijn als heer en dienaar.3. Om verschillende delen van de mens, waarvan het ene hoger en het andere lager is, zegt de Filosoof zelfs in het 5e boek Over de Zedeleer (11e H., n. 9), dat “er rechtvaardigheid bestaat van de mens tegenover zichzelf”, in zover het begerend en tegenstrevend vermogen aan het verstand gehoorzamen. Op deze manier kan een mens ook om verschil tussen zijn delen aan zichzelf onderworpen zijn als heer en dienaar.

↑ sed contra

Ad alia autem argumenta patet responsio ex dictis. Nam Augustinus asserit, Filium seipso minorem esse, vel sibi subjectum, secundum humanam naturam: non secundum diversitatem suppositorum.

Uit het gezegde blijkt wat men op de andere bewijzen moet antwoorden. Want Augustinus zegt dat de Zoon naar de menschelijke natuur en niet om een verschil in drager aan Zichzelf onderworpen en minder dan Zichzelf is.Uit het gezegde blijkt wat men op de andere bewijzen moet antwoorden. Want Augustinus zegt dat de Zoon naar de menselijke natuur en niet om een verschil in drager aan Zichzelf onderworpen en minder dan Zichzelf is.