De modo unionis Verbi incarnati1, in duodecim articulos divisa
Over de wijze van vereeniging van het Vleeschgeworden Woord, wat de vereeniging zelf betreftOver de wijze van vereniging van het Vleesgeworden Woord, wat de vereniging zelf betreft
40Deinde considerandum est de modo unionis Verbi incarnati: et primo quantum ad ipsam unionem: secundo quantum ad personam assumentem: tertio quantum ad naturam assumptam.
40Vervolgens moeten wij spreken over de wijze, waarop het Menschgeworden Woord vereenigd is. En wel ten eerste over de vereeniging zelf; ten tweede over den persoon, die de menschelijke natuur aanneemt; ten derde over de aangenomen natuur zelf.40Vervolgens moeten wij spreken over de wijze, waarop het Mensgeworden Woord verenigd is. En wel ten eerste over de vereniging zelf; ten tweede over de persoon, die de menselijke natuur aanneemt; ten derde over de aangenomen natuur zelf.
Circa primum quaeruntur duodecim: 1. Utrum unio Verbi incarnati sit facta in natura. — 2. Utrum sit facta in persona. — 3. Utrum sit facta in supposito, vel hypostasi. — 4. Utrum persona, vel hypostasis Christi post incarnationem sit composita. — 5. Utrum sit facta aliqua unio 41animae et corporis in Christo. — 6. Utrum natura humana fuerit unita verbo accidentaliter. — 7. Utrum ipsa unio sit aliquid creatum. — 8. Utrum sit idem quod assumptio. — 9. Utrum sit maxima unionum. — 10. Utrum unio duarum naturarum in Christo fuerit facta per gratiam. — 11. Utrum eam aliqua merita praecesserint. — 12. Utrum gratia unionis2 fuerit homini Christo naturalis.
Over de vereeniging stellen wij ons twaalf vragen: 1. Geschiedde de vereeniging van het Menschgeworden Woord in natuur? 2. Geschiedde zij in persoon? 3. Geschiedde zij in drager of hypostase? 4. Was de persoon of hypostase van Christus na de menschwording samengesteld? 5. Bestaat er in Christus vereeniging van ziel en lichaam? 416. Was de menschelijke natuur met het Woord op bijkomstige wijze vereenigd? 7. Is de vereeniging zelf iets geschapens? 8. Zijn vereeniging en aanneming een en hetzelfde? 9. Is die vereeniging de innigst mogelijke? 10. Is de vereeniging der twee naturen in Christus door de genade bewerkt? 11. Gingen aan die vereeniging verdiensten vooraf? 12. Was de genade der vereeniging voor den Mensch Christus natuurlijk?Over de vereniging stellen wij ons twaalf vragen: 1. Geschiedde de vereniging van het Mensgeworden Woord in natuur? 2. Geschiedde zij in persoon? 3. Geschiedde zij in drager of hypostase? 4. Was de persoon of hypostase van Christus na de menswording samengesteld? 5. Bestaat er in Christus vereniging van ziel en lichaam? 416. Was de menselijke natuur met het Woord op bijkomstige wijze verenigd? 7. Is de vereniging zelf iets geschapens? 8. Zijn vereniging en aanneming een en hetzelfde? 9. Is die vereniging de innigst mogelijke? 10. Is de vereniging van de twee naturen in Christus door de genade bewerkt? 11. Gingen aan die vereniging verdiensten vooraf? 12. Was de genade van de vereniging voor de Mens Christus natuurlijk?
Utrum unio verbi incarnati sit facta in natura1
Geschiedde de vereeniging met het menschgeworden Woord.. in natuur?Geschiedde de vereniging met het mensgeworden Woord.. in natuur?
41Ad primum sic proceditur. Videtur, quod unio verbi incarnati sit facta in natura: dicit enim Cyrillus, et inducitur in gestis Concilii Chalcedonensis: [part. 2. act. 1.]: « Non oportet intelligere duas naturas, sed unam 42naturam Dei verbi incarnatam »: quod quidem, non esset, nisi unio fieret in natura2; ergo unio verbi incarnati facta est in natura.
41Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat de vereeniging met het menschgeworden Woord geschiedde in natuur. Cyrillus immers zegt, — en zijn woorden zijn opgenomen in de acten van het Concilie van Chalcedonië: « Men moet niet denken, dat er twee naturen 42zijn, maar wel, dat de ééne natuur van het Woord is mensch geworden », wat niet waar zou zijn, als de vereeniging niet in natuur geschiedde. Dus geschiedde de vereeniging van het menschgeworden Woord in natuur.41Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat de vereniging met het mensgeworden Woord geschiedde in natuur. Cyrillus immers zegt, — en zijn woorden zijn opgenomen in de akten van het Concilie van Chalcedonië: “Men moet niet denken, dat er twee naturen 42zijn, maar wel, dat de éne natuur van het Woord is mens geworden”, wat niet waar zou zijn, als de vereniging niet in natuur geschiedde. Dus geschiedde de vereniging van het mensgeworden Woord in natuur.
2. Praeterea, Athanasius dicit [in Symb. Fid.]: « Sicut anima rationalis, et caro unus est homo: ita Deus, et homo unus est Christus »3: sed anima rationalis, et caro conveniunt in constitutione unius naturae humanae4; sic ergo Deus, et homo conveniunt in constitutione alicujus unius naturae; ergo unio facta est in natura.
2. Athanasius zegt: « Zooals de redelijke ziel en het vleesch een menschelijke natuur vormen, zoo ook vormen God en mensch een natuur ». Dus geschiedde de vereeniging in natuur.2. Athanasius zegt: “Zoals de redelijke ziel en het vlees een menselijke natuur vormen, zo ook vormen God en mens een natuur”. Dus geschiedde de vereniging in natuur.
3. Praeterea, Duarum naturarum una non denominatur ex altera, nisi aliquo modo invicem transmutentur: sed divina natura, et humana in Christo ab invicem nominantur5: dicit enim Cyrillus [Epist. 2.], divinam naturam esse « incarnatam », et Gregorius Nazianzenus dicit [Orat. 42.], humanam naturam esse « deificatam », ut patet per Damascenum [lib. 3. Orth. Fid. cap. 6. 11. et 17]; ergo ex duabus naturis videtur esse facta una natura.
3. Twee naturen worden niet naar elkaar benoemd, tenzij zij op een of andere manier in elkaar veranderd zijn. Welnu, in Christus worden én de goddelijke én de menschelijke natuur naar elkaar benoemd; Cyrillus zegt immers l. c., dat « de goddelijke natuur menschgeworden is », en Gregorius van Nazianze beweert, dat « de menschelijke natuur vergoddelijkt werd », zooals blijkt uit Damascenus. Zoo schijnt, dat uit twee naturen één natuur ontstaan is.3. Twee naturen worden niet naar elkaar benoemd, tenzij zij op een of andere manier in elkaar veranderd zijn. Welnu, in Christus worden én de goddelijke én de menselijke natuur naar elkaar benoemd; Cyrillus zegt immers l. c., dat “de goddelijke natuur mensgeworden is”, en Gregorius van Nazianze beweert, dat “de menselijke natuur vergoddelijkt werd”, zoals blijkt uit Damascenus. Zo schijnt, dat uit twee naturen één natuur ontstaan is.
Sed contra est, quod dicitur in determinatione Concilii 43Chalcedonensis [sup. cit. Act. 5.]: « Confitemur in novissimis diebus Filium Dei unigenitum in duabus naturis inconfuse, immutabiliter, indivise, inseparabiliter agnoscendum, numquam sublata differentia naturarum propter unionem »; ergo unio non est facta in natura.
Daartegenover staat echter, wat gezegd wordt in een bepaling 43van het Concilie van Chalcedonië: « Wij belijden, dat wij aan den eeniggeboren Zoon Gods, in de laatste tijden (voor ons geboren), onvermengd, onveranderlijk, onverdeeld, onscheidbaar twee naturen moeten toekennen, zonder ooit om die vereeniging de verscheidenheid der naturen te loochenen ». Dus is de vereeniging niet geschied in natuur.Daartegenover staat echter, wat gezegd wordt in een bepaling 43van het Concilie van Chalcedonië: “Wij belijden, dat wij aan de eniggeboren Zoon Gods, in de laatste tijden (voor ons geboren), onvermengd, onveranderlijk, onverdeeld, onscheidbaar twee naturen moeten toekennen, zonder ooit om die vereniging de verscheidenheid van de naturen te loochenen”. Dus is de vereniging niet geschied in natuur.
Respondeo dicendum, quod ad hujus quaestionis evidentiam oportet considerare, quid sit natura. Sciendum est ergo6, quod nomen « naturae » a « nascendo » est dictum7; unde primo est impositum hoc nomen ad significandum generationem viventium, quae nativitas, vel pullulatio dicitur, ut dicitur natura, quasi « nascitura »; deinde translatum est nomen naturae ad significandum principium hujus generationis; et quia principium generationis in rebus viventibus est intrinsecum, ulterius derivatum est nomen naturae ad significandum quodlibet principium intrinsecum motus, secundum quod Philosophus dicit in 2. Physic. [cap. I, n. 2] quod « natura est principium motus in eo, in quo est per se, et non 44secundum accidens »: hoc autem principium vel forma est, vel materia: unde quandoque natura dicitur forma, quandoque vero materia: et quia finis generationis naturalis est, in eo quod generatur « essentia speciei, quam significat definitio », inde est quod hujusmodi essentia speciei vocatur etiam natura: et hoc modo Boetius naturam definit in lib. de Duab. Nat. dicens: « Natura est unamquamque rem informans specifica differentia », quae scilicet complet definitionem speciei; sic ergo nunc loquimur de natura, secundum quod natura significat essentiam, vel quod quid est, sive quidditatem speciei.
Leerstelling. — Om in deze kwestie tot klaarheid te komen, moeten wij nagaan, wat de natuur is. Daartoe dient men te weten, dat de term natuur komt van of ontleend is aan « nascendo », (geboren worden); daarom werd deze term eerst gebruikt om het ontstaan van levende wezens, de geboorte of voortbrenging aan te geven; natuur zou dan moeten komen van « nascitura » en beteekenen: wat geboren zal worden. Daarna werd de term natuur overgebracht op het beginsel van dit ontstaan, en omdat het beginsel van ontstaan bij levende wezens intrinsiek is, werd de term natuur verder gebruikt om elk intrinsiek beginsel van beweging aan te duiden, zooals de Philosoof zegt in het boek Over de Physica: « De natuur is beginsel van beweging in het ding, waarin zij uiteraard en niet toevallig aanwezig is ». Dat beginsel nu is ofwel de 44vorm ofwel de stof, zoodat de natuur nu eens de vorm, dan weer de stof beteekent. — En omdat de eindterm van het natuurlijk ontstaan bestaat in datgene wat voortgebracht wordt, nl. het soortelijke wezen, dat door de bepaling wordt uitgedrukt, wordt ook dat soortelijke wezen natuur genoemd. Zoo ook omschrijft Boëtius de natuur in zijn boek Over de Twee naturen: « De natuur is het verschil in soort, dat aan ieder ding zijn vorm geeft, nl. datgene, dat de bepaling van de soort volledig maakt ». En zoo spreken wij nu van de natuur, in zoover de natuur het wezen, dat wat het ding is, de soortelijke watheid beteekent.Leerstelling. — Om in deze kwestie tot klaarheid te komen, moeten wij nagaan, wat de natuur is. Daartoe dient men te weten, dat de term natuur komt van of ontleend is aan “nascendo”, (geboren worden); daarom werd deze term eerst gebruikt om het ontstaan van levende wezens, de geboorte of voortbrenging aan te geven; natuur zou dan moeten komen van “nascitura” en betekenen: wat geboren zal worden. Daarna werd de term natuur overgebracht op het beginsel van dit ontstaan, en omdat het beginsel van ontstaan bij levende wezens intrinsiek is, werd de term natuur verder gebruikt om elk intrinsiek beginsel van beweging aan te duiden, zoals de Filosoof zegt in het boek Over de Fysica: “De natuur is beginsel van beweging in het ding, waarin zij uiteraard en niet toevallig aanwezig is”. Dat beginsel nu is ofwel de 44vorm ofwel de stof, zodat de natuur nu eens de vorm, dan weer de stof betekent. — En omdat de eindterm van het natuurlijk ontstaan bestaat in datgene wat voortgebracht wordt, nl. het soortelijke wezen, dat door de bepaling wordt uitgedrukt, wordt ook dat soortelijke wezen natuur genoemd. Zo ook omschrijft Boëtius de natuur in zijn boek Over de Twee naturen: “De natuur is het verschil in soort, dat aan ieder ding zijn vorm geeft, nl. datgene, dat de bepaling van de soort volledig maakt”. En zo spreken wij nu van de natuur, in zover de natuur het wezen, dat wat het ding is, de soortelijke watheid betekent.
Hoc autem modo accipiendo naturam, impossibile est, unionem verbi incarnati esse factam in natura. Tripliciter enim aliquid unum ex duobus, vel pluribus constituitur. Uno modo ex duobus integris perfectis remanentibus: quod quidem fieri non potest, nisi in iis, quorum forma est compositio, vel ordo, vel figura: sicut ex multis lapidibus absque aliquo ordine adunatis, per solam compositionem fit acervus: ex aliquam figuram redactis fit domus: et secundum hoc posuerunt aliqui, unionem esse per modum 45confusionis quae scilicet est sine ordine, vel per modum8 commensurationis, quae scilicet9 est cum ordine. Sed hoc non potest esse: primo quidem, quia compositio, vel10 ordo, vel figura non est forma substantialis, sed accidentalis; et sic sequeretur, quod unio incarnationis non esset per se, sed per accidens; quod infra improbabitur [art. 6. huj. q.]. Secundo, quia ex hujusmodi non fit unum simpliciter, sed secundum quid: remanent enim plura actu. Tertio, quia forma talium non est natura, sed magis ars; sicut forma domus; et sic non constitueretur una natura in Christo, ut ipsi volunt.
Nemen wij natuur in deze beteekenis, dan is het onmogelijk, dat de Vereeniging van het menschgeworden Woord in natuur zou zijn geschied. Want op drie manieren kan uit twee of meer dingen iets eens worden gemaakt: ten eerste uit twee volmaakte dingen, die gaaf blijven; dit is onmogelijk behalve bij die dingen, wier vorm bestaat in een samengeplaatst zijn, een orde of figuur; zooals vele steenen, al zijn zij ook niet gerangschikt, alleen door bijeengeplaatst te worden een steenhoop vormen. Door plaatsing van steenen en hout volgens een bepaalde figuur ontstaat een huis. En zoo geschiedde, naar sommigen houden, de vereeniging van het 45Woord, door een vermenging, dwz., zonder orde, of door een rangschikking, die orde geeft. Maar dit is onmogelijk. — Ten eerste, omdat noch rangschikking, noch ordening, noch figuur zelfstandigheidsvormen zijn, maar van bijkomstigheden; hieruit zou volgen, dat die vereeniging bij de menschwording niet uiteraard, maar op slechts bijkomstige wijze zou geschieden, wat verderop weerlegd wordt. — Ten tweede zou wat hieruit ontstond, niet één zijn zonder meer, maar alleen onder zeker opzicht, want er zouden metterdaad verscheidene dingen blijven bestaan. — Ten derde, omdat de vorm van dergelijke dingen geen natuur, maar iets kunstmatigs is als de vorm van een huis; en zoo zou er in Christus niet één natuur zijn gevormd, zooals zij het willen.Nemen wij natuur in deze betekenis, dan is het onmogelijk, dat de Vereniging van het mensgeworden Woord in natuur zou zijn geschied. Want op drie manieren kan uit twee of meer dingen iets eens worden gemaakt: ten eerste uit twee volmaakte dingen, die gaaf blijven; dit is onmogelijk behalve bij die dingen, wier vorm bestaat in een samengeplaatst zijn, een orde of figuur; zoals vele stenen, al zijn zij ook niet gerangschikt, alleen door bijeengeplaatst te worden een steenhoop vormen. Door plaatsing van stenen en hout volgens een bepaalde figuur ontstaat een huis. En zo geschiedde, naar sommigen houden, de vereniging van het 45Woord, door een vermenging, dwz., zonder orde, of door een rangschikking, die orde geeft. Maar dit is onmogelijk. — Ten eerste, omdat noch rangschikking, noch ordening, noch figuur zelfstandigheidsvormen zijn, maar van bijkomstigheden; hieruit zou volgen, dat die vereniging bij de menswording niet uiteraard, maar op slechts bijkomstige wijze zou geschieden, wat verderop weerlegd wordt. — Ten tweede zou wat hieruit ontstond, niet één zijn zonder meer, maar alleen onder zeker opzicht, want er zouden metterdaad verscheidene dingen blijven bestaan. — Ten derde, omdat de vorm van dergelijke dingen geen natuur, maar iets kunstmatigs is als de vorm van een huis; en zo zou er in Christus niet één natuur zijn gevormd, zoals zij het willen.
Alio modo fit aliquid unum ex11 perfectis, sed transmutatis: sicut ex elementis fit mixtum; et sic aliqui dixerunt, unionem incarnationis esse factam per modum complexionis. Sed hoc non potest esse. Primo quidem quia natura divina est omnino immutabilis, ut in 1. parte dictum est [q. 9. art. 1. et 2.]; unde nec 46ipsa potest converti in aliud, cum sit incorruptibilis; nec aliud in ipsam, cum ipsa sit ingenerabilis. Secundo, quia id quod est commixtum, nulli miscibilium est idem specie: differt enim caro ad qualibet elementorum specie. Et sic Christus non12 esset ejusdem naturae cum patre, nec cum matre. Tertio, quia ex his, quae plurimum distant, non potest fieri commixtio: solvitur enim species unius eorum: puta si quis guttam aquae amphorae vini apponat; et secundum hoc, cum natura divina in infinitum excedat humanam naturam, non potest esse mixtio; sed remanebit sola natura divina.
Iets eens ontstaat op een andere manier uit twee volkomen dingen, die echter veranderd worden, zooals een mengsel ontstaat uit zijn bestanddeelen; en zoo geschiedde naar de meening van sommigen de vereeniging bij de menschwording als een soort menging. Maar dit is niet mogelijk. Vooreerst is de goddelijke natuur volstrekt onveranderlijk, zooals in het eerste deel is bewezen, zoodat noch zijzelf in iets anders kon veranderd worden, omdat zij 46onvergankelijk is, noch iets anders in haar, omdat zij niet kan worden voortgebracht. Ten tweede is het mengsel aan geen van zijn bestanddeelen in soort gelijk: het vleesch immers verschilt in soort van elk van zijn elementen. En zoo zou Christus noch dezelfde natuur hebben als zijn Vader, noch als zijn Moeder. — Ten derde is het onmogelijk dingen te vermengen, die te ver van elkaar afstaan, want de soort van een hunner zou verdwijnen als een druppel water in een kruik wijn. Daar nu de goddelijke natuur de menschelijke oneindig ver overtreft, kan er geen sprake zijn van een menging, maar zou alleen de goddelijke natuur overblijven.Iets eens ontstaat op een andere manier uit twee volkomen dingen, die echter veranderd worden, zoals een mengsel ontstaat uit zijn bestanddelen; en zo geschiedde naar de mening van sommigen de vereniging bij de menswording als een soort menging. Maar dit is niet mogelijk. Vooreerst is de goddelijke natuur volstrekt onveranderlijk, zoals in het eerste deel is bewezen, zodat noch zijzelf in iets anders kon veranderd worden, omdat zij 46onvergankelijk is, noch iets anders in haar, omdat zij niet kan worden voortgebracht. Ten tweede is het mengsel aan geen van zijn bestanddelen in soort gelijk: het vlees immers verschilt in soort van elk van zijn elementen. En zo zou Christus noch dezelfde natuur hebben als zijn Vader, noch als zijn Moeder. — Ten derde is het onmogelijk dingen te vermengen, die te ver van elkaar afstaan, want de soort van een van hun zou verdwijnen als een druppel water in een kruik wijn. Daar nu de goddelijke natuur de menselijke oneindig ver overtreft, kan er geen sprake zijn van een menging, maar zou alleen de goddelijke natuur overblijven.
Tertio modo fit aliquid ex aliquibus non permixtis, vel permutatis13, sed imperfectis; sicut ex anima et corpore fit homo; et similiter ex diversis membris unum corpus constituitur14. Sed hoc dici non potesst de incarnationis mysterio. Primo quidem, quia utraque natura est secundum rationem suam perfecta, divina scilicet et humana. Secundo, quia natura divina, et humana non possunt constituere 47aliquid per modum partium quantitativarum, sicut membra constituunt corpus; quia natura divina est incorporea. Neque per modum formae, et materiae; quia divina natura non potest esse forma alicujus, praesertim corporei. Sequeretur enim15, quod species resultans esset communicabilis pluribus; et ita essent plures Christi. Tertio, quia Christus non16 esset humanae naturae, neque divinae naturae17, differentia enim addita variat speciem sicut unitas numerum18, sicut dicitur in 8. Metaph. [Lect. III.].
Ten derde ontstaat er iets eens uit bestanddeelen, die niet veranderen, of gemengd worden, maar dan ook onvolmaakt zijn, zooals uit ziel en lichaam een mensch ontstaat, en een lichaam evenzoo wordt samengesteld uit verschillende ledematen. Maar zoo kan men niet spreken over het geheim van de Menschwording. Vooreerst omdat beide naturen in hun eigen aard volmaakt zijn, zoowel de goddelijke als de menschelijke. Ten tweede kunnen de goddelijke en de menschelijke natuur niet als deelen van een stoffelijke grootheid een geheel vormen, zooals de ledematen het lichaam, 47want de goddelijke natuur is niet stoffelijk; ook niet als stof en vorm, omdat de goddelijke natuur van niets de vorm kan zijn, vooral niet van iets lichamelijks; daaruit immers zou volgen, dat de zoo gevormde soort aan meerderen gegeven kon worden, en zoo zouden er meerdere Christussen zijn. — Ten derde zou Christus noch een goddelijke, noch een menschelijke natuur bezitten, omdat de toevoeging van een verschil in het wezen de soort verandert, als de toegevoegde eenheid het getal.Ten derde ontstaat er iets eens uit bestanddelen, die niet veranderen, of gemengd worden, maar dan ook onvolmaakt zijn, zoals uit ziel en lichaam een mens ontstaat, en een lichaam evenzo wordt samengesteld uit verschillende ledematen. Maar zo kan men niet spreken over het geheim van de Menswording. Vooreerst omdat beide naturen in hun eigen aard volmaakt zijn, zowel de goddelijke als de menselijke. Ten tweede kunnen de goddelijke en de menselijke natuur niet als delen van een stoffelijke grootheid een geheel vormen, zoals de ledematen het lichaam, 47want de goddelijke natuur is niet stoffelijk; ook niet als stof en vorm, omdat de goddelijke natuur van niets de vorm kan zijn, vooral niet van iets lichamelijks; daaruit immers zou volgen, dat de zo gevormde soort aan meerderen gegeven kon worden, en zo zouden er meerdere Christussen zijn. — Ten derde zou Christus noch een goddelijke, noch een menselijke natuur bezitten, omdat de toevoeging van een verschil in het wezen de soort verandert, als de toegevoegde eenheid het getal.
Ad primum ergo dicendum, quod auctoritas19 Cyrilli exponitur in 5. Syn. [Constan. 2. collat. 8. can. 8.] sic: « Si quis unam naturam Verbi Dei incarnatam dicens, non sic accipiat sicut Patres docuerunt, quia ex divina natura et humana unione secundum subsistentiam facta, sed ex talibus vocibus naturam unam, sive substantiam divinitatis, et carnis Christi introducere conetur, talis anathema sit ». Non ergo sensus est, 48quod in incarnatione ex duabus naturis sit una natura constituta: sed quod natura20 Verbi Dei carnem univit sibi21 in persona.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De aangehaalde tekst van Cyrillus werd op het Vijfde Concilie als volgt uitgelegd: « Als iemand spreekt over de eene menschgeworden natuur van het Woord Gods, en dat niet bedoelt zooals de Vaders het leerden, dat nl. uit de goddelijke en menschelijke natuur één Christus is gemaakt door een vereeniging in het zelfstandig bestaan, maar uit dergelijke zegswijzen zou trachten af te leiden, dat er in Christus een natuur of een zelfstandigheid uit Godheid en vleesch is, die zij gebannen ». De beteekenis is dus niet, dat bij de 48menschwording uit twee naturen een natuur is gevormd, maar dat de natuur van Gods Woord het vleesch met zich vereenigde in zijn persoon.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De aangehaalde tekst van Cyrillus werd op het Vijfde Concilie als volgt uitgelegd: “Als iemand spreekt over de ene mensgeworden natuur van het Woord Gods, en dat niet bedoelt zoals de Vaders het leerden, dat nl. uit de goddelijke en menselijke natuur één Christus is gemaakt door een vereniging in het zelfstandig bestaan, maar uit dergelijke zegswijzen zou trachten af te leiden, dat er in Christus een natuur of een zelfstandigheid uit Godheid en vlees is, die zij gebannen”. De betekenis is dus niet, dat bij de 48menswording uit twee naturen een natuur is gevormd, maar dat de natuur van Gods Woord het vlees met zich verenigde in zijn persoon.
Ad secundum dicendum, quod ex anima et corpore, constituitur in unoquoque nostrum duplex unitas, naturae, et personae. Naturae quidem, secundum quod anima unitur corpori, formaliter perficiens ipsum, ut ex duobus22 fiat una natura; sicut ex actu, et potentia, vel materia, et forma. Et quantum ad hoc non attenditur similitudo: quia natura divina non potest esse corporis forma, ut in 1. probatum est [q. 3. art. 8.]. Unitas vero personae constituitur ex eis, inquantum est unus aliquis subsistens in carne et anima. Et quantum ad hoc attenditur similitudo: unus enim Christus subsistit in divina natura et humana.
2. Bij ieder van ons ontstaat uit ziel en lichaam een dubbele eenheid, van natuur en van persoon. En wel van natuur in zoover de ziel met het lichaam vereenigd dit zijn formeele volmaaktheid geeft, zoodat uit die twee een natuur ontstaat, als uit akt en aanleg, of stof en vorm. En hierin vindt men geen gelijkheid, omdat de goddelijke natuur niet de vorm van een lichaam kan zijn, zooals in het eerste deel is bewezen. Uit hen ontstaat echter de eenheid in persoon, in zoover het een eenling is, die in ziel en lichaam bestaat; en hier gaat de gelijkheid op, want een en dezelfde Christus bestaat zelfstandig in de goddelijke en menschelijke natuur.2. Bij ieder van ons ontstaat uit ziel en lichaam een dubbele eenheid, van natuur en van persoon. En wel van natuur in zover de ziel met het lichaam verenigd dit zijn formele volmaaktheid geeft, zodat uit die twee een natuur ontstaat, als uit act en aanleg, of stof en vorm. En hierin vindt men geen gelijkheid, omdat de goddelijke natuur niet de vorm van een lichaam kan zijn, zoals in het eerste deel is bewezen. Uit hen ontstaat echter de eenheid in persoon, in zover het een eenling is, die in ziel en lichaam bestaat; en hier gaat de gelijkheid op, want een en dezelfde Christus bestaat zelfstandig in de goddelijke en menselijke natuur.
Ad tertium dicendum, quod, sicut Damascenus dicit [loc. cit. cap. 17], natura divina dicitur incarnata, quia est unita carni personaliter, non quod sit in naturam carnis conversa. Similiter et23 caro dicitur deificata, ut ipse dicit [ibid.], non per conversionem, sed per unionem ad 49verbum, salvis suis proprietatibus naturalibus24, ut intelligatur caro deificata, quia facta est Dei Verbi caro, non quia facta sit Deus.
3. Zooals Damascenus zegt, noemen wij de goddelijke natuur menschgeworden, omdat zij in persoon vereenigd is met het vleesch, niet omdat zij in de menschelijke natuur is veranderd. Zoo ook noemen wij, zooals hij zegt, het vleesch vergoddelijkt, niet door verandering in, maar door vereeniging met het Woord, met behoud van zijn natuurlijke eigenschappen, zoodat de vergoddelijking van 49het vleesch moet worden opgevat, als een worden tot het vleesch van het Woord Gods, niet alsof het zelf God was geworden.3. Zoals Damascenus zegt, noemen wij de goddelijke natuur mensgeworden, omdat zij in persoon verenigd is met het vlees, niet omdat zij in de menselijke natuur is veranderd. Zo ook noemen wij, zoals hij zegt, het vlees vergoddelijkt, niet door verandering in, maar door vereniging met het Woord, met behoud van zijn natuurlijke eigenschappen, zodat de vergoddelijking van 49het vlees moet worden opgevat, als een worden tot het vlees van het Woord Gods, niet alsof het zelf God was geworden.
Utrum unio verbi incarnati sit facta in persona
Geschiedde de Vereeniging van het Menschgeworden Woord in Persoon.Geschiedde de Vereniging van het Mensgeworden Woord in Persoon.
49Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod unio Verbi incarnati non sit facta in persona. Persona enim Dei non est aliud a natura ipsius, ut habitum est in 1. [q. 39. art. 1.]; si ergo unio non est facta1 in natura, sequitur quod non sit facta in persona.
49Bedenkingen. — Men beweert, dat de vereeniging van het menschgeworden Woord niet geschiedde in persoon. — 1. Want Gods persoon is niet onderscheiden van zijn natuur, zooals uit het eerste deel blijkt (39e Kw., 1e Art.). Als dus de vereeniging niet geschied is in natuur, volgt daaruit, dat zij niet in persoon is geschied.49Bedenkingen. — Men beweert, dat de vereniging van het mensgeworden Woord niet geschiedde in persoon. — 1. Want Gods persoon is niet onderscheiden van zijn natuur, zoals uit het eerste deel blijkt (39e Kw., 1e Art.). Als dus de vereniging niet geschied is in natuur, volgt daaruit, dat zij niet in persoon is geschied.
2. Praeterea, natura humana non est minoris dignitatis in Christo, quam in nobis. Personalitas autem ad dignitatem pertinet, ut in 1. habitum est [q. 29. art. 3. ad 2.]; cum ergo natura humana in nobis propriam personalitatem habeat, multo magis habuit propriam personalitatem in Christo.
2. De menschelijke natuur van Christus staat niet lager in waarde dan de onze. Maar het persoon zijn behoort juist tot de waardigheid, zooals in het eerste deel behandeld is (29e Kw., 3e Art., Antw. op de 2e B.). Omdat dus de menschelijke natuur in ons een eigen persoon-zijn heeft, had zij in Christus veel meer nog een eigen persoon-zijn.2. De menselijke natuur van Christus staat niet lager in waarde dan de onze. Maar het persoon zijn behoort juist tot de waardigheid, zoals in het eerste deel behandeld is (29e Kw., 3e Art., Antw. op de 2e B.). Omdat dus de menselijke natuur in ons een eigen persoon-zijn heeft, had zij in Christus veel meer nog een eigen persoon-zijn.
503. Praeterea, sicut Boetius dicit in lib. de Duab. Nat. [cap. 3 et 4], « persona est rationalis naturae individua substantia »; sed Verbum Dei assumpsit naturam humanam individuam: « natura enim universalis non subsistit secundum se, sed in nuda contemplatione consideratur », ut Damascenus dicit [lib. 3. Orth. Fid. cap. 11.]; ergo humana natura habet suam personalitatem in Christo2. Non ergo videtur, quod sit facta unio in persona.
503. In het boek Over de Twee naturen zegt Boëtius, dat de persoon is: « de zelfstandigheid van een redelijke natuur, die als een eenling bestaat ». Nu nam Gods Woord een menschelijke natuur aan, die een eenling was, omdat de algemeene natuur niet in werkelijkheid, maar alleen in de zuivere verstandbeschouwing bestaat, zooals Damascenus zegt (in het boek Over het Ware Geloof). De menschelijke natuur heeft dus (in Christus) haar persoon-zijn. En dus schijnt het niet, dat de vereeniging van het Woord in persoon geschiedde.503. In het boek Over de Twee naturen zegt Boëtius, dat de persoon is: “de zelfstandigheid van een redelijke natuur, die als een eenling bestaat”. Nu nam Gods Woord een menselijke natuur aan, die een eenling was, omdat de algemene natuur niet in werkelijkheid, maar alleen in de zuivere verstandbeschouwing bestaat, zoals Damascenus zegt (in het boek Over het Ware Geloof). De menselijke natuur heeft dus (in Christus) haar persoon-zijn. En dus schijnt het niet, dat de vereniging van het Woord in persoon geschiedde.
Sed contra est, quod in Chalced. Syn. legitur [Pars 2. Act. 5.]: « Non in duas personas partitum, aut divisum, sed unum et eumdem Filium unigenitum, Deum Verbum Dominum nostrum Jesum Christum confitemus »; ergo facta est unio Verbi in persona.
Daartegenover echter staat in het Concilie van Chalcedonië: « Wij belijden dat de eeniggeboren Zoon, onze Heer Jesus Christus, niet verdeeld of gescheiden in twee personen, maar een en dezelfde is ». Dus geschiedde de vereeniging van het Woord in persoon.Daartegenover echter staat in het Concilie van Chalcedonië: “Wij belijden dat de eniggeboren Zoon, onze Heer Jesus Christus, niet verdeeld of gescheiden in twee personen, maar een en dezelfde is”. Dus geschiedde de vereniging van het Woord in persoon.
Respondeo dicendum, quod persona aliud significat, quam natura. Natura enim, ut dictum est3, significat « essentiam speciei, quam significat definitio ». Et si quidem his, quae ad rationem speciei pertinent, 51nihil aliud adjunctum inveniri posset, nulla necessitas esset distinguendi naturam a supposito naturae, quod est individuum subsistens in natura illa: quia unumquodoque individuum subsistens in natura aliqua esset omnino idem cum sua natura. Contingit autem in quibusdam rebus subsistentibus inveniri aliquid, quod non pertinet ad rationem speciei, scilicet accidentia, et principia individuantia; sicut maxime apparet in his, quae sunt ex materia, et forma composita. Et ideo in talibus etiam secundum rem differt natura, et suppositum; non quasi omnino aliqua separata; sed quia in supposito includitur ipsa natura speciei et superadduntur quaedam alia, quae sunt praeter rationem speciei. Unde suppositum significatur ut totum habens naturam sicut partem formalem, et perfectivam sui. Et propter hoc in compositis ex materia et forma natura non praedicatur de supposito: non enim dicimus, quod hic homo sit sua humanitas. Si qua vero res est, in qua omnino nihil aliud est praeter rationem speciei vel naturae suae, sicut est in Deo, ibi non est aliud secundum rem suppositum, et natura, sed solum secundum rationem intelligendi: quia natura dicitur, secundum quod est subsistens. Et quod est dictum de « supposito », intelligendum est de 52« persona » in creatura rationali, vel intellectuali: quia nihil aliud est persona, quam « rationalis naturae individua substantia », secundum Boetium [loc. cit. in arg. 3.].
Leerstelling. — Persoon beteekent iets anders dan natuur. Want zooals gezegd is, beteekent natuur het wezen van de soort die door de bepaling wordt uitgedrukt. En als er niets werd gevonden, dat toegevoegd is aan datgene, wat tot de inhoud van de soort 51behoort, dan zou het heelemaal niet noodig zijn, de natuur van haar drager, die een zelfstandig bestaand eenling is, te onderscheiden, omdat ieder eenling, die in een natuur zelfstandig bestaat, precies hetzelfde zou zijn als die natuur. Maar het komt voor, dat men in sommige zelfstandig bestaande dingen iets vindt, dat niet tot de bestanddeelen van de soort zelf behoort, nl. de bijkomstigheden en de beginselen, die het tot een eenling maken, zooals vooral blijkt bij de dingen, die uit stof en vorm zijn samengesteld. En daarom zijn bij die dingen natuur en drager ook werkelijk onderscheiden, niet als twee geheel en al los van elkaar staande dingen, maar omdat in den drager niet alleen de soortelijke natuur vervat is, maar hieraan ook nog andere dingen worden toegevoegd, die niet tot de soort behooren. De drager beteekent daarom het geheel, dat als formeel en vervolmakend deel de natuur bevat, en daarom kan in de uit stof en vorm samengestelde dingen de natuur niet van den drager worden gezegd; wij zeggen immers niet, dat deze mensch zijn menschelijkheid is. Is echter in een ding hoegenaamd niets buiten de soort of de natuur, zooals bij God, dan zijn daar ook drager en natuur niet in werkelijkheid, maar alleen naar het begrip onderscheiden, omdat een ding natuur wordt genoemd, in zoover het een 52wezenheid is, terwijl het drager heet, in zoover het zelfstandig bestaat. Wat voor den drager geldt, gaat ook op voor den persoon bij een redelijke of verstandelijke natuur, daar de persoon niets anders is dan « de zelfstandigheid van een redelijke natuur, die als een eenling bestaat », zooals Boëtius zegt.Leerstelling. — Persoon betekent iets anders dan natuur. Want zoals gezegd is, betekent natuur het wezen van de soort die door de bepaling wordt uitgedrukt. En als er niets werd gevonden, dat toegevoegd is aan datgene, wat tot de inhoud van de soort 51behoort, dan zou het helemaal niet nodig zijn, de natuur van haar drager, die een zelfstandig bestaand eenling is, te onderscheiden, omdat ieder eenling, die in een natuur zelfstandig bestaat, precies hetzelfde zou zijn als die natuur. Maar het komt voor, dat men in sommige zelfstandig bestaande dingen iets vindt, dat niet tot de bestanddelen van de soort zelf behoort, nl. de bijkomstigheden en de beginselen, die het tot een eenling maken, zoals vooral blijkt bij de dingen, die uit stof en vorm zijn samengesteld. En daarom zijn bij die dingen natuur en drager ook werkelijk onderscheiden, niet als twee geheel en al los van elkaar staande dingen, maar omdat in de drager niet alleen de soortelijke natuur vervat is, maar hieraan ook nog andere dingen worden toegevoegd, die niet tot de soort behoren. De drager betekent daarom het geheel, dat als formeel en vervolmakend deel de natuur bevat, en daarom kan in de uit stof en vorm samengestelde dingen de natuur niet van de drager worden gezegd; wij zeggen immers niet, dat deze mens zijn menselijkheid is. Is echter in een ding hoegenaamd niets buiten de soort of de natuur, zoals bij God, dan zijn daar ook drager en natuur niet in werkelijkheid, maar alleen naar het begrip onderscheiden, omdat een ding natuur wordt genoemd, in zover het een 52wezenheid is, terwijl het drager heet, in zover het zelfstandig bestaat. Wat voor de drager geldt, gaat ook op voor de persoon bij een redelijke of verstandelijke natuur, daar de persoon niets anders is dan “de zelfstandigheid van een redelijke natuur, die als een eenling bestaat”, zoals Boëtius zegt.
Omne igitur, quod in est alicui personae, sive pertineat ad naturam ejus, sive non, unitur ei in persona. Si ergo humana Verbo Dei non unitur in persona, nullo modo ei unitur. Et sic totaliter tollitur incarnationis fides: quod est subruere totam fidem christianam. Quia ergo4 Verbum habet naturam humanam sibi unitam, non autem ad suam naturam divinam pertinentem, consequens est, quod unio sit facta in Verbi persona, non in natura.
Alles wat dus in een persoon is, of het tot zijn natuur behoort of niet, is vereenigd in persoon. Indien dus de menschelijke natuur niet in persoon met het Woord Gods is vereenigd, is zij er hoegenaamd niet mee vereenigd; en zoo verdwijnt het geloof in de Menschwording geheel en al, en daardoor wordt heel het christelijk geloof vernietigd. Omdat dus het Woord een met zich vereenigde menschelijke natuur heeft, en deze natuur niet tot de goddelijke natuur behoort, is de gevolgtrekking, dat de vereeniging geschiedde in den persoon van het Woord, niet echter in natuur.Alles wat dus in een persoon is, of het tot zijn natuur behoort of niet, is verenigd in persoon. Indien dus de menselijke natuur niet in persoon met het Woord Gods is verenigd, is zij er hoegenaamd niet mee verenigd; en zo verdwijnt het geloof in de Menswording geheel en al, en daardoor wordt heel het christelijk geloof vernietigd. Omdat dus het Woord een met zich verenigde menselijke natuur heeft, en deze natuur niet tot de goddelijke natuur behoort, is de gevolgtrekking, dat de vereniging geschiedde in de persoon van het Woord, niet echter in natuur.
Ad primum ergo dicendum, quod licet in Deo non sit aliud secundum rem natura, et persona; differt tamen secundum modum significandi, sicut dictum est [in corp. art.], quia persona significat per modum subsistentis. Et quia natura humana sic unitur Verbo, ut Verbum in ea subsistat, non autem ut aliquid addatur ei ad rationem suae naturae, vel ut ejus natura 53in aliud5 transmutetur; ideo unio humanae naturae ad Verbum Dei facta est in persona, non in natura6.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Al zijn natuur en persoon in God niet werkelijk onderscheiden, toch verschillen zij in beteekenis, zooals gezegd is, omdat het woord persoon het zelfstandig bestaan uitdrukt. En daar de menschelijke natuur zoo met het Woord vereenigd is, dat het Woord in haar zelfstandig bestaat, maar niet zoo, dat er iets toegevoegd zou zijn aan den inhoud van 53haar natuur, of haar natuur in iets anders veranderd zou zijn, geschiedde de vereeniging in persoon en niet in natuur.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Al zijn natuur en persoon in God niet werkelijk onderscheiden, toch verschillen zij in betekenis, zoals gezegd is, omdat het woord persoon het zelfstandig bestaan uitdrukt. En daar de menselijke natuur zo met het Woord verenigd is, dat het Woord in haar zelfstandig bestaat, maar niet zo, dat er iets toegevoegd zou zijn aan de inhoud van 53haar natuur, of haar natuur in iets anders veranderd zou zijn, geschiedde de vereniging in persoon en niet in natuur.
Ad secundum dicendum, quod personalitas7 intantum pertinet ad dignitatem alicujus rei, et perfectionem, inquantum ad dignitatem alicujus rei8, et perfectionem ejus pertinet, quod per se existat; quod in nomine personae intelligitur. Dignius autem est alicui, quod existat in aliquo se digniori, quam quod existat per se. Et ideo ex hoc ipso humana natura dignior est in Christo, quam in nobis, quod9 in nobis quasi per se existens propriam personalitatem habet, in Christo autem existit in persona Verbi. Sicut etiam esse completivum speciei pertinet ad dignitatem formae: tamen sensitivum nobilius est in homine propter conjunctionem ad nobiliorem formam completivam, quam sit in bruto animali, in quo est forma completiva.
2. Het persoon-zijn behoort noodzakelijk tot de waardigheid en volmaaktheid van een ding, in zoover die waardigheid en volmaaktheid een zelfstandig bestaan insluiten, wat immers door het woord persoon wordt uitgedrukt. Toch is het voor een ding meer waard te bestaan in een volmaakter wezen dan op zichzelf. En daarom juist is de menschelijke natuur in Christus van hooger waarde dan in ons, want wat bij ons op zichzelf bestaat en zoo een persoon-zijn heeft, bestaat in Christus in den persoon van het Woord; zooals het tot de waardigheid van de vorm behoort de soort te vervolmaken, en toch het zintuigelijke, hoewel het in een dier de vervolmaking is, daar minder edel is dan in den mensch, waar het met een edeler vorm vereenigd is.2. Het persoon-zijn behoort noodzakelijk tot de waardigheid en volmaaktheid van een ding, in zover die waardigheid en volmaaktheid een zelfstandig bestaan insluiten, wat immers door het woord persoon wordt uitgedrukt. Toch is het voor een ding meer waard te bestaan in een volmaakter wezen dan op zichzelf. En daarom juist is de menselijke natuur in Christus van hoger waarde dan in ons, want wat bij ons op zichzelf bestaat en zo een persoon-zijn heeft, bestaat in Christus in de persoon van het Woord; zoals het tot de waardigheid van de vorm behoort de soort te vervolmaken, en toch het zintuigelijke, hoewel het in een dier de vervolmaking is, daar minder edel is dan in de mens, waar het met een edeler vorm verenigd is.
Ad tertium dicendum, quod « Verbum Dei non assumpsit humanam naturam in universali, sed in atomo » idest in individuo, sicut Damascenus dicit [lib. 3. Orth. Fid. cap. 11.], alioquin oportet10, quod cuilibet 54homini conveniret esse Dei Verbum, sicut convenit Christo. Sciendum est tamen, quod non quodlibet individuum in genere substantiae etiam in rationali natura habet rationem personae, sed solum illud, quod per se existit, non autem11 quod existit in alio perfectiori. Unde manus Socratis, quamvis sit quoddam individuum, non tamen est persona; quia non per se existit, sed in quodam perfectiori, scilicet in suo toto. Et hoc etiam potest significari in hoc, quod persona dicitur « substantia individua », non enim manus est substantia12, sed pars substantiae. Licet ergo13 haec14 humana natura sit quoddam individuum in genere substantiae, quia tamen non per se separatim existit, sed in quodam perfectiori, scilicet in persona Dei Verbi, consequens est quod non habeat personalitatem propriam. Et ideo facta est unio in persona.
3. Zooals Damascenus zegt, nam het Woord Gods niet de algemeene menschelijke natuur aan, maar een individueele; anders zou het immers aan ieder mensch toekomen het Woord Gods te zijn, 54zooals aan Christus. Hier moet men zich echter herinneren, dat in de categorie zelfstandigheid niet ieder eenling, ook al gaat het over een redelijke natuur, een persoon vormt, maar alleen de eenling, die op zichzelf bestaat en niet die in een hooger wezen bestaat. Zoo is de hand van Socrates, al is zij in zekeren zin een eenling, toch geen persoon, omdat zij niet op zichzelf bestaat, maar in iets hoogers, nl. in het geheel. Dit juist kan men uitdrukken als men zegt, dat de persoon een zelfstandigheid is, die als een eenling bestaat; een hand is immers geen volledige zelfstandigheid, maar slechts een deel ervan. Al is dus deze menschelijke natuur een eenling in de categorie zelfstandigheid, toch heeft zij geen persoon-zijn, omdat zij niet op zichzelf bestaat en afgescheiden, maar alleen in iets hoogers, nl. in den persoon van het Woord Gods. En daarom geschiedde de vereeniging in persoon.3. Zoals Damascenus zegt, nam het Woord Gods niet de algemene menselijke natuur aan, maar een individuele; anders zou het immers aan ieder mens toekomen het Woord Gods te zijn, 54zoals aan Christus. Hier moet men zich echter herinneren, dat in de categorie zelfstandigheid niet ieder eenling, ook al gaat het over een redelijke natuur, een persoon vormt, maar alleen de eenling, die op zichzelf bestaat en niet die in een hoger wezen bestaat. Zo is de hand van Socrates, al is zij in zekeren zin een eenling, toch geen persoon, omdat zij niet op zichzelf bestaat, maar in iets hogers, nl. in het geheel. Dit juist kan men uitdrukken als men zegt, dat de persoon een zelfstandigheid is, die als een eenling bestaat; een hand is immers geen volledige zelfstandigheid, maar slechts een deel ervan. Al is dus deze menselijke natuur een eenling in de categorie zelfstandigheid, toch heeft zij geen persoon-zijn, omdat zij niet op zichzelf bestaat en afgescheiden, maar alleen in iets hogers, nl. in de persoon van het Woord Gods. En daarom geschiedde de vereniging in persoon.
Utrum unio Verbi incarnati facta sit in supposito, vel hypostasi
Geschiedde de vereeniging van het vleeschgeworden Woord in den drager of Hypostase?Geschiedde de vereniging van het vleesgeworden Woord in de drager of Hypostase?
55Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod unio Verbi incarnati non sit facta in supposito, sive in hypostasi: dicit enim Augustinus in Enchirid. [cap. 35.]: « Divina substantia, et humana utraque est unus Dei Filius: sed aliud propter verbum, et aliud propter hominem »: Leo Papa etiam dicit in epist. 24. ad Flavianum [cap. 4.]: « Unum horum coruscat miraculis, aliud succumbit injuriis ». Sed1 aliud et aliud differt supposito. Ergo unio Verbi incarnati non est facta in supposito.
55Bedenkingen. — Men beweert, dat de vereeniging van het menschgeworden Woord niet in den drager of hypostase geschiedde. — 1. In zijn Enchiridion zegt immers Augustinus: « Goddelijke en menschelijke zelfstandigheid, beiden is de eene Zoon Gods, maar het eerste door het Woord, en het andere door den mensch. » Paus Leo zegt ook in zijn brief aan Flavianus: « Van beiden schittert de een door wonderen, de ander bezwijkt onder beleedigingen. » Welnu, « de een » en « de ander » verschillen door den drager. Dus geschiedde de vereeniging van het menschgeworden Woord niet in den drager.55Bedenkingen. — Men beweert, dat de vereniging van het mensgeworden Woord niet in de drager of hypostase geschiedde. — 1. In zijn Enchiridion zegt immers Augustinus: “Goddelijke en menselijke zelfstandigheid, beiden is de ene Zoon Gods, maar het eerste door het Woord, en het andere door de mens.” Paus Leo zegt ook in zijn brief aan Flavianus: “Van beiden schittert de een door wonderen, de ander bezwijkt onder beledigingen.” Welnu, “de een” en “de ander” verschillen door de drager. Dus geschiedde de vereniging van het mensgeworden Woord niet in de drager.
2. Praeterea, hypostasis nihil aliud est, quam « substantia particularis », ut Boetius dicit in lib. de Duab. Nat. [cap. 3.]. Manifestum est autem, quod in Christo est quaedam alia substantia particularis praeter 56hypostasim Verbi, scilicet corpus, et anima, et compositum ex eis. Ergo in ipso2 est alia hypostasis praeter hypostasim Verbi.
2. De hypostase is niets anders dan de tot een eenling geworden zelfstandigheid, zooals Boëtius zegt in het boek Over de Twee Naturen. Nu is het duidelijk dat er in Christus een eenling-56zelfstandigheid is buiten de hypostase van het Woord, nl. het lichaam de ziel en wat uit hen is samengesteld. Dus is er in Christus nog een andere hypostase dan die van het Woord.2. De hypostase is niets anders dan de tot een eenling geworden zelfstandigheid, zoals Boëtius zegt in het boek Over de Twee Naturen. Nu is het duidelijk dat er in Christus een eenling-56zelfstandigheid is buiten de hypostase van het Woord, nl. het lichaam de ziel en wat uit hen is samengesteld. Dus is er in Christus nog een andere hypostase dan die van het Woord.
3. Praeterea, hypostasis Verbi non continetur in aliquo genere, neque sub specie; ut patet ex his quae in 1. parte dicta sunt [q. 3. art. 5.]. Sed Christus, secundum quod est factus homo, continetur sub specie humana: dicit enim Dionysius 1. cap. de Div. Nom. [lect. 2.]: « Intra naturae nostrae terminos venit, qui omnem totius naturae ordinem supereminenter excedit »3. Non autem continetur sub specie humana, nisi sicut4 hypostasis quaedam humanae speciei. Ergo in Christo est alia hypostasis praeter hypostasim Verbi Dei. Et sic idem quod prius.
3) De hypostase van het Woord kan men niet rangschikken bij een geslacht of een soort, zooals blijkt uit wat in het eerste deel is gezegd. Nu wordt Christus tot de menschensoort gerekend in zoover Hij mensch geworden is; Dionysius zegt immers in het boek Over de Goddelijke Namen: « Binnen de begrensdheid van onze natuur kwam Hij, die de heele natuurlijke orde ver overtreffend te boven gaat », maar hij valt niet onder de soort mensch, tenzij als hypostase van menschelijke natuur. Dus is er in Christus nog een andere hypostase als die van het Woord.3) De hypostase van het Woord kan men niet rangschikken bij een geslacht of een soort, zoals blijkt uit wat in het eerste deel is gezegd. Nu wordt Christus tot de mensensoort gerekend in zover Hij mens geworden is; Dionysius zegt immers in het boek Over de Goddelijke Namen: “Binnen de begrensdheid van onze natuur kwam Hij, die de hele natuurlijke orde ver overtreffend te boven gaat”, maar hij valt niet onder de soort mens, tenzij als hypostase van menselijke natuur. Dus is er in Christus nog een andere hypostase als die van het Woord.
Sed contra est, quod Damascenus dicit in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 4.]: « In Domino Jesu Christo duas naturas cognoscimus, unam autem hypostasim ».
Hiertegenover staat echter het gezegde van Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 4e H.): « In onzen Heer Jesus Christus erkennen wij twee naturen, maar een hypostase ».Hiertegenover staat echter het gezegde van Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 4e H.): “In onze Heer Jesus Christus erkennen wij twee naturen, maar een hypostase”.
Respondeo dicendum, quod quidam ignorantes habitudinem hypostasis 57ad personam, licet concederent in Christo unam solam personam, posuerunt tamen aliam hypostasim Dei, et aliam hominis, ac si unio sit facta in persona, non in hypostasi; quod quidem apparet erroneum tripliciter. Primo ex hoc, quod persona super5 hypostasim non addit nisi determinatam naturam, scilicet rationalem; secundum quod Boetius dicit in lib. de Duab. Nat. [cap. 3. et 4.], quod « persona est rationalis naturae individua substantia ». Et ideo idem est attribuere propriam hypostasim humanae naturae in Christo, et propriam personam. Quod intelligentes sancti Patres, utrumque in Concilio quinto apud Constantinopolim celebrato [Constantinop. collat. 8. can. 5.] damnaverunt, dicentes: « Si quis introducere conetur in mysterio Christi duas subsistentias, seu duas personas, anathema sit. Nec enim adjectionem personae, vel subsistentiae suscepit sancta Trinitas ex incarnato uno de sancta Trinitate Deo Verbo ». Subsistentia autem idem est quod res subsistens, quod est proprium hypostasis, ut patet per Boetium in lib. de Duab. Nat. [cap. 3.].
Leerstelling. — Hoewel sommigen, omdat zij de verhouding 57tusschen persoon en hypostase niet begrepen, in Christus maar een persoon aannemen, beweerden zij toch, dat en God en mensch beiden hun eigen hypostase hadden, alsof de vereeniging wel in persoon, maar niet in hypostase had plaats gehad. Uit drie redenen echter blijkt de onwaarheid hiervan. Ten eerste voegt persoon niets toe aan de hypostase dan een bepaalde natuur, nl. de redelijke, zooals Boëtius zegt in het boek Over de Twee Naturen (H. 3 en 4): « de persoon is de zelfstandigheid van redelijke natuur, die een eenling is ». En daarom is het hetzelfde aan de menschelijke natuur in Christus een eigen hypostase toe te kennen of een eigen persoon-zijn. Omdat de H. Vaders dit begrepen, hebben zij beide stellingen veroordeeld in het Ve Concilie van Constantinopel (Coll. 8. can. 5.): « Indien iemand bij het mysterie van Christus wil gaan spreken over twee zelfstandigheden of twee personen, hij zij gebannen. Want de H. Drievuldigheid kreeg geen persoon of zelfstandigheid aan zich toegevoegd, toen een van Haar Personen, het Woord Gods, mensch werd ». Maar het zelfstandig-bestaan is hetzelfde als het zelfstandig-bestaande ding; en dit is eigen aan de hypostase, zooals blijkt uit Boëtius Over de Twee Naturen (H. 3.).Leerstelling. — Hoewel sommigen, omdat zij de verhouding 57tussen persoon en hypostase niet begrepen, in Christus maar een persoon aannemen, beweerden zij toch, dat en God en mens beiden hun eigen hypostase hadden, alsof de vereniging wel in persoon, maar niet in hypostase had plaats gehad. Uit drie redenen echter blijkt de onwaarheid hiervan. Ten eerste voegt persoon niets toe aan de hypostase dan een bepaalde natuur, nl. de redelijke, zoals Boëtius zegt in het boek Over de Twee Naturen (H. 3 en 4): “de persoon is de zelfstandigheid van redelijke natuur, die een eenling is”. En daarom is het hetzelfde aan de menselijke natuur in Christus een eigen hypostase toe te kennen of een eigen persoon-zijn. Omdat de H. Vaders dit begrepen, hebben zij beide stellingen veroordeeld in het vijfde Concilie van Constantinopel (Coll. 8. can. 5.): “Indien iemand bij het mysterie van Christus wil gaan spreken over twee zelfstandigheden of twee personen, hij zij gebannen. Want de H. Drievuldigheid kreeg geen persoon of zelfstandigheid aan zich toegevoegd, toen een van Haar Personen, het Woord Gods, mens werd”. Maar het zelfstandig-bestaan is hetzelfde als het zelfstandig-bestaande ding; en dit is eigen aan de hypostase, zoals blijkt uit Boëtius Over de Twee Naturen (H. 3.).
58Secundo, quia si detur quod persona aliquid addat super hypostasim, in quo possit unio fieri, hoc nihil aliud est, quam proprietas ad dignitatem pertinens; secundum quod a quibusdam dicitur, quod persona est « hypostasis proprietate distincta ad dignitatem pertinente ». Si ergo facta sit unio in persona, et non in hypostasi, consequens erit quod non facta sit unio, nisi secundum dignitatem quamdam. Et hoc est approbante Synodo Ephesina [Pars 1. cap. 26. anat. 3.] damnatum a Cyrillo sub his verbis: « Si quis in uno Christo dividit subsistentias post adunationem, sola copulans eas conjunctione, quae secundum dignitatem quamdam, vel auctoritatem est, vel secundum potentiam, et non magis concursu secundum adunationem naturalem, anathema sit ».
58Ten tweede, zelfs als men toegaf, dat persoon nog iets aan hypostase toevoegde, waarin dan de vereeniging zou kunnen geschieden, zou dit niets anders kunnen zijn dan een eigenschap met betrekking tot de waardigheid, zooals sommigen zeggen, dat de persoon een hypostase is, maar van anderen door een eigenschap onderscheiden, die op de waardigheid slaat. Als dus de vereeniging geschiedde in persoon en niet in hypostase, dan zou daaruit volgen, dat er alleen een vereeniging in een zekere waardigheid was. En dit is als volgt veroordeeld door Cyrillus, met instemming van het Concilie van Ephese (I D. 76 H. 3 anath.): « Wie in den eenen Christus na de vereeniging de beginselen van zelfstandig-bestaan scheidt, en hen alleen verbindt door een vereeniging, die in waardigheid of macht of gezag ligt, en niet eerder door een samenwerking naar een natuurlijke verbinding, die zij gebannen ».58Ten tweede, zelfs als men toegaf, dat persoon nog iets aan hypostase toevoegde, waarin dan de vereniging zou kunnen geschieden, zou dit niets anders kunnen zijn dan een eigenschap met betrekking tot de waardigheid, zoals sommigen zeggen, dat de persoon een hypostase is, maar van anderen door een eigenschap onderscheiden, die op de waardigheid slaat. Als dus de vereniging geschiedde in persoon en niet in hypostase, dan zou daaruit volgen, dat er alleen een vereniging in een zekere waardigheid was. En dit is als volgt veroordeeld door Cyrillus, met instemming van het Concilie van Efeze (I D. 76 H. 3 anath.): “Wie in de ene Christus na de vereniging de beginselen van zelfstandig-bestaan scheidt, en hen alleen verbindt door een vereniging, die in waardigheid of macht of gezag ligt, en niet eerder door een samenwerking naar een natuurlijke verbinding, die zij gebannen”.
Tertio, quia tantum hypostasis est, cui attribuuntur operationes, et proprietates naturae, et ea etiam quae ad naturae rationem pertinent in concreto: dicimus enim, quod « hic homo » ratiocinatur, et est risibilis, et est animal rationale. Et hac ratione « hic homo » dicitur esse suppositum; quia scilicet « supponitur » his, quae ad hominem pertinent, eorum praedicationem recipiens. Si ergo sit alia hypostasis in Christo 59praeter hypostasim Verbi sequitur6 quod de aliquo alio, quam de verbo verificentur ea quae sunt hominis puta esse natum de Virgine, passum, crucifixum, et sepultum. Et hoc etiam damnatum est, approbante Concilio Ephesino [loc. citat. can. 4.], sub his verbis: « Si quis personis duabus, vel subsistentiis eas, quae sunt in Evangelicis, et Apostolicis Scripturis, partitur voces; aut de Christo a Sanctis dictas, aut ab ipso de se, et quasdam quidem velut homini praeter illud ex Deo Verbum specialiter intellecto applicat, quasdam vero, velut Deo docibiles, soli ex Deo Patre Verbo, anathema sit ».
Ten derde worden alleen aan de hypostase de werkzaamheden en eigenschappen der natuur toegeschreven en alles, wat in concreto tot de aard der natuur behoort. Wij zeggen immers, dat deze mensch redeneert, en kan lachen en een redelijk dier is. En daarom wordt deze mensch drager genoemd, omdat hij drager is van alles, wat den mensch toekomt en dit alles aan hem wordt toegekend. Is er dus nog een andere hypostase in Christus dan die van het Woord, 59dan moet men besluiten, dat wat den mensch toekomt, niet opgaat voor het Woord, maar voor een ander, bv. dat hij uit een Maagd is geboren, geleden heeft, gekruisigd en begraven is. Onder goedkeuring van het Concilie van Ephese (t. a. p. 4e H.) is dit ook veroordeeld met deze woorden: « Als iemand aan twee personen of aan twee beginselen van zelfstandig bestaan datgene wat in de Evangeliën of de geschriften der Apostelen of door de Heiligen van Christus of door Christus van zichzelf is gezegd, gescheiden zou willen toekennen, en wel deels als aan een mensch, beschouwd zonder verband met het Woord Gods, deels als van God zegbaar alleen aan het Woord van God den Vader, die zij gebannen ».Ten derde worden alleen aan de hypostase de werkzaamheden en eigenschappen van de natuur toegeschreven en alles, wat in concreto tot de aard van de natuur behoort. Wij zeggen immers, dat deze mens redeneert, en kan lachen en een redelijk dier is. En daarom wordt deze mens drager genoemd, omdat hij drager is van alles, wat de mens toekomt en dit alles aan hem wordt toegekend. Is er dus nog een andere hypostase in Christus dan die van het Woord, 59dan moet men besluiten, dat wat de mens toekomt, niet opgaat voor het Woord, maar voor een ander, bv. dat hij uit een Maagd is geboren, geleden heeft, gekruisigd en begraven is. Onder goedkeuring van het Concilie van Efeze (t. a. p. 4e H.) is dit ook veroordeeld met deze woorden: “Als iemand aan twee personen of aan twee beginselen van zelfstandig bestaan datgene wat in de Evangeliën of de geschriften van de Apostelen of door de Heiligen van Christus of door Christus van zichzelf is gezegd, gescheiden zou willen toekennen, en wel deels als aan een mens, beschouwd zonder verband met het Woord Gods, deels als van God zegbaar alleen aan het Woord van God de Vader, die zij gebannen”.
Sic ergo7 patet, esse haeresim olim ab Ecclesia8 damnatam, dicere, quod in Christo sunt duae hypostases, vel duo supposita sive quod unio non sit facta in hypostasi, vel supposito. Unde in eadem Synodo [can. 2.] legitur: « Si quis non confitetur, carni secundum subsistentiam unitum ex Deo Patre Verbum, unumque esse Christum cum sua carne, eumdem scilicet Deum et hominem, anathema sit ».
Zoo blijkt het een reeds lang geleden door de Kerk veroordeelde ketterij te zijn, te zeggen, dat er in Christus twee dragers of hypostasen zijn, of dat de vereeniging niet is geschied in drager of hypostase. Daarom leest men in de Acten van hetzelfde Concilie (2e H.): « Als iemand niet belijdt, dat het Woord van God den Vader hypostatisch met het vleesch is vereenigd en dat Christus met zijn vleesch beiden is, nl. God en mensch, die zij gebannen ».Zo blijkt het een reeds lang geleden door de Kerk veroordeelde ketterij te zijn, te zeggen, dat er in Christus twee dragers of hypostasen zijn, of dat de vereniging niet is geschied in drager of hypostase. Daarom leest men in de Akten van hetzelfde Concilie (2e H.): “Als iemand niet belijdt, dat het Woord van God de Vader hypostatisch met het vlees is verenigd en dat Christus met zijn vlees beiden is, nl. God en mens, die zij gebannen”.
60Ad primum ergo dicendum, quod sicut accidentalis differentia facit « alterum »; ita differentia essentialis facit « aliud ». Manifestum est autem, quod alteritas, quae provenit ex differentia accidentali, potest ad eamdem hypostasim, vel suppositum pertinere in rebus creatis; eo quod idem numero potest diversis accidentibus subesse: non autem contingit in rebus creatis, quod idem numero subsistere possit diversis essentiis, vel naturis: sed unus et idem Christus subsistit in duabus naturis9. Unde sicut quid10 dicitur alterum, et alterum in creaturis, non significat diversitatem suppositi, sed solum diversitatem formarum accidentalium: ita quod dicitur Christus aliud, et aliud, non importat diversitatem suppositi, vel11 hypostasis, sed diversitatem naturarum. Unde Gregorius Nazianzenus in Epist. 1. ad Chelidonium dicit: « Aliud, et aliud sunt ea, ex quibus Salvator est, non autem alius, et alius: dico vero aliud, et aliud e contrario, quam in Trinitate habet: ibi enim alius, et alius dicimus, ut non subsistentias confundamus, non autem aliud, et aliud ».
60Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zooals een verschil in bijkomstigheden een ding anders maakt, zoo maakt een verschil in wezen er een ander ding van. Het is duidelijk, dat bij de geschapen dingen de verscheidenheid, die van een bijkomstig verschil komt, tot een en dezelfde hypostase of drager kan behooren, omdat een en hetzelfde ding drager kan zijn van verschillende accidenten. Bij geschapen dingen gebeurt het echter niet, dat een en hetzelfde ding drager is van verschillende naturen of wezens; en toch bestaat een en dezelfde Christus in twee naturen. Zooals men daarom bij de geschapen dingen van anders zijn spreekt, en dan geen verschil van drager, maar slechts van bijkomstigheden bedoelt, zoo zegt men van Christus, dat Hij twee verschillende dingen is en bedoelt geen verschil in drager, maar alleen verschil van naturen. Daarom zegt Gregorius van Nazianze in zijn Ie Brief aan Chelidonius: « Verscheiden zijn de bestanddeelen, waaruit de Verlosser bestaat, maar Hijzelf is niet twee dingen. Ik neem « verschillende dingen » hier anders als de H. Drievuldigheid; want daar spreken wij van « de een » en « de ander » om de hypostasen niet te verwarren, maar niet van « het een » en « het ander » ».60Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoals een verschil in bijkomstigheden een ding anders maakt, zo maakt een verschil in wezen er een ander ding van. Het is duidelijk, dat bij de geschapen dingen de verscheidenheid, die van een bijkomstig verschil komt, tot een en dezelfde hypostase of drager kan behoren, omdat een en hetzelfde ding drager kan zijn van verschillende accidenten. Bij geschapen dingen gebeurt het echter niet, dat een en hetzelfde ding drager is van verschillende naturen of wezens; en toch bestaat een en dezelfde Christus in twee naturen. Zoals men daarom bij de geschapen dingen van anders zijn spreekt, en dan geen verschil van drager, maar slechts van bijkomstigheden bedoelt, zo zegt men van Christus, dat Hij twee verschillende dingen is en bedoelt geen verschil in drager, maar alleen verschil van naturen. Daarom zegt Gregorius van Nazianze in zijn 1e Brief aan Chelidonius: “Verscheiden zijn de bestanddelen, waaruit de Verlosser bestaat, maar Hijzelf is niet twee dingen. Ik neem ‘verschillende dingen’ hier anders als de H. Drievuldigheid; want daar spreken wij van ‘de een’ en ‘de ander’ om de hypostasen niet te verwarren, maar niet van ‘het een’ en ‘het ander’”.
61Ad secundum dicendum, quod hypostasis significat substantiam particularem, non quocumque modo, sed prout est in suo complemento. Secundum vero quod venit in unionem alicujus magis completi, non dicitur hypostasis; sicut manus, vel12 pes. Et similiter humana natura in Christo, quamvis sit substantia particularis, quia tamen venit in unionem cujusdam completi, scilicet totius Christi, prout est Deus, et homo, non potest dici hypostasis, vel suppositum: sed illud completum, ad quod concurrit, dicitur esse hypostasis, vel suppositum.
612. De hypostase geeft een bijzondere zelfstandigheid aan, en dat niet op alle mogelijke manieren, maar in zoover zij iets volledigs is; voor zoover zij echter vereenigd is met iets meer volledigs, wordt zij geen hypostase genoemd, zooals hand of voet. Zoo ook is de menschelijke natuur in Christus, al is zij een bijzondere zelfstandigheid, geen drager of hypostase te noemen, want zij is vereenigd met iets volledigs, nl. den geheelen Christus voor zoover Hij God en mensch is; maar dat volledige ding, waarvan zij een deel vormt, wordt hypostase of drager genoemd.612. De hypostase geeft een bijzondere zelfstandigheid aan, en dat niet op alle mogelijke manieren, maar in zover zij iets volledigs is; voor zover zij echter verenigd is met iets meer volledigs, wordt zij geen hypostase genoemd, zoals hand of voet. Zo ook is de menselijke natuur in Christus, al is zij een bijzondere zelfstandigheid, geen drager of hypostase te noemen, want zij is verenigd met iets volledigs, nl. de gehele Christus voor zover Hij God en mens is; maar dat volledige ding, waarvan zij een deel vormt, wordt hypostase of drager genoemd.
Ad tertium dicendum, quod13 in rebus creatis res aliqua singularis non ponitur in genere, vel in14 specie ratione ejus, quod pertinet ad ejus individuationem, sed ratione naturae, quae secundum formam determinatur; cum individuatio magis sit secundum materias15 in rebus compositis. Sic ergo16 dicendum est, quod Christus est in specie humana ratione naturae assumptae, non ratione ipsius hypostasis.
3. Bij de geschapen dingen wordt een zelfstandigheid, die een eenling is, niet bij een geslacht of soort gerekend krachtens datgene, wat haar tot een eenling maakt, maar krachtens haar natuur, die door de vorm wordt bepaald, want het eenling zijn komt bij samengestelde dingen meer van de stof. Daarom moet men zeggen, dat Christus tot de menschelijke soort behoort om de natuur, die Hij aannam, niet om zijn hypostase.3. Bij de geschapen dingen wordt een zelfstandigheid, die een eenling is, niet bij een geslacht of soort gerekend krachtens datgene, wat haar tot een eenling maakt, maar krachtens haar natuur, die door de vorm wordt bepaald, want het eenling zijn komt bij samengestelde dingen meer van de stof. Daarom moet men zeggen, dat Christus tot de menselijke soort behoort om de natuur, die Hij aannam, niet om zijn hypostase.
Utrum persona, vel hypostasis Christi post incarnationem sit composita1
Is de Persoon van Christus na de Menschwording samengesteld?Is de Persoon van Christus na de Menswording samengesteld?
62Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod persona Christi non sit composita: persona enim Christi non est aliud, quam persona, vel hypostasis Verbi, ut ex dictis patet [art. 2. huj. q.]: sed in Verbo non est aliud persona, et natura, ut patet ex dictis in 1. parte [q. 39. art. 1.]; cum ergo natura Verbi sit simplex, ut in 1. ostensum est [q. 3. art. 7.], impossibile est, quod persona Christi sit composita.
62Bedenkingen. — Men beweert, dat de persoon van Christus niet samengesteld is. — 1. Want zooals uit het gezegde blijkt, is de persoon van Christus niets anders dan de persoon of hypostase van het Woord. Welnu, zooals uit wat in het eerste deel behandeld werd blijkt, zijn de persoon van het Woord en zijn natuur niet onderscheiden. Omdat nu de natuur van het Woord enkelvoudig is, zooals in het eerste deel werd bewezen (2e Art.), is het onmogelijk, dat de persoon van Christus samengesteld zou zijn.62Bedenkingen. — Men beweert, dat de persoon van Christus niet samengesteld is. — 1. Want zoals uit het gezegde blijkt, is de persoon van Christus niets anders dan de persoon of hypostase van het Woord. Welnu, zoals uit wat in het eerste deel behandeld werd blijkt, zijn de persoon van het Woord en zijn natuur niet onderscheiden. Omdat nu de natuur van het Woord enkelvoudig is, zoals in het eerste deel werd bewezen (2e Art.), is het onmogelijk, dat de persoon van Christus samengesteld zou zijn.
2. Praeterea, omnis compositio videtur esse ex partibus: sed divina natura non potest habere rationem partis: quia omnis pars habet rationem imperfecti; ergo impossibile est, quod persona Christi sit composita ex duabus naturis.
2. Alles wat samengesteld is, schijnt uit deelen te bestaan. Maar de goddelijke natuur kan onmogelijk als deel optreden, omdat een deel altijd iets onvolmaakts aan zich heeft. Dus kan de persoon van Christus onmogelijk uit twee naturen zijn samengesteld.2. Alles wat samengesteld is, schijnt uit delen te bestaan. Maar de goddelijke natuur kan onmogelijk als deel optreden, omdat een deel altijd iets onvolmaakts aan zich heeft. Dus kan de persoon van Christus onmogelijk uit twee naturen zijn samengesteld.
3. Praeterea, quod componitur ex aliquibus, videtur esse homogeneum eis; sicut ex corporibus non componitur nisi corpus; si ergo2 ex duabus 63naturis aliquid sit in Christo compositum, consequens erit quod illud non erit persona, sed natura; et sic in Christo erit facta unio in natura: quod est contra praedicta [art. 1. huj. q.].
3. Wat samengesteld is heeft dezelfde aard als zijn bestanddeelen, zooals uit lichamen alleen een lichaam kan worden 63gemaakt. Nemen wij dus in Christus iets aan, dat uit naturen is samengesteld, dan volgt, dat dit geen persoon is, maar een natuur, en dan zou er in Christus een vereeniging in natuur zijn, wat met het bovengezegde strijdt.3. Wat samengesteld is heeft dezelfde aard als zijn bestanddelen, zoals uit lichamen alleen een lichaam kan worden 63gemaakt. Nemen wij dus in Christus iets aan, dat uit naturen is samengesteld, dan volgt, dat dit geen persoon is, maar een natuur, en dan zou er in Christus een vereniging in natuur zijn, wat met het bovengezegde strijdt.
Sed contra est, quod Damascenus dicit 3. lib. [Orth. Fid. cap. 4.]: « In Domino Jesu Christo duas naturas cognoscimus, unam autem hypostasim ex utraque3 compositam ».
Hiertegenover staat het gezegde van Damascenus in het 3e boek Over het Ware Geloof (4e H.): « Wij erkennen, dat er in onzen Heer Jesus Christus twee naturen zijn, maar slechts een hypostase, uit die twee naturen samengesteld ».Hiertegenover staat het gezegde van Damascenus in het 3e boek Over het Ware Geloof (4e H.): “Wij erkennen, dat er in onze Heer Jesus Christus twee naturen zijn, maar slechts een hypostase, uit die twee naturen samengesteld”.
Respondeo dicendum, quod persona, sive hypostasis Christi dupliciter potest considerari: uno modo secundum illud quod est in se; et sic est omnino simplex, sicut et natura Verbi: alio modo secundum rationem personae, vel hypostasis, ad quam pertinet subsistere in aliqua natura, et secundum hoc persona Christi subsistit in duabus naturis; unde licet sit ibi unum subsistens, est tamen ibi alia, et alia ratio subsistendi: et sic dicitur persona composita, inquantum unum duobus subsistit.
Leerstelling. — Den persoon of hypostase in Christus kunnen wij op twee manieren beschouwen: ten eerste wat zij in zichzelf is, en zoo is zij volkomen enkelvoudig als de natuur van het Woord. Ten tweede juist als persoon of hypostase, waaraan het eigen is om in een bepaalde natuur zelfstandig te bestaan. En bij deze beschouwing bestaat de persoon van Christus zelfstandig in twee naturen. En al is er dus maar een ding, dat zelfstandig bestaat, toch zijn er verschillende wijzen van zelfstandig bestaan; en daarom noemen wij den persoon samengesteld, omdat een persoon in twee naturen zelfstandig bestaat.Leerstelling. — De persoon of hypostase in Christus kunnen wij op twee manieren beschouwen: ten eerste wat zij in zichzelf is, en zo is zij volkomen enkelvoudig als de natuur van het Woord. Ten tweede juist als persoon of hypostase, waaraan het eigen is om in een bepaalde natuur zelfstandig te bestaan. En bij deze beschouwing bestaat de persoon van Christus zelfstandig in twee naturen. En al is er dus maar een ding, dat zelfstandig bestaat, toch zijn er verschillende wijzen van zelfstandig bestaan; en daarom noemen wij de persoon samengesteld, omdat een persoon in twee naturen zelfstandig bestaat.
64Et per hoc patet responsio ad primum.
64Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Uit het bovengezegde volgt het antwoord op de eerste bedenking.
Ad secundum dicendum, quod illa compositio personae ex naturis non dicitur esse ratione partium, sed potius ratione numeri: sicut omne illud, ad quo duo conveniunt, potest dici ex eis compositum.
2. Deze persoon wordt niet uit twee naturen samengesteld genoemd, alsof dit deelen waren, maar alleen om hun getal, zooals alles waarin twee overeenkomen, samengesteld kan worden genoemd.2. Deze persoon wordt niet uit twee naturen samengesteld genoemd, alsof dit delen waren, maar alleen om hun getal, zoals alles waarin twee overeenkomen, samengesteld kan worden genoemd.
Ad tertium dicendum, quod non in omni compositione hoc verificatur, quod illud quod componitur, sit homogeneum componentibus, sed solum in partibus continui: nam continuum non componitur nisi ex continuis: animal vero componitur ex anima et corpore, quorum neutrum est animal.
3. Het gaat niet bij iedere samenstelling op, dat zij van dezelfde aard moet zijn als de samenstellende deelen; maar dit geldt alleen voor samenhangende deelen. Want iets samenhangends wordt alleen uit samenhangende deelen gevormd, maar een dier bestaat uit ziel en lichaam, die geen van beiden dieren zijn.3. Het gaat niet bij iedere samenstelling op, dat zij van dezelfde aard moet zijn als de samenstellende delen; maar dit geldt alleen voor samenhangende delen. Want iets samenhangends wordt alleen uit samenhangende delen gevormd, maar een dier bestaat uit ziel en lichaam, die geen van beiden dieren zijn.
Utrum sit facta aliqua unio animae et corporis in Christo1
Bestaat er in Christus vereeniging tusschen ziel en lichaam?Bestaat er in Christus vereniging tussen ziel en lichaam?
64Ad quintum sic proceditur. Videtur, quod in Christo non fuerit unio animae, et corporis: ex unione enim animae, et corporis in nobis causatur 65persona, vel hypostasis hominis; si ergo anima, et corpus fuerunt in Christo unita, sequitur quod fuerit ex unione eorum aliqua hypostasis constituta: non autem hypostasis Verbi Dei, quae est aeterna. Ergo in Christo erit aliqua persona, vel hypostasis praeter hypostasim Verbi. Quod est contra praedicta [art. 2. praec.].
64Bedenkingen. — Men beweert, dat er in Christus geen vereeniging was van ziel en lichaam. — 1. Want door de vereeniging van ziel en lichaam wordt in ons de persoon of hypostase van een 65mensch veroorzaakt. Waren dus ziel en lichaam in Christus vereenigd, dan zou er uit volgen, dat door die vereeniging een hypostase zou ontstaan. Maar niet de hypostase van het Woord Gods, omdat Die eeuwig is. Dus zou er in Christus nog een andere persoon of hypostase zijn behalve die van het Woord, wat strijdt met het bovengezegde.64Bedenkingen. — Men beweert, dat er in Christus geen vereniging was van ziel en lichaam. — 1. Want door de vereniging van ziel en lichaam wordt in ons de persoon of hypostase van een 65mens veroorzaakt. Waren dus ziel en lichaam in Christus verenigd, dan zou er uit volgen, dat door die vereniging een hypostase zou ontstaan. Maar niet de hypostase van het Woord Gods, omdat Die eeuwig is. Dus zou er in Christus nog een andere persoon of hypostase zijn behalve die van het Woord, wat strijdt met het bovengezegde.
2. Praeterea, ex unione animae, et corporis constituitur natura humanae speciei: Damascenus autem dicit in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 3.] quod « in Domino Jesu Christo non est communem speciem accipere ». Ergo in eo non est facta animae et corporis unio2.
2. Uit de vereeniging van ziel en lichaam ontstaat een natuur van de menschelijke soort Maar Damascenus zegt in het 3e boek Over het Ware Geloof (3e H.), dat « wij in Christus geen aard moeten aannemen zooals bij de andere menschen ». Dus was er bij Hem geen vereeniging van ziel en lichaam.2. Uit de vereniging van ziel en lichaam ontstaat een natuur van de menselijke soort Maar Damascenus zegt in het 3e boek Over het Ware Geloof (3e H.), dat “wij in Christus geen aard moeten aannemen zoals bij de andere mensen”. Dus was er bij Hem geen vereniging van ziel en lichaam.
3. Praeterea, anima non conjungitur corpori, nisi ut vivificet ipsum: sed corpus Christi poterat vivificari ab ipso Verbo Dei, quod est fons, et principium vitae; ergo in Christo non fuit unio animae, et corporis.
3. De ziel wordt alleen met het lichaam vereenigd om het te bezielen. Maar Christus' lichaam kon bezield worden door het Woord zelf, want dat is de bron en het beginsel van leven. Dus was er in Christus geen vereeniging van ziel en lichaam.3. De ziel wordt alleen met het lichaam verenigd om het te bezielen. Maar Christus' lichaam kon bezield worden door het Woord zelf, want dat is de bron en het beginsel van leven. Dus was er in Christus geen vereniging van ziel en lichaam.
Sed contra est, quod corpus non dicitur animatum, nisi ex unione animae: sed corpus Christi dicitur animatum, secundum illud quod Ecclesia cantat: « Animatum corpus sumens, de Virgine nasci dignatus est » 66[Officium Circum. Dom. Ant. 1a ad Laudes]; ergo in Christo fuit unio animae, et corporis.
Maar daartegenover staat, dat wij een lichaam alleen bezield noemen om zijn vereeniging met de ziel. Welnu, Christus' lichaam was bezield, zooals blijkt uit wat de Kerk zingt: « Hij gewaardigde zich een bezield lichaam aan te nemen en uit de Maagd te 66worden geboren ». Dus was er in Christus vereeniging van ziel en lichaam.Maar daartegenover staat, dat wij een lichaam alleen bezield noemen om zijn vereniging met de ziel. Welnu, Christus' lichaam was bezield, zoals blijkt uit wat de Kerk zingt: “Hij gewaardigde zich een bezield lichaam aan te nemen en uit de Maagd te 66worden geboren”. Dus was er in Christus vereniging van ziel en lichaam.
Respondeo dicendum, quod Christus dicitur homo univoce cum aliis hominibus, utpote ejusdem speciei existens, secundum illud Apostoli ad Philipp. 2. [v. 7]: « In similitudinem hominum factus ». Pertinet autem ad rationem speciei humanae, quod anima corpori uniatur: non enim forma constituit speciem, nisi per hoc quod sit actus materiae; et hoc est, ad quod generatio terminatur, per quam natura speciem intendit. Unde necesse est dicere, quod in Christo fuerit anima corpori unita; et contrarium est haereticum, utpote derogans veritati humanitatis Christi [Constantinop. II Concilii definitionem, col. 8. can. 4].
Leerstelling. — Christus wordt mensch genoemd in denzelfden zin als de andere menschen, aangezien Hij tot dezelfde soort behoort, naar het woord van den Apostel, in den Brief aan de Philippiërs (2, 7): « Aan de menschen gelijk geworden ». Nu behoort het tot de aard van de menschelijke soort, dat de ziel met het lichaam vereenigd is, want de vorm maakt alleen de soort, omdat zij de act van de stof wordt; en dat is ook het eindresultaat van de voortplanting, waarbij de natuur de soort tot doel heeft. Daarom is het noodzakelijk te zeggen, dat in Christus de ziel met het lichaam vereenigd was; het tegenovergestelde is kettersch, want het doet aan de waarachtigheid van Christus' menschelijkheid te kort.Leerstelling. — Christus wordt mens genoemd in dezelfde zin als de andere mensen, aangezien Hij tot dezelfde soort behoort, naar het woord van de Apostel, in de Brief aan de Filippenzen (2, 7): “Aan de mensen gelijk geworden”. Nu behoort het tot de aard van de menselijke soort, dat de ziel met het lichaam verenigd is, want de vorm maakt alleen de soort, omdat zij de act van de stof wordt; en dat is ook het eindresultaat van de voortplanting, waarbij de natuur de soort tot doel heeft. Daarom is het noodzakelijk te zeggen, dat in Christus de ziel met het lichaam verenigd was; het tegenovergestelde is ketters, want het doet aan de waarachtigheid van Christus' menselijkheid te kort.
Ad primum ergo dicendum, quod ex hac ratione moti videntur3 illi, qui negaverunt unionem animae et corporis in Christo; ne per hoc scilicet cogerentur personam novam, vel4 hypostasim in Christo inducere; 67quia videbant, quod in puris hominibus ex unione animae ad corpus constituitur persona. Sed hoc ideo in puris hominibus accidit, quia anima, et corpus sic in eis conjunguntur, ut per se existant. Sed in Christo uniuntur ad invicem, ut adjuncta alteri principaliori, quod subsistit in natura ex eis composita. Et propter hoc ex unione animae, et corporis in Christo non constituitur nova hypostasis, seu persona; sed advenit ipsum conjunctum personae, seu hypostasi praeexistenti. Nec propter hoc sequitur, quod sit minoris efficaciae unio animae, et corporis in Christo, quam in nobis. Quia ipsa conjunctio ad nobilius non adimit virtutem, aut dignitatem, sed auget: sicut anima sensitiva in animalibus constituit speciem, quia consideratur ut ultima forma; non autem in hominibus; quamvis in nobis5 sit virtuosior, et nobilior; et hoc propter6 adjunctionem ulterioris et nobilioris perfectionis, scilicet7 animae rationalis, ut etiam supra dictum est [art. 2. huj. q. ad. 2.].
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zij die de vereeniging van ziel en lichaam in Christus ontkennen, werden schijnbaar door deze reden gedreven, dat zij niet gedwongen zouden worden om tot een nieuwen persoon of hypostase in Christus te 67besluiten, want zij zagen, dat bij de andere menschen-zonder-meer uit de vereeniging van ziel en lichaam een persoon ontstond. Maar dit geschiedt bij de menschen-zonder-meer zoo, omdat bij hen ziel en lichaam zóó worden vereenigd, dat zij op zichzelf bestaan. In Christus echter worden zij met elkaar vereenigd als deelen, die aan een hooger wezen worden toegevoegd, dat zelfstandig bestaat in de door hen gevormde natuur. Hierdoor ontstaat in Christus door de vereeniging van ziel en lichaam geen nieuwe hypostase of persoon, maar de samenstelling wordt gevoegd bij een reeds bestaande persoon of hypostase. Maar hieruit volgt niet, dat de vereeniging van ziel en lichaam bij Christus minder afdoende zou zijn dan bij ons, want de vereeniging met iets edelers neemt geen kracht of waardigheid weg, maar verhoogt ze; zoo vormt de zintuiglijke ziel bij de dieren de soort, omdat zij geldt als laatste vorm; toch doet zij dat niet bij den mensch, al is zij in hem ook edeler en krachtiger; en wel om een bijvoeging van verdere en hoogere volmaaktheid, nl. de redelijke ziel, zooals boven ook gezegd is.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zij die de vereniging van ziel en lichaam in Christus ontkennen, werden schijnbaar door deze reden gedreven, dat zij niet gedwongen zouden worden om tot een nieuwen persoon of hypostase in Christus te 67besluiten, want zij zagen, dat bij de andere mensen-zonder-meer uit de vereniging van ziel en lichaam een persoon ontstond. Maar dit geschiedt bij de mensen-zonder-meer zo, omdat bij hen ziel en lichaam zó worden verenigd, dat zij op zichzelf bestaan. In Christus echter worden zij met elkaar verenigd als delen, die aan een hoger wezen worden toegevoegd, dat zelfstandig bestaat in de door hen gevormde natuur. Hierdoor ontstaat in Christus door de vereniging van ziel en lichaam geen nieuwe hypostase of persoon, maar de samenstelling wordt gevoegd bij een reeds bestaande persoon of hypostase. Maar hieruit volgt niet, dat de vereniging van ziel en lichaam bij Christus minder afdoende zou zijn dan bij ons, want de vereniging met iets edelers neemt geen kracht of waardigheid weg, maar verhoogt ze; zo vormt de zintuiglijke ziel bij de dieren de soort, omdat zij geldt als laatste vorm; toch doet zij dat niet bij de mens, al is zij in hem ook edeler en krachtiger; en wel om een bijvoeging van verdere en hogere volmaaktheid, nl. de redelijke ziel, zoals boven ook gezegd is.
Ad secundum dicendum, quod verbum Damasceni potest intelligi dupliciter. Uno modo, ut referatur ad humanam naturam: Quae quidem non 68habet rationem communis speciei, secundum quod est in uno solo individuo, sed secundum quod est abstracta ab omni individuo, prout in nuda contemplatione consideratur, vel secundum quod est in omnibus individuis. Filius autem Dei non assumpsit humanam naturam, prout est in sola consideratione intellectus: quia sic non assumpsisset ipsam rem humanae naturae. Nisi forte diceretur, quod humana natura est8 quaedam idea separata; sicut Platonici posuerunt hominem sine materia [ex Aristot. 1. Metaphysic. tex. 6.]. Sed tunc Filius Dei non assumpsisset carnem, contra illud quod dicitur Lucae ult. [v. 39]: « Spiritus carnem, et ossa non habet, sicut me videtis habere ». Similiter etiam non potest dici, quod Filius Dei assumpserit9 humanam naturam, prout est in omnibus individuis ejusdem speciei, quia sic omnes homines assumpsisset. Relinquitur ergo, ut Damascenus postea dicit in eodem libro [cap. 11.], quod assumpserit naturam humanam « in atomo », idest in individuo: « non quidem in alio individuo, quod sit suppositum, vel hypostasis illius naturae, quam in persona Filii Dei ».
2. Wij kunnen de woorden van Damascenus op twee manieren opvatten. Ten eerste als slaand op de menschelijke natuur. Deze 68immers is niet de algemeene soort, voor zoover zij in een eenling bestaat; maar zij is dat wel, voor zoover zij geabstraheerd is van alle eenling-zijn, zooals zij bestaat in de louter verstandelijke beschouwing, of voorzoover zij in alle eenlingen is. Maar de Zoon Gods nam de menschelijke natuur niet aan, zooals zij bestaat in de verstandsbeschouwing, want dan had Hij geen werkelijke natuur aangenomen. Of men moest zeggen, dat de menschelijke natuur een op zichzelf bestaand « idee » is, zooals de Platonici het bestaan van den mensch buiten de stof aannamen Maar dan had de Zoon Gods geen vleesch aangenomen, wat strijdt met de woorden van Lucas (22, 39): « een geest heeft geen vleesch en geen beenderen, zooals gij ziet, dat ik heb ». Evenmin kan men beweren, dat de Zoon Gods de menschelijke natuur aannam, zooals die bestaat in alle eenlingen van dezelfde soort, want dan had Hij zich moeten vereenigen met alle menschen. Blijft dus alleen over, wat Damascenus verder in hetzelfde boek (11e H.) zegt, dat « Hij de menschelijke natuur aannam in « atomo », dwz. in een eenling, niet in een ander individu, dat drager en hypostase van die natuur is, maar in den persoon van Gods Zoon.2. Wij kunnen de woorden van Damascenus op twee manieren opvatten. Ten eerste als slaand op de menselijke natuur. Deze 68immers is niet de algemene soort, voor zover zij in een eenling bestaat; maar zij is dat wel, voor zover zij geabstraheerd is van alle eenling-zijn, zoals zij bestaat in de louter verstandelijke beschouwing, of voorzover zij in alle eenlingen is. Maar de Zoon Gods nam de menselijke natuur niet aan, zoals zij bestaat in de verstandsbeschouwing, want dan had Hij geen werkelijke natuur aangenomen. Of men moest zeggen, dat de menselijke natuur een op zichzelf bestaand “idee” is, zoals de Platonici het bestaan van de mens buiten de stof aannamen Maar dan had de Zoon Gods geen vlees aangenomen, wat strijdt met de woorden van Lukas (22, 39): “een geest heeft geen vlees en geen beenderen, zoals gij ziet, dat ik heb”. Evenmin kan men beweren, dat de Zoon Gods de menselijke natuur aannam, zoals die bestaat in alle eenlingen van dezelfde soort, want dan had Hij zich moeten verenigen met alle mensen. Blijft dus alleen over, wat Damascenus verder in hetzelfde boek (11e H.) zegt, dat “Hij de menselijke natuur aannam in ‘atomo’, dwz. in een eenling, niet in een ander individu, dat drager en hypostase van die natuur is, maar in de persoon van Gods Zoon.
69Alio modo potest intelligi dictum Damasceni, ut non referatur ad naturam humanam, quasi ex unione animae, et corporis non resultet una communis natura, quae est humana: sed est referendum ad unionem duarum naturarum, divinae10 et humanae, ex quibus non componitur aliquid tertium, quod sit quaedam natura communis; quia sic illud esset natum praedicari de pluribus. Et hoc ibi intendit; unde subdit [loc. cit. in arg.]: « Neque enim generatus est, neque unquam generabitur alius Christus ex deitate, et humanitate: in deitate, et humanitate Deus perfectus idem et homo perfectus ».
69Het woord van Damascenus kan ook opgevat worden als niet slaand op een menschelijke natuur, alsof uit de vereeniging van ziel en lichaam geen gewone menschelijke natuur zou zijn ontstaan, maar als slaand op de vereeniging van de twee naturen, de goddelijke en de menschelijke, waaruit geen derde zou ontstaan als een soort algemeene natuur, die aan meerdere enkelingen zou kunnen worden toegekend. En dat bedoelt hij, zoodat hij erbij voegt (T. a. p.): « Een andere Christus, volmaakt God en volmaakt mensch, uit Godheid en menschheid is nooit voortgebracht en zal nooit voortgebracht worden ».69Het woord van Damascenus kan ook opgevat worden als niet slaand op een menselijke natuur, alsof uit de vereniging van ziel en lichaam geen gewone menselijke natuur zou zijn ontstaan, maar als slaand op de vereniging van de twee naturen, de goddelijke en de menselijke, waaruit geen derde zou ontstaan als een soort algemene natuur, die aan meerdere enkelingen zou kunnen worden toegekend. En dat bedoelt hij, zodat hij erbij voegt (T. a. p.): “Een andere Christus, volmaakt God en volmaakt mens, uit Godheid en mensheid is nooit voortgebracht en zal nooit voortgebracht worden”.
Ad tertium dicendum, quod duplex est principium vitae corporalis: unum quidem effectivum; et hoc modo Verbum Dei est principium omnis vitae. Alio modo est aliquid principium vitae formaliter. Cum enim « vivere viventibus sit esse », ut dicit Philosophus 2. de An. [cap. 4. n. 4. S. Th. lect. 7.], sicut unumquodque formaliter est per formam suam, ita corpus vivit per animam; et hoc modo non ponitur11 corpus vivere per verbum, quod non potest esse corporis forma.
3. Men kan een dubbel beginsel van lichamelijk leven onderscheiden: een werkend beginsel, en zoo is het Woord Gods beginsel van elk leven; en een formeel beginsel, want « voor de levende wezens is leven zijn », zooals de Philosoof zegt in het 2e boek Over de ziel (4e H.). Daarom leeft het lichaam door de ziel, zooals ieder ding formeel is door zijn vorm. En zoo zegt men niet, dat het lichaam leeft door het Woord, want dat kan geen vorm van een lichaam zijn.3. Men kan een dubbel beginsel van lichamelijk leven onderscheiden: een werkend beginsel, en zo is het Woord Gods beginsel van elk leven; en een formeel beginsel, want “voor de levende wezens is leven zijn”, zoals de Filosoof zegt in het 2e boek Over de ziel (4e H.). Daarom leeft het lichaam door de ziel, zoals ieder ding formeel is door zijn vorm. En zo zegt men niet, dat het lichaam leeft door het Woord, want dat kan geen vorm van een lichaam zijn.
Utrum natura humana fuerit unita Verbo Dei accidentaliter
Was de menschelijke natuur op bijkomstige wijze met het Woord Gods vereenigd?Was de menselijke natuur op bijkomstige wijze met het Woord Gods verenigd?
70Ad sextum sic proceditur. Videtur, quod humana natura fuerit unita Verbo Dei accidentaliter: dicit enim Apost. Philipp. 2. [v. 7]: de Filio Dei, quod « habitu inventus est ut homo ». Sed habitus accidentaliter advenit ei, cujus est, sive accipiatur habitus, prout est unum de decem praedicamentis1, sive prout est species qualitatis. Ergo humana natura accidentaliter unita est Filio Dei.
70Bedenkingen. — Men beweert, dat de menschelijke natuur op bijkomstige wijze vereenigd was met het Woord Gods. — 1. De Apostel zegt immers over den Zoon Gods, in zijn brief aan de Philippiërs (2, 7), dat Hij in de gedaante (habitus) van een mensch werd bevonden. Maar een habitus is altijd op bijkomstige wijze vereenigd met datgene, waarvan hij is, of men habitus nu opvat als een der tien praedicamenten, of als een soort hoedanigheid. Dus werd de menschelijke natuur op bijkomstige wijze met den Zoon Gods vereenigd.70Bedenkingen. — Men beweert, dat de menselijke natuur op bijkomstige wijze verenigd was met het Woord Gods. — 1. De Apostel zegt immers over de Zoon Gods, in zijn brief aan de Filippenzen (2, 7), dat Hij in de gedaante (habitus) van een mens werd bevonden. Maar een habitus is altijd op bijkomstige wijze verenigd met datgene, waarvan hij is, of men habitus nu opvat als een van de tien predicamenten, of als een soort hoedanigheid. Dus werd de menselijke natuur op bijkomstige wijze met de Zoon Gods verenigd.
2. Praeterea, omne quod advenit alicui post esse completum, advenit ei accidentaliter: hoc enim dicimus accidens, quod potest et adesse, et abesse alicui praeter subjecti corruptionem. Sed natura humana advenit ex 71tempore Filio Dei habenti esse perfectum ab aeterno. Ergo advenit ei accidentaliter.
2. Alles, wat aan een ding met een volledig bestaan wordt toegevoegd, wordt er op bijkomstige wijze aan toegevoegd; wij noemen immers datgene bijkomstig, wat aanwezig of afwezig kan zijn zonder dat zijn drager vernietigd wordt. Welnu, de menschelijke natuur wordt in den tijd gevoegd bij den Zoon Gods, die al van 71eeuwigheid een volmaakt bestaan heeft. Dus komt zij op bijkomstige wijze.2. Alles, wat aan een ding met een volledig bestaan wordt toegevoegd, wordt er op bijkomstige wijze aan toegevoegd; wij noemen immers datgene bijkomstig, wat aanwezig of afwezig kan zijn zonder dat zijn drager vernietigd wordt. Welnu, de menselijke natuur wordt in de tijd gevoegd bij de Zoon Gods, die al van 71eeuwigheid een volmaakt bestaan heeft. Dus komt zij op bijkomstige wijze.
3. Praeterea, quidquid non pertinet ad naturam, seu essentiam alicujus rei, est accidens ejus: quia omne quod est, aut est substantia, aut accidens. Sed humana natura non pertinet ad essentiam, vel naturam divinam Filii Dei: quia non est facta unio in natura, ut supra dictum est [art. 1. huj. q.]. Ergo oportet, quod natura humana accidentaliter Filio Dei advenerit.
3. Wat niet behoort tot de natuur of de wezenheid van een ding, is er bijkomstig aan, want alles wat is, is of een zelfstandigheid of een bijkomstigheid. Nu behoort de menschelijke natuur niet tot de goddelijke natuur of de wezenheid van den Zoon Gods, omdat de vereeniging niet in natuur geschied is, zooals boven is gezegd. Dus moet de menschelijke natuur op bijkomstige wijze aan den Zoon Gods toegevoegd zijn.3. Wat niet behoort tot de natuur of de wezenheid van een ding, is er bijkomstig aan, want alles wat is, is of een zelfstandigheid of een bijkomstigheid. Nu behoort de menselijke natuur niet tot de goddelijke natuur of de wezenheid van de Zoon Gods, omdat de vereniging niet in natuur geschied is, zoals boven is gezegd. Dus moet de menselijke natuur op bijkomstige wijze aan de Zoon Gods toegevoegd zijn.
4. Praeterea, instrumentum accidentaliter advenit. Sed humana natura in Christo fuit divinitatis instrumentum: dicit enim Damascenus in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 15.], quod « caro Christi instrumentum divinitatis existit ». Ergo videtur, quod humana natura fuerit Filio Dei unita accidentaliter.
4. Een werktuig is met hem, die het gebruikt, op slechts bijkomstige wijze vereenigd. Nu was in Christus de menschelijke natuur het werktuig van de godheid, want Damascenus zegt in het 3e boek Over het Ware Geloof (15e H.): « dat Christus' vleesch een werktuig is van zijn godheid ». Dus schijnt het, dat de menschelijke natuur op bijkomstige wijze met den Zoon Gods vereenigd is.4. Een werktuig is met hem, die het gebruikt, op slechts bijkomstige wijze verenigd. Nu was in Christus de menselijke natuur het werktuig van de godheid, want Damascenus zegt in het 3e boek Over het Ware Geloof (15e H.): “dat Christus' vlees een werktuig is van zijn godheid”. Dus schijnt het, dat de menselijke natuur op bijkomstige wijze met de Zoon Gods verenigd is.
Sed contra est, quod illud quod accidentaliter praedicatur, non praedicat quid2, sed « quantum », vel « quale », vel « aliquo alio3 72modo se habens ». Si ergo4 humana natura accidentaliter adveniret, cum dicitur: Christus est5 homo, non praedicaretur quid6, sed quale, aut quantum, aut aliquo alio7 modo se habens, quod est contra Decretalem Alexandri Papae III. dicentis [cap.: « Cum Christus, de Haereticis »]: « Cum Christus sit perfectus Deus, et perfectus homo. qua temeritate audent quidam dicere, quod Christus, secundum quod est homo, non est aliquid? »
Daartegenover staat echter, dat wat op bijkomstige wijze van iets wordt gezegd, daaraan niet wordt toegekend als quid, een ding, maar als een hoegrootheid of een hoedanigheid, of welke andere 72bijkomstige zijnswijze ook. Indien dus de menschelijke natuur alleen als iets bijkomstigs aan Christus zou toekomen, zouden wij Hem de menschelijke natuur niet toekennen als quid, een ding, maar als een hoedanigheid of hoegrootheid, of op een andere manier. Maar dit is tegen een decretaal van Paus Alexander III (H. « Cum Christus; de Haereticis »): « Hoe durven sommigen, terwijl Christus volmaakt God en volmaakt mensch is, beweren, dat Christus naar zijn menschelijke natuur geen zelfstandig ding mag heeten? »Daartegenover staat echter, dat wat op bijkomstige wijze van iets wordt gezegd, daaraan niet wordt toegekend als quid, een ding, maar als een hoegrootheid of een hoedanigheid, of welke andere 72bijkomstige zijnswijze ook. Indien dus de menselijke natuur alleen als iets bijkomstigs aan Christus zou toekomen, zouden wij Hem de menselijke natuur niet toekennen als quid, een ding, maar als een hoedanigheid of hoegrootheid, of op een andere manier. Maar dit is tegen een decretaal van Paus Alexander III (H. “Cum Christus; de Haereticis”): “Hoe durven sommigen, terwijl Christus volmaakt God en volmaakt mens is, beweren, dat Christus naar zijn menselijke natuur geen zelfstandig ding mag heten?”
Respondeo dicendum, quod ad hujus quaestionis evidentiam sciendum est, quod circa mysterium unionis duarum naturarum in Christo duplex haeresis insurrexit: una quidem confundentium naturas: sicut Eutychetis, et Dioscori, qui posuerunt, quod ex duabus naturis est constituta una natura; ita quod confitentur, Christum esse « ex duabus naturis », quasi ante unionem naturarum distinctione cessante. 73Alia vero fuit haeresis Nestorii, et Theodori Mopsuesteni separantium personas. Posuerunt enim, alium esse personam Filii Dei, et filii hominis, quas dicebant sibi invicem esse unitas: primo quidem « secundum inhabitationem »: inquantum scilicet Verbum Dei habitavit in illo homine, sicut in templo. Secundo per8 unitatem affectus: inquantum scilicet voluntas illius hominis est semper conformis voluntati Verbi Dei. Tertio9 « secundum operationem », prout scilicet dicebant hominem illum esse Verbi Dei instrumentum. Quarto « secundum dignitatem honoris »; prout omnis honor, qui exhibetur Filio Dei, coexhibetur10 filio hominis, propter conjunctionem ad Filium Dei. Quinto « secundum aequivocationem », idest11 communicationem nominum, prout scilicet dicimus, illum hominem esse Deum, et Filium Dei. Manifestum est autem, istos omnes modos accidentalem unionem importare.
Leerstelling. — Om tot klaarheid in deze kwestie te komen moet men zich herinneren, dat met betrekking tot het geheim van de vereeniging van twee naturen in Christus twee ketterijen opkwamen. De eene vermengde de twee naturen, zooals Eutyches en Dioscorus, die beweerden dat uit twee naturen een enkele natuur werd gevormd, zoodat zij beleden, dat Christus bestond uit twee naturen, die vóór de vereeniging als het ware gescheiden waren, maar niet in twee naturen, zoodat na de vereeniging het onderscheid wegviel. De tweede ketterij was die van Nestorius, 73en Theodorus van Mopsueste, die de personen van elkaar scheidden. Zij beweerden, dat de persoon van den Zoon Gods wel onderscheiden was van dien van den zoon des menschen. Die twee naturen, leerden zij, waren onderling vereenigd, ten eerste door een inwoning, voor zoover het Woord Gods woonde in dien mensch als in een tempel. Ten tweede door de eenheid van gevoelens, in zoover de wil van dien mensch altijd gelijkvormig was aan den wil van Gods woord. Ten derde door hun werkzaamheid, omdat, naar zij zeiden, die mensch het werktuig was van Gods Woord. Ten vierde door eer en waardigheid, in zoover al de eerbewijzen, die den Zoon Gods ten deel vallen, ook aan den menschenzoon toekomen om reden van zijn vereeniging met Gods Zoon. Ten vijfde door de uitwisseling, dwz. de onderlinge toepassing van namen; want wij noemen dien mensch God en Zoon Gods. Het is echter duidelijk, dat al die manieren alleen bijkomstig zijn.Leerstelling. — Om tot klaarheid in deze kwestie te komen moet men zich herinneren, dat met betrekking tot het geheim van de vereniging van twee naturen in Christus twee ketterijen opkwamen. De ene vermengde de twee naturen, zoals Eutyches en Dioscorus, die beweerden dat uit twee naturen een enkele natuur werd gevormd, zodat zij beleden, dat Christus bestond uit twee naturen, die vóór de vereniging als het ware gescheiden waren, maar niet in twee naturen, zodat na de vereniging het onderscheid wegviel. De tweede ketterij was die van Nestorius, 73en Theodorus van Mopsueste, die de personen van elkaar scheidden. Zij beweerden, dat de persoon van de Zoon Gods wel onderscheiden was van die van de mensenzoon. Die twee naturen, leerden zij, waren onderling verenigd, ten eerste door een inwoning, voor zover het Woord Gods woonde in die mens als in een tempel. Ten tweede door de eenheid van gevoelens, in zover de wil van die mens altijd gelijkvormig was aan de wil van Gods woord. Ten derde door hun werkzaamheid, omdat, naar zij zeiden, die mens het werktuig was van Gods Woord. Ten vierde door eer en waardigheid, in zover al de eerbewijzen, die de Zoon Gods ten deel vallen, ook aan de mensenzoon toekomen om reden van zijn vereniging met Gods Zoon. Ten vijfde door de uitwisseling, dwz. de onderlinge toepassing van namen; want wij noemen die mens God en Zoon Gods. Het is echter duidelijk, dat al die manieren alleen bijkomstig zijn.
Quidam autem posteriores magistri, putantes se has haereses declinare, in eas per ignorantiam inciderunt. Quidam enim eorum concesserunt unam 74Christi personam, sed posuerunt duas hypostases, sive duo supposita, dicentes, hominem quemdam compositum ex corpore, et anima a principio suae conceptionis esse assumptum a Dei Verbo; et haec est prima opinio, quam Magister ponit in 6. Dist. lib. 3. Sent. Alii vero volentes servare unitatem personae, posuerunt Christi animam non esse corpori unitam, sed haec duo separata ad invicem esse unita Verbo accidentaliter, ut sic non cresceret numerus personarum. Et haec est tertia opinio, quam Magister ibidem ponit. Utraque autem harum opinionum incidit in haeresim Nestorii. Prima quidem, quia idem est ponere duas hypostases, vel duo supposita in Christo, quod ponere duas personas, ut supra dictum est [art. 3. huj. q.]. Et si fiat vis in nomine « personae », considerandum est, quod etiam Nestorius utebatur unitate personae propter unitatem dignitatis, et honoris. Unde etiam12 5. Synodus [Constant. 2. gener. 5. collat. 8. can. 5.] definit anathema eum, qui dicit « unam personam secundum dignitatem, et honorem, et adorationem, sicut Theodorus, et Nestorius insanientes conscripserunt ». Alia vero opinio incidit in errorem Nestorii quantum ad hoc quod 75posuit unionem accidentalem: non enim differt dicere, quod Verbum Dei unitum est homini Christo secundum inhabitationem, sicut in templo suo (sicut dicebat Nestorius), et dicere, quod unitum fuit Verbum Dei homini secundum induitionem, sicut vestimento, sicut dicit tertia opinio. Quae etiam pejus dicit aliquid, quam Nestorius, scilicet13 quod anima, et corpus non sunt unita.
Sommige leeraars van lateren datum meenden die ketterijen te vermijden, maar vervielen erin door onwetenheid. Sommigen onder hen namen in Christus een persoon, maar meerdere hypostasen aan 74of dragers; zij beweerden, dat een uit ziel en lichaam bestaand mensch vanaf het eerste oogenblik, dat hij ontvangen werd, met het Woord Gods werd vereenigd. En dit is de eerste meening, die de Meester vermeldt in het tweede boek der Sententies. Anderen wilden de eenheid in persoon redden, en beweerden daarom, dat de ziel van Christus niet met zijn lichaam was vereenigd, maar beide onderscheiden deelen op bijkomstige manier met het Woord waren vereenigd, zoodat men niet meer personen kreeg. Dit is de derde door den Magister vermelde meening. Maar elk van deze meeningen vervalt in de ketterij van Nestorius. En wel de eerste, omdat het precies hetzelfde is aan Christus twee hypostasen of dragers toe te kennen als twee personen, zooals vroeger is gezegd (3e Art.). En legt men de nadruk op het woord persoon, dan moet men bedenken, dat zelfs Nestorius sprak van een eenheid in persoon om de eenheid in waardigheid en eer. Daarom verklaart het Vijfde Concilie (coll. 8, can. 5) hem gebannen, « die de persoonseenheid verdedigt als eenheid in waardigheid, eer en aanbidding, zooals Nestorius en Theodorus het in hun dwaasheid schreven ». Ook de derde meening komt op hetzelfde 75neer als de dwaling van Nestorius, omdat zij slechts een bijkomstige vereeniging aanneemt. Want er is geen verschil tusschen de bewering, dat het Woord Gods met den mensch Christus vereenigd is door in hem in te wonen als in zijn tempel, zooals Nestorius verdedigde, en die, dat het Woord met den mensch was vereenigd door met hem bekleed te zijn, zooals de derde meening verdedigt. Deze stelling stelt het zelf iets meer kettersch voor dan Nestorius, omdat zij zegt, dat ziel en lichaam niet vereenigd zijn.Sommige leraars van latere datum meenden die ketterijen te vermijden, maar vervielen erin door onwetenheid. Sommigen onder hen namen in Christus een persoon, maar meerdere hypostasen aan 74of dragers; zij beweerden, dat een uit ziel en lichaam bestaand mens vanaf het eerste ogenblik, dat hij ontvangen werd, met het Woord Gods werd verenigd. En dit is de eerste mening, die de Meester vermeldt in het tweede boek van de Sententies. Anderen wilden de eenheid in persoon redden, en beweerden daarom, dat de ziel van Christus niet met zijn lichaam was verenigd, maar beide onderscheiden delen op bijkomstige manier met het Woord waren verenigd, zodat men niet meer personen kreeg. Dit is de derde door de Magister vermelde mening. Maar elk van deze meningen vervalt in de ketterij van Nestorius. En wel de eerste, omdat het precies hetzelfde is aan Christus twee hypostasen of dragers toe te kennen als twee personen, zoals vroeger is gezegd (3e Art.). En legt men de nadruk op het woord persoon, dan moet men bedenken, dat zelfs Nestorius sprak van een eenheid in persoon om de eenheid in waardigheid en eer. Daarom verklaart het Vijfde Concilie (coll. 8, can. 5) hem gebannen, “die de persoonseenheid verdedigt als eenheid in waardigheid, eer en aanbidding, zoals Nestorius en Theodorus het in hun dwaasheid schreven”. Ook de derde mening komt op hetzelfde 75neer als de dwaling van Nestorius, omdat zij slechts een bijkomstige vereniging aanneemt. Want er is geen verschil tussen de bewering, dat het Woord Gods met de mens Christus verenigd is door in hem in te wonen als in zijn tempel, zoals Nestorius verdedigde, en die, dat het Woord met de mens was verenigd door met hem bekleed te zijn, zoals de derde mening verdedigt. Deze stelling stelt het zelf iets meer ketters voor dan Nestorius, omdat zij zegt, dat ziel en lichaam niet verenigd zijn.
Fides autem catholica medium inter praedictas positiones tenens, non14 dicit unionem factam Dei, et hominis secundum essentiam, vel naturam, neque etiam secundum accidens, sed medio modo secundum subsistentiam, seu hypostasim; unde in 5. Synodo [loc. sup. cit.] dicitur: « Cum multis modis unitas intelligatur, qui iniquitatem Apollinarii, et Eutychetis sequuntur, interemptionem eorum quae convenerunt colentes (idest interimentes utramque naturam) unionem secundum confusionem dicunt: Theodori autem, et Nestorii sequaces divisione gaudentes, affectualem unitatem introducunt: sancta vero Dei Ecclesia utriusque perfidiae impietatem rejiciens, 76unionem Verbi Dei ad carnem secundum compositionem confitetur, quod est secundum subsistentiam ».
Het katholieke geloof houdt het juiste midden tusschen de twee bovengenoemde meeningen, want het zegt, dat de vereeniging van God en mensch niet geschiedde in wezenheid of natuur, en ook niet op bijkomstige wijze, maar daartusschenin in het zelfstandig bestaan of de hypostase. Daarom lezen wij in de acten van de Vijfde Synode (T. a. p.): « Omdat de eenheid op vele manieren wordt opgevat, spreken sommigen, die de goddeloosheid van Eutyches en Apollinaris volgen, en de verandering der bestanddeelen houden, van een vereeniging door vermenging; de volgelingen van Theodorus en Nestorius houden vast aan de scheiding en verdedigen een eenheid in gevoelens. Gods Heilige Kerk echter verwerpt de goddeloosheid van beide ketterijen en belijdt een 76vereeniging van het Woord Gods met het vleesch door samenvoeging, dwz. in het zelfstandig bestaan ».Het katholieke geloof houdt het juiste midden tussen de twee bovengenoemde meningen, want het zegt, dat de vereniging van God en mens niet geschiedde in wezenheid of natuur, en ook niet op bijkomstige wijze, maar daartussenin in het zelfstandig bestaan of de hypostase. Daarom lezen wij in de akten van de Vijfde Synode (T. a. p.): “Omdat de eenheid op vele manieren wordt opgevat, spreken sommigen, die de goddeloosheid van Eutyches en Apollinaris volgen, en de verandering van de bestanddelen houden, van een vereniging door vermenging; de volgelingen van Theodorus en Nestorius houden vast aan de scheiding en verdedigen een eenheid in gevoelens. Gods Heilige Kerk echter verwerpt de goddeloosheid van beide ketterijen en belijdt een 76vereniging van het Woord Gods met het vlees door samenvoeging, dwz. in het zelfstandig bestaan”.
Sic ergo15 patet, quod secunda trium opinionum, quas Magister ponit, quae asserit unam hypostasim Dei, et hominis, non est dicenda opinio, sed sententia catholicae fidei. Similiter etiam prima opinio, quae ponit duas hypostases, et tertia, quae ponit unionem accidentalem, non sunt dicendae opiniones, sed haereses, in Conciliis ab Ecclesia damnatae.
Hieruit blijkt, dat de tweede der drie meeningen, die door den Magister worden uiteengezet, welke nl. een hypostase van God en mensch houdt, geen meening moet worden genoemd, maar wel de leer van het Katholieke geloof. En evenzoo zijn de eerste meening, die twee hypostasen aanneemt, en de derde, die een bijkomstige vereeniging houdt, geen meeningen, maar op Concilies door de Kerk veroordeelde ketterijen.Hieruit blijkt, dat de tweede van de drie meningen, die door de Magister worden uiteengezet, welke nl. een hypostase van God en mens houdt, geen mening moet worden genoemd, maar wel de leer van het Katholieke geloof. En evenzo zijn de eerste mening, die twee hypostasen aanneemt, en de derde, die een bijkomstige vereniging houdt, geen meningen, maar op Concilies door de Kerk veroordeelde ketterijen.
Ad primum ergo dicendum, quod, sicut Damascenus dicit in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 26.], « non necesse est omnifariam, et indefective assimilari exempla: quod enim est omnifariam, et in omnibus simile, idem utique erit, et non exemplum. Et maxime in divinis: impossibile enim est simile exemplum invenire in omnibus, et in Theologia (idest in Deitate personarum), et in dispensatione (idest in mysterio Incarnationis)». Humana ergo16 natura in Christo assimilatur habitui, idest vestimento, non quidem quantum ad accidentalem unionem, sed quantum ad hoc, quod Verbum videtur per 77humanam naturam, sicut homo per vestimentum. Et etiam quantum ad hoc, quod vestimentum mutatur, quia scilicet formatur secundum figuram ejus qui induit ipsum, quia sua forma non mutatur propter vestimentum; et similiter humana natura assumpta a verbo Dei est meliorata, ipsum autem Verbum Dei non est mutatum, ut Augustinus exponit in lib. 83. QQ. [q. 73.].
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Damascenus zegt in het 3e boek Over het Ware Geloof (26e H.), « dat het niet noodig is, dat een voorbeeld in alle opzichten en feilloos behoeft op te gaan, omdat het dan geen voorbeeld meer is, maar het ding zelf; en dat geldt vooral, als het over God gaat; want het is onmogelijk voor alles een voorbeeld te vinden in de theologie, (dwz. voor de personen der Godheid), en voor Gods plannen, (nl. voor het geheim der Menschwording) ». De menschelijke natuur wordt dus bij Christus met een kleed vergeleken, niet wat betreft de bijkomstige vereeniging, maar wat betreft het feit, dat het Woord wordt gezien 77door de menschelijke natuur, zooals de mensch door zijn kleed. Ook nog in dit opzicht, dat een kleed zich vormt naar de gestalte van hem, die het aantrekt, en die zelf niet van gestalte verandert door het kleed; evenzoo is de menschelijke door Gods Woord aangenomen natuur daardoor veredeld, terwijl het Woord Gods zelf onveranderd blijft zooals Augustinus uitlegt in het boek Over de 83 Kwesties (73e Kw.).Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Damascenus zegt in het 3e boek Over het Ware Geloof (26e H.), “dat het niet nodig is, dat een voorbeeld in alle opzichten en feilloos behoeft op te gaan, omdat het dan geen voorbeeld meer is, maar het ding zelf; en dat geldt vooral, als het over God gaat; want het is onmogelijk voor alles een voorbeeld te vinden in de theologie, (dwz. voor de personen van de Godheid), en voor Gods plannen, (nl. voor het geheim van de Menswording)”. De menselijke natuur wordt dus bij Christus met een kleed vergeleken, niet wat betreft de bijkomstige vereniging, maar wat betreft het feit, dat het Woord wordt gezien 77door de menselijke natuur, zoals de mens door zijn kleed. Ook nog in dit opzicht, dat een kleed zich vormt naar de gestalte van hem, die het aantrekt, en die zelf niet van gestalte verandert door het kleed; evenzo is de menselijke door Gods Woord aangenomen natuur daardoor veredeld, terwijl het Woord Gods zelf onveranderd blijft zoals Augustinus uitlegt in het boek Over de 83 Kwesties (73e Kw.).
Ad secundum dicendum, quod illud, quod advenit post esse completum, accidentaliter advenit, nisi trahatur in communionem illius esse completi: sicut in resurrectione corpus adveniet animae praeexistenti; non tamen accidentaliter, quia ad idem esse assumetur, ut scilicet corpus habeat esse vitale per animam. Non est autem sic de albedine: quia aliud est esse albi, et aliud est esse hominis, cui advenit albedo. Verbum autem Dei ab aeterno esse completum habuit secundum hypostasim, sive personam: ex tempore autem advenit ei natura humana, non quasi assumpta ad unum esse, prout est naturae, sicut corpus assumitur ad esse animae; sed ad unum esse, prout est hypostasis, vel personae. Et ideo humana natura non unitur accidentaliter Filio Dei.
2. Wat bij een ding, dat al een volledig zijn heeft, wordt gevoegd, wordt er op bijkomstige wijze mee vereenigd, tenzij het in dit volledig zijn deelt, zooals het lichaam bij de verrijzenis komt bij een te voren reeds bestaande ziel, maar niet op bijkomstige wijze, omdat het deelt in het zelfde zijn, zoodat dus het lichaam zijn levend-zijn krijgt van de ziel. Met de witheid is het echter niet zoo, want het zijn van de witheid en het zijn van den mensch, aan wie de witheid toekomt, verschillen. Nu had het Woord Gods als hypostase of persoon van eeuwigheid een volledig zijn, maar in den tijd krijgt Het de menschelijke natuur, niet in eenheid van natuur, zooals het lichaam met het zijn van de ziel wordt vereenigd, maar wel in eenheid van bestaan naar hypostase of persoon. Daarom is de menschelijke natuur niet op bijkomstige wijze vereenigd met den Zoon Gods.2. Wat bij een ding, dat al een volledig zijn heeft, wordt gevoegd, wordt er op bijkomstige wijze mee verenigd, tenzij het in dit volledig zijn deelt, zoals het lichaam bij de verrijzenis komt bij een te voren reeds bestaande ziel, maar niet op bijkomstige wijze, omdat het deelt in het zelfde zijn, zodat dus het lichaam zijn levend-zijn krijgt van de ziel. Met de witheid is het echter niet zo, want het zijn van de witheid en het zijn van de mens, aan wie de witheid toekomt, verschillen. Nu had het Woord Gods als hypostase of persoon van eeuwigheid een volledig zijn, maar in de tijd krijgt Het de menselijke natuur, niet in eenheid van natuur, zoals het lichaam met het zijn van de ziel wordt verenigd, maar wel in eenheid van bestaan naar hypostase of persoon. Daarom is de menselijke natuur niet op bijkomstige wijze verenigd met de Zoon Gods.
78Ad tertium dicendum, quod accidens dividitur contra substantiam. Substantia autem, ut patet 5. Metaph. [S. Th. lect. 10], dupliciter dicitur: uno modo pro17 essentia, sive natura: alio modo pro supposito, sive hypostasi Unde sufficit, ad hoc quod non sit unio accidentalis, quod sit facta unio secundum hypostasim, licet non sit facta unio secundum naturam.
783. Bijkomstigheid staat tegenover zelfstandigheid. Nu kan men zelfstandigheid op twee manieren opvatten, zooals uit het vijfde boek Over de Metaphysica blijkt, ten eerste als wezen of natuur, ten tweede als drager of hypostase. Het is dus voldoende om een bijkomstige vereeniging uit te sluiten, dat de vereeniging geschiedde in hypostase, ook al geschiedde zij niet in natuur.783. Bijkomstigheid staat tegenover zelfstandigheid. Nu kan men zelfstandigheid op twee manieren opvatten, zoals uit het vijfde boek Over de Metafysica blijkt, ten eerste als wezen of natuur, ten tweede als drager of hypostase. Het is dus voldoende om een bijkomstige vereniging uit te sluiten, dat de vereniging geschiedde in hypostase, ook al geschiedde zij niet in natuur.
Ad quartum dicendum, quod non omne quod assumitur ut instrumentum, pertinet ad hypostasim assumentis; sicut patet de securi, et gladio; nihil tamen prohibet, illud quod assumitur ad unitatem hypostasis, se habere ut instrumentum; sicut corpus hominis, vel membra ejus. Nestorius ergo18 posuit, quod natura humana est assumpta a Verbo solum per modum instrumenti, non autem ad unitatem hypostasis. Et ideo non concedebat, quod homo ille vere esset filius Dei, sed instrumentum ejus; unde Cyrillus Alexandrinus dicit in epist. [1.] ad Monachos Aegypti: « Hunc Emmanuelem (idest Christum) non tamquam instrumenti officio assumptum dicit Scriptura, sed tamquam Deum vere humanatum », idest hominem 79factum: Damascenus autem posuit naturam humanam in Christo esse, sicut instrumentum ad unitatem hypostasis pertinens.
4. Niet alles wat als werktuig dient, behoort tot de hypostase van hem, die het gebruikt, als blijkt bij een zaag en een zwaard, maar er is niets op tegen, dat wat met de hypostase vereenigd wordt, als werktuig dient, zooals het lichaam van den mensch of zijn ledematen. Zoo beweerde Nestorius, dat de menschelijke natuur door het Woord alleen als werktuig was aangenomen en niet tot de eenheid in hypostase. En daarom gaf hij niet toe, dat die mensch werkelijk Zoon Gods was, maar alleen zijn werktuig. Daarom schrijft Cyrillus van Alexandrië in zijn Ie Brief aan de monniken van Egypte: « De H. Schrift noemt dezen Emmanuel, (dwz. Christus) niet alleen als werktuig aangenomen, maar als menschgeworden God ». Damascenus echter leerde, dat de 79menschelijke natuur was als een werktuig in Christus, dat behoorde tot de eenheid van hypostase.4. Niet alles wat als werktuig dient, behoort tot de hypostase van hem, die het gebruikt, als blijkt bij een zaag en een zwaard, maar er is niets op tegen, dat wat met de hypostase verenigd wordt, als werktuig dient, zoals het lichaam van de mens of zijn ledematen. Zo beweerde Nestorius, dat de menselijke natuur door het Woord alleen als werktuig was aangenomen en niet tot de eenheid in hypostase. En daarom gaf hij niet toe, dat die mens werkelijk Zoon Gods was, maar alleen zijn werktuig. Daarom schrijft Cyrillus van Alexandrië in zijn 1e Brief aan de monniken van Egypte: “De H. Schrift noemt deze Emmanuel, (dwz. Christus) niet alleen als werktuig aangenomen, maar als mensgeworden God”. Damascenus echter leerde, dat de 79menselijke natuur was als een werktuig in Christus, dat behoorde tot de eenheid van hypostase.
Utrum unio naturae divinae et humanae sit aliquid creatum
Was de Vereeniging van Goddelijke en Menschelijke natuur iets Geschapens?Was de Vereniging van Goddelijke en Menselijke natuur iets Geschapens?
79Ad septimum sic proceditur. Videtur, quod unio naturae divinae, et humanae non sit aliquid creatum. Nihil enim creatum in Deo potest esse: quia quidquid est in Deo, Deus est. Sed unio est in Deo: quia ipse Deus est humanae naturae unitus. Ergo videtur, quod unio non sit aliquid creatum.
79Bedenkingen. — Men beweert, dat de vereeniging van goddelijke en menschelijke natuur niet iets geschapens zou zijn. — 1. Want in God kan niets geschapens zijn, omdat alles, wat in God is, God is. Maar de vereeniging is in God, want God zelf is vereenigd met de menschelijke natuur. Daarom schijnt de vereeniging niet iets geschapens te zijn.79Bedenkingen. — Men beweert, dat de vereniging van goddelijke en menselijke natuur niet iets geschapens zou zijn. — 1. Want in God kan niets geschapens zijn, omdat alles, wat in God is, God is. Maar de vereniging is in God, want God zelf is verenigd met de menselijke natuur. Daarom schijnt de vereniging niet iets geschapens te zijn.
2. Praeterea, finis est potissimum in unoquoque. Sed finis unionis est divina hypostasis, sive persona, ad quam terminata est unio. Ergo videtur, quod hujusmodi unio maxime debeat judicari secundum conditionem divinae hypostasis. Quae non est aliquid creatum. Ergo nec ipsa unio est aliquid creatum.
2. Het doel is in alles van het meeste belang. Maar het doel van de vereeniging is de goddelijke hypostase of natuur, waarin de vereeniging haar eindterm vindt. Vandaar schijnt het, dat men deze vereeniging vooral moet beoordeelen naar de aard van de goddelijke hypostase, die niet iets geschapens is. Daarom is de vereeniging ook niet iets geschapens.2. Het doel is in alles van het meeste belang. Maar het doel van de vereniging is de goddelijke hypostase of natuur, waarin de vereniging haar eindterm vindt. Vandaar schijnt het, dat men deze vereniging vooral moet beoordelen naar de aard van de goddelijke hypostase, die niet iets geschapens is. Daarom is de vereniging ook niet iets geschapens.
803. Praeterea, « Propter quod unumquodque, et illud magis », ut dicit Philos. [lib. 1. Poster. cap. 2. n. 5. S. Th. lect. 6.]. Sed homo dicitur esse creator propter unionem. Ergo multo magis ipsa unio non est aliquid creatum, sed creator.
803. Datgene waarom iets is, is meer dan dit, zooals de Philosoof zegt (Over de Redeneering, Ie B., 2e H.). Maar om de vereeniging werd de mensch Schepper genoemd. Daarom is veel minder nog die vereeniging iets geschapens, maar schepper.803. Datgene waarom iets is, is meer dan dit, zoals de Filosoof zegt (Over de Redenering, 1e B., 2e H.). Maar om de vereniging werd de mens Schepper genoemd. Daarom is veel minder nog die vereniging iets geschapens, maar schepper.
Sed contra, omne1 quod incipit esse ex tempore, est creatum. Sed unio illa ab aeterno non fuit, sed incepit esse ex tempore. Ergo unio est aliquid creatum.
Daartegen is echter, dat wat in den tijd begint te bestaan, iets geschapens is. Nu was die vereeniging er niet van eeuwigheid, maar zij begon in den tijd te bestaan. Dus is de vereeniging iets geschapens.Daartegen is echter, dat wat in de tijd begint te bestaan, iets geschapens is. Nu was die vereniging er niet van eeuwigheid, maar zij begon in de tijd te bestaan. Dus is de vereniging iets geschapens.
Respondeo dicendum, quod unio, de qua loquimur, est relatio quaedam, quae consideratur inter divinam naturam, et humanam, secundum quod conveniunt in una persona Filii Dei: sicut autem in 1. parte dictum est [q. 13. art. 7.], omnis relatio, quae consideratur inter Deum, et creaturam, realiter quidem est in creatura, per cujus mutationem talis relatio innascitur: non autem est realiter in Deo, sed secundum rationem tantum; quia non innascitur2 secundum mutationem Dei. Sic ergo3 81dicendum est, quod haec unio, de qua loquimur, non est in Deo realiter, sed secundum rationem tantum: in humana autem natura, quae creatura quaedam est, realiter est. Et ideo oportet dicere, quod sit quiddam4 creatum.
Leerstelling. — De vereeniging, waarover wij spreken, is een verhouding die wij vinden tusschen de goddelijke en menschelijke natuur, in zoover zij beiden zijn in den eenen persoon van Gods Zoon. Nu is, zooals in het eerste deel gezegd is (13e Kw., 7e Art.), iedere verhouding, die wij vinden tusschen God en het schepsel, werkelijk in het schepsel, omdat zij ontstaat door verandering daarvan; maar in God bestaat zij niet werkelijk, maar alleen naar onze manier van beschouwen, omdat zij niet ontstaat door een 81verandering in God. Wij moeten dus zeggen, dat de vereeniging, waarover wij spreken, in God niet werkelijk bestaat, maar alleen naar onze manier van beschouwen, maar zij bestaat werkelijk in de menschelijke natuur, die een schepsel is. En daarom moeten wij zeggen, dat zij iets geschapens is.Leerstelling. — De vereniging, waarover wij spreken, is een verhouding die wij vinden tussen de goddelijke en menselijke natuur, in zover zij beiden zijn in de ene persoon van Gods Zoon. Nu is, zoals in het eerste deel gezegd is (13e Kw., 7e Art.), iedere verhouding, die wij vinden tussen God en het schepsel, werkelijk in het schepsel, omdat zij ontstaat door verandering daarvan; maar in God bestaat zij niet werkelijk, maar alleen naar onze manier van beschouwen, omdat zij niet ontstaat door een 81verandering in God. Wij moeten dus zeggen, dat de vereniging, waarover wij spreken, in God niet werkelijk bestaat, maar alleen naar onze manier van beschouwen, maar zij bestaat werkelijk in de menselijke natuur, die een schepsel is. En daarom moeten wij zeggen, dat zij iets geschapens is.
Ad primum ergo dicendum, quod haec unio non est in Deo realiter, sed5 secundum rationem tantum: dicitur enim Deus unitus creaturae ex hoc, quod creatura est unita Deo absque ejus mutatione6.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Deze vereeniging bestaat niet werkelijk in God, maar alleen naar onze wijze van beschouwen, want wij noemen God met het schepsel hierom vereenigd, dat het schepsel werkelijk met God vereenigd is, zonder dat Hij verandert.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Deze vereniging bestaat niet werkelijk in God, maar alleen naar onze wijze van beschouwen, want wij noemen God met het schepsel hierom verenigd, dat het schepsel werkelijk met God verenigd is, zonder dat Hij verandert.
Ad secundum dicendum, quod ratio relationis, sicut et motus, dependet ex fine, vel termino: sed esse ejus dependet a7 subjecto; et quia unio talis non habet esse reale, nisi in natura creata, ut dictum est [in corp.], consequens est, quod habeat esse creatum.
2. Een betrekking hangt, naar het begrip evenals beweging af van haar eindterm, maar haar bestaan hangt af van het ding, waarin zij is. En omdat nu die vereeniging niet werkelijk bestaat tenzij in het schepsel, zooals gezegd is (in de Leerstelling), heeft zij een geschapen bestaan.2. Een betrekking hangt, naar het begrip evenals beweging af van haar eindterm, maar haar bestaan hangt af van het ding, waarin zij is. En omdat nu die vereniging niet werkelijk bestaat tenzij in het schepsel, zoals gezegd is (in de Leerstelling), heeft zij een geschapen bestaan.
Ad tertium dicendum, quod homo dicitur creator8, et est Deus propter unionem, inquantum terminatur ad hypostasim divinam: non tamen 82sequitur, quod ipsa unio sit creator, vel Deus: quia quod aliquid dicatur creatum, hoc magis respicit esse ipsius, quam rationem9.
3. De mensch wordt schepper genoemd en is God om de vereeniging, in zoover deze haar eindterm vindt in de goddelijke 82hypostase; maar daaruit volgt niet, dat de vereeniging zelf schepper of God is, want als iets geschapen wordt genoemd, slaat dat meer op zijn bestaan dan op zijn aard.3. De mens wordt schepper genoemd en is God om de vereniging, in zover deze haar eindterm vindt in de goddelijke 82hypostase; maar daaruit volgt niet, dat de vereniging zelf schepper of God is, want als iets geschapen wordt genoemd, slaat dat meer op zijn bestaan dan op zijn aard.
Is de Vereeniging van het Menschgeworden Woord hetzelfde als de Aanneming?Is de Vereniging van het Mensgeworden Woord hetzelfde als de Aanneming?
82Ad octavum sic proceditur. Videtur, quod idem sit unio, quod assumptio. Relationes enim, sicut et motus, specificantur secundum terminum. Sed idem est terminus assumptionis, et unionis, scilicet divina hypostasis. Ergo videtur, quod non differant unio et assumptio.
82Bedenkingen. — Men beweert, dat vereeniging hetzelfde is als aanneming. — 1. Want betrekkingen, evenals bewegingen, worden soortelijk bepaald door hun eindterm. Maar de eindterm van vereeniging en aanneming is dezelfde, nl. de goddelijke hypostase. Daarom schijnen vereeniging en aanneming niet te verschillen.82Bedenkingen. — Men beweert, dat vereniging hetzelfde is als aanneming. — 1. Want betrekkingen, evenals bewegingen, worden soortelijk bepaald door hun eindterm. Maar de eindterm van vereniging en aanneming is dezelfde, nl. de goddelijke hypostase. Daarom schijnen vereniging en aanneming niet te verschillen.
2. Praeterea, in mysterio Incarnationis idem videtur esse uniens, et assumens, unitum, et assumptum. Sed unio, et assumptio videntur sequi 83actionem, et passionem unientis et uniti, vel assumentis et assumpti. Ergo videtur idem esse unio, quod assumptio.
2. Het schijnt, dat het in het mysterie van de Menschwording een en dezelfde is, die vereenigt en aanneemt, en ook een en hetzelfde, wat vereenigd en aangenomen wordt. Maar aanneming en 83vereeniging schijnen een gevolg te zijn van werking en ondergaan van hem die vereenigt en van wat vereenigd wordt, van hem, die aanneemt en van wat aangenomen wordt. Daarom schijnen vereeniging en aanneming hetzelfde te zijn.2. Het schijnt, dat het in het mysterie van de Menswording een en dezelfde is, die verenigt en aanneemt, en ook een en hetzelfde, wat verenigd en aangenomen wordt. Maar aanneming en 83vereniging schijnen een gevolg te zijn van werking en ondergaan van hem die verenigt en van wat verenigd wordt, van hem, die aanneemt en van wat aangenomen wordt. Daarom schijnen vereniging en aanneming hetzelfde te zijn.
3. Praeterea, Damascenus dicit in lib. 3. [Orth. Fid. cap. 11.]: « Aliud est unio, aliud incarnatio. Nam unio solam demonstrat copulationem; ad quid autem facta est non adhuc: humanatio autem, et incarnatio determinant, ad quem sit facta copulatio ». Sed similiter assumptio non determinat, ad quem facta sit copulatio. Ergo videtur unio idem esse, quod assumptio.
3. Damascenus zegt in het 3e boek Over het Ware Geloof (11e H.), dat « vereeniging en menschwording iets anders zijn, omdat vereeniging alleen samenvoeging beteekent, maar nog niet datgene, waarop die samenvoeging is gericht; maar menschwording en vleeschwording geven aan, wat de bedoeling was van die samenvoeging ». Maar aanneming geeft evenmin het doel der vereeniging aan. Dus schijnen aanneming en vereeniging hetzelfde te zijn.3. Damascenus zegt in het 3e boek Over het Ware Geloof (11e H.), dat “vereniging en menswording iets anders zijn, omdat vereniging alleen samenvoeging betekent, maar nog niet datgene, waarop die samenvoeging is gericht; maar menswording en vleeswording geven aan, wat de bedoeling was van die samenvoeging”. Maar aanneming geeft evenmin het doel van de vereniging aan. Dus schijnen aanneming en vereniging hetzelfde te zijn.
Sed contra est, quod divina natura dicitur esse unita, non autem assumpta.
Hiertegenover staat echter, dat men de goddelijke natuur wel vereenigd, maar niet aangenomen noemt.Hiertegenover staat echter, dat men de goddelijke natuur wel verenigd, maar niet aangenomen noemt.
Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est [art. praec.], unio importat relationem quamdam2 divinae naturae, et humanae, secundum quod conveniunt in una persona. Omnis autem relatio, quae incipit esse 84ex tempore, ex aliqua mutatione causatur. Mutatio autem consistit in actione, et passione. Sic ergo dicendum est, quod prima, et principalis differentia inter assumptionem et unionem est, quod unio importat ipsam relationem, assumptio autem actionem, secundum quam dicitur aliquis assumens; vel passionem, secundum quam dicitur aliquid assumptum. Ex hac autem differentia accipitur in facto esse; et ideo uniens dicitur esse unitum; assumens autem non dicitur esse assumptum. Natura enim humana significatur ut in termino assumptionis ad hypostasim divinam, per hoc quod dicitur « homo »; unde vere dicimus, quod Filius Dei, qui est uniens sibi humanam naturam, est homo. Sed humana natura, in se considerata, idest in abstracto, significatur ut assumpta: non autem dicimus, quod Filius Dei sit humana natura. Ex eadem3 etiam sequitur tertia differentia, quod relatio, praecipue aequiparantiae, non magis se habet ad unum extremum, quam ad aliud: actio autem, et passio diversimode se habent ad agens et patiens, et ad diversos terminos. Et ideo assumptio determinat terminum4 a quo, et 85ad quem: dicitur enim assumptio, quasi « ab alio ad se sumptio »; unio autem nihil horum determinat. Unde indifferenter dicitur, quod humana natura est unita divinae, et e converso. Non autem dicitur divina natura assumpta ab humana, sed e converso, quia humana natura adjuncta est ad personalitatem divinam, ut scilicet persona divina in humana natura subsistat.
Leerstelling. — Zooals gezegd is (in 't vorig artikel), geeft de vereeniging een betrekking tusschen de goddelijke en menschelijke natuur, in zoover dezen in een persoon vereenigd zijn. Nu wordt iedere betrekking, die in den tijd begint te bestaan, door een verandering veroorzaakt, en een verandering bestaat in 84werken en ondergaan. Men moet daarom zeggen, dat het eerste en voornaamste verschil tusschen vereeniging en aanneming hierin ligt, dat vereeniging de betrekking zelf aangeeft, maar de aanneming ofwel de daad, waardoor men iemand aannemend noemt, of het ondergaan, waardoor iets aangenomen heet. Uit dit eerste verschil volgt verder een tweede verschil: want aanneming beduidt het aannemen als gebeurend, terwijl vereeniging het vereenigen als gebeurd aangeeft; en daarom zegt men, dat wie vereenigt, vereenigd is, maar niet, dat wie aanneemt aangenomen is. Willen wij de menschelijke natuur aanduiden zooals zij is bij de eindterm van de aanneming tot de goddelijke hypostase, dan zeggen wij: mensch, en daarom zeggen wij terecht, dat Gods Zoon, die de menschelijke natuur met zich vereenigt, mensch is. Beschouwen wij echter de menschelijke natuur op zichzelf, dwz. in het abstract, dan nemen wij haar als wat aangenomen is; maar wij zeggen niet, dat Gods Zoon de menschelijke natuur is. Uit hetzelfde volgt ook het derde verschilpunt, dat de betrekking, vooral de even-gelijke, niet meer op de eene term slaat als de andere; maar werken en ondergaan verhouden zich anders tot dengene, die werkt en die ondergaat en tot de verschillende eindtermen. Daarom geeft de aanneming de 85term aan, waarvan zij uitgaat en waarop zij zich richt, want zij wordt aanneming genoemd in de beteekenis van: het genomen worden door een ander tot zich. Maar vereeniging bepaalt niets van deze dingen, zoodat men gelijkelijk kan zeggen, dat de menschelijke natuur met de goddelijke is vereenigd en omgekeerd. Maar men zegt niet, dat de goddelijke natuur door de menschelijke is aangenomen, doch omgekeerd, omdat de menschelijke natuur bij den goddelijken persoon is gevoegd, zoodat nl. de goddelijke persoon in de menschelijke natuur zelfstandig bestaat.Leerstelling. — Zoals gezegd is (in 't vorig artikel), geeft de vereniging een betrekking tussen de goddelijke en menselijke natuur, in zover deze in een persoon verenigd zijn. Nu wordt iedere betrekking, die in de tijd begint te bestaan, door een verandering veroorzaakt, en een verandering bestaat in 84werken en ondergaan. Men moet daarom zeggen, dat het eerste en voornaamste verschil tussen vereniging en aanneming hierin ligt, dat vereniging de betrekking zelf aangeeft, maar de aanneming ofwel de daad, waardoor men iemand aannemend noemt, of het ondergaan, waardoor iets aangenomen heet. Uit dit eerste verschil volgt verder een tweede verschil: want aanneming beduidt het aannemen als gebeurend, terwijl vereniging het verenigen als gebeurd aangeeft; en daarom zegt men, dat wie verenigt, verenigd is, maar niet, dat wie aanneemt aangenomen is. Willen wij de menselijke natuur aanduiden zoals zij is bij de eindterm van de aanneming tot de goddelijke hypostase, dan zeggen wij: mens, en daarom zeggen wij terecht, dat Gods Zoon, die de menselijke natuur met zich verenigt, mens is. Beschouwen wij echter de menselijke natuur op zichzelf, dwz. in het abstract, dan nemen wij haar als wat aangenomen is; maar wij zeggen niet, dat Gods Zoon de menselijke natuur is. Uit hetzelfde volgt ook het derde verschilpunt, dat de betrekking, vooral de even-gelijke, niet meer op de ene term slaat als de andere; maar werken en ondergaan verhouden zich anders tot dengene, die werkt en die ondergaat en tot de verschillende eindtermen. Daarom geeft de aanneming de 85term aan, waarvan zij uitgaat en waarop zij zich richt, want zij wordt aanneming genoemd in de betekenis van: het genomen worden door een ander tot zich. Maar vereniging bepaalt niets van deze dingen, zodat men gelijkelijk kan zeggen, dat de menselijke natuur met de goddelijke is verenigd en omgekeerd. Maar men zegt niet, dat de goddelijke natuur door de menselijke is aangenomen, doch omgekeerd, omdat de menselijke natuur bij de goddelijke persoon is gevoegd, zodat nl. de goddelijke persoon in de menselijke natuur zelfstandig bestaat.
Ad primum ergo dicendum, quod unio, et assumptio non eodem modo se habent ad terminum, sed diversimode, sicut dictum est [in corp. art.].
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Vereeniging en aanneming verhouden zich niet op dezelfde manier tot de eindterm, maar op andere wijze, zooals boven is gezegd (in de Leerstelling).Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Vereniging en aanneming verhouden zich niet op dezelfde manier tot de eindterm, maar op andere wijze, zoals boven is gezegd (in de Leerstelling).
Ad secundum dicendum, quod uniens, et assumens, non omnino sunt idem: nam omnis persona assumens est uniens, non autem e converso. Nam persona Patris univit naturam humanam Filio, non autem sibi; et ideo dicitur uniens, non assumens quasi ad se sumens: persona autem Filii, quae sibi humanam naturam univit, est uniens, et assumens5, et 86similiter non est idem unitum, et assumptum: nam divina natura dicitur unita, et non assumpta.
2. Wie aanneemt en wie vereenigt, zijn niet heel en al dezelfden, want ieder persoon, die aanneemt, vereenigt ook, maar dat is niet omkeerbaar. De persoon van den Vader immers vereenigde de menschelijke natuur met zijn Zoon, maar niet met zichzelf, en daarom zeggen wij, dat Hij vereenigde, maar niet dat Hij aannam, in den zin van « tot Zich nam »; maar de persoon van den Zoon, die de menschelijke natuur met zich vereenigde, is die vereenigt en die aanneemt. Evenzoo is datgene, wat vereenigd en wat 86aangenomen wordt, niet hetzelfde, want de goddelijke natuur wordt vereenigd, maar niet aangenomen genoemd.2. Wie aanneemt en wie verenigt, zijn niet heel en al dezelfden, want ieder persoon, die aanneemt, verenigt ook, maar dat is niet omkeerbaar. De persoon van de Vader immers verenigde de menselijke natuur met zijn Zoon, maar niet met zichzelf, en daarom zeggen wij, dat Hij verenigde, maar niet dat Hij aannam, in de zin van “tot Zich nam”; maar de persoon van de Zoon, die de menselijke natuur met zich verenigde, is die verenigt en die aanneemt. Evenzo is datgene, wat verenigd en wat 86aangenomen wordt, niet hetzelfde, want de goddelijke natuur wordt verenigd, maar niet aangenomen genoemd.
Ad tertium dicendum, quod assumptio determinat, cui facta est copulatio, ex parte assumentis, inquantum assumptio dicitur, quasi « ad se sumptio ». Sed incarnatio, et humanatio ex parte assumpti, quod est caro, vel natura humana. Et ideo assumptio differt ratione et ab unione, et ab incarnatione, seu humanatione.
3. De aanneming bepaalt dengene nader met wie iets verbonden is, beschouwd van de kant van hem, die aanneemt, want men spreekt van aannemen in den zin van « tot zich nemen ». Maar vleeschwording en menschwording bepalen de verbinding nader, bezien van de kant van datgene, wat aangenomen wordt, nl. het vleesch of de menschelijke natuur. Daarom verschilt aanneming naar het begrip zoowel van vereeniging als van vleeschwording of menschwording.3. De aanneming bepaalt dengene nader met wie iets verbonden is, beschouwd van de kant van hem, die aanneemt, want men spreekt van aannemen in de zin van “tot zich nemen”. Maar vleeswording en menswording bepalen de verbinding nader, bezien van de kant van datgene, wat aangenomen wordt, nl. het vlees of de menselijke natuur. Daarom verschilt aanneming naar het begrip zowel van vereniging als van vleeswording of menswording.
Utrum unio duarum naturarum in Christo sit maxima unionum
Is de vereeniging van twee naturen in Christus de grootste vereeniging?Is de vereniging van twee naturen in Christus de grootste vereniging?
86Ad nonum sic proceditur. Videtur, quod unio duarum naturarum in Christo1 non sit maxima unionum. Unitum enim deficit in ratione unitatis ab eo, quod est unum; eo quod unitum dicitur per participationem, 87unum autem per essentiam. Sed in rebus creatis aliquid dicitur simpliciter esse unum; sicut praecipue patet de unitate ipsa, quae est principium numeri. Ergo hujusmodi unio, de qua loquimur, non importat maximam unitatem.
86Bedenkingen. — Men beweert, dat de vereeniging van twee naturen in Christus niet de grootste vereeniging is. — 1. Want wat vereenigd is, staat voor wat het een-zijn betreft, lager dan wat één is, daar iets vereenigd wordt genoemd, omdat het deelt in het 87éénzijn, maar één, omdat het door zijn wezen een is. Bij de geschapen dingen echter is er ook iets, dat zonder de minste beperking één wordt genoemd, zooals blijkt uit de eenheid zelf, die beginsel van het getal is. En daarom bezit de vereeniging, waarover wij spreken, niet de grootste eenheid.86Bedenkingen. — Men beweert, dat de vereniging van twee naturen in Christus niet de grootste vereniging is. — 1. Want wat verenigd is, staat voor wat het een-zijn betreft, lager dan wat één is, daar iets verenigd wordt genoemd, omdat het deelt in het 87eenzijn, maar één, omdat het door zijn wezen een is. Bij de geschapen dingen echter is er ook iets, dat zonder de minste beperking één wordt genoemd, zoals blijkt uit de eenheid zelf, die beginsel van het getal is. En daarom bezit de vereniging, waarover wij spreken, niet de grootste eenheid.
2. Praeterea, quanto ea quae uniuntur, magis distant, tanto minor est unio. Sed ea quae secundum hanc unionem uniuntur, maxime distant: scilicet natura divina, et humana: distant enim in infinitum. Ergo hujusmodi est minima unio.
2. Zooveel te grooter de afstand is tusschen de dingen, die vereenigd worden, zooveel te minder zijn zij één. Maar de afstand tusschen de dingen, die bij deze vereeniging worden vereenigd, nl. de goddelijke en menschelijke natuur, is zoo groot mogelijk, want zij staan op oneindige afstand van elkaar. Daarom hebben wij hier de kleinste eenheid.2. Zoveel te groter de afstand is tussen de dingen, die verenigd worden, zoveel te minder zijn zij één. Maar de afstand tussen de dingen, die bij deze vereniging worden verenigd, nl. de goddelijke en menselijke natuur, is zo groot mogelijk, want zij staan op oneindige afstand van elkaar. Daarom hebben wij hier de kleinste eenheid.
3. Praeterea, per unionem fit aliquid unum. Sed ex unione animae, et corporis in nobis fit aliquid unum in persona, et natura: ex unione autem divinae, et humanae naturae fit aliquid unum solum in persona. Ergo major est unio animae ad corpus, quam divinae naturae ad humanam. Et sic unio, de qua loquimur, non importat maximam unitatem.
3. Door vereeniging wordt iets één. Nu ontstaat er bij ons door de vereeniging van ziel en lichaam eenheid in natuur en in persoon, maar door de vereeniging van de goddelijke en menschelijke natuur ontstaat alleen eenheid in persoon. Dus is de vereeniging tusschen ziel en lichaam grooter dan die tusschen goddelijke en menschelijke natuur, en daarom geeft de vereeniging waarvan wij spreken, niet de grootste eenheid.3. Door vereniging wordt iets één. Nu ontstaat er bij ons door de vereniging van ziel en lichaam eenheid in natuur en in persoon, maar door de vereniging van de goddelijke en menselijke natuur ontstaat alleen eenheid in persoon. Dus is de vereniging tussen ziel en lichaam groter dan die tussen goddelijke en menselijke natuur, en daarom geeft de vereniging waarvan wij spreken, niet de grootste eenheid.
Sed contra est, quod Augustinus dicit in 1. de Trinit. [cap. 10.] « quod homo potius est in Filio Dei, quam Filius in Patre ». Filius autem 88est in Patre per unitatem essentiae, homo vero est in Filio per unionem incarnationis. Ergo major est unio incarnationis, quam unitas divinae essentiae, quae tamen est maxima, unionum2, et sic per consequens unio incarnationis importat maximam unitatem.
Daartegenover kan men echter het woord van Augustinus in het 1e boek Over de Drievuldigheid (10e H.) stellen: « de mensch is meer in Gods Zoon dan de Zoon in den Vader ». Maar de Zoon 88is in den Vader door eenheid in wezenheid, en de mensch in den Zoon door de vereeniging der menschwording. Dus is de vereeniging van de menschwording grooter dan de eenheid van de goddelijke wezenheid, en toch is dit de grootste eenheid; en daaruit volgt, dat de vereeniging der menschwording de grootste eenheid meebrengt.Daartegenover kan men echter het woord van Augustinus in het 1e boek Over de Drievuldigheid (10e H.) stellen: “de mens is meer in Gods Zoon dan de Zoon in de Vader”. Maar de Zoon 88is in de Vader door eenheid in wezenheid, en de mens in de Zoon door de vereniging van de menswording. Dus is de vereniging van de menswording groter dan de eenheid van de goddelijke wezenheid, en toch is dit de grootste eenheid; en daaruit volgt, dat de vereniging van de menswording de grootste eenheid meebrengt.
Respondeo dicendum, quod unio importat conjunctionem aliquorum in aliquo uno. Potest ergo unio incarnationis dupliciter accipi: uno modo ex parte eorum quae conjunguntur: alio modo ex parte ejus, in quo conjunguntur. Et ex hac parte hujusmodi unio habet praeeminentiam inter alias uniones nam unitas personae divinae, in qua uniuntur duae naturae, est maxima: non autem habet praeeminentiam ex parte eorum, quae conjunguntur.
Leerstelling. — Vereeniging beteekent samenvoeging van meerderen in iets eens. Men kan daarom de vereeniging der menschwording op twee manieren opvatten: bezien van de kant van wat samengevoegd wordt, en bezien van de kant van datgene, waarin zij vereenigd worden. En van dezen kant bezien heeft deze vereeniging den voorrang boven elke andere vereeniging, want de eenheid van de goddelijke persoon, waarin de twee naturen vereenigd worden, is de grootst mogelijke; maar zij staat niet bovenaan, bezien van de kant van wat vereenigd wordt.Leerstelling. — Vereniging betekent samenvoeging van meerderen in iets eens. Men kan daarom de vereniging van de menswording op twee manieren opvatten: bezien van de kant van wat samengevoegd wordt, en bezien van de kant van datgene, waarin zij verenigd worden. En van deze kant bezien heeft deze vereniging de voorrang boven elke andere vereniging, want de eenheid van de goddelijke persoon, waarin de twee naturen verenigd worden, is de grootst mogelijke; maar zij staat niet bovenaan, bezien van de kant van wat verenigd wordt.
Ad primum ergo dicendum, quod unitas divinae personae est major, quam unitas numeralis, quae scilicet est principium numeri; nam unitas 89divinae personae est unitas increata3 per se subsistens, non recepta in aliquo per participationem: est etiam in se completa, habens in se quidquid pertinet ad rationem unitatis. Et ideo non competit sibi ratio partis, sicut unitati numerali, quae est pars numeri, et quae participatur in rebus numeratis. Et ideo quantum ad hoc unio incarnationis praeeminet unitati numerali, ratione scilicet unitatis divinae4 personae, non autem ratione naturae humanae, quae non est ipsa unitas divinae personae, sed est ei unita.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De eenheid van de goddelijke persoon is grooter dan de getalseenheid, die het beginsel van het getal is. Want de eenheid van de goddelijke persoon 89is een ongeschapen eenheid, die zelfstandig bestaat en niet door deelhebbing in een ander wordt ontvangen; ook is zij in zich zelf volmaakt, omdat zij alles in zich heeft, wat tot het begrip eenheid behoort. Daarom ook kan zij niet als deel optreden, zooals de getalseenheid, die een deel van het getal is en waaraan de getelde dingen deelhebben. De vereeniging van de menschwording heeft dus, wat dit betreft de voorrang, om de eenheid van den goddelijken persoon, maar niet om de menschelijke natuur, die niet de eenheid zelf is van de goddelijke persoon, maar daarmee is vereenigd.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De eenheid van de goddelijke persoon is groter dan de getalseenheid, die het beginsel van het getal is. Want de eenheid van de goddelijke persoon 89is een ongeschapen eenheid, die zelfstandig bestaat en niet door deelhebbing in een ander wordt ontvangen; ook is zij in zichzelf volmaakt, omdat zij alles in zich heeft, wat tot het begrip eenheid behoort. Daarom ook kan zij niet als deel optreden, zoals de getalseenheid, die een deel van het getal is en waaraan de getelde dingen deelhebben. De vereniging van de menswording heeft dus, wat dit betreft de voorrang, om de eenheid van de goddelijke persoon, maar niet om de menselijke natuur, die niet de eenheid zelf is van de goddelijke persoon, maar daarmee is verenigd.
Ad secundum dicendum, quod ratio illa procedit ex parte conjunctorum, non autem ex parte personae, in qua facta est unio.
2. Dit bezwaar gaat uit van de dingen, die vereenigd zijn, en niet van den persoon, waarin zij vereenigd zijn.2. Dit bezwaar gaat uit van de dingen, die verenigd zijn, en niet van de persoon, waarin zij verenigd zijn.
Ad tertium dicendum, quod unitas divinae personae est major unitas, quam unitas et personae, et naturae in nobis; et ideo unio incarnationis est major, quam unio animae, et corporis in nobis.
3. De eenheid van de goddelijke persoon is grooter dan de eenheid in natuur en persoon bij ons; daarom is de eenheid van de menschwording grooter dan de eenheid tusschen ziel en lichaam bij ons.3. De eenheid van de goddelijke persoon is groter dan de eenheid in natuur en persoon bij ons; daarom is de eenheid van de menswording groter dan de eenheid tussen ziel en lichaam bij ons.
Quia vero illud quod in contrarium objicitur, falsum supponit, scilicet quod major sit unio incarnationis, quam unitas personarum divinarum in essentia, dicendum est ad auctoritatem Augustini, quod humana natura 90non est magis in Filio Dei, quam Filius Dei in Patre, sed multo minus: sed ipse homo quantum ad aliquid est in Filio magis, quam Filius in Patre: inquantum scilicet idem supponitur in hoc quod dico « homo », prout sumitur pro Christo, et in hoc quod dico « Filius Dei »: non autem est idem suppositum Patris, et Filii.
Omdat het daartegenover gestelde bewijs een verkeerde veronderstelling maakt, nl. dat de eenheid van de menschwording grooter zou zijn dan de eenheid in wezen der goddelijke personen, moeten wij op de tekst van Augustinus antwoorden, dat de menschelijke 90natuur niet meer in den Zoon is dan de Zoon in den Vader, maar veel minder. In zeker opzicht echter is de mensch meer in den Zoon dan de Zoon in den Vader, omdat er nl. dezelfde drager is van hem, dien ik mensch noem, als het over Christus gaat, en van Hem, dien ik Zoon Gods noem; maar de drager van Vader en Zoon is niet dezelfde.Omdat het daartegenover gestelde bewijs een verkeerde veronderstelling maakt, nl. dat de eenheid van de menswording groter zou zijn dan de eenheid in wezen van de goddelijke personen, moeten wij op de tekst van Augustinus antwoorden, dat de menselijke 90natuur niet meer in de Zoon is dan de Zoon in de Vader, maar veel minder. In zeker opzicht echter is de mens meer in de Zoon dan de Zoon in de Vader, omdat er nl. dezelfde drager is van hem, die ik mens noem, als het over Christus gaat, en van Hem, die ik Zoon Gods noem; maar de drager van Vader en Zoon is niet dezelfde.
Utrum unio duarum naturarum in Christo sit facta per gratiam1
Wordt de vereeniging der twee naturen in Christus door de genade bewerkt?Wordt de vereniging van de twee naturen in Christus door de genade bewerkt?
90Ad decimum sic proceditur. Videtur, quod unio incarnationis non sit facta2 per gratiam. Gratia enim est accidens quoddam, ut in secunda parte habitum est [1-2. q. 110. art. 2.]. Sed humanae naturae unio ad divinam non est facta per accidens, ut supra ostensum est [art. 6. huj. q.]. Ergo videtur, quod unio incarnationis non sit facta per gratiam.
90Bedenkingen. — Men beweert, dat de vereeniging der twee naturen in Christus niet door de genade bewerkt is. — 1. Want de genade is iets bijkomstigs, zooals in het tweede deel is uiteengezet (1-2, 110e Kw., 2e Art.). De vereeniging echter van de menschelijke natuur met de goddelijke is niet door iets bijkomstigs gemaakt, zooals boven aangetoond is (6e Art.). Dus schijnt de vereeniging der menschwording niet door de genade te zijn bewerkt.90Bedenkingen. — Men beweert, dat de vereniging van de twee naturen in Christus niet door de genade bewerkt is. — 1. Want de genade is iets bijkomstigs, zoals in het tweede deel is uiteengezet (1-2, 110e Kw., 2e Art.). De vereniging echter van de menselijke natuur met de goddelijke is niet door iets bijkomstigs gemaakt, zoals boven aangetoond is (6e Art.). Dus schijnt de vereniging van de menswording niet door de genade te zijn bewerkt.
912. Praeterea, gratiae subjectum est anima. Sed, sicut dicitur Colos. 2. [v. 9]: « In Christo inhabitavit plenitudo divinitatis corporaliter ». Ergo videtur, quod illa unio non sit facta per gratiam.
912. Het subject van de genade is de ziel. Maar « in Christus woonde de geheele volheid der godheid lichamelijk », zooals geschreven staat in den brief aan de Colossers (2e H. 9e v.). Daarom schijnt die vereeniging niet door de genade bewerkt te zijn.912. Het subject van de genade is de ziel. Maar “in Christus woonde de gehele volheid van de godheid lichamelijk”, zoals geschreven staat in de brief aan de Kolossenzen (2e H. 9e v.). Daarom schijnt die vereniging niet door de genade bewerkt te zijn.
3. Praeterea, quilibet Sanctus Deo unitur per gratiam. Si igitur unio incarnationis fuit per gratiam, videtur, quod non aliter dicatur Christus esse Deus, quam alii sancti homines.
3. Iedere heilige wordt met God door de genade vereenigd. Als dus de vereeniging der menschwording door de genade is geschied, schijnt Christus niet in een andere beteekenis God genoemd te worden dan andere heilige mannen.3. Iedere heilige wordt met God door de genade verenigd. Als dus de vereniging van de menswording door de genade is geschied, schijnt Christus niet in een andere betekenis God genoemd te worden dan andere heilige mannen.
Sed contra est, quod Augustinus dicit in lib. de Praedestinatione Sanctorum [cap. 15.]: « Ea gratia fit ab initio fidei suae homo quicumque Christianus, qua gratia homo ille ab initio suo factus est Christus ». Sed homo ille factus est Christus per unionem ad divinam naturam. Ergo unio illa fuit per gratiam.
Daartegenover kan men echter het woord van Augustinus aanhalen uit het boek Over de Voorbestemming der Heiligen (15e H.): « Iedere mensch wordt van de aanvang van zijn geloof af christen door die genade, waardoor die eene Mensch van het begin van zijn bestaan af Christus werd ». Maar die Mensch werd Christus door zijn vereeniging met de goddelijke natuur. Dus werd die vereeniging door de genade bewerkt.Daartegenover kan men echter het woord van Augustinus aanhalen uit het boek Over de Voorbestemming van de Heiligen (15e H.): “Iedere mens wordt van de aanvang van zijn geloof af christen door die genade, waardoor die ene Mens van het begin van zijn bestaan af Christus werd”. Maar die Mens werd Christus door zijn vereniging met de goddelijke natuur. Dus werd die vereniging door de genade bewerkt.
Respondeo dicendum, quod, sicut in 2. parte dictum est [1-2. q. 110. art. 1.], gratia dupliciter dicitur: uno modo ipsa voluntas Dei gratis aliquid dantis: alio modo ipsum gratuitum donum Dei. Indiget autem humana 92natura gratuita Dei voluntate, ad hoc quod elevetur in Deum, cum hoc sit supra facultatem suae naturae. Elevatur autem humana natura in Deum dupliciter. Uno modo per operationem, qua scilicet sancti cognoscunt, et amant Deum. Alio modo per esse personale, qui quidem modus est singularis Christo, in quo humana natura, assumpta est ad hoc, quod sit persona3 Filii Dei. Manifestum est autem, quod ad perfectionem operationis requiritur, quod potentia sit perfecta per habitum: sed quod natura habeat esse in supposito suo non fit mediante aliquo habitu.
Leerstelling. — Zooals in het tweede deel is gezegd (1-2, 110e Kw., 1e Art.), beteekent de genade twee dingen: ten eerste de Wil van God zelf, die zonder verdiensten iets geeft, en ten tweede de gave zelf van God, die zonder verdiensten gegeven 92wordt. Nu heeft de menschelijke natuur Gods Wil, die zonder verdiensten geeft, noodig om tot God verheven te worden daar dit het vermogen der natuur te boven gaat. De menschelijke natuur wordt echter op twee manieren tot God verheven: ten eerste door haar werkzaamheid, waardoor nl. de heiligen God kennen en beminnen. Ten tweede in het bestaan van den persoon, maar deze wijze is alleen aan Christus voorbehouden, in wien de menschelijke natuur verheven is om tot den persoon van Gods Zoon te behooren. Nu is het duidelijk, dat voor een volmaakte werkzaamheid een vervolmaking van het werkend vermogen door een hebbelijkheid noodig is, maar dat de natuur het bestaan heeft in haar drager, wordt niet bewerkt door een hebbelijkheid.Leerstelling. — Zoals in het tweede deel is gezegd (1-2, 110e Kw., 1e Art.), betekent de genade twee dingen: ten eerste de Wil van God zelf, die zonder verdiensten iets geeft, en ten tweede de gave zelf van God, die zonder verdiensten gegeven 92wordt. Nu heeft de menselijke natuur Gods Wil, die zonder verdiensten geeft, nodig om tot God verheven te worden daar dit het vermogen van de natuur te boven gaat. De menselijke natuur wordt echter op twee manieren tot God verheven: ten eerste door haar werkzaamheid, waardoor nl. de heiligen God kennen en beminnen. Ten tweede in het bestaan van de persoon, maar deze wijze is alleen aan Christus voorbehouden, in wie de menselijke natuur verheven is om tot de persoon van Gods Zoon te behoren. Nu is het duidelijk, dat voor een volmaakte werkzaamheid een vervolmaking van het werkend vermogen door een hebbelijkheid nodig is, maar dat de natuur het bestaan heeft in haar drager, wordt niet bewerkt door een hebbelijkheid.
Sic ergo dicendum est, quod si gratia accipiatur ipsa Dei voluntas gratis aliquid faciens, vel gratum, seu acceptum aliquem habens, unio incarnationis facta est per gratiam, sicut et unio sanctorum ad Deum per cognitionem, et amorem. Si vero gratia dicatur ipsum gratuitum Dei donum, sic ipsum quod est humanam naturam esse unitam personae divinae, potest dici quaedam gratia; inquantum nullis praecedentibus meritis hoc 93est factum; non autem ita quod sit aliqua gratia habitualis, qua mediante talis unio fiat.
Als wij genade nemen in den zin van Gods Wil, die zonder verdiensten iets doet of in iemand behagen schept of hem « in genade » aanneemt, dan moeten wij zeggen dat de vereeniging der menschwording door de genade is geschied, evenals de vereeniging der heiligen met God in kennen en beminnen. Noemen wij echter de gave Gods, die niet verdiend is, genade, dan kan men het een genade noemen, dat de menschelijke natuur met den goddelijken persoon vereenigd is, in zoover dit geschiedde zonder dat er eenige verdiensten aan vooraf gingen, maar men mag dit niet opvatten als 93een genade, die een soort hebbelijkheid is, waardoor die vereeniging zou geschieden.Als wij genade nemen in de zin van Gods Wil, die zonder verdiensten iets doet of in iemand behagen schept of hem “in genade” aanneemt, dan moeten wij zeggen dat de vereniging van de menswording door de genade is geschied, evenals de vereniging van de heiligen met God in kennen en beminnen. Noemen wij echter de gave Gods, die niet verdiend is, genade, dan kan men het een genade noemen, dat de menselijke natuur met de goddelijke persoon verenigd is, in zover dit geschiedde zonder dat er enige verdiensten aan vooraf gingen, maar men mag dit niet opvatten als 93een genade, die een soort hebbelijkheid is, waardoor die vereniging zou geschieden.
Ad primum ergo dicendum, quod gratia, quae est accidens, est quaedam similitudo divinitatis participata in homine. Per incarnationem autem humana natura non dicitur participasse similitudinem aliquam divinae naturae; sed dicitur esse conjuncta ipsi divinae naturae in persona Filii. Majus autem est ipsa res, quam similitudo ejus participata.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De genade, die iets bijkomstigs is, is een gelijkenis met de godheid, waarin de mensch deelt. Wij zeggen echter niet, dat de menschelijke natuur door de menschwording deelt in een gelijkenis met de goddelijke natuur, maar zij wordt met de goddelijke natuur vereenigd genoemd in den persoon van den Zoon. Maar het ding zelf is hooger in waarde dan de gelijkenis ervan, die wordt meegedeeld.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De genade, die iets bijkomstigs is, is een gelijkenis met de godheid, waarin de mens deelt. Wij zeggen echter niet, dat de menselijke natuur door de menswording deelt in een gelijkenis met de goddelijke natuur, maar zij wordt met de goddelijke natuur verenigd genoemd in de persoon van de Zoon. Maar het ding zelf is hoger in waarde dan de gelijkenis ervan, die wordt meegedeeld.
Ad secundum dicendum, quod gratia habitualis est solum in anima: sed gratia, idest gratuitum Dei donum, quod est uniri divinae personae, pertinet ad totam naturam humanam, quae componitur ex anima, et corpore. Et per hunc modum dicitur plenitudo divinitatis in Christo corporaliter habitasse, quia est unita divina natura non solum animae, sed etiam corpori:
2. Alleen de genade, die een hebbelijkheid is, is in de ziel. Maar de genade, dwz. de onverdiende gave Gods, die bestaat in het vereenigd zijn met den goddelijken persoon, komt toe aan de heele menschelijke natuur, die uit ziel en lichaam is samengesteld. En zoo zegt men, dat de volheid der godheid lichamelijk in Christus woont, omdat de goddelijke natuur niet alleen met de ziel is vereenigd, maar ook met het lichaam.2. Alleen de genade, die een hebbelijkheid is, is in de ziel. Maar de genade, dwz. de onverdiende gave Gods, die bestaat in het verenigd zijn met de goddelijke persoon, komt toe aan de hele menselijke natuur, die uit ziel en lichaam is samengesteld. En zo zegt men, dat de volheid van de godheid lichamelijk in Christus woont, omdat de goddelijke natuur niet alleen met de ziel is verenigd, maar ook met het lichaam.
Quamvis etiam possit dici, quod dicitur habitasse in Christo corporaliter, idest « non umbraliter », sicut habitavit in Sacramentis veteris legis, de 94quibus ibidem subditur quod sunt « umbra futurorum: corpus autem est Christus », prout scilicet corpus contra umbram dividitur.
Men zou echter ook kunnen zeggen, dat de volheid der Godheid in Christus lichamelijk woonde, niet gelijk een schaduw, zooals zij was in de sacramenten der Oude Wet, waarvan op dezelfde plaats wordt gezegd, dat zij maar een « schaduw waren van wat 94komen ging, maar het lichaam zelf is Christus », zoodat er een tegenstelling wordt gemaakt tusschen lichaam en schaduw.Men zou echter ook kunnen zeggen, dat de volheid van de Godheid in Christus lichamelijk woonde, niet gelijk een schaduw, zoals zij was in de sacramenten van de Oude Wet, waarvan op dezelfde plaats wordt gezegd, dat zij maar een “schaduw waren van wat 94komen ging, maar het lichaam zelf is Christus”, zodat er een tegenstelling wordt gemaakt tussen lichaam en schaduw.
Dicunt etiam quidam, quod divinitas dicitur in Christo habitasse corporaliter, idest tribus modis: sicut corpus habet tres dimensiones: uno modo per essentiam, praesentiam, et potentiam, sicut in caeteris creaturis: alio modo per gratiam gratum facientem; sicut in sanctis: tertio per unionem personalem, quod est proprium sibi.
Anderen zeggen ook nog, dat gesproken wordt van een wonen der godheid in Christus op lichamelijke wijze, nl. op drie manieren, zooals het lichaam drie afmetingen heeft: op de eerste manier door wezenheid, tegenwoordigheid en macht als bij de andere schepselen; vervolgens door de heiligmakende genade, zooals bij de heiligen; ten derde door de vereeniging in persoon, die aan Christus eigen is.Anderen zeggen ook nog, dat gesproken wordt van een wonen van de godheid in Christus op lichamelijke wijze, nl. op drie manieren, zoals het lichaam drie afmetingen heeft: op de eerste manier door wezenheid, tegenwoordigheid en macht als bij de andere schepselen; vervolgens door de heiligmakende genade, zoals bij de heiligen; ten derde door de vereniging in persoon, die aan Christus eigen is.
Unde patet responsio ad tertium: quia scilicet unio incarnationis non est facta solum per gratiam habitualem, sicut alii sancti uniuntur Deo, sed secundum subsistentiam, sive personam.
3. Dit blijkt uit het voorafgaande: want de vereeniging der menschwording is niet alleen bewerkt door de genade, die een hebbelijkheid is, zooals de andere heiligen met God vereenigd worden, maar in het zelfstandig bestaan of den persoon.3. Dit blijkt uit het voorafgaande: want de vereniging van de menswording is niet alleen bewerkt door de genade, die een hebbelijkheid is, zoals de andere heiligen met God verenigd worden, maar in het zelfstandig bestaan of de persoon.
Utrum unionem verbi incarnati aliqua merita praecesserint1
Gingen aan de vereeniging der Menschwording verdiensten vooraf?Gingen aan de vereniging van de Menswording verdiensten vooraf?
94Ad undecimum sic proceditur. Videtur, quod unio incarnationis fuerit 95aliqua merita subsecuta; quia, super illud Psal. 32. [v. 22]: « Fiat misericordia tua super nos, quemadmodum », etc., dicit Gloss.: « Hic insinuatur desiderium Prophetae de incarnatione, et meritum impletionis ». Ergo incarnatio cadit sub merito.
94Bedenkingen. — Men beweert, dat aan de vereeniging der menschwording verdiensten vooraf gingen. — 1. Want bij deze 95woorden van den 32e psalm (v. 22): « Uw barmhartigheid kome over ons, o Heer, zooals wij op U gehoopt hebben », zegt de Glossa: « Hier wordt het verlangen van den Profeet naar de menschwording aangegeven, en de verdiensten, waardoor het werd vervuld ». Dus kon de menschwording worden verdiend.94Bedenkingen. — Men beweert, dat aan de vereniging van de menswording verdiensten vooraf gingen. — 1. Want bij deze 95woorden van de 32e psalm (v. 22): “Uw barmhartigheid kome over ons, o Heer, zoals wij op U gehoopt hebben”, zegt de Glossa: “Hier wordt het verlangen van de Profeet naar de menswording aangegeven, en de verdiensten, waardoor het werd vervuld”. Dus kon de menswording worden verdiend.
2. Praeterea, quicumque meretur aliquid, meretur illud, sine quo illud haberi non potest. Sed antiqui Patres merebantur vitam aeternam, ad quam pervenire non poterant, nisi per incarnationem: dicit enim Gregorius in lib. 13. Moral. [cap. 43.]: « Hi qui ante Christi adventum in hunc mundum venerunt, quantamlibet justitiae virtutem haberent, ex corporibus educti, in sinum coelestis patriae statim recipi nullo modo poterant: quia nondum ille venerat, qui justorum animas in perpetua sede collocaret ». Ergo videtur, quod meruerint incarnationem.
2. Wie iets verdient, verdient ook datgene zonder wat het niet kan worden bereikt. De oude Vaders echter verdienden het eeuwige leven, dat zij niet konden bereiken tenzij door de menschwording; Gregorius immers zegt in het boek Over de Zedenkundige verhandelingen (3e H.): « Al waren zij, die vóór de komst van Christus op deze wereld kwamen, nog zoo rechtvaardig, toch konden zij na hun uitgaan uit het lichaam niet onmiddellijk in den schoot van het hemelsch vaderland worden opgenomen, omdat Hij nog niet gekomen was, die de zielen der rechtvaardigen op den eeuwigen troon zou plaatsen ». Dus schijnen zij de menschwording te hebben verdiend.2. Wie iets verdient, verdient ook datgene zonder wat het niet kan worden bereikt. De oude Vaders echter verdienden het eeuwige leven, dat zij niet konden bereiken tenzij door de menswording; Gregorius immers zegt in het boek Over de Zedenkundige verhandelingen (3e H.): “Al waren zij, die vóór de komst van Christus op deze wereld kwamen, nog zo rechtvaardig, toch konden zij na hun uitgaan uit het lichaam niet onmiddellijk in de schoot van het hemels vaderland worden opgenomen, omdat Hij nog niet gekomen was, die de zielen van de rechtvaardigen op de eeuwige troon zou plaatsen”. Dus schijnen zij de menswording te hebben verdiend.
3. Praeterea, de beata Virgine cantatur, quod « Dominum omnium meruit portare »; quod quidem factum est per incarnationem. Ergo incarnatio cadit sub merito.
3. Van de H. Maagd zingen wij, dat zij « den Heer van alles verdiende te dragen », en dit geschiedde door de menschwording. Dus kan de menschwording verdiend worden.3. Van de H. Maagd zingen wij, dat zij “de Heer van alles verdiende te dragen”, en dit geschiedde door de menswording. Dus kan de menswording verdiend worden.
Sed contra est, quod Augustinus dicit in lib. de Praedestin. Sanct. 96[cap. 15.]: « Quisquis in capite nostro praecedentia merita singularis illius generationis invenerit, ipse in nobis membris ejus praecedentia merita multiplicatae regenerationis inquirat ». Sed nulla merita praecesserunt regenerationem nostram, secundum illud ad Titum 3. [v. 5]: « Non ex operibus justitiae, quae fecimus nos, sed secundum suam misericordiam salvos fecit per lavacrum regenerationis ». Ergo nec illam Christi generationem aliqua merita praecesserunt.
Daartegenover kan men echter het woord van Augustinus in 96het boek Over de Voorbestemming der Heiligen (15e H.) stellen: « Wie in ons Hoofd verdiensten vindt, die aan die bijzondere geboorte voorafgingen, hij zoeke bij ons, zijn ledematen, verdiensten, die aan de herhaalde wedergeboorte voorafgaan ». Maar geen verdiensten gingen aan onze wedergeboorte vooraf naar het woord in den Brief aan Titus (3, 5), « Niet om werken van rechtvaardigheid, die wij gedaan hebben, maar door zijn barmhartigheid redde Hij ons door het water der wedergeboorte ». Dus gingen ook aan de geboorte van Christus geen verdiensten vooraf.Daartegenover kan men echter het woord van Augustinus in 96het boek Over de Voorbestemming van de Heiligen (15e H.) stellen: “Wie in ons Hoofd verdiensten vindt, die aan die bijzondere geboorte voorafgingen, hij zoeke bij ons, zijn ledematen, verdiensten, die aan de herhaalde wedergeboorte voorafgaan”. Maar geen verdiensten gingen aan onze wedergeboorte vooraf naar het woord in de Brief aan Titus (3, 5), “Niet om werken van rechtvaardigheid, die wij gedaan hebben, maar door zijn barmhartigheid redde Hij ons door het water van de wedergeboorte”. Dus gingen ook aan de geboorte van Christus geen verdiensten vooraf.
Respondeo dicendum, quod quantum ad ipsum Christum, manifestum est ex praemissis [art. praec.], quod nulla ejus merita potuerunt praecedere unionem. Non enim ponimus, quod ante fuerit purus homo, et postea per meritum bonae vitae obtinuerit esse Filius Dei; sicut posuit Photinus: sed ponimus, quod a principio suae conceptionis ille homo vere fuerit Filius Dei, utpote non habens aliam hypostasim, quam Filii Dei2, secundum illud Lucae 1. [v. 35]: « Quod ex te nascetur sanctum, vocabitur Filius 97Dei ». Et ideo omnis operatio illius hominis subsecuta est unionem. Ergo nulla ejus operatio potuit esse meritum unionis.
Leerstelling. — Uit het voorafgaande (in het vorige artikel) is het duidelijk, dat wat Christus zelf betreft, geen verdiensten van Hem aan de vereeniging konden voorafgaan. Wij beweren immers niet, dat Hij te voren een mensch zonder meer was, en daarna door de verdiensten van een goed leven verkreeg Gods Zoon te zijn, zooals Photinus beweerde; maar wij beweren, dat die mensch vanaf het oogenblik dat hij ontvangen werd, waarlijk Gods Zoon was, omdat hij geen andere hypostase heeft dan die van Gods Zoon, naar het woord van Lucas (1, 35): « Het heilige, dat uit U geboren wordt, zal de Zoon van God worden genoemd ». 97En daarom volgde elke werking van dien mensch op de vereeniging, zoodat geen daad van hem verdienste voor die vereeniging kon zijn.Leerstelling. — Uit het voorafgaande (in het vorige artikel) is het duidelijk, dat wat Christus zelf betreft, geen verdiensten van Hem aan de vereniging konden voorafgaan. Wij beweren immers niet, dat Hij te voren een mens zonder meer was, en daarna door de verdiensten van een goed leven verkreeg Gods Zoon te zijn, zoals Photinus beweerde; maar wij beweren, dat die mens vanaf het ogenblik dat hij ontvangen werd, waarlijk Gods Zoon was, omdat hij geen andere hypostase heeft dan die van Gods Zoon, naar het woord van Lukas (1, 35): “Het heilige, dat uit U geboren wordt, zal de Zoon van God worden genoemd”. 97En daarom volgde elke werking van die mens op de vereniging, zodat geen daad van hem verdienste voor die vereniging kon zijn.
Sed neque etiam opera alterius cujuscumque hominis potuerunt esse meritoria hujus unionis ex condigno: primo quidem, quia opera meritoria hominis proprie ordinantur ad beatitudinem, quae est « virtutis praemium », et consistit in plena Dei fruitione. Unio autem incarnationis, cum sit in esse personali, transcendit unionem beatae mentis ad Deum, quae est per actum fruentis. Et ideo3 non potest cadere sub merito. Secundo, quia gratia non potest cadere sub merito, quia est merendi principium. Unde multo minus incarnatio cadit sub merito, quae est principium gratiae, secundum illud Joan. 1. [v. 17]: « Gratia, et veritas per Jesum Christum facta est ». Tertio, quia incarnatio Christi est reformativa totius humanae naturae. Et ideo non cadit sub merito alicujus hominis singularis: quia bonum alicujus puri hominis non potest esse causa boni totius naturae. 98Ex congruo tamen meruerunt sancti Patres incarnationem desiderando, et petendo. Congruum enim erat, ut Deus exaudiret eos, qui ei obediebant.
Maar de werken van eenig ander mensch zouden evenmin de verdienstelijk zijn voor die vereeniging, ten minste naar gelijkwaardigheid. Ten eerste omdat de verdienstelijke daden van een mensch eigenlijk op de zaligheid zijn gericht, die « de belooning is voor de deugd », en bestaat in het volledig genieten van God. Daar nu de vereeniging van de menschwording in het persoonlijke zijn ligt, gaat zij de vereeniging van den zaligen geest met God te boven, een vereeniging die geschiedt door de daad van hem die geniet. En daarom kan zij geen voorwerp van verdiensten zijn. Ten tweede kan de genade niet onder de verdienste vallen, omdat zij juist beginsel van verdienste is. Maar dan valt de menschwording nog veel minder onder de verdiensten, omdat zij beginsel van de genade is, volgens het woord van Johannes (1, 17): « Genade en waarheid zijn door Jesus Christus ». — Ten derde, omdat de menschwording van Christus de heele menschelijke natuur hervormt. En daarom valt zij niet onder de verdienste van één enkel mensch, omdat het goede in een mensch-zonder-meer, geen oorzaak kan zijn van het goede in de geheele natuur. De H. Vaders verdienden echter de menschwording als iets passends door 98ernaar te verlangen en haar af te smeeken. Want het was passend, dat God hen verhoorde, die Hem gehoorzaamden.Maar de werken van enig ander mens zouden evenmin de verdienstelijk zijn voor die vereniging, ten minste naar gelijkwaardigheid. Ten eerste omdat de verdienstelijke daden van een mens eigenlijk op de zaligheid zijn gericht, die “de beloning is voor de deugd”, en bestaat in het volledig genieten van God. Daar nu de vereniging van de menswording in het persoonlijke zijn ligt, gaat zij de vereniging van de zalige geest met God te boven, een vereniging die geschiedt door de daad van hem die geniet. En daarom kan zij geen voorwerp van verdiensten zijn. Ten tweede kan de genade niet onder de verdienste vallen, omdat zij juist beginsel van verdienste is. Maar dan valt de menswording nog veel minder onder de verdiensten, omdat zij beginsel van de genade is, volgens het woord van Johannes (1, 17): “Genade en waarheid zijn door Jesus Christus”. — Ten derde, omdat de menswording van Christus de hele menselijke natuur hervormt. En daarom valt zij niet onder de verdienste van één enkel mens, omdat het goede in een mens-zonder-meer, geen oorzaak kan zijn van het goede in de gehele natuur. De H. Vaders verdienden echter de menswording als iets passends door 98ernaar te verlangen en haar af te smeken. Want het was passend, dat God hen verhoorde, die Hem gehoorzaamden.
Et per hoc patet responsio ad primum.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dit blijkt uit het bovengezegde.
Ad secundum dicendum, quod hoc est falsum, quod sub merito cadit omne illud, sine quo praemium esse non potest. Quaedam enim sunt, quae non solum requiruntur ad praemium, sed etiam praeexiguntur ad meritum; sicut divina bonitas, et ejus gratia, et ipsa hominis natura. Et similiter incarnationis mysterium est principium merendi, quia « de plenitudine Christi omnes accepimus », ut dicitur Joan. 1. [v. 16].
2. Het is onjuist te zeggen, dat alles onder de verdiensten valt wat voor de belooning onmisbaar is. Want er zijn dingen, die niet alleen voor de belooning noodig zijn, maar ook aan iedere verdienste moeten vooraf gaan, zooals de goddelijke goedheid en haar genade en de menschelijke natuur zelf. En evenzoo is de menschwording beginsel van verdienste, want « uit Christus' volheid ontvingen wij allen », zooals Johannes (1, 16) zegt.2. Het is onjuist te zeggen, dat alles onder de verdiensten valt wat voor de beloning onmisbaar is. Want er zijn dingen, die niet alleen voor de beloning nodig zijn, maar ook aan iedere verdienste moeten vooraf gaan, zoals de goddelijke goedheid en haar genade en de menselijke natuur zelf. En evenzo is de menswording beginsel van verdienste, want “uit Christus' volheid ontvingen wij allen”, zoals Johannes (1, 16) zegt.
Ad tertium dicendum, quod beata Virgo dicitur meruisse portare Dominum omnium4, non quia meruerit ipsum5 incarnari, sed quia meruit ex gratia sibi data illum puritatis et sanctitatis gradum, ut congrue posset esse mater Dei.
3. Men zegt, dat de Heilige Maagd verdiende Jesus Christus onzen Heer te dragen, niet omdat zij verdiende, dat God mensch werd, maar omdat zij door de haar gegeven genade dien graad van reinheid en heiligheid verdiende, waardoor zij passend Gods Moeder kon zijn.3. Men zegt, dat de Heilige Maagd verdiende Jesus Christus onze Heer te dragen, niet omdat zij verdiende, dat God mens werd, maar omdat zij door de haar gegeven genade die graad van reinheid en heiligheid verdiende, waardoor zij passend Gods Moeder kon zijn.
Utrum gratia unionis fuerit homini Christo naturalis
Was de genade der vereeniging voor den mensch Christus iets natuurlijks?Was de genade van de vereniging voor de mens Christus iets natuurlijks?
99Ad duodecimum sic proceditur. Videtur, quod gratia unionis non fuerit homini Christo naturalis. Unio enim incarnationis non est facta in natura, sed in persona, ut dictum est [art. 1. et 2. huj. q.]. Sed unumquodque determinatur a termino. Ergo gratia illa magis debet dici personalis, quam naturalis.
99Bedenkingen. — Men beweert, dat de genade der vereeniging voor den mensch Christus niet iets natuurlijks was. — 1. Zooals immers boven is gezegd (1e en 2e Art.), geschiedde de vereeniging der menschwording niet in natuur, maar in persoon. Alles nu wordt bepaald door de eindterm. Dus moet men die genade eerder persoonlijk dan natuurlijk noemen.99Bedenkingen. — Men beweert, dat de genade van de vereniging voor de mens Christus niet iets natuurlijks was. — 1. Zoals immers boven is gezegd (1e en 2e Art.), geschiedde de vereniging van de menswording niet in natuur, maar in persoon. Alles nu wordt bepaald door de eindterm. Dus moet men die genade eerder persoonlijk dan natuurlijk noemen.
2. Praeterea, gratia dividitur contra naturam; sicut gratuita, quae sunt a Deo, distinguuntur contra naturalia, quae sunt a principio intrinseco. Sed eorum, quae ex opposito dividuntur, unum non denominatur ab alio. Ergo gratia Christi non est ei naturalis.
2. Genade staat tegenover natuur, zooals de onverdiende gunsten, die van God komen, staan tegenover de natuurlijke, die door een inwendig beginsel ontstaan. Maar tegenovergestelde dingen worden niet naar elkaar benoemd. Dus is die genade van Christus niet iets natuurlijks.2. Genade staat tegenover natuur, zoals de onverdiende gunsten, die van God komen, staan tegenover de natuurlijke, die door een inwendig beginsel ontstaan. Maar tegenovergestelde dingen worden niet naar elkaar benoemd. Dus is die genade van Christus niet iets natuurlijks.
3. Praeterea, naturale dicitur, quod est secundum naturam. Sed gratia unionis non est naturalis Christo secundum naturam divinam; quia sic conveniret1 aliis personis. Nec etiam naturalis est ei secundum naturam 100humanam; quia sic conveniret omnibus hominibus, qui sunt ejusdem naturae cum ipso. Igitur videtur, quod nullo modo gratia unionis sit Christo naturalis.
3. Natuurlijk is datgene, wat volgens de natuur is. Nu was de genade der vereeniging voor Christus niet iets natuurlijks naar de goddelijke natuur, omdat zij dan ook aan de andere Personen zou 100toekomen. Evenmin is zij Hem natuurlijk naar de menschelijke natuur, want dan zou zij ook toekomen aan alle menschen, die dezelfde natuur bezitten als Hij. Dus schijnt de genade der vereeniging Christus op geen enkele manier natuurlijk te zijn.3. Natuurlijk is datgene, wat volgens de natuur is. Nu was de genade van de vereniging voor Christus niet iets natuurlijks naar de goddelijke natuur, omdat zij dan ook aan de andere Personen zou 100toekomen. Evenmin is zij Hem natuurlijk naar de menselijke natuur, want dan zou zij ook toekomen aan alle mensen, die dezelfde natuur bezitten als Hij. Dus schijnt de genade van de vereniging Christus op geen enkele manier natuurlijk te zijn.
Sed contra est, quod Augustinus dicit in Enchir. [cap. 40.]: « In humanae naturae susceptione fit quodammodo ipsa gratia illi homini naturalis, qua nullum possit admittere peccatum ».
Daartegenover staat echter het woord van Augustinus in het Enchiridion (40e H.): « Bij het ontvangen der menschelijke natuur werd de genade voor dien mensch als het ware iets natuurlijks, zoodat Hij geen enkele zonde kon bedrijven ».Daartegenover staat echter het woord van Augustinus in het Enchiridion (40e H.): “Bij het ontvangen van de menselijke natuur werd de genade voor die mens als het ware iets natuurlijks, zodat Hij geen enkele zonde kon bedrijven”.
Respondeo dicendum, quod secundum Philos. in 5. Metaphys. [S. Th. lect. 5.], natura uno modo dicitur ipsa nativitas, alio modo essentia rei. Unde naturale potest aliquid dici dupliciter: uno modo, quod est tamen ex principiis essentialibus rei, sicut igni naturale est sursum ferri: alio modo dicitur esse homini naturale, quod ab ipsa nativitate habet, secundum illud Ephes. 2. [v. 3]: « Eramus natura filii irae », et Sapient. 12. [v. 10]: « Nequam est natio eorum, et naturalis malitia ipsorum »;
Leerstelling. — Volgens den Philosoof, in het 5e boek Over de Metaphysica, wordt ten eerste de geboorte natuur genoemd, en daarnaast ook de wezenheid. In dubbelen zin kan daarom iets natuurlijk worden genoemd. Vooreerst wat alleen uit de wezensbeginselen van een ding komt, zooals het voor het vuur natuurlijk is zich omhoog te bewegen. In een andere beteekenis wordt natuurlijk genoemd wat een mensch van zijn geboorte heeft, naar het woord uit den Brief aan de Ephesiërs (2, 3): « Wij waren van nature kinderen van toorn », en uit het boek der Wijsheid (12, 10): « Hun geslacht is verdorven en hun boosheid natuurlijk ».Leerstelling. — Volgens de Filosoof, in het 5e boek Over de Metafysica, wordt ten eerste de geboorte natuur genoemd, en daarnaast ook de wezenheid. In dubbelen zin kan daarom iets natuurlijk worden genoemd. Vooreerst wat alleen uit de wezensbeginselen van een ding komt, zoals het voor het vuur natuurlijk is zich omhoog te bewegen. In een andere betekenis wordt natuurlijk genoemd wat een mens van zijn geboorte heeft, naar het woord uit de Brief aan de Efesiërs (2, 3): “Wij waren van nature kinderen van toorn”, en uit het boek van de Wijsheid (12, 10): “Hun geslacht is verdorven en hun boosheid natuurlijk”.
101Gratia igitur Christi, sive unionis, sive habitualis, non potest dici naturalis, quasi causata ex principiis humanae naturae in Christo: quamvis possit dici naturalis, quasi proveniens in naturam humanam Christi, causante divina natura ipsius. Dicitur autem naturalis utraque gratia in Christo, inquantum eam a nativitate habuit: quia ab initio conceptionis fuit natura humana divinae personae unita, et anima ejus fuit munere gratiae repleta.
101De genade van Christus, hetzij die der vereeniging, hetzij de heiligmakende, kan daarom niet natuurlijk worden genoemd als veroorzaakt door de beginselen der menschelijke natuur in Hem, al zou zij natuurlijk kunnen worden genoemd in zoover zij in de menschelijke natuur van Christus veroorzaakt wordt door zijn goddelijke natuur. Maar beide genaden worden in Christus natuurlijk genoemd in zoover Hij ze van af zijn geboorte heeft; want vanaf het eerste oogenblik dat Hij ontvangen werd was de menschelijke natuur met den goddelijken persoon vereenigd en was zijn ziel vervuld met de gave der genade.101De genade van Christus, hetzij die van de vereniging, hetzij de heiligmakende, kan daarom niet natuurlijk worden genoemd als veroorzaakt door de beginselen van de menselijke natuur in Hem, al zou zij natuurlijk kunnen worden genoemd in zover zij in de menselijke natuur van Christus veroorzaakt wordt door zijn goddelijke natuur. Maar beide genaden worden in Christus natuurlijk genoemd in zover Hij ze van af zijn geboorte heeft; want vanaf het eerste ogenblik dat Hij ontvangen werd was de menselijke natuur met de goddelijke persoon verenigd en was zijn ziel vervuld met de gave van de genade.
Ad primum ergo dicendum, quod licet unio non sit facta in natura, est tamen causata ex virtute divinae naturae, quae est vere natura Christi. Et etiam convenit Christo a principio suae nativitatis.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Al geschiedde de vereeniging niet in natuur, toch is zij veroorzaakt door de goddelijke natuur, die waarlijk Christus' natuur is. En Christus heeft haar vanaf het eerste oogenblik van zijn geboorte.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Al geschiedde de vereniging niet in natuur, toch is zij veroorzaakt door de goddelijke natuur, die waarlijk Christus' natuur is. En Christus heeft haar vanaf het eerste ogenblik van zijn geboorte.
Ad secundum dicendum, quod non secundum idem dicitur gratia, et naturalis. Sed gratia quidem dicitur, inquantum non est ex merito: naturalis autem dicitur, inquantum est ex virtute divinae naturae in humanitate Christi ab ejus nativitate.
2. Niet om dezelfde reden wordt de vereeniging « genade » genoemd en « natuurlijk ». Maar genade in zoover zij niet verdiend is, en « natuurlijk » in zoover zij komt van de kracht der goddelijke natuur in Christus' menschheid vanaf zijn geboorte.2. Niet om dezelfde reden wordt de vereniging “genade” genoemd en “natuurlijk”. Maar genade in zover zij niet verdiend is, en “natuurlijk” in zover zij komt van de kracht van de goddelijke natuur in Christus' mensheid vanaf zijn geboorte.
Ad tertium dicendum, quod gratia unionis non est naturalis Christo secundum humanam naturam, quasi ex principiis humanae naturae causata. 102Et ideo non oportet, quod conveniat omnibus hominibus. Est tamen naturalis ei secundum humanam naturam propter proprietatem nativitatis ipsius, prout sic conceptus est ex Spiritu Sancto, ut esset idem naturalis filius Dei, et hominis. Secundum vero divinam naturam est ei naturalis, inquantum divina natura est principium activum hujus gratiae. Et hoc convenit toti Trinitati; scilicet hujus gratiae esse activum principium.
3. De genade der vereeniging is voor Christus niet natuurlijk naar zijn menschelijke natuur, alsof zij door de beginselen der menschelijke natuur veroorzaakt was. En daarom is het niet noodig, 102dat alle menschen haar bezitten. Toch is zij Hem natuurlijk naar de menschelijke natuur, om de bijzondere eigenschappen van zijn geboorte; want zóó is Hij van den Heiligen Geest ontvangen, dat één en dezelfde persoon Godszoon en menschenzoon is. Maar zij is Hem natuurlijk krachtens de goddelijke natuur in zoover de goddelijke natuur van deze genade het werkende beginsel was. En werkend beginsel zijn van deze genade komt toe aan de geheele Drieeenheid.3. De genade van de vereniging is voor Christus niet natuurlijk naar zijn menselijke natuur, alsof zij door de beginselen van de menselijke natuur veroorzaakt was. En daarom is het niet nodig, 102dat alle mensen haar bezitten. Toch is zij Hem natuurlijk naar de menselijke natuur, om de bijzondere eigenschappen van zijn geboorte; want zó is Hij van de Heilige Geest ontvangen, dat één en dezelfde persoon Godszoon en mensenzoon is. Maar zij is Hem natuurlijk krachtens de goddelijke natuur in zover de goddelijke natuur van deze genade het werkende beginsel was. En werkend beginsel zijn van deze genade komt toe aan de gehele Drieeenheid.