De modo unionis ex parte naturae humanae assumptae1, in sex articulos divisa
Over de vereeniging, bezien van de kant van wat aangenomen werdOver de vereniging, bezien van de kant van wat aangenomen werd
139Deinde considerandum est de unione ex parte assumpti: circa quod primo considerandum occurrit de his, quae sunt a verbo Dei assumpta: secundo de coassumptis, quae sunt perfectiones, et defectus: assumpsit autem Dei Filius humanam naturam, et partes ejus; unde circa primum triplex consideratio occurrit: prima est quantum ad ipsam naturam humanam: secunda est quantum ad partes ipsius: tertia quantum ad ordinem assumptionis.
139Vervolgens moeten wij spreken over de vereeniging, bezien van de kant van wat aangenomen werd. En hieromtrent moeten wij eerst spreken over de dingen, die door Gods Woord werden aangenomen, en ten tweede over wat medeaangenomen werd, nl. de volmaaktheden en gebreken. Nu nam Gods Zoon een menschelijke natuur en haar deelen aan. Daarom zijn er drie dingen te behandelen wat het eerste punt betreft: ten eerste de menschelijke natuur zelf, dan haar deelen en ten derde de volgorde van het aannemen.139Vervolgens moeten wij spreken over de vereniging, bezien van de kant van wat aangenomen werd. En hieromtrent moeten wij eerst spreken over de dingen, die door Gods Woord werden aangenomen, en ten tweede over wat medeaangenomen werd, nl. de volmaaktheden en gebreken. Nu nam Gods Zoon een menselijke natuur en haar delen aan. Daarom zijn er drie dingen te behandelen wat het eerste punt betreft: ten eerste de menselijke natuur zelf, dan haar delen en ten derde de volgorde van het aannemen.
Circa primum quaeruntur sex: 1. Utrum humana natura fuerit magis 140assumptibilis a Filio Dei, quam aliqua alia natura. — 2. Utrum assumpserit personam. — 3. Utrum assumpserit hominem. — 4. Utrum fuisset conveniens, quod assumpsisset naturam humanam a singularibus separatam. — 5. Utrum fuisset conveniens, quod assumpsisset naturam humanam in omnibus ejus singularibus. — 6. Utrum fuerit conveniens, quod assumeret humanam naturam in aliquo homine ex stirpe Adae progenito.
Over het eerste punt stellen wij ons zes vragen: 1. Kon de menschelijke natuur beter door Gods Zoon worden aangenomen dan een andere natuur? 1402. Nam Gods Zoon een persoon aan? 3. Nam Hij een mensch aan? 4. Was het gepast, dat Hij een menschelijke natuur aannam, die van de eenlingen onderscheiden was? 5. Was het gepast, dat Hij de menschelijke natuur aannam in alle eenlingen? 6. Was het gepast, dat Hij de menschelijke natuur aannam in een mensch? die van Adams geslacht afstamde?Over het eerste punt stellen wij ons zes vragen: 1. Kon de menselijke natuur beter door Gods Zoon worden aangenomen dan een andere natuur? 1402. Nam Gods Zoon een persoon aan? 3. Nam Hij een mens aan? 4. Was het gepast, dat Hij een menselijke natuur aannam, die van de eenlingen onderscheiden was? 5. Was het gepast, dat Hij de menselijke natuur aannam in alle eenlingen? 6. Was het gepast, dat Hij de menselijke natuur aannam in een mens? die van Adams geslacht afstamde?
Utrum natura humana fuerit magis assumptibilis a Filio Dei, quam aliqua1 alia natura
Kon de menschelijke natuur beter door Gods Zoon worden aangenomen dan iedere andere natuur?Kon de menselijke natuur beter door Gods Zoon worden aangenomen dan iedere andere natuur?
140Ad primum sic proceditur. Videtur, quod humana natura non fuerit magis assumptibilis a Filio Dei, quam quaelibet alia natura: dicit enim Augustinus in epist. [3. nunc 137.] ad Volusianum: « in rebus mirabiliter factis tota ratio facti est potentia facientis ». Sed potentia Dei facientis 141incarnationem, quae est opus maxime mirabile, non limitatur ad unam naturam, cum potentia Dei sit infinita. Ergo natura humana non est magis assumptibilis a Dei, quam aliqua alia creatura.
140Bedenkingen. — Men beweert, dat de menschelijke natuur niet beter door Gods Zoon kon worden aangenomen dan iedere natuur. — 1. Want Augustinus zegt in den Brief aan Volusianus: « Bij wonderbaar gebeurde dingen ligt de heele verklaring van het feit in de macht van hem, die het doet ». Maar de macht Gods, 141die de menschwording, het meest wonderbare werk, tot stand brengt, is niet aan een natuur gebonden, omdat Gods macht oneindig is. Dus kan de menschelijke natuur niet beter door Gods Zoon worden aangenomen dan een ander schepsel.140Bedenkingen. — Men beweert, dat de menselijke natuur niet beter door Gods Zoon kon worden aangenomen dan iedere natuur. — 1. Want Augustinus zegt in de Brief aan Volusianus: “Bij wonderbaar gebeurde dingen ligt de hele verklaring van het feit in de macht van hem, die het doet”. Maar de macht Gods, 141die de menswording, het meest wonderbare werk, tot stand brengt, is niet aan een natuur gebonden, omdat Gods macht oneindig is. Dus kan de menselijke natuur niet beter door Gods Zoon worden aangenomen dan een ander schepsel.
2. Praeterea, similitudo est ratio faciens ad congruitatem incarnationis divinae personae, ut supra dictum est [q. praec. art. 8.]. Sed sicut in creatura rationali invenitur similitudo imaginis, ita in creatura2 irrationali invenitur similitudo vestigii. Ergo creatura irrationalis assumptibilis fuit, sicut humana natura.
2. De gelijkheid is datgene, waarmede men rekening moet houden bij de gepastheid van de menschwording van den goddelijken persoon, zooals boven is gezegd (3e Kw., 8e Art.). Maar zooals wij in de redelijke natuur de gelijkenis van het beeld vinden, vinden wij in de niet-redelijke natuur de gelijkenis van het spoor. Daarom kon een niet redelijk schepsel worden aangenomen, zooals de menschelijke natuur.2. De gelijkheid is datgene, waarmede men rekening moet houden bij de gepastheid van de menswording van de goddelijke persoon, zoals boven is gezegd (3e Kw., 8e Art.). Maar zoals wij in de redelijke natuur de gelijkenis van het beeld vinden, vinden wij in de niet-redelijke natuur de gelijkenis van het spoor. Daarom kon een niet redelijk schepsel worden aangenomen, zoals de menselijke natuur.
3. Praeterea, in natura angelica invenitur expressior Dei similitudo, quam in natura humana, sicut Gregorius dicit in hom. de Centum ovibus [34. in Evang.], introducens illud Ezech. 28. [v. 12]: « Tu signaculum similitudinis », invenitur etiam in angelo peccatum, sicut in homine, secundum illud Job 4. [v. 18]: « In angelis suis reperit pravitatem ». Ergo natura angelica fuit ita assumptibilis sicut natura hominis.
3. In de engelennatuur vindt men een sterker uitgedrukte gelijkenis met God dan in de menschelijke natuur, zooals Gregorius zegt in de homelie Over de Honderd Schapen, waar hij het woord van Ezechiel aanhaalt (28, 12): « Gij zegel van gelijkheid ». Ook in de Engelen wordt zonde gevonden zooals in den mensch, naar het woord van Job (4, 18): « In zijn engelen vond Hij slechtheid ». Dus kon de engelennatuur even goed aangenomen worden als de natuur van den mensch.3. In de engelennatuur vindt men een sterker uitgedrukte gelijkenis met God dan in de menselijke natuur, zoals Gregorius zegt in de homelie Over de Honderd Schapen, waar hij het woord van Ezechiël aanhaalt (28, 12): “Gij zegel van gelijkheid”. Ook in de Engelen wordt zonde gevonden zoals in de mens, naar het woord van Job (4, 18): “In zijn engelen vond Hij slechtheid”. Dus kon de engelennatuur even goed aangenomen worden als de natuur van de mens.
4. Praeterea, cum Deo competat summa perfectio, tanto magis est Deo aliquid simile, quanto est magis perfectum. Sed totum universum est 142magis perfectum, quam partes eius, inter quas est humana natura. Ergo totum universum est magis assumptibile, quam humana natura.
4. Omdat de hoogste volmaaktheid aan God toekomt, is iets God meer gelijk, naarmate het volmaakter is. Nu is het geheele 142heelal volmaakter dan zijn deelen, waartoe ook de menschelijke natuur behoort. Dus kan het geheele heelal beter door God worden aangenomen dan de menschelijke natuur.4. Omdat de hoogste volmaaktheid aan God toekomt, is iets God meer gelijk, naarmate het volmaakter is. Nu is het gehele 142heelal volmaakter dan zijn delen, waartoe ook de menselijke natuur behoort. Dus kan het gehele heelal beter door God worden aangenomen dan de menselijke natuur.
Sed contra est, quod dicitur Proverb. 8. [v. 31] ex ore sapientiae genitae: « Deliciae meae esse cum filiis hominum »; et ita videtur esse quaedam congruentia unionis Filii Dei ad humanam naturam.
Daartegenover staat echter wat in het boek der Spreuken aan de geboren Wijsheid in den mond wordt gelegd (8, 31): « Het is mijn vermaak met de kinderen der menschen te zijn ». Dus schijnt er een reden voor de gepastheid te zijn van de vereeniging van Gods Zoon met de menschelijke natuur.Daartegenover staat echter wat in het boek van de Spreuken aan de geboren Wijsheid in de mond wordt gelegd (8, 31): “Het is mijn vermaak met de kinderen van de mensen te zijn”. Dus schijnt er een reden voor de gepastheid te zijn van de vereniging van Gods Zoon met de menselijke natuur.
Respondeo dicendum, quod aliquid assumptibile dicitur, quasi aptum assumi a divina persona; quae quidem aptitudo non potest intelligi secundum potentiam passivam naturalem, quae non se extendit ad id quod transcendit ordinem naturalem, quem transcendit unio personalis creaturae ad Deum. Unde relinquitur, quod assumptibile aliquid dicatur secundum congruentiam ad unionem praedictam. Quae quidem congruentia attenditur secundum duo in humana natura; scilicet secundum ejus dignitatem, et necessitatem. Secundum dignitatem quidem, quia humana natura, inquantum est rationalis, et intellectualis, nata est contingere aliquiter ipsum 143Verbum per suam operationem, cognoscendo scilicet et amando ipsum. Secundum necessitatem autem, quia indigebat reparatione, cum subjaceret originali peccato. Haec autem duo soli humanae naturae conveniunt: nam creaturae irrationali deest congruitas dignitas: naturae autem angelicae deest congruitas praedictae necessitatis. Unde relinquitur, quod sola natura humana sit assumptibilis.
Leerstelling. — Men zegt, dat iets aangenomen kan worden als van een geschiktheid om door een goddelijken persoon te worden aangenomen. Maar deze geschiktheid mag men niet opvatten als het natuurlijke vermogen om iets te ondergaan, omdat dit zich niet uitstrekt tot wat de natuurlijke orde te boven gaat, en de persoonlijke vereeniging van het schepsel met God gaat die te boven. Dus blijft over, dat wij van iets zeggen, dat het aangenomen kan worden krachtens een gepastheid, die het voor die vereeniging bezit. En deze gepastheid vindt men in de menschelijke natuur in twee punten: vooreerst nl. in haar waardigheid en dan in haar behoeften. En wel in haar waardigheid, omdat de menschelijke natuur als redelijk en verstandelijk, er op aangelegd 143is, door haar werking eenigerwijze het Woord zelf te bereiken, nl. door Het te kennen en te beminnen. En in haar behoeften, omdat zij herstelling noodig had, daar zij in zonden neerlag. En deze twee dingen komen alleen aan de menschelijke natuur toe: want het niet-redelijke schepsel mist de gepastheid, die aan de waardigheid wordt ontleend, en de natuur der Engelen mist de genoemde behoefte. Dus blijft alleen over, dat de menschelijke natuur aangenomen kon worden.Leerstelling. — Men zegt, dat iets aangenomen kan worden als van een geschiktheid om door een goddelijken persoon te worden aangenomen. Maar deze geschiktheid mag men niet opvatten als het natuurlijke vermogen om iets te ondergaan, omdat dit zich niet uitstrekt tot wat de natuurlijke orde te boven gaat, en de persoonlijke vereniging van het schepsel met God gaat die te boven. Dus blijft over, dat wij van iets zeggen, dat het aangenomen kan worden krachtens een gepastheid, die het voor die vereniging bezit. En deze gepastheid vindt men in de menselijke natuur in twee punten: vooreerst nl. in haar waardigheid en dan in haar behoeften. En wel in haar waardigheid, omdat de menselijke natuur als redelijk en verstandelijk, er op aangelegd 143is, door haar werking enigerwijze het Woord zelf te bereiken, nl. door Het te kennen en te beminnen. En in haar behoeften, omdat zij herstelling nodig had, daar zij in zonden neerlag. En deze twee dingen komen alleen aan de menselijke natuur toe: want het niet-redelijke schepsel mist de gepastheid, die aan de waardigheid wordt ontleend, en de natuur van de Engelen mist de genoemde behoefte. Dus blijft alleen over, dat de menselijke natuur aangenomen kon worden.
Ad primum ergo dicendum, quod creaturae denominantur aliquales ex eo, quod competit eis secundum proprias causas, non autem ex eo quod convenit eis secundum causas primas, et universales: sicut dicimus aliquem morbum esse incurabilem, non quia non potest curari a Deo, sed quia per propria principia subjecti curari non potest. Sic ergo dicitur aliqua creatura non esse assumptibilis, non ad subtrahendum aliquid potentiae divinae, sed ad ostendendum conditionem creaturae, quae ad hoc aptitudinem non habet.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Sommige schepsels worden benoemd naar wat hun uit hun eigen oorzaken toekomt, maar niet naar wat hun uit de eerste en algemeene oorzaken toekomt; zoo noemen wij een ziekte ongeneeselijk, niet omdat zij door God niet genezen kan worden, maar omdat zij niet genezen kan worden door de eigen krachten van den lijder. En zoo zeggen wij niet, dat een schepsel niet aangenomen kan worden, om iets aan Gods macht te onttrekken, maar om te wijzen op den toestand van het schepsel, dat daartoe geen geschiktheid heeft.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Sommige schepsels worden benoemd naar wat hun uit hun eigen oorzaken toekomt, maar niet naar wat hun uit de eerste en algemene oorzaken toekomt; zo noemen wij een ziekte ongeneselijk, niet omdat zij door God niet genezen kan worden, maar omdat zij niet genezen kan worden door de eigen krachten van de lijder. En zo zeggen wij niet, dat een schepsel niet aangenomen kan worden, om iets aan Gods macht te onttrekken, maar om te wijzen op de toestand van het schepsel, dat daartoe geen geschiktheid heeft.
Ad secundum dicendum, quod similitudo imaginis attenditur in natura humana, secundum quod est capax Dei, scilicet ipsum attingendo propria 144operatione cognitionis, et amoris. Similitudo autem vestigii attenditur solum secundum repraesentationem aliquam ex impressione divina in creatura existentem, non autem ex eo quod creatura irrationalis, in qua est sola talis similitudo, possit Deum3 attingere per solam suam operationem. Quod autem deficit a minori, non habet congruitatem ad id quod est majus: sicut corpus, quod non est aptum perfici anima sensitiva, multo minus est aptum perfici anima intellectiva: multo autem major, et perfectior est unio ad Deum secundum esse personale, quam quae est secundum operationem; et ideo creatura irrationalis, quae deficit ab unione ad Deum per operationem, non habet congruitatem, ut uniatur ei secundum esse personale.
2. De gelijkheid van het beeld vinden wij bij de menschelijke natuur hierin, dat zij God kan ontvangen, door Hem nl. te bereiken door haar eigen daden van kennen en beminnen. Maar de 144gelijkheid van het spoor ligt alleen hierin, dat het schepsel iets afbeeldt, dat door God erin is gedrukt, maar niet hierin, dat het niet-redelijke schepsel, waarin alleen deze gelijkheid bestaat, God zou kunnen bereiken door zijn daden alleen. Maar wat in het mindere al te kort schiet, heeft geen geschiktheid voor het hoogere, zooals het lichaam, dat niet geschikt is om door een zintuiglijke ziel vervolmaakt te worden, veel minder geschikt is om door een redelijke ziel vervolmaakt te worden. Nu is de vereeniging met God in het persoonlijk zijn veel grooter en volmaakter dan die door een daad gebeurt. En als daarom het niet redelijke schepsel te kort schiet voor de vereeniging met God door een daad, is het veel minder geschikt om in het persoonlijk zijn met Hem vereenigd te worden.2. De gelijkheid van het beeld vinden wij bij de menselijke natuur hierin, dat zij God kan ontvangen, door Hem nl. te bereiken door haar eigen daden van kennen en beminnen. Maar de 144gelijkheid van het spoor ligt alleen hierin, dat het schepsel iets afbeeldt, dat door God erin is gedrukt, maar niet hierin, dat het niet-redelijke schepsel, waarin alleen deze gelijkheid bestaat, God zou kunnen bereiken door zijn daden alleen. Maar wat in het mindere al te kort schiet, heeft geen geschiktheid voor het hogere, zoals het lichaam, dat niet geschikt is om door een zintuiglijke ziel vervolmaakt te worden, veel minder geschikt is om door een redelijke ziel vervolmaakt te worden. Nu is de vereniging met God in het persoonlijk zijn veel groter en volmaakter dan die door een daad gebeurt. En als daarom het niet redelijke schepsel te kort schiet voor de vereniging met God door een daad, is het veel minder geschikt om in het persoonlijk zijn met Hem verenigd te worden.
Ad tertium dicendum, quod quidam dicunt angelum non esse assumptibilem, quia a principio suae creationis est in sua personalitate perfectus, cum non subjaceat generationi, et corruptioni. Unde non posset4 in unitatem divinae personae assumi, nisi ejus personalitas destrueretur: quod neque convenit incorruptibilitati naturae ejus, neque bonitati assumentis; 145ad quam non pertinet, quod aliquid perfectionis in creatura assumpta corrumpat. Sed hoc non videtur excludere totaliter congruitatem assumptionis angelicae naturae: potest enim Deus producendo novam angelicam naturam, copulare eam sibi in unitate personae: et sic nihil praeexistens ibi corrumperetur. Sed, sicut dictum est [in corp. art.], deest congruitas ex parte necessitatis: quia etsi natura angelica in aliquibus peccato subjacet5, est tamen ejus peccatum irremediabile, ut in 1. parte habitum est [q. 64. art. 2.].
3. Sommigen zeggen, dat een Engel niet aangenomen kon worden, omdat deze van het begin van zijn schepping af volmaakt persoon is, daar hij aan ontstaan en vergaan niet onderhevig is. Daarom zou hij niet tot de eenheid met den goddelijken persoon kunnen aangenomen worden, tenzij zijn persoonlijkheid vernietigd werd, wat noch aan de onvergankelijkheid van zijn natuur, 145noch aan de goedheid past van hem, die aanneemt, waaraan het niet eigen is iets volmaakts in het aangenomen schepsel te vernietigen. — Deze reden echter sluit de gepastheid van het aannemen van een engelennatuur niet geheel en al uit, want God kon een nieuwe engelennatuur te voorschijn roepen en haar aan zich in eenheid van persoon verbinden, en zoo zou dan niets, wat te voren bestond, vernietigd worden. Maar de gepastheid uit hoofde van de behoefte ontbreekt, zooals gezegd is (in de Leerstelling), want al ligt de engelennatuur in sommigen in zonden, hun misdaad is onherstelbaar, zooals in het eerste deel behandeld is (64e Kw., 2e Art.).3. Sommigen zeggen, dat een Engel niet aangenomen kon worden, omdat deze van het begin van zijn schepping af volmaakt persoon is, daar hij aan ontstaan en vergaan niet onderhevig is. Daarom zou hij niet tot de eenheid met de goddelijke persoon kunnen aangenomen worden, tenzij zijn persoonlijkheid vernietigd werd, wat noch aan de onvergankelijkheid van zijn natuur, 145noch aan de goedheid past van hem, die aanneemt, waaraan het niet eigen is iets volmaakts in het aangenomen schepsel te vernietigen. — Deze reden echter sluit de gepastheid van het aannemen van een engelennatuur niet geheel en al uit, want God kon een nieuwe engelennatuur te voorschijn roepen en haar aan zich in eenheid van persoon verbinden, en zo zou dan niets, wat te voren bestond, vernietigd worden. Maar de gepastheid uit hoofde van de behoefte ontbreekt, zoals gezegd is (in de Leerstelling), want al ligt de engelennatuur in sommigen in zonden, hun misdaad is onherstelbaar, zoals in het eerste deel behandeld is (64e Kw., 2e Art.).
Ad quartum dicendum, quod perfectio universi non est perfectio unius personae, vel suppositi, sed ejus quod est unum positione6, vel ordine, cujus plurimae partes non sunt assumptibiles, ut dictum est [in corp. art. et ad 1.]; unde relinquitur, quod solum natura humana sit assumptibilis.
4. De volmaaktheid van het heelal is niet de volmaaktheid van een persoon of drager, maar van iets, dat een is door samenhang en ordening. En de meeste deelen daarvan kunnen niet aangenomen worden, zooals gezegd is (in de Leerstelling en Antw. op de 1e B.). Daarom blijft alleen over, dat de menschelijke natuur aangenomen kan worden.4. De volmaaktheid van het heelal is niet de volmaaktheid van een persoon of drager, maar van iets, dat een is door samenhang en ordening. En de meeste delen daarvan kunnen niet aangenomen worden, zoals gezegd is (in de Leerstelling en Antw. op de 1e B.). Daarom blijft alleen over, dat de menselijke natuur aangenomen kan worden.
Utrum filius dei assumpserit personam
Nam Gods Zoon een persoon aan?
146Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod Filius Dei assumpserit personam: dicit enim Damascenus in 3. lib. [cap. 11], quod « Filius Dei assumpsit humanam naturam in atomo », idest in individuo. Sed « individuum rationalis naturae » est persona ut patet per Boetium in lib. de Duab. Nat. [cap. 3.]. Ergo Filius Dei personam assumpsit.
146Bedenkingen. — Men beweert, dat Gods Zoon een persoon aannam. — 1. Want Damascenus zegt in het 3e boek, dat « Gods Zoon de menschelijke natuur aannam « in atomo », dwz. in een individu ». Maar de eenling met een redelijke natuur is een persoon, zooals Boëtius aantoont in het boek Over de Twee naturen (3, 4).Dus nam Gods Zoon een persoon aan.146Bedenkingen. — Men beweert, dat Gods Zoon een persoon aannam. — 1. Want Damascenus zegt in het 3e boek, dat “Gods Zoon de menselijke natuur aannam ‘in atomo’, dwz. in een individu”. Maar de eenling met een redelijke natuur is een persoon, zoals Boëtius aantoont in het boek Over de Twee naturen (3, 4).Dus nam Gods Zoon een persoon aan.
2. Praeterea, Damascenus dicit [lib. 3. Orth. Fid. cap. 6.], quod Filius Dei « assumpsit ea, quae in natura nostra plantavit »: plantavit autem ibi personalitatem; ergo Filius Dei assumpsit personam.
2. Damascenus zegt (Over het Ware Geloof, 3e B., 6e H.), dat « Gods Zoon datgene aannam, wat Hij in onze natuur had gelegd ». Maar Hij legde de persoonlijkheid erin. Dus nam Gods Zoon een persoon aan.2. Damascenus zegt (Over het Ware Geloof, 3e B., 6e H.), dat “Gods Zoon datgene aannam, wat Hij in onze natuur had gelegd”. Maar Hij legde de persoonlijkheid erin. Dus nam Gods Zoon een persoon aan.
3. Praeterea, nihil consumitur, nisi quod est. Sed Innocentius III. dicit in quadam Decret. [id hab. Paschas. Diac. lib. 2. de Spir. S. cap. 4. ante med. implic. et Concil. Francoford. A. C. 794. in epist. ad Episc. Galliae tom. 7. Conc.], quod « persona Dei consumpsit personam hominis ». Ergo videtur, quod persona hominis fuerit1 prius assumpta.
3. Niets wordt verteerd dan wat bestaat. Nu zegt Innocentius III in een Decretaal, dat « Gods Persoon den menschelijken persoon verteerde ». Dus schijnt het, dat de menschelijke persoon eerst aangenomen was.3. Niets wordt verteerd dan wat bestaat. Nu zegt Innocentius III in een Decretaal, dat “Gods Persoon de menselijke persoon verteerde”. Dus schijnt het, dat de menselijke persoon eerst aangenomen was.
147Sed contra est, quod Augustinus dicit in lib. de Fide ad Petrum [cap. 17.] quod « Deus naturam hominis assumpsit, non personam ».
147Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt in het boek Over het Geloof aan Petrus (17e H.), « dat God de menschelijke natuur heeft aangenomen, niet den menschelijken persoon ».147Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt in het boek Over het Geloof aan Petrus (17e H.), “dat God de menselijke natuur heeft aangenomen, niet de menselijke persoon”.
Respondeo dicendum, quod aliquid dicitur assumi ex eo, quod « ad aliquid sumitur ». Unde illud quod assumitur, oportet praeintelligi assumptioni: sicut illud quod movetur localiter, praeintelligitur ipsi motui. Persona autem non praeintelligitur in humana natura assumptioni, sed magis se habet ut terminus assumptionis, ut supra dictum est [q. praec. art. 1. et 2.]: si enim praeintelligeretur. vel oporteret quod corrumperetur; et sic frustra esset assumpta: vel quod remaneret post unionem; et sic essent duae personae, una assumens et alia assumpta: quod est erroneum, ut supra ostensum est [q. 2. art. 6.]. Unde relinquitur, quod nullo modo Filius Dei assumpsit humanam personam.
Leerstelling. — Men zegt, dat iets aangenomen wordt, omdat het tot iets genomen wordt. Dus moet men datgene wat aangenomen wordt, zoo opvatten, dat het van te voren bestaat, zooals men veronderstelt, dat wat plaatselijk bewogen wordt, voor de beweging bestaat. Maar nu veronderstelt men geen persoon in de menschelijke natuur voor de aanneming, maar die doet eerder dienst als eindterm van de aanneming, zooals boven is gezegd (3e Kw., 1e en 2e Art.). Als die immers te voren werd verondersteld, zou hij of moeten vergaan, en zou er dus voor niets zijn geweest; of moeten blijven na de vereeniging, en dan zouden er twee personen zijn, een aangenomen en een, die aanneemt, wat verkeerd is, zooals boven werd aangetoond (2e Kw., 6e Art.). Dus blijft er over, dat Gods Zoon op geen enkele manier een menschelijken persoon heeft aangenomen.Leerstelling. — Men zegt, dat iets aangenomen wordt, omdat het tot iets genomen wordt. Dus moet men datgene wat aangenomen wordt, zo opvatten, dat het van te voren bestaat, zoals men veronderstelt, dat wat plaatselijk bewogen wordt, voor de beweging bestaat. Maar nu veronderstelt men geen persoon in de menselijke natuur voor de aanneming, maar die doet eerder dienst als eindterm van de aanneming, zoals boven is gezegd (3e Kw., 1e en 2e Art.). Als die immers te voren werd verondersteld, zou hij of moeten vergaan, en zou er dus voor niets zijn geweest; of moeten blijven na de vereniging, en dan zouden er twee personen zijn, een aangenomen en een, die aanneemt, wat verkeerd is, zoals boven werd aangetoond (2e Kw., 6e Art.). Dus blijft er over, dat Gods Zoon op geen enkele manier een menselijken persoon heeft aangenomen.
Ad primum ergo dicendum, quod naturam humanam assumpsit Filius Dei « in atomo », idest « in individuo, quod non est aliud a supposito 148increato, quod est persona Filii Dei » [q. 2. art. 5. ad 2.]. Unde non sequitur, quod persona sit assumpta.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Gods Zoon nam de menschelijke natuur aan « in atomo », dwz. in een eenling, 148die niet onderscheiden is van den ongeschapen drager, die de persoon van Gods Zoon is. Dus volgt niet, dat er een persoon aangenomen is.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Gods Zoon nam de menselijke natuur aan “in atomo”, dwz. in een eenling, 148die niet onderscheiden is van de ongeschapen drager, die de persoon van Gods Zoon is. Dus volgt niet, dat er een persoon aangenomen is.
Ad secundum dicendum, quod naturae assumptae non deest propria personalitas propter defectum alicujus, quod ad perfectionem humanae naturae pertineat, sed propter additionem alicujus quod est supra humanam naturam, quod est unio ad divinam personam.
2. De aangenomen natuur mist de eigen persoonlijkheid niet uit gebrek aan iets, dat tot de volmaaktheid der menschelijke natuur behoort, maar om de toevoeging van iets, wat boven de menschelijke natuur is, nl. de vereeniging met den goddelijken persoon.2. De aangenomen natuur mist de eigen persoonlijkheid niet uit gebrek aan iets, dat tot de volmaaktheid van de menselijke natuur behoort, maar om de toevoeging van iets, wat boven de menselijke natuur is, nl. de vereniging met de goddelijke persoon.
Ad tertium dicendum, quod « consumptio » ibi non importat destructionem alicujus, quod prius fuerat, sed impeditionem ejus, quod aliter esse posset. Si enim humana natura non esset assumpta a divina persona, natura humana propriam personalitatem haberet; et pro tanto dicitur persona « consumpsisse personam », licet improprie, quia persona divina sua unione impedivit, ne humana natura propriam personalitatem haberet.
3. Het « verteerd worden » beteekent op de aangehaalde plaats niet het vernielen van iets, dat er eerst was, maar het verhinderen van iets, dat er anders had kunnen zijn. Want als de menschelijke natuur niet door den goddelijken persoon was aangenomen, zou de menschelijke natuur een eigen persoonlijkheid hebben gehad. En in dien zin zegt men, ofschoon oneigenlijk, dat de persoon « den persoon heeft verteerd », omdat de goddelijke persoon door zijn vereeniging heeft belet, dat de menschelijke natuur een eigen persoonlijkheid zou hebben.3. Het “verteerd worden” betekent op de aangehaalde plaats niet het vernielen van iets, dat er eerst was, maar het verhinderen van iets, dat er anders had kunnen zijn. Want als de menselijke natuur niet door de goddelijke persoon was aangenomen, zou de menselijke natuur een eigen persoonlijkheid hebben gehad. En in die zin zegt men, ofschoon oneigenlijk, dat de persoon “de persoon heeft verteerd”, omdat de goddelijke persoon door zijn vereniging heeft belet, dat de menselijke natuur een eigen persoonlijkheid zou hebben.
[De Latijnse titel van dit artikel ontbreekt in de uitgave.]
Heeft de goddelijke persoon een mensch aangenomen?Heeft de goddelijke persoon een mens aangenomen?
149Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod persona divina assumpserit hominem: dicitur enim in Ps. 64. [v. 5]: « Beatus, quem elegisti, et assumpsisti »: quod Glossa [interlin. et ordin. August.] exponit de Christo: et Augustinus dicit in lib. de Agone Christiano [cap. 11.], quod « Filius Dei hominem assumpsit, et in illo humana perpessus est ».
149Bedenkingen. — Men beweert, dat de goddelijke persoon een mensch heeft aangenomen. — 1. Want in een psalm wordt gezegd (64, 5): « Zalig hij, dien Gij uitgekozen en aangenomen hebt », en de Glossa legt dit uit van Christus. En Augustinus zegt in het boek Over den strijd van den Christen (11e H.): « Gods Zoon heeft een mensch aangenomen en in hem geleden wat een mensch lijdt ».149Bedenkingen. — Men beweert, dat de goddelijke persoon een mens heeft aangenomen. — 1. Want in een psalm wordt gezegd (64, 5): “Zalig hij, die Gij uitgekozen en aangenomen hebt”, en de Glossa legt dit uit van Christus. En Augustinus zegt in het boek Over de strijd van de Christen (11e H.): “Gods Zoon heeft een mens aangenomen en in hem geleden wat een mens lijdt”.
2. Praeterea, hoc nomen « homo » significat naturam humanam. Sed Filius Dei assumpsit humanam naturam. Ergo assumpsit hominem.
2. Deze naam mensch beteekent de menschelijke natuur. Nu heeft Gods Zoon een menschelijke natuur aangenomen. Dus heeft Hij een mensch aangenomen.2. Deze naam mens betekent de menselijke natuur. Nu heeft Gods Zoon een menselijke natuur aangenomen. Dus heeft Hij een mens aangenomen.
3. Praeterea, Filius Dei est homo. Sed non est homo, quem non assumpsit; quia sic esset pari ratione Petrus, vel quilibet alius homo. Ergo est homo, quem assumpsit.
3. Gods Zoon is mensch. Maar hij is niet de mensch, dien Hij niet heeft aangenomen, anders zou Hij evengoed Petrus of ieder ander mensch zijn. Dus is het een mensch, dien Hij aangenomen heeft.3. Gods Zoon is mens. Maar hij is niet de mens, die Hij niet heeft aangenomen, anders zou Hij evengoed Petrus of ieder ander mens zijn. Dus is het een mens, die Hij aangenomen heeft.
Sed contra est auctoritas Felicis papae, et martyris, quae introducitur in Ephesina Synodo [et refertur in Concilio Chalcedonen. Gener. 4. part. 1502. act. 1. in actis Synodi Ephesin.]: « Credimus in Dominum nostrum Jesum Christum de Virgine Maria natum, quia ipse est Dei sempiternus Filius, et Verbum, et non homo a Deo assumptus, ut alter sit praeter illum: neque enim hominem assumpsit Dei Filius, ut alter sit praeter ipsum ».
Daartegenover staat echter het gezag van den Paus en Martelaar Felix, dat op het Concilie van Ephese wordt aangehaald: 150« Wij gelooven in onzen Heer Jesus Christus, geboren uit de maagd Maria, omdat Hij de eeuwige Zoon en het Woord van den Vader is, en niet een door God aangenomen mensch, zoodat Hij een ander dan Hem zou zijn. Want Gods Zoon heeft ook geen mensch aangenomen om een ander dan Hijzelf te zijn ».Daartegenover staat echter het gezag van de Paus en Martelaar Felix, dat op het Concilie van Efeze wordt aangehaald: 150“Wij geloven in onze Heer Jesus Christus, geboren uit de maagd Maria, omdat Hij de eeuwige Zoon en het Woord van de Vader is, en niet een door God aangenomen mens, zodat Hij een ander dan Hem zou zijn. Want Gods Zoon heeft ook geen mens aangenomen om een ander dan Hijzelf te zijn”.
Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [art. praec.], illud quod assumitur, non est terminus assumptionis, sed assumptioni praeintelligitur. Dictum est autem [q. 3. art. 2. ad 1.], quod individuum, in quo assumitur humana natura, non est aliud quam divina persona, quae est terminus assumptionis [q. 3. art. 1. et 2.]. Hoc autem nomen « homo » significat humanam naturam, prout nata est in supposito esse; quia, ut dicit Damascenus [lib. 3. Orth. Fid. cap. 11.], sicut hoc nomen « Deus » significat « eum qui habet naturam humanam »; et ideo non est proprie dictum, quod « Filius Dei assumpsit hominem », supponendo sicut rei veritas se habet quod in Christo sit tantum1 unum suppositum, et una 151hypostasis. Sed secundum illos, qui ponunt in Christo duas hypostases, vel duo supposita, convenienter, et proprie dici posset, quod Filius Dei hominem assumpsisset. Unde et prima opinio, quae ponitur in 6. dist. 3. lib. Sentent., concedit hominem esse assumptum. Sed illa opinio erronea est, ut supra dictum est [q. 2. art. 6.].
Leerstelling. — Zooals wij boven zeiden (Voorgaand Art.), is datgene wat aangenomen wordt niet de eindterm van de aanneming, maar wordt verondersteld van te voren te bestaan. Nu is er gezegd (3e Kw., 2e Art. Antw. op de 1e B.), dat de eenling, waarin de menschelijke natuur wordt aangenomen, geen ander is dan de goddelijke persoon, die de eindterm der aanneming is. Maar deze naam mensch geeft de menschelijke natuur aan, voor zoover zij erop aangelegd is in een drager te bestaan, omdat, zooals Damascenus zegt (Over het Ware Geloof, 3e B., 11e H.), gelijk de naam God Hem, aangeeft, die de goddelijke natuur heeft, zoo ook de naam mensch diengene aangeeft, die de menschelijke natuur bezit. En daarom spreekt men niet in eigenlijken zin, als men zegt, dat de Zoon Gods een mensch heeft aangenomen, als men veronderstelt, zooals het in waarheid is, dat er in Christus 151een drager en een hypostase is. Maar volgens hen, die in Christus twee dragers of twee hypostasen aannemen, kan men gepast en in eigenlijken zin zeggen, dat Gods Zoon een mensch heeft aangenomen. Daarom geeft ook de eerste meening, die in de 6e distinctie van het 3e boek der Sententiae vermeld wordt, toe, dat er een mensch is aangenomen. Maar die meening is verkeerd, zooals boven is aangetoond (2e Kw., 6e Art.).Leerstelling. — Zoals wij boven zeiden (Voorgaand Art.), is datgene wat aangenomen wordt niet de eindterm van de aanneming, maar wordt verondersteld van te voren te bestaan. Nu is er gezegd (3e Kw., 2e Art. Antw. op de 1e B.), dat de eenling, waarin de menselijke natuur wordt aangenomen, geen ander is dan de goddelijke persoon, die de eindterm van de aanneming is. Maar deze naam mens geeft de menselijke natuur aan, voor zover zij erop aangelegd is in een drager te bestaan, omdat, zoals Damascenus zegt (Over het Ware Geloof, 3e B., 11e H.), gelijk de naam God Hem, aangeeft, die de goddelijke natuur heeft, zo ook de naam mens diengene aangeeft, die de menselijke natuur bezit. En daarom spreekt men niet in eigenlijke zin, als men zegt, dat de Zoon Gods een mens heeft aangenomen, als men veronderstelt, zoals het in waarheid is, dat er in Christus 151een drager en een hypostase is. Maar volgens hen, die in Christus twee dragers of twee hypostasen aannemen, kan men gepast en in eigenlijke zin zeggen, dat Gods Zoon een mens heeft aangenomen. Daarom geeft ook de eerste mening, die in de zesde distinctie van het 3e boek van de Sententiae vermeld wordt, toe, dat er een mens is aangenomen. Maar die mening is verkeerd, zoals boven is aangetoond (2e Kw., 6e Art.).
Ad primum ergo dicendum, quod hujusmodi locutiones non sunt extendendae tanquam propriae, sed pie sunt exponendae, ubicumque a sacris Doctoribus ponuntur: ut dicamus « hominem assumptum », quia ejus natura est assumpta, et quia assumptio terminata est ad hoc, ut2 Filius Dei sit homo.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dergelijke uitdrukkingen moet men verder niet gebruiken, alsof zij in eigenlijken zin kunnen worden opgevat, maar waar zij door de Heilige Leeraars worden neergeschreven, moet men hen vroom verklaren, zoodat wij zeggen, dat er een mensch is aangenomen, omdat zijn natuur aangenomen is; en omdat de aanneming hierin haar eindterm gevonden heeft, dat Gods Zoon mensch is.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dergelijke uitdrukkingen moet men verder niet gebruiken, alsof zij in eigenlijke zin kunnen worden opgevat, maar waar zij door de Heilige Leraars worden neergeschreven, moet men hen vroom verklaren, zodat wij zeggen, dat er een mens is aangenomen, omdat zijn natuur aangenomen is; en omdat de aanneming hierin haar eindterm gevonden heeft, dat Gods Zoon mens is.
Ad secundum dicendum, quod hoc nomen « homo » significat naturam humanam in concreto, prout scilicet est in aliquo supposito; et ideo sicut non possumus dicere, quod suppositum sit assumptum; ita non possumus dicere, quod homo sit assumptus.
2. Deze naam mensch beteekent de menschelijke natuur in de werkelijkheid, nl. zooals zij in een drager is. En daarom kunnen wij niet zeggen, evenmin als wij zeggen kunnen dat een drager aangenomen is, dat een mensch aangenomen is.2. Deze naam mens betekent de menselijke natuur in de werkelijkheid, nl. zoals zij in een drager is. En daarom kunnen wij niet zeggen, evenmin als wij zeggen kunnen dat een drager aangenomen is, dat een mens aangenomen is.
152Ad tertium dicendum, quod Filius Dei non est homo, quem assumpsit, sed cujus naturam assumpsit.
1523. Gods Zoon is niet de mensch, dien Hij aangenomen heeft, maar waarvan Hij de natuur heeft aangenomen.1523. Gods Zoon is niet de mens, die Hij aangenomen heeft, maar waarvan Hij de natuur heeft aangenomen.
Utrum filius Dei debuerit assumere humanam naturam abstractam ab omnibus individuis
Moest Gods Zoon een van alle eenlingen geabstraheerde menschelijke natuur aannemen?Moest Gods Zoon een van alle eenlingen geabstraheerde menselijke natuur aannemen?
152Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod Filius Dei debuerit1 assumere humanam naturam abstractam ab omnibus individuis. Assumptio enim humanae naturae facta est ad communem omnium hominum salutem; unde dicitur 1. ad Timoth. 4. [v. 10] de Christo, quod est « salvator omnium hominum, maxime fidelium ». Sed natura, prout est in individuis, recedit a sua communitate. Ergo Filius Dei debuit humanam naturam assumere, prout est ab omnibus individuis abstracta.
152Bedenkingen. — Men beweert, dat Gods Zoon een van alle eenlingen geabstraheerde menschelijke natuur moest aannemen. — 1. Want de aanneming der menschelijke natuur geschiedde om het gezamenlijke heil van alle menschen, zoodat in den Eersten Brief aan Timotheus (4, 10) over Christus wordt gezegd, dat Hij « de Redder is van alle menschen, vooral van de geloovigen ». Maar inzoover de natuur in de eenlingen is, mist zij haar algemeenheid. Dus moest Gods Zoon de menschelijke natuur aannemen, zooals zij geabstraheerd is van alle eenlingen.152Bedenkingen. — Men beweert, dat Gods Zoon een van alle eenlingen geabstraheerde menselijke natuur moest aannemen. — 1. Want de aanneming van de menselijke natuur geschiedde om het gezamenlijke heil van alle mensen, zodat in de Eerste Brief aan Timoteüs (4, 10) over Christus wordt gezegd, dat Hij “de Redder is van alle mensen, vooral van de gelovigen”. Maar inzover de natuur in de eenlingen is, mist zij haar algemeenheid. Dus moest Gods Zoon de menselijke natuur aannemen, zoals zij geabstraheerd is van alle eenlingen.
2. Praeterea, in omnibus id2 quod est nobilissimum, est Deo 153attribuendum. Sed in unoquoque genere illud quod est per se, potissimum est. Ergo Filius Dei debuit assumere « hominem per se », qui quidem secundum Platonicos [ex Arist. 1. Metaph. tex. 6. [S. Th. lect. 10. lib. 6. cap. 16. n. 7] lib. 7. lect. 16.], est humana natura ab individuis separata. Hanc igitur debuit Filius Dei assumere.
2. In alles moeten wij aan God toekennen wat het edelst is. 153Maar bij alle soorten is datgene het voornaamst, wat door zichzelf is. Dus moest Gods Zoon datgene aannemen, wat door zichzelf mensch is. Maar volgens de volgelingen van Plato is dat de van de eenlingen gescheiden menschelijke natuur. Dus die moest Gods Zoon aannemen.2. In alles moeten wij aan God toekennen wat het edelst is. 153Maar bij alle soorten is datgene het voornaamst, wat door zichzelf is. Dus moest Gods Zoon datgene aannemen, wat door zichzelf mens is. Maar volgens de volgelingen van Plato is dat de van de eenlingen gescheiden menselijke natuur. Dus die moest Gods Zoon aannemen.
3. Praeterea, humana natura non est assumpta a Filio Dei, prout significatur in concreto per hoc nomen « homo » ut dictum est [art. praec.]: sic autem significatur, prout est in singularibus, ut ex dictis patet [ibid.]. Ergo Filius Dei assumpsit naturam humanam, prout est ab individuis separata.
3. Door Gods Zoon is de menschelijke natuur niet aangenomen, voor zoover zij in de werkelijkheid door den naam mensch wordt aangeduid, gelijk wij gezegd hebben (voorg. Art.). Maar zooals uit het gezegde blijkt, wordt zij met dien naam aangeduid voor zoover zij in de eenlingen bestaat. Dus moest Gods Zoon de menschelijke natuur aannemen, in zoover zij van de eenlingen gescheiden is.3. Door Gods Zoon is de menselijke natuur niet aangenomen, voor zover zij in de werkelijkheid door de naam mens wordt aangeduid, gelijk wij gezegd hebben (voorg. Art.). Maar zoals uit het gezegde blijkt, wordt zij met die naam aangeduid voor zover zij in de eenlingen bestaat. Dus moest Gods Zoon de menselijke natuur aannemen, in zover zij van de eenlingen gescheiden is.
Sed contra est, quod dicit Damascenus in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 11.]: « Deus Verbum incarnatum non eam, quae nuda contemplatione consideratur, naturam assumpsit, non enim incarnatio hoc, sed deceptio et fictio incarnationis esset ». Sed humana natura, prout est ab individuis3 154separata, vel abstracta, « in nuda contemplatione cogitatur: quia secundum seipsum non subsistit », ut ibidem Damascenus dicit. Ergo Filius Dei non assumpsit humanam naturam, secundum quod est a singularibus separata.
Daartegenover echter staat het woord van Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 11e H.): « Gods menschgeworden Woord heeft ook niet de natuur, die door de zuivere verstandskennis wordt beschouwd, aangenomen, want dat is geen menschwording, maar een bedrog en een namaak van menschwording ». Maar voor zoover de menschelijke natuur gescheiden of geabstraheerd wordt van de eenlingen, « wordt zij in de zuivere 154verstandskennis beschouwd, omdat zij naar haarzelf niet bestaat », zooals dezelfde Damascenus zegt (t. a. pl.). Dus nam Gods Zoon de menschelijke natuur niet aan voor zoover zij van de eenlingen gescheiden is.Daartegenover echter staat het woord van Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 11e H.): “Gods mensgeworden Woord heeft ook niet de natuur, die door de zuivere verstandskennis wordt beschouwd, aangenomen, want dat is geen menswording, maar een bedrog en een namaak van menswording”. Maar voor zover de menselijke natuur gescheiden of geabstraheerd wordt van de eenlingen, “wordt zij in de zuivere 154verstandskennis beschouwd, omdat zij naar haarzelf niet bestaat”, zoals dezelfde Damascenus zegt (t.a.p.). Dus nam Gods Zoon de menselijke natuur niet aan voor zover zij van de eenlingen gescheiden is.
Respondeo dicendum, quod natura hominis, vel cujuscumque alterius rei sensibilis, praeter esse quod in singularibus habet, dupliciter potest intelligi: uno modo, quasi per se ipsam esse habeat4 sicut Platonici posuerunt: alio modo, sicut in intellectu existens, vel humano, vel divino. Per se quidem subsistere non potest, ut Philos. probat in 7. Metaph. [S. Th. lect. 15.], quia ad naturam speciei rerum sensibilium pertinet materia sensibilis, quae ponitur in ejus definitione: sicut carnes, et ossa in definitione hominis. Unde non potest esse, quod natura humana sit praeter materiam sensibilem: si tamen esset hoc modo subsistens natura humana, non fuisset conveniens, ut a Verbo Dei assumeretur. Primo quidem, quia assumptio ista terminatur ad personam: hoc autem est contra rationem 155formae communis, ut sit in persona; quia in persona individuatur5. Secundo, quia naturae communi non possunt attribui nisi operationes communes, et universales, secundum quas homo non6 meretur, nec demeretur; cum tamen illa assumptio ad hoc facta sit, ut Filius Dei, natura assumpta7, nobis mereretur. Tertio, quia natura sic existens non est sensibilis, sed intelligibilis: Filius autem Dei assumpsit humanam naturam, ut hominibus in ea visibilis appareret, secundum illud Baruch 3. [v. 38]: « Post haec in terris visus est, et cum hominibus conversatus est »; similiter etiam non potuit assumi humana natura a Filio Dei, secundum quod est in intellectu divino: quia sic nihil aliud est8, quam natura divina; et per hunc modum ab aeterno esset in Filio Dei humana natura: similiter non convenit dicere, quod Filius Dei assumpsit9 humanam naturam, prout est in intellectu humano: quia hoc nihil aliud esset, quam quod10 intelligeretur assumere naturam humanam. Et sic si non assumeret eam in 156rerum natura, esset intellectus falsus: nec esset aliud ista naturae humanae assumptio11, quam « fictio quaedam incarnationis », ut Damascenus dicit [loc. cit.].
Leerstelling. — Men kan de menschelijke natuur, of die van een ander onder de zintuigen vallend ding, buiten het bestaan, dat zij in de eenlingen heeft, op twee manieren opvatten: ten eerste, alsof zij uit zichzelf het bestaan had buiten de stof, zooals de volgelingen van Plato het hielden, en anders als bestaand in het verstand, hetzij het menschelijke, hetzij het goddelijke. Krachtens zichzelf kan zij niet bestaan, zooals de Philosoof bewijst in het 7e boek Over de Metaphysiek, omdat tot de soortelijke natuur van de onder zintuigen vallende dingen de onder de zintuigen vallende stof behoort, daar deze in de definitie is opgenomen, als vleesch en beenderen in de definitie van den mensch. Daarom kan de menschelijke natuur niet bestaan buiten de onder de zintuigen vallende stof. Maar ook als de menschelijke natuur zoo zelfstandig bestond, zou het niet gepast zijn, dat zij door het Woord Gods werd aangenomen. Ten eerste, omdat die aanneming den persoon als eindterm heeft. Maar tegen het wezen van een gemeenschappelijke vorm is 155het, dat zij zoo in een persoon tot een eenling zou worden gemaakt. — Ten tweede kunnen aan de gemeenschappelijke natuur alleen gemeenschappelijke en algemeene handelingen worden toegerekend, waardoor de mensch loon noch straf verdient, terwijl de aanneming toch dit ten doel heeft, dat Gods Zoon in de aangenomen natuur voor ons zou verdienen. — Ten derde valt een zoo bestaande natuur niet onder de zintuigen, maar onder het verstand. Gods Zoon heeft evenwel de menschelijke natuur aangenomen om zichtbaar in haar onder de menschen te verschijnen naar het woord van Baruch (3, 38): « Daarna is Hij op aarde gezien en heeft met de menschen omgegaan ». De menschelijke natuur kon evenmin door Gods Zoon worden aangenomen, in zoover zij bestaat in het verstand van God. Want zoo is zij niets anders dan de goddelijke natuur en op deze manier zou de menschelijke natuur van eeuwigheid af in Gods Zoon zijn geweest. Evenmin gaat het aan te zeggen, dat Gods Zoon de menschelijke natuur heeft aangenomen zooals zij in het menschenverstand bestaat. Want dat zou niets anders zijn als dat men begreep, dat Hij de menschelijke natuur aannam. En op die manier zou het intellect dwalen, als Hij haar 156in de werkelijkheid niet aannam. En dat zou niets anders zijn dan « een soort namaak van de menschwording », zooals Damascenus zegt (t. a. pl.).Leerstelling. — Men kan de menselijke natuur, of die van een ander onder de zintuigen vallend ding, buiten het bestaan, dat zij in de eenlingen heeft, op twee manieren opvatten: ten eerste, alsof zij uit zichzelf het bestaan had buiten de stof, zoals de volgelingen van Plato het hielden, en anders als bestaand in het verstand, hetzij het menselijke, hetzij het goddelijke. Krachtens zichzelf kan zij niet bestaan, zoals de Filosoof bewijst in het 7e boek Over de Metafysica, omdat tot de soortelijke natuur van de onder zintuigen vallende dingen de onder de zintuigen vallende stof behoort, daar deze in de definitie is opgenomen, als vlees en beenderen in de definitie van de mens. Daarom kan de menselijke natuur niet bestaan buiten de onder de zintuigen vallende stof. Maar ook als de menselijke natuur zo zelfstandig bestond, zou het niet gepast zijn, dat zij door het Woord Gods werd aangenomen. Ten eerste, omdat die aanneming de persoon als eindterm heeft. Maar tegen het wezen van een gemeenschappelijke vorm is 155het, dat zij zo in een persoon tot een eenling zou worden gemaakt. — Ten tweede kunnen aan de gemeenschappelijke natuur alleen gemeenschappelijke en algemene handelingen worden toegerekend, waardoor de mens loon noch straf verdient, terwijl de aanneming toch dit ten doel heeft, dat Gods Zoon in de aangenomen natuur voor ons zou verdienen. — Ten derde valt een zo bestaande natuur niet onder de zintuigen, maar onder het verstand. Gods Zoon heeft evenwel de menselijke natuur aangenomen om zichtbaar in haar onder de mensen te verschijnen naar het woord van Baruch (3, 38): “Daarna is Hij op aarde gezien en heeft met de mensen omgegaan”. De menselijke natuur kon evenmin door Gods Zoon worden aangenomen, in zover zij bestaat in het verstand van God. Want zo is zij niets anders dan de goddelijke natuur en op deze manier zou de menselijke natuur van eeuwigheid af in Gods Zoon zijn geweest. Evenmin gaat het aan te zeggen, dat Gods Zoon de menselijke natuur heeft aangenomen zoals zij in het mensenverstand bestaat. Want dat zou niets anders zijn als dat men begreep, dat Hij de menselijke natuur aannam. En op die manier zou het intellect dwalen, als Hij haar 156in de werkelijkheid niet aannam. En dat zou niets anders zijn dan “een soort namaak van de menswording”, zoals Damascenus zegt (t.a.p.).
Ad primum ergo dicendum, quod Filius Dei incarnatus est communis omnium salvator, non communitate generis, vel speciei, quae attribuitur naturae ab individuis separatae, sed communitate causae, prout Filius Dei incarnatus est universalis causa salutis humanae.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Gods menschgeworden Zoon is de gemeenschappelijke Redder van allen, niet zooals geslacht en soort gemeenschappelijk zijn, die aan de van de eenlingen gescheiden natuur worden toegekend; maar zooals een oorzaak gemeenschappelijk is, in zoover de menschgeworden Zoon Gods de gemeenschappelijke oorzaak is van het heil der menschen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Gods mensgeworden Zoon is de gemeenschappelijke Redder van allen, niet zoals geslacht en soort gemeenschappelijk zijn, die aan de van de eenlingen gescheiden natuur worden toegekend; maar zoals een oorzaak gemeenschappelijk is, in zover de mensgeworden Zoon Gods de gemeenschappelijke oorzaak is van het heil van de mensen.
Ad secundum dicendum, quod « per se homo » non invenitur in rerum natura, ita quod sit praeter singularia, ut Platonici posuerunt: quamvis quidam dicant, quod Plato non intellexit hominem separatum esse, nisi in intellectu divino; et sic non oportuit, quod assumeretur a Verbo, cum ab aeterno sibi affuerit.
2. Datgene wat door zichzelf mensch is, wordt in de werkelijkheid niet zoo gevonden, dat het buiten de eenlingen bestaat, zooals de Platonisten beweerden. — Sommigen zeggen evenwel, dat Plato niet hield, dat de mensch van de eenlingen gescheiden bestaat tenzij in het goddelijk verstand. En zoo moest hij door het Woord niet aangenomen worden, omdat hij eeuwig bij Hem was.2. Datgene wat door zichzelf mens is, wordt in de werkelijkheid niet zo gevonden, dat het buiten de eenlingen bestaat, zoals de Platonisten beweerden. — Sommigen zeggen evenwel, dat Plato niet hield, dat de mens van de eenlingen gescheiden bestaat tenzij in het goddelijk verstand. En zo moest hij door het Woord niet aangenomen worden, omdat hij eeuwig bij Hem was.
Ad tertium dicendum, quod quamvis natura humana non sit assumpta in concreto, ut suppositum praeintelligatur assumptionis: sic tamen assumpta est in individuo, quia assumpta est, ut sit in individuo.
3. Al moet men het aannemen der menschelijke natuur in concreto niet zoo opvatten, dat men er voor de aanneming een drager in veronderstelt, toch is zij in een eenling aangenomen, want zij is zoo aangenomen, dat zij in een eenling bestaat.3. Al moet men het aannemen van de menselijke natuur in concreto niet zo opvatten, dat men er voor de aanneming een drager in veronderstelt, toch is zij in een eenling aangenomen, want zij is zo aangenomen, dat zij in een eenling bestaat.
Utrum Filius Dei naturam humanam assumere debuerit in omnibus individuis
Moest Gods Zoon de menschelijke natuur aannemen in alle eenlingen?Moest Gods Zoon de menselijke natuur aannemen in alle eenlingen?
157Ad quintum sic proceditur. Videtur, quod Filius Dei humanam naturam assumere debuerit1 in omnibus individuis: illud enim quod primo, et per se assumptum est, est natura humana. Sed quod convenit per se alicui naturae, convenit omnibus in eadem natura existentibus. Ergo conveniens fuit, ut natura humana assumeretur a Dei Verbo in omnibus suis suppositis2.
157Bedenkingen. — Men beweert, dat Gods Zoon de menschelijke natuur moest aannemen in alle eenlingen. — 1. Want wat allereerst en uiteraard is aangenomen, is de menschelijke natuur. Maar wat uiteraard aan een natuur toekomt, komt aan allen toe, die in die natuur bestaan. Dus paste het, dat de menschelijke natuur door Gods Zoon werd aangenomen in alle eenlingen.157Bedenkingen. — Men beweert, dat Gods Zoon de menselijke natuur moest aannemen in alle eenlingen. — 1. Want wat allereerst en uiteraard is aangenomen, is de menselijke natuur. Maar wat uiteraard aan een natuur toekomt, komt aan allen toe, die in die natuur bestaan. Dus paste het, dat de menselijke natuur door Gods Zoon werd aangenomen in alle eenlingen.
2. Praeterea, incarnatio divina processit ex divina charitate; unde dicitur Joan. 3. [v. 16]: « Sic Deus dilexit mundum, ut Filium suum unigenitum daret ». Sed charitas facit, ut aliquis se communicet amicis, quantum est possibile: possibile autem fuit Filio Dei, ut plures naturas hominum assumeret, ut supra dictum est [q. 3. art. 7.], et eadem ratione 158omnes. Ergo conveniens fuit, quod Filius Dei assumeret naturam humanam3 in omnibus suis suppositis.
2. De goddelijke menschwording komt voort uit de goddelijke liefde, en daarom zegt Johannes (3, 16): « Zoo heeft God de wereld bemind, dat Hij zijn eengeboren Zoon heeft gegeven ». Maar de liefde maakt, dat iemand zich aan zijn vrienden geeft voor zoover het mogelijk is. Zooals nu boven is gezegd (3e Kw., 7e Art), kon Gods Zoon meerdere menschennaturen aannemen 158en daarom ook alle. Dus paste het, dat Gods Zoon de menschelijke natuur aannam in al haar dragers.2. De goddelijke menswording komt voort uit de goddelijke liefde, en daarom zegt Johannes (3, 16): “Zo heeft God de wereld bemind, dat Hij zijn eengeboren Zoon heeft gegeven”. Maar de liefde maakt, dat iemand zich aan zijn vrienden geeft voor zover het mogelijk is. Zoals nu boven is gezegd (3e Kw., 7e Art), kon Gods Zoon meerdere mensennaturen aannemen 158en daarom ook alle. Dus paste het, dat Gods Zoon de menselijke natuur aannam in al haar dragers.
3. Praeterea, sapiens operator perficit opus suum breviori via, qua potest. Sed brevior via fuisset, si omnes homines assumpti fuissent ad naturalem filiationem, quam quod per unum filium naturalem multi in adoptionem filiorum adducantur, ut dicitur Gal. 4. [v. 5]. Ergo humana natura debuit a Filio Dei assumi in omnibus suppositis.
3. Een wijs werkman brengt zijn werk langs den kortst mogelijken weg ten einde. Maar het was een kortere weg, als alle menschen werden aangenomen tot het zoonschap van nature, dan dat « velen door een Zoon van nature ertoe worden gebracht aangenomen zonen te zijn », zooals in den Galatenbrief (4, 5) wordt gezegd. Dus moest de menschelijke natuur door Gods Zoon in al haar dragers worden aangenomen.3. Een wijs werkman brengt zijn werk langs de kortst mogelijken weg ten einde. Maar het was een kortere weg, als alle mensen werden aangenomen tot het zoonschap van nature, dan dat “velen door een Zoon van nature ertoe worden gebracht aangenomen zonen te zijn”, zoals in de Galatenbrief (4, 5) wordt gezegd. Dus moest de menselijke natuur door Gods Zoon in al haar dragers worden aangenomen.
Sed contra est, quod Damascenus dicit in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 11.] quod Filius Dei « non assumpsit humanam naturam, quae in specie consideretur: neque enim omnes hypostases ejus assumpsit ».
Daartegenover staat echter wat Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 11e H.) zegt: « dat Gods Zoon de menschelijke natuur niet aannam, zooals zij als soort wordt beschouwd, en ook niet al haar hypostasen heeft aangenomen ».Daartegenover staat echter wat Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 11e H.) zegt: “dat Gods Zoon de menselijke natuur niet aannam, zoals zij als soort wordt beschouwd, en ook niet al haar hypostasen heeft aangenomen”.
Respondeo dicendum, quod non fuit conveniens, quod humana natura in omnibus suis suppositis a verbo assumeretur. Primo, quia tolleretur multitudo suppositorum humanae naturae, quae est ei connaturalis: cum enim in natura assumpta non sit considerare aliud suppositum praeter personam assumentem, ut supra dictum est [q. 2. art. 3.], si nón esset 159humana natura nisi assumpta, sequeretur, quod non esset nisi unum suppositum humanae naturae, quod est persona assumens.
Leerstelling. — Het was niet gepast, dat de menschelijke natuur door Gods Zoon in al haar dragers werd aangenomen. Ten eerste zou wat aan de menschelijke natuur eigen is, de veelheid van dragers, worden weggenomen. Want omdat, zooals wij zeiden (2e Kw., 3e Art.), in een aangenomen natuur geen andere 159drager gesteld mag worden dan de aannemende persoon, zou volgen, dat er maar een drager van de menschelijke natuur was, nl. de persoon, die aannam, als er geen andere menschelijke natuur was dan die werd aangenomen.Leerstelling. — Het was niet gepast, dat de menselijke natuur door Gods Zoon in al haar dragers werd aangenomen. Ten eerste zou wat aan de menselijke natuur eigen is, de veelheid van dragers, worden weggenomen. Want omdat, zoals wij zeiden (2e Kw., 3e Art.), in een aangenomen natuur geen andere 159drager gesteld mag worden dan de aannemende persoon, zou volgen, dat er maar een drager van de menselijke natuur was, nl. de persoon, die aannam, als er geen andere menselijke natuur was dan die werd aangenomen.
Secundo, quia hoc derogaret dignitati Filii Dei incarnati, prout est « primogenitus in multis fratribus » [Rom. 8. v. 29] secundum humanam naturam, sicut est « primogenitus omnis creaturae » [Coloss. 1. v. 15] secundum divinam: essent enim tunc omnes homines aequalis dignitatis.
Ten tweede zou dit aan de waardigheid van Gods menschgeworden Zoon te kort doen, in zoover deze naar de menschelijke natuur « de eerstgeboren van vele broeders » (Rom. 8, 29) is, zooals naar de goddelijke « de eerstgeboren van alle schepsels » (Coloss. 1, 15). Want dan zouden alle menschen dezelfde waardigheid hebben.Ten tweede zou dit aan de waardigheid van Gods mensgeworden Zoon te kort doen, in zover deze naar de menselijke natuur “de eerstgeboren van vele broeders” (Rom. 8, 29) is, zoals naar de goddelijke “de eerstgeboren van alle schepsels” (Koloss. 1, 15). Want dan zouden alle mensen dezelfde waardigheid hebben.
Tertio, quia conveniens est4, quod sicut unum suppositum divinum est incarnatum, ita unam solam naturam humanam assumeret, ut ex utraque parte unitas inveniatur.
Ten derde paste het, dat zooals er één goddelijke Drager is menschgeworden, Deze ook maar een menschelijke natuur aannam, zoodat van beide zijden eenheid werd gevonden.Ten derde paste het, dat zoals er één goddelijke Drager is mensgeworden, Deze ook maar een menselijke natuur aannam, zodat van beide zijden eenheid werd gevonden.
Ad primum ergo dicendum, quod assumi convenit secundum se humanae naturae; quia scilicet non convenit ei ratione personae, sicut naturae divinae convenit assumere ratione personae. Non autem convenit ei secundum se sicut pertinens ad principia essentialia ejus, vel sicut naturalis ejus proprietas; per quem modum conveniret omnibus ejus suppositis.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Aangenomen worden komt uiteraard aan de menschelijke natuur toe, omdat het haar niet om een persoon toekomt, zooals aannemen de goddelijke natuur toekomt om den persoon. Maar het komt haar niet uiteraard toe alsof het tot haar wezensbeginselen behooren zou of als een natuurlijke eigenschap; was het zoo, dan zou het aan al haar dragers toekomen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Aangenomen worden komt uiteraard aan de menselijke natuur toe, omdat het haar niet om een persoon toekomt, zoals aannemen de goddelijke natuur toekomt om de persoon. Maar het komt haar niet uiteraard toe alsof het tot haar wezensbeginselen behoren zou of als een natuurlijke eigenschap; was het zo, dan zou het aan al haar dragers toekomen.
160Ad secundum dicendum, quod dilectio Dei ad homines manifestatur non solum in ipsa assumptione humanae naturae, sed praecipue per ea quae passus est in humana natura pro aliis hominibus, secundum illud Rom. 5. [v. 8]: « Commendat autem Deus charitatem suam in nobis, quia cum inimici essemus, Christus pro nobis mortuus est ». Quod locum non haberet, si in omnibus hominibus naturam humanam assumpsisset.
1602. Gods liefde wordt aan de menschen niet alleen in het aannemen zelf van de menschelijke natuur getoond, maar vooral in wat Hij in de menschelijke natuur voor de andere menschen leed, naar het woord uit den Romeinenbrief (5, 8): « God bewijst zijn liefde voor ons, omdat Christus voor ons is gestorven, toen wij nog zondaars waren ». Dat zou niet zijn gebeurd, als Hij in alle menschen de menschelijke natuur had aangenomen.1602. Gods liefde wordt aan de mensen niet alleen in het aannemen zelf van de menselijke natuur getoond, maar vooral in wat Hij in de menselijke natuur voor de andere mensen leed, naar het woord uit de Romeinenbrief (5, 8): “God bewijst zijn liefde voor ons, omdat Christus voor ons is gestorven, toen wij nog zondaars waren”. Dat zou niet zijn gebeurd, als Hij in alle mensen de menselijke natuur had aangenomen.
Ad tertium dicendum, quod ad brevitatem viae, quam sapiens operator observat, pertinet quod non faciat per multa, quod sufficienter potest fieri per unum; et ideo convenientissimum fuit, quod per unum hominem omnes alii salvarentur.
3. Tot de kortheid van den weg, waarop een verstandig werkman let, behoort het ook niet door velen te doen, wat door een kan geschieden. En zoo was het zoo gepast mogelijk, dat door een mensch alle anderen werden gered.3. Tot de kortheid van de weg, waarop een verstandig werkman let, behoort het ook niet door velen te doen, wat door een kan geschieden. En zo was het zo gepast mogelijk, dat door een mens alle anderen werden gered.
Utrum conveniens fuerit, quod Filius Dei humanam naturam assumeret ex stirpe adae
Was het passend, dat Gods Zoon de menschelijke natuur aannam uit Adams geslacht?Was het passend, dat Gods Zoon de menselijke natuur aannam uit Adams geslacht?
160Ad sextum sic proceditur. Videtur, quod non fuerit conveniens, ut Filius Dei naturam humanam assumeret ex stirpe Adae: dicit enim 161Apostolus ad Hebr. 7. [v. 26]: « Talis decebat ut esset nobis Pontifex..., segregatus a peccatoribus ». Sed magis esset a peccatoribus segregatus, si non assumpsisset naturam humanam ex stirpe Adae peccatoris. Ergo videtur, quod non debuerit1 de stirpe Adae naturam humanam assumere.
160Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat het niet passend was, dat Gods Zoon de menschelijke natuur aannam uit Adams geslacht. 161Want de Apostel zegt in den Hebreënbrief (7, 26): « Wij hadden een hoogepriester noodig, die van de zondaars afgescheiden was ». Maar Hij zou meer van de zondaars afgescheiden zijn geweest, als Hij de menschelijke natuur niet uit Adams geslacht had aangenomen. Dus schijnt het, dat Hij de menschelijke natuur niet uit Adams geslacht had moeten aannemen.160Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat het niet passend was, dat Gods Zoon de menselijke natuur aannam uit Adams geslacht. 161Want de Apostel zegt in de Hebreënbrief (7, 26): “Wij hadden een hogepriester nodig, die van de zondaars afgescheiden was”. Maar Hij zou meer van de zondaars afgescheiden zijn geweest, als Hij de menselijke natuur niet uit Adams geslacht had aangenomen. Dus schijnt het, dat Hij de menselijke natuur niet uit Adams geslacht had moeten aannemen.
2. Praeterea, in quolibet genere principium nobilius est eo, quod est a2 principio. Si igitur assumere voluit humanam naturam, magis debuit eam assumere in ipso Adam.
2. In iedere soort is het beginsel zelf edeler dan wat uit het beginsel voortkomt. Wilde Hij dus de menschelijke natuur aannemen, dan had Hij het in Adam zelf moeten doen.2. In iedere soort is het beginsel zelf edeler dan wat uit het beginsel voortkomt. Wilde Hij dus de menselijke natuur aannemen, dan had Hij het in Adam zelf moeten doen.
3. Praeterea, Gentiles fuerunt magis peccatores, quam Judaei, ut dicit Gloss. [interlin.], ad Gal. 2. [v. 15] super illud: « Nos natura Judaei, et non ex gentibus peccatores ». Si ergo ex peccatoribus naturam humanam assumere voluit, debuit eam magis assumere ex gentibus, quam ex stirpe Abrahae, qui fuit justus.
3. De heidenen waren grooter zondaars dan de Joden, zooals de Glossa zegt bij het woord uit den Galatenbrief (2, 15): « Wij zijn Joden van afkomst en geen zondaars uit de heidenen ». Als Hij dus de menschelijke natuur uit zondaars wilde aannemen, dan had Hij het eerder uit de heidenen moeten doen dan uit het geslacht van Abraham, die rechtvaardig was.3. De heidenen waren groter zondaars dan de Joden, zoals de Glossa zegt bij het woord uit de Galatenbrief (2, 15): “Wij zijn Joden van afkomst en geen zondaars uit de heidenen”. Als Hij dus de menselijke natuur uit zondaars wilde aannemen, dan had Hij het eerder uit de heidenen moeten doen dan uit het geslacht van Abraham, die rechtvaardig was.
Sed contra est, quod, Luc. 3. [v. 23 sqq.], generatio Domini reducitur usque ad Adam.
Daartegenover staat echter, dat bij Lucas (3, 23) de afkomst des Heeren tot Adam wordt teruggevoerd.Daartegenover staat echter, dat bij Lukas (3, 23) de afkomst van de Heer tot Adam wordt teruggevoerd.
162Respondeo dicendum, quod, sicut Augustinus dicit in 13. de Trin. [cap. 18.]: « poterat Deus hominem aliunde suscipere, non de genere istius Adae, qui suo peccato obligavit genus humanum. Sed melius judicavit de ipso, quod victum fuerat, genere assumeret hominem Deus, per quem generis humani vinceret inimicum ». Et hoc propter tria: primo quidem, quia hoc videtur ad justitiam pertinere, ut ille satisfaciat, qui peccavit; et ideo de natura per peccatum3 corrupta debuit assumi id, per quod satisfactio erat implenda pro tota natura.
162Leerstelling. — Augustinus zegt in het 3e boek Over de Drievuldigheid (18e H.): « God kon de menschelijke natuur ergens anders vandaan aannemen, en niet uit het geslacht van dien Adam, die door zijn zonde het menschelijk geslacht schuldig had gemaakt. Maar God oordeelde het beter uit het overwonnen geslacht zelf een mensch aan te nemen, waardoor Hij den vijand van het menschelijk geslacht zou verslaan ». En dat om drie redenen. Ten eerste scheen het rechtvaardig, dat hij, die gezondigd heeft, ook voldoening brengt. En daarom moest uit de door de zonde bedorven natuur datgene worden aangenomen, waardoor voldoening voor de heele natuur zou worden gegeven.162Leerstelling. — Augustinus zegt in het 3e boek Over de Drievuldigheid (18e H.): “God kon de menselijke natuur ergens anders vandaan aannemen, en niet uit het geslacht van die Adam, die door zijn zonde het menselijk geslacht schuldig had gemaakt. Maar God oordeelde het beter uit het overwonnen geslacht zelf een mens aan te nemen, waardoor Hij de vijand van het menselijk geslacht zou verslaan”. En dat om drie redenen. Ten eerste scheen het rechtvaardig, dat hij, die gezondigd heeft, ook voldoening brengt. En daarom moest uit de door de zonde bedorven natuur datgene worden aangenomen, waardoor voldoening voor de hele natuur zou worden gegeven.
Secundo, quia hoc etiam pertinet ad majorem hominis dignitatem; dum ex illo genere victor diaboli nascitur, quod per diabolum fuerat victum.
Ten tweede strekt het ook den mensch tot grooter eer, als de overwinnaar van den duivel uit het door den duivel overwonnen geslacht wordt geboren.Ten tweede strekt het ook de mens tot groter eer, als de overwinnaar van de duivel uit het door de duivel overwonnen geslacht wordt geboren.
Tertio, quia per hoc etiam Dei potentia magis ostenditur; dum de natura corrupta, et infirma assumpsit id, quod in tantam virtutem, et dignitatem est promotum.
Ten derde wordt hierdoor Gods macht meer getoond, als Hij uit de bedorven en verzwakte natuur dat wegneemt wat zoo'n kracht en waardigheid krijgt.Ten derde wordt hierdoor Gods macht meer getoond, als Hij uit de bedorven en verzwakte natuur dat wegneemt wat zo'n kracht en waardigheid krijgt.
Ad primum ergo dicendum, quod Christus debuit esse a peccatoribus segregatus quantum ad culpam, quam venerat destruere, non quantum ad 163naturam quam venerat salvare, secundum quam « debuit per omnia fratribus assimilari », ut idem Apostol. dicit ad Hebr. 2. [v. 17]; et in hoc etiam mirabilior est ejus innocentia, quod de massa peccato subjecta natura assumpta tantam habuit puritatem.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Christus moest wat de schuld, die Hij kwam vernietigen, betreft van de zondaars gescheiden zijn, maar niet wat de natuur, die Hij kwam redden 163betreft. Hierin « moest Hij in alles aan zijn broeders gelijk worden gemaakt », zooals dezelfde Apostel zegt in den Hebreënbrief (2, 17). En daarom is zijn onschuld nog meer wonderbaar, dat een natuur, die uit aan zonde onderworpen stof is aangenomen, zoo 'n groote reinheid bezit.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Christus moest wat de schuld, die Hij kwam vernietigen, betreft van de zondaars gescheiden zijn, maar niet wat de natuur, die Hij kwam redden 163betreft. Hierin “moest Hij in alles aan zijn broeders gelijk worden gemaakt”, zoals dezelfde Apostel zegt in de Hebreënbrief (2, 17). En daarom is zijn onschuld nog meer wonderbaar, dat een natuur, die uit aan zonde onderworpen stof is aangenomen, zo 'n grote reinheid bezit.
Ad secundum dicendum, quod, sicut dictum est [in solut. praec.], oportuit, eum, qui peccata venerat tollere, esse a peccatoribus segregatum, quantum ad culpam, cui Adam subjacuit, et quem Christus « a suo delicto eduxit », ut dicitur Sap. 10. [v. 2]: oportebat autem, eum qui mundare omnes venerat, non esse mundandum: sicut et in quolibet genere motus primum movens est immobile secundum illum motum; sicut primum alterans est inalterabile. Et ideo non fuit conveniens, ut assumeret humanam naturam in ipso Adam.
2. Zooals gezegd is (Antw. op 1e B.), moest Hij, die de zonden kwam wegnemen, wat de schuld betreft van de zondaars gescheiden zijn. Adam ging onder schuld gebukt en Christus « bevrijdde hem van zijn misdaad », zooals in het boek der Wijsheid (10, 2) wordt gezegd. Maar Hij, die allen kwam reinigen, moest zelf geen reiniging noodig hebben, zooals bij alle soorten van beweging de eerste die in beweging brengt, zelf in dat opzicht niet bewogen wordt, gelijk de eerste, die verandering brengt, zelf onveranderlijk is. En daarom paste het niet, dat Hij de menschelijke natuur in Adam zelf aannam.2. Zoals gezegd is (Antw. op 1e B.), moest Hij, die de zonden kwam wegnemen, wat de schuld betreft van de zondaars gescheiden zijn. Adam ging onder schuld gebukt en Christus “bevrijdde hem van zijn misdaad”, zoals in het boek van de Wijsheid (10, 2) wordt gezegd. Maar Hij, die allen kwam reinigen, moest zelf geen reiniging nodig hebben, zoals bij alle soorten van beweging de eerste die in beweging brengt, zelf in dat opzicht niet bewogen wordt, gelijk de eerste, die verandering brengt, zelf onveranderlijk is. En daarom paste het niet, dat Hij de menselijke natuur in Adam zelf aannam.
Ad tertium dicendum, quod quia Christus maxime debebat esse a peccatoribus segregatus quantum ad culpam, quasi summam innocentiae obtinens, conveniens fuit, ut a primo peccatore usque ad Christum perveniretur mediantibus quibusdam justis, in quibus praefulgerent4 quaedam insignia 164futurae sanctitatis; et propter hoc etiam in populo, ex quo Christus erat nasciturus, instituit Deus quaedam sanctitatis signa, quae inceperunt in Abraham, qui primus promissionem accepit de Christo, et circumcisionem5 signum foederis consummandi, ut dicitur Gen. 17. [v. 11].
3. Omdat Christus vooral wat de schuld betreft van de zondaars moest gescheiden zijn om het toppunt van onschuld te bereiken, paste het, dat men van den eersten zondaar langs eenige rechtvaardigen, waarin reeds eenige kenmerken der toekomstige heiligheid zouden schitteren, tot Christus kwam. Daarom gaf God 164ook aan het volk, waaruit Christus zou geboren worden, eenige teekenen van heiligheid, die begonnen in Abraham, die het eerst de belofte over Christus ontving, en ook de besnijdenis als een teeken van het verbond, dat gesloten zou worden, zooals in het boek der Schepping (17, 11) wordt gezegd.3. Omdat Christus vooral wat de schuld betreft van de zondaars moest gescheiden zijn om het toppunt van onschuld te bereiken, paste het, dat men van de eerste zondaar langs enige rechtvaardigen, waarin reeds enige kenmerken van de toekomstige heiligheid zouden schitteren, tot Christus kwam. Daarom gaf God 164ook aan het volk, waaruit Christus zou geboren worden, enige tekenen van heiligheid, die begonnen in Abraham, die het eerst de belofte over Christus ontving, en ook de besnijdenis als een teken van het verbond, dat gesloten zou worden, zoals in het boek van de Schepping (17, 11) wordt gezegd.