Theologische Summa · Tertia Pars · De wijze der vereenigingDe wijze van de verenigingSumma · III · De wijze der vereenigingDe wijze van de verenigingSumma · III · Kw. 6Kw. 6
Quaestio VI

De modo assumptionis quantum ad ordinem1, in sex articulos divisa

Kwestie 6

Over de volgorde bij het aannemen

(Zes Artikelen)

187Deinde considerandum est de ordine assumptionis praedictae. Circa quod quaeruntur sex: 1. Utrum Filius Dei assumpserit carnem mediante anima. — 2. Utrum assumpserit animam mediante spiritu, sive mente. — 3. Utrum anima fuerit prius assumpta, quam caro. — 4. Utrum caro fuerit prius a Verbo assumpta, quam animae unita. — 5. Utrum tota humana natura sit assumpta mediantibus partibus. — 6. Utrum sit assumpta mediante gratia.

187Vervolgens moeten wij de volgorde bij de bovengenoemde aanneming beschouwen, en hieromtrent stellen wij ons zes vragen: 1. Nam Gods Zoon het vleesch aan door middel van de ziel? 2. Nam Hij de ziel door middel van de geest of het verstand aan? 3. Werd de ziel van Christus eerder door het Woord aangenomen dan het vleesch? 4. Werd het vleesch door het Woord aangenomen voordat het met de ziel was vereenigd? 5. Werd de geheele menschelijke natuur aangenomen door middel van de deelen? 6. Werd zij aangenomen door middel van de genade?187Vervolgens moeten wij de volgorde bij de bovengenoemde aanneming beschouwen, en hieromtrent stellen wij ons zes vragen: 1. Nam Gods Zoon het vlees aan door middel van de ziel? 2. Nam Hij de ziel door middel van de geest of het verstand aan? 3. Werd de ziel van Christus eerder door het Woord aangenomen dan het vlees? 4. Werd het vlees door het Woord aangenomen voordat het met de ziel was verenigd? 5. Werd de gehele menselijke natuur aangenomen door middel van de delen? 6. Werd zij aangenomen door middel van de genade?

Articulus I

Utrum Filius Dei assumpserit carnem mediante anima

[3. Dist. 2. q. 2. art. 1. et lib. 4. Contr. g. cap. 44 et de Spirit. Creat. art. 3. ad 5.]
Ie Artikel

Nam Gods Zoon het vleesch aan door middel van de ziel?Nam Gods Zoon het vlees aan door middel van de ziel?

antwoord 1 ↓

188Ad primum sic proceditur. Videtur, quod Filius Dei non assumpserit carnem mediante anima. Perfectior enim est modus, quo Filius Dei unitur humanae naturae, et partibus ejus, quam quo est in omnibus creaturis. Sed in creaturis est immediate per essentiam, potentiam, et praesentiam. Ergo multo magis Filius Dei immediate unitur carni, et non mediante anima.

188Bedenkingen. — Men beweert, dat Gods Zoon het vleesch niet aannam door middel van de ziel. — 1. Want de wijze, waarop Gods Zoon met de menschelijke natuur en haar deelen vereenigd is, is volmaakter dan die, waardoor Hij in alle schepsels is. Nu is Hij onmiddellijk in de schepsels door Zijn wezen, tegenwoordigheid en macht. Dus is Gods Zoon nog veel meer met het vleesch vereenigd en niet door middel van de ziel.188Bedenkingen. — Men beweert, dat Gods Zoon het vlees niet aannam door middel van de ziel. — 1. Want de wijze, waarop Gods Zoon met de menselijke natuur en haar delen verenigd is, is volmaakter dan die, waardoor Hij in alle schepsels is. Nu is Hij onmiddellijk in de schepsels door Zijn wezen, tegenwoordigheid en macht. Dus is Gods Zoon nog veel meer met het vlees verenigd en niet door middel van de ziel.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, anima, et caro unita sunt Dei Verbo in unitate hypostasis, seu personae. Sed corpus immediate pertinet ad personam, sive hypostasim hominis, sicut et anima. Quinimmo magis videtur se de propinquo habere ad hypostasim,1 corpus, quod est materia, quam anima, quae est forma: quia principium individuationis, quae importatur in nomine 189hypostasis, videtur esse materia. Ergo Filius Dei, non assumpsit carnem mediante anima.

2. Ziel en Vleesch zijn met Gods Woord vereenigd in eenheid van hypostase of persoon. Nu behoort het lichaam onmiddellijk tot de hypostase of persoon van den mensch evenals de ziel. En zelfs schijnt het lichaam nog nauwer in verband te staan met de hypostase van den mensch, omdat het de stof is, dan de ziel, die de vorm is; want het beginsel van een eenling te zijn, wat in het 189woord hypostase ligt opgesloten, is de stof. Dus nam Gods Zoon het vleesch niet aan door middel van de ziel.2. Ziel en Vlees zijn met Gods Woord verenigd in eenheid van hypostase of persoon. Nu behoort het lichaam onmiddellijk tot de hypostase of persoon van de mens evenals de ziel. En zelfs schijnt het lichaam nog nauwer in verband te staan met de hypostase van de mens, omdat het de stof is, dan de ziel, die de vorm is; want het beginsel van een eenling te zijn, wat in het 189woord hypostase ligt opgesloten, is de stof. Dus nam Gods Zoon het vlees niet aan door middel van de ziel.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, remoto medio, separantur ea quae per medium conjunguntur; sicut, remota superficie, cessaret color a corpore, qui inest corpori per superficiem. Sed separata per mortem anima, adhuc remanet unio Verbi ad carnem, ut infra patebit [q. 50. art. 2.]. Ergo Verbum non conjungitur carni mediante anima.

3. Als men het verbindingsmiddel wegneemt, worden de dingen, die door het middel worden verbonden, gescheiden; zooals de kleur van het lichaam zou verdwijnen, als men het oppervlak wegneemt, omdat de kleur in het lichaam is door het oppervlak. Maar als de ziel door den dood afgescheiden wordt, blijft nog de vereeniging van het Woord met het lichaam, zooals later zal blijken (50e Kw., 2e Art.). Dus is het Woord niet met het lichaam vereenigd door de ziel.3. Als men het verbindingsmiddel wegneemt, worden de dingen, die door het middel worden verbonden, gescheiden; zoals de kleur van het lichaam zou verdwijnen, als men het oppervlak wegneemt, omdat de kleur in het lichaam is door het oppervlak. Maar als de ziel door de dood afgescheiden wordt, blijft nog de vereniging van het Woord met het lichaam, zoals later zal blijken (50e Kw., 2e Art.). Dus is het Woord niet met het lichaam verenigd door de ziel.

Sed contra est, quod Augustinus dicit in Epist. [3. cap. 2.] ad Volusianum: « Ipsa magnitudo divinae virtutis animam sibi rationalem, et per eamdem corpus humanum, totumque omnino hominem in melius mutandum coaptavit ».

Hiertegenover staat echter, wat Augustinus zegt in den Brief aan Volusianus (3e Br., 2e H.): « De grootheid zelf van de goddelijke macht vereenigde met zichzelf een redelijke ziel en door haar een menschelijk lichaam en den geheelen mensch, die in iets beters moest veranderd worden ».Hiertegenover staat echter, wat Augustinus zegt in de Brief aan Volusianus (3e Br., 2e H.): “De grootheid zelf van de goddelijke macht verenigde met zichzelf een redelijke ziel en door haar een menselijk lichaam en de gehele mens, die in iets beters moest veranderd worden”.

Respondeo dicendum, quod medium dicitur respectu principii, et finis. Unde sicut principium, et finis important ordinem, ita et medium. Est autem duplex ordo: unus quidem temporis, alius autem naturae. Secundum autem 190ordinem temporis non dicitur in mysterio Incarnationis aliquid medium: quia totam humanam naturam simul sibi Verbum Dei univit, ut infra patebit [q. 33. art. 3.].

Leerstelling. — Iets wordt een middel genoemd met betrekking tot het uitgangspunt en het doel. Vandaar dat een middel evenals een uitgangspunt en een doel een orde meebrengt. Nu zijn er twee soorten van volgorden: en wel een in tijd en een 190ander in natuur. Wat nu de volgorde in tijd betreft, wordt er niets bij het geheim der Menschwording middel genoemd, omdat Gods Woord de geheele menschelijke natuur tegelijk met zich vereenigd heeft, zooals later zal blijken (33e Kw., 3e Art.).Leerstelling. — Iets wordt een middel genoemd met betrekking tot het uitgangspunt en het doel. Vandaar dat een middel evenals een uitgangspunt en een doel een orde meebrengt. Nu zijn er twee soorten van volgorden: en wel een in tijd en een 190ander in natuur. Wat nu de volgorde in tijd betreft, wordt er niets bij het geheim van de Menswording middel genoemd, omdat Gods Woord de gehele menselijke natuur tegelijk met zich verenigd heeft, zoals later zal blijken (33e Kw., 3e Art.).

Ordo autem naturae inter aliqua potest attendi dupliciter: uno modo secundum gradum dignitatis: sicut dicimus angelos esse medios inter homines, et Deum: alio modo secundum rationem causalitatis: sicut dicitur2 media causa existere inter primam causam, et ultimum effectum. Et hic secundus ordo aliquo modo consequitur primum: sicut enim dicit Dionysius [cap. 13. Coel. Hier.]: « Deus per substantias magis sibi propinquas agit in ea, quae sunt magis remota ».

Maar een volgorde naar de natuur tusschen verschillende dingen kan men op twee manieren vinden: ten eerste naar den graad van waardigheid, zooals wij zeggen, dat de Engelen midden tusschen God en de menschen in staan; en op een andere manier naar de wijze van iets veroorzaken, zooals wij zeggen, dat de tusschenoorzaak staat tusschen de eerste oorzaak en het laatste gevolg. En deze tweede soort volgorde volgt eenigszins uit de eerste; want zooals Dionysius zegt in het boek Over de Hemelsche Hierarchiën (13e H.), « werkt God door de zelfstandigheden, die dichter bij Hem staan op hen, die verder af zijn ».Maar een volgorde naar de natuur tussen verschillende dingen kan men op twee manieren vinden: ten eerste naar de graad van waardigheid, zoals wij zeggen, dat de Engelen midden tussen God en de mensen in staan; en op een andere manier naar de wijze van iets veroorzaken, zoals wij zeggen, dat de tussenoorzaak staat tussen de eerste oorzaak en het laatste gevolg. En deze tweede soort volgorde volgt enigszins uit de eerste; want zoals Dionysius zegt in het boek Over de Hemelse Hierarchiën (13e H.), “werkt God door de zelfstandigheden, die dichter bij Hem staan op hen, die verder af zijn”.

Sic3 ergo si attendamus gradum dignitatis, anima media invenitur inter Deum, et carnem mediante anima. Sed et4 secundum ordinem causalitatis ipsa anima est aliqualiter causa carnis uniendae Filio Dei. Non enim esset assumptibilis, nisi per ordinem quem habet ad animam 191rationalem, secundum quam habet quod sit caro humana: dictum est enim supra [q. 4. art. 1.], quod natura humana prae caeteris est assumptibilis.

Letten wij nu op den graad van waardigheid, dan staat de ziel midden tusschen God en het vleesch. En hierdoor kan men zeggen, dat Gods Zoon het vleesch met zich heeft vereenigd door middel van de ziel. Maar in de orde van het veroorzaken, is de ziel zelf eenigszins de oorzaak, dat het vleesch met Gods Zoon werd vereenigd. Want dit zou niet aangenomen kunnen worden, als het niet in verhouding stond tot de verstandelijke ziel, waardoor het juist 191menschelijk vleesch is; want boven is gezegd (4e Kw., 1e Art.), dat de menschelijke natuur meer dan andere aangenomen kan worden.Letten wij nu op de graad van waardigheid, dan staat de ziel midden tussen God en het vlees. En hierdoor kan men zeggen, dat Gods Zoon het vlees met zich heeft verenigd door middel van de ziel. Maar in de orde van het veroorzaken, is de ziel zelf enigszins de oorzaak, dat het vlees met Gods Zoon werd verenigd. Want dit zou niet aangenomen kunnen worden, als het niet in verhouding stond tot de verstandelijke ziel, waardoor het juist 191menselijk vlees is; want boven is gezegd (4e Kw., 1e Art.), dat de menselijke natuur meer dan andere aangenomen kan worden.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod duplex ordo considerari potest inter creaturam, et Deum. Unus quidem, secundum quod creaturae causantur a Deo, et dependent ab ipso, sicut a principio sui esse. Et sic propter infinitatem suae virtutis Deus immediate attingit quamlibet rem, causando, et conservando. Et ad hoc pertinet, quod Deus immediate est in omnibus per essentiam, praesentiam, et potentiam.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Men vindt een dubbele orde tusschen het schepsel en God. Een, in zoover de schepselen door God worden veroorzaakt en van Hem als van het beginsel van hun bestaan afhangen. En zoo bereikt God door de oneindigheid van Zijn macht ieder ding onmiddellijk door het te veroorzaken en het te bewaren. En hierbij behoort het, dat God onmiddellijk in alles is door Zijn wezen, macht en tegenwoordigheid.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Men vindt een dubbele orde tussen het schepsel en God. Een, in zover de schepselen door God worden veroorzaakt en van Hem als van het beginsel van hun bestaan afhangen. En zo bereikt God door de oneindigheid van Zijn macht ieder ding onmiddellijk door het te veroorzaken en het te bewaren. En hierbij behoort het, dat God onmiddellijk in alles is door Zijn wezen, macht en tegenwoordigheid.

Alius autem ordo est, secundum quod res reducuntur in Deum, sicut in finem. Et quantum ad hoc invenitur medium inter creaturam, et Deum; quia inferiores creaturae reducuntur in Deum per superiores, ut dicit Dionysius in lib. Eccl. Hier. [cap. 5.]; et ad hunc ordinem pertinet assumptio humanae naturae a Verbo Dei, quod est terminus assumptionis. Et ideo per animam unitur carni.

Maar er is een andere orde, volgens welke de dingen tot God worden teruggebracht als tot hun doel. En wat dit betreft staat er iets tusschen de schepselen en God: want de lagere dingen worden tot God teruggebracht door de hoogere, zooals Dionysius zegt in het boek Over de Hemelsche Hierarchiën (5e H.). En tot die orde behoort het aannemen van de menschelijke natuur door het Woord, dat de eindterm van het aannemen is. En daarom wordt Het door de ziel met het vleesch vereenigd.Maar er is een andere orde, volgens welke de dingen tot God worden teruggebracht als tot hun doel. En wat dit betreft staat er iets tussen de schepselen en God: want de lagere dingen worden tot God teruggebracht door de hogere, zoals Dionysius zegt in het boek Over de Hemelse Hierarchiën (5e H.). En tot die orde behoort het aannemen van de menselijke natuur door het Woord, dat de eindterm van het aannemen is. En daarom wordt Het door de ziel met het vlees verenigd.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod si hypostasis Verbi Dei constitueretur 192simpliciter per humanam naturam, sequeretur quod corpus esset ei vicinius, cum sit materia, quae est individuationis principium; sicut et anima, quae est forma specifica, propinquius se habet ad naturam humanam. Sed quia hypostasis Verbi5 est prior, et altior, quam humana natura, tanto id quod est in humana natura, propinquius ad eam6 se habet, quanto est altius; et ideo propinquior est Verbo Dei anima, quam corpus.

2. Als de hypostase van Gods Woord zonder meer door de 192menschelijke natuur werd gevormd, zou daaruit volgen, dat het vleesch nauwer ermee in verband stond, omdat het de stof is, die het beginsel van een eenling te zijn is; zooals de ziel, die de soortelijke vorm is, in nauwer verband staat met de menschelijke natuur. Maar omdat de hypostase eerder bestaat dan de menschelijke natuur en hooger is, staat iets in de menschelijke natuur in nauwer verband ermee, naarmate het hooger is. En daarom is de ziel Gods Woord nader dan het lichaam.2. Als de hypostase van Gods Woord zonder meer door de 192menselijke natuur werd gevormd, zou daaruit volgen, dat het vlees nauwer ermee in verband stond, omdat het de stof is, die het beginsel van een eenling te zijn is; zoals de ziel, die de soortelijke vorm is, in nauwer verband staat met de menselijke natuur. Maar omdat de hypostase eerder bestaat dan de menselijke natuur en hoger is, staat iets in de menselijke natuur in nauwer verband ermee, naarmate het hoger is. En daarom is de ziel Gods Woord nader dan het lichaam.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod nihil prohibet, aliquid esse causam alicujus quantum ad aptitudinem, et congruitatem, quo tamen remoto, illud non tollitur: quia etsi fieri alicujus dependet ex aliquo, postquam tamen est in facto esse, ab eo non dependet. Sicut si inter aliquos amicitia causatur7 aliquo mediante, eo recedente adhuc amicitia remanet; et si aliqua in matrimonium ducitur propter pulchritudinem, quae facit congruitatem in muliere ad copulam conjugalem, tamen, pulchritudine cessante, adhuc durat copula conjugalis. Et similiter, separata anima, remanet unio Verbi ad carnem.

3. Niets belet, dat iets oorzaak van iets is wat de geschiktheid en gepastheid betreft, welke blijven ook als dat ding wordt weggenomen; want al hangt iets wat het worden betreft, van iets anders af, is het toch niet afhankelijk als het eenmaal zijn bestaan heeft. Zooals de vriendschap tusschen een paar menschen door bemiddeling van iemand ontstaat en toch niet verdwijnt, als die persoon weggaat; en als iemand in het huwelijk treedt, om de schoonheid, die een vrouw geschikt maakt voor de huwelijksvereeniging, deze huwelijksvereeniging toch blijft, als de schoonheid verdwijnt; evenzoo blijft de vereeniging van Gods Woord met het vleesch, als de ziel weg is.3. Niets belet, dat iets oorzaak van iets is wat de geschiktheid en gepastheid betreft, welke blijven ook als dat ding wordt weggenomen; want al hangt iets wat het worden betreft, van iets anders af, is het toch niet afhankelijk als het eenmaal zijn bestaan heeft. Zoals de vriendschap tussen een paar mensen door bemiddeling van iemand ontstaat en toch niet verdwijnt, als die persoon weggaat; en als iemand in het huwelijk treedt, om de schoonheid, die een vrouw geschikt maakt voor de huwelijksvereniging, deze huwelijksvereniging toch blijft, als de schoonheid verdwijnt; evenzo blijft de vereniging van Gods Woord met het vlees, als de ziel weg is.

Articulus II

Utrum Dei Filius assumpserit animam mediante Spiritu sive mente

[3. Dist. 2. q. 2. art. 1. q. 2.]
IIe Artikel

Nam Gods Zoon de ziel aan door middel van den geest?Nam Gods Zoon de ziel aan door middel van de geest?

antwoord 1 ↓

193Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod Filius Dei non assumpserit animam mediante spiritu. Idem enim non cadit medium inter seipsum, et aliquid aliud. Sed spiritus, sive mens non est aliud in essentia ab ipsa anima, ut in prima parte habitum est [q. 77. art. 1. ad 1.]. Ergo Filius Dei non assumpsit animam mediante spiritu, sive mente.

193Bedenkingen. — Men beweert, dat Gods Zoon de ziel niet aannam door middel van den geest. — 1. Want een en hetzelfde ding staat niet tusschen zichzelf en iets anders in. Maar de geest of het verstand is naar zijn wezen niets anders dan de ziel zelf, zooals in het eerste deel is gezegd. Dus nam Gods Zoon de ziel niet aan door middel van den geest of het verstand.193Bedenkingen. — Men beweert, dat Gods Zoon de ziel niet aannam door middel van de geest. — 1. Want een en hetzelfde ding staat niet tussen zichzelf en iets anders in. Maar de geest of het verstand is naar zijn wezen niets anders dan de ziel zelf, zoals in het eerste deel is gezegd. Dus nam Gods Zoon de ziel niet aan door middel van de geest of het verstand.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, illud, quo mediante facta est assumptio, videtur esse magis assumptibile. Sed spiritus, sive mens non est magis assumptibilis, quam anima; quod patet ex hoc, quod spiritus angelici non sunt assumptibiles, ut supra dictum est [q. 4. art. 1.]. Ergo videtur, quod Filius Dei non assumpserit animam mediante spiritu.

2. Wat middel is voor de aanneming, schijnt beter geschikt om aangenomen te worden. Maar de geest of het verstand kan niet beter aangenomen worden dan de ziel, wat hieruit blijkt, dat de engelachtige geesten niet aangenomen kunnen worden, zooals boven is gezegd (4e Kw., 1e Art.). Dus schijnt Gods Zoon de ziel niet te hebben aangenomen door den geest.2. Wat middel is voor de aanneming, schijnt beter geschikt om aangenomen te worden. Maar de geest of het verstand kan niet beter aangenomen worden dan de ziel, wat hieruit blijkt, dat de engelachtige geesten niet aangenomen kunnen worden, zoals boven is gezegd (4e Kw., 1e Art.). Dus schijnt Gods Zoon de ziel niet te hebben aangenomen door de geest.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, posterius assumitur a primo mediante priori. Sed anima nominat ipsam essentiam, quae est prior naturaliter, quam ipsa potentia 194ejus, quae est mens. Ergo videtur, quod Filius Dei non assumpserit animam mediante spiritu, sive mente.

3. Wat later is, wordt door het eerste aangenomen door middel van iets, dat eerder is. Maar de ziel geeft het wezen zelf aan, dat van nature eerder is dan zijn vermogen, de geest. Dus schijnt Gods 194Zoon de ziel niet te hebben aangenomen door middel van den geest of het verstand.3. Wat later is, wordt door het eerste aangenomen door middel van iets, dat eerder is. Maar de ziel geeft het wezen zelf aan, dat van nature eerder is dan zijn vermogen, de geest. Dus schijnt Gods 194Zoon de ziel niet te hebben aangenomen door middel van de geest of het verstand.

Sed contra est, quod Augustinus dicit in lib. de Agone Christ [cap. 18.]: « Invisibilis, et incommutabilis veritas per spiritum animam, et per animam corpus accipit ».

Hiertegenover staat echter, wat Augustinus zegt in het boek Over den Strijd van den Christen (13e H): « De onzichtbare en onveranderlijke Waarheid nam door den geest de ziel en door de ziel het lichaam aan ».Hiertegenover staat echter, wat Augustinus zegt in het boek Over de Strijd van de Christen (13e H): “De onzichtbare en onveranderlijke Waarheid nam door de geest de ziel en door de ziel het lichaam aan”.

Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est [art. praec.], Filius Dei dicitur assumpsisse carnem anima mediante, tum propter ordinem dignitatis, tum etiam propter congruitatem assumptionis. Utrumque autem horum invenitur, si comparemus intellectus, qui spiritus dicitur, ad caeteras animae partes. Non enim anima est assumptibilis secundum congruitatem, nisi per hoc quod est capax Dei, ad imaginem ejus existens, quod est secundum mentem, quae spiritus dicitur, secundum illud Ephes. 4. [v. 23]: « Renovamini spiritu mentis vestrae ». Similiter etiam intellectus inter caeteras partes animae est superior, et dignior, et Deo similior. Et ideo, ut Damascenus dicit in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 6.]: « unitum est carni 195per medium intellectum Verbum Dei: intellectus enim est quid animae purissimum: sed et Deus est intellectus ».

Leerstelling. — Zooals werd uiteengezet (in 't vorige Art.), zegt men dat Gods Zoon het vleesch aannam door middel van de ziel, zoowel om de volgorde in waardigheid als om de geschiktheid om aangenomen te worden. Beiden nu vinden wij, als wij het verstand, dat geest wordt genoemd, vergelijken met de andere deelen der ziel. Want de ziel kan wat de gepastheid betreft niet aangenomen worden, tenzij hierom, dat zij God bereiken kan als naar zijn beeld bestaand; en dit is juist volgens het verstand, dat geest wordt genoemd, volgens het woord uit den Ephesiërsbrief (4, 23): « Vernieuwt U door den geest van uw gemoed ». Het verstand is eveneens onder de deelen der ziel hooger en grooter in waarde en aan God meer gelijk. En daarom zegt Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 6e H.): « Met het vleesch 195is door middel van het verstand het Woord Gods vereenigd; want het verstand is het zuiverste van de ziel, maar ook God is verstand ».Leerstelling. — Zoals werd uiteengezet (in 't vorige Art.), zegt men dat Gods Zoon het vlees aannam door middel van de ziel, zowel om de volgorde in waardigheid als om de geschiktheid om aangenomen te worden. Beiden nu vinden wij, als wij het verstand, dat geest wordt genoemd, vergelijken met de andere delen van de ziel. Want de ziel kan wat de gepastheid betreft niet aangenomen worden, tenzij hierom, dat zij God bereiken kan als naar zijn beeld bestaand; en dit is juist volgens het verstand, dat geest wordt genoemd, volgens het woord uit de Efesiërsbrief (4, 23): “Vernieuwt U door de geest van uw gemoed”. Het verstand is eveneens onder de delen van de ziel hoger en groter in waarde en aan God meer gelijk. En daarom zegt Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 6e H.): “Met het vlees 195is door middel van het verstand het Woord Gods verenigd; want het verstand is het zuiverste van de ziel, maar ook God is verstand”.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod etsi intellectus non sit aliud ab anima secundum essentiam, distinguitur tamen ab aliis partibus animae secundum rationem potentiae. Et secundum hoc competit sibi ratio medii.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Ook al is de geest als wezen niet iets anders dan de ziel, hij is toch als vermogen van de andere deelen der ziel onderscheiden. En zoo komt het aan hun toe middel te zijn.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Ook al is de geest als wezen niet iets anders dan de ziel, hij is toch als vermogen van de andere delen van de ziel onderscheiden. En zo komt het aan hun toe middel te zijn.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod spiritui angelico non deest congruitas ad assumptionem propter defectum dignitatis, sed propter irreparabilitatem casus. Quod non potest dici de spiritu humano, ut patet ex his quae in 1. dicta sunt [q. 64. art. 2.].

2. De engelachtige geest mist de gepastheid om aangenomen te worden niet om gebrek aan waardigheid, maar om de onherstelbaarheid van zijn val. Dat gaat niet op voor den menschelijken geest, als blijkt uit wat in het eerste deel werd gezegd (64e Kw., 2e Art.).2. De engelachtige geest mist de gepastheid om aangenomen te worden niet om gebrek aan waardigheid, maar om de onherstelbaarheid van zijn val. Dat gaat niet op voor de menselijke geest, als blijkt uit wat in het eerste deel werd gezegd (64e Kw., 2e Art.).

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod anima, inter quam, et Dei Verbum ponitur medium intellectus, non accipitur pro essentia animae, quae est omnibus potentiis communis, sed pro potentiis inferioribus, quae sunt omni animae communes.

3. Als men zegt, dat de geest staat tusschen God en de ziel, beteekent ziel niet het wezen der ziel, dat aan alle vermogens gemeen is, maar de lagere vermogens, die ieder ziel bezit.3. Als men zegt, dat de geest staat tussen God en de ziel, betekent ziel niet het wezen van de ziel, dat aan alle vermogens gemeen is, maar de lagere vermogens, die ieder ziel bezit.

Articulus III

Utrum anima a Dei Filio prius fuerit assumpta, quam caro

[3. Dist, 2. q. 2. art. 3. et lib. 4. Contr. g. cap. 33.]
IIIe Artikel

Werd Christus' ziel eerder door het Woord aangenomen dan het vleesch?Werd Christus' ziel eerder door het Woord aangenomen dan het vlees?

antwoord 1 ↓

196Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod anima Christi fuerit prius assumpta a Verbo, quam caro. Filius enim Dei assumpsit carnem mediante anima, ut dictum est [art. 1. huj. q.]. Sed prius pervenitur ad medium, quam ad extremum. Ergo Filius Dei assumpsit prius animam, quam corpus.

196Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus' ziel eerder door het Woord werd aangenomen dan het vleesch. — 1. Want Gods Zoon nam het vleesch aan door middel van de ziel, zooals gezegd is (1e Art. dezer Kw.). Nu komt men eerder bij wat in het midden dan bij wat het uiterste is. Dus nam Gods Zoon eerder de ziel aan dan het vleesch.196Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus' ziel eerder door het Woord werd aangenomen dan het vlees. — 1. Want Gods Zoon nam het vlees aan door middel van de ziel, zoals gezegd is (1e Art. van deze Kw.). Nu komt men eerder bij wat in het midden dan bij wat het uiterste is. Dus nam Gods Zoon eerder de ziel aan dan het vlees.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, anima Christi est dignior angelis, secundum illud Ps. 96. [v. 7]: « Adorate eum omnes angeli ejus ». Sed angeli creati sunt a principio, ut in 1. habitum est [q. 46. art. 3.]. Ergo et anima Christi, quae non fuit ante creata, quam assumpta: dicit enim Damascenus in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 27] quod « numquam neque anima, neque corpus Christi propriam habuerunt hypostasim praeter Verbi hypostasim ». Ergo 197videtur, quod anima fuerit ante assumpta, quam caro, quae est concepta in utero Virginis1.

2. Christus' ziel staat hooger in waarde dan de engelen volgens het Psalmwoord (96, 7): « Aanbidt hem, al zijn engelen ». Maar de engelen zijn van het begin af geschapen, zooals in het eerste deel (46e Kw., 3e Art.) behandeld is. Dus ook Christus' ziel. En deze werd niet eerder geschapen dan aangenomen; want Damascenus zegt in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 27e H.), dat « noch de ziel noch het lichaam van Christus ooit een andere, eigen hypostase hebben gehad als de hypostase van 197het Woord ». Dus schijnt de ziel aangenomen te zijn voor het vleesch, dat ontvangen werd in de maagdelijke schoot.2. Christus' ziel staat hoger in waarde dan de engelen volgens het Psalmwoord (96, 7): “Aanbidt hem, al zijn engelen”. Maar de engelen zijn van het begin af geschapen, zoals in het eerste deel (46e Kw., 3e Art.) behandeld is. Dus ook Christus' ziel. En deze werd niet eerder geschapen dan aangenomen; want Damascenus zegt in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 27e H.), dat “noch de ziel noch het lichaam van Christus ooit een andere, eigen hypostase hebben gehad als de hypostase van 197het Woord”. Dus schijnt de ziel aangenomen te zijn voor het vlees, dat ontvangen werd in de maagdelijke schoot.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Joan. 1. [v. 14] dicitur: « Vidimus eum plenum gratiae, et veritatis » et postea [v. 16] subditur, quod « de plenitudine ejus nos omnes accepimus », idest omnes fideles quocumque tempore, ut Chrysostomus exponit [hom. 14 in Joan.]. Hoc autem non esset, nisi anima Christi habuisset plenitudinem gratiae, et veritatis ante omnes sanctos, qui fuerunt ab origine mundi: quia causa non est posterior causato. Cum igitur plenitudo gratiae, et veritatis fuerit in anima Christi ex unione ad Verbum secundum illud quod ibidem dicitur [v. 14]: « Vidimus gloriam ejus, quasi unigeniti a Patre, plenum gratiae, et veritatis » consequens videtur, quod a principio mundi anima Christi fuerit2 a Verbo Dei assumpta.

3. In het eerste hoofdstuk van Johannes (v. 14) wordt gezegd: « Wij hebben Hem gezien, vol genade en waarheid » en later volgt (v. 16): « Van zijn volheid hebben wij allen ontvangen », dwz. alle geloovigen in iederen tijd, zooals Chrysostomus uitlegt. Maar dat zou niet geval zijn, als Christus de volheid van genade en waarheid niet gehad vóór alle heiligen, die er geweest zijn vanaf het ontstaan van de wereld; want de oorzaak kan niet na het veroorzaakte komen. Omdat nu de volheid van genade en waarheid in Christus' ziel was door de vereeniging met het Woord, volgens hetgeen op dezelfde plaats wordt gezegd (v. 14): « Wij hebben zijn glorie gezien als van den Eeniggeborenen des Vaders, vol van genade en waarheid », schijnt te volgen, dat Christus' ziel vanaf het begin der wereld door Gods Woord is aangenomen.3. In het eerste hoofdstuk van Johannes (v. 14) wordt gezegd: “Wij hebben Hem gezien, vol genade en waarheid” en later volgt (v. 16): “Van zijn volheid hebben wij allen ontvangen”, dwz. alle gelovigen in iedere tijd, zoals Chrysostomus uitlegt. Maar dat zou niet geval zijn, als Christus de volheid van genade en waarheid niet gehad vóór alle heiligen, die er geweest zijn vanaf het ontstaan van de wereld; want de oorzaak kan niet na het veroorzaakte komen. Omdat nu de volheid van genade en waarheid in Christus' ziel was door de vereniging met het Woord, volgens hetgeen op dezelfde plaats wordt gezegd (v. 14): “Wij hebben zijn glorie gezien als van de Eniggeborenen van de Vader, vol van genade en waarheid”, schijnt te volgen, dat Christus' ziel vanaf het begin van de wereld door Gods Woord is aangenomen.

Sed contra est, quod Damascenus dicit [in 4. lib. Orth. Fid. cap. 6.]: « Non, ut quidam mentiuntur, ante eam, quae est ex Virgine, 198incarnationem, intellectus est unitus Dei Verbo, et ex tunc vocatus est Christus ».

Hiertegenover staat echter wat Damascenus zegt in het 4e boek (Over het Ware Geloof, 6e H.): « Het verstand is niet, zooals sommigen leugenachtig beweren, voor de menschwording 198uit de Maagd met God het Woord vereenigd en van toen af aan Christus genoemd ».Hiertegenover staat echter wat Damascenus zegt in het 4e boek (Over het Ware Geloof, 6e H.): “Het verstand is niet, zoals sommigen leugenachtig beweren, voor de menswording 198uit de Maagd met God het Woord verenigd en van toen af aan Christus genoemd”.

Respondeo dicendum, quod Origenes posuit in suo Periarch. [lib. 1. cap. 7. et 8. et lib. 2. cap. 8.] omnes animas a principio fuisse creatas, inter quas etiam posuit animam Christi creatam. Sed hoc quidem est inconveniens3, si ponatur quod fuerit tunc creata, sed non statim Verbo unita: quia sequeretur, quod anima illa aliquando habuisset propriam subsistentiam sine Verbo. Et sic cum fuisset a Verbo assumpta, vel non esset facta unio secundum subsistentiam4, vel corrupta fuisset subsistentia animae praeexistens.

Leerstelling. — Origenes beweerde, dat alle zielen van het begin af geschapen waren, waarbij naar hij zeide ook de ziel van Christus geschapen was. Maar dit, nl. beweren, dat zij toen geschapen, maar nog niet aanstonds met het Woord vereenigd was, is ongepast; want dan zou volgen, dat die ziel eenmaal een eigen zelfstandig bestaan heeft gehad zonder het Woord. En dan zou er toen zij door het Woord aangenomen werd, of geen vereeniging in het zelfstandig bestaan zijn geweest, of het tevoren bestaand zelfstandig bestaan zou vernietigd zijn.Leerstelling. — Origenes beweerde, dat alle zielen van het begin af geschapen waren, waarbij naar hij zeide ook de ziel van Christus geschapen was. Maar dit, nl. beweren, dat zij toen geschapen, maar nog niet aanstonds met het Woord verenigd was, is ongepast; want dan zou volgen, dat die ziel eenmaal een eigen zelfstandig bestaan heeft gehad zonder het Woord. En dan zou er toen zij door het Woord aangenomen werd, of geen vereniging in het zelfstandig bestaan zijn geweest, of het tevoren bestaand zelfstandig bestaan zou vernietigd zijn.

Similiter etiam est inconveniens, si ponatur quod anima illa fuerit a principio Verbo unita, et postmodum in utero Virginis incarnata. Quia sic ejus anima videretur esse non ejusdem naturae cum nostris, quae simul creantur, dum corporibus infunduntur. Unde Leo Papa dicit in Epist. [35.] ad Julianum, quod « non alterius naturae erat caro ejus, quam 199nostra; nec alio illi, quam caeteris hominibus anima est principio inspirata ».

Evenmin gaat het aan te beweren, dat die ziel van het begin af met het Woord was vereenigd en later in de schoot der maagd menschgeworden. Want dan zou Zijn ziel niet van dezelfde natuur als de onze schijnen te zijn, die tegelijk geschapen worden als zij in de lichamen worden gestort. Daarom zegt Paus Leo in den Brief aan Julianus, dat « het vleesch niet van een andere aard 199was dan het onze, en door geen ander beginsel dan bij andere menschen is een ziel er ingestort ».Evenmin gaat het aan te beweren, dat die ziel van het begin af met het Woord was verenigd en later in de schoot van de maagd mensgeworden. Want dan zou Zijn ziel niet van dezelfde natuur als de onze schijnen te zijn, die tegelijk geschapen worden als zij in de lichamen worden gestort. Daarom zegt Paus Leo in de Brief aan Julianus, dat “het vlees niet van een andere aard 199was dan het onze, en door geen ander beginsel dan bij andere mensen is een ziel er ingestort”.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod, sicut supra dictum est [art. 1. huj. q.], anima Christi dicitur esse medium in unione carnis ad Verbum secundum ordinem naturae. Non autem oportet ex hoc, quod fuerit medium ex ordine temporis.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zooals boven is gezegd (1e Art.), noemt men Christus' ziel het middel bij de vereeniging van het vleesch met het Woord naar de orde in natuur. Maar zij behoefde geen middel te zijn naar de orde in tijd.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoals boven is gezegd (1e Art.), noemt men Christus' ziel het middel bij de vereniging van het vlees met het Woord naar de orde in natuur. Maar zij behoefde geen middel te zijn naar de orde in tijd.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod, sicut Leo Papa in eadem Epist. [cap. 3.] dicit, anima Christi excellit nostras animas5 « non diversitate generis, sed sublimitate virtutis ». Est enim ejusdem generis cum nostris animabus: sed excellit etiam angelos secundum « plenitudinem gratiae, et veritatis » Joa. 1. [v. 24]. Modus autem creationis6 respondet animae secundum proprietatem sui generis, ex quo habet, cum sit corporis forma, ut creetur simul dum corpori infunditur, et unitur. Quod non competit angelis, qui7 sunt substantiae omnino a corporibus absolutae.

2. Zooals Paus Leo in denzelfden brief zegt, « overtreft Christus' ziel de onzen niet door een verschil in soort, maar door de uitstekenheid van haar kracht. Want zij is van dezelfde soort als onze zielen, maar zij overtreft zelfs de engelen door de volheid van waarheid en genade ». Maar de manier van het menschworden beantwoordt aan de ziel volgens de eigenaardigheid van haar soort; en daarvandaan heeft zij het, dat zij, omdat ze de vorm van het lichaam is, tegelijk wordt geschapen als zij in het lichaam gestort en ermee vereenigd wordt. En dat komt aan de engelen niet toe, omdat zij zelfstandigheden zijn, die geheel los staan van de lichamen.2. Zoals Paus Leo in dezelfde brief zegt, “overtreft Christus' ziel de onze niet door een verschil in soort, maar door de uitstekenheid van haar kracht. Want zij is van dezelfde soort als onze zielen, maar zij overtreft zelfs de engelen door de volheid van waarheid en genade”. Maar de manier van het mensworden beantwoordt aan de ziel volgens de eigenaardigheid van haar soort; en daarvandaan heeft zij het, dat zij, omdat ze de vorm van het lichaam is, tegelijk wordt geschapen als zij in het lichaam gestort en ermee verenigd wordt. En dat komt aan de engelen niet toe, omdat zij zelfstandigheden zijn, die geheel los staan van de lichamen.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod de plenitudine Christi omnes homines 200accipiunt secundum fidem, quam habent in ipsum: dicitur enim Rom. 3. [v. 22] quod « justitia Dei est per fidem Jesu Christi in omnes, et super omnes, qui credunt in ipsum ». Sicut autem nos in ipsum credimus ut in jam naturam8: ita antiqui crediderunt in ipsum ut in nasciturum: « habentes enim eumdem spiritum fidei credimus » ut dicitur 2. ad Cor. 4. [v. 13]. Habet autem fides, quae est in Christum, virtutem justificandi ex proposito gratiae Dei, secundum illud Rom. 4. [v. 5]: « Ei qui non operatur, credenti autem in eum qui justificat impium, fides reputatur ad justitiam secundum propositum gratiae Dei ». Unde quia hoc propositum est aeternum, nihil prohibet, per fidem Jesu Christi aliquos justificari, etiam9 antequam ejus anima esset plena gratia, et veritate.

3. Van Christus' volheid ontvangen alle menschen door het 200geloof, dat zij in Hem hebben; want in den Romeinenbrief (3. 22) wordt gezegd, dat « de gerechtigheid van God door het geloof in Jesus Christus in allen en over allen komt, die in Hem gelooven ». Zooals wij nu gelooven, dat Hij menschgeworden is, zoo geloofden de ouden, dat Hij geboren zou worden; « want wij gelooven, omdat wij dezelfden geest hebben », zooals in den Tweeden Korinthiërsbrief (4, 13) wordt gezegd. Het geloof nu in Christus heeft de kracht om rechtvaardig te maken door het plan van Gods genade; naar het woord uit den Romeinenbrief (4, 5): « Aan iemand, die niet werkt, maar gelooft in Hem, die den zondaar rechtvaardig maakt, wordt het geloof toegerekend tot rechtvaardigheid volgens het plan van Gods genade ». En omdat dit plan eeuwig is, is er niets tegen, dat het geloof in Jesus Christus sommigen rechtvaardig maakt voordat zijn ziel vol van genade en waarheid is.3. Van Christus' volheid ontvangen alle mensen door het 200geloof, dat zij in Hem hebben; want in de Romeinenbrief (3, 22) wordt gezegd, dat “de gerechtigheid van God door het geloof in Jesus Christus in allen en over allen komt, die in Hem geloven”. Zoals wij nu geloven, dat Hij mensgeworden is, zo geloofden de ouden, dat Hij geboren zou worden; “want wij geloven, omdat wij dezelfden geest hebben”, zoals in de Tweeden Korintiërsbrief (4, 13) wordt gezegd. Het geloof nu in Christus heeft de kracht om rechtvaardig te maken door het plan van Gods genade; naar het woord uit de Romeinenbrief (4, 5): “Aan iemand, die niet werkt, maar gelooft in Hem, die de zondaar rechtvaardig maakt, wordt het geloof toegerekend tot rechtvaardigheid volgens het plan van Gods genade”. En omdat dit plan eeuwig is, is er niets tegen, dat het geloof in Jesus Christus sommigen rechtvaardig maakt voordat zijn ziel vol van genade en waarheid is.

Articulus IV

Utrum caro Christi fuerit prius a Verbo assumpta, quam animae unita

[3. Dist. 2. q. 2. art. 3 et 4. Cont. Gent. cap. 44.]
IVe Artikel

Werd het Vleesch van Christus eerder door het Woord aangenomen dan het met de ziel vereenigd was?Werd het Vlees van Christus eerder door het Woord aangenomen dan het met de ziel verenigd was?

antwoord 1 ↓

201Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod caro Christi fuerit prius1 a Verbo assumpta, quam animae unita. Dicit enim Augustinus in lib. de Fide ad Pet. [cap. 18.]: « Firmissime tene, et nullatenus dubites, non carnem Christi sine divinitate conceptam in utero Virginis priusquam susciperetur a Verbo ». Sed caro Christi videtur prius fuisse concepta, quam animae rationali unita: quia materia, vel dispositio prior est in via generationis, quam forma completiva. Ergo prius fuit caro Christi assumpta, quam animae unita.

201Bedenkingen. — Men beweert, dat het vleesch van Christus door het Woord werd aangenomen, voordat het met de ziel werd vereenigd. — 1. Want Augustinus zegt in het boek Over het Geloof aan Petrus: « Wees er zoo sterk mogelijk van overtuigd en betwijfel heelemaal niet, dat Christus' vleesch niet zonder de godheid in de schoot der Maagd ontvangen is voordat het door het Woord werd aangenomen ». Maar Christus' vleesch schijnt ontvangen te zijn, voordat het met de redelijke ziel werd vereenigd, omdat de geschiktmaking van de stof in het verloop van het ontstaan vóór de voltooiende vorm komt. Dus was Christus' vleesch eerder aangenomen dan met de ziel vereenigd.201Bedenkingen. — Men beweert, dat het vlees van Christus door het Woord werd aangenomen, voordat het met de ziel werd verenigd. — 1. Want Augustinus zegt in het boek Over het Geloof aan Petrus: “Wees er zo sterk mogelijk van overtuigd en betwijfel helemaal niet, dat Christus' vlees niet zonder de godheid in de schoot van de Maagd ontvangen is voordat het door het Woord werd aangenomen”. Maar Christus' vlees schijnt ontvangen te zijn, voordat het met de redelijke ziel werd verenigd, omdat de geschiktmaking van de stof in het verloop van het ontstaan vóór de voltooiende vorm komt. Dus was Christus' vlees eerder aangenomen dan met de ziel verenigd.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, sicut anima est pars naturae humanae, ita et corpus. Sed anima humana non habuit aliud principium sui esse in Christo, quam 202in aliis hominibus, ut patet ex auctoritate Leonis Papae supra inducta [art. praec.]. Ergo videtur, quod nec corpus Christi aliter habuerit principium essendi, quam in nobis. Sed in nobis ante concipitur caro, quam adveniat anima rationalis. Ergo etiam ita fuit in Christo. Et sic caro prius fuit a Verbo assumpta, quam animae unita.

2. Zooals de ziel is ook het lichaam een deel van de menschelijke natuur. Nu had de menschelijke ziel in Christus geen ander beginsel van haar bestaan dan in andere menschen, zooals blijkt uit den boven aangehaalden tekst van Paus Leo. Dus schijnt ook 202het lichaam van Christus geen ander beginsel van bestaan te hebben gehad dan bij ons. Maar bij ons wordt het vleesch eerder ontvangen dan dat de redelijke ziel komt. Dus dat was ook zoo in Christus. En zoo was het vleesch eerder door het Woord aangenomen dan met de ziel vereenigd.2. Zoals de ziel is ook het lichaam een deel van de menselijke natuur. Nu had de menselijke ziel in Christus geen ander beginsel van haar bestaan dan in andere mensen, zoals blijkt uit de boven aangehaalde tekst van Paus Leo. Dus schijnt ook 202het lichaam van Christus geen ander beginsel van bestaan te hebben gehad dan bij ons. Maar bij ons wordt het vlees eerder ontvangen dan dat de redelijke ziel komt. Dus dat was ook zo in Christus. En zo was het vlees eerder door het Woord aangenomen dan met de ziel verenigd.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, sicut dicitur in lib. de Causis [proposit. 1. inter op. Arist.], « causa prima plus influit in causatum, et prius unitur ei, quam causa secunda ». Sed anima Christi comparatur ad Verbum, sicut causa secunda ad primam. Prius ergo Verbum est unitum carni, quam anima.

3. Zooals in het boek Over de Oorzaken wordt gezegd, « heeft de eerste oorzaak meer invloed op het veroorzaakte en wordt er eerder mee vereenigd dan de tweede oorzaak ». Maar de ziel van Christus verhoudt zich tot het Woord als een tweede oorzaak tot de eerste. Het Woord is dus eerder met het vleesch vereenigd dan de ziel.3. Zoals in het boek Over de Oorzaken wordt gezegd, “heeft de eerste oorzaak meer invloed op het veroorzaakte en wordt er eerder mee verenigd dan de tweede oorzaak”. Maar de ziel van Christus verhoudt zich tot het Woord als een tweede oorzaak tot de eerste. Het Woord is dus eerder met het vlees verenigd dan de ziel.

Sed contra est, quod Damascenus dicit in 3. libro [Orth. Fid. cap. 2.]: « Simul Dei Verbi caro, simul caro animata rationalis, et intellectualis ». Non ergo unio Verbi ad carnem praecessit unionem ad animam.

Daartegenover staat echter wat Damascenus zegt in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 2e H.): « Het vleesch is tegelijk het vleesch van het Woord Gods, tegelijk bezield, redelijk en verstandig vleesch ». Dus ging de vereeniging van het Woord met het vleesch niet de vereeniging met de ziel vooraf.Daartegenover staat echter wat Damascenus zegt in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 2e H.): “Het vlees is tegelijk het vlees van het Woord Gods, tegelijk bezield, redelijk en verstandig vlees”. Dus ging de vereniging van het Woord met het vlees niet de vereniging met de ziel vooraf.

Respondeo dicendum, quod caro humana est assumptibilis a Verbo secundum ordinem, quem habet ad animam rationalem, sicut ad propriam formam. Nunc autem ordinem non habet, antequam anima rationalis ei 203adveniat: quia simul dum aliqua materia fit, propria alicujus formae, recipit illam formam; unde in eodem instanti terminatur alteratio, in quo introducitur forma substantialis. Et inde est, quod caro non debuit ante assumi, quam esset caro humana: quod factum est, anima rationali adveniente. Sicut igitur anima non est prius assumpta, quam caro; quia contra naturam animae est, ut prius sit, quam corpori uniatur: ita caro non debuit prius assumi, quam anima; quia non prius est caro humana, quam habeat animam rationalem.

Leerstelling. — Het menschelijk vleesch kan door het Woord worden aangenomen krachtens de verhouding, die het heeft tot de redelijke ziel als tot zijn eigen vorm. Nu heeft het 203deze verhouding niet, voordat de redelijke ziel tot het komt, want zoodra een stof de eigen stof van een vorm wordt, ontvangt zij die vorm, zoodat de verandering in hetzelfde oogenblik beëindigd wordt, als de zelfstandigheidsvorm in wordt gebracht. En daarvandaan komt het, dat het vleesch niet aangenomen moest worden, voordat het menschelijk vleesch was, wat gebeurde, toen de redelijke ziel kwam. Zoo is dus de ziel niet eerder aangenomen dan het vleesch, omdat het tegen de natuur van de ziel is te bestaan voordat zij met het lichaam vereenigd wordt, en eveneens moest het vleesch niet eerder aangenomen worden dan de ziel, omdat het geen menschelijk vleesch was, voordat het een redelijke ziel had.Leerstelling. — Het menselijk vlees kan door het Woord worden aangenomen krachtens de verhouding, die het heeft tot de redelijke ziel als tot zijn eigen vorm. Nu heeft het 203deze verhouding niet, voordat de redelijke ziel tot het komt, want zodra een stof de eigen stof van een vorm wordt, ontvangt zij die vorm, zodat de verandering in hetzelfde ogenblik beëindigd wordt, als de zelfstandigheidsvorm in wordt gebracht. En daarvandaan komt het, dat het vlees niet aangenomen moest worden, voordat het menselijk vlees was, wat gebeurde, toen de redelijke ziel kwam. Zo is dus de ziel niet eerder aangenomen dan het vlees, omdat het tegen de natuur van de ziel is te bestaan voordat zij met het lichaam verenigd wordt, en eveneens moest het vlees niet eerder aangenomen worden dan de ziel, omdat het geen menselijk vlees was, voordat het een redelijke ziel had.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod caro humana sortitur esse per animam. Et ideo ante adventum animae non est caro humana, sed potest esse dispositio ad carnem humanam. In conceptione tamen Christi Spiritus Sanctus, qui est agens infinita virtutis, simul et materiam disposuit, et ad perfectum perduxit.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het menschelijk vleesch krijgt het zijn door de ziel. En dus is het voor de komst van de ziel geen menschelijk vleesch, maar het kan een voorbereiding zijn voor menschelijk vleesch. Maar bij de ontvangenis van Christus heeft de Heilige Geest, die met oneindige kracht werkt, tegelijk de stof voorbereid en tot volmaaktheid gebracht.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het menselijk vlees krijgt het zijn door de ziel. En dus is het voor de komst van de ziel geen menselijk vlees, maar het kan een voorbereiding zijn voor menselijk vlees. Maar bij de ontvangenis van Christus heeft de Heilige Geest, die met oneindige kracht werkt, tegelijk de stof voorbereid en tot volmaaktheid gebracht.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod forma actu dat speciem: materia autem, quantum est de se, est in potentia ad speciem. Et ideo contra rationem 204formae esset quod praeexisteret naturae speciei, quae perficitur per unionem ejus ad materiam: non autem est contra naturam materiae, quod praeexistat naturae speciei. Et ideo dissimilitudo, quae est inter originem nostram, et originem Christi, secundum hoc quod caro nostra prius concipitur quam animetur, non autem caro Christi, est secundum illud, quod praecedit naturae complementum. Sicut et quod nos concipimur ex semine viri, non autem Christus. Sed differentia, quae esset quantum ad originem animae redundaret in diversitatem naturae.

2. De vorm maakt daadwerkelijk de soort, maar de stof heeft uit zichzelf alleen het vermogen die soort te worden. En dus zou het tegen de aard van de vorm zijn vóór de soortelijke natuur, die 204volmaakt wordt door haar vereeniging met de stof, te bestaan; maar het is niet tegen de aard van de stof voor de soortelijke natuur te bestaan. En daarom ligt het verschil, dat bestaat tusschen ons ontstaan en dat van Christus, in zoover ons vleesch ontvangen wordt eer het bezield wordt, maar Christus' vleesch niet, in wat aan de volledigheid der natuur voorafgaat; zooals wij ook ontvangen worden door het zaad van den man, maar Christus niet. Maar een verschil, dat lag in het ontstaan van de ziel, zou neerkomen op een verschil in natuur.2. De vorm maakt daadwerkelijk de soort, maar de stof heeft uit zichzelf alleen het vermogen die soort te worden. En dus zou het tegen de aard van de vorm zijn vóór de soortelijke natuur, die 204volmaakt wordt door haar vereniging met de stof, te bestaan; maar het is niet tegen de aard van de stof voor de soortelijke natuur te bestaan. En daarom ligt het verschil, dat bestaat tussen ons ontstaan en dat van Christus, in zover ons vlees ontvangen wordt eer het bezield wordt, maar Christus' vlees niet, in wat aan de volledigheid van de natuur voorafgaat; zoals wij ook ontvangen worden door het zaad van de man, maar Christus niet. Maar een verschil, dat lag in het ontstaan van de ziel, zou neerkomen op een verschil in natuur.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod Verbum Dei per prius intelligitur unitum carni, quam anima per modum communem, quo est in caeteris creaturis per essentiam, potentiam, et praesentiam: prius tamen dico non tempore, sed natura. Prius enim intelligitur caro ut quoddam ens, quod a Verbo habet, quam ut animata, quod habet ab anima. Sed unione personali prius secundum intellectum oportet quod caro uniatur animae, quam Verbo: quia ex unione ad animam habet, quod sit unibilis Verbo in persona: praesertim quia persona non invenitur nisi in rationali natura.

3. Men moet begrijpen, dat het Woord Gods eerder met het lichaam is vereenigd dan de ziel op de gewone manier, waarop Het in de andere schepsels is door wezen, tegenwoordigheid en macht; maar dit eerder bedoel ik in natuur, niet in tijd. Want het vleesch wordt eerder opgevat als iets, dat is, wat het van het Woord heeft, dan als bezield, wat het van de ziel heeft. Maar bij de vereeniging in persoon moet het vleesch eerder opgevat worden als vereenigd met de ziel dan met het Woord; want van de vereeniging met de ziel heeft het, dat het met het Woord kan vereenigd worden, vooral omdat een persoon alleen gevonden wordt in een redelijke natuur.3. Men moet begrijpen, dat het Woord Gods eerder met het lichaam is verenigd dan de ziel op de gewone manier, waarop Het in de andere schepsels is door wezen, tegenwoordigheid en macht; maar dit eerder bedoel ik in natuur, niet in tijd. Want het vlees wordt eerder opgevat als iets, dat is, wat het van het Woord heeft, dan als bezield, wat het van de ziel heeft. Maar bij de vereniging in persoon moet het vlees eerder opgevat worden als verenigd met de ziel dan met het Woord; want van de vereniging met de ziel heeft het, dat het met het Woord kan verenigd worden, vooral omdat een persoon alleen gevonden wordt in een redelijke natuur.

Articulus V

Utrum tota humana natura sit assumpta mediantibus partibus

[3. Dist. 2. q. 2. art. 1. q. 3. et art. 3. q. 1.]
Ve Artikel

Nam Gods Zoon de geheele menschelijke natuur aan door middel van de deelen?Nam Gods Zoon de gehele menselijke natuur aan door middel van de delen?

antwoord 1 ↓

205Ad quintum sic proceditur. Videtur, quod Filius Dei assumpserit totam naturam humanam mediantibus partibus ejus1. Dicit enim Augustinus in libro de Agone Christ. [cap. 18.], quod « invisibilis, et incommutabilis veritas per spiritum animam, et per animam corpus, et sic totum hominem assumpsit ». Sed spiritus, anima, et corpus sunt partes totius hominis. Ergo totum2 assumpsit mediantibus partibus.

205Bedenkingen. — Men beweert, dat Gods Zoon de geheele menschelijke natuur door middel van haar deelen aannam — 1. Want Augustinus zegt in het boek Over den Strijd van den Christen (18e H.): « De onzichtbare en onveranderlijke Waarheid nam door den geest de ziel, en door de ziel het lichaam en zoo den geheelen mensch aan ». Maar geest, ziel en lichaam zijn deelen van den geheelen mensch. Dus nam Hij den heelen mensch aan door middel van de deelen.205Bedenkingen. — Men beweert, dat Gods Zoon de gehele menselijke natuur door middel van haar delen aannam — 1. Want Augustinus zegt in het boek Over de Strijd van de Christen (18e H.): “De onzichtbare en onveranderlijke Waarheid nam door de geest de ziel, en door de ziel het lichaam en zo de gehele mens aan”. Maar geest, ziel en lichaam zijn delen van de gehele mens. Dus nam Hij de hele mens aan door middel van de delen.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, ideo Filius Dei carnem assumpsit mediante anima, quia anima est Deo similior, quam corpus. Sed partes humanae naturae, cum sint simpliciores, quam corpus3, videntur esse similiores Deo4, qui est simplicissimus, quam totum. Ergo assumpsit totum mediantibus partibus.

2. Daarom nam Gods Zoon het vleesch aan door de ziel, omdat de ziel meer op God gelijkt dan het lichaam. Maar de deelen van de menschelijke natuur, die eenvoudig zijn, gelijken meer op Hem, die allereenvoudigst is, dan het geheel. Dus nam Hij het geheel aan door middel van de deelen.2. Daarom nam Gods Zoon het vlees aan door de ziel, omdat de ziel meer op God gelijkt dan het lichaam. Maar de delen van de menselijke natuur, die eenvoudig zijn, gelijken meer op Hem, die allereenvoudigst is, dan het geheel. Dus nam Hij het geheel aan door middel van de delen.

antwoord 3 ↓

2063. Praeterea, totum resultat ex unione partium. Sed unio intelligitur ut terminus, assumptionis: partes autem praeintelliguntur assumptioni. Ergo assumpsit totum per partes.

2063. Het geheel ontstaat door vereeniging van de deelen. Maar de vereeniging wordt opgevat als de eindterm van het aannemen; en men beschouwt de deelen als bestaand voor de aanneming. Dus nam Hij het geheel door de deelen aan.2063. Het geheel ontstaat door vereniging van de delen. Maar de vereniging wordt opgevat als de eindterm van het aannemen; en men beschouwt de delen als bestaand voor de aanneming. Dus nam Hij het geheel door de delen aan.

Sed contra est, quod Damascenus dicit in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 16.]: « In Domino nostro Jesu Christo non partes partium intuemur, sed quae proxime componuntur, idest deitatem, et humanitatem ». Humanitas autem est quoddam totum, quod componitur ex anima, et corpore, sicut ex partibus. Ergo Filius Dei assumpsit partes mediante toto.

Maar daartegenover staat, wat Damascenus zegt in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 16e H.): « In den Heer Jesus Christus zien wij geen gedeelten van deelen, maar wat nauw vereenigd is, dwz. de menschheid en de godheid ». Nu is de menschheid een geheel, dat uit lichaam en ziel als uit deelen is samengesteld. Dus nam Gods Zoon de deelen aan door middel van het geheel.Maar daartegenover staat, wat Damascenus zegt in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 16e H.): “In de Heer Jesus Christus zien wij geen gedeelten van delen, maar wat nauw verenigd is, dwz. de mensheid en de godheid”. Nu is de mensheid een geheel, dat uit lichaam en ziel als uit delen is samengesteld. Dus nam Gods Zoon de delen aan door middel van het geheel.

Respondeo dicendum, quod cum dicitur aliquid medium in assumptione Incarnationis, non designatur ordo temporis: quia simul facta est assumptio totius, et omnium partium. Ostensum est enim [art. 3. et 4. praec.], quod simul anima, et corpus sunt ad invicem unita ad constituendam naturam humanam in verbo. Designatur autem ibi ordo naturae. Unde per id quod est prius in natura, assumitur id quod est posterius.

Leerstelling. — Als iets middel wordt genoemd bij het aannemen der menschwording, geeft men geen volgorde in tijd aan, want de aanneming van het geheel en van de deelen is tegelijk geschied. Want wij hebben aangetoond, dat lichaam en ziel tegelijk met elkaar vereenigd zijn om de menschelijke natuur in het Woord te vormen. Maar er wordt een orde in natuur aangeduid. Dus wordt door wat eerder in natuur is, het latere aangenomen.Leerstelling. — Als iets middel wordt genoemd bij het aannemen van de menswording, geeft men geen volgorde in tijd aan, want de aanneming van het geheel en van de delen is tegelijk geschied. Want wij hebben aangetoond, dat lichaam en ziel tegelijk met elkaar verenigd zijn om de menselijke natuur in het Woord te vormen. Maar er wordt een orde in natuur aangeduid. Dus wordt door wat eerder in natuur is, het latere aangenomen.

Est autem aliquid prius in natura dupliciter: uno modo ex parte agentis: 207alio modo ex parte materiae: hae enim duae causae praeexistunt rei. Ex parte quidem agentis est simpliciter primum illud, quod primo cadit in ejus intentione: sed secundum quid prius est illud, a quo incipit ejus operatio, et hoc ideo, quia intentio est prior operatione. Ex parte vero materiae est primum illud, quod prius existit in transmutatione materiae.

Nu is iets dubbel eerder in natuur, ten eerste van de kant van de 207werkende oorzaak genomen, ten tweede van de kant van de stof. Van de kant van de werkende oorzaak is eerder zonder meer, wat het eerst in zijn bedoeling ligt, maar in zeker opzicht is dat het eerste, waarmee zijn werking begint, en dit is zoo, omdat de bedoeling er eerder is dan het werken. Van de kant van de stof is het eerste, wat het eerste bestaat bij de verandering van de stof.Nu is iets dubbel eerder in natuur, ten eerste van de kant van de 207werkende oorzaak genomen, ten tweede van de kant van de stof. Van de kant van de werkende oorzaak is eerder zonder meer, wat het eerst in zijn bedoeling ligt, maar in zeker opzicht is dat het eerste, waarmee zijn werking begint, en dit is zo, omdat de bedoeling er eerder is dan het werken. Van de kant van de stof is het eerste, wat het eerste bestaat bij de verandering van de stof.

In Incarnatione autem oportet maxime attendere ordinem, qui est ex parte agentis: quia, ut Augustinus dicit in Epist. [137] ad Volusianum, « in talibus rebus tota ratio facti est potentia facientis ». Manifestum autem est, quod secundum intentionem facientis prius est completum, quam incompletum, et per consequens totum, quam partes. Et ideo dicendum est, quod verbum Dei assumpsit partes humanae naturae mediante toto. Sicut enim assumpsit corpus, et animam propter ordinem, quem habent ad humanam naturam.

Nu moet men bij de menschwording vooral letten op de orde, die van de kant van den bewerker gerekend wordt; want, zooals Augustinus in den Brief aan Volusianus zegt, « is in dergelijke zaken de macht van den bewerker de heele verklaring van het feit ». Nu is het duidelijk, dat naar de bedoeling van den bewerker het volledige voor het onvolledige komt, en bijgevolg het geheel voor de deelen. En dus moet men zeggen, dat Gods Woord de deelen der menschelijke natuur door middel van het geheel aannam. Want zooals Het het lichaam aannam om de verhouding, die het tot de redelijke ziel heeft, nam Het lichaam en ziel aan om hun verhouding tot de menschelijke natuur.Nu moet men bij de menswording vooral letten op de orde, die van de kant van de bewerker gerekend wordt; want, zoals Augustinus in de Brief aan Volusianus zegt, “is in dergelijke zaken de macht van de bewerker de hele verklaring van het feit”. Nu is het duidelijk, dat naar de bedoeling van de bewerker het volledige voor het onvolledige komt, en bijgevolg het geheel voor de delen. En dus moet men zeggen, dat Gods Woord de delen van de menselijke natuur door middel van het geheel aannam. Want zoals Het het lichaam aannam om de verhouding, die het tot de redelijke ziel heeft, nam Het lichaam en ziel aan om hun verhouding tot de menselijke natuur.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod ex verbis illis nihil aliud5 datur intelligi, nisi quod Verbum assumendo partes humanae naturae, assumpsit 208totam humanam naturam. Et sic assumptio partium est prior in via operationis intellectu, non tempore. Assumptio autem naturae est prior in via intentionis; quod est esse prius simpliciter, ut dictum est [in corp. art.].

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Uit die woorden moet men niets anders opmaken, dan dat het Woord, door de deelen 208van de menschelijke natuur aan te nemen, de heele menschelijke natuur aannam. En zoo is het aannemen van de deelen in het verloop van de uitwerking naar ons begrip, niet in tijd eerder. Maar het aannemen van de natuur ligt eerder in de bedoeling, en dat is zonder meer eerder, zooals is gezegd (in de Leerstelling).Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Uit die woorden moet men niets anders opmaken, dan dat het Woord, door de delen 208van de menselijke natuur aan te nemen, de hele menselijke natuur aannam. En zo is het aannemen van de delen in het verloop van de uitwerking naar ons begrip, niet in tijd eerder. Maar het aannemen van de natuur ligt eerder in de bedoeling, en dat is zonder meer eerder, zoals is gezegd (in de Leerstelling).

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod, Deus ita est simplex, quod etiam est perfectissimus. Et ideo totum est magis simile Deo, quam partes, inquantum est perfectius.

2. God is op zoo'n manier eenvoudig, dat Hij ook allervolmaakst is. En daarom is het geheel meer gelijk aan God dan de deelen, in zoover het volmaakter is.2. God is op zo'n manier eenvoudig, dat Hij ook allervolmaakst is. En daarom is het geheel meer gelijk aan God dan de delen, in zover het volmaakter is.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod unio personalis est, ad quam terminatur assumptio, non autem unio naturae, quae resultat ex conjunctione partium.

3. De vereeniging in persoon is het, wat de eindterm der aanneming is; maar niet de vereeniging in natuur, die ontstaat uit de vereeniging der deelen.3. De vereniging in persoon is het, wat de eindterm van de aanneming is; maar niet de vereniging in natuur, die ontstaat uit de vereniging van de delen.

Articulus VI

Utrum humana natura sit assumpta mediante gratia

[Supra q. 2. art. 10. 3. Dist. 2. q. 2. art. 2. et Dist. 13. q. 3. art. 1. et Veri. q. 29. art. 2. et Comp. Theol. cap. 214.]
VIe Artikel

Nam Gods Zoon de menschelijke natuur aan door middel van de genade?Nam Gods Zoon de menselijke natuur aan door middel van de genade?

antwoord 1 ↓

208Ad sextum sic proceditur. Videtur, quod Filius Dei assumpserit humanam naturam mediante gratia. Per gratiam enim unimur Deo. Sed humana 209natura in Christo maxime fuit Deo1 unita. Ergo illa unio facta fuit per gratiam.

208Bedenkingen. — Men beweert, dat Gods Zoon de menschelijke natuur aannam door middel der genade. — 1. Want door de genade worden wij met God vereenigd. Nu is de menschelijke 209natuur in Christus zoo innig mogelijk vereenigd. Dus geschiedde die vereeniging door de genade.208Bedenkingen. — Men beweert, dat Gods Zoon de menselijke natuur aannam door middel van de genade. — 1. Want door de genade worden wij met God verenigd. Nu is de menselijke 209natuur in Christus zo innig mogelijk verenigd. Dus geschiedde die vereniging door de genade.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, sicut corpus vivit per animam, quae est ejus perfectio: ita anima per gratiam. Sed humana natura redditur congrua ad assumptionem per animam. Ergo et anima congrua redditur ad assumptionem per gratiam2. Ergo Filius Dei assumpsit animam mediante gratia.

2. Zooals het lichaam leeft door de ziel, die zijn vervolmaking is, zoo leeft de ziel door de genade. Maar de menschelijke natuur wordt door de ziel geschikt voor de aanneming. Dus nam Gods Zoon de ziel aan door de genade.2. Zoals het lichaam leeft door de ziel, die zijn vervolmaking is, zo leeft de ziel door de genade. Maar de menselijke natuur wordt door de ziel geschikt voor de aanneming. Dus nam Gods Zoon de ziel aan door de genade.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Augustinus in 15. de Trinit. [cap. 11.] dicit, quod Verbum incarnatum est, sicut verbum nostrum in voce. Sed verbum nostrum unitur voci mediante spiritu. Ergo Verbum Dei unitur carni mediante Spiritu Sancto, et ita mediante gratia, quae Spiritui Sancto attribuitur, secundum illud 1. ad Cor. 12. [v. 4]: « Divisiones gratiarum sunt, idem autem spiritus ».

3. Augustinus zegt in het 15e boek Over de Drievuldigheid, dat het menschgeworden Woord is als ons woord in de spraak. Nu wordt ons woord door de geest met de spraak vereenigd. Dus wordt Gods Woord met het vleesch vereenigd door den Heiligen Geest, en dus door middel der genade, die aan den Heiligen Geest wordt toegeschreven, naar het woord uit den Eersten Brief aan de Korinthiërs (12, 4): « Er zijn soorten van genade, maar het is dezelfde Geest ».3. Augustinus zegt in het 15e boek Over de Drievuldigheid, dat het mensgeworden Woord is als ons woord in de spraak. Nu wordt ons woord door de geest met de spraak verenigd. Dus wordt Gods Woord met het vlees verenigd door de Heilige Geest, en dus door middel van de genade, die aan de Heilige Geest wordt toegeschreven, naar het woord uit de Eerste Brief aan de Korintiërs (12, 4): “Er zijn soorten van genade, maar het is dezelfde Geest”.

Sed contra est, quod gratia est quoddam accidens animae, ut in 2. parte habitum est [1-2. q. 110. art. 2.]. Unio autem Verbi ad humanam naturam est facta secundum subsistentiam, et non secundum accidens, ut 210ex supra dictis patet [q. 2. art. 6.]. Ergo natura humana non est assumpta mediante gratia.

Daartegenover staat echter, dat de genade een bijkomstigheid der ziel is, zooals in het tweede deel is behandeld (Ia-IIae, 110e Kw., 2e Art., Antw. op de 2e B.). Maar de vereeniging van het Woord met de menschelijke natuur is naar het zelfstandig bestaan 210en niet naar iets bijkomstigs, zooals uit het bovengezegde blijkt (2e Kw., 6e Art.). En dus is de menschelijke natuur niet aangenomen door middel der genade.Daartegenover staat echter, dat de genade een bijkomstigheid van de ziel is, zoals in het tweede deel is behandeld (1-2, 110e Kw., 2e Art., Antw. op de 2e B.). Maar de vereniging van het Woord met de menselijke natuur is naar het zelfstandig bestaan 210en niet naar iets bijkomstigs, zoals uit het bovengezegde blijkt (2e Kw., 6e Art.). En dus is de menselijke natuur niet aangenomen door middel van de genade.

Respondeo dicendum, quod in Christo ponitur gratia unionis, et gratia habitualis. Gratia ergo non potest intelligi ut medium in assumptione humanae naturae, sive loquamur de gratia unionis, sive de gratia habituali. Gratia enim unionis est ipsum esse personale, quod gratis divinitus datur humanae naturae in persona Verbi, quod quidem est terminus assumptionis. Gratia autem habitualis pertinens ad spiritualem3 sanctitatem illius hominis, est effectus quidam consequens unionem, secundum illud Joan. 1. [v. 14]: « Vidimus gloriam ejus, quasi unigeniti a Patre, plenum gratiae, et veritatis »; per quod datur intelligi, quod ex hoc ipsi quod ille homo est unigenitus a Patre quod habet per unionem habet plenitudinem gratiae, et veritatis.

Leerstelling. — In Christus stelt men de genade der vereeniging, en de genade, die een soort hebbelijkheid is. En dus kan de genade niet opgevat worden als het middel bij het aannemen der menschelijke natuur, hetzij wij spreken van de genade der vereeniging, hetzij van de genade, die een hebbelijkheid is. Want de genade der vereeniging is het persoonlijk zijn zelf, dat zonder verdiensten door God aan de menschelijke natuur gegeven wordt in den persoon van het Woord, dat immers de eindterm van de aanneming is. Maar de genade die een hebbelijkheid is en behoort tot de bijzondere heiligheid van dien mensch, is een gevolg van die vereeniging, naar het woord van Johannes (1, 14): « Wij hebben zijn heerlijkheid gezien als van den eeniggeborene uit den Vader, vol van genade en waarheid », waardoor te verstaan wordt gegeven, dat die mensch juist hierdoor, dat hij de eeniggeborene des Vaders is, wat hij door de vereeniging heeft, de volheid van genade en waarheid heeft.Leerstelling. — In Christus stelt men de genade van de vereniging, en de genade, die een soort hebbelijkheid is. En dus kan de genade niet opgevat worden als het middel bij het aannemen van de menselijke natuur, hetzij wij spreken van de genade van de vereniging, hetzij van de genade, die een hebbelijkheid is. Want de genade van de vereniging is het persoonlijk zijn zelf, dat zonder verdiensten door God aan de menselijke natuur gegeven wordt in de persoon van het Woord, dat immers de eindterm van de aanneming is. Maar de genade die een hebbelijkheid is en behoort tot de bijzondere heiligheid van die mens, is een gevolg van die vereniging, naar het woord van Johannes (1, 14): “Wij hebben zijn heerlijkheid gezien als van de eniggeborene uit de Vader, vol van genade en waarheid”, waardoor te verstaan wordt gegeven, dat die mens juist hierdoor, dat hij de eniggeborene van de Vader is, wat hij door de vereniging heeft, de volheid van genade en waarheid heeft.

Si vero intelligatur gratia4 voluntas Dei aliquid gratis faciens, vel 211donans, sic unio facta est per gratiam, non sicut per medium, sed sicut per causam efficientem.

Maar als door genade wordt verstaan de wil zelf van God, 211die zonder verdiensten iets doet of geeft, dan is de vereeniging gebeurd door de genade, niet als door een middel, maar als door de bewerkende oorzaak.Maar als door genade wordt verstaan de wil zelf van God, 211die zonder verdiensten iets doet of geeft, dan is de vereniging gebeurd door de genade, niet als door een middel, maar als door de bewerkende oorzaak.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod unio nostra ad Deum est per operationem; inquantum scilicet eum cognoscimus, et amamus. Et ideo talis unio est per gratiam habitualem, inquantum operatio perfecta procedit ab habitu. Sed unio naturae humanae ad Verbum Dei est secundum esse personale, quod non dependet ab aliquo habitu, sed immediate ab ipsa natura.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Onze vereeniging met God geschiedt door een daad, in zoover wij nl. Hem kennen en beminnen. En daarom is die vereeniging door een genade, die een hebbelijkheid is, in zoover een volmaakte daad uit een hebbelijkheid voortkomt. Maar de vereeniging van de menschelijke natuur met het Woord Gods is naar het persoonlijk zijn, wat niet van een hebbelijkheid afhangt, maar onmiddellijk van de natuur.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Onze vereniging met God geschiedt door een daad, in zover wij nl. Hem kennen en beminnen. En daarom is die vereniging door een genade, die een hebbelijkheid is, in zover een volmaakte daad uit een hebbelijkheid voortkomt. Maar de vereniging van de menselijke natuur met het Woord Gods is naar het persoonlijk zijn, wat niet van een hebbelijkheid afhangt, maar onmiddellijk van de natuur.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod anima est perfectio substantialis corporis; gratia vero est perfectio animae accidentalis. Et ideo gratia non potest ordinare animam ad unionem personalem, quae non est accidentalis, sicut anima, et corpus.

2. De ziel is de zelfstandige volmaaktheid van het lichaam; maar de genade is de bijkomstige volmaaktheid van de ziel. En dus kan de genade de ziel niet brengen tot de persoonlijke vereeniging, die niet iets bijkomstigs is, zooals de ziel het lichaam.2. De ziel is de zelfstandige volmaaktheid van het lichaam; maar de genade is de bijkomstige volmaaktheid van de ziel. En dus kan de genade de ziel niet brengen tot de persoonlijke vereniging, die niet iets bijkomstigs is, zoals de ziel het lichaam.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod verbum nostrum unitur voci mediante spiritu, non quidem sicut medio formali, sed sicut per medium movens: nam ex verbo concepto interius procedit spiritus, ex quo formaliter vox. Et 212similiter ex Verbo aeterno procedit Spiritus Sanctus, qui formavit corpus Christi, ut infra patebit [q. 32. art. 1.]. Non autem ex hoc sequitur, quod gratia Spiritus Sancti sit formale medium in unione praedicta.

3. Ons woord wordt met de spraak vereenigd door den geest, niet als een middel dat door vorm oorzaak is, maar als door een middel, dat beweegt, want de geest komt voort uit het innerlijk ontvangen woord, waardoor de spraak wordt gevormd. En evenzoo komt uit het eeuwige Woord de Heilige Geest voort, die het lichaam van Christus heeft gevormd, zooals later zal blijken 212(32e Kw., 1e Art.). Maar daaruit volgt niet, dat de genade van den Heiligen Geest het formeele middel is bij de genoemde vereeniging.3. Ons woord wordt met de spraak verenigd door de geest, niet als een middel dat door vorm oorzaak is, maar als door een middel, dat beweegt, want de geest komt voort uit het innerlijk ontvangen woord, waardoor de spraak wordt gevormd. En evenzo komt uit het eeuwige Woord de Heilige Geest voort, die het lichaam van Christus heeft gevormd, zoals later zal blijken 212(32e Kw., 1e Art.). Maar daaruit volgt niet, dat de genade van de Heilige Geest het formele middel is bij de genoemde vereniging.