Theologische Summa · Tertia Pars · De wijze der vereenigingDe wijze van de verenigingSumma · III · De wijze der vereenigingDe wijze van de verenigingSumma · III · Kw. 5Kw. 5
Quaestio V

De modo unionis ex parte partium humanae naturae1, in quatuor articulos divisa

Kwestie 5

Over het aannemen der deelen van de menschelijke natuurOver het aannemen van de delen van de menselijke natuur

(Vier Artikelen)

165Deinde considerandum est de assumptione partium humanae naturae.

165Vervolgens moeten wij spreken over het aannemen der deelen van de menschelijke natuur.165Vervolgens moeten wij spreken over het aannemen van de delen van de menselijke natuur.

Et circa hoc quaeruntur quatuor: 1. Utrum Filius debuerit assumere verum corpus. — 2. Utrum assumere debuerit corpus terrenum, scilicet carnem et sanguinem. — 3. Utrum assumpserit animam. — 4. Utrum assumere debuerit intellectum.

En hierover stellen wij ons vier vragen: 1. Moest Gods Zoon een werkelijk lichaam aannemen? 2. Moest Hij een aardsch lichaam aannemen, nl. vleesch en bloed? 3. Nam Hij een ziel aan? 4. Moest Hij een verstand aannemen?En hierover stellen wij ons vier vragen: 1. Moest Gods Zoon een werkelijk lichaam aannemen? 2. Moest Hij een aards lichaam aannemen, nl. vlees en bloed? 3. Nam Hij een ziel aan? 4. Moest Hij een verstand aannemen?

Articulus I

Utrum Filius Dei debuerit assumere verum corpus1

[3. Dist. 2. q. 1. art. 3. q. 1. et q. 2. et lib. 4. Contr. g. cap. 29. 30. et Compend. theol. cap. 207.]
Ie Artikel

Nam Gods Zoon een werkelijk lichaam aan?

antwoord 1 ↓

166Ad primum sic proceditur. Videtur, quod Filius Dei non assumpserit verum corpus: dicitur enim Philipp. 2. [v. 7] quod « in similitudinem hominum factus est ». Sed quod est secundum veritatem, non dicitur esse secundum similitudinem. Ergo Filius Dei non assumpsit verum corpus.

166Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat Gods Zoon geen werkelijk lichaam aannam. Want in den Brief aan de Philippiërs (2, 7) wordt gezegd, dat Hij « aan de menschen gelijk is geworden ». Maar wat werkelijk iets is, wordt niet daaraan gelijk genoemd. Dus nam Gods Zoon geen werkelijk lichaam aan.166Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat Gods Zoon geen werkelijk lichaam aannam. Want in de Brief aan de Filippenzen (2, 7) wordt gezegd, dat Hij “aan de mensen gelijk is geworden”. Maar wat werkelijk iets is, wordt niet daaraan gelijk genoemd. Dus nam Gods Zoon geen werkelijk lichaam aan.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, assumptio corporis, in nullo derogavit dignitati divinitatis: dicit enim Leo Papa in serm. de Nativ. [Serm. 21], quod « nec inferiorem naturam consumpsit glorificatio, nec superiorem minuit assumptio ». Sed hoc ad dignitatem Dei pertinet, quod sit omnino a corpore separatus. Ergo videtur, quod per assumptionem non fuerit Deus corpori unitus.

2. Het aannemen van het lichaam heeft in niets aan de waardigheid van de godheid te kort gedaan; want Paus Leo zegt in zijn preek Over de Geboorte (serm. 21), dat « noch de verheerlijking de lagere natuur heeft verteerd, noch het aannemen de hoogere verlaagd ». Maar het behoort tot Gods waardigheid, dat Hij geheel en al van het lichaam is gescheiden. Dus schijnt het, dat God door het aannemen niet met een lichaam is vereenigd.2. Het aannemen van het lichaam heeft in niets aan de waardigheid van de godheid te kort gedaan; want Paus Leo zegt in zijn preek Over de Geboorte (serm. 21), dat “noch de verheerlijking de lagere natuur heeft verteerd, noch het aannemen de hogere verlaagd”. Maar het behoort tot Gods waardigheid, dat Hij geheel en al van het lichaam is gescheiden. Dus schijnt het, dat God door het aannemen niet met een lichaam is verenigd.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, signa debent respondere signatis: sed apparitiones veteris 167testamenti, quae fuerunt signa2 apparitionis Christi, non fuerunt secundum corporis veritatem, sed secundum imaginariam visionem: sicut patet Isa. 6.: « Vidi Dominum sedentem, etc. ». Ergo videtur, quod etiam apparitio Filii Dei in mundo non fuerit secundum corporis veritatem, sed solum secundum imaginationem.

3. Teekens moeten beantwoorden aan wat beteekend wordt. 167Maar de verschijningen onder het Oude Verbond, die teekens en voorafbeeldingen waren van Christus' verschijnen, geschiedden niet in de lichamelijke werkelijkheid, maar in aan de verbeelding getoonde gezichten, zooals blijkt uit Isaias (6,2): « Ik zag den Heer gezeten », enz. Dus schijnt het, dat ook het verschijnen van Gods Zoon in de wereld niet gebeurde in een werkelijk lichaam, maar in de verbeelding.3. Tekens moeten beantwoorden aan wat betekend wordt. 167Maar de verschijningen onder het Oude Verbond, die tekens en voorafbeeldingen waren van Christus' verschijnen, geschiedden niet in de lichamelijke werkelijkheid, maar in aan de verbeelding getoonde gezichten, zoals blijkt uit Jesaja (6,2): “Ik zag de Heer gezeten”, enz. Dus schijnt het, dat ook het verschijnen van Gods Zoon in de wereld niet gebeurde in een werkelijk lichaam, maar in de verbeelding.

Sed contra est, quod dicit Augustinus in lib. 83. QQ. [q. 14.]: « Si phantasma fuit corpus Christi, fefellit Christus, et si fallit, veritas non est: est autem veritas Christus; ergo non fuit phantasma corpus ejus ». Et sic patet, quod verum corpus assumpsit.

Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt in het boek Over de 83 Vraagstukken (14e Vr.): « Als Christus' lichaam een verschijning was, heeft Christus bedrogen. En als Hij bedrogen heeft, is Hij de Waarheid niet. Maar Christus is de Waarheid. Dus was zijn lichaam geen verschijning ». En zoo blijkt het, dat Hij een werkelijk lichaam heeft aangenomen.Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt in het boek Over de 83 Vraagstukken (14e Vr.): “Als Christus' lichaam een verschijning was, heeft Christus bedrogen. En als Hij bedrogen heeft, is Hij de Waarheid niet. Maar Christus is de Waarheid. Dus was zijn lichaam geen verschijning”. En zo blijkt het, dat Hij een werkelijk lichaam heeft aangenomen.

Respondeo dicendum, quod, sicut dicitur in lib. de Eccles. Dogmat. [cap. 2. inter opera Augustini], « natus est Dei Filius non putative, quasi imaginatum corpus habens, sed corpus verum »: et hujus ratio potest tripliciter assignari. Quarum prima est ex ratione humanae naturae, ad quam pertinet verum corpus habere. Supposito igitur ex praemissis [q. praec. 168art. 1.], quod conveniens fuerit Filium Dei assumere humanam naturam, consequens est, quod verum corpus assumpserit.

Leerstelling. — Zooals in het boek Over de Leerstukken der Kerk wordt gezegd (2e H.), « is Gods Zoon niet schijnbaar geboren, alsof Hij maar een in de verbeelding bestaand lichaam bezat, maar een echt lichaam ». En hiervoor kan men drie redenen aangeven. De eerste hiervan is ontleend aan de aard van de menschelijke natuur, waaraan het toekomt een echt lichaam te bezitten. 168Als wij dus volgens het voorafgaande (4e Kw., 1e Art.) veronderstellen, dat het paste, dat Gods Zoon de menschelijke natuur aannam, volgt er uit, dat Hij een echt lichaam aannam.Leerstelling. — Zoals in het boek Over de Leerstukken van de Kerk wordt gezegd (2e H.), “is Gods Zoon niet schijnbaar geboren, alsof Hij maar een in de verbeelding bestaand lichaam bezat, maar een echt lichaam”. En hiervoor kan men drie redenen aangeven. De eerste hiervan is ontleend aan de aard van de menselijke natuur, waaraan het toekomt een echt lichaam te bezitten. 168Als wij dus volgens het voorafgaande (4e Kw., 1e Art.) veronderstellen, dat het paste, dat Gods Zoon de menselijke natuur aannam, volgt er uit, dat Hij een echt lichaam aannam.

Secunda ratio sumi potest ex his, quae in mysterio Incarnationis sunt acta: si enim non fuit verum corpus ejus, sed phantasticum; ergo nec veram mortem sustinuit, nec aliquid eorum quae Evangelistae de eo narrant, secundum veritatem gessit, sed solum secundum apparentiam quamdam. Et sic etiam sequeretur, quod non fuerit3 vera salus hominis subsecuta, oportet enim effectum causae proportionari.

De tweede reden kan men ontleenen aan wat bij het geheim der menschwording is gebeurd. Want als zijn lichaam niet echt maar verbeeld was, heeft Hij ook niet werkelijk den dood ondergaan, en heeft Hij niets van wat de Evangelisten verhalen, in waarheid gedaan, maar alleen naar een uiterlijke schijn. En dan volgt ook, dat het ware heil van den mensch er niet uit gevolgd is, omdat het gevolg aan de oorzaak evenredig moet zijn.De tweede reden kan men ontlenen aan wat bij het geheim van de menswording is gebeurd. Want als zijn lichaam niet echt maar verbeeld was, heeft Hij ook niet werkelijk de dood ondergaan, en heeft Hij niets van wat de Evangelisten verhalen, in waarheid gedaan, maar alleen naar een uiterlijke schijn. En dan volgt ook, dat het ware heil van de mens er niet uit gevolgd is, omdat het gevolg aan de oorzaak evenredig moet zijn.

Tertia ratio potest sumi ex ipsa dignitate personae assumentis, quae cum sit veritas, non decuit ut in ejus opere aliqua fictio esset. Unde et Dominus hunc errorem per seipsum excludere dignatus est, Luc. ult. [v. 37] cum Discipuli « conturbati, et conterriti putabant se spiritum videre », et non verum corpus: et ideo se eis palpandum praebuit dicens [v. 39]: « Palpate, et videte, quia spiritus carnem et ossa non habet, sicut me videtis habere ».

De derde reden kan men ontleenen aan de persoonlijke waardigheid zelf van Hem, die aanneemt, want omdat Hij de waarheid is, past het niet, dat er eenig bedrog in zijn werk is. Daarom heeft de Heer zichzelf gewaardigd dwaling op dit punt uit te sluiten, toen de leerlingen « verward en bevreesd, een geest meenden te zien » (Luc., Laatste H. 37), en geen echt lichaam, en daarom liet Hij zich aanraken, zeggend (39): « Tast en ziet, want een geest heeft geen vleesch en beenderen, zooals gij ziet, dat ik heb. »De derde reden kan men ontlenen aan de persoonlijke waardigheid zelf van Hem, die aanneemt, want omdat Hij de waarheid is, past het niet, dat er enig bedrog in zijn werk is. Daarom heeft de Heer zichzelf gewaardigd dwaling op dit punt uit te sluiten, toen de leerlingen “verward en bevreesd, een geest meenden te zien” (Luk., Laatste H. 37), en geen echt lichaam, en daarom liet Hij zich aanraken, zeggend (39): “Tast en ziet, want een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals gij ziet, dat ik heb.”

↑ bedenking 1

169Ad primum ergo dicendum, quod similitudo illa exprimit veritatem humanae naturae in Christo, per modum quo omnes qui vere in natura humana existunt, similes specie esse dicuntur: non autem intelligitur similitudo phantastica. Ad cujus evidentiam Apostolus subjungit [v. 8] quod « factus est obediens usque ad mortem, mortem autem crucis ». Quod fieri non potuisset, si esset4 sola similitudo phantastica.

169Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Deze gelijkheid drukt de waarheid van de menschelijke natuur in Christus uit, zooals allen, die werkelijk als mensch bestaan, gelijk in natuur worden genoemd. Maar een gelijkheid in de verbeelding wordt niet bedoeld. Om dat aan te toonen, voegt de Apostel er aan toe (t. a. p., 8): « Hij werd gehoorzaam tot den dood, ja tot den dood des kruises », wat niet zou kunnen, als er alleen een gelijkheid in verbeelding bestond.169Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Deze gelijkheid drukt de waarheid van de menselijke natuur in Christus uit, zoals allen, die werkelijk als mens bestaan, gelijk in natuur worden genoemd. Maar een gelijkheid in de verbeelding wordt niet bedoeld. Om dat aan te tonen, voegt de Apostel er aan toe (t. a. p., 8): “Hij werd gehoorzaam tot de dood, ja tot de dood van het kruis”, wat niet zou kunnen, als er alleen een gelijkheid in verbeelding bestond.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod per hoc quod Filius Dei verum corpus assumpsit, in nullo est ejus dignitas diminuta. Unde Augustinus dicit in lib. de Fide ad Pet. [cap. 2.]: « Exinanivit seipsum, formam servi accipiens, ut fieret servus; sed formae Dei plenitudinem non amisit ». Non enim Filius Dei sic assumpsit verum corpus, ut forma corporis fieret: quod repugnat divinae simplicitati, et puritati. Hoc enim esset assumere corpus in unitatem naturae; quod est impossibile, ut ex supra dictis patet [q. 2. art. 1.]. Sed salva distinctione naturae, assumpsit corpus5 in unitatem6 personae.

2. Doordat Gods Zoon een echt lichaam aannam is zijn waardigheid in geen enkel opzicht verminderd. Daarom zegt Augustinus in het boek Over het Geloof aan Petrus: « Hij vernietigde zichzelf, toen Hij het uiterlijk van een slaaf aannam om een slaaf te worden; maar de volheid van Gods Wezen verloor Hij niet ». Want Gods Zoon nam het echte lichaam niet zoo aan, dat Hij de vorm van een lichaam werd, wat strijdt met de goddelijke eenvoudigheid en zuiverheid; want dat zou een lichaam aannemen zijn in de eenheid van natuur, wat onmogelijk is, zooals uit het boven gezegde blijkt (2e Kw., 1e Art.). Maar met behoud van het onderscheid in natuur, nam Hij het aan in de eenheid in persoon.2. Doordat Gods Zoon een echt lichaam aannam is zijn waardigheid in geen enkel opzicht verminderd. Daarom zegt Augustinus in het boek Over het Geloof aan Petrus: “Hij vernietigde zichzelf, toen Hij het uiterlijk van een slaaf aannam om een slaaf te worden; maar de volheid van Gods Wezen verloor Hij niet”. Want Gods Zoon nam het echte lichaam niet zo aan, dat Hij de vorm van een lichaam werd, wat strijdt met de goddelijke eenvoudigheid en zuiverheid; want dat zou een lichaam aannemen zijn in de eenheid van natuur, wat onmogelijk is, zoals uit het boven gezegde blijkt (2e Kw., 1e Art.). Maar met behoud van het onderscheid in natuur, nam Hij het aan in de eenheid in persoon.

↑ bedenking 3

170Ad tertium dicendum, quod figura debet respondere rei7 quantum ad similitudinem, non quantum ad rei veritatem: « si enim secundum omnia esset similitudo, jam non esset signum, sed ipsa res » ut Damascenus dicit in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 26.]. Conveniens ergo fuit, ut apparitiones veteris testamenti essent secundum apparentiam8, quasi figurae: apparitio autem Filii Dei in mundo esset secundum corporis veritatem, quasi res figurata9 per illas figuras. Unde dicit Apost. 2. Coloss. 2. [v. 17]: « Quae sunt umbra futurorum, corpus autem Christi ».

1703. Het beeld moet aan het ding beantwoorden wat de gelijkheid, niet wat de werkelijkheid er van betreft, « want als er een gelijkheid in alle opzichten was, zou er geen beeld, maar het ding zelf zijn », zooals Damascenus in het 3e boek zegt. Het paste daarom, dat de verschijningen van het Oude Verbond er alleen naar de uiterlijke schijn waren als beelden; maar de verschijning van Gods Zoon in de wereld met een echt lichaam, als wat afgebeeld en beteekend werd door die beelden. Daarom zegt de Apostel in den Brief aan de Colossensen (2e Br. 2, 17): « Zij zijn de schaduw van de komende dingen, maar het lichaam is Christus ».1703. Het beeld moet aan het ding beantwoorden wat de gelijkheid, niet wat de werkelijkheid er van betreft, “want als er een gelijkheid in alle opzichten was, zou er geen beeld, maar het ding zelf zijn”, zoals Damascenus in het 3e boek zegt. Het paste daarom, dat de verschijningen van het Oude Verbond er alleen naar de uiterlijke schijn waren als beelden; maar de verschijning van Gods Zoon in de wereld met een echt lichaam, als wat afgebeeld en betekend werd door die beelden. Daarom zegt de Apostel in de Brief aan de Colossensen (2e Br. 2, 17): “Zij zijn de schaduw van de komende dingen, maar het lichaam is Christus”.

Articulus II

Utrum Dei Filius debuerit assumere corpus terrenum, scilicet carnem, et sanguinem1

[Infr. q. 31. art. 1. et 3. Dist. 2. q. 1. art. 3. q. 1. et lib. 4. Contr. g. cap. 30. et Compend. Theol. cap. 108.]
IIe Artikel

Had Christus een vleeschelijk of aardsch lichaam?Had Christus een vleselijk of aards lichaam?

antwoord 1 ↓

170Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod Christus non habuerit corpus carnale, sive terrestre, sed coeleste. Dicit enim Apost. 1. ad Cor. 17115. [v. 47]: « Primus homo de terra terrenus, secundus homo de coelo coelestis ». Sed primus homo, scilicet Adam, fuit de terra quantum ad corpus, ut patet Gen. 2. [v. 7]. Ergo etiam secundus homo, scilicet Christus, fuit de coelo quantum ad corpus.

170Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus geen vleeschelijk of aardsch, maar een hemelsch lichaam had. — 1. Want de Apostel 171zegt in den Eersten Brief aan de Korinthiërs (15, 47): « De eerste mensch was uit de aarde en aardsch, de tweede mensch uit den hemel en hemelsch ». Nu was de eerste mensch, nl. Adam, naar zijn lichaam uit de aarde, zooals uit het boek der Schepping blijkt (2, 7). Dus was ook de tweede mensch, nl. Christus naar zijn lichaam uit den hemel.170Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus geen vleselijk of aards, maar een hemels lichaam had. — 1. Want de Apostel 171zegt in de Eerste Brief aan de Korintiërs (15, 47): “De eerste mens was uit de aarde en aards, de tweede mens uit de hemel en hemels”. Nu was de eerste mens, nl. Adam, naar zijn lichaam uit de aarde, zoals uit het boek van de Schepping blijkt (2, 7). Dus was ook de tweede mens, nl. Christus naar zijn lichaam uit de hemel.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, 1. ad Cor. 15. [v. 50] dicitur: « Caro, et sanguis regnum Dei non possidebunt ». Sed regnum Dei principaliter est in Christo Non ergo in ipso est caro, et sanguis, sed magis corpus coeleste.

2. In den Eersten Brief aan de Korinthiërs wordt gezegd (15, 50): « Vleesch en bloed zullen Gods rijk niet bezitten ». Maar Gods Rijk is vooral in Christus. Dus was in Hem geen vleesch en bloed, maar eerder een hemelsch lichaam.2. In de Eerste Brief aan de Korintiërs wordt gezegd (15, 50): “Vlees en bloed zullen Gods rijk niet bezitten”. Maar Gods Rijk is vooral in Christus. Dus was in Hem geen vlees en bloed, maar eerder een hemels lichaam.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, omne quod est optimum, est Dei attribuendum. Sed inter omnia corpora nobilissimum est corpus coeleste. Ergo tale corpus debuit Christus assumere.

3. Men moet aan God toekennen wat het volmaakst is. Maar onder alle lichamen is een hemelsch het volmaakst. Dus moest Christus zoo 'n lichaam aannemen.3. Men moet aan God toekennen wat het volmaakst is. Maar onder alle lichamen is een hemels het volmaakst. Dus moest Christus zo 'n lichaam aannemen.

Sed contra est, quod Dominus dicit Lucae ult. [v. 39]: « Spiritus carnem et ossa non habet, sicut me videtis habere ». Caro autem, et ossa non sunt ex materia coelestis corporis, sed ex inferioribus elementis. Ergo corpus Christi non fuit corpus coeleste, sed carneum, et terrenum.

Maar daartegenover staat wat de Heer zegt bij Lucas (Laatste H., 39): « Een geest heeft geen vleesch en beenderen, zooals gij ziet, dat Ik heb ». Nu zijn vleesch en beenderen niet gemaakt van de stof van een hemellichaam, maar uit lagere bestanddeelen. Dus Christus' lichaam geen hemelsch, maar een aardsch en vleeschelijk lichaam.Maar daartegenover staat wat de Heer zegt bij Lukas (Laatste H., 39): “Een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals gij ziet, dat Ik heb”. Nu zijn vlees en beenderen niet gemaakt van de stof van een hemellichaam, maar uit lagere bestanddelen. Dus Christus' lichaam geen hemels, maar een aards en vleselijk lichaam.

Respondeo dicendum, quod eisdem rationibus apparet, quare corpus 172Christi non debuit esse coeleste, quibus ostensum est [art. praec.], quod non debuit esse phantasticum. Primo enim quia sicut veritas humanae naturae non salvaretur in Christo, si corpus ejus esset phantasticum, ut posuit Manichaeus; ita etiam non salvaretur, si poneretur coeleste, sicut posuit Valentinus. Cum enim forma hominis sit quaedam res naturalis, requirit determinatam materiam, scilicet carnes, et ossa, quae in hominis definitione poni oportet, ut patet per Philosoph. 7. Metaphysic. [S. Th. lect. 11.].

Leerstelling. — Uit dezelfde redenen, waarmee is 172aangetoond (in 't vorige Art.), dat Christus geen schijnlichaam moest hebben, blijkt, dat het niet hemelsch moest zijn. Want ten eerste wordt, zooals de ware menschelijke natuur niet in Christus bewaard blijft, als Hij een schijnlichaam heeft, zooals Manichaeus beweerde, ze evenmin bewaard als men een hemelsch lichaam aanneemt als Valentinus. Want omdat de menschelijke vorm een natuurding is, heeft zij een bepaalde stof noodig, nl. vleesch en beenderen, die in de definitie van mensch moeten worden opgenomen, zooals de Philosoof bewijst in het 7e boek der Metaphysica.Leerstelling. — Uit dezelfde redenen, waarmee is 172aangetoond (in 't vorige Art.), dat Christus geen schijnlichaam moest hebben, blijkt, dat het niet hemels moest zijn. Want ten eerste wordt, zoals de ware menselijke natuur niet in Christus bewaard blijft, als Hij een schijnlichaam heeft, zoals Manichaeus beweerde, ze evenmin bewaard als men een hemels lichaam aanneemt als Valentinus. Want omdat de menselijke vorm een natuurding is, heeft zij een bepaalde stof nodig, nl. vlees en beenderen, die in de definitie van mens moeten worden opgenomen, zoals de Filosoof bewijst in het 7e boek van de Metafysica.

Secundo, quia hoc etiam derogaret veritati eorum, quae Christus in corpore gessit. Cum enim corpus coeleste sit impassibile, et incorruptibile, ut probatur in 1. de Coelo [cap. 8. n. 4 et 5. S. Th. Lect. 6 et 7], si Filius Dei corpus coeleste assumpsisset, non vere esuriisset, nec sitiisset, nec etiam passionem, et mortem sustinuisset.

Ten tweede zou dat ook te kort doen aan de waarheid van wat Christus in dat lichaam deed. Want omdat een hemelsch lichaam niet kan lijden en vergaan, zooals in het 1e boek Over den Hemel (8e H., n. 4 en 5) wordt bewezen, zou Gods Zoon, als Hij een hemelsch lichaam had aangenomen, niet werkelijk honger en dorst hebben gehad, noch lijden en dood ondergaan.Ten tweede zou dat ook te kort doen aan de waarheid van wat Christus in dat lichaam deed. Want omdat een hemels lichaam niet kan lijden en vergaan, zoals in het 1e boek Over de Hemel (8e H., n. 4 en 5) wordt bewezen, zou Gods Zoon, als Hij een hemels lichaam had aangenomen, niet werkelijk honger en dorst hebben gehad, noch lijden en dood ondergaan.

Tertio etiam derogaret veritati divinae: cum enim Filius Dei se hominibus ostenderit, quasi corpus carneum, et terrenum habens, fuisset falsa demonstratio, si corpus coeleste habuisset. Et ideo in lib. de Ecclesiast. 173Dogm. [cap. 2. inter. opera August.] dicitur: « Natus est Dei Filius, carnem ex virginis corpore trahens, et non de coelo secum afferens ».

Ten derde doet dit ook aan de goddelijke waarachtigheid te kort. Want toen Gods Zoon zich aan de menschen vertoonde alsof Hij een vleeschelijk en aardsch lichaam had, zou dit een valsch vertoon zijn geweest, als Hij een hemelsch had gehad. En daarom wordt in het boek Over de Leerstukken der Kerk (2e H.) 173gezegd: « Toen Gods Zoon werd geboren, nam Hij het vleesch uit het lichaam der Maagd, en bracht het niet uit den hemel mee ».Ten derde doet dit ook aan de goddelijke waarachtigheid te kort. Want toen Gods Zoon zich aan de mensen vertoonde alsof Hij een vleselijk en aards lichaam had, zou dit een vals vertoon zijn geweest, als Hij een hemels had gehad. En daarom wordt in het boek Over de Leerstukken van de Kerk (2e H.) 173gezegd: “Toen Gods Zoon werd geboren, nam Hij het vlees uit het lichaam van de Maagd, en bracht het niet uit de hemel mee”.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod Christus dicitur de coelo descendisse dupliciter. Uno modo ratione divinae naturae; non ita quod natura divina in coelo esse desierit2, sed quia in infimis novo modo esse coepit, scilicet secundum naturam assumptam, secundum illud Joan. 3. [v. 13]: « Nemo ascendit in coelum, nisi qui descendit de coelo Filius hominis, qui in coelis est ». Alio modo ratione corporis; non quia ipsum corpus Christi secundum suam substantiam de coelo descenderit; sed quia virtute coelesti, id est Spiritu Sancto3, est ejus corpus formatum. Unde Augustinus dicit ad Orosium [in dial. 65. QQ. q. 4.], exponens auctoritatem inductam: « Coelestem dico Christum, quia non ex humano conceptus est semine »; et hoc etiam modo Hilarius exponit in lib. 10. [cap. 16] de Trinit.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. In dubbelen zin zegt men, dat Christus uit den hemel nederdaalde. Ten eerste om de goddelijke natuur; niet zoo dat de goddelijke natuur in den hemel niet meer was, maar omdat Zij omlaag op nieuwe wijze begon te bestaan, nl. naar de aangenomen natuur volgens het woord van Johannes (3, 13): « Niemand stijgt op ten hemel tenzij Die van den hemel is neergedaald, de Menschenzoon, die in den hemel is ». Ten tweede om het lichaam; niet omdat het lichaam van Christus zelf naar zijn zelfstandigheid van den hemel is neergedaald, maar omdat het door goddelijke kracht, nl. van den H. Geest is gevormd. Daarom zegt Augustinus, als hij Orosius de aangehaalde tekst uitlegt: « Ik noem Christus hemelsch, omdat Hij niet uit menschelijk zaad is ontvangen ». Zoo ook legt Hilarius het uit in het boek Over de Drievuldigheid.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. In dubbelen zin zegt men, dat Christus uit de hemel nederdaalde. Ten eerste om de goddelijke natuur; niet zo dat de goddelijke natuur in de hemel niet meer was, maar omdat Zij omlaag op nieuwe wijze begon te bestaan, nl. naar de aangenomen natuur volgens het woord van Johannes (3, 13): “Niemand stijgt op ten hemel tenzij Die van de hemel is neergedaald, de Mensenzoon, die in de hemel is”. Ten tweede om het lichaam; niet omdat het lichaam van Christus zelf naar zijn zelfstandigheid van de hemel is neergedaald, maar omdat het door goddelijke kracht, nl. van de H. Geest is gevormd. Daarom zegt Augustinus, als hij Orosius de aangehaalde tekst uitlegt: “Ik noem Christus hemels, omdat Hij niet uit menselijk zaad is ontvangen”. Zo ook legt Hilarius het uit in het boek Over de Drievuldigheid.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod caro, et sanguis non accipiuntur ibi 174pro substantia carnis, et sanguinis, sed pro corruptione carnis, et sanguinis. Quae quidem in Christo non fuit quantum ad culpam; fuit tamen ad tempus quantum ad poenam, ut opus nostrae redemptionis expleret.

2. Vleesch en bloed moet men hier niet opvatten als de 174zelfstandigheid van vleesch en bloed, maar als hun bedorvenheid. En die was in Christus niet wat de schuld betreft. Tijdelijk was zij er wat de straf betreft, opdat Hij het werk van onze verlossing zou voltooien.2. Vlees en bloed moet men hier niet opvatten als de 174zelfstandigheid van vlees en bloed, maar als hun bedorvenheid. En die was in Christus niet wat de schuld betreft. Tijdelijk was zij er wat de straf betreft, opdat Hij het werk van onze verlossing zou voltooien.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod hoc ipsum ad maximam Dei gloriam pertinet, quod corpus infirmum, et terrenum ad tantam sublimitatem provexit4. Unde in Ephesina Synodo [quae est generalis 3. part. 2. act. 1.] legitur verbum Sancti Theophili dicentis: « Qualiter artificum optimi, non in pretiosis tantum materiebus artem ostendentes in admiratione sunt, sed vilissimum lutum, et terram dissolutam plerumque assumentes, suae disciplinae demonstrantes virtutem, multo magis laudantur: ita omnium optimus artifex Dei Verbum, non aliquam pretiosam materiam corporis coelestis apprehendens ad nos venit, sed in luto magnitudinem suae artis ostendit ».

3. Het strekt juist tot Gods grootste eer, dat Hij een zwak en aardsch lichaam tot zoo 'n heerlijkheid verheft. Daarom lezen wij in het Concilie van Ephese wat de H. Theophilus zegt: « Zooals de beste kunstenaars niet alleen bewonderd worden, als zij hun kunst toonen in kostbare stoffen, maar veel meer geprezen worden als zij het vermogen van hun vaardigheid toonen, bij het gebruik van het minste slijk en losse aarde, zoo nam de hoogste van alle kunstenaars, Gods Woord, niet de kostbare stof van een hemelsch lichaam aan bij zijn komst tot ons, maar toonde de grootheid van zijn kunst in het slijk ».3. Het strekt juist tot Gods grootste eer, dat Hij een zwak en aards lichaam tot zo 'n heerlijkheid verheft. Daarom lezen wij in het Concilie van Efeze wat de H. Theophilus zegt: “Zoals de beste kunstenaars niet alleen bewonderd worden, als zij hun kunst tonen in kostbare stoffen, maar veel meer geprezen worden als zij het vermogen van hun vaardigheid tonen, bij het gebruik van het minste slijk en losse aarde, zo nam de hoogste van alle kunstenaars, Gods Woord, niet de kostbare stof van een hemels lichaam aan bij zijn komst tot ons, maar toonde de grootheid van zijn kunst in het slijk”.

Articulus III

Utrum Filius Dei assumpserit animam

[3. Dist. 2. q. 1. art. 3. q. 2. et lib. 4. Contr. g. cap. 32. et Veri. q. 20. art. 1. et Compend. Theol. cap. 104.]
IIIe Artikel

Nam Gods Zoon een ziel aan?

antwoord 1 ↓

175Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod Filius Dei animam non assumpserit. Joannes enim incarnationis mysterium tradens dixit [1. v. 14]: « Verbum caro factum est », nulla facta de anima mentione: non autem dicitur caro factum, eo quod sit in carnem conversum, sed quia carnem assumpsit; non ergo videtur assumpsisse animam.

175Bedenkingen. — Men beweert, dat Gods Zoon geen ziel aannam. — 1. Want als Johannes het geheim van de menschwording meedeelt, zegt hij (1, 14): « Het Woord is vleesch geworden », zonder melding te maken van de ziel. Maar men spreekt niet van vleesch worden, omdat Hij in vleesch veranderd is, maar omdat Hij vleesch heeft aangenomen. Daarom schijnt Hij geen ziel aangenomen te hebben.175Bedenkingen. — Men beweert, dat Gods Zoon geen ziel aannam. — 1. Want als Johannes het geheim van de menswording meedeelt, zegt hij (1, 14): “Het Woord is vlees geworden”, zonder melding te maken van de ziel. Maar men spreekt niet van vlees worden, omdat Hij in vlees veranderd is, maar omdat Hij vlees heeft aangenomen. Daarom schijnt Hij geen ziel aangenomen te hebben.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, anima necessaria est corpori, ad hoc quod per eam vivificetur: sed ad hoc non fuit necessaria corpori Christi, ut videtur, quia ipsum Verbum Dei est, de quo dicitur in Psal. 35. [v. 10]: « Domine, apud te est fons vitae ». Superfluum ergo fuisset animam adesse, Verbo praesente: « Deus » autem, « et natura nihil frustra faciunt », ut etiam 176Philos. dicit in 1. de Coelo [cap. 4. n.8. S. Th. lect. 8. lib. 2. cap. 11.]. Ergo videtur, quod Filius Dei animam non assumpserit1.

2. De ziel is noodig voor het lichaam om het levend te maken. Maar het schijnt, dat zij hiervoor bij Christus' lichaam niet noodig was, want Hij is Gods Woord, waarvan in den Psalm (35, 10) wordt gezegd: « Heer, bij U is de bron van het leven ». Het schijnt dus overbodig, dat de ziel is, waar het Woord aanwezig is. Nu « doen God noch de natuur iets overbodigs », zooals de 176Philosoof zegt in het 1e boek Over den Hemel. Daarom schijnt Gods Zoon geen ziel aangenomen te hebben.2. De ziel is nodig voor het lichaam om het levend te maken. Maar het schijnt, dat zij hiervoor bij Christus' lichaam niet nodig was, want Hij is Gods Woord, waarvan in de Psalm (35, 10)a wordt gezegd: “Heer, bij U is de bron van het leven”. Het schijnt dus overbodig, dat de ziel is, waar het Woord aanwezig is. Nu “doen God noch de natuur iets overbodigs”, zoals de 176Filosoof zegt in het 1e boek Over de Hemel. Daarom schijnt Gods Zoon geen ziel aangenomen te hebben.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, ex unione animae ad corpus constituitur natura communis, quae est species humana: « In Domino autem Jesu Christo non est communem speciem accipere », ut Damascenus dicit in 3. lib. [Orthod. Fid. cap. 3.]. Non igitur assumpsit animam.

3. Uit de vereeniging van de ziel met het lichaam wordt de gemeenschappelijke natuur, die de menschelijke soort is, gevormd. Maar, zooals Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 3e H.) zegt, « moeten wij in Christus geen gemeenschappelijke natuur aannemen ». Dus heeft Hij geen ziel aangenomen.3. Uit de vereniging van de ziel met het lichaam wordt de gemeenschappelijke natuur, die de menselijke soort is, gevormd. Maar, zoals Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 3e H.) zegt, “moeten wij in Christus geen gemeenschappelijke natuur aannemen”. Dus heeft Hij geen ziel aangenomen.

Sed contra est, quod Augustinus dicit in lib. de Agone Christiano [cap. 21.]: « Non eos audiamus, qui solum humanum corpus dicunt esse susceptum a Verbo Dei; et sic audiunt, quod dictum est: Verbum caro factum est, ut negent illum hominem vel animam, vel aliquid hominis habuisse, nisi carnem solam ».

Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt in het boek Over den Strijd van den Christen (21e H.): « Laten wij niet naar hen luisteren, die zeggen, dat alleen een menschelijk lichaam door het Woord Gods is aangenomen, en die wat gezegd is: « Het Woord is vleeschgeworden », zoo verstaan, dat zij ontkennen, dat die Mensch een ziel of iets anders menschelijks had dan alleen het vleesch ».Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt in het boek Over de Strijd van de Christen (21e H.): “Laten wij niet naar hen luisteren, die zeggen, dat alleen een menselijk lichaam door het Woord Gods is aangenomen, en die wat gezegd is: ‘Het Woord is vleesgeworden’, zo verstaan, dat zij ontkennen, dat die Mens een ziel of iets anders menselijks had dan alleen het vlees”.

Respondeo dicendum, quod, sicut dicit Augustinus in libro de Haeresibus [haeresi 49. et 55.], opinio fuit primo quidem Arii, et postea Apollinaris, quod Filius Dei solam carnem assumpsit2 absque anima, 177ponentes quod Verbum fuerit carni loco animae. Ex quo sequebatur, quod in Christo non fuerint3 duae naturae, sed una tantum; ex anima enim, et carne una natura humana constituitur.

Leerstelling. — Zooals Augustinus in het boek Over de Ketterijen zegt, was het eerst de meening van Arius en later van Apollinaris, dat Gods Zoon alleen het vleesch aannam zonder de ziel, omdat zij beweerden, dat het Woord in de plaats van de ziel 177kam. Hieruit volgde, dat er in Christus geen twee naturen waren, maar slechts een; want uit ziel en lichaam wordt een menschelijke natuur gevormd.Leerstelling. — Zoals Augustinus in het boek Over de Ketterijen zegt, was het eerst de mening van Arius en later van Apollinaris, dat Gods Zoon alleen het vlees aannam zonder de ziel, omdat zij beweerden, dat het Woord in de plaats van de ziel 177kam. Hieruit volgde, dat er in Christus geen twee naturen waren, maar slechts een; want uit ziel en lichaam wordt een menselijke natuur gevormd.

Sed haec positio stare non potest propter tria. Primo quidem, quia repugnat auctoritati Scripturae, in qua Dominus de sua anima facit mentionem, Matth. 26. [v. 38]: « Tristis est anima mea usque ad mortem », et Joann. 10. [v. 18]: « Potestatem habeo ponendi animam meam ».

Deze bewering houdt echter om drie redenen geen stand. Vooreerst omdat zij strijdt met het gezag van de Schrift, waarin de Heer van zijn ziel melding maakt: « Mijn ziel is bedroefd tot den dood toe », Matth. (26, 38) en Joh. (10, 18): « Ik heb macht om mijn ziel af te leggen ».Deze bewering houdt echter om drie redenen geen stand. Vooreerst omdat zij strijdt met het gezag van de Schrift, waarin de Heer van zijn ziel melding maakt: “Mijn ziel is bedroefd tot de dood toe”, Matt. (26, 38) en Joh. (10, 18): “Ik heb macht om mijn ziel af te leggen”.

Sed ad hoc respondebat Apollinaris, quod in his verbis anima metaphorice sumitur; per quem modum in veteri testamento Dei anima commemoratur, Isai. 1. [v. 14]: « Calendas vestras, et solemnitates vestras odivit anima mea ». Sed, sicut dicit Augustinus in libro octoginta trium QQ. [q. 80.] Evangelistae in evangelica narratione narrant, quod miratus est Jesus, et iratus, et contristatus, et quod esuriit. Quae idem ita demonstrant eum veram animam habuisse, sicut ex hoc quod comedit, et dormivit, et fatigatus est, demonstratur eum4 habuisse verum corpus humanum. Alioquin si haec ad metaphoram referantur, cum similia legantur in veteri 178testamento de Deo, peribit fides Evangelicae narrationis. Aliud enim est, quod prophetice nuntiatur in figuris, aliud quod secundum rerum proprietatem ab Evangelistis historice scribitur.

Hierop antwoordde Apollinaris echter, dat bij die woorden de ziel zinnebeeldig werd opgevat, zooals in het Oude Verbond Gods ziel wordt vermeld, Isaias (1, 14): « Uw maandfeesten en plechtigheden haat mijn ziel ». De Evangelisten echter vermelden, zooals Augustinus zegt in het boek Over de 83 Vraagstukken, in het evangelieverhaal, dat Jesus zich verwonderde en vertoornd en bedroefd werd en honger had. En deze dingen maken op die manier duidelijk, dat Hij een ziel had, zooals men bewijst, dat Hij een echt menschelijk lichaam had uit het feit, dat Hij at en sliep en vermoeid was. Anders gaat, als men ook dit tot beeldspraak terug brengt, omdat in het Oude Verbond dergelijke dingen van God 178worden gezegd, de oprechtheid van het Evangelieverhaal verloren. Want het is iets anders of iets prophetisch wordt aangekondigd, of naar de werkelijkheid door de Evangelisten als geschied wordt vermeld.Hierop antwoordde Apollinaris echter, dat bij die woorden de ziel zinnebeeldig werd opgevat, zoals in het Oude Verbond Gods ziel wordt vermeld, Jesaja (1, 14): “Uw maandfeesten en plechtigheden haat mijn ziel”. De Evangelisten echter vermelden, zoals Augustinus zegt in het boek Over de 83 Vraagstukken, in het evangelieverhaal, dat Jesus zich verwonderde en vertoornd en bedroefd werd en honger had. En deze dingen maken op die manier duidelijk, dat Hij een ziel had, zoals men bewijst, dat Hij een echt menselijk lichaam had uit het feit, dat Hij at en sliep en vermoeid was. Anders gaat, als men ook dit tot beeldspraak terug brengt, omdat in het Oude Verbond dergelijke dingen van God 178worden gezegd, de oprechtheid van het Evangelieverhaal verloren. Want het is iets anders of iets profetisch wordt aangekondigd, of naar de werkelijkheid door de Evangelisten als geschied wordt vermeld.

Secundo derogat praedictus error utilitati Incarnationis, quae est liberatio hominis. Ut enim argumentatur Augustinus in lib. cont. Felicianum [cap. 13.]: « Si accepta carne Filius Dei animam omisit [cap. 8.], aut innoxiam sciens, medicinae indigentem non credidit: aut a se alienam putans, redemptionis beneficio non donavit; aut ex toto insanabilem judicans, curare nequivit; aut ut vilem, et quae nullis usibus apta videretur, abjecit. Horum duo blasphemiam important in Deum. Quomodo enim dicetur Omnipotens, si curare non potuit desperatam? aut quomodo omnium Deus, si non ipse fecit animam nostram? Duobus autem aliis, in uno animae causa nescitur, in altero meritum non tenetur. An intelligere causam putandus est animae, qui eam ad accipiendam legem habitu insitae rationis instructam a peccato voluntariae transgressionis nititur separare? Aut quomodo ejus generositatem novit, qui ignobilitatis vitio dicit esse despectam? 179Si originem attendas, pretiosior est animae substantia; si transgressionis culpam, propter intelligentiam, pejor est carne5, ego autem Christum et perfectam sapientiam dico, et scio, et piissimum esse non dubito: quorum primo meliorem, et prudentiae capacem non despexit: secundo eam, quae magis fuerat vulnerata, suscepit ».

Ten tweede doet de genoemde dwaling te kort aan het nut der menschwording, nl. de bevrijding van den mensch. Want zooals Augustinus in het boek Tegen Felicianus (13e H.) redeneert, « als Gods Zoon het vleesch aannam en de ziel heeft weggelaten, was het ofwel omdat Hij haar onschuldig achtte en dus meende, dat zij geen geneesmiddel noodig had, of omdat Hij haar als iets vreemds beschouwde en dus de weldaad der verlossing niet schonk, of haar niet te redden oordeelde en haar niet kon genezen, of haar verwierp als minderwaardig en voor geen enkel doel geschikt. In twee van deze veronderstellingen ligt een vloek tegen God opgesloten. Hoe zou Hij almachtig worden genoemd als Hij aan de ziel wanhoopte en haar niet kon redden? Of hoe zou Hij de God van alles zijn, als Hij niet zelf onze ziel had gemaakt? Wat de twee anderen betreft, in de eene weet men niet, hoe het met de ziel was gesteld, en in de andere houdt men geen rekening met haar waarde. Of zou men meenen, dat hij van de toestand op de hoogte was, die de ziel wil losmaken van de zonde der vrijwillige overtreding, terwijl in haar een verstand is gelegd, dat de wet kan ontvangen? Of hoe 179zou hij haar waarde kennen, die zegt dat zij veracht is om de smet van haar gemeenheid? Let men op haar oorsprong, dan is de zelfstandigheid der ziel zooveel te kostbaarder; let men op de schuld van haar overtreding, dan is haar zaak erger om haar verstand. Maar ik weet, dat Christus de volmaakte wijsheid is, en twijfel niet, dat Hij de meest liefdevolle is; en om de eerste reden heeft Hij de ziel, die beter en tot rede in staat is, niet veracht, en om de tweede heeft Hij haar, die meer gewond was, aangenomen ».Ten tweede doet de genoemde dwaling te kort aan het nut van de menswording, nl. de bevrijding van de mens. Want zoals Augustinus in het boek Tegen Felicianus (13e H.) redeneert, “als Gods Zoon het vlees aannam en de ziel heeft weggelaten, was het ofwel omdat Hij haar onschuldig achtte en dus meende, dat zij geen geneesmiddel nodig had, of omdat Hij haar als iets vreemds beschouwde en dus de weldaad van de verlossing niet schonk, of haar niet te redden oordeelde en haar niet kon genezen, of haar verwierp als minderwaardig en voor geen enkel doel geschikt. In twee van deze veronderstellingen ligt een vloek tegen God opgesloten. Hoe zou Hij almachtig worden genoemd als Hij aan de ziel wanhoopte en haar niet kon redden? Of hoe zou Hij de God van alles zijn, als Hij niet zelf onze ziel had gemaakt? Wat de twee anderen betreft, in de ene weet men niet, hoe het met de ziel was gesteld, en in de andere houdt men geen rekening met haar waarde. Of zou men menen, dat hij van de toestand op de hoogte was, die de ziel wil losmaken van de zonde van de vrijwillige overtreding, terwijl in haar een verstand is gelegd, dat de wet kan ontvangen? Of hoe 179zou hij haar waarde kennen, die zegt dat zij veracht is om de smet van haar gemeenheid? Let men op haar oorsprong, dan is de zelfstandigheid van de ziel zoveel te kostbaarder; let men op de schuld van haar overtreding, dan is haar zaak erger om haar verstand. Maar ik weet, dat Christus de volmaakte wijsheid is, en twijfel niet, dat Hij de meest liefdevolle is; en om de eerste reden heeft Hij de ziel, die beter en tot rede in staat is, niet veracht, en om de tweede heeft Hij haar, die meer gewond was, aangenomen”.

Tertio vero haec positio est contra ipsam Incarnationis veritatem: caro enim, et caeterae partes hominis per animam speciem sortiuntur. Unde, recedente anima, non est os, aut caro, nisi aequivoce, ut patet per Philos. in 2. de Anima [cap. 1. n. 9. S. Th. lect. 2. et 10], et 7. Metaph.

Ten derde is deze bewering tegen de waarheid der menschwording zelf. Want het vleesch en de andere deelen van den mensch behooren door de ziel tot een bepaald soort. Als dus de ziel verdwijnt, zijn er alleen in oneigenlijken zin beenderen en vleesch, zooals de Philosoof bewijst in het 2e boek Over de Ziel en het 7e Over de Metaphysiek.Ten derde is deze bewering tegen de waarheid van de menswording zelf. Want het vlees en de andere delen van de mens behoren door de ziel tot een bepaald soort. Als dus de ziel verdwijnt, zijn er alleen in oneigenlijke zin beenderen en vlees, zoals de Filosoof bewijst in het 2e boek Over de Ziel en het zevende Over de Metafysica.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod cum dicitur: « Verbum caro factum est », « caro » ponitur pro toto homine; ac si diceretur: « Verbum homo factum est »; sicut et Isa. 40. [v. 5]: « Videbit omnis caro pariter, quod os Domini locutum est »6, ideo autem totus homo per carnem 180significatur, quia, ut dicitur in auctoritate inducta,7 per carnem Filius Dei visibilis apparuit: unde subditur: « Et vidimus gloriam ejus ». Vel ideo quia, ut August. dicit in lib. 83. QQ. [q. 80.]: « in tota illa unitate susceptionis principale Verbum est, extrema autem, atque ultima caro. Volens itaque Evangelista commendare pro nobis dilectionem humilitatis Dei, Verbum, et carnem nominavit, omittens animam, quae est Verbo inferior, carne praestantior ». Rationabile etiam fuit, ut nominaret carnem, quae propter hoc quod magis distat a Verbo, minus assumptibilis videbatur.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Als men zegt, « het Woord is vleesch geworden », staat « vleesch » daar voor den heelen mensch; alsof er gezegd werd « het Woord is mensch geworden », zooals bij Isaias (40, 5) wordt gezegd: « Alle vleesch zal het heil van onzen God zien ». En nu wordt de geheele mensch door het vleesch aangeduid, omdat, zooals in de aangehaalde tekst 180wordt gezegd, Gods Zoon door het vleesch zichtbaar verscheen, zoodat er op volgt « En wij hebben zijn heerlijkheid gezien ». Ofwel omdat, zooals Augustinus in het boek Over de 83 Vraagstukken (80e Vr.) zegt, « Gods Woord bij heel die vereeniging door aanneming het voornaamste is, maar het uiterste en laagste het vleesch. Omdat de Evangelist ons nu een idee wilde geven van de liefde en vernedering van God, noemde Hij het Woord en het vleesch en sloeg de ziel, die lager dan het Woord en hooger dan het vleesch is, over ». Ook was het redelijk, dat hij het vleesch noemde, dat naar het scheen minder goed kon worden aangenomen, omdat het verder van het Woord af staat.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Als men zegt, “het Woord is vlees geworden”, staat “vlees” daar voor de hele mens; alsof er gezegd werd “het Woord is mens geworden”, zoals bij Jesaja (40, 5) wordt gezegd: “Alle vlees zal het heil van onze God zien”. En nu wordt de gehele mens door het vlees aangeduid, omdat, zoals in de aangehaalde tekst 180wordt gezegd, Gods Zoon door het vlees zichtbaar verscheen, zodat er op volgt “En wij hebben zijn heerlijkheid gezien”. Ofwel omdat, zoals Augustinus in het boek Over de 83 Vraagstukken (80e Vr.) zegt, “Gods Woord bij heel die vereniging door aanneming het voornaamste is, maar het uiterste en laagste het vlees. Omdat de Evangelist ons nu een idee wilde geven van de liefde en vernedering van God, noemde Hij het Woord en het vlees en sloeg de ziel, die lager dan het Woord en hoger dan het vlees is, over”. Ook was het redelijk, dat hij het vlees noemde, dat naar het scheen minder goed kon worden aangenomen, omdat het verder van het Woord af staat.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod Verbum est fons vitae, sicut prima causa vitae effectiva. Sed anima est principium vitae corporis, tamquam forma ipsius: forma autem est effectus agentis. Unde ex praesentia Verbi magis concludi posset, quod corpus esset animatum: sicut ex praesentia ignis potest concludi, quod corpus, cui ignis adhaeret, sit calidum.

2. Het Woord is de levensbron als eerste werkende oorzaak van het leven. Maar de ziel is het levensbeginsel van het lichaam als zijn vorm. Nu is de vorm datgene wat de werkende oorzaak maakt. Daarom zou men uit de tegenwoordigheid van het Woord eerder kunnen besluiten, dat het lichaam bezield was, zooals men uit de tegenwoordigheid van het vuur kan besluiten, dat het lichaam, waarin het vuur is, warm is.2. Het Woord is de levensbron als eerste werkende oorzaak van het leven. Maar de ziel is het levensbeginsel van het lichaam als zijn vorm. Nu is de vorm datgene wat de werkende oorzaak maakt. Daarom zou men uit de tegenwoordigheid van het Woord eerder kunnen besluiten, dat het lichaam bezield was, zoals men uit de tegenwoordigheid van het vuur kan besluiten, dat het lichaam, waarin het vuur is, warm is.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod non est inconveniens, immo necessarium dicere, quod in Christo fuerit8 natura, quae constituitur per animam 181corpori advenientem: Damascenus autem negat in Domino Jesu Christo esse communem speciem, quasi aliquid tertium resultans ex unione divinitatis, et humanitatis.

3. Het is niet ongepast en zelfs noodzakelijk te zeggen, dat er in Christus een natuur was, die door de bij het lichaam komende 181ziel werd gevormd. Damascenus echter ontkent, dat er in Christus een gemeenschappelijke natuur was als een derde ding, dat ontstond uit de vereeniging van Godheid en menschheid.3. Het is niet ongepast en zelfs noodzakelijk te zeggen, dat er in Christus een natuur was, die door de bij het lichaam komende 181ziel werd gevormd. Damascenus echter ontkent, dat er in Christus een gemeenschappelijke natuur was als een derde ding, dat ontstond uit de vereniging van Godheid en mensheid.

Articulus IV

Utrum Filius Dei assumere debuerit intellectum1

[3. Dist. 2. q. 1. art. 3. q. 2. et lib. 4. Contr. g. cap. 33. et Veri. q. 20. art. 1. et Comp. Theol. cap. 205.]
IVe Artikel

Nam Gods Zoon een menschelijken geest of verstand aan?Nam Gods Zoon een menselijken geest of verstand aan?

antwoord 1 ↓

181Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod Filius Dei non assumpserit2 mentem humanam, sive intellectum: ubi enim est praesentia rei, non requiritur ejus imago: sed homo secundum mentem est ad imaginem Dei, ut Augustinus dicit in lib. 14. de Trinit. [cap. 3. et 8.]. Cum ergo in Christo fuerit praesentia ipsius divini Verbi, non oportuit ibi esse mentem humanam.

181Bedenkingen. — Men beweert, dat Gods Zoon geen menschelijken geest of verstand aannam. — 1. Want waar een ding zelf aanwezig is, is zijn beeld niet noodig. Maar de mensch is naar zijn verstand als een beeld van God, zooals Augustinus zegt in het 14e boek Over de Drievuldigheid (3e en 8e H.). Omdat nu in Christus het goddelijk Woord zelf aanwezig was, behoefde er geen menschelijk verstand te zijn.181Bedenkingen. — Men beweert, dat Gods Zoon geen menselijken geest of verstand aannam. — 1. Want waar een ding zelf aanwezig is, is zijn beeld niet nodig. Maar de mens is naar zijn verstand als een beeld van God, zoals Augustinus zegt in het 14e boek Over de Drievuldigheid (3e en 8e H.). Omdat nu in Christus het goddelijk Woord zelf aanwezig was, behoefde er geen menselijk verstand te zijn.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, major lux offuscat minorem: sed Verbum Dei, quod est « lux illuminans omnem hominem venientem in hunc mundum », ut 182dicitur Joan. 1. [v. 9], comparatur ad mentem, sicut lux major ad minorem; quia et ipsa mens lux quaedam est, quasi lucerna illuminata a prima luce [Proverb. 10. v. 27]: « Lucerna Domini spiraculum hominis ». Ergo in Christo, qui est Verbum Dei, non fuit necessarium esse mentem humanam.

2. Een grooter licht doet een kleiner verduisteren. Maar Gods Woord, dat « het licht is, dat ieder mensch, die in de wereld komt 182verlicht », zooals bij Johannes (1, 9) wordt gezegd, wordt met den geest vergeleken als het grootere licht met het kleinere, want ook de geest zelf is een licht, als een lamp die ontstoken is door het eerste licht: « Een lamp des Heeren is de geest van den mensch », (boek der Spreuken, 10, 27). Daarom was in Christus, die Gods Woord is, geen menschelijke geest noodig.2. Een groter licht doet een kleiner verduisteren. Maar Gods Woord, dat “het licht is, dat ieder mens, die in de wereld komt 182verlicht”, zoals bij Johannes (1, 9) wordt gezegd, wordt met de geest vergeleken als het grotere licht met het kleinere, want ook de geest zelf is een licht, als een lamp die ontstoken is door het eerste licht: “Een lamp van de Heer is de geest van de mens”, (boek van de Spreuken, 10, 27). Daarom was in Christus, die Gods Woord is, geen menselijke geest nodig.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, assumptio humanae naturae a Dei Verbo dicitur « incarnatio » ejus. Sed intellectus, sive mens humana neque est caro, neque actus carnis: quia nullius corporis actus est, ut probatur in 3. de An. [cap. 4. n. 4. S. Th. lect. 7.]. Ergo videtur, quod Filius Dei humanam mentem non assumpserit.

3. Het aannemen van de menschelijke natuur door Gods Woord wordt Zijn vleeschwording genoemd. Maar het verstand of de menschelijke geest, is noch vleesch noch de daad van het vleesch, omdat de daad van geen enkel lichaam is, zooals in het 3e boek Over de Ziel (4e H., n. 4) bewezen wordt. Daarom schijnt Gods Zoon geen menschelijken geest te hebben aangenomen.3. Het aannemen van de menselijke natuur door Gods Woord wordt Zijn vleeswording genoemd. Maar het verstand of de menselijke geest, is noch vlees noch de daad van het vlees, omdat de daad van geen enkel lichaam is, zoals in het 3e boek Over de Ziel (4e H., n. 4) bewezen wordt. Daarom schijnt Gods Zoon geen menselijken geest te hebben aangenomen.

Sed contra est, quod Augustinus dicit in lib. de Fide ad Petr. [cap. 14.]: « Firmissime tene, et nullatenus dubites, Christum Filium Dei habere veram nostri generis carnem, et animam rationalem, qui de carne sua dicit: Palpate, et videte, quia spiritus carnem, et ossa non habet, sicut me videtis habere [Luc. ult. v. 39]: animam quoque se habere ostendit, 183dicens: Ego pono animam meam, et iterum sumo eam [Joan. 10. v. 17]: intellectum quoque animae ostendit se habere, dicens: Discite a me, quia mitis sum, et humilis corde [Matth. 11. v. 29]; et de ipso per Prophetam Deus dicit [Isa. 52. v. 13]: Ecce intelliget puer meus ».

Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt in het boek Over het Geloof aan Petrus (14e H.): « Wees er zoo vast mogelijk van overtuigd, en twijfel er heelemaal niet aan, dat Christus, Gods Zoon, het vleesch van onze soort heeft en een redelijke ziel. Want Hij zegt van zijn Vleesch: « Betast en ziet, want een geest heeft geen vleesch en beenderen, zooals gij ziet, dat Ik heb », (Lucas, het laatste hoofdstuk, 1, 39). En Hij toont ook, dat Hij een ziel heeft als Hij zegt: « Ik leg mijn ziel af en Ik neem haar weer 183aan », (Joannes, 10, 17). En Hij toont ook, dat Hij een verstand heeft, als Hij zegt: « Leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart » (Matthaeus, 11, 29). En van Hem zegt de Heer door den propheet: « Ziet, mijn dienaar zal het begrijpen » » (Isaias, 52, 13).Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt in het boek Over het Geloof aan Petrus (14e H.): “Wees er zo vast mogelijk van overtuigd, en twijfel er helemaal niet aan, dat Christus, Gods Zoon, het vlees van onze soort heeft en een redelijke ziel. Want Hij zegt van zijn Vlees: ‘Betast en ziet, want een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals gij ziet, dat Ik heb’, (Lukas, het laatste hoofdstuk, 1, 39). En Hij toont ook, dat Hij een ziel heeft als Hij zegt: ‘Ik leg mijn ziel af en Ik neem haar weer 183aan’, (Johannes, 10, 17). En Hij toont ook, dat Hij een verstand heeft, als Hij zegt: ‘Leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart’ (Matteüs, 11, 29). En van Hem zegt de Heer door de profeet: ‘Ziet, mijn dienaar zal het begrijpen’” (Jesaja, 52, 13).

Respondeo dicendum, quod, sicut August. dicit in lib. de Haeresibus, [haeresi 55.] « Apollinaristae de anima Christi a Catholica Ecclesia dissenserunt, dicentes, sicut Ariani, Deum Christum carnem solam sine anima suscepisse: in qua quaestione testimoniis evangelicis victi, mentem defuisse animae Christi, sed pro hac ipsum Verbum in ea fuisse dixerunt ».

Leerstelling. — Zooals Augustinus zegt in het boek Over de Ketterijen, « wijken de volgelingen van Apollinaris van de Katholieke Kerk af, wat de ziel van Christus betreft, omdat zij als de Arianen zeggen, dat Christus alleen het vleesch zonder een ziel heeft aangenomen. En als zij in deze kwestie door de getuigenissen van het Evangelie weerlegd worden, zeggen zij, dat Christus' ziel geen geest heeft gehad, maar dat in plaats daarvan het Woord zelf in haar is geweest ».Leerstelling. — Zoals Augustinus zegt in het boek Over de Ketterijen, “wijken de volgelingen van Apollinaris van de Katholieke Kerk af, wat de ziel van Christus betreft, omdat zij als de Arianen zeggen, dat Christus alleen het vlees zonder een ziel heeft aangenomen. En als zij in deze kwestie door de getuigenissen van het Evangelie weerlegd worden, zeggen zij, dat Christus' ziel geen geest heeft gehad, maar dat in plaats daarvan het Woord zelf in haar is geweest”.

Sed haec positio eisdem rationibus convincitur, sicut et praedicta. Primo enim hoc adversatur narrationi evangelicae, quae commemorat eum fuisse miratum, ut patet Matth. 8. [v. 10]: admiratio autem absque ratione esse non potest: quia importat collationem effectus ad causam; dum scilicet aliquis videt effectum, cujus causam ignorat, et quaerit, ut dicitur in princ. Metaph. [cap. 2. n. 8. S. Th. lect. 3.].

Maar deze stelling wordt met dezelfde redenen weerlegd als de vorige. Want ten eerste strijdt dit met het Evangelieverhaal, dat vermeldt, dat Hij zich verwonderd heeft, als blijkt uit Matthaeus (8, 10). Maar zonder verstand kan er geen verwondering zijn, omdat dit een vergelijking van oorzaak en gevolg meebrengt, als iemand nl. een gevolg ziet, waarvan hij de oorzaak niet kent en zoekt, zooals in het begin van de boeken over de Metaphysiek wordt gezegd.Maar deze stelling wordt met dezelfde redenen weerlegd als de vorige. Want ten eerste strijdt dit met het Evangelieverhaal, dat vermeldt, dat Hij zich verwonderd heeft, als blijkt uit Matteüs (8, 10). Maar zonder verstand kan er geen verwondering zijn, omdat dit een vergelijking van oorzaak en gevolg meebrengt, als iemand nl. een gevolg ziet, waarvan hij de oorzaak niet kent en zoekt, zoals in het begin van de boeken over de Metafysica wordt gezegd.

184Secundo repugnat utilitati incarnationis, quae est justificatio hominis a peccato: anima enim humana non est capax peccati, nec gratiae justificantis, nisi per mentem; unde praecipue oportuit mentem humanam assumi. Unde dicit Damascenus in 3. lib. [Orthod. Fid. cap. 6.] quod « Dei verbum assumpsit corpus, et animam intellectualem, et rationalem ». Et postea subdit: « Totus toti unitus est, ut toti mihi salutem largeritur »3 « quod enim inassumptum est, incurabile est ».

184Ten tweede strijdt dit met het nut van de menschwording, nl. de rechtvaardiging van den mensch uit de zonde. Want de ziel is niet in staat om te zondigen of de heiligmakende genade te ontvangen tenzij door den geest. En daarom moet vooral de menschelijke geest worden aangenomen. Daarom ook zegt Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 6e H.), dat « Gods Woord een lichaam en een verstandelijke en redelijke ziel aannam », en verderop voegt hij er bij « Geheel en al is Hij met het geheel vereenigd, opdat Hij aan mijn heele ik het heil zonder verdiensten zou geven, (dwz. mij aan God welgevallig zou maken), want wat niet aangenomen kan worden, is ongeneeslijk ».184Ten tweede strijdt dit met het nut van de menswording, nl. de rechtvaardiging van de mens uit de zonde. Want de ziel is niet in staat om te zondigen of de heiligmakende genade te ontvangen tenzij door de geest. En daarom moet vooral de menselijke geest worden aangenomen. Daarom ook zegt Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 6e H.), dat “Gods Woord een lichaam en een verstandelijke en redelijke ziel aannam”, en verderop voegt hij er bij “Geheel en al is Hij met het geheel verenigd, opdat Hij aan mijn hele ik het heil zonder verdiensten zou geven, (dwz. mij aan God welgevallig zou maken), want wat niet aangenomen kan worden, is ongeneeslijk”.

Tertio hoc repugnat veritati incarnationis: cum enim corpus proportionetur animae, sicut materia propriae formae, non est vere4 caro humana, quae non est perfecta anima humana, scilicet rationali. Et ideo si Christus animam sine mente habuisset, non habuisset veram carnem humanam, sed bestialem5, quia per solam mentem anima nostra differt ab anima bestiali. Unde dicit Augustinus in lib. 83. QQ. [q. 80.], quod secundum hunc errorem sequeretur, quod Filius Dei « belluam quamdam 185cum figura humani corporis suscepisset ». Quod iterum repugnat veritati divinae, quae nullam patitur fictionis falsitatem.

Ten derde is dit in strijd met de waarheid van de menschwording. Want omdat het lichaam aan de ziel beantwoordt als de stof aan haar eigen vorm, is er geen echt menschelijk vleesch als dit niet vervolmaakt is door een menschelijke, dwz. redelijke ziel. Had dus Christus een ziel zonder een geest gehad, dan zou Hij geen echt menschelijk vleesch, maar het vleesch van een dier hebben gehad, want onze ziel verschilt alleen door den geest van een dierenziel. Daarom zegt Augustinus in het boek Over de 83 Vraagstukken (80e Vr.), dat uit deze dwaling zou volgen, « dat Gods Zoon een dier met de vorm van een menschelijk lichaam had 185aangenomen ». En dat strijdt weer met de goddelijke waarachtigheid, die geen enkele onwaarheid en bedrog toelaat.Ten derde is dit in strijd met de waarheid van de menswording. Want omdat het lichaam aan de ziel beantwoordt als de stof aan haar eigen vorm, is er geen echt menselijk vlees als dit niet vervolmaakt is door een menselijke, dwz. redelijke ziel. Had dus Christus een ziel zonder een geest gehad, dan zou Hij geen echt menselijk vlees, maar het vlees van een dier hebben gehad, want onze ziel verschilt alleen door de geest van een dierenziel. Daarom zegt Augustinus in het boek Over de 83 Vraagstukken (80e Vr.), dat uit deze dwaling zou volgen, “dat Gods Zoon een dier met de vorm van een menselijk lichaam had 185aangenomen”. En dat strijdt weer met de goddelijke waarachtigheid, die geen enkele onwaarheid en bedrog toelaat.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod ubi est ipsa res per sui praesentiam, non requiritur ejus imago, ad hoc quod suppleat locum rei: sicut ubi est6 imperator, milites non venerantur7 ejus imaginem. Sed tamen requiritur cum praesentia rei imago ipsius, ut perficiatur ex ipsa rei praesentia: sicut imago in cera perficitur per impressionem sigilli, et imago hominis resultat in speculo per ejus praesentiam. Unde ad perficiendam mentem humanam necessarium fuit, quod eam sibi Verbum Dei univerit8.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Waar een ding zelf aanwezig is door zijn tegenwoordigheid, is zijn beeld niet noodig om de plaats van het ding in te nemen, zooals de soldaten, waar de keizer was, zijn beeld niet vereerden. Maar bij de tegenwoordigheid van een ding wordt zijn beeld vereischt, om door de aanwezigheid van het ding zelf vervolmaakt te worden, zooals het beeld in de was wordt gemaakt door het indrukken van het zegel, en het beeld van den mensch in een spiegel ontstaat door zijn aanwezigheid. Daarom was het voor de vervolmaking van den menschelijken geest noodig, dat het Woord hem met zich vereenigde.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Waar een ding zelf aanwezig is door zijn tegenwoordigheid, is zijn beeld niet nodig om de plaats van het ding in te nemen, zoals de soldaten, waar de keizer was, zijn beeld niet vereerden. Maar bij de tegenwoordigheid van een ding wordt zijn beeld vereist, om door de aanwezigheid van het ding zelf vervolmaakt te worden, zoals het beeld in de was wordt gemaakt door het indrukken van het zegel, en het beeld van de mens in een spiegel ontstaat door zijn aanwezigheid. Daarom was het voor de vervolmaking van de menselijke geest nodig, dat het Woord hem met zich verenigde.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod lux major evacuat lucem minorem alterius corporis illuminantis. Non tamen evacuat, sed perficit lucem corporis illuminati, ad praesentiam enim solis stellarum lux obscuratur, sed aëris lumen perficitur. Intellectus autem, seu mens hominis est quasi lux illuminata a 186luce divini Verbi. Et ideo per praesentiam9 Verbi non evacuatur mens hominis, sed magis perficitur.

2. Een grooter licht doet het kleinere licht van een ander verlichtend lichaam verdwijnen, maar het licht van een verlicht lichaam wordt niet uitgedoofd, maar vervolmaakt. Want als de zon er is, verduistert het licht van de sterren, maar het licht van het uitspansel wordt vervolmaakt. Nu is de geest of het verstand van den mensch als een licht, dat door het licht van Gods Woord 186wordt verlicht, en dus wordt het licht van den menschelijken geest door Gods Woord niet verborgen, maar vervolmaakt.2. Een groter licht doet het kleinere licht van een ander verlichtend lichaam verdwijnen, maar het licht van een verlicht lichaam wordt niet uitgedoofd, maar vervolmaakt. Want als de zon er is, verduistert het licht van de sterren, maar het licht van het uitspansel wordt vervolmaakt. Nu is de geest of het verstand van de mens als een licht, dat door het licht van Gods Woord 186wordt verlicht, en dus wordt het licht van de menselijke geest door Gods Woord niet verborgen, maar vervolmaakt.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod licet potentia intellectiva non sit alicujus corporis actus; ipsa tamen essentia animae humanae, quae est forma corporis, requiritur quod sit nobilior, ad hoc quod habeat potentiam intelligendi, et ideo necesse est, ut corpus melius dispositum ei respondeat.

3. Al is het verstandsvermogen geen act van een lichaam, toch is het noodig, dat de menschelijke geest, die de vorm van het lichaam is, om te kunnen begrijpen, edeler is. En daarom is het noodig, dat een beter geordend lichaam eraan beantwoordt.3. Al is het verstandsvermogen geen act van een lichaam, toch is het nodig, dat de menselijke geest, die de vorm van het lichaam is, om te kunnen begrijpen, edeler is. En daarom is het nodig, dat een beter geordend lichaam eraan beantwoordt.