De gratia Christi, est quidam singularis est homo1, in tredecim articulos divisa
Over de genade, die Christus als op zichzelf staand mensch hadOver de genade, die Christus als op zichzelf staand mens had
213Deinde considerandum est de coassumptis a Filio Dei in humana natura et primo de his quae pertinent ad perfectionem: secundo de his quae pertinent ad defectum. Circa primum consideranda sunt tria: primo de gratia Christi: secundo de scientia ejus: tertio de potentia ipsius. De gratia autem Christi considerandum est dupliciter: primo quidem de gratia ejus, secundum quod est quidam singularis homo: secundo de gratia ejus, secundum quod est caput Ecclesiae: nam de gratia unionis jam dictum est [q. 2.].
213Hierna moeten wij spreken over wat Christus in de menschelijke natuur mede aannam. En ten eerste over wat tot de volmaaktheid, ten tweede over wat tot de gebreken behoort. Wat het eerste betreft, moeten wij over drie dingen spreken: ten eerste over Christus' genade, ten tweede over zijn wetenschap, ten derde over zijn macht. Over de genade nu van Christus moeten wij onder tweevoudig opzicht spreken: en wel ten eerste over Zijn genade, die Hij als op zichzelf staand mensch heeft; en ten tweede over Zijn genade als Hoofd der Kerk. Want over de genade der vereeniging is reeds gesproken.213Hierna moeten wij spreken over wat Christus in de menselijke natuur mede aannam. En ten eerste over wat tot de volmaaktheid, ten tweede over wat tot de gebreken behoort. Wat het eerste betreft, moeten wij over drie dingen spreken: ten eerste over Christus' genade, ten tweede over zijn wetenschap, ten derde over zijn macht. Over de genade nu van Christus moeten wij onder tweevoudig opzicht spreken: en wel ten eerste over Zijn genade, die Hij als op zichzelf staand mens heeft; en ten tweede over Zijn genade als Hoofd van de Kerk. Want over de genade van de vereniging is reeds gesproken.
214Circa primum quaeruntur tredecim: 1. Utrum in anima Christi sit aliqua gratia habitualis. — 2. Utrum in Christo fuerint virtutes. — 3. Utrum in eo fuerit fides. — 4. Utrum fuerit in eo spes. — 5. Utrum in Christo fuerint dona. — 6. Utrum in Christo fuerit timoris donum. — 7. Utrum in Christo fuerint gratiae gratis datae. — 8. Utrum in Christo fuerit prophetia. — 9. Utrum in eo fuerit plenitudo gratiae. — 10. Utrum talis plenitudo sit propria Christi. — 11. Utrum Christi gratia sit infinita. — 12. Utrum potuerit augeri. — 13. Qualiter haec gratia se habeat ad unionem.
214Over het eerste punt stellen wij ons dertien vragen: 1. Was er in Christus' ziel een genade, die een hebbelijkheid is? 2. Waren er deugden in Christus? 3. Was het geloof in Hem? 4. Was er hoop in Hem? 5. Waren de gaven van den Heiligen Geest in Christus? 6. Was de gave van vrees in Christus? 7. Waren er om niet gegeven genaden in Christus? 8. Was de gave der prophetie in Christus? 9. Was de volheid der genade in Hem? 10. Is die volheid eigen aan Christus? 11. Is Christus' genade oneindig? 12. Kan zij vermeerderd worden? 13. Hoe verhoudt deze genade zich tot de vereeniging?214Over het eerste punt stellen wij ons dertien vragen: 1. Was er in Christus' ziel een genade, die een hebbelijkheid is? 2. Waren er deugden in Christus? 3. Was het geloof in Hem? 4. Was er hoop in Hem? 5. Waren de gaven van de Heilige Geest in Christus? 6. Was de gave van vrees in Christus? 7. Waren er om niet gegeven genaden in Christus? 8. Was de gave van de profetie in Christus? 9. Was de volheid van de genade in Hem? 10. Is die volheid eigen aan Christus? 11. Is Christus' genade oneindig? 12. Kan zij vermeerderd worden? 13. Hoe verhoudt deze genade zich tot de vereniging?
Utrum in anima Christi sit aliqua gratia habitualis1
Was er in de door het Woord aangenomen ziel een genade, die een hebbelijkheid is?
214Ad primum sic proceditur. Videtur, quod in anima assumpta a Verbo 215non fuerit gratia habitualis. Gratia enim est quaedam participatio divinitatis in creatura rationali, secundum illud 2. Petri 1. [v. 4]: « Per quem maxima, et pretiosa promissa nobis donavit, ut divinae simus consortes naturae ». Christus autem est Deus non participative, sed secundum veritatem. Ergo in eo non fuit gratia habitualis.
214Bedenkingen. — Men beweert dat er in de door het Woord 215aangenomen ziel geen genade was, die een hebbelijkheid is. — 1. Want de genade is een deelhebben der godheid van het redelijke schepsel, naar het woord uit den Tweeden Brief van Petrus (1, 4): « Door Wien Hij ons groote en kostbare beloften heeft gegeven, dat wij deel zouden hebben aan de goddelijke natuur ». Nu is Christus niet God door deel te hebben, maar in waarheid. Dus was de genade, die een hebbelijkheid is, niet in Hem.214Bedenkingen. — Men beweert dat er in de door het Woord 215aangenomen ziel geen genade was, die een hebbelijkheid is. — 1. Want de genade is een deelhebben van de godheid van het redelijke schepsel, naar het woord uit de Tweede Brief van Petrus (1, 4): “Door Wie Hij ons grote en kostbare beloften heeft gegeven, dat wij deel zouden hebben aan de goddelijke natuur”. Nu is Christus niet God door deel te hebben, maar in waarheid. Dus was de genade, die een hebbelijkheid is, niet in Hem.
2. Praeterea, gratia ad hoc est necessaria homini, ut per eam bene operetur, secundum illud 1. Cor. 15. [v. 10]: « Abundantius omnibus laboravi, non ego autem, sed gratia Dei mecum ». Et etiam ad hoc quod homo consequatur vitam aeternam, secundum illud Rom. 6. [v. 23]: « Gratia Dei vita aeterna ». Sed Christo ex hoc solo quod erat naturalis filius Dei, debebatur ei2 haereditas vitae aeternae. Ex hoc etiam quod erat Verbum, per quod « facta sunt omnia » Joa. 1. [v. 3] aderat ei facultas omnia bene3 operandi. Non ergo secundum humanam naturam indigebat alia gratia, nisi unione ad Verbum.
2. Hiertoe is de genade noodig voor den mensch, dat hij door haar goede daden stelt, zooals in den Eersten Brief aan de Korinthiërs wordt gezegd (15, 10): « Meer dan allen heb ik gewerkt, maar niet ik, doch Gods genade met mij »; en ook hiertoe, dat de mensch het eeuwig leven verkrijgt, zooals in den Romeinenbrief wordt gezegd (6, 23): « Gods genade is het eeuwige leven ». Maar Christus kwam de erfenis van het eeuwige leven alleen al hierom toe, dat Hij van nature Gods Zoon was. En ook omdat Hij het Woord was, « waardoor alles is gemaakt » (Johannes, 1, 3) had Hij het vermogen om alle goede dingen te doen. Dus had Hij naar de menschelijke natuur geen andere genade noodig dan de vereeniging met het Woord.2. Hiertoe is de genade nodig voor de mens, dat hij door haar goede daden stelt, zoals in de Eerste Brief aan de Korintiërs wordt gezegd (15, 10): “Meer dan allen heb ik gewerkt, maar niet ik, doch Gods genade met mij”; en ook hiertoe, dat de mens het eeuwig leven verkrijgt, zoals in de Romeinenbrief wordt gezegd (6, 23): “Gods genade is het eeuwige leven”. Maar Christus kwam de erfenis van het eeuwige leven alleen al hierom toe, dat Hij van nature Gods Zoon was. En ook omdat Hij het Woord was, “waardoor alles is gemaakt” (Johannes, 1, 3) had Hij het vermogen om alle goede dingen te doen. Dus had Hij naar de menselijke natuur geen andere genade nodig dan de vereniging met het Woord.
3. Praeterea, illud quod operatur per modum instrumenti, non indiget 216habitu ad proprias operationes; sed habitus fundatur in principali agente. Humana autem natura in Christo fuit sicut « instrumentum divinitatis » ut dicit Damascenus in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 15.]. Ergo non debuit in Christo esse aliqua gratia habitualis.
3. Wat als werktuig werkt, heeft geen hebbelijkheid noodig 216voor de eigen daden, maar de hebbelijkheid ligt in de voornaamste werkoorzaak. Nu was de menschelijke natuur in Christus als « het werktuig der godheid, » zooals Damascenus zegt in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 15e H.). Dus moest er in Christus geen genade zijn, die een hebbelijkheid is.3. Wat als werktuig werkt, heeft geen hebbelijkheid nodig 216voor de eigen daden, maar de hebbelijkheid ligt in de voornaamste werkoorzaak. Nu was de menselijke natuur in Christus als “het werktuig van de godheid,” zoals Damascenus zegt in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 15e H.). Dus moest er in Christus geen genade zijn, die een hebbelijkheid is.
Sed contra est, quod dicitur Isa. 11. [v. 2]: « Requiescet super eum spiritus Domini »: qui quidem in homine esse dicitur per gratiam habitualem, ut in 1. dictum est [q. 43. art. 3.]. Ergo in Christo fuit gratia habitualis.
Hiertegenover staat echter, wat in het boek Isaias gezegd wordt (11, 2): « Op Hem zal de Geest des Heeren rusten », en van Dezen wordt juist gezegd, dat Hij in den mensch is door de genade, die een hebbelijkheid is, zooals in het eerste deel aangetoond werd (43e Kw., 3e Art.). Dus was in Christus de genade, die een hebbelijkheid is.Hiertegenover staat echter, wat in het boek Jesaja gezegd wordt (11, 2): “Op Hem zal de Geest van de Heer rusten”, en van Deze wordt juist gezegd, dat Hij in de mens is door de genade, die een hebbelijkheid is, zoals in het eerste deel aangetoond werd (43e Kw., 3e Art.). Dus was in Christus de genade, die een hebbelijkheid is.
Respondeo dicendum, quod necesse est ponere in Christo gratiam habitualem, propter tria. Primo quidem propter unionem animae illius ad verbum Dei: quanto enim aliquod receptivum est propinquius causae influenti, tanto magis participat de influentia ipsius. Influxus autem gratiae est a Deo, secundum illud Ps. 83. [v. 12]: « Gratiam, et gloriam dabit Dominus ». Et ideo maxime fuit conveniens, ut anima illa reciperet influxum divinae gratiae.
Leerstelling. — Om drie redenen is het noodig de genade, die een hebbelijkheid is, in Christus aan te nemen. En wel ten eerste om de vereeniging van zijn ziel met Gods Woord. Want naarmate iets, dat ontvankelijk is, dichter bij den invloed der oorzaak staat, zooveel te meer deelt het in haar beinvloeding. Nu is de instorting der genade iets, wat van God komt volgens het Psalmwoord (Ps. 83, 12): « Genade en heerlijkheid zal de Heer geven ». En daarom was het in hooge mate gepast, dat die ziel den invloed der genade onderging.Leerstelling. — Om drie redenen is het nodig de genade, die een hebbelijkheid is, in Christus aan te nemen. En wel ten eerste om de vereniging van zijn ziel met Gods Woord. Want naarmate iets, dat ontvankelijk is, dichter bij de invloed van de oorzaak staat, zoveel te meer deelt het in haar beinvloeding. Nu is de instorting van de genade iets, wat van God komt volgens het Psalmwoord (Ps. 83, 12)a: “Genade en heerlijkheid zal de Heer geven”. En daarom was het in hoge mate gepast, dat die ziel de invloed van de genade onderging.
217Secundo propter nobilitatem illius animae, cujus operationes oportebat propinquissime attingere ad Deum per cognitionem, et amorem. Ad quod necesse est elevari rationalem4 naturam per gratiam.
217Ten tweede om den adel van die ziel, wier werkingen God zoo innig mogelijk moesten bereiken door kennis en liefde. En hiervoor is het noodig, dat de menschelijke ziel door de genade verheven wordt.217Ten tweede om de adel van die ziel, wier werkingen God zo innig mogelijk moesten bereiken door kennis en liefde. En hiervoor is het nodig, dat de menselijke ziel door de genade verheven wordt.
Tertio propter habitudinem ipsius Christi ad genus humanum. Christus enim, inquantum homo, est « mediator Dei, et hominum » ut dicitur 1. ad Timoth. 2. [v. 5]; et ideo oportebat, quod haberet gratiam etiam in alios redundantem, secundum illud Joan. 1. [v. 16]: « De plenitudine ejus omnes accepimus, et gratiam pro gratia ».
Ten derde om de verhouding van Christus' zelf tot het menschelijk geslacht. Want Christus als mensch is de middelaar tusschen God en de menschen, zooals in den Eersten Brief aan Timotheus wordt gezegd (2, 5). En dus moest Hij de genade hebben, die ook op anderen overvloeide, naar het woord van Johannes (1, 16): « Van zijn volheid hebben wij allen ontvangen, genade op genade ».Ten derde om de verhouding van Christus' zelf tot het menselijk geslacht. Want Christus als mens is de middelaar tussen God en de mensen, zoals in de Eerste Brief aan Timoteüs wordt gezegd (2, 5). En dus moest Hij de genade hebben, die ook op anderen overvloeide, naar het woord van Johannes (1, 16): “Van zijn volheid hebben wij allen ontvangen, genade op genade”.
Ad primum ergo dicendum, quod Christus est verus Deus secundum personam, et naturam divinam. Sed quia cum unitate personae remanet distinctio naturarum, ut ex supradictis patet [q. 2. art. 1. et 2.], anima Christi non est per suam essentiam divina. Unde oportet, quod fiat divina per participationem, quae est secundum gratiam.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Christus is waarlijk God naar zijn persoon en de goddelijke natuur. Maar omdat zooals uit het vroeger gezegde blijkt (2e Kw., 1e en 2e Art.), bij de eenheid in persoon het onderscheid der naturen blijft, is Christus' ziel niet naar haar wezen goddelijk. Dus moet zij goddelijk worden door deelhebbing, dwz. door de genade.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Christus is waarlijk God naar zijn persoon en de goddelijke natuur. Maar omdat zoals uit het vroeger gezegde blijkt (2e Kw., 1e en 2e Art.), bij de eenheid in persoon het onderscheid van de naturen blijft, is Christus' ziel niet naar haar wezen goddelijk. Dus moet zij goddelijk worden door deelhebbing, dwz. door de genade.
Ad secundum dicendum, quod Christo, inquantum est naturalis Filius Dei, debetur haereditas aeterna, quae est ipsa beatitudo increata, per 218increatum actum cognitionis, et amoris Dei, eumdem scilicet quo Pater cognoscit, et amat seipsum. Cujus actus anima capax non erat propter differentiam naturae. Unde oportebat, quod attingeret ad Deum per actum fruitionis creatum. Qui quidem esse non potest, nisi per gratiam.
2. In zoover Christus van nature Gods Zoon is, heeft Hij recht op de eeuwige erfenis, nl. de ongeschapen zaligheid zelf door een ongeschapen daad van God te kennen en te beminnen, nl. dezelfde 218waardoor de Vader zich zelf kent en bemint. Tot deze daad was de ziel niet in staat om het verschil in natuur. Dus was het noodig, dat zij God bereikte door een geschapen daad van genieten. En dat kan niet dan door de genade.2. In zover Christus van nature Gods Zoon is, heeft Hij recht op de eeuwige erfenis, nl. de ongeschapen zaligheid zelf door een ongeschapen daad van God te kennen en te beminnen, nl. dezelfde 218waardoor de Vader zichzelf kent en bemint. Tot deze daad was de ziel niet in staat om het verschil in natuur. Dus was het nodig, dat zij God bereikte door een geschapen daad van genieten. En dat kan niet dan door de genade.
Similiter etiam inquantum est Verbum Dei, habuit facultatem omnia bene operandi operatione divina. Sed quia praeter operationem divinam oportet poni in eo operationem humanam, ut infra patebit [q. 19. art. 1.], oportuit in eo esse habitualem gratiam, per quam hujusmodi operatio in eo esset perfecta.
Evenzoo had Hij, in zoover Hij het Woord Gods is, het vermogen om alles goed te doen met een goddelijke daad. Maar omdat het, zooals verderop zal worden gezegd, noodig is naast de goddelijke werkzaamheid een menschelijke aan te nemen, moest in Hem de genade zijn, die een hebbelijkheid is, waardoor zoo'n werkzaamheid in Hem volmaakt is.Evenzo had Hij, in zover Hij het Woord Gods is, het vermogen om alles goed te doen met een goddelijke daad. Maar omdat het, zoals verderop zal worden gezegd, nodig is naast de goddelijke werkzaamheid een menselijke aan te nemen, moest in Hem de genade zijn, die een hebbelijkheid is, waardoor zo'n werkzaamheid in Hem volmaakt is.
Ad tertium dicendum, quod humanitas Christi est instrumentum divinitatis, non quidem sicut instrumentum inanimatum, quod nullo modo agit, sed solum agitur sed tanquam instrumentum anima rationali animatum, quod ita agit, quod etiam agitur. Et ideo ad convenientiam actionis oportuit, eum habere gratiam habitualem.
3. Christus' menschheid is het werktuig der godheid, maar niet als een onbezield werktuig, dat heelemaal niet zelf werkt, maar alleen bij het werken gebruikt wordt, doch als een werktuig, bezield met een redelijke ziel, dat zoo zelf werkt, dat het ook bij het werken gebruikt wordt. En dus moest Hij de genade, die een hebbelijkheid is, hebben om zijn werkzaamheid goed te doen zijn.3. Christus' mensheid is het werktuig van de godheid, maar niet als een onbezield werktuig, dat helemaal niet zelf werkt, maar alleen bij het werken gebruikt wordt, doch als een werktuig, bezield met een redelijke ziel, dat zo zelf werkt, dat het ook bij het werken gebruikt wordt. En dus moest Hij de genade, die een hebbelijkheid is, hebben om zijn werkzaamheid goed te doen zijn.
Utrum in Christo fuerint virtutes
Waren er deugden in Christus?
219Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod in Christo non fuerint virtutes. Christus enim habuit abundantiam gratiae. Sed gratia sufficit ad omnia recte agendum, secundum illud 2. Cor. 12. [v. 9]: « Sufficit tibi gratia mea ». Ergo in Christo non fuerunt virtutes.
219Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat er geen deugden in Christus waren. Want Christus had een overvloed van genade. Nu is de genade voldoende om alles goed te doen, naar het woord uit den Tweeden Korinthiërsbrief (12, 9): « Mijn genade is U voldoende ». Dus waren er in Christus geen deugden.219Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat er geen deugden in Christus waren. Want Christus had een overvloed van genade. Nu is de genade voldoende om alles goed te doen, naar het woord uit de Tweede Korintiërsbrief (12, 9): “Mijn genade is U voldoende”. Dus waren er in Christus geen deugden.
2. Praeterea, secundum Philos. 7. Ethicor. [cap. 1. n. 1 et 2. S. Th. lect. 1.], virtus dividitur contra « quemdam heroicum, sive divinum habitum, qui attribuitur hominibus divinis. Hic1 autem maxime convenit Christo. Ergo Christus non habuit virtutes, sed aliquid altius virtute.
2. Volgens den Philosoof in het 7e boek Over de Zedeleer, staan de deugden tegenover een heldhaftige of goddelijke hebbelijkheid, die men aan goddelijke menschen toeschrijft. Maar dat komt vooral aan Christus toe. Dus had Christus geen deugden, maar iets hoogers dan de deugd.2. Volgens de Filosoof in het 7e boek Over de Zedeleer, staan de deugden tegenover een heldhaftige of goddelijke hebbelijkheid, die men aan goddelijke mensen toeschrijft. Maar dat komt vooral aan Christus toe. Dus had Christus geen deugden, maar iets hogers dan de deugd.
3. Praeterea, sicut in 2. dictum est [1-2. q. 65. art. 1. et 2.], virtutes omnes simul habentur. Sed Christo non fuit conveniens habere2 omnes virtutes: sicut patet de liberalitate, et magnificentia, quae habent 220actum suum circa divitias, quas Christus contempsit, secundum illud Matth. 8. [v. 20]: « Filius hominis non habet, ubi caput suum reclinet ». Temperantia etiam, et continentia sunt circa concupiscentias pravas, quae in Christo non fuerunt. Ergo Christus non habuit virtutes.
3. Zooals in het tweede deel is bewezen (Ia-IIae, 65e Kw., 1e en 2e Art.), heeft men alle deugden tegelijk. Maar het paste niet, dat Christus alle deugden tegelijk had, zooals blijkt uit de vrijgevigheid en prachtlievendheid, wier daden zich betrekken 220op de rijkdommen, die Christus verachtte naar het woord van Matthaeus (8, 20): « De Menschenzoon heeft niets om zijn hoofd op neer te leggen ». Ook betrekken de matigheid en de onthouding zich op de slechte begeerten, die er in Christus niet waren. Dus had Christus geen deugden.3. Zoals in het tweede deel is bewezen (1-2, 65e Kw., 1e en 2e Art.), heeft men alle deugden tegelijk. Maar het paste niet, dat Christus alle deugden tegelijk had, zoals blijkt uit de vrijgevigheid en prachtlievendheid, wier daden zich betrekken 220op de rijkdommen, die Christus verachtte naar het woord van Matteüs (8, 20): “De Mensenzoon heeft niets om zijn hoofd op neer te leggen”. Ook betrekken de matigheid en de onthouding zich op de slechte begeerten, die er in Christus niet waren. Dus had Christus geen deugden.
Sed contra est, quod super illud Ps. 1. [v. 2]: « Sed in lege Domini voluntas ejus », dicit Glos. [ordin. Cassiod.]: « Hic ostenditur Christus plenus omni bono ». Sed « bona qualitas mentis » [Mag. II. Sent. dist. 27.] est virtus. Ergo Christus fuit plenus omni virtute.
Hiertegenover staat echter, dat de Glossa bij het Psalmwoord (Ps. 1, 2): « Maar zijn wil is in Gods Wet » zegt: « Hier blijkt, dat Christus vol was van elk goed ». Maar de deugd is « een goede eigenschap van den geest ». Dus was Christus vol van alle deugden.Hiertegenover staat echter, dat de Glossa bij het Psalmwoord (Ps. 1, 2): “Maar zijn wil is in Gods Wet” zegt: “Hier blijkt, dat Christus vol was van elk goed”. Maar de deugd is “een goede eigenschap van de geest”. Dus was Christus vol van alle deugden.
Respondeo dicendum, quod, sicut in 2. dictum est [1-2. q. 110. art. 4.], sicut gratia respicit essentiam animae; ita virtus respicit potentiam ejus. Unde oportet, quod sicut potentiae animae derivantur ab ejus essentia ita virtutes sint3 quaedam derivationes gratiae. Quanto autem aliquod principium est perfectius, tanto magis imprimit suos effectus. Unde cum gratia Christi fuerit perfectissima, consequens est, quod ex ipsa processerint 221virtutes ad perficiendum singulas potentias animae quantum ad omnes animae actus. Et ita Christus habuit omnes virtutes.
Leerstelling. — Zooals in het tweede deel is behandeld (Ia-IIae, 110e Kw., 4e Art.), betrekt de genade zich op het wezen der ziel, en evenzoo de deugd op haar vermogens. Dus moeten, zooals de vermogens der ziel uit haar wezen vloeien, de deugden een uitvloeisel der genade zijn. Naarmate nu een beginsel volmaakter is, zooveel te meer zal het zijn gevolgen teweeg brengen. En omdat Christus' genade allervolmaaktst is, volgt eruit, dat uit haar 221deugden voortvloeien om alle vermogens der ziel ten opzichte van alle daden te vervolmaken. En zoo had Christus alle deugden.Leerstelling. — Zoals in het tweede deel is behandeld (1-2, 110e Kw., 4e Art.), betrekt de genade zich op het wezen van de ziel, en evenzo de deugd op haar vermogens. Dus moeten, zoals de vermogens van de ziel uit haar wezen vloeien, de deugden een uitvloeisel van de genade zijn. Naarmate nu een beginsel volmaakter is, zoveel te meer zal het zijn gevolgen teweeg brengen. En omdat Christus' genade allervolmaaktst is, volgt eruit, dat uit haar 221deugden voortvloeien om alle vermogens van de ziel ten opzichte van alle daden te vervolmaken. En zo had Christus alle deugden.
Ad primum ergo dicendum, quod gratia sufficit homini, quantum ad omnia quibus ordinatur ad beatitudinem. Horum tamen quaedam perficit gratia immediate per seipsam: sicut gratum facere Deo, et alia hujusmodi: quaedam autem mediantibus virtutibus, quae ex gratia procedunt.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De genade is voor den mensch voldoende in alles, waardoor hij op de zaligheid wordt gericht. Maar sommige dingen hiervan vervolmaakt de genade onmiddellijk door zichzelf, zooals aan God welgevallig maken en dergelijken; maar anderen door middel der deugden die uit de genade voortvloeien.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De genade is voor de mens voldoende in alles, waardoor hij op de zaligheid wordt gericht. Maar sommige dingen hiervan vervolmaakt de genade onmiddellijk door zichzelf, zoals aan God welgevallig maken en dergelijken; maar anderen door middel van de deugden die uit de genade voortvloeien.
Ad secundum dicendum, quod habitus ille heroicus, vel divinus non differt a virtute communiter dicta, nisi secundum perfectiorem modum; inquantum scilicet aliquis est dispositus ad bonum quodam altiori modo, quam communiter omnibus competat. Unde per hoc non ostenditur, quod Christus non habuerit4 virtutes, sed quod habuerit eas perfectissime ultra communem modum. Sicut etiam Plotinus posuit quemdam sublimem modum virtutum, quas esse dixit « anima purgati » [ut refert Macrob. lib. 1. in Somn. Scip. cap. 8.].
2. Die heldhaftige en goddelijke hebbelijkheid verschilt van de deugd in gewonen zin alleen door de meer volmaakte manier van handelen, nl. in zoover iemand op een hoogere manier op het goede is aangelegd dan de anderen gewoonlijk zijn. Dus blijkt hieruit niet, dat Christus geen deugden had, maar dat Hij ze zoo volmaakt mogelijk boven het gewone peil had. Zooals ook Plotinus een verheven soort deugd aannam, die hij noemde « van de gereinigde ziel ».2. Die heldhaftige en goddelijke hebbelijkheid verschilt van de deugd in gewone zin alleen door de meer volmaakte manier van handelen, nl. in zover iemand op een hogere manier op het goede is aangelegd dan de anderen gewoonlijk zijn. Dus blijkt hieruit niet, dat Christus geen deugden had, maar dat Hij ze zo volmaakt mogelijk boven het gewone peil had. Zoals ook Plotinus een verheven soort deugd aannam, die hij noemde “van de gereinigde ziel”.
Ad tertium dicendum, quod liberalitas, et magnificentia commendantur circa divitias, inquantum aliquis non tantum appretiatur divitias, quod 222velit eas retinere, praetermittendo id quod fieri oportet. Ille autem minime divitias appretiatur, qui penitus eas contemnit, et abjicit propter perfectionis amorem. Et ideo in hoc ipso quod Christus omnes divitias contempsit, ostendit in se summum gradum liberalitatis, et magnificentiae. Licet etiam liberalitatis actum exercuerit, secundum quod sibi conveniens erat, faciendo pauperibus erogari, quae sibi dabantur; unde cum Dominus Judae dixit [Joan. 13. v. 27]: « Quod facis, fac citius » discipuli intellexerunt Dominum mandasse, quod « egenis aliquid daret » [v. 29].
3. Vrijgevigheid en prachtlievendheid ten opzichte van de rijkdommen zijn hierom aanbevelenswaardig, dat iemand de rijkdom niet zoo hoog aanslaat, dat hij hem wil behouden met nalating van 222wat geschieden moet. Maar wie hen geheel en al veracht en verwerpt uit liefde voor de volmaaktheid, stelt ze heelemaal niet op prijs. En dus toonde Christus een groote graad van vrijgevigheid en prachtlievendheid te bezitten door hen geheel te verwerpen. Toch stelde Hij ook daden van vrijgevigheid, in zoover het Hem paste, door aan de armen te geven, wat Hem geschonken werd, zoodat de leerlingen, toen de Heer tot Judas zei (Johannes, 13, 27): « Wat gij doet, doe dat spoedig », dit zoo opvatten, alsof de Heer bevel gaf om « de armen iets te geven ».3. Vrijgevigheid en prachtlievendheid ten opzichte van de rijkdommen zijn hierom aanbevelenswaardig, dat iemand de rijkdom niet zo hoog aanslaat, dat hij hem wil behouden met nalating van 222wat geschieden moet. Maar wie hen geheel en al veracht en verwerpt uit liefde voor de volmaaktheid, stelt ze helemaal niet op prijs. En dus toonde Christus een grote graad van vrijgevigheid en prachtlievendheid te bezitten door hen geheel te verwerpen. Toch stelde Hij ook daden van vrijgevigheid, in zover het Hem paste, door aan de armen te geven, wat Hem geschonken werd, zodat de leerlingen, toen de Heer tot Judas zei (Johannes, 13, 27): “Wat gij doet, doe dat spoedig”, dit zo opvatten, alsof de Heer bevel gaf om “de armen iets te geven”.
Concupiscentias autem pravas Christus omnino non habuit, sicut infra patebit [q. 15. art. 2.]. Nec5 propter hoc tamen excluditur, quin habuerit temperantiam; quae tanto perfectior est in homine, quanto magis pravis concupiscentiis caret. Unde secundum Philos. 7. Ethicor. [cap. 9. n. 6. S. Th. lect. 9.], temperatus in hoc differt a continente, quod temperatus non habet pravas concupiscentias, quas continens patitur. Unde sic accipiendo continentiam, sicut Philos. accipit, ex hoc ipso quod Christus habuit omnem virtutem, non habuit continentiam, quae non est virtus, sed aliquid minus virtute [Arist. Ethica. lib. 4. cap. 9. n. 8. S. Th. lect. 17.].
Maar slechte begeerten had Christus heelemaal niet, zooals beneden zal blijken. Maar daarmee is het nog niet uitgesloten, dat Hij de matigheid bezat, die in den mensch zooveel te volmaakter aanwezig is, naarmate hij vrijer is van slechte begeerten. Vandaar dat volgens den Philosoof in het 7e boek Over de Zedeleer, de matige mensch zich hierin van hem, die zich onthoudt onderscheidt, dat wie zich onthoudt, nog onder slechte begeerten gebukt gaat, die de matige mist. En als wij dus de onthouding opvatten in den zin van den Philosoof, had Christus, juist omdat Hij alle deugden had, de onthouding niet, die immers geen deugd is, maar iets, dat lager staat.Maar slechte begeerten had Christus helemaal niet, zoals beneden zal blijken. Maar daarmee is het nog niet uitgesloten, dat Hij de matigheid bezat, die in de mens zoveel te volmaakter aanwezig is, naarmate hij vrijer is van slechte begeerten. Vandaar dat volgens de Filosoof in het 7e boek Over de Zedeleer, de matige mens zich hierin van hem, die zich onthoudt onderscheidt, dat wie zich onthoudt, nog onder slechte begeerten gebukt gaat, die de matige mist. En als wij dus de onthouding opvatten in de zin van de Filosoof, had Christus, juist omdat Hij alle deugden had, de onthouding niet, die immers geen deugd is, maar iets, dat lager staat.
Utrum in Christo fuerit fides
Was er geloof in Christus?
223Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod in Christo fuerit fides. Fides enim est nobilior virtus, quam virtutes morales; puta temperantia, et liberalitas. Hujusmodi autem virtutes fuerunt in Christo, ut dictum est [art. praec.]. Multo ergo magis fuit in eo fides.
223Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat er geloof was in Christus. Want het geloof is een edeler deugd dan de zedelijke deugden als de vrijgevigheid en de matigheid. Maar die deugden waren in Christus, dus was het geloof nog veel eerder in Hem.
2. Praeterea, Christus non docuit virtutes, quas ipse non habuit, secundum illud Act. 1. [v. 1]: « Coepit facere, et docere ». Sed de Christo dicitur Hebr. 12. [v. 2] quod est « auctor, et consummator fidei ». Ergo in eo maxime fuit fides.
2. Christus onderwees geen deugden, die Hij zelf niet had, volgens de Handelingen (1, 1): « Jesus begon te doen en te leeren ». Maar van Christus wordt in den Hebreeënbrief gezegd (12, 2), dat Hij « gever en voltooier van het geloof » is. Dus was het geloof in hoogste mate in Hem.2. Christus onderwees geen deugden, die Hij zelf niet had, volgens de Handelingen (1, 1): “Jesus begon te doen en te leren”. Maar van Christus wordt in de Hebreeënbrief gezegd (12, 2), dat Hij “gever en voltooier van het geloof” is. Dus was het geloof in hoogste mate in Hem.
3. Praeterea, quidquid est imperfectionis, excluditur a beatis. Sed in beatis est fides: nam super illud Rom. 1. [v. 17]: « Justitia Dei revelatur in eo ex fide in fidem », dicit Gloss. [ord. loc. citat. in respons.] « de 224fide verborum, et spei in fidem rerum, et speciei ». Ergo videtur, quod etiam in Christo fuerit fides, cum nihil imperfectionis importet.
3. Van de zaligen wordt iedere onvolmaaktheid uitgesloten. Nu is er geloof in de zaligen, want op den Romeinenbrief (1, 17), « Gods rechtvaardigheid wordt in Hem getoond van geloof tot geloof », zegt de Glossa: « Van het geloof aan woorden en in hoop tot het geloof aan de dingen en het zien ». Dus schijnt het 224geloof ook in Christus te zijn geweest, omdat het geen onvolmaaktheid bevat.3. Van de zaligen wordt iedere onvolmaaktheid uitgesloten. Nu is er geloof in de zaligen, want op de Romeinenbrief (1, 17), “Gods rechtvaardigheid wordt in Hem getoond van geloof tot geloof”, zegt de Glossa: “Van het geloof aan woorden en in hoop tot het geloof aan de dingen en het zien”. Dus schijnt het 224geloof ook in Christus te zijn geweest, omdat het geen onvolmaaktheid bevat.
Sed contra est, quod dicitur Hebr. 11. [v. 1], quod « fides est argumentum non apparentium ». Sed Christo nihil fuit non apparens, secundum illud quod dixit ei Petrus, Joan. ult. [v. 17]: « Tu omnia nosti ». Ergo in Christo non fuit fides.
Maar daartegenover staat het woord uit den Hebreeënbrief (11, 1), dat « het geloof een bewijs is van zaken, die men niet ziet ». Maar er was niets, dat Christus niet zag, volgens wat Petrus tot Hem zei (Johannes, laatste H., 17): « Gij weet alles ». Dus was er geen geloof in Christus.Maar daartegenover staat het woord uit de Hebreeënbrief (11, 1), dat “het geloof een bewijs is van zaken, die men niet ziet”. Maar er was niets, dat Christus niet zag, volgens wat Petrus tot Hem zei (Johannes, laatste H., 17): “Gij weet alles”. Dus was er geen geloof in Christus.
Respondeo dicendum, quod, sicut in 2. dictum est [2-2. q. 1. art. 4.], objectum fidei est res divina non visa. Habitus autem virtutis, sicut et quilibet alius recipit speciem ab objecto. Et ideo excluso quod res divina sit non visa, excluditur ratio fidei. Christus autem a primo instanti suae conceptionis plene vidit Deum per essentiam, ut infra dicetur [q. 34. art. 4.]. Unde in eo fides esse non potuit.
Leerstelling. — Zooals in het tweede deel is gezegd (IIa-IIae, 4e Kw., 1e Art.), is het voorwerp van het geloof een goddelijk, ongezien ding. Maar de deugdhebbelijkheid, als iedere andere, krijgt haar aard van haar voorwerp. Sluit men dus uit, dat de goddelijke dingen ongezien zijn, dan sluit men de eigenlijke aard van het geloof uit. Nu zag Christus reeds in het eerste oogenblik, dat Hij ontvangen werd, God volledig naar Zijn wezen, zooals later zal blijken (34e Kw., 4e Art.). Dus kon er in Hem geen geloof zijn.Leerstelling. — Zoals in het tweede deel is gezegd (2-2, 4e Kw., 1e Art.), is het voorwerp van het geloof een goddelijk, ongezien ding. Maar de deugdhebbelijkheid, als iedere andere, krijgt haar aard van haar voorwerp. Sluit men dus uit, dat de goddelijke dingen ongezien zijn, dan sluit men de eigenlijke aard van het geloof uit. Nu zag Christus reeds in het eerste ogenblik, dat Hij ontvangen werd, God volledig naar Zijn wezen, zoals later zal blijken (34e Kw., 4e Art.). Dus kon er in Hem geen geloof zijn.
Ad primum ergo dicendum, quod fides est nobilior virtus1 virtutibus 225moralibus, quia est circa nobiliorem materiam: sed tamen importat quemdam defectum in comparatione ad illam materiam: qui defectus in Christo non fuit. Et ideo non potuit in eo esse fides, licet fuerint in eo virtutes morales, quae in sui ratione hujusmodi defectum non important per comparationem ad suas materias.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het geloof is edeler 225dan de zedelijke deugden, omdat het zich op een edeler voorwerp betrekt; maar in vergelijking met dat voorwerp sluit het een volmaaktheid in, die in Christus er niet was. Dus kon er geen geloof in Hem zijn, ook al waren er zedelijke deugden, die in vergelijking met hun voorwerp zoo 'n gebrek niet meebrengen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het geloof is edeler 225dan de zedelijke deugden, omdat het zich op een edeler voorwerp betrekt; maar in vergelijking met dat voorwerp sluit het een volmaaktheid in, die in Christus er niet was. Dus kon er geen geloof in Hem zijn, ook al waren er zedelijke deugden, die in vergelijking met hun voorwerp zo 'n gebrek niet meebrengen.
Ad secundum dicendum, quod meritum fidei consistit in hoc, quod homo ex obedientia Dei assentit illis quae non videt, secundum illud Rom. 1. [v. 5]: « Ad obediendum fidei in omnibus gentibus pro nomine ejus ». Obedientiam autem ad Deum plenissime habuit Christus, secundum illud Philip. 2. [v. 8]: « Factus est obediens usque ad mortem ». Et sic nihil ad meritum pertinens docuit, quod ipse excellentius non impleret.
2. De verdienstelijkheid van het geloof ligt hierin, dat de mensch uit gehoorzaamheid aan God datgene aanneemt, wat hij niet ziet, naar het woord uit den Romeinenbrief (1, 5): « Om aan het geloof te doen gehoorzamen onder alle volkeren ter eere van zijn Naam ». Nu had Christus ten volle de gehoorzaamheid aan God volgens den Brief aan de Philippiërs (2, 8): « Hij is gehoorzaam geworden tot aan den dood ». En dus onderwees Hij niets in verband met de verdienste, wat Hij niet eerst zelf schitterend had volbracht.2. De verdienstelijkheid van het geloof ligt hierin, dat de mens uit gehoorzaamheid aan God datgene aanneemt, wat hij niet ziet, naar het woord uit de Romeinenbrief (1, 5): “Om aan het geloof te doen gehoorzamen onder alle volkeren ter ere van zijn Naam”. Nu had Christus ten volle de gehoorzaamheid aan God volgens de Brief aan de Filippenzen (2, 8): “Hij is gehoorzaam geworden tot aan de dood”. En dus onderwees Hij niets in verband met de verdienste, wat Hij niet eerst zelf schitterend had volbracht.
Ad tertium dicendum, quod, sicut Gloss. [ord. Aug.] ibidem dicit, « fides proprie est, qua creduntur quae non videntur ». Sed fides, quae est rerum visarum, improprie dicitur, et secundum quamdam similitudinem quantum ad certitudinem, aut firmitatem adhaesionis.
3. Zooals de Glossa op dezelfde plaats zegt, « is het geloof eigenlijk datgene, waardoor wat niet gezien wordt, aangenomen wordt ». Maar het geloof ten opzichte van geziene dingen wordt oneigenlijk zoo genoemd krachtens een gelijkenis wat de zekerheid en vastheid van het aannemen betreft.3. Zoals de Glossa op dezelfde plaats zegt, “is het geloof eigenlijk datgene, waardoor wat niet gezien wordt, aangenomen wordt”. Maar het geloof ten opzichte van geziene dingen wordt oneigenlijk zo genoemd krachtens een gelijkenis wat de zekerheid en vastheid van het aannemen betreft.
Utrum in Christo fuerit spes
Was er Hoop in Christus?
226Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod in Christo fuerit spes. Dicitur enim in Ps. 30. [v. 2] ex persona Christi1: « In te, Domine, speravi ». Sed virtus spei est, qua homo sperat in Deum. Ergo virtus spei fuit in Christo.
226Bedenkingen. — Men beweert, dat er in Christus hoop was. — 1. Want in den Psalm (30, 2) wordt, volgens de Glossa uit Christus' naam, gezegd: « Op U, Heer, heb ik gehoopt ». Maar de hoop is de deugd, waardoor de mensch op God hoopt. Dus was de deugd van hoop in Christus.226Bedenkingen. — Men beweert, dat er in Christus hoop was. — 1. Want in de Psalm (30, 2)a wordt, volgens de Glossa uit Christus' naam, gezegd: “Op U, Heer, heb ik gehoopt”. Maar de hoop is de deugd, waardoor de mens op God hoopt. Dus was de deugd van hoop in Christus.
2. Praeterea, spes est expectatio futurae beatitudinis, ut in 2. habitum est [2-2. q. 17. art. 5.]. Sed Christus aliquid expectabat ad beatitudinem pertinens, videlicet gloriam corporis. Ergo videtur, quod in eo fuerit spes.
2. De hoop is de verwachting van de toekomstige zaligheid, zooals in het tweede deel is uiteengezet (IIa-IIae 17e Kw., 1e Art., Antw. op de 2e B., 8e Art., 6e Art., Antw. op de 2e B.). Nu verwachtte Christus iets, dat bij de zaligheid behoorde, nl. de verheerlijking van zijn lichaam. Dus schijnt de hoop in Hem te zijn geweest.2. De hoop is de verwachting van de toekomstige zaligheid, zoals in het tweede deel is uiteengezet (2-2 17e Kw., 1e Art., Antw. op de 2e B., 8e Art., 6e Art., Antw. op de 2e B.). Nu verwachtte Christus iets, dat bij de zaligheid behoorde, nl. de verheerlijking van zijn lichaam. Dus schijnt de hoop in Hem te zijn geweest.
3. Praeterea, unusquisque potest sperare illud, quod ad ejus perfectionem pertinet, si sit futurum. Sed aliquid erat futurum, quod ad perfectionem Christi pertinet, secundum illud Ephes. 4. [v. 12]: « Ad 227consummationem sanctorum in opus ministerii, in aedificationem corporis Christi ». Ergo videtur, quod Christo competebat habere spem.
3. Ieder kan hopen op wat tot zijn volmaaktheid behoort, als het toekomstig is. Maar iets, wat tot Christus' volmaaktheid behoorde, was nog toekomstig, volgens den Brief aan de Ephesiërs (4, 12): « Om de heiligen te voltooien, om de bediening uit te 227oefenen, om het lichaam van Christus op te bouwen ». Dus schijnt het aan Christus toegekomen te hebben te hopen.3. Ieder kan hopen op wat tot zijn volmaaktheid behoort, als het toekomstig is. Maar iets, wat tot Christus' volmaaktheid behoorde, was nog toekomstig, volgens de Brief aan de Efesiërs (4, 12): “Om de heiligen te voltooien, om de bediening uit te 227oefenen, om het lichaam van Christus op te bouwen”. Dus schijnt het aan Christus toegekomen te hebben te hopen.
Sed contra est, quod dicitur Rom. 8. [v. 24]: « Quod videt quis, quid sperat? » Et sic patet, quod sicut fides est de non visis, ita et spes. Sed fides non fuit in Christo, sicut dictum est [art. praec.]. Ergo nec spes.
Maar hiertegenover staat wat in den Romeinenbrief gezegd wordt (8, 24): « Als iemand iets ziet, hoe zal hij het nog hopen? » En zoo blijkt, dat de hoop evenals het geloof gaat over wat niet gezien wordt. Maar zooals gezegd werd (Vorig Art.), was het geloof niet in Christus. Dus evenmin de hoop.Maar hiertegenover staat wat in de Romeinenbrief gezegd wordt (8, 24): “Als iemand iets ziet, hoe zal hij het nog hopen?” En zo blijkt, dat de hoop evenals het geloof gaat over wat niet gezien wordt. Maar zoals gezegd werd (Vorig Art.), was het geloof niet in Christus. Dus evenmin de hoop.
Respondeo dicendum, quod sicut de ratione fidei est, quod aliquis assentiat his quae non videt: ita de ratione spei est, quod aliquis expectet id quod nondum habet. Et sicut fides, inquantum est virtus theologica, non est de quocumque non viso, sed solum de Deo: ita etiam spes, inquantum est virtus theologica, habet pro objecto ipsum Deum, cujus fruitionem homo principaliter expectat per spei virtutem2. Sed ex consequenti ille qui habet virtutem spei potest etiam in aliis divinum auxilium expectare: 228sicut et ille qui habet virtutem fidei, non solum credit Dei de rebus divinis, sed de quibuscumque aliis divinitus sibi revelatis.
Leerstelling. — Zooals het tot de aard van het geloof behoort, dat iemand aanneemt, wat hij niet ziet, zoo behoort het tot de aard van de hoop, dat iemand verwacht, wat hij nog niet heeft. En zooals het geloof, genomen als goddelijke deugd, niet gaat over elk ongezien ding, maar alleen over God, heeft ook de hoop als goddelijke deugd het genieten zelf van God als voorwerp, wat de mensch vooral verwacht door de deugd van hoop. Maar als een gevolg hiervan kan iemand, die de deugd van hoop heeft, ook in andere dingen Gods hulp verwachten, zooals hij, die de deugd van geloof heeft, God niet alleen gelooft als het gaat over 228goddelijke dingen, maar ook over alle andere dingen, die hem van Godswege geopenbaard zijn.Leerstelling. — Zoals het tot de aard van het geloof behoort, dat iemand aanneemt, wat hij niet ziet, zo behoort het tot de aard van de hoop, dat iemand verwacht, wat hij nog niet heeft. En zoals het geloof, genomen als goddelijke deugd, niet gaat over elk ongezien ding, maar alleen over God, heeft ook de hoop als goddelijke deugd het genieten zelf van God als voorwerp, wat de mens vooral verwacht door de deugd van hoop. Maar als een gevolg hiervan kan iemand, die de deugd van hoop heeft, ook in andere dingen Gods hulp verwachten, zoals hij, die de deugd van geloof heeft, God niet alleen gelooft als het gaat over 228goddelijke dingen, maar ook over alle andere dingen, die hem van Godswege geopenbaard zijn.
Christus autem a principio suae conceptionis plene habuit fruitionem divinam, ut infra dicetur [q. 34. art. 4.]. Et ideo virtutem spei non habuit. Habuit tamen spem respectu aliquorum quae nondum erat adeptus; licet non habuerit3 fidem respectu quorumcumque. Quae licet plene cognosceret omnia, per quod totaliter fides excludebatur ab linebant; puta immortalitatem, et gloriam corporis, quam poterat sperare.
Nu had Christus vanaf het begin, dat Hij ontvangen was, volledig het genieten van God, zooals later besproken zal worden (34e Kw., 4e Art.). En dus had Hij de deugd van hoop niet. Maar Hij had hoop ten opzichte van sommige dingen, die Hij nog niet verkregen had, al had Hij dan geen hoop ten opzichte van alles. Want al kende Hij alles volledig, waardoor het geloof bij Hem geheel en al uitgesloten was, had Hij toch nog niet volledig alles, wat tot zijn volmaaktheid behoort, bv. de onsterfelijkheid en de verheerlijking van Zijn lichaam, die Hij nog kon hopen.Nu had Christus vanaf het begin, dat Hij ontvangen was, volledig het genieten van God, zoals later besproken zal worden (34e Kw., 4e Art.). En dus had Hij de deugd van hoop niet. Maar Hij had hoop ten opzichte van sommige dingen, die Hij nog niet verkregen had, al had Hij dan geen hoop ten opzichte van alles. Want al kende Hij alles volledig, waardoor het geloof bij Hem geheel en al uitgesloten was, had Hij toch nog niet volledig alles, wat tot zijn volmaaktheid behoort, bv. de onsterfelijkheid en de verheerlijking van Zijn lichaam, die Hij nog kon hopen.
Ad primum ergo dicendum, quod hoc non dicitur de Christo secundum spem, quae est virtus theologica, sed eo quod quaedam alia speravit nondum habita, sicut dictum est [in corp. art.].
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dit zegt men niet van Christus krachtens de hoop, die een goddelijke deugd is, maar omdat Hij sommige dingen hoopte, die Hij niet verkregen had, zooals gezegd is (in de Leerstelling).Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dit zegt men niet van Christus krachtens de hoop, die een goddelijke deugd is, maar omdat Hij sommige dingen hoopte, die Hij niet verkregen had, zoals gezegd is (in de Leerstelling).
Ad secundum dicendum, quod gloria corporis non pertinet ad beatitudinem, sicut in quo principaliter beatitudo consistat; sed per quamdam redundantiam a gloria animae, ut in 2. dictum est [1-2. q. 4. art. 6.]. 229Unde spes, secundum quod est virtus theologica, non respicit beatitudinem corporis, sed beatitudinem animae, quae in divina fruitione consistit.
2. De verheerlijking van het lichaam behoort niet tot de zaligheid als datgene, waarin de zaligheid voornamelijk bestaat, maar gebeurt door een overvloeïng van de glorie der ziel, zooals in het tweede deel is gezegd (Ia-IIae, 4e Kw., 6e Art.). Daarom slaat 229de hoop als goddelijke deugd niet op het geluk van het lichaam, maar op de zaligheid der ziel, die in het genieten van God bestaat.2. De verheerlijking van het lichaam behoort niet tot de zaligheid als datgene, waarin de zaligheid voornamelijk bestaat, maar gebeurt door een overvloeïng van de glorie van de ziel, zoals in het tweede deel is gezegd (1-2, 4e Kw., 6e Art.). Daarom slaat 229de hoop als goddelijke deugd niet op het geluk van het lichaam, maar op de zaligheid van de ziel, die in het genieten van God bestaat.
Ad tertium dicendum, quod aedificatio Ecclesiae per conversionem fidelium non pertinet ad perfectionem Christi, qua in se perfectus est, sed secundum quod alios ad participationem suae perfectionis inducit. Et quia spes dicitur proprie respectu alicujus, quod expectatur ab ipso sperante habendum, non proprie potest dici, quod virtus spei Christo ratione inducta conveniat.
3. De opbouw der Kerk door de bekeering der geloovigen behoort niet tot de volmaaktheid van Christus, waardoor Hij in zichzelf volmaakt is, maar voor zoover Hij anderen brengt tot het deelen in zijn volmaaktheid. En omdat men in eigenlijken zin van hoop spreekt met betrekking tot iets, wat hij, die hoopt, zelf verwacht te bezitten, kan men niet eigenlijk zeggen, dat Christus om de aangehaalde reden de deugd van hoop bezat.3. De opbouw van de Kerk door de bekering van de gelovigen behoort niet tot de volmaaktheid van Christus, waardoor Hij in zichzelf volmaakt is, maar voor zover Hij anderen brengt tot het delen in zijn volmaaktheid. En omdat men in eigenlijke zin van hoop spreekt met betrekking tot iets, wat hij, die hoopt, zelf verwacht te bezitten, kan men niet eigenlijk zeggen, dat Christus om de aangehaalde reden de deugd van hoop bezat.
Utrum in Christo fuerint dona
Waren de gaven van den Heiligen Geest in Christus?Waren de gaven van de Heilige Geest in Christus?
229Ad quintum sic proceditur. Videtur, quod in Christo non fuerint dona. Sicut enim communiter dicitur, dona dantur in adjutorium virtutum. Sed id quod est in se perfectum, non indiget exteriori auxilio. Cum igitur in Christo fuerint virtutes perfectae, videtur, quod in eo non fuerint dona.
229Bedenkingen. — Men beweert dat de gaven van den Heiligen Geest niet in Christus waren. — 1. Want zooals men gewoonlijk zegt, worden de gaven gegeven als hulp voor de deugden. Maar wat in zichzelf volmaakt is, heeft geen hulp van buiten noodig. Omdat dus de deugden in Christus volmaakt waren, schijnt het, dat de gaven niet in Hem waren.229Bedenkingen. — Men beweert dat de gaven van de Heilige Geest niet in Christus waren. — 1. Want zoals men gewoonlijk zegt, worden de gaven gegeven als hulp voor de deugden. Maar wat in zichzelf volmaakt is, heeft geen hulp van buiten nodig. Omdat dus de deugden in Christus volmaakt waren, schijnt het, dat de gaven niet in Hem waren.
2302. Praeterea, non videtur esse ejusdem dare dona et recipere: quia dare est habentis, accipere autem non habentis. Sed Christo convenit dare dona, secundum illud Ps. 67. [v. 19]: « Dedit dona hominibus ». Ergo Christo non convenit accipere dona Spiritus Sancti.
2302. Dezelfde schijnt niet gaven te schenken en te ontvangen, want geven komt toe aan wie bezit, maar ontvangen aan wie niet bezit. Maar aan Christus komt het toe gaven te geven, volgens het Psalmwoord (Ps. 67): « Hij gaf gaven aan de menschen ». Dus kwam het Christus niet toe de gaven van den Heiligen Geest te ontvangen.2302. Dezelfde schijnt niet gaven te schenken en te ontvangen, want geven komt toe aan wie bezit, maar ontvangen aan wie niet bezit. Maar aan Christus komt het toe gaven te geven, volgens het Psalmwoord (Ps. 67)a: “Hij gaf gaven aan de mensen”. Dus kwam het Christus niet toe de gaven van de Heilige Geest te ontvangen.
3. Praeterea, quatuor dona videntur pertinere ad contemplationem viae; scilicet: sapientia, scientia, intellectus, et consilium, quod pertinet ad prudentiam; unde et Philos. in 6. Ethic. [cap. 3. n. 1. S. Th. lect. 3.] numerat ista inter virtutes intellectuales. Sed Christus habuit contemplationem patriae; ergo non habuit hujusmodi dona.
3. Vier gaven schijnen te behooren tot de beschouwing van hen, die nog op hun pelgrimsreis zijn, nl. die van wijsheid, wetenschap, verstand en raad, wat tot de voorzichtigheid behoort; vandaar dat de Philosoof hen onder de verstandsdeugden rekent. Maar Christus had de beschouwing van hen, die reeds in het vaderland zijn. Dus had Hij die gaven niet.3. Vier gaven schijnen te behoren tot de beschouwing van hen, die nog op hun pelgrimsreis zijn, nl. die van wijsheid, wetenschap, verstand en raad, wat tot de voorzichtigheid behoort; vandaar dat de Filosoof hen onder de verstandsdeugden rekent. Maar Christus had de beschouwing van hen, die reeds in het vaderland zijn. Dus had Hij die gaven niet.
Sed contra est, quod dicitur Isa. 4. [v. 1]: « Apprehendent septem mulieres virum unum » Glos. [interl. et ordin. Hieron.] idest « septem dona Spiritus Sancti Christum ».
Maar daartegenover staat wat Isaias zegt (4, 1): « Zeven vrouwen zullen grijpen naar een man » en de Glossa: « dit beteekent: de zeven gaven van den Heiligen Geest Christus ».Maar daartegenover staat wat Jesaja zegt (4, 1): “Zeven vrouwen zullen grijpen naar een man” en de Glossa: “dit betekent: de zeven gaven van de Heilige Geest Christus”.
Respondeo dicendum, quod, sicut in 2. dictum est [1-2. q. 68. art. 1.], dona proprie sunt perfectiones quaedam potentiarum animae, secundum quod sunt natae moveri a Spiritu Sancto. Manifestum est autem, 231quod anima Christi perfectissime a Spiritu Sancto movebatur, secundum illud Luc. 4. [v. 1]: « Jesus autem plenus Spiritu Sancto regressus est a Jordane, et agebatur a Spiritu in desertum ». Unde manifestum est, quod in Christo fuerunt excellentissime dona.
Leerstelling. — Zooals in het tweede deel is gezegd (Ia-IIae, 68e Kw., 1e Art.), zijn de gaven eigenlijk vervolmakingen van de vermogens der ziel, in zoover dezen er op aangelegd zijn door den H. Geest bewogen te worden. Nu is het duidelijk dat 231Christus' ziel zoo volmaakt mogelijk door den Heiligen Geest bewogen werd, volgens het woord van Lucas (4, 1): « Jesus, vol van den Heiligen Geest, verliet de Jordaan en werd door den Geest naar de woestijn gevoerd ». Daarom is het duidelijk dat de gaven op een uitmuntende wijze in Christus waren.Leerstelling. — Zoals in het tweede deel is gezegd (1-2, 68e Kw., 1e Art.), zijn de gaven eigenlijk vervolmakingen van de vermogens van de ziel, in zover deze er op aangelegd zijn door de H. Geest bewogen te worden. Nu is het duidelijk dat 231Christus' ziel zo volmaakt mogelijk door de Heilige Geest bewogen werd, volgens het woord van Lukas (4, 1): “Jesus, vol van de Heilige Geest, verliet de Jordaan en werd door de Geest naar de woestijn gevoerd”. Daarom is het duidelijk dat de gaven op een uitmuntende wijze in Christus waren.
Ad primum ergo dicendum, quod illud quod est perfectum secundum ordinem suae naturae, indiget adjuvari ab eo quod est altioris naturae: sicut homo, quantumcumque perfectus, indiget adjuvari a Deo. Et hoc modo virtutes, quae perficiunt potentias animae, secundum quod ducuntur ratione, quantumcumque sint perfectae1, indigent adjuvari per dona, quae perficiunt potentias animae, secundum quod sunt motae a Spiritu Sancto.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wat volmaakt is in de orde van zijn natuur, moet geholpen worden door wat een hoogere natuur is, zooals de mensch, hoe volmaakt hij ook is, er behoefte aan heeft door God geholpen te worden. En op die manier moeten de deugden door de gaven geholpen worden, die de vermogens der ziel vervolmaken in zoover zij bewogen worden door den H. Geest.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wat volmaakt is in de orde van zijn natuur, moet geholpen worden door wat een hogere natuur is, zoals de mens, hoe volmaakt hij ook is, er behoefte aan heeft door God geholpen te worden. En op die manier moeten de deugden door de gaven geholpen worden, die de vermogens van de ziel vervolmaken in zover zij bewogen worden door de H. Geest.
Ad secundum dicendum, quod Christus non secundum idem est recipiens, et dans dona Spiritus Sancti: sed dat, secundum quod Deus, et accipit, secundum quod homo. Unde Gregorius dicit in 2. Moral. [cap. 56] quod « Spiritus Sanctus humanitatem Christi nunquam deseruit, ex cujus divinitate procedit ».
2. Christus is niet onder hetzelfde opzicht de gever en ontvanger der gaven, maar Hij geeft hen als God en ontvangt hen als mensch. Daarom zegt Gregorius in het 2e boek Over de Zedeleer (56e H.): « De Heilige Geest verliet de menschheid van Christus, uit Wiens Godheid Hij voortkomt, nooit ».2. Christus is niet onder hetzelfde opzicht de gever en ontvanger van de gaven, maar Hij geeft hen als God en ontvangt hen als mens. Daarom zegt Gregorius in het 2e boek Over de Zedeleer (56e H.): “De Heilige Geest verliet de mensheid van Christus, uit Wiens Godheid Hij voortkomt, nooit”.
232Ad tertium dicendum, quod in Christo non solum fuit cognitio patriae, sed etiam cognitio viae, ut infra dicetur [q. 15. art. 10.]; et tamen etiam in patria sunt per aliquem modum dona Spiritus Sancti, ut in 2. dictum est [1-2. q. 68. art. 6.].
2323. In Christus was niet alleen de kennis, die wij in het vaderland zullen hebben, maar ook die, welke wij hebben op den weg erheen, zooals later zal worden gezegd. En bovendien zijn ook in het vaderland de gaven er nog eenigszins, zooals in het tweede deel besproken is. (Ia-IIae, 68e Kw., 6e Art.).2323. In Christus was niet alleen de kennis, die wij in het vaderland zullen hebben, maar ook die, welke wij hebben op de weg erheen, zoals later zal worden gezegd. En bovendien zijn ook in het vaderland de gaven er nog enigszins, zoals in het tweede deel besproken is. (1-2, 68e Kw., 6e Art.).
Utrum in Christo fuerit donum timoris
Was de gave van vrees in Christus?
232Ad sextum sic proceditur. Videtur, quod in Christo non fuerit1 donum timoris: spes enim videtur potior, quam timor: nam spei objectum est bonum, timoris vero malum, ut in 2. habitum est [1-2. q. 40. art. 1. et q. 42. art. 1.]. Sed in Christo non fuit virtus spei, ut supra habitum est [art. 4. huj. q.]. Ergo etiam non fuit in eo donum timoris.
232Bedenkingen. — Men beweert, dat de gave van vrees niet in Christus was. — 1. Want de hoop schijnt sterker te zijn dan de vrees, omdat het voorwerp van de hoop het goede, dat van de vrees het kwaad is, zooals in het tweede deel (Ia-IIae, 40e Kw., 1e Art.) werd uiteengezet. Maar in Christus was geen deugd van hoop, zooals boven is gezegd. Dus was er in Hem ook geen gave van vrees.232Bedenkingen. — Men beweert, dat de gave van vrees niet in Christus was. — 1. Want de hoop schijnt sterker te zijn dan de vrees, omdat het voorwerp van de hoop het goede, dat van de vrees het kwaad is, zoals in het tweede deel (1-2, 40e Kw., 1e Art.) werd uiteengezet. Maar in Christus was geen deugd van hoop, zoals boven is gezegd. Dus was er in Hem ook geen gave van vrees.
2. Praeterea, dono timoris timet aliquis vel separationem a Deo quod pertinet ad timorem « castum », vel puniri ab ipso; quod pertinet ad 233timorem « servilem », ut Augustinus dicit super canonic. Joan. [tract. 9.]: sed Christus non timuit separari a Deo per peccatum; neque etiam2 puniri ab eo propter suam culpam: quia impossibile erat ei3 peccare. ut infra dicetur [q. 15. art. 1.]: timor autem non est de impossibili. Ergo in Christo non fuit donum timoris.
2. Door de gave van vrees vreest iemand ofwel van God gescheiden te worden, wat eigen is aan de reine vrees; ofwel door 233Hem gestraft te worden, wat onder de slaafsche vrees valt, zooals Augustinus zegt in het Commentaar op den Kanonieken brief van Johannes. Maar Christus vreesde niet door de zonde van God gescheiden te worden, of door Hem gestraft te worden om Zijn schuld, want het was onmogelijk, dat Hij zondigde, zooals later gezegd zal worden; maar onmogelijke dingen worden niet gevreesd. Dus was de gave van vrees niet in Christus.2. Door de gave van vrees vreest iemand ofwel van God gescheiden te worden, wat eigen is aan de reine vrees; ofwel door 233Hem gestraft te worden, wat onder de slaafse vrees valt, zoals Augustinus zegt in het Commentaar op de Canonieke brief van Johannes. Maar Christus vreesde niet door de zonde van God gescheiden te worden, of door Hem gestraft te worden om Zijn schuld, want het was onmogelijk, dat Hij zondigde, zoals later gezegd zal worden; maar onmogelijke dingen worden niet gevreesd. Dus was de gave van vrees niet in Christus.
3. Praeterea, 1. Joan. 4. [v. 18] dicitur, quod « perfecta charitas foras mittit timorem ». Sed in Christo fuit perfectissima charitas, secundum illud Ephes. 3. [v. 19]: « Supereminentem scientiae charitatem Christi ». Ergo in Christo non fuit donum timoris.
3. In den Eersten brief van Johannes wordt gezegd (4, 18): « De volmaakte liefde werpt de vrees buiten ». Nu was er in Christus een allervolmaaktste liefde, naar het woord uit den Brief aan de Ephesiërs (3, 19): « de liefde van Christus, die alle kennis te boven gaat ». Dus was de gave van vrees niet in Christus.3. In de Eerste brief van Johannes wordt gezegd (4, 18): “De volmaakte liefde werpt de vrees buiten”. Nu was er in Christus een allervolmaaktste liefde, naar het woord uit de Brief aan de Efesiërs (3, 19): “de liefde van Christus, die alle kennis te boven gaat”. Dus was de gave van vrees niet in Christus.
Sed contra est, quod dicitur Isa. 11. [v. 3]: « Replebit eum spiritus timoris Domini ».
Maar daartegenover staat wat bij Isaias wordt gezegd (11, 3): « De geest van de vrees des Heeren zal Hem vervullen ».Maar daartegenover staat wat bij Jesaja wordt gezegd (11, 3): “De geest van de vrees van de Heer zal Hem vervullen”.
Respondeo dicendum, quod, sicut in 2. dictum est [1-2. q. 42. art. 1.], timor respicit duo objecta: quorum unum est malum terribile: aliud est illud4, cujus potestate malum potest inferri; sicut aliquis 234timet regem, inquantum habet occidendi potestatem. Non autem timeretur ille qui potest nocere5, nisi haberet quamdam eminentiam potestatis, cui de facili resisti non possit: ea enim quae in promptu habemus, repellere non timemus. Et sic patet, quod aliquis non timetur, nisi propter suam eminentiam.
Leerstelling. — Zooals in het tweede deel werd gezegd (Ia-Iae, 42e Kw., 1e Art.), slaat de vrees op een dubbel voorwerp: waarvan het eene het kwaad, dat angst aanjaagt, is, en het ander diegene, door wiens macht kwaad kan worden toegebracht, zooals 234iemand een koning vreest, in zoover hij macht heeft om te dooden. Maar, wie macht heeft, zou niet gevreesd worden, als hij niet een bijzondere macht had, waaraan niet gemakkelijk kan worden weerstaan; want wat wij gemakkelijk kunnen afwenden, vreezen wij niet. En zoo blijkt het, dat iemand niet gevreesd wordt tenzij omdat hij boven anderen uitsteekt.Leerstelling. — Zoals in het tweede deel werd gezegd (Ia-Iae, 42e Kw., 1e Art.), slaat de vrees op een dubbel voorwerp: waarvan het ene het kwaad, dat angst aanjaagt, is, en het ander diegene, door wiens macht kwaad kan worden toegebracht, zoals 234iemand een koning vreest, in zover hij macht heeft om te doden. Maar, wie macht heeft, zou niet gevreesd worden, als hij niet een bijzondere macht had, waaraan niet gemakkelijk kan worden weerstaan; want wat wij gemakkelijk kunnen afwenden, vrezen wij niet. En zo blijkt het, dat iemand niet gevreesd wordt tenzij omdat hij boven anderen uitsteekt.
Sic igitur dicendum est, quod in Christo fuit timor Dei, non quidem secundum quod respicit malum separationis a Deo per culpam, neque etiam6 secundum quod respicit malum punitionis pro culpa; sed secundum quod respicit ipsam divinam eminentiam, prout scilicet anima Christi quodam affectu reverentiae movebatur in Deum a Spiritu Sancto acta. Unde Hebr. 5. [v. 7] dicitur, quod in omnibus « exauditus est pro sua reverentia ». Hunc enim affectum reverentiae ad Deum Christus, secundum quod homo, prae caeteris habuit pleniorem. Et ideo ei attribuit Scriptura plenitudinem timoris Domini.
Daarom moeten wij zeggen, dat de vrees voor God in Christus was, niet wat het kwaad der scheiding van God door de schuld betreft, en ook niet wat het kwaad van de straf voor de schuld betreft, maar voor zoover zij zich richt op de alovertreffendheid van God, zoodat Christus' ziel, bewogen door den Heiligen Geest, met een gevoel van eerbied zich tot Hem richtte. Daarom wordt ook in den Hebreeënbrief gezegd (5, 7), dat Hij « in alles verhoord is om Zijn eerbied ». Want dit gevoel van eerbied voor God had Christus als mensch in hooger mate dan de anderen. En daarom schrijft de H. Schrift Hem de volheid der vrees toe.Daarom moeten wij zeggen, dat de vrees voor God in Christus was, niet wat het kwaad van de scheiding van God door de schuld betreft, en ook niet wat het kwaad van de straf voor de schuld betreft, maar voor zover zij zich richt op de alovertreffendheid van God, zodat Christus' ziel, bewogen door de Heilige Geest, met een gevoel van eerbied zich tot Hem richtte. Daarom wordt ook in de Hebreeënbrief gezegd (5, 7), dat Hij “in alles verhoord is om Zijn eerbied”. Want dit gevoel van eerbied voor God had Christus als mens in hoger mate dan de anderen. En daarom schrijft de H. Schrift Hem de volheid van de vrees toe.
Ad primum ergo dicendum, quod habitus virtutum, et donorum proprie, et per se respiciunt bonum, malum autem ex consequenti: pertinet enim ad 235rationem virtutis, ut « opus bonum reddat » ut dicitur in 2. Ethic. [cap. 6. n. 2. 3. S. Th. lect. 6.]. Et ideo de ratione doni timoris non est illud malum, quod respicit timor, sed eminentia illius boni, scilicet divini, cujus potestate aliquod malum infligi potest. Sed spes, secundum quod virtus est, respicit non solum auctorem boni, sed etiam ipsum bonum, inquantum est non habitum. Et ideo Christo, qui7 jam habebat perfectum beatitudinis bonum, non attribuitur virtus spei, sed donum timoris.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De hebbelijkheden van deugden en gaven slaan eigenlijk en krachtens zichzelf op het 235goede, en dientengevolge pas op het kwade; want het behoort tot de aard van de deugd, dat zij « het werk goed maakt », zooals in het 2e boek Over de Zedeleer wordt gezegd. En daarom behoort het kwaad, waarop de vrees zich richt, niet tot de eigen aard van de gave van vrees, maar de allesovertreffendheid van dat (nl. het goddelijke) goed, door welks macht kwaad kan worden aangedaan. Maar de hoop, genomen als deugd, richt zich niet alleen op den bewerker van het goede, maar ook op het goede zelf in zoover dit nog niet bezeten wordt. En daarom wordt aan Christus, die immers het volmaakte goed der zaligheid reeds bezat, de deugd van hoop niet toegeschreven, maar wel de gave van vrees.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De hebbelijkheden van deugden en gaven slaan eigenlijk en krachtens zichzelf op het 235goede, en dientengevolge pas op het kwade; want het behoort tot de aard van de deugd, dat zij “het werk goed maakt”, zoals in het 2e boek Over de Zedeleer wordt gezegd. En daarom behoort het kwaad, waarop de vrees zich richt, niet tot de eigen aard van de gave van vrees, maar de allesovertreffendheid van dat (nl. het goddelijke) goed, door welks macht kwaad kan worden aangedaan. Maar de hoop, genomen als deugd, richt zich niet alleen op de bewerker van het goede, maar ook op het goede zelf in zover dit nog niet bezeten wordt. En daarom wordt aan Christus, die immers het volmaakte goed van de zaligheid reeds bezat, de deugd van hoop niet toegeschreven, maar wel de gave van vrees.
Ad secundum dicendum, quod ratio illa procedit de timore, secundum quod respicit objectum, quod est malum.
2. Dit argument gaat uit van de vrees, in zoover zij slaat op het kwaad als haar voorwerp.2. Dit argument gaat uit van de vrees, in zover zij slaat op het kwaad als haar voorwerp.
Ad tertium dicendum, quod perfecta charitas foras mittit timorem servilem, qui respicit principaliter poenam: sic autem timor non fuit in Christo.
3. De volmaakte liefde werpt de slaafsche vrees buiten, die vooral op de straf slaat. Maar zoo 'n vrees had Christus niet.3. De volmaakte liefde werpt de slaafse vrees buiten, die vooral op de straf slaat. Maar zo 'n vrees had Christus niet.
Utrum in Christo fuerint gratiae gratis datae
Waren de om niet gegeven genaden in Christus?
236Ad septimum sic proceditur. Videtur, quod in Christo non fuerint gratiae gratis datae. Ei enim, qui habet aliquid secundum plenitudinem, non competit illud habere secundum participationem. Sed Christus habuit gratiam secundum plenitudinem, secundum illud Joan. 1. [v. 14]: « Plenum gratiae, et veritatis ». Gratiae autem gratis datae videntur esse quaedam participationes divinae, divisim et particulariter diversis attributae, secundum illud 1. ad Cor. 12. [v. 4]: « Divisiones gratiarum sunt ». Ergo videtur, quod in Christo non fuerint gratiae gratis datae.
236Bedenkingen. — Men beweert, dat de om niet gegeven genaden niet in Christus waren. — 1. Want aan wie iets in alle volheid heeft, komt het niet toe dat ook door deelhebbing te bezitten. Nu had Christus de genade in haar volheid, volgens het woord van Johannes (1, 14): « Vol van genade en waarheid ». Nu schijnen de om niet gegeven genaden daarvan deelhebbingen, verdeeld en onderscheiden aan verschillende gegeven te zijn volgens het woord uit den Eersten Brief aan de Korinthiërs (12, 4): « Er zijn verdeelingen der genade ». Dus schijnt het, dat de om niet gegeven genaden niet in Christus waren.236Bedenkingen. — Men beweert, dat de om niet gegeven genaden niet in Christus waren. — 1. Want aan wie iets in alle volheid heeft, komt het niet toe dat ook door deelhebbing te bezitten. Nu had Christus de genade in haar volheid, volgens het woord van Johannes (1, 14): “Vol van genade en waarheid”. Nu schijnen de om niet gegeven genaden daarvan deelhebbingen, verdeeld en onderscheiden aan verschillende gegeven te zijn volgens het woord uit de Eerste Brief aan de Korintiërs (12, 4): “Er zijn verdelingen van de genade”. Dus schijnt het, dat de om niet gegeven genaden niet in Christus waren.
2. Praeterea, quod debetur alicui, non videtur esse gratis ei datum: sed debitum erat homini Christo, quod sermone sapientiae, et scientiae abundaret, et potens esset in virtutibus faciendis, et in aliis1 hujusmodi, 237quae pertinent ad gratias gratis datas; cum ipse sit « Dei virtus, et Dei sapientia », ut dicitur 1. ad Cor. 1. [v. 24]. Ergo Christo non fuit conveniens habere gratias gratis datas.
2. Waarop iemand recht heeft, schijnt hem niet om niet gegeven te zijn. Nu had Christus als mensch recht op een overvloed van wijsheid en wetenschap in Zijn woorden en op macht om teekenen te doen, en op andere dingen, die onder de om niet gegeven genaden 237vallen; want Hijzelf is « Gods kracht en Gods wijsheid », zooals in den Eersten Brief aan de Korinthiërs wordt gezegd (12, 8). Dus paste het niet, dat Christus de om niet gegeven genaden bezat.2. Waarop iemand recht heeft, schijnt hem niet om niet gegeven te zijn. Nu had Christus als mens recht op een overvloed van wijsheid en wetenschap in Zijn woorden en op macht om tekenen te doen, en op andere dingen, die onder de om niet gegeven genaden 237vallen; want Hijzelf is “Gods kracht en Gods wijsheid”, zoals in de Eerste Brief aan de Korintiërs wordt gezegd (12, 8). Dus paste het niet, dat Christus de om niet gegeven genaden bezat.
3. Praeterea, gratiae gratis datae ordinantur ad utilitatem fidelium; secundum illud 1. Cor. 12. [v. 7]: « Unicuique datur manifestatio spiritus ad utilitatem »: non autem videtur ad utilitatem aliorum2 pertinere habitus, aut quaecumque dispositio, si homo non utatur, secundum illud Eccli. 20. [v. 32]: « Sapientia abscondita, et thesaurus invisus, quae utilitas in utrisque »? Christus autem non legitur usus3 omnibus gratiis gratis datis, praesertim quantum ad genere linguarum. Non ergo in Christo fuerunt omnes gratiae gratis datae.
3. De om niet gegeven genaden zijn bestemd tot nut der geloovigen, naar het woord uit den Eersten Brief aan de Korinthiërs (12, 7): « Aan iedereen wordt een openbaring van den Geest tot nuttig gebruik gegeven ». Maar een hebbelijkheid of een andere aanleg schijnt niet nuttig te zijn, als de mensch ze niet gebruikt, volgens het boek Ecclesiasticus (20, 32): « Verborgen wijsheid en een ongeziene schat, welk nut is er in beiden? » Maar wij lezen niet, dat Christus alle om niet gegeven genaden gebruikte, vooral niet de gave om allerlei soort talen te spreken. Dus schijnen niet alle om niet gegeven genaden in Christus geweest te zijn.3. De om niet gegeven genaden zijn bestemd tot nut van de gelovigen, naar het woord uit de Eerste Brief aan de Korintiërs (12, 7): “Aan iedereen wordt een openbaring van de Geest tot nuttig gebruik gegeven”. Maar een hebbelijkheid of een andere aanleg schijnt niet nuttig te zijn, als de mens ze niet gebruikt, volgens het boek Sirach (20, 32): “Verborgen wijsheid en een ongeziene schat, welk nut is er in beiden?” Maar wij lezen niet, dat Christus alle om niet gegeven genaden gebruikte, vooral niet de gave om allerlei soort talen te spreken. Dus schijnen niet alle om niet gegeven genaden in Christus geweest te zijn.
Sed contra est, quod Augustinus dicit in Epist. ad Dardanum [57. nunc. 187.], quod « sicut in capite sunt omnes sensus; ita in Christo fuerunt omnes gratiae ».
Daartegenover staat echter, wat Augustinus in den Brief aan Dardanus zegt, dat zooals alle zintuigen in het hoofd zijn, zoo ook in Christus alle genaden waren.Daartegenover staat echter, wat Augustinus in de Brief aan Dardanus zegt, dat zoals alle zintuigen in het hoofd zijn, zo ook in Christus alle genaden waren.
Respondeo dicendum, quod, sicut in 2. habitum est [1-2. q. 111. 238art. 4.], gratiae gratis datae ordinantur ad fidei, et spiritualis doctrinae manifestationem. Oportet enim, eum qui docet, habere ea, per quae sua doctrina manifestetur: alias sua doctrina esset inutilis. Spiritualis autem doctrinae, et fidei primus et principalis doctor est Christus, secundum illud Hebr. 2. [v. 3, 4]: « Cum initium accepisset enarrari per Dominum ab eis qui audierunt, in nos confirmata est, contestante Deo signis, et portentis » etc. Unde manifestum est, quod in Christo excellentissime fuerunt omnes gratiae gratis datae, sicut in primo, et principali fidei doctore.
Leerstelling. — Zooals in het tweede deel is gezegd (Ia-IIae, 238111e Kw., 4e Art.), zijn de om niet gegeven genaden bestemd om het geloof en de geestelijke leer openbaar te maken. Nu is het noodig, dat hij, die onderwijst, alles heeft om zijn leer bekend te maken, want anders is zijn onderricht nutteloos. Nu is van de geestelijke leer en het geloof Christus de eerste en voornaamste leeraar volgens het woord uit den Hebreeënbrief (2, 3 en 4): « Toen de leer in het begin eerst door den Heer verkondigd was, is zij door hen, die dat aanhoord hadden, in ons bevestigd, terwijl de Heer voor hen getuigde met teekenen en wonderen ». Daarom is het duidelijk, dat in Christus als in den eersten en voornaamsten leeraar van het geloof de om niet gegeven genaden zoo volmaakt mogelijk waren.Leerstelling. — Zoals in het tweede deel is gezegd (1-2, 238111e Kw., 4e Art.), zijn de om niet gegeven genaden bestemd om het geloof en de geestelijke leer openbaar te maken. Nu is het nodig, dat hij, die onderwijst, alles heeft om zijn leer bekend te maken, want anders is zijn onderricht nutteloos. Nu is van de geestelijke leer en het geloof Christus de eerste en voornaamste leraar volgens het woord uit de Hebreeënbrief (2, 3 en 4): “Toen de leer in het begin eerst door de Heer verkondigd was, is zij door hen, die dat aanhoord hadden, in ons bevestigd, terwijl de Heer voor hen getuigde met tekenen en wonderen”. Daarom is het duidelijk, dat in Christus als in de eersten en voornaamsten leraar van het geloof de om niet gegeven genaden zo volmaakt mogelijk waren.
Ad primum ergo dicendum, quod sicut gratia gratum faciens ordinatur ad actus meritorios, tam interiores, quam exteriores: ita gratia gratis data ordinatur ad quosdam actus exteriores fidei manifestativos; sicut est operatio miraculorum, et alia hujusmodi. In utraque autem gratia Christus plenitudinem habuit: inquantum enim divinitati unita erat ejus anima, plenam efficaciam habebat ad omnes praedictos actus perficiendos. Sed alii sancti, qui moventur a Deo, sicut instrumenta non unita, sed separata particulariter 239efficaciam recipiunt ad hos, vel ad illos actus perficiendos. Et ideo in aliis sanctis hujusmodi gratiae dividuntur, non autem in Christo.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zooals de genade, die welgevallig maakt, bestemd is voor verdienstelijke daden, zoowel innerlijke als uiterlijke, is de om niet gegeven genade bestemd voor sommige uiterlijke daden, die het geloof bekend maken, als het doen van wonderen en dergelijke. Maar in beiden had Christus de volheid der genade, want in zoover Zijn ziel met de godheid vereenigd was, had zij volledig kracht om alle genoemde handelingen te verrichten. Andere heiligen echter, die door God 239bewogen worden als niet met Hem vereenigde, maar los staande werktuigen, ontvangen speciaal de macht om deze of die handelingen te stellen. En daarom worden deze genaden bij de andere heiligen verdeeld aangetroffen, maar niet bij Christus.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoals de genade, die welgevallig maakt, bestemd is voor verdienstelijke daden, zowel innerlijke als uiterlijke, is de om niet gegeven genade bestemd voor sommige uiterlijke daden, die het geloof bekend maken, als het doen van wonderen en dergelijke. Maar in beiden had Christus de volheid van de genade, want in zover Zijn ziel met de godheid verenigd was, had zij volledig kracht om alle genoemde handelingen te verrichten. Andere heiligen echter, die door God 239bewogen worden als niet met Hem verenigde, maar los staande werktuigen, ontvangen speciaal de macht om deze of die handelingen te stellen. En daarom worden deze genaden bij de andere heiligen verdeeld aangetroffen, maar niet bij Christus.
Ad secundum dicendum, quod Christus dicitur « Dei virtus, et Dei sapientia » inquantum est aeternus Dei Filius. Sic autem non competit sibi habere gratiam, sed esse potius datorem4 gratiae. Competit autem sibi habere gratiam secundum humanam naturam.
2. Christus wordt « Gods kracht en Gods wijsheid » genoemd in zoover Hij de eeuwige Zoon Gods is. Maar onder dit opzicht komt het Hem niet toe de genade te hebben, maar eerder de gever der genade te zijn. Het komt Hem echter krachtens de menschelijke natuur toe de genade te hebben.2. Christus wordt “Gods kracht en Gods wijsheid” genoemd in zover Hij de eeuwige Zoon Gods is. Maar onder dit opzicht komt het Hem niet toe de genade te hebben, maar eerder de gever van de genade te zijn. Het komt Hem echter krachtens de menselijke natuur toe de genade te hebben.
Ad tertium dicendum, quod donum linguarum datum est Apostolis, quia mittebantur « ad docendas omnes gentes » [Mt. 28. v. 19]: Christus autem in una sola gente Judaeorum voluit personaliter praedicare, secundum quod ipse dicit Matth. 15. [v. 24]: « Non sum missus, nisi ad oves quae perierunt domus Israël », et Apost. dicit, Rom. 15. [v. 8]: « Dico Christum Jesum ministrum fuisse circumcisionis ». Et ideo non oportuit, quod loqueretur pluribus linguis. Nec tamen defuit ei omnium linguarum notitia; cum etiam occulta cordium ei non essent abscondita, ut infra dicetur [q. 10. art. 2.], quorum voce quaecumque sunt signa. Nec 240tamen inutiliter hanc notitiam habuit: sicut non inutiliter habet habitum, qui eo non utitur, quando non est opportunum.
3. De gave der talen werd aan de Apostelen gegeven, omdat zij gezonden werden « om alle volkeren te onderwijzen ». Maar Christus wilde persoonlijk alleen prediken onder het eene volk der Joden, naar Hij zelf volgens Matthaeus zei (15, 24): « Ik ben niet gezonden tenzij tot de schapen van het huis van Israël, die verloren gingen »; en de Apostel zegt in den Romeinenbrief (15, 8): « Ik zeg, dat Jesus Christus de bedienaar der besnijdenis is geweest ». En daarom was het niet noodig, dat Hij meerdere talen sprak. Toch miste Hij de kennis van alle talen niet; omdat zelfs, zooals later gezegd zal worden, de geheimen der harten, waarvan de woorden de teekens zijn, Hem niet verborgen waren. En deze kennis had Hij niet zonder nut, zooals hij, die een 240hebbelijkheid niet gebruikt, als er geen gelegenheid voor is, deze niet zonder nut heeft.3. De gave van de talen werd aan de Apostelen gegeven, omdat zij gezonden werden “om alle volkeren te onderwijzen”. Maar Christus wilde persoonlijk alleen prediken onder het ene volk van de Joden, naar Hij zelf volgens Matteüs zei (15, 24): “Ik ben niet gezonden tenzij tot de schapen van het huis van Israël, die verloren gingen”; en de Apostel zegt in de Romeinenbrief (15, 8): “Ik zeg, dat Jesus Christus de bedienaar van de besnijdenis is geweest”. En daarom was het niet nodig, dat Hij meerdere talen sprak. Toch miste Hij de kennis van alle talen niet; omdat zelfs, zoals later gezegd zal worden, de geheimen van de harten, waarvan de woorden de tekens zijn, Hem niet verborgen waren. En deze kennis had Hij niet zonder nut, zoals hij, die een 240hebbelijkheid niet gebruikt, als er geen gelegenheid voor is, deze niet zonder nut heeft.
Utrum in Christo fuerit prophetia
Was de gave der profetie in Christus?Was de gave van de profetie in Christus?
240Ad octavum sic proceditur. Videtur, quod in Christo non fuerit prophetia: prophetia enim importat quamdam obscuram et imperfectam notitiam, secundum illud Num. 12. [v. 6]: « Si quis fuerit inter vos Propheta Domini, per somnium, aut in visione loquar ad eum ». Sed Christus habuit plenam, et apertam1 notitiam, multo magis quam Moyses, de quo ibi subditur [v. 8], « quod palam, et non per aenigmata vidit Deum ». Non ergo in Christo debet poni prophetia.
240Bedenkingen. — Men beweert dat de gave van profetie niet in Christus was. — 1. Want profetie sluit een duistere en onvolmaakte kennis in, naar het boek der Getallen (12, 6): « Als iemand onder u profeet des Heeren is, zal Ik in droomen of gezichten tot hem spreken ». Maar Christus had de volle en volmaakte kennis, veel meer dan Mozes, van wien er daar bij wordt gevoegd, dat hij « openlijk en niet in raadsels God zag ». Dus moest er in Christus geen profetie zijn.240Bedenkingen. — Men beweert dat de gave van profetie niet in Christus was. — 1. Want profetie sluit een duistere en onvolmaakte kennis in, naar het boek van de Getallen (12, 6): “Als iemand onder u profeet van de Heer is, zal Ik in dromen of gezichten tot hem spreken”. Maar Christus had de volle en volmaakte kennis, veel meer dan Mozes, van wie er daar bij wordt gevoegd, dat hij “openlijk en niet in raadsels God zag”. Dus moest er in Christus geen profetie zijn.
2. Praeterea, sicut fides est eorum quae non videntur, et spes eorum quae non habentur: ita prophetia est eorum, quae non sunt praesentia, sed 241distant: nam propheta dicitur, quasi « procul fans ». Sed in Christo non ponitur fides, nec spes, ut supra dictum est [art. 3. et 4. huj. q.]. Ergo prophetia etiam non debet poni in Christo.
2. Zooals geloof gaat over wat niet gezien en hoop over wat niet bezeten wordt, zoo gaat profetie over wat niet aanwezig is, want het woord « profeet » beduidt « die van verre spreekt ». 241Maar, zooals wij boven zeiden (3e en 4e Art.), nemen wij in Christus geloof noch hoop aan. Dus moet men ook de profetie niet in Christus aannemen.2. Zoals geloof gaat over wat niet gezien en hoop over wat niet bezeten wordt, zo gaat profetie over wat niet aanwezig is, want het woord “profeet” beduidt “die van verre spreekt”. 241Maar, zoals wij boven zeiden (3e en 4e Art.), nemen wij in Christus geloof noch hoop aan. Dus moet men ook de profetie niet in Christus aannemen.
3. Praeterea, prophetia est inferioris ordinis, quam Angelus; unde et de Moyse, qui fuit supremus Prophetarum, ut in 2. dictum est [2-2. q. 174. art. 4.], dicitur, Act. 7. [v. 38], quod « locutus est cum Angelo in solitudine ». Sed Christus non est « minoratus ab angelis » secundum notitiam animae, sed solum « secundum corporis passionem », ut habetur Hebr. 2. [v. 9]. Ergo videtur, quod Christus non fuit propheta.
3. De profeet is van een lagere orde dan een engel, zoodat van Mozes, die de grootste der profeten was, zooals in het tweede deel is gezegd (IIa-IIae, 174e Kw., 4e Art.), in de Handelingen staat geschreven (7, 38): « Hij sprak met den Engel in de eenzaamheid ». Maar Christus is niet « lager gesteld dan de engelen » wat de kennis van Zijn ziel, maar « wat het lijden van zijn lichaam betreft », zooals in den Hebreeënbrief staat (2, 9). Dus schijnt Christus geen profeet te zijn geweest.3. De profeet is van een lagere orde dan een engel, zodat van Mozes, die de grootste van de profeten was, zoals in het tweede deel is gezegd (2-2, 174e Kw., 4e Art.), in de Handelingen staat geschreven (7, 38): “Hij sprak met de Engel in de eenzaamheid”. Maar Christus is niet “lager gesteld dan de engelen” wat de kennis van Zijn ziel, maar “wat het lijden van zijn lichaam betreft”, zoals in de Hebreeënbrief staat (2, 9). Dus schijnt Christus geen profeet te zijn geweest.
Sed contra est, quod de eo praedicitur2 Deut. 18. [v. 15]: « Prophetam suscitabit nobis Deus de fratribus vestris ». Et ipse de se dicit, Matth. 13. [v. 57], et Joan. 4. [v. 44]: « Non est propheta sine honore, nisi in patria sua ».
Maar daartegenover staat wat in Deuteronomium van Hem wordt gezegd (18, 15): « Een profeet zal God U opwekken uit uw broeders ». En Hij zegt van zichzelf bij Matthaeus (13, 57) en Johannes (4, 44): « Een profeet is niet zonder eer tenzij in zijn vaderstad ».Maar daartegenover staat wat in Deuteronomium van Hem wordt gezegd (18, 15): “Een profeet zal God U opwekken uit uw broeders”. En Hij zegt van zichzelf bij Matteüs (13, 57) en Johannes (4, 44): “Een profeet is niet zonder eer tenzij in zijn vaderstad”.
Respondeo dicendum, quod, propheta dicitur, quasi « procul fans, 242vel procul videns », inquantum scilicet cognoscit, et loquitur ea, quae sunt procul ab hominum sensibus, sicut etiam Augustinus dicit 16. contra Faustum [cap. 18.]. Est autem considerandum, quod non potest dici alicujus propheta ex hoc, quod cognoscit, et annuntiat ea, quae sunt aliis procul, cum quibus ipse non est; et hoc manifestum est secundum locum, et secundum tempus. Si enim aliquis in Gallia existens cognosceret, et annunciaret aliis in Gallia existentibus ea, quae tunc in Syria agerentur, propheticum esset: sicut Helisaeus ad Giezi dixit [4. Reg. 5. v. 26] quomodo vir descenderat de curru, et occurrerat ei. Si vero aliquis in Syria existens, ea quae sunt ibi annuntiaret, non esset3 propheticum. Et idem apparet secundum tempus. Propheticum enim fuit, quod Isaias praenuntiavit, quod Cyrus rex Persarum templum Dei esset reaedificaturus, ut patet Isa. 44. [v. 28]: non autem fuit propheticum, quod Esdras [lib. 1. cap. 1 et 3] hoc scripsit, cujus tempore factum est.
Leerstelling. — « Profeet » beteekent « van verre 242sprekend » of « van verre ziend », in zoover hij nl. kent en ziet, wat ver van de zinnen van den mensch is, zooals ook Augustinus zegt in het 16e boek Tegen Faustus (18e H.). Maar nu moet men er rekening mee houden, dat iemand niet hierom profeet kan worden genoemd, dat hij kent en aankondigt wat ver is van anderen, bij wie hij zelf niet is. En dat is duidelijk zoowel wat tijd als wat plaats betreft. Want als iemand in Gallië was en wat in Syrië gebeurde, kende en aan anderen in Gallië verkondigde, zou het profetisch zijn, zooals Eliseus aan Giezi zei, in het 4e boek der Koningen, hoe een man van zijn wagen steeg en hem tegemoet kwam. Maar als iemand in Syrië was, en verkondigde, wat daar gebeurde, was het niet profetisch. En dat blijkt ook wat den tijd betreft. Want het was profetisch, dat Isaias verkondigde, dat Cyrus, de koning der Perzen, den tempel van God zou herbouwen, zooals uit het XLIV hoofdstuk van Isaias blijkt; maar het was niet profetisch, dat Esdras het schreef, in wiens tijd het geschiedde.Leerstelling. — “Profeet” betekent “van verre 242sprekend” of “van verre ziend”, in zover hij nl. kent en ziet, wat ver van de zinnen van de mens is, zoals ook Augustinus zegt in het 16e boek Tegen Faustus (18e H.). Maar nu moet men er rekening mee houden, dat iemand niet hierom profeet kan worden genoemd, dat hij kent en aankondigt wat ver is van anderen, bij wie hij zelf niet is. En dat is duidelijk zowel wat tijd als wat plaats betreft. Want als iemand in Gallië was en wat in Syrië gebeurde, kende en aan anderen in Gallië verkondigde, zou het profetisch zijn, zoals Eliseus aan Giezi zei, in het 4e boek van de Koningena, hoe een man van zijn wagen steeg en hem tegemoet kwam. Maar als iemand in Syrië was, en verkondigde, wat daar gebeurde, was het niet profetisch. En dat blijkt ook wat de tijd betreft. Want het was profetisch, dat Jesaja verkondigde, dat Cyrus, de koning van de Perzen, de tempel van God zou herbouwen, zoals uit het 44 hoofdstuk van Jesaja blijkt; maar het was niet profetisch, dat Esdras het schreef, in wiens tijd het geschiedde.
Si igitur Deus, aut Angeli, vel etiam beati cognoscunt, et annuntiant ea, quae sunt procul a nostra notitia, hoc4 non pertinet ad prophetiam; 243quia in nullo nostrum statum attingunt. Christus autem ante passionem nostrum statum attingebat; inquantum non solum erat comprehensor, sed etiam viator. Et ideo propheticum erat, quod ea quae erant procul ab aliorum viatorum notitia, et cognoscebat, et annuntiabat. Et hac ratione dicitur in eo fuisse prophetia.
Als dus God of de engelen of zaligen kennen en verkondigen, wat ver van onze kennis is, valt dat niet onder de profetie, want in niets zijn zij in onzen toestand. Maar Christus was voor zijn 243lijden in onzen toestand, in zoover Hij niet alleen de zaligheid reeds bezat, maar ook op weg erheen was. En daarom was het profetisch, dat Hij wat ver was van de kennis van andere pelgrims, kende en aankondigde. En daarom zegt men, dat de profetie in Hem was.Als dus God of de engelen of zaligen kennen en verkondigen, wat ver van onze kennis is, valt dat niet onder de profetie, want in niets zijn zij in onze toestand. Maar Christus was voor zijn 243lijden in onze toestand, in zover Hij niet alleen de zaligheid reeds bezat, maar ook op weg erheen was. En daarom was het profetisch, dat Hij wat ver was van de kennis van andere pelgrims, kende en aankondigde. En daarom zegt men, dat de profetie in Hem was.
Ad primum ergo dicendum, quod per illa verba non ostenditur esse de ratione prophetiae aenigmatica cognitio, quae scilicet est per somnium, et in visione: sed ostenditur comparatio aliorum prophetarum, qui per somnium, et in visione perceperunt divina, ad Moysen, qui palam, et non per aenigmata Deum vidit; qui5 propheta est dictus, secundum illud Deut. ult. [v. 10]: « Non surrexit ultra propheta in Israël, sicut Moyses ».
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Uit deze woorden blijkt niet, dat de kennis in raadsels tot het wezen der profetie behoort, die nl., die in droomen en gezichten bestaat, maar hieruit blijkt de verhouding tusschen de andere profeten, die het goddelijke door droomen en gezichten ontvingen, en Mozes, die openlijk en niet in raadsels God zag, en toch profeet werd genoemd, volgens Deuteronomium (Laatste H., 10): « Later stond geen profeet in Israël op zooals Moses ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Uit deze woorden blijkt niet, dat de kennis in raadsels tot het wezen van de profetie behoort, die nl., die in dromen en gezichten bestaat, maar hieruit blijkt de verhouding tussen de andere profeten, die het goddelijke door dromen en gezichten ontvingen, en Mozes, die openlijk en niet in raadsels God zag, en toch profeet werd genoemd, volgens Deuteronomium (Laatste H., 10): “Later stond geen profeet in Israël op zoals Moses”.
Potest tamen dici, quod etsi Christus habuit plenam, et apertam notitiam quantum ad partem intellectivam; habuit tamen in parte imaginativa quasdam similitudines, in quibus etiam poterat speculari divina, inquantum non solum erat comprehensor, sed etiam viator.
Men kan evenwel zeggen, dat Christus, al had Hij wat het redelijke deel betreft een volledige en openlijke kennis, toch in Zijn verbeelding eenige beelden bezat, waarin Hij het goddelijke kon beschouwen, in zoover Hij niet alleen reeds bezitter was van den hemel, maar ook pelgrim daarheen.Men kan evenwel zeggen, dat Christus, al had Hij wat het redelijke deel betreft een volledige en openlijke kennis, toch in Zijn verbeelding enige beelden bezat, waarin Hij het goddelijke kon beschouwen, in zover Hij niet alleen reeds bezitter was van de hemel, maar ook pelgrim daarheen.
244Ad secundum dicendum, quod fides est eorum, quae non videntur ab ipso credente. Et similiter spes est eorum, quae non habentur ab ipso sperante. Sed prophetia est eorum, quae sunt procul a communi hominum sensu, cum quibus propheta conversatur, et communicat in statu vitae6. Et ideo fides, et spes repugnant perfectioni beatitudinis Christi, non autem prophetia.
2442. Geloof gaat over die dingen, die niet gezien worden door hem zelf, die gelooft. Evenzoo gaat de hoop over dingen, die niet bezeten worden door hem die hoopt zelf. Maar de profetie betrekt zich op dingen, die ver zijn van wat de gewone menschen waarnemen, waarmee de profeet omgaat en verkeert, terwijl hij op aarde is. En daarom strijden geloof en hoop met de volmaaktheid der zaligheid in Christus, maar de profetie niet.2442. Geloof gaat over die dingen, die niet gezien worden door hemzelf, die gelooft. Evenzo gaat de hoop over dingen, die niet bezeten worden door hem die hoopt zelf. Maar de profetie betrekt zich op dingen, die ver zijn van wat de gewone mensen waarnemen, waarmee de profeet omgaat en verkeert, terwijl hij op aarde is. En daarom strijden geloof en hoop met de volmaaktheid van de zaligheid in Christus, maar de profetie niet.
Ad tertium dicendum, quod angelus, cum sit comprehensor, est supra prophetam, qui est purus viator, non autem supra Christum, qui fuit simul viator, et comprehensor.
3. Omdat de engel reeds de zaligheid bezit, is hij boven de profeet, die niets meer is dan een reiziger op weg naar den hemel, maar niet boven Christus, die tegelijk pelgrim en bezitter van den hemel was.3. Omdat de engel reeds de zaligheid bezit, is hij boven de profeet, die niets meer is dan een reiziger op weg naar de hemel, maar niet boven Christus, die tegelijk pelgrim en bezitter van de hemel was.
Utrum in Christo fuerit plenitudo gratiae
Was de volheid der genade in Christus?Was de volheid van de genade in Christus?
244Ad nonum sic proceditur. Videtur, quod non fuerit in Christo gratiae plenitudo. A gratia enim derivantur virtutes, ut in 2. dictum est [1-2. 245q. 110. art. 4. ad 1.]. Sed in Christo non fuerunt omnes virtutes: non enim fuit in eo fides, neque spes, ut ostensum est [art. 3. et 4. huj. q.]. Ergo in Christo non fuit gratiae plenitudo.
244Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat de volheid der genade niet in Christus was. Want uit de genade ontspruiten de deugden, 245zooals in het tweede deel is gezegd (Ia-IIae, 110e Kw., 4e Art., Antw. op 1e B.). Maar in Christus waren niet alle deugden, omdat in Hem zooals is aangetoond, geloof noch hoop waren. Dus was de volheid der genade niet in Christus.244Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat de volheid van de genade niet in Christus was. Want uit de genade ontspruiten de deugden, 245zoals in het tweede deel is gezegd (1-2, 110e Kw., 4e Art., Antw. op 1e B.). Maar in Christus waren niet alle deugden, omdat in Hem zoals is aangetoond, geloof noch hoop waren. Dus was de volheid van de genade niet in Christus.
2. Praeterea, sicut patet ex his quae in 2. dicta sunt [1-2. q. 111. art. 2.], gratia dividitur in operantem, et cooperantem: operans autem gratia dicitur, per quam justificatur impius. Quod quidem non habuit locum in Christo, qui nunquam subjacuit alicui peccato. Ergo in Christo non fuit plenitudo gratiae.
2. Zooals blijkt uit wat in het tweede deel is gezegd (Ia-IIae, 111e Kw., 2e Art.), wordt de genade verdeeld in genade, die werkt en genade, die medewerkt. Nu noemt men de genade, waardoor de zondaar gerechtvaardigd wordt, de werkende genade. En dat gebeurde bij Christus, die nooit in eenige zonde viel, niet. Dus was de volheid der genade niet in Christus.2. Zoals blijkt uit wat in het tweede deel is gezegd (1-2, 111e Kw., 2e Art.), wordt de genade verdeeld in genade, die werkt en genade, die medewerkt. Nu noemt men de genade, waardoor de zondaar gerechtvaardigd wordt, de werkende genade. En dat gebeurde bij Christus, die nooit in enige zonde viel, niet. Dus was de volheid van de genade niet in Christus.
3. Praeterea, Jacob. 1. [v. 17] dicitur: « Omne datum optimum, et omne donum perfectum desursum est, descendens a Patre luminum ». Sed quod descendit, habetur particulariter, et non plene. Ergo nulla creatura, nec etiam anima Christi, potest habere plenitudinem donorum gratiae.
3. In den Brief van Jacobus wordt gezegd (1, 17): « Iedere volmaakte gave en elk hoog geschenk komt van boven, neerdalend van den Vader van het licht ». Maar wat nederdaalt, wordt voor een gedeelte bezeten en niet naar zijn volheid. Dus kan geen schepsel en ook Christus' ziel niet, de genadegaven in hun volheid hebben.3. In de Brief van Jacobus wordt gezegd (1, 17): “Iedere volmaakte gave en elk hoog geschenk komt van boven, neerdalend van de Vader van het licht”. Maar wat nederdaalt, wordt voor een gedeelte bezeten en niet naar zijn volheid. Dus kan geen schepsel en ook Christus' ziel niet, de genadegaven in hun volheid hebben.
Sed contra est, quod dicitur Joan. 1. [v. 14]: « Vidimus eum plenum gratiae et veritatis ».
Maar daartegenover staat wat bij Johannes wordt gezegd (1, 14): « Wij hebben Hem gezien, vol van genade en waarheid ».Maar daartegenover staat wat bij Johannes wordt gezegd (1, 14): “Wij hebben Hem gezien, vol van genade en waarheid”.
Respondeo dicendum, quod plene dicitur haberi, quod perfecte, et 246totaliter habetur. Totalitas autem, et perfectio potest attendi dupliciter. Uno modo quantum ad quantitatem ejus intensivam: puta si dicam aliquem plene habere albedinem, si habeat eam quantumque nata est haberi. Alio modo secundum omnes effectus, vel opera vitae. Et sic habet plene vitam homo, non autem brutum animal, vel planta.
Leerstelling. — Men zegt, dat iets volledig bezeten wordt, 246als het geheel en al en volmaakt wordt bezeten. Nu kan men de volledigheid en de volmaaktheid dubbel beschouwen. Ten eerste wat de intensieve hoeveelheid betreft, zooals men bv. zegt, dat iemand de witheid volledig heeft, als hij haar bezit in de volle mate, waarin zij bezeten kan worden. Vervolgens wat de kracht betreft, zooals men van iemand zegt, dat hij ten volle het leven heeft, omdat hij dat bezit in al zijn gevolgen of in alle levensuitingen. En zoo heeft de mensch het leven ten volle, maar het redelooze dier of een plant niet.Leerstelling. — Men zegt, dat iets volledig bezeten wordt, 246als het geheel en al en volmaakt wordt bezeten. Nu kan men de volledigheid en de volmaaktheid dubbel beschouwen. Ten eerste wat de intensieve hoeveelheid betreft, zoals men bv. zegt, dat iemand de witheid volledig heeft, als hij haar bezit in de volle mate, waarin zij bezeten kan worden. Vervolgens wat de kracht betreft, zoals men van iemand zegt, dat hij ten volle het leven heeft, omdat hij dat bezit in al zijn gevolgen of in alle levensuitingen. En zo heeft de mens het leven ten volle, maar het redeloze dier of een plant niet.
Utroque autem modo Christus habuit gratiae plenitudinem. Primo quidem, quia habuit eam in summo, secundum perfectissimum modum quo haberi potest1. Et hoc quidem apparet: primo ex propinquitate animae Christi ad causam gratiae. Dictum est enim [art. 1. huj. q.], quod quanto aliquod receptivum propinquius est causae influenti, tanto2 abundantius recipit. Et ideo anima Christi, quae propinquius conjungitur Deo inter omnes creaturas rationales, maximam recipit influentiam gratiae ejus. Secundo ex comparatione ejus ad effectum. Sic enim recipiebat anima Christi gratiam, ut ex ea quodammodo transfunderetur in alios. Et ideo oportuit, 247quod haberet maximam gratiam: sicut ignis, qui est causa caloris in omnibus calidis, est maxime calidus.
Op beide manieren nu had Christus de genade ten volle. Vooreerst omdat Hij haar in hoogste mate bezat, op de volmaaktste manier, waarop zij bezeten kan worden. En dat blijkt vooreerst uit de nauwe verbinding van Christus' ziel met de oorzaak der genade. Want wij hebben gezegd (1e Art.), dat naarmate iets, dat ontvangen kan, dichter bij den invloed der oorzaak staat, het ook in ruimer mate ontvangt. En dus kreeg Christus' ziel, die van alle schepselen het innigst met God vereenigd is, den grootsten stroom van zijn genade. — Ten tweede uit de vergelijking met wat Hij uitwerkte. Want Christus' ziel ontving de genade zoo, dat zij uit haar in zekeren zin op anderen overvloeide. En dus moest zij 247de hoogste genade hebben, zooals het vuur, dat de oorzaak der warmte in alle dingen is, van allen het warmst is.Op beide manieren nu had Christus de genade ten volle. Vooreerst omdat Hij haar in hoogste mate bezat, op de volmaaktste manier, waarop zij bezeten kan worden. En dat blijkt vooreerst uit de nauwe verbinding van Christus' ziel met de oorzaak van de genade. Want wij hebben gezegd (1e Art.), dat naarmate iets, dat ontvangen kan, dichter bij de invloed van de oorzaak staat, het ook in ruimer mate ontvangt. En dus kreeg Christus' ziel, die van alle schepselen het innigst met God verenigd is, de grootste stroom van zijn genade. — Ten tweede uit de vergelijking met wat Hij uitwerkte. Want Christus' ziel ontving de genade zo, dat zij uit haar in zekeren zin op anderen overvloeide. En dus moest zij 247de hoogste genade hebben, zoals het vuur, dat de oorzaak van de warmte in alle dingen is, van allen het warmst is.
Similiter etiam quantum ad virtutem gratiae, plene habuit gratiam: quia habuit eam ad omnes operationes, vel effectus gratiae. Et hoc ideo, quia conferebatur ei gratia, tanquam cuidam universali principio in genere habentium gratiam3. Virtus autem primi principii alicujus generis universaliter se extendit ad omnes effectus illius generis: sicut sol, qui est universalis causa generationis, ut Dionysius dicit in 4. cap. de Div. Nom. [part. 1. lect. 3.], ejus virtus se extendit ad omnia, quae sub generatione cadunt. Et sic secunda plenitudo gratiae extenditur4 in Christo; inquantum se extendit ejus gratia ad omnes gratiae effectus, qui sunt virtutes, et dona, et alia hujusmodi.
Evenzoo had Hij de genade ten volle, wat de kracht der genade betreft, want Hij had haar met alles, wat de genade uitwerkt of ten gevolge heeft. En dat is hierom, dat Hem de genade werd gegeven als aan een algemeen beginsel onder hen, die de genade bezitten. Nu strekt de kracht van een eerste beginsel in de een of andere orde zich algemeen uit over alle gevolgen in die orde, zooals de kracht van de zon, die zooals Dionysius in het boek Over de Namen van God (4e H.), de algemeene oorzaak van het ontstaan is, zich uitstrekt tot alles, wat onder het ontstaan valt. En zoo vindt men de tweede volheid der genade in Christus, in zoover Zijn genade zich uitstrekt tot alle gevolgen der genade, nl. de deugden en de gaven en dergelijken.Evenzo had Hij de genade ten volle, wat de kracht van de genade betreft, want Hij had haar met alles, wat de genade uitwerkt of ten gevolge heeft. En dat is hierom, dat Hem de genade werd gegeven als aan een algemeen beginsel onder hen, die de genade bezitten. Nu strekt de kracht van een eerste beginsel in de een of andere orde zich algemeen uit over alle gevolgen in die orde, zoals de kracht van de zon, die zoals Dionysius in het boek Over de Namen van God (4e H.), de algemene oorzaak van het ontstaan is, zich uitstrekt tot alles, wat onder het ontstaan valt. En zo vindt men de tweede volheid van de genade in Christus, in zover Zijn genade zich uitstrekt tot alle gevolgen van de genade, nl. de deugden en de gaven en dergelijken.
Ad primum ergo dicendum, quod fides, et spes nominant effectus gratiae in5 quodam defectu, qui est ex parte recipientis gratiam; inquantum scilicet fides est de non visis, et spes de non habitis. Unde non oportet 248quod in Christo, qui est actor6 gratiae, fuerint defectus, quos important fides, et spes. Sed quidquid est perfectionis in fide, et spe, in Christo est multo perfectius. Sicut in igne non sunt omnes modi caloris defectivi ex defectu subjecti, sed quidquid pertinet ad perfectionem caloris.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Geloof en hoop geven gevolgen der genade aan, waaraan een gebrek is verbonden, dat komt van de kant van hem, die de genade ontvangt, in zoover 248nl. het geloof gaat over wat niet wordt gezien en de hoop over wat niet bezeten wordt. Daarom moesten in Christus, die de gever der genade is, de gebreken, die geloof en hoop meebrengen, niet zijn. Maar wat er aan volmaaktheid is in geloof en hoop, vinden wij in Christus op nog veel volmaakter manier. Zooals er ook in het vuur niet alle gebrekkige manieren van warm zijn, die komen van een gebrek van wat verwarmd wordt, gevonden worden, maar wel alles, wat tot de volmaaktheid der warmte behoort.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Geloof en hoop geven gevolgen van de genade aan, waaraan een gebrek is verbonden, dat komt van de kant van hem, die de genade ontvangt, in zover 248nl. het geloof gaat over wat niet wordt gezien en de hoop over wat niet bezeten wordt. Daarom moesten in Christus, die de gever van de genade is, de gebreken, die geloof en hoop meebrengen, niet zijn. Maar wat er aan volmaaktheid is in geloof en hoop, vinden wij in Christus op nog veel volmaakter manier. Zoals er ook in het vuur niet alle gebrekkige manieren van warm zijn, die komen van een gebrek van wat verwarmd wordt, gevonden worden, maar wel alles, wat tot de volmaaktheid van de warmte behoort.
Ad secundum dicendum, quod ad gratiam operantem per se pertinet facere justum: sed quod justum faciat ex impio, hoc accidit ei ex parte subjecti, in quo peccatum invenitur. Anima Christi igitur justificata est per gratiam operantem, inquantum per eam facta est justa, et sancta a principio suae conceptionis, non quod ante fuerit peccatrix, aut etiam non justa.
2. Uiteraard is het aan de werkende genade eigen iemand rechtvaardig te maken; maar dat het iemand van zondaar rechtvaardig maakt, komt er toevallig bij van de kant van den ontvanger der genade, in wien de zonde wordt gevonden. Christus' ziel is dus rechtvaardig gemaakt door de werkende genade, in zoover zij rechtvaardig en heilig is gemaakt vanaf het begin, dat zij ontvangen is; maar niet alsof zij te voren zondig of zelfs maar niet rechtvaardig was.2. Uiteraard is het aan de werkende genade eigen iemand rechtvaardig te maken; maar dat het iemand van zondaar rechtvaardig maakt, komt er toevallig bij van de kant van de ontvanger van de genade, in wie de zonde wordt gevonden. Christus' ziel is dus rechtvaardig gemaakt door de werkende genade, in zover zij rechtvaardig en heilig is gemaakt vanaf het begin, dat zij ontvangen is; maar niet alsof zij te voren zondig of zelfs maar niet rechtvaardig was.
Ad tertium7 dicendum, quod plenitudo gratiae attribuitur animae Christi secundum capacitatem creaturae, non autem per comparationem ad plenitudinem infinitam bonitatis divinae.
3. De volheid der genade wordt aan Christus' ziel toegeschreven, gerekend naar het vermogen van het schepsel om te ontvangen, maar niet in vergelijking met de oneindige volheid der goddelijke goedheid.3. De volheid van de genade wordt aan Christus' ziel toegeschreven, gerekend naar het vermogen van het schepsel om te ontvangen, maar niet in vergelijking met de oneindige volheid van de goddelijke goedheid.
Utrum plenitudo gratiae sit propria Christi
Is de volheid der genade eigen aan Christus?Is de volheid van de genade eigen aan Christus?
249Ad decimum sic proceditur. Videtur, quod plenitudo gratiae non sit propria Christi. Quod enim est proprium alicujus, sibi soli convenit. Sed esse plenum gratia quibusdam aliis attribuitur: dicitur enim Luc. 1. [v. 28] Beatae Virgini: « Ave, gratia plena Dominus tecum »: dicitur etiam Act. 6. [v. 8]: « Stephanus plenus gratia, et fortitudine ». Ergo plenitudo gratiae non est propria Christo.
249Bedenkingen. — Men beweert, dat de volheid der genade niet eigen was aan Christus. — 1. Want wat aan iemand eigen is, komt hem alleen toe. Maar vol zijn van genade wordt ook aan sommige anderen toegeschreven; want bij Lucas (1, 28) wordt tot de Heilige Maagd gezegd: « Wees gegroet, gij vol van genade, de Heer is met U », en in de Handelingen wordt van Stephanus gezegd (6, 8): « Stephanus echter, vol van genade en kracht... » Dus is de volheid der genade niet eigen aan Christus.249Bedenkingen. — Men beweert, dat de volheid van de genade niet eigen was aan Christus. — 1. Want wat aan iemand eigen is, komt hem alleen toe. Maar vol zijn van genade wordt ook aan sommige anderen toegeschreven; want bij Lukas (1, 28) wordt tot de Heilige Maagd gezegd: “Wees gegroet, gij vol van genade, de Heer is met U”, en in de Handelingen wordt van Stephanus gezegd (6, 8): “Stephanus echter, vol van genade en kracht...” Dus is de volheid van de genade niet eigen aan Christus.
2. Praeterea, illud quod potest communicari aliis per Christum, non videtur esse proprium Christo. Sed plenitudo gratiae potest communicari per Christum aliis: dicit enim Apost. Ephes. 3. [v. 19]: « Ut impleamini in omnem plenitudinem Dei ». Ergo plenitudo gratiae non est propria Christo.
2. Want aan anderen door Christus kan worden medegedeeld, schijnt aan Christus niet eigen te zijn. Nu kan de volheid der genade door Christus aan anderen worden medegedeeld, want de Apostel zegt in den Ephesiërsbrief (3, 19): « Dat gij vervuld moogt worden met al de volheid van God ». Dus is de volheid der genade niet eigen aan Christus.2. Want aan anderen door Christus kan worden medegedeeld, schijnt aan Christus niet eigen te zijn. Nu kan de volheid van de genade door Christus aan anderen worden medegedeeld, want de Apostel zegt in de Efesiërsbrief (3, 19): “Dat gij vervuld moogt worden met al de volheid van God”. Dus is de volheid van de genade niet eigen aan Christus.
3. Praeterea, status viae proportionari videtur statui patriae. Sed in 250statu patriae erit quaedam plenitudo: quia « in illa coelesti patria, ubi plenitudo est omnis boni, licet quaedam data sint excellenter, nihil tamen possidetur singulariter », ut patet per Gregorium in hom. de Centum ovib. [34. in Evangel.]. Ergo in statu viae habetur gratiae plenitudo a singulis hominibus. Et ita plenitudo gratiae non est propria Christi1.
3. Onze toestand op weg naar den hemel schijnt te 250beantwoorden aan dien in het hemelsch vaderland. Maar daar zal er een volheid zijn, omdat « in dat hemelsch vaderland, waar de volheid van alle goed is, niemand iets alleen wat bezitten, ook al zijn er een paar heel uitstekende gaven », zooals Gregorius zegt in de homelie Over de Honderd Schapen. Dus hebben de menschen op weg erheen ieder afzonderlijk de volheid der genade. En zoo is de volheid der genade niet eigen aan Christus.3. Onze toestand op weg naar de hemel schijnt te 250beantwoorden aan die in het hemels vaderland. Maar daar zal er een volheid zijn, omdat “in dat hemels vaderland, waar de volheid van alle goed is, niemand iets alleen wat bezitten, ook al zijn er een paar heel uitstekende gaven”, zoals Gregorius zegt in de homelie Over de Honderd Schapen. Dus hebben de mensen op weg erheen ieder afzonderlijk de volheid van de genade. En zo is de volheid van de genade niet eigen aan Christus.
Sed contra est, quod plenitudo gratiae attribuitur Christo, inquantum est unigenitus a Patre, secundum illud Joan. 1. [v. 14]: « Vidimus eum, quasi unigenitum a Patre, plenum gratiae, et veritatis ». Sed esse unigenitum a Patre, est proprium Christo. Ergo et sibi proprium est, esse plenum gratiae, et veritatis.
Maar daartegenover staat, dat de volheid der genade aan Christus wordt toegeschreven, in zoover Hij de eeniggeborene der Vaders is, volgens Johannes (1, 14): « Wij hebben Hem gezien als de Eeniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid ». Maar eeniggeborene des Vaders te zijn is eigen aan Christus. En zoo is het eigen vol van genade en waarheid te zijn.Maar daartegenover staat, dat de volheid van de genade aan Christus wordt toegeschreven, in zover Hij de eniggeborene van de Vaders is, volgens Johannes (1, 14): “Wij hebben Hem gezien als de Eniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid”. Maar eniggeborene van de Vader te zijn is eigen aan Christus. En zo is het eigen vol van genade en waarheid te zijn.
Respondeo dicendum, quod plenitudo gratiae potest attendi dupliciter: uno modo ex parte ipsius gratiae: alio modo ex parte habentis gratiam. Ex parte quidem ipsius gratiae dicitur esse plenitudo gratiae ex eo, quod aliquis pertingit ad summum gratiae, et quantum ad essentiam, et quantum 251ad virtutem; quia scilicet habet gratiam, et in maxima excellentia qua potest haberi, et in maxima extensione ad omnes gratiae effectus. Et talis gratiae plenitudo est propria Christo. Ex parte vero subjecti dicitur gratiae plenitudo, quando quis habet plene gratiam secundum suam conditionem: sive secundum intensionem, prout in eo est intensa gratia usque ad terminum praefixum ei a Deo, secundum illud Ephes. 4. [v. 7]: « Unicuique nostrum data est gratia secundum mensuram donationis Christi »; sive etiam secundum virtutem; inquantum scilicet habet facultatem gratiae ad omnia, quae pertinent ad suum officium, sive statum; sicut Apost. dicebat Ephes. 3. [v. 8, 9]: « Mihi omnium sanctorum minimo data est gratia haec, illuminare omnes » etc. Et talis gratiae plenitudo non est propria Christo, sed communicatur aliis per Christum.
Leerstelling. — De volheid der genade kan men dubbel beschouwen: ten eerste van de kant der genade zelf en ten tweede van de kant van hem, die de genade heeft. Van de kant der genade genomen spreekt men van volheid van genade hierom, dat iemand tot den hoogsten graad der genade komt en wat haar wezen en 251wat haar kracht betreft, omdat hij nl. de genade bezit in de hoogste volmaaktheid, waarin zij bezeten kan worden en in haar grootsten omvang, die zich uitstrekt tot alle gevolgen der genade. En deze volheid der genade is eigen aan Christus. — Genomen van de kant van den bezitter, spreekt men van volheid van genade, wanneer iemand ten volle de genade heeft, voor zoover het aan zijn toestand past; hetzij naar de intensiteit, in zoover de genade zoo diep in hem geworteld is als de door God gestelde grens het toelaat, volgens den Ephesiërsbrief (4, 7): « Aan ieder van ons is de genade gegeven naar den graad van Christus' gave »; hetzij naar haar kracht, in zoover hij de vermogens der genade bezit voor alles, wat tot zijn staat of plicht behoort, zooals de Apostel in den Ephesiërsbrief zei (3, 8 en 9): « Aan mij, den minste der heiligen, is deze genade gegeven, den menschen te verlichten, enz. » En deze genade is niet eigen aan Christus, maar wordt aan anderen door Christus medegedeeld.Leerstelling. — De volheid van de genade kan men dubbel beschouwen: ten eerste van de kant van de genade zelf en ten tweede van de kant van hem, die de genade heeft. Van de kant van de genade genomen spreekt men van volheid van genade hierom, dat iemand tot de hoogste graad van de genade komt en wat haar wezen en 251wat haar kracht betreft, omdat hij nl. de genade bezit in de hoogste volmaaktheid, waarin zij bezeten kan worden en in haar grootsten omvang, die zich uitstrekt tot alle gevolgen van de genade. En deze volheid van de genade is eigen aan Christus. — Genomen van de kant van de bezitter, spreekt men van volheid van genade, wanneer iemand ten volle de genade heeft, voor zover het aan zijn toestand past; hetzij naar de intensiteit, in zover de genade zo diep in hem geworteld is als de door God gestelde grens het toelaat, volgens de Efesiërsbrief (4, 7): “Aan ieder van ons is de genade gegeven naar de graad van Christus' gave”; hetzij naar haar kracht, in zover hij de vermogens van de genade bezit voor alles, wat tot zijn staat of plicht behoort, zoals de Apostel in de Efesiërsbrief zei (3, 8 en 9): “Aan mij, de minste van de heiligen, is deze genade gegeven, de mensen te verlichten, enz.” En deze genade is niet eigen aan Christus, maar wordt aan anderen door Christus medegedeeld.
Ad primum ergo dicendum, quod B. Virgo dicta est2 plena gratia, non ex parte ipsius gratiae; quia non habuit gratiam in summa excellentia qua potest haberi, nec ad omnes effectus gratiae: sed dicitur fuisse plena 252gratia3 per comparationem ad ipsam; quia scilicet habebat gratiam sufficientem ad statum illum, ad quem erat electa a Deo, ut esset scilicet mater Unigeniti ejus4. Et similiter Stephanus dicitur plenus gratia, quia habebat gratiam sufficientem ad hoc, quod esset idoneus minister, et testis Dei, ad quod erat electus. Et idem5 dicendum est de aliis. Harum tamen plenitudinum una est plenior altera, secundum quod aliquis est divinitus praeordinatus ad altiorem, vel inferiorem statum.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Heilige Maagd wordt vol genade genoemd, niet genomen van de kant der genade zelf, omdat zij de genade niet bezat in den hoogsten en uitstekenden graad, waarin zij bezeten kan worden, en ook niet voor alles, wat 252de genade kan uitwerken; maar zij wordt vol van genade genoemd met betrekking tot haar zelf, omdat zij nl. voldoende genade had voor de staat, waartoe zij door God uitverkoren was, dat zij nl. Moeder Gods zou zijn. En evenzoo wordt Stephanus vol van genade genoemd, omdat hij voldoende genade had om een geschikte dienaar en getuige voor God te zijn, waartoe hij uitverkozen was. En om dezelfde reden wordt het van anderen gezegd. Maar van deze volheden is de een voller dan de andere, naargelang iemand door God is voorbestemd voor een hoogere of lagere staat.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Heilige Maagd wordt vol genade genoemd, niet genomen van de kant van de genade zelf, omdat zij de genade niet bezat in de hoogsten en uitstekenden graad, waarin zij bezeten kan worden, en ook niet voor alles, wat 252de genade kan uitwerken; maar zij wordt vol van genade genoemd met betrekking tot haarzelf, omdat zij nl. voldoende genade had voor de staat, waartoe zij door God uitverkoren was, dat zij nl. Moeder Gods zou zijn. En evenzo wordt Stephanus vol van genade genoemd, omdat hij voldoende genade had om een geschikte dienaar en getuige voor God te zijn, waartoe hij uitverkozen was. En om dezelfde reden wordt het van anderen gezegd. Maar van deze volheden is de een voller dan de andere, naargelang iemand door God is voorbestemd voor een hogere of lagere staat.
Ad secundum dicendum, quod Apostolus ibi loquitur de illa plenitudine gratiae, quae accipitur ex parte subjecti, in comparatione ad id, ad quod homo est divinitus praeordinatus. Quod quidem est vel aliquid commune, ad quod praeordinantur omnes sancti; vel aliquid speciale, quod pertinet ad excellentiam aliquorum. Et secundum hoc quaedam plenitudo gratiae est omnibus sanctis communis; ut scilicet habeant gratiam sufficientem ad merendum vitam aeternam, quae in plena Dei fruitione consistit. Et hanc plenitudinem optat Apostolus fidelibus, quibus scribit.
2. De Apostel spreekt daar van die volheid der genade, die genomen wordt van de kant van den bezitter in vergelijking met datgene, waartoe hij door God is voorbestemd. En dat is ofwel iets algemeens, waartoe alle heiligen bestemd worden, ofwel iets bijzonders, wat tot den voorrang van enkelen behoort. En volgens dit is er een volheid van genade, die allen heiligen gemeenschappelijk is, dat zij nl. voldoende genade hebben om het eeuwige leven, dat in het volle genieten van God bestaat, te verdienen. En deze volheid wenscht de Apostel voor de geloovigen, aan wie hij schrijft.2. De Apostel spreekt daar van die volheid van de genade, die genomen wordt van de kant van de bezitter in vergelijking met datgene, waartoe hij door God is voorbestemd. En dat is ofwel iets algemeens, waartoe alle heiligen bestemd worden, ofwel iets bijzonders, wat tot de voorrang van enkelen behoort. En volgens dit is er een volheid van genade, die allen heiligen gemeenschappelijk is, dat zij nl. voldoende genade hebben om het eeuwige leven, dat in het volle genieten van God bestaat, te verdienen. En deze volheid wenst de Apostel voor de gelovigen, aan wie hij schrijft.
Ad tertium dicendum, quod illa dona, quae sunt communia in patria, 253scilicet visio, comprehensio, et fruitio, et alia hujusmodi, habent quaedam dona sibi correspondentia in statu viae, quae etiam sunt communia omnibus6 sanctis. Sunt tamen quaedam praerogativae sanctorum in patria, et in via, quae non habentur ab omnibus.
3. Die gaven, die in het hemelsch vaderland aan allen 253gemeenschappelijk zijn, nl. het schouwen, bevatten en genieten en dergelijken, hebben in onzen toestand van op weg erheen te zijn eenige gaven, die aan hen beantwoorden, die alle heiligen ook gemeenschappelijk hebben. Maar er zijn ook eenige voorrechten van de heiligen, in het vaderland en op weg erheen, die niet allen bezitten.3. Die gaven, die in het hemels vaderland aan allen 253gemeenschappelijk zijn, nl. het schouwen, bevatten en genieten en dergelijken, hebben in onze toestand van op weg erheen te zijn enige gaven, die aan hen beantwoorden, die alle heiligen ook gemeenschappelijk hebben. Maar er zijn ook enige voorrechten van de heiligen, in het vaderland en op weg erheen, die niet allen bezitten.
Utrum Christi gratia sit infinita
Is Christus' genade oneindig?
253Ad undecimum sic proceditur. Videtur, quod gratia Christi sit infinita. Omne enim immensum est infinitum. Sed gratia Christi est immensa; dicitur enim Joan. 3. [v. 34]: « Non enim ad mensuram dat Deus Spiritum Filio » scilicet Christo. Ergo gratia Christi est infinita.
253Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus' genade oneindig is. — 1. Want al het onmetelijke is oneindig. Nu was Christus' genade oneindig; want bij Johannes wordt gezegd (3, 34): « God geeft den Geest niet naar een vastgestelde maat », nl. aan Christus. Dus was Christus' genade oneindig.253Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus' genade oneindig is. — 1. Want al het onmetelijke is oneindig. Nu was Christus' genade oneindig; want bij Johannes wordt gezegd (3, 34): “God geeft de Geest niet naar een vastgestelde maat”, nl. aan Christus. Dus was Christus' genade oneindig.
2. Praeterea, effectus infinitus demonstrat virtutem infinitam, quae non potest fundari nisi in essentia infinita. Sed effectus gratiae Christi est 254infinitus; extendit enim se ad salutem totius humani generis: « ipse enim est propitiatio pro peccatis totius mundi », ut dicitur 1. Joan. 2. [v. 2]. Ergo gratia Christi est infinita.
2. De oneindigheid van een gevolg toont de oneindigheid der kracht aan, en deze kan alleen wortelen in een oneindig wezen. Maar wat de genade van Christus uitwerkt, is oneindig; het strekt 254zich nl. uit tot het heil van alle menschen « want Hij is verzoening voor de zonden van alle menschen », zooals in den Eersten Brief van Johannes (2, 2) wordt gezegd. Dus is de genade van Christus oneindig.2. De oneindigheid van een gevolg toont de oneindigheid van de kracht aan, en deze kan alleen wortelen in een oneindig wezen. Maar wat de genade van Christus uitwerkt, is oneindig; het strekt 254zich nl. uit tot het heil van alle mensen “want Hij is verzoening voor de zonden van alle mensen”, zoals in de Eerste Brief van Johannes (2, 2) wordt gezegd. Dus is de genade van Christus oneindig.
3. Praeterea, omne finitum per additionem finiti1 potest pervenire ad quantitatem cujuscumque finiti. Si igitur gratia Christi esset2 finita, posset alterius hominis gratia tantum crescere, quod perveniret ad aequalitatem gratiae Christi. Contra quod dicitur Job. 28. [v. 17]: « Non adaequabitur ei aurum, vel vitrum » secundum quod Gregorius ibi exponit [lib. 18. Moral. cap. 48.]. Ergo gratia Christi est infinita.
3. Alles wat eindig is, kan door toevoeging komen tot de hoeveelheid van elk eindig ding. Is dus Christus' genade eindig, dan kan de genade van een ander mensch groeien totdat zij komt tot gelijkheid met de genade van Christus. Maar dat is tegen wat bij Job wordt gezegd (28, 17): « Goud of glas worden er niet aan gelijk gesteld », zooals Gregorius dat uitlegt. Dus is Christus' genade oneindig.3. Alles wat eindig is, kan door toevoeging komen tot de hoeveelheid van elk eindig ding. Is dus Christus' genade eindig, dan kan de genade van een ander mens groeien totdat zij komt tot gelijkheid met de genade van Christus. Maar dat is tegen wat bij Job wordt gezegd (28, 17): “Goud of glas worden er niet aan gelijk gesteld”, zoals Gregorius dat uitlegt. Dus is Christus' genade oneindig.
Sed contra est, quod gratia3 est quiddam creatum in anima. Sed omne creatum est finitum, secundum illud Sap. 11. [v. 21]: « Omnia in numero, et pondere, et mensura disposuisti ». Ergo gratia Christi non est infinita.
Maar daartegenover staat, dat Christus' genade iets is, dat in de ziel geschapen is. Maar al het geschapene is eindig volgens het boek der Wijsheid (11, 21): « Alles hebt gij verordend in getal, gewicht en maat ». Dus is de genade van Christus niet oneindig.Maar daartegenover staat, dat Christus' genade iets is, dat in de ziel geschapen is. Maar al het geschapene is eindig volgens het boek van de Wijsheid (11, 21): “Alles hebt gij verordend in getal, gewicht en maat”. Dus is de genade van Christus niet oneindig.
Respondeo dicendum, quod, sicut ex supra dictis patet [q. 2. art. 10.], 255in Christo potest duplex gratia considerari. Una quidem est gratia unionis, quae, sicut supra dictum est [q. 6. art. 6.], est ipsum uniri personaliter Filio Dei, quod est gratis concessum humanae naturae. Et hanc gratiam constat esse infinitam, secundum quod ipsa persona Verbi est infinita.
Leerstelling. — Zooals uit het boven gezegde blijkt (2e 255Kw., 10e Art.; 6e Kw., 6e Art.), kunnen wij in Christus een dubbele genade beschouwen. Een daarvan is de genade der vereeniging, wat zooals boven gezegd is, niets anders is dan in het in persoon vereenigd worden zelf met den Zoon Gods, wat zonder verdiensten aan de menschelijke natuur is gegeven. En het is zeker, dat deze genade oneindig is, in zoover de persoon zelf van het Woord oneindig is.Leerstelling. — Zoals uit het boven gezegde blijkt (2e 255Kw., 10e Art.; 6e Kw., 6e Art.), kunnen wij in Christus een dubbele genade beschouwen. Een daarvan is de genade van de vereniging, wat zoals boven gezegd is, niets anders is dan in het in persoon verenigd worden zelf met de Zoon Gods, wat zonder verdiensten aan de menselijke natuur is gegeven. En het is zeker, dat deze genade oneindig is, in zover de persoon zelf van het Woord oneindig is.
Alia vero est gratia habitualis; quae quidem potest dupliciter considerari. Uno modo, secundum quod est quoddam ens. Et sic necesse est, quod sit ens finitum. Est enim in anima Christi, sicut in subjecto. Anima autem Christi est creatura quaedam habens capacitatem finitam. Unde esse gratiae, cum non excedat suum subjectum, non potest esse infinitum.
De andere genade is die, welke een hebbelijkheid is. En deze kan weer dubbel beschouwd worden. Ten eerste in zoover het een zijnde is; en zoo moet zij wel een eindig zijnde zijn. Want zij is in de ziel van Christus als in haar drager. Maar de ziel van Christus is een schepsel, dat alleen iets eindigs kan opnemen. Dus moet het zijn der genade, die immers niet boven haar drager gaat, een eindig zijn wezen.De andere genade is die, welke een hebbelijkheid is. En deze kan weer dubbel beschouwd worden. Ten eerste in zover het een zijnde is; en zo moet zij wel een eindig zijnde zijn. Want zij is in de ziel van Christus als in haar drager. Maar de ziel van Christus is een schepsel, dat alleen iets eindigs kan opnemen. Dus moet het zijn van de genade, die immers niet boven haar drager gaat, een eindig zijn wezen.
Alio modo potest considerari secundum propriam rationem gratiae. Et sic gratia Christi4 potest dici infinita, eo quod non limitatur; quia scilicet habet quidquid potest pertinere ad rationem gratiae, et non datur ei secundum aliquam certam mensuram id, quod ad rationem gratiae pertinet; eo quod « secundum propositum Dei » [Rom. 4. v. 5] cujus est gratiam mensurare, gratia confertur animae Christi, sicut cuidam 256universali principio gratificationis in humana natura, secundum illud Ephes. 1. [v. 6]: « Gratificavit nos in dilecto Filio suo ». Sicut si dicamus lucem solis esse infinitam, non quidem secundum suum esse, sed secundum rationem lucis; quia habet, quidquid ad rationem lucis pertinere potest.
Op een andere manier kan zij beschouwd worden volgens de eigen aard der genade. En zoo kan de genade zelf oneindig worden genoemd, omdat zij geen grens heeft; want zij heeft alles, wat tot de aard der genade kan behooren; en wat tot de eigen aard der genade behoort, wordt Hem niet in een bepaalde maat gegeven, omdat de genade volgens het plan van Gods welbehagen, dat de genade afmeet, aan Christus' ziel wordt gegeven als 256aan een algemeen beginsel der genadeverdeeling in de menschelijke natuur, volgens den Brief aan de Ephesiërs (1, 6): « Hij heeft ons welgevallig gemaakt in Zijn beminden Zoon ». Precies alsof wij zeggen, dat het licht der zon oneindig is, weliswaar niet naar het zijn, maar naar de aard van het licht, omdat zij alles heeft wat tot de aard van het licht kan behooren.Op een andere manier kan zij beschouwd worden volgens de eigen aard van de genade. En zo kan de genade zelf oneindig worden genoemd, omdat zij geen grens heeft; want zij heeft alles, wat tot de aard van de genade kan behoren; en wat tot de eigen aard van de genade behoort, wordt Hem niet in een bepaalde maat gegeven, omdat de genade volgens het plan van Gods welbehagen, dat de genade afmeet, aan Christus' ziel wordt gegeven als 256aan een algemeen beginsel van de genadeverdeling in de menselijke natuur, volgens de Brief aan de Efesiërs (1, 6): “Hij heeft ons welgevallig gemaakt in Zijn beminden Zoon”. Precies alsof wij zeggen, dat het licht van de zon oneindig is, weliswaar niet naar het zijn, maar naar de aard van het licht, omdat zij alles heeft wat tot de aard van het licht kan behoren.
Ad primum ergo dicendum, quod id quod dicitur: « Pater, non ad mensuram dat Spiritum Filio » uno modo exponitur de dono, quod Deus Pater ab aeterno dedit Filio, scilicet divinam naturam, quae est donum infinitum. Unde quaedam Glos. [interl.] dicit ibi: « Ut tantus sit Filius, quantus et Pater ». Alio modo potest referri ad donum, quod datum est humanae naturae, ut uniatur divinae personae, quod etiam5 est donum infinitum. Unde Glos. [ordinaria] dicit ibidem: « Sicut Pater plenum, et perfectum genuit Verbum; sic et plenum, et perfectum est unitum humanae naturae ». Tertio modo potest referri ad gratiam habitualem; inquantum gratia Christi se extendit ad omnia, quae sunt gratiae. Unde Augustinus hoc 257exponens [tract. 14. in Ev. Joa.] dicit: « Mensura divisio quaedam donorum est: Alii enim datur per Spiritum sermo sapientiae, alii sermo scientiae. Sed Christus, qui dat, non ad mensuram accepit ».
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dat gezegde: « De Vader geeft den Geest aan den Zoon niet in een vastgestelde maat », wordt op één manier uitgelegd van de gave, die de Vader van eeuwigheid aan den Zoon geeft, nl. de goddelijke natuur, die een oneindige gave is. Daarom zegt een Glossa, dat « de Zoon even groot is, als de Vader ». Op een ander manier kan men het doen slaan op de gave, die aan de menschelijke natuur is geschonken, dat zij nl. met den goddelijken persoon is vereenigd, wat een oneindige gave is. Daarom zegt de Glossa op dezelfde plaats: « Zooals de Vader een volledige en volmaakt Woord heeft voortgebracht, zoo is dat Volmaakte en Volledige vereenigd met de menschelijke natuur ». Ten derde kan men het laten slaan op de genade, die een hebbelijkheid is, in zoover de genade van Christus zich uitstrekt tot alles, wat onder de genade valt. Daarom zegt 257Augustinus, als hij dit uitlegt (14e Trakt., Ev. van Johannes): « De maat is een soort verdeeling der gaven; want aan den een wordt door den Geest een woord van wijsheid gegeven, aan den ander een woord van wetenschap. Maar Christus, die geeft, heeft niet met maat ontvangen ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dat gezegde: “De Vader geeft de Geest aan de Zoon niet in een vastgestelde maat”, wordt op één manier uitgelegd van de gave, die de Vader van eeuwigheid aan de Zoon geeft, nl. de goddelijke natuur, die een oneindige gave is. Daarom zegt een Glossa, dat “de Zoon even groot is, als de Vader”. Op een ander manier kan men het doen slaan op de gave, die aan de menselijke natuur is geschonken, dat zij nl. met de goddelijke persoon is verenigd, wat een oneindige gave is. Daarom zegt de Glossa op dezelfde plaats: “Zoals de Vader een volledige en volmaakt Woord heeft voortgebracht, zo is dat Volmaakte en Volledige verenigd met de menselijke natuur”. Ten derde kan men het laten slaan op de genade, die een hebbelijkheid is, in zover de genade van Christus zich uitstrekt tot alles, wat onder de genade valt. Daarom zegt 257Augustinus, als hij dit uitlegt (14e Trakt., Ev. van Johannes): “De maat is een soort verdeling van de gaven; want aan de een wordt door de Geest een woord van wijsheid gegeven, aan de ander een woord van wetenschap. Maar Christus, die geeft, heeft niet met maat ontvangen”.
Ad secundum dicendum, quod gratia Christi habet infinitum effectum, tum propter infinitatem praedictam gratiae [in corp.], tum propter unitatem divinae personae, cui anima Christi unita est.
2. De genade van Christus heeft oneindige gevolgen, zoowel om genoemde oneindigheid der genade, als om de oneindigheid van den goddelijken persoon, waarmee de ziel van Christus vereenigd is.2. De genade van Christus heeft oneindige gevolgen, zowel om genoemde oneindigheid van de genade, als om de oneindigheid van de goddelijke persoon, waarmee de ziel van Christus verenigd is.
Ad tertium dicendum, quod minus per augmentum potest pervenire ad quantitatem majoris, in his quae habent quantitatem unius rationis. Sed gratia alterius hominis comparatur ad gratiam Christi, sicut quaedam virtus particularis ad universalem. Unde sicut virtus ignis, quantumcumque crescat, non potest adaequare virtutem6 solis: ita gratia alterius hominis, quantumcumque crescat, non potest adaequare gratiam7 Christi.
3. Het mindere kan door vermeerdering komen tot de hoeveelheid van het meerdere bij die dingen, die eenzelfde soort hoeveelheid hebben. Maar de genade van een ander mensch wordt met Christus' genade vergeleken als een gedeeltelijke kracht met een algemeene. Zooals dus de kracht van het vuur, hoe dit ook groeit, niet gelijk kan worden aan de kracht der zon, zoo kan ook de genade van een ander mensch, hoe zij ook groeit, niet gelijk worden aan de genade van Christus.3. Het mindere kan door vermeerdering komen tot de hoeveelheid van het meerdere bij die dingen, die eenzelfde soort hoeveelheid hebben. Maar de genade van een ander mens wordt met Christus' genade vergeleken als een gedeeltelijke kracht met een algemene. Zoals dus de kracht van het vuur, hoe dit ook groeit, niet gelijk kan worden aan de kracht van de zon, zo kan ook de genade van een ander mens, hoe zij ook groeit, niet gelijk worden aan de genade van Christus.
Utrum gratia Christi potuerit augeri
Kon de genade van Christus grooter worden?Kon de genade van Christus groter worden?
258Ad duodecimum sic proceditur. Videtur, quod gratia Christi potuerit augeri: omni enim finito potest fieri additio. Sed gratia Christi fuit finita, ut dictum est [art. praec.]. Ergo potuit augeri.
258Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat de genade van Christus grooter kon worden. Want bij al het eindige kan iets bijgevoegd worden. Maar Christus' genade was eindig, zooals is gezegd. Dus kon zij grooter worden.258Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat de genade van Christus groter kon worden. Want bij al het eindige kan iets bijgevoegd worden. Maar Christus' genade was eindig, zoals is gezegd. Dus kon zij groter worden.
2. Praeterea, augmentum gratiae fit per virtutem divinam, secundum illud 2. ad Cor. 9. [v. 8]: « Potens est autem Deus omnem gratiam abundare facere in vobis ». Sed virtus divina, cum sit infinita, nullo termino coarctatur. Ergo videtur, quod gratia Christi potuerit esse major.
2. Het toenemen der genade geschiedt door de goddelijke kracht, volgens den Tweeden Brief aan de Korinthiërs (9, 8): « God is machtig om alle genade in u te doen overvloeien ». Maar omdat Gods kracht oneindig is, is zij aan geen enkele grens gebonden. Daarom schijnt het, dat de genade van Christus grooter kon zijn.2. Het toenemen van de genade geschiedt door de goddelijke kracht, volgens de Tweede Brief aan de Korintiërs (9, 8): “God is machtig om alle genade in u te doen overvloeien”. Maar omdat Gods kracht oneindig is, is zij aan geen enkele grens gebonden. Daarom schijnt het, dat de genade van Christus groter kon zijn.
3. Praeterea, Luc. 2. [v. 52] dicitur, quod « puer Jesus proficiebat sapientia, et aetate, et gratia apud Deum, et homines ». Ergo gratia Christi potuit augeri.
3. Lucas (2, 52) zegt, dat « Het Kind Jesus groeide in jaren, wijsheid en welbehagelijkheid bij God en de menschen ». Dus kon de genade van Christus grooter worden.3. Lukas (2, 52) zegt, dat “Het Kind Jesus groeide in jaren, wijsheid en welbehagelijkheid bij God en de mensen”. Dus kon de genade van Christus groter worden.
Sed contra est, quod dicitur Joan. 1. [v. 14]: « Videmus eum, 259quasi unigenitum a Patre, plenum gratiae, et veritatis ». Sed nihil potest esse, aut intelligi majus, quam quod aliquis sit unigenitus a Patre. Ergo etiam1 non potest esse, vel intelligi major gratia, quam illa, qua Christus fuit plenus.
Maar daartegenover staat, wat bij Johannes wordt gezegd (1, 25914): « Wij hebben Hem gezien als den Eeniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid ». Maar niets kan grooter zijn of gedacht worden dan iemand de Eeniggeborene des Vaders is. Dus kan er geen grooter genade zijn of maar gedacht worden dan die, waar Christus vol van was.Maar daartegenover staat, wat bij Johannes wordt gezegd (1, 25914): “Wij hebben Hem gezien als de Eniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid”. Maar niets kan groter zijn of gedacht worden dan iemand de Eniggeborene van de Vader is. Dus kan er geen groter genade zijn of maar gedacht worden dan die, waar Christus vol van was.
Respondeo dicendum, quod aliquam formam non posse augeri, contingit dupliciter: uno modo ex parte ipsius subjecti: alio modo ex parte ipsius formae. Ex parte quidem subjecti, quando subjectum attingit ad ultimum gradum2 in participatione illius3 formae secundum suum modum. Sicut si dicatur, quod aer non potest crescere in caliditate, quando pertingit ad ultimum gradum caloris, qui potest salvari in natura aëris, licet possit esse major calor in rerum natura, qui est calor ignis. Ex parte autem formae excluditur possibilitas augmenti, quando aliquod subjectum attingit ad ultimam perfectionem, quam potest talis forma habere in natura4: sicut si dicamus, quod calor ignis non potest augeri, quia non potest esse perfectior gradus caloris, quam ille, ad quem pertingit ignis.
Leerstelling. — Dat een vorm niet grooter kan worden, geschiedt om twee redenen: ten eerste om den drager, en ten tweede om de vorm. Om den drager nl., als die het hoogste bereikt in het deelhebben aan die vorm volgens zijn manier van zijn, zooals wij zeggen, dat de lucht niet in warmte kan toenemen, als zij den hoogsten graad van warmte bereikt, die bestaan kan met behoud van de natuur van lucht, al kan er een grootere warmte bestaan in de werkelijkheid, nl. de warmte van het vuur. Krachtens de vorm wordt de mogelijkheid van toename uitgesloten, als een drager de hoogste volmaaktheid bereikt, waarin zoo 'n vorm bezeten kan worden; zooals wij zeggen, dat de warmte van het vuur niet kan toenemen, omdat er geen volmaakter graad van warmte kan zijn dan die het vuur bereikt.Leerstelling. — Dat een vorm niet groter kan worden, geschiedt om twee redenen: ten eerste om de drager, en ten tweede om de vorm. Om de drager nl., als die het hoogste bereikt in het deelhebben aan die vorm volgens zijn manier van zijn, zoals wij zeggen, dat de lucht niet in warmte kan toenemen, als zij de hoogste graad van warmte bereikt, die bestaan kan met behoud van de natuur van lucht, al kan er een grotere warmte bestaan in de werkelijkheid, nl. de warmte van het vuur. Krachtens de vorm wordt de mogelijkheid van toename uitgesloten, als een drager de hoogste volmaaktheid bereikt, waarin zo 'n vorm bezeten kan worden; zoals wij zeggen, dat de warmte van het vuur niet kan toenemen, omdat er geen volmaakter graad van warmte kan zijn dan die het vuur bereikt.
260Sicut autem aliarum formarum est ex divina sapientia determinata propria mensura, ita et gratiae, secundum illud Sapientiae 11. [v. 21]: « Omnia in numero, et pondere, et mensura disposuisti ». Mensura autem unicuique formae praefigitur per comparationem ad suum finem: sicut non est major gravitas, quam gravitas terrae; quia non potest esse inferior locus loco terrae. Finis autem gratiae est unio creaturae rationalis ad Deum. Non potest autem esse, nec intelligi major unio creaturae rationalis ad Deum, quam quae est in persona. Et ideo gratia Christi pertingit5 ad summam mensuram gratiae. Sic igitur manifestum est, quod gratia Christi non potest6 augeri ex parte ipsius gratiae.
260Zooals nu door de goddelijke wijsheid een bepaalde maat voor de andere vormen is vastgesteld, zoo ook voor de genade, volgens het boek der Wijsheid (11, 21): « Alles hebt Gij in getal, gewicht en maat vastgesteld ». Nu wordt de maat voor iedere vorm vastgesteld in verhouding tot haar doel; zooals er geen grootere zwaarte is dan die der aarde, omdat er geen dieper liggende plaats kan zijn dan die, waar de aarde zich bevindt. Nu is het doel der genade de vereeniging van het redelijke schepsel met God. Maar een grootere vereeniging van het redelijke schepsel met God dan die in persoon kan bestaan noch gedacht worden. En dus bereikt de genade van Christus den hoogsten graad der genade. En dus is het duidelijk, dat de genade van Christus wat de genade zelf betreft, niet kon vermeerderd worden.260Zoals nu door de goddelijke wijsheid een bepaalde maat voor de andere vormen is vastgesteld, zo ook voor de genade, volgens het boek van de Wijsheid (11, 21): “Alles hebt Gij in getal, gewicht en maat vastgesteld”. Nu wordt de maat voor iedere vorm vastgesteld in verhouding tot haar doel; zoals er geen grotere zwaarte is dan die van de aarde, omdat er geen dieper liggende plaats kan zijn dan die, waar de aarde zich bevindt. Nu is het doel van de genade de vereniging van het redelijke schepsel met God. Maar een grotere vereniging van het redelijke schepsel met God dan die in persoon kan bestaan noch gedacht worden. En dus bereikt de genade van Christus de hoogste graad van de genade. En dus is het duidelijk, dat de genade van Christus wat de genade zelf betreft, niet kon vermeerderd worden.
Sed neque etiam ex parte subjecti. Quia Christus, secundum quod homo, a primo instanti suae conceptionis fuit verus, et plenus comprehensor. Unde in eo non potuit esse gratiae augmentum, sicut nec in aliis beatis, quorum gratia augeri non potest, eo quod sunt in termino. Hominum vero, qui sunt pure viatores, gratia potest augeri; et ex parte 261formae, quia non attingunt summum gratiae gradum; et ex parte subjecti, quia nondum pervenerunt ad terminum.
Maar ook niet van de kant van den drager. Want Christus als mensch was vanaf het eerste oogenblik, dat Hij ontvangen werd, volledig en volmaakt bereiker van de zaligheid. En dus kon er in hem geen toename der genade zijn, evenmin als in andere zaligen, wier genade niet grooter kan worden, omdat zij de grens hebben bereikt. De genade van de menschen, die enkel pelgrims zijn, kan toenemen wat de genade zelf betreft, omdat zij den hoogsten 261graad der genade niet bereiken; en van de kant van den drager, omdat zij de grens nog niet bereikt hebben.Maar ook niet van de kant van de drager. Want Christus als mens was vanaf het eerste ogenblik, dat Hij ontvangen werd, volledig en volmaakt bereiker van de zaligheid. En dus kon er in hem geen toename van de genade zijn, evenmin als in andere zaligen, wier genade niet groter kan worden, omdat zij de grens hebben bereikt. De genade van de mensen, die enkel pelgrims zijn, kan toenemen wat de genade zelf betreft, omdat zij de hoogste 261graad van de genade niet bereiken; en van de kant van de drager, omdat zij de grens nog niet bereikt hebben.
Ad primum ergo dicendum, quod si loquamur de quantitatibus mathematicis, cuilibet finitae quantitati potest fieri additio; quia ex parte quantitatis finitae non est aliquid, quod repugnet additioni. Sive vero loquamur de quantitate naturali, sic potest esse repugnantia ex parte formae, cui debetur determinata quantitas, sicut et alia accidentia determinata. Unde Philos. dicit in 2. de An. [cap. 4. n. 8. S. Th. lect. 8.] quod « omnium natura constantium est terminus, et ratio magnitudinis, et augmenti ». Et inde est, quod quantitati totius coeli non potest fieri additio. Multo igitur magis in ipsis formis consideratur aliquis terminus, ultra quem non progrediuntur7. Et propter hoc non oportet8, quod gratiae Christi possit9 fieri additio, quamvis sit finita secundum sui essentiam.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Als wij spreken over de wiskundige hoeveelheden, kan bij iedere eindige grootheid iets gevoegd worden; want van de kant van de eindige hoeveelheid is er niets, wat met het bijvoegen strijdt. Maar als wij van de hoeveelheden spreken, zooals zij in de natuur worden gevonden, kan er bezwaar zijn van de kant van de vorm, die een bepaalde hoeveelheid noodig heeft evenals andere bepaalde bijkomstigheden. Daarom zegt de Philosoof in het 2e boek Over de ziel (4e H., n. 8), dat « alle vaststaande naturen een bepaalde grens hebben van hoeveelheid en groei ». En daarom is het, dat er niets bij de hoeveelheid van den geheelen hemel kan worden gevoegd. Zooveel te meer dus nog heeft men bij de vormen zelf een grens, die zij niet overschrijden. En daarom is het niet noodig, dat er aan Christus' genade iets kan worden toegevoegd, al is zij dan nog zoo zeer eindig.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Als wij spreken over de wiskundige hoeveelheden, kan bij iedere eindige grootheid iets gevoegd worden; want van de kant van de eindige hoeveelheid is er niets, wat met het bijvoegen strijdt. Maar als wij van de hoeveelheden spreken, zoals zij in de natuur worden gevonden, kan er bezwaar zijn van de kant van de vorm, die een bepaalde hoeveelheid nodig heeft evenals andere bepaalde bijkomstigheden. Daarom zegt de Filosoof in het 2e boek Over de ziel (4e H., n. 8), dat “alle vaststaande naturen een bepaalde grens hebben van hoeveelheid en groei”. En daarom is het, dat er niets bij de hoeveelheid van de gehele hemel kan worden gevoegd. Zoveel te meer dus nog heeft men bij de vormen zelf een grens, die zij niet overschrijden. En daarom is het niet nodig, dat er aan Christus' genade iets kan worden toegevoegd, al is zij dan nog zo zeer eindig.
262Ad secundum dicendum, quod virtus divina licet possit10 facere aliquid majus, et melius, quam sit habitualis gratia Christi; non tamen posset facere, quod ordinaretur ad aliquid majus, quam sit unio personalis ad Filium unigenitum a Patre; cui unioni sufficienter correspondet talis mensura gratiae, secundum definitionem divinae sapientiae.
2622. Al kan de goddelijke kracht iets grooters en beters maken dan de genade van Christus, die een hebbelijkheid is, toch kan zij niet maken, dat dit iets grooters ten doel had dan de vereeniging in persoon met den Eenig-geboren Zoon des Vaders; en aan deze vereeniging beantwoordt die maat van genade volgens de bepaling der goddelijke wijsheid voldoende.2622. Al kan de goddelijke kracht iets groters en beters maken dan de genade van Christus, die een hebbelijkheid is, toch kan zij niet maken, dat dit iets groters ten doel had dan de vereniging in persoon met de Enig-geboren Zoon van de Vader; en aan deze vereniging beantwoordt die maat van genade volgens de bepaling van de goddelijke wijsheid voldoende.
Ad tertium dicendum, quod in sapientia, et gratia aliquis potest proficere dupliciter; uno modo secundum ipsos habitus sapientiae, et gratiae augmentatos. Et sic Christus in eis non proficiebat. Alio modo secundum effectus; inquantum scilicet aliquis sapientiora, et virtuosiora opera facit. Et sic Christus proficiebat sapientia, et gratia, sicut et aetate: quia secundum processum aetatis perfectiora opera faciebat, ut se verum hominem demonstraret, et in his quae sunt ad Deum, et in his quae sunt ad homines.
3. Iemand kan in dubbelen zin vooruitgaan in wijsheid en genade. Ten eerste, doordat de gewoonten zelf van wijsheid en genade toenemen. En zoo ging Christus niet in hen vooruit. Anders wat de gevolgen betreft, in zoover iemand werken doet, die wijzer en deugdzamer zijn. En zoo ging Christus vooruit in wijsheid en genade, omdat Hij met het toenemen in leeftijd meer volmaakte werken deed, om zich een echt mensch te toonen, zoowel in verhouding tot God als tot de menschen.3. Iemand kan in dubbelen zin vooruitgaan in wijsheid en genade. Ten eerste, doordat de gewoonten zelf van wijsheid en genade toenemen. En zo ging Christus niet in hen vooruit. Anders wat de gevolgen betreft, in zover iemand werken doet, die wijzer en deugdzamer zijn. En zo ging Christus vooruit in wijsheid en genade, omdat Hij met het toenemen in leeftijd meer volmaakte werken deed, om zich een echt mens te tonen, zowel in verhouding tot God als tot de mensen.
Qualiter gratia Christi habitualis se habeat ad unionem1
Volgde de genade, die een hebbelijkheid is, in Christus op de Vereeniging?Volgde de genade, die een hebbelijkheid is, in Christus op de Vereniging?
263Ad tertiumdecimum sic proceditur. Videtur, quod gratia habitualis in Christo non subsequatur unionem. Id enim non sequitur ad seipsum. Sed haec gratia habitualis videtur eadem esse cum gratia unionis: dicit enim Augustinus in lib. de Praedest. Sanct. [cap. 15.]: « Ea gratia fit ab initio fidei suae homo quicumque Christianus, qua gratia homo ille ab initio suo factus est Christus »: quorum duorum primum pertinet ad gratiam habitualem, secundum ad gratiam unionis. Ergo videtur, quod gratia habitualis non subsequatur unionem.
263Bedenkingen. — Men beweert, dat de genade, die een hebbelijkheid is, in Christus niet de vereeniging volgde. — 1. Want iets volgt niet op zichzelf. Maar deze genade-hebbelijkheid schijnt hetzelfde te zijn geweest als de genade der vereeniging, want Augustinus zegt in het boek Over de Voorbestemming der Heiligen (15e H.): « Door die genade wordt ieder mensch vanaf het begin van zijn geloof Christen, waardoor die Mensch vanaf Zijn begin Christus is geworden ». Nu behoort het eerste van de twee tot de genade, die een hebbelijkheid is, en het tweede tot de genade der vereeniging. Dus schijnt het, dat de genade, die een hebbelijkheid is, niet op de vereeniging volgde.263Bedenkingen. — Men beweert, dat de genade, die een hebbelijkheid is, in Christus niet de vereniging volgde. — 1. Want iets volgt niet op zichzelf. Maar deze genade-hebbelijkheid schijnt hetzelfde te zijn geweest als de genade van de vereniging, want Augustinus zegt in het boek Over de Voorbestemming van de Heiligen (15e H.): “Door die genade wordt ieder mens vanaf het begin van zijn geloof Christen, waardoor die Mens vanaf Zijn begin Christus is geworden”. Nu behoort het eerste van de twee tot de genade, die een hebbelijkheid is, en het tweede tot de genade van de vereniging. Dus schijnt het, dat de genade, die een hebbelijkheid is, niet op de vereniging volgde.
2. Praeterea, dispositio praecedit perfectionem tempore, vel saltem intellectu. Sed gratia habitualis videtur esse sicut quaedam dispositio 264humanae naturae ad unionem personalem. Ergo videtur, quod gratia habitualis non subsequatur unionem, sed magis praecedat.
2. De voorbereiding gaat in tijd of minstens in begrip aan de volmaaktheid vooraf. Nu schijnt de genade-hebbelijkheid een 264soort voorbereiding van de menschelijke natuur voor de vereeniging te zijn. Dus schijnt het, dat die genade de vereeniging niet volgt, maar voorafgaat.2. De voorbereiding gaat in tijd of minstens in begrip aan de volmaaktheid vooraf. Nu schijnt de genade-hebbelijkheid een 264soort voorbereiding van de menselijke natuur voor de vereniging te zijn. Dus schijnt het, dat die genade de vereniging niet volgt, maar voorafgaat.
3. Praeterea, commune est prius proprio. Sed gratia habitualis est communis Christo, et aliis hominibus: gratia autem unionis est propria Christo. Ergo prior est secundum intellectum gratia habitualis, quam ipsa unio. Non ergo sequitur eam.
3. Het algemeene komt voor het eigen. Nu is de genade-hebbelijkheid iets gemeenschappelijks van Christus en de andere menschen; maar de genade der vereeniging is eigen aan Christus. Dus komt de eerste in begrip voor de vereeniging. Dus volgt niet op haar.3. Het algemene komt voor het eigen. Nu is de genade-hebbelijkheid iets gemeenschappelijks van Christus en de andere mensen; maar de genade van de vereniging is eigen aan Christus. Dus komt de eerste in begrip voor de vereniging. Dus volgt niet op haar.
Sed contra est, quod dicitur Isa. 42. [v. 1]: « Ecce servus meus, suscipiam eum » et postea sequitur: « Dedi spiritum meum super eum », quod quidem pertinet ad donum gratiae habitualis. Unde relinquitur, quod susceptio naturae humanae in unitatem2 personae praecedat gratiam habitualem in Christo.
Daartegenover staat echter, wat Isaias zegt (42, 1): « Ziet mijn dienaar, Ik zal hem aannemen », en later volgt: « Ik heb mijn Geest over hem gezonden », wat behoort tot de gave van de genade, die een hebbelijkheid is. Dus blijft over, dat het aannemen der menschelijke natuur in de vereeniging in persoon in Christus de genade, die een hebbelijkheid is, voorafgaat.Daartegenover staat echter, wat Jesaja zegt (42, 1): “Ziet mijn dienaar, Ik zal hem aannemen”, en later volgt: “Ik heb mijn Geest over hem gezonden”, wat behoort tot de gave van de genade, die een hebbelijkheid is. Dus blijft over, dat het aannemen van de menselijke natuur in de vereniging in persoon in Christus de genade, die een hebbelijkheid is, voorafgaat.
Respondeo dicendum, quod unio humanae naturae ad divinam personam, quam supra [q. 2. art. 10. et q. 6. art. 6.] diximus esse ipsam gratiam unionis, praecedit gratiam habitualem in Christo, non ordine 265temporis, sed naturae, et intellectus. Et hoc triplici ratione. Primo quidem secundum ordinem principiorum utriusque. Principium enim unionis est persona Filii assumens humanam naturam, quae secundum hoc dicitur missa esse in mundum, quod humanam naturam assumpsit. Principium autem gratiae habitualis, quae cum charitate datur, est Spiritus Sanctus, qui secundum hoc dicitur mitti, quod per charitatem mentem inhabitat. Missio autem Filii secundum ordinem naturae prior est missione Spiritus Sancti; sicut ordine naturae Spiritus Sanctus procedit a Filio, et a sapientia3 dilecto. Unde et unio personalis, secundum quam intelligitur missio Filii, est prior ordine naturae habituali gratia, secundum quam intelligitur missio Spiritus Sancti.
Leerstelling. — De vereeniging van de menschelijke natuur met den goddelijken persoon, waarvan wij boven hebben gezegd (2e Kw., 10e Art.; 6e Kw., 6e Art.), dat zij de genade der vereeniging is, gaat aan de genade-hebbelijkheid in Christus niet 265in tijd, maar in natuur en naar ons begrip vooraf. En dat om drie redenen. Ten eerste om de orde der beginselen van beiden. Want het beginsel der vereeniging is de goddelijke persoon, die de menschelijke natuur aanneemt, die hierom « in de wereld gezonden » wordt genoemd, omdat zij de menschelijke natuur heeft aangenomen. Maar het beginsel van de genade, die een gewoonte is en tegelijk met de liefde wordt gegeven, is de Heilige Geest, die gezonden wordt genoemd, omdat Hij door de liefde in den geest woont. Maar nu is de zending van den Zoon volgens de orde in natuur eerder dan de zending van den Heiligen Geest, zooals volgens de orde der natuur de Heilige Geest als liefde uit den Zoon en den Vader voortkomt. Daarom ook is volgens de orde der natuur de vereeniging in persoon, waarin wij de zending van den Zoon zien, eerder dan de genade, die een hebbelijkheid is, waarin wij de zending van den H. Geest stellen.Leerstelling. — De vereniging van de menselijke natuur met de goddelijke persoon, waarvan wij boven hebben gezegd (2e Kw., 10e Art.; 6e Kw., 6e Art.), dat zij de genade van de vereniging is, gaat aan de genade-hebbelijkheid in Christus niet 265in tijd, maar in natuur en naar ons begrip vooraf. En dat om drie redenen. Ten eerste om de orde van de beginselen van beiden. Want het beginsel van de vereniging is de goddelijke persoon, die de menselijke natuur aanneemt, die hierom “in de wereld gezonden” wordt genoemd, omdat zij de menselijke natuur heeft aangenomen. Maar het beginsel van de genade, die een gewoonte is en tegelijk met de liefde wordt gegeven, is de Heilige Geest, die gezonden wordt genoemd, omdat Hij door de liefde in de geest woont. Maar nu is de zending van de Zoon volgens de orde in natuur eerder dan de zending van de Heilige Geest, zoals volgens de orde van de natuur de Heilige Geest als liefde uit de Zoon en de Vader voortkomt. Daarom ook is volgens de orde van de natuur de vereniging in persoon, waarin wij de zending van de Zoon zien, eerder dan de genade, die een hebbelijkheid is, waarin wij de zending van de H. Geest stellen.
Secundo accipitur ratio hujus ordinis ex habitudine gratiae ad suam causam. Gratia enim causatur in homine ex praesentia divinitatis, sicut 266lumen in aëre ex praesentia solis: unde dicitur Ezech. 43. [v. 2]: « Gloria Dei Israël ingrediebatur per viam orientalem, et terra splendebat a majestate ejus ». Praesentia autem Dei in Christo intelligitur secundum unionem humanae naturae ad divinam personam. Unde gratia habitualis Christi intelligitur, ut consequens hanc unionem, sicut splendor solem.
Ten tweede begrijpen wij het waarom van deze orde uit de verhouding van de genade tot haar oorzaak. Want de genade wordt in den mensch veroorzaakt door de tegenwoordigheid der godheid, als het licht in de lucht door de tegenwoordigheid der zon; zoodat 266bij Ezechiël wordt gezegd (43, 2): « De heerlijkheid van Israëls God ging binnen door de oostelijke poort en de aarde schitterde door zijn majesteit ». Maar met de tegenwoordigheid van God in Christus bedoelen wij de vereeniging van de menschelijke natuur met den goddelijken persoon. En daarom beschouwen wij de genade van Christus, die een hebbelijkheid is, als volgend op die vereeniging als de glans op de zon.Ten tweede begrijpen wij het waarom van deze orde uit de verhouding van de genade tot haar oorzaak. Want de genade wordt in de mens veroorzaakt door de tegenwoordigheid van de godheid, als het licht in de lucht door de tegenwoordigheid van de zon; zodat 266bij Ezechiël wordt gezegd (43, 2): “De heerlijkheid van Israëls God ging binnen door de oostelijke poort en de aarde schitterde door zijn majesteit”. Maar met de tegenwoordigheid van God in Christus bedoelen wij de vereniging van de menselijke natuur met de goddelijke persoon. En daarom beschouwen wij de genade van Christus, die een hebbelijkheid is, als volgend op die vereniging als de glans op de zon.
Tertio, ratio hujus ordinis sumi potest ex fine gratiae: ordinatur enim ad bene agendum. « Actiones » autem « sunt suppositorum, et individuorum » [Metaph. lib. 1. cap. 1. n. 6. S. Th. lect. 1.]. Unde actio, et per consequens gratia ad ipsam ordinans, praesupponit hypostasim operantem. Hypostasis autem non praesupponitur in humana natura ante unionem, ut ex supra dictis patet [q. 4. art. 3.]. Et ideo gratia unionis secundum intellectum praecedit gratiam habitualem.
De derde reden van deze orde kan men vinden in het doel der genade. Want zij is gericht op goed handelen. Maar « handelingen komen toe aan dragers en eenlingen ». Dus veronderstelt een daad, en dus ook de genade, die iemand daarop richt, de hypostase, die handelt. Maar nu wordt er geen hypostase in de menschelijke natuur aangenomen voor de vereeniging, zooals wij boven zeiden. En dus komt de genade der vereeniging volgens ons begrip voor de genade, die een hebbelijkheid is.De derde reden van deze orde kan men vinden in het doel van de genade. Want zij is gericht op goed handelen. Maar “handelingen komen toe aan dragers en eenlingen”. Dus veronderstelt een daad, en dus ook de genade, die iemand daarop richt, de hypostase, die handelt. Maar nu wordt er geen hypostase in de menselijke natuur aangenomen voor de vereniging, zoals wij boven zeiden. En dus komt de genade van de vereniging volgens ons begrip voor de genade, die een hebbelijkheid is.
Ad primum ergo dicendum, quod Augustinus ibi gratiam nominat gratuitam Dei voluntatem, gratis beneficia largientem. Et propter hoc eadem gratia dicit hominem quemcumque fieri Christianum, qua gratia factus est 267homo Christus: quia utrumque gratuita Dei voluntate absque meritis factum est.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Augustinus noemt daar de goedgunstige wil van God, die zonder verdiensten weldaden geeft, de genade. En daarom zegt hij, dat iedere mensch door dezelfde genade Christen wordt, waardoor Christus mensch 267werd. Want beiden zijn gebeurd door de goedgunstige wil Gods zonder verdiensten.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Augustinus noemt daar de goedgunstige wil van God, die zonder verdiensten weldaden geeft, de genade. En daarom zegt hij, dat iedere mens door dezelfde genade Christen wordt, waardoor Christus mens 267werd. Want beiden zijn gebeurd door de goedgunstige wil Gods zonder verdiensten.
Ad secundum dicendum, quod sicut dispositio in via generationis praecedit perfectionem, ad quam disponit4, in his quae successive perficiuntur; ita naturaliter perfectionem sequitur, quam aliquis jam consecutus est: sicut calor, qui fuit dispositio ad formam ignis, est effectus profluens a forma ignis jam praeexistentis. Humana autem natura in Christo unita est personae Verbi a principio absque successione. Unde gratia habitualis non intelligitur ut praecedens unionem, sed ut consequens eam, sicut quaedam proprietas naturalis; unde et Augustinus dicit in Enchir. [cap. 40.], quod « gratia est quodammodo Christo homini naturalis ».
2. Bij het ontstaan gaat de voorbereiding de volmaaktheid, waartoe zij geschikt maakt, vooraf bij de dingen, die in verloop van tijd volmaakt worden; en evenzoo volgt zij van nature de volmaaktheid, die iemand reeds gekregen heeft; zooals de warmte, die een voorbereiding voor de vorm vuur was, ook een gevolg is, dat uit de bestaande vuurvorm voortvloeit. Maar de menschelijke natuur is in Christus met den persoon van het Woord vereenigd zonder tijdelijke opeenvolging. Daarom beschouwen wij de genade-hebbelijkheid niet als voorafgaand, maar als volgend als een natuurlijke eigenschap op de vereeniging. Daarom zegt Augustinus in het Handboek (11e H.), dat « de genade in zekeren zin den mensch Christus natuurlijk is ».2. Bij het ontstaan gaat de voorbereiding de volmaaktheid, waartoe zij geschikt maakt, vooraf bij de dingen, die in verloop van tijd volmaakt worden; en evenzo volgt zij van nature de volmaaktheid, die iemand reeds gekregen heeft; zoals de warmte, die een voorbereiding voor de vorm vuur was, ook een gevolg is, dat uit de bestaande vuurvorm voortvloeit. Maar de menselijke natuur is in Christus met de persoon van het Woord verenigd zonder tijdelijke opeenvolging. Daarom beschouwen wij de genade-hebbelijkheid niet als voorafgaand, maar als volgend als een natuurlijke eigenschap op de vereniging. Daarom zegt Augustinus in het Handboek (11e H.), dat “de genade in zekeren zin de mens Christus natuurlijk is”.
Ad tertium dicendum, quod commune est prius proprio, si utrumque sit unius generis: sed in his quae sunt diversorum generum, nihil prohibet proprium esse prius communi. Gratia autem unionis non est in genere gratiae habitualis; sed est supra omne genus, sicut et ipsa divina persona. Unde hoc proprium nihil prohibet esse prius communi: quia non se habet 268per additionem ad commune, sed potius est principium, et origo ejus quod est commune.
3. Het algemeene komt voor het eigene als beiden van één soort zijn, maar bij soortverschil kan het eigene zeer goed voor het algemeene komen. Nu is de genade der vereeniging geen soort genade-hebbelijkheid, maar boven alle soorten zooals de goddelijke persoon zelf. Daarom is er niets tegen, dat dit eigene voor het 268gemeenschappelijke komt, want het is geen toevoeging daaraan, maar eerder zijn beginsel en oorsprong.3. Het algemene komt voor het eigene als beiden van één soort zijn, maar bij soortverschil kan het eigene zeer goed voor het algemene komen. Nu is de genade van de vereniging geen soort genade-hebbelijkheid, maar boven alle soorten zoals de goddelijke persoon zelf. Daarom is er niets tegen, dat dit eigene voor het 268gemeenschappelijke komt, want het is geen toevoeging daaraan, maar eerder zijn beginsel en oorsprong.