Theologische Summa · Tertia Pars · De wijze der vereenigingDe wijze van de verenigingSumma · III · De wijze der vereenigingDe wijze van de verenigingSumma · III · Kw. 9Kw. 9
Quaestio IX

De scientia Christi in communi, in quatuor articulos divisa

Kwestie 9

Over Christus' wetenschap in het algemeen

(Vier Artikelen)

303Deinde considerandum est de scientia Christi: circa quam duo consideranda sunt; primo quam scientiam Christus habuerit; secundo de unaquaque scientiarum ipsius.

303Hierna moet de wetenschap van Christus behandeld worden. Het bespreken hiervan omvat twee dingen: ten eerste welke wetenschap Hij bezat; ten tweede over iedere wetenschap, die Hij had, afzonderlijk.

Circa primum quaeruntur quatuor: 1. Utrum Christus habuerit aliquam scientiam praeter divinam. — 2. Utrum habuerit scientiam, quam habent beati, vel comprehensores. — 3. Utrum habuerit scientiam inditam, vel infusam. — 4. Utrum habuerit aliquam scientiam acquisitam.

Over het eerste punt stellen wij ons vier vragen: 1. Had Christus nog een andere wetenschap dan de goddelijke? 2. Had Hij de wetenschap, die zij bezitten, die de zaligheid hebben bereikt? 3. Had Hij een ingestorte of ingegeven wetenschap? 4. Had Hij een verworven of aangeleerde wetenschap?

Articulus I

Utrum Christus habuerit aliquam scientiam praeter divinam

[3. Dist. 14. art. 1. q. 1. et Veri. q. 20. art. 1. et Comp. Theol. cap. 216.]
Ie Artikel

Had Christus nog een andere wetenschap dan de goddelijke?

antwoord 1 ↓

304Ad primum sic proceditur. Videtur, quod in Christo non fuerit aliqua scientia praeter divinam. Ad hoc enim necessaria est scientia, ut per eam aliqua cognoscantur. Sed Christus per scientiam divinam cognoscebat omnia. Superfluum igitur fuisset, quod in eo esset1 alia scientia.

304Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus geen andere wetenschap had dan de goddelijke. — 1. Want wetenschap is hierom noodig, dat iets erdoor gekend wordt. Nu kende Christus alles door de goddelijke wetenschap. Dus zou het overbodig zijn geweest, als er een andere wetenschap in Hem was.304Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus geen andere wetenschap had dan de goddelijke. — 1. Want wetenschap is hierom nodig, dat iets erdoor gekend wordt. Nu kende Christus alles door de goddelijke wetenschap. Dus zou het overbodig zijn geweest, als er een andere wetenschap in Hem was.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, lux minor per majorem offuscatur. Sed omnis scientia creata comparatur ad scientiam Dei increatam, sicut lux minor ad majorem. Ergo in Christo non refulsit alia scientia, quam divina.

2. Het zwakkere licht wordt door het grootere verduisterd. Nu verhoudt iedere geschapen wetenschap zich tot Gods ongeschapen wetenschap als een zwakker licht tot het sterkere. Dus werd Christus door geen andere wetenschap dan de goddelijke verlicht.2. Het zwakkere licht wordt door het grotere verduisterd. Nu verhoudt iedere geschapen wetenschap zich tot Gods ongeschapen wetenschap als een zwakker licht tot het sterkere. Dus werd Christus door geen andere wetenschap dan de goddelijke verlicht.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, unio humanae naturae ad divinam facta est in persona, ut ex supradictis patet [q. 2. art. 2.]. Ponitur autem in Christo secundum quosdam quaedam scientia unionis, per quam scilicet Christus ea quae ad 305mysterium incarnationis pertinent, plenius scivit, quam aliquis alius. Cum ergo unio personalis contineat duas naturas, videtur, quod in Christo non sint duae scientiae, sed una2 scientia pertinens ad utramque naturam.

3. De vereeniging van de menschelijke en de goddelijke natuur geschiedde in persoon, zooals boven is gezegd (2e Kw., 2e Art.). Nu nemen sommigen in Christus een wetenschap der vereeniging aan, waardoor Christus alles wat het geheim der menschwording 305samenhangt, dieper doorgrondde dan ieder ander. Omdat nu de vereeniging in persoon de beide naturen omvat, schijnen er in Christus geen twee wetenschappen te zijn, maar slechts een, die tot beide naturen behoort.3. De vereniging van de menselijke en de goddelijke natuur geschiedde in persoon, zoals boven is gezegd (2e Kw., 2e Art.). Nu nemen sommigen in Christus een wetenschap van de vereniging aan, waardoor Christus alles wat het geheim van de menswording 305samenhangt, dieper doorgrondde dan ieder ander. Omdat nu de vereniging in persoon de beide naturen omvat, schijnen er in Christus geen twee wetenschappen te zijn, maar slechts een, die tot beide naturen behoort.

Sed contra est, quod Ambrosius dicit in lib. de Incarnat. [cap. 7. n. 71]: « Deus in carne perfectionem naturae assumpsit humanae: suscepit sensum hominis, non sensum carnis inflatum ». Sed ad sensum hominis pertinet scientia creata. Ergo in Christo fuit scientia creata3.

Hier staat echter tegenover, wat Ambrosius in het boek Over de Menschwording zegt (7e H.): « In het vleesch nam God de volmaaktheden der menschelijke natuur aan; Hij nam de menschelijke kennis aan, maar niet de opgeblazen kennis van het vleesch ». En nu behoort de geschapen wetenschap tot de menschelijke kennis. Dus was er in Hem nog een andere wetenschap dan de goddelijke.Hier staat echter tegenover, wat Ambrosius in het boek Over de Menswording zegt (7e H.): “In het vlees nam God de volmaaktheden van de menselijke natuur aan; Hij nam de menselijke kennis aan, maar niet de opgeblazen kennis van het vlees”. En nu behoort de geschapen wetenschap tot de menselijke kennis. Dus was er in Hem nog een andere wetenschap dan de goddelijke.

Respondeo dicendum, quod, sicut ex supradictis patet [q. 5.], Filius Dei humanam naturam integram assumpsit idest non solum corpus, sed etiam animam, non solum sensitivam, sed etiam rationalem. Et ideo oportuit, quod haberet scientiam creatam, propter tria. Primo quidem propter animae perfectionem. Anima enim secundum se considerata est in potentia ad intelligibilia cognoscenda: est enim « sicut tabula, in qua nihil est scriptum » [Arist. De An. lib. 3. cap. 4. n. 11.], et tamen possibile est 306in ea scribi per4 intellectum possibilem, « in quo est omnia fieri » ut dicitur in 3. de An. [cap. 5. n. 1. S. Th. lect. 10]. Quod autem est in potentia, est imperfectum, nisi reducatur ad actum. Non autem fuit conveniens, quod Filius Dei humanam naturam imperfectum erat reducendum. Et ideo oportuit, quod anima Christi esset perfecta per aliquam scientiam, quae esset propria perfectio ejus. Et ideo oportuit in Christo esse aliquam scientiam praeter scientiam divinam. Alioquin anima Christi esset imperfectior animabus aliorum hominum.

Leerstelling. — Zooals uit het boven gezegde blijkt (5e Kw.), nam Gods Zoon een volledige menschelijke natuur aan, dwz. niet alleen een lichaam, maar ook een ziel, en niet alleen de zintuiglijke, maar ook de redelijke. En daarom moest Hij om drie redenen de geschapen wetenschap bezitten. Ten eerste om wille van de volmaaktheid der ziel. Want de ziel heeft op zichzelf beschouwd het vermogen om wat begrepen kan worden te kennen, want zij is « als een schrijfbord, waarop niets geschreven 306is », en toch kan erop geschreven worden om het ontvangend verstand, « waarin het vermogen is alles te worden », zooals in het 3e boek Over de Ziel wordt gezegd (4e H. n. 2; 5e H., n. 1). Maar wat een vermogen heeft, is onvolmaakt tenzij het tot daadwerkelijkheid wordt gebracht. En nu paste het niet, dat Gods Zoon een onvolmaakte menschelijke natuur aannam, maar een volmaakte; omdat door middel van haar het geheele menschelijke geslacht tot volmaaktheid moest worden gebracht. En dus moest Christus' ziel door een wetenschap vervolmaakt worden, omdat die haar eigen volmaaktheid is. En daarom moest Christus nog een andere wetenschap hebben naast de goddelijke. Anders zou Christus' ziel onvolmaakter zijn geweest dan alle andere zielen van menschen.Leerstelling. — Zoals uit het boven gezegde blijkt (5e Kw.), nam Gods Zoon een volledige menselijke natuur aan, dwz. niet alleen een lichaam, maar ook een ziel, en niet alleen de zintuiglijke, maar ook de redelijke. En daarom moest Hij om drie redenen de geschapen wetenschap bezitten. Ten eerste om wille van de volmaaktheid van de ziel. Want de ziel heeft op zichzelf beschouwd het vermogen om wat begrepen kan worden te kennen, want zij is “als een schrijfbord, waarop niets geschreven 306is”, en toch kan erop geschreven worden om het ontvangend verstand, “waarin het vermogen is alles te worden”, zoals in het 3e boek Over de Ziel wordt gezegd (4e H. n. 2; 5e H., n. 1). Maar wat een vermogen heeft, is onvolmaakt tenzij het tot daadwerkelijkheid wordt gebracht. En nu paste het niet, dat Gods Zoon een onvolmaakte menselijke natuur aannam, maar een volmaakte; omdat door middel van haar het gehele menselijke geslacht tot volmaaktheid moest worden gebracht. En dus moest Christus' ziel door een wetenschap vervolmaakt worden, omdat die haar eigen volmaaktheid is. En daarom moest Christus nog een andere wetenschap hebben naast de goddelijke. Anders zou Christus' ziel onvolmaakter zijn geweest dan alle andere zielen van mensen.

Secundo, quia cum « quaelibet res sit propter suam operationem » ut dicitur in 2. de Coelo [cap. 3. n. 1. S. Th. 4.], frustra haberet Christus animam intellectivam, si non intelligeret secundum illam; quod pertinet ad scientiam creatam.

Ten tweede omdat Christus, daar « ieder ding bestaat om zijn werkzaamheid », zooals in het 2e boek Over Hemel en Aarde gezegd wordt (3e H. n. 1), een nuttelooze redelijke ziel had gehad, als Hij niet door haar had begrepen. En dat valt onder de geschapen wetenschap.Ten tweede omdat Christus, daar “ieder ding bestaat om zijn werkzaamheid”, zoals in het 2e boek Over Hemel en Aarde gezegd wordt (3e H. n. 1), een nutteloze redelijke ziel had gehad, als Hij niet door haar had begrepen. En dat valt onder de geschapen wetenschap.

Tertio, quia aliqua scientia creata pertinet ad animae humanae naturam, scilicet illa, per quam naturaliter cognoscimus prima principia: « scientiam » enim hic large accipimus pro qualibet cognitione intellectus humani. 307Nihil autem naturalium Christo defuit; quia totam humanam naturam suscepit, ut supra dictum est [q. 5.]; et ideo in sexta Synodo [Constant. 3. gener. 6. act. 4. in epist. Agath. Pp. ad Impp.], damnata est positio negantium in Christo esse duas scientias, vel duas sapientias.

Ten derde omdat een soort geschapen wetenschap behoort tot de natuur van de menschelijke ziel, nl. die, waardoor wij van nature de eerste beginselen kennen; want wij nemen wetenschap hier in breeden zin voor iedere kennis van het menschelijke verstand. Nu 307miste Christus niets, wat tot de natuur behoort, omdat Hij, zooals boven werd gezegd (5e Kw.), de geheele menschelijke natuur aannam. Daarom is op de zesde Kerkvergadering de stelling van hen veroordeeld, die ontkenden, dat er in Christus twee wetenschappen of twee wijsheden waren.Ten derde omdat een soort geschapen wetenschap behoort tot de natuur van de menselijke ziel, nl. die, waardoor wij van nature de eerste beginselen kennen; want wij nemen wetenschap hier in brede zin voor iedere kennis van het menselijke verstand. Nu 307miste Christus niets, wat tot de natuur behoort, omdat Hij, zoals boven werd gezegd (5e Kw.), de gehele menselijke natuur aannam. Daarom is op de zesde Kerkvergadering de stelling van hen veroordeeld, die ontkenden, dat er in Christus twee wetenschappen of twee wijsheden waren.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod Christus cognovit omnia per scientiam divinam operatione increata, quae est ipsa Dei essentia: Dei enim intelligere est sua substantia, ut probat Philos. 12. Metaph. [S. Th. lect. 11.]; unde hic actus non potuit esse animae5 Christi, cum sit alterius naturae. Si igitur non fuisset in anima Christi aliqua6 alia scientia praeter divinam, nihil cognovisset: et ita fuisset frustra assumpta; cum omnis7 « res sit propter suam operationem ».

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Christus kende door de goddelijke wetenschap alles met een ongeschapen daad, die Gods Wezen zelf is; want Gods begrijpen is Zijn zelfstandigheid, zooals in het 12e boek Over de Metaphysiek bewezen wordt. Daarom kon dit geen daad zijn van Christus' menschelijke ziel, omdat zij van een andere natuur is. Was er dus in Christus' ziel geen andere wetenschap naast de goddelijke, dan zou zij niets hebben gekend. En zoo zou zij zonder nut aangenomen zijn, omdat « een ding bestaat om zijn werkzaamheid ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Christus kende door de goddelijke wetenschap alles met een ongeschapen daad, die Gods Wezen zelf is; want Gods begrijpen is Zijn zelfstandigheid, zoals in het 12e boek Over de Metafysica bewezen wordt. Daarom kon dit geen daad zijn van Christus' menselijke ziel, omdat zij van een andere natuur is. Was er dus in Christus' ziel geen andere wetenschap naast de goddelijke, dan zou zij niets hebben gekend. En zo zou zij zonder nut aangenomen zijn, omdat “een ding bestaat om zijn werkzaamheid”.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod si duo lumina accipiantur ejusdem ordinis, minus offuscatur per majus: sicut lumen solis offuscat lumen candelae, quorum utrumque accipitur in ordine illuminantis. Sed si vero 308accipiantur duo lumina, ita quod8 majus sit in ordine illuminantis, et minus in ordine illuminati, minus lumen non offuscatur per majus, sed magis augetur, sicut lumen aëris per lumen solis. Et hoc modo lumen scientiae non offuscatur, sed magis clarescit in anima Christi per lumen scientiae divinae, quae est « lux vera illuminans omnem hominem venientem in hunc mundum » ut dicitur Joan. 1. [v. 9].

2. Als wij spreken over twee lichtbronnen in dezelfde orde, dan wordt het zwakkere verduisterd door het sterkere, zooals het zonlicht het licht van een kaars verduistert, welke beide genomen worden als lichtbronnen. Maar als men het sterkere kiest onder 308de bronnen van licht en het zwakkere onder de dingen, die verlicht worden, wordt het mindere licht niet verduisterd door het grootere, maar eerder versterkt zooals het licht van de lucht door het licht van de zon. En zoo wordt het licht der wetenschap in Christus' ziel niet verduisterd, maar versterkt door het licht van de goddelijke wetenschap, die « het ware licht is, dat alle menschen verlicht, die in de wereld komen », zooals bij Johannes wordt gezegd (1, 9).2. Als wij spreken over twee lichtbronnen in dezelfde orde, dan wordt het zwakkere verduisterd door het sterkere, zoals het zonlicht het licht van een kaars verduistert, welke beide genomen worden als lichtbronnen. Maar als men het sterkere kiest onder 308de bronnen van licht en het zwakkere onder de dingen, die verlicht worden, wordt het mindere licht niet verduisterd door het grotere, maar eerder versterkt zoals het licht van de lucht door het licht van de zon. En zo wordt het licht van de wetenschap in Christus' ziel niet verduisterd, maar versterkt door het licht van de goddelijke wetenschap, die “het ware licht is, dat alle mensen verlicht, die in de wereld komen”, zoals bij Johannes wordt gezegd (1, 9).

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod ex parte unitorum ponitur scientia in Christo, et quantum ad naturam divinam, et quantum ad humanam, ita quod propter9 unionem, secundum quam est eadem hypostasis Dei, et hominis, id quod est Dei, attribuitur homini, et id quod est hominis, attribuitur Deo, ut supra dictum est [q. 3. art. 6. arg. 3.]. Sed ex parte ipsius unionis non potest poni in Christo aliqua scientia. Nam unio illa est ad esse personale; scientia autem non convenit personae, nisi ratione alicujus naturae.

3. Van de kant van wat vereenigd wordt, nemen wij in Christus een wetenschap aan, en wat de goddelijke, en wat de menschelijke natuur betreft, zoodat door de vereeniging, waardoor er één hypostase van God en mensch is, wat van God is aan den mensch, en wat van den mensch is aan God wordt toegeschreven, zooals boven gezegd is (3e Kw., 6e Art., Antw. op de 3e B.). Maar van de kant der vereeniging zelf kan men in Christus geen wetenschap aannemen. Want die vereeniging richt zich op het persoonlijke zijn, maar wetenschap komt aan een persoon niet toe, tenzij om een natuur.3. Van de kant van wat verenigd wordt, nemen wij in Christus een wetenschap aan, en wat de goddelijke, en wat de menselijke natuur betreft, zodat door de vereniging, waardoor er één hypostase van God en mens is, wat van God is aan de mens, en wat van de mens is aan God wordt toegeschreven, zoals boven gezegd is (3e Kw., 6e Art., Antw. op de 3e B.). Maar van de kant van de vereniging zelf kan men in Christus geen wetenschap aannemen. Want die vereniging richt zich op het persoonlijke zijn, maar wetenschap komt aan een persoon niet toe, tenzij om een natuur.

Articulus II

Utrum Christus habuerit scientiam, quam habent beati1, vel comprehensores

[Comp. Theol. cap. 216.]
IIe Artikel

Was de wetenschap van hen, die de zaligheid bereikt hebben, in Christus?

antwoord 1 ↓

309Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod in Christo non fuerit scientia beatorum, vel comprehensorum: scientia enim beatorum est per participationem divini luminis, secundum illud Ps. 35. [v. 10]: « In lumine tuo videbimus lumen ». Sed Christus non habuit lumen divinum tanquam participatum, sed ipsam divinitatem in se habuit substantialiter manentem, secundum illud Coloss. 2. [v. 9]: « In Christo inhabitat omnis plenitudo divinitatis corporaliter ». Ergo in Christo non fuit scientia beatorum.

309Bedenkingen. — Men beweert, dat de wetenschap van hen, die de zaligheid bereikt hebben, niet in Christus was. — 1. Want de zaligen hebben hun wetenschap door deel te hebben aan het goddelijk licht volgens het Psalmwoord (Ps. 35, 10): « In Uw licht zullen wij het licht zien ». Nu had Christus het goddelijk licht niet door deelhebbing, maar Hij had de godheid zelf zelfstandig in Hem blijvend volgens het woord uit den Brief aan de Colossensen (2, 9): « In Hem woont de geheele volheid der godheid lichamelijk ». Dus was de wetenschap der zaligen niet in Hem.309Bedenkingen. — Men beweert, dat de wetenschap van hen, die de zaligheid bereikt hebben, niet in Christus was. — 1. Want de zaligen hebben hun wetenschap door deel te hebben aan het goddelijk licht volgens het Psalmwoord (Ps. 35, 10)a: “In Uw licht zullen wij het licht zien”. Nu had Christus het goddelijk licht niet door deelhebbing, maar Hij had de godheid zelf zelfstandig in Hem blijvend volgens het woord uit de Brief aan de Colossensen (2, 9): “In Hem woont de gehele volheid van de godheid lichamelijk”. Dus was de wetenschap van de zaligen niet in Hem.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, scientia beatorum eos beatos facit, secundum illud Joan. 17. [v. 3]: « Haec est vita aeterna, ut cognoscant te solum verum Deum, et quem misisti Jesum Christum ». Sed homo ille fuit beatus ex hoc ipso, 310quod fuit Deo unitus in persona, secundum illud Ps. 64. [v. 5]: « Beatus, quem elegisti, et assumpsisti ». Non ergo oportet ponere in ipso scientiam beatorum.

2. De wetenschap der zaligen maakt hen zalig, volgens het woord van Johannes (17, 3): « Dit is het eeuwige leven, dat zij U, den waren God kennen en Jesus Christus, dien Gij gezonden hebt ». Maar deze Mensch was hierdoor zalig, dat Hij met God 310in persoon vereenigd was volgens het Psalmwoord (Ps. 64, 5): « Zalig degene, dien Gij hebt uitgekozen en aangenomen ». Dus moet men de wetenschap der zaligen niet in Hem aannemen.2. De wetenschap van de zaligen maakt hen zalig, volgens het woord van Johannes (17, 3): “Dit is het eeuwige leven, dat zij U, de ware God kennen en Jesus Christus, die Gij gezonden hebt”. Maar deze Mens was hierdoor zalig, dat Hij met God 310in persoon verenigd was volgens het Psalmwoord (Ps. 64, 5): “Zalig degene, die Gij hebt uitgekozen en aangenomen”. Dus moet men de wetenschap van de zaligen niet in Hem aannemen.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, scientia duplex homini competit; una secundum suam naturam; alia supra naturam. Scientia autem beatorum, quae in divina visione consistit, non est secundum naturam hominis, sed supra ejus naturam: in Christo autem fuit alia supernaturalis scientia multo2 altior, scilicet scientia divina. Non ergo oportuit in Christo esse scientiam beatorum.

3. Een tweevoudige wetenschap komt den mensch toe: een volgens zijn natuur en een boven zijn natuur. Nu is de wetenschap der zaligen, die in het aanschouwen van God bestaat, niet volgens, maar boven de menschelijke natuur. Maar in Christus was er een andere, veel sterkere en hoogere bovennatuurlijke wetenschap, nl. de goddelijke wetenschap. Dus moest de wetenschap der zaligen niet in Christus zijn.3. Een tweevoudige wetenschap komt de mens toe: een volgens zijn natuur en een boven zijn natuur. Nu is de wetenschap van de zaligen, die in het aanschouwen van God bestaat, niet volgens, maar boven de menselijke natuur. Maar in Christus was er een andere, veel sterkere en hogere bovennatuurlijke wetenschap, nl. de goddelijke wetenschap. Dus moest de wetenschap van de zaligen niet in Christus zijn.

Sed contra, scientia beatorum in Dei3 cognitione consistit. Sed ipse plene cognovit Deum, etiam secundum quod homo, secundum illud Joan. 8. [v. 55]: « Scio eum, et sermonem ejus servo ». Ergo in Christo fuit scientia beatorum.

Maar daartegenover staat, dat de wetenschap der zaligen in het aanschouwen of kennen van God bestaat. Nu kende Hij, zelfs in zoover Hij mensch was, God volkomen, volgens het woord van Johannes (8, 55): « Ik ken Hem en bewaar zijn woord ». Dus was de wetenschap der zaligen in Christus.Maar daartegenover staat, dat de wetenschap van de zaligen in het aanschouwen of kennen van God bestaat. Nu kende Hij, zelfs in zover Hij mens was, God volkomen, volgens het woord van Johannes (8, 55): “Ik ken Hem en bewaar zijn woord”. Dus was de wetenschap van de zaligen in Christus.

Respondeo dicendum, quod illud quod est in potentia, reducitur in actum per id quod est actu: oportet enim esse calidum id, per quod alia 311calefiunt. Homo autem est in potentia ad scientiam beatorum, quae in Dei visione consistit; et ad eam ordinatur sicut ad finem: est enim creatura rationalis capax illius beatae cognitionis, inquantum est ad imaginem Dei. Ad hunc autem finem beatitudinis homines reducuntur per Christi humanitatem, secundum illud Heb. 2. [v. 10]: « Decebat eum, propter quem omnia, et per quem omnia, qui multos filios in gloriam adduxerat, auctorem salutis eorum per passionem consummari ». Et ideo oportuit, quod cognitio beata4 in Dei visione consistens, excellentissime Christo homini conveniret: quia semper causam oportet esse potiorem causato.

Leerstelling. — Wat iets kàn zijn, wordt tot daadwerkelijkheid gebracht door datgene, wat daadwerkelijk iets is; want datgene waardoor iets anders verwarmd wordt, moet zelf warm zijn. 311Nu kan de mensch de wetenschap der zaligen, die in het aanschouwen van God bestaat, bezitten, en hij is erop gericht als op zijn einddoel; want hij is een redelijk schepsel, dat die zalige kennis kan krijgen in zoover hij naar Gods beeld is gemaakt. Nu worden de menschen door Christus' menschheid tot dit zalige einddoel gebracht volgens den Brief aan de Hebreeën (2, 10): « Het lag voor de hand, dat Hij, om wien en door wien alles bestaat, en die vele zonen tot heerlijkheid brengt, ook hun Leidsman ter zaligheid door lijden tot heerlijkheid zou brengen ». En dus moest diezelfde kennis, die in het aanschouwen van God bestaat, zoo uitstekend mogelijk aan Christus' menschheid toekomen; want de oorzaak moet altijd sterker zijn dan wat veroorzaakt wordt.Leerstelling. — Wat iets kàn zijn, wordt tot daadwerkelijkheid gebracht door datgene, wat daadwerkelijk iets is; want datgene waardoor iets anders verwarmd wordt, moet zelf warm zijn. 311Nu kan de mens de wetenschap van de zaligen, die in het aanschouwen van God bestaat, bezitten, en hij is erop gericht als op zijn einddoel; want hij is een redelijk schepsel, dat die zalige kennis kan krijgen in zover hij naar Gods beeld is gemaakt. Nu worden de mensen door Christus' mensheid tot dit zalige einddoel gebracht volgens de Brief aan de Hebreeën (2, 10): “Het lag voor de hand, dat Hij, om wie en door wie alles bestaat, en die vele zonen tot heerlijkheid brengt, ook hun Leidsman ter zaligheid door lijden tot heerlijkheid zou brengen”. En dus moest diezelfde kennis, die in het aanschouwen van God bestaat, zo uitstekend mogelijk aan Christus' mensheid toekomen; want de oorzaak moet altijd sterker zijn dan wat veroorzaakt wordt.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod divinitas unita est humanitati Christi secundum personam, non secundum essentiam, vel naturam. Sed cum unitate personae remanet distinctio naturarum. Et ideo anima Christi, quae est pars humanae naturae, per aliquod lumen participatum a natura divina, perfecta est ad scientiam beatam, qua Deus per essentiam videtur.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De godheid is met Christus' menschheid in persoon en niet in natuur of wezen vereenigd; maar bij de eenheid van persoon bleef het verschil der naturen. En dus kreeg Christus' ziel, die een deel van de menschelijke natuur is, door deelhebbing aan het licht van de goddellijke natuur, haar volmaaktheid in de wetenschap der zaligen, waardoor God naar zijn wezen wordt gezien.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De godheid is met Christus' mensheid in persoon en niet in natuur of wezen verenigd; maar bij de eenheid van persoon bleef het verschil van de naturen. En dus kreeg Christus' ziel, die een deel van de menselijke natuur is, door deelhebbing aan het licht van de goddellijke natuur, haar volmaaktheid in de wetenschap van de zaligen, waardoor God naar zijn wezen wordt gezien.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod ex ipsa unione homo ille est beatus beatitudine increata, sicut ex unione est Deus: sed praeter beatitudinem increatam, oportuit in natura humana Christi esse quamdam beatitudinem creatam, per quam anima ejus in ultimo fine humanae naturae constitueretur.

3122. Door de vereeniging zelf is die mensch in een ongeschapen geluk zalig, zooals hij God is door de vereeniging. Maar buiten de ongeschapen zaligheid moet er in Christus' ziel een geschapen zaligheid zijn, waardoor zijn ziel het laatste einddoel van de menschelijke natuur bereikt.3122. Door de vereniging zelf is die mens in een ongeschapen geluk zalig, zoals hij God is door de vereniging. Maar buiten de ongeschapen zaligheid moet er in Christus' ziel een geschapen zaligheid zijn, waardoor zijn ziel het laatste einddoel van de menselijke natuur bereikt.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod visio, seu scientia beata est quodam modo supra naturam animae rationalis; inquantum scilicet propria virtute ad eam pervenire non potest. Alio vero modo est secundum naturam ipsius, inquantum scilicet secundum5 naturam suam est capax ejus, prout scilicet est ad imaginem Dei facta, ut supra dictum est [in corp. art.]. Sed scientia increata est omnibus modis supra naturam animae humanae.

3. De zalige kennis of wetenschap is in zekeren zin boven de natuur van de redelijke ziel, in zoover zij door eigen kracht niet daartoe komen kan. Maar op een andere manier is zij volgens haar natuur, in zoover zij naar de natuur het vermogen er te komen heeft, omdat zij nl. naar Gods beeld geschapen is, zooals boven werd gezegd (in de Leerstelling). Maar de ongeschapen wetenschap is in alle opzichten boven de menschelijke natuur.3. De zalige kennis of wetenschap is in zekeren zin boven de natuur van de redelijke ziel, in zover zij door eigen kracht niet daartoe komen kan. Maar op een andere manier is zij volgens haar natuur, in zover zij naar de natuur het vermogen er te komen heeft, omdat zij nl. naar Gods beeld geschapen is, zoals boven werd gezegd (in de Leerstelling). Maar de ongeschapen wetenschap is in alle opzichten boven de menselijke natuur.

Articulus III

Utrum Christus habuerit scientiam inditam, vel infusam1

[Infr. q. 12. art. 1. et 3. Dist. 14. art. 1. q. 5. et Veri. q. 20. art. 2. et 3. et Comp. Theol. cap. 216.]
IIIe Artikel

Had Christus nog een andere ingestorte wetenschap behalve die der zaligen?Had Christus nog een andere ingestorte wetenschap behalve die van de zaligen?

antwoord 1 ↓

312Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod in Christo non sit alia 313scientia indita, vel infusa2, praeter scientiam beatam: omnis alia scientia3 comparatur ad scientiam beatam, sicut imperfectum ad perfectum. Sed presente cognitione perfecta, excluditur cognitio imperfecta; sicut manifesto visio faciei excludit aenigmaticam visionem fidei, ut patet 1. ad Cor. 13. [v. 10, 12]. Cum igitur in Christo fuerit scientia beata, ut dictum est [art. praec.], videtur, quod non potuerit in eo esse alia scientia indita.

312Bedenkingen. — Men beweert, dat er in Christus geen 313andere ingestorte wetenschap was dan die der zaligen. — 1. Want iedere andere geschapen wetenschap verhoudt zich tot die der zaligen als het onvolmaakte tot het volmaakte. Maar als de volmaakte wetenschap aanwezig is, is de onvolmaakte uitgesloten, zooals het duidelijk aanschouwen van aanschijn tot aanschijn het zien in raadsels van het geloof uitsluit, zooals uit den Eersten Korinthiërsbrief (13, 10 en 12) blijkt. Daar nu, zooals gezegd werd (vorig Art.), de wetenschap der zaligen in Christus was, schijnt het, dat er geen andere ingestorte wetenschap in Hem kon zijn.312Bedenkingen. — Men beweert, dat er in Christus geen 313andere ingestorte wetenschap was dan die van de zaligen. — 1. Want iedere andere geschapen wetenschap verhoudt zich tot die van de zaligen als het onvolmaakte tot het volmaakte. Maar als de volmaakte wetenschap aanwezig is, is de onvolmaakte uitgesloten, zoals het duidelijk aanschouwen van aanschijn tot aanschijn het zien in raadsels van het geloof uitsluit, zoals uit de Eerste Korintiërsbrief (13, 10 en 12) blijkt. Daar nu, zoals gezegd werd (vorig Art.), de wetenschap van de zaligen in Christus was, schijnt het, dat er geen andere ingestorte wetenschap in Hem kon zijn.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, imperfectior modus cognitionis disponit ad perfectiorem: sicut opinio, quae est per syllogismum dialecticum, disponit ad scientiam, quae est per syllogismum demonstrativum: habita autem perfectione, non est ulterius necessaria dispositio: sicut habito termino, non est necessarius motus. Cum ergo cognitio quaecumque alia creata comparetur ad cognitionem beatam, sicut imperfectum ad perfectum, et sicut dispositio ad terminum, videtur, quod cum Christus habuerit cognitionem beatam, quod non fuerit ei necessarium habere aliam cognitionem.

2. De onvolmaakte wijze van kennen is een voorbereiding voor de meer volmaakte, zooals een meening, die door een dialectisch syllogisme ontstaat, tot de wetenschap voorbereidt, die door een inzichtgevend syllogisme gegeven wordt. Heeft men nu de volmaaktheid, dan is de voorbereiding niet langer noodzakelijk, zooals de beweging niet meer noodig is, als het doel is bereikt. Omdat nu iedere andere geschapen kennis zich tot de wetenschap der zaligen verhoudt als het onvolmaakte tot het volmaakte en als een voorbereiding tot het doel, schijnt het, dat Christus, omdat Hij de zalige wetenschap bezat, aan een andere kennis geen behoefte meer had.2. De onvolmaakte wijze van kennen is een voorbereiding voor de meer volmaakte, zoals een mening, die door een dialectisch syllogisme ontstaat, tot de wetenschap voorbereidt, die door een inzichtgevend syllogisme gegeven wordt. Heeft men nu de volmaaktheid, dan is de voorbereiding niet langer noodzakelijk, zoals de beweging niet meer nodig is, als het doel is bereikt. Omdat nu iedere andere geschapen kennis zich tot de wetenschap van de zaligen verhoudt als het onvolmaakte tot het volmaakte en als een voorbereiding tot het doel, schijnt het, dat Christus, omdat Hij de zalige wetenschap bezat, aan een andere kennis geen behoefte meer had.

antwoord 3 ↓

3143. Praeterea, sicut materia corporalis est in potentia ad formam sensibilem, ita intellectus possibilis est in potentia ad formam intelligibilem. Sed materia corporalis non potest simul recipere duas formas sensibiles, unam perfectiorem, et aliam minus perfectam. Ergo neque anima potest simul recipere duplicem scientiam, unam perfectiorem, et aliam minus perfectam. Et sic idem quod prius.

3143. Zooals de stoffelijke materie het vermogen heeft om de onder de zintuigen vallende vorm te ontvangen, zoo heeft het ontvangend verstand het vermogen om de begripsvorm te ontvangen. Nu kan de lichamelijke stof geen twee onder de zintuigen vallende vormen, een meer volmaakte en een minder volmaakte, tegelijk ontvangen. Dus kan ook de ziel niet tegelijk een dubbele wetenschap opnemen, een meer volmaakte en een minder volmaakte. En zoo volgt hetzelfde als te voren.3143. Zoals de stoffelijke materie het vermogen heeft om de onder de zintuigen vallende vorm te ontvangen, zo heeft het ontvangend verstand het vermogen om de begripsvorm te ontvangen. Nu kan de lichamelijke stof geen twee onder de zintuigen vallende vormen, een meer volmaakte en een minder volmaakte, tegelijk ontvangen. Dus kan ook de ziel niet tegelijk een dubbele wetenschap opnemen, een meer volmaakte en een minder volmaakte. En zo volgt hetzelfde als te voren.

Sed contra est, quod dicitur Coloss. 2. [v. 3] « in Christo sunt omnes thesauri sapientiae, et scientiae absconditi ».

Maar daartegenover staat, wat in den Brief aan de Colossensen wordt gezegd (2, 3): « In Christus zijn alle schatten van wijsheid en wetenschap verborgen ».Maar daartegenover staat, wat in de Brief aan de Colossensen wordt gezegd (2, 3): “In Christus zijn alle schatten van wijsheid en wetenschap verborgen”.

Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est [art. 1. huj. q.], decebat, ut natura humana assumpta a Verbo Dei imperfecta non esset. omne autem quod est in potentia, est imperfectum, nisi reducatur ad actum. Intellectus autem possibilis humanus est in potentia ad omnia intelligibilia. Reducitur autem in actum per species intelligibiles, quae sunt quaedam formae completivae ipsius; ut patet ex his quae dicuntur in 3. de An. 315[cap. 8. n. 1, 2. St Th. lec. 13.]. Et ideo oportet in Christo ponere scientiam inditam; inquantum per Verbum Dei animae Christi sibi personaliter unitae impressae sunt species intelligibiles ad omnia, ad quae intellectus possibilis est in potentia: sicut etiam per Verbum Dei impressae sunt species intelligibiles menti angelicae in principio creationis rerum, ut patet per Augustinus 2. super Gen. ad lit. [cap. 8.]. Et ideo sicut in angelis secundum eumdem Augustinum [lib. 4. sup. Gen. ad lit. cap. 22. De Civ. Dei lib. 11. cap. 7 sq.], ponitur duplex cognitio; una scilicet matutina, per quam cognoscunt res in verbo: et alia vespertina, per quam cognoscunt res in propria natura per species sibi inditas; ita praeter scientiam divinam. et increatam, est in Christo secundum ejus animam scientia beata, qua cognoscit verbum, et res in verbo, et scientia infusa, sive indita, per quam cognoscit res in propria natura per species intelligibiles humanae menti proportionatas.

Leerstelling. — Zooals gezegd is (1e Art.), was het niet gepast, dat de door Gods Woord aangenomen menschelijke natuur onvolmaakt zou zijn. Alles nu, wat iets kan zijn, is onvolmaakt tenzij het tot daadwerkelijkheid wordt gebracht. Nu heeft het menschelijke ontvangende verstand het vermogen om alle begrijpbare dingen op te nemen. En het wordt tot daadwerkelijkheid gebracht door het verstandskenbeeld, dat een soort vervolmakende vorm ervan is, zooals blijkt uit wat in het 3e boek Over de Ziel (8e 315H. n. 1 en 2) wordt gezegd. En dus moet men in Christus een ingegeven wetenschap aannemen in zoover door Gods Woord in Christus' ziel, die in persoon ermee vereenigd is, verstandskenbeelden zijn ingedrukt voor alle dingen, die het ontvangende verstand begrijpen kan, zooals ook de verstandskenbeelden door Gods Woord vanaf het begin van de schepping der dingen in het verstand der Engelen zijn ingedrukt, zooals Augustinus bewijst in het Letterlijke Commentaar op het Boek der Schepping (2e B., 8e H.). En daarom vinden wij, zooals door denzelfden Augustinus (t. a. p., 4e B., 22e H.) bij de Engelen een dubbele kennis wordt aangenomen, nl. een « van den ochtend », waarmee zij de dingen kennen in het Woord, en een andere « van den avond », waardoor zij de dingen in hun eigen natuur kennen door de hun ingegeven kenbeelden, ook in Christus naast de ongeschapen goddelijke wetenschap, in zijn ziel de wetenschap der zaligen, waardoor Hij het Woord kent en de dingen in het Woord, en de ingegeven of ingestorte kennis, waardoor Hij de dingen kent in hun eigen natuur door verstandskenbeelden, die passen bij het menschelijke verstand.Leerstelling. — Zoals gezegd is (1e Art.), was het niet gepast, dat de door Gods Woord aangenomen menselijke natuur onvolmaakt zou zijn. Alles nu, wat iets kan zijn, is onvolmaakt tenzij het tot daadwerkelijkheid wordt gebracht. Nu heeft het menselijke ontvangende verstand het vermogen om alle begrijpbare dingen op te nemen. En het wordt tot daadwerkelijkheid gebracht door het verstandskenbeeld, dat een soort vervolmakende vorm ervan is, zoals blijkt uit wat in het 3e boek Over de Ziel (8e 315H. n. 1 en 2) wordt gezegd. En dus moet men in Christus een ingegeven wetenschap aannemen in zover door Gods Woord in Christus' ziel, die in persoon ermee verenigd is, verstandskenbeelden zijn ingedrukt voor alle dingen, die het ontvangende verstand begrijpen kan, zoals ook de verstandskenbeelden door Gods Woord vanaf het begin van de schepping van de dingen in het verstand van de Engelen zijn ingedrukt, zoals Augustinus bewijst in het Letterlijke Commentaar op het Boek van de Schepping (2e B., 8e H.). En daarom vinden wij, zoals door dezelfde Augustinus (t. a. p., 4e B., 22e H.) bij de Engelen een dubbele kennis wordt aangenomen, nl. een “van de ochtend”, waarmee zij de dingen kennen in het Woord, en een andere “van de avond”, waardoor zij de dingen in hun eigen natuur kennen door de hun ingegeven kenbeelden, ook in Christus naast de ongeschapen goddelijke wetenschap, in zijn ziel de wetenschap van de zaligen, waardoor Hij het Woord kent en de dingen in het Woord, en de ingegeven of ingestorte kennis, waardoor Hij de dingen kent in hun eigen natuur door verstandskenbeelden, die passen bij het menselijke verstand.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod visio imperfecta fidei in sui ratione includit oppositum manifestae visionis; eo quod de ratione fidei est, ut sit 316de non visis, ut in 2. dictum est [2-2. q. 1. art. 4.]. Sed cognitio, quae est per species inditas, non includit aliquid oppositum cognitioni beatae. Et ideo non est eadem ratio utrobique.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het onvolmaakte zien van het geloof bevat iets, dat met de duidelijk aanschouwing 316strijdt, omdat het nl. tot de aard van het geloof behoort zich op ongeziene dingen te betrekken, zooals in het tweede deel is behandeld (IIa-IIae, 1e Kw., 4e Art.); maar de kennis door ingestorte kenbeelden sluit niets in, dat met de zalige kennis strijdt. En dus gaat dezelfde redeneering niet in beide gevallen op.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het onvolmaakte zien van het geloof bevat iets, dat met de duidelijk aanschouwing 316strijdt, omdat het nl. tot de aard van het geloof behoort zich op ongeziene dingen te betrekken, zoals in het tweede deel is behandeld (2-2, 1e Kw., 4e Art.); maar de kennis door ingestorte kenbeelden sluit niets in, dat met de zalige kennis strijdt. En dus gaat dezelfde redenering niet in beide gevallen op.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod dispositio se habet ad perfectionem dupliciter: uno modo, sicut via ducens ad perfectionem: alio modo, sicut effectus a perfectione procedens; per calorem enim disponitur materia ad suscipiendam formam ignis; qua tamen adveniente, calor non cessat, sed remanet, quasi quidem effectus talis formae. Et similiter opinio ex syllogismo dialectico causata est via ad scientiam, quae per demonstrationem acquiritur, qua tamen acquisita, potest remanere cognitio, quae est per syllogismum dialecticum, quasi consequens scientiam demonstrativam, quae est per causam: quia ille qui cognoscit causam, ex hoc etiam magis potest cognoscere signa probabilia, ex quibus procedit dialecticus syllogismus. Et similiter in Christo simul cum scientia beatitudinis manet scientia indita, non quasi via ad beatitudinem, sed quasi per beatitudinem confirmata.

2. De voorbereiding heeft een dubbele verhouding tot het volmaakte: ten eerste als weg, die naar de volmaaktheid leidt, en ten tweede als iets, wat uit de volmaaktheid volgt. Want door de warmte wordt de stof geschikt gemaakt om de vuurvorm te ontvangen; maar als die komt, verdwijnt de warmte niet, maar blijft als een gevolg van die vorm. En op dezelfde manier is een meening, die uit een dialectische redeneering ontstaat, een weg tot de wetenschap, maar heeft men deze, dan kan de kennis, die door het dialectische syllogisme is ontstaan, blijven als een gevolg van de wetenschap, die doorslaand aantoont uit de oorzaken; want wie de oorzaak kent, kan zelfs nog beter de waarschijnlijke teekenen kennen, waar het dialectische syllogisme van uitgaat. En zoo blijft ook in Christus de ingestorte kennis tegelijk met de wetenschap der zaligen, niet als een weg, die tot de zaligheid leidt, maar door de zaligheid bevestigd.2. De voorbereiding heeft een dubbele verhouding tot het volmaakte: ten eerste als weg, die naar de volmaaktheid leidt, en ten tweede als iets, wat uit de volmaaktheid volgt. Want door de warmte wordt de stof geschikt gemaakt om de vuurvorm te ontvangen; maar als die komt, verdwijnt de warmte niet, maar blijft als een gevolg van die vorm. En op dezelfde manier is een mening, die uit een dialectische redenering ontstaat, een weg tot de wetenschap, maar heeft men deze, dan kan de kennis, die door het dialectische syllogisme is ontstaan, blijven als een gevolg van de wetenschap, die doorslaand aantoont uit de oorzaken; want wie de oorzaak kent, kan zelfs nog beter de waarschijnlijke tekenen kennen, waar het dialectische syllogisme van uitgaat. En zo blijft ook in Christus de ingestorte kennis tegelijk met de wetenschap van de zaligen, niet als een weg, die tot de zaligheid leidt, maar door de zaligheid bevestigd.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod cognitio beata non fit per speciem, quae sit similitudo divinae essentiae, vel eorum, quae in divina essentia cognoscuntur, ut patet ex his quae in 1. dicta sunt [q. 12. art. 2. et 9.]. Sed talis cognitio est ipsius divinae essentiae immediate, per hoc quod ipsa essentia divina unitur menti beatae, sicut intelligibile intelligenti: quae quidem essentia divina est forma excedens proportionem cujuslibet creaturae. Unde nihil prohibet, quin cum hac forma superexcedente simul insint rationali menti species intelligibiles proportionatae suae naturae.

3. De kennis der zaligen geschiedt niet door middel van een 317kenbeeld; dat een gelijkenis is van het goddelijke wezen, of van wat in het goddelijke wezen gekend wordt, zooals uit het eerste deel (12e Kw., 2e en 9e Art.) blijkt; maar deze kennis bereikt het goddelijk wezen zelf onmiddellijk, doordat het goddelijk wezen zelf onmiddellijk met het zalig verstand vereenigd wordt als het begrijpbare met hem, die begrijpt. Nu is dit goddelijk wezen een vorm, die de verhoudingen van ieder schepsel overtreft. Dus is er niets op tegen, dat er tegelijk met deze overtreffende vorm in het redelijk verstand andere kenbeelden zijn, die aan zijn natuur beantwoorden.3. De kennis van de zaligen geschiedt niet door middel van een 317kenbeeld; dat een gelijkenis is van het goddelijke wezen, of van wat in het goddelijke wezen gekend wordt, zoals uit het eerste deel (12e Kw., 2e en 9e Art.) blijkt; maar deze kennis bereikt het goddelijk wezen zelf onmiddellijk, doordat het goddelijk wezen zelf onmiddellijk met het zalig verstand verenigd wordt als het begrijpbare met hem, die begrijpt. Nu is dit goddelijk wezen een vorm, die de verhoudingen van ieder schepsel overtreft. Dus is er niets op tegen, dat er tegelijk met deze overtreffende vorm in het redelijk verstand andere kenbeelden zijn, die aan zijn natuur beantwoorden.

Articulus IV

Utrum Christus habuerit aliquam scientiam acquisitam1

[Infr. q. 12. art. 2. et q. 15. art. 8. et Comp. Theol. cap. 216. et 3. Dist. 14. art. 3. q. 5. ad 3. et Dist. 18. art. 3. ad 5. et Veri. q. 20. art. 3. ad 1.]
IVe Artikel

Was er in Christus een door ondervinding verkregen wetenschap?

antwoord 1 ↓

317Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod in Christo non fuerit aliqua scientia experimentalis acquisita: quidquid enim Christo conveniens fuit, excellentissime habuit. Sed Christus non habuit excellentissime scientiam 318acquisitam: non enim institit studio literarum, quo perfectissime scientia acquiritur: dicitur enim Joan. 7. [v. 15]: « Mirabantur Judaei dicentes: Quomodo hic litteras scit, cum non didicerit? » Ergo videtur, quod in Christo non fuerit aliqua scientia acquisita.

317Bedenkingen. — Men beweert, dat er in Christus geen door ondervinding verkregen wetenschap was. — 1. Want wat aan Christus paste, had Hij op de meest uitstekende manier. Maar de 318verkregen wetenschap had Hij niet zoo uitstekend mogelijk, omdat Hij zich niet op de studie der geschriften toelegde, waardoor de wetenschap zoo volmaakt mogelijk verkregen wordt; want bij Johannes wordt gezegd (7, 15): « De Joden verwonderden zich en zeiden: « Hoe kent deze de geschriften, daar Hij ze niet geleerd heeft? » » Dus schijnt er in Christus geen aangeleerde wetenschap te zijn geweest.317Bedenkingen. — Men beweert, dat er in Christus geen door ondervinding verkregen wetenschap was. — 1. Want wat aan Christus paste, had Hij op de meest uitstekende manier. Maar de 318verkregen wetenschap had Hij niet zo uitstekend mogelijk, omdat Hij zich niet op de studie van de geschriften toelegde, waardoor de wetenschap zo volmaakt mogelijk verkregen wordt; want bij Johannes wordt gezegd (7, 15): “De Joden verwonderden zich en zeiden: ‘Hoe kent deze de geschriften, daar Hij ze niet geleerd heeft?’” Dus schijnt er in Christus geen aangeleerde wetenschap te zijn geweest.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, ei, quod est plenum, non potest aliquid superaddi. Sed potentia animae Christi fuit impleta per species intelligibiles divinitus inditas, ut dictum est [art. praec.]. Ergo non potuerunt supervenire ejus animae aliquae species acquisitae.

2. Aan wat vol is, kan niets toegevoegd worden. Maar het vermogen van Christus' ziel was vol met de door God ingestorte kenbeelden, zooals gezegd is (vorig Art.). Dus konden er in zijn ziel geen verworven kenbeelden meer bijkomen.2. Aan wat vol is, kan niets toegevoegd worden. Maar het vermogen van Christus' ziel was vol met de door God ingestorte kenbeelden, zoals gezegd is (vorig Art.). Dus konden er in zijn ziel geen verworven kenbeelden meer bijkomen.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, in eo, qui jam habet habitum scientiae, per ea quae a sensu accipit, non acquiritur novus habitus; quia sic duae formae ejusdem speciei simul essent in eodem. Sed habitus, qui prius inerat, confirmatur, et augetur. Ergo cum Christus habuerit habitum scientiae inditae, non videtur, quod per ea quae sensu percepit, aliquam aliam scientiam acquisierit.

3. Wie de gewoonte der wetenschap reeds bezit, krijgt door wat hij van de zintuigen ontvangt, geene nieuwe gewoonte, want dan zouden er in denzelfden persoon twee vormen van dezelfde soort zijn; maar de gewoonte, die er reeds was, wordt grooter en sterker. Omdat nu Christus reeds de gewoonte bezat der ingestorte wetenschap, schijnt het, dat Hij geen andere wetenschap kreeg door wat Hij met de zintuigen waarnam.3. Wie de gewoonte van de wetenschap reeds bezit, krijgt door wat hij van de zintuigen ontvangt, geen nieuwe gewoonte, want dan zouden er in dezelfde persoon twee vormen van dezelfde soort zijn; maar de gewoonte, die er reeds was, wordt groter en sterker. Omdat nu Christus reeds de gewoonte bezat van de ingestorte wetenschap, schijnt het, dat Hij geen andere wetenschap kreeg door wat Hij met de zintuigen waarnam.

Sed contra est, quod Hebr. 5. [v. 8] dicitur: « Cum esset Filius Dei, didicit ex his quae passus est, obedientiam ». Gloss. [Lomb.] « idest 319expertus est ». Fuit ergo in Christo aliqua experimentalis scientia, quae est scientia acquisita.

Maar hiertegenover staat het woord uit den Hebreeënbrief (5, 8): « Hoewel Hij Gods Zoon was, leerde Hij gehoorzaamheid 319door wat Hij leed », en de Glossa zegt erbij: « Dit beteekent: leerde Hij door ondervinding ». Dus was er in Christus een door ondervinding verkregen wetenschap, en dat is een aangeleerde wetenschap.Maar hiertegenover staat het woord uit de Hebreeënbrief (5, 8): “Hoewel Hij Gods Zoon was, leerde Hij gehoorzaamheid 319door wat Hij leed”, en de Glossa zegt erbij: “Dit betekent: leerde Hij door ondervinding”. Dus was er in Christus een door ondervinding verkregen wetenschap, en dat is een aangeleerde wetenschap.

Respondeo dicendum, quod, ut ex supra dictis patet [q. IV. art. 2. arg. 2. q. V per totum], nihil eorum « quae Deus in nostra natura plantavit », defuit humanae naturae assumptae a Dei Verbo [cf. Damasc. De Fide Ort. lib. 3. cap. 6.]. Manifestum est autem, quod in humana natura Deus plantavit non solum intellectum possibilem, sed etiam intellectum agentem. Unde necesse est dicere, quod in anima Christi fuit2 non solum intellectus possibilis, sed etiam intellectus agens. Si autem in aliis « Deus, et natura nihil frustra faciunt », ut Philos. dicit in 1. de Coelo [cap. 4. n. 8. S. Th. lect. 8.], multo minus in anima Christi aliquid fuit frustra. Frustra autem est, quod non habet propriam operationem; cum « omnis res sit propter suam operationem » ut dicitur in 2. de Coelo [cap. 3. n. 1. lect. 4.]: propria autem operatio intellectus agentis est facere species intelligibiles actu, abstrahendo eas a phantasmatibus; unde dicitur 320in 3. de An. [cap. 5. n. 1. lect. 10.], quod intellectus agens est, « quo est omnia facere ». Sic igitur necesse est dicere, quod in Christo fuerint3 aliquae species intelligibiles, per actionem intellectus agentis in intellectu possibili ejus receptae. Quod est esse in ipso scientiam acquisitam, quam quidam experimentalem nominant.

Leerstelling. — Zooals uit het bovengezegde (4e Kw., 2e Art., Antw. op de 2e B., en 5e Kw.) blijkt, ontbrak er niets van al datgene « wat God in onze natuur geplant heeft » aan de menschelijke natuur, die door Gods Woord werd aangenomen. Nu is het duidelijk, dat God in de menschelijke natuur niet alleen het ontvangende, maar ook het werkende verstand geplant heeft. Dus moet men zeggen, dat er in Christus' ziel niet alleen een ontvangend, maar ook een werkend verstand was. Maar als « God en de natuur niets zonder nut doen » bij de andere dingen, zooals de Philosoof zegt in het 1e boek Over Hemel en Aarde (4e H. n. 8), was er nog veel minder in Christus' ziel iets nutteloos. Nu is datgene nutteloos, wat geen eigen werkzaamheid heeft, omdat « alle dingen bestaan om hun werkzaamheid », zooals wordt gezegd in het 2e boek Over Hemel en Aarde (3e H. n. 1). Nu is het de eigen werkzaamheid van het werkende verstand, de verstandsbeelden daadwerkelijk te doen bestaan, door hen te abstraheeren uit de beelden der fantasie; daarom 320wordt in het 3e boek Over de Ziel (5e H. n. 1) gezegd, dat het werkend verstand datgene is, « waaraan het toekomt alles te maken ». En zoo moeten wij wel zeggen, dat er in Christus verstandskenbeelden waren, die in Zijn ontvangend verstand werden opgenomen door de werkzaamheid van het werkende verstand. En dat beteekent, dat er in Hem een verworven wetenschap is, die sommigen een wetenschap door ondervinding noemen.Leerstelling. — Zoals uit het bovengezegde (4e Kw., 2e Art., Antw. op de 2e B., en 5e Kw.) blijkt, ontbrak er niets van al datgene “wat God in onze natuur geplant heeft” aan de menselijke natuur, die door Gods Woord werd aangenomen. Nu is het duidelijk, dat God in de menselijke natuur niet alleen het ontvangende, maar ook het werkende verstand geplant heeft. Dus moet men zeggen, dat er in Christus' ziel niet alleen een ontvangend, maar ook een werkend verstand was. Maar als “God en de natuur niets zonder nut doen” bij de andere dingen, zoals de Filosoof zegt in het 1e boek Over Hemel en Aarde (4e H. n. 8), was er nog veel minder in Christus' ziel iets nutteloos. Nu is datgene nutteloos, wat geen eigen werkzaamheid heeft, omdat “alle dingen bestaan om hun werkzaamheid”, zoals wordt gezegd in het 2e boek Over Hemel en Aarde (3e H. n. 1). Nu is het de eigen werkzaamheid van het werkende verstand, de verstandsbeelden daadwerkelijk te doen bestaan, door hen te abstraheren uit de beelden van de fantasie; daarom 320wordt in het 3e boek Over de Ziel (5e H. n. 1) gezegd, dat het werkend verstand datgene is, “waaraan het toekomt alles te maken”. En zo moeten wij wel zeggen, dat er in Christus verstandskenbeelden waren, die in Zijn ontvangend verstand werden opgenomen door de werkzaamheid van het werkende verstand. En dat betekent, dat er in Hem een verworven wetenschap is, die sommigen een wetenschap door ondervinding noemen.

Et ideo, quamvis aliter alibi scripserim [3. Sentent. Dist. 14. Dist. 18. art. 3. ad 5. art. 3. q. 5.], dicendum est, in Christo fuisse scientiam acquisitam. Quae proprie est scientia secundum modum humanum, non solum ex parte subjecti recipientis, sed etiam ex parte causae agentis: nam talis scientia ponitur in Christo secundum lumen intellectus agentis, quod est animae4 humanae connaturale. Scientia autem infusa attribuitur animae humanae secundum lumen desuper infusum; qui modus cognoscendi est proportionatus naturae angelicae. Scientia vero beata, per quam ipsa Dei essentia videtur, est propria, et connaturalis soli Deo, ut in 1. dictum est [q. 12. art. 4.].

En daarom moeten wij, al heb ik het elders anders neergeschreven, zeggen, dat er in Christus een aangeleerde wetenschap was. En dat is eigenlijk een wetenschap zooals de menschen haar hebben, niet alleen bezien van de kant van het subject, dat haar ontvangt, maar ook van de kant van de oorzaak, die haar teweegbrengt, want deze wetenschap nemen wij in Christus aan volgens het licht van het werkende verstand, dat past bij de menschelijke natuur. De ingestorte kennis echter wordt aan den mensch toegekend krachtens een van boven neerschijnend licht, en deze manier van kennen past bij de natuur der engelen. Maar de zalige kennis, waardoor het wezen zelf van God wordt gezien, past eigenlijk alleen bij de natuur van God, zooals in het eerste deel is behandeld (12e Kw., 4e Art.).En daarom moeten wij, al heb ik het elders anders neergeschreven, zeggen, dat er in Christus een aangeleerde wetenschap was. En dat is eigenlijk een wetenschap zoals de mensen haar hebben, niet alleen bezien van de kant van het subject, dat haar ontvangt, maar ook van de kant van de oorzaak, die haar teweegbrengt, want deze wetenschap nemen wij in Christus aan volgens het licht van het werkende verstand, dat past bij de menselijke natuur. De ingestorte kennis echter wordt aan de mens toegekend krachtens een van boven neerschijnend licht, en deze manier van kennen past bij de natuur van de engelen. Maar de zalige kennis, waardoor het wezen zelf van God wordt gezien, past eigenlijk alleen bij de natuur van God, zoals in het eerste deel is behandeld (12e Kw., 4e Art.).

↑ bedenking 1

321Ad primum ergo dicendum, quod cum duplex sit modus acquirendi scientiam; scilicet: inveniendo, et addiscendo, modus qui est per inventionem, est praecipuus; modus autem, qui est per disciplinam, est secundarius. Unde dicitur in 1. Ethicor. [cap. 4. n. 7. lect. 4.]: « Ille quidem est optimus, qui omnia per seipsum intelligit; bonus autem rursus est ille, qui bene dicenti obedit ». Et ideo Christo magis competebat habere scientiam acquisitam per inventionem, quam per disciplinam; praesertim cum ipse daretur a Deo omnibus in doctorem, secundum illud Joel 2. [v. 23]: « Laetamini in Domino Deo vestro, quia dedit vobis doctorem justitiae ».

321Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Terwijl er twee manieren zijn om wetenschap te verkrijgen, nl. door zelf iets te vinden en door onderricht te worden, is de manier van zelf te vinden de voornaamste, en de manier van onderricht te worden ondergeschikt. Daarom wordt in het 1e boek Over de Zedeleer (4e H., n. 7) gezegd: « Hij die alles door eigen kracht begrijpt is de beste; maar wie goed aan zijn onderwijzer gehoorzaamt, is ook goed ». En dus kwam het Christus meer toe door eigen vinding wetenschap verkregen te hebben, dan door onderricht, vooral omdat Hij door God aan allen tot Leeraar gegeven was naar het woord van Joël (2, 23): « Verheugt U in den Heer, uwen God; want Hij heeft U den Leeraar der Rechtvaardigheid gegeven ».321Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Terwijl er twee manieren zijn om wetenschap te verkrijgen, nl. door zelf iets te vinden en door onderricht te worden, is de manier van zelf te vinden de voornaamste, en de manier van onderricht te worden ondergeschikt. Daarom wordt in het 1e boek Over de Zedeleer (4e H., n. 7) gezegd: “Hij die alles door eigen kracht begrijpt is de beste; maar wie goed aan zijn onderwijzer gehoorzaamt, is ook goed”. En dus kwam het Christus meer toe door eigen vinding wetenschap verkregen te hebben, dan door onderricht, vooral omdat Hij door God aan allen tot Leraar gegeven was naar het woord van Joël (2, 23): “Verheugt U in de Heer, uw God; want Hij heeft U de Leraar van de Rechtvaardigheid gegeven”.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod humana mens duplicem habet respectum. Unum quidem ad superiora: et secundum hunc respectum anima Christi fuit plena per scientiam inditam. Alius autem respectus ejus est ad inferiora, idest ad phantasmata, quae sunt nata movere mentem humanam per virtutem intellectus agentis. Oportuit autem, quod etiam secundum hunc respectum anima Christi scientia impleretur: non quia prima plenitudo menti 322humanae sufficeret secundum seipsam, sed oportebat eam perfici etiam secundum comparationem ad phantasmata.

2. De menschelijke geest is op twee dingen gericht. Ten eerste op wat boven is, en onder dit opzicht was Christus' ziel vol van ingestorte wetenschap. Maar daarnaast is zij op het lagere gericht, nl. op de beelden der fantasie, die erop aangelegd zijn de menschelijke geest te bewegen door de kracht van het werkende verstand. Maar nu moest Christus' ziel ook onder dit opzicht van wetenschap vervuld worden; niet omdat de eerste volheid van de menschelijke geest op zich niet genoeg zou zijn geweest; maar zij 322moest ook vervolmaakt worden in verhouding tot de fantasiebeelden.2. De menselijke geest is op twee dingen gericht. Ten eerste op wat boven is, en onder dit opzicht was Christus' ziel vol van ingestorte wetenschap. Maar daarnaast is zij op het lagere gericht, nl. op de beelden van de fantasie, die erop aangelegd zijn de menselijke geest te bewegen door de kracht van het werkende verstand. Maar nu moest Christus' ziel ook onder dit opzicht van wetenschap vervuld worden; niet omdat de eerste volheid van de menselijke geest op zich niet genoeg zou zijn geweest; maar zij 322moest ook vervolmaakt worden in verhouding tot de fantasiebeelden.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod alia ratio est de habitu acquisito, et de habitu infuso: nam habitus scientiae acquiritur per comparationem humanae mentis ad phantasmata. Unde secundum eamdem rationem non potest alius habitus iterato acquiri. Sed habitus scientiae infusae est alterius rationis, utpote a superiori descendens in animam, non secundum proportionem phantasmatum. Et ideo non est eadem ratio de utroque habitu.

3. De aard van een verkregen en van een ingestorte hebbelijkheid is anders. Want de hebbelijkheid der wetenschap wordt verkregen door de verhouding van den menschelijken geest tot de fantasiebeelden; daarom kan op deze manier niet nogmaals een andere hebbelijkheid gekregen worden. Maar de hebbelijkheid der ingestorte wetenschap is van een andere aard; zij daalt immers van boven in de ziel, niet door de verhouding tot de fantasiebeelden. En daarom is het met beide hebbelijkheden niet hetzelfde gesteld.3. De aard van een verkregen en van een ingestorte hebbelijkheid is anders. Want de hebbelijkheid van de wetenschap wordt verkregen door de verhouding van de menselijke geest tot de fantasiebeelden; daarom kan op deze manier niet nogmaals een andere hebbelijkheid gekregen worden. Maar de hebbelijkheid van de ingestorte wetenschap is van een andere aard; zij daalt immers van boven in de ziel, niet door de verhouding tot de fantasiebeelden. En daarom is het met beide hebbelijkheden niet hetzelfde gesteld.