De gratia Christi, secundum quod est caput Ecclesiae, in octo articulos divisa
Over de genade, die Christus als Hoofd der Kerk bezitOver de genade, die Christus als Hoofd van de Kerk bezit
269Deinde considerandum est de gratia Christi, secundum quod est caput Ecclesiae.
269Hierna moeten wij de genade beschouwen, die Christus als Hoofd der Kerk bezit.269Hierna moeten wij de genade beschouwen, die Christus als Hoofd van de Kerk bezit.
Et circa hoc quaeruntur octo: 1. Utrum Christus sit caput Ecclesiae. — 2. Utrum sit caput hominum quantum ad corpora1, vel solum quantum ad animas. — 3. Utrum sit caput omnium hominum. — 4. Utrum sit caput angelorum. — 5. Utrum gratia Christi, secundum quam est caput Ecclesiae, sit eadem cum gratia habituali ejus, secundum quod est quidam homo singularis. — 6. Utrum esse caput Ecclesiae sit proprium Christo. — 7. Utrum diabolus sit caput omnium malorum. — 8. Utrum Antichristus etiam possit dici caput omnium malorum.
En hierover stellen wij ons acht vragen. 1. Is Christus het Hoofd der Kerk? 2. Is Hij het Hoofd der menschen wat hun lichaam, of alleen wat hun ziel betreft? 3. Is Hij het Hoofd van alle menschen? 4. Is Hij het Hoofd der Engelen? 5. Is de genade, waardoor Hij het Hoofd der Kerk is, dezelfde als de genade-hebbelijkheid, die Hij als op zichzelf staand mensch heeft? 6. Is het eigen aan Christus Hoofd der Kerk te zijn? 2707. Is de duivel het hoofd van alle slechten? 8. Kan ook de Antichrist het hoofd van alle slechten worden genoemd?En hierover stellen wij ons acht vragen. 1. Is Christus het Hoofd van de Kerk? 2. Is Hij het Hoofd van de mensen wat hun lichaam, of alleen wat hun ziel betreft? 3. Is Hij het Hoofd van alle mensen? 4. Is Hij het Hoofd van de Engelen? 5. Is de genade, waardoor Hij het Hoofd van de Kerk is, dezelfde als de genade-hebbelijkheid, die Hij als op zichzelf staand mens heeft? 6. Is het eigen aan Christus Hoofd van de Kerk te zijn? 2707. Is de duivel het hoofd van alle slechten? 8. Kan ook de Antichrist het hoofd van alle slechten worden genoemd?
Utrum Christus sit caput Ecclesiae1
Komt het aan Christus als mensch toe het Hoofd der Kerk te zijn?Komt het aan Christus als mens toe het Hoofd van de Kerk te zijn?
270Ad primum sic proceditur. Videtur, quod Christo, secundum quod est homo, non competat esse caput Ecclesiae. Caput enim influit sensum, et motum in membra: sensus autem, et motus spiritualis, qui est per gratiam, non influitur nobis a Christo homine: quia, sicut Augustinus dicit in lib. 15. de Trinit. [cap. 26.], nec etiam Christus, secundum quod est homo, dat Spiritum Sanctum, sed solum inquantum est Deus. Ergo ei, secundum quod est homo, non competit esse caput Ecclesiae.
270Bedenkingen. — Men beweert, dat het aan Christus als mensch niet toekomt het Hoofd der Kerk te zijn. — 1. Want het hoofd beïnvloedt de zintuigelijke waarneming en de beweging in de ledematen. Maar het geestelijke waarnemen en bewegen, dat door de genade geschiedt, wordt ons door den mensch Christus niet ingestort, omdat Christus als mensch genomen, zooals Augustinus in het 15e boek Over de Drievuldigheid (26e H.) zegt, ons ook niet den Heiligen Geest geeft, maar alleen in zoover Hij God is. Dus komt het Hem, in zoover Hij mensch is, niet toe Hoofd der Kerk te zijn.270Bedenkingen. — Men beweert, dat het aan Christus als mens niet toekomt het Hoofd van de Kerk te zijn. — 1. Want het hoofd beïnvloedt de zintuigelijke waarneming en de beweging in de ledematen. Maar het geestelijke waarnemen en bewegen, dat door de genade geschiedt, wordt ons door de mens Christus niet ingestort, omdat Christus als mens genomen, zoals Augustinus in het 15e boek Over de Drievuldigheid (26e H.) zegt, ons ook niet de Heilige Geest geeft, maar alleen in zover Hij God is. Dus komt het Hem, in zover Hij mens is, niet toe Hoofd van de Kerk te zijn.
2712. Praeterea, capitis non videtur esse aliud caput. Sed Christi, secundum quod est homo, est caput Deus, secundum illud 1. Cor. 11. [v. 3]: « Caput Christi Deus ». Ergo ipse Christus non est caput.
2712. Van het hoofd schijnt niet weer iets anders het hoofd te zijn. Maar God is het Hoofd van Christus als mensch, zooals staat in den Eersten Brief aan de Korinthiërs (11, 3): « Het Hoofd van Christus is God ». Dus Christus zelf is geen hoofd.2712. Van het hoofd schijnt niet weer iets anders het hoofd te zijn. Maar God is het Hoofd van Christus als mens, zoals staat in de Eerste Brief aan de Korintiërs (11, 3): “Het Hoofd van Christus is God”. Dus Christus zelf is geen hoofd.
3. Praeterea, caput in homine est quoddam particulare membrum, influentiam recipiens a corde. Sed Christus est universale principium totius Ecclesiae. Ergo non est Ecclesiae caput.
3. Het hoofd in den mensch is een bijzonder lichaamsdeel, dat door het hart beïnvloed wordt. Nu is Christus het algemeene beginsel van de geheele Kerk. Dus is Hij het hoofd der Kerk niet.3. Het hoofd in de mens is een bijzonder lichaamsdeel, dat door het hart beïnvloed wordt. Nu is Christus het algemene beginsel van de gehele Kerk. Dus is Hij het hoofd van de Kerk niet.
Sed contra est, quod dicitur Ephes. 1. [v. 22]: « Ipsum dedit caput super omnem Ecclesiam ».
Maar daartegenover staat wat in den Ephesiërsbrief geschreven is (1, 22): « Hem stelde Hij aan als Hoofd over de geheele Kerk ».Maar daartegenover staat wat in de Efesiërsbrief geschreven is (1, 22): “Hem stelde Hij aan als Hoofd over de gehele Kerk”.
Respondeo dicendum, quod sicut tota Ecclesia dicitur unum corpus mysticum per similitudinem ad naturale corpus hominis, quod secundum diversa membra habet diversos actus, ut Apostolus docet Rom. 12. [v. 4, 5], et 1. ad Cor. 12. [v. 12 sq.], ita Christus dicitur caput Ecclesiae secundum similitudinem humani capitis, in quo tria possumus considerare; scilicet: ordinem, perfectionem, et virtutem. Ordinem quidem, quia caput est prima pars hominis, incipiendo a superiori; et inde est, quod omne 272principium consuevit vocari caput, secundum illud Ezechiel. 16. [v. 24 sq.]:2 « Ad omne caput viae aedificasti signum prostitutionis tuae ». Perfectionem autem, quia in capite vigent omnes sensus et interiores, et exteriores, cum caeteris in membris sit solus tactus; et inde est quod dicitur Isa. 9. [v. 15]: « Senex et honorabilis ipse est caput ». Virtutem vero, quia virtus, et motus caeterorum membrorum, et gubernatio eorum in suis actibus est a capite, propter vim sensitivam, et motivam ibi dominantem. Unde et rector dicitur caput populi, secundum illud 1. Reg. 15. [v. 17]: « Cum esses parvulus in oculis tuis, caput in tribubus Israël factus es ».
Leerstelling. — Zooals de geheele Kerk een mystiek lichaam wordt genoemd in vergelijking met het natuurlijke lichaam van den mensch, dat in de verschillende ledematen verschillende handelingen stelt, zooals de Apostel leert in den Romeinenbrief (12, 4 en 5) en in den Eersten aan de Korinthiërs (12, 12), wordt ook Christus het hoofd der Kerk genoemd in vergelijking met het hoofd van den mensch. Dat kunnen wij in drie punten beschouwen: nl. de orde, de volmaaktheid en de kracht. En wel de orde, omdat het hoofd het eerste deel van den mensch is, als men van boven af begint. En 272daarom noemt men gewoonlijk ieder beginsel het hoofd, volgens Jeremias (2, 20): « Bij het begin van iederen weg hebt gij u een oordeel opgericht ». — En de volmaaktheid, omdat alle inwendige en uitwendige zintuigen in het hoofd liggen, terwijl alleen de tastzin in de andere lichaamsdeelen ligt. En daarom wordt bij Isaias gezegd (9, 15): « Een oude en eerbiedwaardige, dat is een hoofd ». — Maar de kracht, omdat de kracht en de beweging van de andere ledematen en het besturen van hun handelingen van het hoofd komen, daar de kennende en bewegende kracht daar overheerscht. Daarom wordt de bestuurder het hoofd van het volk genoemd, naar het 1e boek der Koningen (15, 17): « Toen gij nog klein waart in uw eigen oogen, heb Ik u hoofd van de stammen van Israël gemaakt ».Leerstelling. — Zoals de gehele Kerk een mystiek lichaam wordt genoemd in vergelijking met het natuurlijke lichaam van de mens, dat in de verschillende ledematen verschillende handelingen stelt, zoals de Apostel leert in de Romeinenbrief (12, 4 en 5) en in de Eersten aan de Korintiërs (12, 12), wordt ook Christus het hoofd van de Kerk genoemd in vergelijking met het hoofd van de mens. Dat kunnen wij in drie punten beschouwen: nl. de orde, de volmaaktheid en de kracht. En wel de orde, omdat het hoofd het eerste deel van de mens is, als men van boven af begint. En 272daarom noemt men gewoonlijk ieder beginsel het hoofd, volgens Jeremia (2, 20): “Bij het begin van iedere weg hebt gij u een oordeel opgericht”. — En de volmaaktheid, omdat alle inwendige en uitwendige zintuigen in het hoofd liggen, terwijl alleen de tastzin in de andere lichaamsdelen ligt. En daarom wordt bij Jesaja gezegd (9, 15): “Een oude en eerbiedwaardige, dat is een hoofd”. — Maar de kracht, omdat de kracht en de beweging van de andere ledematen en het besturen van hun handelingen van het hoofd komen, daar de kennende en bewegende kracht daar overheerst. Daarom wordt de bestuurder het hoofd van het volk genoemd, naar het 1e boek van de Koningen (15, 17)a: “Toen gij nog klein waart in uw eigen ogen, heb Ik u hoofd van de stammen van Israël gemaakt”.
Haec autem tria competunt Christo spiritualiter. Primo enim secundum propinquitatem ad Deum gratia ejus altior est, et prior, etsi non tempore; quia omnes alii receperunt3 gratiam per respectum ad gratiam ipsius, secundum illud Rom. 8. [v. 29]: « Quos praescivit, hos et praedestinavit conformes fieri imaginis Filii sui, ut sit ipse primogenitus in multis fratribus ». Secundo vero perfectionem habet quantum ad plenitudinem omnium 273gratiarum, secundum illud Joan. 1. [v. 14]: « Vidimus eum plenum gratiae, et veritatis » ut etiam supra ostensum est [q. praec. art. 9.]. Tertio virtutem habet4 influendi gratiam in omnia membra Ecclesiae, secundum illud Joan. 1. [v. 16]: « De plenitudine ejus nos omnes accepimus ». Et sic patet, quod Christus convenienter dicitur Ecclesiae caput.
Deze drie dingen nu komen in geestelijken zin aan Christus toe. Vooreerst is immers zijn genade hooger en eerder, zij het niet in tijd, omdat Hij dichter bij God is; want alle anderen ontvangen de genade met het oog op Zijn genade volgens den Romeinenbrief (8, 29): « Die Hij vooruit kende, heeft Hij voorbestemd om gelijk te worden aan het beeld van Zijn Zoon, opdat Hij de Eerstgeborene zou zijn onder vele broeders ». — Ten tweede 273heeft Hij de volmaaktheid wat de volheid van alle genaden betreft naar het woord van Johannes (1, 14): « Wij hebben Hem gezien vol van genade en waarheid », zooals boven is gezegd (7e Kw., 9e Art.). — Ten derde had Hij de kracht om de genade te doen vloeien in alle ledematen der Kerk naar het woord van Johannes (1, 16): « Van Zijn volheid hebben wij allen ontvangen ». En zoo blijkt het dat het heel gepast is Christus het Hoofd der Kerk te noemen.Deze drie dingen nu komen in geestelijken zin aan Christus toe. Vooreerst is immers zijn genade hoger en eerder, zij het niet in tijd, omdat Hij dichter bij God is; want alle anderen ontvangen de genade met het oog op Zijn genade volgens de Romeinenbrief (8, 29): “Die Hij vooruit kende, heeft Hij voorbestemd om gelijk te worden aan het beeld van Zijn Zoon, opdat Hij de Eerstgeborene zou zijn onder vele broeders”. — Ten tweede 273heeft Hij de volmaaktheid wat de volheid van alle genaden betreft naar het woord van Johannes (1, 14): “Wij hebben Hem gezien vol van genade en waarheid”, zoals boven is gezegd (7e Kw., 9e Art.). — Ten derde had Hij de kracht om de genade te doen vloeien in alle ledematen van de Kerk naar het woord van Johannes (1, 16): “Van Zijn volheid hebben wij allen ontvangen”. En zo blijkt het dat het heel gepast is Christus het Hoofd van de Kerk te noemen.
Ad primum ergo dicendum, quod dare gratiam, aut Spiritum Sanctum convenit Christo, secundum quod est Deus, auctoritative: sed instrumentaliter convenit etiam5 ei, secundum quod est homo; inquantum scilicet ejus humanitas « instrumentum fuit divinitatis ejus ». Et ita actiones ipsius ex virtute divinitatis fuerunt nobis salutiferae, utpote gratiam in nobis causantes, et per meritum, et per efficientiam quamdam. Augustinus autem negat, Christum, secundum quod homo est, dare Spiritum Sanctum per auctoritatem. Instrumentaliter autem, sive ministerialiter etiam alii sancti dicuntur dare Spiritum Sanctum, secundum illud Gal. 3. [v. 5]: « Qui tribuit vobis Spiritum » etc.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Met gezag de genade of den Heiligen Geest te geven, komt toe aan Christus als God, maar dit als werktuig te doen, komt Hem als mensch toe, in zoover Zijn menschheid nl. het « werktuig van Zijn godheid » was. En zoo waren Zijn daden door de kracht van Zijn godheid heilzaam voor ons, in zoover zij in ons de genade brachten door verdiensten en ook door oorzaak te zijn. Augustinus ontkent echter, dat Christus als mensch den Heiligen Geest kan geven, alsof Hij daar gezag over had. Maar men zegt ook, dat andere Heiligen als werktuigen of dienaars den Heiligen Geest geven volgens den Galatenbrief (3, 5): « Die u den Heiligen Geest gegeven heeft ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Met gezag de genade of de Heilige Geest te geven, komt toe aan Christus als God, maar dit als werktuig te doen, komt Hem als mens toe, in zover Zijn mensheid nl. het “werktuig van Zijn godheid” was. En zo waren Zijn daden door de kracht van Zijn godheid heilzaam voor ons, in zover zij in ons de genade brachten door verdiensten en ook door oorzaak te zijn. Augustinus ontkent echter, dat Christus als mens de Heilige Geest kan geven, alsof Hij daar gezag over had. Maar men zegt ook, dat andere Heiligen als werktuigen of dienaars de Heilige Geest geven volgens de Galatenbrief (3, 5): “Die u de Heilige Geest gegeven heeft”.
274Ad secundum dicendum, quod in metaphoricis locutionibus non oportet attendi similitudinem quantum ad omnia: sic enim non esset similitudo, sed rei veritas: capitis igitur naturalis non est caput aliud; quia corpus humanum non est pars alterius corporis. Sed corpus similitudinarie dictum, idest aliqua multitudo ordinata, est pars alterius multitudinis; sicut multitudo domestica est pars multitudinis civilis; et ideo paterfamilias, qui est caput multitudinis domesticae, habet supra se caput rectorum civitatis. Et per hunc modum nihil prohibet, caput Christi esse Deum; cum tamen ipse Christus6 sit caput Ecclesiae.
2742. In beeldspraak moet men de gelijkheid niet in alle opzichten doorvoeren, want dan was het geen vergelijking meer, maar het ding zelf. Het natuurlijke hoofd heeft dus geen ander hoofd, omdat het menschelijk lichaam geen deel is van een ander lichaam. Maar wat men in beeldspraak een lichaam noemt, dwz. iedere geordende menigte, is deel van een andere menigte; zooals de groep die het huisgezin vormt, een deel is van de menigte, die de staat vormt. En daarom heeft de familievader, die het hoofd van het huisgezin is, boven zich de bestuurder van den staat als hoofd. En op die manier is er niets op tegen, dat God het Hoofd van Christus is. al is Deze het Hoofd der Kerk.2742. In beeldspraak moet men de gelijkheid niet in alle opzichten doorvoeren, want dan was het geen vergelijking meer, maar het ding zelf. Het natuurlijke hoofd heeft dus geen ander hoofd, omdat het menselijk lichaam geen deel is van een ander lichaam. Maar wat men in beeldspraak een lichaam noemt, dwz. iedere geordende menigte, is deel van een andere menigte; zoals de groep die het huisgezin vormt, een deel is van de menigte, die de staat vormt. En daarom heeft de familievader, die het hoofd van het huisgezin is, boven zich de bestuurder van de staat als hoofd. En op die manier is er niets op tegen, dat God het Hoofd van Christus is. al is Deze het Hoofd van de Kerk.
Ad tertium dicendum, quod caput habet manifestam eminentiam respectu caeterorum exteriorum membrorum: sed cor habet quamdam influentiam occultam. Et ideo cordi comparatur Spiritus Sanctus, qui invisibiliter Ecclesiam vivificat, et unit: capiti autem comparatur ipse7 Christus secundum visibilem naturam, secundum quam homo hominibus praefertur.
3. Het hoofd steekt duidelijk boven de andere ledematen uit, maar het hart heeft een meer verborgen invloed. En daarom wordt de Heilige Geest met het hart vergeleken, omdat Hij onzichtbaar de Kerk levend maakt en vereenigt; maar Christus wordt met het hoofd vergeleken naar Zijn zichtbare natuur, waardoor Hij als mensch boven de menschen staat.3. Het hoofd steekt duidelijk boven de andere ledematen uit, maar het hart heeft een meer verborgen invloed. En daarom wordt de Heilige Geest met het hart vergeleken, omdat Hij onzichtbaar de Kerk levend maakt en verenigt; maar Christus wordt met het hoofd vergeleken naar Zijn zichtbare natuur, waardoor Hij als mens boven de mensen staat.
Utrum Christus sit caput hominum quantum ad corpora, vel solum quantum ad animas1
Is Christus het Hoofd der menschen wat hun lichaam betreft?Is Christus het Hoofd van de mensen wat hun lichaam betreft?
275Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod Christus non sit caput hominum quoad corpora. Christus enim dicitur caput Ecclesiae, inquantum influit spiritualem sensum, et motum gratiae in Ecclesiam. Sed hujus spiritualis sensus, et motus capax non est corpus. Ergo Christus non est caput hominum secundum corpora.
275Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus het hoofd der menschen wat hun lichaam betreft niet is. — 1. Want Hij wordt Hoofd der Kerk genoemd, in zoover Hij het geestelijke kennen en bewegen der genade in de Kerk stort. Maar het lichaam kan deze geestelijke kennis en bewegen niet opnemen. Daarom is Hij het Hoofd der menschen wat hun lichaam betreft niet.275Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus het hoofd van de mensen wat hun lichaam betreft niet is. — 1. Want Hij wordt Hoofd van de Kerk genoemd, in zover Hij het geestelijke kennen en bewegen van de genade in de Kerk stort. Maar het lichaam kan deze geestelijke kennis en bewegen niet opnemen. Daarom is Hij het Hoofd van de mensen wat hun lichaam betreft niet.
2. Praeterea, secundum corpora communicamus cum brutis. Si ergo Christus esset caput hominum quantum ad corpora, sequeretur quod etiam esset caput brutorum animalium, quod est inconveniens.
2. Wat de lichamen betreft, komen wij met de dieren overeen. Als Christus dus het hoofd der menschen wat hun lichaam betreft was, zou daaruit volgen, dat Hij, ook het Hoofd der dieren was. En dat is niet passend.2. Wat de lichamen betreft, komen wij met de dieren overeen. Als Christus dus het hoofd van de mensen wat hun lichaam betreft was, zou daaruit volgen, dat Hij, ook het Hoofd van de dieren was. En dat is niet passend.
3. Praeterea, Christus corpus suum ab aliis hominibus traxit, ut patet Matth. 1. et Luc. 3. [v. 23 sq.]. Sed caput est primum inter caetera 276membra, ut dictum est [art. praec. ad 3.]. Ergo Christus non est caput Ecclesiae quantum ad corpora.
3. Christus kreeg Zijn lichaam van andere menschen, zooals uit Matthaeus (1e H.) en Lucas (3, 23 en vlg.) blijkt. Maar het hoofd is, zooals werd gezegd (Vorig Art.), het eerste onder de 276ledematen. Dus is Christus niet het Hoofd der Kerk wat de lichamen betreft.3. Christus kreeg Zijn lichaam van andere mensen, zoals uit Matteüs (1e H.) en Lukas (3, 23 en vlg.) blijkt. Maar het hoofd is, zoals werd gezegd (Vorig Art.), het eerste onder de 276ledematen. Dus is Christus niet het Hoofd van de Kerk wat de lichamen betreft.
Sed contra est, quod dicitur Philip. 3. [v. 21]: « Reformabit corpus humilitatis nostrae configuratum corpori claritatis suae ».
Maar daartegenover staat het woord uit den Brief aan de Philippiërs (3, 21): « Hij zal ons nederig lichaam hervormen en gelijk maken aan zijn verheerlijkt lichaam ».Maar daartegenover staat het woord uit de Brief aan de Filippenzen (3, 21): “Hij zal ons nederig lichaam hervormen en gelijk maken aan zijn verheerlijkt lichaam”.
Respondeo dicendum, quod corpus humanum habet naturalem ordinem ad animam rationalem, quae est propria forma ejus, et motor. Et inquantum quidem est forma ejus, recipit ab anima vitam, et caeteras proprietates convenientes humano corpori secundum suam speciem. Inquantum vero anima est motor corporis, corpus instrumentaliter servit animae.
Leerstelling. — Het menschelijk lichaam beantwoordt van nature aan de redelijke ziel, die zijn vorm en beweegkracht is. En in zoover deze zijn vorm is, ontvangt het van de ziel het leven en de andere eigenschappen, die aan het menschelijk lichaam naar zijn aard toekomen. In zoover echter de ziel de beweegkracht van het lichaam is, dient het de ziel als werktuig.Leerstelling. — Het menselijk lichaam beantwoordt van nature aan de redelijke ziel, die zijn vorm en beweegkracht is. En in zover deze zijn vorm is, ontvangt het van de ziel het leven en de andere eigenschappen, die aan het menselijk lichaam naar zijn aard toekomen. In zover echter de ziel de beweegkracht van het lichaam is, dient het de ziel als werktuig.
Sic ergo dicendum est, quod habet vim influendi humanitas Christi, inquantum est conjuncta Dei Verbo, cui corpus unitur per animam, ut supra dictum est [q. 6. art. 1.]. Unde tota Christi humanitas, secundum scilicet animam, et corpus, influit in homines, et quantum ad animam, et quantum ad corpus: sed principaliter quantum ad animam, secundario quantum ad corpus. Uno modo, inquantum « membra corporis exhibentur 277arma justitiae » in anima existentis per Christum, ut Apostolus dicit Roman. 6. [v. 13]. Alio modo, inquantum vita gloriae ab anima derivatur ad corpus, secundum illud Rom. 8. [v. 11]: « Qui suscitavit Christum Jesum a mortuis, vivificabit et mortalia corpora vestra, propter inhabitantem spiritum ejus in vobis ».
Wij moeten daarom zeggen, dat Christus' menschheid invloed kan uitoefenen in zoover het met Gods Woord vereenigd is, waarmee zooals boven werd gezegd, het lichaam door de ziel wordt vereenigd. Daarom heeft de geheele menschheid van Christus, nl. naar ziel en lichaam, invloed op de menschen zoowel naar hun ziel als naar hun lichaam, maar op de eerste plaats wat de ziel betreft, en naar het lichaam pas op de tweede plaats. Op één 277manier, in zoover « de ledematen van het lichaam als werktuigen ter rechtvaardigheid ter beschikking worden gesteld » aan de ziel, die door Christus leeft, zooals de Apostel in den Romeinenbrief (6, 13) zegt. Ten tweede in zoover het leven der heerlijkheid uit de ziel op het lichaam overvloeit volgens den Romeinenbrief (8, 11): « Die Christus van de dooden heeft opgewekt, zal ook uw sterfelijke lichamen levend maken om Zijn Geest, die in u woont ».Wij moeten daarom zeggen, dat Christus' mensheid invloed kan uitoefenen in zover het met Gods Woord verenigd is, waarmee zoals boven werd gezegd, het lichaam door de ziel wordt verenigd. Daarom heeft de gehele mensheid van Christus, nl. naar ziel en lichaam, invloed op de mensen zowel naar hun ziel als naar hun lichaam, maar op de eerste plaats wat de ziel betreft, en naar het lichaam pas op de tweede plaats. Op één 277manier, in zover “de ledematen van het lichaam als werktuigen ter rechtvaardigheid ter beschikking worden gesteld” aan de ziel, die door Christus leeft, zoals de Apostel in de Romeinenbrief (6, 13) zegt. Ten tweede in zover het leven van de heerlijkheid uit de ziel op het lichaam overvloeit volgens de Romeinenbrief (8, 11): “Die Christus van de doden heeft opgewekt, zal ook uw sterfelijke lichamen levend maken om Zijn Geest, die in u woont”.
Ad primum ergo dicendum, quod sensus spiritualis gratiae non pervenit quidem ad corpus primo, et principaliter, sed secundario, et instrumentaliter, ut dictum est [in corp.].
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het geestelijk kennen der genade komt wel niet voornamelijk en op de eerste plaats in het lichaam, maar toch op de tweede plaats en als in een werktuig, zooals wij gezegd hebben in de Leerstelling.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het geestelijk kennen van de genade komt wel niet voornamelijk en op de eerste plaats in het lichaam, maar toch op de tweede plaats en als in een werktuig, zoals wij gezegd hebben in de Leerstelling.
Ad secundum dicendum, quod corpus animalis bruti nullam habitudinem habet ad animam rationalem, sicut habet corpus humanum. Et ideo non est simile.
2. Het lichaam van een redeloos dier beantwoordt niet aan de redelijke ziel zooals het menschelijk lichaam. En daarom is het niet hetzelfde geval.2. Het lichaam van een redeloos dier beantwoordt niet aan de redelijke ziel zoals het menselijk lichaam. En daarom is het niet hetzelfde geval.
Ad tertium dicendum, quod licet Christus traxerit materiam corporis ab aliis hominibus: vitam tamen immortalem corporis omnes homines trahunt ab ipso, secundum illud 1. ad Cor. 15. [v. 22]: « Sicut in Adam omnes moriuntur, ita et in Christo omnes vivificabuntur ».
3. Al ontving Christus de stof van zijn lichaam van andere menschen, toch krijgen alle menschen het onsterfelijk leven van hun lichaam van Hem, volgens den Eersten Brief aan de Korinthiërs (15, 22): « Zooals in Adam allen sterven, worden allen in Christus levend gemaakt ».3. Al ontving Christus de stof van zijn lichaam van andere mensen, toch krijgen alle mensen het onsterfelijk leven van hun lichaam van Hem, volgens de Eerste Brief aan de Korintiërs (15, 22): “Zoals in Adam allen sterven, worden allen in Christus levend gemaakt”.
Utrum Christus sit caput omnium hominum
Is Christus het Hoofd van alle menschen?Is Christus het Hoofd van alle mensen?
278Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod Christus non sit caput omnium hominum. Caput enim non habet relationem, nisi ad membra sui corporis. Infideles autem nullo modo sunt membra Ecclesiae, « quae est corpus Christi » ut dicitur Ephes. 1. [v. 23]. Ergo Christus non est caput omnium hominum.
278Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus het Hoofd van alle menschen niet is. — 1. Want het hoofd staat alleen in verbinding met de ledematen van zijn lichaam. Nu zijn de ongeloovigen op geen enkele manier leden der Kerk, die « het lichaam van Christus is », zooals in den Ephesiërsbrief (1, 23) wordt gezegd. Dus is Christus niet het Hoofd van alle menschen.278Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus het Hoofd van alle mensen niet is. — 1. Want het hoofd staat alleen in verbinding met de ledematen van zijn lichaam. Nu zijn de ongelovigen op geen enkele manier leden van de Kerk, die “het lichaam van Christus is”, zoals in de Efesiërsbrief (1, 23) wordt gezegd. Dus is Christus niet het Hoofd van alle mensen.
2. Praeterea, Apost. dicit ad Ephes. 5. [v. 25, 27], quod « Christus tradidit semetipsum pro Ecclesia, ut ipse exhiberet sibi gloriosam Ecclesiam, non habentem maculam, aut rugam, aut aliquid hujusmodi ». Sed multi sunt etiam fideles, in quibus invenitur macula, aut ruga peccati. Ergo nec etiam1 omnium fidelium Christus est caput.
2. De Apostel zegt in den Brief aan de Ephesiërs (5, 25 en 27): « dat Christus zichzelf voor de Kerk heeft overgeleverd om aan Zichzelf een heerlijke Kerk voor te stellen zonder vlek of rimpel of iets dergelijks ». Maar er zijn velen zelfs bij de geloovigen, in wie men vlek en rimpel der zonde vindt. Dus zal Christus zelfs niet het Hoofd van alle geloovigen zijn.2. De Apostel zegt in de Brief aan de Efesiërs (5, 25 en 27): “dat Christus zichzelf voor de Kerk heeft overgeleverd om aan Zichzelf een heerlijke Kerk voor te stellen zonder vlek of rimpel of iets dergelijks”. Maar er zijn velen zelfs bij de gelovigen, in wie men vlek en rimpel van de zonde vindt. Dus zal Christus zelfs niet het Hoofd van alle gelovigen zijn.
3. Praeterea, sacramenta veteris legis comparantur ad Christum, sicut « umbra » ad « corpus » ut dicitur Colossens. 2. [v. 17]. Sed Patres 279veteris Testamenti sacramentis illis suo tempore serviebant, secundum illud Hebr. 8. [v. 5]: « exemplari, et umbrae deserviunt coelestium ». Non ergo pertinebant ad corpus Christi. Et ita Christus non est caput omnium hominum.
3. De Sacramenten van de Oude Wet worden met Christus vergeleken als de « schaduw » met het « lichaam », zooals in den 279Brief aan de Colossensen, wordt gezegd. Maar de Vaders van het Oude Testament waren in hun tijd bedienaars van die sacramenten naar den Hebreeënbrief (8, 5): « Zij bedienden een afbeeldsel en de schaduw der hemelsche dingen ». Dus behoorden zij niet tot het lichaam van Christus. En zoo is Christus niet het hoofd van alle menschen.3. De Sacramenten van de Oude Wet worden met Christus vergeleken als de “schaduw” met het “lichaam”, zoals in de 279Brief aan de Colossensen, wordt gezegd. Maar de Vaders van het Oude Testament waren in hun tijd bedienaars van die sacramenten naar de Hebreeënbrief (8, 5): “Zij bedienden een afbeeldsel en de schaduw van de hemelse dingen”. Dus behoorden zij niet tot het lichaam van Christus. En zo is Christus niet het hoofd van alle mensen.
Sed contra est, quod dicitur 1. Timoth. 4. [v. 10]: « Est salvator omnium hominum, et maxime fidelium » et 1. Joan. 2. [v. 2]: « Ipse est propitiatio pro peccatis nostris, non pro nostris tantum, sed etiam pro totius mundi ». Salvare autem homines, et propitiationem2 esse pro peccatis eorum, competit Christo, secundum quod est caput. Ergo Christus est omnium hominum.
Maar daartegenover staat wat in den Eersten Brief aan Timotheus wordt gezegd (4, 10): « Hij is de Redder van allen, vooral van de geloovigen »; en in den Eersten Brief van Johannes wordt gezegd (2, 2): « Hij is de Verzoening voor onze zonden, maar niet alleen voor de onze, maar ook voor die van de geheele wereld ». Maar menschen redden of verzoening zijn voor hun zonden komt aan Christus toe in zoover Hij hun hoofd is. Dus is Christus het Hoofd van alle menschen.Maar daartegenover staat wat in de Eerste Brief aan Timoteüs wordt gezegd (4, 10): “Hij is de Redder van allen, vooral van de gelovigen”; en in de Eerste Brief van Johannes wordt gezegd (2, 2): “Hij is de Verzoening voor onze zonden, maar niet alleen voor de onze, maar ook voor die van de gehele wereld”. Maar mensen redden of verzoening zijn voor hun zonden komt aan Christus toe in zover Hij hun hoofd is. Dus is Christus het Hoofd van alle mensen.
Respondeo dicendum, quod haec est differentia inter corpus hominis naturale, et corpus Ecclesiae mysticum, quod membra corporis naturalis sunt omnia simul: membra autem corporis mystici non sunt omnia simul: 280neque quantum ad esse naturae; quia corpus Ecclesiae constituitur ex hominibus, qui fuerunt a principio mundi usque ad finem ipsius: neque etiam quantum ad esse gratiae; quia eorum etiam qui sunt in uno tempore, quidam gratia carent, postmodum habituri, aliis eam jam habentibus. Sic igitur membra corporis mystici accipiuntur, non solum secundum quod sunt in actu, sed etiam secundum quod sunt in potentia. Quaedam tamen sunt in potentia, quae nunquam reducuntur ad actum: quaedam vero sunt3, quae quandoque reducuntur ad actum; et hoc secundum4 triplicem gradum; quorum primus est per fidem; secundus per charitatem viae; tertius per fruitionem patriae.
Leerstelling. — Het verschil tusschen het natuurlijk lichaam van den mensch en het mystieke lichaam der Kerk ligt hierin, dat alle ledematen van het natuurlijke lichaam tegelijk bestaan, maar de ledematen van het mystieke lichaam niet, noch wat het natuurlijk 280bestaan betreft, omdat het lichaam der Kerk wordt gevormd door menschen, die er waren vanaf het begin der wereld tot aan haar einde; noch wat het in genade zijn betreft, omdat van hen, die in denzelfden tijd leven, sommigen de genade missen, maar haar later zullen hebben, terwijl anderen haar reeds bezitten. Zoo worden de leden van het mystieke lichaam niet alleen genomen naar wat zij daadwerkelijk zijn, maar ook naar wat zij kunnen zijn. Sommige dingen echter kunnen iets zijn, waartoe zij nooit daadwerkelijk worden gebracht, maar er zijn anderen, die er soms werkelijk toe gebracht worden tot dezen drievoudigen graad: tot den eersten door het geloof, tot den tweeden door de liefde, tot den derden door het genieten in het vaderland.Leerstelling. — Het verschil tussen het natuurlijk lichaam van de mens en het mystieke lichaam van de Kerk ligt hierin, dat alle ledematen van het natuurlijke lichaam tegelijk bestaan, maar de ledematen van het mystieke lichaam niet, noch wat het natuurlijk 280bestaan betreft, omdat het lichaam van de Kerk wordt gevormd door mensen, die er waren vanaf het begin van de wereld tot aan haar einde; noch wat het in genade zijn betreft, omdat van hen, die in dezelfde tijd leven, sommigen de genade missen, maar haar later zullen hebben, terwijl anderen haar reeds bezitten. Zo worden de leden van het mystieke lichaam niet alleen genomen naar wat zij daadwerkelijk zijn, maar ook naar wat zij kunnen zijn. Sommige dingen echter kunnen iets zijn, waartoe zij nooit daadwerkelijk worden gebracht, maar er zijn anderen, die er soms werkelijk toe gebracht worden tot deze drievoudige graad: tot de eersten door het geloof, tot de tweeden door de liefde, tot de derden door het genieten in het vaderland.
Sic ergo dicendum, quod accipiendo generaliter secundum totum tempus mundi, Christus est caput omnium hominum; sed secundum diversos gradus. Primo enim, et principaliter est caput eorum, qui actu uniuntur sibi per gloriam. Secundo eorum, qui actu uniuntur sibi per charitatem. Tertio eorum, qui actu uniuntur sibi per fidem. Quarto vero eorum, qui sibi 281uniuntur solum in potentia5 nondum reducta ad actum, quae tamen est ad actum reducenda secundum divinam praedestinationem. Quinto vero eorum, qui in potentia sunt sibi uniti, quae nunquam reducetur ad actum: sicut homines in hoc mundo viventes, qui non sunt praedestinati. Qui tamen ex hoc saeculo6 recedentes, totaliter desinunt esse membra Christi; quia jam nec sunt in potentia, ut Christo uniantur.
Als wij dus in het algemeen spreken volgens alle tijdperken der wereld, moeten wij zeggen, dat Christus het Hoofd van alle menschen is, maar naar verschillenden graad. Op de eerste en voornaamste plaats is Hij het Hoofd van degenen, die daadwerkelijk met Hem vereenigd zijn door de glorie. Op de tweede plaats met hen, die daadwerkelijk met Hem vereenigd worden door de liefde. Op de derde plaats van hen, die daadwerkelijk met Hem vereenigd worden door het geloof. Op de vierde plaats van 281hen, die alleen het vermogen hebben met Hem vereenigd te worden, dat nu nog wel niet tot daadwerkelijkheid is gebracht, maar volgens de goddelijke voorbestemming daartoe zal gebracht worden. Ten vijfde van degenen, die het vermogen hebben met Hem vereenigd te worden, dat echter nooit tot daadwerkelijkheid zal worden gebracht, zooals de menschen, die nu op aarde leven, maar niet voorbestemd zijn. Als dezen echter de aarde verlaten, houden zij geheel en al op ledematen van Christus te zijn, omdat het dan ook niet meer mogelijk is, dat zij met Christus vereenigd worden.Als wij dus in het algemeen spreken volgens alle tijdperken van de wereld, moeten wij zeggen, dat Christus het Hoofd van alle mensen is, maar naar verschillenden graad. Op de eerste en voornaamste plaats is Hij het Hoofd van degenen, die daadwerkelijk met Hem verenigd zijn door de glorie. Op de tweede plaats met hen, die daadwerkelijk met Hem verenigd worden door de liefde. Op de derde plaats van hen, die daadwerkelijk met Hem verenigd worden door het geloof. Op de vierde plaats van 281hen, die alleen het vermogen hebben met Hem verenigd te worden, dat nu nog wel niet tot daadwerkelijkheid is gebracht, maar volgens de goddelijke voorbestemming daartoe zal gebracht worden. Ten vijfde van degenen, die het vermogen hebben met Hem verenigd te worden, dat echter nooit tot daadwerkelijkheid zal worden gebracht, zoals de mensen, die nu op aarde leven, maar niet voorbestemd zijn. Als deze echter de aarde verlaten, houden zij geheel en al op ledematen van Christus te zijn, omdat het dan ook niet meer mogelijk is, dat zij met Christus verenigd worden.
Ad primum ergo dicendum, quod illi qui sunt infideles, etsi actu non sint de Ecclesia, sunt tamen de Ecclesia7 in potentia; quae quidem potentia in duobus fundatur; primo quidem, et principaliter in virtute Christi, quae est sufficiens ad salutem totius humani generis: secundario in arbitrii libertate.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Al zijn zij, die ongeloovig zijn, niet daadwerkelijk leden der Kerk, toch hebben zij het vermogen daartoe. En dit vermogen berust op twee dingen: op de eerste plaats en voornamelijk op Christus' kracht, die voldoende is voor het heil van geheel het menschelijk geslacht, en ten tweede op de vrijheid van hun wil.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Al zijn zij, die ongelovig zijn, niet daadwerkelijk leden van de Kerk, toch hebben zij het vermogen daartoe. En dit vermogen berust op twee dingen: op de eerste plaats en voornamelijk op Christus' kracht, die voldoende is voor het heil van geheel het menselijk geslacht, en ten tweede op de vrijheid van hun wil.
Ad secundum dicendum, quod esse Ecclesiam « gloriosam, non habentem maculam, neque rugam » est ultimus finis, ad quem perducimur per passionem Christi. Unde hoc erit in statu patriae, non autem in statu viae, 282in quo « si dixerimus quia peccatum non habemus, nosmetipsos seducimus » ut dicitur 1. Joan. 1. [v. 8]. Sunt tamen quaedam, scilicet mortalia, quibus carent illi qui sunt membra Christi per actualem unionem charitatis. Qui vero his subduntur8, non sunt membra Christi actualiter, sed potentialiter; nisi forte imperfecte per fidem informem, quae unit Christo secundum quid, et non simpliciter; ut scilicet per Christum homo consequatur9 vitam gratiae: « Fides » enim « sine operibus mortua est » ut dicitur Jacobi 2. [v. 20]. Percipiunt tamen tales a Christo quemdam actum vitae, qui est credere: sicut si membrum mortificatum moveatur aliqualiter ab homine.
2. Dat de Kerk « heerlijk, zonder smet of rimpel is », is het laatste doel, waartoe wij door Christus' lijden worden gebracht. Daarom zal dat de toestand in het hemelsch vaderland zijn, maar niet de toestand, als wij op weg erheen zijn, waarin we « als 282wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, onszelf bedriegen », zooals in den Eersten Brief van Johannes (1, 8) staat. Maar er zijn zonden, nl. de doodzonden, waarvan zij, die daadwerkelijk ledematen van Christus zijn door de vereeniging der liefde, vrij zijn. Zij, die deze zonden op hun geweten hebben, zijn niet daadwerkelijk Christus' ledematen, maar hebben het vermogen ertoe; tenzij alleen onvolmaakt krachtens het niet door de liefde gevormde geloof, dat in zeker opzicht, maar niet zonder beperking met Christus vereenigt in dien zin, dat de mensch door Christus het leven der genade krijgt; want « het geloof is zonder de liefde dood », zooals de Brief van Jacobus (2, 20) zegt. Maar dezen krijgen wel van Christus één levensdaad, nl. gelooven, zooals ook een afgestorven lichaamsdeel nog eenigermate door den mensch wordt bewogen.2. Dat de Kerk “heerlijk, zonder smet of rimpel is”, is het laatste doel, waartoe wij door Christus' lijden worden gebracht. Daarom zal dat de toestand in het hemels vaderland zijn, maar niet de toestand, als wij op weg erheen zijn, waarin we “als 282wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, onszelf bedriegen”, zoals in de Eerste Brief van Johannes (1, 8) staat. Maar er zijn zonden, nl. de doodzonden, waarvan zij, die daadwerkelijk ledematen van Christus zijn door de vereniging van de liefde, vrij zijn. Zij, die deze zonden op hun geweten hebben, zijn niet daadwerkelijk Christus' ledematen, maar hebben het vermogen ertoe; tenzij alleen onvolmaakt krachtens het niet door de liefde gevormde geloof, dat in zeker opzicht, maar niet zonder beperking met Christus verenigt in die zin, dat de mens door Christus het leven van de genade krijgt; want “het geloof is zonder de liefde dood”, zoals de Brief van Jacobus (2, 20) zegt. Maar deze krijgen wel van Christus één levensdaad, nl. geloven, zoals ook een afgestorven lichaamsdeel nog enigermate door de mens wordt bewogen.
Ad tertium dicendum, quod sancti Patres non insistebant sacramentis legalibus, tanquam quibusdam rebus, sed sicut imaginibus, et umbris futurorum. Idem autem est motus in imagine10, inquantum est imago, et in rem, ut patet per Philos. in lib. de Memor. et Reminisc. [cap. 1. S. Th. lect. 3]; et ideo antiqui Patres, servando legalia sacramenta, ferebantur in Christum per fidem, et dilectionem eamdem, qua et nos in ipsum ferimur. Et ita Patres antiqui pertinebant ad idem corpus Ecclesiae, ad quod nos pertinemus.
3. De Heilige Vaders hechtten aan de sacramenten der Wet niet als aan de werkelijkheid, maar als beelden en schaduwen van wat komen ging. Maar het is hetzelfde of men zich tot een beeld precies als beeld of tot het afgebeelde ding richt, zooals de Philosoof bewijst in het boek Over het Geheugen en de Herinnering (1e H.). En daarom richtten de Oudvaders, als zij de 283sacramenten der Wet onderhielden, zich met hetzelfde geloof en dezelfde liefde op Christus als wij het doen. En daarom behoorden de Oudvaders tot hetzelfde lichaam der Kerk als waartoe wij behooren.3. De Heilige Vaders hechtten aan de sacramenten van de Wet niet als aan de werkelijkheid, maar als beelden en schaduwen van wat komen ging. Maar het is hetzelfde of men zich tot een beeld precies als beeld of tot het afgebeelde ding richt, zoals de Filosoof bewijst in het boek Over het Geheugen en de Herinnering (1e H.). En daarom richtten de Oudvaders, als zij de 283sacramenten van de Wet onderhielden, zich met hetzelfde geloof en dezelfde liefde op Christus als wij het doen. En daarom behoorden de Oudvaders tot hetzelfde lichaam van de Kerk als waartoe wij behoren.
Utrum Christus sit caput Angelorum1
Is Christus als mensch ook het Hoofd der Engelen?Is Christus als mens ook het Hoofd van de Engelen?
283Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod Christus, secundum quod homo, non sit caput angelorum. Caput enim, et membra sunt unius naturae. Sed Christus, secundum quod est homo, non est conformis in natura cum angelis, sed solum cum hominibus. Quia, ut dicitur Hebr. 2. [v. 16]: « Nusquam angelos apprehendit, sed semen Abrahae apprehendit ». Ergo Christus, secundum quod homo, non est caput angelorum.
283Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus als mensch niet het Hoofd van de Engelen is. — 1. Want het hoofd en de ledematen zijn van dezelfde natuur. Maar Christus is als mensch niet aan de Engelen gelijk in natuur, maar alleen aan de menschen, want zooals in den Hebreeënbrief wordt gezegd (2, 16): « heeft Hij niet de engelen zich aangetrokken, maar zich het zaad van Abraham aangetrokken ». Dus is Christus als mensch niet het Hoofd der Engelen.283Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus als mens niet het Hoofd van de Engelen is. — 1. Want het hoofd en de ledematen zijn van dezelfde natuur. Maar Christus is als mens niet aan de Engelen gelijk in natuur, maar alleen aan de mensen, want zoals in de Hebreeënbrief wordt gezegd (2, 16): “heeft Hij niet de engelen zich aangetrokken, maar zich het zaad van Abraham aangetrokken”. Dus is Christus als mens niet het Hoofd van de Engelen.
2. Praeterea, illorum Christus est caput, qui pertinent ad Ecclesiam, 284« quae est corpus ejus » ut dicitur Ephes. 1. [v. 23]. Sed angeli non pertinent ad Ecclesiam: nam Ecclesia est congregatio fidelium: fides autem non est in angelis: non enim « ambulant per fidem » sed « per speciem »; alioquin « peregrinarentur a Domino », secundum quod Apostolus argumentatur 2. ad Cor. 5. [v. 6 et 7]. Ergo Christus, secundum quod homo. non est caput angelorum.
2. Christus is het Hoofd van hen, die tot Zijn Kerk behooren, 284« die Zijn lichaam is », zooals in den Brief aan de Ephesiërs (1, 23) wordt gezegd. Maar de Engelen behooren niet tot de Kerk, want deze is de vereeniging der geloovigen, en de Engelen hebben geen geloof, want « zij wandelen niet in geloof, maar in het aanschouwen », want « anders zouden zij ver van God zijn », zooals de Apostel redeneert in den Tweeden Brief aan de Korinthiërs (5, 6 en 7). Dus is Christus als mensch het Hoofd der Engelen niet.2. Christus is het Hoofd van hen, die tot Zijn Kerk behoren, 284“die Zijn lichaam is”, zoals in de Brief aan de Efesiërs (1, 23) wordt gezegd. Maar de Engelen behoren niet tot de Kerk, want deze is de vereniging van de gelovigen, en de Engelen hebben geen geloof, want “zij wandelen niet in geloof, maar in het aanschouwen”, want “anders zouden zij ver van God zijn”, zoals de Apostel redeneert in de Tweede Brief aan de Korintiërs (5, 6 en 7). Dus is Christus als mens het Hoofd van de Engelen niet.
3. Praeterea, Augustinus dicit super Joannem [tract. 19. et 23.], quod sicut « Verbum, quod erat in principio apud Patrem », vivificat animas: ita « Verbum caro factum » vivificat corpora, quibus angeli carent: sed « Verbum caro factum » est Christus, secundum quod homo. Ergo Christus, secundum quod homo, non influit vitam angelis. Et ita, secundum quod homo, non est caput angelorum.
3. Augustinus zegt in zijn Commentaar op Johannes (19e en 23e Trakt.), dat « zooals het Woord, dat van eeuwigheid was, de zielen levend maakt, zoo ook het menschgeworden Woord de lichamen levend maakt », die de Engelen niet hebben. Maar het menschgeworden Woord is Christus als mensch. Dus geeft Christus als mensch den Engelen het leven niet. En dus is Hij als mensch het Hoofd der Engelen niet.3. Augustinus zegt in zijn Commentaar op Johannes (19e en 23e Trakt.), dat “zoals het Woord, dat van eeuwigheid was, de zielen levend maakt, zo ook het mensgeworden Woord de lichamen levend maakt”, die de Engelen niet hebben. Maar het mensgeworden Woord is Christus als mens. Dus geeft Christus als mens de Engelen het leven niet. En dus is Hij als mens het Hoofd van de Engelen niet.
Sed contra est, quod Apostolus dicit Coloss. 2. [v. 10]: « Qui est caput omnis principatus, et potestatis ». Et eadem ratio est de angelis aliorum ordinum. Est ergo Christus caput angelorum.
Maar daartegenover staat wat de Apostel zegt in den Brief aan de Colossensen (2, 10): « Hij is het Hoofd van alle Heerschappijen en Machten ». En met de andere koren der Engelen is het hetzelfde. Dus is Christus het Hoofd der Engelen.Maar daartegenover staat wat de Apostel zegt in de Brief aan de Colossensen (2, 10): “Hij is het Hoofd van alle Heerschappijen en Machten”. En met de andere koren van de Engelen is het hetzelfde. Dus is Christus het Hoofd van de Engelen.
285Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est [art. 1. huj. q. ad 2.], ubi est unum corpus, necesse est ponere unum caput. Unum autem corpus similitudinarie dicitur una multitudo ordinata in unum, secundum distinctos actus, sive officia. Manifestum est autem, quod ad unum finem, qui est gloria divinae fruitionis, ordinantur et homines, et angeli. Unde corpus Ecclesiae mysticum non solum consistit ex hominibus, sed etiam ex angelis. Totius autem hujus multitudinis Christus est caput: quia propinquius se habet ad Deum, et perfectius participat dona ipsius, non solum quam homines recipiunt, sed etiam angeli. Dicitur enim Ephes. 1. [v. 20] quod « constituit eum », scilicet Christum Deus Pater, « ad dexteram suam in coelestibus supra omnem Potestatem, et Principatum, et Virtutem, et Dominationem et omne nomen quod nominatur non solum in hoc saeculo, sed etiam in futuro: et omnia subjecit sub pedibus ejus ». Et ideo Christus non solum est caput hominum, sed etiam angelorum. Unde et Matth. 4. [v. 11] legitur, quod « accesserunt angeli, et ministrabant ei ».
285Leerstelling. — Waar één lichaam is, moeten wij, zooals wij zeiden (1e Art., Antw. op de 2e B.), één hoofd aannemen. Maar in beeldspraak noemt men een op één doel gerichte menigte met verschillende werkzaamheden en plichten een lichaam. Nu is het duidelijk, dat zoowel Engelen als menschen op hetzelfde doel zijn gericht, nl. de heerlijkheid van het genieten van God. Daarom bestaat het mystieke lichaam der Kerk niet alleen uit menschen, maar ook uit Engelen. En het Hoofd van deze heele menigte is Christus, want Hij staat dichter bij God en ontvangt Zijn gaven niet alleen volmaakter dan de menschen, maar ook dan de Engelen; en van Zijn genadenstroom ontvangen niet alleen de menschen, maar ook de Engelen. Want in den Brief aan de Ephesiërs (1, 20) wordt gezegd, dat God de Vader Hem, dwz. Christus « plaatste aan Zijn rechterhand in den hemel boven alle heerlijkheid en macht en kracht en hoogheid, en boven elken naam, die genoemd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomstige; en alles heeft Hij onder Zijn voeten gesteld ». En dus is Christus niet alleen het Hoofd der menschen, maar ook van de Engelen. Daarom ook lezen wij bij Matthaeus (4, 11), dat « de Engelen kwamen en Hem dienden ».285Leerstelling. — Waar één lichaam is, moeten wij, zoals wij zeiden (1e Art., Antw. op de 2e B.), één hoofd aannemen. Maar in beeldspraak noemt men een op één doel gerichte menigte met verschillende werkzaamheden en plichten een lichaam. Nu is het duidelijk, dat zowel Engelen als mensen op hetzelfde doel zijn gericht, nl. de heerlijkheid van het genieten van God. Daarom bestaat het mystieke lichaam van de Kerk niet alleen uit mensen, maar ook uit Engelen. En het Hoofd van deze hele menigte is Christus, want Hij staat dichter bij God en ontvangt Zijn gaven niet alleen volmaakter dan de mensen, maar ook dan de Engelen; en van Zijn genadenstroom ontvangen niet alleen de mensen, maar ook de Engelen. Want in de Brief aan de Efesiërs (1, 20) wordt gezegd, dat God de Vader Hem, dwz. Christus “plaatste aan Zijn rechterhand in de hemel boven alle heerlijkheid en macht en kracht en hoogheid, en boven elke naam, die genoemd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomstige; en alles heeft Hij onder Zijn voeten gesteld”. En dus is Christus niet alleen het Hoofd van de mensen, maar ook van de Engelen. Daarom ook lezen wij bij Matteüs (4, 11), dat “de Engelen kwamen en Hem dienden”.
286Ad primum ergo dicendum, quod influentia Christi super2 homines principaliter quidem est quantum ad animas, secundum quas homines conveniunt cum angelis in natura generis, licet non in natura speciei; et ratione hujus conformitatis Christus potest dici caput angelorum, licet deficiat conformitas quantum ad corpora.
286Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Christus' invloed over alle menschen gaat wel hoofdzakelijk naar hun zielen uit, waarin de menschen met de Engelen overeenkomen wat de generieke, niet wat de soortelijke natuur betreft. En om deze overeenkomst kan Christus het hoofd der Engelen worden genoemd, al ontbreekt zij wat de lichamen betreft.286Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Christus' invloed over alle mensen gaat wel hoofdzakelijk naar hun zielen uit, waarin de mensen met de Engelen overeenkomen wat de generieke, niet wat de soortelijke natuur betreft. En om deze overeenkomst kan Christus het hoofd van de Engelen worden genoemd, al ontbreekt zij wat de lichamen betreft.
Ad secundum dicendum, quod Ecclesia secundum statum viae est congregatio fidelium: sed secundum statum patriae est congregatio comprehendentium. Christus autem non solum fuit viator, sed comprehensor. Et ideo non solum fidelium, sed etiam comprehendentium est caput, utpote plenissime habens gratiam, et gloriam.
2. De Kerk beschouwd naar haar toestand hier op aarde is de vereeniging der geloovigen, maar naar haar toestand in het vaderland is zij de vereeniging van hen, die bereikt hebben. Nu was Christus niet alleen op weg naar het vaderland, maar Hij had het ook bereikt. En dus is Hij niet alleen het Hoofd van de geloovigen, maar ook van hen, die bereikt hebben, omdat Hij de hoogste maat van genade en glorie heeft.2. De Kerk beschouwd naar haar toestand hier op aarde is de vereniging van de gelovigen, maar naar haar toestand in het vaderland is zij de vereniging van hen, die bereikt hebben. Nu was Christus niet alleen op weg naar het vaderland, maar Hij had het ook bereikt. En dus is Hij niet alleen het Hoofd van de gelovigen, maar ook van hen, die bereikt hebben, omdat Hij de hoogste maat van genade en glorie heeft.
Ad tertium dicendum, quod Augustinus ibi loquitur secundum quamdam assimilationem causae ad effectum; prout scilicet res corporalis agit in corpus, et res spiritualis in res spirituales: tamen humanitas Christi ex virtute spiritualis naturae, scilicet divinae, potest aliquid causare non solum in spiritibus hominum, sed etiam in spiritibus angelorum, propter maximam conjunctionem ejus ad Deum, scilicet secundum unionem personalem.
3. Augustinus spreekt hier volgens een gelijkenis tusschen oorzaak en gevolg, in zoover een lichamelijk ding op lichamen inwerkt en een geest op geesten. Toch kan Christus' menschheid door de kracht van de geestelijke, dwz. goddelijke natuur, ook iets teweeg brengen niet alleen in de geesten van de menschen, maar ook in de geesten der Engelen om Zijn allerhoogste vereeniging met God, nl. die in persoon.3. Augustinus spreekt hier volgens een gelijkenis tussen oorzaak en gevolg, in zover een lichamelijk ding op lichamen inwerkt en een geest op geesten. Toch kan Christus' mensheid door de kracht van de geestelijke, dwz. goddelijke natuur, ook iets teweeg brengen niet alleen in de geesten van de mensen, maar ook in de geesten van de Engelen om Zijn allerhoogste vereniging met God, nl. die in persoon.
Utrum gratia Christi, secundum quam est caput Ecclesiae, sit eadem cum gratia habituali ejus, secundum quod est quidam homo singularis1
Is de genade, waardoor Christus het Hoofd der Kerk is, dezelfde als die Hij als op zichzelf staand mensch bezit?Is de genade, waardoor Christus het Hoofd van de Kerk is, dezelfde als die Hij als op zichzelf staand mens bezit?
287Ad quintum sic proceditur. Videtur, quod non sit eadem gratia, qua Christus est caput Ecclesiae, cum gratia singulari illius hominis: dicit enim Apostolus 5. [v. 15]: « Si unius delicto multi mortui sunt, multo magis gratia Dei, et donum in gratia unius hominis Jesu Christi in plures abundavit ». Sed aliud est peccatum actuale ipsius Adae, et aliud peccatum originale, quod traduxit in posteros. Ergo alia est gratia personalis, quae est propria ipsius Christi, et alia est gratia ejus, inquantum est caput Ecclesiae, quae ab ipso ad alios derivatur.
287Bedenkingen. — Men beweert, dat de genade, waardoor Christus Hoofd der Kerk is, niet dezelfde is als die Hij als op zichzelf staand mensch bezit. — 1. Want de Apostel zegt in den Brief aan de Romeinen (5, 15): « Als door den val van een velen gestorven zijn, is de genade en gave van God in de genade van den eenen mensch Jesus Christus nog veel meer in velen overvloedig geweest ». Maar de zondedaad in Adam was iets anders als de erfzonde, die hij op zijn nakomelingen heeft overgebracht. Dus is ook de persoonlijke genade van Christus, die Hem eigen is, iets anders dan Zijn genade als Hoofd der Kerk, die van Hem op anderen wordt overgebracht.287Bedenkingen. — Men beweert, dat de genade, waardoor Christus Hoofd van de Kerk is, niet dezelfde is als die Hij als op zichzelf staand mens bezit. — 1. Want de Apostel zegt in de Brief aan de Romeinen (5, 15): “Als door de val van een velen gestorven zijn, is de genade en gave van God in de genade van de ene mens Jesus Christus nog veel meer in velen overvloedig geweest”. Maar de zondedaad in Adam was iets anders als de erfzonde, die hij op zijn nakomelingen heeft overgebracht. Dus is ook de persoonlijke genade van Christus, die Hem eigen is, iets anders dan Zijn genade als Hoofd van de Kerk, die van Hem op anderen wordt overgebracht.
2. Praeterea, habitus distinguuntur secundum actus. Sed ad alium actum ordinatur in Christo gratia ejus personalis, scilicet ad 288sanctificationem illius animae; et ad alium actum ordinatur gratia capitis, scilicet ad sanctificandum alios. Ergo alia est gratia personalis ipsius Christi, et alia est gratia ejus, inquantum est caput Ecclesiae.
2. De hebbelijkheden worden onderscheiden door de handelingen, die zij voortbrengen. Nu is Christus' persoonlijke genade 288op iets anders, nl. op de heiligheid van zijn ziel gericht, dan de genade als Hoofd, die nl. gericht is op de heiliging van anderen. Dus is de persoonlijke genade van Christus zelf iets anders als zijn genade als Hoofd der Kerk.2. De hebbelijkheden worden onderscheiden door de handelingen, die zij voortbrengen. Nu is Christus' persoonlijke genade 288op iets anders, nl. op de heiligheid van zijn ziel gericht, dan de genade als Hoofd, die nl. gericht is op de heiliging van anderen. Dus is de persoonlijke genade van Christus zelf iets anders als zijn genade als Hoofd van de Kerk.
3. Praeterea, sicut supra dictum est [q. 7. introd.], in Christo distinguitur triplex gratia; scilicet: gratia unionis, gratia capitis, et gratia singularis illius hominis: sed gratia singularis Christi est alia a gratia unionis. Ergo etiam est alia a gratia capitis.
3. Zooals wij boven zeiden, onderscheidt men in Christus drie genaden: nl. die der vereeniging, die van Hoofd te zijn en de persoonlijke genade als een bepaald mensch. Maar de persoonlijke genade is een andere als die der vereeniging. Dus is zij ook een andere als die van Hoofd te zijn.3. Zoals wij boven zeiden, onderscheidt men in Christus drie genaden: nl. die van de vereniging, die van Hoofd te zijn en de persoonlijke genade als een bepaald mens. Maar de persoonlijke genade is een andere als die van de vereniging. Dus is zij ook een andere als die van Hoofd te zijn.
Sed contra est, quod dicitur Joann. 1. [v. 16]: « De plenitudine ejus nos omnes accepimus » secundum hoc autem est caput nostrum, quod ab eo accipimus. Ergo secundum hoc quod habuit2 plenitudinem gratiae, est caput nostrum. Plenitudinem autem gratiae habuit, secundum quod perfecte fuit in illo gratia personalis ut supra dictum est [q. 7. art. 9.]. Ergo secundum gratiam personalem est caput nostrum. Et ita non est alia gratia capitis, et alia gratia personalis.
Daartegenover staat echter, wat wij bij Johannes vinden (1, 16): « Van Zijn genade hebben wij allen ontvangen ». Nu is Hij juist hierom Hoofd, dat wij van Hem ontvangen. Dus is Hij ons Hoofd in zoover Hij de volheid der genade heeft. Maar Hij heeft de volheid der genade, omdat, zooals wij zeiden, de persoonlijke genade in alle volmaaktheid in Hem was. Dus is Hij ons Hoofd door de persoonlijke genade. En dus is de genade van Hoofd te zijn geen andere dan de persoonlijke genade.Daartegenover staat echter, wat wij bij Johannes vinden (1, 16): “Van Zijn genade hebben wij allen ontvangen”. Nu is Hij juist hierom Hoofd, dat wij van Hem ontvangen. Dus is Hij ons Hoofd in zover Hij de volheid van de genade heeft. Maar Hij heeft de volheid van de genade, omdat, zoals wij zeiden, de persoonlijke genade in alle volmaaktheid in Hem was. Dus is Hij ons Hoofd door de persoonlijke genade. En dus is de genade van Hoofd te zijn geen andere dan de persoonlijke genade.
Respondeo dicendum, quod quia3 unumquodque agit, inquantum 289est ens actu [Arist. Metaphys. lib. 8. cap. 8. n. 3. S. Th. lib. 9. lect. 7.], oportet4 quod idem sit actus5, quo aliquid est actu, et quo agit: sicut idem est calor, quo ignis est calidus, et quo calefacit: non tamen omnis actus quo aliquid est actu, sufficit ad hoc, quod sit principium agendi in alia: cum enim « agens sit praestantius patiente » ut Augustinus dicit 12. super Gen. ad lit. [cap. 16.], et Philos. in 3. de An. [cap. 5. n. 2], oportet, quod agens in alia habeat actum secundum eminentiam quamdam. Dictum est autem supra [q. 7. art. 9. et 10.], quod in anima Christi recepta est gratia secundum maximam eminentiam. Et ideo ex eminentia gratiae quam accepit, competit sibi, quod gratia illa ad alios derivetur. Quod pertinet ad rationem capitis. Et ideo eadem est secundum essentiam gratia personalis, qua anima Christi est justificata, et gratia ejus, secundum quam est caput Ecclesiae justificans alios: differt tamen secundum rationem.
Leerstelling. — Alles werkt in zoover het daadwerkelijk 289iets is. Nu moet het hetzelfde daadwerkelijke beginsel zijn, waardoor iets daadwerkelijk is en waardoor het werkt; en zoo is het dezelfde warmte, waardoor het vuur warm is en verwarmt. Maar niet iedere act, waardoor iets daadwerkelijk iets is, is voldoende om beginsel van inwerking op iets anders te zijn; want omdat « wat werkt hooger staat dan wat ondergaat », zooals Augustinus (12e B., Verkl. der Genesis, 16e H.) en de Philosoof (in het 3e B., Over de Ziel) zeggen, moet datgene wat op anderen inwerkt een act hebben, die boven anderen uitsteekt. Nu hebben wij vroeger gezegd, dat de genade in Christus' ziel in den hoogsten graad van volmaaktheid ontvangen is. En zoo komt het Hem om de uitstekendheid van de genade, die Hij ontving, toe, dat die genade van Hem op anderen overvloeit. Dat behoort tot het begrip hoofd. En daarom is de persoonlijke genade, waardoor Christus' ziel rechtvaardig is gemaakt, naar haar wezen dezelfde als die, waardoor Hij het Hoofd der Kerk is, dat anderen heilig maakt; het onderscheid maken wij met ons verstand.Leerstelling. — Alles werkt in zover het daadwerkelijk 289iets is. Nu moet het hetzelfde daadwerkelijke beginsel zijn, waardoor iets daadwerkelijk is en waardoor het werkt; en zo is het dezelfde warmte, waardoor het vuur warm is en verwarmt. Maar niet iedere act, waardoor iets daadwerkelijk iets is, is voldoende om beginsel van inwerking op iets anders te zijn; want omdat “wat werkt hoger staat dan wat ondergaat”, zoals Augustinus (12e B., Verkl. van de Genesis, 16e H.) en de Filosoof (in het 3e B., Over de Ziel) zeggen, moet datgene wat op anderen inwerkt een act hebben, die boven anderen uitsteekt. Nu hebben wij vroeger gezegd, dat de genade in Christus' ziel in de hoogste graad van volmaaktheid ontvangen is. En zo komt het Hem om de uitstekendheid van de genade, die Hij ontving, toe, dat die genade van Hem op anderen overvloeit. Dat behoort tot het begrip hoofd. En daarom is de persoonlijke genade, waardoor Christus' ziel rechtvaardig is gemaakt, naar haar wezen dezelfde als die, waardoor Hij het Hoofd van de Kerk is, dat anderen heilig maakt; het onderscheid maken wij met ons verstand.
Ad primum ergo dicendum, quod peccatum originale in Adam, quod 290est peccatum naturae, derivatum est a peccato actuali ipsius, quod est peccatum personale: quia in eo persona corrupit naturam; qua corruptione mediante, peccatum primi hominis derivatur ad posteros, secundum quod natura corrupta corrumpit personam. Sed gratia non derivatur a Christo in nos, mediante natura humana, sed per solam personalem actionem ipsius Christi. Unde non oportet in Christo distinguere duplicem gratiam, quarum una respondeat naturae, alia personae; sicut in Adam distinguitur peccatum naturae, et personae.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De erfzonde in 290Adam, die een zonde van de natuur is, komt van zijn zondedaad, die een persoonlijke is, omdat de persoon in hem de natuur bedierf; en door dat bederf wordt de zonde van den eersten mensch op zijn nakomelingen overgebracht, in zoover de bedorven natuur haar bederf op den persoon overbrengt. Maar de genade wordt van Christus op ons niet door de menschelijke natuur overgebracht, maar alleen door de persoonlijke werkzaamheid van Christus zelf. Daarom behoeft men in Christus geen dubbele genade te onderscheiden, waarvan een aan de natuur en een aan den persoon beantwoordt, zooals men in Adam natuurzonde en persoonlijke zonde onderscheidt.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De erfzonde in 290Adam, die een zonde van de natuur is, komt van zijn zondedaad, die een persoonlijke is, omdat de persoon in hem de natuur bedierf; en door dat bederf wordt de zonde van de eerste mens op zijn nakomelingen overgebracht, in zover de bedorven natuur haar bederf op de persoon overbrengt. Maar de genade wordt van Christus op ons niet door de menselijke natuur overgebracht, maar alleen door de persoonlijke werkzaamheid van Christus zelf. Daarom behoeft men in Christus geen dubbele genade te onderscheiden, waarvan een aan de natuur en een aan de persoon beantwoordt, zoals men in Adam natuurzonde en persoonlijke zonde onderscheidt.
Ad secundum dicendum, quod diversi actus, quorum unus est ratio et causa alterius, non diversificant habitum: actus autem personalis gratiae qui est sanctum facere formaliter habentem, est ratio justificationis aliorum, quae pertinet ad gratiam capitis. Et inde est, quod per hujusmodi differentiam non diversificatur essentia habitus.
2. Meerdere daden, waarvan de een de oorzaak en reden van bestaan van de andere is, geven geen meervoudigheid van hebbelijkheden. Nu is de daad van de persoonlijke genade, nl. dengene, die haar bezit formeel heilig maken, de reden van bestaan van het heilig maken van anderen, wat tot de genade van het Hoofd behoort. En dus krijgen wij door dit verschil geen wezenlijk onderscheid tusschen de hebbelijkheden.2. Meerdere daden, waarvan de een de oorzaak en reden van bestaan van de andere is, geven geen meervoudigheid van hebbelijkheden. Nu is de daad van de persoonlijke genade, nl. dengene, die haar bezit formeel heilig maken, de reden van bestaan van het heilig maken van anderen, wat tot de genade van het Hoofd behoort. En dus krijgen wij door dit verschil geen wezenlijk onderscheid tussen de hebbelijkheden.
Ad tertium dicendum, quod gratia personalis, et gratia capitis ordinatur ad aliquem actum: gratia autem unionis non ordinatur ad actum sed ad esse personale. Et ideo gratia personalis, et gratia capitis conveniunt in essentia habitus: non autem gratia unionis. Quamvis personalis gratia possit quodammodo dici gratia unionis, prout facit congruitatem quamdam ad unionem. Et secundum hoc una per essentiam est gratia unionis, et gratia capitis, et gratia singularis personae, sed differens sola ratione.
3. De persoonlijke genade en de genade van Hoofd te zijn hebben een daad tot doel, maar de genade van vereeniging richt zich niet op een daad, maar op het persoonlijke zijn. En daarom zijn de persoonlijke genade en de genade van Hoofd te zijn in wezen 291een hebbelijkheid, maar de genade der vereeniging niet. Toch kan men de persoonlijke genade wel in zekeren zin een genade van vereeniging noemen, in zoover zij een soort geschiktheid voor de aanneming teweeg brengt. En onder dit opzicht zijn genade van vereeniging en genade van Hoofd te zijn en persoonlijke genade in wezen een, en maakt alleen het verstand onderscheid.3. De persoonlijke genade en de genade van Hoofd te zijn hebben een daad tot doel, maar de genade van vereniging richt zich niet op een daad, maar op het persoonlijke zijn. En daarom zijn de persoonlijke genade en de genade van Hoofd te zijn in wezen 291een hebbelijkheid, maar de genade van de vereniging niet. Toch kan men de persoonlijke genade wel in zekeren zin een genade van vereniging noemen, in zover zij een soort geschiktheid voor de aanneming teweeg brengt. En onder dit opzicht zijn genade van vereniging en genade van Hoofd te zijn en persoonlijke genade in wezen een, en maakt alleen het verstand onderscheid.
Utrum esse caput Ecclesiae sit proprium Christo
Is het eigen aan Christus Hoofd der Kerk te zijn?Is het eigen aan Christus Hoofd van de Kerk te zijn?
291Ad sextum sic proceditur. Videtur, quod esse caput Ecclesiae non sit proprium Christo: dicitur enim 1. Regum. 15. [v. 17]: « Cum esses parvulus in oculis tuis, caput in tribubus Israël factus es ». Sed una est Ecclesia in novo, et veteri Testamento. Ergo videtur, quod eadem ratione aliquis1 alius homo, praeter Christum, poterit esse caput Ecclesiae.
291Bedenkingen. — Men beweert, dat het Hoofd der Kerk te zijn niet eigen is aan Christus. — 1. Want in het 1e boek der Koningen wordt gezegd (15, 17): « Toen gij nog klein waart in uw eigen oogen, zijt gij hoofd geworden onder de stammen van Israël ». Nu is de Kerk in het Nieuwe en Oude Testament een. Dus schijnt om dezelfde reden een ander mensch als Christus hoofd der Kerk te kunnen zijn.291Bedenkingen. — Men beweert, dat het Hoofd van de Kerk te zijn niet eigen is aan Christus. — 1. Want in het 1e boek van de Koningen wordt gezegd (15, 17)a: “Toen gij nog klein waart in uw eigen ogen, zijt gij hoofd geworden onder de stammen van Israël”. Nu is de Kerk in het Nieuwe en Oude Testament een. Dus schijnt om dezelfde reden een ander mens als Christus hoofd van de Kerk te kunnen zijn.
2. Praeterea, ex hoc Christus dicitur esse caput Ecclesiae, quod gratiam influit Ecclesiae membris. Sed etiam ad alios pertinet gratiam 292aliis praebere, secundum illud Ephes. 4. [v. 29]: « Omnis sermo malus ex ore vestro non procedat; sed si quis bonus est ad aedificationem fidei, ut det gratiam audientibus ». Ergo videtur quod etiam alii, quam Christo, competat esse Ecclesiae caput.
2. Christus wordt hierom Hoofd der Kerk genoemd, dat Hij de genade stort in de ledematen der Kerk. Maar ook aan anderen 292schijnt het toe te komen anderen genade te schenken, volgens den Ephesiërsbrief (4, 29): « Uit uw mond kome geen vuile taal, maar alleen goede woorden, die kunnen stichten, zoodat zij de genade brengen aan de hoorders ». Dus schijnt het ook aan anderen als Christus toe te komen Hoofd der Kerk te zijn.2. Christus wordt hierom Hoofd van de Kerk genoemd, dat Hij de genade stort in de ledematen van de Kerk. Maar ook aan anderen 292schijnt het toe te komen anderen genade te schenken, volgens de Efesiërsbrief (4, 29): “Uit uw mond kome geen vuile taal, maar alleen goede woorden, die kunnen stichten, zodat zij de genade brengen aan de hoorders”. Dus schijnt het ook aan anderen als Christus toe te komen Hoofd van de Kerk te zijn.
3. Praeterea, Christus ex eo quod praeest Ecclesiae, non solum dicitur caput, sed etiam « pastor, et fundamentum » Ecclesiae [vide Joan. 10. v. 11, 14. Hebr. 13. v. 20, et 1. Cor. 3. v. 11]. Sed non sibi solum Christus retinuit nomen Pastoris, secundum illud 1. Pet. 5. [v. 4]: « Cum apparuerit princeps pastorum, percipietis immarcescibilem gloriae coronam » nec etiam nomen fundamenti, secundum illud Apocal. 21. [v. 14]: « Murus civitatis habens fundamenta duodecim ». Ergo videtur. quod nec etiam nomen capitis sibi soli retinuerit.
3. Omdat Christus de Kerk leidt, wordt Hij niet alleen Hoofd genoemd, maar ook « Herder » en « Grondslag ». Christus echter heeft den naam van Herder niet voor zichzelf alleen gehouden volgens den Eersten Brief van Petrus (5, 4): « Als de Vorst der Herders verschenen zal zijn, zult gij de onvergankelijke kroon der heerlijkheid ontvangen ». En evenmin dien van grondslag, volgens het boek der Openbaring (21, 14): « De muur der stad heeft twaalf grondslagen ». Dus schijnt Hij ook den naam van Hoofd niet voor zichzelf te hebben gehouden.3. Omdat Christus de Kerk leidt, wordt Hij niet alleen Hoofd genoemd, maar ook “Herder” en “Grondslag”. Christus echter heeft de naam van Herder niet voor zichzelf alleen gehouden volgens de Eerste Brief van Petrus (5, 4): “Als de Vorst van de Herders verschenen zal zijn, zult gij de onvergankelijke kroon van de heerlijkheid ontvangen”. En evenmin die van grondslag, volgens het boek van de Openbaring (21, 14): “De muur van de stad heeft twaalf grondslagen”. Dus schijnt Hij ook de naam van Hoofd niet voor zichzelf te hebben gehouden.
Sed contra est, quod dicitur Coloss. 2. [v. 19]: « Caput Ecclesiae est, ex quo corpus per nexus, et conjunctiones subministratum, et constructum crescit in augmentum Dei ». Sed hoc soli Christo convenit. Ergo solus Christus est caput Ecclesiae.
Maar daartegenover staat het woord uit den Brief aan de Colossensen (2, 19): « Het is het Hoofd der Kerk, waaruit het gansche lichaam door gewrichten en vezels vastgehouden gestut en samengehouden wordt en groeit tot goddelijke rijpheid ». Maar dat komt alleen aan Christus toe. Dus is alleen Christus het Hoofd der Kerk.Maar daartegenover staat het woord uit de Brief aan de Colossensen (2, 19): “Het is het Hoofd van de Kerk, waaruit het ganse lichaam door gewrichten en vezels vastgehouden gestut en samengehouden wordt en groeit tot goddelijke rijpheid”. Maar dat komt alleen aan Christus toe. Dus is alleen Christus het Hoofd van de Kerk.
293Respondeo dicendum, quod caput in alia membra influit dupliciter. Uno modo quodam intrinseco influxu: prout scilicet virtus motiva, et sensitiva a capite derivatur ad caetera membra. Alio modo secundum quamdam exteriorem gubernationem: prout scilicet secundum visum, et alios sensus, qui in capite radicantur, dirigitur homo in exterioribus actibus.
293Leerstelling. — Het hoofd heeft een dubbelen invloed op de ledematen. Ten eerste door een soort innerlijke inwerking in zoover de vermogens van beweging en zintuiglijk leven van het hoofd op de andere ledematen worden overgebracht. En daarnaast door een soort uiterlijke besturing, in zoover nl. de mensch in zijn uiterlijke daden wordt bestuurd door het gezicht en de andere zintuigen, die in het hoofd hun plaats hebben.293Leerstelling. — Het hoofd heeft een dubbelen invloed op de ledematen. Ten eerste door een soort innerlijke inwerking in zover de vermogens van beweging en zintuiglijk leven van het hoofd op de andere ledematen worden overgebracht. En daarnaast door een soort uiterlijke besturing, in zover nl. de mens in zijn uiterlijke daden wordt bestuurd door het gezicht en de andere zintuigen, die in het hoofd hun plaats hebben.
Interior autem influxus gratiae non est aliquo, nisi a solo Christo, cujus humanitas ex hoc, quod est divinitati conjuncta, habet virtutem justificandi. Sed influxus in membra Ecclesiae, quantum ad exteriorem gubernationem, potest aliis convenire. Et secundum hoc aliqui alii possunt dici capita Ecclesiae, secundum illud Amos 6. [v. 1]: « Optimates capita populorum ». Differenter tamen a Christo. Primo quidem quantum ad hoc, quod Christus est caput omnium eorum, qui ad Ecclesiam pertinent, secundum omnem locum, et tempus, et statum; alii autem homines dicuntur capita, secundum quaedam specialia loca, sicut Episcopi suarum Ecclesiarum: vel etiam secundum determinatum tempus; sicut Papa est caput totius Ecclesiae, scilicet sunt in statu viatoris. Alio modo, quia Christus est caput Ecclesiae propria virtute, et auctoritate; alii vero dicuntur capita, 294inquantum vicem gerunt Christi, secundum illud 2. ad Cor. 2. [v. 10]: « Nam et ego quod donavi, si quid donavi propter vos in persona Christi » et secundum illud 2. ad Cor. 5. [v. 20]: « Pro Christo legatione fungimur, tanquam Deo exhortante per nos ».
Nu komt de inwendige genadestroom van niemand anders dan van Christus, wiens menschheid, omdat zij met de godheid verbonden is, het vermogen heeft om rechtvaardig te maken. Maar het beinvloeden van de ledematen der Kerk, wat het uitwendig bestuur betreft, kan ook aan anderen toekomen. En zoo kunnen ook anderen hoofden der Kerk genoemd worden naar het woord van Amos (6, 1): « De voornamen zijn de hoofden der volken ». Maar anders dan Christus. Ten eerste hierom, dat Christus het Hoofd is van allen, die tot de Kerk behooren, in alle plaatsen en tijden en toestanden; terwijl de andere menschen hoofden worden genoemd op bepaalde plaatsen als de bisschoppen in hun kerken; of gedurende bepaalde tijden, zooals de Paus het Hoofd is der geheele Kerk, nl. gedurende den tijd van zijn Pontificaat; of in een bepaalde toestand, nl. zoolang zij nog pelgrims naar de 294eeuwigheid zijn. En daarnaast hierom, dat Christus Hoofd der Kerk is door eigen macht en gezag; maar de anderen worden hoofden genoemd als plaatsbekleeders van Christus volgens den Tweeden Brief aan de Korinthiërs (2, 10): « Wat ik gegeven heb, als ik iets gegeven heb, heb ik dat om uwentwil in Christus' naam gedaan ». en (5, 20): « In Christus' naam treden wij als gezanten op, alsof God door ons vermaant ».Nu komt de inwendige genadestroom van niemand anders dan van Christus, wiens mensheid, omdat zij met de godheid verbonden is, het vermogen heeft om rechtvaardig te maken. Maar het beinvloeden van de ledematen van de Kerk, wat het uitwendig bestuur betreft, kan ook aan anderen toekomen. En zo kunnen ook anderen hoofden van de Kerk genoemd worden naar het woord van Amos (6, 1): “De voornamen zijn de hoofden van de volken”. Maar anders dan Christus. Ten eerste hierom, dat Christus het Hoofd is van allen, die tot de Kerk behoren, in alle plaatsen en tijden en toestanden; terwijl de andere mensen hoofden worden genoemd op bepaalde plaatsen als de bisschoppen in hun kerken; of gedurende bepaalde tijden, zoals de Paus het Hoofd is van de gehele Kerk, nl. gedurende de tijd van zijn Pontificaat; of in een bepaalde toestand, nl. zolang zij nog pelgrims naar de 294eeuwigheid zijn. En daarnaast hierom, dat Christus Hoofd van de Kerk is door eigen macht en gezag; maar de anderen worden hoofden genoemd als plaatsbekleders van Christus volgens de Tweede Brief aan de Korintiërs (2, 10): “Wat ik gegeven heb, als ik iets gegeven heb, heb ik dat om uwentwil in Christus' naam gedaan”. en (5, 20): “In Christus' naam treden wij als gezanten op, alsof God door ons vermaant”.
Ad primum ergo dicendum, quod verbum illud intelligitur, secundum quod ratio capitis consideratur ex exteriori gubernatione, prout dicitur rex caput regni sui.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Deze tekst moet men zoo begrijpen, dat men hier het hoofd zijn beschouwt in het uiterlijke bestuur, zooals de koning hoofd van zijn rijk wordt genoemd.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Deze tekst moet men zo begrijpen, dat men hier het hoofd zijn beschouwt in het uiterlijke bestuur, zoals de koning hoofd van zijn rijk wordt genoemd.
Ad secundum dicendum, quod homo non dat gratiam interius influendo, sed exterius persuadendo ad ea quae sunt gratiae.
2. De mensch geeft de genade niet door een innerlijken invloed, maar door uiterlijk te overreden tot wat met de genade samenhangt.2. De mens geeft de genade niet door een innerlijken invloed, maar door uiterlijk te overreden tot wat met de genade samenhangt.
Ad tertium dicendum, quod, sicut Augustinus dicit super Joan. [tract. 46.]: « Si praepositi Ecclesiae pastores sunt, quomodo unus pastor est, nisi quia sunt illi omnes unius membra pastoris »? Et similiter alii possunt dici fundamenta, et capita, inquantum sunt unius capitis, et fundamenti membra. Et tamen, sicut Augustinus ibidem [tractat. 47.] dicit, « pastorem esse dedit membris suis: ostium vero nemo nostrum se dicit: hoc sibi ipse proprium tenuit ». Et hoc ideo, quia in ostio importatur principalis auctoritas; inquantum ostium est, per quod omnes ingrediuntur in domum; et ipse solus Christus est, « per quem accessum habemus in gratiam istam, in qua stamus » [Rom. 5. v. 2]. Per alia vero nomina praedicta potest importari auctoritas non solum principalis, sed etiam secundaria.
3. Het is zooals Augustinus zegt in zijn Commentaar op Johannes (46e Tract.): « Als de leiders der Kerk herders zijn, hoe kan men dan spreken van één herder, als die allen niet de ledematen van een herder zijn? » En evenzoo kan men anderen grondslagen en hoofden noemen, in zoover zij de ledematen zijn van één grondslag en hoofd. En toch is het waar, wat Augustinus op dezelfde plaats zegt (47e Tr.): « Herder te zijn heeft Hij aan anderen gegeven, maar niemand van ons noemt zich de deur; want dat 295heeft Hij als iets eigens voor zich gehouden ». En dat is hierom, dat de term deur het voornaamste gezag insluit, omdat het de deur is, waardoor allen het huis binnen gaan; en Christus zelf is de eenige, « waardoor wij toegang hebben gekregen tot deze genade, waardoor wij vast staan » (Brief aan de Romeinen, 5, 2). Maar met de andere aangehaalde namen kan niet alleen het voornaamste, maar ook het ondergeschikte gezag worden aangeduid.3. Het is zoals Augustinus zegt in zijn Commentaar op Johannes (46e Tract.): “Als de leiders van de Kerk herders zijn, hoe kan men dan spreken van één herder, als die allen niet de ledematen van een herder zijn?” En evenzo kan men anderen grondslagen en hoofden noemen, in zover zij de ledematen zijn van één grondslag en hoofd. En toch is het waar, wat Augustinus op dezelfde plaats zegt (47e Tr.): “Herder te zijn heeft Hij aan anderen gegeven, maar niemand van ons noemt zich de deur; want dat 295heeft Hij als iets eigens voor zich gehouden”. En dat is hierom, dat de term deur het voornaamste gezag insluit, omdat het de deur is, waardoor allen het huis binnen gaan; en Christus zelf is de enige, “waardoor wij toegang hebben gekregen tot deze genade, waardoor wij vast staan” (Brief aan de Romeinen, 5, 2). Maar met de andere aangehaalde namen kan niet alleen het voornaamste, maar ook het ondergeschikte gezag worden aangeduid.
Utrum diabolus sit caput omnium malorum
Is de duivel het hoofd van alle zondaars?
295Ad septimum sic proceditur. Videtur, quod diabolus non sit caput malorum: ad rationem enim capitis pertinet, quod influat sensum, et motum in membra, ut dicit quaedam Gloss. [Ord. Anselm.], super illud ad Ephes. 1.: « Ipsum dedit caput » etc. Sed diabolus non habet virtutem influendi malitiam peccati, quod ex voluntate peccantis procedit. Ergo diabolus non potest dici caput malorum.
295Bedenkingen. — Men beweert, dat de duivel niet het hoofd is van de zondaars. — 1. Want het begrip hoofd sluit in waarneming en beweging in de ledematen te storten, zooals een glossa zegt bij deze tekst uit den Ephesiërsbrief (1, 18): « Hem stelde Hij aan als Hoofd ». De duivel heeft echter de macht niet de boosheid der zonde, die van de wil van den zondaar komt, in te storten. Dus kan men den duivel geen hoofd der zondaars noemen.295Bedenkingen. — Men beweert, dat de duivel niet het hoofd is van de zondaars. — 1. Want het begrip hoofd sluit in waarneming en beweging in de ledematen te storten, zoals een glossa zegt bij deze tekst uit de Efesiërsbrief (1, 18): “Hem stelde Hij aan als Hoofd”. De duivel heeft echter de macht niet de boosheid van de zonde, die van de wil van de zondaar komt, in te storten. Dus kan men de duivel geen hoofd van de zondaars noemen.
2. Praeterea, per quodlibet peccatum fit homo malus. Sed non omnia 296peccata sunt a diabolo. Quod quidem manifestum est de peccatis daemonum. qui non ex persuasione alterius peccaverunt. Similiter etiam nec omne peccatum hominis ex diabolo procedit: dicitur enim in libro de Eccles. Dogm. [cap. 49. inter opera August.]: « Non omnes cogitationes nostrae malae semper diaboli instinctu excitantur; sed aliquoties ex motu arbitrii nostri emergunt ». Ergo diabolus non est caput omnium malorum.
2. Door iedere zonde wordt de mensch een zondaar. Maar 296niet alle zonden komen van den duivel. Dat blijkt duidelijk uit de zonde van de duivels, die niet op aanraden van een ander zondigden. En evenmin komt iedere zonde der menschen van den duivel; want het boek Over de Leerstukken der Kerk zegt: « Niet al onze slechte gedachten worden steeds door het aanstoken van den duivel opgewekt, maar soms duiken zij op uit de werkzaamheid van ons verstand ». Dus is de duivel het hoofd der zondaars niet.2. Door iedere zonde wordt de mens een zondaar. Maar 296niet alle zonden komen van de duivel. Dat blijkt duidelijk uit de zonde van de duivels, die niet op aanraden van een ander zondigden. En evenmin komt iedere zonde van de mensen van de duivel; want het boek Over de Leerstukken van de Kerk zegt: “Niet al onze slechte gedachten worden steeds door het aanstoken van de duivel opgewekt, maar soms duiken zij op uit de werkzaamheid van ons verstand”. Dus is de duivel het hoofd van de zondaars niet.
3. Praeterea, unum caput uni corpori praeficitur. Sed tota multitudo malorum non videtur habere aliquid, in quo uniatur: quia « malum malo contingit esse contrarium » [Arist. Categ. cap. 8. n. 23], contingit etiam « ex diversis defectibus » ut Dionysius dicit 4. cap. de Div. Nom. [part. 4. lect. 22]. Non ergo diabolus potest dici caput omnium malorum.
3. Een hoofd past op één lichaam. Maar de heele menigte der zondaars schijnt niets te hebben, dat hen vereenigt, want « soms staat kwaad tegenover kwaad »; omdat het voortkomt « uit verschillende gebreken », zooals Dionysius zegt in het boek Over de Namen van God (4e H.). Dus kan men den duivel niet het hoofd van alle zondaars noemen.3. Een hoofd past op één lichaam. Maar de hele menigte van de zondaars schijnt niets te hebben, dat hen verenigt, want “soms staat kwaad tegenover kwaad”; omdat het voortkomt “uit verschillende gebreken”, zoals Dionysius zegt in het boek Over de Namen van God (4e H.). Dus kan men de duivel niet het hoofd van alle zondaars noemen.
Sed contra est, quod super illud Job. 18. [v. 17]: « Memoria illius pereat de terra » dicit Gloss. [ord. Greg.]: « De unoquoque iniquo dicitur, ut ad caput, idest diabolum, revertatur ».
Hiertegenover staat echter, dat de Glossa, bij het woord van Job (18, 17): « De herinnering aan hem moge van de aarde verdwijnen », zegt: « Van iederen onrechtvaardige wordt hier gezegd, dat hij naar zijn hoofd, dwz. den duivel moge terugkeeren ».Hiertegenover staat echter, dat de Glossa, bij het woord van Job (18, 17): “De herinnering aan hem moge van de aarde verdwijnen”, zegt: “Van iedere onrechtvaardige wordt hier gezegd, dat hij naar zijn hoofd, dwz. de duivel moge terugkeren”.
Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [art. praec.], 297caput non solum interius influit membris, sed etiam exterius gubernat, eorum actus dirigendo ad aliquem finem. Si ergo potest dici aliquis caput alicujus multitudinis; vel secundum utrumque, scilicet secundum interiorem influxum, et exteriorem gubernationem; et sic est Christus caput Ecclesiae, ut dictum est [art. praec.]. Vel secundum exteriorem gubernationem; et sic quilibet Princeps, vel Praelatus est caput multitudinis sibi subjectae. Et per hunc modum dicitur diabolus caput omnium malorum: nam, ut dicitur Job 41. [v. 25]: « Ipse est rex super universos filios superbiae ».
Leerstelling. — Zooals vroeger werd gezegd (Vorig Art.), 297heeft het hoofd niet alleen een innerlijken invloed op de ledematen, maar beweegt ze ook uiterlijk door ze op een doel te richten. En dus kan iemand hoofd van een menigte worden genoemd ofwel in beide opzichten, en zoo is Christus het hoofd der Kerk, zooals wij zeiden (t. a. p.); of alleen wat het uiterlijk bestuur betreft en zoo is iedere vorst en prelaat het hoofd van de aan hem onderworpen menigte. En op deze manier wordt de duivel het hoofd van alle zondaars genoemd, want zooals in het boek Job wordt gezegd (41, 25): « Hij is de koning over alle zonen van den hoogmoed ».Leerstelling. — Zoals vroeger werd gezegd (Vorig Art.), 297heeft het hoofd niet alleen een innerlijken invloed op de ledematen, maar beweegt ze ook uiterlijk door ze op een doel te richten. En dus kan iemand hoofd van een menigte worden genoemd ofwel in beide opzichten, en zo is Christus het hoofd van de Kerk, zoals wij zeiden (t. a. p.); of alleen wat het uiterlijk bestuur betreft en zo is iedere vorst en prelaat het hoofd van de aan hem onderworpen menigte. En op deze manier wordt de duivel het hoofd van alle zondaars genoemd, want zoals in het boek Job wordt gezegd (41, 25)a: “Hij is de koning over alle zonen van de hoogmoed”.
Pertinet autem ad gubernatorem, ut eos quos gubernat, ad suum finem adducat1: finis autem diaboli est aversio rationalis creaturae a Deo; unde et a principio hominem ab obedientia divini praecepti removere tentavit Gen. 3. Ipsa autem aversio a Deo habet rationem finis, inquantum appetitur sub specie libertatis, secundum illud Hierem. 2. [v. 20]: « A saeculo confregisti jugum, rupisti vincula, et dixisti: Non serviam ». Inquantum igitur ad hunc finem aliqui adducuntur peccando, sub diaboli regimine, et gubernatione cadunt. Et ex hoc dicitur eorum caput.
Nu behoort het tot de taak van een bestuurder, dat hij hen, die hij bestuurt, tot zijn doel brengt. En het doel van den duivel is het afwenden van het redelijke schepsel van God; daarom trachtte hij vanaf het begin den mensch van de gehoorzaamheid aan het goddelijke gebod af te brengen. Het afwenden zelf van God kan als een soort vrijheid, als een doel worden beschouwd, naar Jeremias (2, 20): « Van eeuwigheid hebt gij het juk gebroken, de boeien los gemaakt en gezegd Ik zal niet dienstbaar zijn ». In zoover nu sommigen door te zondigen tot dit doel worden verleid, vallen zij onder de heerschappij en het bestuur van den duivel. En daarom wordt hij hun hoofd genoemd.Nu behoort het tot de taak van een bestuurder, dat hij hen, die hij bestuurt, tot zijn doel brengt. En het doel van de duivel is het afwenden van het redelijke schepsel van God; daarom trachtte hij vanaf het begin de mens van de gehoorzaamheid aan het goddelijke gebod af te brengen. Het afwenden zelf van God kan als een soort vrijheid, als een doel worden beschouwd, naar Jeremia (2, 20): “Van eeuwigheid hebt gij het juk gebroken, de boeien los gemaakt en gezegd Ik zal niet dienstbaar zijn”. In zover nu sommigen door te zondigen tot dit doel worden verleid, vallen zij onder de heerschappij en het bestuur van de duivel. En daarom wordt hij hun hoofd genoemd.
298Ad primum ergo dicendum, quod licet diabolus interius non influat rationali menti; tamen suggerendo inducit ad malum.
298Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Al heeft de duivel geen innerlijken invloed op het redelijke verstand, toch brengt hij door inblazing tot de zonde.
Ad secundum dicendum, quod gubernator non semper suggerit singulis, ut suae voluntati obediant; sed proponit omnibus signum suae voluntatis, ad cujus sequelam aliqui excitantur inducti; alii propria sponte, sicut patet in duce exercitus, cujus vexillum sequuntur milites, etiam nullo persuadente. Sic igitur primum peccatum diaboli, qui « ab initio peccat » ut dicitur 1. Joann. 3. [v. 8], propositum est omnibus ad sequendum; quod quidam imitantur per suggestionem ipsius, quidam propria sponte absque ulla suggestione. Et secundum hoc omnium malorum caput est diabolus, inquantum ipsum imitantur, secundum illud Sap. 2. [v. 24, 25]: « Invidia diaboli mors introivit in orbem terrarum. Imitantur autem illum, qui sunt ex parte illius ».
2. Een bestuurder geeft niet altijd ieder afzonderlijk in, dat zij aan zijn wil gehoorzamen, maar hij toont aan allen het teeken van zijn wil, dat door sommigen na overreding wordt gevolgd, en door anderen uit eigen beweging, zooals blijkt uit den aanvoerder van een leger, wiens vaandel de soldaten volgen zonder dat iemand hen ertoe aanspoort. Zoo is dan de eerste zonde van den duivel, « die vanaf het begin heeft gezondigd », zooals in den Eersten Brief van Johannes (3, 8) staat, aan allen ter navolging voorgesteld; en sommigen volgen dat na op zijn aansporen, en anderen uit eigen beweging zonder eenige aansporing. En hierom is de duivel het hoofd der zondaars, in zoover zij hem navolgen volgens het boek der Wijsheid (2, 24 en 25): « Door den nijd van den duivel kwam de dood op de wereld; in hem volgen zij, die aan zijn kant staan, na ».2. Een bestuurder geeft niet altijd ieder afzonderlijk in, dat zij aan zijn wil gehoorzamen, maar hij toont aan allen het teken van zijn wil, dat door sommigen na overreding wordt gevolgd, en door anderen uit eigen beweging, zoals blijkt uit de aanvoerder van een leger, wiens vaandel de soldaten volgen zonder dat iemand hen ertoe aanspoort. Zo is dan de eerste zonde van de duivel, “die vanaf het begin heeft gezondigd”, zoals in de Eerste Brief van Johannes (3, 8) staat, aan allen ter navolging voorgesteld; en sommigen volgen dat na op zijn aansporen, en anderen uit eigen beweging zonder enige aansporing. En hierom is de duivel het hoofd van de zondaars, in zover zij hem navolgen volgens het boek van de Wijsheid (2, 24 en 25): “Door de nijd van de duivel kwam de dood op de wereld; in hem volgen zij, die aan zijn kant staan, na”.
Ad tertium dicendum, quod omnia peccata conveniunt in aversione a Deo, licet ab invicem differant secundum conversionem ad diversa commutabilia bona.
3. Alle zonden hebben het zich afwenden van God gemeen, al verschillen zij onderling door het zich wenden tot verschillende vergankelijke goederen.
Utrum antichristus possit etiam dici caput omnium malorum1
Is de Antichrist het hoofd der zondaars?Is de Antichrist het hoofd van de zondaars?
299Ad octavum sic proceditur. Videtur, quod Antichristus non sit caput malorum: unius enim corporis non sunt diversa capita. Sed diabolus est caput multitudinis malorum. Non ergo Antichristus est eorum caput.
299Bedenkingen. — Men beweert, dat de Antichrist het hoofd der zondaars niet is. — 1. Want een lichaam heeft niet verschillende hoofden. Nu is de duivel het hoofd van de menigte der zondaars. Dus is de Antichrist hun hoofd niet.299Bedenkingen. — Men beweert, dat de Antichrist het hoofd van de zondaars niet is. — 1. Want een lichaam heeft niet verschillende hoofden. Nu is de duivel het hoofd van de menigte van de zondaars. Dus is de Antichrist hun hoofd niet.
2. Praeterea, Antichristus est membrum diaboli. Sed caput distinguitur a membris. Ergo Antichristus non est caput malorum.
2. De Antichrist is een der ledematen van den duivel. Maar het hoofd is van de ledematen onderscheiden. Dus is de Antichrist het hoofd der zondaars niet.2. De Antichrist is een van de ledematen van de duivel. Maar het hoofd is van de ledematen onderscheiden. Dus is de Antichrist het hoofd van de zondaars niet.
3. Praeterea, caput habet influentiam in membra. Sed Antichristus nullam habet influentiam in malos2, qui eum praecesserunt. Ergo Antichristus non est caput malorum.
3. Het hoofd heeft invloed op de ledematen. Maar de Antichrist heeft geen invloed op de menschen, die er voor hem waren. Dus is de Antichrist het hoofd der zondaars niet.3. Het hoofd heeft invloed op de ledematen. Maar de Antichrist heeft geen invloed op de mensen, die er voor hem waren. Dus is de Antichrist het hoofd van de zondaars niet.
Sed contra est, quod Job 21. [v. 29] super illud: « Interrogate quemlibet de viatoribus » dicit Gloss. [ord. Greg.]: « Dum de omnium malorum corpore loqueretur, subito ad omnium iniquorum caput Antichristum verba convertit ».
Maar daartegenover staat, dat de Glossa bij Job (21, 29): « Ondervraag alle reizigers », zegt: « Terwijl hij over het lichaam van alle zondaars spreekt, springt hij plotseling op den antichrist, het hoofd van alle onrechtvaardigen, over ».Maar daartegenover staat, dat de Glossa bij Job (21, 29): “Ondervraag alle reizigers”, zegt: “Terwijl hij over het lichaam van alle zondaars spreekt, springt hij plotseling op de antichrist, het hoofd van alle onrechtvaardigen, over”.
300Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [art. 1. huj. q.], in capite naturali tria inveniuntur; scilicet: ordo, perfectio, et virtus influendi. Quantum igitur ad ordinem temporis, non dicitur Antichristus esse malorum caput, quasi ejus peccatum praecesserit, sicut praecessit peccatum diaboli: similiter etiam non dicitur esse caput malorum propter virtutem influendi. Etsi enim aliquos sui temporis ad malum sit conversurus, exterius inducendo: non tamen illi qui ante eum fuerunt, ab ipso sunt in malitiam inducti, nec etiam ejus malitiam sunt imitati. Unde secundum hoc non posset dici caput omnium malorum, sed aliquorum.
300Leerstelling. — Zooals boven werd gezegd (1e Art.), vinden wij in een natuurlijk hoofd drie dingen, nl. rangorde, volmaaktheid en macht om te beïnvloeden. Wat dus de rangorde in tijd betreft, is de Antichrist het hoofd van de zondaars niet, alsof zijn zonde het eerst was gekomen, zooals de zonde van den duivel de eerste was. Evenmin wordt hij het hoofd der zondaars genoemd om het vermogen invloed uit te oefenen. Want al zou hij ook door uiterlijke beïnvloeding sommige tijdgenooten tot het kwaad brengen, zijn toch, zij, die voor hem waren, niet door hem tot de zonde gebracht en hebben zijn boosheid niet nagevolgd. En in dit opzicht zou hij dus niet het hoofd van alle zondaars kunnen worden genoemd, maar van enkelen.300Leerstelling. — Zoals boven werd gezegd (1e Art.), vinden wij in een natuurlijk hoofd drie dingen, nl. rangorde, volmaaktheid en macht om te beïnvloeden. Wat dus de rangorde in tijd betreft, is de Antichrist het hoofd van de zondaars niet, alsof zijn zonde het eerst was gekomen, zoals de zonde van de duivel de eerste was. Evenmin wordt hij het hoofd van de zondaars genoemd om het vermogen invloed uit te oefenen. Want al zou hij ook door uiterlijke beïnvloeding sommige tijdgenoten tot het kwaad brengen, zijn toch, zij, die voor hem waren, niet door hem tot de zonde gebracht en hebben zijn boosheid niet nagevolgd. En in dit opzicht zou hij dus niet het hoofd van alle zondaars kunnen worden genoemd, maar van enkelen.
Relinquitur ergo, quod dicatur caput omnium malorum propter malitiae perfectionem. Unde super illud 2. ad Thess. 2. [v. 4]: « Ostendens se, tanquam sit Deus » dicit Gloss. [ord. Haym.]: « Sicut in Christo omnis plenitudo divinitatis inhabitavit; ita in Antichristo omnis malitiae plenitudo ». Non quidem ita quod humanitas ejus sit assumpta a diabolo in unitatem personae, sicut humanitas Christi a Filio Dei: sed quia diabolus 301suam malitiam eminentius ei influet suggerendo, quam omnibus aliis. Et secundum hoc omnes alii mali, qui praecesserunt, sunt quasi quaedam figura Antichristi, secundum illud 2. ad Thess. 2. [v. 7]: « Mysterium jam operatur iniquitatis » [cf. Gloss. Haym. super istum locum].
Er blijft dus alleen over, dat hij om de volmaaktheid van zijn boosheid het hoofd van alle zondaars wordt genoemd. Daarom zegt de Glossa bij het woord uit den Tweeden Brief aan de Thessalonicensen (2, 4): « Zich vertoonend alsof hij God was », « Zooals in Christus de geheele volheid der godheid heeft gewoond, zoo in den Antichrist de volheid van alle zonde ». Maar niet zoo, dat zijn menschheid door den duivel in eenheid van persoon zou aangenomen zijn, als Christus' menschheid door Gods Zoon; maar omdat de duivel door verleiding zijn boosheid 301volmaakter in hem bracht dan in alle anderen. En in dit opzicht zijn alle zondaars, die voor hem kwamen, als een beeld van den Antichrist volgens den Tweeden Brief aan de Thessalonicensen (2, 7): « Reeds werkt het geheim der onrechtvaardigheid ».Er blijft dus alleen over, dat hij om de volmaaktheid van zijn boosheid het hoofd van alle zondaars wordt genoemd. Daarom zegt de Glossa bij het woord uit de Tweede Brief aan de Tessalonicenzen (2, 4): “Zich vertonend alsof hij God was”, “Zoals in Christus de gehele volheid van de godheid heeft gewoond, zo in de Antichrist de volheid van alle zonde”. Maar niet zo, dat zijn mensheid door de duivel in eenheid van persoon zou aangenomen zijn, als Christus' mensheid door Gods Zoon; maar omdat de duivel door verleiding zijn boosheid 301volmaakter in hem bracht dan in alle anderen. En in dit opzicht zijn alle zondaars, die voor hem kwamen, als een beeld van de Antichrist volgens de Tweede Brief aan de Tessalonicenzen (2, 7): “Reeds werkt het geheim van de onrechtvaardigheid”.
Ad primum ergo dicendum, quod diabolus, et Antichristus non sunt duo capita, sed unum: quia Antichristus dicitur esse caput, inquantum plenissime invenitur in eo impressa malitia diaboli. Unde super illud 2. ad Thessal. 2. [v. 4]: « Ostendens se, tanquam sit Deus » dicit Gloss. [ordin. Haym.]: « In ipso erit caput omnium malorum, scilicet diabolus, qui est rex super omnes filios superbiae ». Non autem dicitur in eo esse per unionem personalem, nec per intrinsecam inhabitationem: « quia sola Trinitas menti illabitur » ut dicitur in lib. de Eccles. Dog. [cap. 83. inter op. Aug.], sed per malitiae effectum.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Duivel en Antichrist zijn niet twee hoofden, maar een; want de Antichrist wordt hoofd genoemd, in zoover wij de boosheid van den duivel in hem zoo volledig mogelijk ingedrukt vinden. Daarom zegt de Glossa bij deze tekst uit den Tweeden Brief aan de Thessalonicensen (2, 4): « Zich vertoonend alsof hij God was »: « In hem zal de koning van alle zondaars zijn, nl. de duivel, die koning is over alle zonen van den hoogmoed ». Er wordt niet gezegd, dat hij door persoonlijke vereeniging in hem is en ook niet door inwendig in hem te wonen, want « alleen de Drievuldigheid komt binnen in den geest », zooals in het boek Over de Leerstukken der Kerk wordt gezegd; maar door de uitwerking van zijn boosheid.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Duivel en Antichrist zijn niet twee hoofden, maar een; want de Antichrist wordt hoofd genoemd, in zover wij de boosheid van de duivel in hem zo volledig mogelijk ingedrukt vinden. Daarom zegt de Glossa bij deze tekst uit de Tweede Brief aan de Tessalonicenzen (2, 4): “Zich vertonend alsof hij God was”: “In hem zal de koning van alle zondaars zijn, nl. de duivel, die koning is over alle zonen van de hoogmoed”. Er wordt niet gezegd, dat hij door persoonlijke vereniging in hem is en ook niet door inwendig in hem te wonen, want “alleen de Drievuldigheid komt binnen in de geest”, zoals in het boek Over de Leerstukken van de Kerk wordt gezegd; maar door de uitwerking van zijn boosheid.
Ad secundum dicendum, quod sicut « caput Christi est Deus » [I Cor. 11. v. 3] et tamen « ipse est caput Ecclesiae » [col. 1. v. 18] 302ut supra dictum est [art. 1. huj. q. ad 2.], ita Antichristus est membrum diaboli; et tamen est caput malorum.
2. Zooals « het Hoofd van Christus God is », en toch « Hij zelf het Hoofd der Kerk », zooals boven is gezegd (1 Art., Antw. 302op de 2e B.), zoo is ook de Antichrist lidmaat van den duivel en is hij toch het hoofd van alle zondaars.2. Zoals “het Hoofd van Christus God is”, en toch “Hij zelf het Hoofd van de Kerk”, zoals boven is gezegd (1 Art., Antw. 302op de 2e B.), zo is ook de Antichrist lidmaat van de duivel en is hij toch het hoofd van alle zondaars.
Ad tertium dicendum, quod Antichristus non dicitur caput omnium malorum propter similitudinem influentiae, sed propter similitudinem perfectionis. In eo enim diabolus quasi malitiam suam ducet ad caput, per modum quo dicitur aliquis « ad caput » suum propositum ducere, cum illud perfecerit.
3. De Antichrist wordt geen hoofd van alle zondaars genoemd in vergelijking met den invloed, maar in vergelijking met de volmaaktheid. Want in hem heeft de duivel zijn boosheid als het ware ten top, (Lat. ad caput = hoofd) gevoerd, zooals wij van iemand zeggen, dat hij zijn plannen ten top (Lat. ad caput) voert, als hij hen volledig ten uitvoer brengt.3. De Antichrist wordt geen hoofd van alle zondaars genoemd in vergelijking met de invloed, maar in vergelijking met de volmaaktheid. Want in hem heeft de duivel zijn boosheid als het ware ten top, (Lat. ad caput = hoofd) gevoerd, zoals wij van iemand zeggen, dat hij zijn plannen ten top (Lat. ad caput) voert, als hij hen volledig ten uitvoer brengt.