Theologische Summa · Tertia Pars · De wijze der vereenigingDe wijze van de verenigingSumma · III · De wijze der vereenigingDe wijze van de verenigingSumma · III · Kw. 13Kw. 13
Quaestio XIII

De potentia animae Christi, in quatuor articulos divisa

Kwestie 13

Over de macht van Christus' ziel

(Vier Artikelen)

386Deinde considerandum est de potentia animae Christi.

386Hierna moeten wij de macht van Christus' ziel beschouwen.

Et circa hoc quaeruntur quatuor: 1. Utrum habuerit omnipotentiam simpliciter. — 2. Utrum habuerit omnipotentiam respectu immutationis creaturarum1. — 3. Utrum habuerit omnipotentiam respectu proprii corporis. — 4. Utrum habuerit omnipotentiam respectu executionis suae voluntatis.

En daarover stellen wij ons vier vragen: 1. Was Hij zonder eenige beperking almachtig? 2. Was Hij almachtig, wat de schepsels, die een lichaam hebben, betreft? 3. Was Hij almachtig waar het Zijn lichaam betrof? 4. Was Hij almachtig in het volbrengen van Zijn eigen wil?En daarover stellen wij ons vier vragen: 1. Was Hij zonder enige beperking almachtig? 2. Was Hij almachtig, wat de schepsels, die een lichaam hebben, betreft? 3. Was Hij almachtig waar het Zijn lichaam betrof? 4. Was Hij almachtig in het volbrengen van Zijn eigen wil?

Articulus I

Utrum anima Christi habuerit omnipotentiam simpliciter1

[1. Dist. 43. q. 1. art. 2. q. 2. et 3. Dist. 1. q. 1. art. 2. ad 2. Dist. 14. art. 4.]
Ie Artikel

Was Christus' ziel almachtig?

antwoord 1 ↓

386Ad primum sic proceditur. Videtur, quod anima Christi habuerit 387omnipotentiam: dicit enim Ambrosius super Luc. [hab. in glos. ord. sup. illud Luc. 1. v. 32]: « Potentiam, quam Dei Filius naturaliter habet, homo erat ex tempore accepturus ». Sed hoc praecipue videtur esse secundum animam, quae est potior pars hominis. Cum ergo Filius Dei ab aeterno omnipotentiam habuerit, videtur quod anima Christi ex tempore omnipotentiam acceperit.

386Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus' ziel almachtig 387was. — 1. Want Ambrosius zegt in zijn Commentaar op Lucas (1, 32): « De macht, die Gods Zoon van nature bezat, zou Hij als mensch in den tijd krijgen ». En dit schijnt vooral te geschieden naar de ziel, die het voornaamste deel van den mensch is. Daar nu Gods Zoon van eeuwigheid de almacht bezat, schijnt Christus' ziel deze in den tijd te hebben ontvangen.386Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus' ziel almachtig 387was. — 1. Want Ambrosius zegt in zijn Commentaar op Lukas (1, 32): “De macht, die Gods Zoon van nature bezat, zou Hij als mens in de tijd krijgen”. En dit schijnt vooral te geschieden naar de ziel, die het voornaamste deel van de mens is. Daar nu Gods Zoon van eeuwigheid de almacht bezat, schijnt Christus' ziel deze in de tijd te hebben ontvangen.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, sicut potentia Dei est infinita, ita etiam et ejus scientia. Sed anima Christi habet omnium scientiam, quae scit Deus, quodammodo, ut supra dictum est [q. 10. art. 2.]. Ergo etiam habet omnium potentiam; et ita est omnipotens.

2. Gods macht is als Zijn kennis oneindig. Nu bezat Christus' ziel in zekeren zin wetenschap over alles, wat God weet, zooals boven is gezegd (10e Kw., 2e Art.). Dus bezat zij ook alle macht. En zoo is zij almachtig.2. Gods macht is als Zijn kennis oneindig. Nu bezat Christus' ziel in zekeren zin wetenschap over alles, wat God weet, zoals boven is gezegd (10e Kw., 2e Art.). Dus bezat zij ook alle macht. En zo is zij almachtig.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, anima Christi habet omnem scientiam: sed scientiarum quaedam est practica, quaedam speculativa. Ergo habet eorum quae scit scientiam practicam, ut scilicet sciat facere ea quae scit. Et sic videtur, quod omnia facere possit.

3. Christus' ziel bezat alle wetenschap. Onder de wetenschappen nu zijn er sommigen, die handelen, en anderen, die beschouwen als hun doel hebben. Dus bezat Hij een op handelen gerichte wetenschap over datgene, wat Hij kende, zoodat Hij nl. kon maken wat Hij kende. En zoo schijnt het, dat Hij alles kon maken.3. Christus' ziel bezat alle wetenschap. Onder de wetenschappen nu zijn er sommigen, die handelen, en anderen, die beschouwen als hun doel hebben. Dus bezat Hij een op handelen gerichte wetenschap over datgene, wat Hij kende, zodat Hij nl. kon maken wat Hij kende. En zo schijnt het, dat Hij alles kon maken.

Sed contra, illud quod est proprium Dei, non potest alicui creaturae convenire. Sed proprium est Dei esse omnipotentem, secundum illud Exod. 15. [v. 2]: « Iste Deus meus, et glorificabo eum »; et postea subditur: 388« Omnipotens nomen ejus ». Ergo anima Christi, cum sit creatura, non habet omnipotentiam.

Maar daar staat tegenover, dat wat God eigen is, geen schepsel toe kan komen. Aan God nu is het eigen almachtig te zijn, volgens Exodus (15, 2): « Hij is mijn God en ik zal Hem verheerlijken », en later wordt eraan toegevoegd (v. 3): « De Almachtige, dat is 388Zijn naam ». Daarom kan Christus' ziel, die een schepsel is, geen almacht bezitten.Maar daar staat tegenover, dat wat God eigen is, geen schepsel toe kan komen. Aan God nu is het eigen almachtig te zijn, volgens Exodus (15, 2): “Hij is mijn God en ik zal Hem verheerlijken”, en later wordt eraan toegevoegd (v. 3): “De Almachtige, dat is 388Zijn naam”. Daarom kan Christus' ziel, die een schepsel is, geen almacht bezitten.

Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [q. 2. art. 1. q. 10. art. 1.], in mysterio Incarnationis ita facta est unio in persona, quod tamen remansit distinctio naturarum, utraque scilicet natura retinente id quod sibi est proprium. Potentia autem activa cujuslibet rei sequitur formam ipsius, quae est principium agendi. Forma autem vel est ipsa natura rei, sicut in simplicibus; vel est constituens ipsam rei naturam, in his scilicet quae sunt composita ex materia, et forma. Unde manifestum est, quod potentia activa cujuslibet rei consequitur naturam ipsius. Et per hunc modum omnipotentia consequenter se habet ad divinam naturam. Quia enim natura divina est ipsum esse Dei incircumscriptum, ut patet per Dion. 5. cap. de Div. Nom. [lect. 1.], inde est quod habet potentiam activam respectu omnium, quae possunt habere rationem entis; quod est habere omnipotentiam: sicut et quaelibet alia res habet potentiam activam respectu eorum, ad quae se extendit perfectio suae naturae; sicut calidum 389ad calefaciendum. Cum igitur anima Christi sit pars humanae naturae, impossibile est quod omnipotentiam habeat.

Leerstelling. — Zooals boven is gezegd (2e Kw., 1e Art.; 10e Kw., 1e Art), kwam bij het geheim der menschwording de eenheid in persoon zoo tot stand, dat het onderscheid tusschen de naturen toch bewaard bleef, omdat nl. iedere natuur wat haar eigen is behield. Kracht om te werken nu komt bij ieder ding voort uit zijn vorm, die het beginsel van het werken is. De vorm intusschen is ofwel de natuur van het ding zelf, zooals het is bij de dingen, die niet samengesteld zijn; ofwel zij is datgene, wat de natuur van de dingen tot stand brengt, zooals het gaat bij uit stof en vorm samengestelde zaken. Zoo blijkt het, dat het werkvermogen van ieder ding uit zijn natuur voortkomt. Op deze wijze ook staat de almacht tot de goddelijke natuur als iets, wat daaruit volgt. Omdat immers de goddelijke natuur het onbegrensde zijn van God zelf is, zooals Dionysius in het boek Over de Namen van God (5e H.) bewijst, heeft zij het vermogen om alles te maken wat een zijnde kan zijn, en dat is almacht bezitten; zoo ook kan ieder ander ding datgene voortbrengen, wat onder zijn wezensvolmaaktheid valt, als 389een warm ding warmte kan geven. Waar nu Christus' ziel een deel is der menschelijke natuur, kan zij onmogelijk almachtig zijn.Leerstelling. — Zoals boven is gezegd (2e Kw., 1e Art.; 10e Kw., 1e Art), kwam bij het geheim van de menswording de eenheid in persoon zo tot stand, dat het onderscheid tussen de naturen toch bewaard bleef, omdat nl. iedere natuur wat haar eigen is behield. Kracht om te werken nu komt bij ieder ding voort uit zijn vorm, die het beginsel van het werken is. De vorm intussen is ofwel de natuur van het ding zelf, zoals het is bij de dingen, die niet samengesteld zijn; ofwel zij is datgene, wat de natuur van de dingen tot stand brengt, zoals het gaat bij uit stof en vorm samengestelde zaken. Zo blijkt het, dat het werkvermogen van ieder ding uit zijn natuur voortkomt. Op deze wijze ook staat de almacht tot de goddelijke natuur als iets, wat daaruit volgt. Omdat immers de goddelijke natuur het onbegrensde zijn van God zelf is, zoals Dionysius in het boek Over de Namen van God (5e H.) bewijst, heeft zij het vermogen om alles te maken wat een zijnde kan zijn, en dat is almacht bezitten; zo ook kan ieder ander ding datgene voortbrengen, wat onder zijn wezensvolmaaktheid valt, als 389een warm ding warmte kan geven. Waar nu Christus' ziel een deel is van de menselijke natuur, kan zij onmogelijk almachtig zijn.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod homo accepit ex tempore omnipotentiam, quam Filius Dei habuit ab aeterno per ipsam unionem personae; ex qua factum est, ut sicut homo dicitur Deus, ita dicatur omnipotens. Non quasi sit alia omnipotentia hominis, quam Filii Dei, sicut nec alia deitas; sed eo quod est una persona Dei, et hominis.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Door vereeniging in persoon kreeg de mensch in den tijd de almacht, die Gods Zoon van eeuwigheid bezat; want daarvandaan kwam het, dat die mensch almachtig werd genoemd evenals Zoon Gods; niet alsof de almacht van dien mensch een andere was als die van Gods Zoon, evenmin als een andere godheid, maar alleen, omdat er in God en mensch maar een persoon was.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Door vereniging in persoon kreeg de mens in de tijd de almacht, die Gods Zoon van eeuwigheid bezat; want daarvandaan kwam het, dat die mens almachtig werd genoemd evenals Zoon Gods; niet alsof de almacht van die mens een andere was als die van Gods Zoon, evenmin als een andere godheid, maar alleen, omdat er in God en mens maar een persoon was.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod alia ratio est de scientia, et de potentia activa; sicut quidam dicunt: nam potentia activa consequitur ipsam naturam rei; eo quod actio consideratur ut egrediens ab agente: scientia autem non super habetur per ipsam essentiam scientis, sed potest haberi per assimilationem scientis ad res scitas secundum similitudines susceptas.

2. Naar sommigen zeggen is het met de wetenschap anders gesteld als met het vermogen om te werken. Dit laatste immers komt uit de natuur van een ding zelf voort, daar men een daad beschouwt als uitgaand van hem, die werkt. Maar wetenschap wordt niet bezeten krachtens het wezen zelf van hem, die kent, maar men kan haar verkrijgen, doordat die kenner aan de gekende dingen gelijk wordt door de beelden, die hij in zich op neemt.

Sed haec ratio non videtur sufficere; quia sicut aliquis potest cognoscere per similitudinem susceptam ab alio, ita etiam potest agere per formam ab alio susceptam: sicut aqua, vel ferrum calefacit per calorem susceptum ab 390igne. Non ergo per hoc prohibetur, quin, sicut anima Christi per similitudines omnium rerum sibi a Deo inditas potest omnia cognoscere, ita per easdem similitudines possit ea facere.

Deze redeneering schijnt echter onvoldoende te zijn. Want zooals iemand door een van een ander ontvangen beeld kan kennen, kan hij ook werken door een van een ander verkregen vorm, zooals water en ijzer verwarmen door de warmte, die zij van 390het vuur ontvingen. Dit is dus geen bezwaar voor Christus' ziel ook, gelijk zij door beelden van alle dingen, die God haar instortte, alles kan kennen, ook door dezelfde beelden al die dingen te maken.Deze redenering schijnt echter onvoldoende te zijn. Want zoals iemand door een van een ander ontvangen beeld kan kennen, kan hij ook werken door een van een ander verkregen vorm, zoals water en ijzer verwarmen door de warmte, die zij van 390het vuur ontvingen. Dit is dus geen bezwaar voor Christus' ziel ook, gelijk zij door beelden van alle dingen, die God haar instortte, alles kan kennen, ook door dezelfde beelden al die dingen te maken.

Est igitur ulterius considerandum, quod id quod a superiori natura in inferiori recipitur, habetur per inferiorem modum, non enim calor in eadem perfectione et virtute recipitur ab aqua, qua est in igne. Quia igitur anima Christi inferioris naturae est, quam natura divina, similitudines rerum non recipiuntur in ipsa anima Christi secundum eamdem perfectionem, et virtutem, secundum quam sunt in natura divina. Et inde est quod scientia animae Christi est inferior scientia divina, quantum ad modum cognoscendi; quia Deus perfectius cognoscit res, quam anima Christi. Et quantum etiam ad numerum scitorum; quia anima Christi non cognoscit omnia, quae Deus potest facere, quae tamen Deus cognoscit scientia simplicis intelligentiae: licet cognoscat omnia praesentia, praeterita, et futura, quae Deus cognoscit scientia visionis. Et similiter similitudines rerum animae Christi inditae non adaequant virtutem divinam in agendo; ut scilicet possint omnia agere quae Deus potest, vel etiam eo modo agere sicut 391Deus agit, qui agit infinita virtute, cujus creatura non est capax. Nulla autem res est, ad cujus cognitionem aliqualiter habendam requiratur virtus infinita, licet aliquis modus cognoscendi sit virtutis infinitae: quaedam tamen sunt, quae non possunt fieri nisi a virtute infinita, sicut creatio, et alia hujusmodi, ut patet ex his quae in 1. dicta sunt [q. 45. art. 5. ad 3. q. 65. art. 3. ad 3.]. Et ideo anima Christi, quae cum sit creatura, est virtutis finitae, potest quidem omnia cognoscere, sed non per omnem modum: non autem potest omnia facere, quod pertinet ad rationem omnipotentiae; et inter caetera manifestum est, quod non potest creare seipsam.

Wij moeten dus verder nog in aanmerking nemen, dat wat in een lagere natuur van een hoogere ontvangen wordt, daar op minder volmaakte manier bestaat, want de warmte kan in het water niet met dezelfde volmaaktheid en kracht worden opgenomen als zij in het vuur bezit. Daar Christus' ziel nu van een lagere natuur als de goddelijke is, worden de beelden der dingen in Christus' ziel niet met dezelfde kracht en volmaaktheid opgenomen, als zij in de goddelijke natuur bezitten. Daar komt het ook vandaan, dat de wetenschap van Christus' ziel lager staat dan de goddelijke wetenschap: én wat de wijze van kennen betreft, omdat God op volmaakter manier kent dan Christus' ziel; én wat het aantal gekende dingen betreft, omdat Christus' ziel niet alle dingen kent, die God kan maken, en God daarentegen hen wel kent met de wetenschap van eenvoudig begrijpen, al kent zij dan ook wel al wat verleden, tegenwoordig en toekomstig is, wat God kent met de wetenschap van aanschouwen. Evenzoo kan de werkkracht van de beelden in Christus' ziel ingestort niet op één lijn gesteld worden 391met de goddelijke kracht, zoo dat zij nl. alles zouden kunnen doen wat God vermag, of ook op die manier konden werken, waarop God iets voortbrengt: want Hij werkt met oneindige kracht, die geen schepsel in zich kan opnemen. Nu is er geen oneindige kracht noodig om welk ding dan ook eenigermate te kennen, ofschoon er een manier van kennen bestaat, die een oneindige kracht vereischt; maar wel zijn er dingen, die niet tot stand kunnen worden gebracht tenzij door een oneindige kracht als scheppen en dergelijken, zooals blijkt uit wat in het eerste deel is gezegd (45e Kw., 5e Art., Antw. op de 3e B.). Dus kan Christus' ziel als een schepsel met eindige kracht wel alles kennen, zij het niet op iedere manier, maar zij kan niet alles maken, en dat wordt voor almacht vereischt. Zoo is het onder anderen duidelijk, dat zij niet kan scheppen.Wij moeten dus verder nog in aanmerking nemen, dat wat in een lagere natuur van een hogere ontvangen wordt, daar op minder volmaakte manier bestaat, want de warmte kan in het water niet met dezelfde volmaaktheid en kracht worden opgenomen als zij in het vuur bezit. Daar Christus' ziel nu van een lagere natuur als de goddelijke is, worden de beelden van de dingen in Christus' ziel niet met dezelfde kracht en volmaaktheid opgenomen, als zij in de goddelijke natuur bezitten. Daar komt het ook vandaan, dat de wetenschap van Christus' ziel lager staat dan de goddelijke wetenschap: én wat de wijze van kennen betreft, omdat God op volmaakter manier kent dan Christus' ziel; én wat het aantal gekende dingen betreft, omdat Christus' ziel niet alle dingen kent, die God kan maken, en God daarentegen hen wel kent met de wetenschap van eenvoudig begrijpen, al kent zij dan ook wel al wat verleden, tegenwoordig en toekomstig is, wat God kent met de wetenschap van aanschouwen. Evenzo kan de werkkracht van de beelden in Christus' ziel ingestort niet op één lijn gesteld worden 391met de goddelijke kracht, zo dat zij nl. alles zouden kunnen doen wat God vermag, of ook op die manier konden werken, waarop God iets voortbrengt: want Hij werkt met oneindige kracht, die geen schepsel in zich kan opnemen. Nu is er geen oneindige kracht nodig om welk ding dan ook enigermate te kennen, ofschoon er een manier van kennen bestaat, die een oneindige kracht vereist; maar wel zijn er dingen, die niet tot stand kunnen worden gebracht tenzij door een oneindige kracht als scheppen en dergelijken, zoals blijkt uit wat in het eerste deel is gezegd (45e Kw., 5e Art., Antw. op de 3e B.). Dus kan Christus' ziel als een schepsel met eindige kracht wel alles kennen, zij het niet op iedere manier, maar zij kan niet alles maken, en dat wordt voor almacht vereist. Zo is het onder anderen duidelijk, dat zij niet kan scheppen.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod anima Christi habuit et scientiam practicam, et speculativam: non tamen oportet, quod omnium illorum habeat scientiam practicam, quorum habuit scientiam speculativam. Ad scientiam enim speculativam habendam sufficit sola conformitas, vel assimilatio scientis ad rem scitam: ad scientiam autem practicam requiritur, quod formae rerum, quae sunt in intellectu, sint factivae. Plus autem est habere formam, 392et imprimere formam habitam in alterum, quam solum habere formam: sicut plus est lucere, et illuminare, quam solum lucere. Et inde est, quod anima Christi habet quidem speculativam scientiam creandi (scit enim qualiter Deus creat), sed non habet hujus rei2 scientiam practicam; quia non habet scientiam creationis factivam.

3. Christus' ziel heeft een op handelen en een op beschouwen gerichte wetenschap, maar het is niet noodig, dat zij voor alles, waarvan zij een op beschouwen gerichte wetenschap bezit, ook een op handelen aangelegde kennis bezit. Om immers de eerste wetenschap te bezitten, is alleen de gelijkheid of overeenkomst van hem, die kent, met de gekende dingen voldoende; voor de op handelen gerichte wetenschap daarentegen wordt vereischt, dat de in het verstand aanwezige vormen der dingen werkende vormen zijn. Nu staat het hooger een vorm te hebben en die in iets anders af te drukken dan de vorm te bezitten alleen, zooals het meer is licht te 392bezitten en te verspreiden dan alleen licht te hebben. Daar komt het vandaan, dat Christus' ziel wel een beschouwende kennis van het scheppen heeft, omdat zij weet, hoe God schept, maar zij heeft zoo'n op handelen gerichte wetenschap niet, omdat zij geen op werken aangelegde wetenschap over het scheppen bezit.3. Christus' ziel heeft een op handelen en een op beschouwen gerichte wetenschap, maar het is niet nodig, dat zij voor alles, waarvan zij een op beschouwen gerichte wetenschap bezit, ook een op handelen aangelegde kennis bezit. Om immers de eerste wetenschap te bezitten, is alleen de gelijkheid of overeenkomst van hem, die kent, met de gekende dingen voldoende; voor de op handelen gerichte wetenschap daarentegen wordt vereist, dat de in het verstand aanwezige vormen van de dingen werkende vormen zijn. Nu staat het hoger een vorm te hebben en die in iets anders af te drukken dan de vorm te bezitten alleen, zoals het meer is licht te 392bezitten en te verspreiden dan alleen licht te hebben. Daar komt het vandaan, dat Christus' ziel wel een beschouwende kennis van het scheppen heeft, omdat zij weet, hoe God schept, maar zij heeft zo'n op handelen gerichte wetenschap niet, omdat zij geen op werken aangelegde wetenschap over het scheppen bezit.

Articulus II

Utrum anima Christi habuerit omnipotentiam respectu immutationis creaturarum

[3. Dist. 14. art. 4. Dist. 16. q. 1. art. 3.]
IIe Artikel

Was Christus' ziel almachtig in het veranderen van de schepsels?

antwoord 1 ↓

392Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod anima Christi habeat omnipotentiam respectu immutationis creaturarum. Dicit enim ipse [Matth. ult. v. 18]: « Data est mihi omnis potestas in coelo, et in terra ». Sed nomine coeli, et terrae intelligitur omnis creatura: ut patet cum dicitur Gen. 1. [v. 1]: « In principio creavit Deus coelum, et terram ». Ergo videtur, quod anima Christi habeat omnipotentiam respectu immutationis creaturarum.

392Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus' ziel almachtig was in het veranderen van de schepsels. — 1. Hij zelf immers zegt bij Matthaeus (Laatste H., 18): « Mij is alle macht gegeven in den hemel en op aarde ». Onder de woorden hemel en aarde nu worden alle schepsels verstaan, zooals blijkt uit het boek der Schepping (1, 1): « In den beginne schiep God hemel en aarde ». Dus schijnt Christus' ziel almachtig te zijn in het veranderen der schepsels.392Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus' ziel almachtig was in het veranderen van de schepsels. — 1. Hij zelf immers zegt bij Matteüs (Laatste H., 18): “Mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde”. Onder de woorden hemel en aarde nu worden alle schepsels verstaan, zoals blijkt uit het boek van de Schepping (1, 1): “In de beginne schiep God hemel en aarde”. Dus schijnt Christus' ziel almachtig te zijn in het veranderen van de schepsels.

antwoord 2 ↓

3932. Praeterea, anima Christi est perfectior qualibet creatura. Sed quaelibet creatura potest moveri ab aliqua creatura: dicit enim Augustinus in 3. de Trin. [cap. 4.], quod « sicut corpora crassiora, et inferiora per subtiliora, et potentiora quodam ordine reguntur: ita omnia corpora per spiritum vitae et spiritus vitae irrationalis per spiritum vitae rationalem, et spiritus vitae, rationalis desertor, atque peccator per spiritum vitae rationalem, pium, et justum ». Anima autem Christi etiam ipsos supremos spiritus movet, illuminando eos, ut dicit Dionysius 7. cap. Coel. Hier.. Ergo videtur, quod anima Christi habeat omnipotentiam respectu immutationis creaturarum.

3932. Christus' ziel is volmaakter dan welk ander schepsel ook. Nu kan ieder schepsel door een ander bewogen worden, want Augustinus zegt in het 3e boek Over de Drievuldigheid (4e H.): « Zooals de grovere en lagere lichamen in een zekere orde door de fijnere en hoogere worden bewogen, worden alle lichamen door de levende, redelijke ziel in beweging gebracht; en de levende, redelijke ziel, die door de zonde God verlaat, door den vromen, rechtvaardigen, redelijken, levenden geest ». Nu heeft Christus' ziel zelfs invloed op de hoogste geesten zelf, omdat zij hen verlicht, zooals Dionysius zegt in het boek Over de hemelsche Hierarchiën (7e H.). Dus schijnt Christus' ziel almachtig te zijn in het beïnvloeden der schepsels.3932. Christus' ziel is volmaakter dan welk ander schepsel ook. Nu kan ieder schepsel door een ander bewogen worden, want Augustinus zegt in het 3e boek Over de Drievuldigheid (4e H.): “Zoals de grovere en lagere lichamen in een zekere orde door de fijnere en hogere worden bewogen, worden alle lichamen door de levende, redelijke ziel in beweging gebracht; en de levende, redelijke ziel, die door de zonde God verlaat, door de vromen, rechtvaardigen, redelijken, levenden geest”. Nu heeft Christus' ziel zelfs invloed op de hoogste geesten zelf, omdat zij hen verlicht, zoals Dionysius zegt in het boek Over de hemelse Hierarchiën (7e H.). Dus schijnt Christus' ziel almachtig te zijn in het beïnvloeden van de schepsels.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, anima Christi habuit plenissime gratiam miraculorum, seu « virtutum » [I Cor. cap. 12. v. 10] sicut et caeteras gratias. Sed omnis immutatio creaturae potest ad gratiam miraculorum pertinere; cum etiam miraculose coelestia corpora a suo ordine immutata fuerint, sicut Dionysius probat in Epist. ad Polycarpum [quae est 7.]. Ergo anima Christi habuit omnipotentiam respectu immutationis creaturarum.

3. Christus' ziel bevat ten volle de genade om wonderen of teekenen te doen zooals alle andere genaden. Nu kan elk beïnvloeden van een schepsel onder de gave der wonderen vallen, omdat de hemellichamen zelf door een wonder in hun orde veranderd zijn, zooals Dionysius bewijst in zijn Brief aan Polycarpus (7e Br.). Dus was Christus' ziel almachtig in het beïnvloeden der schepsels.3. Christus' ziel bevat ten volle de genade om wonderen of tekenen te doen zoals alle andere genaden. Nu kan elk beïnvloeden van een schepsel onder de gave van de wonderen vallen, omdat de hemellichamen zelf door een wonder in hun orde veranderd zijn, zoals Dionysius bewijst in zijn Brief aan Polycarpus (7e Br.). Dus was Christus' ziel almachtig in het beïnvloeden van de schepsels.

Sed contra est, quod ejusdem est transmutare creaturas, cujus est res 394conservare. Sed hoc est solius Dei, secundum illud Heb. 1. [v. 3]: « Portans omnia verbo virtutis suae ». Ergo solius Dei est habere omnipotentiam respectu immutationis creaturarum. Non ergo hoc convenit animae Christi.

Daar staat echter tegenover, dat aan een en dezelfde het 394behouden en veranderen der schepsels toekomt. Nu is het eerste God alleen eigen volgens den Hebreënbrief (1, 3): « Alles dragend door het woord van Zijn kracht ». Dus is God alleen almachtig in het beïnvloeden der schepsels. Dat komt dus Christus' ziel niet toe.Daar staat echter tegenover, dat aan een en dezelfde het 394behouden en veranderen van de schepsels toekomt. Nu is het eerste God alleen eigen volgens de Hebreënbrief (1, 3): “Alles dragend door het woord van Zijn kracht”. Dus is God alleen almachtig in het beïnvloeden van de schepsels. Dat komt dus Christus' ziel niet toe.

Respondeo dicendum, quod hic duplici distinctione est opus. Quarum prima est ex parte transmutationis creaturarum; quae triplex est. Una quidem est naturalis; quae scilicet fit a proprio agente secundum ordinem naturae. Alia vero est miraculosa, quae fit ab agente supernaturali supra consuetum ordinem, et cursum naturae, sicut resuscitatio mortuorum. Tertia autem est, secundum quod omnis creatura vertibilis est in nihil.

Leerstelling. — Hier moeten wij een dubbel onderscheid maken. Ten eerste in het veranderen der schepsels, omdat dit drievoudig is. En wel natuurlijk, wat gebeurt door de eigen werkoorzaak volgens de natuurlijke orde, of wonderbaar door een bovennatuurlijke oorzaak boven den gewonen loop en orde der natuur; het derde is het terugbrengen van ieder schepsel tot niets.Leerstelling. — Hier moeten wij een dubbel onderscheid maken. Ten eerste in het veranderen van de schepsels, omdat dit drievoudig is. En wel natuurlijk, wat gebeurt door de eigen werkoorzaak volgens de natuurlijke orde, of wonderbaar door een bovennatuurlijke oorzaak boven de gewone loop en orde van de natuur; het derde is het terugbrengen van ieder schepsel tot niets.

Secunda autem distinctio est accipienda ex parte animae Christi; quae dupliciter considerari potest. Uno modo secundum propriam naturam, et virtutem1. Alio modo, prout est instrumentum Verbi Dei sibi personaliter uniti.

Het tweede onderscheid moet men maken in Christus' ziel, die op twee manieren beschouwd kan worden: ten eerste naar haar eigen natuur en kracht, of deze nu van de natuur of van de genade komt; ten tweede in zoover zij een werktuig is van Gods Woord, dat in persoon met haar vereenigd is.Het tweede onderscheid moet men maken in Christus' ziel, die op twee manieren beschouwd kan worden: ten eerste naar haar eigen natuur en kracht, of deze nu van de natuur of van de genade komt; ten tweede in zover zij een werktuig is van Gods Woord, dat in persoon met haar verenigd is.

Si ergo loquamur de anima Christi secundum propriam naturam, et virtutem, sive naturalem, sive gratuitam, potentiam habuit ad illos effectus faciendos, qui sunt animae convenientes; puta ad gubernandum corpus, 395et ad disponendos humanos actus, et etiam ad illuminandum per gratiae, et scientiae plenitudinem omnes creaturas rationales ab ejus perfectione deficientes, per modum quo hoc est conveniens creaturae rationali.

Spreken wij nu van Christus' ziel naar haar eigen natuur en kracht, hetzij die van de natuur of die der genade, dan heeft zij de macht om te doen, wat aan de ziel past, bv. het lichaam besturen 395en menschelijke daden te stellen, en ook om door de volheid van genade en wetenschap alle redelijke schepsels, die minder volmaakt zijn, te verlichten op een wijze, die bij het redelijke schepsel past.Spreken wij nu van Christus' ziel naar haar eigen natuur en kracht, hetzij die van de natuur of die van de genade, dan heeft zij de macht om te doen, wat aan de ziel past, bv. het lichaam besturen 395en menselijke daden te stellen, en ook om door de volheid van genade en wetenschap alle redelijke schepsels, die minder volmaakt zijn, te verlichten op een wijze, die bij het redelijke schepsel past.

Si autem loquamur de anima Christi, secundum quod est instrumentum Verbi sibi uniti, sic habuit instrumentalem virtutem ad omnes immutationes miraculosas faciendas, ordinabiles ad Incarnationis finem, qui est « instaurare omnia, sive quae in coelis, sive quae in terris sunt » [Eph. cap. 1. v. 10].

Maar spreken wij over Christus' ziel als over het met Gods Woord vereenigde werktuig, dan heeft zij de kracht van een werktuig om alle wonderbare veranderingen teweeg te brengen, die tot het doel der menschwording kunnen meewerken, nl. tot het « vernieuwen van alles, wat in den hemel of op aarde is » (Brief aan de Ephesiërs, 1, 10).Maar spreken wij over Christus' ziel als over het met Gods Woord verenigde werktuig, dan heeft zij de kracht van een werktuig om alle wonderbare veranderingen teweeg te brengen, die tot het doel van de menswording kunnen meewerken, nl. tot het “vernieuwen van alles, wat in de hemel of op aarde is” (Brief aan de Efesiërs, 1, 10).

Immutationes vero creaturarum, secundum quod sunt vertibiles in nihil, correspondent creationi rerum; prout scilicet producuntur ex nihilo. Et ideo sicut solus Deus potest creare; ita solus potest creaturas in nihilum redigere; qui etiam solus eas in esse conservat, ne in nihilum decidant. Sic ergo dicendum est, quod anima Christi non habet omnipotentiam respectu immutationis creaturarum.

Het veranderen echter van schepsels in zoover zij tot niets kunnen worden teruggebracht, beantwoordt aan het scheppen der dingen, in zoover zij nl. uit niets worden voortgebracht. En zooals alleen God kan scheppen, kan Hij alleen daarom ook de schepsels tot niets terugbrengen; Hij alleen ook houdt hen in bestaan, zoodat zij niet in het niets terugvallen. Men moet daarom zeggen, dat Christus' ziel niet almachtig is in het veranderen van schepsels.Het veranderen echter van schepsels in zover zij tot niets kunnen worden teruggebracht, beantwoordt aan het scheppen van de dingen, in zover zij nl. uit niets worden voortgebracht. En zoals alleen God kan scheppen, kan Hij alleen daarom ook de schepsels tot niets terugbrengen; Hij alleen ook houdt hen in bestaan, zodat zij niet in het niets terugvallen. Men moet daarom zeggen, dat Christus' ziel niet almachtig is in het veranderen van schepsels.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod, sicut Hieronymus dicit [sup. loc. Matth. cit. in arg.], « illi potestas data est, qui paulo ante crucifixus, qui sepultus in tumulo, qui postea resurrexit », idest Christo, secundum 396quod homo. Dicitur autem illi omnis potestas data, ratione unionis, per quam factum est, ut homo esset omnipotens, ut supra dictum est [art. praec. ad 1.]. Et quamvis hoc ante resurrectionem innotuerit Angelis: post resurrectionem tamen innotuit omnibus hominibus, ut Remigius dicit [hab. in Cat. aur. D. Th.]: « tunc » autem « dicuntur res fieri, quando innotescunt ». Et ideo post resurrectionem dicit Dominus sibi datam omnem potestatem « in coelo, et in terra ».

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zooals Hieronymus (Commentaar op Matthaeus, 4e B.) zegt, « is aan Hem macht gegeven, die kort te voren was gekruisigd en begraven, en die 396daarna verrees », dus aan Christus als mensch. Maar dat Hem alle macht gegeven is, zegt Hij om de vereeniging, waardoor het gebeurde, dat een mensch almachtig was, zooals boven is gezegd (Vorig Art., Antw. op de 1e B.). En al was dat voor de Verrijzenis aan de Engelen bekend, na de Verrijzenis werd het aan alle menschen bekend, zooals Remigius zegt: « Men zegt, dat de dingen dan geschieden, als zij bekend worden ». Daarom zeide de Heer na de Verrijzenis, dat Hem alle macht in hemel en op aarde gegeven was.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoals Hieronymus (Commentaar op Matteüs, 4e B.) zegt, “is aan Hem macht gegeven, die kort te voren was gekruisigd en begraven, en die 396daarna verrees”, dus aan Christus als mens. Maar dat Hem alle macht gegeven is, zegt Hij om de vereniging, waardoor het gebeurde, dat een mens almachtig was, zoals boven is gezegd (Vorig Art., Antw. op de 1e B.). En al was dat voor de Verrijzenis aan de Engelen bekend, na de Verrijzenis werd het aan alle mensen bekend, zoals Remigius zegt: “Men zegt, dat de dingen dan geschieden, als zij bekend worden”. Daarom zeide de Heer na de Verrijzenis, dat Hem alle macht in hemel en op aarde gegeven was.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod licet omnis creatura sit mutabilis ab alia creatura, praeter supremum angelum, qui tamen potest illuminari ab anima Christi: non tamen immutatio omnis, quae potest fieri circa creaturam, potest fieri a creatura; sed quaedam immutationes possunt fieri a solo Deo. Quaecumque tamen immutationes2 possunt fieri per creaturas, possunt etiam fieri per animam Christi, secundum quod est instrumentum Verbi. Non autem secundum propriam naturam, et virtutem: quia quaedam hujusmodi immutationum non pertinent ad animam, neque quantum ad ordinem naturae, neque quantum ad ordinem gratiae.

2. Al kan ieder schepsel door een ander schepsel worden bewogen, behalve dan de hoogste engel, die toch nog door Christus' ziel wordt verlicht, toch kan niet iedere verandering in een schepsel door een ander schepsel geschieden, maar sommige door God alleen. Alle veranderingen echter, die door schepsels gebeuren kunnen, kunnen door Christus' ziel als werktuig van het Woord geschieden, maar niet door eigen natuur en kracht, omdat sommige naar de orde van natuur noch genade aan de ziel toekomen.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod, sicut dictum est in 2. [2-2. q. 178. art. 1. ad 1.], gratia virtutum, seu miraculorum datur animae alicujus 397sancti, non ut supra virtute ei conveniat miracula facere3, sed ut per virtutem divinam hujusmodi miracula fiant. Et haec quidem gratia excellentissime data est animae Christi; ut scilicet non solum ipse miracula faceret, sed etiam ut hanc gratiam in alios transfunderet; unde dicitur Matth. 10. [v. 1.] quod, « convocatis duodecim discipulis, dedit eis potestatem spirituum immundorum, ut ejicerent eos, et curarent omnem languorem, et omnem infirmitatem ».

3. Zooals in het tweede deel (IIa-IIae, 187e Kw., 1e Art., Antw. op de 1e B.) is gezegd, wordt de gave van teekenen of 397wonderen niet aan een heilige ziel gegeven, om die wonderen te laten geschieden door haar eigen kracht, maar door de goddelijke. En nu is deze gave in hoogste mate aan Christus' ziel gegeven, opdat Hij niet alleen zelf wonderen zou doen, maar ook die gave aan anderen zou mededeelen. Daarom wordt bij Matthaeus (10, 1) gezegd, dat « Hij, na de leerlingen bijeengeroepen te hebben hun macht gaf over de onreine geesten om dezen uit te werpen en iedere ziekte en kwaal te genezen ».3. Zoals in het tweede deel (2-2, 178e Kw., 1e Art., Antw. op de 1e B.) is gezegd, wordt de gave van tekenen of 397wonderen niet aan een heilige ziel gegeven, om die wonderen te laten geschieden door haar eigen kracht, maar door de goddelijke. En nu is deze gave in hoogste mate aan Christus' ziel gegeven, opdat Hij niet alleen zelf wonderen zou doen, maar ook die gave aan anderen zou mededelen. Daarom wordt bij Matteüs (10, 1) gezegd, dat “Hij, na de leerlingen bijeengeroepen te hebben hun macht gaf over de onreine geesten om deze uit te werpen en iedere ziekte en kwaal te genezen”.

Articulus III

Utrum anima Christi habuerit omnipotentiam respectu proprii corporis

[3. Sent. Dist. 16. q. 1. art. 3.]
IIIe Artikel

Was Christus almachtig voor zoover het Zijn eigen lichaam betrof?Was Christus almachtig voor zover het Zijn eigen lichaam betrof?

antwoord 1 ↓

397Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod anima Christi habuerit omnipotentiam respectu proprii corporis: dicit enim Damasc. in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 20.], quod « omnia naturali fuerunt Christo voluntaria, volens enim esurivit, volens timuit, volens mortuus est, etc. ». Sed ex hoc Deus dicitur omnipotens, quia « omnia quaecumque voluit fecit ». [Ps. 398113. v. 11 et v. 3]. Ergo videtur, quod anima Christi habuerit omnipotentiam respectu naturalium operationum proprii corporis.

397Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus almachtig was voor zoover het Zijn eigen lichaam betrof. — 1. Want Damascenus zegt in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 20e H.), dat « alles wat van de natuur komt, in Christus aan Zijn vrijen wil onderworpen was, omdat Hij vrijwillig honger en vrijwillig dorst had, vrijwillig beangst was en vrijwillig stierf ». Dus schijnt Christus' 398ziel de natuurlijke handelingen van Zijn eigen lichaam almachtig beheerscht te hebben.397Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus almachtig was voor zover het Zijn eigen lichaam betrof. — 1. Want Damascenus zegt in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 20e H.), dat “alles wat van de natuur komt, in Christus aan Zijn vrijen wil onderworpen was, omdat Hij vrijwillig honger en vrijwillig dorst had, vrijwillig beangst was en vrijwillig stierf”. Dus schijnt Christus' 398ziel de natuurlijke handelingen van Zijn eigen lichaam almachtig beheerst te hebben.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, in Christo fuit perfectius humana natura, quam in Adam: in quo secundum originalem justitiam, quam habuit in innocentiae statu, corpus habebat omnino subjectum animae, ut nihil in corpore posset accidere contra animae voluntatem. Ergo multo magis anima Christi habuit omnipotentiam respectu sui corporis.

2. In Christus was de menschelijke natuur volmaakter dan in Adam; en deze had krachtens de oorspronkelijke rechtvaardigheid, die hij in den staat van onschuld bezat, een lichaam, dat geheel en al aan de ziel onderworpen was, zoodat er in het lichaam niets tegen de wil van de ziel geschieden kon. Zooveel te meer dus nog was Christus' ziel almachtig, waar het Zijn eigen lichaam betrof.2. In Christus was de menselijke natuur volmaakter dan in Adam; en deze had krachtens de oorspronkelijke rechtvaardigheid, die hij in de staat van onschuld bezat, een lichaam, dat geheel en al aan de ziel onderworpen was, zodat er in het lichaam niets tegen de wil van de ziel geschieden kon. Zoveel te meer dus nog was Christus' ziel almachtig, waar het Zijn eigen lichaam betrof.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, ad imaginationem animae naturaliter corpus immutatur; et tanto magis, quanto1 anima fuerit fortis imaginationis, ut in 1. habitum est [q. 117. art. 3. ad 2. et 3.]. Sed anima Christi habuit virtutem perfectissimam, et quantum ad imaginationem, et quantum ad alias vires. Ergo anima Christi fuit omnipotens in respectu ad corpus proprium.

3. Van nature ondergaat het lichaam veranderingen ten gevolge van de verbeelding der ziel, en dat zooveel te meer, naarmate de ziel een sterkere verbeelding heeft, zooals in het eerste deel (117e Kw., 3e Art., Antw. op de 2e en 3e B.) is uiteengezet. Nu bezat Christus' ziel hoogst volmaakte vermogens, zoowel wat de verbeelding als wat de andere vermogens betreft. Dus was Christus' ziel almachtig wat Zijn eigen lichaam betrof.3. Van nature ondergaat het lichaam veranderingen ten gevolge van de verbeelding van de ziel, en dat zoveel te meer, naarmate de ziel een sterkere verbeelding heeft, zoals in het eerste deel (117e Kw., 3e Art., Antw. op de 2e en 3e B.) is uiteengezet. Nu bezat Christus' ziel hoogst volmaakte vermogens, zowel wat de verbeelding als wat de andere vermogens betreft. Dus was Christus' ziel almachtig wat Zijn eigen lichaam betrof.

Sed contra est, quod dicitur Hebr. 2. [v. 17], quod « debuit per omnia fratribus assimilari » et praecipue in his quae pertinet, quod valetudo corporis, et ejus nutritio, et augmentum imperio rationis, seu voluntatis 399non subdantur: quia naturalia soli Deo, qui est auctor naturae, subduntur. Ergo nec in Christo subdebantur. Non igitur anima Christi fuit omnipotens respectu proprii corporis.

Maar daar staat tegenover, dat in den Hebreeënbrief (2, 17) wordt gezegd, dat « Hij in alles aan Zijn broeders gelijk moest worden ». En dat vooral in wat op den toestand der menschelijke natuur betrekking heeft. Nu valt daaronder ook, dat de 399gezondheid van het lichaam met zijn voeding en groei aan de bevelen van verstand en wil niet onderworpen zijn, omdat de krachten der natuur aan God, den maker der natuur, alleen onderworpen zijn. Dus was Christus' ziel niet almachtig wat Zijn eigen lichaam betrof.Maar daar staat tegenover, dat in de Hebreeënbrief (2, 17) wordt gezegd, dat “Hij in alles aan Zijn broeders gelijk moest worden”. En dat vooral in wat op de toestand van de menselijke natuur betrekking heeft. Nu valt daaronder ook, dat de 399gezondheid van het lichaam met zijn voeding en groei aan de bevelen van verstand en wil niet onderworpen zijn, omdat de krachten van de natuur aan God, de maker van de natuur, alleen onderworpen zijn. Dus was Christus' ziel niet almachtig wat Zijn eigen lichaam betrof.

Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est [art. praec.], anima Christi potest dupliciter considerari. Uno modo secundum propriam naturam, et virtutem. Et hoc modo sicut non poterat immutare exteriora corpora a cursu, et ordine naturae; ita etiam non poterat immutare proprium corpus a naturali dispositione: quia anima secundum propriam naturam habet determinatam proportionem ad suum corpus. Alio modo potest considerari anima Christi, secundum quod est instrumentum unitum Verbo Dei in persona. Et sic subdebatur ejus potestati totaliter omnis dispositio proprii corporis. Quia tamen virtus actionis non proprie attribuitur instrumento, sed principali agenti, talis omnipotentia magis attribuitur ipsi Verbo Dei, quam animae Christi.

Leerstelling. — Men kan, zooals gezegd werd (Vorig Art.), Christus' ziel op twee manieren beschouwen. Ten eerste naar haar eigen natuur en kracht; en zoo kon zij haar eigen lichaam in zijn natuurlijke aard niet veranderen, evenmin als zij de lichamen buiten haar van hun natuurlijke orde en loop kon afhouden, omdat de ziel krachtens haar natuur een bepaalde verhouding tot haar lichaam bezit. Maar men kan Christus' ziel ook anders beschouwen als een met Gods Woord in persoon vereenigd werktuig; en zoo was Zijn eigen lichaam in iederen toestand geheel en al aan zijn macht onderworpen. Daar echter de kracht tot het stellen van een daad in eigenlijken zin niet aan het werktuig toegeschreven wordt, maar aan de voornaamste werkoorzaak, schrijft men deze almacht eerder toe aan Gods Woord zelf als aan Christus' ziel.Leerstelling. — Men kan, zoals gezegd werd (Vorig Art.), Christus' ziel op twee manieren beschouwen. Ten eerste naar haar eigen natuur en kracht; en zo kon zij haar eigen lichaam in zijn natuurlijke aard niet veranderen, evenmin als zij de lichamen buiten haar van hun natuurlijke orde en loop kon afhouden, omdat de ziel krachtens haar natuur een bepaalde verhouding tot haar lichaam bezit. Maar men kan Christus' ziel ook anders beschouwen als een met Gods Woord in persoon verenigd werktuig; en zo was Zijn eigen lichaam in iedere toestand geheel en al aan zijn macht onderworpen. Daar echter de kracht tot het stellen van een daad in eigenlijke zin niet aan het werktuig toegeschreven wordt, maar aan de voornaamste werkoorzaak, schrijft men deze almacht eerder toe aan Gods Woord zelf als aan Christus' ziel.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod verbum Damasceni est intelligendum 400quantum ad voluntatem Christi divinam: quia, sicut ipse in praecedenti capitulo dicit [cap. 19.], « beneplacito divinae voluntatis permittebatur carni pati, et operari quae propria ».

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dit gezegde van 400Damascenus moet men laten slaan op de goddelijke wil van Christus. Zooals hij immers zelf in het voorafgaande hoofdstuk (19e H.) zegt, « stond het goddelijke wilsbesluit aan het vleesch toe te lijden en te doen, wat eraan eigen was ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dit gezegde van 400Damascenus moet men laten slaan op de goddelijke wil van Christus. Zoals hij immers zelf in het voorafgaande hoofdstuk (19e H.) zegt, “stond het goddelijke wilsbesluit aan het vlees toe te lijden en te doen, wat eraan eigen was”.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod non pertinebat hoc ad originalem justitiam, quam Adam habuit in statu innocentiae, quod anima hominis haberet virtutem transmutandi proprium corpus in quamcumque formam, sed quod posset ipsum conservare absque omni nocumento. Et hanc etiam virtutem Christus assumere potuisset, si voluisset. Sed cum sint tres status hominum, scilicet: innocentiae, culpae, et gloriae, sicut de statu gloriae assumpsit comprehensionem, et de statu innocentiae immunitatem a peccato. ita et de statu culpae assumpsit necessitatem subjacendi poenalitatibus hujus vitae, ut infra dicetur [q. 14. art. 2.].

2. Tot de oorspronkelijke rechtvaardigheid, die Adam in den staat van onschuld bezat, behoorde het vermogen der ziel van den mensch om zijn lichaam hoe dan ook te veranderen niet, maar wel het vermogen om het ongeschonden te bewaren. En dit vermogen had Christus ook kunnen aannemen als Hij het gewild had. Omdat er echter drie staten zijn, waarin de mensch kan verkeeren, nl. die van onschuld, die van schuld en die van verheerlijking nam Hij zooals later gezegd zal worden, uit de staat van schuld de noodzakelijkheid over om aan de straffen van dit leven onderworpen te zijn, zooals Hij uit de staat van verheerlijking het bereiken van het hemelsche geluk en uit die van onschuld het vrij zijn van zonden had aangenomen, zooals verder zal gezegd worden (14e Kw., 2e Art.).2. Tot de oorspronkelijke rechtvaardigheid, die Adam in de staat van onschuld bezat, behoorde het vermogen van de ziel van de mens om zijn lichaam hoe dan ook te veranderen niet, maar wel het vermogen om het ongeschonden te bewaren. En dit vermogen had Christus ook kunnen aannemen als Hij het gewild had. Omdat er echter drie staten zijn, waarin de mens kan verkeren, nl. die van onschuld, die van schuld en die van verheerlijking nam Hij zoals later gezegd zal worden, uit de staat van schuld de noodzakelijkheid over om aan de straffen van dit leven onderworpen te zijn, zoals Hij uit de staat van verheerlijking het bereiken van het hemelse geluk en uit die van onschuld het vrij zijn van zonden had aangenomen, zoals verder zal gezegd worden (14e Kw., 2e Art.).

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod imaginationi, si fuerit fortis, naturaliter obedit corpus quantum ad aliqua. Puta quantum ad casum de trabe in alto posita: quia imaginatio nata est esse principium motus localis, ut dicitur 3. de An. [cap. 9. n. 5. et cap. 10. n. 1. S. Th. lect. 9. et 10.]. 401Similiter etiam quantum ad alterationem, quae est secundum calorem, et frigus, et alia consequentia: eo quod ex imaginatione consequenter natae sunt consequi animae passiones, secundum quas movetur cor; et sic per commotionem spirituum totum corpus alteratur. Aliae vero dispositiones corporales, quae non habent naturalem ordinem ad imaginationem, non transmutantur ab imaginatione, quantumcumque sit fortis; puta figura manus, vel pedis, vel aliquid simile.

3. Als de verbeelding sterk is, is het lichaam in sommige opzichten eraan onderworpen, zooals bv. in het geval van de hoog geplaatste balk, omdat de verbeelding uiteraard beginsel is van plaatselijke beweging, gelijk in het 3e boek Over de Ziel (9e H., n. 5) wordt gezegd. Ook wat de verandering in koude of warmte 401betreft en wat daar verder op volgt, omdat de hartstochten door hun natuurlijke aanleg de verbeelding volgen; daardoor wordt het hart bewogen en zoo verandert het geheele lichaam door de beweging der levenskrachten. Maar andere lichaamstoestanden, die van nature geen verband houden met de verbeelding, worden daardoor niet veranderd, hoe sterk zij ook mocht zijn, zooals de vorm van hand of voet en dergelijken.3. Als de verbeelding sterk is, is het lichaam in sommige opzichten eraan onderworpen, zoals bv. in het geval van de hoog geplaatste balk, omdat de verbeelding uiteraard beginsel is van plaatselijke beweging, gelijk in het 3e boek Over de Ziel (9e H., n. 5) wordt gezegd. Ook wat de verandering in koude of warmte 401betreft en wat daar verder op volgt, omdat de hartstochten door hun natuurlijke aanleg de verbeelding volgen; daardoor wordt het hart bewogen en zo verandert het gehele lichaam door de beweging van de levenskrachten. Maar andere lichaamstoestanden, die van nature geen verband houden met de verbeelding, worden daardoor niet veranderd, hoe sterk zij ook mocht zijn, zoals de vorm van hand of voet en dergelijken.

Articulus IV

Utrum anima Christi habuerit omnipotentiam respectu executionis suae voluntatis

[Infra. q. 21. art. 1. ad 1.]
IVe Artikel

Was Christus' ziel almachtig in het volbrengen van Zijn eigen wil?

antwoord 1 ↓

401Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod anima Christi non habuerit omnipotentiam respectu executionis propriae voluntatis: dicitur enim, Marci 7. [v. 24], quod « ingressus domum neminem voluit scire, et non potuit latere ». Non ergo potuit in omnibus exequi propositum suae voluntatis.

401Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus' ziel niet almachtig was in het volbrengen van Zijn eigen wil. — 1. Want bij Marcus (7, 24) wordt gezegd, dat Hij « na het huis te zijn binnengegaan, niet wilde, dat iemand het wist, maar (dat) Hij niet verborgen kon blijven ». Dus kon Hij de besluiten van Zijn eigen wil niet in alles uitvoeren.401Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus' ziel niet almachtig was in het volbrengen van Zijn eigen wil. — 1. Want bij Marcus (7, 24) wordt gezegd, dat Hij “na het huis te zijn binnengegaan, niet wilde, dat iemand het wist, maar (dat) Hij niet verborgen kon blijven”. Dus kon Hij de besluiten van Zijn eigen wil niet in alles uitvoeren.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, praeceptum est signum voluntatis, ut in 1. dictum est 402[q. 19. art. 12.]. Sed Dominus quaedam facienda praecepit, quorum contraria acciderunt: dicitur enim, Matth. 9. [v. 30 et 31], quod caecis illuminatis « comminatus est Jesus, dicens: Videte, ne quis sciat: Illi autem exeuntes diffamaverunt illum per totam terram illam ». Non ergo in omnibus potuit exequi propositum suae voluntatis.

2. Bevelen is een teeken van willen, zooals in het eerste deel 402(19e Kw., 12e Art.) is gezegd. Nu legde de Heer het uitvoeren van een paar bevelen op, waarvan juist het tegendeel geschiedde, want bij Matthaeus (9, 30 en 31) wordt gezegd, dat Jesus « tot de blinden, die het gezicht teruggekregen hadden, dreigend zei: past op, dat niemand het te weten komt; maar toen zij weg waren gegaan, verspreidden zij het bericht hiervan over de geheele landstreek ». Dus kon Hij Zijn wilsbesluiten niet in alles uitvoeren.2. Bevelen is een teken van willen, zoals in het eerste deel 402(19e Kw., 12e Art.) is gezegd. Nu legde de Heer het uitvoeren van een paar bevelen op, waarvan juist het tegendeel geschiedde, want bij Matteüs (9, 30 en 31) wordt gezegd, dat Jesus “tot de blinden, die het gezicht teruggekregen hadden, dreigend zei: past op, dat niemand het te weten komt; maar toen zij weg waren gegaan, verspreidden zij het bericht hiervan over de gehele landstreek”. Dus kon Hij Zijn wilsbesluiten niet in alles uitvoeren.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, id quod potest aliquis facere, non petit ab alio. Sed Dominus petivit a Patre orando illud quod fieri volebat: dicitur enim, Lucae 6. [v. 12], quod « exiit in montem orare, et erat pernoctans in oratione Dei ». Ergo non potuit exequi in omnibus propositum suae voluntatis.

3. Wat iemand zelf kan doen, vraagt hij niet aan een ander. Nu vroeg de Heer in het gebed aan Zijn Vader datgene, wat Hij wilde, dat zou geschieden, omdat bij Lucas (6, 12) gezegd wordt, dat « Hij de berg besteeg om te bidden en den nacht in gebed tot God doorbracht ». Dus kon Hij de plannen van Zijn wil niet in alles volbrengen.3. Wat iemand zelf kan doen, vraagt hij niet aan een ander. Nu vroeg de Heer in het gebed aan Zijn Vader datgene, wat Hij wilde, dat zou geschieden, omdat bij Lukas (6, 12) gezegd wordt, dat “Hij de berg besteeg om te bidden en de nacht in gebed tot God doorbracht”. Dus kon Hij de plannen van Zijn wil niet in alles volbrengen.

Sed contra est, quod dicit Augustinus in lib. de QQ. veteris, et novi Testamenti [q. 77. in princ.]: « Impossibile est, ut Salvatoris voluntas non impleatur; nec potest velle, quod scit fieri non debere ».

Maar daartegenover staat, dat Augustinus zegt in het boek Over de Vraagstukken van het Nieuwe en Oude Verbond (77e Vr.): « Het is onmogelijk, dat de wil van den Verlosser niet vervuld zou worden, want als Hij wist, dat iets niet mocht gebeuren, kon Hij dat niet willen ».Maar daartegenover staat, dat Augustinus zegt in het boek Over de Vraagstukken van het Nieuwe en Oude Verbond (77e Vr.): “Het is onmogelijk, dat de wil van de Verlosser niet vervuld zou worden, want als Hij wist, dat iets niet mocht gebeuren, kon Hij dat niet willen”.

Respondeo dicendum, quod anima Christi dupliciter aliquid voluit. Uno modo quasi per se implendum. Et sic dicendum est, quod quidquid 403voluit, potuit. Non enim conveniret sapientiae ejus, ut aliquid vellet per se facere, quod suae virtuti1 non subjaceret. Alio modo voluit aliquid ut implendum virtute divina; sicut resuscitationem proprii corporis, et alia hujusmodi miraculosa opera. Quae quidem non poterat propria virtute, sed secundum quod erat instrumentum divinitatis; ut dictum est [art. 2. huj. q.].

Leerstelling. — Christus' ziel wilde op twee manieren iets. Ten eerste op deze manier, dat het door Hem zelf zou worden 403volbracht. En in dit geval moet men zeggen, dat Hij alles kon doen, wat Hij wilde, want het paste zijn wijsheid niet iets te willen doen, dat niet onder Zijn bereik viel. Ten tweede wilde Hij iets op die manier, dat het door goddelijke kracht moest geschieden, als de verrijzenis van Zijn lichaam en andere soortgelijke wonderen. En dat kon Hij niet door eigen kracht, maar alleen als werktuig der Godheid, zooals reeds is gezegd.Leerstelling. — Christus' ziel wilde op twee manieren iets. Ten eerste op deze manier, dat het door Hemzelf zou worden 403volbracht. En in dit geval moet men zeggen, dat Hij alles kon doen, wat Hij wilde, want het paste zijn wijsheid niet iets te willen doen, dat niet onder Zijn bereik viel. Ten tweede wilde Hij iets op die manier, dat het door goddelijke kracht moest geschieden, als de verrijzenis van Zijn lichaam en andere soortgelijke wonderen. En dat kon Hij niet door eigen kracht, maar alleen als werktuig van de Godheid, zoals reeds is gezegd.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod, sicut Augustinus dicit in lib. de QQ. veteris, et novi Testamenti [loc. cit.], « quod factum est, hoc voluisse dicendus est Christus. Advertendum est enim, quod illud in finibus gestum est Gentilium, quibus adhuc tempus praedicandi non erat. Ultro tamen venientes ad fidem non suscipere, invidiae erat. A suis ergo noluit praedicari, requiri autem se voluit. Et ita factum est ».

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zooals Augustinus in het aangehaalde boek antwoordt, « moeten wij zeggen, dat Christus wat er gebeurd is wilde. Wij moeten er echter rekening mee houden, dat dit geschiedde in het gebied der heidenen, terwijl het nog geen tijd was om onder hen te prediken. Hen, die uit eigen beweging tot het geloof kwamen, niet te ontvangen, zou evenwel gebrek aan liefde zijn geweest; en dus wilde Hij niet door de zijnen verkondigd worden, maar Hij wilde wel gezocht worden. En zoo is het gebeurd ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoals Augustinus in het aangehaalde boek antwoordt, “moeten wij zeggen, dat Christus wat er gebeurd is wilde. Wij moeten er echter rekening mee houden, dat dit geschiedde in het gebied van de heidenen, terwijl het nog geen tijd was om onder hen te prediken. Hen, die uit eigen beweging tot het geloof kwamen, niet te ontvangen, zou evenwel gebrek aan liefde zijn geweest; en dus wilde Hij niet door de zijnen verkondigd worden, maar Hij wilde wel gezocht worden. En zo is het gebeurd”.

Vel potest dici, quod haec voluntas Christi non fuit de eo quod per eam fiendum erat, sed de eo quod erat fiendum per alios, quod non subjacebat humanae voluntati ipsius. Unde in Epistola Agathonis Papae, 404quae est recepta in sexta Synodo [Constant. 3. gener. 6. act. 4. a med. epist.], legitur: « Ergone ille omnium Conditor, ac Redemptor, in terris latere volens non potuit, nisi hoc ad humanam ejus voluntatem, quam temporaliter est dignatus assumere, redigatur? »

2. Men kan ook zeggen, dat dit wilsbesluit van Christus niet sloeg op iets, dat door Hemzelf gebeuren moest, maar door anderen; en daarover had Zijn menschelijke wil niets te beslissen. Daarom vinden wij in den door de zesde Kerkvergadering 404aanvaarden Brief van Paus Agatho: « Als de Schepper en Verlosser van alles dus op aarde verborgen wilde blijven, kon Hij dat dan niet? of moet dit misschien niet eerder aan Zijn menschelijke wil toegeschreven worden, die Hij zoo goed was in den tijd aan te nemen? »2. Men kan ook zeggen, dat dit wilsbesluit van Christus niet sloeg op iets, dat door Hemzelf gebeuren moest, maar door anderen; en daarover had Zijn menselijke wil niets te beslissen. Daarom vinden wij in de door de zesde Kerkvergadering 404aanvaarden Brief van Paus Agatho: “Als de Schepper en Verlosser van alles dus op aarde verborgen wilde blijven, kon Hij dat dan niet? of moet dit misschien niet eerder aan Zijn menselijke wil toegeschreven worden, die Hij zo goed was in de tijd aan te nemen?”

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod, sicut Gregorius dicit 19. Moral. [cap. 24.], per hoc quod Dominus praecepit taceri virtutes suas, « servis suis se se sequentibus exemplum dedit, ut ipsi quidem virtutes suas occultari desiderent, et tamen ut alii eorum exemplo proficiant, prodantur inviti ». Sic ergo praeceptum illud designabat voluntatem ipsius, qui2 humanam gloriam refugiebat, secundum illud Joan. 8. [v. 50]: « Ego gloriam meam non quaero » volebat tamen absolute, praesertim secundum divinam voluntatem, ut publicaretur miraculum factum propter aliorum utilitatem.

2. Gregorius zegt in het boek Over de Zedeleer (19e B., 23e H.), dat Hij, toen Hij Zijn leerlingen bevel gaf Zijn wonderen geheim te houden, « Zijn dienaren, die Hem volgden, een voorbeeld gaf, dat ook zij het geheim blijven van hun wonderen moesten verlangen, en dat zij toch tegen hun wil bekend zouden worden om anderen een voorbeeld te geven en vooruit te helpen » Zoo was dit bevel een teeken van Zijn verlangen om roem bij de menschen te ontvluchten, volgens Johannes (8, 50): « Ik zoek mijn eigen roem niet ». Absoluut genomen echter wilde Hij vooral met Zijn goddelijken wil, dat het geschiede wonder bekend zou worden gemaakt tot nut van anderen.2. Gregorius zegt in het boek Over de Zedeleer (19e B., 23e H.), dat Hij, toen Hij Zijn leerlingen bevel gaf Zijn wonderen geheim te houden, “Zijn dienaren, die Hem volgden, een voorbeeld gaf, dat ook zij het geheim blijven van hun wonderen moesten verlangen, en dat zij toch tegen hun wil bekend zouden worden om anderen een voorbeeld te geven en vooruit te helpen” Zo was dit bevel een teken van Zijn verlangen om roem bij de mensen te ontvluchten, volgens Johannes (8, 50): “Ik zoek mijn eigen roem niet”. Absoluut genomen echter wilde Hij vooral met Zijn goddelijken wil, dat het geschiede wonder bekend zou worden gemaakt tot nut van anderen.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod, Christus orabat, et pro his quae virtute divina fienda erant, et pro his etiam quae humana voluntate erat facturus. Quia virtus, et operatio animae Christi dependebant a Deo, « qui operatur in nobis velle, et perficere » ut dicitur Philipp. 2. [v. 13].

3. Christus bad zoowel voor wat door goddelijke kracht moest gebeuren als voor wat Hij met Zijn menschelijke wil zou doen. Want de kracht en het werken van Christus' ziel hingen af van God, « die in allen het willen en het uitvoeren uitwerkt », zooals in den Philippensenbrief (2, 13) wordt gezegd.3. Christus bad zowel voor wat door goddelijke kracht moest gebeuren als voor wat Hij met Zijn menselijke wil zou doen. Want de kracht en het werken van Christus' ziel hingen af van God, “die in allen het willen en het uitvoeren uitwerkt”, zoals in de Filippenzenbrief (2, 13) wordt gezegd.