De scientia beata animae Christi, in quatuor articulos divisa
Over de zalige wetenschap van Christus' ziel
323Deinde considerandum est de qualibet praedictarum scientiarum [cfr. q. 9. Introd.]. Sed quia de scientia divina dictum est in prima parte [q. 14.], restat nunc dicendum de aliis tribus: primo de scientia beata: secundo de scientia indita [q. 9.]: tertio de scientia acquisita [q. 12.] sed quia etiam de scientia beata, quae in Dei visione consistit, plura dicta sunt in prima parte [q. 12.], hic illa sola videntur dicenda, quae proprie pertinent ad animam Christi.
323Vervolgens moeten wij over ieder van genoemde wetenschappen afzonderlijk spreken. Maar omdat in het eerste deel reeds over de goddelijke wetenschap gesproken is, blijven nu de anderen nog te beschouwen; ten eerste de zalige wetenschap, ten tweede de ingestorte, ten derde de aangeleerde. Maar omdat in het eerste deel reeds verschillende punten van de zalige wetenschap, die in het aanschouwen van God bestaat, behandeld zijn, moeten hier alleen die punten onderzocht worden, die betrekking hebben op Christus' ziel.
Circa hoc ergo quaeruntur quatuor: 1. Utrum anima Christi comprehenderit Verbum, sive divinam essentiam. — 2. Utrum in Verbo cognoverit omnia. — 3. Utrum anima Christi in Verbo cognoverit infinita. — 4. Utrum videat Verbum, sive divinam essentiam clarius qualibet alia creatura.
Hierover stellen wij ons vier vragen: 1. Doorgrondde Christus' ziel het Woord of het Goddelijk Wezen? 2. Kende zij alles in het Woord? 3243. Kende Christus' ziel in het Woord het oneindige? 4. Kende zij het Woord of het Goddelijk Wezen duidelijker dan eenig ander schepsel?Hierover stellen wij ons vier vragen: 1. Doorgrondde Christus' ziel het Woord of het Goddelijk Wezen? 2. Kende zij alles in het Woord? 3243. Kende Christus' ziel in het Woord het oneindige? 4. Kende zij het Woord of het Goddelijk Wezen duidelijker dan enig ander schepsel?
Utrum anima Christi comprehenderit1 Verbum sive divinam essentiam
Doorgrondde en doorgrondt Christus' ziel het Woord of het Goddelijk Wezen?
324Ad primum sic proceditur. Videtur, quod anima Christi comprehenderit, et comprehendat Verbum, sive divinam essentiam: dicit enim Isidorus [lib. 1. de Summo bono cap. 3.], quod « Trinitas sibi soli nota est, et homini assumpto ». Igitur homo assumptus communicat cum sancta Trinitate in illa notitia sui, quae est sanctae Trinitati propria: hujusmodi autem est notitia comprehensionis. Ergo anima Christi comprehendit divinam essentiam.
324Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus ziel het Woord of het Goddelijk Wezen doorgrondde en doorgrondt. — 1. Want Isidorus zegt, dat « de Drievuldigheid aan zichzelf bekend is en aan den aangenomen Mensch ». Dus heeft de aangenomen mensch te samen met de Drievuldigheid die kennis, die aan de Heilige Drievuldigheid eigen is. En dit is een doorgrondende kennis. Dus doorgrondde Christus' ziel het Goddelijk Wezen.324Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus ziel het Woord of het Goddelijk Wezen doorgrondde en doorgrondt. — 1. Want Isidorus zegt, dat “de Drievuldigheid aan zichzelf bekend is en aan de aangenomen Mens”. Dus heeft de aangenomen mens te samen met de Drievuldigheid die kennis, die aan de Heilige Drievuldigheid eigen is. En dit is een doorgrondende kennis. Dus doorgrondde Christus' ziel het Goddelijk Wezen.
2. Praeterea, magis est uniri Deo secundum esse personale, quam 325secundum visionem: sed, sicut Damascenus dicit in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 6.] « tota divinitas in una personarum est unita humanae naturae in Christo ». Multo ergo magis tota natura divina videtur ab anima Christi: et ita videtur, quod anima Christi comprehendat divinam essentiam.
2. Het is meer met God in het persoonlijk zijn vereenigd te 325worden dan door Hem te aanschouwen. Maar nu zegt Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 6e H.): « De geheele godheid is in een der personen vereenigd met de menschelijke natuur ». Des te meer wordt dus de geheele goddelijke natuur door Christus' ziel aanschouwd. En zoo schijnt Christus' ziel het goddelijk wezen te doorgronden.2. Het is meer met God in het persoonlijk zijn verenigd te 325worden dan door Hem te aanschouwen. Maar nu zegt Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 6e H.): “De gehele godheid is in een van de personen verenigd met de menselijke natuur”. Des te meer wordt dus de gehele goddelijke natuur door Christus' ziel aanschouwd. En zo schijnt Christus' ziel het goddelijk wezen te doorgronden.
3. Praeterea, « illud quod convenit Filio Dei per naturam, convenit filio hominis per gratiam » ut Augustinus dicit in 1. de Trinit. [implic. cap. 13.]. Sed comprehendere divinam essentiam competit Filio Dei per naturam. Ergo filio hominis competit per gratiam; et ita videtur, quod anima Christi per gratiam Verbum comprehenderit.
3. « Wat aan Gods Zoon van nature toekomt, komt den Menschenzoon door genade toe », zooals Augustinus zegt in het boek Over de Drievuldigheid (1e B., 13e H.). Nu komt het Gods Zoon van nature toe het goddelijk wezen te doorgronden. Dus komt dat den Menschenzoon door genade toe. En zoo schijnt Christus' ziel door de genade het Woord te doorgronden.3. “Wat aan Gods Zoon van nature toekomt, komt de Mensenzoon door genade toe”, zoals Augustinus zegt in het boek Over de Drievuldigheid (1e B., 13e H.). Nu komt het Gods Zoon van nature toe het goddelijk wezen te doorgronden. Dus komt dat de Mensenzoon door genade toe. En zo schijnt Christus' ziel door de genade het Woord te doorgronden.
Sed contra est, quod Augustinus dicit in lib. 83. QQ. [q. 15], « quod se comprehendit, finitum est sibi ». Sed essentia divina non est finita in comparatione ad animam Christi, cum in infinitum eam excedat. Ergo anima Christi non comprehendit Verbum.
Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt in het boek Over de 83 Vraagstukken (15e Vr.): « Wat zichzelf doorgrondt, is voor zichzelf begrensd ». Maar het goddelijk wezen is vergeleken met Christus' ziel niet begrensd, omdat zij haar in het oneindige te boven gaat. Dus doorgrondt Christus' ziel het Woord niet.Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt in het boek Over de 83 Vraagstukken (15e Vr.): “Wat zichzelf doorgrondt, is voor zichzelf begrensd”. Maar het goddelijk wezen is vergeleken met Christus' ziel niet begrensd, omdat zij haar in het oneindige te boven gaat. Dus doorgrondt Christus' ziel het Woord niet.
Respondeo dicendum, quod, sicut ex supra dictis patet [q. 2. art. 1.], sic facta est unio naturarum in persona Christi, quod tamen proprietas 326utriusque naturae confusa permanserit; ita scilicet quod « increatum manserit increatum, et creatum manserit infra limites creaturae », sicut Damascenus dicit [lib. 3. Orth. Fid. cap. 3.]. Est autem impossibile, quod aliqua creatura comprehendat divinam essentiam, sicut in 1. ostensum est [q. 12. art. 7.], eo quod infinitum non comprehenditur a finito. Et ideo dicendum, quod anima Christi nullo modo comprehendit divinam essentiam.
Leerstelling. — Zooals uit het boven gezegd blijkt, kwam de vereeniging der naturen in Christus' persoon zoo tot stand, dat 326de eigenschappen van ieder der beide naturen onvermengd bleven bestaan, nl. zoo, dat « wat ongeschapen was, ongeschapen bleef, en dat wat geschapen was, binnen de grenzen van het geschapene bleef », zooals Damascenus zegt in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 3e H.). Nu is het onmogelijk dat het schepsel het goddelijk wezen doorgrondt, zooals in het eerste deel is gezegd (12e Kw., 7e Art.), omdat het oneindige niet door het eindige wordt omvat. En dus moeten wij zeggen, dat Christus' ziel het goddelijk wezen in het geheel niet doorgrondde.Leerstelling. — Zoals uit het boven gezegd blijkt, kwam de vereniging van de naturen in Christus' persoon zo tot stand, dat 326de eigenschappen van ieder van de beide naturen onvermengd bleven bestaan, nl. zo, dat “wat ongeschapen was, ongeschapen bleef, en dat wat geschapen was, binnen de grenzen van het geschapene bleef”, zoals Damascenus zegt in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 3e H.). Nu is het onmogelijk dat het schepsel het goddelijk wezen doorgrondt, zoals in het eerste deel is gezegd (12e Kw., 7e Art.), omdat het oneindige niet door het eindige wordt omvat. En dus moeten wij zeggen, dat Christus' ziel het goddelijk wezen in het geheel niet doorgrondde.
Ad primum ergo dicendum, quod homo assumptus connumeratur divinae Trinitati in sui cognitione, non ratione comprehensionis sed ratione cujusdam excellentissimae cognitionis prae caeteris creaturis.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De aangenomen mensch wordt in zijn kennis met de goddelijke Drievuldigheid op een lijn gesteld, niet omdat hij Haar doorgrondt, maar om een kennis, die boven die der andere schepsels uitsteekt.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De aangenomen mens wordt in zijn kennis met de goddelijke Drievuldigheid op een lijn gesteld, niet omdat hij Haar doorgrondt, maar om een kennis, die boven die van de andere schepsels uitsteekt.
Ad secundum dicendum, quod nec etiam in unione, quae est secundum esse personale, natura humana comprehendit Dei Verbum, sive naturam divinam, quae quamvis tota unita fuerit humanae naturae in una persona filii: non tamen fuit tota virtus divinitatis ab humana natura quasi circumscripta. Unde Augustinus dicit in epist. [3. nunc. 137.] ad Volusianum: « Scire te volo, non hoc christianam habere doctrinam, quod ita 327Deus infusus sit carni, ut curam gubernandae universitatis vel deseruerit, vel amiserit, vel ad illud corpusculum quasi contractam, collectamque transtulerit ». Et similiter anima Christi totam Dei essentiam videt: non tamen eam comprehendit; quia non totaliter eam videt, idest ita perfecte, sicut visibilis est, ut in 1. expositum est [q. 12. art. 7.].
2. Zelfs in de vereeniging naar het persoonlijk zijn omvat de menschelijke natuur Gods Woord of het goddelijk Wezen niet; want al was dit geheele wezen met de menschelijke natuur vereenigd in den persoon van den Zoon, toch werd de geheele kracht der godheid niet door de menschelijke natuur als het ware in beslag genomen. Daarom zegt Augustinus in den Brief aan Volusianus (137e Br.): « Ik wil, dat gij weet, dat de Christelijke leer niet dit 327bevat, dat God zoo in het vleesch is gekomen, dat Hij de zorg voor het bestuur van het heelal naliet of verloor, of haar als het ware samentrok en overbracht en enkel wijdde aan dat lichaampje ». En zoo zag Christus' ziel de geheele goddelijke natuur, maar zij doorgrondde haar niet, omdat zij haar niet geheel en al zag, dwz. niet in alle volmaaktheid, waarin zij gezien kan worden, zooals in het eerste deel is gezegd.2. Zelfs in de vereniging naar het persoonlijk zijn omvat de menselijke natuur Gods Woord of het goddelijk Wezen niet; want al was dit gehele wezen met de menselijke natuur verenigd in de persoon van de Zoon, toch werd de gehele kracht van de godheid niet door de menselijke natuur als het ware in beslag genomen. Daarom zegt Augustinus in de Brief aan Volusianus (137e Br.): “Ik wil, dat gij weet, dat de Christelijke leer niet dit 327bevat, dat God zo in het vlees is gekomen, dat Hij de zorg voor het bestuur van het heelal naliet of verloor, of haar als het ware samentrok en overbracht en enkel wijdde aan dat lichaampje”. En zo zag Christus' ziel de gehele goddelijke natuur, maar zij doorgrondde haar niet, omdat zij haar niet geheel en al zag, dwz. niet in alle volmaaktheid, waarin zij gezien kan worden, zoals in het eerste deel is gezegd.
Ad tertium dicendum, quod verbum illud Augustini est intelligendum de gratia unionis, secundum quam omnia quae dicuntur de Filio Dei, secundum divinam naturam, etiam dicuntur de filio hominis propter identitatem suppositi. Et secundum hoc vere potest dici, quod filius hominis est comprehensor divinae essentiae; non quidem secundum animam, sed secundum divinam naturam: per quem etiam modum potest dici, quod filius hominis est creator.
3. Dit woord van Augustinus moet men laten slaan op de genade der vereeniging, waardoor alles wat van Gods Zoon naar de goddelijke natuur wordt gezegd, van den Menschenzoon wordt gezegd om de eenheid van drager. En op deze manier kan men zeggen, dat de Menschenzoon de goddelijke natuur doorgrondt, maar niet naar de ziel, doch krachtens de goddelijke natuur. Op dezelfde manier kan men ook zeggen, dat de Menschenzoon schepper is.3. Dit woord van Augustinus moet men laten slaan op de genade van de vereniging, waardoor alles wat van Gods Zoon naar de goddelijke natuur wordt gezegd, van de Mensenzoon wordt gezegd om de eenheid van drager. En op deze manier kan men zeggen, dat de Mensenzoon de goddelijke natuur doorgrondt, maar niet naar de ziel, doch krachtens de goddelijke natuur. Op dezelfde manier kan men ook zeggen, dat de Mensenzoon schepper is.
Utrum anima Christi in verbo cognoverit1 omnia
Kende Christus' ziel alles in het Woord?
328Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod anima Christi in Verbo non cognoscat omnia: dicitur enim Marci 13. [v. 32]: « De die autem illa nemo scit, neque Angeli in coelo, neque Filius, nisi Pater ». Non ergo omnia scit in Verbo.
328Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus' ziel in het Woord niet alles kende. — 1. Want bij Marcus wordt gezegd (13, 32): « Dien dag echter kent niemand, noch de engelen in den hemel, noch de Zoon, maar alleen de Vader ». Dus kende Hij niet alles in het Woord.328Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus' ziel in het Woord niet alles kende. — 1. Want bij Marcus wordt gezegd (13, 32): “Die dag echter kent niemand, noch de engelen in de hemel, noch de Zoon, maar alleen de Vader”. Dus kende Hij niet alles in het Woord.
2. Praeterea, quanto aliquis perfectius cognoscit aliquod principium, tanto plura in illo principio cognoscit. Sed Deus perfectius videt essentiam suam, quam anima Christi. Ergo plura cognoscit in Verbo, quam anima Christi. Non ergo anima Christi in Verbo cognoscit omnia.
2. Naarmate iemand een beginsel volmaakter kent, kent hij meer dingen in dat beginsel. Nu kent God Zijn eigen wezen volmaakter dan Christus' ziel. Dus kent Hij meer in het Woord dan Christus' ziel. Dus kent Christus' ziel in het Woord niet alles.
3. Praeterea, quantitas scientiae attenditur secundum quantitatem scibilium. Si ergo anima Christi sciret in Verbo omnia quae scit Verbum; sequeretur quod scientia animae Christi aequaretur scientiae divinae, creatum videlicet increato. Quod est impossibile.
3. De grootheid van een kennis wordt afgemeten naar het aantal kenbare dingen. Als dus Christus' ziel in het Woord evenveel kende als het Woord zelf, zou daaruit volgen, dat de wetenschap van Christus' ziel gelijk was aan de goddelijke wetenschap, en dus het geschapene aan het ongeschapene. En dat is onmogelijk.
329Sed contra est quod super illud Apocal. 5. [v. 12]: « Dignus est agnus, qui occisus est, accipere divinitatem, et sapinetiam » Gloss. [ordin.] dicit, « idest omnium cognitionem ».
329Maar daartegenover staat, dat de Glossa bij het woord van de Apocalyps (5, 12): « Waardig is het Lam, dat geslacht is, godheid en wetenschap te ontvangen », zegt: « Dat wil zeggen, iedere kennis ».329Maar daartegenover staat, dat de Glossa bij het woord van de Apocalyps (5, 12): “Waardig is het Lam, dat geslacht is, godheid en wetenschap te ontvangen”, zegt: “Dat wil zeggen, iedere kennis”.
Respondeo dicendum, quod cum quaeritur, an Christus cognoscat omnia in Verbo, ly omnia potest dupliciter accipi. Uno modo proprie, ut distribuat pro omnibus, quae quocumque modo sunt, vel erunt, vel fuerunt, vel facta, vel dicta, vel cogitata a quocumque, secundum quodcumque tempus. Et sic dicendum est, quod anima Christi in Verbo cognoscit omnia. Unusquisque enim intellectus creatus in Verbo cognoscit, non quidem omnia simpliciter, sed tanto plura quanto perfectius videt Verbum: nulli tamen intellectui beato deest, quin cognoscat in Verbo omnia quae ad ipsum spectant. Ad Christum autem, et ad ejus dignitatem spectant quodammodo omnia, inquantum « ei subjecta sunt omnia » [I. Cor. 15. v. 27] ipse etiam est « omnium judex constitutus a Deo, quia filius hominis est » ut dicitur Joan. 5. [v. 27]. Et ideo anima Christi in Verbo cognoscit omnia existentia, secundum quodcumque tempus, et etiam hominum 330cogitatus, quorum est judex: ita ut quod de eo dicitur Joan. 2. [v. 25]: « Ipse enim sciebat, quid esset in homine », possit intelligi non solum quantum ad scientiam divinam, sed etiam quantum ad scientiam animae ejus, quam habet in Verbo.
Leerstelling. — Als gevraagd wordt, of Christus in het Woord alles kende, moeten wij opmerken, dat dit alles op twee manieren kan opgevat worden. Ten eerste in eigenlijken zin en dan slaat het op alles, wat op welke manier ook bestaat of was of zal zijn, dingen of woorden of gedachten van wie dan ook en in elken tijd. En in dien zin moeten wij zeggen, dat Christus' ziel in het Woord alles kende. Want ieder geschapen verstand kent in het Woord wel niet alles zonder meer, maar zooveel te meer, naarmate het het Woord volmaakter ziet; geen verstand van een gelukzalige mist echter het kennen in het Woord van datgene, dat met hem in verband staat. Nu staat in zekeren zin alles in verband met Christus en Zijn waardigheid in zoover « alles aan Hem onderworpen is » (1e Br. aan de Korinthiërs, 15, 27). Want Hij is « door God aangesteld als rechter over alles, omdat Hij de Menschenzoon is », zooals bij Johannes (5, 27) wordt gezegd. En dus kende Christus' ziel in het Woord alles, wat in welken tijd ook bestaat en ook de 330gedachten der menschen, waarvan Hij rechter is, zoodat van Hem bij Johannes wordt gezegd (2, 25): « Hij echter wist, wat er in den mensch is »; wat men niet alleen op de goddelijke wetenschap kan laten slaan, maar ook op de wetenschap, die Zijn ziel in het Woord bezit.Leerstelling. — Als gevraagd wordt, of Christus in het Woord alles kende, moeten wij opmerken, dat dit alles op twee manieren kan opgevat worden. Ten eerste in eigenlijke zin en dan slaat het op alles, wat op welke manier ook bestaat of was of zal zijn, dingen of woorden of gedachten van wie dan ook en in elke tijd. En in die zin moeten wij zeggen, dat Christus' ziel in het Woord alles kende. Want ieder geschapen verstand kent in het Woord wel niet alles zonder meer, maar zoveel te meer, naarmate het het Woord volmaakter ziet; geen verstand van een gelukzalige mist echter het kennen in het Woord van datgene, dat met hem in verband staat. Nu staat in zekeren zin alles in verband met Christus en Zijn waardigheid in zover “alles aan Hem onderworpen is” (1e Br. aan de Korintiërs, 15, 27). Want Hij is “door God aangesteld als rechter over alles, omdat Hij de Mensenzoon is”, zoals bij Johannes (5, 27) wordt gezegd. En dus kende Christus' ziel in het Woord alles, wat in welke tijd ook bestaat en ook de 330gedachten van de mensen, waarvan Hij rechter is, zodat van Hem bij Johannes wordt gezegd (2, 25): “Hij echter wist, wat er in de mens is”; wat men niet alleen op de goddelijke wetenschap kan laten slaan, maar ook op de wetenschap, die Zijn ziel in het Woord bezit.
Alio modo ly omnia potest accipi magis large, ut extendatur non solum ad omnia quae sunt actu, secundum quodcumque tempus, sed etiam ad omnia quaecumque sunt in potentia, numquam reducenda, vel2 reducta ad actum. Horum autem quaedam sunt in sola potentia divina. Et hujusmodi non omnia cognoscit in Verbo anima Christi. Hoc enim esset comprehendere omnia, quae Deus potest facere; quod esset comprehendere divinam virtutem, et per consequens divinam essentiam: virtus enim quaelibet cognoscitur per cognitionem omnium3, in quae potest. Quaedam vero sunt non solum in potentia divina, sed etiam in potentia creaturae. Et hujusmodi omnia scit anima Christi in Verbo. Comprehendit enim in Verbo omnis creaturae essentiam, et per consequens potentiam, et virtutem, et omnia quae sunt in potentia creaturae.
In een andere beteekenis kan men het alles ruimer opvatten, zoodat het zich niet alleen uitstrekt tot alles wat in welken tijd ook bestaat, maar ook tot alles, wat daartoe een vermogen heeft, dat nooit tot daadwerkelijkheid wordt gebracht. Sommige dingen hiervan bestaan alleen in Gods kunnen. En al deze dingen kent Christus' ziel in het Woord niet. Want dat zou beteekenen alles te omvatten, wat God kan doen, en dat is het doorgronden van de goddelijke kracht en dus ook van het goddelijk wezen; want iedere kracht wordt gekend door het kennen van die dingen, waar zij macht over heeft. Andere dingen echter bestaan niet alleen in het goddelijk kunnen, maar ook in het vermogen van een schepsel. En al deze dingen kende Christus' ziel in het Woord. Want in het Woord omvat zij het wezen van ieder schepsel; en dientengevolge het vermogen en de kracht en alles, wat in het vermogen van een schepsel ligt.In een andere betekenis kan men het alles ruimer opvatten, zodat het zich niet alleen uitstrekt tot alles wat in welke tijd ook bestaat, maar ook tot alles, wat daartoe een vermogen heeft, dat nooit tot daadwerkelijkheid wordt gebracht. Sommige dingen hiervan bestaan alleen in Gods kunnen. En al deze dingen kent Christus' ziel in het Woord niet. Want dat zou betekenen alles te omvatten, wat God kan doen, en dat is het doorgronden van de goddelijke kracht en dus ook van het goddelijk wezen; want iedere kracht wordt gekend door het kennen van die dingen, waar zij macht over heeft. Andere dingen echter bestaan niet alleen in het goddelijk kunnen, maar ook in het vermogen van een schepsel. En al deze dingen kende Christus' ziel in het Woord. Want in het Woord omvat zij het wezen van ieder schepsel; en dientengevolge het vermogen en de kracht en alles, wat in het vermogen van een schepsel ligt.
331Ad primum ergo dicendum, quod illud Verbum intellexerunt Arius, et Eunomius, non quantum ad scientiam animae, quam in Christo non ponebant; ut supra dictum est [q. 5. art. 3.], sed quantum ad divinam cognitionem Filii, quem ponebant esse minorem Patre quantum ad scientiam. Sed istud stare non potest: quia « per Verbum Dei facta sunt omnia » ut dicitur Joan. 1. [v. 3]; et inter alia facta sunt etiam per ipsum omnia tempora. Nihil autem per ipsum factum est, quod ab eo ignoretur.
331Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dit woord vatten Eunomius en Arius niet op van de wetenschap der ziel, die zij in Christus niet aannamen, zooals boven is gezegd (5e Kw., 3e Art.); maar van de goddelijke wetenschap, waarin volgens hun bewering de Zoon kleiner was dan de Vader. — Maar dat mag men niet houden. Want « Door Gods Woord is alles gemaakt », zooals bij Johannes (1, 3) wordt gezegd, en onder anderen zijn door Hem ook alle tijden gemaakt. Maar niets is door Hem gemaakt, dat Hij niet kent.331Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dit woord vatten Eunomius en Arius niet op van de wetenschap van de ziel, die zij in Christus niet aannamen, zoals boven is gezegd (5e Kw., 3e Art.); maar van de goddelijke wetenschap, waarin volgens hun bewering de Zoon kleiner was dan de Vader. — Maar dat mag men niet houden. Want “Door Gods Woord is alles gemaakt”, zoals bij Johannes (1, 3) wordt gezegd, en onder anderen zijn door Hem ook alle tijden gemaakt. Maar niets is door Hem gemaakt, dat Hij niet kent.
Dicitur ergo nescire diem, et horam judicii, quia non facit scire: interrogatus enim super hoc ab Apostolis Act. 1. [v. 6 et 7], hoc eis noluit revelare; sicut e contrario legitur Gen. 22. [v. 12]: « Nunc cognovi, quod timeas Deum » idest « nunc cognoscere te feci » [Gloss. interl.]. Dicitur autem Pater scire, quia hujusmodi cognitionem tradidit Filio. Unde in hoc ipso quod dicitur, « nisi Pater » datur intelligi, quod Filius cognoscit, et non solum quantum ad divinam naturam, sed etiam quantum ad humanam. Quia, ut Chrysostomus argumentatur [hom. 77. in Matth.], « si Christo homini datum est, ut sciat qualiter oporteat judicare, quod est majus; multo 332magis datum est ei scire, quod minus est, scilicet tempus judicii ».
Daarom wordt van Hem gezegd, dat Hij dag en uur niet weet, omdat Hij niet doet weten; want toen Hij door de Apostelen daarover werd ondervraagd, zooals in de Handelingen (1, 6 en 7) staat, wilde Hij het hun niet openbaren. Zooals in het tegenovergestelde geval in het boek der Schepping wordt gezegd (22, 12): « Nu weet ik, dat gij God vreest », dwz. « heb ik duidelijk doen zien ». Van den Vader wordt echter gezegd, dat Hij het weet, omdat Hij het den Zoon heeft medegedeeld. Daarom wordt in wat gezegd wordt: « behalve de Vader », te verstaan gegeven, dat de Zoon het weet, niet alleen wat Zijn goddelijke natuur betreft, maar ook wat Zijn menschelijke. Want Chrysostomus redeneert terecht (22e Hom.): « Als het aan Christus als mensch gegeven is te weten, hoe Hij recht moet spreken, wat van meer 332belang is, is het Hem zooveel te meer gegeven te weten wat van minder belang is, nl. het tijdsstip van het oordeel ».Daarom wordt van Hem gezegd, dat Hij dag en uur niet weet, omdat Hij niet doet weten; want toen Hij door de Apostelen daarover werd ondervraagd, zoals in de Handelingen (1, 6 en 7) staat, wilde Hij het hun niet openbaren. Zoals in het tegenovergestelde geval in het boek van de Schepping wordt gezegd (22, 12): “Nu weet ik, dat gij God vreest”, dwz. “heb ik duidelijk doen zien”. Van de Vader wordt echter gezegd, dat Hij het weet, omdat Hij het de Zoon heeft medegedeeld. Daarom wordt in wat gezegd wordt: “behalve de Vader”, te verstaan gegeven, dat de Zoon het weet, niet alleen wat Zijn goddelijke natuur betreft, maar ook wat Zijn menselijke. Want Chrysostomus redeneert terecht (22e Hom.): “Als het aan Christus als mens gegeven is te weten, hoe Hij recht moet spreken, wat van meer 332belang is, is het Hem zoveel te meer gegeven te weten wat van minder belang is, nl. het tijdsstip van het oordeel”.
Origenes tamen [tract. 30. in Matth.] hoc exponit de Christo secundum « corpus ejus quod est Ecclesia » [Col. cap. 1. v. 24] quae hoc4 tempus ignorat. Quidam autem dicunt, hoc esse intelligendum de filio Dei adoptivo, non de filio naturali.
Origenes legt het echter uit van Christus, wat « zijn lichaam, dat de Kerk is, betreft », die namelijk dit tijdsstip niet kent. Anderen zeggen, dat het moet opgevat worden van Gods aangenomen, niet van Gods natuurlijke Zoon.Origenes legt het echter uit van Christus, wat “zijn lichaam, dat de Kerk is, betreft”, die namelijk dit tijdsstip niet kent. Anderen zeggen, dat het moet opgevat worden van Gods aangenomen, niet van Gods natuurlijke Zoon.
Ad secundum dicendum, quod Deus intantum5 perfectius cognoscit suam essentiam, quam anima Christi, quod6 eam comprehendit. Et ideo cognoscit omnia, non solum quae sunt in actu secundum quodcumque tempus, quae dicitur cognoscere « scientia visionis » sed etiam omnia quaecumque ipse facere potest, quae dicitur cognoscere per « simplicem intelligentiam » ut in 1. habitum est [q. 14. art. 9.]. Scit ergo anima Christi omnia, quae Deus in seipso cognoscit per scientiam visionis: non tamen omnia, quae Deus in seipso cognoscit per scientiam simplicis intelligentiae. Et ita plura scit Deus in seipso, quam anima Christi.
2. God kent Zijn Wezen op volmaakter wijze dan Christus' ziel, omdat Hij het doorgrondt. En daarom kent Hij alles, niet alleen wat daadwerkelijk in een of anderen tijd bestaat, welke kennis « de wetenschap van aanschouwen » wordt genoemd, maar ook alles wat Hij zelf kan maken, wat de « kennis van eenvoudig begrijpen » wordt genoemd, zooals in het eerste deel (14e Kw., 9e Art.) is behandeld. Christus' ziel kent dus alles, wat God in zichzelf kent met de kennis van aanschouwen; maar niet, wat God in zichzelf kent met de wetenschap van eenvoudig begrijpen En daarom ziet God in zichzelf meer dan Christus' ziel.2. God kent Zijn Wezen op volmaakter wijze dan Christus' ziel, omdat Hij het doorgrondt. En daarom kent Hij alles, niet alleen wat daadwerkelijk in een of andere tijd bestaat, welke kennis “de wetenschap van aanschouwen” wordt genoemd, maar ook alles wat Hij zelf kan maken, wat de “kennis van eenvoudig begrijpen” wordt genoemd, zoals in het eerste deel (14e Kw., 9e Art.) is behandeld. Christus' ziel kent dus alles, wat God in zichzelf kent met de kennis van aanschouwen; maar niet, wat God in zichzelf kent met de wetenschap van eenvoudig begrijpen En daarom ziet God in zichzelf meer dan Christus' ziel.
Ad tertium dicendum, quod quantitas scientiae non solum attenditur secundum numerum scibilium, sed etiam secundum claritatem cognitionis. Quamvis igitur scientia animae Christi, quam habet in Verbo, parificetur scientiae visionis, quam Deus habet in seipso, quantum ad numerum scibilium: scientia tamen Dei excedit in infinitum, quantum ad claritatem cognitionis, scientiam animae Christi. Quia lumen increatum divini intellectus in infinitum excedit lumen creatum quodcumque receptum in anima Christi; licet, absolute loquendo, scientia divina excedat scientiam animae Christi7, non solum quantum ad modum cognoscendi, sed etiam quantum ad numerum scibilium, ut dictum est [in corp. art.].
3. De grootheid van een wetenschap wordt niet alleen afgemeten naar het aantal kenbare dingen, maar ook naar de duidelijkheid der kennis. Al zou dus de kennis, die Christus' ziel in het Woord heeft, 333gelijk zijn aan de wetenschap van aanschouwen, die God in zichzelf heeft, wat het aantal kenbare dingen betreft, toch gaat Gods wetenschap wat de duidelijkheid der kennis betreft die van Christus' ziel oneindig te boven. Want het ongeschapen licht van Gods verstand gaat ieder geschapen en in Christus' ziel ontvangen licht oneindig te boven, niet alleen wat de manier van kennen betreft, maar ook, zooals gezegd is (in de Leerstelling en in Antw. op 2e B.), het aantal kenbare dingen.3. De grootheid van een wetenschap wordt niet alleen afgemeten naar het aantal kenbare dingen, maar ook naar de duidelijkheid van de kennis. Al zou dus de kennis, die Christus' ziel in het Woord heeft, 333gelijk zijn aan de wetenschap van aanschouwen, die God in zichzelf heeft, wat het aantal kenbare dingen betreft, toch gaat Gods wetenschap wat de duidelijkheid van de kennis betreft die van Christus' ziel oneindig te boven. Want het ongeschapen licht van Gods verstand gaat ieder geschapen en in Christus' ziel ontvangen licht oneindig te boven, niet alleen wat de manier van kennen betreft, maar ook, zoals gezegd is (in de Leerstelling en in Antw. op 2e B.), het aantal kenbare dingen.
Utrum anima Christi in verbo cognoverit infinita1
Kende Christus' ziel het oneindige in het Woord?
333Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod anima Christi non possit cognoscere infinita in Verbo: quod enim infinitum, cognoscatur, repugnat definitioni infiniti, prout dicitur in 3. Physicor. [cap. 6. n. 8. S. Th. lect. 33411.] quod « infinitum est, cujus quantitatem accipientibus, semper est aliquid extra accipere ». Impossibile autem est definitionem a definito separari; quia hoc esset contradictoria esse simul. Ergo impossibile est, quod anima Christi sciat infinita.
333Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus' ziel in het Woord het oneindige niet kon kennen. — 1. Want dat het oneindige gekend zou worden, strijdt met het begrip oneindig, zooals in het 3e boek Over de Physica (6e H., n. 8) wordt gezegd, dat 334« oneindig is datgene, aan welks grootheid hij die haar begrijpt, altijd nog iets meer moet toevoegen ». Maar nu is de omschrijving onscheidbaar aan wat omschreven wordt verbonden; want scheiding zou beteekenen, dat tegenovergestelde dingen tegelijk bestonden. Dus is het onmogelijk, dat Christus' ziel het oneindige zou begrijpen.333Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus' ziel in het Woord het oneindige niet kon kennen. — 1. Want dat het oneindige gekend zou worden, strijdt met het begrip oneindig, zoals in het 3e boek Over de Fysica (6e H., n. 8) wordt gezegd, dat 334“oneindig is datgene, aan welks grootheid hij die haar begrijpt, altijd nog iets meer moet toevoegen”. Maar nu is de omschrijving onscheidbaar aan wat omschreven wordt verbonden; want scheiding zou betekenen, dat tegenovergestelde dingen tegelijk bestonden. Dus is het onmogelijk, dat Christus' ziel het oneindige zou begrijpen.
2. Praeterea, infinitorum scientia est infinita. Sed scientia animae Christi non potest esse infinita: est enim capacitas ejus finita, cum sit creata2. Non ergo anima Christi potest cognoscere infinita.
2. Het weten van iets oneindigs is zelf oneindig. Nu kan de wetenschap van Christus' ziel niet oneindig zijn, want haar opnemingsvermogen is, omdat zij een schepsel is, eindig. Dus kon Christus' ziel het oneindige niet kennen.
3. Praeterea, infinito non potest esse aliquid majus. Sed plura continentur in scientia divina, absolute loquendo, quam in scientia animae Christi, ut dictum est [art. praec.]. Ergo anima Christi non cognoscit infinita.
3. Niets kan grooter zijn dan het oneindige. Maar absoluut gesproken, wordt door de goddelijke wetenschap meer omvat dan door die van Christus' ziel, zooals gezegd is (in 't vorig Art.). Dus kent Christus' ziel niets oneindigs.3. Niets kan groter zijn dan het oneindige. Maar absoluut gesproken, wordt door de goddelijke wetenschap meer omvat dan door die van Christus' ziel, zoals gezegd is (in 't vorig Art.). Dus kent Christus' ziel niets oneindigs.
Sed contra, anima Christi cognoscit totam suam potentiam, et omnia, quae3 potest. Potest autem in emundationem infinitorum peccatorum, secundum illud 1. Joan. 2. [v. 2]: « Ipse est propitiatio pro peccatis 335nostris: non autem pro nostris tantum, sed etiam pro totius mundi ». Ergo anima Christi cognoscit infinita.
Maar daartegenover staat, dat Christus' ziel haar eigen vermogen en alles, waarover zij macht heeft, kent. Maar zij heeft vermogen om oneindig veel zonden weg te nemen, volgens den Eersten Brief van Johannes (2, 2): « Hij is de verzoening voor onze zonden, maar niet voor de onzen alleen, doch ook voor die 335van de geheele wereld ». Dus kent Christus' ziel een oneindig aantal dingen.Maar daartegenover staat, dat Christus' ziel haar eigen vermogen en alles, waarover zij macht heeft, kent. Maar zij heeft vermogen om oneindig veel zonden weg te nemen, volgens de Eerste Brief van Johannes (2, 2): “Hij is de verzoening voor onze zonden, maar niet voor de onze alleen, doch ook voor die 335van de gehele wereld”. Dus kent Christus' ziel een oneindig aantal dingen.
Respondeo dicendum, quod scientia non est nisi entis [Arist. Postanal], eo quod ens et verum convertuntur. Dupliciter autem dicitur aliquid ens: uno modo simpliciter, quod scilicet est ens actu: alio modo secundum quid, quod scilicet est ens in potentia. Et quia, ut dicitur in 9. Metaph. [S. Th. lect. 10] unumquodque cognoscitur, secundum quod est actu, non autem secundum quod est in potentia, scientia primo et principaliter respicit ens actu. Secundario autem respicit ens in potentia; quod quidem non secundum seipsum cognoscibile est, sed secundum quod cognoscitur illud, in cujus potentia existit.
Leerstelling. — Wetenschap gaat alleen over wat bestaat, omdat bestaan en waar onkeerbaar zijn. Nu noemt men in dubbelen zin iets bestaand: ten eerste zonder beperking, nl. datgene wat daadwerkelijk bestaat; ten tweede in zekeren zin, nl. datgene wat het vermogen heeft om te bestaan. En omdat, zooals in het 9e boek Over de Metaphysiek wordt gezegd, iets gekend wordt, in zoover iets daadwerkelijk iets is, niet in zoover het iets kan zijn, gaat de wetenschap op de eerste plaats en voornamelijk over wat daadwerkelijk bestaat. Op de tweede plaats houdt zij zich bezig met wat kan bestaan, en dat is in zichzelf niet kenbaar, maar in zoover datgene wordt gekend, in welks vermogen het besloten ligt.Leerstelling. — Wetenschap gaat alleen over wat bestaat, omdat bestaan en waar omkeerbaar zijn. Nu noemt men in dubbelen zin iets bestaand: ten eerste zonder beperking, nl. datgene wat daadwerkelijk bestaat; ten tweede in zekeren zin, nl. datgene wat het vermogen heeft om te bestaan. En omdat, zoals in het 9e boek Over de Metafysica wordt gezegd, iets gekend wordt, in zover iets daadwerkelijk iets is, niet in zover het iets kan zijn, gaat de wetenschap op de eerste plaats en voornamelijk over wat daadwerkelijk bestaat. Op de tweede plaats houdt zij zich bezig met wat kan bestaan, en dat is in zichzelf niet kenbaar, maar in zover datgene wordt gekend, in welks vermogen het besloten ligt.
Quantum igitur ad primum modum scientiae, anima Christi non scit infinita. Quia non sunt infinita in actu, etiamsi accipiantur omnia quaecumque sunt in actu, secundum quodcumque tempus; eo quod status generationis, et corruptionis non durat in infinitum, unde est certus numerus, non solum eorum quae sunt absque generatione, et corruptione, sed etiam 336generabilium, et corruptibilium. Quantum vero ad alium modum sciendi, anima Christi in verbo scit infinita. Scit enim, ut dictum est [art. praec.], omnia quae sunt in potentia creaturae. Unde cum in potentia creaturae sint infinita, per hoc modum scit infinita, quasi quadam scientia simplicis intelligentiae, non autem scientia visionis.
Wat nu de eerste soort wetenschap betreft, kent Christus' ziel geen oneindig aantal dingen. Want daadwerkelijk bestaat er geen oneindig aantal dingen, ook al neemt men alles bijeen, wat daadwerkelijk bestaat in welken tijd ook; en dit is hierom, dat de toestand van worden en vergaan niet in het oneindige voortduurt; daarom is er een bepaald getal niet alleen van de dingen, die aan worden en vergaan niet onderhevig zijn, maar ook van wat wordt 336en vergaat. — Maar wat de andere soort van wetenschap aangaat, kent Christus' ziel in het Woord een oneindig aantal dingen. Want zij kent, zooals gezegd is (in 't vorige Art.), alles wat in het vermogen der schepselen ligt. En omdat er een oneindig aantal dingen onder het vermogen der schepselen valt, kent zij zoo een oneindig aantal dingen als met een wetenschap van eenvoudig begrijpen, maar niet met een wetenschap van aanschouwen.Wat nu de eerste soort wetenschap betreft, kent Christus' ziel geen oneindig aantal dingen. Want daadwerkelijk bestaat er geen oneindig aantal dingen, ook al neemt men alles bijeen, wat daadwerkelijk bestaat in welke tijd ook; en dit is hierom, dat de toestand van worden en vergaan niet in het oneindige voortduurt; daarom is er een bepaald getal niet alleen van de dingen, die aan worden en vergaan niet onderhevig zijn, maar ook van wat wordt 336en vergaat. — Maar wat de andere soort van wetenschap aangaat, kent Christus' ziel in het Woord een oneindig aantal dingen. Want zij kent, zoals gezegd is (in 't vorige Art.), alles wat in het vermogen van de schepselen ligt. En omdat er een oneindig aantal dingen onder het vermogen van de schepselen valt, kent zij zo een oneindig aantal dingen als met een wetenschap van eenvoudig begrijpen, maar niet met een wetenschap van aanschouwen.
Ad primum ergo dicendum, quod infinitum, sicut in 1. dictum est [q. 7. art. 1.], dupliciter dicitur. Uno modo secundum rationem formae: et sic dicitur infinitum negative, scilicet id quod est forma, vel actus non limitatus per materiam, vel subjectum, in quo recipiatur. Et hujusmodi infinitum, quantum est de se, est maxime cognoscibile propter perfectionem actus, licet non sit comprehensibile a potentia finita creaturae: sic enim dicitur Deus infinitus; et tale infinitum anima Christi cognoscit, licet non comprehendat. Alio modo dicitur infinitum secundum rationem4 materiae: quod quidem dicitur privative, ex hoc scilicet quod non habet formam, 337quam natum est habere. Et per hunc modum dicitur infinitum in quantitate: tale autem infinitum ex sui ratione est ignotum; quia scilicet est quasi materia cum privatione formae, ut dicitur 3. Phys. [cap. 6. n. 10. S. Th. lect. 11.]: omnis autem cognitio est per formam, vel actum. Sic ergo si hujusmodi infinitum cognosci debeat secundum modum ipsius cogniti, impossibile est quod cognoscatur: est enim modus ipsius, ut accipiatur pars ejus post partem, ut dicitur in 3. Phys. [cap. 6. n. 2, 3. S. Th. lect. 10.]: et hoc modo verum est, quod « ejus quantitatem accipientibus » scilicet parte accepta post partem. « semper est aliquid extra accipere ». Sed sicut materialia possunt accipi ab intellectu immaterialiter, et multa unite: ita infinita possunt accipi ab intellectu non per modum infiniti, sed quasi finite; ut sic ea quae sunt in seipsis infinita, sint in intellectu5 cognoscentis finita. Et hoc modo anima Christi scit infinita; inquantum scilicet scit ea non discurrendo per singula, sed in aliquo uno; puta in aliqua creatura, in cujus potentia existunt6 infinita, et principaliter in ipso Verbo.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zooals in het eerste deel (7e Kw., 1e Art.) gezegd is, spreekt men in dubbelen zin van oneindig. Ten eerste naar de aard van de vorm. En zoo wordt iets ontkennend oneindig genoemd, nl. datgene, wat een vorm of act is, die niet begrensd wordt door een stof of drager, waarin zij ontvangen wordt. Zoo iets oneindigs is van zijn kant bezien in hoogste mate kenbaar om de volmaaktheid van de act, al kan het niet doorgrond worden door het eindige vermogen van een schepsel; zoo immers noemen wij God oneindig. En zoo iets oneindigs kende Christus' ziel, al doorgrondde zij het niet. Daarnaast wordt iets oneindig genoemd om het vermogen van de stof. En hierbij noemt men een gebrek, omdat het nl. de vorm 337niet heeft, die het van nature hebben moet. En op deze manier spreekt men van het oneindige in hoeveelheid. Maar zoo iets oneindigs is bij begrip onkenbaar, want het is als het ware een stof, die de vorm mist, zooals in het 3e boek Over de Physika (6e H., n. 10) wordt gezegd; en iedere kennis komt van een vorm of een act. En als dus zoo iets oneindigs volgens de eigen aard van het voorwerp der kennis gekend moet worden, is het onkenbaar, want die eigen aard is, dat het eene deel ervan na het andere waargenomen wordt, zooals in het 3e boek Over de Physica (6e H., n. 2 en 3) staat. En zoo is het waar, dat « als iemand zijn hoeveelheid begrijpt », nl. door het eene deel na het andere te nemen, « hij er altijd nog iets bij moet nemen ». Zooals echter de stoffelijke dingen door het verstand onstoffelijk kunnen worden opgevat en wat veel is als een eenheid, zoo kan ook het oneindige door het verstand worden opgevat niet als oneindig, maar als het ware eindig, zoodat zoo wat in zichzelf oneindig is, voor het verstand van den kenner eindig is. En op die manier kent Christus' ziel een oneindig aantal dingen, in zoover het hen nl. niet kent door hen een voor een af te gaan, maar in iets eens, bv. in een schepsel, in welks vermogen zij te voren bestaan, en vooral in het Woord zelf.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoals in het eerste deel (7e Kw., 1e Art.) gezegd is, spreekt men in dubbelen zin van oneindig. Ten eerste naar de aard van de vorm. En zo wordt iets ontkennend oneindig genoemd, nl. datgene, wat een vorm of act is, die niet begrensd wordt door een stof of drager, waarin zij ontvangen wordt. Zo iets oneindigs is van zijn kant bezien in hoogste mate kenbaar om de volmaaktheid van de act, al kan het niet doorgrond worden door het eindige vermogen van een schepsel; zo immers noemen wij God oneindig. En zo iets oneindigs kende Christus' ziel, al doorgrondde zij het niet. Daarnaast wordt iets oneindig genoemd om het vermogen van de stof. En hierbij noemt men een gebrek, omdat het nl. de vorm 337niet heeft, die het van nature hebben moet. En op deze manier spreekt men van het oneindige in hoeveelheid. Maar zo iets oneindigs is bij begrip onkenbaar, want het is als het ware een stof, die de vorm mist, zoals in het 3e boek Over de Fysica (6e H., n. 10) wordt gezegd; en iedere kennis komt van een vorm of een act. En als dus zo iets oneindigs volgens de eigen aard van het voorwerp van de kennis gekend moet worden, is het onkenbaar, want die eigen aard is, dat het ene deel ervan na het andere waargenomen wordt, zoals in het 3e boek Over de Fysica (6e H., n. 2 en 3) staat. En zo is het waar, dat “als iemand zijn hoeveelheid begrijpt”, nl. door het ene deel na het andere te nemen, “hij er altijd nog iets bij moet nemen”. Zoals echter de stoffelijke dingen door het verstand onstoffelijk kunnen worden opgevat en wat veel is als een eenheid, zo kan ook het oneindige door het verstand worden opgevat niet als oneindig, maar als het ware eindig, zodat zo wat in zichzelf oneindig is, voor het verstand van de kenner eindig is. En op die manier kent Christus' ziel een oneindig aantal dingen, in zover het hen nl. niet kent door hen een voor een af te gaan, maar in iets eens, bv. in een schepsel, in welks vermogen zij te voren bestaan, en vooral in het Woord zelf.
338Ad secundum dicendum, quod nihil prohibet, aliquid esse infinitum uno modo, quod est alio modo finitum: sicut si imaginemur in quantitatibus superficiem, quae sit secundum longitudinem infinita, secundum latitudinem autem finita. Sic igitur si essent infiniti homines numero, haberent quidem infinitatem7 secundum aliquid, scilicet secundum multitudinem: secundum tamen essentiae rationem haberent finitatem8, eo quod omnium9 essentia esset limitata sub ratione unius speciei. Sed id quod est simpliciter infinitum, secundum essentiae rationem, est Deus, ut in 1. dictum est [q. 7. art. 2.]. Proprium autem objectum intellectus est « quod quid est » ut dicitur 3. de Anima [cap. 6. n. 7. S. Th. lect. 11.]; ad quod pertinet ratio speciei.
3382. Niets belet, dat iets op een manier eindig en op een andere oneindig is, zooals wij ons bij de hoeveelheden een oppervlak voorstellen dat in de lengte oneindig, maar in breedte eindig is. Als de menschen dus oneindig in aantal waren, zouden zij in hun bestaan in een opzicht de oneindigheid hebben, nl. in menigte; maar naar de aard van hun wezen zouden zij geen oneindigheid hebben, omdat ieder wezen begrensd is, daar het de aard van maar een soort had. Maar wat zonder meer oneindig is naar de wezensaard, is God, zooals in het eerste deel (7e Kw., 2e Art.) is gezegd. Nu is het eigen voorwerp van het verstand « dat wat iets is », zooals in het 3e boek Over de Ziel wordt gezegd; daartoe behoort de wezenaard.3382. Niets belet, dat iets op een manier eindig en op een andere oneindig is, zoals wij ons bij de hoeveelheden een oppervlak voorstellen dat in de lengte oneindig, maar in breedte eindig is. Als de mensen dus oneindig in aantal waren, zouden zij in hun bestaan in een opzicht de oneindigheid hebben, nl. in menigte; maar naar de aard van hun wezen zouden zij geen oneindigheid hebben, omdat ieder wezen begrensd is, daar het de aard van maar een soort had. Maar wat zonder meer oneindig is naar de wezensaard, is God, zoals in het eerste deel (7e Kw., 2e Art.) is gezegd. Nu is het eigen voorwerp van het verstand “dat wat iets is”, zoals in het 3e boek Over de Ziel wordt gezegd; daartoe behoort de wezenaard.
Sic igitur anima Christi, propter hoc quod habet capacitatem finitam, id quod est simpliciter infinitum secundum essentiam, scilicet Deum, attingit quidem, sed non comprehendit, ut dictum est [art. 1. huj. q.]. Id autem infinitum, quod in creaturis est in potentia, potest comprehendi ab anima Christi: quia comparatur ad ipsam secundum essentiae rationem: ex qua 339parte infinitatem non habet. Nam etiam intellectus noster intelligit universale, puta naturam generis, vel speciei, quod quodammodo habet infinitatem, inquantum potest de infinitis praedicari.
Zoo bereikt dus Christus' ziel, omdat zij een begrensd vermogen heeft, dat wat naar Zijn wezen zonder meer oneindig is, nl. God, wel, maar doorgrondt Het niet, zooals werd gezegd (1e Art.). Maar het oneindige, dat in het vermogen der schepselen bestaat, kan door Christus' ziel omvat worden, want het verhoudt zich tot haar volgens de wezensaard, en van die kant bezit het geen 339oneindigheid. Want ons verstand begrijpt ook wel het algemeene, nl. de soortelijke of geslachtelijke natuur, die ook in zekeren zin een oneindigheid bezit, in zoover het van een oneindig aantal dingen kan worden gezegd.Zo bereikt dus Christus' ziel, omdat zij een begrensd vermogen heeft, dat wat naar Zijn wezen zonder meer oneindig is, nl. God, wel, maar doorgrondt Het niet, zoals werd gezegd (1e Art.). Maar het oneindige, dat in het vermogen van de schepselen bestaat, kan door Christus' ziel omvat worden, want het verhoudt zich tot haar volgens de wezensaard, en van die kant bezit het geen 339oneindigheid. Want ons verstand begrijpt ook wel het algemene, nl. de soortelijke of geslachtelijke natuur, die ook in zekeren zin een oneindigheid bezit, in zover het van een oneindig aantal dingen kan worden gezegd.
Ad tertium dicendum, quod id quod est infinitum omnibus modis, non potest esse nisi unum. Unde et Philos. dicit in 1. de Coelo [cap. 7. n. 5. S. Th. lect. 8.], quod quia corpus est ad omnem partem dimensionatum, impossibile est esse plura corpora infinita. Si tamen aliquid esset infinitum uno modo tantum, nihil prohiberet esse plura talia infinita, sicut si intelligeremus plures lineas infinitas secundum longitudinem protractas in aliqua superficie finita secundum latitudinem. Quia igitur infinitum non est substantia quaedam, sed accidit rebus, quae dicuntur infinitae, ut dicitur 3. Physicorum [cap. 5. n. 3, 4. S. Th. lect. 7.], sicut infinitum multiplicatur secundum diversa subjecta, ita necesse est quod proprietas infiniti multiplicetur, ita quod conveniat unicuique illorum secundum illud subjectum. Est autem quaedam proprietas infiniti, quod infinito non sit aliquid majus. Sic igitur si accipiamus unam lineam infinitam, in illa non est aliquid majus infinito: et similiter si accipiamus quamcumque aliarum linearum infinitarum, 340manifestum est quod uniuscujusque earum partes sunt infinitae. Oportet ergo, quod omnibus illis partibus10 infinitis non sit aliquid majus in illa linea, et in tertia erunt plures partes etiam infinitae praeter istas; et hoc etiam videmus in numeris accidere: nam species numerorum parium sunt infinitae, et similiter species numerorum imparium: et tamen numeri pares, et impares sunt plures quam pares.
3. Wat in alle opzichten oneindig is, kan maar een ding zijn; daarom zegt de Philosoof in het 1e boek Over Hemel en Aarde (7e H., n. 5), dat het onmogelijk is, dat er meerdere oneindige lichamen bestaan, omdat een lichaam aan alle kanten afmetingen heeft. Maar als iets maar op een manier oneindig zou zijn, was er niets tegen, dat er meer van die oneindige dingen waren; zooals wij ons meerdere lijnen zouden kunnen voorstellen oneindig in lengte, die getrokken waren op een in de breedte begrensd vlak. Omdat dus het oneindige geen zelfstandigheid is, maar een bijkomstigheid van de dingen, die oneindig worden genoemd, naar het 3e boek Over de Physica (5e H., n. 3 en 4), moet men wel zeggen, dat zooals het oneindige vermenigvuldigd wordt door de verschillende dragers, zoo ook de eigenschappen van het oneindige vermenigvuldigd worden en dus aan elk ervan toekomen volgens dien drager. Nu is het een van de eigenschappen van het oneindige, dat niets grooter kan zijn dan het oneindige. Nemen wij dus een oneindige lijn, dan kan er in haar niets grooter zijn dan het oneindige. En 340nemen wij evenzoo ieder van de andere oneindige lijnen, dan is het duidelijk, dat de deelen van ieder oneindig in aantal zijn. Bij al die oneindige dingen is het dus noodig, dat er in die lijn niets grooters is, maar in een andere en derde lijn zullen er daarbuiten meer deelen, ook oneindig zijn. Dat zien wij ook bij getallen gebeuren; want er zijn oneindig veel soorten even getallen en eveneens oneven getallen; en toch zijn er meer even en oneven getallen te samen dan even getallen.3. Wat in alle opzichten oneindig is, kan maar een ding zijn; daarom zegt de Filosoof in het 1e boek Over Hemel en Aarde (7e H., n. 5), dat het onmogelijk is, dat er meerdere oneindige lichamen bestaan, omdat een lichaam aan alle kanten afmetingen heeft. Maar als iets maar op een manier oneindig zou zijn, was er niets tegen, dat er meer van die oneindige dingen waren; zoals wij ons meerdere lijnen zouden kunnen voorstellen oneindig in lengte, die getrokken waren op een in de breedte begrensd vlak. Omdat dus het oneindige geen zelfstandigheid is, maar een bijkomstigheid van de dingen, die oneindig worden genoemd, naar het 3e boek Over de Fysica (5e H., n. 3 en 4), moet men wel zeggen, dat zoals het oneindige vermenigvuldigd wordt door de verschillende dragers, zo ook de eigenschappen van het oneindige vermenigvuldigd worden en dus aan elk ervan toekomen volgens die drager. Nu is het een van de eigenschappen van het oneindige, dat niets groter kan zijn dan het oneindige. Nemen wij dus een oneindige lijn, dan kan er in haar niets groter zijn dan het oneindige. En 340nemen wij evenzo ieder van de andere oneindige lijnen, dan is het duidelijk, dat de delen van ieder oneindig in aantal zijn. Bij al die oneindige dingen is het dus nodig, dat er in die lijn niets groters is, maar in een andere en derde lijn zullen er daarbuiten meer delen, ook oneindig zijn. Dat zien wij ook bij getallen gebeuren; want er zijn oneindig veel soorten even getallen en eveneens oneven getallen; en toch zijn er meer even en oneven getallen te samen dan even getallen.
Sic igitur dicendum est, quod infinito simpliciter quoad omnia nihil est majus: infinito autem secundum quid determinatum non est11 majus in illo ordine: potest tamen accipi aliquid aliud12 majus extra illum ordinem. Per hunc igitur modum infinita sunt in potentia creaturae: et tamen plura sunt in potentia Dei, quam in potentia creaturae. Et similiter anima Christi scit infinita scientia simplicis intelligentiae: plura tamen scit Deus secundum hunc scientiae13 modum.
Wij moeten daarom zeggen, dat er niets grooter is dan wat zonder meer in alle opzichten oneindig is; maar grooter dan iets, wat in een bepaald opzicht oneindig is, is er niets in datzelfde opzicht, maar wel kan men iets grooters vinden buiten die orde. En zoo liggen er een oneindig aantal dingen in het vermogen der schepselen; en toch ligt er meer in Gods vermogen dan in dat van het schepsel. Evenzoo ook kent Christus' ziel een oneindig aantal dingen met de wetenschap van eenvoudig begrijpen; toch kent God er op deze manier meer.Wij moeten daarom zeggen, dat er niets groter is dan wat zonder meer in alle opzichten oneindig is; maar groter dan iets, wat in een bepaald opzicht oneindig is, is er niets in datzelfde opzicht, maar wel kan men iets groters vinden buiten die orde. En zo liggen er een oneindig aantal dingen in het vermogen van de schepselen; en toch ligt er meer in Gods vermogen dan in dat van het schepsel. Evenzo ook kent Christus' ziel een oneindig aantal dingen met de wetenschap van eenvoudig begrijpen; toch kent God er op deze manier meer.
Utrum anima Christi videat Verbum, sive divinam essentiam clarius qualibet alia creatura1
Kent Christus' ziel het Woord volmaakter dan welk ander schepsel ook?
341Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod anima Christi non perfectius videat Verbum, quam quaelibet alia creatura: perfectio enim cognitionis est secundum medium cognoscendi: sicut perfectior est cognitio, quae habetur per medium syllogismi demonstrativi, quam quae habetur per medium syllogismi dialectici. Sed omnes beati vident Verbum immediate per ipsam divinam essentiam, ut in 1. dictum est [q. 12. art. 2.]. Ergo anima Christi non perfectius videt Verbum, quam quaelibet alia creatura.
341Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus' ziel het Woord niet volmaakter kent dan welk ander schepsel ook. — 1. Want de volmaaktheid der kennis ligt aan het kenmiddel; zooals de kennis door middel van een de reden aangevend syllogisme volmaakter is dan die door middel van een op waarschijnlijkheden steunend syllogisme. Nu zien alle zaligen het Woord onmiddellijk door het goddelijk wezen zelf, zooals in het eerste deel is gezegd (12e Kw., 2e Art.). Dus ziet Christus' ziel het Woord niet volmaakter dan een ander schepsel.341Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus' ziel het Woord niet volmaakter kent dan welk ander schepsel ook. — 1. Want de volmaaktheid van de kennis ligt aan het kenmiddel; zoals de kennis door middel van een de reden aangevend syllogisme volmaakter is dan die door middel van een op waarschijnlijkheden steunend syllogisme. Nu zien alle zaligen het Woord onmiddellijk door het goddelijk wezen zelf, zoals in het eerste deel is gezegd (12e Kw., 2e Art.). Dus ziet Christus' ziel het Woord niet volmaakter dan een ander schepsel.
2. Praeterea, perfectio visionis non excedit potentiam visivam: sed potentia rationalis animae, qualis est anima Christi, est infra potentiam 342intellectivam angeli, ut patet per Dion. 4. cap. Coel. Hier. [ante med.]. Ergo anima Christi non perfectius videt Verbum, quam angeli.
2. De volmaaktheid van het aanschouwen gaat het vermogen om te aanschouwen niet te boven. Nu staat het vermogen van een redelijke ziel als die van Christus lager dan het begripsvermogen van een Engel, zooals Dionysius bewijst in het boek Over de 342Hemelsche Hierarchiën (4e en 7e H.). Dus ziet Christus' ziel het Woord niet volmaakter dan de Engelen.2. De volmaaktheid van het aanschouwen gaat het vermogen om te aanschouwen niet te boven. Nu staat het vermogen van een redelijke ziel als die van Christus lager dan het begripsvermogen van een Engel, zoals Dionysius bewijst in het boek Over de 342Hemelse Hierarchiën (4e en 7e H.). Dus ziet Christus' ziel het Woord niet volmaakter dan de Engelen.
3. Praeterea, Deus in infinitum perfectius videt verbum suum, quam anima. Sunt ergo infiniti gradus medii possibiles2 inter modum quo Deus videt verbum suum, et inter modum quo anima Christi videt ipsum. Ergo non est asserendum, quod anima Christi perfectius videat Verbum, vel essentiam divinam, quam quaelibet alia creatura.
3. God ziet Zijn woord oneindig veel volmaakter dan de ziel. Dus liggen er een oneindig aantal trappen tusschen de wijze, waarop God Zijn Woord ziet en die, waarop Christus' ziel het ziet. Dus moet men niet beweren, dat Christus' ziel het Woord of het goddelijk Wezen volmaakter ziet dan een ander schepsel.3. God ziet Zijn woord oneindig veel volmaakter dan de ziel. Dus liggen er een oneindig aantal trappen tussen de wijze, waarop God Zijn Woord ziet en die, waarop Christus' ziel het ziet. Dus moet men niet beweren, dat Christus' ziel het Woord of het goddelijk Wezen volmaakter ziet dan een ander schepsel.
Sed contra est, quod Apost. dicit ad Ephes. 1. [v. 20 et 21] quod « Deus constituit Christum ad dexteram suam in coelestibus supra omnem principatum, et potestatem, et virtutem, et dominationem, et nomen, quod nominatur, non solum in hoc saeculo, sed etiam in futuro ». Sed in illa coelesti gloria tanto aliquis est superior, quanto perfectius cognoscit Deum. Ergo anima Christi perfectius videt Deum, quam quaevis alia creatura.
Maar daartegenover staat, dat de Apostel in den Brief aan de Ephesiërs zegt (1, 20 en 21): « God plaatste Christus in den hemel boven alle macht en kracht en heerlijkheid en heerschappij, en boven iederen naam, die genoemd wordt niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomstige ». Nu staat iemand hooger in de hemelsche heerlijkheid naarmate hij God volmaakter kent. Dus kent Christus' ziel God volmaakter dan eenig ander schepsel.Maar daartegenover staat, dat de Apostel in de Brief aan de Efesiërs zegt (1, 20 en 21): “God plaatste Christus in de hemel boven alle macht en kracht en heerlijkheid en heerschappij, en boven iedere naam, die genoemd wordt niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomstige”. Nu staat iemand hoger in de hemelse heerlijkheid naarmate hij God volmaakter kent. Dus kent Christus' ziel God volmaakter dan enig ander schepsel.
Respondeo dicendum, quod visio divinae essentiae convenit omnibus beatis secundum participationem luminis derivati in3 eos a fonte Verbi 343Dei, secundum illud Eccli. 1. [v. 5]: « Fons sapientiae, verbum Dei in excelsis ». Huic autem Verbo Dei propinquius conjungitur anima Christi, quae est unita Verbo in persona, quam quaevis alia creatura. Et ideo plenius recipit influentiam luminis, in quo Deus videtur ab ipso verbo, quam quaecumque alia creatura. Et ideo prae caeteris creaturis perfectius videt ipsam primam veritatem, quae est Dei essentia. Unde dicitur Joan. 1. [v. 14]: « Vidimus gloriam ejus, quasi Unigeniti a Patre, plenum » non solum « gratiae » sed etiam « veritatis ».
Leerstelling. — Alle zaligen bezitten het aanschouwen van Gods Wezen doordat zij een licht ontvangen, dat op hun afstraalt uit de bron, die Gods Woord is; volgens het boek Ecclesiasticus 343(1, 5): « De bron der wijsheid is Gods Woord in den hooge ». Nu is Christus' ziel inniger dan ieder ander schepsel vereenigd met Gods Woord, omdat zij er in persoon mee vereenigd is. En dus ontvangt zij den invloed van het licht, waarin God gezien wordt door het Woord zelf, vollediger dan een ander schepsel. Daarom ziet zij volmaakter dan de andere schepselen de eerste waarheid, die Gods Wezen is. Daarom lezen wij bij Johannes (1, 14): « Wij hebben Zijn heerlijkheid gezien als van den Eeniggeborene des Vaders, vol » niet alleen « van genade », maar ook « van waarheid ».Leerstelling. — Alle zaligen bezitten het aanschouwen van Gods Wezen doordat zij een licht ontvangen, dat op hun afstraalt uit de bron, die Gods Woord is; volgens het boek Sirach 343(1, 5): “De bron van de wijsheid is Gods Woord in de hoge”. Nu is Christus' ziel inniger dan ieder ander schepsel verenigd met Gods Woord, omdat zij er in persoon mee verenigd is. En dus ontvangt zij de invloed van het licht, waarin God gezien wordt door het Woord zelf, vollediger dan een ander schepsel. Daarom ziet zij volmaakter dan de andere schepselen de eerste waarheid, die Gods Wezen is. Daarom lezen wij bij Johannes (1, 14): “Wij hebben Zijn heerlijkheid gezien als van de Eniggeborene van de Vader, vol” niet alleen “van genade”, maar ook “van waarheid”.
Ad primum ergo dicendum, quod perfectio cognitionis, quantum est ex parte cogniti, attenditur secundum medium: sed quantum est ex parte cognoscentis, attenditur secundum potentiam, vel habitum. Et inde est, quod etiam inter homines per unum medium unus perfectius cognoscit aliquam conclusionem, quam alius. Et per hunc modum anima Christi, quae abundantiori repletur4 lumine, perfectius cognoscit divinam essentiam, quam alii beati: licet omnes ipsam5 Dei essentiam videant per seipsam.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De volmaaktheid der kennis, gerekend van de kant van wat gekend wordt, wordt naar het kenmiddel afgemeten; maar gerekend van de kant van den kenner, wordt zij afgemeten naar het vermogen of de gewoonte. Daarvandaan komt het ook, dat bij de menschen de een door hetzelfde kenmiddel een gevolgtrekking beter kent dan de ander. En op deze manier kent Christus' ziel, die met een rijker licht wordt vervuld, het goddelijk wezen volmaakter dan de andere zaligen, al kennen allen Gods Wezen door dat Wezen zelf.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De volmaaktheid van de kennis, gerekend van de kant van wat gekend wordt, wordt naar het kenmiddel afgemeten; maar gerekend van de kant van de kenner, wordt zij afgemeten naar het vermogen of de gewoonte. Daarvandaan komt het ook, dat bij de mensen de een door hetzelfde kenmiddel een gevolgtrekking beter kent dan de ander. En op deze manier kent Christus' ziel, die met een rijker licht wordt vervuld, het goddelijk wezen volmaakter dan de andere zaligen, al kennen allen Gods Wezen door dat Wezen zelf.
344Ad secundum dicendum, quod visio divinae essentiae excedit naturalem potentiam cujuslibet creaturae, ut in 1. dictum est [q. 12. art. 4.]. Et ideo gradus in ipso attenduntur magis secundum ordinem gratiae, in quo Christus est excellentissimus, quam secundum ordinem naturae, secundum quem natura angelica praefertur humanae.
3442. Het aanschouwen van Gods Wezen gaat het natuurlijk vermogen van ieder schepsel te boven, zooals in het Eerste Deel is gezegd (12e Kw., 2e Art.). Daarom moeten de trappen daarin meer gerekend worden naar de orde der genade, waarin Christus boven allen uitsteekt, dan naar de natuurlijke orde, waarin de natuur der engelen boven de menschelijke staat.3442. Het aanschouwen van Gods Wezen gaat het natuurlijk vermogen van ieder schepsel te boven, zoals in het Eerste Deel is gezegd (12e Kw., 4e Art.). Daarom moeten de trappen daarin meer gerekend worden naar de orde van de genade, waarin Christus boven allen uitsteekt, dan naar de natuurlijke orde, waarin de natuur van de engelen boven de menselijke staat.
Ad tertium dicendum, quod, sicut supra dictum est de gratia [q. 7. art. 12.], quod non potest esse major gratia, quam gratia Christi per respectum ad unionem Verbi, idem etiam dicendum est et de perfectione divinae visionis: licet absolute considerando, possit esse aliquis gradus sublimior secundum infinitatem divinae potentiae.
3. Zooals boven wat de genade betreft gezegd is (7e Kw., 12e Art.), dat er geen grooter genade kan zijn dan die van Christus met betrekking tot de vereeniging met het Woord, moeten wij hetzelfde zeggen wat de volmaaktheid van het aanschouwen van God aangaat; al zou er dan ook absoluut genomen een hoogere graad kunnen zijn volgens Gods oneindige kracht.3. Zoals boven wat de genade betreft gezegd is (7e Kw., 12e Art.), dat er geen groter genade kan zijn dan die van Christus met betrekking tot de vereniging met het Woord, moeten wij hetzelfde zeggen wat de volmaaktheid van het aanschouwen van God aangaat; al zou er dan ook absoluut genomen een hogere graad kunnen zijn volgens Gods oneindige kracht.