De modo unionis ex parte personae assumentis, in octo articulos divisa
Over de vereeniging, bezien van de kant van den persoon, die aannamOver de vereniging, bezien van de kant van de persoon, die aannam
103Deinde considerandum esset de unione ex parte personae assumentis.
103Vervolgens moeten wij de vereeniging beschouwen van den kant van den persoon, die aannam,103Vervolgens moeten wij de vereniging beschouwen van de kant van de persoon, die aannam,
Et circa hoc quaeruntur octo: 1. Utrum assumere conveniat personae divinae. — 2. Utrum conveniat naturae divinae. — 3. Utrum natura possit assumere abstracta personalitate. — 4. Utrum una persona possit assumere sine alia. — 5. Utrum quaelibet persona possit assumere. — 6. Utrum plures personae possint assumere unam numero naturam. — 7. Utrum una persona possit assumere duas numero naturas. — 8. Utrum magis fuerit conveniens de persona Filii Dei, quod assumpserit humanam naturam, quam de alia persona divina.
en hierover stellen wij acht vragen: 1. Komt het aannemen toe aan den goddelijken persoon? 2. Komt het toe aan de goddelijke natuur? 3. Kan de natuur nog aannemen, als men afziet van de persoonlijkheid? 4. Kan een persoon aannemen zonder den andere? 5. Kon iedere persoon aannemen? 6. Konden meerdere personen één natuur aannemen? 7. Kon een persoon twee naturen aannemen? 8. Was het meer gepast voor den persoon van den Zoon de menschelijke natuur aan te nemen dan voor een andere?en hierover stellen wij acht vragen: 1. Komt het aannemen toe aan de goddelijke persoon? 2. Komt het toe aan de goddelijke natuur? 3. Kan de natuur nog aannemen, als men afziet van de persoonlijkheid? 4. Kan een persoon aannemen zonder de andere? 5. Kon iedere persoon aannemen? 6. Konden meerdere personen één natuur aannemen? 7. Kon een persoon twee naturen aannemen? 8. Was het meer gepast voor de persoon van de Zoon de menselijke natuur aan te nemen dan voor een andere?
Utrum personae divinae conveniat assumere naturam creatam
Komt het aan den goddelijken persoon toe een geschapen natuur aan te nemen?Komt het aan de goddelijke persoon toe een geschapen natuur aan te nemen?
104Ad primum sic proceditur. Videtur, quod personae divinae non conveniat assumere naturam creatam. Persona enim divina significat aliquid maxime perfectum. Perfectum autem est, cui non potest fieri additio. Cum igitur assumere sit quasi « ad se sumere » ita quod assumptum addatur assumenti, videtur quod personae divinae non conveniat assumere naturam creatam.
104Bedenkingen. — Men beweert, dat het aan den goddelijken persoon niet toekomt een geschapen natuur aan te nemen. — 1. Want de goddelijke persoon beteekent iets zoo volmaakt mogelijks. Nu is datgene volmaakt, waar niets bijgevoegd kan worden. Omdat nu aannemen zooiets als tot zich nemen is, zoodat wat aangenomen wordt, gevoegd wordt bij hem, die aanneemt, schijnt het, dat het aan den goddelijken persoon niet toekomt een geschapen natuur aan te nemen.104Bedenkingen. — Men beweert, dat het aan de goddelijke persoon niet toekomt een geschapen natuur aan te nemen. — 1. Want de goddelijke persoon betekent iets zo volmaakt mogelijks. Nu is datgene volmaakt, waar niets bijgevoegd kan worden. Omdat nu aannemen zoiets als tot zich nemen is, zodat wat aangenomen wordt, gevoegd wordt bij hem, die aanneemt, schijnt het, dat het aan de goddelijke persoon niet toekomt een geschapen natuur aan te nemen.
2. Praeterea, illud, ad quod aliquid assumitur, communicatur quodammodo ei, quod in ipsum assumitur; sicut dignitas communicatur ei, qui in dignitatem assumitur. Sed de ratione personae est, quod sit incommunicabilis, ut in 1. parte dictum est [q. 29. art. 3. ad 4. et q. 30. art. 4.]. Ergo personae divinae non convenit assumere, quod est ad se sumere.
2. Datgene waartoe iets aangenomen wordt, wordt in zekeren zin meegedeeld aan wat ertoe aangenomen wordt, zooals een waardigheid wordt meegedeeld aan iemand, die ertoe verheven wordt. Maar het behoort tot het wezen van den persoon onmeedeelbaar te zijn, zooals in het eerste deel is gezegd (29e Kw., 1e Art.). Daarom komt het aan den goddelijken persoon niet toe aan te nemen in den zin van tot zich te nemen.2. Datgene waartoe iets aangenomen wordt, wordt in zekeren zin meegedeeld aan wat ertoe aangenomen wordt, zoals een waardigheid wordt meegedeeld aan iemand, die ertoe verheven wordt. Maar het behoort tot het wezen van de persoon onmeedeelbaar te zijn, zoals in het eerste deel is gezegd (29e Kw., 3e Art.). Daarom komt het aan de goddelijke persoon niet toe aan te nemen in de zin van tot zich te nemen.
1053. Praeterea, persona constituitur per naturam. Sed inconveniens est, quod constitutum assumat constituens: quia effectus non agit in suam causam. Ergo personae non convenit assumere naturam.
1053. De persoon wordt gevormd door de natuur. Maar het gaat niet aan, dat wat gevormd wordt datgene wat vormt tot zich neemt, omdat het gevolg niet op de oorzaak inwerkt. Daarom komt het den persoon niet toe een natuur tot zich te nemen.1053. De persoon wordt gevormd door de natuur. Maar het gaat niet aan, dat wat gevormd wordt datgene wat vormt tot zich neemt, omdat het gevolg niet op de oorzaak inwerkt. Daarom komt het de persoon niet toe een natuur tot zich te nemen.
Sed contra est, quod Augustinus (Fulgentius) dicit de Fide ad Petrum [cap. 2.]: « Formam, idest naturam servi in suam accepit Deus ille (scilicet unigenitus) personam ». Sed Deus unigenitus est persona; ergo personae competit accipere naturam, quod est assumere.
Daartegenover staat echter het woord van Augustinus (Fulgentius), in het boek Aan Petrus over het Geloof: « De vorm, dwz. de natuur van een slaaf nam die, dwz. de eeniggeboren God, aan in zijn persoon ». Maar de eeniggeboren God is een persoon. Dus komt het den persoon toe een natuur te krijgen, dwz. tot zich te nemen.Daartegenover staat echter het woord van Augustinus (Fulgentius), in het boek Aan Petrus over het Geloof: “De vorm, dwz. de natuur van een slaaf nam die, dwz. de eniggeboren God, aan in zijn persoon”. Maar de eniggeboren God is een persoon. Dus komt het de persoon toe een natuur te krijgen, dwz. tot zich te nemen.
Respondeo dicendum, quod in verbo « assumptionis » duo importantur; videlicet principium actus, et terminus: dicitur enim assumere, quasi ad se1 sumere. Hujus autem sumptionis persona est et principium, et terminus. Principium quidem, quia personae proprie competit agere, hujusmodi autem sumptio carnis per actionem divinam facta est. Similiter etiam persona est hujus sumptionis terminus: quia, sicut supra dictum est 106[q. praec. art. 1. et 2.], unio facta est in persona, non in natura. Et sic patet, quod propriissime competit personae assumere naturam.
Leerstelling. — In het woord aanneming liggen twee dingen opgesloten, nl. het beginsel van de daad en de term, want men spreekt van aannemen in den zin van iets tot zich nemen. Nu is de persoon beginsel en term van die aanneming. En wel beginsel, omdat het eigenlijk aan den persoon toekomt te werken, en die aanneming van het vleesch is gebeurd door een goddelijke daad. Evenzoo is de persoon ook de eindterm van deze aanneming, want de vereeniging is, zooals boven werd gezegd (2e Kw., 1e en 2e Art.), geschied in persoon, niet in natuur. En zoo blijkt, 106dat het het meest eigenlijk aan den persoon toekomt een natuur aan te nemen.Leerstelling. — In het woord aanneming liggen twee dingen opgesloten, nl. het beginsel van de daad en de term, want men spreekt van aannemen in de zin van iets tot zich nemen. Nu is de persoon beginsel en term van die aanneming. En wel beginsel, omdat het eigenlijk aan de persoon toekomt te werken, en die aanneming van het vlees is gebeurd door een goddelijke daad. Evenzo is de persoon ook de eindterm van deze aanneming, want de vereniging is, zoals boven werd gezegd (2e Kw., 1e en 2e Art.), geschied in persoon, niet in natuur. En zo blijkt, 106dat het het meest eigenlijk aan de persoon toekomt een natuur aan te nemen.
Ad primum ergo dicendum, quod cum persona divina sit infinita, non potest ei fieri additio. Unde Cyrillus dicit in epist. Synodali Ephes. Concil. [can. 5. et habetur in eo Concilio, quod est Generale 3. part. 1. cap. 26.]: « Non secundum appositionem2 conjunctionis intelligimus modum ». Sicut etiam in unione hominis ad Deum, quae est per gratiam adoptionis, non additur aliquid Deo: sed illud quod divinum est apponitur homini. Unde non Deus, sed homo perficitur.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Omdat de goddelijke persoon oneindig is, kan daar niets aan worden toegevoegd. Daarom zegt Cyrillus in den Synodalen brief van het Concilie van Ephese: « Wij vatten de manier van vereeniging niet op als een bijvoeging ». Op dezelfde manier wordt er bij de vereeniging van een mensch met God door de genade van adoptie niet iets bij God gevoegd, maar het goddelijke wordt bij den mensch gevoegd. Dus niet God, maar de mensch wordt vervolmaakt.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Omdat de goddelijke persoon oneindig is, kan daar niets aan worden toegevoegd. Daarom zegt Cyrillus in de Synodale brief van het Concilie van Efeze: “Wij vatten de manier van vereniging niet op als een bijvoeging”. Op dezelfde manier wordt er bij de vereniging van een mens met God door de genade van adoptie niet iets bij God gevoegd, maar het goddelijke wordt bij de mens gevoegd. Dus niet God, maar de mens wordt vervolmaakt.
Ad secundum dicendum, quod persona dicitur incommunicabilis, inquantum non potest de pluribus suppositis praedicari. Nihil tamen prohibet, plura de persona praedicari. Unde non est contra rationem personae sic communicari, ut subsistat in pluribus naturis. Quia etiam in personam creatam possunt plures naturae concurrere accidentaliter; sicut in persona unius hominis invenitur quantitas, et qualitas. Hoc autem est proprium divinae 107personae propter ejus infinitatem, ut fiat in ea concursus naturarum, non quidem accidentaliter, sed secundum subsistentiam.
2. De persoon wordt onmeedeelbaar genoemd, in zoover hij niet van meerdere dragers kan worden gezegd. Maar er is niets tegen dat meerdere dingen van den persoon worden gezegd. Daarom is het ook niet tegen het wezen van een persoon, dat deze zoo wordt meegedeeld, dat hij in meerdere naturen bestaat. Want meerdere naturen kunnen ook in een geschapen persoon op bijkomstige manier te samen komen, zooals men in den persoon van een mensch grootheid en hoedanigheid vindt. Maar aan den goddelijken persoon is 107het om zijn oneindigheid eigen, dat in hem de naturen niet op bijkomstige wijze, maar naar het zelfstandig bestaan te samen komen.2. De persoon wordt onmeedeelbaar genoemd, in zover hij niet van meerdere dragers kan worden gezegd. Maar er is niets tegen dat meerdere dingen van de persoon worden gezegd. Daarom is het ook niet tegen het wezen van een persoon, dat deze zo wordt meegedeeld, dat hij in meerdere naturen bestaat. Want meerdere naturen kunnen ook in een geschapen persoon op bijkomstige manier te samen komen, zoals men in de persoon van een mens grootheid en hoedanigheid vindt. Maar aan de goddelijke persoon is 107het om zijn oneindigheid eigen, dat in hem de naturen niet op bijkomstige wijze, maar naar het zelfstandig bestaan te samen komen.
Ad tertium dicendum, quod, sicut supra dictum est [q. 2. art. 6. ad 2.], natura humana non constituit personam divinam simpliciter; sed constituit eam, secundum quod denominatur a tali natura. Non enim ex natura humana habet Filius Dei, quod sit simpliciter, cum fuerit ab aeterno; sed solum quod sit homo. Sed secundum naturam divinam constituitur persona divina simpliciter. Unde persona divina non dicitur assumere divinam naturam, sed humanam.
3. Zooals boven gezegd is (2e Kw., 1e Art.), vormt de menschelijke natuur den goddelijken persoon niet zonder meer, maar alleen in zoover deze naar deze natuur genoemd wordt. Want de Zoon Gods heeft niet het zijn zonder meer van de menschelijke natuur, omdat Hij van eeuwigheid bestaat, maar het menschzijn. Door de goddelijke natuur echter wordt de goddelijke persoon gevormd, en daarom zegt men niet, dat de goddelijke persoon de goddelijke natuur aanneemt, maar de menschelijke.3. Zoals boven gezegd is (2e Kw., 6e Art.), vormt de menselijke natuur de goddelijke persoon niet zonder meer, maar alleen in zover deze naar deze natuur genoemd wordt. Want de Zoon Gods heeft niet het zijn zonder meer van de menselijke natuur, omdat Hij van eeuwigheid bestaat, maar het menszijn. Door de goddelijke natuur echter wordt de goddelijke persoon gevormd, en daarom zegt men niet, dat de goddelijke persoon de goddelijke natuur aanneemt, maar de menselijke.
Utrum divinae naturae conveniat assumere
Komt het aan de goddelijke natuur toe aan te nemen?
107Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod naturae divinae non conveniat assumere. Quia, sicut dictum est [art. praec.], assumere dicitur, quasi « ad se sumere ». Sed natura divina non sumpsit ad se humanam 108naturam; quia non est facta unio in natura, sed in persona, sicut supra dictum est [q. 2. art. 1. et 2.]. Ergo naturae divinae non competit assumere naturam humanam.
107Bedenkingen. — Men beweert dat het aannemen niet aan de goddelijke natuur toekomt. — 1. Want aannemen beteekent, zooals gezegd is (voorgaand Art.), tot zich nemen, maar de goddelijke natuur heeft de menschelijke niet tot zich genomen, omdat de 108vereeniging niet in natuur is gebeurd, maar in persoon, zooals boven is gezegd (2e Kw., 1e-3e Art.). Daarom komt het aannemen niet aan de goddelijke natuur toe.107Bedenkingen. — Men beweert dat het aannemen niet aan de goddelijke natuur toekomt. — 1. Want aannemen betekent, zoals gezegd is (voorgaand Art.), tot zich nemen, maar de goddelijke natuur heeft de menselijke niet tot zich genomen, omdat de 108vereniging niet in natuur is gebeurd, maar in persoon, zoals boven is gezegd (2e Kw., 1e-3e Art.). Daarom komt het aannemen niet aan de goddelijke natuur toe.
2. Praeterea, natura divina communis est tribus personis. Si ergo naturae convenit assumere, sequitur quod conveniat tribus personis. Et ita Pater assumpsit naturam humanam, sicut et Filius. Quod est erroneum.
2. De goddelijke natuur komt aan drie personen gemeenschappelijk toe. Als dus het aannemen aan de natuur toekomt, volgt daaruit, dat het aan drie personen toekomt. En zoo had de Vader de menschelijke natuur aangenomen zooals de Zoon. Maar dat is niet waar.2. De goddelijke natuur komt aan drie personen gemeenschappelijk toe. Als dus het aannemen aan de natuur toekomt, volgt daaruit, dat het aan drie personen toekomt. En zo had de Vader de menselijke natuur aangenomen zoals de Zoon. Maar dat is niet waar.
3. Praeterea, assumere est agere. Agere autem convenit personae, non naturae, quae magis significatur ut principium, quo agens agit. Ergo assumere non convenit naturae.
3. Aannemen is werken. Werken echter is iets van den persoon, niet van de natuur, die meer het beginsel beteekent, waardoor de werker werkt. Dus komt het de natuur niet toe aan te nemen.3. Aannemen is werken. Werken echter is iets van de persoon, niet van de natuur, die meer het beginsel betekent, waardoor de werker werkt. Dus komt het de natuur niet toe aan te nemen.
Sed contra est, quod Augustinus dicit in lib. de Fide ad Pet. [cap. 2.]: « Illa natura, quae semper genita manet ex Patre » idest quae est per generationem aeternam accepta a Patre, « naturam a matre sine peccato suscepit ».
Daartegenover staat echter het woord van Augustinus (Fulgentius) in het boek Over het Geloof aan Petrus: « Die natuur, die altijd door den Vader voortgebracht blijft, dwz. die door de eeuwige voortbrenging van den Vader ontvangen is, heeft zonder zonde onze natuur gekregen ».Daartegenover staat echter het woord van Augustinus (Fulgentius) in het boek Over het Geloof aan Petrus: “Die natuur, die altijd door de Vader voortgebracht blijft, dwz. die door de eeuwige voortbrenging van de Vader ontvangen is, heeft zonder zonde onze natuur gekregen”.
Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est [art. praec.], in verbo « assumptionis », duo significantur: scilicet: principium actionis, et 109terminus ejus. Esse autem assumptionis principium, convenit naturae divinae secundum seipsam; quia ejus virtute assumptio facta est. Sed esse terminum assumptionis, non convenit naturae divinae secundum seipsam, sed ratione personae, in qua consideratur. Et ideo prima quidem, et propriissime persona dicitur assumere: secundario autem potest dici, quod etiam natura assumpsit1 naturam ad sui personam.
Leerstelling. — Zooals gezegd is (voorgaand Art.), worden door het woord aanneming twee dingen aangegeven, nl. het uitgangspunt van de daad en haar eindterm. Nu komt het aan de 109goddelijke natuur krachtens haarzelf toe beginsel van de aanneming te zijn, omdat de aanneming door haar kracht is geschied. Maar eindterm van de aanneming te zijn, komt aan de goddelijke natuur niet krachtens zichzelf toe, maar krachtens den persoon, waarin wij haar beschouwen. En daarom zeggen wij op de eerste plaats en het meest eigenlijk van den persoon, dat hij aanneemt, maar daarna kan ook gezegd worden, dat de natuur de natuur heeft aangenomen tot den persoon, waarin zij is.Leerstelling. — Zoals gezegd is (voorgaand Art.), worden door het woord aanneming twee dingen aangegeven, nl. het uitgangspunt van de daad en haar eindterm. Nu komt het aan de 109goddelijke natuur krachtens haarzelf toe beginsel van de aanneming te zijn, omdat de aanneming door haar kracht is geschied. Maar eindterm van de aanneming te zijn, komt aan de goddelijke natuur niet krachtens zichzelf toe, maar krachtens de persoon, waarin wij haar beschouwen. En daarom zeggen wij op de eerste plaats en het meest eigenlijk van de persoon, dat hij aanneemt, maar daarna kan ook gezegd worden, dat de natuur de natuur heeft aangenomen tot de persoon, waarin zij is.
Et secundum etiam hunc modum dicitur natura incarnata, non quasi sit in carnem conversa, sed quia naturam carnis assumpsit. Unde Damascenus dicit [lib. 3. Orth. Fid. cap. 6.]: « Dicimus naturam Dei incarnatam esse, secundum beatos Athanasium, et Cyrillum ».
En op deze manier spreken wij van een menschgeworden natuur, niet alsof zij in vleesch was veranderd, maar omdat zij de vleeschelijke natuur heeft aangenomen. Daarom zegt Damascenus (Over het Ware Geloof, 3e B., 6e H.): « Wij zeggen, op het voorbeeld van de Heilige Athanasius en Cyrillus, dat de goddelijke natuur is menschgeworden ».En op deze manier spreken wij van een mensgeworden natuur, niet alsof zij in vlees was veranderd, maar omdat zij de vleselijke natuur heeft aangenomen. Daarom zegt Damascenus (Over het Ware Geloof, 3e B., 6e H.): “Wij zeggen, op het voorbeeld van de Heilige Athanasius en Cyrillus, dat de goddelijke natuur is mensgeworden”.
Ad primum ergo dicendum, quod ly « se » est reciprocum, et refert idem suppositum. Natura autem divina non differt supposito a persona Verbi. Et ideo inquantum natura divina sumit naturam humanam ad personam Verbi, dicitur eam ad se sumere. Sed quamvis Pater sumat2 110naturam humanam ad personam Verbi; non tamen propter hoc sumit eam ad se, quia non est idem suppositum Patris, et Verbi. Et ideo non potest dici proprie, quod Pater assumat naturam humanam.
Antwoord op de Bedenkingen. — Het « zich » is een wederkeerig voornaamwoord en geeft aan, dat het gaat over denzelfden drager. Nu verschilt de goddelijke natuur niet in drager van den persoon van het Woord. Daarom zegt men, dat de goddelijke natuur, in zoover zij de menschelijke natuur opnam tot den persoon van het Woord, haar tot zich genomen heeft. De Vader 110echter heeft, al heeft Hij de menschelijke natuur opgenomen tot den persoon van het Woord, haar daarom toch niet tot zich genomen, omdat Vader en Woord niet denzelfden drager hebben. En daarom kan men niet in eigenlijken zin zeggen, dat de Vader de menschelijke natuur heeft aangenomen.Antwoord op de Bedenkingen. — Het “zich” is een wederkerig voornaamwoord en geeft aan, dat het gaat over dezelfde drager. Nu verschilt de goddelijke natuur niet in drager van de persoon van het Woord. Daarom zegt men, dat de goddelijke natuur, in zover zij de menselijke natuur opnam tot de persoon van het Woord, haar tot zich genomen heeft. De Vader 110echter heeft, al heeft Hij de menselijke natuur opgenomen tot de persoon van het Woord, haar daarom toch niet tot zich genomen, omdat Vader en Woord niet dezelfde drager hebben. En daarom kan men niet in eigenlijke zin zeggen, dat de Vader de menselijke natuur heeft aangenomen.
Ad secundum dicendum, quod illud quod convenit naturae divinae secundum se, convenit tribus personis; sicut bonitas, sapientia, et hujusmodi. Sed assumere convenit ei ratione personae Verbi, sicut dictum est [in corp. art.]. Et ideo soli illi personae convenit.
2. Wat aan de goddelijke natuur als zoodanig toekomt, komt aan de drie personen toe, als de goedheid, wijsheid en dergelijken. Maar aannemen komt, zooals gezegd is, aan haar toe krachtens den persoon van het Woord. En daarom komt dat alleen aan dien persoon toe.2. Wat aan de goddelijke natuur als zodanig toekomt, komt aan de drie personen toe, als de goedheid, wijsheid en dergelijken. Maar aannemen komt, zoals gezegd is, aan haar toe krachtens de persoon van het Woord. En daarom komt dat alleen aan die persoon toe.
Ad tertium dicendum, quod sicut in Deo idem est quod est, et quo est; ita etiam in eo idem est quod agit, et quo agit: quia unumquodque agit, et est ipse Deus agens.
3. Zooals in God datgene wat bestaat en datgene waardoor het bestaat, hetzelfde is, zoo is het ook hetzelfde wat werkt en waardoor het werkt, want alles werkt naarmate het bestaat. Daarom is de goddelijke natuur zoowel datgene, waardoor God werkt, en de God zelf, die werkt.3. Zoals in God datgene wat bestaat en datgene waardoor het bestaat, hetzelfde is, zo is het ook hetzelfde wat werkt en waardoor het werkt, want alles werkt naarmate het bestaat. Daarom is de goddelijke natuur zowel datgene, waardoor God werkt, en de God zelf, die werkt.
Utrum, abstracta personalitate per intellectum, natura possit assumere
Kan de natuur nog werken, als wij haar beschouwen met ons verstand, afgezien van de persoonlijkheid?
110Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod abstracta personalitate per 111intellectum, natura non possit assumere. Dictum est enim [art. 2. huj. q.], quod naturae convenit assumere ratione personae: sed quod convenit alicui ratione alicujus, remoto eo, non potest ei convenire; sicut corpus, quod est visibile ratione coloris, sine colore videri non potest. Ergo, abstracta personalitate per intellectum, natura assumere non potest.
110Bedenkingen. — Men beweert dat als wij met ons verstand 111de persoonlijkheid buiten beschouwing laten, de natuur niet kan aannemen. — 1. We hebben nl. gezegd (1e Art.), dat het aannemen aan de natuur toekomt krachtens den persoon. Maar wat aan iets toekomt krachtens iets anders, kan er niet meer aan toekomen, als dat andere is weggenomen, zooals een lichaam, dat door zijn kleur zichtbaar is, zonder kleur onzichtbaar is. Daarom kan de natuur, als wij met het verstand van de persoonlijkheid afzien, niet meer aannemen.110Bedenkingen. — Men beweert dat als wij met ons verstand 111de persoonlijkheid buiten beschouwing laten, de natuur niet kan aannemen. — 1. We hebben nl. gezegd (2e Art.), dat het aannemen aan de natuur toekomt krachtens de persoon. Maar wat aan iets toekomt krachtens iets anders, kan er niet meer aan toekomen, als dat andere is weggenomen, zoals een lichaam, dat door zijn kleur zichtbaar is, zonder kleur onzichtbaar is. Daarom kan de natuur, als wij met het verstand van de persoonlijkheid afzien, niet meer aannemen.
2. Praeterea, assumptio importat terminum unionis, ut dictum est [art. 1.]. Sed unio non potest fieri in natura, sed solum in persona. Ergo, abstracta personalitate, natura divina non potest assumere.
2. De aanneming sluit ook de eindterm van de vereeniging in, zooals gezegd is (t. a. p.). De vereeniging kan echter niet geschieden in natuur, maar alleen in persoon. Dus kan de goddelijke natuur afgezien van de persoonlijkheid niet aannemen.2. De aanneming sluit ook de eindterm van de vereniging in, zoals gezegd is (t. a. p.). De vereniging kan echter niet geschieden in natuur, maar alleen in persoon. Dus kan de goddelijke natuur afgezien van de persoonlijkheid niet aannemen.
3. Praeterea, in 1. parte dictum est [q. 40. art. 3.], quod in divinis, abstracta personalitate, nihil manet. Sed assumens est aliquid. Ergo, abstracta personalitate, non potest divina natura assumere.
3. In het eerste deel is gezegd (40e Kw., 3e Art.), dat als men bij goddelijke dingen afziet van de persoonlijkheid, er niets overblijft. Maar wie aanneemt, is iets. Daarom kan de goddelijke natuur afgezien van de persoonlijkheid, niet aannemen.
Sed contra est, quod in divinis personalitas dicitur proprietas personalis; quae triplex est; scilicet: paternitas, filiatio, et processio, ut in 1. parte dictum est [q. 30. art. 2.]. Sed remotis his per intellectum, adhuc remanet Dei omnipotentia, per quam est facta incarnatio: sicut Angelus 112dicit Luc. 1. [v. 37]: « Non erit impossibile apud Deum omne verbum ». Ergo videtur, quod1 remota personalitate, natura divina possit assumere.
Daartegenover staat echter, dat bij goddelijke dingen de persoonlijkheid een persoonlijke eigenschap wordt genoemd, en deze is drievoudig, nl. vaderschap, zoonschap en voortkomen, zooals in het eerste deel is gezegd (30e Kw., 2e Art.). Maar ziet men met het verstand daarvan af, dan blijft nog Gods almacht over, waardoor 112de menschwording is geschied, zooals de Engel zeide, Lucas, (1, 37): « Bij God is geen ding onmogelijk ». Daarom schijnt de goddelijke natuur te kunnen aannemen, zelfs afgezien van de persoonlijkheid.Daartegenover staat echter, dat bij goddelijke dingen de persoonlijkheid een persoonlijke eigenschap wordt genoemd, en deze is drievoudig, nl. vaderschap, zoonschap en voortkomen, zoals in het eerste deel is gezegd (30e Kw., 2e Art.). Maar ziet men met het verstand daarvan af, dan blijft nog Gods almacht over, waardoor 112de menswording is geschied, zoals de Engel zeide, Lukas, (1, 37): “Bij God is geen ding onmogelijk”. Daarom schijnt de goddelijke natuur te kunnen aannemen, zelfs afgezien van de persoonlijkheid.
Respondeo dicendum, quod intellectus dupliciter se habet ad divina: uno modo, ut cognoscat Deum sicuti est: et sic impossibile est, quod circumscribatur per intellectum aliquid a Deo, et2 quod aliud remaneat: quia totum quod est in Deo, est unum, salva distinctione personarum: quarum tamen una tollitur, sublata alia: quia distinguuntur solum relationibus, quas oportet esse simul.
Leerstelling. — Het verstand verhoudt zich tot de goddelijke dingen op een dubbele manier. Vooreerst zoo, dat het God kent zooals Hij is. En dan is het onmogelijk, dat het verstand zoo iets van God afzondert, dat er iets anders overblijft, want alles wat in God is, is één behalve het onderscheid in personen; en zelfs van Dezen verdwijnt de Een, als de Ander wordt weggenomen, omdat zij alleen door hun onderlinge verhouding onderscheiden zijn, die steeds tegelijk moeten bestaan.Leerstelling. — Het verstand verhoudt zich tot de goddelijke dingen op een dubbele manier. Vooreerst zo, dat het God kent zoals Hij is. En dan is het onmogelijk, dat het verstand zo iets van God afzondert, dat er iets anders overblijft, want alles wat in God is, is één behalve het onderscheid in personen; en zelfs van Deze verdwijnt de Een, als de Ander wordt weggenomen, omdat zij alleen door hun onderlinge verhouding onderscheiden zijn, die steeds tegelijk moeten bestaan.
Alio modo se habet intellectus ad divina, non quidem quasi cognoscens Deum ut est, sed per modum suum, scilicet multipliciter et divisim, id quod in Deo est unum. Et per hunc modum potest intellectus noster intelligere bonitatem, et sapientiam divinam, et alia hujusmodi, quae dicuntur essentialia attributa, non intellecta paternitate, vel filiatione, quae dicuntur 113personalitates. Et secundum hoc, abstracta personalitate per intellectum, possumus adhuc intelligere naturam assumentem.
Anders staat het verstand tegenover de goddelijke dingen, als het God niet kent, zooals Hij is, maar op zijn eigen manier, nl. dat wat in God een is, op verschillende manier en verdeeld. En op die manier kan ons verstand de goddelijke goedheid en wijsheid en dergelijken, die wezenseigenschappen worden genoemd, begrijpen, terwijl het het vaderschap en zoonschap, die persoonlijkheden worden genoemd, niet beschouwt. En op die manier kunnen wij, 113als het verstand van de persoonlijkheid afziet, nog een natuur begrijpen, die aanneemt.Anders staat het verstand tegenover de goddelijke dingen, als het God niet kent, zoals Hij is, maar op zijn eigen manier, nl. dat wat in God een is, op verschillende manier en verdeeld. En op die manier kan ons verstand de goddelijke goedheid en wijsheid en dergelijken, die wezenseigenschappen worden genoemd, begrijpen, terwijl het het vaderschap en zoonschap, die persoonlijkheden worden genoemd, niet beschouwt. En op die manier kunnen wij, 113als het verstand van de persoonlijkheid afziet, nog een natuur begrijpen, die aanneemt.
Ad primum ergo dicendum, quod quia in divinis idem est quo est, et quod est, quidquid eorum quae attribuuntur Deo in abstracto, secundum se consideretur, aliis circumscriptis, erit aliquid subsistens, et per consequens persona, cum sit in natura intellectuali. Sicut igitur nunc positis proprietatibus personalibus, remanebit in consideratione nostra natura divina, ut subsistens, et ut persona. Et per hunc modum potest intelligi, quod assumat naturam humanam ratione suae subsistentiae, vel personalitatis.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Omdat in God datgene waardoor Hij is, en dat wat Hij is, een en hetzelfde is, is alles wat aan God wordt toegekend, als het abstract en op zichzelf, afgezien van het andere, wordt beschouwd, nog iets wat zelfstandig bestaat, en dus een persoon, omdat het gaat over een verstandelijke natuur. Zoo spreken wij nu van drie personen in God, omdat wij persoonlijke eigenschappen in God aannemen, maar als wij die persoonlijke eigenschappen met ons verstand uitsluiten, blijven wij daarom nog de goddelijke natuur beschouwen als iets zelfstandig bestaands en als een persoon. En zoo kunnen wij begrijpen, dat zij de menschelijke natuur aanneemt om haar zelfstandig bestaan of persoonlijkheid.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Omdat in God datgene waardoor Hij is, en dat wat Hij is, een en hetzelfde is, is alles wat aan God wordt toegekend, als het abstract en op zichzelf, afgezien van het andere, wordt beschouwd, nog iets wat zelfstandig bestaat, en dus een persoon, omdat het gaat over een verstandelijke natuur. Zo spreken wij nu van drie personen in God, omdat wij persoonlijke eigenschappen in God aannemen, maar als wij die persoonlijke eigenschappen met ons verstand uitsluiten, blijven wij daarom nog de goddelijke natuur beschouwen als iets zelfstandig bestaands en als een persoon. En zo kunnen wij begrijpen, dat zij de menselijke natuur aanneemt om haar zelfstandig bestaan of persoonlijkheid.
Ad secundum dicendum, quod etiam circumscriptis per intellectum personalitatibus trium personarum, remanebit in intellectu una personalitas Dei, ut Judaei intelligunt; ad quam poterit terminari assumptio, sicut nunc dicimus eam terminari ad personam Verbi.
2. Ook als wij met ons verstand de persoonlijkheden der drie personen uitsluiten, blijft in ons verstand de eene persoonlijkheid van God, zooals de Joden haar opvatten, en dat kan de eindterm van de aanneming zijn, zooals wij zeggen, dat de persoon van het Woord haar eindterm is.2. Ook als wij met ons verstand de persoonlijkheden van de drie personen uitsluiten, blijft in ons verstand de ene persoonlijkheid van God, zoals de Joden haar opvatten, en dat kan de eindterm van de aanneming zijn, zoals wij zeggen, dat de persoon van het Woord haar eindterm is.
Ad tertium dicendum, quod abstracta personalitate per intellectum, dicitur nihil remanere per modum resolutionis, quasi aliud sit quod 114subjicitur relationi, et aliud ipsa relatio: quia quidquid consideratur in Deo, consideratur ut suppositum subsistens. Potest tamen aliquid eorum quae dicuntur de Deo, intelligi sine alio, non per modum resolutionis, sed per modum jam dictum [in corp. art.].
3. Men zegt, dat als het verstand van de persoonlijkheid afziet, er niets overblijft, wanneer men dit als een volkomen scheiden zou 114opvatten, alsof nl. de drager van de verhouding iets anders zou zijn als de verhouding zelf, want alles wat wij in God beschouwen, vatten wij op als een zelfstandig bestaand drager. Maar van de dingen, die wij van God zeggen, kan men het een beschouwen zonder het ander, niet als een volkomen onderscheiden, maar op de reeds uiteengezette manier.
Kan een persoon een geschapen natuur aannemen, als de andere niet aanneemt?
114Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod una persona non possit assumere naturam creatam, alia non assumente: « Indivisa enim sunt opera Trinitatis », ut dicit Augustinus in Enchirid. [cap. 38.]: sicut autem2 trium personarum est una essentia, ita et una operatio. Sed assumere est operatio quaedam. Ergo non potest convenire uni personae divinae, quin conveniat alii.
114Bedenkingen. — Men beweert, dat de eene persoon geen geschapen natuur kan aannemen, als de andere niet aanneemt. — 1. Want, zooals Augustinus zegt in het Enchiridion, « de werken der Drievuldigheid zijn niet verdeeld », omdat de drie personen één werking hebben, als één natuur. Maar aannemen is een soort werking. Daarom kan zij niet aan een persoon toekomen als zij ook niet aan de andere toekomt.114Bedenkingen. — Men beweert, dat de ene persoon geen geschapen natuur kan aannemen, als de andere niet aanneemt. — 1. Want, zoals Augustinus zegt in het Enchiridion, “de werken van de Drievuldigheid zijn niet verdeeld”, omdat de drie personen één werking hebben, als één natuur. Maar aannemen is een soort werking. Daarom kan zij niet aan een persoon toekomen als zij ook niet aan de andere toekomt.
1152. Praeterea, sicut dicimus personam Filii incarnatam, ita et naturam: « Tota » enim « divina natura in una suarum hypostasum incarnata est », ut dicit Damascenus in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 6.]. Sed natura communis est tribus personis. Ergo et assumptio.
1152. Zooals wij den Zoon menschgeworden noemen, noemen wij ook de natuur menschgeworden, want zooals Damascenus zegt (in het 3e boek Over het Ware Geloof): « is de geheele goddelijke natuur in een van haar hypostasen menschgeworden ». Nu hebben de drie personen een gemeenschappelijke natuur. Dus ook de aanneming.1152. Zoals wij de Zoon mensgeworden noemen, noemen wij ook de natuur mensgeworden, want zoals Damascenus zegt (in het 3e boek Over het Ware Geloof): “is de gehele goddelijke natuur in een van haar hypostasen mensgeworden”. Nu hebben de drie personen een gemeenschappelijke natuur. Dus ook de aanneming.
3. Praeterea, sicut humana natura in Christo assumpta est a Deo; ita etiam homines per gratiam assumuntur ab ipso, secundum illud Rom. 14. [v. 3]: « Deus illum assumpsit ». Sed haec assumptio communiter pertinet ad omnes personas. Ergo et prima.
3. Zooals de menschelijke natuur in Christus door God is aangenomen, zoo worden ook de menschen door de genade door Hem aangenomen, volgens het woord uit den Brief aan de Romeinen (14, 3): « God heeft hem aangenomen ». Maar die aanneming komt gemeenschappelijk aan de drie personen toe. Dus ook de eerstgenoemde.3. Zoals de menselijke natuur in Christus door God is aangenomen, zo worden ook de mensen door de genade door Hem aangenomen, volgens het woord uit de Brief aan de Romeinen (14, 3): “God heeft hem aangenomen”. Maar die aanneming komt gemeenschappelijk aan de drie personen toe. Dus ook de eerstgenoemde.
Sed contra est, quod Dionysius 2. cap. de Div. Nom. [lect. 1. et 3.], incarnationis mysterium dicit pertinere ad « discretam theologiam » secundum quam scilicet aliquid distincti3 dicitur de divinis personis.
Daartegenover staat echter, dat Dionysius in het boek Over de Goddelijke namen zegt, dat het geheim der menschwording valt onder de « bijzondere godgeleerdheid », waarin nl. iets bijzonders wordt geleerd over de goddelijke personen.Daartegenover staat echter, dat Dionysius in het boek Over de Goddelijke namen zegt, dat het geheim van de menswording valt onder de “bijzondere godgeleerdheid”, waarin nl. iets bijzonders wordt geleerd over de goddelijke personen.
Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est [art. 1. huj. q.], assumptio duo importat; scilicet: actum assumentis, et terminum assumptionis. 116Actus autem assumentis procedit ex divina virtute; quae communis est tribus personis: sed terminus assumptionis est persona, sicut dictum est [art. 2.]. Et ideo id quod est actionis in assumptione, commune est tribus personis: sed id quod pertinet ad rationem termini, convenit ita uni personae, quod non alii. Tres enim personae fecerunt, ut humana natura uniretur uni personae Filii.
Leerstelling. — De aanneming sluit, zooals gezegd is (1e Art.), twee dingen in: nl. de daad van hem, die aanneemt, en de eindterm der aanneming. Nu komt de daad van hem, die 116aanneemt, voort uit de goddelijke kracht, die aan de drie personen gemeen is, maar de term van de aanneming is, zooals gezegd is (t. a. pl.), de persoon. Daarom is wat er aan daad is in de aanneming aan de drie personen gemeen, maar wat de eindterm betreft, komt zij zóó aan een persoon toe, dat zij niet van de andere is. Want drie personen bewerkten, dat de menschelijke natuur werd vereenigd met den eenen persoon van den Zoon.Leerstelling. — De aanneming sluit, zoals gezegd is (1e Art.), twee dingen in: nl. de daad van hem, die aanneemt, en de eindterm van de aanneming. Nu komt de daad van hem, die 116aanneemt, voort uit de goddelijke kracht, die aan de drie personen gemeen is, maar de term van de aanneming is, zoals gezegd is (t.a.p.), de persoon. Daarom is wat er aan daad is in de aanneming aan de drie personen gemeen, maar wat de eindterm betreft, komt zij zó aan een persoon toe, dat zij niet van de andere is. Want drie personen bewerkten, dat de menselijke natuur werd verenigd met de ene persoon van de Zoon.
Ad primum ergo dicendum, quod ratio illa procedit ex parte operationis. Et sequeretur conclusio, si solam illam operationem importat absque termino, qui est persona.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het eerste bezwaar ging uit van de daad. En de gevolgtrekking zou opgaan als de aanneming alleen de daad insloot zonder de eindterm, die een persoon is.
Ad secundum dicendum, quod natura dicitur incarnata, sicut et assumens, ratione personae, ad quam terminata est unio, sicut dictum est [art. 1. et 2. huj. q.], non autem prout est communis tribus personis. Dicitur autem « tota natura divina incarnata », non quia sit incarnata in omnibus personis, sed quia nihil deest de perfectione divinae naturae personae incarnatae.
2. Wij noemen de natuur menschgeworden, zooals wij zeggen, dat zij aangenomen heeft, om wille van den persoon, die de eindterm van de vereeniging is, zooals werd gezegd (1e en 2e Art.), maar niet in zoover zij aan de drie personen gemeen is. Men zegt niet, dat de heele natuur menschgeworden is, omdat zij in alle personen is menschgeworden, maar omdat er niets ontbreekt aan de volmaaktheid van de goddelijke natuur van den menschgeworden persoon.2. Wij noemen de natuur mensgeworden, zoals wij zeggen, dat zij aangenomen heeft, om wille van de persoon, die de eindterm van de vereniging is, zoals werd gezegd (1e en 2e Art.), maar niet in zover zij aan de drie personen gemeen is. Men zegt niet, dat de hele natuur mensgeworden is, omdat zij in alle personen is mensgeworden, maar omdat er niets ontbreekt aan de volmaaktheid van de goddelijke natuur van de mensgeworden persoon.
Ad tertium dicendum, quod assumptio, quae fit per gratiam 117adoptionis terminatur ad quamdam participationem divinae naturae secundum assimilationem ad bonitatem illius, secundum illud 2. Pet. 1. [v. 4]: « Ut divinae consortes naturae », etc., et ideo hujusmodi assumptio communis est tribus personis, et ex parte principii, et ex parte termini. Sed assumptio, quae est per gratiam unionis, est communis ex parte principii, non autem ex parte termini, ut dictum est [in corp. art.].
3. De aanneming die door de genade der adoptie geschiedt, 117vindt haar eindresultaat in een deelhebben aan de goddelijke natuur door een gelijkenis met haar goedheid, naar het woord uit den Tweeden Brief van Petrus (1, 4): « deelgenooten aan de goddelijke natuur ». Daarom ook is deze aanneming den drie personen gemeen en beschouwd van haar uitgangspunt en van haar eindresultaat. Maar de aanneming door de genade der vereeniging is gemeenschappelijk wat het beginsel betreft, maar niet wat de eindterm betreft, zooals gezegd is (in de Leerstelling, en 2e Art.).3. De aanneming die door de genade van de adoptie geschiedt, 117vindt haar eindresultaat in een deelhebben aan de goddelijke natuur door een gelijkenis met haar goedheid, naar het woord uit de Tweede Brief van Petrus (1, 4): “deelgenoten aan de goddelijke natuur”. Daarom ook is deze aanneming de drie personen gemeen en beschouwd van haar uitgangspunt en van haar eindresultaat. Maar de aanneming door de genade van de vereniging is gemeenschappelijk wat het beginsel betreft, maar niet wat de eindterm betreft, zoals gezegd is (in de Leerstelling, en 2e Art.).
Utrum quaelibet persona divina potuerit humanam naturam assumere1
Kon een andere goddelijke persoon dan die van den Zoon de menschelijke natuur aannemen?Kon een andere goddelijke persoon dan die van de Zoon de menselijke natuur aannemen?
117Ad quintum sic proceditur. Videtur, quod nulla alia persona divina potuerit2 humanam naturam assumere praeter personam Filii. Per hujusmodi enim assumptionem factum est, quod Deus sit filius hominis. Sed inconveniens esset, quod esse filium hominis3 conveniret Patri, 118vel Spiritui Sancto. Hoc enim vergeret in confusionem divinarum personarum. Ergo Pater, vel Spiritus Sanctus carnem assumere non potuit4.
117Bedenkingen. — Men beweert, dat geen andere goddelijke persoon dan die van den Zoon de menschelijke natuur kon aannemen. — 1. Want door deze aanneming werd God de Menschenzoon. Maar het zou niet passen, dat de Vader of de Heilige Geest 118Zoon werden, want dat zou leiden tot verwarring der personen. Daarom zouden de Vader en de Heilige Geest het vleesch niet kunnen aannemen.117Bedenkingen. — Men beweert, dat geen andere goddelijke persoon dan die van de Zoon de menselijke natuur kon aannemen. — 1. Want door deze aanneming werd God de Mensenzoon. Maar het zou niet passen, dat de Vader of de Heilige Geest 118Zoon werden, want dat zou leiden tot verwarring van de personen. Daarom zouden de Vader en de Heilige Geest het vlees niet kunnen aannemen.
2. Praeterea, per incarnationem divinam homines assecuti sunt adoptionem filiorum, secundum illud Rom. 8. [v. 15]: « Non accepistis spiritum servitutis iterum in timore, sed spiritum adoptionis filiorum ». Sed filiatio adoptiva est participata similitudo filiationis naturalis, quae non convenit nec Patri, nec Spiritui Sancto; unde dicitur Rom. 8. [v. 29]: « Quos praescivit, et praedestinavit conformes fieri imaginis Filii sui ». Ergo videtur, quod nulla alia persona potuerit5 incarnari, praeter personam Filii.
2. Door de goddelijke menschwording zijn de menschen tot kinderen aangenomen, volgens het woord uit den Brief aan de Romeinen (8, 15): « Gij hebt niet wederom een slavengeest in vrees gekregen, maar de geest van aangenomen kinderen ». Maar het kind zijn door aanneming is een deelen door gelijkenis in het kind zijn van nature, dat aan den Vader noch aan den Heiligen Geest toekomt, zoodat in den Romeinenbrief (8, 29) wordt gezegd: « Die Hij vooruit heeft gekend, heeft Hij ook voorbestemd om gelijkvormig te worden aan het beeld van zijn Zoon ». Dus schijnt geen ander persoon menschgeworden te kunnen zijn dan de persoon van den Zoon.2. Door de goddelijke menswording zijn de mensen tot kinderen aangenomen, volgens het woord uit de Brief aan de Romeinen (8, 15): “Gij hebt niet wederom een slavengeest in vrees gekregen, maar de geest van aangenomen kinderen”. Maar het kind zijn door aanneming is een delen door gelijkenis in het kind zijn van nature, dat aan de Vader noch aan de Heilige Geest toekomt, zodat in de Romeinenbrief (8, 29) wordt gezegd: “Die Hij vooruit heeft gekend, heeft Hij ook voorbestemd om gelijkvormig te worden aan het beeld van zijn Zoon”. Dus schijnt geen ander persoon mensgeworden te kunnen zijn dan de persoon van de Zoon.
3. Praeterea, filius dicitur missus, et genitus nativitate temporali, secundum quod incarnatus est. Sed Patri non convenit mitti, qui etiam6 est innascibilis, ut in 1. parte habitum est [q. 32. art. 3. et q. 43. art. 4.]. Ergo saltem persona Patris non potuit incarnari.
3. Men zegt dat de Zoon gezonden en geboren is door een geboorte in den tijd, omdat hij menschgeworden is. Maar gezonden worden past den Vader niet, die niet geboren kan worden, zooals in het eerste deel is behandeld (32e Kw., 3e Art. en 43e Kw., 4e Art.). Daarom kon minstens de persoon van den Vader niet mensch worden.3. Men zegt dat de Zoon gezonden en geboren is door een geboorte in de tijd, omdat hij mensgeworden is. Maar gezonden worden past de Vader niet, die niet geboren kan worden, zoals in het eerste deel is behandeld (32e Kw., 3e Art. en 43e Kw., 4e Art.). Daarom kon minstens de persoon van de Vader niet mens worden.
119Sed contra est, quod quidquid potest Filius, potest Pater, et Spiritus Sanctus7: alioquin non esset eadem potentia trium personarum8. Sed Filius potuit incarnari. Ergo similiter Pater, et Spiritus Sanctus.
119Daartegenover staat echter, dat al wat de Zoon kan, ook de Vader kan, anders zouden alle drie niet dezelfde macht hebben. Maar de Zoon kon mensch worden. Dus de Vader en de Heilige Geest evenzeer.119Daartegenover staat echter, dat al wat de Zoon kan, ook de Vader kan, anders zouden alle drie niet dezelfde macht hebben. Maar de Zoon kon mens worden. Dus de Vader en de Heilige Geest evenzeer.
Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est [art. praec.], assumptio duo importat; scilicet: ipsum actum assumentis, et terminum assumptionis: principium autem actus est virtus divina: terminus autem est persona: virtus autem divina communiter, et indifferenter se habet ad omnes personas. Eadem etiam est communis ratio personalitatis in tribus personis, licet proprietates personales sint differentes. Quandocumque autem virtus aliqua indifferenter se habet ad plura, potest ad quodlibet eorum suam actionem terminare: sicut patet in potentiis, rationalibus, quae se habent ad opposita, quorum utrumque agere possunt. Sic ergo divina virtus potuit naturam humanam unire9 personae Patris, vel Spiritus Sancti, sicut univit eam 120personae Filii. Et ideo dicendum, quod Pater, vel Spiritus Sanctus potuit carnem assumere, sicut et Filius.
Leerstelling. — Aanneming sluit twee dingen in, zooals wij gezegd hebben (voorgaand Art.): nl. de daad zelf van hem, die aanneemt, en de eindterm der aanneming. Nu is de goddelijke kracht het beginsel van de daad, maar de eindterm is de persoon. De goddelijke kracht verhoudt zich op precies dezelfde manier tot de drie personen. Ook zijn de drie personen op dezelfde wijze persoon, al verschillen de persoonlijke eigenschappen. Als nu een kracht tot meerderen in dezelfde verhouding staat, kan zij ieder van hen tot eindterm van haar daad maken, zooals blijkt bij de verstandelijke vermogens, die zich richten op tegenovergestelde dingen, welke zij beiden kunnen verrichten. Hierom kon de goddelijke kracht de menschelijke natuur vereenigen met den persoon van den Vader of den Heiligen Geest, zooals zij haar met den persoon van den Zoon heeft vereenigd. En daarom moet men zeggen, dat 120de Vader of de Heilige Geest het vleesch konden aannemen zooals de Zoon.Leerstelling. — Aanneming sluit twee dingen in, zoals wij gezegd hebben (voorgaand Art.): nl. de daad zelf van hem, die aanneemt, en de eindterm van de aanneming. Nu is de goddelijke kracht het beginsel van de daad, maar de eindterm is de persoon. De goddelijke kracht verhoudt zich op precies dezelfde manier tot de drie personen. Ook zijn de drie personen op dezelfde wijze persoon, al verschillen de persoonlijke eigenschappen. Als nu een kracht tot meerderen in dezelfde verhouding staat, kan zij ieder van hen tot eindterm van haar daad maken, zoals blijkt bij de verstandelijke vermogens, die zich richten op tegenovergestelde dingen, welke zij beiden kunnen verrichten. Hierom kon de goddelijke kracht de menselijke natuur verenigen met de persoon van de Vader of de Heilige Geest, zoals zij haar met de persoon van de Zoon heeft verenigd. En daarom moet men zeggen, dat 120de Vader of de Heilige Geest het vlees konden aannemen zoals de Zoon.
Ad primum ergo dicendum, quod filiatio temporalis, qua Christus dicitur filius hominis, non constituit personam ipsius, sicut filiatio aeterna, sed est quiddam consequens nativitatem temporalem. Unde si per hunc modum nomen filiationis ad Patrem, vel Spiritum Sanctum transferretur, nulla sequeretur confusio divinarum personarum.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het zoonschap in den tijd, waardoor Christus menschenzoon wordt genoemd, vormt zijn persoon niet, zooals het eeuwig Zoonschap dat doet, maar is iets, wat op de geboorte in den tijd volgt. Als dus op die manier de naam zoonschap op den Vader of den Heiligen Geest zou worden overgebracht, zou er toch geen verwarring der personen volgen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het zoonschap in de tijd, waardoor Christus mensenzoon wordt genoemd, vormt zijn persoon niet, zoals het eeuwig Zoonschap dat doet, maar is iets, wat op de geboorte in de tijd volgt. Als dus op die manier de naam zoonschap op de Vader of de Heilige Geest zou worden overgebracht, zou er toch geen verwarring van de personen volgen.
Ad secundum dicendum, quod filiatio adoptiva est quaedam participata similitudo filiationis naturalis: sed fit in nobis appropriate a Patre, qui est principium naturalis filiationis, et per donum Spiritus Sancti, qui est amor Patris, et Filii, secundum illud Galat. 4. [v. 6]: « Misit Deus Spiritum Filii sui in corda nostra clamantem: Abba, pater ». Et ideo, sicut filio incarnato, adoptivam filiationem accepimus10 ad similitudinem filiationis naturalis ejus; ita, Patre incarnato, adoptivam filiationem reciperemus 121ab eo, tamquam a principio naturalis filiationis, et a Spiritu Sancto, tamquam a nexu communi Patris et Filii.
2. Door het zoonschap door aanneming heeft men deel in een gelijkenis met het zoonschap van nature, maar als wij dat krijgen, wordt het aan den Vader toegeschreven, die het beginsel van het zoon zijn van nature is, en door de gave van den Heiligen Geest, die de liefde van Vader en Zoon is, volgens het woord uit den Galatenbrief (4, 6): « God zond den Geest van zijn Zoon in onze harten, die roept Abba, Vader ». En zooals wij dus door het mensch worden van den Zoon het zoonschap door aanneming kregen in gelijkenis met het zoonschap van nature, zoo zouden wij, als de Vader mensch geworden was, van Hem het zoonschap door aanneming krijgen als van het beginsel van het zoonschap van 121nature, en van den Heiligen Geest, als van den band tusschen Vader en Zoon.2. Door het zoonschap door aanneming heeft men deel in een gelijkenis met het zoonschap van nature, maar als wij dat krijgen, wordt het aan de Vader toegeschreven, die het beginsel van het zoon zijn van nature is, en door de gave van de Heilige Geest, die de liefde van Vader en Zoon is, volgens het woord uit de Galatenbrief (4, 6): “God zond de Geest van zijn Zoon in onze harten, die roept Abba, Vader”. En zoals wij dus door het mens worden van de Zoon het zoonschap door aanneming kregen in gelijkenis met het zoonschap van nature, zo zouden wij, als de Vader mens geworden was, van Hem het zoonschap door aanneming krijgen als van het beginsel van het zoonschap van 121nature, en van de Heilige Geest, als van de band tussen Vader en Zoon.
Ad tertium dicendum, quod Patri convenit esse innascibilem secundum nativitatem aeternam; quod non excluderet nativitas temporalis. Mitti autem dicitur Filius Dei secundum incarnationem, eo quod est ab alio11, sine quo incarnatio non sufficeret ad rationem missionis.
3. Aan den Vader komt het toe niet geboren te kunnen worden naar de eeuwige geboorte, maar dat sluit een geboorte in den tijd niet uit. Men zegt, dat de Zoon door de menschwording gezonden is, in zoover dit van Hem (den Vader) uitgaat; anders zou de menschwording niet het karakter van een zending hebben.3. Aan de Vader komt het toe niet geboren te kunnen worden naar de eeuwige geboorte, maar dat sluit een geboorte in de tijd niet uit. Men zegt, dat de Zoon door de menswording gezonden is, in zover dit van Hem (de Vader) uitgaat; anders zou de menswording niet het karakter van een zending hebben.
Utrum plures personae divinae possint assumere unam numero naturam1
Konden twee goddelijke personen een enkele natuur aannemen?
121Ad sextum sic proceditur. Videtur, quod duae personae divinae non possint assumere unam et eamdem numero naturam: hoc enim supposito, aut essent unus homo, vel plures. Sed non plures: sicut enim una natura divina in personis pluribus non patitur esse plures Deos; ita una natura humana in pluribus personis non patitur esse plures homines. Similiter etiam 122non possent esse unus homo: quia unus homo est « iste homo », qui demonstrat unam personam: et sic tolleretur distinctio trium personarum divinarum: quod est inconveniens. Non ergo duae, aut tres personae possunt accipere unam naturam humanam.
121Bedenkingen. — Men beweert, dat twee goddelijke personen niet een en dezelfde natuur kunnen aannemen. — 1. Want veronderstelt men dit, dan zouden zij of één mensch zijn of meerdere. Maar niet meerdere, want zooals door de ééne goddelijke natuur in meerdere personen er niet meerdere goden zijn, zoo zou één menschelijke natuur, in meerdere personen niet meer menschen 122geven. Evenmin zouden zij één mensch kunnen zijn, want één mensch is deze bepaalde mensch, wat een persoon aangeeft, en zoo zou het verschil tusschen de goddelijke personen worden opgeheven, wat niet past. Daarom kunnen twee of drie personen niet één menschelijke natuur aannemen.121Bedenkingen. — Men beweert, dat twee goddelijke personen niet een en dezelfde natuur kunnen aannemen. — 1. Want veronderstelt men dit, dan zouden zij of één mens zijn of meerdere. Maar niet meerdere, want zoals door de éne goddelijke natuur in meerdere personen er niet meerdere goden zijn, zo zou één menselijke natuur, in meerdere personen niet meer mensen 122geven. Evenmin zouden zij één mens kunnen zijn, want één mens is deze bepaalde mens, wat een persoon aangeeft, en zo zou het verschil tussen de goddelijke personen worden opgeheven, wat niet past. Daarom kunnen twee of drie personen niet één menselijke natuur aannemen.
2. Praeterea, assumptio terminatur ad unitatem personae, ut dictum est [art. 4. huj. q.]. Sed non est una persona Patris, et Filii, et Spiritus Sancti. Ergo non possunt tres personae assumere unam naturam humanam.
2. De eindterm van de aanneming is de eenheid in persoon, zooals wij gezegd hebben (3e Art.). Maar Vader, Zoon en Heiligen Geest vormen niet één persoon. Dus kunnen de drie personen niet één menschelijke natuur aannemen.2. De eindterm van de aanneming is de eenheid in persoon, zoals wij gezegd hebben (4e Art.). Maar Vader, Zoon en Heiligen Geest vormen niet één persoon. Dus kunnen de drie personen niet één menselijke natuur aannemen.
3. Praeterea, Damascenus dicit in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 3. et 4.], et Augustinus in 1. de Trinitate [colligitur et cap. 13.], quod ex incarnatione Filii Dei consequitur, quod quidquid dicitur de Filio Dei, dicitur de filio hominis, et e converso. Si ergo tres personae assumerent unam naturam humanam, sequeretur2, quod quidquid dicitur de qualibet trium personarum, diceretur de illo homine. Et e converso3 quae dicerentur de illo homine, possent dici de qualibet trium personarum. Sic ergo id quod est proprium Patris, scilicet generare filium ab aeterno, diceretur 123de illo homine, et per consequens diceretur de Filio Dei, quod est inconveniens. Non ergo est possibile, quod tres personae divinae assumant unam naturam humanam.
3. Damascenus zegt in het 3e boek Over het Ware Geloof (3e en 4e H.) en Augustinus in het 1e boek Over de Drievuldigheid (11e, 12e, 13e H.), dat uit de menschwording van Gods Zoon volgt, dat al wat van den Zoon Gods wordt gezegd, ook van den Menschenzoon wordt gezegd en omgekeerd. Als dus de drie personen een enkele menschelijke natuur zouden aannemen, zou daaruit volgen, dat al wat van ieder van die drie personen wordt gezegd, ook van dien mensch werd gezegd; en omgekeerd zou wat van dien mensch werd gezegd, van ieder dier drie personen gezegd kunnen worden. Zoo zou wat den Vader eigen is, nl. van eeuwigheid den Zoon voort te brengen, van dien mensch worden 123gezegd, en dientengevolge zou het van den Zoon Gods worden gezegd, wat niet past. Het is dus niet mogelijk, dat drie goddelijke personen een menschelijke natuur zouden aannemen.3. Damascenus zegt in het 3e boek Over het Ware Geloof (3e en 4e H.) en Augustinus in het 1e boek Over de Drievuldigheid (11e, 12e, 13e H.), dat uit de menswording van Gods Zoon volgt, dat al wat van de Zoon Gods wordt gezegd, ook van de Mensenzoon wordt gezegd en omgekeerd. Als dus de drie personen een enkele menselijke natuur zouden aannemen, zou daaruit volgen, dat al wat van ieder van die drie personen wordt gezegd, ook van die mens werd gezegd; en omgekeerd zou wat van die mens werd gezegd, van ieder van die drie personen gezegd kunnen worden. Zo zou wat de Vader eigen is, nl. van eeuwigheid de Zoon voort te brengen, van die mens worden 123gezegd, en dientengevolge zou het van de Zoon Gods worden gezegd, wat niet past. Het is dus niet mogelijk, dat drie goddelijke personen een menselijke natuur zouden aannemen.
Sed contra. Persona incarnata subsistit in duabus naturis, divina scilicet, et humana. Sed tres personae possunt subsistere in una natura divina. Ergo etiam possunt subsistere in una natura humana, ita scilicet quod sit una natura humana a tribus personis assumpta.
Daartegenover staat echter, dat de menschgeworden persoon zelfstandig bestaat in twee naturen, nl. de goddelijke en de menschelijke. Maar de drie personen kunnen zelfstandig bestaan in één goddelijke natuur. Dus kunnen zij ook bestaan in één menschelijke natuur, zoodat één menschelijke natuur door drie personen is aangenomen.Daartegenover staat echter, dat de mensgeworden persoon zelfstandig bestaat in twee naturen, nl. de goddelijke en de menselijke. Maar de drie personen kunnen zelfstandig bestaan in één goddelijke natuur. Dus kunnen zij ook bestaan in één menselijke natuur, zodat één menselijke natuur door drie personen is aangenomen.
Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [q. 2. art. 5. ad 1.], ex unione animae et corporis in Christo non fit neque nova persona, neque nova4 hypostasis: sed fit una natura assumpta in personam, vel hypostasim divinam; quod quidem non fit per potentiam naturae humanae, sed per potentiam divinae personae. Est autem talis divinarum personarum conditio, quod una earum non excludit aliam a communione ejusdem naturae, sed solum a communione ejusdem personae. Quia igitur in 124mysterio incarnationis « tota ratio facti est potentia facientis », ut August. dicit in Epist. ad Volusianum [3. nunc 137], magis circa hoc est judicandum secundum conditionem divinae5 personae assumentis, quam secundum conditionem naturae humanae assumptae. Sic ergo non est impossibile divinis personis, ut duae, vel tres assumant unam naturam humanam.
Leerstelling. — In Christus ontstaat, zooals boven gezegd is (2e Kw., 5e Art., Antw. op de 1e B.), door de vereeniging van ziel en lichaam geen nieuwe persoon, of hypostase, maar er ontstaat een natuur, die opgenomen is in de goddelijke persoon of hypostase. Dit nu geschiedt niet door de kracht der menschelijke natuur, maar door de kracht van den goddelijken persoon. Nu zijn de goddelijke personen van dien aard, dat een hunner den ander niet uitsluit van het deelen in dezelfde natuur, maar alleen van het deelen in dezelfde persoonlijkheid. Omdat nu bij het geheim der menschwording « de geheele verklaring van het gebeurde ligt in 124de macht van wie het bewerkt », zooals Augustinus zegt in den Brief aan Volusianus, moeten wij hierover meer oordeelen naar den aard van den aannemenden persoon dan naar den aard van de aangenomen menschelijke natuur. En daarom is het voor de goddelijke personen niet onmogelijk, dat twee of drie een menschelijke natuur aannemen.Leerstelling. — In Christus ontstaat, zoals boven gezegd is (2e Kw., 5e Art., Antw. op de 1e B.), door de vereniging van ziel en lichaam geen nieuwe persoon, of hypostase, maar er ontstaat een natuur, die opgenomen is in de goddelijke persoon of hypostase. Dit nu geschiedt niet door de kracht van de menselijke natuur, maar door de kracht van de goddelijke persoon. Nu zijn de goddelijke personen van die aard, dat een van hun de ander niet uitsluit van het delen in dezelfde natuur, maar alleen van het delen in dezelfde persoonlijkheid. Omdat nu bij het geheim van de menswording “de gehele verklaring van het gebeurde ligt in 124de macht van wie het bewerkt”, zoals Augustinus zegt in de Brief aan Volusianus, moeten wij hierover meer oordelen naar de aard van de aannemende persoon dan naar de aard van de aangenomen menselijke natuur. En daarom is het voor de goddelijke personen niet onmogelijk, dat twee of drie een menselijke natuur aannemen.
Esset tamen impossibile, ut assumerent unam hypostasim, vel unam personam humanam; sicut et Anselmus dicit in lib. 2.: « Cur Deus homo [cap. 9.] », quod « plures personae non possunt assumere unum eumdemque hominem scilicet in unitatem personae »6.
Maar het zou onmogelijk zijn, dat zij één menschelijke persoon of hypostase zouden aannemen, zooals Anselmus zegt in het boek Over het Ontvangen der Maagd (2e B., 9e H.): « dat meerdere personen niet één en denzelfden mensch kunnen aannemen ».Maar het zou onmogelijk zijn, dat zij één menselijke persoon of hypostase zouden aannemen, zoals Anselmus zegt in het boek Over het Ontvangen van de Maagd (2e B., 9e H.): “dat meerdere personen niet één en dezelfde mens kunnen aannemen”.
Ad primum ergo dicendum, quod hac positione facta, scilicet quod tres personae assumerent unam naturam humanam, verum esset dicere, quod tres personae essent unus homo propter unam naturam humanam. Sicut enim7 nunc verum est dicere, quod tres personae8 sunt unus Deus propter unam divinam naturam humanam9: nec ly « unus » 125importaret10 unitatem personae, sed unitatem in natura humana: non enim posset argui ex hoc quod tres personae sunt unus homo, quod essent unus simpliciter: nihil enim prohibet dicere, quod homines qui sunt plures simpliciter, sint unus quantum ad aliquid, puta unus populus, et, sicut Augustinus dicit lib. 6. de Trinit. [cap. 3.], « diversum est natura spiritus Dei, et spiritus hominis: sed inhaerendo fit unus spiritus », secundum illud 1. Cor. 6. [v. 17]: « Qui adhaeret Deo, unus spiritus est ».
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Veronderstelt men dit, dat nl. drie personen één menschelijke natuur zouden aannemen, dan kon men in waarheid zeggen, dat die drie personen één mensch waren om de ééne menschelijke natuur, zooals men nu in waarheid zegt, dat zij één God zijn om de ééne goddelijke natuur. En dat één sluit geen eenheid van persoon in, maar eenheid in de 125menschelijke natuur. Uit het feit, dat drie personen een mensch zijn, kan men niet bewijzen, dat zij één zijn zonder meer; er is immers niets op tegen te zeggen, dat de menschen, die zonder meer velen zijn, in zeker opzicht één zijn, bv. een volk, zooals Augustinus zegt in het 6e boek Over de Drievuldigheid (3e H.): « Van nature verschillen de geest van den mensch en de geest Gods, maar als zij innig verbonden zijn, wordt het één geest », naar het woord uit den Eersten Brief aan de Korinthiërs: « Wie innig met God is verbonden, is één geest met Hem ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Veronderstelt men dit, dat nl. drie personen één menselijke natuur zouden aannemen, dan kon men in waarheid zeggen, dat die drie personen één mens waren om de éne menselijke natuur, zoals men nu in waarheid zegt, dat zij één God zijn om de éne goddelijke natuur. En dat één sluit geen eenheid van persoon in, maar eenheid in de 125menselijke natuur. Uit het feit, dat drie personen een mens zijn, kan men niet bewijzen, dat zij één zijn zonder meer; er is immers niets op tegen te zeggen, dat de mensen, die zonder meer velen zijn, in zeker opzicht één zijn, bv. een volk, zoals Augustinus zegt in het 6e boek Over de Drievuldigheid (3e H.): “Van nature verschillen de geest van de mens en de geest Gods, maar als zij innig verbonden zijn, wordt het één geest”, naar het woord uit de Eerste Brief aan de Korintiërs: ‘Wie innig met God is verbonden, is één geest met Hem’.
Ad secundum dicendum, quod illa positione facta, humana natura esset assumpta in unitate non unius personae, sed in unitatem11 singularum personarum; ita scilicet quod sicut divina natura habet naturalem unitatem cum singulis personis, ita natura humana haberet unitatem cum singulis per assumptionem.
2. In deze veronderstelling zou de menschelijke natuur niet opgenomen zijn tot de eenheid met een persoon, maar in eenheid met de afzonderlijke personen, zoodat evenals de goddelijke natuur van nature één is met de afzonderlijke personen, ook de menschelijke natuur met ieder afzonderlijk een eenheid zou hebben door aanneming.2. In deze veronderstelling zou de menselijke natuur niet opgenomen zijn tot de eenheid met een persoon, maar in eenheid met de afzonderlijke personen, zodat evenals de goddelijke natuur van nature één is met de afzonderlijke personen, ook de menselijke natuur met ieder afzonderlijk een eenheid zou hebben door aanneming.
Ad tertium dicendum, quod circa mysterium incarnationis fit12 communicatio proprietatum pertinentium ad naturam: quia quaecumque conveniunt naturae, possunt, praedicari de persona subsistente in natura 126illa, cujuscumque naturae nomine significetur. Praedicta igitur positione facta, de persona Patris poterunt praedicari et ea quae sunt humanae naturae, et ea quae sunt divinae; et similiter de persona Filii, et Spiritus Sancti. Non autem id quod conveniret personae Patris ratione propriae personae, posset attribui personae Filii, aut Spiritui Sancti13, propter distinctionem personarum, quae remaneret. Posset ergo dici, quod sicut Pater est ingenitus, ita homo esset ingenitus, secundum quod ly « homo » supponeret pro persona Patris. Si quis autem ulterius procederet: « homo est ingenitus: Filius est homo; ergo Filius est ingenitus », esset fallacia figurae dictionis, vel accidentis. Sicut et nunc dicimus: Deum esse ingenitum, quia Pater est ingenitus; nec tamen possumus concludere, quod Filius sit ingenitus, quamvis sit Deus.
3. Bij het geheim der menschwording is er een uitwisseling van eigenschappen, die tot de natuur behooren, want al wat aan de natuur toekomt, kan gezegd worden van den persoon, die in die natuur zelfstandig bestaat, en hij kan met de naam van welke 126natuur ook worden aangeduid. Dus zou in de gegeven veronderstelling van den persoon des Vaders gezegd kunnen worden wat toekomt aan de menschelijke natuur en wat aan de goddelijke; en evenzoo van den persoon van den Zoon en van den Heiligen Geest. Maar wat aan den persoon van den Vader om zijn eigen persoonlijkheid toekomt, zou niet aan den persoon van den Zoon of den Heiligen Geest kunnen worden toegekend, omdat het onderscheid in personen zou blijven. Men zou dus kunnen zeggen, dat zooals de Vader ongeboren is, zoo ook de mensch ongeboren was, voor zoover dit « mensch » den persoon des Vaders beteekende. Maar als iemand verder zou gaan: de mensch is ongeboren, de Zoon is de mensch, dus de Zoon is ongeboren, dan zou men een fout maken in den vorm van redeneeren en van eigenschappen toe te kennen. Zoo zeggen wij nu ook, dat God ongeboren is, omdat de Vader ongeboren is, maar toch kunnen wij niet besluiten, dat de Zoon ongeboren is, al is Hij God.3. Bij het geheim van de menswording is er een uitwisseling van eigenschappen, die tot de natuur behoren, want al wat aan de natuur toekomt, kan gezegd worden van de persoon, die in die natuur zelfstandig bestaat, en hij kan met de naam van welke 126natuur ook worden aangeduid. Dus zou in de gegeven veronderstelling van de persoon van de Vader gezegd kunnen worden wat toekomt aan de menselijke natuur en wat aan de goddelijke; en evenzo van de persoon van de Zoon en van de Heilige Geest. Maar wat aan de persoon van de Vader om zijn eigen persoonlijkheid toekomt, zou niet aan de persoon van de Zoon of de Heilige Geest kunnen worden toegekend, omdat het onderscheid in personen zou blijven. Men zou dus kunnen zeggen, dat zoals de Vader ongeboren is, zo ook de mens ongeboren was, voor zover dit “mens” de persoon van de Vader betekende. Maar als iemand verder zou gaan: de mens is ongeboren, de Zoon is de mens, dus de Zoon is ongeboren, dan zou men een fout maken in de vorm van redeneren en van eigenschappen toe te kennen. Zo zeggen wij nu ook, dat God ongeboren is, omdat de Vader ongeboren is, maar toch kunnen wij niet besluiten, dat de Zoon ongeboren is, al is Hij God.
Utrum una persona divina possit assumere duas naturas humanas
Kan een goddelijke Persoon twee menschelijke naturen aannemen?Kan een goddelijke Persoon twee menselijke naturen aannemen?
127Ad septimum sic proceditur. Videtur, quod una persona divina non possit assumere duas naturas humanas. Natura enim assumpta in mysterio Incarnationis non habet aliud suppositum praeter suppositum personae divinae, ut ex supradictis patet [q. II. art. 3. et 6.]. Si ergo ponatur esse una persona divina assumens duas humanas naturas, esset unum suppositum duarum naturarum ejusdem speciei. Quod videtur implicare contradictionem: non enim natura unius speciei multiplicatur, nisi secundum distinctionem suppositorum.
127Bedenkingen. — Men beweert, dat een goddelijke persoon niet twee menschelijke naturen kan aannemen. — 1. Wat de natuur, die in het geheim der menschwording is aangenomen, heeft geen anderen drager dan de drager van den goddelijken persoon, zooals boven gezegd is (voorgaand Art. en 2e Art.). Als wij dus veronderstellen, dat er één goddelijke persoon was, die twee menschelijke naturen aannam, dan zou er één drager zijn van twee naturen van dezelfde soort. Maar dat schijnt een tegenstrijdigheid in te sluiten: want de natuur van dezelfde soort wordt niet vermenigvuldigd dan door het onderscheid in dragers.127Bedenkingen. — Men beweert, dat een goddelijke persoon niet twee menselijke naturen kan aannemen. — 1. Wat de natuur, die in het geheim van de menswording is aangenomen, heeft geen anderen drager dan de drager van de goddelijke persoon, zoals boven gezegd is (voorgaand Art. en 2e Art.). Als wij dus veronderstellen, dat er één goddelijke persoon was, die twee menselijke naturen aannam, dan zou er één drager zijn van twee naturen van dezelfde soort. Maar dat schijnt een tegenstrijdigheid in te sluiten: want de natuur van dezelfde soort wordt niet vermenigvuldigd dan door het onderscheid in dragers.
2. Praeterea, hac suppositione facta, non posset dici, quod persona divina incarnata esset unus homo; quia non haberet unam naturam humanam. Similiter non posset dici, quod esset1 plures; quia plures homines 128sunt supposito distincti, et ibi esset tantum unum suppositum. Ergo praedicta positio est omnino impossibilis.
2. In deze veronderstelling zou men niet kunnen zeggen, dat de mensch geworden goddelijke persoon één mensch was, omdat hij niet één menschelijke natuur zou hebben. Men zou ook niet kunnen zeggen, dat hij meerdere menschen was, omdat meerdere menschen 128in drager onderscheiden zijn, en daar zou er maar één drager zijn. Dus is de genoemde veronderstelling geheel en al onmogelijk.2. In deze veronderstelling zou men niet kunnen zeggen, dat de mens geworden goddelijke persoon één mens was, omdat hij niet één menselijke natuur zou hebben. Men zou ook niet kunnen zeggen, dat hij meerdere mensen was, omdat meerdere mensen 128in drager onderscheiden zijn, en daar zou er maar één drager zijn. Dus is de genoemde veronderstelling geheel en al onmogelijk.
3. Praeterea, incarnationis2 mysterio tota natura divina est unita toti naturae assumptae, idest cuilibet parti ejus; est enim Christus « perfectus Deus, et perfectus homo, totus Deus, et totus homo », ut Damascenus dicit in 3. lib. [cap. 7.]: sed duae humanae naturae non possent totaliter sibi invicem uniri; quia oporteret, quod anima unius esset unita corpori alterius, et quod etiam duo corpora essent simul, quod3 confusionem induceret naturarum; non ergo est possibile, quod una4 persona divina duas humanas naturas assumat.
3. In het geheim der menschwording is de geheele goddelijke natuur vereenigd met geheel de aangenomen natuur, dwz. met elk van haar deelen; want Christus is « volmaakt God en volmaakt mensch, geheel God en geheel mensch », zooals Damascenus zegt in het 3e boek. Maar twee menschelijke naturen kunnen niet geheel en al met elkander vereenigd worden; want dan zou de ziel van de een met het lichaam van de ander vereenigd moeten zijn en ook zouden twee lichamen tegelijk (op dezelfde plaats) moeten zijn, wat tot verwarring der naturen zou leiden. Dus is het onmogelijk, dat de goddelijke persoon twee menschelijke naturen zou aannemen.3. In het geheim van de menswording is de gehele goddelijke natuur verenigd met geheel de aangenomen natuur, dwz. met elk van haar delen; want Christus is “volmaakt God en volmaakt mens, geheel God en geheel mens”, zoals Damascenus zegt in het 3e boek. Maar twee menselijke naturen kunnen niet geheel en al met elkander verenigd worden; want dan zou de ziel van de een met het lichaam van de ander verenigd moeten zijn en ook zouden twee lichamen tegelijk (op dezelfde plaats) moeten zijn, wat tot verwarring van de naturen zou leiden. Dus is het onmogelijk, dat de goddelijke persoon twee menselijke naturen zou aannemen.
Sed contra est quod quidquid potest Pater, potest Filius. Sed Pater post incarnationem Filii potest assumere naturam humanam aliam numero ab ea, quam Filius assumpsit; in nullo enim per incarnationem Filii est diminuta potentia Patris, vel Filii. Ergo videtur, quod Filius post 129incarnationem possit aliam humanam naturam assumere praeter eam, quam assumpsit.
Daartegenover staat echter, dat de Zoon kan al wat de Vader kan. Maar de Vader kan na de menschwording van den Zoon een andere menschelijke natuur aannemen als de Zoon heeft aangenomen; want door de menschwording van den Zoon is de macht van den Vader of den Zoon in niets verminderd. Dus schijnt het, 129dat de Zoon na de menschwording een andere menschelijke natuur kan aannemen als die Hij reeds aangenomen heeft.Daartegenover staat echter, dat de Zoon kan al wat de Vader kan. Maar de Vader kan na de menswording van de Zoon een andere menselijke natuur aannemen als de Zoon heeft aangenomen; want door de menswording van de Zoon is de macht van de Vader of de Zoon in niets verminderd. Dus schijnt het, 129dat de Zoon na de menswording een andere menselijke natuur kan aannemen als die Hij reeds aangenomen heeft.
Respondeo dicendum, quod illud quod potest in unum, et non in amplius, habet potentiam limitatam ad unum. Potentia autem divinae personae est infinita; nec potest limitari ad aliquid creatum. Unde non est dicendum, quod persona divina ita assumpserit unam naturam humanam, quod non potuerit assumere aliam. Videtur enim ex hoc sequi, quod personalitas divinae naturae esset ita comprehensa per unam naturam humanam, quod ad ejus personalitatem alia assumi non possit. Quod est impossibile; non enim increatum a creato comprehendi potest. Patet ergo, quod sive consideremus personam divinam secundum virtutem, quae est principium unionis, sive secundum suam personalitatem, quae est terminus unionis, oportet dicere, quod persona divina praeter naturam humanam, quam assumpsit, possit aliam numero naturam humanam assumere.
Leerstelling. — Wat macht heeft over één ding en niet meer, heeft een macht, die tot één ding is beperkt. Nu is de macht van den goddelijken persoon oneindig en kan niet tot iets geschapens beperkt worden. Daarom moet men niet zeggen, dat de goddelijke persoon zoo een menschelijke natuur heeft aangenomen, dat Hij geen andere zou kunnen aannemen. Want daaruit zou schijnen te volgen, dat de persoonlijkheid der goddelijke natuur zoo omvat zou zijn door een menschelijke natuur, dat een andere tot haar persoonlijkheid niet aangenomen kon worden. En dat is onmogelijk, want het ongeschapene kan niet door iets geschapens omvat worden. Dus blijkt het, dat wij altijd van den goddelijken persoon, hetzij wij hem beschouwen naar zijn macht, die het beginsel der vereeniging is, hetzij naar zijn persoonlijkheid, die er de eindterm van is, moeten zeggen, dat hij behalve de menschelijke natuur, die hij aangenomen heeft, nog een andere menschelijke natuur kan aannemen.Leerstelling. — Wat macht heeft over één ding en niet meer, heeft een macht, die tot één ding is beperkt. Nu is de macht van de goddelijke persoon oneindig en kan niet tot iets geschapens beperkt worden. Daarom moet men niet zeggen, dat de goddelijke persoon zo een menselijke natuur heeft aangenomen, dat Hij geen andere zou kunnen aannemen. Want daaruit zou schijnen te volgen, dat de persoonlijkheid van de goddelijke natuur zo omvat zou zijn door een menselijke natuur, dat een andere tot haar persoonlijkheid niet aangenomen kon worden. En dat is onmogelijk, want het ongeschapene kan niet door iets geschapens omvat worden. Dus blijkt het, dat wij altijd van de goddelijke persoon, hetzij wij hem beschouwen naar zijn macht, die het beginsel van de vereniging is, hetzij naar zijn persoonlijkheid, die er de eindterm van is, moeten zeggen, dat hij behalve de menselijke natuur, die hij aangenomen heeft, nog een andere menselijke natuur kan aannemen.
Ad primum ergo dicendum, quod natura creata perficitur in sua ratione 130per formam, qua multiplicatur secundum divisionem materiae; et ideo si compositio materiae, et formae constituat novum suppositum, consequens est, quod natura multiplicetur secundum multiplicationem suppositorum. Sed in mysterio incarnationis unio formae, et materiae, idest animae, et corporis, non constituit novum suppositum, ut supra dictum est [art. praec.]. Et ideo posset esse multitudo secundum numerum ex parte naturae propter divisionem materiae, absque distinctione suppositorum.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De geschapen 130natuur wordt in haar aard volmaakt door de vorm, die door de verdeeling der stof wordt vermenigvuldigd. Daarom zou, als de vereeniging van stof en vorm een nieuwe drager zou maken, eruit volgen, dat de natuur vermenigvuldigd werd door de vermenigvuldiging der dragers. Maar bij het geheim der menschwording maakt de vereeniging van stof en vorm, dwz. van ziel en lichaam geen nieuwen drager, zooals boven is gezegd (Voorgaand Art.). En daarom zou er gezien van de kant van de natuur een veelheid in getal kunnen zijn door de verdeeling der stof, zonder onderscheid in dragers.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De geschapen 130natuur wordt in haar aard volmaakt door de vorm, die door de verdeling van de stof wordt vermenigvuldigd. Daarom zou, als de vereniging van stof en vorm een nieuwe drager zou maken, eruit volgen, dat de natuur vermenigvuldigd werd door de vermenigvuldiging van de dragers. Maar bij het geheim van de menswording maakt de vereniging van stof en vorm, dwz. van ziel en lichaam geen nieuwen drager, zoals boven is gezegd (Voorgaand Art.). En daarom zou er gezien van de kant van de natuur een veelheid in getal kunnen zijn door de verdeling van de stof, zonder onderscheid in dragers.
Ad secundum dicendum, quod posset videri dicendum5, quod praedicta positione facta, sequeretur quod essent duo homines propter duas naturas absque hoc quod essent ibi duo supposita; sicut e converso tres personae dicerentur unus homo, propter unam naturam6 assumptam, ut supra dictum est [art. praec. ad 1.]. Sed hoc non videtur esse verum: quia nominibus est utendum, secundum quod sunt ad significandum imposita: quod quidem est ex consideratione eorum, quae apud nos sunt. Et ideo oportet circa modum significandi, et consignificandi considerare ea, quae apud nos sunt; in quibus nunquam nomen ab aliqua forma impositum 131pluraliter dicitur, nisi propter pluralitatem suppositorum: homo enim, qui est duobus vestimentis indutus, non dicitur duo vestiti, sed « unus vestitus duobus vestimentis »: et qui habet duas qualitates, dicitur singulariter « aliqualis secundum duas qualitates ». Natura autem assumpta quantum ad aliquid se habet per modum indumenti, licet non sit similitudo quantum ad omnia, ut supra dictum est [q. 2. art. 6. ad 1.]. Et ideo si persona divina assumeret duas naturas humanas, propter unitatem suppositi, diceretur « unus homo habens duas naturas humanas ». Contingit autem, quod plures homines dicuntur unus populus propter hoc, quod conveniunt in aliquo uno, non autem propter unitatem suppositi. Et similiter si duae personae divinae assumerent unam numero humanam naturam, dicerentur unus homo, ut supra dictum est [art. praec. ad 1.], non unitate suppositi, sed inquantum conveniunt in aliquo uno.
2. Uit de gemaakte veronderstelling zou kunnen schijnen te volgen, dat er twee menschen waren om de twee naturen, zonder dat er twee dragers waren, zooals omgekeerd de drie personen één mensch genoemd zouden worden om de eene natuur, die zij aannamen, zooals boven is gezegd (Voorgaand Art., Antw. op de 1e B.). Maar dat schijnt niet waar te zijn, omdat wij de namen moeten gebruiken naar de beteekenis waarom zij gegeven zijn, en dat was uit overweging van de dingen, die om ons heen zijn. En daarom moeten wij wat de manier om iets te beteekenen of mee in te sluiten betreft letten op wat om ons heen is. Dan wordt een aan 131een vorm ontleende naam nooit in het meervoud gebruikt tenzij om de meervoudigheid van de dragers; iemand, die twee kleederen draagt, wordt niet twee gekleeden genoemd, maar iemand, die in twee kleederen is gekleed; en wie twee eigenschappen heeft, wordt in het enkelvoud iemand genoemd, die door twee eigenschappen een bepaalde aard heeft. Nu dient een natuur, die tot iets aangenomen is, als een kleed, al gaat de vergelijking niet in alle opzichten op, zooals wij gezegd hebben (2 Kw., 6e Art., Antw. op de 1e B.). En als dus de goddelijke persoon twee naturen aangenomen had, zou hij daarom om de eenheid van den drager een mensch met twee menschelijke naturen worden genoemd. — Het gebeurt ook wel, dat meerdere menschen een volk worden genoemd, omdat zij in een punt overeenkomen, maar niet om de eenheid van drager. En evenzoo zouden twee goddelijke personen, als zij een menschelijke natuur hadden aangenomen, één mensch worden genoemd, zooals boven is gezegd (Voorgaand Art., Antw. op de 1e B.), niet om de eenheid van drager, maar omdat zij in iets overeenkomen.2. Uit de gemaakte veronderstelling zou kunnen schijnen te volgen, dat er twee mensen waren om de twee naturen, zonder dat er twee dragers waren, zoals omgekeerd de drie personen één mens genoemd zouden worden om de ene natuur, die zij aannamen, zoals boven is gezegd (Voorgaand Art., Antw. op de 1e B.). Maar dat schijnt niet waar te zijn, omdat wij de namen moeten gebruiken naar de betekenis waarom zij gegeven zijn, en dat was uit overweging van de dingen, die om ons heen zijn. En daarom moeten wij wat de manier om iets te betekenen of mee in te sluiten betreft letten op wat om ons heen is. Dan wordt een aan 131een vorm ontleende naam nooit in het meervoud gebruikt tenzij om de meervoudigheid van de dragers; iemand, die twee klederen draagt, wordt niet twee gekleden genoemd, maar iemand, die in twee klederen is gekleed; en wie twee eigenschappen heeft, wordt in het enkelvoud iemand genoemd, die door twee eigenschappen een bepaalde aard heeft. Nu dient een natuur, die tot iets aangenomen is, als een kleed, al gaat de vergelijking niet in alle opzichten op, zoals wij gezegd hebben (2 Kw., 6e Art., Antw. op de 1e B.). En als dus de goddelijke persoon twee naturen aangenomen had, zou hij daarom om de eenheid van de drager een mens met twee menselijke naturen worden genoemd. — Het gebeurt ook wel, dat meerdere mensen een volk worden genoemd, omdat zij in een punt overeenkomen, maar niet om de eenheid van drager. En evenzo zouden twee goddelijke personen, als zij een menselijke natuur hadden aangenomen, één mens worden genoemd, zoals boven is gezegd (Voorgaand Art., Antw. op de 1e B.), niet om de eenheid van drager, maar omdat zij in iets overeenkomen.
Ad tertium dicendum, quod divina, et humana natura non eodem ordine se habent ad unam personam divinam; sed per prius comparatur ad ipsam divina natura, utpote quae est unum cum ea ab aeterno. Sed natura humana comparatur ad personam divinam per posterius, utpote assumpta 132ex tempore a divina persona, non quidem ad hoc quod natura sit ipsa persona, sed quod persona natura subsistat: Filius enim Dei est sua deitas, sed non est sua humanitas. Et ideo ad hoc quod natura humana assumatur a divina persona, requiritur7 quod divina natura unione personali uniatur toti naturae assumptae, idest secundum omnes partes ejus: sed duarum naturarum assumptarum esset uniformis habitudo ad personam divinam, nec una assumeret aliam. Unde non oporteret, quod una earum totaliter alteri uniretur, idest omnes partes unius omnibus partibus alterius.
3. De goddelijke en menschelijke natuur staan niet in dezelfde verhouding tot een goddelijken persoon, maar eerst komt de goddelijke natuur die van eeuwigheid een met haar is, en pas daarna 132treedt de menschelijke natuur tot den goddelijken persoon in verhouding, omdat zij in den tijd door den goddelijken persoon is aangenomen, niet hiertoe, dat de natuur de persoon zelf is, maar dat de persoon in de natuur bestaat; de Zoon Gods immers is wel zijn godheid, maar niet zijn menschheid. En daarom blijft er voor het aannemen van de menschelijke natuur door den goddelijken persoon over, dat de goddelijke natuur in een vereeniging in persoon vereenigd wordt met de geheele aangenomen natuur, dwz. naar al haar deelen. Maar twee aangenomen naturen zouden dezelfde verhouding tot den goddelijken persoon hebben, en de een zou de ander niet aannemen. Daarom zou het niet noodig zijn, dat de eene van hen geheel en al met de andere zou worden vereenigd, dwz. alle deelen van de een met alle deelen van de ander.3. De goddelijke en menselijke natuur staan niet in dezelfde verhouding tot een goddelijken persoon, maar eerst komt de goddelijke natuur die van eeuwigheid een met haar is, en pas daarna 132treedt de menselijke natuur tot de goddelijke persoon in verhouding, omdat zij in de tijd door de goddelijke persoon is aangenomen, niet hiertoe, dat de natuur de persoon zelf is, maar dat de persoon in de natuur bestaat; de Zoon Gods immers is wel zijn godheid, maar niet zijn mensheid. En daarom blijft er voor het aannemen van de menselijke natuur door de goddelijke persoon over, dat de goddelijke natuur in een vereniging in persoon verenigd wordt met de gehele aangenomen natuur, dwz. naar al haar delen. Maar twee aangenomen naturen zouden dezelfde verhouding tot de goddelijke persoon hebben, en de een zou de ander niet aannemen. Daarom zou het niet nodig zijn, dat de ene van hen geheel en al met de andere zou worden verenigd, dwz. alle delen van de een met alle delen van de ander.
Utrum fuerit magis conveniens, quod persona filii assumeret humanam naturam, quam alia persona divina1
Was het meer gepast, dat de Zoon Gods mensch werd dan de Vader of de Heilige Geest?Was het meer gepast, dat de Zoon Gods mens werd dan de Vader of de Heilige Geest?
132Ad octavum sic proceditur. Videtur, quod non fuerit magis 133conveniens Filium Dei incarnari, quam Patrem, vel Spiritum Sanctum: per mysterium enim incarnationis homines ad veram Dei cognitionem sunt perducti, secundum illud Joan. 18. [v. 37]: « In hoc natus sum, et ad hoc veni in mundum, ut testimonium perhibeam veritati ». Sed ex hoc quod persona Filii Dei est incarnata, multi impediti fuerunt a vera Dei cognitione, ea quae dicuntur de Filio secundum humanam naturam, referentes ad ipsam Filii personam: sicut Arius, qui posuit inaequalitatem personarum, propter hoc quod dicitur Joan. 14. [v. 28]: « Pater major me est »: qui quidem error non provenisset, si persona Patris incarnata fuisset: nullus enim aestimasset2 Patrem Filio minorem. Magis vero videtur fuisse conveniens, quod persona Patris incarnaretur, quam persona Filii.
132Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet meer gepast 133was, dat de Zoon Gods mensch werd dan de Vader of de Heilige Geest. — 1. Want door het geheim der menschwording zijn de menschen tot de ware kennis van God gebracht, volgens het woord van Johannes (18, 37): « Hiertoe ben ik geboren en hiertoe ben ik in de wereld gekomen om getuigenis af te leggen voor de waarheid ». Maar doordat de Zoon Gods mensch geworden is, zijn velen belet om tot de ware kennis van God te komen, omdat zij wat van den Zoon naar zijn menschelijke natuur werd gezegd, toepasten op den persoon zelf van den Zoon, zooals Arius een ongelijkheid tusschen de personen hield om wat bij Johannes (14, 28) wordt gezegd: « De Vader is grooter dan ik ». En deze dwaling zou niet opgekomen zijn, als de persoon van den Vader was menschgeworden, omdat niemand de Vader minder dan de Zoon had geacht. Daarom schijnt het meer gepast, dat de persoon van den Vader was menschgeworden dan de persoon van den Zoon.132Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet meer gepast 133was, dat de Zoon Gods mens werd dan de Vader of de Heilige Geest. — 1. Want door het geheim van de menswording zijn de mensen tot de ware kennis van God gebracht, volgens het woord van Johannes (18, 37): “Hiertoe ben ik geboren en hiertoe ben ik in de wereld gekomen om getuigenis af te leggen voor de waarheid”. Maar doordat de Zoon Gods mens geworden is, zijn velen belet om tot de ware kennis van God te komen, omdat zij wat van de Zoon naar zijn menselijke natuur werd gezegd, toepasten op de persoon zelf van de Zoon, zoals Arius een ongelijkheid tussen de personen hield om wat bij Johannes (14, 28) wordt gezegd: “De Vader is groter dan ik”. En deze dwaling zou niet opgekomen zijn, als de persoon van de Vader was mensgeworden, omdat niemand de Vader minder dan de Zoon had geacht. Daarom schijnt het meer gepast, dat de persoon van de Vader was mensgeworden dan de persoon van de Zoon.
2. Praeterea, incarnationis effectus videtur esse recreatio quaedam humanae naturae, secundum illud Gal. ult. [v. 15]: « In Christo Jesu neque circumcisio aliquid valet, nec praeputium, sed nova creatura ». Sed 134potentia creandi appropriatur Patri. Ergo magis decuisset Patrem incarnari quam Filium.
2. Het gevolg van de menschwording schijnt een soort herschepping van de menschelijke natuur te zijn geweest, naar het woord uit den Galatenbrief (Laatste H., 15): « In Christus Jesus is noch de besnijdenis iets waard, noch de voorhuid, maar alleen een nieuw schepsel ». Het vermogen om te scheppen wordt echter bijzonder 134aan den Vader toegeschreven. Dus had de Vader eerder mensch moeten worden dan de Zoon.2. Het gevolg van de menswording schijnt een soort herschepping van de menselijke natuur te zijn geweest, naar het woord uit de Galatenbrief (Laatste H., 15): “In Christus Jesus is noch de besnijdenis iets waard, noch de voorhuid, maar alleen een nieuw schepsel”. Het vermogen om te scheppen wordt echter bijzonder 134aan de Vader toegeschreven. Dus had de Vader eerder mens moeten worden dan de Zoon.
3. Praeterea, incarnatio ordinatur ad remissionem peccatorum, secundum illud Matth. 1. [v. 21]: « Vocabis nomen ejus Jesum: ipse enim salvum faciet populum suum a peccatis eorum ». Remissio autem peccatorum attribuitur Spiritui Sancto, secundum illud Joan. 20. [v. 22-23]: « Accipite Spiritum Sanctum: quorum remiseritis peccata, remittuntur eis ». Ergo magis congruebat personam Spiritus Sancti incarnari, quam personam Filii.
3. De menschwording heeft de vergiffenis der zonden tot doel, naar het woord van Matthaeus (1, 21): « Gij zult zijn naam Jesus noemen, want hij zal zijn volk redden uit hun zonden ». Maar de zondenvergeving wordt bijzonder aan den Heiligen Geest toegeschreven, naar het woord van Johannes (20, 22-23): « Ontvangt den Heiligen Geest; wier zonden gij zult vergeven, dien worden zij vergeven ». Daarom was het meer gepast, dat de Heilige Geest mensch werd dan de Zoon.3. De menswording heeft de vergiffenis van de zonden tot doel, naar het woord van Matteüs (1, 21): “Gij zult zijn naam Jesus noemen, want hij zal zijn volk redden uit hun zonden”. Maar de zondenvergeving wordt bijzonder aan de Heilige Geest toegeschreven, naar het woord van Johannes (20, 22-23): “Ontvangt de Heilige Geest; wier zonden gij zult vergeven, die worden zij vergeven”. Daarom was het meer gepast, dat de Heilige Geest mens werd dan de Zoon.
Sed contra est, quod Damascenus dicit in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 1.]: « In mysterio Incarnationis manifestata est sapientia, et virtus Dei: sapientia quidem, quia invenit difficillimi solutionem pretii quam decentissimam3: virtus autem, quia victum fecit rursus victorem ». Sed virtus, et sapientia appropriantur Filio, secundum illud 1. Cor. 1. [v. 24]: « Christum Dei virtutem, et Dei sapientiam ». Ergo conveniens fuit persona Filii incarnari.
Daartegenover staat echter het woord van Damascenus in het 3e boek Over het Ware Geloof (1e H.): « In het geheim der menschwording zijn Gods wijsheid en kracht geopenbaard; en wel de wijsheid omdat Hij een meest gepaste betaling vond van een zeer zware prijs, en de kracht, omdat Hij den overwonnene weer overwinnaar heeft gemaakt ». Maar kracht en wijsheid worden aan den Zoon toegeschreven naar het woord uit den Eerste Brief aan de Korinthiërs (1, 24): « Christus, Gods kracht en Gods wijsheid ». Dus was het gepast, dat de persoon van Gods Zoon mensch werd.Daartegenover staat echter het woord van Damascenus in het 3e boek Over het Ware Geloof (1e H.): “In het geheim van de menswording zijn Gods wijsheid en kracht geopenbaard; en wel de wijsheid omdat Hij een meest gepaste betaling vond van een zeer zware prijs, en de kracht, omdat Hij de overwonnene weer overwinnaar heeft gemaakt”. Maar kracht en wijsheid worden aan de Zoon toegeschreven naar het woord uit de Eerste Brief aan de Korintiërs (1, 24): “Christus, Gods kracht en Gods wijsheid”. Dus was het gepast, dat de persoon van Gods Zoon mens werd.
135Respondeo dicendum, quod convenientissimum fuit personam Filii incarnari. Primo quidem ex parte unionis: convenienter enim ea quae sunt similia uniuntur: ipsius autem personae Filii qui est Verbum Dei, attenditur uno quidem modo communis convenientia ad totam creaturam: quia verbum artificis, idest conceptus ejus, et similitudo exemplaris eorum, quae ab artifice fiunt. Unde Verbum Dei, quod est aeternus conceptus ejus, est similitudo exemplaris totius creaturae. Et ideo sicut per participationem hujus similitudinis creaturae sunt in propriis speciebus institutae, sed mobiliter; ita per unionem Verbi ad creaturam in ordine ad aeternam et immobilem perfectionem: nam et artifex per formam artis conceptam, qua artificatum condidit, ipsum, si collapsum fuerit, restaurat. Alio modo habet convenientiam specialiter cum humana natura ex eo, quod Verbum est conceptus aeternae sapientiae, a qua omnis sapientia hominum derivatur. Et ideo per hoc homo in sapientiae perficitur, quae est propria ejus 136perfectio, prout est rationalis, quod participat verbum Dei: sicut discipulus instruitur per hoc, quod recipit verbum magistri; unde Eccli. 1. [v. 5] dicitur: « Fons sapientiae verbum Dei in excelsis ». Et ideo ad consummatam hominis perfectionem conveniens fuit, ut ipsum Verbum Dei humanae naturae personaliter uniretur.
135Leerstelling. — Het was zoo gepast mogelijk, dat de persoon van den Zoon mensch werd. Ten eerste, als wij het bezien van de kant der vereeniging, omdat de vereeniging tusschen dingen, die op elkaar gelijken, gepast is. Nu kan men ten minste onder zeker opzicht een gemeenschappelijke overeenkomst vinden tusschen den persoon zelf van den Zoon, die het Woord Gods is, en het geheel van de schepping, want het « woord » van den kunstenaar, dwz. (de uitdrukking van) zijn ontwerp heeft als voorbeeld een gelijkenis met de dingen, die door hem gemaakt worden. En zoo heeft het Woord Gods, dat Zijn eeuwige begripsuitdrukking is, als voorbeeld een gelijkheid met de heele schepping. En zooals door in deze gelijkenis te deelen de schepselen in hun soorten zijn gemaakt, maar nog veranderlijk, paste het, dat zij door een niet meegedeelde, maar persoonlijke vereeniging van het Woord met een schepsel werden hersteld tot een eeuwige en onveranderlijke volmaaktheid. Want ook de kunstenaar herstelt het kunstwerk, als het gebroken is, door hetzelfde ontwerp van zijn kunst, waarmee hij het gemaakt had. — Op een andere manier is er een bijzondere overeenkomst met de menschelijke natuur, omdat het Woord het begrip is van de eeuwige wijsheid, waaraan iedere menschelijke wijsheid is ontleend. En daarom komt de mensch door deel te hebben in Gods Woord vooruit in de wijsheid, wat zijn eigenlijke volmaaktheid is, omdat hij verstand heeft; zooals een leerling 136onderricht wordt, doordat hij het woord van zijn leermeester opneemt. Daarom staat in het boek Ecclesiasticus (1, 5): « De bron der wijsheid is Gods Woord in den hemel ». En daarom was het gepast om de menschelijke volmaaktheid zoo hoog mogelijk op te voeren, dat Gods Woord zelf in persoon met de menschelijke natuur werd vereenigd.135Leerstelling. — Het was zo gepast mogelijk, dat de persoon van de Zoon mens werd. Ten eerste, als wij het bezien van de kant van de vereniging, omdat de vereniging tussen dingen, die op elkaar gelijken, gepast is. Nu kan men ten minste onder zeker opzicht een gemeenschappelijke overeenkomst vinden tussen de persoon zelf van de Zoon, die het Woord Gods is, en het geheel van de schepping, want het “woord” van de kunstenaar, dwz. (de uitdrukking van) zijn ontwerp heeft als voorbeeld een gelijkenis met de dingen, die door hem gemaakt worden. En zo heeft het Woord Gods, dat Zijn eeuwige begripsuitdrukking is, als voorbeeld een gelijkheid met de hele schepping. En zoals door in deze gelijkenis te delen de schepselen in hun soorten zijn gemaakt, maar nog veranderlijk, paste het, dat zij door een niet meegedeelde, maar persoonlijke vereniging van het Woord met een schepsel werden hersteld tot een eeuwige en onveranderlijke volmaaktheid. Want ook de kunstenaar herstelt het kunstwerk, als het gebroken is, door hetzelfde ontwerp van zijn kunst, waarmee hij het gemaakt had. — Op een andere manier is er een bijzondere overeenkomst met de menselijke natuur, omdat het Woord het begrip is van de eeuwige wijsheid, waaraan iedere menselijke wijsheid is ontleend. En daarom komt de mens door deel te hebben in Gods Woord vooruit in de wijsheid, wat zijn eigenlijke volmaaktheid is, omdat hij verstand heeft; zoals een leerling 136onderricht wordt, doordat hij het woord van zijn leermeester opneemt. Daarom staat in het boek Sirach (1, 5): “De bron van de wijsheid is Gods Woord in de hemel”. En daarom was het gepast om de menselijke volmaaktheid zo hoog mogelijk op te voeren, dat Gods Woord zelf in persoon met de menselijke natuur werd verenigd.
Secundo potest accipi ratio hujus congruentiae ex fine unionis, qui est impletio praedestinationis, eorum scilicet qui praeordinati sunt ad haereditatem coelestem, quae non debetur nisi filiis, secundum illud Rom. 8. [v. 17]: « Si filii, et haeredes ». Et ideo congruum fuit, ut per eum, qui est filius naturalis, homines participarent similitudinem hujus filiationis secundum adoptionem, sicut Apost. ibidem [v. 29]: dicit: « Quos praescivit, et praedestinavit conformes fieri imaginis Filii sui ».
Ten tweede kan men de reden van deze gepastheid zien uit het doel van de vereeniging, nl. het vervullen van de voorbestemming, en wel van hen, die voorbestemd zijn voor het hemelsch erfdeel, dat alleen aan zonen toekomt volgens het woord uit den Romeinenbrief (8,17): « Zonen en erfgenamen ». En daarom was het gepast, dat de menschen door hem, die van nature Zoon is, door aanneming deel zouden hebben in een gelijkenis met dit zoonschap, zooals de Apostel op dezelfde plaats zegt (8, 29): « Die Hij vooraf heeft gekend, heeft Hij ook voorbestemd om gelijk te worden aan het beeld van zijn Zoon ».Ten tweede kan men de reden van deze gepastheid zien uit het doel van de vereniging, nl. het vervullen van de voorbestemming, en wel van hen, die voorbestemd zijn voor het hemels erfdeel, dat alleen aan zonen toekomt volgens het woord uit de Romeinenbrief (8,17): “Zonen en erfgenamen”. En daarom was het gepast, dat de mensen door hem, die van nature Zoon is, door aanneming deel zouden hebben in een gelijkenis met dit zoonschap, zoals de Apostel op dezelfde plaats zegt (8, 29): “Die Hij vooraf heeft gekend, heeft Hij ook voorbestemd om gelijk te worden aan het beeld van zijn Zoon”.
Tertio potest accipi ratio hujus congruentiae ex peccato primi parentis, cui per incarnationem remedium adhibetur: peccaverat4 enim primus homo appetendo scientiam; ut patet ex verbis serpentis promittentis homini 137« scientiam boni, et mali » [Gen. 3. v. 5 et cap. 2. v. 9]. Unde conveniens fuit, ut per Verbum verae sapientiae homo reduceretur in Deum, qui per inordinatum appetitum scientiae recesserat a Deo.
Ten derde kan men de reden, waarom dit gepast was begrijpen uit de zonde van den eersten vader, waartegen wij door de menschwording een redmiddel krijgen. De eerste mensch zondigde door zijn verlangen naar kennis, zooals blijkt uit de woorden van 137de slang, die den mensch « kennis van goed en kwaad » beloofde. Daarom paste het, dat de mensch door het Woord van de ware kennis werd teruggebracht tot God, nadat hij door een ongeordend verlangen naar kennis van God was afgeweken.Ten derde kan men de reden, waarom dit gepast was begrijpen uit de zonde van de eerste vader, waartegen wij door de menswording een redmiddel krijgen. De eerste mens zondigde door zijn verlangen naar kennis, zoals blijkt uit de woorden van 137de slang, die de mens “kennis van goed en kwaad” beloofde. Daarom paste het, dat de mens door het Woord van de ware kennis werd teruggebracht tot God, nadat hij door een ongeordend verlangen naar kennis van God was afgeweken.
Ad primum ergo dicendum, quod nihil est, quo humana malitia non possit abuti; quando etiam ipsa Dei bonitate abutitur, secundum illud Rom. 2. [v. 4]: « An divitias bonitatis ejus contemnis? » Unde etiamsi persona patris fuisset incarnata, potuisset ex homo alicujus erroris occasionem sumere5, quasi Filius sufficere non potuisset ad humanam naturam reparandam.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Er is niets, waarvan de boosheid der menschen geen misbruik kan maken, als zij immers Gods goedheid zelf misbruikt naar het woord uit den Romeinenbrief (2, 4): « Veracht gij de rijkdommen van zijn goedheid? » Daarom zou de mensch, als de Vader was menschgeworden, hierin nog een aanleiding voor dwaling kunnen vinden, alsof de Zoon niet voldoende was geweest om de menschelijke natuur te herstellen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Er is niets, waarvan de boosheid van de mensen geen misbruik kan maken, als zij immers Gods goedheid zelf misbruikt naar het woord uit de Romeinenbrief (2, 4): “Veracht gij de rijkdommen van zijn goedheid?” Daarom zou de mens, als de Vader was mensgeworden, hierin nog een aanleiding voor dwaling kunnen vinden, alsof de Zoon niet voldoende was geweest om de menselijke natuur te herstellen.
Ad secundum dicendum, quod prima rerum creatio facta est a potentia Dei Patris per Verbum. Unde et recreatio per Verbum fieri debuit a potentia Dei Patris, ut recreatio creationi responderet, secundum illud 2. Cor. 5. [v. 19]: « Deus erat in Christo mundum reconcilians sibi ».
2. De eerste schepping der dingen is geschied door de kracht van God den Vader door het Woord. Daarom moest ook de herschepping door het Woord gebeuren door de kracht van God den Vader, opdat de herschepping aan de schepping zou beantwoorden naar het woord uit den Tweeden Brief aan de Korinthiërs (5, 19): « God verzoende in Christus de wereld met zichzelf ».2. De eerste schepping van de dingen is geschied door de kracht van God de Vader door het Woord. Daarom moest ook de herschepping door het Woord gebeuren door de kracht van God de Vader, opdat de herschepping aan de schepping zou beantwoorden naar het woord uit de Tweede Brief aan de Korintiërs (5, 19): “God verzoende in Christus de wereld met zichzelf”.
Ad tertium dicendum, quod Spiritui Sancto proprium est, quod sit donum Patris, et Filii; remissio autem peccatorum fit per Spiritum 138Sanctum, tanquam per donum Dei. Et ideo convenientius fuit ad justificationem hominum quod incarnaretur Filius, cujus Spiritus Sanctus est donum.
3. Het is aan den Heiligen Geest eigen de gave van den Vader en den Zoon te zijn. Nu geschiedt de vergiffenis der zonden door den Heiligen Geest als een gave van God. En daarom was het 138voor de rechtvaardiging der menschen meer gepast, dat de Zoon, wiens gave de Heilige Geest is, mensch werd.3. Het is aan de Heilige Geest eigen de gave van de Vader en de Zoon te zijn. Nu geschiedt de vergiffenis van de zonden door de Heilige Geest als een gave van God. En daarom was het 138voor de rechtvaardiging van de mensen meer gepast, dat de Zoon, wiens gave de Heilige Geest is, mens werd.