De scientia animae Christi acquisita1, in quatuor articulos divisa
Over de door ondervinding verworven wetenschap van Christus' ziel
369Deinde considerandum est de scientia Christi acquisita, vel experimentali.
369Hierna moeten wij de wetenschap bespreken, die Christus' ziel door ondervinding verkregen had.
Et circa hoc quaeruntur quatuor: Utrum secundum hanc scientiam cognoverit omnia. — 2. Utrum in hac scientia profecerit. — 3. Utrum aliquid ab homine didicerit. — 4. Utrum acceperit aliquid ab angelis.
En hierover stellen wij ons vier vragen: 1. Kende Christus met deze wetenschap alles? 2. Ging Hij in deze wetenschap vooruit? 3. Leerde Hij iets van een mensch? 4. Kreeg Hij iets van de Engelen?En hierover stellen wij ons vier vragen: 1. Kende Christus met deze wetenschap alles? 2. Ging Hij in deze wetenschap vooruit? 3. Leerde Hij iets van een mens? 4. Kreeg Hij iets van de Engelen?
Utrum secundum hanc scientiam1 Christus cognoverit omnia
Kende Christus met Zijn door ondervinding verworven wetenschap alles?
370Ad primum sic proceditur. Videtur, quod secundum hanc scientiam Christus non omnia cognoverit: hujusmodi enim scientia per experientiam acquiritur. Sed Christus non omnia expertus est. Non igitur omnia secundum hanc scientiam scivit.
370Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus met deze wetenschap niet alles kende. — 1. Want dit soort wetenschap krijgt men door ondervinding. Nu had Christus geen ondervinding van alles. Dus kende Hij met deze wetenschap niet alles.
2. Praeterea, homo scientiam per sensum acquirit. Sed non omnia sensibilia sensibus corporalibus Christi fuerunt subjecta. Non igitur secundum hanc scientiam omnia cognovit Christus.
2. De mensch verkrijgt de wetenschap door de zintuigen. Maar niet alles, wat met de zintuigen waarneembaar is, kwam onder het bereik van Christus' lichamelijke zintuigen. Dus kende Hij met die wetenschap niet alles.2. De mens verkrijgt de wetenschap door de zintuigen. Maar niet alles, wat met de zintuigen waarneembaar is, kwam onder het bereik van Christus' lichamelijke zintuigen. Dus kende Hij met die wetenschap niet alles.
3. Praeterea, quantitas scientiae attenditur secundum scibilia. Si igitur secundum hanc scientiam Christus omnia scivisset, esset in eo scientia acquisita aequalis scientiae infusae, et scientiae beatae: quod est inconveniens. Non ergo secundum hanc scientiam Christus omnia scivit.
3. De grootheid van een wetenschap wordt afgemeten naar de kenbare dingen. Kende Christus dus met deze wetenschap alles, dan zou er in Hem een verworven wetenschap zijn geweest, die gelijk zou zijn aan de ingestorte wetenschap en die der zaligen; en dat past niet. Dus kende Christus met deze wetenschap niet alles.3. De grootheid van een wetenschap wordt afgemeten naar de kenbare dingen. Kende Christus dus met deze wetenschap alles, dan zou er in Hem een verworven wetenschap zijn geweest, die gelijk zou zijn aan de ingestorte wetenschap en die van de zaligen; en dat past niet. Dus kende Christus met deze wetenschap niet alles.
371Sed contra est, quod nihil imperfectum fuit in Christo quantum ad animam. Fuisset autem imperfecta haec ejus scientia, si secundum eam non scivisset omnia; quia imperfectum est, cui potest fieri additio [Arist. Phys. lib. 3. cap. 6. S. Th. lect. 11.]. Ergo secundum hanc scientiam Christus omnia scivit.
371Daartegenover staat echter, dat er in Christus, wat Zijn ziel betreft, niets onvolmaakts was. Maar deze wetenschap van Hem zou onvolmaakt zijn geweest, als Hij er niet alles mee gekend had; want datgene, waar nog iets aan toegevoegd kan worden, is onvolmaakt. Dus kende Christus met deze wetenschap alles.
Respondeo dicendum, quod scientia acquisita ponitur in anima Christi, ut supra dictum est [q. 9. art. 4.], propter convenientiam intellectus agentis, ne ejus actio sit otiosa, quae2 facit intelligibilia in actu: sicut et scientia indita, vel infusa ponitur in anima Christi ad perfectionem intellectus possibilis. Sicut autem intellectus possibilis est, « quo est omnia fieri » ita intellectus agens est, « quo est omnia facere », ut dicitur in 3. de An. [cap. 5. n. 1. S. Th. lect. 10.]. Et ideo sicut per scientiam inditam scivit anima Christi omnia illa, ad quae intellectus possibilis est quocumque modo in potentia; ita per scientiam acquisitam scivit omnia illa, quae possunt sciri per actionem intellectus agentis.
Leerstelling. — Wij nemen, zooals boven is gezegd (9e Kw., 4e Art), in Christus een verworven wetenschap aan, omdat het aan het werkend verstand past, dat zijn arbeid niet nutteloos is, waarmee het dingen metterdaad kenbaar maakt; precies zooals wij in Christus' ziel een ingegeven of ingestorte wetenschap aannemen om de volmaaktheid van het ontvangend verstand. Maar zooals het ontvangend verstand datgene is, waaraan het toekomt « alles te worden », zooals in het 3e boek Over de Ziel (5e H., n. 1) wordt gezegd, zoo komt het aan het werkend verstand toe « alles te maken ». Daarom wist Christus' ziel evenals zij door de ingestorte wetenschap alles kende, waartoe het ontvangend verstand hoe dan ook het vermogen heeft, ook door de verworven wetenschap alles, wat gekend kan worden door de arbeid van het werkend verstand.Leerstelling. — Wij nemen, zoals boven is gezegd (9e Kw., 4e Art), in Christus een verworven wetenschap aan, omdat het aan het werkend verstand past, dat zijn arbeid niet nutteloos is, waarmee het dingen metterdaad kenbaar maakt; precies zoals wij in Christus' ziel een ingegeven of ingestorte wetenschap aannemen om de volmaaktheid van het ontvangend verstand. Maar zoals het ontvangend verstand datgene is, waaraan het toekomt “alles te worden”, zoals in het 3e boek Over de Ziel (5e H., n. 1) wordt gezegd, zo komt het aan het werkend verstand toe “alles te maken”. Daarom wist Christus' ziel evenals zij door de ingestorte wetenschap alles kende, waartoe het ontvangend verstand hoe dan ook het vermogen heeft, ook door de verworven wetenschap alles, wat gekend kan worden door de arbeid van het werkend verstand.
372Ad primum ergo dicendum, quod scientia rerum acquiri potest non solum per experientiam ipsarum, sed etiam per experientiam quarumdam aliarum rerum; cum ex virtute luminis intellectus agentis possit homo procedere ad intelligendum effectus per causas, et causas per effectus, et similia per similia, et contraria per contraria. Sic igitur licet Christus non fuerit omnia expertus; ex his tamen, quae expertus est, in omnium devenit notitiam.
372Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Kennis van dingen kan niet alleen verworven worden door van die dingen zelf ondervinding op te doen, maar ook door ondervinding met welke andere dingen ook, daar de mensch door het licht van het werkend verstand van het begrijpen der gevolgen kan komen tot de oorzaken, en van de oorzaken tot gevolgen en van gelijken tot gelijken en van het een van twee tegengestelden tot het ander. Al had Christus dus geen ondervinding van alles, kon Hij toch zoo uit hetgeen Hij wel ondervonden had, komen tot kennis van alles.372Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Kennis van dingen kan niet alleen verworven worden door van die dingen zelf ondervinding op te doen, maar ook door ondervinding met welke andere dingen ook, daar de mens door het licht van het werkend verstand van het begrijpen van de gevolgen kan komen tot de oorzaken, en van de oorzaken tot gevolgen en van gelijken tot gelijken en van het een van twee tegengestelden tot het ander. Al had Christus dus geen ondervinding van alles, kon Hij toch zo uit hetgeen Hij wel ondervonden had, komen tot kennis van alles.
Ad secundum dicendum, quod licet sensibus corporalibus Christi non fuerint subjecta omnia sensibilia, fuerunt tamen sensibus ejus subjecta aliqua sensibilia, ex quibus, propter excellentissimam vim rationis ejus, potuit in aliorum notitiam devenire per modum praedictum [in sol. praec.]. Sicut videndo corpora coelestia, potuit comprehendere eorum virtutes, et effectus, quos habent in istis inferioribus, qui ejus sensibus non subjacebant. Et eadem ratione ex quibuscumque aliis in aliorum notitiam devenire potuit.
2. Al viel niet al het zintuiglijk waarneembare onder het bereik van Christus' lichamelijke zintuigen, toch vielen sommige dingen ervan wel onder Zijn bereik; en door de bijzondere kracht van Zijn verstand kon Hij op bovengenoemde manier (Antw. op de 1e B.) door het begrijpen daarvan komen tot het begrip van de rest. Zoo kon Hij door het zien van de hemellichamen hun krachten begrijpen en wat zij onder de lagere dingen, die niet onder Zijn zintuigen vielen, teweegbrengen. En om dezelfde reden kon Hij uit allerlei andere dingen komen tot het begrijpen van de rest.2. Al viel niet al het zintuiglijk waarneembare onder het bereik van Christus' lichamelijke zintuigen, toch vielen sommige dingen ervan wel onder Zijn bereik; en door de bijzondere kracht van Zijn verstand kon Hij op bovengenoemde manier (Antw. op de 1e B.) door het begrijpen daarvan komen tot het begrip van de rest. Zo kon Hij door het zien van de hemellichamen hun krachten begrijpen en wat zij onder de lagere dingen, die niet onder Zijn zintuigen vielen, teweegbrengen. En om dezelfde reden kon Hij uit allerlei andere dingen komen tot het begrijpen van de rest.
Ad tertium dicendum, quod secundum istam scientiam anima Christi non simpliciter cognovit omnia, sed illa omnia, quae per lumen intellectus agentis homini sunt cognoscibilia. Unde per hanc scientiam non cognovit 373essentias substantiarum separatarum, nec etiam singularia praeterita, praesentia, et futura, quae tamen cognovit per scientiam inditam, ut supra dictum est [in art. 1. et q. praec.].
3. Christus' ziel kende met deze wetenschap niet alles zonder meer, maar al datgene, wat door het licht van het menschelijk werkend verstand kenbaar is. Dus kende Hij met deze wetenschap 373het wezen van de lichaamlooze dingen niet en evenmin de enkelingen in het verleden of de toekomst. Maar dat kende Hij door de ingestorte wetenschap, zooals boven is gezegd (Vorige Kw., 1e Art., Antw. op 2e en 3e B.).3. Christus' ziel kende met deze wetenschap niet alles zonder meer, maar al datgene, wat door het licht van het menselijk werkend verstand kenbaar is. Dus kende Hij met deze wetenschap 373het wezen van de lichaamloze dingen niet en evenmin de enkelingen in het verleden of de toekomst. Maar dat kende Hij door de ingestorte wetenschap, zoals boven is gezegd (Vorige Kw., 1e Art., Antw. op 2e en 3e B.).
Utrum Christus in hac scientia profecerit1
Ging Christus vooruit in de door ondervinding verkregen wetenschap?
373Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod secundum hanc scientiam Christus non profecerit. Sicut enim secundum scientiam beatitudinis, et secundum scientiam infusam Christus cognovit omnia; ita et secundum hanc scientiam acquisitam, ut ex dictis patet [art. praec.]. Sed secundum illas scientias non profecit. Ergo nec secundum istam.
373Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus in deze wetenschap niet vooruitging. — 1. Want zooals Christus met de ingestorte en zalige wetenschap alles kende, kende Hij ook alles met deze verkregen wetenschap; dat blijkt uit wat is gezegd. Nu ging Hij in die andere wetenschappen niet vooruit. Dus ook niet in deze.373Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus in deze wetenschap niet vooruitging. — 1. Want zoals Christus met de ingestorte en zalige wetenschap alles kende, kende Hij ook alles met deze verkregen wetenschap; dat blijkt uit wat is gezegd. Nu ging Hij in die andere wetenschappen niet vooruit. Dus ook niet in deze.
2. Praeterea, proficere est imperfecti: quia perfectum additionem non recipit [Arist. Phys. lib. 3. c. 6. n. 8. S. Th. lect. 9.]. Sed in Christo 374non est ponere scientiam imperfectam. Ergo secundum hanc scientiam Christus non profecit.
2. Vooruitgaan behoort bij het onvolmaakte, want bij het volmaakte kan niet bijgevoegd worden. Nu mogen wij in Christus 374geen onvolmaakte wetenschap aannemen. Dus ging Christus in deze wetenschap niet vooruit.
3. Praeterea, Damascenus dicit [lib. 3. Orth. Fid. cap. 22.]: « Qui proficere dicunt Christum sapientia, et gratia, ut additamentum sensus suscipientem, non venerantur unionem »: sed impium est illam unionem non venerari2. Ergo impium est dicere, quod scientia ejus additamentum acceperit.
3. « Wie beweert, dat Christus in dezen zin in genade en wijsheid vooruitging, dat Hij er iets bij krijgt, heeft geen eerbied voor de vereeniging », zegt Damascenus (Over het ware Geloof, 3e B., 22e H.). Maar het is goddeloos voor de vereeniging geen eerbied te hebben. Dus is het goddeloos te zeggen, dat er iets bij Zijn wetenschap kwam.3. “Wie beweert, dat Christus in deze zin in genade en wijsheid vooruitging, dat Hij er iets bij krijgt, heeft geen eerbied voor de vereniging”, zegt Damascenus (Over het ware Geloof, 3e B., 22e H.). Maar het is goddeloos voor de vereniging geen eerbied te hebben. Dus is het goddeloos te zeggen, dat er iets bij Zijn wetenschap kwam.
Sed contra est, quod dicitur Luc. 2. [v. 52], quod « Jesus proficiebat sapientia, et aetate, et gratia apud Deum, et homines »; et Ambrosius dicit [lib. de Incarn. Dom. cap. 7.], quod « proficiebat secundum sapientiam humanam ». Humana autem sapientia est, quae humano modo acquiritur, scilicet per lumen intellectus agentis. Ergo Christus secundum hanc scientiam profecit.
Maar daar staat tegenover, wat wij bij Lucas (2, 52) lezen, dat « Jesus vooruitging in wijsheid en ouderdom en behagelijkheid bij God en de menschen ». En Ambrosius (Over het geheim der menschwording, 7e H.) zegt, dat « Hij vooruitging naar de menschelijke wetenschap ». De menschelijke wetenschap nu is die, welke op de gewone menschelijke manier verkregen wordt, nl. door het licht van het werkende verstand. Dus ging Christus volgens deze wetenschap vooruit.Maar daar staat tegenover, wat wij bij Lukas (2, 52) lezen, dat “Jesus vooruitging in wijsheid en ouderdom en behagelijkheid bij God en de mensen”. En Ambrosius (Over het geheim van de menswording, 7e H.) zegt, dat “Hij vooruitging naar de menselijke wetenschap”. De menselijke wetenschap nu is die, welke op de gewone menselijke manier verkregen wordt, nl. door het licht van het werkende verstand. Dus ging Christus volgens deze wetenschap vooruit.
Respondeo dicendum, quod duplex est profectus scientiae. Unus quidem secundum essentiam; prout scilicet ipse habitus scientiae augetur. 375Alius autem secundum effectum; puta si aliquis secundum eumdem et aequalem scientiae habitum primo minora aliis demonstret, et postea majora, et subtiliora.
Leerstelling. — Er is een dubbele vooruitgang in de wetenschap. En wel een wezenlijke, als nl. de hebbelijkheid zelf 375der wetenschap grooter wordt. Daarnaast is er een in de uitwerkselen, bv. als iemand met dezelfde en gelijke hebbelijkheid van wetenschap eerst anderen het mindere toont en daarna het grootere en fijnere.Leerstelling. — Er is een dubbele vooruitgang in de wetenschap. En wel een wezenlijke, als nl. de hebbelijkheid zelf 375van de wetenschap groter wordt. Daarnaast is er een in de uitwerkselen, bv. als iemand met dezelfde en gelijke hebbelijkheid van wetenschap eerst anderen het mindere toont en daarna het grotere en fijnere.
Hoc autem secundo modo manifestum est, quod Christus in scientia, et gratia profecit, sicut et in aetate: quia scilicet secundum augmentum aetatis opera majora faciebat, quae scilicet majorem scientiam, et gratiam demonstrabant. Sed quantum ad ipsum habitum scientiae, manifestum est, quod habitus scientiae infusae in eo non est augmentatus; cum a principio plenarie fuerit sibi omnium3 scientia infusa; et multo minus scientia beata in eo augeri potuit. De scientia enim divina, quod non possit augeri, supra in 1. dictum est [q. 14. art. 15.].
Nu is het duidelijk, dat Christus op de tweede manier in genade en wetenschap evenals in leeftijd vooruitging, omdat Hij naar het toenemen in jaren grootere werken verrichtte, die van een grootere wijsheid en genade getuigden. Maar het is duidelijk, dat de hebbelijkheid der ingestorte wetenschap wat de hebbelijkheid zelf betreft in Hem niet toegenomen is, omdat vanaf het begin alle wetenschap Hem ten volle was ingestort. En veel minder nog kon de wetenschap der zaligen in Hem grooter worden. In het eerste deel (14e Kw., 15e Art., Antw. op de 2e B.) is al over de goddelijke wetenschap gezegd, dat zij niet groeien kon.Nu is het duidelijk, dat Christus op de tweede manier in genade en wetenschap evenals in leeftijd vooruitging, omdat Hij naar het toenemen in jaren grotere werken verrichtte, die van een grotere wijsheid en genade getuigden. Maar het is duidelijk, dat de hebbelijkheid van de ingestorte wetenschap wat de hebbelijkheid zelf betreft in Hem niet toegenomen is, omdat vanaf het begin alle wetenschap Hem ten volle was ingestort. En veel minder nog kon de wetenschap van de zaligen in Hem groter worden. In het eerste deel (14e Kw., 15e Art., Antw. op de 2e B.) is al over de goddelijke wetenschap gezegd, dat zij niet groeien kon.
Si igitur praeter habitum scientiae infusum, non sit in anima Christi aliquis habitus scientiae acquisitae, ut quibusdam videtur, et mihi aliquando visum est [3. Dist. 14. q. 1. art. 3. q. 5.], nulla scientia in Christo augmentata fuit secundum essentiam4, sed solum per experientiam, 376idest conversionem specierum intelligibilium inditarum ad phantasmata. Et secundum hoc dicunt, quod scientia Christi profecit secundum experientiam, convertendo scilicet species intelligibiles inditas ad ea, quae de novo per sensum accepit. Sed quia inconveniens videtur, quod aliqua naturalis actio intelligibilis Christo deesset, cum extrahere species intelligibiles a phantasmatibus sit quaedam naturalis actio hominis secundum intellectum agentem, conveniens videtur hanc etiam actionem in Christo ponere. Et ex hoc sequitur, quod in anima Christi aliquis habitus scientiae fuerit, qui per hujusmodi abstractionem specierum potuerit augmentari: ex hoc scilicet quod intellectus agens post primas species intelligibiles abstractas a phantasmatibus poterat etiam alias, et alias5 abstrahere.
Was er dus behalve de hebbelijkheid der ingestorte wetenschap geen andere hebbelijkheid van een aangeleerde wetenschap in Christus' ziel geweest, zooals sommigen beweren en ook ik vroeger gehouden heb (Sent. 3e B., 14e D., 3e Art.; 18e D., 3e Art.), dan zou er in Christus geen enkele wetenschap naar haar wezen toegenomen 376zijn, maar alleen door de ondervinding, dwz. door het toepassen van de ingestorte kenbeelden op de beelden der fantasie. En in dezen zin zeggen sommigen, dat Christus' wetenschap door ondervinding grooter werd, nl. door het toepassen van de ingestorte verstandsbeelden op het nieuwe, dat Hij van de zintuigen kreeg. Maar omdat het niet paste, dat Christus een natuurlijke verstandsdaad miste en het abstraheeren van de verstandsbeelden uit de fantasiebeelden een natuurlijke daad van den mensch is krachtens het werkende verstand, schijnt het gepast ook deze werkzaamheid in Christus aan te nemen. En daaruit volgt, dat er in Christus' ziel een gewoonte van wetenschap was, die door het abstraheeren van dergelijke kenbeelden grooter kon worden nl. hierdoor, dat het werkende verstand, nadat het de eerste kenbeelden uit de fantasiebeelden geabstraheerd had, nog andere kon abstraheeren.Was er dus behalve de hebbelijkheid van de ingestorte wetenschap geen andere hebbelijkheid van een aangeleerde wetenschap in Christus' ziel geweest, zoals sommigen beweren en ook ik vroeger gehouden heb (Sent. 3e B., 14e D., 3e Art.; 18e D., 3e Art.), dan zou er in Christus geen enkele wetenschap naar haar wezen toegenomen 376zijn, maar alleen door de ondervinding, dwz. door het toepassen van de ingestorte kenbeelden op de beelden van de fantasie. En in deze zin zeggen sommigen, dat Christus' wetenschap door ondervinding groter werd, nl. door het toepassen van de ingestorte verstandsbeelden op het nieuwe, dat Hij van de zintuigen kreeg. Maar omdat het niet paste, dat Christus een natuurlijke verstandsdaad miste en het abstraheren van de verstandsbeelden uit de fantasiebeelden een natuurlijke daad van de mens is krachtens het werkende verstand, schijnt het gepast ook deze werkzaamheid in Christus aan te nemen. En daaruit volgt, dat er in Christus' ziel een gewoonte van wetenschap was, die door het abstraheren van dergelijke kenbeelden groter kon worden nl. hierdoor, dat het werkende verstand, nadat het de eerste kenbeelden uit de fantasiebeelden geabstraheerd had, nog andere kon abstraheren.
Ad primum ergo dicendum, quod tam scientia infusa animae Christi, quam scientia beata fuit effectus agentis infinitae virtutis, qui potest simul totum operari; et ita in neutra scientia acquisita causatur6 ab intellectu 377agente, qui non simul totum operatur, sed successive: et ideo secundum hanc scientiam Christus non a principio scivit omnia, sed paulatim, et post aliquod tempus, scilicet in perfecta aetate, quod patet ex hoc, quod Evangelista simul dicit eum profecisse scientia et aetate.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoowel de ingestorte wetenschap van Christus' ziel als die der zaligen waren een gevolg van de werkoorzaak met oneindige kracht, die alles ineens kan uitwerken; en daarom ging Christus in geen van beide 377wetenschappen vooruit, maar bezat hen volmaakt vanaf het begin. Maar de aangeleerde wetenschap komt maar van het werkende verstand, dat niet alles ineens, doch achtereenvolgens uitwerkt. En daarom wist Christus met deze wetenschap niet van het begin af alles, maar langzaam aan en na eenigen tijd, nl. toen Hij den volmaakten leeftijd had bereikt. En dat blijkt hieruit, dat de Evangelist in een adem zegt dat Hij « toenam in wijsheid en jaren ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zowel de ingestorte wetenschap van Christus' ziel als die van de zaligen waren een gevolg van de werkoorzaak met oneindige kracht, die alles ineens kan uitwerken; en daarom ging Christus in geen van beide 377wetenschappen vooruit, maar bezat hen volmaakt vanaf het begin. Maar de aangeleerde wetenschap komt maar van het werkende verstand, dat niet alles ineens, doch achtereenvolgens uitwerkt. En daarom wist Christus met deze wetenschap niet van het begin af alles, maar langzaam aan en na enigen tijd, nl. toen Hij de volmaakte leeftijd had bereikt. En dat blijkt hieruit, dat de Evangelist in een adem zegt dat Hij “toenam in wijsheid en jaren”.
Ad secundum dicendum, quod haec etiam scientia7 semper fuit perfecta secundum tempus; licet non semper fuerit perfecta simpliciter, et secundum naturam; et ideo potuit habere augmentum.
2. Deze wetenschap was in Christus altijd volmaakt in verhouding tot den leeftijd, al was zij niet zonder meer en naar haar natuur volmaakt. En daarom kon zij grooter worden.2. Deze wetenschap was in Christus altijd volmaakt in verhouding tot de leeftijd, al was zij niet zonder meer en naar haar natuur volmaakt. En daarom kon zij groter worden.
Ad tertium dicendum, quod verbum Damasceni intelligitur quantum ad illos, qui dicunt simpliciter fuisse factam additionem scientiae Christi, scilicet secundum quamcumque ejus scientiam, et praecipue secundum infusam, quae causatur in anima Christi ex unione ad Verbum. Non autem intelligitur de augmento scientiae, quae ex naturali agente causatur.
3. Het woord van Damascenus slaat op hen, die beweren, dat er zonder beperking iets aan Christus' wetenschap is toegevoegd, nl. naar al Zijn wetenschap, en vooral naar de ingestorte, die in Christus' ziel door de vereeniging met het Woord veroorzaakt werd. Maar het slaat niet op het toenemen in wetenschap, die door een natuurlijke oorzaak teweeg wordt gebracht.3. Het woord van Damascenus slaat op hen, die beweren, dat er zonder beperking iets aan Christus' wetenschap is toegevoegd, nl. naar al Zijn wetenschap, en vooral naar de ingestorte, die in Christus' ziel door de vereniging met het Woord veroorzaakt werd. Maar het slaat niet op het toenemen in wetenschap, die door een natuurlijke oorzaak teweeg wordt gebracht.
Utrum Christus aliquid ab homine didicerit
Leerde Christus iets van de menschen?Leerde Christus iets van de mensen?
378Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod Christus aliquid ab hominibus didicerit: dicitur enim Luc. 2. [v. 46, 47], quod « invenerunt eum in templo in medio doctorum interrogantem illos, et respondentem ». Interrogare vero, et respondere est addiscentis. Ergo Christus aliquid didicit ab hominibus.
378Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus iets van de menschen leerde. — 1. Want bij Lucas (2, 46 en 67) wordt gezegd, dat « zij Hem in den Tempel vonden te midden der leeraren, hen ondervragend en antwoordend ». Nu is wie ondervraagt en antwoordt iemand die leert. Dus heeft Christus iets van de menschen geleerd.378Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus iets van de mensen leerde. — 1. Want bij Lukas (2, 46 en 67) wordt gezegd, dat “zij Hem in de Tempel vonden te midden van de leraren, hen ondervragend en antwoordend”. Nu is wie ondervraagt en antwoordt iemand die leert. Dus heeft Christus iets van de mensen geleerd.
2. Praeterea, Acquirere scientiam ab homine docente videtur esse nobilius, quam acquirere a rebus sensibilibus1; quia in anima hominis docentis sunt species intelligibiles in actu, in rebus autem sensibilibus sunt species intelligibiles solum in potentia. Sed Christus accipiebat scientiam experimentalem ex rebus sensibilibus, ut dictum est [art. praec.]. Ergo multo magis poterat accipere scientiam, addiscendo ab hominibus.
2. Wetenschap te krijgen van een mensch, die onderwijst, schijnt hooger te staan dan haar van de zintuigen te krijgen, omdat de verstandsbeelden daadwerkelijk bestaan in de ziel van de mensch, die onderricht geeft, en zij in de zintuiglijk waarneembare dingen alleen naar het vermogen bestaan. Nu kreeg Christus door ondervinding wetenschap van de zintuiglijk waarneembare dingen zooals gezegd is. (Vorig Art.; 9e Kw., 4e Art.). Dus kon Hij zooveel te meer wetenschap krijgen door haar van de menschen te leeren.2. Wetenschap te krijgen van een mens, die onderwijst, schijnt hoger te staan dan haar van de zintuigen te krijgen, omdat de verstandsbeelden daadwerkelijk bestaan in de ziel van de mens, die onderricht geeft, en zij in de zintuiglijk waarneembare dingen alleen naar het vermogen bestaan. Nu kreeg Christus door ondervinding wetenschap van de zintuiglijk waarneembare dingen zoals gezegd is. (Vorig Art.; 9e Kw., 4e Art.). Dus kon Hij zoveel te meer wetenschap krijgen door haar van de mensen te leren.
3. Praeterea, Christus secundum scientiam experimentalem non omnia a principio scivit, sed in ea profecit, ut dictum est [art. praec.]. Sed 379quilibet audiens sermonem significativum alicujus, potest addiscere quod nescit. Ergo Christus potuit ab hominibus aliqua addiscere, quae secundum hanc scientiam nesciebat.
3. Christus wist door de wetenschap der ondervinding van het begin af niet alles, maar ging daarin vooruit, zooals is gezegd (379Vorig Art.). Maar wie iemand met een bedoeling hoort spreken, kan leeren wat hij nog niet weet. Dus kon Christus iets van de menschen leeren, wat Hij met deze wetenschap nog niet wist.3. Christus wist door de wetenschap van de ondervinding van het begin af niet alles, maar ging daarin vooruit, zoals is gezegd (379Vorig Art.). Maar wie iemand met een bedoeling hoort spreken, kan leren wat hij nog niet weet. Dus kon Christus iets van de mensen leren, wat Hij met deze wetenschap nog niet wist.
Sed contra est, quod dicitur Isa. 55. [v. 4]: « Ecce testem populis dedi eum, ducem, ac praeceptorem gentibus ». Praeceptoris autem non est doceri, sed docere. Ergo Christus non accepit aliquam scientiam per doctrinam alicujus hominis.
Maar daartegenover staat, wat bij Isaias wordt gezegd (55, 4): « Ziet, Ik heb Hem den volken als getuige gegeven, aan de stammen als leider en leeraar ». Nu ontvangt een leeraar geen onderricht, maar geeft het. Dus kreeg Christus geen wetenschap door de leer van een mensch.Maar daartegenover staat, wat bij Jesaja wordt gezegd (55, 4): “Ziet, Ik heb Hem de volken als getuige gegeven, aan de stammen als leider en leraar”. Nu ontvangt een leraar geen onderricht, maar geeft het. Dus kreeg Christus geen wetenschap door de leer van een mens.
Respondeo dicendum, quod in quolibet genere id quod est primum movens, non movetur secundum illam speciem motus: sicut primum alterans non alteratur. Christus autem constitutus est a Deo2 caput Ecclesiae, quinimmo omnium hominum, ut supra dictum est [q. 8. art. 3.], ut non solum omnes per ipsum gratiam acciperent, sed etiam ut omnes ab eo doctrinam veritatis reciperent; unde ipse dicit Joann. 18. [v. 37]: « In hoc natus sum, et ad hoc veni in mundum, ut testimonium perhibeam 380veritati ». Et ideo non fuit conveniens ejus dignitati, ut a quocumque homine doceretur.
Leerstelling. — In alle soorten wordt de eerste beweger zelf niet in dat soort beweging bewogen, zooals de eerste, die iets verandert, zelf niet veranderd wordt. Nu is Christus gesteld tot Hoofd der Kerk, nl. van alle menschen, zooals boven is gezegd (8e Kw., 3e Art.), opdat alle menschen niet alleen door Hem de genade zouden ontvangen, maar ook de leer der waarheid van Hem zouden hooren. Daarom zegt Hijzelf bij Johannes (18, 37): « Hiertoe ben Ik geboren en ben Ik in de wereld gekomen, om getuigenis af te leggen voor de waarheid ». En dus paste het 380niet bij Zijn waardigheid, dat Hij van een mensch onderricht ontving.Leerstelling. — In alle soorten wordt de eerste beweger zelf niet in dat soort beweging bewogen, zoals de eerste, die iets verandert, zelf niet veranderd wordt. Nu is Christus gesteld tot Hoofd van de Kerk, nl. van alle mensen, zoals boven is gezegd (8e Kw., 3e Art.), opdat alle mensen niet alleen door Hem de genade zouden ontvangen, maar ook de leer van de waarheid van Hem zouden horen. Daarom zegt Hijzelf bij Johannes (18, 37): “Hiertoe ben Ik geboren en ben Ik in de wereld gekomen, om getuigenis af te leggen voor de waarheid”. En dus paste het 380niet bij Zijn waardigheid, dat Hij van een mens onderricht ontving.
Ad primum ergo dicendum, quod, sicut Origenes dicit super Luc. [hom. 19. ad fin.]: « Dominus interrogabat, non ut aliquid addisceret, sed ut interrogans erudiret. Ex uno quippe doctrinae fonte manat et interrogare, et respondere sapienter ». Unde et ibidem in Evangelio sequitur, quod « stupebant omnes qui eum audiebant, super prudentia, et responsis ejus ».
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het is zooals Origenes zegt in zijn Commentaar op Lucas (19e Hom.): « De Heer ondervroeg, niet om iets te leeren, maar om door Zijn ondervragen te onderrichten. Want uit dezelfde bron van leer vloeit het voort in wijsheid zoowel te ondervragen als te antwoorden ». Daarom volgt op diezelfde plaats in het Evangelie (47), dat « allen, die Hem hoorden, verstomd stonden over Zijn wijsheid en antwoorden ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het is zoals Origenes zegt in zijn Commentaar op Lukas (19e Hom.): “De Heer ondervroeg, niet om iets te leren, maar om door Zijn ondervragen te onderrichten. Want uit dezelfde bron van leer vloeit het voort in wijsheid zowel te ondervragen als te antwoorden”. Daarom volgt op diezelfde plaats in het Evangelie (47), dat “allen, die Hem hoorden, verstomd stonden over Zijn wijsheid en antwoorden”.
Ad secundum dicendum, quod ille qui addiscit ab homine, non accipit immediate scientiam a speciebus intelligibilibus, quae sunt in mente ipsius, sed mediantibus vocibus sensibilibus, tanquam signis intelligibilium conceptionum. Sicut autem voces ab homine formatae sunt signa intellectualis scientiae ipsius; ita creaturae a Deo conditae sunt signa sapientiae ejus. Unde dicitur Eccli. 1. [v. 10], quod « Deus effudit sapientiam super omnia opera sua ». Sicut igitur dignius est doceri a Deo, quam ab homine; 381ita dignius est accipere scientiam per sensibiles creaturas, quam per hominis doctrinam.
2. Wie van een mensch leert, krijgt zijn wetenschap niet onmiddellijk van de verstandsbeelden, die in zijn geest zijn; maar door de onder de zintuigen vallende woorden, die de teekens zijn van de begrippen van het verstand. Zooals nu de door den mensch gevormde woorden teekens zijn van de wetenschap van zijn verstand, zoo heeft God ook de schepsels gemaakt als teekenen van Zijn wijsheid, zoodat in het boek Ecclesiasticus (1, 10) wordt gezegd, dat God « Zijn wijsheid heeft uitgestort over al Zijn werken ». En zooals het dus hooger in waarde staat door God onderricht te worden als door een mensch, zoo staat het ook hooger 381wetenschap te krijgen van de onder de zintuigen vallende schepselen dan door de leer van een mensch.2. Wie van een mens leert, krijgt zijn wetenschap niet onmiddellijk van de verstandsbeelden, die in zijn geest zijn; maar door de onder de zintuigen vallende woorden, die de tekens zijn van de begrippen van het verstand. Zoals nu de door de mens gevormde woorden tekens zijn van de wetenschap van zijn verstand, zo heeft God ook de schepsels gemaakt als tekenen van Zijn wijsheid, zodat in het boek Sirach (1, 10) wordt gezegd, dat God “Zijn wijsheid heeft uitgestort over al Zijn werken”. En zoals het dus hoger in waarde staat door God onderricht te worden als door een mens, zo staat het ook hoger 381wetenschap te krijgen van de onder de zintuigen vallende schepselen dan door de leer van een mens.
Ad tertium dicendum, quod Jesus proficiebat in scientia experimentali, sicut et in aetate, ut dictum est [art. praec.]: sicut autem aetas opportuna requiritur, ad hoc quod homo accipiat scientiam per inventionem; ita etiam ad hoc quod accipiat scientiam per disciplinam. Dominus autem nihil fecit, quod non congrueret ejus aetati; et ideo audiendis doctrinae sermonibus non accommodavit auditum, nisi in illo tempore quo poterat etiam per viam experientiae talem scientiae gradum attigisse; unde Gregorius dicit super Ezech. [hom. 2.]: « Duodecimo anno aetatis suae interrogare dignatus est homines in terra: quia juxta rationis usum, doctrinae sermo non suppetit nisi in aetate perfecta ».
3. Jesus ging vooruit in de wetenschap der ondervinding zooals in jaren, naar boven is gezegd (Vorig Art). Evenals er nu een bepaalde leeftijd wordt vereischt om door eigen vinding wetenschap te verkrijgen, is dat ook noodig om door onderricht wetenschap te verwerven. Nu deed de Heer niets, wat niet bij Zijn leeftijd paste. En daarom schonk Hij geen aandacht aan het luisteren naar de woorden van een leer dan op den leeftijd, dat Hij ook langs den weg der ondervinding de graad van wetenschap bereikt kon hebben. Daarom zegt Gregorius in zijn Commentaar op Ezechiël (1e B., 2e Hom.): « Op den leeftijd van twaalf jaar verwaardigde Hij zich op aarde de menschen te ondervragen, omdat door het gebruik van het verstand het verstandig spreken pas komt op de volmaakten leeftijd ».3. Jesus ging vooruit in de wetenschap van de ondervinding zoals in jaren, naar boven is gezegd (Vorig Art). Evenals er nu een bepaalde leeftijd wordt vereist om door eigen vinding wetenschap te verkrijgen, is dat ook nodig om door onderricht wetenschap te verwerven. Nu deed de Heer niets, wat niet bij Zijn leeftijd paste. En daarom schonk Hij geen aandacht aan het luisteren naar de woorden van een leer dan op de leeftijd, dat Hij ook langs de weg van de ondervinding de graad van wetenschap bereikt kon hebben. Daarom zegt Gregorius in zijn Commentaar op Ezechiël (1e B., 2e Hom.): “Op de leeftijd van twaalf jaar verwaardigde Hij zich op aarde de mensen te ondervragen, omdat door het gebruik van het verstand het verstandig spreken pas komt op de volmaakten leeftijd”.
Utrum Christus aliquid1 acceperit ab angelis
Kreeg Christus wetenschap van de Engelen?
382Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod Christus ab angelis scientiam acceperit. Dicitur enim Lucae 22. [v. 43], quod « apparuit Christo angelus de coelo confortans eum ». Sed confortatio fit per verba confortatoria2 docentis, secundum illud Job 4. [v. 3, 4]: « Ecce docuisti plurimos, et manus lassas roborasti, vacillantes confirmaverunt sermones tui ». Ergo Christus ab angelis edoctus est.
382Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus van de Engelen wetenschap kreeg. — 1. Want bij Lucas (22, 43) wordt gezegd, dat « een Engel van den hemel aan Christus verscheen, die Hem versterkte ». Nu wordt iemand versterkt door de opwekkende woorden van hem, die onderricht geeft volgens Job. (4, 3-4): « Ziet, gij hebt velen onderricht en de vermoeide handen hebt gij versterkt; uw woorden bevestigen de wankelenden ». Dus kreeg Christus onderricht van de Engelen.382Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus van de Engelen wetenschap kreeg. — 1. Want bij Lukas (22, 43) wordt gezegd, dat “een Engel van de hemel aan Christus verscheen, die Hem versterkte”. Nu wordt iemand versterkt door de opwekkende woorden van hem, die onderricht geeft volgens Job. (4, 3-4): “Ziet, gij hebt velen onderricht en de vermoeide handen hebt gij versterkt; uw woorden bevestigen de wankelenden”. Dus kreeg Christus onderricht van de Engelen.
2. Praeterea, Dionysius dicit 4. cap. Coel. Hier.: « Video enim, quod et ipse Jesus supercoelestium substantiarum supersubstantialis substantia, ad nostram intransmutabiliter veniens, obedienter subjicitur Patris et Dei per angelos formationibus ». Videtur igitur, quod ipse Christus 383ordinationi legis divinae subjici voluerit, per quam homines mediantibus angelis erudiuntur.
2. Dionysius zegt in het boek Over de Hemelsche Hierarchiën (4e H.): « Ik zie, dat Jesus, de bovenzelfstandige zelfstandigheid der bovenhemelsche zelfstandigheden, toen Hij onveranderd tot ons kwam, zich gehoorzaam onderwierp aan de vorming van God den Vader door de Engelen ». Het schijnt dus, dat Christus zelf zich wilde onderwerpen aan de verordening der goddelijke wet, 383volgens welke de menschen door middel der Engelen onderricht worden.2. Dionysius zegt in het boek Over de Hemelse Hierarchiën (4e H.): “Ik zie, dat Jesus, de bovenzelfstandige zelfstandigheid van de bovenhemelse zelfstandigheden, toen Hij onveranderd tot ons kwam, zich gehoorzaam onderwierp aan de vorming van God de Vader door de Engelen”. Het schijnt dus, dat Christus zelf zich wilde onderwerpen aan de verordening van de goddelijke wet, 383volgens welke de mensen door middel van de Engelen onderricht worden.
3. Praeterea, sicut corpus humanum naturali ordine subjicitur corporibus coelestibus; ita etiam humana mens angelis mentibus. Sed corpus Christi subjectum fuit impressionibus coelestium corporum: passus est enim calorem in aestate, et in hyeme frigus, sicut et alias humanas passiones. Ergo etiam ejus mens humana subjacebat illuminationibus supercoelestium spirituum.
3. Zooals het menschelijk lichaam volgens de natuurlijke orde aan de hemellichamen onderworpen is, is ook de menschelijke geest aan de engelachtige geesten onderworpen. Nu was Christus lichaam onderworpen aan den invloed der hemellichamen, want Hij leed van de hitte in den zomer en van de koude in den winter als van het andere, dat de mensch ondergaat. Dus stond ook Zijn menschelijke geest onder de verlichting der bovenhemelsche geesten.3. Zoals het menselijk lichaam volgens de natuurlijke orde aan de hemellichamen onderworpen is, is ook de menselijke geest aan de engelachtige geesten onderworpen. Nu was Christus lichaam onderworpen aan de invloed van de hemellichamen, want Hij leed van de hitte in de zomer en van de koude in de winter als van het andere, dat de mens ondergaat. Dus stond ook Zijn menselijke geest onder de verlichting van de bovenhemelse geesten.
Sed contra est, quod Dionysius dicit 7. cap. Coel. Hier., quod supremi angeli « ad ipsum Jesum quaestionem faciunt, divinique illius operis, et pro nobis assumptae carnis scientiam discunt, et eos ipse Jesus sine medio docet ». Non est autem ejusdem docere, et doceri. Ergo Christus non accepit scientiam ab angelis.
Maar daartegenover staat, wat Dionysius zegt in het boek Over de Hemelsche Hierarchiën (7e H.): « De hoogste Engelen stellen vragen aan Jesus zelf en leeren voor ons de wetenschap over Zijn goddelijke werken, en Jesus zelf onderricht hen zonder tusschenpersoon ». Maar wie onderricht geeft en het ontvangt, is niet dezelfde persoon. Dus kreeg Jesus geen onderricht van de Engelen.Maar daartegenover staat, wat Dionysius zegt in het boek Over de Hemelse Hierarchiën (7e H.): “De hoogste Engelen stellen vragen aan Jesus zelf en leren voor ons de wetenschap over Zijn goddelijke werken, en Jesus zelf onderricht hen zonder tussenpersoon”. Maar wie onderricht geeft en het ontvangt, is niet dezelfde persoon. Dus kreeg Jesus geen onderricht van de Engelen.
Respondeo dicendum, quod sicut anima humana media est inter spirituales substantias, et res corporales3, ita duobus modis nata est perfici. 384uno quidem modo per scientiam acceptam ex rebus sensibilibus. Alio modo per scientiam inditam, sive impressam ex illuminatione spiritualium substantiarum. Utroque autem modo anima Christi fuit perfecta: ex sensibilibus quidem secundum scientiam experimentalem; ad quam quidem non requiritur lumen angelicum, sed sufficit lumen intellectus agentis: ex impressione vero superiori secundum scientiam infusam, quam est immediate adeptus a Deo. Sicut enim supra communem modum creaturae anima illa unita est Verbo in unitate personae; ita supra communem modum hominum immediate ab ipso Dei Verbo repleta est scientia, et gratia. Non autem mediantibus angelis, qui etiam ex influentia Verbi rerum scientiam in sui principio acceperunt, sicut in 2. super Gen. ad litteram [cap. 8.] Aug. dicit.
Leerstelling. — De menschelijke ziel houdt het midden tusschen de geestelijke zelfstandigheden en de lichamelijke dingen 384en heeft daarom een dubbelen aanleg om vervolmaakt te worden: en wel ten eerste door de wetenschap, die zij van de onder de zintuigen vallende dingen krijgt, en daarnaast door de wetenschap, die zij ingegeven of ingedrukt krijgt door de verlichting der geestelijke zelfstandigheden. Nu was Christus' ziel op beide manieren volmaakt, en wel van de kant der onder de zintuigen vallende dingen door de wetenschap door ondervinding verkregen, waartoe nl. het licht der Engelen niet noodig is, maar het licht van het werkend verstand volstaat; en door de inwerking van boven was Hij volmaakt naar de ingestorte wetenschap, die Hij onmiddellijk van God kreeg. Want evenals die ziel boven hetgeen in de natuur der gewone schepselen ligt met het Woord in eenheid van persoon vereenigd is, werd zij ook onmiddellijk door het Woord zelf met genade en wetenschap vervuld, en niet door middel van de Engelen, die ook in het begin van hun bestaan door den invloed van het Woord kennis der dingen ontvingen, zooals Augustinus zegt in het 2e boek van zijn Commentaar op Genesis' letterlijke beteekenis (8e H.).Leerstelling. — De menselijke ziel houdt het midden tussen de geestelijke zelfstandigheden en de lichamelijke dingen 384en heeft daarom een dubbelen aanleg om vervolmaakt te worden: en wel ten eerste door de wetenschap, die zij van de onder de zintuigen vallende dingen krijgt, en daarnaast door de wetenschap, die zij ingegeven of ingedrukt krijgt door de verlichting van de geestelijke zelfstandigheden. Nu was Christus' ziel op beide manieren volmaakt, en wel van de kant van de onder de zintuigen vallende dingen door de wetenschap door ondervinding verkregen, waartoe nl. het licht van de Engelen niet nodig is, maar het licht van het werkend verstand volstaat; en door de inwerking van boven was Hij volmaakt naar de ingestorte wetenschap, die Hij onmiddellijk van God kreeg. Want evenals die ziel boven hetgeen in de natuur van de gewone schepselen ligt met het Woord in eenheid van persoon verenigd is, werd zij ook onmiddellijk door het Woord zelf met genade en wetenschap vervuld, en niet door middel van de Engelen, die ook in het begin van hun bestaan door de invloed van het Woord kennis van de dingen ontvingen, zoals Augustinus zegt in het 2e boek van zijn Commentaar op Genesis' letterlijke betekenis (8e H.).
Ad primum ergo dicendum, quod illa confortatio angeli non fuit per modum instructionis, sed ad demonstrandam proprietatem humanae naturae. Unde Beda dicit sup. Luc. [lib. 6. cap. 22. v. 43]: « In documento 385utriusque naturae, et angeli ei ministrasse, et eum confortasse dicuntur: Creator enim creaturae suae non eguit praesidio: sed homo factus, sicut propter nos tristis est, ita propter nos confortatur », ut scilicet in nobis fides Incarnationis ipsius confirmetur.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Deze versterking door een Engel geschiedde niet bij wijze van onderricht, maar om te wijzen op de eigen aard der menschelijke natuur. Daarom zegt Beda in zijn Commentaar op Lucas (6e B. op 22, 43): « Om de 385echtheid van beide naturen te bewijzen wordt zoowel gezegd, dat de Engelen Hem dienden als dat zij Hem versterkten. Want de Schepper had geen behoefte aan de bescherming van Zijn schepsel, maar toen Hij mensch was geworden, werd Hij om ons versterkt, zooals Hij om ons bedroefd was », omdat nl. het geloof aan Zijn menschwording in ons versterkt zou worden.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Deze versterking door een Engel geschiedde niet bij wijze van onderricht, maar om te wijzen op de eigen aard van de menselijke natuur. Daarom zegt Beda in zijn Commentaar op Lukas (6e B. op 22, 43): “Om de 385echtheid van beide naturen te bewijzen wordt zowel gezegd, dat de Engelen Hem dienden als dat zij Hem versterkten. Want de Schepper had geen behoefte aan de bescherming van Zijn schepsel, maar toen Hij mens was geworden, werd Hij om ons versterkt, zoals Hij om ons bedroefd was”, omdat nl. het geloof aan Zijn menswording in ons versterkt zou worden.
Ad secundum dicendum, quod Dionysius dicit, Christum « fuisse formationibus angelicis subjectum » non ratione sui ipsius, sed ratione eorum, quae circa ejus incarnationem agebantur, et circa ministrationem ejus in infantili aetate constituti. Unde ibidem subdit, quod « per medios angelos nuntiatur Joseph a patre dispensata Jesu ad Aegyptum recessio, et rursum ad Judaeam de Aegypto traductio ».
2. Dionysius zegt niet, dat Christus « aan de leiding der Engelen onderworpen was » om wille van Hem zelf, maar om wat er om Zijn menschwording heen gebeurde en wat hun diensten betreft, toen Hij nog den leeftijd van een kind had. Daarom voegt hij er op dezelfde plaats bij, dat « door middel van Engelen aan Joseph werd bericht, dat Jesus' vlucht naar Egypte door den Vader was bepaald, en daarna wederom Zijn terugkeer uit Egypte naar Judea ».2. Dionysius zegt niet, dat Christus “aan de leiding van de Engelen onderworpen was” om wille van Hemzelf, maar om wat er om Zijn menswording heen gebeurde en wat hun diensten betreft, toen Hij nog de leeftijd van een kind had. Daarom voegt hij er op dezelfde plaats bij, dat “door middel van Engelen aan Joseph werd bericht, dat Jesus' vlucht naar Egypte door de Vader was bepaald, en daarna wederom Zijn terugkeer uit Egypte naar Judea”.
Ad tertium dicendum, quod Filius Dei assumpsit corpus passibile, ut infra dicetur [q. 14. art. 1.]: sed animam perfectam scientia, et gratia. Et ideo corpus ejus convenienter fuit subjectum impressioni coelestium corporum: anima vero ejus non fuit subjecta impressioni coelestium spirituum.
3. Gods Zoon nam een lichaam, dat lijden kon, aan, zooals later zal worden gezegd (14e Kw., 1e Art.), maar een ziel, die in genade en wetenschap volmaakt was. En daarom paste het, dat Zijn lichaam aan den invloed der hemellichamen onderworpen was; maar zijn ziel niet aan dien der hemelsche geesten.3. Gods Zoon nam een lichaam, dat lijden kon, aan, zoals later zal worden gezegd (14e Kw., 1e Art.), maar een ziel, die in genade en wetenschap volmaakt was. En daarom paste het, dat Zijn lichaam aan de invloed van de hemellichamen onderworpen was; maar zijn ziel niet aan die van de hemelse geesten.